Instantie: Rechtbank Roermond, 16 februari 1995

Instantie

Rechtbank Roermond

Samenvatting


Partijen zijn twaalf jaar getrouwd geweest en hebben twee kinderen van
zeven en tien jaar oud. De man voert aan dat de vrouw inkomen heeft. De
vrouw stelt dat het slechts gaat om werkzaamheden gedurende enkele uren
per week tegen een uurloon van ƒ 10,=. Naar het oordeel van de rechtbank
betekent dit in ieder geval niet dat de vrouw geen behoefte meer heeft.
De alimentatie bedraagt ƒ 1.000,=.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Bij exploit d.d. 26 oktober 1994 is het verzoekschrift aan B betekend. A
heeft verzocht (kort samengevat): -echtscheiding althans scheiding van
tafel en bed; -benoeming van A tot voogdes en B tot toeziend voogd over
de minderjarige kinderen van de echtgenoten; -bepaling van een bijdrage
in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van
de echtgenoten van ƒ 300,= per maand per kind; -bepaling van een
omgangsregeling in die zin dat partijen dit in onderling overleg zullen
regelen met dien verstande dat B de kinderen eenmaal per veertien dagen
van vrijdagavond 18.00 uur tot zondagavond 18.00 uur bij zich zal hebben;
-betaling van een uitkering voor levensonderhoud van ƒ 1.000,= per maand;
-verdeling van de gemeenschappelijke goederen; -het voortgezet gebruik van
de echtelijke woning met wat daarbij hoort;

B heeft op 29 december 1994 een verweerschrift bij de rechtbank ingediend
en verzocht -bepaling van een omgangsregeling in dier voege dat de
kinderen minimaal in de twee opeenvolgende weekeinden, waarin de man geen
weekenddiensten heeft bij hem zullen verblijven van vrijdagavond 17.00 uur
tot zondagavond 18.00 uur en dat de omgang voor het overige in goed
overleg tussen partijen wordt geregeld; -bepaling van een bedrag, dat de
man aan de vrouw dient te betalen voor de verzorging en de opvoeding van
de kinderen enerzijds en voor het levensonderhoud van de vrouw anderzijds,
dat de som van ƒ 1.200,= niet te boven gaat; -te bepalen dat de vrouw,
indien haar verzoek tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning
toegewezen wordt, alle daarmee samenhangende kosten voor haar rekening
neemt.

Voor het overige heeft B zich gerefereerd aan het oordeel van de
rechtbank.

Op 30 januari 1995 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De
griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden. Bij deze
behandeling zijn verschenen:

-de echtgenoten, bijgestaan door hun advocaten;

Tijdens de mondelinge behandeling heeft A verklaard dat de echtelijke
woning inmiddels is verkocht en dat het verzoek tot voortgezet gebruik van
die woning wordt ingetrokken.

Voorts heeft zij het gevraagde bedrag voor kinderalimentatie verminderd
tot ƒ 250,= per kind per maand.

B heeft in de loop van de procedure een aantal produkties overgelegd.

Vaststelling en overwegingen:

Uit de overgelegde bescheiden blijkt hetgeen bij verzoekschrift is gesteld
over: het huwelijk van de echtgenoten; de thans nog minderjarige kinderen;
de Nederlandse nationaliteit van de echtgenoten.

B heeft de door A gestelde duurzame ontwrichting niet weersproken en zich
aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd, zodat het verzoek tot
echtscheiding voor toewijzing vatbaar is. Dit geldt eveneens ten aanzien
van de nevenverzoeken tot -benoeming van A tot voogdes en B tot toeziend
voogd over de minderjarige kinderen -verdeling van de gemeenschappelijke
goederen.

Met betrekking tot de omgang heeft B ter terechtzitting verklaard dat de
regeling, zoals door A thans verzocht en ook bij de voorlopige
voorzieningen bepaald, goed loopt. Zij heeft zich daaromtrent gerefereerd
aan het oordeel van de rechtbank. De omgang zal derhalve worden geregeld
als hierna bepaald.

Met betrekking tot het verzoek tot bepaling van een bijdrage in de kosten
van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen en het verzoek
tot bepaling van een uitkering tot levensonderhoud overweegt de rechtbank
het volgende:

Ten aanzien van de behoefte van A heeft B aangevoerd dat A een eigen
inkomen heeft. A heeft verklaard dat het hier slechts gaat om enkele uren
per week, waarmee zij waarschijnlijk ƒ 10,= per uur zal gaan verdienen.
In ieder geval betekent dit naar het oordeel van de rechtbank niet dat A
geen behoefte meer zou hebben aan een bijdrage voor levensonderhoud van
B.

Op grond van de door B overgelegde salarisspecificaties gaat de rechtbank
uit van een bruto jaarsalaris van ƒ 61.072,= inclusief
onregelmatigheidsbijslagen en vakantiegeld.

Rekening houdend met het reiskostenforfait, de forfaitaire arbeidskosten,
het huurwaardeforfait en de aftrekbare hypotheekrente voor de door B nieuw
aangekochte woning (de kosten ter verkrijging van de hypotheekgelden
daarbij buiten beschouwing latend) alsmede met de buitengewone
lastenaftrek voor de kinderbijdragen, de van toepassing zijnde tariefgroep
2, de verschuldigde belastingen en de netto toelage resteert een
besteedbaar inkomen van ƒ 4.177,= per maand.

Ter bestrijding van de noodzakelijke, in het algemeen geldende kosten voor
levensonderhoud, dient te worden vrijgelaten het ABW-normbedrag voor een
alleenstaande (exclusief woonnorm).

Voorts houdt de rechtbank rekening met een bedrag van ƒ 819,= per maand
aan woonlasten en ƒ 100,= voor kosten omgangsregeling.

De door B opgevoerde rente en aflossing van het doorlopende krediet zal
de rechtbank buiten beschouwing laten, nu B ter zitting heeft verklaard
dat het doorlopend krediet inmiddels is afgelost.

Alles overziende, daarbij rekening houdend met de relevante fiscale
aspecten, is de rechtbank van oordeel dat B in staat moet worden geacht
om, naast een kinderbijdrage van ƒ 250,= per kind per maand, een bijdrage
van ƒ 1.000,= per maand voor levensonderhoud aan A te betalen.

De hierna te treffen voorzieningen moeten het meest in het belang van de
minderjarigen worden geacht.

De rechtbank acht termen aanwezig de proceskosten tussen de echtgenoten
te compenseren.

Beslissing:

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen de echtgenoten, gehuwd op ,
benoemt over de twee thans nog minderjarige kinderen van de echtgenoten:
1. geboren te op 2. geboren te op tot voogdes: de moeder:
en tot toeziend voogd: de vader: . beveelt de
afgifte van de voornoemde kinderen aan de met de voogdij belaste ouder;
bepaalt dat de vader, ten behoeve van de verzorging en opvoeding van ieder
der minderjarigen, te beginnen met de dag dat deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij
vooruitbetaling aan de ouder die het gezag over de minderjarigen
uitoefent, heeft te betalen een bedrag van ƒ 250,= (tweehonderdvijftig
gulden) per maand per kind, telkens vermeerderd met het bedrag van iedere
uitkering die krachtens geldende wetten of regelingen ten behoeve van die
minderjarigen kan of zal worden verleend;

regelt de omgang tussen voornoemde minderjarigen en de niet met de
dagelijkse zorg belaste ouder in dier voege dat de kinderen minimaal in
de twee opeenvolgende weekeinden waarin de man geen weekenddiensten heeft
bij hem zullen verblijven van vrijdagavond 17.00 uur tot zondagavond 18.00
uur en voor het overige in goed onderling overleg;

bepaalt dat B met ingang van de dag, waarop de beschikking tot
echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke
stand aan A voor levensonderhoud heeft te betalen de somma van ƒ 1.000,=
(duizend gulden) per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

beveelt de echtgenoten over te gaan tot verdeling van de goederen tussen
de echtgenoten gemeen;

benoemt, tenzij de echtgenoten binnen acht dagen na de inschrijving dezer
echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand anders
overeenkomen, notaris mr F.J.M. van Acker ter standplaats Roermond, of
diens waarnemer of opvolger om op de door deze te bepalen tijd en plaats
en onder zijn leiding de verdeling te bewerkstelligen;

benoemt, voor het geval een echtgenoot weigert of nalatig blijft aan de
verdeling mede te werken, tot onzijdig persoon volgens de wet voor A,
H.H.G. Theunissen, advocaat en procureur te Roermond, voor B, J.W.E. M.
Guzik, advocaat en procureur te Roermond;

wijst af het meer of anders verzochte;

verklaart de beslissingen over de gezagsvoorziening en de kinderbijdrage
alsmede de beslissing tot toekenning van een uitkering tot levensonderhoud
voor A uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten tussen de echtgenoten zodanig dat ieder van
hen de eigen kosten draagt.

Rechters

mr. P.C.A. Schaminee

Instantie: Rechtbank Zutphen, 16 februari 1995

Instantie

Rechtbank Zutphen

Samenvatting


Partijen zijn zes jaar gehuwd en hebben twee minderjarige kinderen, 4
en 6 jaar oud. De man stelt dat de vrouw geen behoeft heeft omdat zij
inkomen heeft. Zij is schilderes en sportlerares. De rechtbank oordeelt
dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt geen relevant inkomen
te kunnen verdienen wegens een blessure. De vrouw heeft een ABW-
uitkering en de zorg voor de kinderen. Hiermee staat de behoeft vast.
Van de vrouw kan niet worden verlangt dat zij op dit moment in eigen
levensonderhoud voorziet. Alimentatie wordt ƒ 265,=.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Dit verloop blijkt uit: -het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op
10 december 1993; -het exploit van betekening van 21 december 1993;
-het verweerschrift tevens inhoudende een zelfstandig verzoek,
ingekomen ter griffie op 18 maart 1994; -de tussenbeschikking van deze
rechtbank van 9 mei 1994; -de brief met bijlagen van mr. J.B. Bitter
van 26 mei 1994; -de brief met bijlagen van mr. J.A.G. Water van 21
september 1994; -de brief met bijlagen van mr. S.M. Luijten van 2
november 1994; -het proces-verbaal van de behandeling ter
terechtzitting op 16 november 1994; -de brief met bijlagen van mr. D.
Duthler van 19 december 1994; -de brief met bijlagen van mr. S.M.
Luijten van 2 januari 1995.

De vaststaande feiten:

Partijen zijn op 7 maart 1989 te Apeldoorn met elkaar gehuwd. Zij
hebben de Nederlandse nationaliteit.

Partijen hebben voorafgaande aan hun huwelijk huwelijkse voorwaarden
doen opmaken.

De minderjarige kinderen van partijen zijn: C, geboren op te
. D , geboren op te .

Het verzoek:

De vrouw verzoekt -na wijziging-: -tussen partijen de echtscheiding uit
te spreken, -haar te benoemen tot voogdes en de man tot toeziend voogd
over de minderjarige kinderen van partijen, -te bepalen dat de man aan
haar als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van die
kinderen zal dienen te betalen ƒ 300,= per kind per maand, telkens bij
vooruitbetaling te voldoen, -de man te veroordelen om aan haar als
bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud een bedrag van ƒ 3.400,=
per maand te betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, -de te
geven beschikking voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te
verklaren.

Zij stelt, naast hetgeen hiervoor als vaststaand is weergegeven, dat
het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Voorts voert de vrouw
aan dat zij en de minderjarigen behoefte hebben aan de verzochte
bijdragen en dat de man in staat is die bijdragen te betalen.

Het verweer tevens zelfstandig verzoek:

De man voert verweer tegen de door de vrouw verzochte bijdrage in de
kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van
partijen. Hij stelt dat de kosten van deze kinderen niet zo hoog zijn
dat zij ƒ 300,= per kind per maand nodig hebben, nu de vrouw ook
kinderbijslag ad ƒ 345,89 per kwartaal per kind ontvangt, te verhogen
met ZWF- toeslag ad ƒ 12,19 en AWBZ-toeslag ad ƒ 10,42 per kind. Voorts
stelt de man dat de kinderen eenmaal per twee weken een weekeinde bij
hem verblijven zodat de vrouw in dat weekeinde geen kosten voor de
kinderen maakt. Ter zitting heeft de man betoogd dat de beide
minderjarigen geen hogere behoefte hebben dan ƒ 250,= per maand per
kind.

De man voert voorts verweer tegen de door de vrouw verzochte bijdrage
in haar eigen levensonderhoud. Hij motiveert zijn verweer als volgt. De
vrouw heeft tot tweemaal toe ongevraagd ƒ 3.000,= van de gezamenlijke
rekening afgehaald. Bovendien betwist de man dat de vrouw geen inkom-
sten uit arbeid heeft. De vrouw is schilderes en tevens sportlerares
voor aerobics. Hij is van mening dat met deze inkomsten van de vrouw
rekening moet worden gehouden bij de vaststelling van de bijdrage in de
kosten van haar levensonderhoud.

De man verzoekt hem tot toeziend voogd over de beide minderjarige
kinderen van partijen te benoemen en tussen hem en de minderjarigen een
omgangsregeling vast te stellen, waarbij de kinderen hem om het andere
weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur bezoeken. De man
zal de kinderen in het kader van deze regeling halen en brengen.

De beoordeling:

Het gestelde met betrekking tot de nationaliteit, de huwe-
lijksvoltrekking en het huwelijksgoederenregime van de echtelieden en
de geboorte van hun thans nog minderjarige kinderen staat als niet
weersproken -en, voor zover nodig, gestaafd door de overgelegde
authentieke bescheiden- vast.

Nu door de man niet is betwist dat het huwelijk met de vrouw duurzaam
is ontwricht, is het verzoek tot echtscheiding voor toewijzing vatbaar.

Partijen zijn eenstemmig ten aanzien van de door de vrouw voorgestelde
gezagsvoorziening. Het door de man gedane zelfstandige verzoek heeft
dezelfde strekking als het verzoek van de vrouw terzake van de
gezagsvoorziening en behoeft derhalve geen bespreking.

De rechtbank, gehoord de Raad voor de Kinderbescherming in dit
arrondissement, acht de door de vrouw voorgestelde gezagsvoorziening in
het belang van de beide minderjarigen, zodat als volgt zal worden
beslist.

De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten
aanzien van de door de man verzochte omgangsregeling tussen hem en de
beide minderjarige kinderen van partijen.

De rechtbank acht deze regeling in het belang van de minderjarigen,
zodat als volgt zal worden beslist.

Partijen verschillen van mening over de behoefte van de kinderen en van
de vrouw aan de voor elk van hen verzochte bijdragen. Ook verschillende
partijen van mening over de draagkracht van de man.

Met betrekking tot de behoefte van de beide kinderen aan de voor hen
verzochte bijdrage overweegt de rechtbank. De minderjarigen zijn thans
5 en 3 jaar oud. De vrouw ontvangt een ABW-uitkering. Ten tijde van het
samenwonen in gezinsverband bedroeg het bruto maandinkomen van de man ƒ
7.250,= te vermeerderen met 8% vakantiegeld.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de door de vrouw
voor de kinderen verzochte bijdrage niet bovenmatig is en dat de
minderjarigen behoefte hebben aan de verzochte bijdrage van ƒ 300,= per
kind.

Met betrekking tot de behoefte van de vrouw aan de door haar verzochte
bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud overweegt de rechtbank
dat de vrouw, thans 32 jaar oud, de zorg heeft voor de beide nog zeer
jonge kinderen van partijen. Momenteel ontvangt de vrouw een
ABW-uitkering. De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de
inkomsten die zij heeft uit het vervaardigen van schilderijen slechts
marginaal zijn. Ook heeft zij voldoende aannemelijk gemaakt dat zij
door een blessure thans niet in staat is inkomen te verwerven met haar
aerobicsvaardigheden.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op dit moment
niet van de vrouw verlangd kan worden dat zij in die mate werkzaamheden
zal verrichten dat zij daarmee in haar levensonderhoud kan voorzien.

Met betrekking tot de draagkracht van de man overweegt de rechtbank het
volgende.

Tussen partijen staat als door de man gesteld en door de vrouw niet
weersproken vast dat het inkomen van de man bij ƒ 7.250,=
bruto per maand bedraagt te vermeerderen met 8% vakantiegeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat de
man daarnaast nog neveninkomsten heeft.

Rekeninghoudend met de belaste onkostenvergoeding van ƒ 4.800,= per
jaar, de premies werknemersverzekeringen, de overhevelingstoeslag, de
bijdrage werkgever in de ziektekostenverzekering van ƒ 1.743,=, het
arbeidskostenforfait, de rente van schulden van ƒ 8.502,=, de
buitengewone lastenaftrek in verband met de te betalen bijdrage voor de
beide kinderen, de aan de werkgever te betalen bijdrage auto, de
belastingvrije som, de premies volksverzekeringen en de
inkomstenbelasting, bedraagt het netto besteedbaar maandinkomen van de
man ƒ 5.424,=.

Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit
van de bijstandsnorm voor een alleenstaande -inclusief vakantiegeld-
van ƒ 1.331,66 per maand en van de volgende door de vrouw niet betwiste
maandelijkse lasten: -de aflossing van ƒ 500,= op de schuld aan Defam,
-de aflossing van ƒ 200,= op de schuld aan de City bank, -de aflossing
van ƒ 200,= op het continu krediet bij de Postbank, -de aflossing van ƒ
112,13 op de studielening bij ABN-AMRO.

De rechtbank houdt geen rekening met de door de man opgevoerde WSF
lening, nu hij ter zitting heeft verklaard dat hij op deze lening niet
aflost.

Ten aanzien van de door de man opgevoerde lening bij zijn vader is de
rechtbank van oordeel dat deze lening niet in haar geheel kan worden
meegenomen bij de vaststelling van de draagkracht. De rechtbank acht de
noodzaak om deze lening met het huidige bedrag van ƒ 1.500,= per maand
af te lossen niet aangetoond en oordeelt zulks gelet op de totale
schuldenlast van de man ook niet redelijk. Derhalve zal de rechtbank de
aflossing op de lening bij de vader van de man op ƒ 500,= per maand
stellen.

Nu de man ter zitting heeft verklaard dat hij de levensverzekering gaat
opzeggen, wordt deze post niet meer meegewogen.

De door de man opgevoerde lijfrente wordt evenmin meegewogen nu de
noodzaak daarvan, mede gelet op de leeftijd van de man en op zijn
totale schuldenlast, onvoldoende is gebleken. Tevens heeft de man
verklaard dat zijn huidige werkgever met ingang van 1 april 1995, met
pensioenopbouw zal beginnen, waardoor de noodzaak voor deze lijfrente
minder zwaarwegend wordt, zodat de rechtbank het niet redelijk oordeelt
deze last op de draagkracht van de man te laten drukken.

Terzake van de schuld aan een vorige werkgever van de man, de besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sigarettenfabriek Ed.
Laurens B.V., is de rechtbank van oordeel dat hiermee slechts rekening
gehouden kan worden voor zover deze schuld betrekking heeft op een door
deze voormalige werkgever aan de man verstrekte lening. Blijkens het
van de stukken deeluitmakend vonnis van de rechtbank te , bedraagt
het restant schuldbedrag van deze lening thans afgerond ƒ 7.700.=. De
rechtbank rekent met een aflossing van ƒ 150,= per maand en een rente
van ƒ 75,= per maand. De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat de
aflossing van het overige deel van deze schuld niet kan drukken op de
draagkracht van de man aangezien hij deze schuld aan zijn eigen gedrag
te wijten heeft.

De rechtbank houdt geen rekening met de door de man gestelde ƒ 62,50
per maand aan eigen risico voor de ziektekostenverzekering, nu hij deze
post niet aannemelijk heeft gemaakt.

Met betrekking tot de woonlasten van de man acht de rechtbank het
redelijk om met een bedrag van ƒ 1.000,= per maand rekening te houden,
te verminderen met de gemiddelde landelijke huur van ƒ 335,42 per
maand. De rechtbank gaat ervan uit dat de man op korte termijn over
woonruimte tegen een dergelijke huur kan beschikken.

Voor de kosten van de omgangsregeling acht de rechtbank het redelijk om
met ƒ 130,= per maand rekening te houden, aangezien de man in een auto
van de zaak rijdt en hij, gelet op de overgelegde salarisspecificatie
slechts een geringe eigen bijdrage voor prive-kilometers hoeft te
betalen, waarvan naar het oordeel van de rechtbank slechts een deel aan
de omgang kan worden toegerekend.

Van de draagkracht is 60%, een bedrag van ƒ 733,= per maand voor
alimentatiebetaling beschikbaar. Rekenend met de door de man te betalen
bijdrage van ƒ 300,= per maand per kind resteert voor de vrouw een
bijdrage van ƒ 265,= per maand, waarbij het door de man te behalen
belastingvoordeel aan de vrouw is toegerekend.

Het nevenverzoek om deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te
verklaren is -met uitzondering van de gezagsvoorziening, de
alimentatieveroordeling ten behoeve van de vrouw en de kinderen en de
tussen de man en de kinderen vastgestelde omgangsregeling -niet op de
wet gebaseerd en wordt derhalve afgewezen.

De proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te melden wijze,
omdat zij zijn gemaakt tussen echtelieden.

De beslissing:

De rechtbank:

Spreekt uit de echtscheiding tussen de vrouw en de man op met elkaar
gehuwd.

Veroordeelt de man om, vanaf de dag waarop deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de desbetreffende registers van de Burgerlijke Stand,
aan de vrouw voor levensonderhoud te betalen de som van ƒ 265,=
(tweehonderdenvijfenzestig gulden) per maand, telkens bij
vooruitbetaling te voldoen.

Verklaart de beschikking voor wat betreft de alimentatieveroordeling
uitvoerbaar bij voorraad. Benoemt over de minderjarige kinderen:
geboren te tot voogdes: de vrouw, wonende te p/a mr. en tot
toeziend voogd: de man, wonende te p/a mr.

Beveelt dat de minderjarige kinderen, indien zij zich niet reeds
bevinden in de feitelijke macht van de met het gezag beklede ouder, aan
deze zullen worden afgegeven.

Bepaalt dat de man, met ingang van de dag waarop de voogdij zal
aanvangen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van
genoemde minderjarigen en aan de vrouw zal betalen ƒ 300,=
(driehonderd gulden) per maand per kind, voor de toekomst telkens bij
vooruitbetaling te voldoen.

Bepaalt het recht van omgang tussen de man en de minderjarige kinderen
van partijen aldus, dat de minderjarigen om het andere weekend van
zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man zullen verblijven.
De man zal in het kader van deze regeling de kinderen halen en brengen.

Verklaart deze beschikking voor wat betreft de beslissing over het
gezag over genoemde minderjarigen, de voor die minderjarigen te betalen
alimentatie en de tussen de man en de minderjarigen vastgestelde
omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Compenseert de kosten van dit geding aldus, dat iedere echtgenoot met
de eigen kosten belast blijft, behoudens dat de executiekosten ten
laste van de man komen, indien niet vrijwillig wordt voldaan aan de bij
deze beschikking opgelegde alimentatieplicht.

Veroordeelt mitsdien de man in dat geval te dier zake te betalen
rechtstreeks aan de procureur van de vrouw het onder nakosten vallende
salaris en rechtstreeks aan de executerende deurwaarder de nakomende
verschotten.

Rechters

mr. R.B.M. Keurentjes

Instantie: Hof Amsterdam, 16 februari 1995

Instantie

Hof Amsterdam

Samenvatting


Partijen zijn drie jaar gehuwd geweest en hebben een zoon van vier
jaar. Man verzoekt limitering tot 3 jaar omdat het huwelijk 3 jaar
heeft geduurd. Het Hof overweegt: Gezien de omstandigheid dat de moeder
uit Indonesie komt, zij tijdens het huwelijk van partijen niet heeft
gewerkt, en zij de zorg heeft over het kind is thans niet te verwachten
dat zij binnen drie jaar geheel of gedeeltelijk in eigen
levensonderhoud zal kunnen voorzien. Alimentatie wordt ƒ 1.500,=.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. De vader is in hoger beroep gekomen van een gedeelte van een
beschikking van 24 augustus 1994 van de rechtbank te Amsterdam, nummer
94.0480 F.

1.2. De moeder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De zaak is behandeld op 23 januari 1995.

2. Het geschil in hoger beroep en de feiten en omstandigheden

2.1. Partijen zijn in gehuwd. Hun huwelijk is op 20 december 1994
ontbonden. Uit hun huwelijk is geboren X.

2.2. In geschil is de benoeming van de moeder tot voogdes over X
alsmede de door de vader te betalen uitkering tot het levensonderhoud
van de moeder van ƒ 1.500,= per maand, een en ander zoals bepaald bij
de beschikking waarvan beroep.

De vader verzoekt te bepalen dat hij tot voogd over X wordt benoemd
danwel dat de ouderlijke macht betreffende X wordt gecontinueerd met
wijziging van de overige met de voogdij samenhangende voorzieningen.
Voorts verzoekt hij het inleidend verzoek van de moeder, voor zover het
de door hem te betalen uitkering tot haar levensonderhoud betreft,
alsnog af te wijzen, althans de uitkering voor ten hoogste drie jaar na
de datum waarop de beschikking betreffende de echtscheiding werd
gegeven te bepalen op een zodanig bedrag als het hof juist zal achten.

De moeder verzoekt de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3. Het volgende gebleken.

Nadat beide partijen bij verzoekschrift voorlopige voorzieningen om de
toevertrouwing van X hadden verzocht, heeft de rechtbank bij
beschikking van 5 januari 1994 de raad voor de kinderbescherming te
Amsterdam verzocht een advies uit te brengen omtrent de toevertrouwing
van X (inzake de voorlopige voorziening) alsmede omtrent de voorziening
in het gezag na de echtscheiding en een eventueel te treffen
omgangsregeling.

Uit het door de raad voor de kinderbescherming op 21 juni 1994
uitgebrachte rapport komt het volgende naar voren.

De moeder heeft X tijdens het huwelijk van partijen altijd verzorgd.
Zij vormt sinds de vader in april 1994 de voormalige echtelijke woning
heeft verlaten, met X een eenoudergezin. De moeder gaat liefdevol met X
om en reageert zeer adequaat en leeftijdsgebonden op hem. Het gaat goed
met X. Hij gaat naar school; hij heeft een paar vaste vriendjes, stelt
zich socialer op dan voorheen en ontwikkelt zich prima. De moeder wil
dat X bij haar in Nederland opgroeit, zodat hij normaal contact met de
vader kan onderhouden.

De vader heeft een full-time baan. Het contact tussen hem en X heeft
steeds bestaan uit het met elkaar spelen na werktijd. De vader bracht X
veelvuldig ‘s-avonds naar bed. De vader heeft geen vertrouwen in de
moeder in die zin dat hij bang is dat zij niet op tijd opstaat om X
eten te geven en naar school te brengen. Daarnaast is hij bang dat
moeder met X in een bed blijft slapen.

De raad concludeert op grond van de onderzoeksgegevens dat het van
belang is dat de huidige situatie, waarin X door de moeder wordt
opgevoed, gecontinueerd wordt. De raad acht het niet in het belang van
X dat hij door de vader, ter verdere opvoeding, naar zijn familie in
Italie wordt gestuurd.

Met betrekking tot de omgangsregeling kan gesteld worden dat er sprake
kan zijn van een reguliere omgangsregeling, een weekend per veertien
dagen, tussen de vader en X zodra de vader onder de huidige
omstandigheden in staat is om in de weekeinden de volledige verzorging
van X op zich te nemen, aldus de raad. De raad is bij de behandeling in
hoger beroep bij deze adviezen gebleven.

2.4. Ten aanzien van de vader is nog het volgende gebleken.

Hij is alleenstaand. Hij heeft de Italiaanse nationaliteit.

Hij is in loondienst. Zijn salaris bedraagt rond ƒ 10.413,= bruto per
maand. Daarnaast ontvangt hij vakantiegeld en winstdeling.

Aan pensioenpremie betaalt hij rond ƒ 358= per maand.

Aan huur en enige servicekosten betaalt hij rond ƒ 1.325,= per maand.
Aan huur voor een garage betaalt hij rond ƒ 110,= per maand.

Het werkgeversaandeel in de premie ziektekostenverzekering bedraagt ƒ
212,= per maand. De door hem verschuldigde premie bedraagt rond ƒ 191,=
per maand.

Aan premie in verband met het zogenaamde WAO-hiaat betaalt hij rond ƒ
130,= per maand.

Hij heeft kosten in verband met de bezoeken van X, die hem een weekend
per veertien dagen en in de tussenliggende weekeinden op zondag
bezoekt.

Hij betaalt een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van X
van ƒ 400,= per maand.

Op een lening bij de Finata Bank, die is aangegaan in verband met de
kosten van herinrichting betaalt hij rond ƒ 147,= per maand aan rente
en rond ƒ 733,= per maand aan aflossing.

2.5. Ten aanzien van de moeder is nog het volgende gebleken.

Zij vormt met X een eenoudergezin. Zij heeft de Indonesische en X de
Italiaanse nationaliteit.

Zij heeft geen eigen inkomen.

3. Beoordeling van het hoger beroep

3.1. Voor de beslissing aan wie van de ouders het beste de voogdij over
X kan worden opgedragen, moeten de mogelijkheden die ieder van de
ouders aan X biedt of kan bieden, in het licht van wat het belang van X
vordert, worden afgewogen.

3.2. Op grond van feiten en omstandigheden zoals onder 2.3. vermeld en
hetgeen hiervoor is overwogen, is gebleken dat de voogdij het beste kan
worden opgedragen aan de moeder. Hierbij wordt met name gelet op het
feit dat de moeder X zowel tijdens het huwelijk als sinds het moment
dat partijen niet meer samenwonen altijd heeft verzorgd. Niet is
gebleken dat het niet goed gaat met X en dat de moeder X niet goed zou
verzorgen.

3.3. De vader heeft verzocht te verstaan dat de ouderlijke macht over X
na de ontbinding van het huwelijk voortduurt. Dit verzoek wordt
afgewezen, nu de moeder dit niet wenst en de onderlinge goede
verstandhouding tussen de ouders die nodig is voor gezamenlijke
uitoefening van het gezag niet bestaat.

3.4. Een uitbreiding van de omgangsregeling, zoals door de vader
verzocht tijdens de behandeling in hoger beroep acht het hof, mede
gelet op het advies neergelegd in het rapport van de raad voor de
kinderbescherming, thans niet in het belang van het kind.

3.5. De vader heeft aangevoerd dat zijn onderhoudsplicht jegens de
moeder moet worden beperkt tot drie jaar, nu het huwelijk van partijen
slechts drie jaar heeft geduurd, zijn draagkracht een uitkering van ƒ
1.500,= per maand nauwelijks toelaat en hij binnen drie jaar de
VUT-gerechtigde leeftijd bereikt. De moeder heeft dit gemotiveerd
betwist. Gezien de omstandigheid dat de moeder uit Indonesie komt, zij
tijdens het huwelijk van partijen niet heeft gewerkt, en zij de zorg
heeft over X is thans niet te verwachten dat zij binnen drie jaar
geheel of gedeeltelijk in eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.
Het feit dat de vader binnen drie jaren mogelijkerwijs gebruik zal
maken van de VUT- regeling vormt geen grond om zijn onderhoudsplicht te
beperken.

3.6. Op grond van de financiele feiten en omstandigheden die hiervoor
zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, gaat de door de
rechtbank bij de beschikking waarvan beroep bepaalde door de vader met
ingang van 20 december 1994 te betalen uitkering tot levensonderhoud
van de moeder van ƒ 1.500,= per maand niet uit boven hetgeen met
inachtneming van de wettelijke maatstaven, van hem kan worden gevergd.

3.7. Dit leidt tot de volgende beslissing.

4. Beslissing.

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel
van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte; compenseert de kosten van het
hoger beroep aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Willems-Morsink, Verspyk Mijnssen en De Vreeze-Oostvogel

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 16 februari 1995

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Een pensioen als waarin de Algemeen burgerlijk pensioenwet (ABPW)
voorziet, valt binnen de werkingssfeer van art. 119 EEG-verdrag.
Artikel 119 verzet zich tegen een wettelijke regeling als de ABPW die
met betrekking tot aanspraken op ouderdomspensioen over diensttijd voor
1986 voor gehuwde mannelijke ambtenaren een andere regel voor de
berekening van het bedrag van het ambtelijk pensioen kent dan die welke
geldt voor gehuwde vrouwelijke ambtenaren. Artikel 119 EEG-verdrag kan
rechtstreeks voor de nationale rechter worden ingeroepen door die
ambtenaren of hun rechtverkrijgenden die voor 17 mei 1990 een
rechtsvordering hebben ingesteld en alleen voor de aanspraken die
kunnen worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid tussen 8 april 1976
en 17 mei 1990. In deze uitspraak baseert de Raad zich mede op de
antwoorden van de prejudiciele vragen gesteld door de Raad, RN 1993,
337. De Raad toetst het gemaakte onderscheid alleen aan het Europese
recht; het discriminatieverbod van art. 26 BuPo-verdrag komt niet aan
de orde.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Eiser heeft onder dagtekening 28 september 1988 ten aanzien van
gedaagde een beslissing gegeven die in fotokopie aan deze uitspraak is
gehecht.

Het voormalige Ambtenarengerecht te ‘s-Gravenhage heeft bij uitspraak
d.d. 28 februari 1990, nummer ABP 1988/21571, rechtdoende op het beroep
dat gedaagde tegen de zojuist genoemde beslissing heeft ingesteld, het
beroep gegrond en deze beslissing nietig verklaard alsook bepaald dat
eiser een nieuwe beslissing zal nemen met inachtneming van de
uitspraak.

Van die uitspraak is eiser bij de Raad in hoger beroep gekomen. In een
aanvullend beroepschrift heeft mr. G.R.J. de Groot, advocaat te
‘s-Gravenhage, als gemachtigde van eiser de gronden uiteengezet van het
verzoek aan de Raad de aangevallen uitspraak te vernietigen, met
verdere beslissing als de Raad zal vermenen te behoren.

Namens gedaagde heeft J.H. Sikkes, verbonden aan de Nederlandse Bond
voor Pensioenbelangen te ‘s-Gravenhage, van contra-memorie gediend,
waarin mede is verwezen naar een bijgevoegd commentaar d.d. 25 juni
1991 van dr E. Lutjens, advocaat te Utrecht. Laatstgenoemde heeft zich
bij brief d.d. 8 oktober 1992 als gemachtigde van gedaagde gesteld.

De Raad heeft onder dagtekening 8 januari 1993 op grond van artikel 177
van het EEG- Verdrag aan het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen prejudiciele vragen gesteld. Deze vragen hebben geleid
tot het arrest van het Hof d.d. 28 september 1994 (zaak C- 7/93), onder
ander gepubliceerd in TAR 1994, 232.

Bij brief d.d. 30 november 1994 heeft mr. De Groot voornoemd,
desverzocht, aan de Raad het standpunt medegedeeld waartoe eiser op
grond van genoemd arrest d.d. 28 september 1994 is gekomen.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van 26 januari 1995. Daar
heeft eiser zich doen vertegenwoordigen door mr. De Groot voornoemd en
door mr. J.C.M. Calis, werkzaam bij het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds; gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn
raadsvrouw mr P.M. Sieman, advocaat te Utrecht.

II. Motivering

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (hierna:
Awb) in werking getreden en de Ambtenarenwet 1929 gewijzigd. De in dit
kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee
dat op het onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing
van het procesrecht zoals dat luidde voor 1 januari 1994, behoudens wat
betreft de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als geregeld in
artikel 8:75 van de Awb.

Blijkens de stukken van het geding heeft de voormalige directie van het
Algemeen burgerlijk pensioenfonds bij beslissing van 30 juni 1982, aan
gedaagde, die is geboren op 3 februari 1923, met ingang van 1 juni 1982
(datum van zijn ontslag uit ambtelijke dienst) een
invaliditeitspensioen ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet
(verder: de Wet) verleend, onder meer berekend met inachtneming van een
invaliditeitsgraad van 80% of meer. Bij pensioenbeschikking d.d. 29
februari 1988 is het invaliditeitspensioen van gedaagde op grond van
artikel F 12 van de Wet ingaande 1 februari 1988 nader vastgesteld. De
pensioengevende diensttijd is bepaald op het maximum van 40 jaren (door
gedaagde bereikt op 24 april 1985). Voorts is, aangezien gedaagde,
evenals zijn echtgenote, tevens recht heeft op pensioen ingevolge de
Algemene Ouderdomswet (AOW), onder toepassing van artikel J6 in
samenhang met artikel J 4, tweede lid, van de Wet, betrekking hebbende
op pensioengevende diensttijd tot 1 januari 1986, het inbouwbedrag
vastgesteld op ƒ 16.286,59 per jaar (zijnde 80% van tweemaal het
gehuwdenpensioen ingevolge de AOW). Tegen deze pensioenbeschikking
heeft gedaagde bezwaar gemaakt. Hierbij heeft hij erop gewezen dat in
het geval van een gehuwde vrouw in overigens gelijke omstandigheden
ingevolge artikel J 13 van de Wet het inbouwbedrag minder bedraagt,
waar wordt uitgegaan van het pensioen ingevolge de AOW voor een
ongehuwde pensioengerechtigde. Gedaagde meende dat de regeling, vervat
in artikel J 13, strijdt met het beginsel van gelijke behandeling van
mannen en vrouwen en poneerde dat ook hij aanspraak maakt op een
regeling van de inbouw als voorzien in dat voorschrift. Eiser heeft bij
de bestreden beslissing het bezwaar van gedaagde afgewezen, in
hoofdzaak op de grond dat het voor gedaagde in aanmerking genomen
inbouwbedrag geheel overeenkomstig de van toepassing zijnde
voorschriften van hoofdstuk J van de Wet is vastgesteld en dat hij die
voorschriften niet buiten toepassing kan laten.

De eerste rechter heeft zich niet met de bestreden beslissing verenigd;
hij heeft de bezwaren van gedaagde onderschreven, in hoofdzaak omdat
naar zijn oordeel beslist is in strijd met de richtlijn 79/7 EEG van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1978.

Zoals onder I vermeld, heeft de Raad in het kader van dit geding vragen
voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Die
vragen luiden als volgt: 1) Dient onder wettelijke regeling inzake
ouderdom, als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder a, van richtlijn
79/7/EEG mede te worden verstaan een wettelijke pensioenregeling voor
(in hoofdzaak) ambtenaren als neergelegd in de ABPW? 2) Zo ja, moet het
beginsel van gelijke behandeling, neergelegd in artikel 4, lid 1, van
voormelde richtlijn, zo worden uitgelegd dat daarmee in strijd is een
onderling verschillende regeling van samenloop van algemeen pensioen
(AOW) en ambtelijk pensioen voor gehuwde mannelijke (gewezen)
ambtenaren enerzijds en gehuwde vrouwelijk (gewezen) ambtenaren
anderzijds? 3) Indien vragen 1) en 2) bevestigend worden beantwoord,
kan dan de gehuwde mannelijke gewezen ambtenaar, bij gebreke van een
nationale regeling welke de ongelijkheid van behandeling als hierboven
bedoeld teniet doet, op de bepalingen van richtlijn 79/7/EEG een
vordering doen steunen dat hij wat betreft zijn aanspraak op ambtelijk
pensioen op dezelfde wijze wordt behandeld als een, in overigens
gelijke omstandigheden verkerende, gehuwde vrouwelijke ambtenaar? 4)
Brengt de werking van het beginsel van gelijke behandeling, bedoeld in
vraag 3), mee dat de ongelijkheid in pensioenaanspraken tussen gehuwde
mannelijke en gehuwde vrouwelijke ambtenaren, als in dit geding aan de
orde, vanaf 23 december 1984 teniet wordt gedaan, ook voor zover de
pensioenaanspraak berust op tijdvakken (i.e. diensttijd als ambtenaar)
voor die datum? Is in dit verband nog van belang een element dat in de
arresten in de zaken C-87, 88 en 89/90 (Verholen e.a. , d.d. 11 juli
1991), zaak 384/85 (Borrie Clarke, d.d. 24 juni 1987) niet aan de orde
is geweest, namelijk dat in het pensioenstelsel van de ABPW de
financiering geschiedt door middel van kapitaaldekking? Indien uw Hof
vraag 1) ontkennend beantwoordt verzoekt de Raad het Hof, met
terzijdelating van de vragen 2) tot en met 4), de hierna volgende
vragen te beantwoorden. 5) Moet onder het begrip beloning in artikel
119 EEG-Verdrag mede worden verstaan ouderdomspensioen voor (in
hoofdzaak) ambtenaren als waarin voorzien door de Nederlandse ABPW? 6)

Indien vraag 5) bevestigend wordt beantwoord, en er van uit moet worden
gegaan dat de onderling verschillende regeling voor gehuwde mannelijke
en gehuwde vrouwelijke (gewezen) ambtenaren met betrekking tot de
samenloop van algemeen pensioen (AOW) en ambtelijk pensioen in strijd
is met het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke
werknemers, neergelegd in genoemde verdragsbepaling, kan dan de gehuwde
mannelijke ambtenaar met een beroep op dat beginsel bewerkstelligen
dat hij wat betreft zijn pensioenaanspraak op dezelfde wijze wordt
behandeld als een gehuwde vrouwelijke ambtenaar? 7) Zijn er in het
gemeenschapsrecht aanknopingspunten te vinden om, bij bevestigende
beantwoording van de vragen 5) en 6), de gevolgen van de schending van
het gemeenschapsrecht te beperken, zowel ten aanzien van het tijdstip
met ingang waarvan aanspraak op gelijke behandeling kan worden gemaakt,
als ten aanzien van de tijdvakken waarover aanspraak op pensioen is
opgebouwd? Is bij de beantwoording van deze vragen van betekenis dat in
het onderhavige pensioenstelsel de financiering geschiedt door middel
van kapitaaldekking?

Het Hof heeft in zijn onder I genoemde arrest ter zake van deze vragen
als volgt geantwoord: ‘1. Een pensioen als waarin de Algemene
Burgerlijke Pensioenwet (ABPW) voorziet valt binnen de werkingssfeer
van artikel 119 van het Verdrag. 2. Artikel 119 verzet zich tegen een
wettelijke regeling als de ABPW, die met betrekking tot aanspraken op
ouderdomspensioen over diensttijd voor 1986 voor gehuwde mannelijke
gewezen ambtenaren een andere regel voor de berekening van het bedrag
van het ambtelijke pensioen voorziet dan die welke geldt voor gehuwde
vrouwelijke gewezen ambtenaren; dit artikel kan rechtstreeks voor de
nationale rechter worden ingeroepen; de door de discriminatie
benadeelde gehuwde mannen moeten gelijk worden behandeld als gehuwde
vrouwen en op hen moet dezelfde regeling worden toegepast als op
gehuwde vrouwen. 3. Ingevolge het protocol ad artikel 119 van het
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (protocol nr. 2)
kunnen enkel ambtenaren of hun rechtverkrijgenden die voor 17 mei 1990
een rechtsverordening of een naar geldend nationaal recht daarmee
gelijk te stellen vordering hebben ingesteld, op de rechtstreekse
werking van artikel 119 een beroep doen ten einde gelijkheid van
behandeling te eisen met betrekking tot de betaling van uitkeringen die
verschuldigd zijn uit hoofde van een pensioenregeling als die van de
ABPW en worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid tussen 8 april
1976 en 17 mei 1990.’

Uit de antwoorden onder 1 en 2 vloeit eerst voort dat in dezen artikel
119 van het EEG-Verdrag rechtstreeks van toepassing is. Voorts geven
zij aan dat de regeling van grond van artikel J 6 in samenhang met
artikel J 4, tweede lid, van de Wet, over diensttijd tot 1 januari
1986, strijdt met genoemd artikel 119. Tenslotte leiden zij ertoe, dat
de dientengevolge benadeelde gehuwde mannen gelijk moeten worden
behandeld als gehuwde vrouwen en dat op hen een regeling dient te
worden toegepast, welke is neergelegd in artikel J 13 van de Wet.
Gedaagde behoort tot deze categorie van benadeelde gehuwde mannen.

Met het oog op het antwoord onder 3 is in casu in de eerste plaats van
belang dat gedaagde voor 17 mei 1990 een rechtsvordering als in dit
antwoord bedoeld heeft ingesteld. Derhalve kan hij een beroep doen op
rechtstreekse werking van artikel 119 van het EEG-verdrag, op de voet
van hetgeen het Hof in het dictum van zijn arrest onder 3) heeft
aangegeven. Het appel van gedaagde leidt realiter ertoe dat eiser voor
het regelen van de inbouw in gedaagdes pensioen ingevolge de Wet van 1
februari 1988 af, alsnog overeenkomstig de regeling van artikel J 13
van de Wet dient te beslissen, en wel voorzover gedaagdes pensioen is
toe te rekenen aan zijn pensioengevende diensttijd van 8 april 1976 tot
1 januari 1986, feitelijk: 25 april 1985.

Op grond van het voorgaande komt de Raad tot de slotsom dat de
aangevallen uitspraak, alhoewel de eerste rechter terecht heeft bepaald
dat de bestreden beslissing niet in stand kan blijven, gegeven de
motivering en de strekking ervan, moet worden vernietigd. De Raad zal
op zijn beurt de bestreden beslissing en de daarin genoemde
pensioenbeschikking d.d. 29 februari 1988 nietig verklaren en eiser
opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van zijn
uitspraak.

De Raad ziet, tenslotte, termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb en eiser te veroordelen in de in
hoger beroep gevallen proceskosten van gedaagde, die zijn begroot op ƒ
4.970, als kosten van rechtsbijstand, en op ƒ 54,50 als reiskosten,
totaal ƒ 5.024,50. Hierbij tekent de Raad aan dat hij ter zake van de
namens gedaagde ingediende contra- memorie op voet van het gestelde
onder C1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht het
gewicht van de zaak als zeer zwaar heeft aangemerkt en de kosten
daarvan heeft begroot op (f 710,- x 2 = ) ƒ 1.420,-; en voorts dat
ingevolge het gestelde onder A2 van de genoemde bijlage de kosten van
de prejudiciele procedure bij het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, gegeven de aan de kant van gedaagde verrichte
proceshandelingen, op (2 + 2) x ƒ 710,- =) ƒ 2.840,- zijn gewaardeerd.
De namens gedaagde in geding gebrachte reis- en verblijfkosten ter zake
van het bijwonen van de zitting van het Europese Hof (naar zijn opgave
bedragende ƒ 2.202,20) kunnen, gelet op artikel 1 onder c van het
Besluit proceskosten bestuursrecht en op het gestelde in de Nota van
Toelichting onder II, artikel 1, onderdeel c, niet in de veroordeling
worden betrokken aangezien deze kosten niet op reizen en verblijven van
gedaagde zelf -doch van zijn gemachtigde dr Lutjens en een derde
belangstellende- betrekking hebben.

De Raad beslist als volgt.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart nietig de bestreden
beslissing en de daarin genoemde beslissing d.d. 29 februari 1988;
Bepaalt dat eiser een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen
in deze uitspraak is overwogen; Veroordeelt eiser in de proceskosten
van gedaagde tot een bedrag groot ƒ 5.024,50, te betalen door het
Algemeen burgerlijk pensioenfonds.

Rechters

Mrs Treffers, Schoemaker, Stevens

Instantie: Rechtbank Almelo, 15 februari 1995

Instantie

Rechtbank Almelo

Samenvatting


Partijen zijn 16 jaar getrouwd en hebben een meerderjarig en een
minderjarig kind. De man stelt dat de vrouw geen behoefte heeft omdat
zij als genezeres inkomen geniet. De vrouw heeft dit gemotiveerd
betwist. Zij ontvangt een WAO-uitkering, door de Sociale Dienst
aangevuld. De vrouw heeft genoegzaam aangetoond behoefte te hebben.
Alimentatie wordt ƒ 710,=.

Volledige tekst

Overweegt ten aanzien van:

het procesverloop:

Bij op 12 september 1994 ter griffie ingekomen verzoekschrift met
bijlagen en op 21 oktober 1994 aanvullend verzoekschrift is verzocht de
echtscheiding tussen partijen uit te spreken en nevenvoorzieningen te
treffen.

Op 31 oktober 1994 is een verweerschrift ter griffie van deze rechtbank
ingekomen. Dit verweerschrift bevat tevens een tegenverzoek, tegen welk
verzoek op 30 november 1994 een verweerschrift is ingediend.

Van de vrouw is tenslotte op 13 december 1994 een verweerschrift op het
aanvullend verzoekschrift ter griffie ingekomen.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 23 januari 1995, alwaar
partijen, bijgestaan door hun procureur, zijn gehoord.

de standpunten van partijen:

Partijen verschillen van mening over de door de vrouw verzochte
alimentatie en over de door de man verzochte vergoeding voor het
voortgezet gebruik van de echtelijke woning.

de beoordeling van het verzoek:

De in artikel 815 lid 2 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv)
gemelde bescheiden zijn als bijlagen bij het verzoek gevoegd.

Partijen verschillen van nationaliteit.

Gebleken is dat de situatie als bedoeld in artikel 814 RV zich hier
voordoet, zodat de Nederlandse rechter met betrekking tot de verzochte
echtscheiding rechtsmacht toekomt.

De keuze voor toepassing van Nederlands recht is onweersproken gebleven
zodat op grond van het bepaalde in de Wet van 25 maart 1981, houdende
regeling van het conflictenrecht inzake ontbinding van het huwelijk en
scheiding van tafel en bed, Nederlands recht op het verzoek tot
echtscheiding van toepassing is.

Naar aanleiding van de nevenvoorziening tot verdeling van de
gemeenschap rijst de vraag aan welke huwelijksvermogensrecht partijen
onderworpen zijn. Partijen zijn na 22 augustus 1977 gehuwd. Niet
gebleken is van een ten tijde van de sluiting van het huwelijk
uitdrukkelijk gemaakte dan wel na 1 september 1992 -conform artikel 13
van het op 14 maart 1978 te ‘s-Gravenhage tot stand gekomen en op 1
september 1992 voor Nederland in werking getreden verdrag inzake recht
dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime- in een notariele
akte neergelegde rechtskeuze van partijen. Bij gebreke van een
toenmalige gemeenschappelijke nationaliteit van partijen leidt dit
derhalve tot de toepassing van het Nederlands recht. Deze uitkomst
berust op het feit dat de eerste huwelijksdomicilie van partijen in
Nederland gelegen is. Deze voorziening is naar het toe te passen recht
voor toewijzing vatbaar.

Omdat op het verzoek tot echtscheiding het Nederlands recht wordt
toegepast, beheerst dit recht ook de nevenvoorziening tot
levensonderhoud.

De gezagsvoorziening en kinderalimentatie worden beheerst door het
Nederlands recht, aangezien de minderjarige zijn gewone verblijfplaats
in Nederland heeft. De rechtbank is van oordeel dat de man in zijn
verzoek voor wat betreft niet kan worden ontvangen, nu deze op 11
november 1994 meerderjarig is geworden. De minderjarige is in de
gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken en heeft hiervan
gebruik gemaakt.

De rechtbank acht na te melden -mede door de ouders voorgestane-
voorziening in het gezag het meest in het belang van de onderhavige
minderjarige.

De rechtbank begrijpt dat het verzoek van de vrouw tot voortgezet
gebruik van de echtelijke woning is ingetrokken, nu de vrouw vanaf 1
januari 1995 niet meer bewoont.

De man heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de vrouw met
terugwerkende kracht over de periode van 1 juli 1994 tot 1 januari 1995
een bedrag van ƒ 400,= per maand dient te betalen als redelijke
vergoeding voor het voortgezet gebruik. Hij stelt hiertoe dat de vrouw
zich jegens hem onredelijk heeft gedragen terzake de verkoop van de
echtelijke woning. Hij acht het derhalve niet redelijk dat hij de
woonlasten over voormelde periode heeft gedragen. De rechtbank is van
oordeel dat het verzoek van de man dient te worden afgewezen. Bij
beschikking voorlopige voorzieningen van deze rechtbank d.d. 19
september 1994 is het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan
de vrouw toegewezen. Het betalen van een redelijke vergoeding door de
vrouw aan de man is hierbij niet opgelegd. Het op de weg van de man
gelegen bij wijziging van omstandigheden -in casu het gedrag van de
vrouw- de beschikking voorlopige voorzieningen te doen wijzigen in die
zin dat aan de vrouw het gebruik van de woning slechts zou worden
toegekend tegen betaling van een bijdrage in de kosten. Daar komt bij
dat het voorts niet dan wel onvoldoende aannemelijk is geworden dat de
vrouw zich daadwerkelijk onredelijk jegens de man heeft gedragen.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man een bedrag van ƒ 250,=
per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding
van en een bedrag van ƒ 1.500,= per maand in haar kosten van
levensonderhoud.

De man verweert zich tegen deze verzoeken van de vrouw. Hij stelt
hiertoe dat de vrouw geen behoefte heeft aan een bijdrage, nu zij in
staat is in haar eigen levensonderhoud te voorzien middels inkomsten
die zij geniet als genezeres. De man stelt voorts dat de vrouw een
bedrag van ƒ 44.807,26, zijnde de uit de opbrengst van de verkoop van
de vorige echtelijke woning van partijen gerealiseerde overwaarde, op
haar rekening gestort heeft gekregen. Tot op heden heeft hij zijn deel
niet ontvangen. De man stelt tenslotte dat zijn draagkracht het
opleggen van een bijdrage niet toelaat.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw genoegzaam heeft aangetoond
behoefte te hebben aan een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud.
Zij ontvangt een WAO-uitkering die door de gemeentelijke sociale dienst
wordt aangevuld tot het bijstandsniveau. De rechtbank gaat voorbij aan
de stelling dat de vrouw inkomsten geniet als genezeres, nu de vrouw
gemotiveerd heeft betwist dergelijke inkomsten te genieten en de man
geen bewijs van zijn stelling heeft aangeboden. De algemene regels van
bewijsrecht rechtvaardigen niet de stelling van de man dat in casu
bewijs door de vrouw dient te worden geleverd dat zij die inkomsten
niet geniet. De stelling van de man dat de vrouw een bedrag van ruim ƒ
44.000,= heeft ontvangen en zij de man zijn deel niet heeft doen
toekomen wordt door de vrouw betwist. De vrouw heeft een verklaring van
de bank overgelegd waaruit blijkt dat voormeld bedrag is aangewend ter
financiering van de aankoop van de huidige echtelijke woning. Eventuele
aanspraken die de man op de vrouw stelt te hebben zal hij te zijner
tijd bij de boedelnotaris naar voren hebben te brengen.

De rechtbank is bij de berekening van de draagkrachtruimte aan de zijde
van de man -die als alleenstaande moet worden aangemerkt- uitgegaan van
een inkomen van ƒ 2.827,= netto per maand, inclusief de waarde van de
door de man te ontvangen vakantiebonnen. Zij heeft hierbij rekening
gehouden met de op de door de man overgelegde salarisspecificatie
vermelde fiscale vermindering (beschikking inspecteur) van ƒ 192,= per
week. De rechtbank acht het redelijk tot het moment dat de echtelijke
woning zal zijn verkocht rekening te houden met een bedrag van ƒ
1.025,= per maand terzake woonlasten boven de norm, waarbij zij het
forfaitaire bedrag terzake eigenaarslasten van ƒ 150,= per maand en het
door de man te genieten fiscale voordeel in aanmerking heeft genomen.
De rechtbank heeft hierbij tevens rekening gehouden met de door de man
opgevoerde huurlast van ƒ 315,= per maand voor de thans door hem
bewoonde woning aan de te E. Vanaf het moment dat de echtelijke
woning zal zijn verkocht heeft de man, gelet op de hoogte van de thans
door hem verschuldigde huur, geen woonkosten boven de norm.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met het door de man
opgevoerde bedrag van ƒ 25,= per maand terzake verwervingskosten, een
bedrag van ƒ 173,= per maand terzake kosten omgangsregeling, een bedrag
van ƒ 12,50 per maand terzake de begrafenispremie en een bedrag van ƒ
210,= per maand terzake rente en aflossing op de kredietovereenkomst.

Gelet op het hiervoren overwogene is de rechtbank van oordeel dat de
man tot het moment dat hij de hypothecaire lasten van de echtelijke
woning heeft te voldoen, in staat moet worden geacht een bedrag van ƒ
50,= per maand bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding
van V.

Vanaf het moment dat de echtelijke woning zal zijn verkocht moet de man
in staat worden geacht na te melden bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van V en na te melden bijdragen in de kosten
van levensonderhoud van de vrouw te voldoen. De rechtbank heeft hierbij
rekening gehouden met de aftrek wegens buitengewone lasten en het
hierdoor te genieten fiscale voordeel.

In de omstandigheid dat partijen echtelieden zijn wordt aanleiding
gevonden de proceskosten als na te melden te compenseren.

de beslissing:

1. Spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op gehuwd.

2. Beveelt partijen om, zodra deze beschikking zal zijn ingeschreven in
de registers van de burgerlijke stand, met elkaar over te gaan tot
verdeling van de gemeenschap, waarin zij zijn gehuwd.

Benoemt notaris Th. J.M. de Rooy te Enschede tot notaris, voor wie, zo
partijen niet binnen veertien dagen na die inschrijving een ander
kiezen, de werkzaamheden van die verdeling zullen plaats hebben op door
die notaris te bepalen tijd en plaats.

Verstaat, dat de kosten die de benoemde of gekozen notaris in het kader
van voormelde werkzaamheden maakt, ten laste van de te verdelen
gemeenschap komen. Benoemt mr. A.M Kuipers, advocaat en procureur te
Almelo, en mr. E.J. van Zoelen, advocaat en procureur te Enschede, tot
onzijdige personen om de man respectievelijk de vrouw te
vertegenwoordigen, zo deze of dezen in gebreke mocht of mochten blijven
op de door de benoemde of gekozen notaris voor de verdeling bepaalde
tijd en plaats te verschijnen, of verschenen zijnde, mocht of mochten
weigeren aan de verdeling mede te werken.

3. Veroordeelt de man om, vanaf de dag dat de echtelijke woning zal
zijn verkocht en mits deze beschikking is ingeschreven in de registers
van de burgerlijke stand, aan de vrouw tot haar levensonderhoud te
betalen een bedrag van ƒ 710,= (zevenhonderdtien gulden) per maand,
telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

4. Benoemt de vrouw tot voogdes over: V geboren te en de man tot
toeziend voogd en beveelt de afgifte aan de aldus met het gezag beklede
ouder, voor zover een eerdere rechterlijke beslissing zich daar niet
tegen verzet.

5. Bepaalt het bedrag dat de man aan de vrouw zal verstrekken als
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde
minderjarige thans op ƒ 50,= (vijftig gulden) per maanden vanaf het
moment dat de echtelijke woning zal zijn verkocht op ƒ 250,=
(tweehonderdvijftig gulden) per maand, telkens bij vooruitbetaling te
voldoen.

6. Verklaart deze beschikking ten aanzien van de onderdelen 2. tot en
met 5. uitvoerbaar bij voorraad.

7. Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen
kosten draagt.

8. Wijst af het meer of anders verzochte.

Rechters

Mr. Derks

Instantie: Rechtbank Utrecht, 15 februari 1995

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Partijen zijn 11 jaar gehuwd geweest en gaan scheiden, zij hebben twee
minderjarige kinderen. De vrouw stelt haar behoefte op ƒ 4500,= per
maand. De man betwist dat haar behoefte hoger dan ƒ 2.000,= per maand
is. Op grond van de (financiele) omstandigheden van partijen oordeelt
de rechtbank dat de vrouw een rechtens relevante behoefte heeft van ƒ
4500,= per maand, mede gezien het welstandsniveau van partijen tijdens
het huwelijk (de vrouw heeft aanzienlijke kosten in verband met
deelname van de kinderen aan diverse sporten en door hen en haarzelf te
volgen muzieklessen). De rechtbank neemt daarbij mede in overweging dat
de vrouw redelijkerwijs niet geacht kan worden binnen afzienbare tijd
(gedeeltelijk) in haar eigen levensonderhoud te voorzien, gelet op haar
leeftijd, de situatie op de arbeidsmarkt en het feit dat zij de
dagelijkse zorg over de kinderen heeft. Limitering wijst de rechtbank
af omdat er onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld die
limitering rechtvaardigen. Alimentatie wordt ƒ 4.500,=.

Volledige tekst

1. Het (verdere) verloop van de procedure

Op 13 juli 1994 heeft de rechtbank een eerdere beschikking gegeven
tussen partijen. Voor het verloop van de procedure tot die datum wordt
verwezen naar die beschikking.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de nadere stukken die ter griffie
van deze rechtbank zijn ontvangen.

De behandeling van de zaak is met betrekking tot de definitieve
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige
kinderen van partijen, de definitieve bijdrage in het levensonderhoud
van de vrouw en de boedelscheiding zowel zoals die door de man als door
de vrouw is geformuleerd voortgezet ter terechtzitting met gesloten
deuren van 27 september 1994. Van hetgeen ter terechtzitting is
voorgevallen is proces-verbaal opgemaakt. De rechtbank heeft
kennisgenomen van de nadere stukken die ter griffie van deze rechtbank
zijn ontvangen.

De behandeling van de zaak is met betrekking tot de definitieve
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en
de definitieve bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw voortgezet
ter terechtzitting van 6 januari 1995.

2. Vaststaande feiten

De rechtbank verwijst hiervoor naar de beschikking van 13 juli 1994.

3. Beoordeling van het verzochte 3.1. Tussen partijen is omstreden, hoe
de huwelijksgoederengemeenschap die tussen hen bestaat, moet worden
verdeeld, of en zo ja in hoeverre de man verplicht moet worden geacht
bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw en de kosten van
verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen.

Boedelverdeling De man heeft boedelscheiding verzocht voorzover er
sprake is van een tussen partijen bestaande
huwelijksgoederengemeenschap c.q medeeigendom. De vrouw heeft verzocht
te bepalen dat de afwikkeling van de rechten en verplichtingen,
voortspruitende uit het huwelijksgoederenregime plaats zal dienen te
vinden met uitsluiting van het in de akte van huwelijksvoorwaarden
opgenomen vervalbeding en de facto partijen met elkaar dienen af te
rekenen als ware er een wettelijke deelgenootschap met voorts de
benoeming van een notaris en onzijdige personen als volgens de wet, ten
overstaan van wie met inachtneming van de juist verzochte beslissing
tussen partijen kan worden afgerekend, althans een zodanige voorziening
te treffen, die de basis kan vormen voor verdere verrekening en
afrekening tussen partijen ten overstaan van vorenbedoelde notaris.

De man heeft de niet ontvankelijkheid van de vrouw in haar verzoek
bepleit omdat zijns inziens art. 827 Rv te dezen geen ruimte biedt.

De vrouw stelt dat zij wel ontvankelijk is. Vooropgesteld dient te
worden dat, blijkens de in de Memorie van Antwoord opgenomen woorden
van de Staatssecretaris van Justitie TK 86-87, 19242 nr 6 blz 17 en 18,
de in de art. 827 lid 1 sub b bedoelde nevenvoorziening “met betrekking
tot boedelscheiding” heel in het algemeen doelt op de veroordeling om
mee te werken aan de verdeling van de ontbonden gemeenschap met
benoeming van een notaris en een onzijdig persoon. Het gaat hier om
voorbereidende maatregelen die eventueel gevolgd worden door een
zwarighedenprocedure. De wetgever heeft geen wijziging beoogd in de
onder het oude recht al bestaande taakverdeling tussen notaris en
rechter op het gebied van de boedelscheiding.

Gelet op deze bedoeling van de wetgever dient te worden geconcludeerd
dat de vrouw in haar onderwerpelijk verzoek dat een veel ruimere
strekking heeft dan het nemen van een voorbereidende maatregel niet
ontvankelijk is.

Sedert de hiervoor aangehaalde woorden van de Staatssecretaris van
Justitie heeft echter op 1 januari 1992 de invoering plaatsgevonden van
o.a. boek 3 BW en van de art. 677-680 RV. Ingevolge art. 3: 185 BW kan
de rechter -onder voorwaarde- zelf de (wijze van) verdeling vaststellen
en ingevolge art. 677 lid 4 Rv zijn de rechtsvorderlijke bepalingen van
de art. 677- 680 Rv van overeenkomstige toepassing op verzoeken en
beschikkingen betreffende de verdeling van een gemeenschap van goederen
die door of tijdens huwelijk is ontstaan.

De per 1 januari 1992 ingevoerde wetgeving biedt de rechter de
mogelijkheid om op een verzochte nevenvoorziening ingevolge art. 827
lid 1 sub b Rv een verderstrekkende beslissing te geven dan het enkel
gelasten van de verdeling met benoeming van een notaris en
-desverlangd- onzijdig persoon. Gelet op de bedoeling en strekking van
de in de Memorie van Antwoord opgenomen woorden van de Staatssecretaris
dient echter wel in het oog te worden gehouden dat het om
voorbereidende maatregelen gaat of om het bevorderen van een regeling
in der minne bij de behandeling van het scheidingsverzoek of andere
nevenvoorzieningen, waarbij met name aan de vaststelling van
alimentatie kan worden gedacht.

Een verzoek als dat van de vrouw gaat deze door de wetgever bedoelde
grenzen te buiten. De rechtbank hecht in dit kader ook betekenis aan de
door de wetgever in het nieuwe scheidingsprocesrecht -art. 818 lid 4
Rv- neergelegde beginsel van de geconcentreerde behandeling. Materiele
behandeling van het verzoek van de vrouw vereist beantwoording van
rechtsvragen die naar het oordeel van de rechtbank binnen het kader van
een geconcentreerde behandeling niet mogelijk is.

Vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vrouw in haar verzoek ex
art. 827 lid 1 sub b Rv niet ontvankelijk is.

De man is wel ontvankelijk in zijn verzoek tot een bevel tot
boedelscheiding: dit is een voorlopige maatregel als door de wetgever
bij artikel 827 b Rv bedoeld.

Alimentatie

De vrouw heeft gevraagd de door de man te betalen bijdragen voor
haarzelf en de kinderen vast te stellen op respectievelijk ƒ 4.500,=
per maand en ƒ 400,= per kind per maand, te vermeerderen met de
wettelijke indexering.

De man heeft zich daartegen verweerd. Zijns inziens heeft de vrouw geen
behoefte aan een bijdrage in haar levensonderhoud die meer bedraagt dan
ƒ 2.000,= per maand. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de vrouw, gelet
op haar capaciteit om een eigen inkomen te verdienen, gedeeltelijk in
haar eigen levensonderhoud kan voorzien, alsmede dat partijen tijdens
het huwelijk beslist niet een dergelijk hoog welstandsniveau hebben
gehad als door de vrouw wordt gesuggereerd. Voorts heeft de man
aangevoerd, dat de gevraagde bijdragen zijn draagkracht te boven gaan.
Verder heeft hij verzocht de alimentatie, gelet op de per 1 juli 1994
in werking getreden Wet Limitering Alimentatie en de duur van het
huwelijk (11 jaar), in tijd te limitering en verlening van de
vastgestelde termijn uitdrukkelijk uit te sluiten.

Ten aanzien van de (financiele) omstandigheden van partijen is het
volgende gebleken:

ten aanzien van de vrouw (geboren op 1 oktober 1960)

-zij leeft in gezinsverband samen met de minderjarige kinderen van
partijen; -Zij heeft geen eigen inkomsten uit arbeid; -haar huur
bedraagt circa ƒ 1.000,= per maand, exclusief gas, licht en water;
daarnaast heeft zij o.a. telefoonkosten en kosten in verband met de
gemeentebelastingen; -zij heeft aanzienlijke kosten in verband met de
deelname van de kinderen aan diverse sporten en de door hen -en ook
door de vrouw zelf- te volgen muzieklessen.

ten aanzien van de man (geboren op 5 augustus 1958)

-hij dient als alleenstaande te worden beschouwd: -hij dient terzake
zijn hypotheeklasten aan aflossing ƒ 650,92 per maand en aan rente ƒ
366,66 per maand te betalen; -zijn overige eigenaarslasten bedragen ƒ
266,54 per maand; -hij betaald ƒ 395,50 per maand aan premie
ziektekosten; de kosten terzake zijn eigen risico bedragen ƒ 83,33 per
maand; -hij heeft reele verwervingskosten van ƒ 131,50 per maand;
-terzake rente/aflossing van schulden betaalt hij ƒ 1.33,25 per maand;
-zijn extra kosten/kosten terzake spaarregelingen van de kinderen
bedragen ƒ 75,= per maand.

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de hierboven
weergegeven feiten en omstandigheden alsmede het welstandsniveau van
partijen tijdens het huwelijk de conclusie dat de vrouw een rechtens
relevante behoefte aan een bijdrage van de man heeft van ƒ 4.500,= per
maand, te vermeerderen met de wettelijke indexering per 1 januari 1994
en de wettelijke indexering per 1 januari 1995, daarbij mede in
overweging nemende dat de vrouw redelijkerwijs niet geacht kan worden
binnen afzienbare tijd (gedeeltelijk) in haar eigen levensonderhoud te
voorzien, gelet op haar leeftijd, de situatie op de arbeidsmarkt en het
feit dat zij de dagelijkse zorg over der partijen minderjarige kinderen
heeft.

Bij het onderzoek van de draagkracht van de man is de rechtbank
uitgegaan van de hierboven opgesomde feiten en omstandigheden.

Voorts wordt bij dat onderzoek rekening gehouden met een
huurwaardeforfait van ƒ 1.680,= per jaar en een arbeidskosten forfait
van ƒ 2.139,= per jaar.

Met betrekking tot het voor de draagkracht in aanmerking te nemen
inkomen aan de zijde van de man overweegt de rechtbank als volgt.

Ieder van partijen heeft een deskundige verzocht te dezen een onderzoek
in te stellen naar de resultaten van de vennootschappen van de man met
het oog op de door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling
onderworpen vraag welk bedrag aan arbeidsinkomen en welk bedrag aan
vermogensrendement in redelijkheid aan de man zou kunnen worden
toegerekend.

De door de man ingeschakelde deskundige, registeraccountant , heeft
in zijn onderzoek de jaarrekeningen 1991 tot en met 1993 als grondslag
genomen.

De vrouw heeft registeraccountant te ingeschakeld.

heeft zijn onderzoek gebaseerd op de jaarrekeningen van Aanne-
mingsmaatschappij en van BV over 1992 en 1993 en heeft -na
kennisname van de bevindingen van- ook een conclusie verbonden aan de
jaarrekening over 1991 t/m 1993.

komt in zijn laatste rapport tot de conclusie dat het jaarinkomen van
de man als volgt dient te worden berekend: “-gemiddeld resultaat van
aannemingsbedrijf BV na aftrek van management fee
ƒ 110.500,= -gemiddeld resultaat na aftrek van de post salaris
ƒ 84.700,= -gemiddeld toegekend salaris van de heer 1991 ƒ 107,288,= +
ƒ 28.560 (pensioen) = ƒ 135.848,= 1992 ƒ 118,993,= + ƒ 25.090,=
(pensioen) = ƒ 144.083,= 1993 ƒ 127,165 + ƒ 29.659,= (pensioen) = ƒ
156.824,= totaal en gemiddeld over drie jaar ƒ 436.755,= ƒ
145.585,= _________ Inkomen op jaarbasis over de periode 1991 t/m 1993
ƒ 340.785,=”

heeft geconcludeerd:

“Gezien de wisselende resultaten in deze branche is een fee ad ƒ
155.000,= per jaar op een resultaat uit activiteiten van gemiddeld ƒ
203.400,= per jaar zeer redelijk te noemen. Een hogere fee zal vrij
snel kunnen leiden tot een te laag rendement van het vermogen.”

De rechtbank constateert dat de deskundige zich feitelijk beperkt tot
een redelijke fee voor arbeidsinspanningen van de man terwijl ook
tot een redelijke vergoeding aan de man als aandeelhouder over zijn
vennootschappelijke kapitaal concludeert.

De rechtbank gaat ervan uit dat voor de vaststelling van de draagkracht
van de man niet alleen een redelijke vergoeding voor zijn
arbeidsinspanning in aanmerking dient te worden genomen, maar ook een
in redelijkheid over zijn vermogen te behalen winst. De man heeft
tijdens de laatste mondelinge behandeling op een desbetreffende vraag
van de rechtbank geantwoord dat naast een hem gemiddeld toekomend
resultaat uit arbeid van ƒ 155.000,= ca. ƒ 45.000,= resultaat uit
vermogen -namelijk totaal circa ƒ 200.000,= per jaar- kan worden
toegerekend.

Op basis van de door de man zelf in rechte gegeven informatie -een
totale bruto draagkracht van ca. ƒ 200.000,= per jaar- is voldoende
ruimte aanwezig om de door de vrouw verzochte alimentatie voor haarzelf
ad ƒ 4.500,= per maand vermeerderd met de wettelijke indexering per 1
januari 1994 en de wettelijke indexering per 1 januari 1995 te betalen
alsmede de door haar verzochte alimentatie voor de kinderen ad ƒ 400,=
per kind per maand vermeerderd met de wettelijke indexering per 1
januari 1994 en de wettelijke indexering per 1 januari 1995.

De ten behoeve van de kinderen gevraagde bijdragen gaan hun behoefte
niet te boven. Er zijn onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld,
die de door de man verzochte limitering in tijd van de alimentatie
rechtvaardigen.

Dienovereenkomstig zal worden beslist.

3.2. Nu partijen echtelieden zijn, zal de rechtbank bepalen dat ieder
van partijen de eigen proceskosten moet dragen.

4. Beslissing

4.1. De man moet vanaf de dag dat de echtscheidingsbeschikking in de
registers van de burgerlijke stand zal zijn ingeschreven, ƒ 4.670,=
(vierduizendzeshonderdzeventig gulden) per maand aan de vrouw voor haar
levensonderhoud uitkeren, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Deze
beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.

4.2. De vrouw is niet ontvankelijk in haar verzoek ex art. 827 lid 1
sub b RV.

4.3. Partijen dienen vanaf de dag van deze beschikking, althans nadat
de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand
zal zijn ingeschreven, met elkaar over te gaan tot boedelscheiding,
voorzover nodig. Wanneer zij binnen veertien dagen na de dag van deze
beschikking, althans binnen veertien dagen na de inschrijving van de
echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand,
geen overeenstemming over de keuze van een notaris hebben bereikt,
zullen de werkzaam heden van de boedelscheiding worden verricht voor
mr. H.J.T.H. Tomlow, notaris te Montfoort of diens waarnemer op
opvolger.

Wanneer de man niet meewerkt aan de boedelscheiding zal mr. C.M.
Ettema, advocaat te Utrecht als zijn vertegenwoordiger optreden.

Wanneer de vrouw niet meewerkt aan de boedelscheiding zal mr. E.G.
Keppel, advocaat te Utrecht als haar vertegenwoordiger optreden.

4.4. De man moet vanaf de dag waarop deze beschikking in de registers
van de burgerlijke stand zal zijn ingeschreven voor de minderjarigen ƒ
415,= (vierhonderdvijftien gulden) per kind per maand betalen aan de
vrouw, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en vermeerderd met het
bedrag van iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten en/of
regelingen ten behoeve van de minderjarigen kan of zal worden verleend.

Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.

4.5. De partijen moeten hun eigen proceskosten betalen.

4.6. Wanneer de man niet vrijwillig de vastgestelde bijdragen in de
kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen alsmede
voor levensonderhoud van de vrouw betaalt, moet de man de daarvoor te
maken executiekosten betalen.

4.7. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Rechters

Mr. S.J.G.N.M. Willard

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 14 februari 1995

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


De vrouw heeft in haar aangifte inkomstenbelasting aftrek als kosten
kinderopvang verzocht voor het aan de au pair betaalde zakgeld en de
haar verstrekte kost en inwoning. Volgens het hof is de au pair in casu
in dienstbetrekking werkzaam, en is de vrouw verplicht belasting en
premies te betalen. Daarentegen beschouwt de vreemdelingendienst de au
pair niet als iemand die arbeid tegen loon verricht, zij hoeft geen
werkvergunning aan te vragen en valt onder een bijzondere bepaling van
de Wet Arbeid Buitenlandse Werknemers.

Volledige tekst

Gronden:

1. Belanghebbende is in een volledige dienstbetrekking werkzaam. Zij
heeft na een echtscheiding twee achtereenvolgens in 1988 en 1990
geboren kinderen toegewezen gekregen. Vanaf 4 maart 1993 verbleef B,
een op 1 november 1974 geboren Zuid-Afrikaanse, als au pair ten huize
van belanghebbende. Belanghebbende heeft in haar aangifte voor de
inkomstenbelasting aftrek als kosten van kinderopvang verzocht met
betrekking tot onder meer het aan de au pair betaalde zakgeld en de
haar verstrekte kost en inwoning.

2. Uit overgelegd documentatiemateriaal van het bemiddelingsbureau C
blijkt dat de au pair in ruil voor werkzaamheden in het gastgezin kost,
inwoning en zakgeld ontvangt. Vastgestelde richtlijnen regelen onder
meer de aard van het werk (te weten verzorging van kinderen en licht
huishoudelijk werk), de werktijden, het zakgeld (ten minste ƒ 500,- per
maand), de vakantie en de opzegtermijn. Belanghebbende maakt niet waar
dat de richtlijnen met betrekking tot het verblijf van B in haar huis
toepassing misten.

3. B verrichtte voor belanghebbende arbeid tegen een beloning. Het hof
acht voorts met de inspecteur aannemelijk dat belanghebbende, nu het om
haar kinderen en haar huishouding ging, – althans in beginsel – de
mogelijkheid had B aanwijzingen te geven omtrent de wijze waarop de
kinderen moesten worden verzorgd en het huishoudelijke werk moest
worden verricht. Belanghebbende maakt het tegendeel niet waar. B was
derhalve bij belanghebbende in dienstbetrekking werkzaam.

4. Aan het vorenstaande doen belanghebbendes stellingen dat de au pair
haar werk in het kader van een culturele uitwisseling verricht en dat
de vreemdelingendienst de au pair niet beschouwt als iemand die arbeid
tegen loon verricht, niet af.

5. De inspecteur heeft terecht van belanghebbende nageheven zowel met
betrekking tot het uitbetaalde zakgeld als de verstrekte kost en
inwoning, omdat al deze voordelen uit de dienstbetrekking werden
genoten.

6. Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in
proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve
rechtspraak belastingzaken. Beslissing:

Bevestigt de uitspraak waarvan beroep. Waarvan opgemaakt dit
procesverbaal

Rechters

Mr Smit

Instantie: Rechtbank Alkmaar, 9 februari 1995

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Partijen zijn 23 jaar getrouwd geweest en hebben twee minderjarige
kinderen van 12 en 17 jaar oud. De man stelt dat de vrouw geen behoefte
heeft omdat zij geacht moet worden in eigen levensonderhoud te kunnen
voorzien. De rechtbank acht deze stelling niet houdbaar. De vrouw is in
1993 afgestudeerd. Zij heeft nog geen baan. Zij heeft de zorg voor 2
kinderen. Het verzoek tot limitering tot een half jaar oordeelt de
rechtbank, gelet op de marktsituatie en de omstandigheden van de vrouw
niet redelijk. Alimentatie wordt nihil omdat er geen draagkracht is.

Volledige tekst

Gelet op de verwijzing naar deze kamer van de rechtbank; Wederom gezien
de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt, waaronder thans ook
authentieke afschriften van het door deze rechtbank gewezen tussenvonnis
van 5 augustus 1993 en van het procesverbaal van de bij dit vonnis gelaste
comparitie van partijen gehouden op 2 december 1993; Gehoord partijen,
nader ook te noemen de man en de vrouw; overweegt ten aanzien van de
feiten: Eiser heeft bij conclusie van eis onder meer gevorderd
echtscheiding subsidiair scheiding van tafel en bed tussen partijen,
Nederlanders, uit te spreken. Eiser heeft vervolgens nog een akte houdende
vermindering van eis genomen, waarbij de primaire eis tot echtscheiding
is ingetrokken.

Gedaagde heeft een conclusie van antwoord houdende referte genomen. Bij
nadere conclusie heeft gedaagde zelf een verzoek gedaan. Hierop heeft
eiser een antwoord naderen conclusie genomen. Gedaagde heeft daarop nog
een antwoordakte genomen. Daarna hebben partijen de stukken voor vonnis
overgelegd. Hierop heeft de rechtbank bij voormeld tussenvonnis een
comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op de hiervoor
vermelde datum. Bij gelegenheid van die comparitie heeft de procureur van
de man het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities, welke aan het
proces-verbaal van de comparitie zijn gehecht. Partijen hebben daarop
ieder nog een akte genomen. Tenslotte hebben partijen wederom de stukken
voor vonnis overgelegd. Overweegt ten aanzien van het recht: De eisende
partij heeft voldaan aan het voorschrift van artikel 817 (oud) van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De rechtbank heeft de in dit
vonnis vermelde voornamen en geslachtsnamen van partijen en de datum en
plaats van de huwelijksvoltrekking, alsmede de voornamen, geboortedatum
en -plaats van hun minderjarige kinderen, overgenomen uit de
desbetreffende bescheiden, voor zover nodig met dienovereenkomstige
rectificatie van de dagvaarding. Het gestelde omtrent de
huwelijkssluiting, het huwelijksgoederenregime, der partijen kinderen en
de nationaliteit van partijen staat als niet weersproken en gedeeltelijk
gestaafd door de overgelegde bescheiden ten processe vast. Voorts is als
gesteld en niet weersproken komen vast te staan dat het huwelijk duurzaam
is ontwricht zodat de vordering tot echtscheiding van tafel en bed, nu
daartegen geen verweer wordt gevoerd, kan worden toegewezen.

Ook de nevenvordering tot verdeling kan worden toegewezen, aangezien
daartegen geen verweer wordt gevoerd en deze de rechtbank gegrond
voorkomt. Tussen partijen is nog in geschil de door de vrouw gevorderde
bijdrage in haar levensonderhoud ad ƒ 800,= per maand. Hieromtrent is uit
de stukken en uit de door partijen ter comparitie verstrekte inlichtingen
het volgende gebleken:

a. Partijen zijn op te thans gemeente in het huwelijk getreden.
Uit hun huwelijk zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren.

b. De vrouw is eind februari 1993 afgestudeerd als werktuigbouwkundig
tekenaar. Zij heeft nog geen baan. De twee thans nog minderjarige kinderen
zijn aan haar zorg toevertrouwd. De rechtbank meent dat thans niet
houdbaar is de stelling dat de vrouw geen behoefte aan alimentatie heeft,
omdat zij geacht moet worden in haar eigen levensonderhoud te kunnen
voorzien. Gelet op de marktsituatie is de rechtbank van oordeel dat een
limitering in de tijd tot maximaal een half jaar onder deze omstandigheden
ook geenszins redelijk is.

c. De man heeft een bruto basissalaris van ƒ 5.474,= per maand exclusief
vakantiegeld. In mei 1994 is hem naast een incidenteel loon ƒ 3.926,26
netto uitgekeerd. Extra inkomsten zijn niet vast komen te staan. Hij
betaalt een studiebijdrage aan zijn meerderjarige kind ad ƒ 507,68. Aan
kale huur betaalt hij ƒ 872,45. Rekening houdend met de hierna vast te
stellen bijdrage ten behoeve van de twee nog minderjarige kinderen en
uitgaande van de opgevoerde ziektekostenpremie (alleen voor de man) en
rekening houdend met de kosten van de omgangsregeling tot een bedrag van
ƒ 100,=, is de rechtbank van oordeel dat bij de man de draagkracht
ontbreekt om overigens enige bijdrage te voldoen.

Met betrekking tot de nevenvordering tot verdeling van de
huwelijksgoederengemeenschap zal de rechtbank ervan uitgaan, dat bedoeld
is naast de benoeming van een notaris tevens de benoeming van onzijdige
personen voor ieder der partijen te vorderen. Met betrekking tot de
gevorderde voorziening in het gezag zijn partijen inmiddels ter comparitie
gehoord. Partijen zijn ermee akkoord dat de vrouw de ouderlijke macht zal
uitoefenen over de minderjarigen. Met betrekking tot de omgangsregeling
hebben partijen te kennen gegeven dit in onderling overleg te zullen
regelen. Een bijdrage ten behoeve van de minderjarigen van ƒ 400,= per
kind per maand acht de rechtbank in overeenstemming met de behoefte van
de kinderen en de financiele omstandigheden van de man. De rechtbank zal
conform het voorstel van partijen beslissen, nu zij dit het meest in het
belang van de minderjarigen acht. Doet recht: Spreekt tussen partijen, op
te thans gemeente gehuwd, scheiding van tafel en bed uit; Bepaalt
dat de ouderlijke macht over de minderjarigen: geboren te , gemeente
op geboren te , gemeente , op zal worden uitgeoefend door
de moeder;

Beveelt voorzover nodig de afgifte van de minderjarige aan de met het
gezag belaste ouder; Bepaalt dat de vader voornoemd als bijdrage in de
kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan de vrouw
telkens bij vooruitbetaling zal betalen ƒ 400,= per kind per maand, te
vermeerderen met het bedrag van iedere uitkering, die hem op grond van
geldende wetten of regelingen ten behoeve van deze minderjarigen kan of
zal worden verleend, een en ander met ingang van de dag waarop de voogdij
aanvangt, met dien verstande, dat de kosten van niet vrijwillige nakoming
voor rekening van de bijdrageplichtige komen;

Beveelt gedaagde met eiser over te gaan tot verdeling van de gemeenschap
waarin partijen zijn gehuwd en benoemt, tenzij partijen binnen acht dagen
nadat dit vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen, anders overeenkomen,
notaris mr. J.J. de Bruijn te Alkmaar, respectievelijk de ambtelijke
bewaarder van diens protocol, om op een door deze te bepalen tijd en
plaats de verdeling te bewerkstelligen; Benoemt voorts mr. M.A. Le Belle
en R.A.A. Kool, advocaten te Alkmaar, tot onzijdige personen om gedaagde
respectievelijk eiser te vertegenwoordigen bij de verdeling, indien
gedaagde respectievelijk eiser daartoe niet meewerkt of wegblijft; Wijst
af het meer of anders is gevorderd; Compenseert de proceskosten tussen
partijen, echtelieden, aldus, dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Rechters

mr. A.P. Zweers-van Vollenhoven

Instantie: Rechtbank Breda, 8 februari 1995

Instantie

Rechtbank Breda

Samenvatting


Partijen zijn 12 jaar gehuwd geweest en gaan scheiden. Zij hebben drie
minderjarige kinderen van vier, acht en tien jaar. De rechtbank
oordeelt: de behoefte van de vrouw staat vast. Gelet op de leeftijd van
de kinderen is het aannemelijk dat de vrouw thans geen inkomen uit
arbeid kan verwerven. Het verzoek de alimentatie tot 5 jaar te
limiteren wijst de rechtbank af gelet op de duur van het huwelijk en de
leeftijd van de kinderen. Alimentatie wordt ƒ 200,=.

Volledige tekst

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

-het op 29 augustus 1994 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen; -het
op 10 november 1994 ontvangen verweerschrift, met bijlagen; -de op 9
december 1994 ontvangen brief van de procureur van de vrouw, met
bijlagen; -de op 12 december 1994 ontvangen brief van de procureur van
de man, met bijlagen; -de beschikking voorlopige voorzieningen van 30
september 1994; -het proces-verbaal van de behandeling ter
terechtzitting van 19 december 1994.

De inhoud van deze stukken dient als hier overgenomen te worden
beschouwd.

2. De verzoeken

De vrouw verzoekt, samengevat: -echtscheiding; -bevel tot verdeling van
de gemeenschappelijke goederen; -vaststelling van een door de man aan
haar te betalen onderhoudsuitkering van ƒ 1.600,= per maand;
-voortzetting van de gezamenlijke ouderlijke macht over de minderjarige
kinderen van partijen; -vaststelling van een door de man te betalen
onderhoudsuitkering ten behoeve van die minderjarigen van ƒ 250,= per
maand per kind.

Ter terechtzitting heeft de man verzocht een omgangsregeling vast te
stellen.

3. De beoordeling

3.1. Tussen partijen staat blijkens de stellingen en overgelegde
stukken vast:

-dat zij op 23 december 1983 in de gemeente Bergen op Zoom met elkaar
zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen; -dat zij uit dit
huwelijk 3 minderjarige kinderen hebben; -dat zij de Nederlandse
nationaliteit bezitten; -dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht.

3.2. Het verzoek tot: -echtscheiding; -bevel tot verdeling van de
gemeenschappelijke goederen; -voortzetting van de gezamenlijke
uitoefening van de ouderlijke macht over de minderjarige kinderen;
-vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsuitkering ten
behoeve van die minderjarigen,

ligt als op de wet gegrond en niet weersproken voor toewijzing gereed.

3.3. Partijen zijn verdeeld gebleven over de door de man verzochte
omgangsregeling.

3.4. Op grond van hetgeen door partijen ter terechtzitting over en weer
is verklaard, acht de rechtbank het aangewezen na te melden
omgangsregeling vast te stellen.

3.5. Partijen zijn voorts verdeeld gebleven over de door de vrouw
verzochte bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

3.6. Primair betwist de man de behoefte van de vrouw aan een bijdrage.
Subsidiair bestrijdt hij de financiele draagkracht te bezitten tot
betaling van enige bijdrage. Meer subsidiair verzoekt hij de duur van
zijn alimentatieverplichting ten opzichte van de vrouw te beperken tot
5 jaar na inschrijving van deze beschikking in de registers van de
Burgerlijke Stand.

3.7. Vaststaat dat de vrouw thans een ABW-uitkering ontvangt. Naar het
oordeel van de rechtbank is verder voldoende aannemelijk geworden dat
de vrouw thans geen inkomsten uit arbeid kan verwerven, in aanmerking
genomen dat zij met de voogdij over de minderjarige kinderen van
partijen zal worden belast en gelet op de leeftijd van deze kinderen.
De behoefte van de vrouw aan een bijdrage staat daarmee vast.

3.8. Voor de vaststelling van de financiele draagkracht van de man gaat
de rechtbank uit van de volgende, onweersproken inkomsten, per jaar:

-f 58.788,= aan bruto basissalaris; -f 15.285,= aan bruto
onregelmatigheidstoeslag; -f 6.173,= aan bruto dertiende maandsalaris;
-f 5.926,= aan bruto vakantietoeslag; -f 2.676,= aan bruto
tegemoetkoming van de werkgever in de premie van
ziektekostenverzekering. Hierbij merkt de rechtbank op dat de man ter
terechtzitting heeft verklaard dat deze tegemoetkoming ondanks de
echtscheiding niet zal veranderen.

Voor de vaststelling van de lasten en uitgaven van de man gaat de
rechtbank uit van de volgende, onweersproken gegevens, per maand: -het
op ABW gebaseerde normbedrag voor een zelfstandig wonende
alleenstaande, exclusief de woonkostencomponent, waaruit de
noodzakelijke, in het algemeen geldende kosten van levensonderhoud
moeten worden voldaan; -f 1.721,= aan hypothecaire rente; -f 150,= aan
zakelijke lasten betreffende de woning; -f 280,= aan premie van
levensverzekering; -f 138,= aan premie van ziektekostenverzekering; -f
242,= aan kosten van woon-werk-verkeer; -f 250,= aan kosten van
herinrichting; -f 157,= aan aflossing van een personal computer; -f
78,= aan spaarpremie ten behoeve van de kinderen.

Voorts acht de rechtbank het redelijk om rekening te houden met een
bedrag van ƒ 148,= per maand aan kosten van omgang met de minderjarige
kinderen. Dit bedrag bestaat uit ƒ 120,= per maand aan forfaitaire
kosten en ƒ 28,= per maand aan reiskosten.

Niet is gebleken van andere lasten waarmee rekening moet worden
gehouden.

3.9. Op grond van voormelde financiele omstandigheden en rekening
houdend met alle fiscale gevolgen, acht de rechtbank bij de man de
draagkracht aanwezig naast de door hem toegezegde bijdrage ten behoeve
van de minderjarige kinderen na te melden bijdrage aan de vrouw te
voldoen.

3.10. Gelet op de duur van het huwelijk van partijen en de leeftijd van
de uit dit huwelijk geboren minderjarige kinderen, acht de rechtbank
geen gronden aanwezig de onderhoudsverplichting van de man ten opzichte
van de vrouw te beperken tot 5 jaar na inschrijving van deze
beschikking in de registers van de Burgerlijke Stand. Het betreffende
verzoek van de man moet daarom worden afgewezen.

3.11. Aangezien partijen echtgenoten zijn, zal de rechtbank bepalen dat
iedere partij de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op 23 december 1983 in de
gemeente Bergen op Zoom met elkaar gehuwd;

beveelt de verdeling ten overstaan van een notaris van de
gemeenschappelijke goederen van partijen;

benoemt tot notaris A.A.J.M. Aerden te Bergen op Zoom, zijn opvolger,
waarnemer of plaatsvervanger, voor wie, zo partijen niet een andere
notaris kiezen, de werkzaamheden van die verdeling zullen plaatshebben,
op de door deze te bepalen tijd en plaats;

benoemt tot onzijdig persoon mr. J.A. Holsbeek, tot vertegenwoordiging
van diegene van partijen die niet meewerkt tot de verdeling;

bepaalt dat partijen na de echtscheiding gezamenlijk de ouderlijke
macht blijven uitoefenen over de minderjarigen: – geboren te
. – geboren te . – geboren te
.

bepaalt uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en genoemde minderjarigen
gerechtigd zijn tot omgang met elkaar gedurende 1 dag per week;

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man vanaf heden ten behoeve
van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen aan de vrouw
bij vooruitbetaling zal voldoen een bedrag van ƒ 250,= (tweehonderd
vijftig gulden) per maand per kind;

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man vanaf de dag dat deze
beschikking wordt ingeschreven in de registers van de Burgerlijke
Stand, aan de vrouw voor levensonderhoud tegen bewijs van kwijting en
bij vooruitbetaling zal voldoen een bedrag van ƒ 200,= (tweehonderd
gulden) per maand.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Rechters

Mr Lamers

Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 6 februari 1995

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


Spreiding van het verlof. Werkneemster had na haar eerste zwangerschapsverlof
ouderschapsverlof opgenomen, zij werkte op maandag en dinsdag en op woensdag
alleen de ochtend. Bij haar volgende zwangerschap ging de werkneemster ervan
uit dat het opnemen van het ouderschapsverlof op gelijke wijze zou
geschieden. Kort voordat het verlof in ging liet de werkgever weten dat het
ouderschapsverlof op andere wijze zou moeten worden ingedeeld; zij diende
vijf dagen gedurende de ochtend te komen werken. Werkneemster weigerde omdat
zij geen oppas kon regelen en werd vervolgens op non-actief gesteld.
De eis van de werkneemster – wedertewerkstelling op de door haar gewenste
wijze – wordt door de kantonrechter gehonoreerd. Wanneer de door de
werkneemster voorgestelde werktijden de werkgever niet passen, dient hij dit
met voortvarendheid aan de werkneemster mee te delen.

Volledige tekst

Verloop van de procedure:

Bij exploot heeft eiseres een voorlopige voorziening gevorderd, strekkende
tot tewerkstelling en doorbetaling van loon. Ter terechtzitting heeft eiseres
die vordering vermeerderd met achterstallig loon vanaf 1 januari 1995.
Ter terechtzitting van 30 januari 1995 heeft de mondelinge behandeling
plaatsgevonden. Gehoord zijn partijen en hun gemachtigden. Beide gemachtigden
hebben pleitnotities overgelegd.

Gronden van de beslissing

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, deels met
bescheiden gestaafd, wordt van het navolgende uitgegaan
– eiseres – hierna V – is op 1 november 1984 bij gedaagde – hierna Tunisair –
in dienst getreden;
– V heeft vanaf 1 februari 1993 tot 21 mei 1993 zwangerschapsverlof genoten;
– V heeft vanaf 31 mei 1993 tot 20 december 1993 ouderschapsverlof genoten;
– V heeft gedurende dat ouderschapsverlof op maandagen en dinsdagen de gehele
dag gewerkt en op de ochtenden van de woensdagen;
– V heeft bij brief van 18 oktober 1993 aan Tunisair verzocht na ommekomst
van het ouderschapsverlof op dezelfde uren als gedurende het
ouderschapsverlof te mogen werken;
– Tunisair heeft het verzoek van V bij brief van 18 oktober 1993 niet
ingewilligd, doch zij heeft V een hernieuwd partieel verlof toegestaan van 20
december 1993 tot 20 juni 1994;
– V heeft gedurende dat laatste verlof tot 15 april 1994 opnieuw op maandagen
en dinsdagen de gehele dag gewerkt en op de ochtenden van de woensdagen en
vanaf 15 april 1994 tot 20 juni 1994 de ene week op maandagen en dinsdagen de
gehele dag en de volgende week op maandagen, dinsdagen en woensdagen de
gehele dag;
– V heeft bij brief van 23 maart 1994 aan Tunisair verzocht het lopende
verlof op dezelfde voorwaarden te verlengen;
– Tunisair heeft het verzoek van V bij brief van 8 april 1994, met een beroep
op een verwacht druk zomerseizoen 1994, niet ingewilligd;
– V heeft bij brief van 9 mei 1994 aan Tunisair medegedeeld met ingang van 8
augustus 1994 opnieuw met zwangerschapsverlof te zullen gaan en aansluitend
met ingang van 28 november 1994 met ouderschapsverlof te zullen gaan en dan
mitsdien halve dagen te zullen gaan werken;
– V heeft haar volle werkzaamheden op 20 juni 1994 hervat;
– V heeft vanaf 8 augustus 1994 tot 27 december 1994 opnieuw
zwangerschapsverlof genoten, dat als gevolg van een ziekte tot laatstgenoemde
datum is verlengd;
– Tunisair heeft B bij brief van 23 november 1993 bericht haar te verlangen
dat zij gedurende het komende ouderschapsverlof dagelijks van 9.00 tot 13.00
uur op haar werk zou zijn;
– V heeft Tunisair bij brief van 24 november 1994 bericht van oordeel te zijn
dat zij, als gevolg van het onbeantwoord blijven van haar brief van 9 mei
1994 tot een moment gelegen minder dan vier weken voor de voorgenomen
ingangsdatum van haar ouderschapsverlof, gerechtigd is haar werkzaamheden op
de bij het laatste verlof geldende tijdstippen te verrichten;
– V heeft op 27 december 1994 haar werkzaamheden hervat;
– V is op 28 december 1994, nadat Tunisair haar had medegedeeld te verlangen
dat zij dagelijks kwam werken, arbeidsongeschikt geworden, welke
arbeidsongeschiktheid tot 18 januari 1995 heeft voortgeduurd;
– V heeft op woensdag 18 januari haar werkzaamheden gedurende de ochtend
hervat en heeft zich ter beschikking gesteld om, volgens het tot 20 juni 1994
gegolden hebbende schema, haar werkzaamheden op maandag 23 januari 1995 te
hervatten;
– Tunisair heeft V op 23 januari 1995 op non-actief gesteld op grond dat zij
niet bereid zou zijn de haar opgedragen werkzaamheden te verrichten;
– werknemers bij Tunisair hebben volgens de vigerende arbeidsvoorwaarden
recht op doorbetaling van loon gedurende een zekere periode;
– Tunisair heeft te kennen gegeven V over de maand januari 1995 en de daaraan
volgende maanden slechts loon te zullen voldoen over de door haar gewerkte
ochtend van 18 januari.

V vordert thans, na vermeerdering van eis, veroordeling van Tunisair op
straffe van een dwangsom om V in de gelegenheid te stellen haar eigen
werkzaamheden op basis van de wettelijke ouderschapsverlofregeling gedurende
zes maanden voor twintig uur per week te verrichten op maandag en dinsdag de
gehele dag en woensdagochtend, alsmede veroordeling van Tunisair tot
doorbetaling van loon vanaf 1 januari 1995 op basis van 50%.

V heeft ter adstructie van haar vordering aangevoerd dat zij krachtens het
bepaalde in artikel 7a:1638 oo van het Burgerlijk Wetboek, als gevolg van het
schrijven van haar brief van 9 mei 1994 aan Tunisair en het feit dat Tunisair
niet binnen een termijn van één maand voor de voorgenomen aanvang van het
ouderschapsverlof na overleg met haar en met een beroep op gewichtige reden
de werktijden heeft gewijzigd, aanspraak heeft op ouderschapsverlof gedurende
de helft van de normale werktijd en wel op woensdagmiddagen, donderdagen en
vrijdagen. De betreffende brief zou weliswaar, in afwijking van het in de
betreffende wettelijke bepaling gestelde, niet het aantal te werken uren en
de spreiding daarvan over de week vermelden, doch zulks zou ook niet
noodzakelijk zijn geweest omdat V ten tijde van het schrijven van die brief
reeds vrijwel een vol jaar gedurende de helft van de normale werktijd, en wel
op woensdagmiddagen, donderdagen en vrijdagen, verlof had en het mitsdien
voor een ieder – en dus ook voor Tunisair – duidelijk was dat zij die
regeling wenste te continueren. Wanneer dat Tunisair niet duidelijk zou zijn
geweest – hetgeen zij overigens betwist onder verwijzing naar het door
Tunisair gestelde in haar brief van 23 november 1994 – zou het naar het
oordeel van V op de weg van Tunisair hebben gelegen om terzake duidelijkheid
te vragen.

Naar zijn aard subsidiair heeft V aangevoerd dat, ook indien Tunisair bij
brief van 23 november 1994 wel tijdig en met inachtneming van het
voorgeschreven overleg de werktijden zou hebben gewijzigd, aan die wijziging
geen gewichtige redenen ten grondslag liggen, zodat zij ook in dat geval
aanspraak zou hebben op ouderschapsverlof op de woensdagmiddagen, donderdagen
en vrijdagen.

Tunisair heeft ter afwering van die vordering aangevoerd dat V, bij gebreke
van vermelding van het aantal te werken uren en de spreiding daarvan over de
week, op 9 mei 1994 niet op juiste wijze haar voornemen om ouderschapsverlof
op te nemen heeft gemeld, zodat alleen al daarom Tunisair met recht op 23
november 1994 van V mocht verlangen dat zij iedere werkdag van 9.00 uur tot
13.00 uur arbeid verricht. Daarnaast heeft zij subsidiair, voor het geval de
brief van V van 9 mei 1994 wel als een juiste kennisgeving van haar voornemen
om op woensdagmiddagen, donderdagen en vrijdagen ouderschapsverlof op te
nemen zou zijn aan te merken, aangevoerd dat voor de vraag of de door haar
bij brief van 23 november 1994 voorgeschreven werktijden tijdig zijn
medegedeeld niet het voorgenomen ingangsmoment van het ouderschapsverlof
dient te worden bezien, maar het daadwerkelijke ingangsmoment. Dat laatste
zou meer dan één maand na ontvangst door V van de brief van 23 november van
Tunisair hebben gelegen.
Tunisair heeft voorts aangevoerd reeds onmiddellijk na ontvangst van de brief
van V d.d. 9 mei 1994 haar te hebben medegedeeld dat de door haar op dat
moment gewerkte uren Tunisair niet langer zouden passen en dat daarin
veranderingen zouden worden gebracht.

Tenslotte heeft Tunisair aangevoerd dat de toegenomen drukte gewichtige
redenen opleveren om van V te verlangen dat zij dagelijks op haar werk komt.
De navolgende oordelen worden uitgesproken bij wijze van voorlopig oordeel.
Geoordeeld wordt, gezien het feit dat V ten tijde van het schrijven van haar
brief van 9 mei 1994 aan Tunisair reeds vrijwel een jaar op woensdagmiddagen,
donderdagen en vrijdagen verlof had, dat vorengenoemde brief is aan te merken
als een brief waarin zij het voornemen uitte op die dagen ouderschapsverlof
op te nemen. Geoordeeld wordt voorts dat een werkgever, die een dergelijke
brief ontvangt, in een voorkomend geval met voortvarendheid aan de werknemer
dient mede te delen dat de voorgestelde werktijden hem niet passen. Uit de
ter terechtzitting afgelegde verklaringen van de aldaar aanwezige
functionarissen van Tunisair is aannemelijk geworden dat Tunisair vóór 23
november 1994 niet op ondubbelzinnige wijze aan V heeft duidelijk gemaakt dat
de door haar gewenste werktijden Tunisair niet pasten. Nu Tunisair zich
terzake van de noodzaak om V dagelijks werkzaamheden te laten verrichten
beroept op reeds op 9 mei 1994 bestaande omstandigheden, wordt geoordeeld dat
Tunisair op 23 november 1994 – een moment dat zeer kort voor de voorgenomen
aanvangsdatum van het ouderschapsverlof is gelegen – niet meer van V mocht
verlangen dat die op andere dan de door haar gewenste uren zou werken. Tot
dat oordeel is mede gekomen na afweging van de door Tunisair gestelde
gewichtige redenen tegen de door V gestelde. Van belang daarbij is geweest
dat het gewicht van de door Tunisair gestelde redenen, die naar haar zeggen
en blijkens de door haar overgelegde cijfers reeds geruime tijd bestonden,
kennelijk niet van dien aard was dat die redenen aan verlening van een verlof
per 20 december 1993 op de thans door V gewenste voorwaarden in de weg
stonden. Voorts is daarbij rekening gehouden met het feit dat V zich ter
terechtzitting ongekwalificeerd bereid heeft verklaard, indien zulks door
Tunisair zou worden gevraagd, haar werkzaamheden op drie onderling niet
aansluitende dagen te verrichten.

De vermeerderde vordering zal mitsdien als hierna te bepalen worden
toegewezen.
Tunisair dient te worden aangemerkt als in het ongelijk gestelde partij en te
worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Beslissing

De navolgende voorlopige voorziening wordt getroffen;

I. Tunisair wordt veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van dit
vonnis V in de gelegenheid te stellen haar normale werkzaamheden op basis van
de wettelijke ouderschaps verlofregelingen gedurende zes maanden na 27
december 1994 te verrichten voor twintig uur per week op maandag, dinsdag en
woensdagochtend, zulks op verbeurte van een dwangsom van ƒ 500 voor iedere
dag of gedeelte daarvan dat Tunisair zou nalaten aan deze veroordeling te
voldoen, met dien verstande dat Tunisair niet meer dan ƒ 10 000 aan
dwangsommen zal verbeuren.

II. Tunisair wordt veroordeeld tot betaling van 50% van het voor de volledige
dienstbetrekking geldend loon vanaf 1 januari 1995 tot 27 juni 1995.

III. Tunisair wordt veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van
V tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 848,11, waarvan ƒ 150 als vastrecht en
ƒ 600 als salaris van de gemachtigde van V.
Dit vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Rechters

Mr De Jong Schouwenburg