Instantie: Rechtbank Roermond, 9 maart 1995

Instantie

Rechtbank Roermond

Samenvatting


Partijen zijn 6 jaar getrouwd geweest en hebben twee kinderen van 3 en 6
jaar oud. Man betwijfelt de behoefte van de vrouw aan alimentatie tot het
bedrag dat hij volgens de draagkrachtberekening kan betalen. De rechtbank
merkt daarover op dat de behoefte van de vrouw, die geen eigen inkomen
heeft, zich niet beperkt tot het bestaansminimum. Medebepalend voor de
behoeftevaststelling is de welstand waarin partijen leefden gedurende het
huwelijk. In dat licht en nu de man voldoende draagkracht heeft komt de
rechtbank genoemd bedrag redelijk voor. Alimentatie wordt ƒ 1994,=.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Bij exploit d.d. 11 november 1994 is het verzoekschrift aan B betekend.

A heeft verzocht (kort samengevat): -echtscheiding althans scheiding van
tafel en bed; -benoeming van A tot voogdes en B tot toeziend voogd over
de minderjarige kinderen van de echtgenoten; -bepaling van een bijdrage
in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van
de echtgenoten van ƒ 250,= per maand per kind; -betaling van een uitkering
voor levensonderhoud van ƒ 3.305,= per maand, met dien verstande dat dit
bedrag verminderd kan worden tot ƒ 2.484,= per maand voor iedere maand dat
B hypothecaire last op de nog onverkochte woning ad ƒ 1.144,77
daadwerkelijk betaalt; -verdeling van de gemeenschappelijke goederen; -het
voortgezet gebruik van de echtelijke woning met wat daarbij hoort;

B heeft op 16 december 1994 een verweerschrift bij de rechtbank ingediend
en verzocht de bijdrage in het levensonderhoud van A te bepalen op een
bedrag van niet meer dan ƒ 696,=. Zodra de echtelijke woning is verkocht
zal, bij overigens gelijk blijvende omstandigheden, een bedrag van ƒ
1.962,01 kunnen worden betaald. Voor het overige heeft B zich gerefereerd
aan het oordeel van de rechtbank.

Blijkens zijn verklaring heeft de griffier op 22 december 1994 een
afschrift van het verweerschrift aan A gezonden. Bij brief d.d. 10 januari
1995 heeft mr. M Tijssen hierop gereageerd.

Op 30 januari 1995 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De
griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden. Bij deze
behandeling zijn verschenen: -A bijgestaan door een advocaat; -de advocaat
van B.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben de echtgenoten overeenstemming
bereikt over de omgang. B heeft in de loop van de procedure een aantal
produkties overgelegd.

Vaststellingen en overwegingen:

Uit de overgelegde bescheiden blijkt hetgeen bij verzoekschrift is gesteld
over: het huwelijk van de echtgenoten; de thans nog minderjarige kinderen;
de Nederlandse nationaliteit van de echtgenoten.

B heeft de door A gestelde duurzame ontwrichting niet weersproken en zich
aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd, zodat het verzoek tot
echtscheiding voor toewijzing vatbaar is. Dit geldt eveneens ten aanzien
van de nevenverzoeken tot -benoeming van A voogdes en van B tot toeziend
voogd; -bepaling van een kinderbijdrage van ƒ 250,= per kind per maand;
-verdeling van de gemeenschappelijke goederen;

Het verzoek van B tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning
gedurende zes maanden na inschrijving van deze beschikking in de registers
van de burgerlijke stand zal de rechtbank afwijzen, nu de vrouw ter
zitting heeft verklaard per 1 februari 1995 te zullen verhuizen naar de
.

De echtgenoten zijn het erover eens geworden dat de omgang in goed
onderling overleg dient plaats te vinden. De rechtbank acht zulks in het
belang van de minderjarigen en zal dit in de beslissing vastleggen.

Met betrekking tot het verzoek tot bepaling van een uitkering tot
levensonderhoud van A overweegt de rechtbank het volgende.

B heeft ter zitting verklaard er mee te kunnen instemmen dat voor de
beoordeling van de financiele situatie hij internationaal
vrachtwagenchauffeur is, uitgegaan wordt van zijn gemiddelde inkomen.

Dit bedraagt blijkens de overgelegde salarisspecificaties van 1994 circa
ƒ 5.197,= bruto per 4 weken inclusief de overuren en te vermeerderen met
de vakantietoeslag, doch exclusief de onkostenvergoeding.

Na aftrek van verschuldigde belastingen en premies en na verrekening van
de fiscale effecten van onder meer de hypotheekrente en de rente voor de
persoonlijke lening, welke B ter zitting verklaard heeft beide voor zijn
rekening te zullen nemen, alsmede de buitengewone lastenaftrek voor de
kinderen, resteert een besteedbaar inkomen van ƒ 4.294,= per maand.

Zolang de echtelijke woning nog niet is verkocht en B de daarop rustende
lasten voor zijn rekening neemt kan voor de berekening van de draagkracht
rekening worden gehouden met de totale hypotheeklast ad ƒ 1.144,= alsmede
de aflossing op de persoonlijke lening ad ƒ 500,=. Op dit moment heeft B
geen huurlasten. Daar hij ter zitting heeft verklaard te zullen gaan
bijdragen in de huurlasten van zijn vriendin, bij wie hij thans verblijft,
zal de rechtbank ter bestrijding van de noodzakelijke, in het algemeen
geldende kosten voor levensonderhoud vrijlaten de ABW-norm voor een
alleenstaande, inclusief de woonkostencomponent. Daarop zal een correctie
van ƒ 200,= per maand worden toegepast terzake van besparingen die B heeft
omdat hij als vrachtwagenchauffeur vijf dagen in de week van huis is en
voor maaltijden en/of overnachtingen van zijn werkgever een -naar hij zelf
stelt- kostendekkende vergoeding ontvangt.

Voor het overige is niet gesteld of gebleken dat er aan de zijde van B
kosten zijn waarmee thans rekening dient te worden gehouden.

Op grond van het voorgaande en rekening houdende met alle fiscale aspecten
met B zolang de echtelijke woning niet is verkocht en hij daarop rustende
lasten voor zijn rekening neemt, in staat worden geacht, een uitkering tot
levensonderhoud te betalen aan A ten bedrage van ƒ 678,= per maand. Na
verkoop van de echtelijke woning en aflossing van de schuld en bij
overigens gelijkblijvende omstandigheden is B naar het oordeel van de
rechtbank in staat een uitkering tot levensonderhoud te betalen van ƒ
1.994,=.

B betwijfelt weliswaar de behoefte van A aan laatstgenoemde bedrag,
opgemerkt wordt echter dat de behoefte van de vrouw, die geen eigen
inkomen heeft, zich niet beperkt tot het bestaansminimum. Medebepalend
voor de behoeftevaststelling is de welstand waarin partijen leefden
gedurende het huwelijk. In dat licht en nu B voldoende draagkracht heeft
komt de rechtbank genoemd bedrag van ƒ 1.994,= redelijk voor en zal
dienovereenkomstig worden beslist.

De hierna te treffen voorzieningen moeten het meest in het belang van de
minderjarigen worden geacht.

Beslissing:

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen de echtgenoten, gehuwd op , benoemt
over de twee thans nog minderjarige kinderen van de echtgenoten: 1.
geboren te op 2. geboren te op tot voogdes: de moeder:
en tot toeziend voogd de vader: . beveelt de
afgifte van de voornoemde kinderen aan de met de voogdij belaste ouder;

bepaalt dat de vader, ten behoeve van de verzorging en opvoeding van ieder
der minderjarigen, te beginnen met de dag dat deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij
vooruitbetaling aan de ouder die het gezag over de minderjarigen
uitoefent, heeft te betalen een bedrag van ƒ 250,= (tweehonderdvijftig
gulden) per maand per kind, telkens vermeerderd met het bedrag van iedere
uitkering die krachtens geldende wetten of regelingen ten behoeve van die
minderjarigen kan of worden verleend;

verstaat dat de omgang tussen de niet met de dagelijkse zorg belaste ouder
en de minderjarigen in goed overleg zal plaatsvinden;

bepaalt dat B met ingang van de dag, waarop de beschikking tot
echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke
stand aan A voor levensonderhoud heeft te betalen de somma van ƒ 678,=
(zeshonderd achtenzeventig gulden) per maand bij vooruitbetaling te
voldoen;

verstaat dat B de hypothecaire lasten ad ƒ 1.144,= per maand en de rente
en aflossing, op de persoonlijke lening ad ƒ 500,= per maand voor zijn
rekening neemt;

bepaalt dat B, zodra de echtelijke woning is verkocht en voormelde
leningen zijn afgelost, aan aan A voor levensonderhoud heeft te betalen
de somma van ƒ 1.994,= (eenduizend negenhonderd vierennegentig gulden) per
maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

beveelt de echtgenoten over te gaan tot verdeling van de goederen tussen
de echtgenoten gemeen; benoemt, tenzij de echtgenoten binnen acht dagen
na de inschrijving dezer echtscheiding in de registers van de burgerlijke
stand anders overeengekomen, notaris mr. W.H.M Verhallen ter standplaats
Weert, of diens waarnemer of opvolger om op de door deze te bepalen tijd
en plaats en onder zijn leiding de verdeling te bewerkstelligen;

benoemt, voor het geval een echtgenoot weigert of nalatig blijft aan de
verdeling mede te werken tot onzijdig persoon volgens de wet voor A. mr.
E.J.M. Stals, advocaat en procureur te Weert, voor B. mr. A.J.M. Mertens,
advocaat en procureur te Weert;

wijst af het meer of anders verzochte;

verklaart de beslissing over de gezagsvoorziening en de kinderbijdrage,
alsmede die tot toekenning van een uitkering tot levensonderhoud voor A
uitvoerbaar bij voorraad;

Rechters

mr. E.J.M. Boogaard-Derix

Instantie: Rechtbank Zutphen, 9 maart 1995

Instantie

Rechtbank Zutphen

Samenvatting


Partijen zijn 20 jaar getrouwd geweest en hebben twee minderjarige
kinderen van 14 en 17 jaar oud. De rechtbank oordeelt dat de vrouw met
haar eigen inkomen behoefte heeft aan een bijdrage. De rechtbank heeft
daarbij gelet op het gezamenlijke inkomen van partijen tijdens het
huwelijk, waardoor zij meer welstand hadden dan de vrouw thans met haar
eigen inkomen heeft. Alimentatie wordt ƒ 19,=

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Dit verloop blijkt uit: -het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter
griffie op 22 augustus 1994; -het exploit van betekening van 30 augustus
1994; -het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 9 november 1994; -de
tussenbeschikking van deze rechtbank van 11 november 1994; -de brief met
bijlage van mr. Verhoef van 19 januari 1995; -de brieven met bijlagen van
mr. Roossien van 20 en 26 januari 1995; -het proces-verbaal van de
behandeling ter terechtzitting op 25 januari 1995.

De vaststaande feiten:

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit en zijn op met elkander
gehuwd in gemeenschap van goederen. Uit dit huwelijk zijn twee thans nog
minderjarige kinderen geboren. , geboren te gemeente op en ,
geboren te gemeente op en

Het verzoek:

De vrouw verzoekt: a tussen partijen de echtscheiding, subsidiair de
scheiding van tafel en bed uit te spreken, b haar te benoemen tot voogdes
over minderjarige kinderen van partijen en de man tot toeziend voogd;
subsidiair bij scheiding van tafel en bed te bepalen dat zij de ouderlijke
macht zal uitoefenen, c te bepalen dat de man aan haar als bijdrage in de
kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te betalen een
bedrag van ƒ 350,= per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te
voldoen, d de man te veroordelen om aan haar tot haar levensonderhoud ƒ
415,= per maand uit te keren, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. e
de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap te
bevelen met benoeming van een notaris en onzijdige personen, f de
beschikking voor zover deze betrekking heeft op het onder b, c en d
verzochte uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Zij stelt naast hetgeen hiervoor als vaststaand is weergegeven dat het
huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, dat zij en de kinderen
behoefte hebben aan en de man voldoende draagkracht heeft voor gevraagde
bijdragen.

Het verweer:

De man voert uitsluitend verweer tegen de door de vrouw verzochte bijdrage
in de kosten van haar levensonderhoud en de bijdrage in de kosten van de
verzorging en opvoeding van de beide kinderen. Hij vraagt de rechtbank het
verzoek tot vaststelling van deze bijdragen af te wijzen, subsidiair de
bijdragen voor de kinderen op ƒ 300,= per kind per maand vast te stellen.
Hij stelt dat de vrouw gelet op haar eigen inkomen van ƒ 1.204,= netto per
maand geen behoefte heeft aan een bijdrage van hem in haar kosten van
levensonderhoud, en dat zij gaat samenwonen met een nieuwe partner. Voorts
stelt hij onvoldoende draagkracht te hebben voor de gevraagde
alimentaties.

De beoordeling:

Nu de man niet betwist dat het huwelijk met de vrouw duurzaam is
ontwricht, is het verzoek tot echtscheiding voor toewijzing vatbaar.

De met de hoofdvoorziening samenhangende nevenvoorziening tot verdeling
van de huwelijksgoederengemeenschap is eveneens voor toewijzing vatbaar,
nu de man daartegen geen verweer voert.

De man voert evenmin verweer tegen de door de vrouw voorgestelde
gezagsvoorziening over de minderjarige kinderen van partijen.

De beide minderjarigen zijn in de gelegenheid gesteld om hun mening over
het gezag aan de rechtbank kenbaar te maken.

De rechtbank, gehoord de Raad voor de Kinderbescherming, acht de door de
vrouw voorgestelde regeling in het belang van de minderjarigen, zodat als
volgt wordt beslist.

De behoefte van de kinderen aan een bijdrage wordt door de man niet
betwist zodat die in rechte vaststaat.

Met betrekking tot de behoefte van de vrouw aan een bijdrage is de
rechtbank van oordeel dat de vrouw met haar eigen inkomen van ƒ 1.204,=,
netto per maand behoefte heeft aan een bijdrage van de man. De rechtbank
heeft daarbij gelet op het gezamenlijk inkomen van partijen tijdens hun
huwelijk, waardoor zij meer welstand hadden dan de vrouw thans met haar
eigen voormelde inkomen heeft. Verder is de rechtbank van oordeel dat de
door de door de vrouw voor de kinderen te ontvangen kinderbijslag en de
bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding het inkomen
van de vrouw niet zullen verhogen, omdat deze bedragen aan de kinderen ten
goede dienen te komen.

Het standpunt van de man dat de vrouw binnenkort gaat samenwonen met een
nieuwe partner waardoor volgens de man de vrouw geen behoefte meer heeft
aan een bijdrage van hem verwerpt de rechtbank, nu de vrouw de gestelde
samenwoning heeft betwist en de man zijn stelling niet heeft onderbouwd.

Partijen zijn verdeeld over de draagkracht van de man. Met name
verschillen partijen van mening over de vraag -nu de man toescheiding van
de echtelijke woning in het kader van de verdeling aan zich verlangt- in
hoeverre de verhoging van de woonlast van de man na uitkering aan de vrouw
van haar aandeel van ƒ 112.500,= in de overwaarde van de woning ten laste
van de draagkracht van de man mag komen. De vrouw stelt dat niet met de
hogere woonlast mag worden gerekend.

De verhoging van de woonlast, die het gevolg is van een verhoging van de
hypothecaire lening in verband met de uitkering aan de vrouw, kan de man
ten laste van zijn draagkrachtloos inkomen brengen voor zover deze last
gelet op zijn inkomen en zijn overige lasten redelijk is. De rechtbank is
van oordeel dat de aangevoerde woonlasten die ƒ 892,= netto per maand
bedraagt inclusief overige eigenaarslasten in deze situatie redelijk is.

Op grond van de door de man overgelegde jaaropgaven van zijn inkomen bij
de gemeente en zijn uitkering van het ABP stelt de rechtbank vast dat
de man een jaarinkomen heeft van in totaal circa ƒ 53.500,=, dat is met
inbegrip van vakantiegeld, bijdrage van de werkgever in de premie
ziektekostenverzekering, overhevelingstoeslag en na vermindering met de
pensioenpremie en de vereveningsbijdrage.

Rekeninghoudend met het forfait arbeidskosten, het huurwaardeforfait van
ƒ 1.680,=, de hypotheekrente die thans ƒ 3.000,= per jaar bedraagt, de
buitengewone lastenaftrek in verband met de door de man voor de beide
kinderen te betalen bijdrage, de belastingvrije som van ƒ 6.074,= bedraagt
het netto besteedbaar maandinkomen van de man in de huidige situatie ƒ
3.045,= en ƒ 3.307,= indien de hypotheekrente ƒ 1.238,58 per maand
bedraagt en wordt uitgegaan van de buitengewone lastenaftrek in verband
met de door de man voor een kind te betalen kinderbijslag.

Voor de berekening van de draagkracht van de man rekent de rechtbank met
de navolgende door de man gestelde maandelijkse lasten, die behoudens de
hiervoor beoordeelde stelling niet door de vrouw zijn betwist: -de
bijstandsnorm voor een alleenstaande van ƒ 1.331,66; -de hypotheekrente
van ƒ 1.238,58 te verminderen met de gemiddelde landelijke huur van ƒ
335,42; -f 150,= aan overige eigenaarslasten; -f 80,= aan kosten voor de
omgangsregeling; -f 227,70 aan premie ziektekostenverzekering volgens de
jaaropgave van de man, na verrekening van de nominale premies nu deze
reeds in de bijstandsnorm zijn verdisconteerd.

De rechtbank houdt verder rekening met de door de man opgevoerde ƒ 150,=
per maand voor de kosten van huishoudelijke hulp, gelet op de handicap van
de man en de omstandigheid dat er tijdens het huwelijk van partijen ook
huishoudelijke hulp aanwezig was.

Nu de vrouw ter terechtzitting de wens heeft uitgesproken en de man
daarmee akkoord is gegaan, dat de pony van de dochter van partijen ergens
anders dan bij de man zal worden gestald en de vrouw heeft verklaard in
de toekomst de lasten daarvan te zullen dragen, houdt de rechtbank geen
rekening met de door de man voor de pony gestelde uitgaven.

De rechtbank houdt evenmin rekening met de door de man gestelde uitgave
van ƒ 85,= per maand aan verwervingskosten, nu hij niet heeft aangetoond
noch aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze kosten feitelijk maakt.

Van de draagkracht is 60% per maand voor alimentatie beschikbaar.

Zolang de man de huidige hypotheekrente van ƒ 250,= per maand betaalt
naast de hierboven vermelde lasten, met uitzondering van de hogere
hypotheekrente, heeft de man draagkracht om met ƒ 350,= per maand per kind
bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de beide
minderjarige zoals door de vrouw verzocht en met ƒ 19,= per maand in de
kosten van levensonderhoud van de vrouw.

Vanaf het moment dat de man de hogere hypotheekrente betaalt en rekenend
met de hierboven vermelde lasten, heeft de man ruimte om met ƒ 280,= per
maand bij te dragen, welke bedrag de rechtbank ten behoeve van het jongste
kind van partijen zal vaststellen.

De proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te melden wijze, omdat
zij zijn gemaakt tussen echtelieden.

De beslissing:

De rechtbank: Spreekt uit de echtscheiding tussen de vrouw en de man op
in de gemeente Voorst met elkaar gehuwd.

Veroordeelt de man om, vanaf de dag waarop deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de desbetreffende registers van de Burgerlijke Stand, aan
de vrouw voor levensonderhoud te betalen de som van ƒ 19,= (negentien
gulden) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, welk bedrag op
nihil wordt gesteld ingaande de dag waarop de echtelijke woning aan de
te Terwolde, gemeente Voorst, in het kader van de verdeling van de
huwelijksgoederengemeenschap aan de man is toebedeeld en de man aan de
vrouw haar aandeel in de overwaarde van ƒ 112.500,= heeft uitgekeerd.

Veroordeelt de echtelieden om, nadat deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand, met elkaar over te
gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

Benoemt, indien de echtelieden niet binnen 14 dagen na inschrijving van
deze beschikking daaromtrent anders zijn overeengekomen, notaris mr. G.J.
Drimmelen ter standplaats tot de notaris ten overstaan van wie de
werkzaamheden van verdeling zullen plaatshebben op de door de notaris te
bepalen plaats en tijd.

Benoemt als onzijdige personen mr J.H. Hermsen, advocaat te Zutphen, om
de vrouw en mr. A.J. Zeyl, advocaat te Zutphen om de man als bewindvoerder
op de voet van artikel 3:181 Burgerlijk Wetboek te vertegenwoordigen
indien een van hen in gebreke blijft op de voor die verdeling bepaalde
tijd en plaats te verschijnen, of verschenen zijnde, mocht weigeren aan
de verdeling mee te werken.

Benoemt over de minderjarige kinderen van partijen:

geboren te gemeente op en geboren te gemeente op tot
voogdes; de vrouw, en tot toeziend voogd: de man.

Beveelt dat de minderjarigen, indien zij zich niet reeds bevinden in de
feitelijke macht van de met het gezag beklede ouder, aan deze zullen
worden afgegeven.

Bepaalt dat de man, met ingang van de dag waarop de voogdij begint als
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan
de vrouw zal betalen ƒ 350,= (driehonderdvijftig gulden) per maand per
kind, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen, welke
bijdrage op het moment dat de echtelijke woning van partijen aan de
te Terwolde, gemeente Voorst, in het kader van de verdeling van de
huwelijksgoederengemeenschap aan de man is toegescheiden en de man aan de
vrouw haar aandeel in de overwaarde ad ƒ 112.500,= heeft uitgekeerd, wordt
gewijzigd in ƒ 280,= (tweehonderdtachtig gulden) per maand ten behoeve van
het jongste minderjarige kind van partijen.

Verklaart deze beschikking voor wat betreft de beslissing over de
alimentatie voor de vrouw, het gezag over genoemde minderjarigen en de
voor die minderjarigen te betalen alimentatie uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Compenseert de kosten van dit geding aldus, dat iedere echtgenoot met de
eigen kosten belast blijft.

Rechters

Mr T. Reichardt

Instantie: President Rechtbank Rotterdam, 7 maart 1995

Instantie

President Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


Eiseres is door gedaagde, haar vader, van 1971 tot 1981 seksueel
misbruikt, waarvan zij in 1993 aangifte heeft gedaan. In kort geding is
komen vast te staan dat gedaagde eiseres seksueel heeft misbruikt en de
president acht het meer dan aannemelijk dat de psychische, emotionele
en lichamelijke klachten van eiseres verband houden met dit misbruik.
De president acht voorts de civiele vordering tot schadevergoeding niet
verjaard. Geaccepteerd wordt dat het bewustzijn van de schade bij
eiseres is opgetreden op het moment dat medio 1992 door eiseres een
verband gelegd werd tussen misbruik en klachten. Met dat inzicht is aan
eiseres de schade bekend geworden als bedoeld in art. 3:310 BW. Eiseres
vordert een voorschot van ƒ 15.000,- wat volgens de president door
gedaagde niet kan worden betaald omdat zijn eigen inkomen een
AOW-uitkering is. Onder erkenning van het feit dat de schade groter is
wijst de president op grond van de draagkracht van gedaagde een
voorschot toe van ƒ 5000,-.

Volledige tekst

1. Het verloop van het geding.

Dit blijkt uit de navolgende, door partijen ter vonniswijzing
overgelegde stukken: -de dagvaarding, -de pleitnotities en producties
van mr. Hommes; -de pleitnotities en producties van mr. Brokling.

De raadslieden van partijen hebben de respectieve standpunten nog nader
toegelicht.

2. De beoordeling

2.1. Eiseres is de dochter van gedaagde, geboren uit diens huwelijk met
A. op 6 oktober 1962. Eiseres stelt dat zij in de periode 1971-1981
door gedaagde seksueel is misbruikt, van welke feiten zij aangifte heeft
gedaan bij de politie, en voorts dat zij als gevolg van dit misbruik
door gedaagde schade heeft geleden, welke zij voorlopig begroot op ƒ
25.000,- aan immateriele schade en op ƒ 10.000,- aan materiele schade.
Eiseres vordert een voorschot daarop van ƒ 15.000,-.

2.2. Een vordering als de onderhavige kan slechts worden toegewezen,
indien – naast een spoedeisend belang – boven redelijke twijfel is
verheven dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat gedaagde
jegens eiseres onrechtmatig heeft gehandeld en uit dien hoofde
schadeplichtig is.

2.3. Aan deze vereisten is voldaan. In dit kort geding is komen vast te
staan – gedaagde geeft dit ook toe – dat gedaagde eiseres seksueel heeft
misbruikt. Ter zitting is duidelijk geworden, dat eiseres psychische,
emotionele en lichamelijke klachten heeft en dat meer dan aannemelijk
is dat deze klachten met seksueel misbruik door de vader verband houden
die deswege jegens gedaagde gehouden is tot vergoeding van schade. Het
spoedeisend belang van eiseres is daarin gelegen, dat aannemelijk is
dat de nog te lijden psychische schade door enige vorm van
genoegdoening van de zijde van gedaagde beperkt kan worden.

2.4. Gedaagde heeft nog het verweer doen voeren, dat gedaagde pas op 11
maart 1993 aangifte heeft gedaan bij de politie, terwijl het (laatste)
misbruik heeft plaats gehad in januari 1981, en dat de vordering van
eiseres deswege verjaard is. Dit verweer wordt gepasseerd. Eiseres
heeft doen betogen dat zij eerst medio 1992 daadwerkelijk zich ervan
bewust is geworden dat er verband bestaat tussen het seksueel misbruik
tijdens haar jeugd en de klachten die zij nu nog ondervindt. Met dat
inzicht is aan eiseres de schade bekend geworden als bedoeld in artikel
3:310 van het Burgerlijk Wetboek. Gedaagde heeft de stellingen van
eiseres, voor zover het dit tijdstip van het verkrijgen van inzicht
betreft, niet weersproken, zodat van de juistheid daarvan wordt
uitgegaan. Sindsdien zijn nog geen vijf jaar verlopen toen eiseres
gedaagde aansprakelijk stelde. Haar rechtsvordering is derhalve niet
verjaard.

2.5. Ten aanzien van de hoogte van de schadevergoeding heeft gedaagde
doen stellen, dat al op voorhand vast staat dat hij een bedrag als het
thans gevorderde niet zal kunnen betalen omdat hij slechts een
A.O.W.-uitkering ontvangt, welke stelling eiseres niet heeft
weersproken.

De inbreuk op de lichamelijke integriteit zoals eiseres gedurende
meerdere jaren op jeugdige leeftijd heeft ondergaan, biedt gezien de
ernst ervan, reeds in beginsel naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid grondslag tot vaststelling van een voorschot op de
definitief vast te stellen (im)materiele schadevergoeding op een omvang
zoals door eiseres thans gevorderd. Alhoewel de schade die eiseres
heeft ondervonden en nog steeds ondervindt dus aanzienlijk groter zal
zijn zal – de huidige geringe draagkracht van gedaagde in aanmerking
genomen – het voorschot worden toegewezen tot een bedrag van ƒ 5.000,-.

2.6. Hoewel aan eiseres slechts een derde van haar vordering wordt
toegewezen, zal gedaagde als de in wezen in het ongelijk gestelde
partij in de proceskosten worden veroordeeld.

3. De beslissing.

De President

veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen een voorschot van ƒ
5.000,= op de door haar geleden en nog te lijden schade;

veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure, tot op heden aan
de zijde van eiseres begroot op ƒ 1.979,20 waarvan te voldoen:

a. aan de griffier van deze rechtbank door storting of overschrijving
op postrekening 50 76 23 ƒ 315,- voor in debet gesteld griffierecht; –
1.500,= voor salaris procureur; – 59,20 voor exploitkosten; _______

ƒ 1.874,20 in totaal, met welk bedrag de griffier zal dienen te
handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 57b van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering;

b. aan de eisende partij: ƒ 105,= voor niet in debet gesteld
griffierecht;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; weigert het meer of
anders gevorderde.

Rechters

Mr Mendlik

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 3 maart 1995

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting

De Centrale Raad heeft de uitspraak van de lagere rechter vernietigd. De
door beide ouders getekende brief waarin zij verklaren dat de vrouw kinderbijslag
zal aanvragen kan slechts als een machtiging van de man tot uitbetaling
aan de vrouw worden opgevat. Deze machtiging mag de man ook weer intrekken.
Nu de kinderen in nagenoeg gelijke mate bij beide ouders verblijven neemt
de raad aan dat zij zowel tot het huishouden van de moeder als tot dat
van de vader behoren. In deze situatie onderschrijft de Centrale Raad het
standpunt van de Sociale Verzekeringsbank dat de kinderbijslag dient te
worden uitbetaald aan degene bij wie de kinderen op de peildatum verblijven.

Volledige tekst

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Bij brieven van 16 mei en 6 augustus 1991 heeft eiser aan gedaagde kennis
gegeven van beslissingen uit hoofde van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW),
houdende afwijzing van de aanspraak op kinderbijslag over respectievelijk
het eerste en tweede kwartaal van 1991.

De voormalige Raad van Beroep te Haarlem heeft bij uitspraak van 18 februari
1991 de beroepen tegen deze beslissingen gegrond verklaard en de beslissingen
vernietigd, met opdracht tot het nemen van nieuwe beslissingen met inachtneming
van het in de uitspraak overwogene.

Eiser is van deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift uiteengezette
gronden in hoger beroep gekomen. Eiser heeft nadere stukken ingezonden.

Gedaagde gemachtigde heeft een vraag van ’s Raads voorzitter beantwoord.

De gedingen zijn behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op
27 augustus 1993, waar eiser zich heeft doen vertegenwoordigen door mr
I.J. de Meijer, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank en waar gedaagde
niet is verschenen.

Uit hoofde van een gegeven bevel tot nader onderzoek hebben partijen desgevraagd
inlichtingen verstrekt.

De gedingen zijn opnieuw behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden
op 27 januari 1995, waar eiser zich wederom heeft laten vertegenwoordigen
door mr De Meijer voornoemd en waar gedaagde niet is verschenen.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) in
werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader gegeven wettelijke
regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het onderhavige hoger
beroep moet worden beslist met toepassing an het procesrecht zoals dat
luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding
van proceskosten als geregeld in artikel 8:75 van de Awb.

Tussen gedaagde en haar voormalige echtgenoot werd bij
vonnis van 31 oktober 1989 de echtscheiding uitgesproken, waarna bij beschikking
van 14 februari 1990 werk bepaald dat de ouderlijke macht over hun kinderen
W., geboren op 20 juli 1982, en T., geboren op 2 juli 1985, bleef
voortduren.

Nadien kwamen de ouders blijkens een door beiden getekend en aan eiser
toegezonden briefje d.d. 28 maart 1990 overeen dat gedaagde de kinderbijslag
zou aanvragen. Tevens maakten zij de afspraak, dat de kinderen vanaf vrijdagmiddag na schooltijd tot maandagochtend bij de vader zouden verblijven en van maandag tot vrijdagmiddag bij de moeder, als nadere invulling van een gelijk
verblijf bij beide ouders.

In januari 1991 deelde de vader eiser mee dat hij de toestemming aan gedaagde
om de kinderbijslag aan te vragen introk en diende hij over het betrokken
kwartaal zelf een aanvraag in, later gevolgd door een aanvraag over het
tweede kwartaal van 1991. Gedaagde diende echter over deze kwartalen eveneens aanvragen in.

Bij de bestreden beslissingen van 16 mei en 5 augustus 1991 zijn de aanvragen
van gedaagde over respectievelijk het eerste en het tweede kwartaal van
1991 voor de kinderen W. en T. afgewezen, met als motivering dat de kinderen op de peildatum van elk van de kwartalen tot het huishouden van de vader behoorden.

De eerste rechter heeft deze beslissingen vernietigd, in hoofdzaak omdat
eiser volgens deze rechter de intrekking van de toestemming door de vader
niet had mogen aanvaarden, nu hier sprake was van een wederkerige overeenkomst, die niet door één partij mocht worden opgezegd.

De Raad kan dit standpunt niet delen. Het eerder genoemde briefje kon naar
’s Raad’s oordeel door eiser in diens verhouding tot de vader slechts worden
opgevat als een kennelijke machtiging van de vader tot uitbetaling door
eiser van de kinderbijslag aan gedaagde voor zover hij, de vader, daar
recht op had. Een dergelijke machtiging mocht de vader ook weer intrekken.

Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft eiser kenbaar gemaakt niet
langer te bestrijden dat de kinderbijslag over het eerste kwartaal van
1991 aan gedaagde toekwam. De Raad constateert dat hierover tussen partijen
geen geschil meer bestaat en dat de aangevallen uitspraak derhalve voor
het gedeelte dat betrekking heeft op de beslissing van 16 mei 1991 voor
bevestiging in aanmerking komt, zij het op andere gronden.

Wat de aanspraak op kinderbijslag over het tweede kwartaal van 1992 betreft
oordeelt de Raad als volgt.

Gedaagde en zijn voormalige echtgenote hebben in het onderhavige geval
uitvoering gegeven aan een tussen hen in het kader van het voortbestaan
van de ouderlijke macht gemaakte afspraak, er toe strekkende dat hun kinderen
in gelijke of nagenoeg gelijke mate bij beide ouders zouden verblijven
en dat die ouders beide in de kosten van het verblijf zouden bijdragen.
De Raad merkt hierbij een verblijf van vrijdagmiddag na de schooltijd tot
maandagmorgen de aanvang van de schooltijd bij de ene ouder en de rest
van de week bij de andere ouder nog aan als verblijf bij beide ouders in
een nagenoeg gelijke mate. In een situatie waarin een dergelijke afspraak
bestaat dient in beginsel te worden aangenomen dat de kinderen behoren
tot het huishouden van de moeder en tot dat van de vader, ook wanneer de
werkelijkheid daar niet (meer) geheel mee zou stroken. De Raad verwijst
voor dit standpunt, dat er mede toe dient de uitvoeringsorganen de mogelijkheid
te geven om op eenvoudige wijze vast te stellen aan wie de kinderbijslag
dient te worden betaald en om voor de rechthebbenden zoveel mogelijk zekerheid
en continuïteit te bieden, naar de uitspraken van 21 mei 1985, KBW 1983/50
(niet gepubliceerd), van 29 mei 1991, KBW 1990/28 en van 5 juli 1991, KBW
1988/60 en 1989/22 (beide gepubliceerd in Rechtspraak Sociale Verzekering
1992/19 en 20 met een annotatie van W.H.A.C.M. Bouwens).

Getoetst wordt aan dit uitgangspunt, dient voor het onderhavige kwartaal
voor de kinderen van gedaagde te worden aangenomen dat zij zowel tot het
huishouden van de moeder als tot dat van de vader behoorden.

In een dergelijk geval bieden, zoals de Raad in de eerder vermelde jurisprudentie
heeft overwogen, de regels omtrent samenloop geen oplossing voor de vraag
aan wie de kinderbijslag wordt uitbetaald en dient in deze lacune alsnog
te worden voorzien, dat de uitbetaling geschiedt aan degene ten huize van
de kinderen op de peildatum van het betrokken kwartaal verblijven. Hiervoor
acht de Raad beslissend de situatie zoals die volgens de bestaande afspraken
op die peildatum geldt op het tijdstip 0.00 uur. Nu het bij de onderhavige
peildatum, 1 april 1991, om een maandag gaat leidt dit ertoe dat de kinderbijslag
over het tweede kwartaal van 1991 niet aan gedaagde dient te worden uitbetaald.

Het voorengaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor zover betrekking
hebbend op de bestreden beslissing van 5 augustus 1991 moet worden vernietigd
en dat het tegen die beslissing ingestelde inleidende beroep alsnog ongegrond
moet worden verklaard.

Hetgeen met betrekking tot de beslissing van 16 mei 1991 werd overwogen
leidt er, gelet op het bepaalde in artikel 80a, tweede lid (oud) van de
Beroepswet, toe dat van eiser een recht van Æ’ 200,– dient te worden geheven.

Met betrekking tot de kosten van het geding overweegt de Raad het volgende.

De eerste rechter heeft uitspraak gedaan vóór 1 januari 1994. Gelet op
hetgeen de Raad heeft beslist in zijn uitspraak van 5 april 1994, gepubliceerd
in Jurisprudentie Bestuursrecht 1994/85, worden de kosten van het geding
in eerste aanleg dan niet betrokken in een proceskostenveroordeling op
grond van artikel 8:75 van de Awb. Ten aanzien van de kosten van het geding
in hoger beroep met betrekking tot de beslissing van 16 mei 1991 acht de
Raad termen aanwezig om eiser te veroordelen in de kosten van de aan gedaagde
verleende rechtsbijstand, begroot op Æ’ 355,–. Voor het overige ziet de
raad voor een veroordeling in de kosten geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking
hebbend op de beslissing van 16 mei 1991;
Veroordeelt eiser in proceskosten van gedaagde ten bedrage van Æ’ 355,–;
Wijst de Sociale Verzekeringsbank aan als de rechtspersoon die deze kosten
dient te vergoeden;
Vernietigt die uitspraak, voor zover betrekking hebbend op de beslissing
van 5 augustus 1991;
Verklaart het tegen die beslissing ingestelde beroep alsnog ongegrond.

Rechters

Mrs Haverkamp, Grendel, Zwart

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 3 maart 1995

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Tussenvonnis. De man erkent de verwekker van de kinderen te zijn. Het Hof
verwijst naar een arrest van de Hoge Raad van 20 januari 1995, RvdW 1995, nr.
33, waar de Hoge Raad oordeelt dat er sprake is van een ongelijk -en op het
punt van de verjaring niet te rechtvaardigen- behandeling van kinderen die
wel en kinderen die niet in een familierechtelijke betrekking tot hun
biologische vader staan voor wat betreft de onderhoudsverplichting. De vrouw
is ontvankelijk in haar vordering.

Volledige tekst

Het geding

Bij exploit van 15 maart 1993 is de vrouw in hoger beroep gekomen van het
vonnis van de arrondissementsrechtbank te Den Haag, op 14 december 1992
tussen de partijen gewezen. Tegen dat vonnis heeft zij twee grieven
aangevoerd, waarvan een door de man is bestreden. Vervolgens hebben partijen
de procesdossiers aan het hof overgelegd voor arrest.

Beoordeling van het hoger beroep

1. R.K. en S. W. H. -geboren op respectievelijk 17 september 1975 en 25
november 1979- zijn de natuurlijke dochters van de vrouw en zijn door niemand
erkend. De moeder is voogdes over de jongste dochter en was tot de datum van
haar meerderjarigheid voogdes over de oudste dochter. De vrouw vordert een
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen -naar het
Hof aanneemt vanaf de datum van betekening van de inleidende dagvaarding, te
weten 15 januari 1992 -van ƒ 125,- per maand en per kind. Indien de vordering
wordt toegewezen, geldt de rechterlijke beslissing krachtens het bepaalde in
artikel 1:395b, eerste lid, van het Burgerlijke Wetboek als een tot bepaling
van het bedrag ter zake van levensonderhoud en studie als in artikel 1:395a
bedoeld.

2. De man erkent dat hij de verwekker van de kinderen is (memorie van
antwoord, nr. 7). Het vaderschap van de man staat hiermede vast.

3. Grief 1 verstaat het hof aldus dat het bepaalde in artikel 1:405, tweede
lid, van het Burgerlijk Wetboek, niet kan worden ingeroepen tegen een
rechtsvordering, waarbij het uitsluitend om een bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van de kinderen gaat, hetgeen te dezen het geval is,
nu de man erkent dat hij de verwekker van de kinderen is.
In dat geval is volgens het hof sprake van een ongelijke -en op het punt van
de verjaring niet te rechtvaardigen- behandeling van kinderen die wèl en
kinderen die niet in een familierechtelijke betrekking tot hun biologische
vader staan voor wat betreft de onderhoudsverplichting van de vader jegens
die kinderen. De juistheid van deze opvatting is onlangs bevestigd in het
arrest van de Hoge Raad van 20 januari 1995 (Rechtspraak van de Week 1995,
nr. 33). De vrouw is derhalve ontvankelijk in haar vordering tot voorziening
in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen tegen de man. Grief
1 is mitsdien gegrond, zodat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd.

4. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen ten einde de partijen in de
gelegenheid te stellen bewijsstukken over te leggen omtrent hun inkomsten en
lasten vanaf 15 januari 1992. De vrouw wordt voorts verzocht de behoefte van
de kinderen met bewijsstukken te staven.

5. De oudste dochter is op 17 september 1993, dus tijdens de lopende
procedure, meerderjarig geworden. De vrouw wordt verzocht een machtiging van
die dochter om haar tijdens het verloop van de procedure vanaf de datum van
haar meerderjarigheid te vertegenwoordigen over te leggen (vgl. HR 6 april
1990 en 15 juni 1990, NJ 1990, 731).

Beslissing

Het Hof:

vernietigt het vonnis van de arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage, op 14
december 1992 tussen de partijen gewezen, en opnieuw rechtdoende:

verklaart de vrouw ontvankelijk in haar vordering tot voorziening in de
kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen tegen de man;

verwijst de zaak naar de rol van donderdag 20 april 1995 ter fine als
voormeld;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Rechters

Mrs von Brucken Fock, Borgesius en Van den Wildenberg

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 3 maart 1995

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Betrokkene is gescheiden en bij de echtscheiding is doorlopende ouderlijke
macht overeengekomen. Tevens is overeengekomen dat de kinderbijslag voor de
twee kinderen aan de vrouw toekomt. Op een gegeven moment verzoekt de man de
Sociale Verzekeringsbank om kinderbijslag omdat de kinderen op de peildatum
bij hem verblijven. De Sociale Verzekeringsbank kijkt alleen naar de
peildatum en willigt het verzoek in. De vrouw stelt beroep in en wordt in het
gelijk gesteld. De Sociale Verzekeringsbank gaat in hoger beroep.
De Centrale Raad heeft de uitspraak van de lagere rechter vernietigd. De door
beide ouders getekende brief waarin zij verklaren dat de vrouw kinderbijslag
zal aanvragen kan slechts als een machtiging van de man tot uitbetaling aan
de vrouw worden opgevat. Deze machtiging mag de man ook weer intrekken. Nu de
kinderen in nagenoeg gelijke mate bij beide ouders verblijven neemt de raad
aan dat zij zowel tot het huishouden van de moeder als tot dat van de vader
behoren. In deze situatie onderschrijft de Centrale Raad het standpunt van de
Sociale Verzekeringsbank dat de kinderbijslag dient te worden uitbetaald aan
degene bij wie de kinderen op de peildatum verblijven.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van de gedingen
Bij brieven van 16 mei en 5 augustus 1991 heeft eiser aan gedaagde kennis
gegeven van beslissingen uit hoofde van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW),
houdende afwijzing van de aanspraak op kinderbijslag over respectievelijk het
eerste en het tweede kwartaal van 1991.
De voormalige Raad van Beroep te Haarlem heeft bij uitspraak van 18 februari
1991 de beroepen tegen deze beslissingen gegrond verklaard en de beslissingen
vernietigd, met opdracht tot het nemen van nieuwe beslissingen met
inachtneming van het in de uitspraak overwogene.
Eiser is van deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift uiteengezette
gronden in hoger beroep gekomen.
Eiser heeft nadere stukken ingezonden.
Gedaagdes gemachtigde heeft een vraag van ’s Raads voorzitter beantwoord.
De gedingen zijn behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 27
augustus 1993, waar eiser zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. I.J. de
Meijer, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank en waar gedaagde niet is
verschenen.
Uit hoofde van een gegeven bevel tot nader onderzoek hebben partijen
desgevraagd inlichtingen verstrekt.
De gedingen zijn opnieuw behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden
op 27 januari 1995, waar eiser zich wederom heeft laten vertegenwoordigen
door mr. De Meijer voornoemd en waar gedaagde niet is verschenen.
II Motivering
Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in
werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader gegeven
wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het
onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het
procesrecht zoals dat luidde voor 1 januari 1994, behoudens wat betreft de
mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als geregeld in artikel 8:75 van
de Awb.
Tussen gedaagde en haar voormalig echtgenoot F. werd bij vonnis van 31
oktober 1989 de echtscheiding uitgesproken, waarna bij beschikking van 14
februari 1990 werd bepaald dat de ouderlijke macht over hun kinderen W.,
geboren 20 juli 1982, en T., geboren op 2 juli 1985, bleef voortduren.
Nadien kwamen de ouders blijkens een door beiden getekend en aan eiser
toegezonden briefje d.d. 28 maart 1990 overeen dat gedaagde de kinderbijslag
zou aanvragen. Tevens maakten zij de afspraak, dat de kinderen vanaf
vrijdagmiddag na schooltijd tot maandagochtend bij de vader zouden verblijven
en van maandag tot vrijdagmiddag bij de moeder, als nadere invulling van een
gelijk verblijf bij beide ouders.
In januari 1991 deelde de vader eiser mee dat hij de toestemming aan gedaagde
om de kinderbijslag aan te vragen introk en diende hij over het betrokken
kwartaal zelf een aanvraag in, later gevolgd door een aanvraag over het
tweede kwartaal van 1991. Gedaagde diende echter over deze kwartalen eveneens
aanvragen in.
Bij de bestreden beslissingen van 16 mei en 5 augustus 1991 zijn de aanvragen
van gedaagde over respectievelijk het eerste en het tweede kwartaal van 1991
voor de kinderen W. en T. afgewezen, met als motivering dat de kinderen op de
peildatum van elk van de kwartalen tot het huishouden van de vader behoorden.
De eerste rechter heeft deze beslissingen vernietigd, in hoofdzaak omdat
eiser volgens deze rechter de intrekking van de toestemming door de vader
niet had mogen aanvaarden, nu hier sprake was van een wederkerige
overeenkomst die niet door een partij mocht worden opgezegd.
De Raad kan dit standpunt niet delen. Het eerder genoemde briefje kon naar ‘s
Raads oordeel door eiser in diens verhouding tot de vader slechts worden
opgevat als een kennelijke machtiging van de vader tot uitbetaling door eiser
van de kinderbijslag aan gedaagde voor zover hij, de vader, daar recht op
had. Een dergelijke machtiging mocht de vader ook weer intrekken.
Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft eiser kenbaar gemaakt niet
langer te bestrijden dat de kinderbijslag over het eerste kwartaal van 1991
aan gedaagde toekwam. De Raad constateert dat hierover tussen partijen geen
geschil meer bestaat en dat de aangevallen uitspraak derhalve voor het
gedeelte dat betrekking heeft op de beslissing van 16 mei 1991
voor bevestiging in aanmerking komt, zij het op andere gronden.
Wat de aanspraak op kinderbijslag over het tweede kwartaal van 1992 betreft
oordeelt de Raad als volgt.
Gedaagde en zijn voormalige echtgenote hebben in het onderhavige geval
uitvoering gegeven aan een tussen hen in het kader van het voortbestaan van
de ouderlijke macht gemaakte afspraak, er toe strekkende dat hun kinderen in
gelijke of nagenoeg gelijke mate bij beide ouders zouden verblijven en dat
die ouders beide in de kosten van het verblijf zouden bijdragen. De Raad
merkt hierbij een verblijf van vrijdagmiddag na de schooltijd tot
maandagmorgen de aanvang van de schooltijd bij de ene ouder en de rest van de
week bij de andere ouder nog aan als verblijf bij beide ouders in een
nagenoeg gelijke mate. In een situatie waarin een dergelijke afspraak bestaat
dient in beginsel te worden aangenomen dat de kinderen behoren tot het
huishouden van de moeder en tot dat van de vader, ook wanneer de
werkelijkheid daar niet (meer) geheel mee zou stroken. De Raad verwijst voor
dit standpunt, dat er mede toe dient de uitvoeringsorganen de mogelijkheid te
geven om op eenvoudige wijze vast te stellen aan wie de kinderbijslag dient
te worden betaald en om voor de rechthebbenden zoveel mogelijk zekerheid en
continuïteit te bieden, naar de uitspraken van 21 mei 1985, KBW 1983/50 (niet
gepubliceerd), van 29 mei 1991, KBW 1990/28 en van 5 juli 1991, KBW 1988/60
en 1989/22 (beide gepubliceerd in Rechtspraak Sociale Verzekering 1992/19 en
20 met een annotatie van W.H.A.C.M. Bouwens).
Getoetst aan dit uitgangspunt, dient voor het onderhavige kwartaal voor de
kinderen van gedaagde te worden aangenomen dat zij zowel tot het huishouden
van de moeder als tot dat van de vader behoorden.
In een dergelijk geval bieden, zoals de Raad in de eerder vermelde
jurisprudentie heeft overwogen, de regels omtrent samenloop geen oplossing
voor de vraag aan wie de kinderbijslag wordt uitbetaald en dient in deze
lacune aldus te worden voorzien, dat de uitbetaling geschiedt aan degene ten
huize van wie de kinderen op de peildatum van het betrokken kwartaal
verblijven. Hiervoor acht de Raad beslissend de situatie zoals die volgens de
bestaande afspraken op die peildatum geldt op het tijdstip 0.00 uur. Nu het
bij de onderhavige peildatum, 1 april 1991, om een maandag gaat leidt dit
ertoe dat de kinderbijslag over het tweede kwartaal van 1991 niet aan
gedaagde dient te worden uitbetaald.
Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor zover betrekking
hebbend op de bestreden beslissing van 5 augustus 1991 moet worden vernietigd
en dat het tegen die beslissing ingestelde inleidende beroep alsnog ongegrond
moet worden verklaard.
Hetgeen met betrekking tot de beslissing van 16 mei 1991 werd overwogen leidt
er, gelet op het bepaalde in artikel 80a, tweede lid (oud) van de Beroepswet,
toe dat van eiser een recht van ƒ 200 dient te worden geheven.
Met betrekking tot de kosten van het geding overweegt de Raad het volgende.
De eerste rechter heeft uitspraak gedaan voor 1 januari 1994. Gelet op
hetgeen de Raad heeft beslist in zijn uitspraak van 5 april 1994,
gepubliceerd in Jurisprudentie Bestuursrecht 1994/85, worden de kosten van
het geding in eerste aanleg dan niet betrokken in een
proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb. Ten aanzien
van de kosten van het geding in hoger beroep met betrekking tot de beslissing
van 16 mei 1991 acht de Raad termen aanwezig om eiser te veroordelen in de
kosten van de aan gedaagde verleende rechtsbijstand, begroot op ƒ 355. Voor
het overige ziet de Raad voor een veroordeling in de kosten geen aanleiding.
Beslist wordt als volgt.
III. Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op de
beslissing van 16 mei 1991;
Veroordeelt eiser in de proceskosten van gedaagde ten bedrage van ƒ 355;
Wijst de Sociale Verzekeringsbank aan als de rechtspersoon die deze kosten
dient te vergoeden;
Vernietigt die uitspraak, voor zover betrekking hebbend op de beslissing van
5 augustus 1991;
Verklaart het tegen die beslissing ingestelde beroep alsnog ongegrond.

Rechters

Mrs. N.J. Haverkamp (vz), H.J. Grendel, F.P. Zwart

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 3 maart 1995

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


De kinderen behoren zowel tot het huishouden van de moeder als tot dat
van de vader. De ouders zijn overeengekomen dat de kinderbijslag aan de
moeder toekomt. Toch verzoekt de man de Sociale verzekeringsbank om de
kinderbijslag, daar de kinderen op de peildatum-(tijdstip) bij hem
verblijven. De Raad honoreert dit verzoek ongeacht de tussen de ouders
bestaande afspraak.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van de gedingen

Bij brieven van 16 mei en 5 augustus 1991 heeft eiser aan gedaagde
kennis gegeven van beslissingen uit hoofde van de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW), houdende afwijzing van de aanspraak op
kinderbijslag over respectievelijk het eerste en het tweede kwartaal
van 1991.

De voormalige Raad van Beroep te Haarlem heeft bij uitspraak van 18
februari 1991 de beroepen tegen deze beslissingen gegrond verklaard en
de beslissingen vernietigd, met opdracht tot het nemen van nieuwe
beslissingen met inachtneming van het in de uitspraak overwogene.

Eiser is van deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift
uiteengezette gronden in hoger beroep gekomen.

Eiser heeft nadere stukken ingezonden.

Gedaagdes gemachtigde heeft een vraag van ’s Raads voorzitter
beantwoord.

De gedingen zijn behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op
27 augustus 1993, waar eiser zich heeft doen vertegenwoordigen door mr.
I.J. de Meijer, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank en waar
gedaagde niet is verschenen.

Uit hoofde van een gegeven bevel tot nader onderzoek hebben partijen
desgevraagd inlichtingen verstrekt.

De gedingen zijn opnieuw behandeld ter terechtzitting van de Raad,
gehouden op 27 januari 1995, waar eiser zich wederom heeft laten
vertegenwoordigen door mr De Meijer voornoemd en waar gedaagde niet is
verschenen.

II. Motivering

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in
werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader gegeven
wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het
onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het
procesrecht zoals dat luidde voor 1 januari 1994, behoudens wat betreft
de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als geregeld in artikel
8:75 van de Awb.

Tussen gedaagde en haar voormalige echtgenoot werd bij vonnis van 31
oktober 1989 de echtscheiding uitgesproken, waarna bij beschikking van
14 februari 1990 werd bepaald dat de ouderlijke macht over hun kinderen
W, geboren op 20 juli 1982, en T, geboren op 2 juli 1985, bleef
voortduren.

Nadien kwamen de ouders blijkens een door beiden getekend en aan eiser
toegezonden briefje d.d. 28 maart 1990 overeen dat gedaagde de
kinderbijslag zou aanvragen. Tevens maakten zij de afspraak, dat de
kinderen vanaf vrijdagmiddag na schooltijd tot maandagochtend bij de
vader zouden verblijven en van maandag tot vrijdagmiddag bij de moeder,
als nadere invulling van een gelijk verblijf bij beide ouders.

In januari 1991 deelde de vader eiser mee dat hij de toestemming aan
gedaagde om de kinderbijslag aan te vragen introk en diende hij over
het betrokken kwartaal zelf een aanvraag in, later gevolgd door een
aanvraag over het tweede kwartaal van 1991. Gedaagde diende echter over
deze kwartalen eveneens aanvragen in.

Bij de bestreden beslissingen van 16 mei en 5 augustus 1991 zijn de
aanvragen van gedaagde over respectievelijk het eerste en het tweede
kwartaal van 1991 voor de kinderen W en T afgewezen, met als motivering
dat de kinderen op de peildatum van elk van de kwartalen tot het
huishouden van de vader behoorden.

De eerste rechter heeft deze beslissing vernietigd, in hoofdzaak omdat
eiser volgens deze rechter de intrekking van de toestemming door de
vader niet had mogen aanvaarden, nu hier sprake was van een wederkerige
overeenkomst die niet door een partij mocht worden opgezegd.

De Raad kan dit standpunt niet delen. Het eerder genoemde briefje kon
naar ’s Raads oordeel door eiser in diens verhouding tot de vader
slechts worden opgevat als een kennelijke machtiging van de vader tot
uitbetaling door eiser van de kinderbijslag aan gedaagde voor zover
hij, de vader, daar recht op had. Een dergelijke machtiging mocht de
vader ook weer intrekken.

Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft eiser kenbaar gemaakt niet
langer te bestrijden dat de kinderbijslag over het eerste kwartaal van
1991 aan gedaagde toekwam. De Raad constateert dat hierover tussen
partijen geen geschil meer bestaat en dat de aangevallen uitspraak
derhalve voor het gedeelte dat betrekking heeft op de beslissing van 16
mei 1991 voor bevestiging in aanmerking komt, zij het op andere
gronden.

Wat de aanspraak op kinderbijslag over het tweede kwartaal van 1992
betreft oordeelt de Raad als volgt.

Gedaagde en zijn voormalige echtgenote hebben in het onderhavige geval
uitvoering gegeven aan een tussen hen in het kader van het voortbestaan
van de ouderlijke macht gemaakte afspraak, er toe strekkende dat hun
kinderen in gelijke of nagenoeg gelijke mate bij beide ouders zouden
verblijven en dat die ouders beide in de kosten van het verblijf zouden
bijdragen. De Raad merkt hierbij een verblijf van vrijdagmiddag na de
schooltijd tot maandagmorgen de aanvang van de schooltijd bij de ene
ouder en de rest van de week bij de andere ouder nog aan als verblijf
bij beide ouders in een nagenoeg gelijke mate. In een situatie waarin
een dergelijke afspraak bestaat dient in beginsel te worden aangenomen
dat de kinderen behoren tot het huishouden van de moeder en tot dat van
de vader, ook wanneer de werkelijkheid daar niet (meer) geheel mee zou
stroken. De Raad verwijst voor dit standpunt, dat er mede toe dient de
uitvoeringsorganen de mogelijkheid te geven om op eenvoudige wijze vast
te stellen aan wie de kinderbijslag dient te worden betaald en om voor
de rechthebbenden zoveel mogelijk zekerheid en continuiteit te bieden,
naar de uitspraken van 21 mei 1991, KBW 1983/50 (niet gepubliceerd),
van 29 mei 1991, KBW en van 5 juli 1991, KBW 1988/60 en 1989/22 (beide
gepubliceerd in Rechtspraak Sociale Verzekering 1992/19 en 20 en met
een annotatie van W.H.A.C.M. Bouwens). Getoetst aan dit uitgangspunt,
dient voor het onderhavige kwartaal voor de kinderen van gedaagde te
worden aangenomen dat zij zowel tot het huishouden van de moeder als
tot dat van de vader behoorden.

In een dergelijke geval bieden, zoals de Raad in de eerder vermelde
jurisprudentie heeft overwogen, de regels omtrent samenloop geen
oplossing voor de vraag aan wie de kinderbijslag wordt uitbetaald en
dient in deze lacune aldus te worden voorzien, dat de uitbetaling
geschiedt aan degene ten huize van wie de kinderen op de peildatum van
het betrokken kwartaal verblijven. Hiervoor acht de Raad beslissend de
situatie zoals die volgens de bestaande afspraken op die peildatum
geldt op het tijdstip 0.00 uur. Nu het bij de onderhavige peildatum, 1
april 1991, om een maandag gaat leidt dit ertoe dat de kinderbijslag
over het tweede kwartaal van 1991 niet aan gedaagde dient te worden
uitbetaald.

Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor zover
betrekking hebbend op de bestreden beslissing van 5 augustus 1991 moet
worden vernietigd en dat het tegen die beslissing ingestelde inleidende
beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.

Hetgeen met betrekking tot de beslissing van 16 mei 1991 werd overwogen
leidt er, gelet op het bepaalde in artikel 80a, tweede lid (oud) van de
Beroepswet, toe dat van eiser een recht van ƒ 200,= dient te worden
geheven.

Met betrekking tot de kosten van het geding overweegt de Raad het
volgende.

De eerste rechter heeft uitspraak gedaan voor 1 januari 1994. Gelet op
hetgeen de Raad heeft beslist in zijn uitspraak van 5 april 1994,
gepubliceerd in Jurisprudentie Bestuursrecht 1994/85, worden de kosten
van het geding in eerste aanleg dan niet betrokken in een
proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb. Ten
aanzien van de kosten van het geding in hoger beroep met betrekking tot
de beslissing van 16 mei 1991 acht de Raad termen aanwezig om eiser te
veroordelen in de kosten van de aan gedaagde verleende rechtsbijstand,
begroot op ƒ 355,=. Voor het overige ziet de Raad voor een veroordeling
in de kosten geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing.

De Centrale Raad van Beroep.

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op de
beslissing van 16 mei 1991; Veroordeelt eiser in de proceskosten van
gedaagde ten bedrage van ƒ 355,=;
Wijst de Sociale Verzekeringsbank aan als de rechtspersoon die deze kosten
dient te vergoeden;
Vernietigt die uitspraak, voor zover betrekking hebbend
op de beslissing van 5 augustus 991;
Verklaart het tegen die beslissing ingestelde beroep alsnog ongegrond.

Rechters

Mrs Haverkamp, Grendel, Zwart

Instantie: Rechtbank Alkmaar, 2 maart 1995

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Eiseressen willen schadevergoeding vorderen van een plastisch chirurg die
ernstige fouten heeft gemaakt bij borstverkleiningsoperaties.
Na een deskundigenonderzoek heeft de rechtbank de onrechtmatigheid van de
handelingen van de plastisch chirurg vastgesteld. Schadevergoeding moet nog
nader bij staat worden opgemaakt.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:
Naar aanleiding van voormeld vonnis heeft B een akte genomen, waarna S heeft
gediend van een antwoord akte.
Tenslotte hebben partijen wederom haar dossiers aan de rechtbank overhandigd
voor het wijzen van vonnis.
De behandeling van de zaak:
1. B heeft bij voormelde akte doen weten dat partijen het eens zijn geworden
zowel over de benoeming van na te noemen persoon tot deskundige als over de
aan de deskundige voor te leggen vraagstelling.
S heeft in zijn antwoord akte verklaard dat de akte van de wederpartij op
juiste wijze weergeeft hetgeen partijen hebben besproken.
2. De rechtbank acht de vraagstelling aan de deskundige zoals deze door
partijen na overleg is geformuleerd, ter zake dienend en zij sluit zich bij
dit voorstel van partijen aan. Ook overigens kan zij zich vinden in hetgeen
partijen hebben voorgesteld, zodat als volgt zal worden beslist.
3. Aan B die in deze zaak het voorschot ter zake van de kosten van de
deskundige zou hebben dienen te voldoen, wordt geen voorschot opgelegd nu aan
haar een toevoeging is verleend.
De deskundige zal in overleg met de raadslieden van partijen bepalen wanneer
en waar hij tot zijn zelfstandig onderzoek zal overgaan.
4. De deskundige zal bij dit onderzoek partijen in de gelegenheid stellen
opmerkingen te maken en verzoeken te doen. De deskundige zal in zijn rapport
vermelden, dat dit is geschied en voorts daarin de inhoud van de opmerkingen
en verzoeken opnemen.
5. De procureur van B zal de deskundige (afschriften van) alle processtukken
ter beschikking stellen.
6. De deskundige zal zijn rapport met zijn declaratie uiterlijk op 15
september 1995 ter griffie van deze rechtbank inleveren.
7. De zaak wordt verwezen naar de rolzitting van 19 oktober 1995 voor
conclusie aan de zijde van B.
N.B.
Bovenstaande betreft feitelijk twee vonnissen. Slechts een daarvan is
hierboven opgenomen omdat de tekst van beide vonnissen, behalve de namen van
eiseressen, identiek is (red. CWI).

Rechters

Mrs. K.P. Doedens (vz), C.W.T. Vriezen, S.M. Jongkind-Jonker

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 2 maart 1995

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Appellanten zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar voor
verkrachting en geintimeerde. Appellanten zijn ieder door de rechtbank
veroordeelt tot het betalen van ƒ 5.000,= schadevergoeding aan
geintimeerde. Geintimeerde vorderde ƒ 15.000,= materiele schadevergoeding
en ƒ 60.000,= immateriele schadevergoeding. Het hof bekrachtigt het
vonnis.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Bij exploit van 3 juni 1994 zijn appellanten in hoger beroep gekomen
van het vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Haarlem
dat onder nummer KG 254/1994 is gewezen tussen appellanten als gedaagden
en geintimeerde als eiseres en is uitgesproken op 24 mei 1994, met
dagvaarding van geintimeerde voor dit hof en met conclusie dat het hof dat
vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, geintimeerde alsnog in
haar vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren c.q. deze haar zal
ontzeggen, met veroordeling van geintimeerde in de kosten van het geding
in beide instanties.

1.2. Bij memorie hebben appellanten een grief aangevoerd tegen het vonnis
waarvan beroep en geconcludeerd -zakelijk- overeenkomstig de
appeldagvaarding.

1.3. Geintimeerde heeft bij memorie van antwoord de grief bestreden, met
conclusie, dat het hof het beroepen vonnis, zonodig onder verbetering en
aanvulling van rechtsgronden, zal bekrachtigen, met veroordeling van
appellanten in de kosten van het hoger beroep.

1.4. Tenslotte hebben partijen de stukken van het geding in beide
instanties aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest. De inhoud
van die stukken geldt als hier ingelast.

2. De grief

De grief luidt als volgt.

Ten onrechte overweegt de president in rechtsoverweging 3.1. het
navolgende: “Anders dan namens gedaagden is betoogd heeft eiseres wel een
spoedeisend belang bij het op korte termijn verkrijgen van een
civielrechtelijke veroordeling zoals door haar gevraagd.”

3. Waar het hof van uit gaat

De juistheid van hetgeen de president in het bestreden vonnis onder 2.1.
(blz. 1 en 2) heeft overwogen omtrent de vaststaande feiten is niet in
geding, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

4. Beoordeling

4.1. De president heeft bij zijn door de grief bestreden oordeel
overwogen, dat het spoedeisend belang is gelegen in het schadebeperkende
effect van het voorschot, niet alleen omdat toekenning van een voorschot
kan worden beschouwd als een vorm van erkenning van het aan geintimeerde
aangedane leed welke erkenning verwerking van dit leed kan bespoedigen,
maar ook om geintimeerde in staat te stellen om bepaalde activiteiten te
ontplooien teneinde het ondergane leed te verminderen.

4.2. Appellanten voeren ter toelichting op hun grief aan dat zij reeds
medio 1993 voor de tegen geintimeerde gepleegde feiten -verkrachting van
geintimeerde door appellanten en diefstal van goederen van geintimeerde-
strafrechtelijk zijn veroordeeld en tot medio 1997 gedetineerd zullen
zijn; dat zij vanwege ontbreken van inkomen of vermogen geen verhaal
bieden; dat geintimeerde, indien zij een spoedeisend belang had, een
eventueel kort geding reeds in 1993 had kunnen doen plaatsvinden; dat een
aan hen door de president opgelegde en niet na te komen
betalingsverplichting slechts een bijdrage is tot het vergroten van het
door hen jegens geintimeerde aangedane leed; dat geintimeerde in deze
procedure geen erkenning nodig heeft voor de materiele en immateriele
schade, nu door appellanten slechts de hoogte daarvan wordt betwist.

4.3. De opvatting van appellanten dat geintimeerde geen spoedeisend belang
heeft bij het op korte termijn verkrijgen van een civielrechtelijke
veroordeling zoals door haar gevraagd wordt door het hof verworpen. In een
situatie als de onderhavige, waarin het gaat om een ernstige aantasting
van geintimeerde in haar lichamelijke en geestelijke integriteit en waarin
het gevorderde voorschot mede strekt ter compensatie voor door haar
ondergaan leed heeft de president terecht geoordeeld dat een snelle
reactie in de vorm van toewijzing van een geldbedrag in kort geding tot
beperking van de schade kan leiden. Immers, gelijk geintimeerde heeft
toegelicht, kan worden aangenomen dat snelle toewijzing van een voorschot
een betere bijdrage kan leveren aan het compenseren van het psychische
letsel van geintimeerde dan het uiteindelijk via een langdurige
bodem-procedure ontvangen van de eerste betaling van appellanten. Door
toekenning van een voorschot zal bovendien aan geintimeerde de
mogelijkheid worden aangeboden tot het ontplooien van activiteiten, zoals
door haar uiteengezet in eerste aanleg (zie pleitnotities in eerste
aanleg, blz. 3), die wellicht kunnen bijdragen tot een verlichting van
haar traumatische ervaringen.

4.4. Aan het voorgaande doet niet af dat geintimeerde haar vordering in
kort geding pas in 1994 heeft ingesteld, waarbij wordt overwogen dat het
hof het alleszins aannemelijk acht dat geintimeerde, naar zij aanvoert,
in een eerder stadium door haar trauma niet in staat was te procederen.

4.5. De door geintimeerde gestelde schadefactoren en de gevorderde
bedragen worden op zichzelf niet of niet voldoende betwist. Het hof acht
voorshands de door geintimeerde gevorderde bedragen een passend voorschot
op een in een bodemprocedure toe te kennen volledige schadevergoeding, nu
deze bedragen redelijk voorkomen en verwacht mag worden dat de
bodemrechter, indien hij tot een oordeel wordt geroepen, tenminste deze
bedragen zal toewijzen.

4.6. Het feit dat er volgens appellanten geen onmiddellijke
verhaalbaarheid bij hen beiden is maakt naar het oordeel van het hof het
belang van geintimeerde bij het door haar gevorderde als hiervoor
uiteengezet niet minder spoedeisend. Eventuele financiele onmacht is op
zich zelf geen reden om een geldvordering als de onderhavige niet toe te
wijzen.

4.7. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de grief geen succes heeft.

5. Samenvattend

Het beroepen vonnis dient te worden bekrachtigd. Appellanten zullen als
de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het
hoger beroep.

6. Beslissing

het hof:

bekrachtigt het vonnis van de president van de rechtbank te Haarlem van
24 mei 1994, waarvan beroep;

veroordeelt appellanten in de kosten van het hoger beroep, deze tot op
heden aan de zijde van geintimeerde begroot op ƒ 1.445,= aan verschotten
en salaris voor de procureur, waarvan op de voet van artikel 57b van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te voldoen aan de griffier van dit
hof: eigen bijdrage griffierecht ƒ 105,= in debet gesteld griffierecht
ƒ 315,= salaris van de procureur ƒ 1.025,=.

Rechters

Mrs. Hermans, Van Lingen en Koopman

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 1 maart 1995

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Eiseres heeft bij de rechtbank procedure aangespannen tegen huisarts die niet
tijdig zwangerschap heeft geconstateerd. Zwangerschap was voor eiseres al in
te ver gevorderd stadium om nog tot abortus over te gaan. Rechtbank heeft
vordering van eiseres afgewezen met het argument dat op het moment dat
zwangerschap geconstateerd werd afbreking van de zwangerschap nog mogelijk
was in de vorm van een tweede trimesterbehandeling. Dat eiseres dit niet
wilde is voor de rechtbank geen argument omdat zij bij een eerdere
zwangerschap wel een dergelijke behandeling onderging. Eiseres is van de
uitspraak in hoger beroep gegaan. (Ook Rechtbank ‘s-Gravenhage, 2 november
1994 is opgenomen).

Volledige tekst

; Rechtbank ‘s-Gravenhage, 2 november 1994
De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken: de dagvaarding van
1 oktober 1992 en de zakelijk daarmee overeen komende conclusie van eis, de
akte zijdens eiseres d.d. 13 oktober 1992 met producties, waaronder de
processen-verbaal d.d. 26 juni 1991 en 17 juli 1991 van de op die data
gehouden voorlopige getuigenverhoren, de conclusie van antwoord (met
producties), de conclusie van repliek (met producties), de akte zijdens
eiseres (met producties) en de conclusie van dupliek (met producties).
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als O en V.
Rechtsoverwegingen
1. O vordert na vermindering van haar eis de veroordeling van V tot betaling
van ƒ 86 426, zijnde de contant gemaakte kosten van het te haren laste
komende levensonderhoud van haar op 29 juni 1991 geboren zoon.
2. Zij stelt daartoe dat deze kosten de schade vormen welke zij heeft geleden
en zal lijden als gevolg van de door V jegens haar gepleegde wanprestatie.
Die wanprestatie bestond volgens O daarin dat V, die eertijds haar huisarts
was, haar zwangerschap heeft ontdekt op een tijdstip dat een abortus
provocatus niet meer mogelijk was, althans nog slechts mogelijk was op een
aanmerkelijk belastender wijze dan wanneer de zwangerschap tijdig was
ontdekt.
3. Zij legt aan die vordering ten grondslag de stelling dat zij V begin
november 1990, op 26 november 1990, op 28 december 1990 en op 8 januari 1991
heeft verzocht te onderzoeken of zij zwanger was. V heeft haar al die keren
inwendig onderzocht doch haar gezegd dat zij niet zwanger was. V heeft al die
keren geen urinetest gedaan. Pas op 31 januari/1 februari 1991 heeft V een
urinetest gedaan.
Toen bleek O circa 18 weken zwanger te zijn. Hij heeft haar toen gezegd dat
een abortus niet meer mogelijk was.
4. Partijen verschillen van mening over de tijdstippen waarop O jegens V
heeft gezegd dat zij vreesde zwanger te zijn en gevraagd heeft haar daarop te
onderzoeken.
Naar het oordeel van de rechtbank kan zulks buiten beschouwing blijven. Vast
staat immers dat de zwangerschap van O omstreeks 1 februari 1991 is
vastgesteld en dat op 4 februari 1991 is vastgesteld dat die zwangerschap
toen 18 weken bedroeg.
5. Als niet weersproken staat eveneens vast dat op dat moment een afbreking
van de zwangerschap nog mogelijk was in de vorm van een zgn. tweede
trimesterbehandeling volgens Finks.
6. Indien de stellingen van O zo moeten worden begrepen dat zij bedoelt te
zeggen dat het ondergaan van een dergelijke behandeling niet van haar kan
worden gevergd hoewel zij in principe wel een beëindiging van de zwangerschap
zou hebben gewild, gaat de rechtbank daaraan voorshands voorbij. Immers heeft
V door overlegging van een ontslagbrief d.d. 17 juli 1990 van de
Pretermkliniek te ‘s-Gravenhage voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat
O rond die datum reeds een zgn. tweede trimesterbehandeling volgens Finks had
ondergaan. Ook heeft V voorshands voldoende aangetoond dat O toen van de duur
van haar zwangerschap op de hoogte moet zijn geweest, vgl. de brief d.d. 15
oktober 1992 van de aan genoemde Preterm-kliniek verbonden arts mevrouw G.F.
Gentil (productie 8 bij dupliek).
Daaruit blijkt dat O tegen een dergelijke tweede trimesterbehandeling geen
bezwaar had. Zulks spoort ook met de verklaring die O in het voorlopig
getuigenverhoor heeft afgelegd, inhoudende dat zij – nadat zij had vernomen
18 weken zwanger te zijn – zowel tegen dr. Roossen als tegen V heeft gezegd
de zwangerschap te willen laten beëindigen.
7. Het vorenstaande zou anders kunnen zijn indien juist zou zijn de stelling
van O dat V haar vervolgens uitdrukkelijk zou hebben gezegd dat een
zwangerschapsonderbreking bij 18 weken niet (meer) mogelijk was.
Die stelling, waarvan de bewijslast rust op O, is echter geenszins komen vast
te staan.
8. De dienaangaande door O afgelegde getuigenverklaring wordt weersproken
door de getuigenverklaring van V.
Ook vindt deze stelling van O geen steun in de door V op de patiëntenkaart
gemaakte aantekening d.d. 8/1/91 (waarschijnlijk te lezen als 8/2/91, noot
rechtbank), inhoudende: `…echo 18 wk houdt kind evt adoptie?’
De aantekening `houdt kind’ lijkt moeilijk verenigbaar met een eventueel
advies dat beëindiging van de zwangerschap niet meer mogelijk zou zijn. Die
aantekening zou in dat geval immers overbodig zijn geweest.
Bovendien moet V hebben geweten dat onderbreking van de zwangerschap bij 18
weken nog mogelijk was, gezien in elk geval de aan hem geadresseerde
ontslagbrief van de Preterm-kliniek d.d. 17 juli 1990. Ook dit maakt niet
waarschijnlijk dat V tegen O zou hebben gezegd dat beëindiging van de
zwangerschap niet meer mogelijk was.
9. Nu echter O nog geen gelegenheid heeft gehad zich uit te laten over de bij
conclusie van dupliek overgelegde producties, zal de rechtbank alvorens
definitief te beslissen de zaak verwijzen naar de rol zodat O daartoe alsnog
gelegenheid zal hebben.
Bovendien zal O dan kunnen aangeven of zij tegenbewijs wenst te leveren en,
zo ja, door middel van welke getuigen zij wenst aan te tonen dat V tegen haar
heeft gezegd dat beëindiging van de zwangerschap na 18 weken niet meer
mogelijk was.
Beslissing
De rechtbank:
– verwijst de zaak naar de rol van 20 december 1994 voor uitlaten door O als
bedoeld in rechtsoverweging 9, zulks direct peremptoir;
– houdt iedere verdere beslissing aan.
Rechtbank ‘s-Gravenhage, 1 maart 1995
De rechtbank heeft opnieuw kennis genomen van de stukken van het geding, te
weten het tussenvonnis van 2 november 1994 en de daarin genomen stukken,
alsmede de sedertdien door ieder van partijen nog genomen akte.
Rechtsoverwegingen
1. De rechtbank neemt hier over al hetgeen in het tussenvonnis van 2 november
1994 is overwogen en beslist.
2. Bij dat vonnis is O. in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de
producties die bij de conclusie van dupliek waren overgelegd en over de vraag
hoe zij (tegen)bewijs zou willen leveren.
3. Hetgeen O heeft opgemerkt aangaande bedoelde producties geeft de rechtbank
geen aanleiding terug te komen op hetgeen dienaangaande in het tussenvonnis
van 2 november 1994 is overwogen.
4. O. heeft zich in het geheel niet uitgelaten over de vraag hoe zij
(tegen)bewijs zou willen leveren met betrekking tot haar stelling dat
gedaagde tegen haar heeft gezegd dat afbreking van haar zwangerschap na 18
weken niet meer mogelijk was.
Het moet er dus voor worden gehouden dat O niet in staat is bewijs te leveren
met betrekking tot die stelling. Zoals in het eerdergenoemde tussenvonnis
reeds is overwogen en beslist rust de bewijslast met betrekking tot die
stelling op haar. De juistheid van die stelling volgt niet uit de
verklaringen die tijdens het voorlopig getuigenverhoor zijn afgelegd.
5. Onder die omstandigheden kan de vordering van O niet voor toewijzing in
aanmerking komen omdat de grondslag daarvan immers niet is komen vast te
staan. De rechtbank zal die vordering dus afwijzen. O dient daarbij te worden
veroordeeld in de kosten van deze procedure, die van het voorlopig
getuigenverhoor daaronder begrepen.
Beslissing.
De rechtbank:
– wijst de vordering af;
– veroordeelt O in de kosten van deze procedure, tot nu toe aan de zijde van
V begroot op ƒ 1200 voor verschotten en op ƒ 5600 voor salaris voor zijn
procureur.

Rechters

Mr. J.H.P.J. Willems