Instantie: Rechtbank Breda, 17 maart 1995

Instantie

Rechtbank Breda

Samenvatting


Partijen zijn zeven jaar getrouwd geweest en gaan scheiden. Zij hebben
een kind van vijf jaar. De man stelt dat bij vaststelling van de
behoefte rekening moet worden gehouden met hetgeen de vrouw heeft
ontvangen uit de verkoop van de echtelijke woning. De vrouw stelt dat
dit bedrag is besteed aan noodzakelijke kosten. Zij heeft thans een
ABW- uitkering. De rechtbank oordeelt dat daarmee de behoefte van de
vrouw vaststaat. Het verzoek de alimentatie te limiteren wijst de
rechtbank af: Vaststaat dat de vrouw thans is aangewezen op een
bijstandsuitkering en dat zij de zorg heeft voor het nog jonge kind van
partijen. In het licht hiervan is thans geenszins vast te stellen of de
vrouw over afzienbare tijd door arbeid volledig in haar levensonderhoud
zal kunnen voorzien. Alimentatie wordt ƒ 500,=.

Volledige tekst

1. Het verloop van het geding Dit blijkt uit de volgende stukken: -het
op 1 augustus 1994 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen; -het op 27
september 1994 ontvangen verweerschrift, met bijlagen; -de op 13
december 1994 ontvangen repliek; -de beschikking voorlopige
voorzieningen van 4 juli 1994; -de op 12 januari 1995 en 16 januari
1995 ontvangen brieven van de procureur van de vrouw, met bijlagen; -de
op 11 januari 1995 en 16 januari 1995 ontvangen brieven van de
procureur van de man, met bijlagen; -het proces-verbaal van de op
behandeling ter terechtzitting van 17 januari 1995.

Verder behoort tot de stukken:

-het uittreksel uit het voogdijregister betreffende na te noemen
minderjarige.

De inhoud van deze stukken dient als hier overgenomen te worden
beschouwd.

2. Het verzoek

De vrouw verzoekt samengevat: -echtscheiding; -bevel tot verdeling van
de gemeenschappelijke goederen; -vaststelling van een door de man aan
haar te betalen onderhoudsuitkering van ƒ 600,= per maand; -benoeming
van haar tot voogdes en van de man tot toeziend voogd over hun
minderjarig kind; -vaststelling van een door de man te betalen
onderhoudsuitkering ten behoeve van die minderjarige van ƒ 250,= per
maand.

3. De beoordeling

3.1. Tussen partijen staat blijkens de stelling en overgelegde stukken
vast:

-dat zij op 25 augustus 1988 in de gemeente Roosendaal en Nispen met
elkaar zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen; -dat zij uit
dit huwelijk een minderjarige kind hebben; -dat zij de Nederlandse
nationaliteit bezitten; -dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht.

3.2. Het verzoek tot -echtscheiding; -bevel tot verdeling van de
gemeenschappelijke goederen; -voorziening in het gezag over het
minderjarige kind; -vaststelling van een door de man te betalen
onderhoudsuitkering ten behoeve van die minderjarige, ligt als op de
wet gegrond en niet weersproken voor toewijzing gereed.

3.3 Partijen zijn verdeeld gebleven over de door de vrouw verzochte
bijdrage in haar levensonderhoud.

3.4. Ten aanzien van de vaststelling van de behoefte van de vrouw is
door de man aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de
opbrengst van de overwaarde van de echtelijke woning. De vrouw heeft,
naar het oordeel van de rechtbank, voldoende aannemelijk gemaakt dat
deze opbrengst van de overwaarde van de echtelijke woning. De vrouw
heeft, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende aannemelijk gemaakt
dat deze opbrengst aan overwaarde is opgegaan aan de noodzakelijke
kosten, zoals advocaatskosten, verhuiskosten en herinrichtingskosten.
De vrouw ontvangt thans een uitkering krachtens de Algemene
Bijstandswet. De behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de zijde
van de man staat daarmee vast.

3.5. De man betwist de financiele draagkracht te bezitten tot betaling
van die bijdrage.

Voor de vaststelling van de financiele draagkracht van de man gaat de
rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken
gegevens.

Blijkens de door de man overgelegde salarisspecificatie van
(…) inkomen van ƒ 49.963,= per jaar, inclusief de
overhevelingstoeslag en de gebruikelijke vakantietoeslag, hetgeen
neerkomt op ƒ 4.163,= per maand. Voor de vaststelling van de lasten en
uitgaven van de man gaat de rechtbank uit van de volgende posten op
maandbasis:

-het op de Algemene Bijstandswet gebaseerde normbedrag voor een
zelfstandig wonende alleenstaande, exclusief de woonkostencomponent,
waaruit de noodzakelijke in het algemeen geldende kosten van
levensonderhoud moeten worden voldaan; -f 697,= aan huur; -f 15,= aan
aanvullende premie ziektekostenverzekering -f 19,= aan premie
levensverzekering; -f 50,= aan kosten verbonden aan de omgangsregeling,
welk bedrag de rechtbank redelijk acht nu de man ter terechtzitting
heeft aangegeven regelmatig omgang te willen hebben met het
minderjarige kind van partijen; -f 150,= aan autokosten, welk bedrag de
rechtbank redelijk acht, nu de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt
de auto geregeld nodig te hebben voor zijn werk in verband met de
onregelmatige arbeidstijden.

Voor het overig is niet gebleken van lasten waarmee rekening moet
worden gehouden.

De rechtbank houdt geen rekening met de door de man opgevoerde post
terzake de maandelijkse aflossing van de lening van ƒ 300,= per maand,
omdat deze schuld is aangegaan na de beeindiging van de samenwoning van
partijen. Tevens is ter terechtzitting gebleken dat deze lening is
gebruikt voor andere doeleinden dan de opgevoerde herinrichtingskosten,
terwijl de herinrichtingskosten voldaan hadden kunnen worden uit de
opbrengst van de overwaarde van de echtelijke woning.

3.6. Op grond van voormelde financiele omstandigheden en rekening
houdend met de fiscale gevolgen, acht de rechtbank bij de man de
draagkracht aanwezig de na te melden bijdrage te voldoen aan de vrouw
naast de onderhoudsuitkering te behoeve van de minderjarige. Die
bijdrage acht de rechtbank overigens in overeenstemming met de
wettelijke maatstaven.

3.7. Door de man is verzocht de te betalen bijdrage voor de vrouw te
limiteren in duur. Vaststaat dat de vrouw thans is aangewezen op een
bijstandsuitkering en dat zij de zorg heeft voor het nog jonge kind van
partijen. In het licht hiervan is thans geenszins vast te stellen of de
vrouw over afzienbare tijd door arbeid volledig in haar levensonderhoud
zal kunnen voorzien. Dat brengt mee dat het verzoek van de man tot
beperking van de duur van zijn alimentatieverplichting moet worden
afgewezen.

3.8. Aangezien partijen echtgenoten zijn, zal de rechtbank bepalen dat
iedere partij de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op in de gemeente
met elkaar gehuwd;

beveelt de verdeling ten overstaan van een notaris van de
gemeenschappelijke goederen van partijen;

benoemt tot notaris mr. A.A.C.C. Rademakers te Roosendaal, gemeente
Roosendaal en Nispen, zijn opvolger, waarnemer of plaatsvervanger, voor
wie, zo partijen niet een andere notaris kiezen, de werkzaamheden van
die verdeling zullen plaatshebben, op de door deze te bepalen tijd en
plaats;

benoemt tot onzijdig persoon mr. W.J.A. Braat, gemeente Roosendaal en
Nispen, tot vertegenwoordiging van diegene van partijen die niet
meewerkt tot de verdeling;

benoemt de vrouw tot voogdes over de minderjarige:

geboren te op , en de man tot toeziend voogd;

beveelt de afgifte van deze minderjarige aan de vrouw;

bepaalt dat de man vanaf de dag dat de voogdijvoorziening ingaat ten
behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige aan de
vrouw bij vooruitbetaling zal voldoen een bedrag van ƒ 250,=
(tweehonderd en vijftig gulden) per maand;

bepaalt dat de man vanaf de dag dat deze beschikking wordt ingeschreven
in de registers van de Burgerlijke Stand aan de vrouw voor
levensonderhoud tegen bewijs van kwijting en bij vooruitbetaling zal
voldoen een bedrag van ƒ 500,= (vijfhonderd gulden) per maand;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Rechters

mr. Cohen

Instantie: Rechtbank Zutphen, 16 maart 1995

Instantie

Rechtbank Zutphen

Samenvatting


Partijen zijn 23 jaar getrouwd geweest en hebben een minderjarig kind van
16 jaar. De man stelt dat de vrouw door middel van het verrichten van
werkzaamheden geheel in eigen levensonderhoud kan voorzien. Zij heeft
gewerkt als homeopaat, is tekenlerares en beeldend kunstenaar. Zij zal uit
de boedelscheiding ƒ 100.000,= ontvangen hetgeen haar behoefte vermindert.
De vrouw stelt dat zij sinds 3 jaar geen praktijk meer uitoefent als
homeopaat; zij is opgeleid en heeft ervaring als kunstenaar en
tekenlerares. Zij wil haar werkzaamheden uitbreiden en hoopt daarmee over
2,5 jaar geheel in haar levensonderhoud te voorzien. Naast bovenstaande
neemt de rechtbank bij bepaling van de behoefte in overweging: leeftijd
vrouw (44 jaar), duur huwelijk, tijdens huwelijk heeft vrouw zorg voor de
kinderen gehad, de laatste jaren van het huwelijk heeft vrouw
werkzaamheden als boven omschreven verricht, de inkomsten en lasten van
de vrouw. Gelet op deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien is
de rechtbank van oordeel dat de vrouw behoefte heeft aan alimentatie.
Alimentatie wordt ƒ 840,=.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Dit verloop blijkt uit: -het verzoekschrift, ingekomen op 19 september
1994; -het exploit van betekening van 27 september 1994; -het herstel
exploit van dertig september 1994; -het verweerschrift, ingekomen op 13
december 1994; -de tussenbeschikking d.d. 27 december 1994; -de brief met
bijlage d.d. 10 januari 1995 van mr. Hartogs; -het proces-verbaal van de
behandeling ter terechtzitting op 18 januari 1995; -de brief met bijlagen
d.d. 23 januari 1995 van mr. Hartogs; -de schriftelijke uitlating d.d. 27
januari 1995 van mr. Bijl;

De vaststaande feiten:

Partijen zijn op 14 juli 1972 in de gemeente Arnhem in algehele
gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen is geboren het thans nog minderjarige kind
, geboren te op .

De vrouw verzoekt:

-de echtscheiding uit te spreken, -haar te benoemen tot voogdes en de man
tot toeziend voogd over hun minderjarige kind, -een alimentatie vast te
stellen van ƒ 300,= per maand voor de minderjarige en van ƒ 928,= per
maand voor de vrouw, -de te geven beschikking, voor zoveel mogelijk,
uitvoerbaar bij voorraad te verklaren; -kosten rechtens.

Zij stelt naast hetgeen hierboven als vaststaand is vermeld dat het
huwelijk duurzaam is ontwricht, dat zij behoefte heeft aan en de man
voldoende draagkracht heeft voor de verzochte bijdragen.

Het verweer:

De man voert uitsluitend verweer tegen de verzochte alimentatie voor de
vrouw. De man stelt dat de vrouw door middel van het verrichten van werk
geheel in haar levensonderhoud kan voorzien. De vrouw heeft gewerkt als
homeopaat, zij is gediplomeerd tekenlerares en beeldend kunstenaar. Zij
geeft tekenlessen en houdt exposities en verkoopt eigen werk en zij kan
haar werkzaamheden uitbreiden. Tenslotte wijst de man erop dat de vrouw
in het kader van de boedelscheiding ruim ƒ 100.000,= zal ontvangen,
hetgeen haar behoefte vermindert. Subsidiair betwist de man dat hij meer
ruimte voor alimentatie voor de vrouw heeft dan ƒ 848,60 per maand waarbij
hij nog geen rekening heeft gehouden met de post herinrichting van ƒ 250,=
per maand.

De beoordeling:

Nu de man niet betwist dat het huwelijk duurzaam is ontwricht ligt de
verzochte echtscheiding voor toewijzing gereed.

Ten aanzien van de voorziening in het gezag zijn de minderjarige en de
Raad voor de Kinderbescherming in de gelegenheid gesteld hun mening aan
de rechtbank kenbaar te maken.

Nu de man zich met de door de vrouw voorgestelde gezagsvoorziening over
het minderjarige kind van partijen kan verenigen en de Raad voor de
Kinderbescherming geen aanleiding heeft gezien om naar aanleiding van de
voorgestelde gezagsvoorziening te adviseren, wordt zulks in het belang van
de minderjarige geacht en wordt als volgt beslist.

Het voorstel van de vrouw, waartoe de man zich bereid heeft verklaard, om
de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding
van de minderjarige op een bedrag van ƒ 300,= per maand vast te stellen
is in overeenstemming met de wettelijke maatstaven, zodat overeenkomstig
het verzoek van de vrouw beslist zal worden.

Partijen zijn verdeeld over de behoefte van de vrouw en de draagkracht van
de man.

De vrouw heeft onbetwist gesteld dat zij sedert drie jaar geen praktijk
meer uitoefent als homeopaat, dat zij onvoldoende is opgeleid om dat werk
met enig vertrouwen weer op te pakken en dat zij dit werk deed aanvullend
op het werk van de man als fysiotherapeut. De rechtbank acht het niet
redelijk van de vrouw te verlangen deze werkzaamheden te hervatten.

De vrouw is opgeleid en heeft ervaring als kunstenaar en tekenlerares. Zij
wil haar werkzaamheden op dit gebied uitbreiden en hoopt daarmee op een
termijn van 2 a 2,5 jaar geheel in haar levensonderhoud te voorzien.

Zij stelt dat haar inkomsten uit teken- en schildercursussen in de
afgelopen jaren het volgende hebben bedragen: in 1991
ƒ 2.830,= minus kosten
ƒ 5.045,= in 1992
ƒ 3.960,= minus kosten
ƒ 4.395,= in 1993
ƒ 4.980,= minus kosten
ƒ 1.500,=. Deze bedragen zijn opgenomen in de aangiften IB van de man.

Over 1994 geeft de vrouw de volgende bedragen op: inkomsten cursussen
van januari tot april ƒ 1.710,=
van september tot december ƒ 3.250,=
minus kosten ƒ 790,=
opbrengsten verkoop schilderijen ƒ 1.500,=
derhalve netto in totaal ƒ 3.952,=.

Omdat de man twijfelde aan de juistheid van de opgave van de vrouw heeft
de vrouw desverzocht nadere gegevens overgelegd: haar kasboek en een
aantal pagina’s uit een klapper waarop de cursisten vanaf september 1994
staan vermeld. De man heeft naar aanleiding van deze laatste lijst gesteld
dat de inkomsten uit tekenlessen over de bedoelde periode september tot
december 1994 ƒ 4.485,= bedroegen in plaats van ƒ 3.250,=. De man geeft
echter niet aan hoe hij dit bedrag heeft berekend. Zelfs al zou dit bedrag
juist zijn dan dient nog rekening gehouden te worden met het feit dat de
tekencursussen gedurende hooguit 8 maanden per jaar gegeven worden en dat
de vrouw kosten maakt om dit inkomen te verwerven.

De vrouw is thans 44 jaar. Tijdens het huwelijk met de man, dat 22 jaar
heeft geduurd, heeft zij zich belast met de verzorging en opvoeding van
de beide kinderen. De laatste jaren heeft de vrouw daarnaast werkzaamheden
verricht zoals hierboven vermeld met inkomsten zoals weergegeven.

De vrouw is met der partijen dochter verhuisd naar een huurwoning. Op
zolder van de woning heeft de vrouw thans haar atelier, dat kleiner is dan
haar vorige atelier zodat zij kleinere groepjes kan ontvangen dan
voorheen.

In het kader van de boedelscheiding heeft de vrouw reeds een bedrag van
ƒ 97.000,= ontvangen, zij zal nog ƒ 5.000,= ontvangen. De vrouw heeft een
bedrag van ƒ 10.000,= uitgetrokken voor de verhuizing en inrichting van
haar woning. De rechtbank acht dit een redelijk bedrag. Over het restant
van ƒ 92.000,= kan de vrouw een rente ontvangen, die de vrouw onbetwist
stelt op ƒ 5.000,= per jaar.

De rechtbank acht niet aannemelijk dat de vrouw thans reeds geheel in
eigen levensonderhoud kan voorzien, gelet enerzijds op de inkomsten uit
rente en het inkomen uit lessen en verkoop van werk zoals zij dat tot nu
toe heeft verworven en anderzijds de lasten van de vrouw: een huur van ƒ
786,= per maand en de premie ziektekostenverzekering voor de vrouw en de
dochter van ƒ 222,05 per maand met een eigen risico van ƒ 500,= per jaar.
Overigens heeft de vrouw geen bijzondere lasten aangetoond.

Gelet op bovenstaande omstandigheden in onderlinge samenhang bezien is de
rechtbank van oordeel dat de vrouw behoefte heeft aan alimentatie.

Ter berekening van de draagkracht van de man gaat de vrouw uit van de
gemiddelde winst over de laatste drie jaar uit de fysiotherapie-praktijk
van de man, zijnde een bedrag van ƒ 61.884,= per jaar. De man gaat uit van
de winst over de laatste 5 jaar, zijnde een bedrag van ƒ 60.067,= per
jaar. De rechtbank acht het redelijk van het gemiddelde van de laatste
drie jaar uit te gaan.

De rechtbank rekent met de volgende tussen partijen vaststaande posten:
huurwaardeforfait van ƒ 3.360,=, hypotheekrente van ƒ 12.920,=,
zelfstandigenaftrek van ƒ 6.635,=, lijfrenteaftrek van ƒ 3.600,=, de
buitengewone lastenaftrek wegens alimentatie voor de dochter en de
belastingvrije som volgens groep 2. Rekening houdend met de tarieven van
1994 bedraagt het netto besteedbaar inkomen ƒ 4.116,= per maand.

De man heeft de volgende niet door de vrouw betwiste lasten, op
maandbasis: -voor levensonderhoud, de norm van ƒ 1.311,=, -hypotheekrente
ƒ 1.076,67, premie levensverzekering ƒ 300,= en overige eigenaarslasten
ƒ 150,= minus de wooncomponent van ƒ 335,=, -ziektekostenpremie ƒ 150,=.

Ter terechtzitting heeft de man nog een post van ƒ 250,= per maand voor
herinrichting opgevoerd. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd, zij
acht dit bedrag veel te hoog. De rechtbank acht het redelijk om tot een
bedrag van ƒ 100,= per maand rekening te houden met kosten voor
herinrichting. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank minder
herinrichtingskosten dan de vrouw omdat hij in de echtelijke woning is
blijven wonen.

Van de draagkracht is 60% beschikbaar voor alimentatie-betaling. Na aftrek
van de alimentatie voor der partijen dochter van ƒ 300,= per maand heeft
de man voldoende ruimte voor een alimentatie van ƒ 840,= per maand voor
de vrouw waarbij de rechtbank het door de man te behalen belastingvoordeel
geheel aan de vrouw heeft toegerekend. Deze bijdrage is in overeenstemming
met de wettelijke maatstaven.

Aangezien partijen elkaars echtgenoten zijn, zal de rechtbank de kosten
als volgt compenseren.

De beslissing:

De rechtbank:

Spreekt uit de echtscheiding tussen de vrouw en de man, op met elkaar
gehuwd. Veroordeelt de man om, vanaf de dag waarop deze beschikking zal
zijn ingeschreven in de desbetreffende registers van de Burgerlijke Stand,
aan de vrouw voor levensonderhoud te betalen de som van ƒ 840,=
(achthonderdveertig gulden) per maand, telkens bij vooruitbetaling te
voldoen.

Verklaart de beschikking voor wat betreft de alimentatieveroordeling
uitvoerbaar bij voorraad.

Benoemt over het minderjarige kind: * geboren te op tot voogdes:
de vrouw, wonende te aan de en tot toeziend voogd: de man, wonende
te aan de .

Beveelt dat de minderjarige, indien zij zich niet reeds bevindt in de
feitelijke macht van de met het gezag beklede ouder, aan deze zal worden
afgegeven.

Bepaalt dat de man, met ingang van de dag waarop de voogdij zal aanvangen,
als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige
aan de vrouw zal betalen ƒ 300,= (driehonderd gulden) per maand, voor de
toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Verklaart deze beschikking voor wat betreft de beslissing over het gezag
over genoemde minderjarige en de voor die minderjarige te betalen
alimentatie uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of ander verzochte.

Compenseert de kosten van dit geding aldus, dat iedere echtgenoot met de
eigen kosten belast blijft, behoudens dat de executiekosten ten laste van
de man komen, indien niet vrijwillig wordt voldaan aan de bij deze
beschikking opgelegde alimentatieplicht.

Veroordeelt mitsdien de man in dat geval te dier zake te betalen
rechtstreeks aan de procureur van de vrouw het onder nakosten vallende
salaris en rechtstreeks aan de executerende deurwaarder de nakomende
verschotten.

Rechters

Mr Mens

Instantie: Rechtbank Maastricht, 16 maart 1995

Instantie

Rechtbank Maastricht

Samenvatting


Partijen zijn 28 jaar getrouwd geweest en hebben een minderjarige dochter
van 17 jaar oud. De vrouw vraagt ƒ 4.000,= alimentatie. Zij heeft
rente-inkomsten uit vermogen. Bij de beoordeling van de behoefte van de
vrouw neemt de rechtbank het volgende in aanmerking: de vrouw heeft de
zorg voor het minderjarige kind van partijen, voor wie zij ƒ 500,= per
maand aan alimentatie ontvangt. Zij bezit een woning vrij van hypothecaire
lasten en de ziektekosten voor de vrouw en het kind bedragen ƒ 3.300,= per
jaar. Gelet op het vorenstaande en op de staat en stand gedurende het
huwelijk komt de rechtbank de door de vrouw gevraagde alimentatie niet
onredelijk voor, zodat zij van de door de vrouw gestelde behoefte zal
uitgaan. alimentatie wordt ƒ 2.185,=.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure

Verzoekster, verder te noemen: de vrouw, heeft bij op 11 oktober 1994 ter
Griffie ingediend verzoekschrift tot echtscheiding, subsidiair scheiding
van tafel en bed met nevenvoorzieningen zich gewend tot deze rechtbank.

Het verzoekschrift is op 13 oktober 1994 betekend aan verweerder, verder
te noemen: de man.

Door de man is op 18 oktober 1994 een verweerschrift ingediend, dat tevens
een zelfstandig verzoek bevat.

De vrouw heeft naar aanleiding van dit zelfstandig verzoek op 22 november
1994 een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 23 januari 1995.

De man heeft bij brief van zijn procureur d.d. 27 januari 1995 nog een
produktie overgelegd.

De brief van de procureur van de man van 25 januari 1995 en de daarbij
gevoegde bijlage laat de Rechtbank buiten beschouwing.

De Rechtbank heeft een fotokopie van het verzoekschrift doen toekomen aan
de Raad voor de Kinderbescherming te Maastricht, zoals blijkt uit de
aantekening van de Griffier van deze Rechtbank op het verzoekschrift.

Het minderjarige kind van de echtgenoten dat de leeftijd van twaalf jaren
heeft bereikt, heeft d.d. 16 november 1994 een verklaring ondertekend met
betrekking tot het gezag.

In deze zaak zijn tevens voorlopige voorzieningen getroffen.

2. Beoordeling

Uit de stukken blijkt hetgeen de vrouw heeft gesteld omtrent de plaats en
dag van de voltrekking van het huwelijk, de voornamen en de geboortedag
van het thans nog minderjarige kind en de nationaliteit van partijen.

De vrouw verzoekt primair echtscheiding, subsidiair scheiding van tafel
en bed, stellende dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, hetgeen door de
man is erkend, zodat deze stelling ten processe vaststaat en het
-overigens niet weersproken- verzoek tot echtscheiding derhalve moet
worden toegewezen.

Partijen hebben met betrekking tot de voorziening in het gezag over der
partijen thans nog minderjarige kind overeenstemming bereikt, in die zin
dat de vrouw dient te worden benoemd tot voogdes over dit kind en de man
tot toeziend voogd.

De Rechtbank, van oordeel zijnde dat deze voorziening in het gezag in het
belang van de minderjarige is, zal dienovereenkomstig beslissen, nu ook
de Raad voor de Kinderbescherming te Maastricht na daartoe in de
gelegenheid gesteld te zijn, niet van bezwaren heeft doen blijken, en nu
uit de overgelegde verklaring van der partijen minderjarige kind, dat de
leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt, blijkt dat het met deze
voorziening in het gezag instemt.

De Rechtbank acht termen aanwezig deze benoemingsbeslissing ambtshalve
uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De vrouw verzoekt de man te veroordelen tot betaling van een bijdrage in
de kosten van verzorging en opvoeding van der partijen minderjarige kind,
ten bedrage van ƒ 500,= per maand te vermeerderen met het bedrag van
iedere uitkering welke hem op grond van geldende wetten of regelingen ten
behoeve van de minderjarige zal of kan worden verleend.

De man heeft zich bereid verklaard deze bijdrage te betalen en de
Rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

De vrouw heeft ten laste van de man verzocht de toekenning van een
uitkering tot haar levensonderhoud ten bedrage van ƒ 4.000,= per maand.

De man heeft dit verzoek gemotiveerd betwist.

De man betwist de behoefte van de vrouw aan de gevraagde alimentatie en
de draagkracht tot betaling daarvan.

De man stelt dat de vrouw kunstschilder is en dat zij aldus inkomsten uit
arbeid kan verwerven en dat de vrouw beschikt over een vermogen van ƒ
200.000,= waarover zij inkomsten kan genereren.

De vrouw voert hiertegen aan dat de inkomsten die zij als kunstschilder
verwerft nauwelijks voldoende zijn ter dekking van de kosten en zij wijst
erop dat in de aangifte Inkomstenbelasting premies volksverzekeringen 1993
ten name van de man (verder te noemen de belastingaangifte) bij vraag 7G
naar het persoonlijk inkomen van de echtgenoot van de man staat vermeld
“ƒ 0”.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de vrouw bij brief van
haar procureur van 13 januari 1995 een kopie overgelegd van een
rekeningafschrift van een rendement rekening ten name van de vrouw. Uit
dat afschrift blijkt dat het credit-saldo op die rekening ƒ 190.000,=
bedraagt en dat de vrouw daarover 5,25% rente per jaar ontvangt, zijnde
ƒ 9.975,= per jaar.

De vrouw heeft naar het oordeel van de Rechtbank voldoende aannemelijk
gemaakt dat zij op haar oorspronkelijk vermogen van ƒ 200.000,= heeft
moeten interen, zodat zij zal uitgaan van de hierboven genoemde
rente-inkomsten van de vrouw van ƒ 9.975,= per jaar, rekening houden met
een rentevrijstelling van ƒ 1.000,= per jaar.

De Rechtbank acht voorts aannemelijk dat de inkomsten die de vrouw
verwerft als kunstschilder kostendekkend zijn, zodat zij deze buiten
beschouwing zal laten bij de beoordeling van de behoefte van de vrouw.

Bij die beoordeling neemt de Rechtbank in aanmerking dat de vrouw de zorg
heeft voor het minderjarige kind van partijen, voor wie zij ƒ 500,= per
maand aan alimentatie ontvangt, dat de vrouw een woning bezit die vrij is
van hypothecaire lasten en dat de ziektekosten van de vrouw en het
minderjarige kind ƒ 3.218,95 per jaar bedragen.

Gelet op het vorenstaande en op de staat en stand gedurende het huwelijk
van partijen, komt de Rechtbank de door de vrouw gevraagde alimentatie
niet onredelijk voor, zodat zij van de door de vrouw gestelde behoefte zal
uitgaan.

Met betrekking tot de draagkracht van de man overweegt de Rechtbank het
volgende.

Partijen kiezen beide als uitgangspunt het in de belastingaangifte
vermelde onzuiver inkomen van de man van ƒ 133.203,= per jaar,
resulterende in een belastbaar inkomen van ƒ 74.756=. Uit de door de man
overgelegde Aanslag Inkomstenbelasting premies volksverzekeringen 1993 van
31 december 1994 blijkt dat de belastingdienst de aangifte van de man
heeft gevolgd, zodat naar het oordeel van de Rechtbank met recht het
hierboven vermelde onzuiver inkomen als uitgangspunt kan worden genomen.

De man heeft in zijn berekening op dat onzuiver inkomen een drietal
inkomsten in mindering gebracht, hetgeen door de vrouw is betwist.

De Rechtbank is van oordeel dat alleen de in het onzuiver inkomen van de
man begrepen rente-inkomen van het minderjarige kind van partijen ad ƒ
3.254,= daarop in mindering strekken, nu deze vanaf de scheiding van
partijen niet meer tot het onzuiver inkomen van de man behoren. De overige
rente-inkomsten en de inkomsten uit verhuur zijn naar het oordeel van de
Rechtbank door de man ten onrechte buiten beschouwing gelaten nu de man
niet heeft aangetoond noch aannemelijk heeft gemaakt dat die inkomsten
zijn weggevallen.

De Rechtbank zal derhalve uitgaan van een totaal bruto inkomen van de man
van ƒ 29.949,= per jaar.

Zoals uit de belastingaangifte blijkt, zijn in dit inkomen begrepen
inkomsten uit effecten (dividend), zodat hiermee naar het oordeel van de
Rechtbank niet afzonderlijk rekening dient te worden gehouden, zoals de
vrouw meent.

De Rechtbank zal rekening houden met de door de man opgevoerde en door de
man niet betwiste (fiscale) aftrekposten van ƒ 6.635,= terzake
zelfstandigenaftrek ƒ 3.351,= terzake premie part. verzekeringen en ƒ
13.042,= terzake rente (lening Wijngaard BV).

De door de man opgevoerde aftrek terzake forfaitaire verwervingskosten
laat de Rechtbank buiten beschouwing omdat deze blijkens de
belastingaangifte reeds is verwerkt in de bepaling van de hoogte van het
hiervoor meermalen genoemde onzuiver inkomen van de man.

De man voert vervolgens op een fiscale aftrekpost van ƒ 5.496,= per jaar
en bij de bepaling van zijn draagkrachtloos inkomen een bedrag van ƒ
1.524,25 per maand. Beide posten hebben betrekking op premie(s) lijfrente.

De vrouw betwist dat met deze last rekening wordt gehouden omdat de
noodzaak voor de man voor het treffen van een oudedagsvoorziening volgens
de vrouw ontbreekt.

De Rechtbank zal op dit punt rekening houden met de maximaal fiscaal
toelaatbare aftrek van ƒ 5.496,= per jaar ofwel ƒ 455,75 per maand,
hetgeen haar gelet op de financiele omstandigheden van de man redelijk
voorkomt. Het meerdere acht zij bovenmatig in die zin dat dit niet mag
worden afgewenteld op de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw,
temeer nu er naast genoemde lijfrente een pensioenvoorziening is ten
behoeve van de man, waarop jaarlijks een bedrag van ƒ 8.000,= was gestort
en waarop eind 1993 een kapitaal was opgebouwd van ƒ 119.410,=.

Inhouding terzake loonheffing vindt plaats volgens tariefgroep 2; de man
is alleenstaande. De woonlasten van de man bestaan uit ƒ 150,= per maand
aan forfaitaire eigenaarslasten; andere woonlasten voert de man niet op.

De Rechtbank is met de vrouw van oordeel dat, nu die eigenaarslasten de
in de toepasselijke bijstandsnorm begrepen gemiddelde landelijke huur van
ƒ 335,42 per maand niet overschrijden, die lasten niet als extra
draagkrachtverminderde post kunnen worden opgevoerd.

De door de man opgevoerde post “verzekeringen” ad ƒ 1.135,81 per maand
wordt door de vrouw betwist.

De Rechtbank zal op dit punt rekening houden met een bedrag van ƒ 279,25
per maand terzake premies part. verzekeringen, welke door de vrouw niet
zijn betwist, alsmede met een bedrag van ƒ 266,= per maand aan premie
ziektekostenverzekering (inclusief eigen risico) ten behoeve van de man.
De Rechtbank merkt op dat de in het door de man gehanteerde bedrag
begrepen, niet vergoede ziektekosten voor vergoeding in aanmerking komen
krachtens de AWBZ danwel worden vergoed door de ziektekostenverzekeraar
bij overschrijding van het eigen risico. Deze kosten zal zij daarom buiten
beschouwing laten.

De door de man opgevoerde en door de vrouw betwiste kosten omgang ad ƒ
100,= per maand worden door de Rechtbank -gelet op de frequentie en de
aard van de omgang- beperkt tot ƒ 50,= per maand. Het meerdere acht zij
bovenmatig.

Partijen twisten tenslotte over de vraag of rekening moet worden gehouden
met de door de man opgevoerde rente en aflossing ad ƒ 2.437,= per maand
op de rekening-courant schuld van de man bij .

De vrouw wil alleen rekening houden met de verschuldigde rente ad ƒ
1.087,= per maand. De aflossing op de schuld betaalt de man volgens de
vrouw vrijwillig, om welke reden deze verplichting buiten beschouwing
dient te blijven.

De man heeft naar het oordeel van de Rechtbank voldoende aannemelijk
gemaakt dat hij om fiscale redenen min of meer verplicht is regelmatig af
te lossen op zijn rekening- courant schuld bij zijn vennootschap. Het door
de man opgevoerde bedrag aan aflossing (ƒ 1.350,= per maand) komt de
Rechtbank -gelet op de hoogte van het saldo van die schuld- niet
onredelijk voor zodat zij hiermee rekening zal houden bij de beoordeling
van de draagkracht van de man.

De Rechtbank zal tenslotte in aanmerking nemen dat de man ƒ 500,= per
maand dient te betalen terzake alimentatie voor het minderjarige kind van
partijen.

Al het vorenstaande in onderling verband en samenhang beschouwd en gelet
op de relevante fiscale aspecten, is de Rechtbank van oordeel dat de man
redelijkerwijs in staat moet worden geacht tot betaling van een bedrag van
ƒ 2.185,= per maand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de
vrouw, aan welke bijdrage de vrouw behoefte heeft zodat zij
dienovereenkomstig zal beslissen.

Als niet weersproken en steunende op de wet ligt voor toewijzing gereed
hetgeen de man heeft verzocht met betrekking tot de verdeling van de
beperkte huwelijkse gemeenschap die tussen partijen, naar onbetwist is
gesteld, bestaat.

3. Beslissing

De Rechtbank: Spreekt uit tussen partijen, op gehuwd, echtscheiding.
Benoemt over het thans nog minderjarige kind van partijen: – geboren
te op tot voogdes: de vrouw, en tot toeziend voogd: de man.
Beveelt zonodig de afgifte van voornoemd kind aan de benoemde voogdes.

Veroordeelt de man om ten behoeve van genoemde minderjarige, te beginnen
met de dag dat de voormelde gezagsvoorziening aanvangt, aan de vrouw te
betalen een bedrag van ƒ 500,= per maand, bij vooruitbetaling te voldoen,
te vermeerderen met het bedrag van iedere uitkering welke hem op grond van
geldende wetten of regelingen ten behoeve van de minderjarige zal of kan
worden verleend.

Veroordeelt de man om, te beginnen met de dag dat deze beschikking zal
zijn ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand, aan de vrouw
tot levensonderhoud uit te keren een bedrag van ƒ 2.185,= per maand, bij
vooruitbetaling te voldoen.

Beveelt -voor het geval dat deze beschikking zal zijn ingeschreven in de
registers van de Burgerlijke Stand- de verdeling van de beperkte
huwelijksgemeenschap van partijen, welke verdeling dient te geschieden ten
overstaan van de na te melden notaris.

Benoemt, indien partijen binnen twee weken na deze inschrijving niet
anders zijn overeengekomen, de notaris mr. M.P.P.F. Groutars, ter
standplaats Maastricht, als die ten overstaan van wie de verdeling zal
plaatsvinden, zulks op tijd en plaats als door de gekozen, respectievelijk
benoemde notaris te bepalen.

Benoemt Mr. Th. W.H.M. Cremers, kandidaat-notaris ter standplaats
Maastricht, dan wel zijn plaatsvervanger tot onzijdig persoon, om de vrouw
bij de boedelscheiding te vertegenwoordigen, indien deze zou weigeren of
in gebreke zou blijven voor de notaris te verschijnen of medewerking aan
de verdeling te verlenen.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Verklaart deze beschikking, behoudens ten aanzien van de echtscheiding,
uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr. A. C. Oosterman-Meulenbeld

Instantie: Rechtbank Breda, 15 maart 1995

Instantie

Rechtbank Breda

Samenvatting


Partijen zijn vier jaar getrouwd geweest en hebben een minderjarig kind
van vier jaar. De vrouw stelt dat zij behoefte heeft aan ƒ 750,-
alimentatie per maand. De man betwist de behoefte. De rechtbank stelt dat
de behoefte van de vrouw dient te worden bezien in het licht van haar
financiele omstandigheden en concludeert dat het inkomen van de vrouw
voldoende is om zelfstandig in haar levensonderhoud te voorzien.

De rechtbank vervolgt dan: of en zo ja in hoeverre de vrouw aanspraak kan
maken op een door de man te betalen aanvullende onderhoudsbijdrage is
afhankelijk van de vergelijking van haar financiele situatie met die van
de man, in onderling verband en samenhang beschouwd met de duur van het
huwelijk alsmede de staat en stand die zij tijdens hun huwelijk hebben
kunnen voeren. Vervolgens geeft de rechtbank de financiele omstandigheden
van de man weer en concludeert: gelet op het vorenstaande en een
vergelijking makend van de financiele positie van partijen over en weer
is de rechtbank van oordeel dat de vrouw behoefte heeft. De door de
rechtbank vastgestelde bijdrage oordeelt de rechtbank, gelet op de duur
van het huwelijk en de stand die zij tijdens dat huwelijk hebben kunnen
voeren, redelijk en billijk. Alimentatie wordt ƒ 400,-.

Volledige tekst

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

-het op 29 september 1994 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen; -het op
14 oktober 1994 ontvangen verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig
verzoek; -de op 28 december 1994 ontvangen repliek; -de op 19 januari 1995
ontvangen dupliek; -het op 13 februari 1995 ontvangen faxbericht van de
procureur van de man; -de op 13 februari 1995 ontvangen brief van de
procureur van de vrouw; -de op 23 februari 1995 ontvangen brief van de
procureur van de man, met bijlagen; -het op 28 februari 1995 ontvangen
faxbericht van de procureur van de vrouw, met bijlagen.

Verder behoort tot de stukken:

-het uittreksel uit het voogdijregister betreffende na te noemen
minderjarige.

De inhoud van deze stukken dient als hier overgenomen te worden beschouwd.

2. De verzoeken

De man verzoekt thans, samengevat:

-echtscheiding; -bevel tot verdeling van de gemeenschappelijke goederen;
-bepaling dat hij de huurder van de echtelijke woning zal zijn;
-vaststelling van een datum voor ouderverhoor.

De vrouw verzoekt thans, samengevat:

-vaststelling van een door de man aan haar te betalen onderhoudsuitkering
van ƒ 750,- per maand; -benoeming van haar tot voogdes en van de man tot
toeziend voogd over hun minderjarige kind; -vaststelling van een door de
man te betalen onderhoudsuitkering ten behoeve van die minderjarige van
ƒ 250,- per maand.

3. De beoordeling

3.1. Tussen partijen staat blijkens de stellingen en overgelegde stukken
vast:

-dat zij op 26 juni 1991 in de gemeente Bergen op Zoom met elkaar zijn
gehuwd in algehele gemeenschap van goederen; -dat zij uit dit huwelijk een
minderjarig kind hebben; -dat zij de Nederlandse nationaliteit bezitten;
-dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht.

3.2. Het verzoek tot:

-echtscheiding; -bevel tot verdeling van de gemeenschappelijke goederen;
-bepaling met betrekking tot het huurrecht; -voorziening in het gezag over
het minderjarige kind;

ligt als op de wet gegrond en niet weersproken voor toewijzing gereed.

3.3. De man heeft ter terechtzitting verzocht om vaststelling van een
omgangsregeling tussen hem en het minderjarige kind van partijen gedurende
op zijn nachtdiensten volgenden perioden.

Voorts heeft de man aangegeven bereid te zijn, zolang het minderjarig kind
van partijen nog niet schoolgaand is, een extra bijdrage van ƒ 100,- per
maand te willen voldoen als bijdrage in de kosten van kinderopvang.

Deze verzoeken liggen eveneens als op de Wet gegrond en niet weersproken
voor toewijzing gereed.

3.4. De vrouw verzoekt tevens een onderhoudsuitkering voor zichzelf ten
bedrage van ƒ 750,- per maand, stellende dat zij deze behoeft en dat de
man in staat is die te betalen.

3.5. De man heeft dit alimentatieverzoek bestreden. Hij voert daartoe aan
dat de vrouw geen behoefte heeft aan de verzochte alimentatie en voorts
dat hij de draagkracht mist tot het betalen van die alimentatie. De vrouw
heeft een en ander gemotiveerd weersproken.

3.6. De behoefte van de vrouw aan een uitkering voor haar levensonderhoud
dient te worden bezien in het licht van haar financiele omstandigheden.
Daarbij gaat de rechtbank uit van de navolgende gegevens. Blijkens de bij
gelegenheid van de mondelinge behandeling door de vrouw overgelegde
salarisspecificaties over december 1994, januari 1995 en februari 1995 kan
het netto-inkomen van de vrouw worden becijferd op een bedrag van
omstreeks ƒ 2.000,- per maand, exclusief vakantie-toeslag.

3.7. Voor de vaststelling van de lasten en uitgaven van de vrouw gaat de
rechtbank uit van de volgende posten op maandbasis: -het op de Algemene
Bijstandswet gebaseerd normbedrag voor een eenoudergezin, daar het
minderjarig kind van partijen bij de vrouw woont, exclusief de
woonkostencomponent; -f 407,- aan huur; -f 45,- aan studiekosten; -f 279,-
aan persoonlijke lening; -f 80,- aan lening Wehkamp; -f 250,- aan
kinderdagverblijf.

3.8. Op grond van voormelde gegevens is de rechtbank van oordeel dat het
huidige inkomen van de vrouw toereikend moet worden geacht om zelfstandig
in haar levensonderhoud te voorzien.

3.9. Of en zo ja in hoeverre de vrouw aanspraak kan maken op een door de
man te betalen aanvullende onderhoudsbijdrage is afhankelijk van de
vergelijking van haar financiele situatie met die van de man, in onderling
verband en samenhang beschouwd met de duur van het huwelijk van partijen
alsmede de staat en stand die zij tijdens hun huwelijk hebben kunnen
voeren.

3.9. Voor het vaststellen van de financiele draagkracht van de man gaat
de rechtbank uit van de door de man in het geding gebrachte jaaropgave
over 1994, waaruit een totaal netto-inkomen kan worden afgeleid van ƒ
3.966,- per maand.

3.10. Voor de vaststelling van de lasten en uitgaven van de man gaat de
rechtbank uit van de volgende posten op maandbasis: -het op de Algemene
Bijstandswet gebaseerde normbedrag voor een alleenstaande, exclusief de
woonkostencomponent; -f 757,- aan huur; -f 50,- aan kosten
omgangsregeling; -f 45,- aan studiekosten; -f 522,- aan rente en aflossing
schulden; -f 100,- aan herinrichtingskosten.

3.12. Voor het overige is de rechtbank niet gebleken van het bestaan van
andere lasten en of uitgaven waarmee nu in het bijzonder rekening zou
moeten worden gehouden.

3.13. Gelet op het vorenstaande en een vergelijking makend van de
financiele positie van partijen over en weer is de rechtbank van oordeel
dat de vrouw behoefte heeft aan een aanvullend bedrag aan levensonderhoud
en dat de man, rekening houdend met de voor beide partijen geldende
fiscale aspecten, in staat moet worden geacht tot betaling van na te
melden bijdragen. Die bijdrage oordeelt de rechtbank, gelet op de duur van
het huwelijk van partijen en de stand die zij tijdens dat huwelijk hebben
kunnen voeren, redelijk en billijk.

3.14. Mitsdien moet thans worden beslist als volgt, waarbij de rechtbank,
aangezien partijen echtgenoten zijn, zal bepalen dat iedere partij de
eigen proceskosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op in de gemeente
met elkaar gehuwd;

beveelt de verdeling ten overstaan van een notaris van de
gemeenschappelijke goederen van partijen;

benoemt tot notaris mr. Th.H.M. Fikkers te zijn opvolger, waarnemer of
plaatsvervanger, voor wie, zo partijen niet een andere notaris kiezen, de
werkzaamheden van die verdeling zullen plaatshebben, op de door deze te
bepalen tijd en plaats;

benoemt tot onzijdig persoon mr. G.Z.U. Viragh, tot vertegenwoordiging van
diegene van partijen die niet meewerkt tot de verdeling;

benoemt, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw tot voogdes over de
minderjarige: geboren te en de man tot toeziend voogd;

beveelt de afgifte van deze minderjarige aan de vrouw;

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en genoemde minderjarige
gerechtigd zijn tot omgang met elkaar gedurende de op de nachtdiensten van
de man volgende perioden;

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man vanaf de dag dat de
voogdijvoorziening ingaat ten behoeve van de verzorging en opvoeding van
genoemde minderjarige aan de vrouw bij vooruitbetaling zal voldoen een
bedrag van ƒ 350,- (DRIEHONDERD VIJFTIG GULDEN) per maand;

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man vanaf de dag dat deze
beschikking wordt ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand
aan de vrouw voor levensonderhoud tegen bewijs van kwijting en bij
vooruitbetaling zal voldoen een bedrag van ƒ 400,- (VIERHONDERD GULDENS
per maand;

bepaalt dat de man de huurder zal zijn van de echtelijke woning, gelegen
aan de .

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Rechters

Mr. Lamers

Instantie: Gerechtshof Leeuwarden, 15 maart 1995

Instantie

Gerechtshof Leeuwarden

Samenvatting


Partijen zijn 15 jaar getrouwd geweest en hebben twee kinderen. De
rechtbank had de alimentatie vastgesteld op ƒ 4.000,= gedurende een
termijn van 3 jaar. De rechtbank had daarbij overwogen dat “de vrouw haar
vakkennis en vaardigheid als tandarts voldoende heeft bijgehouden”. De
vrouw verzoekt het Hof de beschikking voor wat betreft deze overweging te
vernietigen en te overwegen dat niet is komen vast te staan dat de vrouw
haar vakkennis en vaardigheid als tandarts voldoende heeft kunnen
bijhouden. Het Hof acht dit aannemelijk nu de vrouw na 1979 niet meer op
haar eigenlijke vakgebied heeft gewerkt. Zij werkt thans gedurende drie
dagdelen als mondhygieniste. Zij wil haar werkzaamheden in tijd
uitbreiden, maar is daar nog niet in geslaagd. De man verzoekt het Hof de
alimentatie te limiteren tot 1 jaar, omdat de vrouw na deze periode in
staat is in haar eigen onderhoud te voorzien. Voorts verzoekt de man de
eventuele bijdrage voor de vrouw op maximaal ƒ 2.000,= per maand te
stellen en indien het Hof de termijn van 3 jaar van de rechtbank overneemt
verlenging na 3 jaar uit te sluiten.

Het Hof wijst verkorting van de termijn af, gezien het ontbreken bij de
vrouw van voldoende vakkennis en vaardigheid om terstond full- time
werkzaam te kunnen zijn in haar oude vakgebied. Het Hof is van oordeel dat
de man in beginsel ook na ontbinding van het huwelijk gehouden is bij te
dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, gelet op de duur van
het huwelijk, de stand en het fortuin tijdens het huwelijk, de
aanwezigheid bij de vrouw van twee uit het huwelijk geboren kinderen en
de hoogte van het arbeidsinkomen van de vrouw. De vrouw had bij de
rechtbank ƒ 6.000,= alimentatie verzocht, gebaseerd op haar behoefte en
de draagkracht van de man. Het Hof oordeelt dat de alimentatie van ƒ
4.000,= naast haar eigen inkomen van ƒ 2.000,= niet onredelijk is, gelet
op het inkomen van partijen ten tijde van het huwelijk (circa ƒ 280.000,=
bruto per jaar bij de man en circa ƒ 80.000,= bruto per jaar bij de
vrouw).

Volledige tekst

Het procesverloop Ter griffie van het hof zijn binnengekomen een
verzoekschrift houdende appel van een beschikking d.d. 28 juli 1994 van
de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden alsmede een verweerschrift
houdende incidenteel appel tegen genoemde beschikking en een
verweerschrift in het incidenteel appel.

Ter zitting van 15 februari 1995 is de zaak behandeld.

De motivering 1. In de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank de
man veroordeeld met ingang van de dag van inschrijving van de
echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand tot
drie jaren na dagtekening van die beschikking aan de vrouw uit te keren
tot levensonderhoud een bedrag van ƒ 4.000,= per maand.

2. Het principaal verzoek van de vrouw. De vrouw verzoekt het hof de
onderhavige beschikking te vernietigen voorzover daarbij is overwogen,
“dat de vrouw haar vakkennis en vaardigheid als tandarts voldoende heeft
bijgehouden”, en opnieuw te overwegen dat niet is komen vast te staan dat
de vrouw haar vakkennis en vaardigheid als tandarts voldoende heeft kunnen
bijhouden.

3. Het incidenteel verzoek van de man. De man verzoekt het hof de
bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende primair de
vrouw in haar inleidende verzoek strekkende tot een bijdrage voor zichzelf
alsnog niet ontvankelijk te verklaren en subsidiair de door hem te betalen
bijdrage te bepalen op maximaal ƒ 2.000,= per maand en de termijn
gedurende welke de man deze bijdrage aan de vrouw verschuldigd is te
beperken tot een jaar, althans een zodanige bijdrage en een zodanige
termijn te bepalen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

4. In het principaal en incidenteel appel. De strekking van de door
partijen aangevoerde grieven in het door hen ingestelde principaal en
incidenteel appel is voor het hof aanleiding deze gezamenlijke te
behandelen.

5. De vrouw kan zich met de uiteindelijke beslissing in de beschikking
waarvan beroep verenigen maar zij kan zich niet vinden in de daaraan ten
grondslag liggende overweging van de rechtbank.

6. De man bestrijdt de noodzaak van een bijdrage voor de vrouw. Zijn
grieven richten zich voorts tegen de hoogte van de bijdrage, de duur van
de te betalen periode en de mogelijkheid van verlenging hiervan.

7. Kort weergegeven komt de door de vrouw bestreden overweging erop neer
dat de vrouw vanwege de assistentie in de kaakchirurgiepraktijk van de man
haar kennis en vaardigheid aangaande het tandartsvak zodanig heeft kunnen
bijhouden dat ervan uitgegaan moet worden dat de vrouw aanstonds weer als
tandarts zal kunnen werken.

8. De vrouw heeft ter zitting onweersproken aangevoerd dat zij na het
voltooien van haar studie tandheelkunde in 1977 anderhalf jaar full-time
als tandarts heeft gewerkt. Na de geboorte van het oudste kind van
partijen heeft de vrouw tot 1987 een dag per week als tandarts gewerkt en
vanaf 1990 tot eind 1993 heeft de vrouw anderhalve dag per week
geassisteerd in de kaakchirurgiepraktijk van de man, eerst als
administratieve kracht en de laatste drie jaar voornamelijk als
mondhygieniste.

9. De man stelde ter zitting dat er in de daadwerkelijke werkzaamheden van
een tandarts de laatste 15 jaar geen veranderingen zijn opgetreden, maar
dat slechts de materialen waarmee gewerkt wordt zijn gewijzigd.

10. Nu als niet dan wel onvoldoende weersproken vaststaat dat de vrouw
gedurende het grootste deel van het 15-jarig huwelijk van partijen slechts
parttime heeft gewerkt en na 1979 niet meer op haar eigenlijke vakgebied,
is het hof van oordeel, dat voldoende aannemelijk is dat de vrouw thans
de voor het uitoefenen van het volledige tandartsvak benodigde kennis en
vaardigheden ontbeert. Hoewel de bestreden overweging van de rechtbank
derhalve onjuist wordt bevonden, kan ’s hofs oordeel evenwel niet tot
vernietiging van de beschikking van de rechtbank leiden omdat, zoals uit
het hierna overwogene zal blijken en door de vrouw wordt erkend, de
uiteindelijke door de rechtbank gegeven beslissing, niet onjuist is.

11. De man is van mening dat de vrouw, op dit moment, dan wel na een
periode van een jaar, in staat is in haar eigen onderhoud te voorzien en
geen aanspraak kan maken op een bijdrage in haar kosten van
levensonderhoud. Een eventuele bijdrage voor de vrouw, zo stelt de man,
dient maximaal ƒ 2.000,= per maand te bedragen en indien de termijn van
de rechtbank wordt overwogen dient verlenging hiervan na 3 jaar niet
mogelijk te zijn.

12. De vrouw deelde ter zitting mee zo spoedig mogelijk financieel
onafhankelijk te willen zijn van de man. Zij stelde sinds medio september
1994 voornamelijk als mondhygieniste drie dagdelen per week te werken,
waarmee zij een netto inkomen genereert van ƒ 2.000,= per maand. De vrouw
stelde voorts haar werkzaamheden in tijd te willen uitbreiden maat dat zij
hierin tot op dit moment niet is geslaagd.

13. Gelet op de duur van het huwelijk, de stand en het fortuin tijdens het
huwelijk, de aanwezigheid bij de vrouw van twee uit het huwelijk van
partijen geboren kinderen en de hoogte van het huidige arbeidsinkomen van
de vrouw, is het hof van oordeel dat de man in beginsel ook na de
ontbinding van het huwelijk gehouden is bij te dragen in de kosten van
levensonderhoud van de vrouw.

14. Het ontbreken, zoals hiervoor overwogen, bij de vrouw aan voldoende
vakkennis en vaardigheid om terstond full-time werkzaam te kunnen zijn op
haar oude vakgebied is voor het hof aanleiding de door de rechtbank
vastgestelde termijn niet, zoals de man wenst, te verkorten.

15. De vrouw heeft ten aanzien van deze termijn niet geappelleerd, zodat
het hof de door de rechtbank uitgesproken verwachting dat de vrouw op een
termijn van drie jaar in eigen onderhoud zal kunnen voorzien overneemt.

16. In eerste aanleg heeft de vrouw een bijdrage verzocht van ƒ 6.000,=
per maand. Dit was gebaseerd op de bij de man aanwezige draagkrachtruimte
en haar eigen behoefte. Dat op deze bijdrage een korting toegepast dient
te worden vanwege het feit dat de vrouw een huis bewoont dat niet bezwaard
is met een recht van hypotheek, acht het hof, nu met deze omstandigheid
reeds rekening was gehouden in het inleidend verzoekschrift van de vrouw,
niet zonder meer juist.

17. Een bijdrage voor de vrouw van ƒ 4.000,= per maand naast haar eigen
inkomen van ƒ 2.000,= netto per maand, komt het hof, gelet op het inkomen
van partijen ten tijde van het huwelijk, -bij de man circa ƒ 280.000,=
bruto per jaar en bij de vrouw vanwege werkzaamheden in de praktijk van
de man circa ƒ 80.000,= -bruto per jaar- redelijk voor.

18. Het hiervoor overwogene brengt met zich dat de grief van de vrouw
slaagt en de grieven van de man falen. Het hof zal de beschikking waarvan
beroep bekrachtigen met aanvulling van de gronden daarvan door het
hiervoor overwogene.

10. Ten aanzien van de proceskosten in beroep zal het hof, nu partijen met
elkaar gehuwd zijn geweest, bepalen dat iedere partij de eigen kosten
draagt.

De beslissing: Het gerechtshof:

in het principaal en incidenteel appel: bekrachtigt de beschikking waarvan
beroep met aanvulling van de gronden als vermeld onder 10;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

bepaalt ten aanzien van de proceskosten in hoger beroep dat iedere partij
de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Streppel, Drion, Dantuma en Mollema

Instantie: Kantonrechter Groenlo, 15 maart 1995

Instantie

Kantonrechter Groenlo

Samenvatting


Een werkneemster wilde in verband met gewijzigde gezinsomstandigheden
haar werktijden veranderen. De kantonrechter oordeelt dat een werkgever
die vasthoudt aan de overeengekomen arbeidstijden en een verzoek van de
werknemer om andere werktijden zonder onderzoek zonder meer naast zich
neerlegt in strijd handelt met de eisen gesteld aan een ‘goed
werkgeverschap’. Werkneemster ontvangt een vergoeding van ƒ 15.000,-.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure

1.1. E heeft bij verzoekschrift, binnengekomen ter griffie op 18
januari 1995, verzocht de arbeidsovereenkomst met S te ontbinden wegens
gewichtige redenen, bestaande in een verandering van de omstandigheden
welke van dien aard is dat de dienstbetrekking billijkheidshalve na
korte tijd behoort te eindigen.

1.2. E heeft een aanvullend verzoekschrift ingediend, binnengekomen ter
griffie op 26 januari 1995.

1.3. S heeft zich tegen het verzoek verweerd bij verweerschrift,
binnengekomen ter griffie op 31 januari 1995.

1.4. Op 8 februari 1995 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek
plaatsgehad.

2. De feiten 2.1. S exploiteert een cartonnagefabriek, waarin met name
kartonnen verpakkingen worden gefabriceerd. Bij haar zijn 48 werknemers
in dienst.

2.2. E is op 7 september 1987 in dienst getreden bij S waar zij
laatstelijk werkzaam is als cartonnette tegen een bruto salaris van ƒ
2325,24 per 4 weken. Zij is werkzaam op de plakafdeling, alwaar 14
vaste medewerkers werkzaam zijn.

2.3. Binnen de onderneming van S wordt gewerkt in verschillende
dienste, te weten: dagdienst -van 8.00 tot 16.00 uur twee ploegendienst
-een week van 6.00 tot 14.00 uur, de daaropvolgende week van
14.00-22.00 uur wisselende diensten -een combinatie van dag- en twee
ploegendienst.

2.4. E heeft S begin 1994 verzocht om in verband met gewijzigde
omstandigheden niet langer in de vroege dienst van de twee
ploegendienst te worden gezet.

2.5. E heeft vanaf 8 september 1994 tot 9 december 1994 een uitkering
ingevolge de Ziektewet ontvangen. Op 2 november 1994 heeft een
bespreking plaatsgehad tussen partijen, in aanwezigheid van de
Arbo-dienst. In een van deze bespreking door de Arbo-dienst opgestelde
notitie valt onder meer te lezen: ‘Deze bespreking heeft plaatsgevonden
n.a.v. het feit dat door bedrijfsgeneeskundige mevrouw Veldkamp is
geconstateerd dat werkneemster mw. E oneigenlijk gebruik maakt van de
Ziektewet aangezien zij eigenlijk niet ziek is. (…) Het is voor
werkgeefster om 2 redenen niet mogelijk de arbeidsovereenkomst van
werkneemster aan te passen. (…) Werkneemster realiseert zich dat er
voor haar 3 mogelijkheden zijn:
1. De verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst gewoon
nakomen.
2. Beeindiging van het dienstverband met wederzijds goedvinden.
3. Werkgeefster vraagt ontslagvergunning aan; waarop vervolgens ontslag van
werkneemster zal
volgen. Uit het bovenstaande is gebleken dat werkneemster mogelijkheid
1 niet aankan. Met werkneemster is afgesproken dat ze op korte termijn
aan werkgever haar keuze uit de overige twee mogelijkheden kenbaar zal
maken. Doet zij dit niet dan zal zij weer gewoon aan het arbeidsproces
binnen de organisatie van werkgeefster deelnemen.’

3. De standpunten van partijen

3.1. E heeft aangevoerd dat sprake is van een verstoorde
arbeidsrelatie, zodat van haar redelijkerwijs niet meer verlangd kan
worden langer bij S in dienst te blijven, zodat de verzochte ontbinding
gerechtvaardigd is. In dat verband heeft zij gesteld dat discussie met
S over de onder 2.4 vermelde wens van E niet mogelijk is gebleken. S
stelt zich op het standpunt dat zij E kan houden aan haar
arbeidsovereenkomst, waarin tevens de verplichting besloten ligt om in
twee ploegendienst te werken. Met de weigering van S om haar niet in te
zetten in de vroege dienst, kan E niet leven. Gegeven de
verwijtbaarheid van de handelwijze van S die ertoe leidt dat E om
ontbinding van de arbeidsovereenkomst vraagt, is het redelijk dat aan
haar een schadeloosstelling van ƒ 25 190 te vermeerderen met kosten
rechtsbijstand ad ƒ 1060 wordt toegekend.

3.2. S heeft zich tegen het verzoek verweerd. Daartoe heeft zij onder
meer gesteld dat het haar om organisatorische redenen niet mogelijk is
E de garantie te geven dat zij niet in de vroege dienst wordt
ingedeeld. Wel heeft schut aangegeven bereid te zijn zoveel mogelijk
rekening te houden met deze wens van E, en voorts heeft S er geen
bezwaar tegen, indien E zelf met een collega ruilt. Van een verstoorde
arbeidsrelatie is naar het oordeel van S geen sprake, zodat het verzoek
afgewezen behoort te worden. Indien E toch ontbinding van het
dienstverband wenst, is er geen grond om S daarbij een vergoeding op te
leggen.

4. De beoordeling

4.1. Vooropgesteld wordt dat de eisen van goed werkgeverschap, zoals
verwoord in artikel 7A:1638z BW meebrengen dat, in geval door een
werkneemster een verzoek wordt gedaan om in verband met gewijzigde
gezinsomstandigheden haar arbeidsvoorwaarden (zoals werktijden) te
mogen aanpassen, van de werkgeefster verwacht mag worden dat dit
verzoek door haar serieus wordt onderzocht en, indien dat verzoek op
grond van bedrijfseconomische redenen niet ingewilligd kan worden,
zulks ten opzichte van de werkneemster te motiveren.

4.2. In haar verweerschrift is door S uitgebreid gemotiveerd dat en om
welke reden zij E niet de door haar verzochte garantie wil geven. Een
van de redenen daarvoor is dat binnen haar onderneming geen constant
werkaanbod is, waardoor in drukke tijden in twee ploegendiensten
gewerkt dient te worden. In die drukke tijden wordt weliswaar gebruik
gemaakt van uitzendkrachten, doch dient een minimale hoeveelheid vaste
werknemers ingeroosterd te worden, teneinde het produktieproces zo
optimaal mogelijk te laten verlopen. E heeft dit betoog van S slechts
weersproken met de stelling dat S het in de praktijk niet altijd even
nauw neemt met de verhouding tussen vaste – en uitzendkrachten, doch
zij heeft (nadat zijdens S was aangegeven dat in geval van ziekte
weleens noodgedwongen wordt afgeweken van deze verhouding) niet
afdoende weerlegd dat voormeld uitgangspunt bij de inroostering zoveel
mogelijk wordt gehanteerd. Met de hier in het kort weergegeven
motivering heeft S (thans) in beginsel voldaan aan haar onder 4.1.
vermelde motiveringsplicht.

4.3. Uit de processtukken, alsmede uit hetgeen tijdens de mondelinge
behandeling over en weer is gesteld, is echter onvoldoende gebleken dat
S direct nadat haar het verzoek van E begin 1994 bereikte, heeft
voldaan aan hetgeen van haar als goed werkgeefster verwacht mocht
worden. In het bijzonder is onvoldoende gebleken dat het verzoek van E
serieus is onderzocht en dat daarover in een eerder stadium inhoudelijk
daadwerkelijk met haar is gecommuniceerd. Zulks valt onder meer af te
leiden uit de inhoud van de onder 2.5 geciteerde notitie. Door S is
voorts desgevraagd erkend dat de notitie door haar is opgehangen op het
prikbord in de kantine, althans een voor het personeel toegankelijke
plaats. Zij heeft aangegeven dat zij dat had gedaan, teneinde
‘praatjes’ de kop in te drukken. S heeft er daarmee blijk van gegeven
dat zij op onvoldoende zorgvuldige wijze is omgesprongen met de
belangen van E. Het gaat haar immers niet aan de persoonlijke
omstandigheden van een werkneemster op een dergelijke wijze openbaar te
maken.

4.4. E heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij
slechts genoegen kan nemen met een garantie dat zij niet in de vroege
ploegendienst wordt ingezet. Dat standpunt doorkruist iedere verdere
discussie over haar mogelijke inzetbaarheid, op zodanige wijze dat aan
de belangen van beide partijen in voldoende mate tegemoet gekomen kan
worden. Nu S voldoende gemotiveerd heeft uiteengezet dat de door E
gewenste garantie uit bedrijfsorganisatorisch en -economisch oogpunt
door haar niet gegeven kan worden, dient geoordeeld te worden dat
continuering van het dienstverband niet tot de mogelijkheden behoort.

4.5. De door E gestelde verstoorde arbeidsverhouding, die is ontstaan
naar aanleiding van hetgeen hiervoor is omschreven, is voldoende komen
vast te staan. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op
grond van een wijziging der omstandigheden zal dan ook worden
toegewezen. Gelet op de onder 4.3. omschreven handelwijze van S, doch
anderzijds met het hiervoor omschreven (niet nader bespreekbare)
standpunt van E. Voorts de duur van het dienstverband, alsmede de
overige omstandigheden van het geval in aanmerking nemende, wordt een
vergoeding als na te melden billijk geoordeeld.

4.6. In de omstandigheden van het geval wordt aanleiding gevonden de
kosten van de procedure te compenseren aldus, dat ieder der partijen
met de eigen kosten belast blijft.

Beslissing

De kantonrechter te Groenlo;

I. stelt partijen in kennis van het voornemen de arbeidsovereenkomst
tussen partijen te ontbinden met ingang van 21 maart 1995, zulks onder
toekenning van een vergoeding aan E ten laste van S van een bedrag van
ƒ 15.000,= bruto;

II. stelt E in de gelegenheid haar verzoekschrift uiterlijk op 20 maart
1995 in te trekken.

Voor het geval het verzoekschrift wordt ingetrokken:

Compenseert de proceskosten in dier voege, dat iedere partij haar eigen
kosten draagt.

Indien het verzoek niet wordt ingetrokken:

III. ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met
ingang van 21 maart 1995;

IV. kent daarbij aan E ten laste van S een vergoeding toe van ƒ
15.000,= bruto.

Compenseert de proceskosten in dier voege, dat iedere partij haar eigen
kosten draagt.

Rechters

Mr Hillen

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 14 maart 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij heeft in het kader van een reorganisatie tien
medewerkers ontslagen. Volgens verzoekster zijn er relatief meer
vrouwen dan mannen ontslagen, en heeft de wederpartij hiermee in strijd
gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling. De Commissie stelt vast
dat het anciënniteitsbeginsel, zoals toegepast door de wederpartij, in
overwegende mate een nadelig effect heeft voor vrouwelijke werknemers.
Nu dit gebleken is, kan een beroep door de wederpartij op het
anciënniteitsbeginsel uiteraard niet als objectieve
rechtvaardigingsgrond dienen. De Commissie concludeert dat de door de
wederpartij gehanteerde argumenten niet kunnen worden aangemerkt als
objectieve rechtvaardigingsgronden. De wederpartij heeft derhalve
gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 30 september 1994 verzocht mevrouw te
Wilbertoord (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar
oordeel uit te spreken over de vraag of te Mill
(hierna: de wederpartij) onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. De wederpartij heeft in het kader van een reorganisatie tien
medewerkers ontslagen. Volgens verzoekster zijn er relatief meer
vrouwen dan mannen ontslagen, en heeft de wederpartij hiermee in strijd
gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Verzoekster heeft de Commissie aanvankelijk
verzocht een spoedprocedure toe te passen. Wegens het ontbreken van een
spoedeisend belang is de Commissie daartoe niet overgegaan. Zij heeft
de normale procedure gehanteerd.

Partijen hebben enkele malen de gelegenheid gehad hun standpunten
schriftelijk toe te lichten.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 14 maart 1995.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker – mw (verzoekster) – mw
mr (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij – mw (medewerker
personeelszaken) – dhr (hoofd personeelszaken)

van de kant van de Commissie – mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck
(Kamervoorzitter) – mw mr L.Y. Goncalves-Ho Kang You (lid Kamer) – mw
mr Y. Telenga (lid Kamer) – mw mr A.K. de Jongh (secretaris Kamer)

2.3. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een metaalbedrijf, waar verschillende soorten
koelblokken worden geproduceerd. Het bedrijf bestaat uit de afdelingen
manufacturing, engineering, produktie, technische dienst,
bedrijfsbureau en een administratie. De produktie-afdeling is op haar
beurt in nog vijf afdelingen onderverdeeld, namelijk de afdelingen RS,
S, vertinnerij, koperslagerij en inpakkerij.

3.2. In verband met de terugloop van de verkoop van koelblokken voor
motorvoertuigen (S-koelblokken), heeft de wederpartij besloten om tien
medewerkers van de produktie-afdeling te ontslaan. Van deze medewerkers
waren er vijf man en vijf vrouw. Bij het vaststellen van de
afvloeiingsvolgorde heeft zij het LIFO-criterium (last in first out)
gehanteerd. Hierbij is het totale personeelsbestand van de gehele
produktie-afdeling in beschouwing genomen. Voor de tien medewerkers is
een ontslagvergunning aangevraagd. De wederpartij heeft in het kader
van de reorganisatie met de vakvereniging FNV op 28 januari 1994
overeenstemming bereikt over een sociaal plan.

In 1993 besloot de holding, waartoe de wederpartij behoort, een ander
bedrijf te sluiten. De holding kwam destijds met de vakvereniging
overeen dat tien produktiemedewerkers (negen mannen en een vrouw) van
het te sluiten bedrijf bij de wederpartij zouden worden ondergebracht.
In overleg met de vakvereniging is besloten dat deze werknemers zouden
overgaan met behoud van opgebouwde anciënniteit. Dit heeft voor de
reeds bij de wederpartij werkzame werknemers een nadelig effect teweeg
gebracht wat betreft de afvloeiingsvolgorde.

3.3. Verzoekster was sedert 4 november 1991 bij de wederpartij in
dienst. Op grond van haar anciënniteit viel zij onder de groep personen
die ontslagen werden. Op dat moment werkte zij op de RS-afdeling. Er is
voor haar een ontslagvergunning aangevraagd. In eerste instantie heeft
de directeur van het Regionaal Bureau voor de Arbeidsvoorziening deze
vergunning niet verleend, omdat de wederpartij in onvoldoende mate
aannemelijk had gemaakt dat het ontslag van een collega met een
geringere anciënniteit te bezwaarlijk zou zijn. In tweede instantie
(toen deze collega ook voor ontslag is voorgedragen en de samenstelling
van de afvloeiingslijst was gewijzigd) is wel een ontslagvergunning
voor verzoekster verleend. De arbeidsovereenkomst is per 30 juni 1994
beeindigd. De wederpartij heeft aan verzoekster kenbaar gemaakt dat,
indien er in de toekomst vacatures op de produktie-afdeling zouden
ontstaan, verzoekster hiervan in kennis zou worden gesteld met de
mogelijkheid om terug te keren in een produktiefunctie. Van 1 augustus
1994 tot 1 december 1994 heeft verzoekster via een uitzendbureau
dezelfde werkzaamheden als voorheen bij de wederpartij verricht. Per 1
december 1994 heeft verzoekster bij de wederpartij een jaarcontract
gekregen.

3.4. Voor de reorganisatie waren op de produktie-afdeling 146 personen
werkzaam, waarvan 126 mannen en 20 vrouwen. Enkele jaren voor de
reorganisatie (vanaf 1990) zijn er door een positief actiebeleid op de
produktie-afdeling extra veel vrouwen in dienst genomen. De bedoeling
was om zodoende bij de personeelsbezetting in de produktie een betere
afspiegeling te creeren van de (beroeps-)bevolking.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster brengt het volgende naar voren. De wederpartij heeft
bij de reorganisatie in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
gehandeld. Verzoekster stelt dat er relatief gezien meer vrouwen dan
mannen zijn ontslagen. Dit, terwijl er een aantal jaren ervoor door
middel van positieve actiemaatregelen juist extra vrouwen zijn
binnengehaald op de produktie-afdeling. Deze inhaal- manoeuvre, die
meer vrouwen in de metaalsector aan het werk diende te helpen, wordt
geheel teniet gedaan door vijf van deze vrouwen te ontslaan.

De wederpartij had niet het anciënniteitsbeginsel sec mogen toepassen
zonder rekening te houden met de man/vrouw verhouding. De wederpartij
is immers ook in een aantal andere gevallen, bij de eerste aanvragen
voor ontslagvergunningen in verband met de reorganisatie, van het
anciënniteitsbeginsel afgeweken. In dit verband wijst verzoekster op
artikel 9 lid 6 van het Delegatiebesluit Buitengewoon Besluit Arbeids-
verhoudingen 1945 (hierna: het Delegatiebesluit), waarin bij de
paragraaf ten aanzien van het ontslag wegens bedrijfseconomische
redenen is gesteld, dat extra aandacht besteed moet worden aan het
voorkomen van discriminatie.

Verzoekster is het er niet mee eens dat de anciënniteit die de door
wederpartij overgenomen werknemers in het andere bedrijf hadden
opgebouwd, is meegeteld bij de vaststelling van de afvloeiingsvolgorde.
Dit heeft voor de andere bij de wederpartij werkzame personen, zoals
verzoekster, een nadelig effect gehad wat betreft de
afvloeiiingsvolgorde.

Volgens het Delegatiebesluit kan het anciënniteitsbeginsel alleen bij
uitwisselbare functies worden toegepast. Verzoekster bestrijdt dat haar
functie uitwisselbaar is. Zij meent dat zij een specialistische functie
bekleedde en ook daarom niet voor ontslag in aanmerking had mogen
komen. Verzoekster acht tevens niet aangetoond of met feiten
gemotiveerd waarom op haar afdeling (de RS-afdeling) werknemers zijn
ontslagen. Op haar afdeling waren namelijk voldoende werkzaamheden en
was er geen sprake van overbodige voorraden, zoals op de S-afdeling wel
het geval was.

3.6. De wederpartij voert het volgende aan. De afvloeiingsvolgorde is
vastgesteld op basis van artikel 9 lid 2 van het Delegatiebesluit.
Hierin staat dat bij uitwisselbaarheid van functies per
bedrijfsvestiging en per categorie uitwisselbare functies, werknemers
met het kortste dienstverband als eersten voor ontslag in aanmerking
dienen te komen. Conform het Delegatiebesluit is het anciënniteits-
beginsel gehanteerd op ondernemingsniveau en niet per afdeling.
Zodoende kon gekomen worden tot een zo objectief mogelijke keuze van de
voor te dragen werknemers. Hierbij is als uitgangspunt genomen de
uitwisselbare functies op het totale personeelsbestand van alle
produktie-afdelingen. Aangezien de functie van verzoekster als een
uitwisselbare functie kon worden aangemerkt en verzoekster een geringe
anciënniteit had, viel zij binnen de groep van ontslagenen.

Het anciënniteitsbeginsel is gehanteerd om tot een objectieve
afvloeiingsvolgorde te komen. Hierbij worden vrouwen niet
achtergesteld. Dat juist nu vijf vrouwen zijn ontslagen, komt doordat
vanaf 1990 veel vrouwen zijn aangenomen en dus nog maar kort in dienst
waren. Er is volgens de wederpartij geen sprake van direct of indirect
onderscheid naar geslacht, maar van een regel die tot gevolg heeft
gehad dat er relatief meer vrouwen dan mannen zijn ontslagen. Het
anciënniteitsbeginsel is bij alle werknemers op dezelfde wijze
toegepast en dus levert dit geen strijd op met de wetgeving gelijke
behandeling.

In een aantal gevallen is bij de eerste aanvragen om
ontslagvergunningen van het anciënniteitsbeginsel afgeweken. Lid 4 en
lid 5 van artikel 9 van het Delegatiebesluit staan dat ook toe. Het
betrof personen met een zwakke arbeidsmarkt- positie vanwege hun
leeftijd, en specialistische functies. Het feit dat er relatief veel
vrouwen voor ontslag in aanmerking kwamen, was voor de wederpartij
onvoldoende reden om van het anciënniteitsbeginsel af te wijken. Ook
als niet van het anciënniteitsbeginsel was afgeweken, was verzoekster
ontslagen. Zij zou dan op de afvloeiingslijst van tien personen op de
negende in plaats van op de achtste plaats terecht zijn gekomen.

Inderdaad heeft het behouden van de anciënniteit van de in 1993
overgenomen werknemers een nadelig effect gehad voor de andere bij de
wederpartij werkzame personen wat betreft de afvloeiingsvolgorde. Het
behoud van anciënniteit was echter een afspraak waar niet meer van
afgeweken kon worden.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de reorganisatie
jegens verzoekster onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling. Aangezien het ontslag van
verzoekster plaats vond voor 1 september 1994, de datum van
inwerkingtreding van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB; Stb.
1994, 230) en daarmee van wijziging van de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168) alsmede van artikel 7A:1637ij
van het Burgerlijk Wetboek (BW), toetst de Commissie aan de wetgeving
gelijke behandeling zoals deze voor 1 september 1994 gold.

4.2. Artikel 7A:1637ij lid 1 BW bepaalt dat de werkgever onder andere
bij de beeindiging van het dienstverband geen direct of indirect
onderscheid tussen mannen en vrouwen mag maken. Onder indirect
onderscheid naar geslacht wordt verstaan onderscheid op grond van
andere hoedanigheden dan het geslacht dat onderscheid op grond van
geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid objectief
gerechtvaardigd is (artikel 7A:1637ij lid 5 BW).

4.3. Bij het bepalen van de ontslagvolgorde bij de reorganisatie heeft
de wederpartij het anciënniteitsbeginsel als uitgangspunt genomen. Om
de in het geding zijnde vraag te kunnen beantwoorden, moet worden
nagegaan of dit selectiecriterium ertoe heeft geleid dat in overwegende
mate personen van een geslacht zijn getroffen.

Aangezien de ontslagen binnen de produktie-afdeling van het bedrijf
zijn gevallen, hanteert de Commissie de produktie-afdeling als
referentiekader. Voor de reorganisatie werkten er 20 vrouwen en 126
mannen. Van deze werknemers zijn 5 vrouwen en vijf mannen ontslagen.
Dit betekent dat 25% van de vrouwen ((5:20)x100%) en 3,9% van de mannen
((5:126)x100%) is ontslagen. Op de gehele produktie-afdeling zijn er
dus 6,4 (25:3,9) keer zoveel vrouwen als mannen ontslagen.

Op grond van bovengenoemde cijfers kan geconcludeerd worden dat er
relatief meer vrouwen dan mannen nadelig zijn getroffen door de wijze
waarop de ontslagvolgorde door de wederpartij is vastgesteld. De
Commissie tekent hierbij aan dat zij in het algemeen relatieve cijfers
hanteert bij het beoordelen van het effect naar geslacht. Daardoor
wordt rekening gehouden met het aandeel dat mannen, respectievelijk
vrouwen hebben binnen de groep van werknemers die ontslagen wordt (Een
voorbeeld: een onderneming waarin tien vrouwen werken en 1000 mannen.
Van de vrouwen werken er negen in deeltijd, van de mannen ook. Stel dat
deeltijdwerkers een lager uurloon ontvangen dan voltijdwerkers. Indien
men alleen kijkt naar de aantallen (dus de absolute getallen) werkt
onderscheid ten nadele van deeltijdwerkers gelijk uit naar geslacht; er
zijn immers negen vrouwen en negen mannen die worden benadeeld. Toch
zal duidelijk zijn dat met name vrouwen nadelig worden getroffen:
immers negen van de tien vrouwen tegenover negen van de 1000 mannen
worden nadelig getroffen).

Op grond van bovenstaande gegevens bestaat het vermoeden dat de
wederpartij indirect onderscheid naar geslacht maakt.

4.4. De Commissie stelt vast dat het anciënniteitsbeginsel, zoals
toegepast door de wederpartij, in overwegende mate een nadelig effect
heeft voor vrouwelijke werknemers. Nu dit gebleken is, kan een beroep
door de wederpartij op het anciënniteitsbeginsel uiteraard niet als
objectieve rechtvaardigingsgrond dienen.

Onder een objectieve rechtvaardigingsgrond wordt verstaan: – dat het
onderscheid wordt gemaakt om een objectief gerechtvaardigd doel te
dienen, en – dat daartoe middelen zijn gekozen die geschikt en
noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken, terwijl – dit doel niet is
te bereiken op een andere wijze waarbij geen indirect onderscheid wordt
gemaakt (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, 5 maart 1990, oordeelnummer 1-90-10; Hof van Justitie van de
Europese gemeenschappen in de Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz, 13
mei 1986, zaak 170/84; Rinner Kuhn versus FWW Spezial Gebandereinigung
GmbH & Co.KG, 13 juli 1989, zaak 171/88). Het ligt op de weg van degene
die het onderscheid maakt, een objectieve rechtvaardigingsgrond aan te
voeren.

4.5. Als objectieve rechtvaardigingsgrond voor de gehanteerde
selectieprocedure heeft de wederpartij een beroep gedaan op het
anciënniteitsbeginsel. Daarbij heeft de wederpartij aangevoerd dat: 1)
door het hanteren van het anciënniteitsbeginsel gehandeld is conform
het Delegatiebesluit; 2) indien niet van het anciënniteitsbeginsel zou
zijn afgeweken en dit zeer strikt was gehanteerd, verzoekster bij de
afvloeiingsvolgorde een plaats zou zijn opgeschoven maar daarmee
desalniettemin bij de tien personen zou behoren die zouden worden
ontslagen; 3) relatief veel vrouwen zijn ontslagen, omdat door het
gevoerde positieve actiebeleid vanaf 1990 relatief veel vrouwen waren
aangenomen wier anciënniteit derhalve gering was; 4) het gegeven dat de
overgenomen medewerkers uit het andere bedrijf hun anciënniteit mochten
behouden nadelig was voor de uiteindelijke afvloeiingsvolgorde, maar
tegelijk een voldongen feit.

4.6. De Commissie overweegt ten aanzien van het eerstgenoemde argument,
dat een beroep op het Delegatiebesluit niet wegneemt dat de wederpartij
dient te handelen in overeenstemming met de wetgeving gelijke
behandeling. Dit komt ook overeen met de strekking van genoemd artikel
9 lid 6 van het Delegatiebesluit.

Als tweede argument stelt de wederpartij dat, indien niet was afgeweken
van het anciënniteitsbeginsel, verzoekster ook ontslagen zou zijn. De
Commissie merkt hierbij op dat het afwijken van het
anciënniteitsbeginsel niet van belang is: in casu is in het geding de
toepassing van het anciënniteitsbeginsel in relatie tot de man/vrouw
verhouding bij de werknemers.

Het derde argument van de wederpartij betreft het door hem in de
laatste jaren gevoerde positieve actiebeleid, waardoor nu onevenredig
veel vrouwen voor ontslag in aanmerking komen. Te dien aanzien merkt de
Commissie op, dat dit onverlet laat dat het hanteren van het
anciënniteitsbeginsel sec in casu leidt tot indirect onderscheid. Juist
door bij de toepassing van het anciënniteitsbeginsel bij ontslagen niet
mede rekening te houden met het effect op de man/vrouw verhouding, is
in casu aan het positieve actiebeleid in zijn geheel (bij de instroom
alsook bij de uitstroom van werknemers) geen recht gedaan.

Het vierde argument betreft de opgebouwde anciënniteit van de
(overwegend mannelijke) werknemers die door de wederpartij van een
ander bedrijf zijn overgenomen. De Commissie constateert, dat daarvan
inderdaad een nadelig effect is uitgegaan op de ontslagvolgorde.
Evenals bij het voorgaande argument van de wederpartij laat echter ook
dit feit onverlet, dat bij het reorganisatie-ontslag de wederpartij
behalve met de anciënniteit van alle werknemers ook rekening had kunnen
en moeten houden met de man/vrouw verhouding.

4.7. De Commissie heeft niet kunnen vaststellen of al dan niet sprake
is van uitwisselbaarheid van de functie van verzoekster. Vaststaat, dat
het effect van de reorganisatie is geweest dat onevenredig meer vrouwen
dan mannen zijn ontslagen

De Commissie concludeert dat de door de wederpartij gehanteerde
argumenten niet kunnen worden aangemerkt als objectieve
rechtvaardigingsgronden. De wederpartij heeft derhalve gehandeld in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat NRF Radiateuren B.V. te
Mill bij het bepalen van een rangorde voor ontslag jegens mevrouw te
Wilbertoord indirect onderscheid naar geslacht maakt, zoals bedoeld in
artikel 7A:1637ij van het Burgerlijk Wetboek.

Rechters

mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw mr L.Y.Goncalves-Ho Kang You (lid Kamer), mw mr Y. Telenga (lid Kamer), mw mrA.K. de Jongh (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 10 maart 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering sluit zwangerschap- en
bevallingsverlof uit van verzekering. De Commissie gelijke behandeling
meent dat deze uitsluiting direct onderscheid op grond van geslacht
oplevert en als zodanig in strijd is met artikel 7 AWGB. De periode voor
de inwerkingtreding van de AWGB wordt verder buiten beschouwing gelaten.

Volledige tekst


In het licht van deze ontwikkelingen zijn de afgelopen jaren een aantal
verzekeringsmaatschappijen overgegaan tot aanpassing van de polissen van
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, zij het niet altijd volledig. In CGB
17 september 1992, nr 92-54, bundel 1992, is bijvoorbeeld sprake van een
verzekering die alleen gedurende het eerste verzekeringsjaar
arbeidsongeschiktheid in verband met zwangerschap en bevalling uitsluit,
tenzij complicaties optreden. Maar of het nu om hele of gedeeltelijke
uitsluiting gaat: er is in beginsel sprake van verboden onderscheid. Voor
de hier gepubliceerde uitspraak lukte het echter niet een duidelijke
uitspraak daaromtrent van de CGB of de rechter te krijgen.

De reden lag in de eerste plaats in het feit dat een concrete wettelijke
bepaling waarop men zich kon beroepen ontbrak. Het voorstel voor artikel
2 WGB is nog niet ingevoerd in verband met de onzekerheid over de
consequenties van de uitspraak van het HvJ EG in het ‘Barber-arrest’ (en
vele andere zaken) voor de eveneens in dit voorstel te regelen gelijke
behandeling in pensioenregelingen. Een in 1992 aan de CGB voorgelegde zaak
strandde, omdat de Commissie zich toen onbevoegd verklaarde voor
particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Deze verzekeringen
vielen niet onder het bereik van de WGB (CGB 17 september 1992, zie
boven). De enige uitspraak van de civiele rechter leidde evenmin tot het
gewenste resultaat (Rb Breda 5 oktober 1993, RN 1994, 399).

In deze zaak werd een beroep gedaan op artikel 1 Grondwet, artikel 11
tweede lid, VN-vrouwenverdrag, op de derde, vierde en vijfde gelijke
behandelingsrichtlijn van de EG, op artikel 26 van het BuPo-verdrag en –
anticiperend – op artikel 7 van het ontwerp AWGB dat onderscheid verbiedt
bij onder andere het aanbieden van diensten en het uitsluiten en uitvoeren
van overeenkomsten terzake in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
Het beroep op de Grondwet ging niet op omdat volgens de rechter de
bepaling niet geldt in de rechtsverhoudingen tussen burgers. Het beroep
op artikel 11 VN-vrouwenverdrag honoreerde de rechter niet omdat deze
bepalingen geen rechtstreekse werking zouden hebben (overigens zonder dit
nader te motiveren).

Het beroep op de EG-richtlijnen werd kort afgewezen omdat -de richtlijnen
uit zichzelf geen verplichtingen aan particulieren kunnen opleggen en
bepalingen van een richtlijn als zodanig niet tegenover een particulier
kunnen worden ingeroepen-. Op het beroep op artikel 26 van het
BuPo-verdrag wilde de rechter wel ingaan. Maar het leverde evenmin iets
op. De rechter was van mening dat de uitsluiting (-het beding-, aldus de
rechter) geen direct onderscheid op grond van geslacht meebracht: -immers,
gesteld noch gebleken is dat in de polissen voor mannen het beding niet
wordt opgenomen-. Van indirect onderscheid was echter wel sprake: ‘Wel is
het zo dat het beding op biologische gronden uitsluitend vrouwen kan
treffen’. Daarvoor achtte de rechter evenwel een objectieve
rechtvaardigingsgrond aanwezig. Die zou bestaan uit premieverhoging bij
opname van de uitkering in het pakket. De verzekeraar had een
gerechtvaardigd belang bij een juiste premiestelling en aan het nastreven
van dat doel was -iedere gedachte van discriminatie vreemd- aldus de
rechter. Anticiperend op de toen nog niet in werking getreden AWGB stelde
de rechter vervolgens dat een beroep op artikel 7 AWGB, waarin het maken
van onderscheid bij het aanbieden van (onder meer) diensten expliciet
wordt verboden, tot dezelfde uitkomst zou leiden. Ook dan zou van direct
onderscheid geen sprake zijn en de objectieve rechtvaardigingsgrond voor
de indirecte discriminatie zou hetzelfde luiden.

Wat er ook zij van de vraag of de vermelde invulling van de objectieve
rechtvaardigingsgrond voor de indirecte discriminatie voldoet aan de
criteria zoals die door het HvJ EG in Bilka-Kaufhaus zijn ontwikkeld, uit
het boven gepubliceerde oordeel van de CGB blijkt in ieder geval dat deze
Commissie het niet eens is met het oordeel dat van discriminatie niet kan
worden gesproken. De Commissie is van mening dat de uitsluiting direct
onderscheid op grond van geslacht meebrengt en in strijd is met artikel
7 AWGB. Gezien het voorgaande is daarmee sprake van een absolute
doorbraak.

De (advocaten van) verzoekster en verweerder hadden de zaken goed
voorbereid. Diverse aspecten die in vorige procedures naar voren waren
gekomen, zijn terug te vinden in de argumentatie. Tevens wordt nader
ingegaan op elementen waaraan in de zaak voor de Rechtbank Breda wat
oppervlakkig was voorbijgegaan. Dat is met name het geval bij het beroep
op de vierde EG-richtlijn. Verzoekster wijst er op dat de
uitvoeringstermijn van die richtlijn per 1 januari 1993 verstreek en dat
daarom volgens vaste jurisprudentie de zaak geinterpreteerd dient te
worden alsof aan de richtlijn is voldaan.

Bovendien stelt verzoekster dat (het ontwerp van) artikel 2 WGB zo moet
worden uitgelegd dat verdragsconformiteit wordt bereikt met de artikelen
26 BuPo-verdrag en 11 van het VN-vrouwenverdrag. Het geval wil echter dat
de vierde richtlijn niet ziet op alle verzekeringsovereenkomsten. Het
verbod tot het maken van onderscheid in deze richtlijn is gericht op –
regelingen- en niet op de -voor een groep beroeps- of bedrijfsgenoten
geldende voorzieningen, die niet zozeer door een collectief overleg tussen
betrokkenen als wel door een collectief aanbod van verzekeraar wordt
bepaald.

Deze inperking is overgenomen in het voorstel voor artikel 2 WGB. In elk
lid van de bepaling gaat het over -regelingen-. Ook uit de
voorgeschiedenis is op te maken dat daarmee is bedoeld een collectief
aanbod van verzekeraars uit te sluiten (zie TK 1988-1989, 20890, nr. 3,
p. 2 en het betrokken SER-advies 86/04 d.d. 21 maart 1986, Advies gelijke
behandeling in beroepsregelingen). Een groot probleem hoefde dat niet op
te leveren in de ogen van de regering, want tegelijkertijd werd opgemerkt
dat de AWGB voor deze voorzieningen van betekenis zou zijn (20890, nr. 3,
p. 2). Het is in dit verband dat verzoekster stelt dat de onderhavige
verzekeringsovereenkomst onder de voorzieningen valt die door de vierde
richtlijn worden uitgesloten. Daaraan zou volgens verzoekster echter niet
te veel betekenis moeten worden gehecht omdat het in casu
standaardpolisvoorwaarden betreft, met het gevolg dat de uitsluiting in
ieder geval in strijd is met de bedoeling van de richtlijn.

De CGB wil daar echter niet in mee gaan. Hij komt tot de conclusie dat de
verzekeringsovereenkomst in casu inderdaad is uitgesloten van artikel 2
WGB en de Commissie dus niet bevoegd is om te oordelen op grond van de
WGB. Daarom is het ook niet meer van belang om in te gaan op het argument
dat de uitvoeringstermijn van de richtlijn is verstreken. De Commissie
onderzoekt vervolgens de strijd met artikel 7 AWGB. Anders dan de
Rechtbank Breda betrekt de CGB de geschiedenis van (het voorgestelde)
artikel 2 WGB bij zijn oordeel. Ook anders dan de Rechtbank Breda meent
de CGB dat hier sprake is van direct onderscheid. Deze opvatting wordt
niet nader toegelicht. Het kan echter niet anders of zij berust op het
feit dat zowel in artikel 7A:1637ij BW als in de WGB wordt bepaald dat
onderscheid op grond van zwangerschap en bevalling direct onderscheid
oplevert.

Verweerder had daarop gerekend, gezien het aangevoerde argument dat hier
een van de toegelaten uitzonderingen voor direct onderscheid aan de orde
was. Gesteld wordt dat het gaat om een regeling waarbij het geslacht
bepalend is en dat ook m/v premiedifferentiatie bij levensverzekeringen
is toegestaan. Dat verweer gaat natuurlijk niet op. In het besluit dat de
gevallen waarin het geslacht bepalend is nader – en limitatief –
omschrijft komt de uitsluiting van zwangerschap en bevalling in
particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen niet voor. De uitspraak
had naar mijn mening ook niet anders kunnen luiden. En hopelijk wordt zo
ten langen leste het dikke-bult-eigen-schuld-principe voorgoed bijgezet
in het rariteitenkabinet.

Toch resteert nog een vraag. Het zwangerschaps- en bevallingsverlof van
de vrouw in kwestie viel deels voor en deels na 1 september 1994, de datum
waarop de AWGB in werking trad. De Commissie oordeelt slechts over de
strijd met de AWGB vanaf 1 september 1994. De periode daarvoor wordt
buiten beschouwing gelaten. Het komt mij voor dat dit een al te enge
opstelling is. Al ver voor die tijd was de uitsluiting als verboden
onderscheid aangemerkt. De uitspraken daaromtrent van overheidswege laten
op dat punt geen twijfel. Er was alleen geen concrete bepaling voorhanden
waarop men zich in een procedure voor de CGB kon beroepen. Maar de norm
lag al wel verankerd in artikel 26 BuPo-verdrag. Er bestond dus al lang
consensus over het feit dat uitsluiting van zwangerschap en bevalling uit
een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering in strijd was met het
verbod tot het maken van onderscheid.

Daaruit moet volgen dat zeker in een situatie als de onderhavige, waar de
AWGB tijdens de verlofperiode in werking trad, ook de uitsluiting
gedurende de periode voor 1 september 1994 in strijd met dit verbod had
moeten worden bevonden.

Mies Monster

Rechters

Mw prof. mr J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw mr L.Y.Goncalves-Ho Kang You (lid Kamer), mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck (lidKamer), mw mr A.K. de Jongh (juridisch adviseur)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 10 maart 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering sluit zwangerschap-
en bevallingsverlof uit van verzekering. De Commissie gelijke
behandeling is van oordeel dat deze uitsluiting direct onderscheid op
grond van geslacht oplevert en als zodanig in strijd is met artikel 7
AWGB. De periode voor de inwerkingtreding van de AWGB wordt verder
buiten beschouwing gelaten.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 20 juni 1994 verzocht mevrouw (…) te Amsterdam (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of
(…) te Amersfoort (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid
op grond van geslacht heeft gemaakt in strijd met de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168) en met de
Algemene wet gelijke behandeling (AWGB; Stb. 1994, 230).

1.2. Verzoekster is werkzaam als zelfstandige. Zij heeft een
arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij de wederpartij.
Krachtens deze verzekering wordt geen uitkering verleend voor
arbeidsongeschiktheid welke is ontstaan door zwangerschap of bevalling,
tenzij hierbij complicaties optreden, in welk geval alleen recht op een
uitkering bestaat bij volledige arbeidsongeschiktheid. Verzoekster is
van mening dat de wederpartij hiermee heeft gehandeld in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld.

2.2. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid is op 1 september 1994, de datum van inwerkingtreding van de
AWGB, opgeheven. Zij heeft haar werkzaamheden overgedragen aan de op 1
september 1994 ingestelde Commissie gelijke behandeling (hierna: de
Commissie). Deze Commissie heeft de behandeling van de onderhavige zaak
overgenomen.

2.3. Partijen hebben ieder twee maal de gelegenheid gehad hun
standpunten schriftelijk toe te lichten.

2.4. Vervolgens heeft de Commissie partijen uitgenodigd hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 31 januari 1995. De
wederpartij heeft van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw (…) (verzoekster) – mw mr (…) (advocaat)

van de kant van de Commissie – mw prof. mr J.E. Goldschmidt
(Kamervoorzitter) – mw mr L.Y. Goncalves-Ho Kang You (lid Kamer) – mw
mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck (lid Kamer) – mw mr A.K. de Jongh (juridisch
adviseur)

De onderhavige zaak is gevoegd behandeld met een vergelijkbare zaak
(Commissie gelijke behandeling, oordeelnummer 95-3, 10 maart 1995).

2.5. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.4.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is werkzaam als particulier verpleegkundige. Op 7 juli
1989 heeft zij een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij de
wederpartij. De wederpartij is een particuliere
verzekeringsmaatschappij. In de polisvoorwaarden staat onder artikel
16.7 onder andere vermeld, dat geen uitkering krachtens deze
verzekering wordt verleend voor arbeidsongeschiktheid, welke is
ontstaan “door zwangerschap of bevalling, tenzij hierbij complicaties
optreden, in welk geval alleen recht op een uitkering bestaat bij
volledige arbeidsongeschiktheid”.

Verzoekster is op 5 augustus 1994 bevallen. Haar zwangerschapsverlof
ving aan op 4 juli 1994 (vier weken voor e uitgerekende datum). Haar
bevallingsverlof duurde van 5 augustus 1994 tot 28 oktober 1994 (12
weken na de feitelijke bevallingsdatum). Met betrekking tot de
arbeidsongeschiktheidsuitkering bij zwangerschap beroept de wederpartij
zich op genoemd artikel in de polisvoorwaarden.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster is van mening dat genoemde polisvoorwaarde in strijd
is met artikel 2 WGB. Daarin wordt onderscheid verboden tussen mannen
en vrouwen met betrekking tot de voorwaarden voor de toegang tot en de
mogelijkheden tot uitvoering van en ontplooiing binnen het vrije
beroep.

Niet is in genoemd wetsartikel bepaald, tot wie het verbod om
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen is gericht. Evenmin is
aangegeven of dit verbod zich beperkt tot een bepaald terrein.
Verzoekster verwerpt echter de mogelijke stelling, dat artikel 2 WGB
slechts betrekking heeft op de verhouding tussen werkgever en werknemer
en dat mitsdien een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeraar als
derde-betrokkene niet onder de werking van de WGB zou vallen. Daarmee
zou men voorbij gaan aan het feit dat het voor een vrouw dan onmogelijk
wordt zich te dier zake te verzekeren, waardoor een ernstige
belemmering ontstaat voor de toegang tot c.q. de uitoefening van een
beroep als zelfstandige.

3.3. Tevens wijst verzoekster op artikel 2 lid 1 van de vierde
richtlijn betreffende de uitvoering van het beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriele
regelingen inzake sociale zekerheid (Raad van de Europese
Gemeenschappen, de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriele
regelingen inzake sociale zekerheid, 86/378/EEG, 24 juli 1986.
Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, nummer L 225/40, 12
september 1986). In dat artikel worden zelfstandigen expliciet genoemd.

Volgens de richtlijn moet sprake zijn van ‘regelingen’, terwijl in casu
sprake is van een individuele overeenkomst. Aangezien het echter
standaardpolisvoorwaarden betreft, zou het in strijd zijn met de
bedoeling van de richtlijn om deze niet van toepassing te verklaren. De
richtlijn wil immers voorkomen dat er een onderscheid gemaakt wordt
naar geslacht tussen beroepsgenoten.

De nationale wetgeving diende met ingang van 1 januari 1993 aangepast
te zijn conform genoemde richtlijn. In tegenstelling tot de situatie
waarin de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid zich in een vergelijkbare zaak (oordeel 515-92-54) niet bevoegd
verklaarde, is de uitvoeringstermijn thans verstreken. Daarom dient
volgens vaste jurisprudentie de onderhavige zaak geinterpreteerd te
worden alsof aan deze richtlijn is voldaan.

De uitleg van de tekst van artikel 2 WGB dient naar de mening van
verzoekster tevens te worden bezien in het licht van artikel 26 van het
Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten
alsmede in het licht van artikel 11 lid 1 sub e van het
VN-Vrouwenverdrag.

3.4. Voorts wijst verzoekster op de AWGB die op 1 september 1994 in
werking is getreden. Haar bevallingsverlof heeft geduurd tot 28 oktober
1994, reden waarom ook sprake is van strijd met artikel 7 lid 1 van de
AWGB. Daarin wordt onder andere onderscheid verboden bij het aanbieden
van diensten en bij het sluiten, uitvoeren of beeindigen van
overeenkomsten ter zake in de uitoefening van een bedrijf. Tijdens de
parlementaire behandeling van de WGB van mannen en vrouwen is gesteld
dat het maken van onderscheid onder andere door
verzekeringsmaatschappijen in de AWGB zou worden geregeld.

Verzoekster is van mening dat de gebezigde uitsluitingsclausule een
ongeoorloofd onderscheid inhoudt krachtens laatstgenoemde wet en daarom
nietig is op grond van artikel 9 AWGB. De vraag of zwangerschap een
ongeval of ziekte is, is daarbij niet van belang. Overigens bestrijdt
verzoekster, dat arbeidsongeschiktheid ten gevolge van zwangerschap en
bevalling niet gelijk gesteld dient te worden met arbeidsongeschiktheid
wegens ziekte. Zij bestrijdt tevens dat zwangerschap door de verzekerde
zelf kan worden bepaald, en dat arbeidsongeschiktheid wegens
zwangerschap op zichzelf niet verzekerbaar zou zijn middels een
verzekeringsovereenkomst conform het Wetboek van Koophandel.
Verzoekster wijst onder andere naar de verzekeringsmaatschappij “De
Goudse Verzekeringen” die, naar haar informatie ter terechtzitting,
sinds 1991 arbeidsongeschiktheid wegens zwangerschap meeverzekert en
daarbij uitgaat van een uitkering van 16 weken.

3.5. De wederpartij verwijst naar oordeel 515-92-54 van de Commissie
gelijke behandeling mannen en vrouwen bij de arbeid, waarbij deze
Commissie zich in een soortgelijke zaak niet bevoegd achtte. Het
inmiddels verstreken zijn van de uitvoeringstermijn van de vierde
richtlijn is niet van belang, omdat deze richtlijn volgens de
wederpartij niet van toepassing is. In casu is namelijk sprake van een
individuele, privaatrechtelijke overeenkomst tussen wederpartij en
verzoekster. Daarmee wordt niet voldaan aan het in de richtlijn
gehanteerde begrip “regeling”. Volgens de wederpartij moet onder een
regeling worden verstaan een wetgeving in materiele zin door, vanwege
of namens een overheidsorgaan uitgevaardigd en/of toegepast dan wel een
privaatrechtelijke overeenkomst die meerdere personen kan betreffen en
die toepasbaar is voor alle personen die voldoen aan de in die
overeenkomst genoemde voorwaarden. De wederpartij wijst daarbij ook op
artikel 2 lid 2 van de richtlijn, waarin uitdrukkelijk wordt bepaald
dat de richtlijn niet van toepassing is op individuele overeenkomsten
en regelingen die slechts een lid tellen.

De richtlijn betreft niet de gelijke behandeling van beroepsgenoten,
zoals verzoekster stelt, maar de tenuitvoerlegging van het beginsel van
gelijke behandeling in de ondernemings- en sectoriele regelingen.
Bovendien spreekt de richtlijn over zelfstandigen uit een onderneming.
Een onderneming is een zelfstandig op winst gericht bedrijf of complex
van bedrijven, en verzoekster heeft dit niet: zij is niet ook in dienst
van of uit een onderneming, zij oefent alleen een zelfstandig beroep
uit.

De wederpartij wijst tevens op artikel 8 van de richtlijn 86/613/EEG
van 11 december 1986, waarin aan de Lid-Staten een instructie wordt
gegeven om te onderzoeken of en op welke wijze vrouwelijke
zelfstandigen en echtgenoten zwangerschaps- en moederschapsverlof
kunnen krijgen. De Europese wetgever is er kennelijk van overtuigd dat
dit slechts via een sociale, min of meer verplichte, regeling is te
bereiken waarbij de kosten van zulk een regeling over een groot aantal
personen kunnen worden verdeeld middels verplichte deelneming danwel
uit de algemene kas komen. In casu is geen sprake van een verplichte
maar van een vrijwillige verzekering.

Voorts verwerpt de wederpartij een beroep op het VN-Vrouwenverdrag. Dit
richt zich in artikel 11 lid 2 namelijk tot de Staten en derhalve niet
tot de wederpartij.

3.6. De wederpartij bestrijdt dat onderscheid wordt gemaakt in de zin
van artikel 1 AWGB. De onderhavige verzekering heeft geen betrekking op
zwangerschap, omdat dat geen ziekte is. Complicaties bij een
zwangerschap duiden op een ziekte en ongeval, en zijn dus wel gedekt.
Omdat geen onderscheid wordt gemaakt in de zin van artikel 1 AWGB, valt
de onderhavige verzekering ook niet onder het verbod van artikel 7
AWGB.

Indien de Commissie mocht oordelen dat toch sprake is van onderscheid
in de zin van artikel 1 AWGB, dan is de wederpartij van mening dat
sprake is van een geoorloofd onderscheid in de zin van artikel 2 lid 2
onder a. In deze wetstekst staat dat het verbod van onderscheid op
grond van geslacht niet geldt in gevallen waarin het geslacht bepalend
is. Daarbij verwijst de wederpartij naar de parlementaire behandeling
van de AWGB, waarin door een toenmalig lid van de regering is gesteld
dat premiedifferentiatie bij levensverzekeringen op grond van geslacht
is toegestaan omdat bij levensverzekeringen biologische factoren
medebepalend zijn voor de sterftekans. Van belang daarbij werd tevens
geacht dat de geslachtsfactor blijvend van betekenis is danwel er een
is die het gevolg is van de maatschappelijke positie waarin een vrouw
(of de vrouwen in het algemeen) verkeert (verkeren) (Tweede Kamer der
Staten Generaal, kamerstukken 22.014, Handelingen, blz. 47-3530 tot en
met 47-3532, 10 februari 1993). De wederpartij meent, aangezien
zwangerschap een bij uitstek geslachtsbepalend onderscheid is,
onafhankelijk van de maatschappelijke omstandigheden, dat wat voor een
levensverzekering is toegestaan ook toegestaan moet zijn voor een
individuele arbeidsongeschiktheidsverzekering.

De wederpartij is van mening, dat arbeidsongeschiktheid wegens
zwangerschap op zichzelf niet verzekerbaar is middels een
verzekeringsovereenkomst conform het Wetboek van Koophandel. Een van de
kenmerken van het bestaan van een dergelijke overeenkomst is dat het
voorval, waartegen of waarvoor verzekerd wordt, onzeker moet zijn en
niet door verzekerde zelf te bepalen. Zwangerschap echter is in hoge
mate zelf te bepalen, zeker in het huidig tijdsgewricht, waarbij er
voldoende medische en andere middelen zijn om zwangerschap te
verhinderen of juist te bevorderen. Dat andere verzekeraars eventueel –
en dan nog in beperkte zin en onder strenge voorwaarden – soms
zwangerschapsverlof betalen, doet hieraan niets af. Het is voor een
particuliere verzekeraar die individuele verzekeringen sluit ook niet
doenlijk dit risico adequaat mee te verzekeren c.q. tot een adequate
premiestelling te komen.

De wederpartij meent meer subsidiair, dat geen strijd met de AWGB kan
worden aangenomen omdat verzoekster geen arbeidsongeschiktheid claimt
ten gevolge van zwangerschap maar een moederschapsverlof, in casu dus
een periode om bij haar kind te zijn. Zij is dan ook niet
arbeidsongeschikt. Indien de Commissie oordeelt dat sprake is van
strijd met de AWGB, zou het doel van de verzekering ver worden
overschreden en neerkomen op eigenlijk een geheel nieuw soort
verzekering. Daarmee zou de AWGB ver buiten haar oorspronkelijke
doelstelling komen.

4. De overwegingen van de Commissie

4.1. In geding is allereerst de vraag of de wederpartij heeft gehandeld
in strijd met artikel 2 WGB door in de polisvoorwaarden het risico van
zwangerschap/bevalling niet te dekken. De tekst van artikel 2 WGB luidt
aldus: “Het is niet toegelaten onderscheid te maken tussen mannen en
vrouwen met betrekking tot de voorwaarden voor de toegang tot en de
mogelijkheden tot uitoefening van en ontplooiing binnen het vrije
beroep”.

4.2. Voordat de Commissie over kan gaan tot beantwoording van de in
geding zijnde vraag, moet zij beoordelen of zij bevoegd is naar
aanleiding van het onderhavige verzoek een oordeel uit te spreken over
mogelijke strijd met de WGB.

In de tekst van artikel 2 WGB is niet bepaald tot wie het verbod om
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen is gericht. Evenmin is
aangegeven of dit verbod zich beperkt tot een bepaald terrein.

Een dergelijke beperking heeft de wetgever wel aangebracht in de
artikelen 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) en 1a WGB. In deze
artikelen wordt de reikwijdte van het verbod om onderscheid te maken
immers beperkt tot die handelingen en regelingen, afkomstig van of toe
te rekenen aan de werkgever respectievelijk het bevoegd gezag. Verder
worden uitkeringen of aanspraken ingevolge pensioenregelingen van de
werkingssfeer van deze artikelen uitgezonderd. Dit betekent dat het
terrein van de (wettelijke) sociale zekerheid in beginsel niet wordt
bestreken door genoemde artikelen. Gelet op deze duidelijke begrenzing
in genoemde artikelen komt het de Commissie aannemelijk voor, dat een
vergelijkbare begrenzing ook is beoogd in de regeling voor het vrije
beroep in artikel 2 WGB. Dat op grond van jurisprudentie van het Hof
van Justitie van de Europese Gemeenschappen inmiddels een deel van de
(bovenwettelijke) sociale zekerheid wel binnen het bereik van de
artikelen 7A:1637ij BW en 1a WGB is gebracht, is voor de onderhavige
zaak zonder betekenis. Het betreft in dat geval dat deel van de sociale
zekerheid dat valt onder artikel 119 EEG-verdrag. Dit artikel betreft
evenwel niet de positie van zelfstandigen.

4.3. Dit leidt tot de conclusie dat de onderhavige materie in beginsel
niet binnen het bereik van artikel 2 WGB valt. Voor deze opvatting, die
eerder ook door de Commissie gelijke behandeling mannen en vrouwen bij
de arbeid werd gehuldigd (Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid, oordeelnummer 392-92-35, 23 juni 1992 en
oordeelnummer 515-92-54, 17 september 1992), is ook steun te vinden in
de parlementaire geschiedenis (Tweede Kamer der Staten Generaal,
vergaderjaar 1987-1988, kamerstukken 19.908, nummer 6) van deze wet.
Immers, de vraag of onderscheid tussen mannen en vrouwen, gemaakt door
onder andere verzekeringsmaatschappijen, onder de WGB viel, werd door
het kabinet ontkennend beantwoord. Weliswaar werd erkend dat een
dergelijk onderscheid de toegang tot en de mogelijkheden tot
ontplooiing binnen het vrije beroep kon belemmeren, maar dit nam niet
weg, dat het een materie betrof die volgens het kabinet eerst in de
AWGB zou worden geregeld.

4.4. Slechts op grond van het Europese gemeenschapsrecht zou artikel 2
WGB anders kunnen worden geinterpreteerd. Ten aanzien van de ook door
partijen gememoreerde vierde richtlijn overweegt de Commissie het
volgende.

Genoemde richtlijn heeft betrekking op de gelijke behandeling van
mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriele regelingen inzake de
sociale zekerheid. Artikel 2 lid 1 van de richtlijn luidt: “Als
ondernemings- of sectoriele regelingen inzake sociale zekerheid worden
aangemerkt regelingen die niet vallen onder richtlijn 79/7/EEG en tot
doel hebben aan de werknemers of zelfstandigen uit een onderneming, een
groep ondernemingen, een tak van de economie of een of meer
bedrijfstakken omvattende sector, prestaties te verstrekken in
aanvulling op de prestaties uit hoofde van de wettelijke regelingen op
het gebied van de sociale zekerheid of in plaats daarvan, ongeacht of
aansluiting bij deze regelingen verplicht is of niet”. Lid 2 vervolgt:
“Deze richtlijn is niet van toepassing op: a) individuele
overeenkomsten, b) regelingen die slechts een lid tellen, (….)”.

In casu betreft het polisvoorwaarden die deel uitmaken van een
overeenkomst tussen verzoekster en wederpartij. Deze kan niet anders
worden beschouwd dan als een individuele overeenkomst. Het feit dat
sprake is van standaardpolisvoorwaarden doet daaraan niet af. De tekst
van artikel 2 lid 2 van de richtlijn leidt derhalve tot de conclusie
dat de overeenkomst tussen verzoekster en de wederpartij niet valt
onder de reikwijdte van de vierde richtlijn.

4.5. Hieraan kan worden toegevoegd, dat lid 1 van artikel 1 van de
vierde richtlijn niet zonder beperking spreekt over zelfstandigen. De
tekst richt zich immers tot “zelfstandigen uit een onderneming, een
groep ondernemingen (…)”. Deze beperking duidt eerder op een
collectieve regeling tussen betrokkenen dan op een collectief aanbod
waar op basis van individuele overeenkomsten gebruik van kan worden
gemaakt.

Deze interpretatie van artikel 1 lid 1 van de vierde richtlijn wordt
bevestigd door wetsvoorstel 20.890, waarmee wordt beoogd de vierde
richtlijn te incorporeren in de nationale wetgeving. Krachtens dit
wetsvoorstel (de Wijziging van het Burgerlijk Wetboek en van de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Eerste Kamer der Staten
Generaal, vergaderjaar 1989-1990, kamerstukken 20.890, nummer 121) komt
het nieuwe artikel 2 van de WGB te luiden: “1. Het is niet toegelaten
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen met betrekking tot de
voorwaarden voor toegang tot en de mogelijkheden tot uitoefening van en
ontplooiing binnen het vrije beroep, alsmede wat betreft regelingen
tussen beroepsgenoten inzake sociale zekerheid niet zijnde
pensioenvoorzieningen als bedoeld in artikel 12a. 2. Indien een
regeling als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op ziekte of
arbeidsongeschiktheid mag daarin geen uitzondering worden gemaakt voor
zwangerschap en bevalling, onverminderd de bevoegdheid bepalingen op te
nemen ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik. 3. Elke
bepaling van een regeling als bedoeld in het eerste lid, die in strijd
is met het eerste of tweede lid bepaalde is nietig.”.

Gesproken wordt expliciet van “regelingen tussen beroepsgenoten”. In de
Memorie van Toelichting van genoemd wetsontwerp wordt opgemerkt, dat
als in dit wetsvoorstel bedoelde voorzieningen niet kunnen worden
aangemerkt de voor een groep beroeps- of bedrijfsgenoten geldende
voorzieningen, die niet zozeer door een collectief overleg tussen
betrokkenen als wel door een collectief aanbod van een verzekeraar
wordt bepaald. Volgens de toelichting zal de AWGB voor deze
voorzieningen van betekenis zijn. Uit het voorgaande volgt, dat ook de
tekst van lid 1 van artikel 1 van de richtlijn zich verzet tegen het
bestrijken van overeenkomsten als de onderhavige. Ten aanzien van het
VN-Vrouwenverdrag en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en
Politieke rechten merkt de Commissie op, dat zij niet rechtstreeks aan
deze Verdragen kan toetsen.

4.6. Aangezien de in het geding zijnde overeenkomst gelet op het
bovenstaande niet onder de reikwijdte van de vierde richtlijn valt, is
niet van belang dat de uitvoeringstermijn van genoemde richtlijn reeds
is verstreken. Dit leidt tot de conclusie, dat de Commissie zich in
casu niet bevoegd acht een oordeel uit te spreken over mogelijke strijd
met de WGB.

4.7. Ten aanzien van de AWGB overweegt de Commissie het volgende. Pas
na de indiening van het verzoek op 20 juni 1994 is de AWGB in werking
getreden, namelijk per 1 september 1994. Verzoekster heeft bij
indiening van het verzoek reeds gewezen op het feit dat deze wet in
werking zou treden en op het gegeven dat zij vanaf die datum nog
gedurende een bepaalde periode uitkeringsgerechtigd zou zijn. Gelet op
het (in de brief van 10 januari 1995 herhaalde) beroep op de AWGB en
gelet op de gangbare verloftermijn van 16 weken acht de Commissie zich
bevoegd te oordelen over mogelijke strijd met de AWGB voor de periode
van 1 september 1994 tot 28 oktober 1994.

4.8. In artikel 1 van de AWGB wordt onder andere gesteld, dat sprake is
van direct onderscheid als onderscheid wordt gemaakt op grond van
geslacht. De wederpartij stelt dat geen onderscheid wordt gemaakt in de
zin van artikel 1 AWGB (en mitsdien niet in strijd wordt gehandeld met
artikel 7 AWGB), aangezien de verzekering geen betrekking heeft op
zwangerschap omdat dat geen ziekte is. Het is echter niet aan de
Commissie te oordelen of zwangerschap onder het begrip ziekte valt.
Evenmin als de Commissie oordeelt over de vraag of zwangerschap een
onzeker voorval is of verzekerbaar middels een verzekeringsovereenkomst
conform het Wetboek van Koophandel. Het is de taak van de Commissie na
te gaan of sprake is van onderscheid op grond van geslacht. Conform het
gestelde in de Memorie van Toelichting ziet direct onderscheid op grond
van geslacht mede op onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling
en moederschap (Zie noot 6). Aangezien de polisvoorwaarden stellen dat
geen uitkering wordt verleend bij arbeidsongeschiktheid, ontstaan door
zwangerschap of bevalling, is sprake van direct onderscheid.

4.9. Artikel 7 van de AWGB verbiedt onderscheid bij onder andere het
aanbieden van diensten en het sluiten en uitvoeren van overeenkomsten
terzake in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Volgens de Memorie
van Toelichting bij de AWGB (Tweede Kamer der Staten Generaal,
vergaderjaar 1990-1991, kamerstukken 22.014, nummer 3, Memorie van
Toelichting, bladzijde 20) bevat artikel 7 geen beperkingen met
betrekking tot de aard van de aan te bieden goederen of diensten, dan
wel de ter zake te sluiten overeenkomsten. Tevens wordt in de
eerdergenoemde Memories van Toelichting bij zowel de WGB als bij de
voorgenomen wijziging daarvan ter uitvoering van de vierde richtlijn
expliciet gewezen naar de AWGB betreffende overeenkomsten als de hier
in het geding zijnde. Dit leidt tot de conclusie, dat in casu sprake is
van direct onderscheid dat volgens artikel 7 AWGB is verboden.

4.10. Volgens artikel 2 lid 2 AWGB geldt het in deze wet neergelegde
verbod van onderscheid op grond van geslacht niet in gevallen waarin
het geslacht bepalend is. De wederpartij beroept zich op dit artikel,
daarbij verwijzend naar de parlementaire geschiedenis van de AWGB waar
premiedifferentiatie bij levensverzekeringen op grond van geslacht
onder de reikwijdte van genoemd artikel 2 lid 2 werd gebracht. De
Commissie wijst ten aanzien hiervan op lid 6 van artikel 2 AWGB, waarin
verwezen wordt naar de algemene maatregel van bestuur waarin de in het
tweede lid bedoelde gevallen worden omschreven. In deze maatregel van
bestuur (Besluit van 18 augustus 1994, houdende nadere omschrijving van
gevallen waarin het geslacht bepalend is, van gevallen waarin het de
bescherming van de vrouw betreft, van gevallen waarin uiterlijke
kenmerken die samenhangen met het ras van een persoon bepalend zijn en
van gevallen waarin de nationaliteit bepalend is (Besluit gelijke
behandeling), Staatsblad 1994, nummer 657) is de door de wederpartij
genoemde premiedifferentiatie bij levensverzekeringen op grond van
geslacht opgenomen (Artikel 1 sub h van het in de noot 9 genoemde
Besluit gelijke behandeling luidt: “Als gevallen waarin het geslacht
bepalend is, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van de
Algemene wet gelijke behandeling, alsmede waarin het de bescherming van
de vrouw betreft, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van
die wet, worden aangemerkt die gevallen die behoren tot een of meer van
de volgende categorieen: (…) h. de verzekering van een risico dat
afhankelijk is van het leven van een persoon tegen een van het geslacht
van die persoon afhankelijke premie, voor zover het verschil in
levensverwachting tussen mannen en vrouwen het verschil in premie
redelijkerwijs meebrengt; (…)”). Uitsluitende polisvoorwaarden zoals
de in het geding zijnde echter niet. Aangezien genoemd Besluit gelijke
behandeling een nadere omschrijving bevat van gevallen, waarin het
geslacht bepalend is, die volgens de wetsgeschiedenis van de AWGB
wenselijk werd bevonden “met het oog op de rechtszekerheid en om te
voorkomen dat deze uitzondering in de praktijk in niet bedoelde
gevallen wordt gehanteerd” (Tweede Kamer der Staten Generaal,
vergaderjaar 1991-1992, kamerstukken 22.014, nummer 5, Memorie van
Antwoord II, bladzijde 73), moet de opsomming van gevallen van
geslachtsbepaaldheid als limitatief worden beschouwd. Mitsdien kan het
beroep van de wederpartij op artikel 2 lid 2 AWGB niet slagen.

5. Het oordeel van de Commissie

De Commissie

1. acht zich niet bevoegd een oordeel uit te spreken over de vermeende
ongelijke behandeling in strijd met de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen van verzoekster door de verzekeringsmaatschappij op
het punt van de uitsluiting van arbeidsongeschiktheid/ongeval in
verband met zwangerschap/bevalling van de vrijwillige
arbeidsongeschiktheids- en ongevallenverzekering;

2. spreekt als haar oordeel uit dat de verzekeringsmaatschappij direct
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt jegens verzoekster in strijd
met artikel 7 lid 1 sub a van de Algemene wet gelijke behandeling op
het punt van de uitsluiting van arbeidsongeschiktheid/ongeval in
verband met zwangerschap/bevalling van de vrijwillige
arbeidsongeschiktheids- en ongevallenverzekering, voor zover dit
onderscheid voortduurde na 1 september 1994

Rechters

Mw prof. mr J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw mr L.Y.Goncalves-Ho Kang You (lid Kamer), mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck (lidKamer), mw mr A.K. de Jongh (juridisch adviseur)

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 9 maart 1995

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Appellanten (ex-man en nieuwe partner) vorderen geintimeerde (ex-vrouw)
te verbieden tot het doen of herhalen van uitlatingen in het openbaar die
de goede eer van appellanten aantasten. Het Hof is van mening dat
onvoldoende aannemelijk is geworden dat appellanten in hun eer en goede
naam worden aangetast en derhalve schade lijden, dan wel dat daarvoor
alsnog dient te worden gevreesd. Daarom wordt het vonnis waarvan beroep
bekrachtigt.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellanten -G en L- zijn bij dagvaarding van 13 december 1994 in
hoger beroep gekomen van het vonnis dat de president van de rechtbank te
Haarlem op 29 november 1994 onder rolnummer KG 744/1994 bij verstek heeft
uitgesproken tussen G en L als eisers en geintimeerde -K- als gedaagde.
G en L hebben vier grieven tegen dat vonnis geformuleerd en gevorderd dat
het hof het vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende K alsnog zal
verbieden tot het doen of herhalen van uitlatingen in het openbaar die de
goede naam en eer van G en L aantasten, zulks op straffe van verbeurte van
een dwangsom van ƒ 5000,= per overtreding van dat verbod, met veroordeling
van K in de gedingkosten van beide instanties.

1.2. Bij memorie van grieven met produkties hebben G en L geconcludeerd
overeenkomstig de appeldagvaarding.

1.3. Bij memorie van antwoord heeft K de grieven bestreden en
geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met
veroordeling van G en L in de gedingkosten.

1.4. Vervolgens hebben partijen de zaak door hun advocaten doen bepleiten.
Mr. van Gulick deed dat aan de hand van een nadien overgelegde pleitnota.

1.5. Tenslotte is arrest gevraagd onder overlegging van de gedingstukken
van beide instanties. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

2. De grieven

Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de appeldagvaarding.

De uitgangspunten

In dit geding dient voorshands van het volgende te worden uitgegaan:

-G is met K gehuwd geweest;

-dit huwelijk is ontbonden door de inschrijving op 1 augustus 1994 in de
registers van de burgerlijke stand van een desbetreffende beschikking van
de rechtbank te Haarlem van 21 juni 1994;

-G is een nieuwe relatie aangegaan met L.

4. De beoordeling van het hoger beroep

4.1. De hierboven onder 1.1. omschreven vordering van G en L is -zakelijk
samengevat- gebaseerd op de volgende stellingen:

-tijdens de echtscheidingsprocedure tussen G en K en ook daarna is er
sprake geweest van een terreur van telefoontjes, brieven en kwaadsprekerij
door K, waardoor G en L in het openbaar in hun goede naam en eer worden
aangetast;

-ondanks herhaalde sommaties van de kant van G en L houdt K er niet mee
op G en L in hun eer en goede naam aan te tasten;

-door de onrechtmatige handelwijze van K hebben G en L schade geleden en
dreigen zij nog verder schade te lijden, zodat zij belang hebben bij de
door hen in kort geding gevraagde voorziening.

Ter adstructie van hun vordering verwijzen G en I in hoofdzaak naar de
volgende door hen overgelegde stukken:

a. een brief van K van 28 oktober 1993 aan mr Sol, raadsman van G in
genoemde echtscheidingsprocedure; b. enkele briefkaarten die K eind
1993/begin 1994 heeft gezonden aan de ouders van G; c. een brief van K aan
de moeder van L gedateerd 13 augustus 1994; d. een anonieme brief -volgens
G en L afkomstig van K- aan H. Lyons van Kerry Algae Ltd. in Ierland; e.
een anonieme brief -volgens G en L afkomstig van K- aan de privekliniek
voor plastische chirurgie Holystaete te Vlaardingen; f. een in oktober
1994 bij het Medisch Centrum voor Esthetische Geneeskunde te Scheveningen
binnengekomen anonieme brief, volgens G en L afkomstig van K; g. een brief
van K aan genoemde Lyons van 17 november 1994; h. een brief van K van 18
november 1994 aan de hiervoor onder f. genoemde instelling.

4.2. K. betwist dat de hierboven onder 4.1. sub d. tot en met f. genoemde
brieven van haar afkomstig zijn. Verder bestrijdt zij dat zij onrechtmatig
tegenover G en/of L heeft gehandeld en dat deze (nog) voldoende belang
hebben bij hun appel en het daarbij gevraagde verbod, mede nu zij op het
punt staan om definitief, althans voor langere tijd, naar de Verenigde
Staten te vertrekken.

4.3. De president heeft de door G en L gevraagde voorziening geweigerd.
Tegen die beslissing en de gronden waarop die rust richten zich de
grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen.

4.4. Tegenover de betwisting door G en L is niet aannemelijk geworden dat
zij op het punt zouden staan naar het buitenland te vertrekken. Zij houden
er dus reeds daarom belang bij dat in hoger beroep wordt onderzocht of hun
in eerste aanleg door de president afgewezen vordering -die zij in hoger
beroep hebben gehandhaafd- alsnog dient te worden toegewezen.

4.5. Op de betwisting door K staat voorshands niet vast dat de hierboven
onder 4.1. sub d. tot en met f. genoemde voorschriften van haar afkomstig
zijn. Dit kort geding leent zich niet voor een nader onderzoek daarnaar.

4.6. Ten aanzien van de overige hiervoor onder 4.1 genoemde geschriften
dient te worden vooropgesteld dat die gericht zijn aan individuele
personen dan wel instellingen, en dat niet aannemelijk is dat die
geschriften zouden zijn verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen
dan wel openlijk ten gehore gebracht als bedoeld in artikel 261 van het
Wetboek van Strafrecht. Nog daargelaten de inhoud van die geschriften
kunnen die dus -anders dan G en I blijkbaar menen- voorshands niet als
smaadschrift in de zin van genoemd wetsartikel worden bestempeld.

4.7. Ten aanzien van de inhoud van die geschriften geldt het volgende. De
hierboven onder 4.1 sub a. tot en met c. genoemde geschriften hangen
blijkens hun inhoud ten nauwste samen met de echtscheidingsprocedure
tussen G en K en de problematiek die in dat verband tussen hen beiden
hebben gespeeld. Mede in het licht daarvan rechtvaardigen inhoud en
strekking van die geschriften niet een voorziening als door G en L
gevraagd, te meer nu die geschriften uit het tijdvak oktober 1993-augustus
1994 dateren, de echtscheiding tussen G en K inmiddels is ingeschreven,
en niet aannemelijk is geworden dat K nadien de ouders van G dan wel diens
advocaat of de moeder van L op de door G en L gewraakt wijze zou hebben
benaderd, of dat zulks alsnog zou dreigen.

4.8. De hierboven onder 4.1 sub g. en h. genoemde brieven van K hebben
blijkens hun inhoud kennelijk tot strekking de geadresseerden -zakelijke
contacten van G- te waarschuwen voor G en L, zulks onder meer onder
verwijzing naar justitiecontacten van laatstgenoemden. Voorshands is
onvoldoende aannemelijk geworden dat G en L door de inhoud van die brieven
in hun eer en goede naam worden aangetast en deswege materiele of
immateriele schade zouden lijden, dan wel dat daarvoor alsnog door
handelingen van de zijde van K moet worden gevreesd. Voor de gevraagde
voorziening bestaat dan ook geen aanleiding, hetgeen betekent dat de
grieven falen en dat het vonnis waarvan beroep moet worden bekrachtigd.

4.9. Nu G. en K. gewezen echtgenoten zijn bestaat er aanleiding om ook in
hoger beroep de proceskosten te compenseren als na te melden.

5. Beslissing

Het Hof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep: compenseert de
gedingkosten in hoger beroep aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Aaftink, Bockwinkel en Coeterier