Instantie: Rechtbank Middelburg, 1 maart 1995

Instantie

Rechtbank Middelburg

Samenvatting


Eiseres is door meerdere personen seksueel misbruikt. Gedaagde is
aansprakelijk voor de totale schade, tenzij hij bewijst dat die schade
niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hij zelf aansprakelijk
is. Gedaagde is hierop niet ingegaan. Matiging van de schadevergoeding
op grond van het inkomen, een VUT-uitkering, van gedaagde. Toekenning
van ƒ 25.000,- aan schadevergoeding.

Volledige tekst


Renee Kool

Rechters

Mr Rammeloo

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 28 februari 1995

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Partijen zijn 19 jaar gehuwd geweest en hebben een kind van 8 jaar. De man
voert aan dat de vrouw geen behoefte heeft. Zij heeft eigen inkomen en de
mogelijkheid haar werkzaamheden uit te breiden. Het Hof oordeelt dat
onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw haar werkzaamheden kan
uitbreiden. Gelet op het inkomen van de vrouw heeft zij behoefte aan
alimentatie voor het kind en haarzelf. Bij de rechtbankprocedure had de
vrouw geen verweer gevoerd tegen de stelling van de man dat hij
onvoldoende draagkracht had om bij te dragen in de kosten van
levensonderhoud van de vrouw, waarop de rechtbank geen alimentatie voor
de vrouw vaststelde. Het Hof bepaalt de alimentatie op ƒ 260,=.

Volledige tekst

1. Het geding in eerste aanleg

Het Hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Zutphen van 8
september 1994, die in kopie aan deze beschikking is gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. De partijen worden hierna aangeduid met “de vrouw” respectievelijk
“de man”.

2.2. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het Hof op 26 september
1994 is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij
verzoekt het Hof die beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende,
te bepalen dat de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud
(bedoeld is: in de kosten van verzorging en opvoeding) van het
minderjarige kind van partijen, , geboren op te , ten
bedrage van ƒ 350,= per maand en ten behoeve van de vrouw ƒ 364,= per
maand verschuldigd is, althans een zodanige bijdrage vast te stellen als
het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren, met
uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

2.3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 24 oktober 1994, heeft
de man het beroep van de vrouw bestreden. Hij verzoekt het hof primair het
door de vrouw ingesteld beroep af te wijzen en subsidiair de door de man
aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud vast te stellen in
die zin, dat de kinderalimentatie ƒ 350,= per maand bedraagt en de
alimentatie voor de vrouw tot 1 januari 1995 ƒ 373,73 per maand en vanaf
die datum ƒ 130,81 per maand, althans een zodanige bijdrage als het Hof
in goede justitie zal vermenen te behoren.

2.4. De mondelinge behandeling heeft op 19 januari 1995 plaatsgevonden.
Verschenen zijn partijen, de vrouw bijgestaan door mr. A.M. Bruin,
advocaat te Wezep, gemeente Oldebroek en de man, bijgestaan door mr. B.J.
van Gent, advocaat te Zwolle.

2.5. Het Hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een
faxbericht van de advocaat van de man van 26 januari 1995 en een brief van
de advocaat van de vrouw van 27 januari 1995.

3. De vaststaande feiten

Voor de vaststaande feiten wordt verwezen naar hetgeen de rechtbank
hieromtrent in haar beschikking heeft vastgesteld.

4. De beoordeling

4.1. Het Hof stelt voorop dat de bestreden beschikking nog niet is
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.2. De vrouw voert aan dat zij behoefte heeft aan een bijdrage in de
kosten van haar levensonderhoud. Zij werkt parttime en geniet een inkomen
van ƒ 1.497,= netto per maand.

De man betwist die behoefte. Hij voert hiertoe aan dat de vrouw eigen
inkomsten heeft en dat zij voorts de mogelijkheid heeft haar werkzaamheden
uit te breiden. Het Hof is van oordeel dat de vrouw gelet op haar inkomen
behoefte heeft aan een alimentatiebijdrage voor en voor haarzelf,
temeer nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw mogelijkheden
heeft haar werkzaamheden uit te breiden.

4.3. Bij de beoordeling van de draagkracht van de man gaat het Hof uit van
een inkomen van ƒ 3.291,= bruto per maand en een toeslag van ƒ 116,02
bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Naast een dertiende maand
ontvangt de man een gratificatie van gemiddeld ƒ 1.400,= per jaar. Het Hof
beschouwt de man als alleenstaande. Het houdt rekening met een kale huur
van ƒ 710,75 per maand, nu voldoende is aangetoond dat de man de huur
daadwerkelijk betaalt.

4.4. De man voert aan dat ter zake herinrichtingskosten rekening dient te
worden gehouden met een bedrag van ƒ 250,= per maand. Hij heeft ter
financiering van die kosten een lening afgesloten. De vrouw stelt dat
maximaal een bedrag van ƒ 125,= per maand in aanmerking mag worden
genomen, aangezien de man bij zijn vertrek uit de echtelijke woning veel
zaken met zich mee heeft genomen. Het Hof is van oordeel dat de man
voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij herinrichtingskosten heeft en
brengt in redelijkheid een bedrag van ƒ 250,= per maand in mindering op
zijn draagkracht. De noodzaak van een tweede lening is niet aannemelijk
geworden.

4.5. Ter zitting is gebleken dat de man geen omgang heeft met het
minderjarige kind van partijen. Aangezien kosten van omgang niet worden
gemaakt, zal het Hof er thans geen rekening mee houden.

4.6. Tussen partijen staat vast dat de behoefte van het kind ƒ 350,= per
maand bedraagt. Hiermee rekening houdend en voor het overige uitgaande van
bovenstaande financiele gegevens, acht het Hof de man in staat, naast de
door hem te betalen kinderalimentatie, bij te dragen in de kosten van
levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van ƒ 260,= per maand.

5. De slotsom

Op grond van het voorgaande wordt de navolgende beslissing gegeven onder
compensatie van proceskosten, nu partijen echtgenoten zijn.

De beslissing

Het Hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Zutphen van 8 september
1994, voor zover zij de door de man te betalen bijdrage in de kosten van
levensonderhoud van de vrouw betreft, en te dien aanzien opnieuw
beschikkende: bepaalt dat de man in de kosten van verzorging en opvoeding
van met ingang van de dag waarop de voogdij zal aanvangen dient bij te
dragen met een bedrag van ƒ 350,= per maand bij vooruitbetaling te
voldoen;

veroordeelt de man bij vooruitbetaling aan de vrouw uit te keren als
bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud een bedrag van ƒ 260,= per
maand, met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de kosten van het geding in die zin, dat elke partij de eigen
kosten draagt.

Rechters

mr. Fokker

Instantie: Raad van State afdeling Bestuursrechtspraak, 28 februari 1995

Instantie

Raad van State afdeling Bestuursrechtspraak

Samenvatting


Partnerinkomenstoets niet in strijd met de tweede en derde EG-
richtlijn. De IOAW heeft het karakter van een bodemvoorziening ten
behoeve van werkloze werknemers en eventuele partner tezamen. Het
bieden van een dergelijke bodemvoorziening aan een oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemer is een legitieme
doelstelling van het Nederlands sociaal beleid. De partnerinkomenstoets
in de IOAW is een geschikt en noodzakelijk middel om deze doelstelling
te bereiken. Anders zou het karakter van een bodemvoorziening verloren
gaan.

Volledige tekst

In rechte

Op 1 januari 1994 is in werking getreden de Wet van 16 december 1993
tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene
wet bestuursrecht, de Wet op de Raad van State, de Beroepswet, de
Ambtenarenwet 1929 en andere wetten, alsmede intrekking van de Wet
administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (voltooiing eerste
fase herziening rechterlijke organisatie), Stb. 1993, 650. Uit de in
deel 6, artikel I, van de wet neergelegde overgangsbepalingen volgt dat
het geschil dient te worden behandeld met toepassing van het recht dat
gold voor 1 januari 1994, behoudens ten aanzien van de regeling inzake
de proceskostenveroordeling in artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht.

Verweerster heeft bij haar bestreden besluit de beslissing van
burgemeester en wethouders van Rotterdam gehandhaafd, inhoudende de
ongegrondverklaring van de door X ingebrachte bezwaren tegen de
beslissing van de directeur van de Gemeentelijke Sociale Dienst te
Rotterdam, waarbij hem een uitkering ingevolge de Inkomensvoorziening
Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte Werkloze werknemers (hierna
te noemen: IOAW) is toegekend onder verrekening van de inkomsten van
zijn echtgenote op grond van het bepaalde in de artikelen 7 en 9 van de
IOAW.

Verweerster constateert dat het geschil niet de al dan niet correcte
toepassing van de verrekeningsbepalingen betreft, maar de
toepasselijkheid van de verrekeningsbepalingen zelf, omdat door
appellant in geding is gebracht dat deze bepalingen in strijd zijn met
artikel 4, eerste lid van de richtlijn 79/9 van 19 december 1978 van de
Raad van de Europese Gemeenschappen (hierna te noemen: de derde
EG-richtlijn) en met artikel 2, eerste lid van de richtlijn 76/207 van
9 februari 1976 van de Raad van de Europese Gemeenschappen (hierna te
noemen: de tweede EG-richtlijn). Verweerster ziet blijkens haar
bestreden besluit, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep
inzake Teulings-Worms geen aanleiding de door appellant in beroep
geformuleerde prejudiciele vragen aan het Hof van Justitie voor te
leggen.

Verweerster overweegt daartoe onder meer dat de IOAW moet worden
beschouwd als een bodemvoorziening, hetgeen wil zeggen dat de wet een
toereikend bestaansminimum beoogt te garanderen aan personen, die als
gevolg van werkloosheid niet in staat zijn in het bestaan van hun gezin
te voorzien. Volgens de verweerster strookt het met het karakter van
bodemvoorziening, zo blijkt uit het reeds genoemde arrest van het Hof
van Justitie inzake Teuling-Worms, dat bij de vaststelling van de
hoogte van de uitkering rekening wordt gehouden met de inkomsten van de
partner. Naar het oordeel van verweerster is dit niet anders als dit er
toe leidt dat de inkomsten van de partner volledig worden verrekend met
de uitkering ingevolge de IOAW, bij de vaststelling waarvan rekening
wordt gehouden met de burgerlijke staat van de betrokkene.

Appellant kan zich hiermee niet verenigen. Hij handhaaft zijn standpunt
dat als gevolg van de partnerinkomenstoets IOAW-gerechtigde gehuwde
vrouwen in verband met de inkomsten van hun echtgenoot minder vaak in
aanmerking zullen komen voor een uitkering op grond van deze wet dan
IOAW-gerechtigde mannen en voorts zullen worden ontmoedigd om aan het
arbeidsproces deel te nemen, hetgeen hij in strijd acht met de reeds
genoemde EG-richtlijnen. Appellant voert daartoe in beroep onder meer
aan dat de zaak Teuling-Worms niet geheel met de onderwerpelijke zaak
vergelijkbaar is omdat de zaak Teuling-Worms een uitkering ingevolge de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna te noemen: AAW) betrof en
eventuele inkomsten van de echtgenoot bij de AAW niet op dezelfde wijze
doorwerken in de hoogte van de uitkering als bij de IOAW. Verder is
appellant van mening dat het verzuim van verweerster om de voorgestelde
vragen aan het Hof van Justitie voor te leggen reeds reden is voor de
vernietiging van het bestreden besluit.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, IOAW wordt voor de
werkloze werknemer en de echtgenoot als inkomen aangemerkt: de som van
het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en
beroepsleven van hemzelf en van zijn echtgenoot. Ingevolge artikel 9,
eerste lid, IOAW bedraagt de uitkering het verschil tussen de van
toepassing zijnde grondslag en het inkomen. Ingevolge artikel 4,
eerste lid van de derde EG-richtlijn, voorzover hier van belang, houdt
het beginsel van gelijke behandeling in dat iedere vorm van
discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect
door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is
uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot de werkingssfeer van de
regelingen alsmede de voorwaarden inzake toelating tot de regelingen.
Ingevolge artikel 1, eerste lid juncto artikel 2, eerste lid van de
tweede EG-richtlijn, voorzover hier van belang, houdt het beginsel van
gelijke behandeling in de zin van deze regeling in dat ten aanzien van
de toegang tot het arbeidsproces iedere vorm van discriminatie is
uitgesloten op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door
verwijzing naar met name de echtelijke staat of gezinssituatie.
Onbetwist is dat op grond van de artikel 7 en 9 van de IOWA op de aan
appellant toegekende uitkering de inkomsten van zijn echtgenote terecht
in mindering zijn gebracht. Het geschil betreft uitsluitend de vraag of
verweerster tot het oordeel kon komen dat de bovengenoemde
verrekeningsbepalingen van de IOAW (hierna te noemen: de
partnerinkomenstoets) niet strijdig zijn met de hierboven weergegeven
EG-richtlijnen en verweerster terecht ervan heeft afgezien aan het Hof
van Justitie de in beroep aan haar voorgestelde prejudiciele vragen te
stellen. Allereerst wijst de Afdeling erop dat, gelet op het bepaalde
in artikel 177 van het Verdrag van de Europese Gemeenschappen,
verweerster als hogere beroepsinstantie in tegenstelling tot
de/afdeling als hoogste rechterlijke instantie, niet gehouden is zich
tot het Hof van Justitie te wenden met een verzoek om een prejudiciele
beslissing.

Hierop gelet kan de stelling van appellant dat het bestreden besluit
reeds dient te worden vernietigd omdat verweerster heeft nagelaten de
aan haar voorgelegde prejudiciele vragen aan het Hof van Justitie voor
te leggen, geen doel treffen. Uit de jurisprudentie van het Hof van
Justitie leidt de Afdeling af dat de bovengenoemde artikelen van de
tweede en derde EG-richtlijn aldus moeten worden verstaan dat deze zich
verzetten tegen de ongunstiger behandeling van een sociale groep
wanneer blijkt dat die groep uit een veel groter aantal personen van
het ene dan van het andere geslacht bestaat, tenzij de betrokken
maatregel haar rechtvaardiging vindt in objectieve factoren die geen
verband houden met geslacht. Dit laatste is volgens het Hof blijkens
haar arresten inzake C-229/89 (Commissie van Belgie) en C-226/91
(Molenbroek) het geval indien het gekozen middel beantwoordt aan een
legitieme doelstelling van sociaal beleid van de betrokken Lid-Staat en
dit middel geschikt en noodzakelijk is om dat doel te bereiken.

Gezien het bovenstaande dient de Afdeling in dit geschil de vraag te
beantwoorden of de partnerinkomenstoets, zo deze al indirect
discriminerend zou zijn voor vrouwen als gesteld door appellant,
beantwoordt aan een legitieme doelstelling van sociaal beleid en
geschikt en noodzakelijke is om het doel van de IOAW in een inkomen
tot het niveau van het sociale minimum voor oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (en voor zover van toepassing:
mede aan hun echtgenoten), die hier te lande woonachtig zijn, voor
zover de eigen middelen uit of in verband met arbeid van de werkloze
werknemer en de echtgenoot tezamen ontoereikend zijn. Naar het oordeel
van de Afdeling heeft de IOAW derhalve het karakter van een
bodemvoorziening ten behoeve van de werkloze werknemer en de eventuele
partner tezamen en kan het bieden van een bodemvoorziening als hier
bedoeld aan oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers een legitieme doelstelling van het Nederlandse sociale
beleid worden geacht. Voorts is de Afdeling van oordeel dat de in
geding zijnde partnerinkomenstoets een geschikt en noodzakelijk middel
is om het doel van de IOAW – het bieden van een bodemvoorziening – te
bereiken, aangezien zonder deze toets het karakter van bodemvoorziening
verloren zou gaan.

Op grond van het vorenoverwogene is de afdeling van oordeel dat
verweerster de in geding zijnde verrekeningsbepalingen van de IOAW
terecht niet strijdig heeft geacht met de tweede en derde EG-richtlijn.
In verband hiermee ziet de Afdeling geen aanleiding tot het stellen van
de door appellant voorgestelde prejudiciele vragen aan het Hof van
Justitie.

Daar niet is gebleken dat het bestreden besluit in aanmerking komt voor
vernietiging op een der in artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet
Kroongeschillen genoemde gronden, dient het beroep te worden verworpen.

De Afdeling acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;

Rechtdoende in naam der Koningin: verwerpt het beroep.

Rechters

Mrs Gardeniers-Berendsen, Vink, Korte-Van Hemel

Instantie: Rechtbank Groningen, 24 februari 1995

Instantie

Rechtbank Groningen

Samenvatting


Eiseres heeft ƒ 10 000 immateriële schadevergoeding gevorderd wegens
verkrachting. De vordering is afgewezen omdat de President het spoedeisend
belang niet aanwezig achtte. De rechter motiveert dit belang door te stellen
dat tussen de datum van de stuiting van de verjaring en het aanhangig maken
van het kort geding een periode van ruim twee jaar zit.

Volledige tekst

Procesgang
Eiseres heeft gedaagde doen dagvaarden in kort geding. Haar vordering strekt
ertoe gedaagde bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op
de minuut en op alle dagen en uren met inschakeling van de sterke arm, te
veroordelen om op een door haar aan te wijzen rekening binnen zeven werkdagen
na betekening van dit vonnis over te maken een bedrag van ƒ 10 000 als
voorschot op de in de bodemprocedure te vorderen schadevergoeding,
vermeerderd met de wettelijke rente, en hem te veroordelen in de kosten van
dit geding.
Op de voor de behandeling bepaalde dag, vrijdag 10 februari 1995, is eiseres,
vergezeld van haar advocate, mr. J.M. Legeland voornoemd, verschenen.
Namens gedaagde is verschenen zijn procureur, mr. J.Smit voornoemd.
Eiseres heeft conform de dagvaarding voor eis geconcludeerd, waarbij zij
producties in het geding heeft gebracht. Gedaagde heeft verweer gevoerd tegen
de vordering en geconcludeerd eiseres in haar vorderingen niet-ontvankelijk
te verklaren dan wel haar die te ontzeggen met haar veroordeling in de kosten
van het geding.
Partijen hebben hun standpunten nader doen toelichten en pleitnotities doen
overleggen.
Partijen hebben tenslotte vonnis gevraagd.
De uitspraak is bepaald op heden.
Motivering
Vaststaande feiten
Tussen partijen is op grond van hetgeen enerzijds is gesteld en anderzijds is
erkend, althans niet of onvoldoende is weersproken, en op grond van de
overgelegde stukken, in dit kort geding het volgende komen vast te staan.
a. Tijdens haar vacantie in 1983 heeft eiseres in een café te X. kennis
gemaakt met gedaagde. Eiseres was toen 17 jaren oud, gedaagde 37 jaren.
’s Avonds diezelfde dag heeft gedaagde in het café toenadering tot eiseres
gezocht en is ten opzichte van haar handtastelijk geweest.
Later op de avond reed eiseres met gedaagde mee in de auto naar de Y. te X.
Toen eiseres en gedaagde zich aldaar in de tuinen bevonden, werd gedaagde
wederom handtastelijk. Hij wilde gemeenschap met haar hebben. Hij betastte
eiseres en maakte haar broek los. Ook had hij zijn eigen broek laten zakken.
b. In februari 1989 heeft eiseres aangifte gedaan van verkrachting door
gedaagde. De aangifte heeft wegens gebrek aan bewijs niet geleid tot een
strafzaak tegen gedaagde.
c. Tussen 1985 en eind 1992 heeft eiseres therapie gevolgd bij onder meer
Buro Slachtofferhulp, Vrouwen tegen Verkrachting en het Centrum voor
Integrale Therapie.
d. Naar aanleiding van een advertentie van het Clara Wichmann Instituut te
Amsterdam heeft eiseres in verband met het in 1983 voorgevallene eind 1992
haar advocate ingeschakeld. Bij brief van 23 december 1992 heeft de advocate
van eiseres gedaagde aansprakelijk gesteld wegens seksueel misbruik en de
verjaring terzake gestuit.
Bij brief van 8 september 1993 heeft de advocate gedaagde verzocht en
gesommeerd vijfduizend gulden aan eiseres te betalen als voorschot op de
schadevergoeding wegens seksueel misbruik, bij gebreke waarvan een kort geding
terzake werd aangekondigd.
Bij brief van 12 januari 1995 heeft de advocate gedaagde verzocht en
gesommeerd tienduizend gulden aan eiseres te betalen terzake van genoemd
seksueel misbruik, bij gebreke waarvan wederom een kort geding werd
aangekondigd.
Standpunt van eiseres
Eiseres legt naast de vaststaande feiten het volgende aan haar vordering ten
grondslag.
Reeds in het café heeft eiseres aan gedaagde duidelijk gemaakt dat zij niet
wilde dat hij aan haar zat. Later stemde zij in met gedaagde te wandelen in
de tuinen van Y., omdat hij haar had toegezegd van haar af te blijven. Opeens
begon gedaagde toen echter eiseres onder meer wild te zoenen, kneep haar keel
dicht, dwong haar tot seksuele handelingen en verkrachtte haar. Gelet op de
door partijen bij de politie afgelegde verklaringen alsmede de verklaringen
van de verschillende hulpinstanties en het door eiseres bijgehouden dagboek
is voldoende aannemelijk dat gedaagde eiseres heeft verkracht dan wel met
geweld heeft gedwongen tot het ondergaan van ontuchtige handelingen. In ieder
geval heeft hij misbruik gemaakt van het overwicht dat hij, mede als gevolg
van hun leeftijdsverschil, op eiseres had.
Eiseres heeft hier zeer onder geleden en lijdt er ook thans nog onder. Zij
schaamde zich en voelde zich vernederd. Zij heeft hulp gekregen van
verschillende instanties en heeft therapieën gevolgd. Zij heeft bijna 10 jaar
besteed aan het verwerken van het gebeurde.
Het spoedeisend belang van eiseres zit dan ook in het verwerkingsproces,
waarvan dit kort geding onderdeel uitmaakt. Tevens verlangt eiseres erkenning
van gedaan onrecht. Pas in 1989 durfde eiseres de zaak openbaar te maken door
aangifte te doen. Toen zij in 1992 haar advocate inschakelde was zij nog niet
toe aan een procedure. De brief van 23 december 1992 impliceerde derhalve
geen juridische stappen, maar was nodig om de verjaring van de vordering te
stuiten.
Thans is eiseres wel toe aan een procedure. Zij wil de zaak afronden door
middel van dit kort geding. Eiseres wil geen bodemprocedure voeren.
Dat eiseres eerst nu dit kort geding aanhangig heeft gemaakt heeft tevens te
maken met de houding van gedaagde, die ontkende de brieven van de advocate
van eiseres ontvangen te hebben, alsmede met de vraag of het handelen van
gedaagde civielrechtelijk wel aannemelijk kon worden gemaakt. Eiseres
ondervindt grote materiële en immateriële schade van het gebeurde. Zij heeft
veel therapie gevolgd. Ook de visies van de hulpverleners duiden op schade.
Tegen de onmogelijkheid van eventuele terugbetaling biedt eiseres waarborg
aan.
Standpunt van gedaagde
Het verweer van gedaagde komt, zakelijk weergegeven, op het volgende neer.
De tijd tussen het gebeurde in 1983 en het onderhavige kort geding is zodanig
lang, dat een spoedeisend belang voor eiseres, gezien de trage afhandeling,
ontbreekt. Na de aangifte in 1989 zijn zes jaren ongebruikt verstreken; na de
eerste sommatie van de advocate d.d. 23 december 1992 ruim twee jaren.
Uitstel van het geding wegens het verwerkingsproces van eiseres is
onvoldoende om desondanks een spoedeisend belang aanwezig te achten.
Gedaagde ontkent eiseres verkracht te hebben dan wel dat hij anderszins
gewelddadige handelingen jegens haar heeft gepleegd. De door eiseres bij de
politie afgelegde verklaring maakt de gestelde handelingen van gedaagde thans
onvoldoende aannemelijk. De verklaring bevat onduidelijkheden en verschilt
met de verklaring van gedaagde. Ook de verklaringen van de diverse instanties
– wier informatie slechts van eiseres afkomstig is – maken de gestelde
handelingen van gedaagde onvoldoende aannemelijk. Tevens staat onvoldoende
vast dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn overwicht op eiseres. Gedaagde
heeft uit het contact tussen hem en eiseres en uit de sfeer in het café
afgeleid dat eiseres tegen `intiem contact’ geen bezwaar had. Toen bleek dat
zij wel bezwaar maakte heeft hij zijn pogingen gestaakt.
Het gevorderde bedrag van ƒ 10 000 is op geen enkele wijze onderbouwd. Van
materiële schade is niet gebleken. De gevolgde therapie is voltooid en
toekomstige therapie is kennelijk niet nodig. Voor vergoeding van immateriële
schade is, mede gelet op de trage wijze van procederen, geen plaats. Deze
schade kan alleen in een bodemprocedure worden beoordeeld.
Beoordeling van het geschil
Eiseres grondt haar spoedeisend belang bij een uitspraak in kort geding op
het verwerkingsproces, dat zij doormaakt als gevolg van gedaagdes handelen
jegens haar, en het verlangen naar erkenning van haar aangedaan onrecht.
Hoezeer een dergelijke redengeving in het algemeen kan gelden als voldoende
voor het aanhangig maken van een kort geding, is zij in deze zaak naar het
oordeel van de president ontoereikend. Eiseres heeft eind 1992 haar advocate
ingeschakeld. Zij had sinds het gebeurde in 1983 ruim negen jaar laten
verstrijken alvorens daartoe over te gaan. Dit tijdsverloop kan haar niet
worden tegengeworpen, omdat aannemelijk is dat zij in die tijd onder meer
door middel van therapieën bezig was met de innerlijke verwerking van het
gebeurde en nog niet aan het nemen van juridische stappen toe was.
Anders ligt dit evenwel met de tijd die is verstreken vanaf het moment waarop
eiseres haar advocate inschakelde. Zij deed dit naar aanleiding van een
advertentie, waarin slachtoffers van seksueel geweld werden gewaarschuwd tegen
verkorting van de verjaringstermijnen. Na de stuiting van de verjaring door
de brief van de advocaat van 23 december 1992 heeft eiseres ruim twee jaar
laten verstrijken zonder het aangekondigde kort geding daadwerkelijk
aanhangig te maken. Zij heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd
die deze trage wijze van handelen vanaf het moment, waarop zij haar advocate
inschakelde, kunnen rechtvaardigen en waaruit kan worden afgeleid dat ook
thans nog een spoedeisend belang voor haar aanwezig is.
Derhalve zal haar vordering worden afgewezen.
Ten overvloede wordt overwogen dat de zaak zich ook los van het vereiste van
spoedeisend belang niet leent voor afdoening in kort geding, met name omdat –
hoezeer ook aannemelijk is dat gedaagdes gedrag van destijds in belangrijke
mate heeft bijgedragen aan het ernstig psychisch lijden van eiseres – in dit
geval niet in het kader van de summiere behandeling van een kort geding
voldoende kan worden vastgesteld dat gedaagdes handelen een onrechtmatige
daad oplevert. Voor de beweerde (fysieke) dwang van de kant van gedaagde is
door de ontkenning van gedaagde onvoldoende bewijs voorhanden en het is niet
zozeer evident dat in een eventuele bodemprocedure geoordeeld zal worden dat
ook zonder fysieke dwang sprake is geweest van onrechtmatig handelen, dat de
president daarop in kort geding, door toekenning van een voorschot op de
schadevergoeding, vooruit zou mogen lopen.
De president vindt in de omstandigheden van het geval aanleiding de
proceskosten te compenseren, zodanig dat partijen elk de eigen proceskosten
dragen.
Beslissing
De president, rechtdoende in kort geding:
1. wijst de gevraagde voorziening af;
2. compenseert de proceskosten, des dat partijen elk de eigen proceskosten
dragen.

Rechters

Mr. Lampe

Instantie: President Rechtbank ‘s-Gravenhage, 24 februari 1995

Instantie

President Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Eiseres heeft jarenlang (twaalf jaren) een seksuele relatie gehad met haar
behandelend psychiater. De therapie is zonder doorverwijzing gestopt. Zij
heeft veel psychische schade geleden door het ontberen van de nodige
behandeling. De president wijst haar vordering tot betaling van een
voorschot op de immateriele schadevergoeding af omdat het causaal verband
tussen de klachten van aanvraagster en de (gestopte) behandelwijze
onvoldoende vaststaat.

Volledige tekst

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 14 februari
1995 staat het navolgende tussen partijen vast:

-In december 1981 is eiseres in verband met psychische problemen, welke
waren voortgekomen uit met name huwelijksproblemen, door haar huisarts
naar gedaagde, zenuwarts, verwezen.

-In januari 19982 is eiseres bij gedaagde onder behandeling gekomen.

-In de loop van 1982 is een lichamelijke/seksuele relatie tussen partijen
ontstaan. Die relatie, waarbij partijen elkaar telkenmale in de
spreekkamer van gedaagde ontmoetten, heeft voortgeduurd tot in de zomer
van 1987, vervolgens heeft er tot het voorjaar van 1990 slechts
telefonisch en schriftelijk contact tussen partijen plaatsgevonden; in
1990 zijn nadat eiseres daarom had verzocht de ontmoetingen in de
spreekkamer hervat. Eiseres heeft de relatie in november 1993 definitief
beeindigd.

-Gedaagde heeft om gezondheidsredenen in 1993 zijn psychiatrische praktijk
afgebouwd en per 1 januari 1994 neergelegd.

-Sedert 4 februari 1994 is eiseres in behandeling bij een klinisch
psycholoog-psychotherapeut, voor het behandelen van depressieve klachten,
het verwerken van traumatisch verlopen relaties en het behandelen van
terugkerende herbelevingen en agressieve gevoelens.

-Op 19 september 1994 heeft eiseres bij de geneeskundige inspectie voor
de geestelijke volksgezondheid voor Zuid- Holland en Zeeland een klacht
tegen gedaagde ingediend.

-Blijkens de brief van 9 november 1994 van de Geneeskundig Inspecteur aan
eiseres is de Inspecteur van mening, dat de grens tussen de
behandelrelatie en de vriendschap tijdens deze relatie is gegroeid
onvoldoende afgebakend en bewaakt geweest is en er zodoende sprake was van
grensoverschrijdend gedrag dat zich aanvankelijk op het emotionele vlak
manifesteerde (haar beschouwen als vriendin) en zich later ook op het
lichamelijke en seksuele niveau heeft gemanifesteerd alsmede dat hij dit
laakbaar acht.

-Bij brief van 8 december 1994 stelt eiseres gedaagde aansprakelijk voor
de gevolgen van de relatie en begroot zij haar totale schade, materieel
en immaterieel op ƒ 134.052,=. Tevens sommeert zij gedaagde dat bedrag
binnen 14 dagen op een rekening van haar advocaat over te maken. Aan die
sommatie heeft gedaagde niet voldaan.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

Eiseres vordert gedaagde te veroordelen tot betaling van een voorschot op
de schadevergoeding ten behoeve van eiseres ad ƒ 35.000,=, te verhogen met
de wettelijke rente vanaf 8 althans 22 december 1994 tot aan de dag van
algehele voldoening.

Zij stelt spoedeisend belang bij het gevorderde te hebben en voert met
name het volgende aan: -Het is ten eenen male verboden dat een
hulpverlener een seksuele relatie met zijn patiente heeft. Of eiseres nu
in volle vrijheid een relatie met gedaagde heeft gehad en hoe haar
geestestoestand was tijdens die relatie doen er niet toe. Gedaagde heeft
onrechtmatig jegens haar gehandeld door die relatie met haar aan te gaan
en is aansprakelijk voor de daaruit voor eiseres voortvloeiende schade.

-Zij heeft het voorschot nodig nu zij haar kosten, zoals kosten van haar
advocaat, therapieen, vakanties en het onderhouden van sociale contacten
moet betalen. -Pas in 1994 besefte zij dat zij grote schade door de
relatie met gedaagde heeft opgelopen. Eerst nu weet zij wat therapie
inhoudt; dat had zij 12 jaar eerder moeten weten. -Gedaagde had haar een
open en eerlijke relatie beloofd, maar heeft haar steeds als een patiente
behandeld. Zij was afhankelijk van gedaagde en adoreerde hem; zij was
volkomen verslaafd aan gedaagde.

Gedaagde voert -zakelijk weergegeven- ten verweer aan, dat de vordering
ongegrond is, dat eiseres geen spoedeisend belang bij het gevorderde
voorschot heeft, en dat, zo een vorderingsrecht van eiseres niet is
verjaard, het gevorderde bedrag bovenmatig is. Gedaagde betwist dat de
seksuele contacten tussen partijen hebben plaatsgevonden tijdens de
behandelrelatie. Er is slechts sprake geweest van maximaal 30 consulten
en pas na afloop van de behandeling is een vriendschappelijke/seksuele
relatie ontstaan. Er was geen sprake van een ongelijkwaardige relatie.
Causaal verband tussen zijn handelwijze en de door eiseres gestelde
problemen (depressies, slapeloosheid, verstoord zelfbeeld, bindingsangst,
automutilatie) ontbreken. Die problemen bestonden al voordat eiseres in
1982 hem voor de eerste maal consulteerde, zijn door hem behandeld, maar
kunnen terugkeren.

3. Beoordeling van het geschil 3.1 Eiseres wenst een voorschot op de door
haar ten gevolge van het handelen van gedaagde geleden immateriele en
materiele schade.

De immateriele schade begroot eiseres als volgt: – verstoord zelfbeeld ƒ
10.000,-; – verstoorde nachtrust, slapeloosheid e.d. ƒ 15.000,-; –
depressies ƒ 35.000,-; – langdurige behandeling door deskundige en daarmee
gepaard gaande extra pijn en angsten ƒ 20.000,-; – bindings- en
relatie-angst ƒ 15.000,-; – automutilatie ƒ 20.000,-, derhalve in totaal
ƒ 115.000,-. De materiele schade bestaat grotendeels uit kosten voor de
advocaat en de psychotherapeut.

Eiseres is voornemens de schadevergoeding in een bodemprocedure te
vorderen, maar heeft daarmede nog geen aanvang gemaakt.

3.2 Volgens vaste jurisprudentie is ten aanzien van toewijzing van
geldvorderingen in kort geding terughoudendheid op zijn plaats. Niet
alleen zal moeten worden onderzocht of het bestaan van de vordering
voldoende aannemelijk is, maar tevens of daarnaast sprake is van feiten
en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een
onmiddellijke voorziening is vereist.

3.3 Gedaagde bestrijdt, dat hij als psychiater misbruik heeft gemaakt van
zijn positie en dat hij de tijdens de behandeling van eiseres ontstane
vertrouwensrelatie tussen partijen heeft misbruikt door een
vriendschappelijke relatie met eiseres aan te gaan.

3.4 Partijen hebben een langdurige vriendschappelijke, seksuele relatie met
elkaar gehad. Volgens eiseres is gedaagde de seksuele relatie met haar
aangegaan tijdens de behandelperiode en is zij tot het einde van die
relatie in november 1993 steeds als patiente behandeld. Gedaagde stelt
daarentegen, dat de behandelperiode was geeindigd en eerst daarna de
vriendschappelijke/seksuele relatie is ontstaan.

3.5 Vaststaat dat eiseres in januari 1982 als patiente bij gedaagde onder
behandeling is gekomen. Uit het verhandelde ter terechtzitting en de
overgelegde stukken is gebleken dat de vriendschappelijke relatie ergens
medio 1982 is ontstaan. Van een voldoende ‘vrije’ periode tussen de
behandelrelatie en de vriendschapsrelatie is voorshands in elk geval niet
gebleken.

3.6 De President is niettemin van oordeel, dat indien al zou kunnen worden
aangenomen, dat gedaagde de grens tussen de behandelrelatie (arts/patient)
en vriendschapsrelatie naar objectieve maatstaven heeft overschreden,
zulks in casu nog niet tot toewijzing van de vordering kan leiden.

Voorshands kan – gelet op alle door gedaagde ook overigens aangevoerde
gemotiveerde verweren tegen de vordering – niet geoordeeld worden, dat het
bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is. Zo heeft eiseres altijd
al psychische problemen gehad, wordt thans behandeld voor dezelfde soort
problemen als die zij in 1982 al had en heeft voorshands onvoldoende
aannemelijk gemaakt dat de gestelde klachten en mate, waarin deze bij haar
zouden optreden, (mede) aan de (be)handelwijze van gedaagde zouden moeten
worden toegeschreven. Derhalve staat in het geding het causaal verband
tussen de handelwijze van gedaagde en de door eiseres gestelde schade
onvoldoende vast.

3.7 Gelet op al het vorenoverwogene wordt geoordeeld, dat een voor eiseres
gunstige uitslag van een eventuele bodemprocedure te onzeker is om daarop
nu vooruit te lopen met een voorziening als gevorderd.

3.8 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering moet worden
afgewezen. Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden
veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. Beslissing

De President:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt eiseres in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde
van gedaagde begroot op ƒ 1.830,=, waarvan ƒ 330,= aan griffierecht.

Deze zaak is gegarandeerd door het proefprocessenfonds Rechtenvrouw.

Rechters

Mr Robbers

Instantie: Rechtbank Zutphen, 23 februari 1995

Instantie

Rechtbank Zutphen

Samenvatting


Partijen zijn een jaar getrouwd geweest en hebben twee kinderen van een
jaar. De man verzoekt de alimentatie te limiteren tot een jaar omdat het
huwelijk korter duurde dan vijf jaar en partijen niet meer samenwoonden
bij de geboorte van de kinderen. De rechtbank overweegt dat art. 1:157,
lid 6 BW alleen van toepassing is wanneer uit het huwelijk geen kinderen
zijn geboren. Of partijen bij de geboorte van de kinderen al dan niet
samenwoonden, wordt als niet op het recht gebaseerd, verworpen.
Alimentatie ƒ 300,=.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Dit verloop blijkt uit: -het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 17
maart 1994 -het exploit van betekening van 25 maart 1994 -het
verweerschrift, ingekomen ter griffie op 21 april 1994 -de stukken,
betrekking hebbend op de voorlopige voorzieningen -de brief met bijlagen
van mr. Onland van 29 november 1994 -het proces-verbaal van de
behandeling ter terechtzitting op 4 januari 1995.

De vaststaande feiten:

Partijen zijn op in algehele gemeenschap met elkaar gehuwd. Zij hebben
beiden de Nederlandse nationaliteit.

De wettige minderjarige kinderen van partijen zijn: – – beiden geboren te
.

Het verzoek:

De vrouw verzoekt: -uit te spreken de echtscheiding subsidiair scheiding
van tafel en bed tussen partijen, -de vrouw te benoemen tot voogdes en de
man tot toeziend voogd over de minderjarige kinderen van partijen, -te
bepalen dat de man aan de vrouw als voogdes een bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van de minderjarigen zal dienen te betalen ad ƒ
250,= per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, -te
bepalen dat de man ten behoeve van de kosten van levensonderhoud van de
vrouw bij vooruitbetaling aan haar zal dienen te betalen een bedrag van
ƒ 300,= per maand, -te bevelen de verdeling ten overstaan van een notaris
van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap met
benoeming van een notaris en onzijdige personen volgens de bepalingen der
wet, -te bepalen dat de vrouw na inschrijving van de
echtscheidingsbeschikking huurster zal zijn van de voormalige echtelijke
woning gelegen aan de .

Zij stelt, naast hetgeen hiervoor als vaststaand is weergeven, dat het
huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Voorts voert de vrouw aan dat
zij en de minderjarigen behoefte hebben aan de verzochte bijdragen en dat
de man in staat is die bijdragen te betalen.

Het verweer:

De man heeft verweer gevoerd tegen de door de vrouw verzochte bijdrage in
de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van
partijen en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Hij
verzoekt de rechtbank deze alimentatievorderingen, gezien de zeer korte
duur van het huwelijk van partijen, te beperken tot de duur van een jaar.

De beoordeling:

Het gestelde met betrekking tot de nationaliteit, de huwelijksvoltrekking
en het huwelijksgoederenregime van de echtelieden en de geboorte van hun
thans nog minderjarige kinderen staat als niet weersproken -en, voor zover
nodig, gestaafd door de overgelegde authentieke bescheiden- vast.

Nu door de man niet is betwist dat het huwelijk met de vrouw duurzaam is
ontwricht, is het verzoek tot echtscheiding voor toewijzing vatbaar.

De met de hoofdvordering samenhangende nevenvoorziening tot verdeling van
de huwelijksgoederengemeenschap en het verzoek te bepalen dat de vrouw
huurster zal zijn van de echtelijke woning van partijen zijn eveneens voor
toewijzing vatbaar, nu daartegen geen verweer is gevoerd.

De man heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw te
bepalen dat de vrouw tot voogdes en de man tot toeziend voogd zal worden
benoemd over de minderjarige kinderen van partijen. Ter terechtzitting is
door de vrouw aangevoerd dat zij, anders dan aanvankelijk door haar is
verzocht, niet wenst dat de man tot toeziend voogd zal worden benoemd. De
vrouw heeft hiervoor geen reden aangegeven. Nu de vrouw geen formeel,
onderbouwd wijzigingsverzoek heeft ingediend en zij geen voorstel heeft
gedaan ten aanzien van een eventuele andere toeziend voogd, zal de
rechtbank terzake van het uit te oefenen gezag beslissen overeenkomstig
het in het verzoekschrift vermelde verzoek van de vrouw, nu zij dit in het
belang van de minderjarigen acht en de rechtbank ook ambtshalve niet is
gebleken dat het niet in het belang van de minderjarige kinderen zou zijn,
wanneer de man met de toeziende voogdij wordt belast.

Als niet weersproken staat tussen partijen vast dat zij op 26 maart 1993
zijn gehuwd. Artikel 1:157, zesde lid van het Burgerlijk Wetboek, waarin
is bepaald dat, indien de duur van het huwelijk niet meer bedraagt dan
vijf jaar, de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege eindigt na
het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de duur van het
huwelijk, gaat slechts op wanneer uit het huwelijk geen kinderen zijn
geboren. De stelling van de man dat voor limitering van voornoemde
verplichting beslissend is of partijen tijdens de geboorte van de kinderen
al dan niet samenwonen, wordt dan ook als niet op het recht gebaseerd
verworpen. Als niet weersproken staat vast dat de minderjarige kinderen
op 3 mei 1994, dus tijdens het huwelijk van partijen, zijn geboren. De
door de man verzochte limitering zal derhalve worden afgewezen.

Nu de man de hoogte van de door de vrouw verzochte bijdrage in de kosten
van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen en
de bijdrage in de kosten van haar eigen levensonderhoud niet betwist,
zullen deze bijdragen worden toegewezen als door de vrouw is verzocht.

De proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te melden wijze, omdat
zij zijn gemaakt tussen echtelieden.

De beslissing:

De rechtbank:

Spreekt uit de echtscheiding tussen de vrouw en de man, met elkaar
gehuwd.

Veroordeelt de echtelieden om, nadat deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand, met elkaar over te
gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

Benoemt, indien de echtelieden niet binnen veertien dagen na inschrijving
van deze beschikking daaromtrent anders zijn overeengekomen, notaris mr.
F.V.J. Buitink ter standplaats Winterswijk, tot de notaris ten overstaan
van wie de werkzaamheden van verdeling zullen plaatshebben op de door de
notaris te bepalen plaats en tijd.

Benoemt als onzijdige personen mr. B.A.I. Baks, advocaat te Winterswijk,
om de vrouw en mr J.P. Wolters, advocaat te Winterswijk, om de man als
bewindvoerder op de voet van artikel 3:181 Burgerlijk Wetboek te
vertegenwoordigen indien een van hen in gebreke blijft op de voor die
verdeling bepaalde plaats en tijd te verschijnen, of verschenen zijnde,
mocht weigeren aan de verdeling mee te werken.

Bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag waarop deze beschikking in
kracht van gewijsde zal zijn gegaan huurster zal zijn van de woning aan
de .

Benoemt over de minderjarige kinderen:

beiden geboren te tot voogdes: de vrouw, wonende te en tot
toeziend voogd: de man, wonende te . Beveelt dat de minderjarige
kinderen, indien zij zich niet reeds bevinden in de feitelijke macht van
de met het gezag beklede ouder, aan deze zullen worden afgegeven.

Bepaalt dat de man, met ingang van de dag waarop de voogdij zal aanvangen
als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde
minderjarigen en aan de vrouw zal betalen ƒ 250,= (tweehondervijftig
gulden) per maand per kind, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling
te voldoen.

Veroordeelt de man om, vanaf de dag waarop deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de desbetreffende registers van de Burgerlijke Stand, aan
de vrouw voor levensonderhoud te betalen de som van ƒ 300,= (driehonderd
gulden) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Verklaart deze beschikking voor wat betreft de gezagsvoorziening en de
alimentatieveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Compenseert de kosten van dit geding aldus, dat iedere echtgenoot met de
eigen kosten belast blijft, behoudens dat de executiekosten ten laste van
de man komen, indien niet vrijwillig wordt voldaan aan de bij deze
beschikking opgelegde alimentatieplicht.

Veroordeelt mitsdien de man in dat geval te dier zake te betalen
rechtstreeks aan de procureur van de vrouw het onder nakosten vallende
salaris en rechtstreeks aan de executerende deurwaarder de nakomende
verschotten.

Rechters

mr. R.B.M. Keurentjes

Instantie: Rechtbank Breda, 23 februari 1995

Instantie

Rechtbank Breda

Samenvatting


Partijen zijn 24 jaar gehuwd geweest en hebben een minderjarig kind van
17 jaar. Volgens de man heeft de vrouw geen behoefte. De rechtbank
oordeelt: behoudens genoemde lasten (van de vrouw) dient de behoefte van
de vrouw mede te worden beoordeeld in het licht van de duur van het
huwelijk van partijen, de staat en de stand waarin zij tijdens hun
huwelijk hebben geleefd en de financiele draagkracht van de man. De
rechtbank bepaalt vervolgens de draagkracht van de man en komt niet toe
aan het vaststellen van de behoefte van de vrouw. Alimentatie nihil (geen
draagkracht).

Volledige tekst

1. het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken: -het op 24 mei 1994 ontvangen
verzoekschrift, met bijlagen; -het op 12 juli 1994 ontvangen
verweerschrift tevens inhoudende een zelfstandig verzoek; -de op 19
september 1994 ontvangen repliek, met bijlagen; -de op 16 november 1994
ontvangen dupliek, met bijlagen; -de op 25 november 1994 ontvangen brief
van de man; -de beschikking voorlopige voorzieningen van 10 januari 1995;
-de op 26 januari 1995 ontvangen brief van de man, met bijlagen; -de op
30 januari 1995 ontvangen brief van de vrouw, met bijlagen; -het
proces-verbaal van de op behandeling ter terechtzitting van 2 februari
1995. Verder behoren tot de stukken: -het uittreksel uit het
voogdijregister betreffende na te noemen minderjarige; -de
processen-verbaal van het op 18 augustus 1994 en 1 december 1994 gehouden
minderjarigenverhoren.

2. De verzoeken

De man verzoekt samengevat: -echtscheiding; -bevel tot verdeling van de
gemeenschappelijke goederen; -benoeming van de vrouw tot voogdes en van
hem tot toeziend voogd over hun minderjarige kind; -vaststelling van een
door hem te betalen onderhoudsuitkering ten behoeve van die minderjarige
van ƒ 250,- per maand.

De vrouw verzoekt: -vaststelling van een door de man aan haar te betalen
onderhoudsuitkering van ƒ 3.000,- per maand.

3. De beoordeling

3.1. Tussen partijen staat blijkens de stellingen en overgelegde stukken
vast: -dat zij op 26 oktober 1971 in de gemeente Schiedam met elkaar zijn
gehuwd in algehele gemeenschap van goederen; -dat zij uit dit huwelijk een
minderjarig kind hebben; -dat zij de Nederlandse nationaliteit bezitten;
-dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht.

3.2. Het verzoek van de man tot echtscheiding en de door hem verzochte
nevenvoorzieningen liggen als op de wet gegrond en niet weersproken voor
toewijzing gereed.

3.3. Partijen zijn verdeeld gebleven over het verzoek van de vrouw tot
vaststelling van een onderhoudsuitkering van ƒ 3.000,- per maand.

De man betwist de behoefte van de vrouw aan een bijdrage. Bovendien
betwist hij de financiele draagkracht te bezitten tot betaling van enige
bijdrage.

3.4. Voor de vaststelling van de financiele behoefte van de vrouw gaat de
rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken
gegevens.

De vrouw had in 1994 een inkomen uit commissies van ƒ 21229,-. Na
verrekening van de fiscaal relevante posten, zoals deze blijken uit de
overgelegde stukken, ontstaat hieruit een besteedbaar inkomen van
omgerekend ongeveer ƒ 1300,- per maand.

Voor de vaststelling van de lasten en uitgaven van de vrouw gaat de
rechtbank uit van de volgende posten (afgerond) op maandbasis:

-het op de Algemene Bijstandswet gebaseerde normbedrag voor een
eenoudergezin, exclusief de woonkostencomponent, waaruit de noodzakelijke
in het algemeen geldende kosten van levensonderhoud moeten worden voldaan.
Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de man voorlopig na te melden
lasten terzake van de echtelijke woning voor zijn rekening blijft nemen.
-f 145,- aan premie ziektekostenverzekering; -f 125,- aan reservering (of
aflossing op een lening) in verband met herinrichtingskosten; Hierbij
verwijst de rechtbank naar hetgeen onder 3.5 is gesteld bij de
herinrichtingskosten van de man.

Voor het overige is niet gebleken van lasten waarmee thans rekening moet
worden gehouden.

Behoudens genoemde lasten dient de behoefte van de vrouw mede te worden
beoordeeld in het licht van de duur van het huwelijk van partijen, de
staat en de stand waarin zij tijdens het huwelijk hebben geleefd en de
financiele draagkracht van de man.

3.5. Voordat de rechtbank overgaat tot vaststelling van de financiele
draagkracht van de man, merkt zij op dat partijen hebben verzocht in deze
beslissing uit te gaan van twee situaties, te weten de situatie waarin de
boedel tussen partijen nog niet geheel is gescheiden en gedeeld en de
situatie waarin de boedelscheiding volledig is geeffectueerd.

De rechtbank onderkent het belang van partijen hierbij. Echter,
laatstbedoelde situatie bevat op dit moment nog dermate onzekere
omstandigheden, met name ten aanzien van de echtelijke woning, dat hieraan
nu niet kan worden toegekomen. Na effectuering van de boedelscheiding is
het, voor het geval partijen geen onderlinge regeling op dit punt hebben
kunnen treffen, aan de meest gerede partij om een nadere vaststelling van
een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te verzoeken.

3.6. Aldus komt de rechtbank toe aan de vaststelling van de financiele
draagkracht van de man voor dit moment. Hierbij gaat de rechtbank uit van
de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.

De man heeft een bruto jaarinkomen van ƒ 110263,-. Rekening houdend met
de fiscaal relevante posten, zoals deze blijken uit de overgelegde
stukken, ontstaat een besteedbaar inkomen van ongeveer ƒ 6170,- per maand.

De man heeft voorts over de periode van 1 januari 1995 tot 1 juli 1995
extra inkomsten uit werkzaamheden voor de voor een bedrag van bruto
ƒ 3481,-. De vrouw stelt dat ervan moet worden uitgegaan dat de man die
neveninkomsten kan blijven verwerven en derhalve zijn draagkracht
verhogen.

De rechtbank zal bij de berekening van de draagkracht van de man thans in
het geheel geen rekening meer houden met deze extra inkomsten. Hierbij
neemt de rechtbank in aanmerking de persoonlijke omstandigheden van de man
en de zwaarte van de door hem vervulde functie bij het Ministerie van
Financien. In redelijkheid kan niet verwacht worden dat hij die extra
werkzaamheden voortzet, wat er zij van de redenen waarom hij deze in het
verleden wel verrichtte. Verder gaat de rechtbank ervan uit dat de
inschrijving van deze beschikking niet eerder zal plaatsvinden dan per 1
juli 1995, zodat de voorlopige voorzieningen, bij de vaststelling waarvan
wel rekening is gehouden met de extra inkomsten uit de , tot die datum
zullen gelden.

Voor de vaststelling van de lasten en uitgaven van de man gaat de
rechtbank uit van de volgende posten (afgerond) op maandbasis: -het op de
Algemene Bijstandswet gebaseerde normbedrag voor een echtpaar, exclusief
de woonkostencomponent, waaruit de noodzakelijke in het algemeen geldende
kosten van levensonderhoud moeten worden voldaan. Daarbij neemt de
rechtbank in aanmerking dat genoegzaam aannemelijk is gemaakt dat de
huidige partner van de man thans financieel volledig ten laste van de man
komt. -f 1000,- aan huur van door de man en zijn partner betrokken
woonruimte, zijnde een gangbare en redelijke woonlast; -f 1457,- aan rente
terzake van de hypothecaire lening betreffende de door de vrouw bewoonde
echtelijke woning; -f 365,- aan premie levensverzekering, gesloten in
verband met de hypothecaire lening verbonden aan de echtelijke woning; -f
150,- (forfaitaire) aan zakelijke lasten betreffende de echtelijke woning;
-f 26,- aan premie begrafenisverzekering; -f 446,- aan premie
ziektekostenverzekering en tandartskosten; -f 50,- aan kosten verbonden
aan de omgangsregeling; Hierbij gaat de rechtbank uit van het gegeven dat
de man de zoon een avond per week bij zich heeft en hem bij de vrouw
haalt en brengt; afstand 15 kilometer (enkele reis) a 25 cent per
kilometer. -f 550,- aan aflossing op een gemeenschappelijke krediet van
partijen, welke lening door de man wordt afgelost; De man heeft terzake
van dit krediet opgevoerd een aflossing van ƒ 800,- per maand. De man
heeft onweersproken gesteld dat dit krediet betreft een oorspronkelijke
lening van ƒ 25000,- vermeerderd met een bedrag van ongeveer ƒ 5000,-
wegens andere kosten, waaronder 2 onderwijskaarten voor de kinderen van
ƒ 2800,-. De rechtbank gaat ervan uit dat de man deze lasten voorlopig
blijft voldoen zolang de boedelscheiding niet is voltooid. -f 125,- aan
reservering of aflossing op een lening in verband met
herinrichtingskosten; De man heeft terzake opgevoerd een bedrag van ƒ
250,- uitgaande van een bedrag voor herinrichting van ƒ 10000,-. De vrouw
heeft deze post betwist en in dat verband gesteld dat de man zich -evenals
zijzelf- in beperkte mate heeft te herinrichten omdat de boedel in
beginsel volledig bij helfte tussen hen dient te worden verdeeld. Aldus
houdt de rechtbank ten aanzien van beide partijen rekening met de helft
van het gebruikelijke bedrag voor herinrichtingskosten, zoals voormeld.
-f 250,- ten behoeve van het minderjarige kind van partijen; De rechtbank
gaat ervan uit dat de man na het bereiken van de 18-jarige leeftijd van
dit kind deze bijdrage blijft voldoen.

Voor het overige is niet gebleken van lasten waarmee rekening moet worden
gehouden.

Op grond van voormelde financiele omstandigheden en rekening houdend met
alle fiscale gevolgen acht de rechtbank bij de man thans geen draagkracht
aanwezig om naast de kinderbijdrage enige bijdrage in het levensonderhoud
van de vrouw te voldoen. Het verzoek van de vrouw zal in zoverre worden
afgewezen.

3.7. Aangezien partijen echtgenoten zijn, zal de rechtbank bepalen dat
iedere partij de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op 26 oktober 1971 in de
gemeente Schiedam met elkaar gehuwd;

beveelt de verdeling ten overstaan van een notaris van de
gemeenschappelijke goederen van partijen;

benoemt tot notaris mr. M.M.W.M. Beijsens ter standplaats Roosendaal, zijn
opvolger, waarnemer of plaatsvervanger, voor wie, zo partijen niet een
andere notaris kiezen, de werkzaamheden van die verdeling zullen
plaatshebben, op de door deze te bepalen tijd en plaats;

benoemt tot onzijdig persoon mw. mr. D.R.E. van Wezel, tot
vertegenwoordiging van diegene van partijen die niet meewerkt tot de
verdeling;

benoemt, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw tot voogdes over de
minderjarige: geboren te op en de man tot toeziend voogd;

beveelt de afgifte van deze minderjarige aan de vrouw;

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man vanaf de dag dat de
voogdijvoorziening ingaat ten behoeve van de verzorging en opvoeding van
genoemde minderjarige aan de vrouw bij vooruitbetaling zal voldoen een
bedrag van ƒ 250,- (tweehonderd vijftig gulden) per maand;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Rechters

Mr. Van de Merbel

Instantie: President Rechtbank Amsterdam, 23 februari 1995

Instantie

President Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Ondanks het feit dat eiseres in de tussenliggende periode ook is
misbruikt door haar stiefvader, is gedaagde volledig aansprakelijk voor
de schade, omdat gedaagde in ieder geval verantwoordelijk is voor een
belangrijk deel van de bij eiseres geconstateerde psychische
problematiek. De hoogte van het toegekende voorschot wordt afgeleid van
de te verwachte hoogte van de schadevergoeding in de bodemprocedure,
ƒ 7500 toegekend.

Volledige tekst

Verloop van de procedure:

Ter terechtzitting van 10 februari 1995 heeft W gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding, met
dien verstande dat zij haar eis heeft vermeerderd en tevens wettelijke
rente vordert. N heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van
de gevraagde voorziening. Na verder debat hebben partijen stukken,
waaronder van weerszijden produkties en pleitnotities, overgelegd voor
vonniswijzing.

Gronden van de beslissing:

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten:

a. W, geboren op 28 januari 1969, heeft op 10 november 1993 aangifte
gedaan bij de jeugd- en zedenpolitie te Amsterdam van jegens haar
gepleegde ontucht door N, een oom van haar, in de periode van 1972 tot
1982 en in de periode van 1984 tot 1988.

b. In de periode dat W in Australie woonde, in 1982-1984, heeft de
stiefvader van W geprobeerd ontucht met haar te plegen.

c. N is op 17 februari 1994 gehoord door de jeugd- en zedenpolitie te
Amsterdam. Hij heeft erkend dat hij seksuele contacten met W heeft gehad
vanaf haar tiende/elfde jaar.

d. Op 21 november 1994 heeft de strafzaak tegen N bij deze rechtbank
gediend. Bij vonnis van 5 december 1994 van deze rechtbank is bewezen
geacht dat N in de periode van januari 1984 tot 28 januari 1985 met W
meerdere malen ontuchtige handelingen heeft gepleegd. N is veroordeeld
tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden
voorwaardelijk en waarbij het onvoorwaardelijke deel kan worden
vervangen door dienstverlening.

2. W vordert N te veroordelen aan haar ƒ 7.500,= te betalen als
voorschot op de door haar geleden immateriele schade.

3. W stelt dat naast de pijn en de verwarring die de ontucht zelf
destijds meebracht, onder meer haar hele seksuele ontwikkeling gestoord
is verlopen en dat zij ook overigens ten gevolge van het seksueel
misbruik geestelijk is beschadigd. Zij heeft last van ernstige
depressies, is gedurende enige tijd ernstig suicidaal geweest en lijdt
ten gevolge van het seksueel misbruik aan een posttraumatische
stress-stoornis, aldus W. W stelt tenslotte dat zij problemen heeft met
het aangaan van relaties en het stellen van vertrouwen in andere
mensen.

4. W heeft onder meer een aantal processen-verbaal overgelegd, alsmede
een brief van een psychologe van het Riagg d.d. 31 januari 1994. Deze
stukken worden hier herhaald en ingelast beschouwd.

5. N voert aan dat W in 1983/1984 door een ex-stiefvader seksueel is
misbruikt en dat deze stiefvader eveneens verantwoordelijk is voor de
psychische toestand waarin W zich bevindt. N twijfelt of W moeite heeft
met het aangaan van relaties, gelet op het feit dat zij thans een
vriend heeft. Subsidiair verzoekt N, indien aan W een immateriele
schadevergoeding wordt toegekend, rekening te houden met zijn
financiele situatie.

6. Op grond van het onder 1d genoemde vonnis kan als vaststaand worden
aangenomen dat N W gedurende enige tijd seksueel heeft misbruikt. Voorts
is voldoende aannemelijk geworden – mede naar algemene ervaringsregels
– dat W als gevolg van dit misbruik is aangetast in haar persoon
waardoor ernstig geestelijk leed bij haar is veroorzaakt. Dit
rechtvaardigt toekenning van een voorschot op vergoeding van
immateriele schade. Weliswaar staat voldoende vast dat W door haar
stiefvader in Australie seksueel is benaderd, maar tevens is voldoende
aannemelijk dat N verantwoordelijk is voor in ieder geval een
belangrijk deel van de bij haar geconstateerde psychische problematiek.
Hoewel de omvang en het aandeel van N in de schade nog nader dient te
worden vastgesteld, komt het door W thans gevorderde voorschot op een
schadevergoeding in de gegeven omstandigheden niet onredelijk voor.
Het bedrag tot voldoening waarvan N zal worden veroordeeld, geldt als
voorschot ter nadere verrekening met hetgeen hij ten gronde zal blijken
verschuldigd te zijn.

7. Er is onvoldoende aanleiding het verzoek van N, rekening te houden
met zijn financiele situatie, te honoreren. Die situatie is niet
zodanig dat hij in redelijkheid niet in staat zou zijn het gevraagde
voorschot te betalen.

8. N wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten
veroordeeld.

Beslissing:

1. Veroordeelt N om aan W te voldoen ƒ 7.500,- (zevenduizendvijfhonderd
gulden), vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf 2 februari
1995 tot aan de dag van voldoening.

2. Veroordeelt N in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde
van W begroot op en te voldoen als volgt: -aan W: ƒ 87,50 aan de bij
haar gevallen kosten aan vastrecht, en -aan de griffier van deze
rechtbank: ƒ 262,50 aan overig vastrecht, ƒ 71,90 aan exploitkosten, en
ƒ 1.500,= aan salaris procureur/

3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

4. Wijst het meer of anders gevorderde af.

Rechters

Mr Orobio de Castro

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 21 februari 1995

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Verdachte, vader van de slachtoffers in de Eper-incestzaken, stelt
beroep in tegen de uitspraak van het Hof Arnhem van 17 juni 1994 (RN
1994 , nr. 416. Eveneens in RN 1994 worden in de nrs. 413, 414, en 415
een deel van de zaken tegen de overige verdachten weergegeven).
Middelen worden aangevoerd tegen de door het OM uitgebrachte
wijzigingen in de dagvaardingen, die door de rechter alle worden
verworpen. Materieelrechtelijk wordt bezwaar gemaakt tegen de uitleg
van art. 82 Sr, zwaar lichamelijk letsel inhoudend afdrijving of dood
van de vrucht van een vrouw. Bij de oude strafbaarstelling van abortus
in de art. 295-297 Sr werd de eis gesteld dat voor het strafbare
ingrijpen sprake was van een levende vrucht.

Volgens het derde middel van het cassatieberoep geldt deze eis ook bij
zware mishandeling van een vrouw die bestaat in het afdrijven van haar
vrucht (art. 82 jo 302 Sr). De HR verwerpt dit middel onder verwijzing
naar de wetsgeschiedenis, die geen blijk geeft van een bepaalde
opvatting van de wetgever terzake. Verder is de HR van mening dat het
middel geen doel treft aangezien een zwangere er in het algemeen van
uit zal gaan dat de zwangerschap zal eindigen met de geboorte van het
kind. Voor de zwaarte van het leed dat haar wordt aangedaan door een
tegen haar wil door een derde veroorzaakte afdrijving van de vrucht
maakt het geen verschil of al dan niet vastgesteld kan worden of de
vrucht ten tijde van de afdrijving nog leefde.

Volledige tekst

Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof
te Arnhem van 17 juni 1994 alsmede tegen alle op de terechtzitting van
dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen A. van B. te Epe,
advocaat mr. G. Spong te Den Haag

1. De bestreden einduitspraak 1.1. Het Hof heeft in hoger beroep – met
vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Zutphen
van 11 februari 1994, voor zover aan ’s Hofs oordeel onderworpen, – de
verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2
primair, subsidiair en meer subsidiair, 4 (nieuw) primair en subsidiair
en 5 (nieuw) primair telastegelegde en hem voorts ter zake van 3. ‘het
medeplegen van : opzettelijk de afdrijving van een vrucht van een vrouw
zonder haar toestemming veroorzaken, meermalen gepleegd’ en 5. ‘het
medeplegen van : zware mishandeling gepleegd tegen zijn kind’
veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf.

1.2. Het bestreden arrest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan
deel uit.

2. Het cassatieberoep

Het beroep -dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraken
– is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft advocaat te Den
Haag, bij schriftuur, middelen van cassatie voorsteld. De schriftuur en
de pleitnotitie houdende een schriftelijke opgave als bedoeld in art.
439 Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie De Advocaat-Generaal
Meijers heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4. Beoordeling van het eerste middel

4.1. In aanmerking genomen dat de verdachte door het Hof is
vrijgesproken van de in het bestreden arrest (blz. 4) onder “feit 4
(nieuw)” en onder “feit 5 (nieuw)” primair weergegeven feiten heeft hij
geen redelijk belang bij het middel voor zover dit betrekking heeft op
het hem onder parketnummer 7512/93A sub 6 primair en subsidiair
telastegelegde. Het middel behoeft in zoverre dan ook geen behandeling.

4. 2. Bij de inleidende dagvaarding onder parketnummer 7512/93 tegen de
terechtzitting van de Rechtbank van 1 september 1993 is onder 5
subsidiair aan de verdachte telastegelegd:

dat verdachte in of omstreeks de periode van 1 januari 1982 tot en met
24 juni 1983 in de gemeente Epe, althans in Nederland, tezamen en in
vereniging met anderen of een ander, dan wel alleen, aan de vrouw, ,
die toen zwanger was, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft
toegebracht, door tezamen en in vereniging met die ander(en) of alleen
de afdrijving en/of de dood van een vrucht van die vrouw te
veroorzaken, door toen daar opzettelijk een schroevedraaier en/of een
thermometer en/of pook, althans enig voorwerp diep in de vagina van
genoemde te brengen en/of opzettelijk met kracht in de buik van die
te schoppen en/of te trappen en/of slaan en/of te stompen en/of te
duwen, althans zodanige handeling(en) te verrichten dat de vliezen
braken en/of die zwangerschap werd verbroken, zulks terwijl die een
kind van verdachte was.

4.3. Vervolgens heeft de Officier van Justitie, onder mededeling dat
zij ter terechtzitting voeging zal vorderen bij de strafzaak met
parketnummer 7512/93, de verdachte gedagvaard onder parketnummer
7512/93A tegen de terechtzitting van de Rechtbank van 18 januari 1994
ter zake van onder meer het navolgende, hem onder 7 subsidiair
telastegelegde feit:

verdachte op verschillende tijdstippen, althans een tijdstip, in of
omstreeks de periode van 1 september 1978 tot en met 24 juni 1983, in
de gemeente Epe, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met
anderen of een ander, dan wel alleen, (telkens) aan de vrouw ,
die toen zwanger was, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft
toegebracht, door tezamen en in vereniging met die ander(en) of alleen
(telkens) de afdrijving en/of de dood van een of meer vruchten van die
vrouw te veroorzaken, door toen daar (telkens) opzettelijk een hand
en/of een stok en/of een ruggekrabber en/of een vleesvork en/of een
ander(e) voorwerp(en) diep in de vagina van genoemde te brengen
en/of opzettelijk met kracht in de buik van die te schoppen en/of te
trappen en/of te stompen en/of te slaan en/of te duwen en/of van de
trap te gooien, althans zodanige handeling(en) te verrichten dat de
vliezen braken en/of die zwangerschap(pen) werd(en) afgebroken, zulks
terwijl die een kind van verdachte was.

4.4. Ter terechtzitting van 18 januari 1994 heeft de Officier van
Justitie gevorderd dat wijziging van de telastelegging in de zaak
7512/93 zal worden toegelaten, inhoudende (onder meer) dat feit 5
(subsidiair) vervalt onder de voorwaarde dat de onder parketnummer
7512/93A uitgebrachte en betekende dagvaarding ter terechtzitting in
behandeling zal worden genomen. De Rechtbank heeft die vordering
toegewezen, onder meer in die voege dat het telastegelegde onder 5
(subsidiair) dient te vervallen “met inachtneming” van het in de
dagvaarding met parketnummer 7512/93A aan de verdachte onder 7
subsidiair telastegelegde. Aldus heeft de Rechtbank, naar ook de
verdachte en diens raadsman duidelijk moet zijn geweest, toegestaan dat
de omschrijving van de feiten onder 7 subsidiair (7512/93A) in de
plaats werd gesteld van die van de feiten onder 5 (subsidiair)
(7512/93).

4.5. Vergelijking van de hiervoor onder 4.2. en onder 4.3. weergegeven
telastelegging maakt duidelijk dat feit 5 (subsidiair) betreft het in
of omstreeks de periode van 1 januari 1982 tot en met 24 juni 1983
plegen van het in de telastelegging omschreven feit en dat feit 7
(subsidiair) betreft het op verschillende tijdstippen, althans een
tijdstip in de periode van 1 september 1978 tot en met 24 juni 1983
plegen van een op dezelfde wijze als feit 5 (subsidiair) omschreven
feit, met dien verstande dat aan die omschrijving nog zijn toegevoegd
de woorden “en/of die E van B van de trap te gooien”.

4.6. Blijkens het bestreden arrest heeft het Hof (evenals de Rechtbank)
feit 7 (subsidiair), door het Hof aangeduid met “feit 5 (nieuw)
subsidiair”, ten grondslag gelegd aan zijn beraadslagingen en
beslissing. Daartoe heeft het Hof de redenering gevolgd welke vervat is
in de in de toelichting op het middel weergegeven overwegingen, die
strekken tot verwerping van een beroep op niet-ontvankelijkheid van het
Openbaar Ministerie in zijn vervolging ter zake van de onder
parketnummer 7512/93A telastegelegde feiten. Het middel dat opkomt
tegen het daarin vervatte oordeel van het Hof dat de Officier van
Justitie ter terechtzitting van de Rechtbank van 18 januari 1994 de
dagvaarding met parketnummer 7512/93 voor wat betreft (onder meer) feit
5 (subsidiair) nog kon intrekken is op zichzelf gegrond, in aanmerking
genomen dat het onderzoek ter terechtzitting reeds was aangevangen en
zodanige intrekking in strijd zou komen met het bepaalde in art. 266,
eerste lid, Sv.

4.7. Dit behoeft echter niet tot cassatie te leiden op grond van het
navolgende. Het door het Hof onder “5 (nieuw) subsidiair”
bewezenverklaarde feit is aan de verdachte onder 5 (subsidiair)
telastegelegd in de onder parketnummer 7512/93 uitgebrachte
dagvaarding. Die telastelegging is ter terechtzitting van de Rechtbank
van 18 januari 1994 gewijzigd door (onder meer) toevoeging van de
hiervoor onder 4.5 vermelde woorden “en/of die van de trap te
gooien”. Nu die wijzing voor wat die toevoeging betreft geen blijkt
geeft van miskenning van het bepaalde in art. 313, tweede lid, laatste
volzin, Sv en de raadsman voorts tegen die wijziging geen bezwaar heeft
gemaakt, kan hetgeen door het Hof onder “5 (nieuw) subsidiair” is
bewezenverklaard ook geacht worden zijn grondslag te vinden in
voornoemde, door het Hof ten onrechte als ingetrokken beschouwde,
dagvaarding. Dit brengt mee dat de verdachte geen redelijk belang heeft
bij het middel dat gericht is tegen ’s Hofs verwerping van het beroep
op niet-ontvankelijk van de Officier van Justitie in zijn vervolging
ter zake van de onder parketnummer 7512/93A sub 7 (subsidiair) aan de
verdachte telastegelegde feiten.

4.8. Uit het vorenoverwogene volgt dat het middel tevergeefs is
voorgesteld.

5. Beoordeling van het tweede middel

Het Hof heeft tot het bewijs van het onder 3 primaire bewezenverklaarde
onder meer in de in bewijsmiddel 7 verklaring van gebezigd. Daarbij
heeft het Hof haar verklaring dat zij “voordat het allemaal begon”
leven had gevoeld kennelijk beschouwd in samenhang met haar verklaring
dat zij zag dat het om een lichaampje van een jongetje en een meisje
(een gaaf kind) ging. ’s Hofs uit de bewezenverklaring blijkende
vaststelling dat beide vruchten voorafgaande aan de onder 3
bewezenverklaarde feiten nog leefden is in het licht van de hiervoor
bedoelde verklaringen niet onbegrijpelijk. Het middel faalt derhalve.

6. Beoordeling van het derde middel

6.1. Het middel stelt aan de orde de vraag of het Hof blijk heeft
gegeven van een verkeerde opvatting omtrent de betekenis van het in
art. 82 Sr gebezigde begrip ‘afdrijving van de vrucht van een vrouw’
door onder 5 (nieuw) subsidiair bewezen te verklaren dat de verdachte
aan E, die toen zwanger was, opzettelijke zwaar lichamelijk letsel
heeft toegebracht door de afdrijving van een vrucht van die vrouw te
veroorzaken, terwijl uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat
ten tijde van dit feit die vrucht leefde.

6.2. In de toelichting op het middel wordt er terecht op gewezen dat
het in de artikelen 295 tot en met 297 (oud) Sr voorkomende begrip
‘afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw’ slechts zag op een
vrucht die in de vrouw leeft. Het ging in genoemde artikelen om
misdrijven tegen het leven gericht en voor een veroordeling ter zake
van een in die artikelen strafbaar gesteld feit moest dan ook komen
vast te staan dat daarbij sprake was van een levende vrucht.

6.3.1. In het door het Hof toegepaste art. 302 Sr echter wordt als
zware mishandeling strafbaar gesteld het aan een ander opzettelijk
toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ingevolge art. 82 Sr wordt
onder het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan een zwangere
vrouw begrepen het veroorzaken van de afdrijving van haar vrucht.

6.3.2. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet van een bepaalde opvatting
van de wetgever omtrent de vraag of, wil er sprake kunnen zijn van
zwaar lichamelijk letsel teweeggebracht door afdrijving van een vrucht
van een vrouw in de zin van art. 82 Sr, moet worden vastgesteld dat de
vrucht ten tijde van het feit leefde. Wel houdt de Memorie van
Toelichting met betrekking tot de overwegingen die de wetgever ertoe
hebben gebracht ook de afdrijving of dood van een vrucht als zwaar
lichamelijk letsel te kwalificeren het volgende in (zie Smidt,
Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede deel, blz. 450):
‘het begrip zwaar lichamelijk letsel is in art. 89 (thans 82, HR)
omschreven. (…); men heeft, op voorbeeld van art. 400 C.P.B., vooral
in de duurzaamheid van het gevolg der ondergane mishandeling een grond
tot strafverzwaring gezien. Enkele zeer ernstige soorten van
lichamelijk leed (‘verlamming, krankzinnigheid (224 D. Wb.),
vruchtafdrijving’) zijn daarnevens met name genoemd; de zwaarte van het
gevolg der mishandeling weegt in die gevallen op tegen de onzekerheid
of het nadeel blijvend zal wezen’.

6.3.3. Een zwangere vrouw zal er in het algemeen van uitgaan dat haar
zwangerschap naar alle waarschijnlijkheid op normale wijze, dus eerst
met de geboorte van een kind, zal eindigen. Voor de zwaarte van het
leed dat aan haar is toegebracht door een tegen haar wil door een derde
teweeggebrachte afdrijving van haar vrucht zal het dan ook geen
verschil maken of al dan niet kan worden aangetoond dat – zoals door
haar reeds is aangenomen – de vrucht ten tijde van dat feit leefde.

6.3.4. Gelet op het hiervoor overwogene brengt art. 82 Sr naar zijn
strekking dan ook mee dat het opzettelijk teweegbrengen van de
afdrijving van een vrucht van een vrouw kan worden aangemerkt als het
opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in art.
302 Sr, ongeacht of het om een dode dan wel een levende vrucht gaat.
6.4.1. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd brengt
het hiervoor onder 6.3.4. overwogene niet mee dat aan de woorden
‘afdrijving van een vrucht’ in art. 82 Sr een extensieve uitleg wordt
gegeven die op gespannen voet staat met het rechtszekerheidsbeginsel en
de strekking van art. 1, eerste lid, Sr en die zou leiden tot een
onaanvaardbare disharmonie in het materiele strafrecht. Zoals het Hof
met juistheid heeft geoordeeld brengt de verschillende aard van de
onderscheiden delicten mee dat voor toepassing van art. 295 e.v. (oud)
Sr moest komen vast te staan dat de vrucht ten tijde van de afdrijving
leefde, terwijl deze eis voor toepassing van art. 302 in verbinding met
art. 82 Sr niet geldt.

6.4.2. De in de toelichting op het middel vervatte klacht dat het
bestreden arrest innerlijk tegenstrijdig is ziet er aan voorbij dat de
door het Hof gegeven strafmotivering niet inhoudt dat de daarin
voorkomende woorden “de ontwikkeling van ongeboren leven” ook
betrekking hebben op de in de bewezenverklaring onder 5 bedoelde vrucht
van .

6.5. Uit het voorafgaande volgt dat het middel faalt.

7. Beoordeling van het vijfde middel.

7.1. Het Hof heeft de onder bewijsmiddel 14 weergegeven verklaring van
kennelijk en niet onbegrijpelijk niet aldus verstaan dat de vanaf de
woorden: Toen zei ma: “Ben je helemaal niet ongesteld?” beschreven
gebeurtenissen terstond volgden op de door deze getuige in het eerste
deel van haar verklaring bedoelde zwangerschapstest, terwijl het Hof de
woorden “die ander” in het onder 13 weergegeven bewijsmiddel kennelijk
en niet onbegrijpelijk aldus heeft verstaan dat daarmee gedoeld werd op
J.v.B.

7.2. Hieruit volgt dat de aan het middel ten grondslag liggende
stelling dat het Hof door de gebezigde bewijsmiddelen heeft vastgesteld
dat het onder 5 bewezenverklaarde feit omstreeks de verjaardag van
plaatsvond feitelijke grondslag mist. Van tegenstrijdigheid tussen de
gebezigde bewijsmiddelen als bedoeld in het middel is dan ook geen
sprake. Ook de subsidiaire klacht is ongegrond, nu het Hof uit de
daartoe gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat het onder 3
bewezenverklaarde feit in de periode van 1 januari tot 13 maart 1982
heeft plaatsgevonden.

7.3. Het middel faalt derhalve.

8. Beoordeling van het vierde en het zesde middel.

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art.
101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot
beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of
van de rechtsontwikkeling.

9. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad
ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak
ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden
verworpen.

10. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechters

Mrs Haak, Beekhuis, Davids, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp,Koster

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 20 februari 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is sinds 1 april 1992 bij de wederpartij werkzaam. Zij
geeft daar samen met een collega leiding aan een ‘groep’. In juni 1994
is verzoekster bevallen. Na terugkeer na zwangerschaps- en
bevallingsverlof op 12 september 1994, blijkt haar functie in die zin
gewijzigd dat zij wordt ingedeeld bij een andere groep. Reden hiervoor
zou zijn dat de project-eindverantwoordelijkheid zich niet laat
combineren met zorg voor een afhankelijk kind. Nu vast staat dat de
bewuste continuiteitsbreuk in de werkzaamheden van verzoekster
veroorzaakt werd door haar afwezigheid in verband met zwangerschap en
bevalling, concludeert de Commissie dat de wederpartij jegens
verzoekster direct onderscheid naar geslacht heeft gemaakt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 10 januari 1995 verzocht mevrouw (hierna:
verzoekster) te Zoetermeer de Commissie gelijke behandeling (hierna: de
Commissie) haar oordeel uit te spreken over de vraag of
(hierna: de wederpartij) te Arnhem jegens haar onderscheid maakt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster is sinds 1 april 1992 bij de wederpartij werkzaam. Zij
geeft daar samen met een collega leiding aan een ‘groep’. In juni 1994
is verzoekster bevallen. Na terugkeer na zwangerschaps- en
bevallingsverlof op 12 september 1994, blijkt haar functie in die zin
gewijzigd dat zij wordt ingedeeld bij een andere groep. Reden hiervoor
zou zijn dat de project-eindverantwoordelijkheid zich niet laat
combineren met zorg voor een afhankelijk kind.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen. De
Commissie heeft besloten het verzoek van verzoekster om spoed toe te
wijzen, aangezien de beslissing om de inhoud van de functie van
verzoekster te wijzigen op korte termijn uitgevoerd zal worden.

Bij brief van 13 januari 1995 is de wederpartij verzocht om een reactie
te geven op het verzoek. Deze reactie is op 25 januari 1995 ontvangen.

2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen om hun standpunt nader toe te
lichten tijdens een zitting op 31 januari 1995.

Bij deze zitting waren aanwezig:

Van de kant van verzoekster – mw (verzoekster) – jhr mr
J.E.H. Clifford Kocq van Breugel (advocaat) – dhr
(toehoorder)

Van de kant van de wederpartij – dhr (directeur) – dhr
mr A.H.M. Bouwmeister (advocaat)

Van de kant van de Commissie – prof. mr J.E. Goldschmidt
(Kamervoorzitter) – mr L.Y. Goncalves-Ho Kang You (lid Kamer) – mr
Y.E.M.A. Timmerman-Buck (lid Kamer) – mr A.K. de Jongh (juridisch
adviseur).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer. In deze kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is op 1 april 1992 in dienst gekomen bij de
wederpartij in de functie van architect-ontwerper I1. Zij had een
dienstverband van 36 uur per week.

In of omstreeks september 1993 heeft de wederpartij in het kader van
een interne reorganisatie van de werkzaamheden de aanzet gegeven tot
het vormen van een groep onder leiding van verzoekster en een collega-
architect. Met het vormen van groepen werd beoogd een organisatie te
scheppen waarbij onder twee-hoofdig leiderschap verantwoordelijkheid
voor een aantal projecten gedragen wordt. Uit de leidinggevende duo’s
van de groep (een architect-ontwerper en een architect-manager) zouden
toekomstige directeuren gerecruteerd kunnen worden.

In maart 1993 is verzoekster op verzoek van de wederpartij naar Arnhem
verhuisd.

Eind 1993 werd verzoekster zwanger. Zij verhuist, mede naar aanleiding
van de gezinsuitbreiding, van Arnhem naar Zoetermeer. Bij terugkeer op
de werkplek na zwangerschaps- en bevallingsverlof bleek het besluit
genomen te zijn dat de groep waar verzoekster toe behoort niet langer
bestaansrecht heeft.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster is van mening dat zij ten onrechte uit haar
oorspronkelijke groep is gehaald, dan wel dat de groep ten onrechte is
opgeheven. Zij wijst op een gesprek dat op 19 september 1994 op haar
verzoek heeft plaatsgevonden met een directielid, van welk gesprek een
verslag is gemaakt. In dit verslag wordt uiteengezet dat de betreffende
groep is ontbonden, en dat verzoekster is toebedeeld aan een andere
groep. Als reden hiervoor wordt gegeven:'( …) het ongeloof dat wordt
gehecht aan de verenigbaarheid van de projekteindverantwoordelijkheid
met de zorg voor een afhankelijk kind en dat in combinatie met
vergroting van de afstand tot kantoor.’ In een tweede gesprek, waar
verzoekster op wijst, met twee directieleden, tevens lid van het DB op
22 november 1994 worden als redenen gegeven dat er sprake is van een
continuiteitsbreuk door zwangerschapsverlof en verhuizing naar het
westen. Verzoekster wordt overplaatsing aangeboden naar een andere
groep met mogelijk later verzelfstandiging van haar positie.
Verzoekster zal lopende projecten af kunnen maken. Verzoekster is van
mening, dat haar rechtspositie is aangetast door het feit dat zij nu
geen (mede)verantwoordelijkheid voor een groep meer draagt. Immers,
toetreding tot de directie is voorbehouden aan degenen die een
dergelijke verantwoordelijkheid dragen.

3.3. De wederpartij stelt dat haar handelwijze niets te maken heeft met
het geslacht van verzoekster en ook niet met haar functie-uitoefening.
De enige reden voor de wijzigingen ligt in het feit dat verzoekster
door verminderde aanwezigheid en vertrek uit Arnhem niet meer voldoet
aan de door de wederpartij ter zake gestelde eisen. Er is sprake van
een continuiteitsbreuk in de werkzaamheden van verzoekster. Ook bij een
andere oorzaak (bijvoorbeeld een langdurige ziekte of vakantie) zou een
dergelijke continuiteitsbreuk hebben kunnen leiden tot veranderingen in
het takenpakket. Immers, tijdens verzoeksters afwezigheid moesten de
werkzaamheden doorgang vinden. Bovendien was er sprake van een reeds
enkele jaren aan de gang zijnde reorganisatie van werkzaamheden, die
herschikking van werkverbanden met zich mee bracht.

Tevens wordt er door de wederpartij op gewezen, dat al tijdens
sollicitatiegesprekken in 1991 en 1992 verzoekster te kennen was
gegeven, dat fulltime beschikbaarheid en het woonachtig zijn in de
directe omgeving van Arnhem essentiele eisen waren. Het woonachtig zijn
in de omgeving van Arnhem is noodzakelijk in verband met de aard van de
functie (aanspreekpunt en eindverantwoordelijkheid voor projecten). Ook
bij projecten buiten de directe omgeving van Arnhem is het van belang
dat medewerkers in de omgeving wonen, omdat dan de (gezamenlijke)
reistijd benut kan worden voor werkbesprekingen. Ten aanzien van
verzoekster is een uitzondering gemaakt op de eis dat fulltime gewerkt
moet worden. Zij werkt 36 uur en heeft uiteindelijk ook toestemming
gekregen om die uren over vier (in plaats van vijf) dagen te verdelen.
Verzoekster is op verzoek van de wederpartij naar Arnhem verhuisd, maar
is parttime blijven werken. Daarbij werd van de kant van de wederpartij
ervan uitgegaan dat zij wel weer fulltime zou gaan werken. Om die reden
is de toestemming voor een parttime dienstverband slechts tijdelijk
gegeven. Toen verzoekster aangaf weer naar het westen te willen
verhuizen is haar te kennen gegeven dat dat tegen het beleid in ging.

De wederpartij is voorts van mening dat de rechtspositie van
verzoekster niet is aangetast en dat het formeren van een nieuwe groep
rond haar in de toekomst zeker niet moet worden uitgesloten. Daarbij
wijst verweerder erop, dat het hebben van groepsverantwoordelijkheid
geen garantie biedt op een lidmaatschap van de directie, terwijl ook
iemand die geen groepsverantwoordelijkheid heeft gedragen toe zou
kunnen treden tot de directie.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In het geding is de vraag of de wederpartij ten aanzien van
verzoekster onderscheid heeft gemaakt naar geslacht in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling door haar (mede)verantwoordelijkheid van
een ‘groep’ te ontnemen bij haar terugkeer na haar zwangerschaps- en
bevallingsverlof.

Het brengen van een dergelijke verandering in de groepssamenstelling
brengt een wijziging in de arbeidsvoorwaarden van de betrokkene met
zich mee, nog daargelaten de vraag of een dergelijke verandering de
carriereperspectieven beinvloedt. Artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek
(BW) verbiedt een werkgever onder andere in de arbeidsvoorwaarden
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen. Lid 5 van dit artikel
geeft aan wat in dit verband moet worden verstaan onder onderscheid.
Onderscheid op grond van zwangerschap is een vorm van direct
onderscheid. De Wet maakt het niet mogelijk, rechtvaardigingsgronden
aan te voeren voor direct onderscheid anders dan de in de wet opgenomen
uitzonderingen. Van het verbod op onderscheid te maken op grond van
geslacht mag dan blijkens het bepaalde in de leden 2, 3 en 4 van
artikel 7A:1637ij BW alleen worden afgeweken in geval van: –
geslachtsbepaalde functies, – wanneer sprake is van bedingen
betreffende de bescherming van de vrouw, met name in verband met
zwangerschap of moederschap, respectievelijk – voorkeursbeleid voor
vrouwen.

4.2. Uit de schriftelijke en mondelinge verklaringen van partijen is
nergens uit gebleken, dat verzoekster onvoldoende functioneerde. Dit is
ook niet gesteld door de wederpartij. Evenmin is gebleken dat er sprake
is van een andere doorslaggevende reden voor de verandering van de
positie van verzoekster in de groep dan de door haar zwangerschap
veroorzaakte continuiteitsbreuk. Een reden was tevens gelegen in de
verhuizing van verzoekster, al dan niet in combinatie met het feit dat
zij in deeltijd werkzaam is. Ter zitting is evenwel herhaaldelijk door
de wederpartij gesteld, dat de eerstgenoemde continuiteitsbreuk een
zelfstandige reden vormde voor de herschikking van de bewuste groep. De
Commissie gaat hier derhalve verder van uit.

4.3. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid (CGB m/v) heeft al eerder uitgesproken, dat afwezigheid in
verband met zwangerschap op een lijn gesteld moet worden met
zwangerschap zelf.(Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid, oordeelnummer 172-90-31, 8 mei 1990. Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, oordeelnummer
42-89-13, 18 oktober 1989) Het is immers een onlosmakelijk en
onvermijdelijk gevolg daarvan. Nu vast staat dat de bewuste
continuiteitsbreuk in de werkzaamheden van verzoekster veroorzaakt werd
door haar afwezigheid in verband met zwangerschap en bevalling,
concludeert de Commissie dat de wederpartij jegens verzoekster direct
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt.

4.4. Het beroep van de wederpartij op de verminderde aanwezigheid van
verzoekster kan niet als rechtvaardiging gelden, nu het systeem van de
wet geen mogelijkheid kent om direct onderscheid naar geslacht door
verwijzing naar (afwezigheid wegens) zwangerschap te rechtvaardigen,
zoals ook is bevestigd in de jurisprudentie van het Hof van Justitie
van de EG en de Hoge Raad. (Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen Dekker versus Stichting Vormingscentrum voor Jong
Volwassenen, zaaknummer C-177/88, 8 november 1990, NJ 1992, bladzijde
224 en HR 13 september 1991 NJ 1992, bladzijde 225)

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat Buro Wiegerinck
Architecten B.V. te Arnhem onderscheid naar geslacht maakt in strijd
met artikel 7A:1637ij BW door verzoekster niet langer als
architect-ontwerper (mede) leiding te laten geven aan een eerder rond
haar en een collega gevormde groep.

Rechters

Prof. mr J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mr L.Y. Goncalves-Ho Kang You (lid Kamer), mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck (lid Kamer), mrA.K. de Jongh (juridisch adviseur).