Instantie: Rechtbank Rotterdam, 6 februari 1995

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


Partijen hebben 7 jaar een relatie gehad die nu is beeindigd. Op 26 juni
1993 is uit de vrouw A geboren. De man is de biologische vader van de
minderjarige. Hij wil het kind erkennen maar de vrouw weigert haar
toestemming. Er is sprake van gezinsleven nu er regelmatig contact is
tussen het kind en de man in het kader van een omgangsregeling. De vrouw
maakt desondanks geen misbruik van haar bevoegdheid, de toestemming te
weigeren.

Volledige tekst

Op 23 februari 1994 is ter griffie ingekomen een verzoekschrift met
bijlagen van de man, ertoe strekkende -voor recht te verklaren dat de man
als biologische vader de na te noemen minderjarige wenst te erkennen en
als zodanig de familierechtelijke betrekking wenst te bewerkstelligen
tussen hem en de minderjarige en daarom recht en belang heeft bij
erkenning; -hem de vereiste schriftelijke toestemming te verlenen tot
erkenning van de minderjarige A, geboren op 26 juni 1993 te Rotterdam en
-te bepalen dat de ambtenaar van de burgerlijke stand een akte van
inschrijving dient op te maken van erkenning van het (onwettig) kind door
de man.

Op 20 mei 1994 is ter griffie daartegen ingekomen een verweerschrift van
de vrouw, ertoe strekkende de verzoeken van de man af te wijzen.

De officier van justitie in dit arrondissement heeft op 3 mei 1994
schriftelijk geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 20 juni
1994, 12 september 1994, 12 december 1994 en 16 januari 1995. Hiervan is
telkens proces-verbaal opgemaakt.

De inhoud van gemelde bescheiden behoort als hier ingevoegd te worden
aangemerkt.

De vaststaande feiten:

-Op 26 juni 1993 is uit de vrouw te Rotterdam de minderjarige A geboren.
-De man is de biologische vader van de minderjarige. -De man en de vrouw
hebben 7 jaar een relatie gehad, die enige malen verbroken is geweest,
welke relatie inmiddels is geeindigd. -De vrouw weigert tot op heden
toestemming te verlenen voor erkenning van de minderjarige door de man.
-De Ambtenaar van de burgerlijke stand te Rotterdam heeft geweigerd een
akte van erkenning op te maken omdat de toestemming van de vrouw
ontbreekt.

De stelling van partijen:

De man heeft gesteld dat hij het minderjarige kind na de geboorte niet
heeft erkend, maar dit alsnog wil doen. De vrouw weigert daaraan haar
toestemming te verlenen hetgeen in de gegeven omstandigheden als misbruik
van bevoegdheden valt aan te merken. Het belang van de man bij de
erkenning is de juridische status.

Ter terechtzitting heeft de man aangevoerd dat er sprake is geweest van
family life. Hij heeft verklaard dat hij het kind gedurende twee maanden
na de geboorte heeft verzorgd, omdat de vrouw toen weer ging werken.

De vrouw heeft aangevoerd dat zij en ook in de toekomst geen contact met
de man wenst. Van een echte familie-band is geen sprake. De man heeft het
kind niet verzorgd, de moeder had nog verlof toen de samenleving verbroken
werd. Erkenning door verzoeker is een belemmering voor een eventuele
erkenning door een nieuwe partner van de vrouw. Erkenning brengt tevens
achternaamswijziging met zich mee. De vrouw vindt het van groot belang dat
A haar achternaam houdt. De verandering van naam heeft emotionele en
praktische gevolgen die een inbreuk zijn op het prive-leven van de vrouw
en de minderjarige. De man weigert alimentatie voor A te betalen.

De man heeft zich ter terechtzitting bereid verklaard te zijner tijd mee
te werken aan een wijziging van de geslachtsnaam van het kind.

Ter terechtzitting is gebleken dat er twee proefcontacten tussen de man
en A hebben plaatsgevonden op de Raad voor de Kinderbescherming te
Amsterdam in het kader van een begeleidingsproject. Deze raad adviseert
de rechtbank in haar rapport d.d. 8 september 1994 een omgangsregeling
vast te stellen van een dag per veertien dagen.

De beoordeling van de rechtbank:

De rechtbank is van oordeel dat nu een omgangsregeling is opgestart tussen
de man en het kind, zodat een regelmatig contact zal plaatsvinden tussen
de man en het kind, hetgeen door de vrouw niet wordt weersproken, de
relatie tussen de man en de minderjarige, mede gelet op het biologische
vaderschap, dient te worden aangemerkt als “family life” in de zin van
artikel 8 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden, hetgeen in beginsel met zich
meebrengt dat de man en de minderjarige er over en weer aanspraak op
hebben dat hun relatie wordt erkend als een familierechtelijke
rechtsbetrekking. Daaraan doet niet af dat de vrouw geen voorstandster van
die omgangsregeling is.

Of en in hoeverre de man het kind enige maanden na de geboorte heeft
verzorgd kan, gelet op het voorgaande, in het midden blijven.

Derhalve is thans de vraag van belang of de vrouw door haar -voor de
erkenning van de minderjarige vereiste- toestemming te weigeren, misbruik
heeft gemaakt c.q. maakt van haar in artikel 224, lid 1, aanhef en onder
d van boek 1 van het Burgerlijke Wetboek (verder te noemen BW) verleende
bevoegdheid.

Bij de beantwoording van voormelde vraag gaat het er niet om of de door
de vrouw naar voren gebrachte bezwaren zwaarder wegen dan de belangen van
de man, maar of de vrouw in feite geen enkel te respecteren belang bij
haar weigering heeft.

Aannemelijk is geworden dat de uit erkenning voortvloeiende
rechtsgevolgen, zoals de naamswijziging, de belemmering voor de erkenning
door een eventuele nieuwe partner van de vrouw en de spanning die een en
ander zal oproepen nu de vrouw verstoken wenst te blijven van verder
contact met de man, een ongewenste inbreuk maken op ‘het gezins’- en
priveleven van de vrouw en de minderjarige. Hierbij wordt overwogen dat
de wijziging van de achternaam van het kind in die van een persoon die
niet behoort tot ‘het gezin’ waarin het kind zich bevindt, niet in het
belang van het kind is.

Dat de man ter terechtzitting heeft aangegeven bereid te zijn mee te
werken aan een -nieuwe- naamswijziging, zodat het kind uiteindelijk weer
de naam van de vrouw zal kunnen dragen, is, gelet enerzijds op de tijd en
kosten die met zulk een hernieuwde wijziging gemoeid zullen zijn en
anderzijds de andere, hiervoor genoemde inbreuken op het ‘gezins’ -en
priveleven, onvoldoende om tot een ander oordeel te leiden, zelfs indien
wordt aangenomen dat inderdaad sprake is van zulk een bereidverklaring bij
de man. De vrouw heeft bij haar weigering aan de man toestemming te geven
derhalve een te respecteren belang, zodat niet kan worden gesproken van
misbruik van haar uit artikel 224, lid 1, aanhef en onder d van boek 1 BW
voortvloeiende bevoegdheid.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het verzoek van de man
te worden afgewezen.

Beschikkende:

Wijst het verzoek van de man af.

Rechters

mrs. Van der Woude-Kraayvanger, Hofmeijer-Rutten en mr. Bezuiden

Instantie: Kantonrechter Apeldoorn, 31 januari 1995

Instantie

Kantonrechter Apeldoorn

Samenvatting


Werkneemster verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst onder
toekenning van een vergoeding omdat zij arbeidsongeschikt is geworden als
gevolg van seksuele intimidatie gepleegd door haar directe chef. Werkgeefster
heeft haar klachten, meent zij, niet op correcte wijze behandeld.
Werkgeefster meent dat de oorzaak daarvan ligt in de privé-sfeer.
De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst. Over de vergoeding
overweegt de kantonrechter dat bij werkgeefster noch een klachtenregeling
noch een vertrouwenspersoon aanwezig is, dit ondanks haar personeelsbestand
van ongeveer 325 mensen. Werkneemster heeft haar klachten tegenover twee
mannelijke stafleden moeten vertellen. Deze hebben de verklaringen van
werkneemster aan de werknemers van haar afdeling voorgelegd en hun reacties
vastgelegd. Op grond daarvan heeft werkgeefster geconcludeerd dat de
probleemsituaties het gevolg waren van relaties in de privesfeer en heeft zij
alle werknemers van de afdeling, waaronder werkneemster, verzocht een
loyaliteitsverklaring te tekenen. Aldus heeft werkgeefster verzuimd om
werkneemster andermaal bij een gesprek te betrekken teneinde haar zienswijze
op de reactie van haar collega’s te vernemen. Bovendien meent werkneemster
dat het gesprek met de stafleden niet juist door hen is weergegeven. Beide
stafleden hebben direkt nogal verstrekkende conclusies getrokken. Tenslotte
is duidelijk dat werkgeefster niet in staat is geweest de bij werkneemster
levende problemen tijdig te onderkennen. De kantonrechter kent een vergoeding
van ƒ 20 000 toe.

Volledige tekst

Procesverloop
Het op 5 december 1994 ter griffie ingekomen verzoekschrift strekt tot
ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst wegens
gewichtige redenen als omschreven in het verzoekschrift.
De verwerende partij heeft schriftelijk verweer gevoerd.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 januari 1995.
Motivering:
1. R – 27 jaar oud – is bij N in dienst vanaf 8 oktober 1990.
Werkzaam in de functie van medewerkster huishoudelijke dienst geniet zij een
salaris van, laatstelijk, ƒ 2195 bruto per maand, te vermeerderen met
vakantietoeslag en een dertiende maand.
2. R – arbeidsongeschikt als gevolg van ziekte met ingang van 1 september
1994 – zegt gebukt te gaan onder de spanningen die het direkte gevolg zijn
van de wijze waarop zij geruime tijd stelselmatig door haar direkte
superieur, de chef huishoudelijke dienst, werd bejegend.
Dit voor haar volstrekt ongewenste gedrag kan niet anders worden
gekwalificeerd dan met de term: seksuele intimidatie. Van N als werkgever had,
aldus R, mogen worden verwacht dat zij de door haar geuite klachten serieus
zou hebben genomen en deze zorgvuldig zou hebben behandeld en dat zij voorts
passende maatregelen zou hebben genomen ter voorkoming van soortgelijke
situaties op de werkvloer.
Op grond van de wijze waarop N met haar klachten is omgegaan -waardoor niet
de betreffende chef maar zij, R, zelf
op de beklaagdenbank terecht is gekomen – constateert R dat er sprake is van
een dusdanige breuk in de vertrouwensrelatie tussen haar en haar werkgever
dat er een verandering van omstandigheden is opgetreden, zodanig dat deze
behoort te leiden tot een ontbinding van het dienstverband tussen partijen.
3. N van haar kant zegt niet op de hoogte te zijn geweest van welk
ontoelaatbaar gedrag ook, zo hiervan althans sprake zou zijn geweest. Zij
komt – op grond van door haar geëntameerd onderzoek – tot de conclusie dat de
werksfeer in de huishoudelijke dienst geruime tijd ernstig heeft geleden als
gevolg van een aantal probleemsituaties die, aldus N, hun oorsprong hebben in
relaties, liggende in de privésfeer.
Doordat er sprake was van een verstrengeling van zakelijke belangen enerzijds
en privébelangen anderzijds is een zeer gespannen situatie ontstaan waarbij
verdachtmakingen en gevoelens van jaloezie de boventoon voeren.
Het al eerder gemelde onderzoek heeft, aldus N, niet kunnen uitmaken dat één
persoon daaraan schuldig moet worden geacht.
Om de ontstane problemen het hoofd te bieden is van elk van de
medewerk(st)ers van de huishoudelijke dienst – ook van R – geëist dat
constructief met de collega’s zou worden verder gewerkt, conform ieders
positie.
Omdat R heeft geweigerd een loyaliteitsverklaring in die richting te
ondertekenen is voortzetting van de arbeidsovereenkomst met haar alleen
daarom al ondenkbaar geworden.
Op die grond vraagt ook N zelfstandig om ontbinding van de ten processe
bedoelde arbeidsovereenkomst.
Naar het oordeel van N is er, als gevolg van de opstelling van R, geen plaats
voor het toekennen van een vergoeding bij einde dienstverband.
4. Geconstateerd kan worden dat de verstandhouding tussen partijen zodanig
ernstig verstoord is geraakt dat voortzetting van het dienstverband niet
langer tot de reële mogelijkheden behoort.
5. De arbeidsovereenkomst waarvan sprake is kan dan ook worden ontbonden, dit
in voege als na te melden.
6. Rest thans nog de vraag of R billijkheidshalve in aanmerking komt voor een
vergoeding als bedoeld in art. 7A:1639 w, achtste lid, B.W. en, zo ja, in
hoeverre.
Te dien aanzien mag allereerst worden opgemerkt dat R steeds naar
tevredenheid heeft gepresteerd.
7. Daarnaast is in elk geval komen vast te staan dat er binnen de afdeling
waar R werkzaam was een ongebruikelijk losse sfeer heerste, met veel
lichaamstaal en veel onderling lichamelijk contact.
N – een onderneming met ongeveer 325 personeelsleden die nochtans niet
beschikt over een klachtenregeling en die evenmin de beschikking heeft over
een vertrouwenspersoon ongewenste intimiteiten – heeft ervoor gekozen eerst
de klachten van R te inventariseren in een gesprek waarbij zij zich overigens
zag geplaatst tegenover een commissie, bestaande uit twee mannelijke
stafleden, verbonden aan de afdeling Personeelszaken.
De commissie in kwestie heeft vervolgens hetgeen R te berde had gebracht in
een of meer sessies voorgelegd aan elk van de andere teamleden, in de
huishoudelijke dienst werkzaam; de respectieve reacties werden schriftelijk
vastgelegd.
Op grond van wetenswaardigheden, verkregen van de bedoelde teamleden is
vervolgens geconcludeerd als hiervoor onder 3 verwoord, waarna van elk van de
teamleden de al eerder gememoreerde loyaliteitsverklaring werd verlangd.
8. Hoe goed N het ook zal hebben bedoeld, zij had – naar dezerzijds oordeel –
op grond van het ook hier te hanteren beginsel van hoor en wederhoor R
andermaal bij een gesprek behoren te betrekken teneinde haar zienswijze op de
reacties van haar collega’s te vernemen.
Alleen dan had een zuiverder beeld van ieders beleving van niet slechts de
ontstane situatie maar ook van de gebeurtenissen die daaraan vooraf waren
gegaan, kunnen worden verkregen.
Dit klemt te meer waar R van mening is dat het enige, met haar gevoerde
gesprek niet korrekt is weergegeven, dit nog afgezien van het feit dat zij –
gelet op de samenstelling van de onderzoekscommissie – begrijpelijkerwijs
niet het achterste van haar tong heeft kunnen c.q. willen laten zien.
9. Geconstateerd wordt dat het gemelde beginsel van hoor en wederhoor niet is
toegepast en dat de onderzoekscommissie, zich baserend op de gesprekken met
de andere teamleden, direkt in – nogal verstrekkende – conclusies is
geschoten.
Daarnaast wordt vastgesteld dat N niet in staat is geweest bij R levende
problemen van een zeer delicaat karakter tijdig te onderkennen.
10. Gelet op het voorgaande zal R een vergoeding bij einde dienstbetrekking
worden toegekend waarvan de omvang naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid zal worden vastgesteld op ƒ 20 000 bruto (neerkomende op acht
maanden salaris met emolumenten).
Dit bedrag is bedoeld als suppletie op een later door R minder te ontvangen
salaris dan wel een uitkering.
11. Gelet op het bij art. 7A:1639 w, negende lid, B.W. bepaalde zal R in de
gelegenheid worden gesteld het verzoek tot ontbinding in te trekken voor de
hierna te noemen datum.
12. In de omstandigheden van het geval wordt aanleiding gevonden de
proceskosten te compenseren, dit ongeacht of het verzoek al dan niet zal
worden ingetrokken.
Beslissing:
R wordt tot uiterlijk 20 februari 1995 in de gelegenheid gesteld het verzoek
in te trekken.
En, voor het geval het verzoek niet zal worden ingetrokken:
De arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt ontbonden met ingang van 1 maart
1995.
Aan R wordt ten laste van N een vergoeding naar billijkheid toegekend ter
waarde van ƒ 20 000 (twintig-duizend gulden) bruto.
Ongeacht of het verzoek al dan niet wordt ingetrokken blijft ieder der
partijen belast met de eigen proceskosten.

Rechters

Mr. K.R. Kuiken

Instantie: Hof ‘s-Hertogenbosch, 31 januari 1995

Instantie

Hof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Het beklag richt zich tegen de weigering van de officier van justitie een
strafvervolging in te stellen tegen beklaagden voor het plegen van ontucht
jegens haar minderjarige dochter (twee jaar oud).
Het jeugdige slachtoffer zelf kan niet worden gehoord omdat dat onvoldoende
zou opleveren. Het hof is daarom van oordeel dat er aldus onvoldoende bewijs
voorhanden is om met enige kan op succes een vervolging tegen beklaagden in
te stellen. (Ook klaagschrift eiseres is opgenomen).

Volledige tekst

Hof ‘s-Hertogenbosch 31 januari 1995
De feitelijke gang van zaken
Op 19 oktober 1993 heeft klaagster bij de politie aangifte gedaan van
ontucht, in de periode gelegen tussen 1 januari 1993 en 19 oktober 1993 door
beklaagden jegens haar minderjarige dochter gepleegd.
In een brief van 4 augustus 1994 heeft de officier van justitie de
raadsvrouwe van klaagster bericht geen vervolging tegen beklaagden in te
zullen stellen wegens het ontbreken van voldoende bewijs.
Hierop is in een klaagschrift van 31 augustus 1994, op 1 september 1994 ter
griffie van dit hof binnengekomen, namens klaagster het hof verzocht alsnog
de door klaagster verlangde vervolging van beklaagden te bevelen.
De procureur-generaal heeft in zijn schriftelijk verslag van 24 oktober 1994
het hof geraden het beklag ongegrond te verklaren, op dezelfde gronden als
door de officier van justitie aangevoerd.
Op 9 januari 1995 is klaagster in raadkamer van dit hof op het namens haar
ingediende beklag gehoord.
De beoordeling
Klaagster beklaagt zich erover dat de officier van justitie geen vervolging
tegen beklaagden heeft ingesteld, die ervan werden verdacht in bovengenoemde
periode ontuchtige handelingen te hebben gepleegd met de destijds 2-jarige
dochter van klaagster en beklaagde.
Klaagster stoelt haar vermoeden, dat beklaagden zich zouden hebben schuldig
gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met haar dochter, onder
meer op afwijzend gedrag van haar dochter ten opzichte van beklaagden en op
de schriftelijke verklaring van een arts, waaruit blijkt dat er `iets gebeurd
zou kunnen zijn’. Uit het dossier blijkt dat er in een vroeg stadium contact
is geweest tussen politie en justitie. De behandelende artsen zijn gehoord,
maar konden niets naders verklaren.
Het slachtoffer zelf is niet verhoord, maar uit navraag van de
procureur-generaal bij de kindvriendelijke verhoorstudio te Eindhoven,
gespecialiseerd in het verhoren van zeer jonge kinderen, blijkt dat een
eventueel af te nemen verhoor van een zo jeugdig persoon als in casu, met
name ook gelet op de gestelde pleegperiode, een verklaring zou opleveren, die
zeker niet geschikt zou zijn om in een strafproces als bewijsmiddel te worden
gebezigd.
Het hof is met de officier van justitie en de procureur-generaal van oordeel
dat er aldus onvoldoende bewijs voorhanden is om met enige kans op succes een
vervolging tegen beklaagden in te doen stellen. Redelijkerwijze kan ook niet
worden verwacht dat nader onderzoek in welke zin dan ook meer duidelijkheid
zou kunnen verschaffen.
Het beklag dient derhalve ongegrond te worden verklaard en te worden
afgewezen.
De beslissing
Het hof wijst het beklag als ongegrond af.
Klaagschrift eiseres ex artikel 12 Sv, 31 augustus 1994, aan Hof
‘s-Hertogenbosch.

Eiseres geeft eerbiedig te kennen:
1. Dat klaagster op 19 oktober 1993 aangifte heeft gedaan bij de
gemeentepolitie te W. terzake van ontuchtige handelingen met haar
minderjarige dochter (…) tussen vrijdag 1 januari 1993 en dinsdag 19
oktober 1993, gepleegd door de vader (…) en de opa (…);
2. Dat deze verdachten niet in voorlopige hechtenis hebben gezeten, maar op
uitnodiging zijn gehoord door de politie en ontkenden;
3. Dat de Officier van Justitie op 4 augustus 1994 de aangifte heeft
geseponeerd wegens gebrek aan bewijs (productie 1);
4. Dat klaagster echter belang heeft bij de vervolging van voormelde
verdachten ter wille van het verwerkingsproces;
5. Dat de bewijsrechtelijke mogelijkheden onvoldoende zijn onderzocht om de
navolgende redenen;
6. Dat immers de verdachten op uitnodiging zijn gehoord en niet in voorlopige
hechtenis hebben gezeten, zodat een ontkenning voor hen makkelijk was vol te
houden, hetgeen anders is tijdens een inverzekeringstelling;
7. Dat voorts uit de bekende stukken niet blijkt, dat de huisarts, (…),
niet is gehoord, hoewel er wel een doktersverklaring d.d. 15 oktober 1993 aan
het proces-verbaal is gehecht, die voldoende aanleiding daartoe zou kunnen
geven en ondanks het verzoek van verbalisant;
8. Dat evenmin is gehoord juffrouw (…) en/of juffrouw (…) tegen wie
minderjarige (…) heeft verklaard, dat Papa haar pijn heeft gedaan;
9. Dat moeder en dochter na het bekend worden van ontuchtige handelingen in
therapie zijn gegaan bij (…) maatschappelijk werkster bij (…);
10. Dat (…) tijdens een van de gesprekken verschoond moest worden, maar
pertinent weigerde haar beentjes uit elkaar te doen, zodat moeder en
maatschappelijk werkster (…) geen schone luier konden omdoen;
11. Dat dit is gebeurd kort na de ontuchtige handelingen;
12. Dat deze maatschappelijk werkster niet is gehoord ondanks verzoeken
daartoe;
13. Dat een politie-ambtenaar een kind beneden vier jaar niet mag horen en
dit alleen mogelijk is door een hulpverlener;
14. Dat dit alsnog gerealiseerd kan worden in de speciale verhoorstudio voor
kinderen te Eindhoven, maar dit pas mogelijk is na heropening van het
onderzoek;
Weshalve
klaagster Uw Gerechtshof eerbiedig verzoekt haar al dan niet tezamen met haar
advocaat in de gelegenheid te stellen het beklag in de Raadkamer toe te
lichten en te bevelen, dat de verlangde vervolging wordt ingesteld cq
voortgezet terzake van het feit, waarop het beklag betrekking heeft.

Rechters

Mrs. Kok (pres), Wetzels, Walstock

Instantie: Europese hof voor de rechten van de mens, 31 januari 1995

Instantie

Europese hof voor de rechten van de mens

Samenvatting


Een vrouw krijgt een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
haar ziekte tuberculose. De uitkering wordt stopgezet een aantal jaren nadat
ze een kind heeft, met als argumentatie dat haar familieomstandigheden zijn
veranderd na de geboorte van haar kind, haar gezondheid is verbeterd en zij
voor zestig tot zeventig procent in staat is om voor haar kind te zorgen.
Bovendien werd van de veronderstelling uitgegaan dat de vrouw ook als ze niet
ziek was geworden haar baan had opgegeven bij de geboorte van haar kind. Het
hof oordeelde op 24 juni 1993 (RN 1994, nr. 409) dat er sprake was van
schending van art. 14 jo. art. 16 lid 1 EVRM.
Nu oordeelt het hof over de `pecuniary damages’. Het Hof komt tot de
beslissing dat Zwitserland de vrouw een schadevergoeding dient te betalen van
vijfentwintigduizend Zwitserse franken.
Eiser voert aan dat de Staat ten onrechte de jaren waarvoor M.W. geacht moet
worden een vrijstelling te hebben gehad, heeft meegeteld bij de berekening
van het vereiste aantal jaren dat zij inkomen uit arbeid moet hebben gehad.
M.W. was van de zestien jaren die zij na haar achttiende jaar in Nederland
heeft gewoond gedurende acht jaar als alleenstaande ouder belast met de zorg
voor kinderen onder de zes jaar.
De Staatssecretaris heeft volgens de president niet kunnen besluiten zijn
standpunt te handhaven, zodat de gevraagde voorziening dient te worden
toegewezen.

Volledige tekst

Procedure and facts.
1. The case was referred to the Court by the European Commission of Human
Rights (`the Commission’) and by the Government of the Swiss Confederation
(`the Government’) on 25 May and 5 August 1992, within the three-month period
laid down by Article 32 par. 1 and Article 47 of the Convention. It
originated in an application (no. 14518/89) against the Swiss Confederation
lodged with the Commission under Article 25 by a Swiss national, Mrs. Margrit
Schuler-Zgraggen, on 29 December 1988.
2. In a judgement of 24 June 1993 (`the principal judgment’) the Court found
that there had been a breach of Article 14 of the Convention taken together
with Article 6 par. 1, as the assumption that women gave up work when they
gave birth to a child had been the sole basis for the reasoning in a judgment
of the Federal Insurance Court and had introduced a difference of treatment
on the ground of sex only, a difference that lacked any reasonable and
objective justification (Series A no. 263, pp. 20-22 and 24, par. 61-67 and
point 5 of the operative provisions).
The Court ruled that its judgment constituted in itself sufficient just
satisfaction in respect of the alleged non-pecuniary damage and that the
respondent State was to pay the applicant, within three months, 7.500 Swiss
Francs (CHF) in respect of costs and expenses (ibid., pp. 22-24, par. 69 and
76 and points 6-7 of the operative provisions).
3. As the question of the application of Article 50 was not ready for
decision as regards the pecuniary damage, it was reserved in the principal
judgment. The Court invited the Government and the applicant to submit their
written observations within six months and, in particular, to notify the
Court of any agreement they might reach (ibid., pp. 23 and 24, par. 74 and
point 8 of the operative provisions).
4. On 7 April 1994 the Agent of the Government informed the President that in
a judgement of 24 March 1994 the Federal Insurance Court had concluded the
rehearing proceedings commenced under section 139a of the Federal Judicature
Act. Its own judgment of 21 June 1988 had been set aside, together with the
decision of the Canton of Uri Appeals Board for Old Age, Survivors’ and
Invalidity Insurance of 8 May 1987 and the decision of the Invalidity
Insurance Board of the Canton of Uri of 21 March 1986; and the applicant had
been granted a full invalidity pension with effect from 1 May 1986.
5. On 27 April 1994 counsel for the applicant advised the Registrar that his
client did not consider that the proceedings in Switzerland were terminated
and that she had submitted to the Department of Finance a claim for
compensation in the amount of CHF 40,933.64 based on section 3 of the Act on
the liability of the Confederation.
6. On 25 May 1994 the Secretariat of the Commission informed the Registrar
that the Delegate wished to leave the question of Article 50 to the Court’s
discretion.
7. On 14 September 1994 the applicant’s representative sent the Registrar a
copy of the Federal Council’s decision of 12 June 1994 whereby the
compensation claim was refused; he asked the Court to consider the
possibility of ruling on his client’s claims as an agreement with the
Government seemed unlikely.
8. On the President’s instructions, the Registrar consulted the Agent of the
Government and the Delegate of the Commission. On 12 October 1994 the Agent
said he had nothing to add to the Federal Council’s decision of 12 June 1994.
On the following day the Delegate made it known that he was leaving the
matter to the Court’s discretion.
9. On 25 October 1994 the Court decided that in the circumstances of the case
it was unnecessary to hold a hearing.
As to the law
10. Under Article 50 of the Convention,
`If the Court finds that a decision or a measure taken by a legal authority
or any other authority of a High Contracting Party is completely or partially
in conflict with the obligations arising from the … Convention, and if the
internal law of the said Party allows only partial reparation to be made for
the consequences of this decision or measure, the decision of the Court
shall, if necessary, afford just satisfaction to the injured party.’
A. Submissions by the participants in the proceedings
11. Mrs. Schuler-Zgraggen maintained that the question of compensation for
pecuniary damage had not been finally settled by the Federal Insurance
Court’s judgment of 24 March 1994 in which her continuing right to a full
invalidity pension was retrospectively recognised (see paragraph 4 above).
She sought interest on that pension in the amount of CHF 40.933,64. She
arrived at that figure by applying a rate of 5% over the period from 1 May
1986, when payment of the pension was stopped by decision of the Invalidity
Insurance Board of the Canton of Uri, to 20 April 1994, when the arrears of
pension (CHF 218,512) were paid by the Compensation Office of the Swiss
Machine and Metal Industry.
12. Referring to their decision of 12 June 1994 (see paragraph 7 above), the
Government considered the applicant’s claim to be wholly unjustified.
Without requesting the Court to stay its decision, they pointed out that the
Federal Insurance Court had ruled that it had no jurisdiction to entertain
such an application, stating that it should be made to the Canton of Uri or
the Swiss Confederation in special proceedings putting the State’s liability
in issue.
They contended that Mrs. Schuler-Zgraggen’s claim had to be appraised on the
basis of domestic law alone, namely the Federal Act on the liability of the
Confederation, members of its authorities and its officials. Article 50 would
only be relevant if the Federal Insurance Court had given judgment against
the applicant in an administrative-law action founded on the Act in question.
Moreover, the Government could not, in the instant case, discern any link
between the payment or non-payment of interest and the claim for just
satisfaction. By reopening the proceedings and setting aside its judgment of
21 June 1988 (Series A no. 263, pp. 12-13, par. 29), the Federal Insurance
Court had made full reparation for the consequences of the breach of the
Convention found by the Court, a breach that had been due to discrimination
on the ground of sex in the taking and assessing of the evidence that had
formed the basis for appraising the situation, not to the withdrawal of the
invalidity pension. If, after considering Mrs. Schuler-Zgraggen’s application
for a rehearing, the Federal Insurance Court had held that the applicant had
no right to such a pension, the breach would still have had to be regarded as
having been remedied.
The government pointed out, lastly, that the applicant had been treated in
the same way as all others entitled to a pension who were awarded
social-insurance benefits in a court decision, as interest was not normally
paid on a retrospective pension payment.
13. The Delegate of the Commission left the matter to the Court’s discretion.
B. Decision of the Court
14. The Court takes note of the rehearing proceedings under section 139a of
the Federal Judicature Act which, following it principal judgment, took place
in the Federal Insurance Court and culminated in the applicant’s being
awarded a full invalidity pension with effect from 1 May 1986. It fully
appreciates the importance of that court’s judgment of 24 March 1994 for the
execution of judgments delivered at Strasbourg; the Federal Insurance Court
thereby showed its commitment to the Convention and the Court’s case-law
(see, mutatis mutandis, the Barbera, Messegue and Jabardo v. Spain judgment
of 13 June 1994, Series A no. 285-C, p., 56, par. 15).
15. The only issue remaining to be determined is that of the interest claimed
by Mrs. Schuler-Zgraggen on the invalidity pension received between 1 May
1986 and 20 April 1994.
The Court reiterates that `just satisfaction’ is to be afforded `if
necessary’ and that it is not bound in the matter by any national legal rule
(see the Sunday Times v. the United Kingdom (no. 1) judgment of 6
November 1980, Series A no. 38, p. 9, par. 15), in this instance the Federal
Insurance Court’s case-law on the awarding of interest. It consequently
considers that it is not for the European Court to pass judgment on the
merits in Swiss law of the Federal Insurance Court’s decision in which the
claim in issue was disallowed. It suffices for it to note that at the end of
fresh proceedings following the Strasbourg judgment, the Federal Insurance
Court recognised that the applicant was entitled to a full pension and gave
retrospective effect to that recognition. In so doing, it intended to make
reparation for the damage resulting from the breach of the Convention.
However, it did not take into account the passing of time –
about eight years. It therefore appears justified under the Convention to
award some interest for the period in question.
The Court does not, however, agree with the summary and imprecise method of
calculation proposed by Mrs. Schuler-Zgraggen, and in particular with the
rate of 5%.
Making its assessment on an equitable basis in accordance with Article 50, it
awards the applicant CHF 25.000 for the remaining pecuniary damage.
For these reasons, the Court
1. Holds by seven votes to two that the respondent State is to pay the
applicant, within three months, 25.000 (twenty-five thousand) Swiss francs in
respect of pecuniary damage;
2. Dismisses unanimously the remainder of the claim for just satisfaction.
Done in English and in French, and notified in writing on 31 January 1995
pursuant to Rule 55 par. 2, second sub-paragraph, of Rules of Court A.
Joint dissenting opinion of judges Bernhardt and Wildhaber
We have voted against the decision to award interest since we are convinced
that the pension finally granted and paid for the applicant’s benefit
constitutes sufficient compensation and that no additional payment of
interest is required.

Rechters

R. Bernhardt (president), F. Gölcüklü, B. Walsh, C. Russo, A. Spielman, I.Foighel, A.N. Loizou, M.A. Lopes Rocha, L. Wildhaber

Instantie: Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing, 27 januari 1995

Instantie

Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing

Samenvatting


Het beklag betreft de handelwijze van de medische dienst van de p.i.-en
“Overmaze”, de bejegening door het personeel, de handelwijze van het
afdelingshoofd en de handelwijze van het Bureau Sociale Dienstverlening
(B.S.D.) van “Overmaze”. De alleensprekende beklagrechter heeft klaagster
kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in haar beklag op de gronden als in
de aangehechte beschikking weergegeven. De beroepscommissie komt tot het
oordeel dat de alleensprekende beklagrechter op goede gronden en met
juistheid op het beklag heeft beslist. Klaagster heeft met betrekking tot
een drietal onderdelen van haar beklag aangegeven deze beslissing te
kunnen billijken. De beroepscommissie heeft ten aanzien van de handelwijze
van de medische dienst in aanmerking genomen dat klaagster, blijkens haar
beroepschrift, medio augustus 1994 wist dat “er iets mis was”. Mitsdien
had zij reeds op dat moment onverwijld beklag moeten instellen, in plaats
van nog ruim 2 weken hiermee te wachten. Klaagsters klaagschrift is immers
gedateerd op 1 september 1994. Anders dan klaagster is de beroepscommissie
van oordeel dat zij haar beklag derhalve niet tijdig heeft ingesteld.
Evenmin is aannemelijk dat klaagster dit zo spoedig mogelijk heeft gedaan
als redelijkerwijs van haar kon worden verlangd.

Volledige tekst

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als
volgt:

1. Inhoud van het beklag en de beslissing van de alleensprekende
beklagrechter:

Het beklag betreft de handelwijze van de medische dienst van de p.i.-en
“Overmaze”, de bejegening door het personeel, de handelwijze van het
afdelingshoofd en de handelwijze van het Bureau Sociale Dienstverlening
(B.S.D.) van “Overmaze”.

De alleensprekende beklagrechter heeft klaagster kennelijk
niet-ontvankelijk verklaard in haar beklag op de gronden als in de
aangehechte beschikking weergegeven.

2. Standpunten van klaagster en de directeur: Klaagster heeft in beroep
volhard in het tegenover de alleensprekende beklagrechter ingenomen
standpunt. Voorts is aangegeven dat zij terecht wegens
termijnoverschrijding niet- ontvankelijk is verklaard in haar beklag ten
aanzien van de bejegening door het personeel, de handelwijze van het
afdelingshoofd en de handelwijze van het B.S.D. Met betrekking tot haar
klacht over de medische dienst heeft zij betoogd dat zij voordat zij
gedetineerd werd op de wachtlijst stond voor een operatie. Nadat zij
gedetineerd was heeft zij e.e.a. in februari 1994 besproken met de
medische dienst. Aldaar is haar te kennen gegeven dat een aanvraag zou
worden ingediend voor een operatie in het penitentiair ziekenhuis te Den
Haag. Tevens is haar medegedeeld dat dit, gelet op de lengte van de
wachtlijst, enige maanden zou kunnen duren. Klaagster heeft betoogd dat
toen zij medio augustus 1994 nog geen bericht over de operatie had gehad,
contact heeft gezocht met de medische dienst van de p.i. “Amerswiel”, waar
zij op dat moment verbleef. Deze dienst heeft vervolgens contact gezocht
met de medische dienst in “Overmaze”, welke laatste mededeelde dat er
wellicht fouten waren gemaakt. Op het moment dat klaagster hiervan kennis
heeft genomen, heeft zij direct beklag ingesteld tegen deze handelwijze.

Namens de directeur is eveneens volhard in het tegenover de
alleensprekende beklagrechter ingenomen standpunt. Betoogd is dat
klaagster terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar beklag. Van
klaagster had ten aanzien van haar klacht over de handelwijze van de
medische dienst van “Overmaze” verwacht mogen worden dat zij op een eerder
tijdstip dan zij heeft gedaan navraag zou doen over haar operatie.
Aangegeven is dat klaagster te kampen heeft met psychische problemen en
dat als gevolg hiervan haar operatie verschillende keren is uitgesteld.
Eerder geplande opnames konden op het laatste moment geen doorgang vinden
omdat klaagster wegens haar psychische gesteldheid overgeplaatst diende
te worden. Voorts is nog aangegeven dat verondersteld is dat klaagsters
gezondheidsklachten niet meer acuut waren, omdat zij niet langer klaagde
over pijn. Verder is betoogd dat klaagster tevens wegens het feit dat dit
onderdeel van haar beklag een medisch handelen betreft niet-ontvankelijk
verklaard zou moeten worden.

3. Beoordeling: De beroepscommissie komt tot het oordeel dat de
alleensprekende beklagrechter op goede gronden en met juistheid op het
beklag heeft beslist. Klaagster heeft met betrekking tot een drietal
onderdelen van haar beklag aangegeven deze beslissing te kunnen billijken.
De beroepscommissie heeft ten aanzien van de handelwijze van de medische
dienst in aanmerking genomen dat klaagster, blijkens haar beroepschrift,
medio augustus 1994 wist dat “er iets mis was”. Mitsdien had zij reeds op
dat moment onverwijld beklag moeten instellen, in plaats van nog ruim 2
weken hiermee te wachten. Klaagsters klaagschrift is immers gedateerd op
1 september 1994. Anders dan klaagster is de beroepscommissie van oordeel
dat zij haar beklag derhalve niet tijdig heeft ingesteld. Evenmin is
aannemelijk dat klaagster dit zo spoedig mogelijk heeft gedaan als
redelijkerwijs van haar kon worden verlangd.

4. Beslissing: De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en
bekrachtigd de beschikking van de alleensprekende beklagrechter.

Rechters

Mr. J.H. Koeleman, voorzitter, mr. J.M.W.M. van den Elzen en mr.J.R. Meijeringh, leden, S.A.A.J. Beumer, secretaris

Instantie: Rechtbank Groningen, 27 januari 1995

Instantie

Rechtbank Groningen

Samenvatting


Een vrouw heeft deelgenomen aan een arbeidsproject voor
herintreedsters. Het ging om een zogenaamd voortraject van zeven
maanden opleiding en stage, waarna de aanstelling plaatsvond. De
deelneemsters voldeden al aan de functie-eisen voor deelname aan het
project. De CGB heeft vastgesteld dat er sprake is van ongelijke
behandeling (CGB 8 augustus 1991). Het ministerie van Justitie heeft
daarop een immateriele schadevergoeding van ƒ 1000,- aangeboden. Maar
de vrouw gaat niet akkoord met de schikking en vordert loon, ƒ 12.500,-
bij de rechter. Het ministerie heeft, volgens de rechtbank, niet
onrechtmatig gehandeld en wijst de vordering af.

Volledige tekst

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 1992 heeft verweerder naar aanleiding van een
uitspraak van de Commissie Gelijke Behandeling van Mannen en vrouwen
bij de Arbeid aan eiseres een immateriele schadevergoeding toegekend
van ƒ 1.000.00.

Namens eiseres is hierop bij brief van 8 september 1992 gereageerd. Bij
brief van 27 november 1992 heeft verweerder zijn standpunt nader
toegelicht. Namens eiseres is hiertegen op 23 december 1992 bij nader
in het beroepschrift aangegeven gronden beroep ingesteld. Bij brief van
17 februari 1993 zijn namens eiseres nadere gronden ingezonden.

Bij brief van 26 april 1993 heeft verweerder de op het geding
betrekking hebbende stukken ingezonden alsmede een contra memorie.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voorzover niet door hen
ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

Het geschil is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de
rechtbank van 22 november 1994. Eiseres is in persoon verschenen,
bijgestaan door haar raadsvrouwe mr. B.I. Klaasens, advocaat en
procureur te Groningen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen
door H.A. Schoon, medewerker van de Hoofdafdeling Personeel en
Organisatie van de directie Delinquentenzorg en Jeugdinrichtingen.

2. Rechtsoverwegingen

Het van toepassing zijnde recht.

Op 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (zoals geplaatst in
Stb. 1994, nr. 1 en verder aan te duiden als Awb) in werking getreden.

Op grond van onderdeel 6, artikel I, zesde lid, eerste volzin, van de
Wet Voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie (Wet van
16 december 1993, Stb. 1993, 650, zoals gewijzigd bij Wet van 23
december 1993, Stb. 1993, 690, Aanpassingswet Awb III), is ten aanzien
van de verdere behandeling van een beroep dat voor de datum van
inwerkingtreding van de Awb bij de rechtbank is ingesteld, het recht
van toepassing zoals het geldt vanaf dat tijdstip. Dit betekent dat het
thans voorliggende beroep verder dient te worden behandeld aan de hand
van de bepalingen van de Awb, met dien verstande dat de vraag of
eiseres in haar beroep kan worden ontvangen dient te worden beantwoord
aan de hand van de bepalingen van de Ambtenarenwet 1929, geldend tot 1
januari 1994.

Van beletselen om eiseres in haar beroep te ontvangen is de rechtbank
op het punt van de beroepstermijn niet gebleken: Eiseres heeft eerst op
11 augustus 1992 van verweerders besluit kennis kunnen nemen. Zij heeft
zich daarop bij brief van 8 september 1992, dus binnen 30 dagen,
opnieuw tot verweerder gewend, waarop verweerder op 27 november 1992
heeft geantwoord met een bevestiging van hetgeen in de brief van 24
juli 1992 was vervat. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van
de rechtbank sprake van een besluit, zoals dat blijkens nadere
mededeling d.d. 27 november 1992 is gehandhaafd, met een eerst toen
aangevangen beroepstermijn (de zgn. dertig- dagen jurisprudentie van de
Centrale Raad van Beroep). Het namens eiseres ingediende beroepschrift
van 23 december 1992 moet derhalve als tijdig worden aangemerkt.

Verweerder heeft eiseres ingaande 1 april 1989 aangesteld als ambtenaar
in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd op basis van artikel 6, tweede
lid sub a van het Algemeen Rijksambtenaren Reglement. Daaraan
voorafgaand was zij vanaf 1 september 1988 op basis van een door
verweerder als stageovereenkomst aangeduid dienstverband werkzaam.

Namens eiseres wordt schadevergoeding gevorderd welke zou zijn ontstaan
vanaf 1 september 1988. Van een ambtelijk dienstverband was evenwel in
de periode van 1 september 1988 tot 1 april 1989 geen sprake. In
zoverre is haar beroep naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet
ontvankelijk.

Ten aanzien van de feiten

Eiseres is sedert 1 april 1989 aangesteld als ambtenaar, aanvankelijk
op basis van artikel 6, tweede lid sub a van het ARAR en ingaande 11
april 1991 op basis van een vast dienstverband. Eiseres is tot 15 april
1991 werkzaam geweest als bewaarder/penitentiair inrichtingswerker
(p.i.w.-er) in ‘Norgerhaven’ te Veenhuizen en vervolgens als
socio-therapeutisch medewerker in de Rijksinrichting voor TBS Dr. S.
van Mesdag te Groningen.

De indiensttreding van eiseres in 1988 vond plaats in het kader van een
zogenaamd positief actieplan, ‘het project positieve actie vrouwen’,
waarmee verweerder beoogde, in samenwerking met het Noordelijk
Instituut voor Beroepsondersteunende Educatie MBO-IW te Groningen, de
Gewestelijke Arbeidsbureaus Noord-Drente, Drachten en Groningen,
langdurig werkloze en/of herintredende vrouwen te interesseren voor een
functie als p.i.w.-er. Verweerder beoogde onder meer op deze wijze het
percentage vrouwen die als zodanig in de regio Veenhuizen werkzaam
waren te verhogen.

Eiseres heeft samen met twintig andere collega’s bij de Commissie
Gelijke Behandeling Mannen en Vrouwen bij de arbeid het verzoek
ingediend om een oordeel uit te spreken over de vraag of verweerder
jegens hen onderscheid naar geslacht had gemaakt en daardoor in strijd
had gehandeld met de Wet Gelijke Behandeling van mannen en vrouwen
(WGB). Op 8 augustus 1991 heeft voornoemde Commissie uitgesproken dat
verweerder in strijd met artikel 1a, eerste lid van de WGB onderscheid
op grond van geslacht had gemaakt bij de aanstelling en de
arbeidsvoorwaarden. De commissie heeft daarbij onder meer overwogen dat
zich onder de herintredende vrouwen te Norgerhaven vrouwen bevonden die
voldeden aan verweerders selectiecriteria bij een reguliere procedure.
Daarnaast stond vast dat verweerder in een reguliere procedure ook
kandidaten had geselecteerd, die niet aan opleidings- en ervaringseisen
voldeden. Verweerder heeft evenwel alle herintredende vrouwen de MBO-IW
opleiding – gedeeltelijk – laten volgen en werkervaring laten opdoen
alvorens zij in aanmerking kwamen voor een aanstelling, met als gevolg
dat deze vrouwen in vergelijking met regulier aangestelde p.i.w.-ers
een slechtere rechtspositie hadden, nu zij op een later tijdstip in
aanmerking kwamen voor een (vaste) aanstelling en voor bevordering.

Eiseres heeft daarop een schadevergoeding gevorderd ter hoogte van het
ten onrechte niet genoten loon gedurende de stageperiode van 7 maanden
minus de onkosten vergoeding van ƒ 75,00 per maand alsmede het niet
genoten loon ten gevolge van de te late bevordering, een en ander
begroot op ƒ 12.500,00 netto.

Ten aanzien van het geschil

Verweerder heeft aan eiseres een immateriele schadevergoeding toegekend
van ƒ 1.000,00 (netto). Daarbij heeft hij aangegeven zich in grote
lijnen met het oordeel van de commissie te kunnen verenigen. Wel heeft
hij er op gewezen, dat er geen zekerheid is te geven, dat eiseres ook
via de reguliere procedure zou zijn aangesteld, terwijl er daarnaast
bij ‘Norgerhaven’ geen reguliere selectie aan de orde was. Hij
benadrukt, dat eiseres op de hoogte was van de wijze waarop de stage en
de latere aanstelling zou verlopen en dat eiseres dit volledig en uit
vrije wil heeft aanvaard.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat vast staat, dat zij, gelet op
de uitspraak van de commissie, recht heeft op schadevergoeding. Zij
meent dat uit het zogenaamde St-Oedenrode II arrest (AB 93-504) volgt,
dat haar schade volledig zou moeten worden vergoed, zodat verweerder
zich ten onrechte heeft beperkt tot een immaterile schadevergoeding,
terwijl zij, zoals hierboven is uiteengezet, ook materiele schade heeft
geleden. Zij benadrukt, dat zij gezien haar vooropleiding een
werkervaring ook zonder het speciale actieprogramma in aanmerking zou
zijn gekomen voor de functie p.i.w.-er. Zij stelt daarnaast, dat uit
jurisprudentie is af te leiden, dat verweerder zich, nu hij
rechtsregels heeft geschonden, niet mag beroepen op het beginsel pacta
sunt servanda.

Inzake de vraag of verweerders besluit tot het toekennen van een
immateriele schadevergoeding van ƒ 1.000,00 de rechterlijke toets kan
doorstaan wordt als volgt overwogen. Uit de jurisprudentie ter zake
volgt dat bij besluiten betreffende de periode gelegen voor 1 januari
1993 het volgende geldt: Een administratief orgaan is in beginsel
gehouden om de door hem aan een ambtenaar toegebrachte schade te
vergoeden. Dit houdt evenwel niet in dat elke schade, welke door
toedoen van een administratief orgaan aan een ambtenaar is toegebracht
voor vergoeding door dat orgaan in aanmerking moet komen. Voor het
ontstaan van een op het administratief orgaan rustende
vergoedingsplicht jegens de ambtenaar is vereist, dat sprake is van een
aan dat orgaan toe te rekenen optreden waardoor de ambtenaar schade
heeft geleden en dat dit optreden en die schadevergoeding van een
zodanige aard zijn dat de schade in redelijkheid voor vergoeding door
dat orgaan in aanmerking dient te komen, dit terwijl ook nog moet zijn
voldaan aan de voorwaarde dat de ambtenaar de schade niet heeft kunnen
beperken door bijvoorbeeld tijdiger c.q. eerdere belangenbehartiging.
Dit brengt met zich dat de rechtbank in dit opzicht slechts een
beperkte toetsing kan hanteren.

Dit geldt zeker voor zover de stellingen van eiseres met zich
meebrengen, dat zij verweerders besluit om haar – pas – vanaf 1 april
1989 tot 1 april 1991 – en niet reeds vanaf 1 september 1988 op basis
van een aanstelling in tijdelijke dienst werkzaamheden te laten
verrichten onrechtmatig acht en zij geacht moet worden alsnog tegen dit
besluit beroep te willen instellen, van mening zijnde dat verweerder
van bedoeld besluit had moeten terugkomen door haar ingaande 1
september 1988 een ambtelijke aanstelling te geven.

Het geheel van de gedingstukken, alsook het verhandelde ter
terechtzitting in aanmerking nemend, overweegt de rechtbank als volgt.

Eiseres stelt zich op het standpunt, zich baserend op het oordeel van
meergenoemde Commissie, dat verweerders handelen onrechtmatig was. Zij
stelt dat ook verweerder dit standpunt huldigt, hetgeen zij uit
verweerder handelen begrijpt, te weten het toekennen van de immateriele
schadevergoeding. Bij haar standpunt, dat eiseres om die reden voor een
hogere – volledige – schadevergoeding in aanmerking zou komen baseert
zij zich op het arrest van de Hoge Raad van 18 juni 1993 (AB 1993 504;
St. Oudenrode II) handelend over een op het beginsel van de formele
rechtskracht te maken uitzondering.

De rechtbank volgt eiseres niet in deze benadering. Het standpunt dat
er in casu geen sprake is van een door een administratieve rechter
vernietigd besluit, maar dat niettemin sprake is van een situatie
waarin burger en overheidslichaam het er desondanks over eens zijn dat
het door een orgaan van een overheidslichaam genoemd besluit
onrechtmatig is, deelt de rechtbank niet. De rechtbank stelt vast, dat
verweerder zich enerzijds op het standpunt stelt, dat eiseres geen
materiele schade heeft geleden, terwijl er anderzijds aan alle
betrokken vrouwen, derhalve ook aan hen die werkzaam waren in ‘De
Grittenborgh’ te Hoogeveen, en die niet waren betrokken bij de
procedure voor meergenoemde Commissie, een immateriele schadevergoeding
is toegekend. De rechtbank gaat er op grond van het oordeel van de
Commissie van uit, dat verweerder ten opzichte van de hierboven
genoemde groep vrouwen als geheel onvoldoende zorgvuldig heeft
gehandeld bij de gevolgde wervings- en selectie procedure. Het project
als geheel was daardoor in strijd met de WGB. Vaststaat dat verweerder
de reflectanten, waaronder eiseres, meer nadrukkelijk had moeten wijzen
op de mogelijkheid van een rechtstreekse sollicitatie naar de functie
gelet op haar opleiding en werkervaring, te weten Mulo en werkzaamheden
gedurende 2 jaar in de zwakzinnigenzorg en vervolgens 15 jaar als
zelfstandige, bij e reguliere werving voor Norgerhaven, gelet op de bij
die werving gehanteerde selectiecriteria, waaronder onder meer de eis
van een MBO-IW opleiding, een reele kans op een aanstelling per 1
september 1988 had gehad. namens eiseres is overigens niet bestreden,
dat er in Norgerhaven per die datum ook geen formatieruimte voor een
bewaarder/p.i.w. voorhanden was. De vraag of verweerder ten opzichte
van eiseres onrechtmatig heeft gehandeld en de daardoor gevorderde
schade aan eiseres zou moeten vergoeden beantwoord de rechtbank dan ook
ontkennend.

Ook het feit dat verweerder bij het bestreden besluit – impliciet –
geweigerd heeft terug te komen van zijn besluit om eiseres ingaand 1
april 1989 een tijdelijke aanstelling aan te bieden kan de rechterlijke
toets doorstaan. De rechtbank stelt vast, dat er in de situatie van
eiseres geen sprake van is geweest dat zij vanaf 1 september 1988
werkzaamheden is gaan verrichten die gebruikelijk door werknemers met
een vaste aanstelling worden verricht. Tijdens de periode van 7
maanden, die door verweerder als stageperiode is aangeduid, heeft
eiseres een deeltijdopleiding gevolgd en heeft zij daarbij gedurende
20 uur per week werkzaamheden in Norgerhaven verricht. Aanvankelijk
liep zij met de vaste krachten mee. Naderhand verrichtte zij volgens
haar opgave haar werkzaamheden zelfstandig, waarbij zij wel aanspraak
had op begeleiding. Het was niet gebruikelijk dat zij nachtdiensten
draaide.

Deze feitelijke gegevens brengen de rechtbank, in samenhang met het
gegeven dat eiseres de voorwaarden rond haar indiensttreding volledig
en zonder voorbehoud heeft geaccepteerd, tot bovenstaand oordeel. Nu
verweerder naar het oordeel van de rechtbank in geval van eiseres geen
rechtsregels heeft geschonden mag eiseres worden gehouden aan hetgeen
zij met verweerder is overeengekomen.

Gelet op bovenstaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht,
meervoudige kamer.

Rechtdoende,

verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover schadevergoeding is
gevorderd voor de periode gelegen tussen 1 september 1988 en 1 april
1989; verklaart het beroep overigens gegrond.

Noot

Positieve actie lijkt wederom in juridische zin een onverteerbare zaak
te zijn. Wanneer vrouwen althans op papier een echt ‘opstapje’
genieten, oordeelt men juridisch al snel tot ‘quotering’ wat uit den
boze blijkt (zie mijn noot onder Conclusie AG Tesauro, C 450/93
Kalanke/Bremen, RN 1995, *). Leidt een positief-actieproject bewust of
onbewust in feite tot het stellen van zwaardere eisen aan vrouwen dan
aan mannen (en vrouwen) in een reguliere procedure, dan is
onrechtmatigheid jegens een individueel benadeelde nooit te bewijzen.
Achteraf is immers nooit met zekerheid vast te stellen of een bepaalde
vrouw in de reguliere procedure zou zijn aangenomen. Indien zij niet
zou zijn aangenomen dan is ze nog altijd ‘bevoordeeld’ door het
positief-actieproject dat wel tot aanstelling heeft geleid. Met deze
redenering is het niet moeilijk het praktisch effect aan een Wet
gelijke behandeling te ontnemen. In deze specifieke casus kostte het de
rechtbank echter nog aanzienlijke inspanning om het zo te kunnen
plooien.

In eerste instantie lijkt de rechter de problematiek via procedurele
weg van tafel te vegen. Gesteld wordt dat eiseres beroep heeft
ingesteld op grond van de Ambtenarenwet maar in de gewraakte
stageperiode, namelijk van 1 september 1988 tot 1 april 1989, geen
ambtenaar was en derhalve niet-ontvankelijk in haar beroep. Hier gaat
de rechter wel erg eenvoudig voorbij aan de relevantie van de WGB in
deze. Artikel 1a verbiedt het maken van sekseonderscheid bij de
aanstelling tot ambtenaar. Betoogd kan worden dat het besluit eiseres
niet aan te stellen tot ambtenaar per 1 september 1988 onder de
Ambtenarenwet juncto de WGB valt, eventueel in de vorm van een
weigering van een besluit. Zou men menen dat dat niet zo is, dan is nog
steeds sprake van onderscheid bij de aanbieding van een betrekking door
het bevoegd gezag (artikel 3 WGB). Onder ‘betrekking’, zo zegt de
wetsgeschiedenis, is een stage uitdrukkelijk begrepen. Mogelijkerwijs
had men voor overtreding van artikel 3 WGB door een overheidslichaam
destijds de Arob-rechter moeten benaderen of anders de civiele rechter
op grond van onrechtmatige daad. Inmiddels is deze zoektocht door de
instituties gelukkig beeindigd, omdat de arob-rechtspraak en de
ambtenarenrechtspraak samen zijn ondergebracht bij de rechtbank. De
bovenstaande juridische vragen zijn overigens niet door de Rechtbank
Groningen behandeld omdat deze rechter zich niet heeft verdiept in de
toepasselijkheid van de WGB, laat staan in de uitleg van ‘aanstelling
tot ambtenaar’ of ‘aanbieding van een betrekking’. De onderhavige zaak
werd ondersteund door Rechtenvrouw. Enige jurisprudentie over de WGB
lijkt het Proefprocessenfonds echter steeds moeilijker haalbaar wanneer
niet tot de hoogste rechtsniveaus wordt doorgezet. Het is dan ook te
betreuren dat geen hoger beroep is ingesteld.

Ondanks de bovenstaande beslommeringen is de rechtbank zo vriendelijk
geweest er geen been in te zien om enkele passages na het uitspreken
van de niet-ontvankelijkheid van het beroep voorzover het de periode
september 1988/april 1989 aangaat, uitgebreid in te gaan op de
vermeende onrechtmatigheid van het handelen van verweerder gedurende
deze periode. Dit naar aanleiding van de vraag of verweerder mocht
menen niet te willen terugkomen op de beslissing om duizend gulden
‘immateriele schadevergoeding’ aan te bieden in plaats van een
volledige schadevergoeding, die volgens eiseres uit het gederfde
ambtelijk loon over de gewraakte periode bestaat. De rechtbank komt tot
het oordeel dat een schadevergoeding niet aan de orde is omdat
verweerder jegens eiseres niet onrechtmatig heeft gehandeld. Weliswaar
is het hele project als zodanig in strijd met de WGB, zo volgt de
rechtbank het oordeel van de Commissie gelijke behandeling, maar dat
wil nog niet zeggen dat jegens eiseres onrechtmatig is gehandeld. Hier
volgt de rechtbank een onbewust opzetje van de Commissie. In het
oordeel van 8 augustus 1991 (Oordelenbundel 1991, p. 246 e.v.) is het
de Commissie gebleken dat min of meer gelijktijdig aan het
positief-actieproject een reguliere selectie heeft plaats gehad waarbij
per 1 juli 1989 118 kandidaten zijn aangenomen. Dit vond plaats in de
Grittenborg te Hoogeveen. De daadwerkelijk gehanteerde selectie-eisen
bij deze reguliere selectie, gezien de aangenomen kandidaten, blijkt
een LBO-niveau te zijn en enige werkervaring die niet
noodzakelijkerwijs relevant is. De aangenomen reguliere kandidaten zijn
per direct als ambtenaar aangesteld en betaald, ook al liep men enige
tijd een opleidingsstage. De Commissie constateert ook dat zeven van de
vrouwen uit het positief-actieproject bij de Norgerhaven te Veenhuizen
een opleiding LBO/MAVO bezitten terwijl de meerderheid een
MBO-opleiding heeft. Bij het project te Hoogeveen heeft een vrouw zelfs
MBO-IW. Tot slot blijkt dat met ingang van 1990 de MBO-IW eis die
feitelijk al niet werd toegepast, ook formeel is komen te vervallen bij
gebrek aan kandidaten met deze opleiding. Ondanks dat alle vrouwen
voldoen aan de eisen die daadwerkelijk zijn gesteld bij de reguliere
selectie te Hoogeveen, is de Commissie mild. Men stelt dat het project
als geheel in strijd is met de WGB, maar men houdt uitdrukkelijk in het
midden of dit jegens alle verzoeksters geldt omdat zij onderling
verschillen in opleiding en bovendien niet vaststaat of zij allen
zouden zijn aangenomen in Hoogeveen. Dit laatste nu, neemt de rechtbank
als uitgangspunt voor zijn argumentatie. Het feit dat eiseres een
MULO-diploma heeft en geen MBO-IW, er geen formatieruimte lijkt te zijn
geweest in Veenhuizen en eiseres heeft ingestemd met de afspraken,
brengt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder jegens eiseres niet
onrechtmatig heeft gehandeld. Deze oordeelsvorming door de rechtbank
berust op een zeer selectieve weergave van de feiten, gezien het
onderzoek van de Commissie dat de rechtbank bekend was. Er heeft immers
min of meer gelijktijdig een reguliere selectieprocedure plaatsgevonden
in Hoogeveen voor maar liefst 118 plaatsen. Hoogeveen en Veenhuizen
liggen niet zo ver uit elkaar dat eiseres niet zou solliciteren; de
werkgever, de procedures en de functies zijn dezelfde en het gewraakte
positief-actieproject besloeg beide ‘vestigingen’. Met andere woorden,
er waren wel degelijk (vele) reguliere formatieplaatsen beschikbaar.
Bovendien is in de reguliere procedure slechts een LBO-eis gehanteerd,
die door deskundigen gelijkwaardig wordt geacht aan MAVO en/of MULO.
Kortom, de eerste twee argumenten van de rechtbank zijn feitelijk
onjuist terwijl het derde argument terzake van de instemming van
eiseres volslagen irrelevant is gezien het dwingendrechtelijke karakter
van de WGB. Uiteraard blijft het moeilijk te bewijzen of eiseres zou
zijn aangenomen in Hoogeveen, maar de feiten die de Commissie noemt en
de rechtbank nalaat te noemen wijzen tenminste op een gerede kans.
Wellicht had beter een schadevergoeding naar redelijkheid gevraagd
kunnen worden en niet het gederfde loon, wanneer niet met zekerheid
vaststaat of men de functie anderszins ook verkregen zou hebben. Wat
echter blijft staan, is het gegeven dat indien de rechter een honderd
procent zekerheid zou verlangen zelfs als verweerder reeds heeft
toegegeven onzorgvuldig gehandeld te hebben, een werkgever bij een
selectieprocedure lijnrecht in strijd met de WGB kan handelen, maar
jegens geen van de in de procedure betrokken kandidaten onrechtmatig
hoeft te handelen. In dat geval staat er geen enkele sanctionering in
de vorm van een schadevergoeding op overtreding van de WGB. Rest de
vraag of de rechtbank onbewust de overheid graag wil aansporen vaker
positieve actie te gebruiken voor de verwerving van goedkope
arbeidskracht, of de overheid duidelijk wil maken dat de toegekende
immateriele schadevergoedingen in een aantal gevallen, zo niet alle
gevallen, kan worden teruggeeist als onverschuldigde betaling?

Albertine Veldman

Rechters

Mrs Sijens, Duursma, Griffioen

Instantie: Rechtbank Alkmaar, 26 januari 1995

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Partijen zijn vijftien jaar getrouwd geweest en hebben twee minderjarige
kinderen van elf en vijftien jaar. De man stelt dat hij geen verplichting
meer heeft ten opzichte van de vrouw omdat zij, naast haar eigen
inkomsten, geen behoefte heeft aan een bijdrage, dan wel in staat geacht
kan worden volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De man
heeft daarom verzocht de bijdrage te limiteren tot een periode tot twaalf
maanden. De vrouw heeft gemotiveerd betwist in staat te zijn in grotere
mate in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien dan zij thans doet,
zodat het verweer van de man dienaangaande wordt gepasseerd. De behoefte
van de vrouw staat vast. De rechtbank wijst het limiteringsverzoek af nu
niet is gebleken van zodanige feiten en omstandigheden die een dergelijke
limitering rechtvaardigen. Alimentatie wordt ƒ 500,=.

Volledige tekst

Gezien de overgelegde en als hier ingevoegd geldende stukken, waaronder:
het inleidend verzoekschrift met de daarbij behorende bescheiden als
bedoeld in art. 815 lid 2 a , b en c van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering, ingekomen ter griffie op 1 augustus 1994;

Het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 8 september 1994;

Gelet op de mondelinge behandeling gehouden op 28 november 1994 blijkens
het daarvan opgemaakte proces-verbaal;

Overweegt ten aanzien van de feiten:

De vrouw heeft bij bovengenoemd verzoekschrift onder meer verzocht
echtscheiding subsidiair scheiding van tafel en bed tussen partijen,
Nederlanders, uit te spreken.

De man heeft bij verweerschrift zich ten aanzien van de verzochte
echtscheiding, gezagsvoorziening, bijdrage in de kosten van verzorging en
opvoeding, de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en het
huurrecht van de echtelijke woning gerefereerd aan het oordeel van de
rechtbank, doch verweer gevoerd tegen de door de vrouw gevraagde bijdrage
in haar levensonderhoud en de voorgestelde omgangsregeling en de rechtbank
verzocht om het verzoek van de vrouw met betrekking tot de bijdrage in
haar levensonderhoud af te wijzen, dan wel te limiteren en om een
omgangsregeling vast te stellen zoals in het verweerschrift verwoord.

Overweegt ten aanzien van het recht:

De rechtbank heeft de in deze beschikking vermelde voornamen en
geslachtsnamen van partijen en de datum en plaats van de
huwelijksvoltrekking, alsmede de voornamen, gboortedata en -plaatsen van
hun minderjarige kinderen, overgenomen uit de desbetreffende bescheiden,
voor zover nodig met dienovereenkomstige rectificatie van het bovengenoemd
verzoekschrift.

Het gestelde omtrent de huwelijkssluiting, het huwelijksgoederenregime,
de minderjarige kinderen en de nationaliteit van partijen staat als niet
weersproken en gedeeltelijk gestaafd door de overlegde bescheiden vast.

Voorts is als gesteld en niet weersproken komen vast te staan dat het
huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat het verzoek tot echtscheiding, nu
daartegen geen verweer wordt gevoerd, kan worden toegewezen.

Ook de nevenvoorzieningen met betrekking tot de gezagsvoorziening, de
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, de verdeling van de
huwelijksgoederengemeenschap en het huurrecht van de echtelijke woning,
zoals verzocht bij het inleidend verzoekschrift, kunnen worden toegewezen,
aangezien daartegen geen verweer wordt gevoerd en deze de rechtbank
gegrond voorkomen.

Met betrekking tot de nevenvoorziening tot scheiding en deling van de
huwelijksgoederengemeenschap begrijpt de rechtbank dat bedoeld is te
verzoeken de verdeling als bedoeld in art. 99, Boek I, BW.

De rechtbank acht de na te melden voorziening in het gezag het meest in
het belang van de betrokken minderjarigen.

De rechtbank acht onder de huidige omstandigheden, zoals ter zitting aan
de orde gekomen, mede gelet op het verhoor van de minderjarige M, een
omgangsregeling niet in het belang van de minderjarigen. Teneinde te
voorkomen dat het contact tussen de vader en de minderjarigen geheel wordt
verbroken acht de rechtbank het van belang dat de moeder de vader
periodiek zal informeren over de minderjarigen.

Tussen partijen is nog in geschil de door de vrouw verzochte bijdrage in
haar levensonderhoud.

Hieromtrent is uit de stukken en uit de door partijen ter zitting
verstrekte inlichtingen het volgende gebleken:

Partijen zijn op 28 juli 1980 gehuwd. Uit het huwelijk zijn twee thans nog
minderjarige kinderen geboren.

De man is alleenstaand. Zijn inkomen bedraagt ƒ 3.021,= netto per maand,
inclusief vakantiegeld. Hij betaalt ƒ 572,= per maand aan huur. Op een
persoonlijke lening lost de man ƒ 250,= per maand af. De man voert ƒ 24,=
per maand op als verwervingskosten. De man zal als bijdrage in de kosten
van verzorging en opvoeding van de beide minderjarige kinderen van
partijen ƒ 250,= per kind per maand gaan betalen.

De vrouw woont met de beide minderjarige kinderen van partijen. Zij werkt
vijf dagen per week van 08.00 uur tot 11.00 uur bij de . Haar inkomen
uit arbeid is circa ƒ 1.000,= netto per maand.

De man heeft gesteld dat hij geen verplichting meer heeft ten opzichte van
de vrouw omdat zij, naast haar eigen inkomsten, geen behoefte heeft aan
een bijdrage, dan wel in staat geacht kan worden volledig in haar eigen
onderhoud te voorzien. De man heeft daarom verzocht de bijdrage te
limiteren tot een periode van 12 maanden.

De vrouw heeft gemotiveerd betwist in staat te zijn in grotere mate in
haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien dan zij thans doet, zodat
het verweer van de man dienaangaande wordt gepasseerd. De behoefte van de
vrouw aan een bijdrage staat, gelet op het voorgaande vast.

De rechtbank zal het verzoek van de man om te bepalen dat zijn
verplichting na twaalf maanden eindigt afwijzen. Er is niet gebleken van
zodanige feiten of omstandigheden die een dergelijke limitering van de
bijdrage rechtvaardigt.

Bij de bepaling van de draagkracht van de man heeft de rechtbank geen
rekening gehouden met de door de man opgevoerde omgangskosten. Rekening
houdend met de fiscale consequenties van de bijdragen ten behoeve van de
kinderen en de vrouw, acht de rechtbank de door de vrouw verzochte
bijdrage in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

Beschikt als volgt: Spreekt tussen partijen op te gehuwd,
echtscheiding uit.

Benoemt over de minderjarigen: geboren te op geboren te op tot
voogdes de vrouw en tot toeziend voogd de man.

Beveelt voorzover nodig de afgifte van de minderjarigen aan de met het
gezag belaste ouder.

Wijst het verzoek om een omgangsregeling vast te stellen af.

Bepaalt dat de vrouw minstens eenmaal per zes maanden schriftelijke
informatie over de minderjarige kinderen zal verstrekken aan de man,
waarbij de rechtbank denkt aan belangrijke feiten en ontwikkelingen
betreffende de minderjarigen, kopieen van de schoolrapporten alsmede een
recente foto.

Bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding
van voornoemde minderjarigen aan de vrouw telkens bij vooruitbetaling zal
betalen ƒ 250,= per kind per maand, te vermeerderen met het bedrag van
iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten
behoeve van deze minderjarigen kan of zal worden verleend, een en ander
met ingang van de dag waarop de voogdij aanvangt, met dien verstande dat
de kosten van niet vrijwillige nakoming voor rekening van de
bijdrageplichtige komen.

Bepaalt dat de man aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud zal
betalen van ƒ 500,= per maand (zegge: vijfhonderd gulden), telkens bij
vooruitbetaling te voldoen met ingang van de dag van inschrijving van deze
beschikking, met dien verstande dat de kosten van niet vrijwillige
nakoming voor rekening van de bijdrageplichtige komen.

Beveelt de man met de vrouw over te gaan tot verdeling van de
huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd en benoemt,
tenzij partijen binnen acht dagen na inschrijving van deze beschikking
anders overeenkomen notaris mr. B.P. van Riessen te Den Helder
respectievelijk de ambtelijke bewaarder van diens protocol om op een door
deze te bepalen tijd en plaats de verdeling te bewerkstelligen.

Benoemt voorts mrs. G. Lieffijn en A.H. Tromp, advocaten te Den Helder tot
onzijdige personen om de man, respectievelijk de vrouw te
vertegenwoordigen bij de verdeling, indien de man, respectievelijk de
vrouw daartoe niet meewerkt of wegblijft.

Bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de woning aan het gemeente
Den Helder.

Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Compenseert de proceskosten tussen partijen, echtelieden, in dier voege,
dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Rechters

mr. M.G.W. Otterspoor-Kousemaker

Instantie: Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing, 26 januari 1995

Instantie

Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing

Samenvatting


Het beklag betreft de weigering klaagsters bezoek zonder toezicht van haar
man toe te staan. De beklagcommissie heeft het beklag ongegrond verklaart.
Voor de beroepscommissie is voldoende aannemelijk geworden dat de
gebouwelijke situatie in de p.i.v. “Amerswiel” te Heerhugowaard in
verband met de nog niet voltooide nieuwbouw zodanig is dat thans het
verzochte bezoek zonder toezicht nog niet kan worden toegestaan. De
beroepscommissie komt dan ook tot het oordeel dat de beslissing van de
directeur, om klaagster gelet op de gebouwelijke situatie vooralsnog geen
bezoek zonder toezicht van haar man toe te staan niet in strijd is met de
bepaling in voornoemde circulaire en niet als onredelijk of onbillijk is
aan te merken. Het beroep van klaagster treft mitsdien geen doel.
Overigens merkt de beroepscommissie op dat het te betreuren is dat bij
klaagster onjuiste verwachtingen zijn gewekt. De beroepscommissie is dan
ook van mening dat -zodra de gebouwelijke situatie zodanig is dat de
mogelijkheid voor bezoek zonder toezicht wel aanwezig is- het redelijk zou
zijn klaagster enig extra bezoek zonder toezicht toe te staan. De
beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Volledige tekst

Inhoud van het beklag en de beslissing van de beklagcommissie: Het beklag
betreft de weigering klaagster bezoek zonder toezicht van haar man toe te
staan.

De beklagcommissie heeft het beklag ongegrond verklaard, op de gronden als
in de aangehechte beschikking weergegeven.

2. Standpunten van klaagster en de directeur: Door en namens klaagster is
in beroep volhard in het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt.
Zij heeft gesteld dat haar man ten onrechte als vluchtgevaarlijk is
aangemerkt en dat de p.i.v. te Breda toegezegd is dat klaagster in de
p.i.v. “Amerswiel” te Heerhugowaard bezoek zonder toezicht zou kunnen
ontvangen. Klaagster heeft benadrukt dat zij niet naar de p.i.-en
“Overmaze” te Maastricht overgeplaatst wil worden. Zij heeft voorts
medegedeeld dat indien het onderhavige beroep gegrond wordt verklaard de
consequentie is dat zij alsnog naar “Overmaze” overgeplaatst zal worden.

De directeur heeft daarop geantwoord als tegenover de beklagcommissie. Zij
heeft gesteld dat de thans -gelet op de gebouwelijke situatie- geen bezoek
zonder toezicht van eveneens gedetineerde partners kan plaatsvinden, gelet
op het verhoogde risico. Bezoek zonder toezicht van niet gedetineerde
partners is wel mogelijk. De reden hiervoor is gelegen in de gebouwelijke
situatie. Deze zal echter binnen afzienbare tijd veranderd zijn zodat dan
wel bezoek zonder toezicht van gedetineerde partners kan plaatsvinden.
Benadrukt werd dat klaagsters man niet als vluchtgevaarlijk bekend staat.
Dit is ten onrechte in de beschikking van de beklagcommissie vermeld.
Betoogd werd dat klaagster -ter compensatie- thans om de twee weken
gedurende twee uren regulier bezoek van haar man ontvangt. Normaal
gesproken vindt een dergelijk bezoek om de zes weken plaats. Voorts werd
betoogd dat vanuit de inrichting getracht is klaagster man -via de s.a.c.-
versneld overgeplaatst te krijgen naar de gevangenis “Norgerhaven” te
Veenhuizen, opdat het bezoek zonder toezicht in “Norgerhaven” zou kunnen
plaatsvinden. Gelet op de lange wachtlijst voor deze gevangenis was dit
echter niet mogelijk. Medegedeeld werd dat klaagster is aangeboden haar
tijdelijk over te plaatsen naar de p.i.-en “Overmaze” te Maastricht opdat
het bezoek zonder toezicht aldaar zou kunnen plaatsvinden. Klaagster wilde
echter van deze mogelijkheid geen gebruik maken. Tenslotte werd
medegedeeld dat indien het onderhavige beroep gegrond wordt verklaard de
nodige maatregelen getroffen dienen te worden; bezoek zonder toezicht van
gedetineerde partners kan gelet op het veiligheidsrisico thans nog niet
toegestaan worden.

3. Beoordeling: De ministeriele circulaire van 15 november 1990, nr. 35241
DJ 90 betreffende de bezoekregeling gedetineerden bepaalt onder 4. ten
aanzien van de regeling bezoek zonder toezicht: “De gedetineerde kan,
voorzover de mogelijkheden in de richting dit toelaten, ten hoogste een
keer per maand bezoek zonder toezicht worden toegestaan, indien dit naar
het oordeel van de directeur redelijkerwijze zal bijdragen tot het behoud
of het versterken van de banden tussen betrokkenen, van belang voor de
terugkeer van de gedetineerden in de samenleving”. Voor de
beroepscommissie is voldoende aannemelijk geworden dat de gebouwelijke
situatie in de p.i.v. “Amerswiel” te Heerhugowaard in verband met de nog
niet voltooide nieuwbouw zodanig is dat thans het verzochte bezoek zonder
toezicht nog niet kan worden toegestaan. De beroepscommissie komt dan ook
tot het oordeel dat de beslissing van de directeur, om klaagster gelet op
de gebouwelijke situatie vooralsnog geen bezoek zonder toezicht van haar
man toe te staan niet in strijd is met de bepaling in voornoemde
circulaire en niet als onredelijk of onbillijk is aan te merken. Het
beroep van klaagster treft mitsdien geen doel. Overigens merkt de
beroepscommissie op dat het te betreuren is dat bij klaagster onjuiste
verwachtingen zijn gewekt. De beroepscommissie is dan ook van mening dat
-zodra de gebouwelijke situatie zodanig is dat de mogelijkheid voor bezoek
zonder toezicht wel aanwezig is- het redelijk zou zijn klaagster enig
extra bezoek zonder toezicht toe te staan. Daarbij is echter redelijk dat
rekening gehouden wordt met het feit dat klaagster gedurende de periode
dat zij geen bezoek zonder toezicht kon ontvangen extra bezoek heeft
gekregen en met de omstandigheid dat klaagster -overigens om ter zitting
uiteengezette niet onbegrijpelijke redenen- geen gebruik heeft gemaakt van
het aanbod haar -tijdelijk- over te plaatsen naar de p.i.-en “Overmaze”
te Maastricht, alwaar zij wel in de gelegenheid gesteld had kunnen worden
bezoek zonder toezicht te ontvangen.

4. Beslissing: De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en
bekrachtigd de beschikking van de beklagcommissie onder aanvulling van
gronden.

Rechters

Mr. C.J.G. Bleichrodt, voorzitter, dr. J.P.S. Fiselier en mr. R.J.A.Meertens-Zeeman, leden mr. B.I.M. Akkerman, secretaris

Instantie: Rechtbank Almelo, 25 januari 1995

Instantie

Rechtbank Almelo

Samenvatting


Partijen zijn 23 jaar gehuwd geweest en hebben drie kinderen, een
minderjarig kind van 16 jaar. De vrouw stelt haar behoefte op ƒ 8.000, per
maand. Zij vordert ƒ 3.378,= alimentatie per maand. De man stelt dat de
vrouw haar werkzaamheden verder kan uitbreiden en dat het te speculatief
is om aan te nemen dat de verdiencapaciteit van de vrouw ƒ 8.000,= per
maand zou zijn indien er van een huwelijk tussen partijen geen sprake zou
zijn geweest. De rechtbank neemt met betrekking tot de gevorderde
alimentatie het volgende als uitgangspunt: bij de verdeling van de
gemeenschap beschikt de vrouw over een vermogen van meer dan ƒ 550.000,=;
zij heeft – tijdelijk- een bruto inkomen van ƒ 4.000,= p.m.; het huwelijk
heeft 23 jaar geduurd; er zijn drie kinderen geboren, het jongste kind is
16; het inkomen van de man bedroeg in 1993 ƒ 200.000,=; de vrouw heeft
tijdens het huwelijk ook meegewerkt in de praktijk van de man. De
rechtbank concludeert dat de vrouw -ten koste van haar verdienvermogen-
een aanmerkelijke bijdrage heeft geleverd in de hogere verdiencapaciteit
van de man. In dat opzicht is het dan ook niet onredelijk dat de vrouw bij
de hoogte van de door de man te betalen alimentatie uitgaat van een bruto
inkomen van ƒ 8.000,= en kan in het midden blijven of de vrouw
daadwerkelijk zodanig bedrag zou verdienen indien geen huwelijk tussen
partijen had plaatsgevonden. Er wordt ƒ 1.650,= toegewezen.

Volledige tekst

Overweegt ten aanzien van: het procesverloop: Bij op 28 juli 1994 ter
griffie ingekomen verzoekschrift met bijlagen is verzocht de echtscheiding
tussen partijen uit te spreken en te bepalen dat partijen zullen overgaan
tot de verdeling van de gemeenschap, alsmede dat de ouderlijke macht over
der partijen minderjarige kind zal voortduren.

Op 26 oktober 1994 is een verweerschrift ter griffie van deze rechtbank
ingekomen.

Dit verweerschrift bevat tevens een tegenverzoek, tegen welk verzoek op
18 november 1994 een verweerschrift is ingediend. Bij dat verweerschrift
heeft de man zijn aanvankelijke verzoek tot verdeling aangevuld in die zin
dat hij verklaring voor recht verzoekt dat de pensioenrechten naar het
Boon/Van Loon criterium dienen te worden verdeeld.

De zaak is behandeld ter terechtzitting 19 december 1994, alwaar zijn
gehoord partijen en hun procureurs, bij welke gelegenheid de vrouw haar
verzoek tot alimentatie heeft vermeerderd.

de standpunten van partijen:

De vrouw voert het pensioenverweer ex artikel I:153 van het Burgerlijk
Wetboek.

Partijen verschillen van mening omtrent de wijze van verdeling van de
opgebouwde pensioenrechten. De vrouw is van mening dat de verdeling dient
te geschieden conform de Wet Pensioenverevening, die per 1 mei 1995 in
werking zal treden.

De vrouw vordert alimentatie ten behoeve van zichzelf een bedrag van ƒ
3.378,= per maand. Zij relateert dit aan een behoeftebepaling van ƒ
8.000,= bruto per maand. Voor het geval niet aan haar verlangen terzake
het gevoerde pensioenverweer mocht worden toegekomen verzoekt zij de
alimentatie te bepalen op ƒ 4.628,92 per maand.

De man stelt zich op het standpunt dat bij de vrouw de behoefte aan
alimentatie ontbreekt. Voor zover op hem een onderhoudsverplichting zou
rusten, verzoekt hij die verplichting in duur te beperken.

de beoordeling van het verzoek:

1. De in artikel 815 lid 2 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv)
gemelde bescheiden zijn als bijlagen bij het verzoek gevoegd.

2. Partijen bezitten de Nederlandse nationaliteit.

Gebleken is dat de situatie als bedoeld in artikel 814 Rv zich hier
voordoet, zodat de Nederlandse rechter met betrekking tot de verzochte
echtscheiding rechtsmacht toekomt.

3. Nu de vrouw erkent dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht,
staat deze duurzame ontwrichting in rechte vast.

Het door de vrouw gevoerde pensioenverweer faalt. Partijen zijn in
algehele gemeenschap gehuwd, zodat de vrouw in het kader van de verdeling
van de gemeenschap, gelet ook op de bereidheid van de man de
pensioenverrekening op basis van het Boon/Van Loon-arrest te effectueren,
haar aanspraken op dit punt niet verliest. Dat de vrouw, naar zij stelt,
in vergelijking met de in het kader van de Wet verevening pensioenrechten,
die op 1 mei 1995 in werking treedt, in een ongunstiger positie komt te
verkeren doet daar niet aan af.

De verzochte echtscheiding is mitsdien voor toewijzing vatbaar.

4. Het verzoek van de ouders om de ouderlijke macht te laten voortduren
is voor toewijzing vatbaar. In voldoende mate is gebleken dat, ondanks het
einde van het huwelijk, tussen de ouders de goede onderlinge
verstandhouding bestaat die vereist is voor de gezamenlijke uitoefening
van het gezag, alsmede voor het in onderling overleg voorzien in de kosten
van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kind in die zin dat de
man een bijdrage van ƒ 500,= per maand zal voldoen. Deze bijdrage leent
zich evenwel niet voor vastlegging in deze beschikking.

5. In het inleidend verzoekschrift verzoekt de man de verdeling van de
gemeenschap te bevelen met benoeming van een notaris en een onzijdig
persoon. Het door de vrouw gevoerde pensioenverweer wordt door hem
aangemerkt als een verzoek tot vaststelling van de verdeling van een
gemeenschapsgoed als bedoeld in artikel 678 Wetboek van burgerlijke
rechtsvordering, reden waarom hij bij verweerschrift tegen het
tegenverzoek zijn verzoek tot verdeling van de gemeenschap heeft aangevuld
in die zin dat hij verzoekt voor recht te verklaren dat de pensioenen
worden verdeeld conform het Boon/Van Loon-criterium.

6. De vrouw staat een verrekening conform de Wet verevening
pensioenrechten voor, aangezien een verdeling conform het Boon/Van
Loon-arrest voor haar onbillijke resultaten met zich meebrengt, met name
hierin gelegen dat de contante waarde van het weduwen pensioen in
mindering wordt gebracht op het gebouwde ouderdomspensioen.

Partijen zijn het eens over het aantal (3 bij de man en 1 bij de vrouw)
te verdelen pensioenen en de hoogte van de daaruit voortvloeiende
pensioenaanspraken per oktober 1993, alsmede de aanspraken uit hoofde van
een tweetal lijfrentepolissen.

Voorop dient te worden gesteld dat de gevolgde standaardmethode voor de
pensioenverrekening aan de hand van het Boon/Van Loon-arrest gedurende de
afgelopen 13 jaar als redelijk en billijk is ervaren en een verbetering
van de positie van gescheiden vrouwen tot gevolg heeft gehad.
Desalniettemin valt het resultaat toch vaak nadelig voor de vrouw uit,
ondermeer door het gebruik van sekse-gedifferentieerde sterftetabellen en
aftrek van het weduwenpensioen zoals toegepast door de pensioenfondsen en
actuarissen. Uit het Boon/Van Loon-arrest kan naar het oordeel van de
rechtbank echter geenszins worden afgeleid dat de aftrek van de waarde van
het weduwenpensioen in alle gevallen dient te worden meegenomen. Partijen
zijn immers vrij de waarden te bepalen in het kader van het Boon/Van
Loon-arrest.

Anderzijds valt niet in te zien waarom de verrekening op basis van komende
wetgeving zou moeten geschieden, welke wetgeving overigens in de
literatuur al blootstaat aan veel kritiek. Die kritiek ziet met name op
de verschuiving van de ongelijke behandeling ten nadele van de man, het
ontbreken van enige koppeling met de op 1 juli 1994 in werking getreden
Wet Limitering Alimentatie en de huwelijksduur als maatstaf voor de te
verrekenen pensioenrechten. Doelstelling van de Wet Verevening
Pensioenrechten is de in het Boon/Van Loon-arrest neergelegde principes
te verwezenlijken en de uitvoerbaarheid van het arrest te bevorderen. Dit
gebaseerd op de situatie dat de taakverdeling tussen de echtgenoten
zodanig is geweest dat een van hen niet of niet volledig eigen inkomsten
uit arbeid en dientengevolge onvoldoende zelfstandige pensioenaanspraken
heeft kunnen verwerven tijdens het huwelijk. Onmiskenbaar is dat die
situatie zich bij de vrouw voordoet en ook doorwerkt in de periode die
haar nog rest om pensioenrechten op te bouwen.

Naast bovengemeld meningsverschil bestaan er nog andere geschilpunten met
betrekking tot de te verdelen gemeenschap. Aangezien de algehele verdeling
mede bepalend kan zijn bij een naar redelijkheid en billijkheid vast te
stellen pensioenverrekening, gaat het de rechtbank te ver voor recht te
verklaren dat de in de huwelijksgemeenschap vallende pensioenen verdeeld
dienen te worden naar het Boon/Van Loon-criterium. Bovendien is niet komen
vast te staan dat de te doen gebruikelijk te hanteren uitwerking van dat
criterium ook in dit geval alleszins redelijk voorkomt.

7. Met betrekking tot de door de vrouw gevorderde alimentatie geldt het
volgende als uitgangspunt.

Naar het zich laat aanzien zal de vrouw in het kader van de verdeling van
de gemeenschap in ieder geval over een vermogen van meer dan ƒ 550.000,=
de beschikking krijgen. Haar bruto-inkomen bedroeg over 1993 ƒ 68.735,=,
over januari 1994 ƒ 5.183,= en over februari 1994 ƒ 5.580,=. Per augustus
1994 is er sprake van een teruggang in inkomen naar bruto ƒ 3.710,= per
maand. Dit vanwege een teruggang in het aantal aanstellingsuren. Tijdelijk
-tot 1 februari 1995- is er ten gevolge van ziektevervanging van een
collega sprake van een bruto inkomen van ƒ 4.030,= per maand. Uit het
huwelijk van partijen dat 23 jaar heeft geduurd zijn drie kinderen
geboren. Het jongste kind is 16 jaar. Het inkomen uit arbeid van de man
(huisarts en nascholingscoordinator) bedroeg over 1993 ongeveer ƒ
200.000,=. Tijdens het huwelijk heeft de vrouw ook meegewerkt in de
praktijk van de man.

De man is de mening toegedaan dat de vrouw haar werkzaamheden verder kan
uitbreiden en dat het te speculatief is om aan te nemen dat haar
verdiencapaciteit ƒ 8.000,= per maand zou zijn indien er van een huwelijk
tussen partijen geen sprake zou zijn geweest. Naar hij stelt hebben
partijen tijdens het huwelijk sober geleefd, gelet ook op het feit dat het
gezinsinkomen is aangewend voor vermogensvorming en niet zozeer om er een
ruim bemeten leefwijze op na te houden. Dienaangaande is onweersproken
door de vrouw gesteld dat de woning van partijen uiterst luxe was
ingericht, dat partijen jaarlijks drie keer op vakantie gingen en dat het
gespaarde vermogen deels uit een erfenis afkomstig is. Bovendien voert zij
aan dat het sparen deel uitmaakt van de levensstijl van partijen.

Op grond van het hiervoor overwogene in onderling verband en samenhang
gezien kan worden geconcludeerd dat de vrouw -ten koste van haar
verdienvermogen- een aanmerkelijke bijdrage heeft geleverd in de hogere
verdiencapaciteit van de man. In dat opzicht is het dan ook niet
onredelijk dat de vrouw bij de hoogte van de door de man te betalen
alimentatie uitgaat van een bruto-inkomen van ƒ 8.000,= per maand en kan
in het midden blijven of de vrouw daadwerkelijk zodanig bedrag zou
verdienen indien geen huwelijk tussen partijen zou hebben plaatsgevonden.

In voldoende mate acht de rechtbank aangetoond dat de vermindering in het
inkomen uit arbeid van de vrouw haar niet kan worden toegerekend, zodat
het redelijk is om haar huidige verdiensten als lerares aan de als
uitgangspunt te nemen. De vooruitzichten van de vrouw op uitbreiding van
de aanstelling bij de zijn niet al te rooskleurig te noemen, maar dit
ontslaat haar niet van de verplichting te trachten een hoger inkomen uit
arbeid te verwerven. Verder rekeninghoudend met ƒ 34.000,= per jaar aan
inkomsten uit vermogen, dient de alimentatie te worden vastgesteld op ƒ
1.650,= per maand. Oplegging van zodanig bedrag heeft niet tot gevolg dat
de man ten opzichte van de vrouw in ongunstiger financiele positie komt
te verkeren. Bij dit alles gaat de rechtbank er van uit dat de vrouw geen
reserveringen behoeft te doen om tot een redelijke pensioenvoorziening te
geraken. Ook onder de huidige alimentatiewetgeving blijft de vrouw de
mogelijkheid behouden om in het kader van het verzorgingsrecht eventuele
nadelige uitkomsten terzake de pensioenverrekening het hoofd te bieden.
De door de vrouw aangevoerde grond tot vermeerdering van de door de man
te betalen alimentatie kan onder deze omstandigheden niet tot oplegging
van een hogere onderhoudsverplichting leiden.

Anderzijds speelt de onzekerheid die er thans nog bestaat met betrekking
tot de afwikkeling van de pensioenrechten mee bij de beantwoording van de
vraag of de op de man rustende alimentatieverplichting in duur dient te
worden beperkt. Gelet op alle andere omstandigheden van het geval, zoals
hiervoor weergegeven, is de rechtbank van oordeel dat er geen gronden zijn
om een limitering toe te staan.

9. In de omstandigheid dat partijen echtelieden zijn wordt aanleiding
gevonden de proceskosten als na te melden te compenseren.

de beslissing:

I. Spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op gehuwd.

II. Beveelt partijen om, zodra deze beschikking zal zijn ingeschreven in
de registers van de burgerlijke stand, met elkaar over te gaan tot
verdeling van de gemeenschap, waarin zij zijn gehuwd.

Benoemt notaris mr. K.D. Lange te Enschede tot notaris, voor wie, zo
partijen niet binnen veertien dagen na inschrijving een ander kiezen, de
werkzaamheden van die verdeling zullen plaats hebben op door die notaris
te bepalen plaats en tijd.

Verstaat, dat de kosten die de benoemde of gekozen notaris in het kader
van voormelde werkzaamheden maakt, ten laste van de te verdelen
gemeenschap komen.

Benoemt mr. C.P.B. Kroep, advocaat en procureur te Hengelo (O), en mr.
R.W. Lagerwaard, advocaat en procureur te Wierden, tot onzijdige personen
om de man respectievelijk de vrouw te vertegenwoordigen, zo deze of dezen
in gebreke mocht of mochten blijven op de door de benoemde of gekozen
notaris voor de verdeling bepaalde tijd en plaats te verschijnen, of
verschenen zijnde, mocht of mochten weigeren aan de verdeling mee te
werken.

III. Verstaat, dat de ouderlijke macht over:

geboren te op zal worden uitgeoefend door beide ouders, met bevel
aan de griffier tot inschrijving hiervan in het voogdijregister.

IV. Veroordeelt de man om, vanaf de dag dat deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, aan de vrouw tot
haar levensonderhoud te betalen een bedrag van ƒ 1.650,=
(eenduizendzeshonderdvijftig gulden) per maand, telkens bij
vooruitbetaling te voldoen.

V. Verklaart deze beschikking ten aanzien van de onderdelen II. en III.
uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

onbekend

Instantie: Rechtbank Middelburg, 25 januari 1995

Instantie

Rechtbank Middelburg

Samenvatting


Na dertien jaar huwelijk wordt in 1982 de echtscheiding uitgesproken.
Ten tijde van de echtscheiding waren de kinderen acht en tien jaar.
Sinds 1993 heeft de vrouw weer een deeltijdbaan. De rechtbank wijst het
verzoek van de man tot nihil-stelling van de alimentatie af met de
motivering dat de kansen van de vrouw op de arbeidsmarkt beperkt zijn
gezien haar leeftijd en haar sollicitatiepogingen, en acht een inkomen
op bijstandsniveau niet in overeenstemming met het eerdere
welstandsniveau. Beeindiging van de alimentatie na vijftien jaar, per
31 december 1997, wijst de rechtbank af omdat de vrouw nu reeds beroep
doet op de hardheidsclausule en om verlenging vraagt.

Volledige tekst

1. Het verloop van het proces.

De man heeft een verzoekschrift ingediend strekkende tot wijziging van
de op grond van het vonnis van deze rechtbank van 11 augustus 1982 en
de nadien getroffen onderhandse regelingen de door hem ten behoeve van
de vrouw verschuldigde alimentatie. Met ingang van 1 september 1992 zou
de alimentatie op nihil moeten worden gesteld, althans te worden
verminderd tot een bedrag dat gelijk is aan het verschil tussen de
alimentatie en de bruto-arbeidsinkomsten van de vrouw, althans tot een
bedrag en met een ingangsdatum als de rechtbank vermeent te behoren.
Voorzover wordt bepaald dat de man nog een (verlaagde) alimentatie
dient te betalen, wordt verzocht te bepalen dat deze alimentatie zal
eindigen op 31 december 1997.

De vrouw heeft tijdig een verweerschrift ingediend. Zij heeft verzocht
de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren danwel het
verzoek af te wijzen.

De zaak is behandeld op de terechtzitting van 5 december 1994.

2. De feiten

Bij vonnis van deze rechtbank van 11 augustus 1982 is ondermeer bepaald
dat de man ten behoeve van de vrouw een alimentatie van ƒ 2300,- per
maand zou betalen. Die alimentatie beloopt thans ingevolge de
wettelijke indexering ƒ 2825,40 per maand.

3. Het geschil

3.1. De man is van mening dat zijn alimentatieverplichting behoort te
beeindigen omdat de vrouw inmiddels in staat moet worden geacht om door
arbeid geheel in haar levensonderhoud te voorzien. Ter onderbouwing
daarvan heeft hij aangevoerd dat de huwelijkse samenleving circa elf
jaar heeft geduurd en hij thans al ruim dertien jaar alimentatie
betaalt. Ten tijde van de echtscheiding waren de kinderen niet zo erg
jong meer, namelijk tien en acht jaar oud. De man heeft gesteld dat
door het huwelijk en de taakverdeling ten aanzien van de kinderen de
verdiencapaciteit van de vrouw niet nadelig is beinvloed. Volgens de
man heeft de vrouw ruimschoots -ook financieel- de mogelijkheid gehad
om ook zelf een carriere op te bouwen maar heeft ze die mogelijkheid
onbenut gelaten. In 1987 is de vrouw buitenshuis gaan werken. Vanaf mei
1989 tot november 1989 werkte zij bij een uitzendorganisatie en
vervolgens in een vaste aanstelling als receptioniste/telefoniste bij
de gemeentelijke Sociale Dienst te Middelburg. Sinds augustus 1992
wonen de kinderen niet meer bij de vrouw. De belemmering voor het
vinden van een betaalde baan buitenshuis, bijvoorbeeld gelegen in het
verzorgen van jonge kinderen, is volgens de man voor de vrouw al tien
jaar geleden weggevallen. Volgens de man heeft de vrouw niet aangetoond
dat ze alle pogingen in het werk heeft gesteld om full-time werkzaam te
kunnen zijn. Hij heeft zich in dit verband tevens beroepen op de
strekking van de op 1 juli 1994 in werking getreden wetten van 28 april
1994, Stb. 324 en 325 (Wet limitering alimentatie).

3.2. Subsidiair meent de man dat de behoefte aan alimentatie is
verminderd omdat de vrouw reeds een aantal jaren een werkkring heeft op
grond waarvan zij in ieder geval gedeeltelijk in eigen levensonderhoud
kan voorzien.

3.3. Voor het geval de rechtbank van oordeel mocht zijn dat de man nu
nog alimentatieplichtig is, heeft de man voorts verzocht om te bepalen
dat deze alimentatieplicht zal eindigen op 31 december 1997.

3.4. De alimentatievermindering dient volgens de man in te gaan op 1
september 1992, zijnde de datum waarop de kinderen bij de vrouw
metterwoon zijn vertrokken.

3.5. De vrouw heeft de wijziging van omstandigheden die de man heeft
aangevoerd betwist en meent dat de man in zijn verzoek
niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Volgens de vrouw kan ze niet volledig in haar eigen levensonderhoud
voorzien. Ze heeft weliswaar een eigen werkkring verkregen, maar
slechts door de inkomsten daaruit te combineren met de
alimentatie-inkomsten kan ze zich op een aanvaardbaar bestaansniveau
handhaven. De vrouw is vanaf 1 januari 1993 in vaste dienst werkzaam
bij de gemeente Middelburg tegen een bruto salaris van ƒ 1775,- per
maand. Ze werkt part-time voor 50%. Ondanks gedane moeite is het de
vrouw niet gelukt een fulltime dienstverband bij de gemeente of elders
te verkrijgen. Volgens de vrouw wordt het voor haar steeds moeilijker
een andere, betere betaalde dienstbetrekking te krijgen. De vrouw heeft
gesteld dat ze geen werk heeft kunnen zoeken toen de kinderen jong
waren. Ze is toen de kinderen 17 en 15 jaar oud waren op zoek gegaan
naar een werkkring. Volgens de vrouw was het in het belang van de
kinderen dat zij zelf het huishouden kon verrichten en de kinderen kon
opvangen na schooltijd. De situatie is tijdens het huwelijk ook altijd
zo geweest; de vrouw zorgde voor de kinderen en het huishouden en de
man zorgde voor het inkomen. Haar werk als medisch secretaresse heeft
ze niet meer kunnen oppakken, omdat alle medische specialisten in de
regio collega’s van haar voormalig echtgenoot zijn. De vrouw meent dat
de verhouding tussen de inkomens van haarzelf en haar voormalige
echtgenoot van belang is en wenst inzage in zijn financiele situatie.

3.6. Limitering van de alimentatie tot 31 december 1997 is volgens de
vrouw niet aan de orde. Mocht het verzoek worden toegewezen, dan dient
de wijziging eerst in te gaan vanaf de dag dat de beslissing daartoe in
kracht van gewijsde is gegaan.

3.7. De vrouw heeft zich verzet tegen de verzochte ingangsdatum van de
alimentatiewijziging. Mocht het verzoek worden toegewezen, dan dient de
wijziging eerst in te gaan vanaf de dag dat de beslissing daartoe in
kracht van gewijsde is gegaan.

4. De beoordeling

4.1. De omstandigheden zijn gewijzigd sinds de vaststelling van de
thans geldende alimentatie. De vrouw heeft inmiddels een betaalde baan.
De man is dus ontvankelijk in zijn verzoek tot alimentatievermindering.

4.2. In deze procedure is niet de draagkracht van de man in het geding,
maar de behoefte van de vrouw. Uitgangspunt is immers dat de
alimentatieplichtige niet een hoger bedrag behoeft te betalen dan het
bedrag waaraan de alimentatiegerechtigde behoefte heeft om in het
levensonderhoud te kunnen voorzien. De zogenaamde jus-vergelijking waar
de vrouw om heeft verzocht, komt slechts aan de orde wanneer er
omstandigheden zijn die aanleiding geven om de alimentatie lager vast
te stellen dan de behoefte, niet hoger. Nu niet is gesteld of gebleken
dat de vrouw behoefte heeft aan meer alimentatie dan zij thans
ontvangt, is de man niet verplicht om inzage te geven in zijn
financiele positie.

4.3. De stelling van de man dat van hem niet kan worden verlangd dat
hij ongelimiteerd alimentatie moet blijven voldoen is, mede gelet op de
strekking van de Wet limitering alimentatie op zichzelf beschouwd
juist. De verantwoordelijkheid die men door het huwelijk op zich heeft
genomen, houdt weliswaar een verplichting in om bij te dragen in het
levensonderhoud van de andere partij maar rechtvaardigt niet dat die
verplichting na beeindiging van de huwelijksband ongelimiteerd blijft
bestaan. Nu er nog geen drie jaren zijn verstreken sinds de
inwerkingtreding van genoemde wet biedt deze wet, gelet op de daarbij
behorende overgangsregeling, op zich geen grond voor een stopzetting
van rechtswege van de alimentatieverplichting op dit moment. Het is in
beginsel dan ook aan de man om aan te tonen dat er voldoende feiten en
omstandigheden zijn op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat er
bij de vrouw geen behoefte meer bestaat aan alimentatie. De man is daar
naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd.

4.4. Beide partijen hebben over en weer argumenten aangevoerd op grond
waarvan de alimentatie al dan niet zou moeten worden stopgezet. Bij de
afweging van die argumenten acht de rechtbank van doorslaggevend belang
de leeftijd van de vrouw en haar kansen op de arbeidsmarkt. De vrouw is
thans 48 jaar oud. Aannemelijk is geworden dat de vrouw tijdens het
huwelijk de zorg en opvoeding van de kinderen voor haar rekening heeft
genomen en de man zijn carriere als medisch specialist heeft kunnen
opbouwen. De vrouw heeft weliswaar pas op een tijdstip dat de kinderen
17 en 15 jaar oud waren naar een betaalde baan omgezien, maar anders
dan de man stelt, heeft dit niet tot gevolg de alimentatie reeds hierom
beeindigd moet worden. Hierbij is van belang dat de vrouw voldoende
aannemelijk heeft gemaakt dat zij moeite heeft gedaan om betaald werk
te vinden en om haar part-time baan uit te breiden tot een full-time
betrekking.

4.5. De man heeft onvoldoende weersproken dat de huidige inkomsten uit
arbeid van de vrouw op dit moment onvoldoende zijn om in haar
levensonderhoud te voorzien. Gelet op de genoten welstand tijdens het
huwelijk en de hoogte van alimentatie in de voorbije jaren is het niet
redelijk dat de behoefte van de vrouw thans tot bijstandsniveau wordt
teruggebracht. Gelet op de leeftijd van de vrouw, alsmede gelet op haar
arbeidsverleden en opleidingsniveau zijn haar kansen op de arbeidsmarkt
niet dusdanig dat uitbreiding van haar werkzaamheden en verhoging van
haar inkomen op korte termijn te realiseren zijn. Voor nihilstelling
van de alimentatie is op dit moment dan ook geen plaats.

4.6. Voor een vermindering van de alimentatie ziet de rechtbank wel
aanleiding. De vrouw heeft, totdat zij enige jaren geleden inkomsten
uit arbeid is gaan genieten, steeds in haar levensonderhoud kunnen
voorzien door middel van de door de man betaalde alimentatie. Nu geen
feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die duiden op het
tegendeel, gaat de rechtbank er van uit dat deze alimentatie voldoende
was om in haar levensonderhoud te voorzien. Met de man is de rechtbank
van oordeel dat de inkomsten die de vrouw thans geniet naast haar
alimentatie, haar behoefte derhalve overtreffen. Dit geldt te meer nu
de kinderen het huis hebben verlaten, hetgeen kostenbesparend voor de
vrouw lijkt te zijn. Nu de vrouw er in het verleden blijk van heeft
gegeven in haar levensonderhoud te kunnen voorzien met een bedrag ad
(thans geindexeerd) ƒ 2825,- per maand, dient haar behoefte op dat
bedrag te worden vastgesteld. De vrouw geniet eigen inkomsten van
circa ƒ 1775,- bruto per maand, zodat de alimentatie zal worden
vastgesteld op ƒ 1050,- per maand.

4.7. Vervolgens dient te worden beoordeeld het verzoek om de
alimentatieplicht reeds nu te beeindigen per 31 december 1997. Omdat de
vrouw nu al een beroep heeft gedaan op de hardheidsclausule en
verlenging van de termijn heeft verzocht, dient het verzoek van de man
op dit punt te worden afgewezen. Op dit moment kan nog onvoldoende
worden beoordeeld hoe de omstandigheden van de man en de vrouw ultimo
1997 zullen zijn. Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank
hierbij nog het volgende. Hoewel dit verzoek van de man thans moet
worden afgewezen, is het niet uit te sluiten dat, zodra de
alimentatieverpliching vijftien jaar heeft geduurd, een verzoek van de
man tot beeindiging in zijn voordeel zou kunnen uitvallen. Het is dan
ook aan de vrouw aan te bevelen om haar sollicitatiepogingen voort te
zetten en hiervan bewijsstukken te verzamelen.

4.8. De rechtbank ziet geen aanleiding om de alimentatievermindering te
laten ingaan per 1 september 1992. Het zou niet redelijk zijn om de
vrouw nu te overvallen met aanzienlijke alimentatievermindering met
terugwerkende kracht tot september 1992. De redenen die de man heeft
gegeven voor het feit dat hij niet eerder wijziging van de alimentatie
heeft verzocht hebben de rechtbank niet tot een ander oordeel kunnen
brengen. De alimentatiewijziging zal ingaan per datum van indiening van
het verzoekschrift. Vanaf die datum heeft de vrouw rekening kunnen
houden met een eventuele alimentatiewijziging.

5. De beslissing

De rechtbank:

Wijzigt de bij vonnis van 11 augustus 1982 vastgestelde bijdrage in het
levensonderhoud van de vrouw aldus dat deze wordt vastgesteld op ƒ
1050,- (eenduizend en vijftig gulden) per maand, maandelijks bij
vooruitbetaling te voldoen, zulks met ingang van 29 augustus 1994.

Verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de hare draagt.

Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Noot

De Wet tot limitering van de alimentatieduur was nauwelijks in werking
getreden (1 juli 1994) of de eerste verzoeken tot beeindiging per
vroegst mogelijke datum werden bij de rechtbanken ingediend.
Bovenstaande procedure is er een van. De omstandigheden van de vrouw
zijn vrijwel gelijk aan het voorbeeld dat de CDA-leden gaven ter
adstructie van hun stelling dat de 12-jaars termijn een belemmering zal
kunnen vormen voor een rechterlijke toetsing en geen houvast biedt voor
de financiele verrekening van de gevolgen van de bewuste keuzes van de
partners (eindverslag Tweede Kamercommissie, 1986-1987, 19 295, nr. 8).
De vrouw – thans 49 jaar – heeft bij het begin van haar huwelijk haar
studie pedagogiek opgegeven en is gaan werken teneinde de studie van
haar man te financieren, om nadien het werk op te geven teneinde de
feitelijke zorg voor de kinderen op zich te nemen. Hoewel de rechtbank
het verzoek tot beeindiging op grond van de in de wet opgenomen
overgangsregeling vooralsnog heeft afgewezen behoort een definitieve
beeindiging over 3 jaar tot de reele mogelijkheden. Althans dat geeft
de rechtbank de vrouw mee in overweging 4.7, waar zij stelt: ‘Hoewel
dit verzoek van de man thans moet worden afgewezen, is het niet uit te
sluiten dat, zodra de alimentatieverplichting vijftien jaar heeft
geduurd, een verzoek van de man tot beeindiging in zijn voordeel zou
kunnen uitvallen.’ De rechtbank adviseert vervolgens de vrouw haar
sollicitatiepogingen voort te zetten en daarvan de bewijsstukken te
verzamelen.

Kijken we naar de geschiedenis van de totstandkoming van de wet dan
blijkt dat er met name grote weerstanden bestonden tegen de
oorspronkelijke overgangsregeling. Deze overgangsregeling hield in dat
ook de reeds bestaande alimentaties, welke niet aan een termijn waren
gebonden, van rechtswege zouden eindigen. Beeindiging zou dan 3 jaar na
de inwerkingtreding van de wet plaatsvinden. Met name de positie van
oudere gescheiden vrouwen was hierbij in het geding. Om te voorkomen
dat de Eerste Kamer het wetsvoorstel zou verwerpen is via een novelle
de overgangsregeling voor reeds bestaande alimentatieverplichtingen
aangepast. De overgangsregeling luidt nu: – De alimentatieplichtige kan
beeindiging van de alimentatie verzoeken wanneer de
alimentatieverplichting minimaal 15 jaar heeft geduurd. De wet stelt
niet als voorwaarde dat er daadwerkelijk alimentatie moet zijn betaald.
– Beeindiging vindt niet eerder plaats dan 3 jaar na de
inwerkingtreding van de wet. – De rechter beeindigt de alimentatie
tenzij de alimentatiegerechtigde om verlenging vraagt. De
alimentatiegerechtigde moet daarbij feiten en omstandigheden aanvoeren
die de rechter ervan overtuigen dat beeindiging van de alimentatie zo
ingrijpend is dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
van de alimentatiegerechtigde niet kan worden gevergd. – Checklist: de
rechter dient bij de beoordeling in ieder geval rekening te houden met
(niet limitatief): a. de leeftijd van de uitkeringsgerechtigde b. of er
uit het huwelijk kinderen zijn geboren c. de datum en duur van het
huwelijk en de mate waarin dit de verdiencapaciteit van betrokkenen
heeft beinvloed d. de omstandigheid dat de uitkeringsgerechtigde geen
recht heeft op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van
de alimentatieplichtige. – Wanneer de rechter het verzoek van de
alimentatiegerechtigde honoreert stelt hij een termijn vast en bepaalt
tevens of de alimentatiegerechtigde na het verstrijken van deze termijn
wederom om verlenging kan verzoeken. – De overgangsregeling is van
toepassing op door de rechter vastgestelde alimentaties en op door
partijen bij overeenkomst vastgestelde alimentaties. Geen uitzondering
is gemaakt voor overeenkomsten met het niet-wijzigingsbeding van art.
159 Boek 1, BW.

Verlenging In de wettekst is niet opgenomen dat de verlengingstermijn
aan een bepaald maximum is gebonden. De in art. 1:157 lid 3 en lid 6 BW
genoemde maximumtermijnen van respectievelijk 12 en 5 jaar zijn alleen
bedoeld voor die gevallen, waarbij de rechter voor de eerste maal een
termijn vaststelt. In beginsel zou de rechter bij verlenging een
zodanig lange termijn kunnen vaststellen dat de vrouw normaal gesproken
tot aan haar dood alimentatie zal blijven ontvangen. Met name in die
gevallen waarbij de rechter op grond van omstandigheden die niet
vatbaar zijn voor wijziging oordeelt dat verlenging redelijk en billijk
is, zal het om proceseconomische redenen verstandig zijn de
verlengingstermijn zeer lang te maken. Als niet voor wijziging vatbare
omstandigheden kunnen worden aangemerkt: duur van het huwelijk en de
daaraan voorafgaande samenleving; taakverdeling tijdens het huwelijk;
zorg voor de kinderen tijdens en na het huwelijk; werkervaring van de
vrouw voor of tijdens het huwelijk; arbeids(on)geschiktheid van de
vrouw tijdens het huwelijk; leeftijd van de vrouw ten tijde van het
verzoek tot verlenging; opleiding van de vrouw ten tijde van het
verzoek; mogelijkheden op de arbeidsmarkt, wel of geen recht op een
deel van het ouderdomspensioen van de alimentatieplichtige.

Mocht zich in de verlengingsperiode een wijziging van omstandigheden
voordoen, dan zal op grond van art. 1:401, lid 2 BW wijziging moeten
worden verzocht.

Checklist/motivering De in de overgangsregeling opgenomen checklist
komt deels overeen met de strenge motiveringseisen van de Hoge Raad in
zijn arresten van 11 juni 1982 (NJ 1983, 595 en 596). Daarbij ging het
om limiteringsuitspraken, die waren gebaseerd op niet voor wijziging
vatbare omstandigheden en waarvan het feitelijke gevolg is dat de
alimentatie na ommekomst van de termijn definitief eindigt. De Hoge
Raad stelt dat in de motivering onder meer de volgende bijzondere
omstandigheden moeten worden betrokken: 1. De tijdstippen waarop de
vrouw, naarmate de verzorging en opvoeding van de kinderen zulks
toeliet, geheel of gedeeltelijk op een voor haar – mede gezien haar
leeftijd en eventuele vooropleiding – passende wijze aan het
arbeidsproces kon gaan deelnemen of zich daarop door middel van een
voor haar geschikte opleiding kon gaan voorbereiden. 2. De
mogelijkheden die toen voor passend – zo nodig aanvankelijk in deeltijd
te verrichten – werk of voor een geschikte opleiding bestonden ter
plaatse waar dit werk of deze opleiding voor de vrouw vanuit haar
woonplaats bereikbaar waren. 3. Hetgeen toen te dier zake, mede gelet
op de maatschappelijke opvattingen in de kring waartoe de vrouw toen
behoorde, van haar kon worden gevergd. 4. De omstandigheid dat, indien
de vrouw van de voor haar bestaande mogelijkheden binnen de grenzen van
wat van haar gevergd kon worden, gebruik had gemaakt, zij na het einde
van de alimentatie in haar eigen levensonderhoud zou hebben kunnen
voorzien. Door het opnemen van de checklist zullen ook de uitspraken in
verlengingsverzoeken op grond van de overgangsregeling moeten voldoen
aan de hoge motiveringseisen. Dat lijkt niet meer dan logisch; wanneer
de rechter immers besluit niet te verlengen of eenmalig te verlengen,
zal de alimentatie definitief eindigen.

In deze uitspraak wordt het verzoek tot limitering op grond van een
aantal genoemde omstandigheden afgewezen (waarbij de rechtbank de
leeftijd van de vrouw en haar kansen op de arbeidsmarkt van
doorslaggevend belang acht), terwijl de rechtbank tegelijkertijd
waarschuwt dat na 15 jaar alimentatie diezelfde omstandigheden – die
in 3 jaar niet in positieve zin zullen zijn gewijzigd – wel eens niet
meer voldoende relevant kunnen zijn om de alimentatie te verlengen.
Daarmee wekt de Rechtbank de indruk dat de niet voor wijziging vatbare
omstandigheden, die bij het verzoek tot limitering reden waren om de
limitering af te wijzen, anders gewogen zullen kunnen worden bij
verzoeken tot verlenging na 15 jaar. De rechtbank is bijzonder vaag in
haar overweging (4.7): ‘ … het is niet uit te sluiten ….
beeindiging in zijn voordeel zou kunnen uitvallen.’ Een afweging van de
in de checklist genoemde omstandigheden vindt niet plaats. Juist deze
omstandigheden zijn niet voor wijziging vatbaar, zodat op basis daarvan
zeker over het verzoek tot verlenging van de alimentatie had kunnen
worden beslist. Zou de financiele situatie van de vrouw in de toekomst
veranderen, dan kan altijd wijziging op grond van gewijzigde
omstandigheden worden verzocht.

Wat niet op het lijstje van de Hoge Raad staat, maar wel in de
checklist is opgenomen, is de mate waarop het huwelijk invloed heeft
gehad op de verdiencapaciteit van betrokkenen. In de memorie van
antwoord (Eerste Kamer, 1993-1994, 22 170, nr. 109a) merkt de
staatssecretaris op dat in het aspect van de verdiencapaciteit mede
besloten ligt de tussen man en vrouw gedurende het huwelijk bestaande
rolverdeling. De rechter zal dus rekening moeten houden met de
rolverdeling en de daardoor voor de man en de vrouw toe- of afgenomen
verdiencapaciteit. En daarmee kom ik terug bij bovenstaande zaak. Zelfs
indien de vrouw erin slaagt een full-time baan te vinden en zij dus
geheel in haar eigen onderhoud zal kunnen voorzien, zal zij nimmer de
opgelopen loopbaanachterstand kunnen inlopen. Een loopbaanonderbreking
– zoals dit in de praktijk bij vrouwen het meeste voorkomt wegens de
zorg voor kinderen – betekent naast een achterstand in verdere
ontwikkeling van deze loopbaan tevens een verlies aan verdiencapaciteit
van twee procent per niet-gewerkt jaar (Sociaal en Cultureel Rapport
1988, Sociaal en Cultureel Planbureau). Voor de vrouw betekent 17 jaar
zorg voor de kinderen een verlies aan verdiencapaciteit van 34 procent.
Bij de man is het omgekeerde het geval; door de rolverdeling is zijn
verdiencapaciteit toegenomen. Zijn inkomen is thans zodanig hoog dat
hij in de procedure heeft kunnen stellen dat de ƒ 2800,- alimentatie
zijn draagkracht niet te boven gaat.

Redelijkheid en billijkheid De rechter zal in zijn oordeel over de
redelijkheid en billijkheid van beeindiging of verlenging van de
alimentatie de omstandigheden van beide partijen moeten betrekken.
Althans, dat geeft de staatssecretaris aan in de memorie van antwoord
(Eerste Kamer, 1993-1994, 22 170, nr. 109a), waar hij stelt het
redelijkheids- en billijkheidscriterium niet alleen te willen laten
gelden voor de omstandigheden van de alimentatiegerechtigde, maar, …
ook de omstandigheden van de alimentatieplichtige en de situatie van
beide partijen en hun onderlinge verhouding ten tijde van hun huwelijk
kunnen mede bepalend zijn voor de situatie waarin de
onderhoudsgerechtigde zich alsdan bevindt … Wanneer de rechter over
drie jaar het verlengingsverzoek van de vrouw zou afwijzen is de vrouw
voor de rest van haar leven aangewezen op een inkomen op minimumniveau,
terwijl de man in ruime mate van welstand zal leven. Redelijk en
billijk?

Tot slot wil ik nog kort ingaan op het door de rechtbank toegewezen
verzoek tot vermindering van de alimentatie. Bij de bepaling van de
behoefte van de vrouw is de rechtbank uitgegaan van het bij de
echtscheiding door de rechter vastgestelde alimentatiebedrag. Dit
bedrag is destijds vastgesteld op basis van de draagkracht van de man
en was lager dan het bedrag dat de vrouw op grond van haar behoefte
vorderde. Door de redenering van de rechtbank wordt nu ten onrechte de
behoefte van de vrouw gelijkgesteld met het destijds door de rechtbank
vastgestelde bedrag.

Paula Beek

Rechters

Mr Rip