Instantie: Hoge Raad, 20 januari 1995

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Toepassing van de verjaringstermijn vaderschapsactie leidt niet tot
ongelijke behandeling van wettige en onwettige kinderen. Het beroep op
verjaring krachtens artikel 1:405 BW wordt gedaan tegenover een
rechtsvordering die ertoe strekt het vaderschap van de man te doen
vaststellen teneinde een onderhoudsbijdrage op te leggen. Als het
uitsluitend gaat om het vaststellen van een bijdrage, omdat het vaderschap
reeds eerder is vastgesteld, dan kan de verjaringstermijn niet worden
tegengeworpen.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie – verder te
noemen: de moeder – heeft bij exploit van 4 februari 1992 verweerder in
cassatie – verder te noemen: de vader – gedagvaard voor de Rechtbank te
‘s-Hertogenbosch en gevorderd de vader te veroordelen om aan de moeder te
betalen een bedrag van ƒ 250 per maand voor de verzorging en opvoeding van
haar kind Maikel, geboren te O. op 11 juli 1981, vanaf de dag van deze
dagvaarding tot aan de dag van diens meerderjarigheid. Nadat de vader had
geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de moeder in haar
vordering, dan wel tot ontzegging daarvan, heeft de Rechtbank bij
tussenvonnis van 3 juli 1992 de moeder bewijslevering opgedragen en iedere
verdere beslissing aangehouden. Tegen dit tussenvonnis heeft de moeder
hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te *s-Hertogenbosch, waarna de
vader incidenteel hoger beroep heeft ingesteld. Bij arrest van 17
september 1993 heeft het Hof op het principaal en het incidenteel hoger
beroep het bestreden vonnis bekrachtig. Het arrest van het Hof is aan dit
arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het Hof heeft de moeder
beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest
gehecht en maakt daarvan deel uit. De vader heeft geconcludeerd tot
verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun
advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal Koopmans strekt tot
verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel 3.1 Het middel keert zich tegen het in rov.
4.1 vervatte oordeel van het Hof dat de Rechtbank terecht en op juiste
gronden heeft geoordeeld dat in deze zaak de in art. 1:405 BW bedoelde
verjaringstermijn van toepassing is. Het strekt ten betoge dat lid 2 van
genoemd artikel als onverenigbaar met art. 1 Grw., de art 8 en 14 EVRM en
art. 26 IVPBR buiten toepassing moet blijven omdat het leidt tot ongelijke
behandeling van kinderen die wel en kinderen die niet in
familierechtelijke betrekking tot hun biologische vader staan voor wat
betreft de onderhoudsverplichting van de vader jegens die kinderen.

3.2 Het beroep op de voormelde verdragbepalingen faalt. In de onderhavige
zaak wordt het beroep op verjaring krachtens art. 405 lid 2 gedaan
tegenover een rechtsvordering die ertoe strekt het vaderschap van de man
te doen vaststellen ten einde op grond van dit vaderschap een bijdrage in
de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Een zodanige
rechtsvordering verschilt van een rechtvordering, ingesteld tegen een
vader die tot het kind in familierechtelijke betrekking staat en waarvan
derhalve het -hier juridisch- vaderschap reeds vaststaat op grond van
huwelijk of erkenning. Dit verschil kan ook een verschil in behandeling
van beide soorten rechtsvorderingen op het punt van de verjaring
rechtvaardigen in dier voege dat voor de eerstbedoelde rechtsvordering een
kortere verjaringstermijn dan voor de tweede noodzakelijk kan worden
geacht met het oog op de rechtszekerheid en de bescherming van de rechten
van hen tegen wie de aan die termijn onderworpen rechtsvordering zich
richt.

Opmerking verdient daarbij dat het voorgaande niet geldt in de situatie
dat art. 405 lid 2 wordt ingeroepen tegenover een rechtsvordering, waarbij
het uitsluitend om het vaststellen van een bijdrage als voormeld gaat,
omdat het vaderschap reeds eerder is vastgesteld. Art. 405 lid 2 wordt
ingeroepen tegenover een rechtsvordering, waarbij het uitsluitend om het
vaststellen van een bijdrage als voormeld gaat, omdat het vaderschap reeds
eerder is vastgesteld. Art 405 lid 2 dient aldus te worden verstaan dat
het in een zodanig geval niet geldt. Het beroep op strijd met art. 1 Grw.
faalt reeds omdat het de rechter niet vrijstaat in de beoordeling van de
grondwettigheid van de wet te treden. Evenmin staat het de rechter vrij
te treden in een beoordeling van de wenselijkheid van een korte
verjaringstermijn als in art. 405 lid 2 opgenomen, los van de hiervoor
behandelde vraag of sprake is van een ongerechtvaardigde ongelijke
behandeling.

4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep: compenseert de kosten van
het geding in cassatie in dier voege dat elke partij de eigen kosten
draagt.

Rechters

Mrs Snijders, Roelvink, Mijnssen, Heemskerk, Swens-Donner, AGKoopmans

Instantie: Hoge Raad, 20 januari 1995

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Eiseres tot cassatie, de moeder vordert veroordeling van de
vader tot een bijdrage aan het levensonderhoud van haar kind, geboren
in 1981. Deze vordering wordt ingesteld in 1992, meer dan 5 jaar na de
geboorte van het kind, dat geen familierechtelijke band heeft met de
vader.

Ingevolge art. 1:405 BW lid 2 BW verjaart de rechtsvordering tot
voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van een onwettig
niet erkend kind definitief door verloop van vijf jaren na de
geboorte. Het cassatiemiddel betoogt dat deze bepaling onverbindend is
vanwege strijd met het gelijkheidsbeginsel. De Hoge Raad verwerpt het
beroep omdat toepassing van de verjaringstermijn geen ongelijke
behandeling van wettige en onwettige kinderen oplevert. Daarvoor
zouden deze in een vergelijkbare positie moeten verkeren, wat niet het
geval is indien van het onwettige kind het vaderschap, zoals i.c. niet
is vastgesteld.

Volledige tekst

Rechtbank: 3. De beoordeling Het beroep van de man op de
verjaring als bedoeld in artikel 1:405 lid 2 van het Burgerlijk
Wetboek zal de rechtbank allereerst onderzoeken.

De opvatting van de vrouw, dat de verjaringstermijn als bedoeld in
voormelde bepaling een zelfde inhoud en bedoeling heeft als de
verjaringstermijn bedoeld in 1:403 van het Burgerlijk Wetboek vindt
geen steun in het recht. Eerstgenoemd artikel heeft namelijk
betrekking op de rechtsvordering als zodanig, terwijl laatstgenoemde
bepaling op verschuldigde uitkeringen toepasselijk is. Het feit dat
een bijdrage vanaf de dag der dagvaarding wordt gevorderd doet aan het
voorgaande niet af. Immers bij het instellen van de vordering bij
dagvaarding van 4 februari 1992 was de termijn van vijf jaren, te
rekenen vanaf de geboortedag van het kind (11 juli 1981) reeds
verstreken.

Voorts voert de vrouw aan, dat de verjaringstermijn reeds lange tijd
geleden is gestuit, omdat de man gedurende de relatie – volgens de
vrouw vanaf juni 1980 tot april 1989 – altijd cadeau’s aan het kind
gaf, diens kleren betaalde en een spaarbankboekje voor hem heeft
geopend. De man stelt, dat door voormelde handelingen de verjaring
niet kan worden gestuit, en dat hij overigens anders dan enkele kleine
geschenken van onbeduidende omvang, die handelingen ontkent.

Gelet op artikel 3:318 jo. 3:326 van het Burgerlijk Wetboek en artikel
120 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, en gezien voormelde
stellingname van de vrouw dient de eventuele stuitingsoorzaak naar het
burgerlijk recht van voor 1 januari 1992 te worden beoordeeld.

De rechtbank begrijpt bovengenoemde stellingen van de vrouw aldus, dat
zij kennelijk een beroep doet op het bepaalde in artikel 2019 van het
Burgerlijk Wetboek (Oud), in die zin, dat uit de gestelde handelingen
zou blijken, dat de man impliciet heeft erkend levensonderhoud
verschuldigd te zijn. In deze lezing zouden die gestelde handelingen
een stuiting van de verjaring kunnen opleveren.

Nu de man deze handelingen ontkent, wordt de vrouw overeenkomstig haar
aanbod toegelaten die handelingen als na te melden te bewijzen,
allereerst middels getuigen.

Aangezien voor de duiding van die handelingen een eventueel vaderschap
van belang is, alsmede om redenen van proceseconomie, wordt de vrouw
eveneens opgedragen te bewijzen dat partijen in het wettelijk
conceptietijdvak gemeenschap hebben gehad.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4. De beslissing De rechtbank: Draagt de vrouw op te bewijzen, de aard
en omvang van de door haar gestelde gedragingen van de man, te weten
dat de man vanaf de geboorte van het kind (11 juli 1981) tot april
1989 cadeau’s aan het kind heeft gegeven, diens kleding heeft betaald
en een spaarbankboekje voor het kind heeft geopend, alsmede dat
partijen in de periode 7 september 1980 tot en met 13 januari 1981
gemeenschap met elkaar hebben gehad (enz.) Houdt iedere verdere
beslissing aan.

Hof: ( …)

4. De beoordeling 4.1. Terecht en op juiste gronden gelet ook op de
wetsgeschiedenis van met name artikel 405 boek I van het Burgerlijk
Wetboek heeft de Rechtbank geoordeeld, dat in deze van toepassing is
de verjaringstermijn bedoeld in dat artikel en dat de opvatting van de
vrouw, dat die termijn eenzelfde inhoud en bedoeling heeft als de
verjaringstermijn bedoeld in artikel 1:403 van dat Wetboek geen steun
vindt in het recht.

De eerste grief van de vrouw faalt derhalve.

4.2. De grief van de man faalt eveneens.

Blijkens de op die grief gegeven toelichting verbindt de man aan de in
die grief bedoelde overweging van de Rechtbank de conclusie, dat de
Rechtbank uit de stellingen van de vrouw, indien bewijsbaar, heeft
afgeleid, dat er daadwerkelijke stuiting van de verjaring heeft
plaatsgevonden.

Die gevolgtrekking maakt de man ten onrechte.

De Rechtbank heeft niet meer overwogen, dan dat de door de vrouw
gestelde en door de man ontkende gedragingen (indien bewezen) stuiting
van de verjaring zouden kunnen opleveren.

Een oordeel omtrent het door die beweerdelijke gedragingen al dan niet
gestuit zijn van de verjaring heeft de Rechtbank Zich derhalve
voorbehouden tot na uitvoering van de door Haar aan de vrouw
verstrekte bewijsopdracht.

De grief berust derhalve op een onjuiste lezing van het vonnis,
waarvan beroep.

4.3. Ten slotte faalt ook de tweede grief van de vrouw. Te dezen is
van toepassing het bepaalde bij artikel 1:394 van het Burgerlijk
Wetboek.

Blijkens die wetsbepaling (lid 3) wordt vader van een onwettig
niet-erkend kind vermoed te zijn diegene, die tussen de 307de en
179ste dag voor de geboorte van zulk een kind met de moeder
gemeenschap heeft gehad. Nu de man gemeenschap met de vrouw in dat
conceptietijdvak uitdrukkelijk betwist, ligt de bewijslast met
betrekking tot die door de vrouw gestelde gemeenschap in beginsel bij
haar. Terecht droeg de Rechtbank – om redenen van proceseconomie – de
vrouw dan ook eveneens bewijs van die stelling op.

4.4. Nu alle grieven falen, behoort het vonnis, waarvan beroep, te
worden bekrachtigd.

4.5. Voor een kostenveroordeling van een van partijen, zoals over en
weer gevorderd, oordeelt het Hof geen, voor compensatie van de op het
hoger beroep gevallen proceskosten op de in het dictum van dit arrest
aan te geven wijze wel termen aanwezig.

(enz.)

Cassatiemiddel: I Schending van het Nederlandse recht en/of verzuim
van vormen, waarvan de niet in achtneming uitdrukkelijk met nietigheid
is bedreigd of ten aanzien waarvan zodanige nietigheid voortvloeit uit
de aard van de niet in acht genomen vorm, doordat het Gerechtshof op
de in het arrest vermelde en hier als herhaald en overgenomen te
beschouwen gronden heeft beslist als in het bestreden arrest
overwogen, zulks ten onrechte op de navolgende, zo nodig in onderling
verband en samenhang te beschouwen redenen.

Immers het Gerechtshof heeft in alinea 4.1 als volgt overwogen: ( …)
Zulks ten onrechte. Immers artikel 405 lid 2 boek I is in strijd met
artikel 1 van de Grondwet, artikel 26 van het Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBP) en artikel 14 van het
Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM).

Verwezen moge allereerst worden naar het artikel van Mr J. de Boer in
het NJB 1988 pag 1075.

Ook in Asser-De Ruijter nr 1080 wordt de verjaringstermijn van artikel
405 lid 2 boek I BW in strijd met genoemde verdragen geacht, in ieder
geval te kort.

Niet valt in te zien waarom kinderen die niet in familierechtelijke
betrekking tot hun biologische vader staan minder rechten moeten
hebben dan kinderen die wel erkend zijn.

Ten opzichte van het kind mag de enkele erkenning niet het gevolg
hebben dat niet erkende kinderen ongelijk behandeld worden.

Het gaat er om dat de biologische vader een alimentatieverplichting
jegens het kind heeft. Door zijn mogelijkheid om het kind niet te
erkennen moet hij de positie van het kind niet minder mogen kunnen
maken.

Artikel 405 lid 2 boek I BW komt voorts niet overeen met de gedachte
van de wetgever om de wettige en onwettige kinderen zoveel mogelijk op
een lijn te stellen. In dit verband moet gewezen worden op het Marckx
arrest NJ 1980, 462. Waarom er onderscheid moet zijn in de
alimentatierechten van wettige en natuurlijke kinderen, al of niet
erkend valt niet in te zien.

Als wettige en onwettige kinderen op een lijn gesteld moeten worden
geldt dit zeker voor erkende en niet erkende natuurlijke kinderen,
althans wat de onderhoudsverplichting betreft.

Verwezen moet voorts worden naar het preadvies van Prof. Mr M.

de Langen (1990 pag 95): “De Staat moet zich betreffende de ongehuwde
moeder en haar kind hoeden voor elke discriminatie die op geboorte
binnen of buiten een huwelijk berust.” Dat het bovenstaande zeker
geldt indien tussen het kind en de biologische vader een “vie
familiale / family life in de zin van artikel 8 lid 1 EVRM heeft
bestaan. Het Hof had derhalve in ieder geval de vrouw tot bewijs van
een dergelijke verhouding moeten toelaten.

Zie verder de Lange pag. 107: Het recht van het kind op een
gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, zoals opgenomen in het
Europees Verdrag inzake de rechtspositie van onwettige kinderen van 15
oktober 1975 en in de wetgeving van de meeste Europese landen en
conform artikel 8 EVRM brengt mee dat een dergelijke vaststelling op
verzoek van het kind mogelijk moet zijn. Indien een dergelijk recht in
de huidige rechtsopvatting mogelijk moet zijn is er te meer reden om
artikel 405 lid 2 boek I BW buiten toepassing te laten.

Tenslotte wijst appellante op het vonnis van de Rechtbank Maastricht
van 11 februari 1993 NJ 1993, 728, in welk vonnis de Rechtbank op
grond van artikel 8 EVRM de termijn van artikel 1:203 BW buiten
toepassing verklaart.

Conclusie: Artikel 1: 405 lid 2 BW dient als onverenigbaar met artikel
1 van de Grondwet, artikel 8 en 14 van het EVRM en artikel 26 van het
IVBP buiten toepassing te worden verklaard.

Hoge Raad: 1. Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie
– verder te noemen: de moeder – heeft bij exploit van 4 februari 1992
verweerder in cassatie – verder te noemen: de vader – gedagvaard voor
de Rechtbank te ‘s-Hertogenbosch en gevorderd de vader te veroordelen
om aan de moeder te betalen een bedrag van ƒ 250 per maand voor de
verzorging en opvoeding van haar kind Maikel, geboren te O. op 11 juli
1981, vanaf de dag van deze dagvaarding tot aan de dag van diens
meerderjarigheid.

Nadat de vader had geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van
de moeder in haar vordering, dan wel tot ontzegging daarvan, heeft de
Rechtbank bij tussenvonnis van 3 juli 1992 de moeder bewijslevering
opgedragen en iedere verdere beslissing aangehouden.

Tegen dit tussenvonnis heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het
Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch, waarna de vader incidenteel hoger
beroep heeft ingesteld.

Bij arrest van 17 september 1993 heeft het Hof op het principaal en
het incidenteel hoger beroep het bestreden vonnis bekrachtigd.

( …)

3. Beoordeling van het middel 3.1 Het middel keert zich tegen het in
rechtsoverweging 4.1 vervatte oordeel van het Hof dat de Rechtbank
terecht en op juiste gronden heeft geoordeeld dat in deze zaak de in
art.

1:405 BW bedoelde verjaringstermijn van toepassing is. Het strekt ten
betoge dat lid 2 van genoemd artikel als onverenigbaar met art. 1
Grw., de art. 8 en 14 EVRM en art. 26 IVBP buiten toepassing moet
blijven omdat het leidt tot ongelijke behandeling van kinderen die wel
en kinderen die niet in familierechtelijke betrekking tot hun
biologische vader staan voor wat betreft de onderhoudsverplichting van
de vader jegens die kinderen.

3.2 Het beroep op de voormelde verdragsbepalingen faalt. In de
onderhavige zaak wordt het beroep op verjaring krachtens art.

405 lid 2 gedaan tegenover een rechtsvordering die ertoe strekt het
vaderschap van de man te doen vaststellen ten einde op grond van dit
vaderschap een veroordeling te verkrijgen tot betaling van een
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Een
zodanige rechtsvordering verschilt van een rechtsvordering, ingesteld
tegen een vader die tot het kind in familierechtelijke betrekking
staat en waarvan derhalve het – hier juridisch – vaderschap reeds
vaststaat op grond van huwelijk of erkenning. Dit verschil kan ook een
verschil in behandeling van beide soorten rechtsvorderingen op het
punt van de verjaring rechtvaardigen in dier voege dat voor de
eerstbedoelde rechtsvordering een kortere verjaringstermijn dan voor
de tweede noodzakelijk kan worden geacht met het oog op de
rechtszekerheid en de bescherming van de rechten van hen tegen wie de
aan die termijn onderworpen rechtsvordering zich richt.

Opmerking verdient daarbij dat het voorgaande niet geldt in de
situatie dat art. 405 lid 2 wordt ingeroepen tegenover een
rechtsvordering, waarbij het uitsluitend om het vaststellen van een
bijdrage als voormeld gaat, omdat het vaderschap reeds eerder is
vastgesteld. Art. 405 lid 2 dient aldus te worden verstaan dat het in
een zodanig geval niet geldt.

Het beroep op strijd met art. 1 Grw. faalt reeds omdat het de rechter
niet vrijstaat in de beoordeling van de grondwettigheid van de wet te
treden. Evenmin staat het de rechter vrij te treden in een beoordeling
van de wenselijkheid van een korte verjaringstermijn als in art. 405
lid 2 opgenomen, los van de hiervoor behandelde vraag of sprake is van
een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling.

4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; compenseert de kosten
van het geding in cassatie in dier voege dat elke partij de eigen
kosten draagt.

Conclusie A-G mr. Koopmans: 1. Ingevolge art. 1:405 lid 2 BW verjaart
de vordering tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding
van een kind tegen de vader die niet in familierechtelijke betrekking
tot dat kind staat, door het verloop van vijf jaren te rekenen van de
geboortedag van het kind.

Het cassatiemiddel betoogt dat deze bepaling onverbindend is omdat zij
in strijd zou komen met het gelijkheidsbeginsel, zoals met name
neergelegd in art. 26 IVBP.

2. Het middel berust op de stelling dat door de verjaringstermijn van
art. 405 lid 2 gediscrimineerd zou worden tussen wettige en onwettige
kinderen. Art. 1:403 BW bepaalt immers dat onderhoudsuitkeringen niet
verschuldigd zijn “over de tijd, die op het tijdstip van het instellen
der vordering reeds meer dan vijf jaren is verstreken”. Deze regeling
zou gunstiger voor het kind zijn dan die van art. 405 lid 2, zodat
onwettige kinderen voor het hun door de vader verschuldigde onderhoud
in een ongunstiger positie zouden worden gebracht dan wettige
kinderen. Met de uitdrukking onwettige kinderen wordt in deze
vergelijking gedoeld, zo moet men aannemen, op niet door de vader
erkende buitenechtelijke kinderen.

3. De stelling van het middel berust op een onjuiste gedachtengang,
omdat de vergelijking niet klopt. Art. 403 ziet op de situatie waarin
vaststaat wie het onderhoud dient te betalen; de bepaling betreft de
door hem over het verleden verschuldigde alimentatiebedragen. De
termijn van art. 405 lid 2 heeft daarentegen betrekking op de
vaststelling wie de onderhoudsdebiteur is; is eenmaal komen vast te
staan wie de buitenechtelijke vader is, dan geldt verder het regime
van art. 403. Zie Asser-De Ruiter-Moltmaker (14e dr. 1992) no.

1080; E.A.A. Luijten, Het Nederlandse personen- en familierecht dl. I
(Zwolle 1991) p. 95.

Dit verklaart ook waarom art. 403, naar algemeen wordt aangenomen, een
vervaltermijn inhoudt, terwijl de termijn van art. 405 lid 2 een
verjaringstermijn is, die kan worden gestuit. Zie Luijten a.w., p. 89;
Nota-Van der Burght, Het nieuw burgerlijk recht, dl. I, Personen- en
familierecht (Alphen aan den Rijn 1978) p. 359 en p. 374. Art. 405
heeft een gans andere inzet dan verhaal van achterstallige
alimentatie, zodat de betrokken belangen ook niet vergelijkbaar zijn.

4. Een probleem van gelijke behandeling doet zich daarom niet voor.
Bij het wettige kind staat van de geboorte af vast wie de tot
onderhoud verplichte vader is; bij het buitenechtelijke kind moet dat
eerst worden uitgemaakt, hetzij door erkenning, hetzij door middel van
de procedure van art. 1:394 en 405. Er is daarom sprake van ongelijke
gevallen, waarvoor dan ook niet per se gelijke regels behoren te
gelden.

Dit wordt m.i. veronachtzaamd door J. de Boer NJB 1988 p.

1075, die de discussie over de wettigheid van de termijn van art. 405
lid 2 heeft aangezwengeld. Hij betoogt dat DNA-onderzoek thans de
vaststelling van het vaderschap met meer dan 99% zekerheid mogelijk
maakt; daarom zou de termijn van art. 405 achterhaald zijn door de
voortgang van de natuurwetenschappen. M.a.w. er zou geen redelijke en
objectieve rechtvaardiging zijn voor de termijn van art. 405.

Dat laatste is rechtens echter niet beslissend: de eis dat er een
redelijke en objectieve grond moet zijn heeft geen betrekking op
termijnen, maar op verschil in behandeling van gelijke gevallen. Zie
HR 7 mei 1993 JAR 1993 no. 156 (RvdW 101)(NJ 1995, 259, m.nt. EAA).
Eerst moet derhalve vast komen te staan dat sprake is van ongelijke
behandeling van gelijke gevallen.

Dat tegen verschillende wettelijke termijnen wel het een en ander aan
te voeren valt, lijkt mij moeilijk voor bestrijding vatbaar; zie ook
Asser-De Ruiter-Moltmaker t.a.p. Dit staat echter op zichzelf buiten
de gelijke-behandelingsproblematiek.

Tegen de korte verzettermijn van art. 81 Rv. zijn bv.

ongetwijfeld goede argumenten te vinden, maar daartoe hoort niet de
grond dat die termijn onverbindend is omdat de appeltermijn zoveel
langer is. De door de wet gestelde termijnen lenen zich, behoudens
toepassing van verdragsbepalingen over mensenrechten, niet voor
heroverweging door de rechter: HR 17 sept. 1993 NJ 1994 no. 372.

5. De omstandigheid dat, blijkens een nieuwsbericht in NJB 1994 p.
1466, het gerechtshof te Amsterdam een arrest heeft gewezen dat de
redenering van De Boer volgt (voor meer dan 99% zelfs, als men op het
bericht mag afgaan), brengt mij niet tot andere gedachten.

Ook bestudering van de rechtspraak over verschil in behandeling tussen
wettige en onwettige kinderen heeft mij geen aanleiding gegeven mijn
mening te herzien. Ik wijs er in dit verband overigens op dat voor de
toepassing van art. 8 EVRM, inzake de bescherming van het gezinsleven,
de jurisprudentie uitgaat van ongelijkheid van situaties naar gelang
het om binnen of buiten het huwelijk geboren kinderen gaat. Zie EHRM
21 juni 1988 NJ 1988 no. 746, Berrehab; J. de Boer Hand. NJV 120
(1990) I no. 9.1-9.2.

Ik breng tenslotte in herinnering dat de verjaringstermijn van vijf
jaar reeds te vinden is in de wet van 16 nov. 1909 Stb.

363, die de vaderschapsactie in ons recht introduceerde.

Minister Van Raalte prefereerde een amendement-Van Styrum in deze zin
boven voorstellen die een vervaltermijn van drie of van vijf jaar
wilden vastleggen. De minister overwoog daarbij dat een
verjaringstermijn zou kunnen worden gestuit door handelingen van de
onderhoudsplichtige. Zie Hand. 1906-07, II-p. 2012-2013. In het vorig
jaar ingetrokken wetsvoorstel inzake herziening van het
afstammingsrecht was een verjaringstermijn van vijf jaar na de
geboorte van het kind zowel gekoppeld aan de – nieuw in te voeren –
gerechtelijke vaststelling van het vaderschap (art. 213 lid 3) als aan
de vaststelling van de onderhoudsplicht van de verwekker van het
niet-erkende buitenechtelijke kind (art. 406a lid 2). Zie TK 1987-88,
20.626 nr. 2. Zie ook mem. v. antw. II (20.626 nr. 6) p. 34 en p. 48:
de man moet na een zeker tijdsverloop weten, aldus de regering, dat
hij niet meer kan worden aangesproken.

Dat heeft niet alle Kamerleden overtuigd; zie nader voorl.

versl. II (20.626 nr. 8) p. 17. Bij de intrekking van het voorstel
heeft minister Hirsch Ballin toegezegd met een nieuw voorstel te
zullen komen (20.626 nr. 9).

6. In de schriftelijke toelichting van mr Vermeulen wordt nog de
gedachte geopperd dat art. 1:405 BW niet op onderhoud betrekking heeft
zoals art. 1:403, maar op “verzorging en opvoeding”, hetgeen iets
anders zou zijn. Deze stelling, die moeilijk te rijmen is met een
beroep op het gelijkheidsbeginsel, en die in het middel ook niet is
terug te vinden, is onjuist: “verzorging en opvoeding” is het ruimere
begrip, dat onderhoud omvat. Zie Parl. gesch. bk. I p. 785.

7. Ik concludeer tot verwerping van het beroep.

Rechters

Mrs. Snijders, Roelvink, Mijnssen, Heemskerk, Swens-Donner, A-GKoopmans

Instantie: Rechtbank Alkmaar, 19 januari 1995

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Partijen zijn vijf jaar getrouwd geweest en hebben een kind van negen jaar
oud. De man voert verweer tegen de hoogte en duur van het
alimentatieverzoek. De rechtbank stelt eerst de financiele omstandigheden
en de gezinssituatie van partijen vast. Vervolgens overweegt de rechtbank:
Partijen zijn vijf jaar gehuwd geweest en hebben voor het huwelijk vier
jaar samengewoond als waren zij gehuwd. Gelet op het vorenstaande is de
rechtbank van oordeel dat de hoogte en de duur van na te melden bijdrage
in het levensonderhoud van de vrouw geheel in overeenstemming is met de
wettelijke maatstaven. De rechtbank limiteert de alimentatie tot een
periode van negen jaar. Alimentatie wordt ƒ 800,=.

Volledige tekst

Gezien de overgelegde en als hier ingevoegd geldende stukken, waaronder:
het inleidend verzoekschrift met de daarbij behorende bescheiden als
bedoeld in art. 815 lid 2 a t/m d van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering, ingekomen ter griffie op 18 april 1994;

Het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 15 juni 1994;

Gelet op de mondelinge behandeling gehouden op 21 november 1994 blijkens
het daarvan opgemaakte proces-verbaal;

Overweegt ten aanzien van de feiten:

De vrouw heeft bij bovengenoemd verzoekschrift (onder meer) verzocht
echtscheiding, subsidiair scheiding van tafel en bed tussen partijen,
(Nederlanders) uit te spreken.

De man heeft bij verweerschrift zich ten aanzien van de echtscheiding, de
gezagsvoorziening en het gebruik van de echtelijke woning gerefereerd aan
het oordeel van de rechtbank, doch verweer gevoerd tegen de gevraagde
bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, zulks wat betreft de hoogte
van die bijdrage en de onbeperkte duur van de bijdrage.

Overweegt ten aanzien van het recht:

De vrouw heeft voldaan aan het voorschrift van art. 815 lid 2 a t/m d van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De rechtbank heeft de in deze beschikking vermelde voornamen en
geslachtsnamen van partijen en de datum en plaats van de
huwelijksvoltrekking, alsmede de voornaam, geboortedatum en -plaats van
hun minderjarige kind, overgenomen uit het desbetreffende bescheid, voor
zover nodig met dienovereenkomstige rectificatie van bovengenoemd
verzoekschrift.

Het gestelde omtrent de huwelijkssluiting, het huwelijksgoederenregime,
het minderjarig kind en de nationaliteit van partijen staat als niet
weersproken en gedeeltelijk gestaafd door overlegde bescheiden vast.

Voorts is als gesteld en niet weersproken komen vast te staan dat het
huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat het verzoek tot echtscheiding, nu
daartegen geen verweer wordt gevoerd, kan worden toegewezen.

Ook de nevenvoorzieningen ten aanzien van de gezagsvoorziening, de
kinderalimentatie en het gebruiksrecht van de echtelijke woning, zoals
verzocht bij het inleidend verzoekschrift en de omgang zoals door de man
bij gelegenheid van de mondelinge behandeling verzocht, kunnen worden
toegewezen, aangezien daartegen geen verweer wordt gevoerd en deze de
rechtbank gegrond voorkomen.

Tussen partijen is nog in geschil de hoogte en de duur van de door de
vrouw gevraagde uitkering tot haar levensonderhoud.

Hieromtrent is uit de stukken en de mondelinge behandeling het volgende
gebleken:

De vrouw heeft als alleenstaande ouder de zorg voor het uit hun huwelijk
geboren minderjarige kind, M, en het uit een eerdere relatie geboren
inmiddels meerderjarige kind, D. Zij heeft inkomen uit arbeid ad ƒ 689,=
netto per maand. Ze ontvangt geen aanvullende ABW-uitkering. M heeft een
studiebeurs. Hij eet mee en zorgt voor het overige financieel voor
zichzelf. Tot dusver ontvangt de vrouw ƒ 300,= per maand aan alimentatie
voor M en ƒ 800,= per maand aan alimentatie voor zichzelf.

De man heeft inkomen uit arbeid van ca. ƒ 3.695,= netto per maand,
inclusief loonbeschikking.

Hij bewoont de echtelijke woning, waarvoor aan hypotheeklasten ƒ 158,= per
maand aan aflossing en ƒ 624,= per maand aan rente betaald dient te
worden. Terzake van oudedagsvoorziening betaalt de man een lijfrentepremie
bij de Centraal Beheer ad ƒ 250,= per maand. De man ziet de zoon eenmaal
in de veertien dagen een weekend. De omgangskosten worden door hem gesteld
op ca. ƒ 70,= per maand. Ten gevolge van een hartaanval heeft de man wat
hogere dieetkosten, door hem gesteld op ƒ 45,= per maand en voorts extra
medische kosten ad ƒ 55,= per maand.

Partijen zijn vijf jaar gehuwd geweest en hebben voor het huwelijk vier
jaar samengewoond als waren zij gehuwd. Gelet op het vorenstaande is de
rechtbank van oordeel dat de hoogte en de duur van na te melden bijdrage
in het levensonderhoud van de vrouw geheel in overeenstemming is met de
wettelijke maatstaven.

Beschikt als volgt:

Spreekt tussen partijen op gehuwd, echtscheiding uit.

Benoemt over de minderjarige: geboren te op .

tot voogdes de vrouw en tot toeziend voogd de man.

Beveelt voor zover nodig de afgifte van de minderjarige aan de met het
gezag belaste ouder.

Bepaalt dat de volgende omgangsregeling tussen de minderjarige en de niet
met het gezag belaste ouder zal gelden: een weekend in de veertien dagen
van vrijdagmiddag tot zondagavond, alsmede gedurende de vakantieperiodes,
een en ander door partijen in onderling overleg te regelen.

Bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding
van voornoemde minderjarige aan de vrouw telkens bij vooruitbetaling zal
betalen ƒ 300,= per maand, te vermeerderen met het bedrag van iedere
uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve
van deze minderjarige kan of zal worden verleend, een en ander met ingang
van de dag waarop de voogdij aanvangt, met dien verstande dat de kosten
van niet vrijwillige nakoming voor rekening van de bijdrageplichtige
komen.

Bepaalt dat de man aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud zal
betalen van ƒ 800,= per maand (zegge: achthonderd gulden), telkens bij
vooruitbetaling te voldoen met ingang van de dag van inschrijving van deze
beschikking, zulks voor een periode van negen jaar met dien verstande dat
de kosten van niet vrijwillige nakoming voor rekening van de
bijdrageplichtige komen.

Bepaalt dat de man indien deze op het ogenblik van de inschrijving van
deze beschikking de echtelijke woning aan de bewoont, jegens de vrouw
bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij die woning en tot
inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten gedurende zes maanden na
voormelde inschrijving tegen betaling van de aan deze woning verbonden
hypotheeklasten.

Verklaart deze beschikking met uitzondering van de echtscheiding
uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Compenseert de proceskosten tussen partijen, echtelieden, in dier voege,
dat ieder partij haar eigen kosten draagt.

Rechters

mr. M.G.W. Otterspoor-Kousemaker

Instantie: Rechtbank Rotterdam, 19 januari 1995

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


Partijen zijn 24 jaar gehuwd geweest en hebben twee minderjarige kinderen
13 en 14 jaar oud. De man bestrijdt de stelling van de vrouw dat zij niet
in redelijkheid voldoende inkomsten zou kunnen verwerven. De rechtbank
overweegt ten aanzien van de behoefte van de vrouw dat de vrouw een
inkomen van ƒ 1600,= netto per maand heeft. Zij betaalt ƒ 1192,= per
maand aan hypotheekrente van de echtelijke woning, alsmede alle andere
lasten, inclusief de premie levensverzekering. De rechtbank is derhalve
van oordeel dat de vrouw thans behoefte heeft aan een bijdrage in haar
levensonderhoud. Onvoldoende is komen vast te staan dat de vrouw in staat
is zich thans hogere inkomsten te verwerven. Voor de vrouw geldt de
gezinsnorm volgens de Algemene Bijstandswet. Het verzoek tot limitering
wijst de rechtbank af, aangezien er thans niet van kan worden uitgegaan
dat de vrouw binnen een bepaalde tijd in staat is zich een inkomen te
verwerven, dat -mede gelet op de duur van het huwelijk en de financiele
situatie waarin partijen verkeerden- in overeenstemming is met de
wettelijke normen.Alimentatie wordt ƒ 3250,=.

Volledige tekst

De feiten:

De vrouw en de man zijn op met elkander gehuwd, uit welk huwelijk de
navolgende thans nog minderjarige kinderen zijn geboren: geboren op
en geboren op . De vrouw en de man hebben de Nederlandse
nationaliteit.

Op 5 augustus 194 is ter griffie ingekomen een verzoekschrift van de man,
waarin hij, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verzoekt: -de
echtscheiding subsidiair de scheiding van tafel en bed uit te spreken op
grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk; -voorzieningen te
treffen met betrekking tot de boedelscheiding, nu hij met de vrouw in
gemeenschap van goederen in gehuwd; -voorzieningen te treffen betreffende
het gezag over, de omgang met en een bijdrage in de kosten van verzorging
en opvoeding van de minderjarige kinderen.

Op 7 september 1994 is ter griffie ingekomen een verweerschrift van de
vrouw, strekkende tot referte met betrekking tot de gevraagde
echtscheiding subsidiair scheiding van tafel en bed, de gezagsvoorziening,
de bijdrage voor de kinderen en de boedelverdeling en waarbij zij
verzoekt: -aan haar ten laste van de man, een uitkering tot
levensonderhoud ad ƒ 3.300,= per maand toe te kennen met ingang van 25
juli 1994; -de omgangsregeling in onderling overleg te regelen.

Op 14 oktober 1994 is ter griffie ingekomen een verweerschrift van de man,
strekkende tot -niet ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar verzoek
tot levensonderhoud, althans tot ontzegging daarvan als ongegrond en/of
niet bewezen, danwel tot vaststelling van een redelijke bijdrage tot
levensonderhoud; -limitering van de alimentatieverplichting tot maximaal
een jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers
van de burgerlijke stand en -niet ontvankelijkverklaring van de vrouw in
haar verzoek de omgangsregeling in onderling overleg te regelen, danwel
afwijzing van het verzoek als ongegrond en onbewezen en te bepalen dat de
man elke 14 dagen de minderjarige kinderen een weekend bij zich mag
hebben.

Op 1 december 1994 is ter griffie ingekomen een brief van mr. K.
Heezen-Venema, met aangehecht een brief van de minderjarige .

Op 22 december 1994 en 9 januari 1995 zijn brieven ter griffie ingekomen
van mr. G.M. van der Ent, met bijlagen.

Op 10 januari 1995 is ter griffie een brief ingekomen van mr. K.
Heezen-Venema.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 5 januari
1995. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

De inhoud van de gemelde bescheiden wordt als hier ingevoegd beschouwd.

De rechtsoverwegingen:

Nu zowel de vrouw als de man de Nederlandse nationaliteit bezit, komt aan
de Nederlandse rechter krachtens artikel 814, lid 1 aanhef en sub a van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsmacht toe en is in casu
deze rechtbank bevoegd.

Krachtens het bepaalde in artikel 1, lid 1, aanhef en sub a van de Wet van
25 maart 1981, Staatsblad 1981 no. 166, is, nu zowel de vrouw als de man
de Nederlandse nationaliteit bezit, Nederlands recht van toepassing op de
echtscheiding.

De man heeft aan zijn verzoek tot echtscheiding ten grondslag gelegd dat
het huwelijk van de man en de vrouw duurzaam is ontwricht, hetgeen door
de vrouw is erkend, zodat dit verzoek als op de wet gegrond voor
toewijzing vatbaar is.

Op de nevenverzoeken van de man met betrekking tot de gezagsvoorziening,
de kinderbijdrage en de boedelverdeling is eveneens Nederlands recht van
toepassing.

Deze nevenverzoeken van de man zijn, als niet door de vrouw weersproken
en op de wet gegrond, voor toewijzing vatbaar.

Met betrekking tot de door de man verzochte omgangsregeling hebben
partijen ter zitting overeenstemming bereikt en zal dit verzoek, als niet
langer door de vrouw weersproken en op de wet gegegrond, worden toegewezen
zoals nader is omschreven.

Ten aanzien van het verzoek van de vrouw tot levensonderhoud overweegt de
rechtbank als volgt.

De vrouw heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat zij onvoldoende
inkomsten heeft om in haar eigen levensonderhoud te voorzien en dat de man
een bruto inkomen heeft van ƒ 8.582,= per maand exclusief vakantiegeld,
winstdeling Elsevier en gratificatie Dagbladunie, zodat hij in staat moet
worden geacht bij te dragen in de kosten van haar levensonderhoud met ƒ
3.300,= per maand.

De man bestrijdt uitdrukkelijk de stelling van de vrouw dat zij niet in
redelijkheid voldoende inkomsten zou kunnen verwerven en voert tevens aan
dat hij gezien zijn draagkracht niet in staat is bij te dragen in de
kosten van haar levensonderhoud met een bedrag van ƒ 3.300,= per maand.
Daarnaast heeft de man verzocht de eventueel op te leggen
alimentatieplicht in duur te beperken en wel voor de tijd van een jaar.

Ten aanzien van de behoefte van de vrouw:

De vrouw heeft een inkomen van ƒ 1.600,= netto per maand. Zij betaalt
ongeveer ƒ 1.192,= per maand aan hypotheekrente van de echtelijke woning,
alsmede alle andere lasten, inclusief de premie levensverzekering. De
rechtbank is derhalve van oordeel dat de vrouw thans behoefte heeft aan
een bijdrage in haar levensonderhoud. Onvoldoende is komen vast te staan
dat de vrouw in staat is zich thans hogere inkomsten te verwerven. Voor
de vrouw geldt de gezinsnorm volgens de Algemene Bijstandswet.

Ten aanzien van de financiele draagkracht van de man:

De rechtbank heeft bij het vaststellen van de financiele draagkracht van
de man rekening gehouden met de volgende gegevens (de bedragen op hele
guldens afgerond), waarbij zij is uitgegaan van de norm voor een
alleenstaande volgens de Algemene Bijstandswet: -een jaarinkomen van ƒ
115.214,= (conform jaaropgave 1993); -zijn huidige partner heeft voldoende
eigen inkomsten om in haar onderhoud te voorzien; -zijn woonlasten (‘kale’
huur) bedragen ƒ 1.026,= per maand; de helft van deze lasten dienen voor
rekening van zijn partner te komen; -basispremie ziektekostenverzekering
ƒ 137,= per maand; -f 175,= per maand herinrichtingskosten nu ook de
partner van de man een deel van deze kosten voor haar rekening dient te
nemen; -f 450,= per maand voor A en ƒ 350,= per maand voor R; -kosten
omgangsregeling ƒ 60,= per maand.

Het door de man te genieten belastingvoordeel terzake van de bijdrage tot
levensonderhoud wordt geheel aan de vrouw toegeschat.

De door de man opgevoerde eigenaarslasten ad ƒ 150,= per maand worden door
de rechtbank niet meegenomen bij de berekening, nu deze kosten niet voor
zijn rekening komen.

De rechtbank zal rekening houden met de door de man opgevoerde aflossing
ad ƒ 600,= per maand op een schuld van partijen bij de Postbank, welke
schuld uiterlijk 1 augustus 1995 afbetaald zal zijn, zodat de draagkracht
van de man dan groter is.

De kosten van de advocaat zijn buiten beschouwing gelaten.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat de financiele
draagkracht van de man toelaat hem te belasten met een bijdrage in het
levensonderhoud van de vrouw zoals hierna vermeld.

Het verzoek van de vrouw tot levensonderhoud dient voor de hierna te
vermelden bedragen te worden toegewezen, met dien verstande dat de man
deze bijdrage tot levensonderhoud voor het eerst dient te voldoen op de
dag, dat deze beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de
burgerlijke stand en niet zoals door de vrouw is verzocht met ingang van
25 juli 1994, aangezien dit geen steun vindt in de wet.

Het verzoek van de man tot limitering van de onderhoudsbijdrage wordt
afgewezen, aangezien er thans niet van kan worden uitgegaan dat de vrouw
binnen een bepaalde tijd in staat is zich een inkomen te verwerven, dat
-mede gelet op de duur van het huwelijk en de financiele situatie waarin
partijen verkeerden- in overeenstemming is met de wettelijke normen.

Nu uit het huwelijk van de vrouw en de man twee thans nog minderjarige
kinderen zijn geboren, die de leeftijd van 12 jaren hebben bereikt, zijn
deze minderjarigen in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.

Beschikkende op het door de man verzochte:

Spreekt de echtscheiding uit. Bepaalt dat de man met de vrouw overgaat tot
verdeling van de gemeenschappelijke goederen.

Benoemt, de man en de vrouw binnen acht dagen na de inschrijving van de
beschikking in de registers van de burgerlijke stand zich niet over de
keuze van een notaris zullen hebben verstaan, tot notaris ten overstaan
van wie de werkzaamheden van de verdeling zullen geschieden: mr F.C.
Kroes, notaris ter standplaats of diens waarnemer of opvolger.

Bepaalt dat de man en de vrouw voor de gekozen of benoemde notaris te dien
einde moeten verschijnen op door deze te bepalen tijd en plaats.

Benoemt tot onzijdige persoon om de man, indien hij mocht weigeren voor
de notaris te verschijnen, of verschenen zijnde, mocht weigeren tot de
verdeling mede te werken, te vertegenwoordigen en hetgeen hij mocht
ontvangen te beheren: mr. C.F. van Delft.

Benoemt tot onzijdige persoon om de vrouw, indien zij mocht weigeren voor
de notaris te verschijnen, of verschenen zijnde, mocht weigeren tot de
verdeling mede te werken, te vertegenwoordigen en hetgeen zij mocht
ontvangen te beheren: mr. R.A. Felix.

Beveelt -voorzover nodig- de afgifte van voornoemde minderjarigen aan de
vrouw.

Benoemt de vrouw tot voogdes en de man tot toeziend voogd over voornoemde

Bepaalt dat de omgangsregeling in beginsel als volgt zal zijn: de man mag
de kinderen een weekend per drie weken bij zich hebben in nader overleg
tussen de man en de kinderen te bepalen.

Bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de
voogdij een aanvang neemt, als bijdrage in de kosten van verzorging en
opvoeding van de minderjarige telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren ƒ
450,= per maand voor en ƒ 350,= per maand voor vermeerderd met het
bedrag van iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of
regelingen ten behoeve van deze minderjarige kan of zal worden verleend.

Beschikkende op het door de vrouw verzochte:

Kent ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud
toe van ƒ 2.650,= per maand voor het eerst op de dag, dat deze beschikking
zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tot
augustus 1995 van ƒ 3.250,= per maand, telkens bij vooruitbetaling te
voldoen.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de
beslissing op de nevenverzoeken tot de gezagsvoorziening, de omgang en de
kinderalimentatie en het verzoek tot levensonderhoud.

Wijst af het meer of anders gevraagde.

Compenseert de proceskosten aldus dat iedere echtgenoot de eigen kosten
draagt.

Rechters

Mr. Van der Woude-Kraayvanger

Instantie: Rechtbank Arnhem, 19 januari 1995

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Eiseres wordt zwanger na een mislukte sterilisatie en
zij besluit tot een abortus. De vrouw vordert materiele en
immateriele schadevergoeding. In het tussenvonnis van 4 juni
1992 is o.g.v. de uitzonderingsregel van art. 177 Rv een
bewijsopdracht aan de gynaecoloog gegeven. Hij dient aan te
tonen dat hij voldoende en zorgvuldige informatie heeft
gegeven over de kans dat de sterilisatie -anders dan door een
onjuiste ingreep- zou kunnen mislukken. De rechtbank meent dat
het bewijs dat de arts aandraagt niet voldoende is en kent
eiseres materiele en immateriele schadevergoeding toe.

Volledige tekst

(Tussenvonnis Rechtbank Arnhem, 4 juni 1992)

4. De beoordeling van het geschil

1. D heeft aan haar vordering (mede) ten grondslag gelegd dat
H jegens haar wanprestatie zou hebben gepleegd, hetgeen een
contractuele relatie tussen haar en H impliceert. H heeft dit
niet weersproken, zodat de rechtbank ervan uit zal gaan dat er
tussen H en D een contractuele relatie bestond op grond
waarvan de sterilisatie werd uitgevoerd.
2. Gelet op artikel 68a en artikel 182 Overgangswet nieuw
Burgerlijk Wetboek zijn de bepalingen van het voor 1 januari
1992 geldende recht van toepassing op het onderhavige geschil
nu de vordering van D is gegrond op het verwijt aan H voor
deze datum in de nakoming van zijn contractuele verplichtingen
ten opzichte van haar te zijn tekortgeschoten en/of nu de H
verweten onrechtmatige daad en de schade die daarvan het
gevolg zou zijn, heeft plaatsgevonden voor het tijdstip van
het in werking treden van de nieuwe bepalingen.
3. D acht H aansprakelijk voor de door haar geleden schade op
de grond zoals hiervoor onder 3.2. weergegeven doch ook op de
grond dat hij haar niet of niet voldoende zou hebben
geinformeerd over de kans dat zij ondanks de sterilisatie toch
nog zwanger kon raken.
Zij stelt immers bij dagvaardiging dat “zij besloot om de
sterilisatie door H uit te laten voeren omdat deze haar van
het succes van een dergelijke ingreep wist te overtuigen: zij
zou immers niet meer zwanger kunnen raken” en bij conclusie
van repliek dat tijdens het intake-gesprek “door H juist de
onherroepelijkheid van de sterilisatie (werd) benadrukt,
terwijl hij aan de mogelijkheid van mislukken voorbij ging;
met een mislukking hoefde niet gerekend te worden, en dat was
precies wat eiseres (D) wilde: een ingreep waardoor zij niet
meer zwanger zou worden.”
4. H heeft hiertegen aangevoerd dat hij bij het intake-gesprek
met D de verschillende methoden van sterilisatie en de daaraan
verbonden risico’s en mogelijkheden om toch zwanger te kunnen
raken heeft uitgelegd en ook heeft uitgelegd waarom hij koos
voor de laparoscopische tubasterilisatie.
Verder heeft hij haar gewezen op het in beginsel definitief
karakter van de ingreep en heeft hij haar, voorzover hij zich
kan herinneren, ook een folder meegegeven.
5. De rechtbank stelt voorop dat een van de vereisten voor een
behoorlijke uitvoering van de geneeskundige behandeling de
verplichting van de arts is tot het geven van voldoende en
zorgvuldige informatie aan de patient.
De rechtbank let hierbij op de in voorbereiding zijnde
wettelijke regeling van de overeenkomst inzake de
geneeskundige behandeling, artikel 1653 en volgende boek 4 BW
(oud) waarvan het de bedoeling is dat deze zullen worden
opgenomen in boek 7 BW (nieuw). De informatieplicht is in dat
voorstel opgenomen in artikel 1653 b, luidend in het gewijzigd
voorstel van wet
“1. De hulpverlener licht de patient op duidelijke wijze, en
desgevraagd schriftelijk, in over de aard en het doel van het
onderzoek of de behandeling die hij noodzakelijk acht en van
de uit te voeren verrichtingen, over de te verwachten gevolgen
en risico’s daarvan voor de gezondheid van de patient, over
andere methoden van onderzoek of behandeling die in aanmerking
komen, alsmede over de staat en de vooruitzichten met
betrekking tot diens gezondheid voor wat betreft het terrein
van het onderzoek of de behandeling.
2. De hulpverlener mag de patient bedoelde inlichtingen
slechts onthouden voor zover het verstrekken ervan kennelijk
ernstig nadeel voor de patient zou opleveren. Indien het
belang van de patient dit vereist, dient de hulpverlener de
desbetreffende inlichtingen aan een ander dan de patient te
verstrekken. De inlichtingen worden de patient alsnog gegeven,
zodra bedoeld nadeel niet meer te duchten is.”
De omvang van deze informatieverstrekking wordt bepaald door
hetgeen de patient in de gegeven omstandigheden
redelijkerwijze dient te weten over wat voor hem van belang is
bij het nemen van een verantwoorde beslissing over een medisch
onderzoek of medische behandeling. De arts dient de patient
inzicht te verschaffen in de behandeling die hij zich
voorstelt te geven en in de gevolgen daarvan waarbij de nadruk
moet vallen op gevolgen die voor de patient van ingrijpend
karakter zijn.
6. Toegespitst op de in het onderhavige geval door D
voorgenomen sterilisatie, zijn naar het oordeel van de
rechtbank bij de beoordeling van de omvang van de
informatieplicht van H jegens D de volgende aspecten van
belang. D wenste niet meer zwanger te worden. Zij wenste om
die reden gesteriliseerd te worden; de sterilisatie-ingreep
was volgens H voor haar medisch niet onontkoombaar.
De daaraan verbonden, weliswaar geringe kans op het risico van
een mislukking van de ingreep kon voor haar het verstrekkende
en ingrijpende gevolg van een ongewenste zwangerschap hebben.
Informatie over de aard en gevolgen van het aan de
sterilisatie-ingreep verbonden risico was derhalve voor haar
essentieel.
7. Dit leidt tot het oordeel dat als vast zou komen te staan
dat H D niet of niet voldoende heeft ingelicht over de kans op
een mislukking van de sterilisatie door een andere oorzaak dan
een foutieve uitvoering van de ingreep, behandeling en
begeleiding is tekort geschoten, dan moeten de schadelijke
gevolgen van de mislukte sterilisatie ook als deze op zich
juist is uitgevoerd, aan hem worden toegerekend en acht de
rechtbank hem daarvoor aansprakelijk.
8. De rechtbank acht het gelet op de aard van de relatie
tussen H als arts en D als patient redelijk H te belasten met
het bewijs dat hij voldoende en zorgvuldige informatie heeft
verstrekt aan D over de kans dat de voorgenomen sterilisatie-
ingreep – anders dan door een onjuiste uitvoering van die
ingreep, zou kunnen mislukken.
9. In geval H erin slaagt dit bewijs te leveren, dient
beoordeeld te worden of H bij het uitvoeren van de
sterilisatie-ingreep de zorgvuldigheid in acht heeft genomen
die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend specialist
mag worden verwacht dan wel of het ontbreken van de ring om de
rechter eileider een gevolg is van een omstandigheid die H
niet kan worden toegerekend.
10. Ten blijke van het feit dat hij beide ringen heeft
aangebracht heeft H het verslag van de door hem verrichte
ingreep in het geding gebracht. Hiernaast biedt hij voorzoveel
nodig bewijs hiervan aan door het als getuige doen horen van
de operatiezuster die hem bij de sterilisatie van D heeft
geassisteerd. In dit verband voert hij nog als verweer aan dat
hij in de onmogelijkheid is komen te verkeren om door middel
van een relaparoscopie te onderzoeken wat de oorzaak is
geweest van het losraken van de ring, doordat de tweede
sterilisatie door een andere arts, J is verricht, die tevoren
geen collegiaal overleg met hem heeft gevoerd. Bovendien zou
de ring, na het losraken, waarschijnlijk in de bekkenholte
zijn terug te vinden en niet in de baarmoeder, waar J naar D
stelt, gezocht zou hebben.
11. In beginsel moet D bewijzen dat H de ring op de rechter
eileider in het geheel niet heeft geplaatst danwel niet
afdoende heeft geplaatst. Nu echter tussen partijen vaststaan
dat de ring op de rechter eileider ontbrak, waardoor de
sterilisatie is mislukt en D zwanger is geraakt, en nu de door
H toegepaste methode volgens hem een, zij het gering,
mislukkingspercentage kent, acht de rechtbank het onder deze
omstandigheden redelijk de bewijslast anders te verdelen en H
te belasten met het bewijs, hetzij dat hij de sterilisatie-
ingreep heeft uitgevoerd met de zorgvuldigheid die van een
bekwaam en redelijk handelend specialist mag worden verwacht,
hetzij dat de ring is losgeraakt ten gevolgen van een
omstandigheid die hem niet kan worden toegerekend.
12. De rechtbank sluit niet uit dat afhankelijk van de
uitkomst van het te leveren bewijs nog een
deskundigenonderzoek noodzakelijk zal blijken te zijn,
waarvoor wellicht opnieuw onderzoek bij D nodig zal blijken te
zijn. Gelet op de omstandigheid dat D niet bij gelegenheid van
de tweede sterilisatie hetzij door H hetzij door een andere
arts heeft laten onderzoeken wat de oorzaak is geweest van de
mislukte sterilisatie, bijvoorbeeld door te laten onderzoeken
of er zich nog een ring in haar lichaam (bijvoorbeeld in de
bekkenholte) bevond, zal D in beginsel moeten meewerken aan
een in redelijkheid van haar te vergen onderzoek.
13. D heeft als vergoeding voor de door haar geleden
immateriele schade ƒ 25.000,– gevorderd. Zij voert hiertoe
aan dat zij op grond van medisch-persoonlijke omstandigheden
(zware zwangerschappen in verband met rugklachten) heeft
moeten beslissen niet nogmaals een zwangerschap te doorstaan
maar abortus te laten plegen toen zij na de mislukte
sterilisatie toch zwanger raakte. Bij deze beslissing tot
abortus handelde zij in strijd met haar geloofsovertuiging,
waardoor zij gekweld wordt door twijfel over de juistheid van
de beslissing en door schuldgevoelens over die beslissing.
14. Onder vigeur van de voor 1 januari 1992 geldende
wettelijke bepalingen is voor vergoeding van immateriele
schade aanleiding als D letsel heeft opgelopen ten gevolge van
de door haar gestelde onzorgvuldig uitgevoerde sterilisatie
door H. Artikel 6:106 BW bepaalt dat er aanleiding kan zijn
voor vergoeding van immateriele schade indien de benadeelde
lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in zijn
persoon is aangetast.
15. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of
de abortus die bij D is uitgevoerd en de psychische gevolgen
daarvan voor haar als letsel moeten worden beschouwd. De
rechtbank is van oordeel, dat ook al is er geen sprake geweest
van een objectief te bepalen medische noodzaak voor de abortus
die D heeft laten plegen, dit er niet aan in de weg staat dat
D na de mislukte sterilisatie ongewenst zwanger is geworden en
zich toen gedwongen zag deze abortus te laten plegen. Een
abortus betekent een aantasting van de lichamelijke
integriteit van de vrouw en derhalve lichamelijke letsel voor
de vrouw. De daarin gelegen aantasting van haar persoon
rechtvaardigt toekenning van vergoeding van immateriele
schade. D heeft met name aangevoerd dat zij psychisch letsel
heeft geleden en lijdt door de abortus. Voor de omvang van de
immateriele schade heeft de rechtbank nog nadere inlichtingen
nodig, die bij de te bepalen compariteit verstrekt kunnen
worden.
(…)

(Eindvonnis Rechtbank Arnhem, 19 januari 1995)

1. Het verdere verloop van de procedure

Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar
hetgeen daarover overwogen is in het door deze rechtbank
tussen partijen gewezen tussenvonnis van 4 juni 1992.
Ter uitvoering van dat tussenvonnis zijn getuigen gehoord en
is een comparitie van partijen gehouden. Partijen hebben geen
overeenstemming bereikt. De processen-berbaal van de
getuigenverhoren en de comparitie van partijen bevinden zich
in afschriften bij de stukken.
Partijen hebben, eerst H. en daarna D, een conclusie na
enquete genomen (de conclusie na enquete van de zijde van D
bevindt zich niet in het procesdossier van H.
Tenslotte hebben partijen wederom recht op stukken gevraagd.

2. De verdere veroordeling van het geschil

a. Verwezen wordt naar en volhard wordt bij het tussenvonnis
van 4 juni 1992. Met een aantal argumenten heeft H de
rechtbank gevraagd om op het tussenvonnis terug te komen.
Daargelaten dat de daarin opgenomen bewijslastverdeling een
definitief en zonder voorbehoud gegeven beslissing betreft,
wil de rechtbank op twee bijzondere argumenten ingaan.

b. Allereerst beroept H zich op een wijziging van 7:1653b
(ontwerp) BW, waarbij de informatieplicht van de hulpverlener
volgens H aanmerkelijk zou zijn verzacht. Inderdaad is het
ontwerpartikel bij het amendement Kohnstamm van 15 februari
1994 (21 561 nr. 21) gewijzigd. Blijkens de toelichting daarop
van het kamerlid Kohnstamm beoogde het amendement juist in
navolging van rechtsoverweging 5., laatste alinea van het
tussenvonnis (‘redelijkerwijze’), de toepassing door de arts
van zijn plicht de patient te informeren te bezien in het
licht van de omstandigheden van het geval. In rechtsoverweging
6. van het tussenvonnis is de informatieplicht op de
omstandigheden van het geval toegespitst. Het amendement van
artikel 7:1653b (ontwerp) BW rechtvaardigt dus niet de
conclusie dat de wetgever inmiddels een meer beperkte
informatieplicht voorstaat dan in het tussenvonnis is
aangenomen.

c. Verder voert H aan dat wetenschap van het geringe
mislukkingsrisico D toch niet van de ingreep zou hebben
weerhouden. Dit verweer miskent echter dat D dan, naar haar
getuigenis, het naadje van de kous zou hebben willen weten
over de (diverse) methoden van sterilisatie. De getuige H
heeft verklaard dat de gynaecologen in het AZU de voorkeur aan
de clips-methode geven, onder andere omdat is gebleken dat het
zwangerschapsrisico hoger is in gevallen dat, zoals hier, de
ring-methode is gebruikt. Aldus bestaat voldoende causaal
verband tussen de onvoldoende gebleken informatieverstrekking
door H (zoals onderstaand zal worden overwogen), de
besluitvorming door D, de gevolgde methode en het intreden van
de zwangerschap.

d. H was toegelaten tot het bewijs dat hij D voldoende en
zorgvuldige informatie heeft gegeven over de kans dat de
voorgenomen sterilisatie-ingreep -anders dan door een onjuiste
uitvoering van de ingreep- zou kunnen mislukken. H heeft
daartoe drie getuigen voorgebracht, te weten: mevrouw S., die
tijdens de sterilisatie-ingreep door H o.k. assistente was, de
heer K. maat van de maatschap waarin H ook maat is, en
zichzelf. Daarnaast heeft hij een afschrift van de status van
D in het geding gebracht. D heeft in de contra-enquete vier
getuigen doen horen, te weten: mevrouw V, haar moeder, de heer
O, haar echtgenoot, de heer H, gynaecoloog en als zodanig
verbonden aan het AZU te Utrecht, en zichzelf.

e. De folder die D heeft meegekregen over laparocospie bevat
geen informatie over de kans dat de sterilisatie-ingreep kan
mislukken. Over het intake-gesprek met D op 8 februari 1989
heeft H verklaard: ‘(…) En tot slot bespreek ik altijd de
consequentie van de ingreep. Dit gebeurt zeker sinds 1979 toen
er een programma op de televisie is geweest over de
mogelijkheid van een mislukte sterilisatie. De consequenties
die besproken worden zijn het definitieve karakter van de
ingreep en de mogelijkheid, ofschoon gering, van een
mislukking. Dus de mogelijkheid dat de patiente ondanks de
sterilisatie toch zwanger wordt. Ik heb beide consequenties
met patiente D besproken. Dat maak ik op uit de door mij in
deze status opgenomen opmerking ‘weet consequenties’. Deze
notitie en ook andere maak ik tijdens het gesprek met
patiente. Dit ziet op beide facetten van de te verstrekken
informatie. Zo’n opmerking in de status is voor mij ook een
controlemogelijkheid dat ik de consequenties heb besproken.
Voor alle duidelijkheid: uit die opmerking in de status is het
voormij duidelijk dat ik beide facetten van de consequenties
zoals hiervoor uiteengezet met de patiente heb besproken.
(…)’

D heeft over de inhoud van het intake-gesprek op 8 februari
1989 het navolgende verklaard: ‘Ik kan mij het volgende
herinneren van het intake-gesprek met H. H was verbaasd dat ik
alleen kwam zonder mijn echtgenoot. Ik was toen nog erg jong,
26 jaar. H wilde weten waarom ik mij wilde laten steriliseren.
Hij wilde weten of ik er van overtuigd was dat ik niet meer
zwanger wilde worden. H wees er op dat het een definitieve
ingreep was. Daar kwam ik ook voor. Ik wilde niet meer zwanger
worden daarvoor had ik een te ellendige tijd achter de rug. H
vertelde dat de sterilisatie moeilijk omkeerbaar was. Gelet op
mijn leeftijd zou het in de toekomst mogelijk nog ongedaan
gemaakt kunnen worden. We hebben gesproken over de methode die
hij gebruikte. H heeft uitgelegd waarom hij de methode met de
ringetjes het beste vond. Hij had daarmee 14 jaar ervaring.
Het is altijd goed gegaan. (…) Ik kan mij niet herinneren
dat er gesproken is over de kans dat ik toch nog zwanger zou
kunnen worden. Ik ging er juist heen om niet meer zwanger te
worden. (…)’

Op grond van de verklaring van H kan niet worden vastgesteld
dat hij D op 8 februari 1989 daadwerkelijk geinformeerd heeft
over de kans dat de sterilisatie-ingreep zou kunnen mislukken.
Hij neemt dit aan op grond van de omstandigheid dat in de
status vermeld staat: ‘weet consequenties’. Deze opmerking
biedt echter op zich nog geen grond dat informatie over de
mislukkingskans is verstrekt. De verklaring van D biedt geen
enkele steun aan het vermoeden van H. Haar verklaring wijst
veeleer in de richting dat het tijdens het intake-gesprek
vooral ging om de vraag of D zich bewust was van het
definitieve karakter van de ingreep.

f. Behalve H en D is geen van de gehoorde getuigen aanwezig
geweest bij het intake-gesprek op 8 februari 1989. De
verklaringen van de door H naar voren gebrachte getuigen
bieden geen steun voor de aanname van H dat hij D op de hoogte
heeft gebracht van de kans dat de sterilisatie-ingreep zou
kunnen mislukken. Mevrouw S heeft niets verklaard over het
intakegesprek. De heer K heeft in zijn verklaring dezelfde
veronderstelling geuit als H:

“(…)
Mr. B houdt mij voor dat in de status is genoteerd “weet
conseqenties”. Voor mij wijst dat er op dat de consequenties
aan de orde zijn geweest. Waarbij ik dan met name denk aan de
consequenties van een zwangerschap ondanksde ingreep.”

Aan de veronderstelling van de heer K doet in het kader van de
onderhavige bewijsopdracht afbreuk dat hij deze niet alleen
doet steunen op de opmerking in de status maar ook op de
toevoeging die aansluit op de hierboven geciteerde verklaring
, te weten:

“Het andere aspect, namelijk de onherroepelijkheid van de
ingreep ligt zo voor de hand dat ik aanneem dat met die
opmerking in de status niet uitsluitend daarop wordt gedoeld.
Iedere gynaecoloog heeft zo zijn eigen manier om dit aspect in
de status te verwoorden.
(…)”

Uit de verklaringen van h en D kan immers worden afgeleid dat
tijdens het intake-gesprek het definitieve karakter van de
sterilisatie-ingreep juist uitdrukkelijk aan de orde is
geweest.

g. De verklaringen van de door D naar voren gebrachte getuigen
bieden ook geen enkele steun aan de veronderstelling van H (en
de heer K).
Zij wijzen eerder in de richting van het tegendeel.
zo heeft mevrouw D-Van de V verklaard:
“(…)
Ik ben niet aanwezig geweest bij het gesprek tussen H en mijn
dochter. Op dat moment verbleef ik bij haar in huis. Bij
thuiskomst heeft ze mij verteld over haar bezoek aan H. Ze
vertelde dat ze het gehad hadden over haar leeftijd, dat ze
erg jong was, en over de vraag of ze zeker was dat ze zich
wilde laten steriliseren.(…)
Ik kan me niet herinneren dat we gesproken hebben over een
mislukking van de sterilisatie. Een mogelijke mislukking zou
zeker een punt van discussie zijn geweest.

En de heer O heeft verklaard:

“Ik ben niet aanwezig geweest bij het gesprek dat mijn vrouw
met H heeft gehad. zij heeft mij daarover verteld, ongetijfeld
diezelfde avond nog. Van de weergave door mijn vrouw van het
gesprek dat zij met H heeft gehad staat mij het definitieve
karakter van de ingreep nog het beste bij. Mijn indruk op
grond van haar verhaal was dat ze gegarandeerd niet meer
zwanger zou raken.
(…)
Ik kan mij niet herinneren dat er gesproken is over een
mislukking van de ingreep.
(…)”
Beide verklaringen sluiten aan op de verklaring van D:
“(…)
Meneer B vraagt mij wat ik gedaan zou hebben in het geval dat
H mij verteld zou hebben dat er een kans op mislukking
bestond. Ik denk dat ik er dan nog eens goed over zou hebben
nagedacht en dat ik nog eens overgelegd zou hebben met mijn
man.
(…)”

h. Het intake-gesprek op 8 februari 1989 is het enige gesprek
dat H en D gevoerd hebben over de te verrichten sterilisatie-
ingreep.

i. H is dus niet geslaagd in het bewijs onder 2.d.

j. De vraag of H geslaagd is in het in het tussenvonnis van 4
juni 1992 verder aan hem opgedragen bewijs, behoeft geen
behandeling meer.

k. De hoogte van de door D gevorderde materiele schade,
uitgezonderd de buitengerechtelijke incassokosten, is door H
niet bestreden. Er zal derhalve een bedrag van ƒ 2,756,10
worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente
daarover vanaf 21 augustus 1989, waartegen deze rente is
aangezegd.

l. Tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten heeft
H aangevoerd dat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen
nu D kosteloos procedeert. Dit standpunt is juist. Nu niet
blijkt van een voorwaardelijke toevoeging, vallen de
buitengerechtelijke incassokosten onder de toevoeging, zodat D
op dit punt geen schade lijdt. Haar eigen bijdrage heeft
kennelijk slechts betrekking op een deel van het griffierecht
en wordt in de proceskostenveroordeling aan haar vergoed. De
buitengerechtelijke incassokosten worden dus afgewezen.

m. Uit de verklaring die D heeft afgelegd bij gelegenheid van
de comparitie van partijen blijkt dat zij mede vanuit haar
religieuze achtergrond psychisch leed heeft ondervonden
tengevolge van de abortus en de tweede sterilisatie. Zij heeft
verklaard: ‘(…) Bij de tweede ingreep, (abortus +
sterilisatie), ben ik huilend in de narcose gegaan en er weer
huilend uitgekomen. Tot overmaat van ramp kwam ik terecht op
een zaal met vrouwen die kunstmatig geinsemineerd waren. Dat
was natuurlijk vreselijk. (…)’

D heeft zich na de tweede ingreep onder behandeling moeten
stellen om dit psychisch leed te kunnen verwerken. De pijn
blijft: ‘(…) Ook nu heb ik het bij tijd en wijle heel erg
moeilijk, bijvoorbeeld wanneer vrienden of kennissen kinderen
krijgen. Nogmaals het kind was zeker welkom ik houd veel van
kinderen. (…)’

Gelet op de psychische nood die D ondervonden heeft en nog
ondervindt vanwege de abortus, wordt de immateriele
schadevergoeding naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld
op een bedrag van ƒ 15.000,-. Dit bedrag zal worden
toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover
vanaf 21 augustus 1989, waartegen deze rente is aangezegd.

n. H zal als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde
partij veroordeeld worden in de kosten van deze procedure.

3. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende;

Veroordeelt H om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan D te
voldoen de somma van ƒ 17.756,10 (zegge
zeventienduizendzevenhonderdenzesenvijftig gulden en 10 cent),
te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 21
augustus 1989 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt H in de kosten van deze procedure, die aan de
zijde van D tot op heden begroot worden op:
ƒ 542,60 aan verschotten, ƒ 735,= aan getuigentaxen en ƒ
2.840,= voor salaris van de procureur , waarvan te voldoen aan
de griffier van deze rechtbank:
-f 360,= wegens in debet gesteld griffierecht;
-f 62,60 wegens overige verschotten;
-f 735,= wegens getuigentaxen;
-f 2.840,= wegens salaris van de procureur, en aan D ƒ 120,=
wegens haar aandeel in het griffierecht.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mrs Steeg, Schoutee-Dijkstra, Bordes

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 19 januari 1995

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


De moeder verzoekt de rechter een omgangsregeling vast te stellen tussen
het kind en de biologische vader. Het kind geeft aan behoefte te hebben
aan contact, de vader wenst echter geen enkel contact. Het hof oordeelt
dat het kind in beginsel recht heeft op enig contact met zijn biologische
vader en heeft de Raad van de Kinderbescherming verzocht een onderzoek in
te stellen naar de mogelijkheden en wenselijkheden van zulk contact. De
voorwaarden die aan artikel 8 EVRM worden gesteld zijn mede afhankelijk
van wie het beroep erop doet. Het gezinsleven van het kind verdient eerder
en meer bescherming dan dat van de man.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen hieromtrent is opgenomen
in zijn tussenbeschikking van 27 oktober 1994.

1.2. De behandeling is voortgezet op 30 november 1994.

2. Het geschil in hoger beroep en de feiten en omstandigheden.

2.1 In geschil is de afwijzing van het voor Jeroen gedane verzoek van de
moeder een omgangsregeling vast te stellen tussen Jeroen en de man,
waarbij Jeroen eenmaal per maand op zaterdag gedurende 1 uur de man kan
zien. De moeder verzoekt het inleidend verzoek alsnog toe te wijzen.

2.2 Ten aanzien van de moeder en Jeroen is het volgende gebleken. Jeroen
maakt, samen met een kind uit een ontbonden huwelijk van de moeder, deel
uit van haar gezin. De moeder heeft in de periode juli 1984 tot en met
oktober 1984 met de man een seksuele relatie gehad. partijen hebben nooit
samengewoond. De man heeft zijn relatie met de moeder verbroken, nadat hij
op de hoogte was geraakt van haar zwangerschap. De moeder is op 21 juni
1985 bevallen van Jeroen. Hij is onwettig en niet erkend. Jeroen zit in
groep 6. Het gaat goed met hem. Hij heeft te kennen gegeven dat hij de
behoefte heeft zijn vader te ontmoeten. Tussen de broer van de man en
Jeroen zijn wel contacten tot stand gekomen.

2.3 Ten aanzien van de man is het volgende gebleken. De man is gehuwd. De
man en zijn echtgenote verwachten in mei 1995 een baby. Hij erkent dat hij
in het conceptietijdvak met de moeder gemeenschap heeft gehad. Hij wenst
geen enkel contact met Jeroen en zal niet vrijwillig meewerken aan enige
vorm van omgang. Hij kan dat emotioneel niet aan en het zet zijn huwelijk
onder druk, aldus de man. Hij heeft vanaf de geboorte van Jeroen nooit
contact met hem gehad en willen hebben. Daarover heeft tussen partijen
nooit een afspraak bestaan.

3. Beoordeling van het hoger beroep.

3.1. Gelet op de stukken en de behandeling ter terechtzitting in hoger
beroep moet worden aangenomen dat de man tussen de 307de dag en de 179ste
dag voor de geboorte van Jeroen gemeenschap heeft gehad met de moeder.
Door hem is niet gesteld dat de moeder in bedoeld tijdvak ook met een
ander gemeenschap heeft gehad. Het hof is niet in gemoede ervan overtuigd
dat de man niet de vader van Jeroen is. Uit het voorgaande volgt dat de
man moet worden aangemerkt als de biologische vader van Jeroen.

3.2 De vraag die vervolgens aan de orde komt, is of de man veroordeeld kan
worden om aan de behoeft van Jeroen, met zijn vader omgang te hebben,
althans zijn vader te ontmoeten, tegemoet te komen. De man meent van niet
aangezien tussen hem en Jeroen niet sprake is van ‘family life’ als
bedoeld in artikel 8 lid 1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden. (EVRM). Daarbij beroept hij zich
op de rechtspraak inzake het recht van de biologische vader op omgang en
op erkenning. Uit die rechtspraak volgt dat voor ‘family life’ tussen
verwekker en kind, naast het biologisch vaderschap, ‘bijkomende
omstandigheden’ nodig zijn, die kunnen bestaan uit een relatie met de
moeder voor de geboorte die op een lijn staat met een huwelijk of uit
feitelijke contacten met het kind van na de geboorte.

3.3 De eisen die aan het bestaan van ‘family life’ gesteld moeten worden,
zijn afhankelijk van de context waarin op artikel 8 EVRM beroep wordt
gedaan. Daarbij is mede van belang wie het beroep doet. Het hof is van
oordeel dat indien een kind de bescherming van artikel 8 EVRM inroept
teneinde enige vorm contact met zijn biologische vader te realiseren, niet
dezelfde voorwaarden gesteld mogen worden als wanneer de biologische vader
op enige vorm van contact met een door hem verwekt, maar niet erkend kind,
aanspraak maakt. Het kind heeft de bovenbedoelde bijkomende
omstandigheden* in het geheel niet in de hand gehad. Een intended
(feitelijk) family life van Jeroen verdient eerder en meer bescherming dan
dat van de man. De biologische vader draagt immers mede
verantwoordelijkheid voor het bestaan van het kind.

3.4 Naar het oordeel van het hof zijn de omstandigheden vermeld hiervoor
onder 2.2 en 2.3 voldoende om aan te nemen, in de context van een verzoek
van de zijde van Jeroen om vaststelling van een omgangsregeling met zijn
biologische vader, dat een als ‘family life’ aan te merken betrekking met
de man bestaat.

3.5 Hier komt nog bij dat indien het in verband met de ontwikkeling van
Jeroen wenselijk is dat hij enig contact, al is dat zeer beperkt, heeft
met zijn vader, het deze naar maatstaven van maatschappelijke
betamelijkheid niet vrij staat zich aan elke verantwoordelijkheid in dit
verband te onttrekken. Dat de man indertijd de zwangerschap niet heeft
gewenst en inmiddels niet meer op enig contact heeft gerekend, doet daar
op zichzelf en onder meer niet aan af.

3.6 Bovendien vindt het hof steun voor zijn oordeel in artikel 7 van het
Verdrag inzake de rechten van het kind. Het recht van het kind om voor
zover mogelijk zijn of haar ouders te kennen, omvat meer dan slechts het
recht om hun namen te vernemen.

3.7 Door de man is nog gewezen op de uitspraak van de Hoge Raad van 3
april 1992, Nederlandse Jurisprudentie 1993, 286. Deze uitspraak betrof
evenwel de vraag of een biologische vader gedwongen kan worden zijn kind
te erkennen. De Hoge Raad oordeelde dat het geven van een algemene
oplossing van dit vraagstuk zou dwingen tot het maken van keuzes van
ingrijpende aard, die, mede in aanmerking genomen de aard van de betrokken
belangen, aan de wetgever dient te worden overgelaten. Dat het realiseren
van enig contact tussen kind en biologische vader, zoals in de onderhavige
zaak verzocht, buiten de rechtvormende taak van de rechter valt, is echter
niet aannemelijk.

3.8 Uit het voorgaande volgt dat het – in de voormelde context gedane –
beroep op artikel 8 EVRM gegrond is en dat een kind in beginsel recht op
omgang met de biologische vader heeft, waaronder het hof ook een zeer
beperkte vorm van contact verstaat.

3.9 Jeroen heeft dus in beginsel recht op enige vorm van omgang c.q. van
contact met de man. Dit recht moet evenwel wijken voor de rechten en
vrijheden van de man, indien deze zwaarder zouden wegen.

3.10 Alvorens tot enige belangenafweging te komen, acht het hof het
noodzakelijk dat de raad voor de kinderbescherming te Amsterdam een
onderzoek instelt naar de wenselijkheid van enig contact tussen Jeroen en
de man en van de mogelijkheden van zulk contact, bezien vanuit het belang
van Jeroen.

3.11. De moeder, die verklaard heeft voorzover nodig tevens op te treden
als wettelijk vertegenwoordiger van Jeroen, zal in de gelegenheid gesteld
worden om de in artikel 1:349 van het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven
machtiging van de kantonrechter over te leggen.

3.12. Dit leidt tot de volgende beslissing.

4. Beslissing.

Het Hof:

stelt de moeder alsnog in de gelegenheid de in artikel 1:349 lid 1 BW
voorgeschreven machtiging van de kantonrechter over te leggen;

heropent het onderzoek;

verzoekt de raad voor de kinderbescherming te Amsterdam een onderzoek in
te stellen zoals hiervoor onder 3.10 vermeld;

verzoekt de raad omtrent de resultaten van dit onderzoek schriftelijk aan
het hof te rapporteren en te adviseren en houdt de behandeling pro forma
aan tot zondag 14 mei 1995;

houdt iedere verdere beslissing aan;

Rechters

Mrs Willems-Morsink, De Vreeze-Oostvogel, De Boer

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 18 januari 1995

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Gehuwden en samenwonenden zijn voor de heffing van successierecht niet
gelijkgesteld. Gehuwden betalen meer belasting dan samenwonenden omdat
zij maar een keer de wettelijke vrijstelling krijgen. Bij ongehuwden
daarentegen hebben allebei de ouders een recht op een
belastingvrijstelling over een deel van de erfenis. De belastingkamer
van de Hoge Raad acht dit onderscheid niet in strijd met art. 26
BuPo-verdrag.

Volledige tekst

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbenden is ter
zake van hun verkrijging uit voormelde nalatenschap een aanslag in het
recht van successie opgelegd, naar een belaste verkrijging van ƒ
216,221,-, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak
van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbenden zijn van de uitspraak
van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die
uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest
gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van het
hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan
dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van
Financien heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende
worden uitgegaan. Op 6 februari 1990 is overleden A, nalatende als
erfgenamen bij versterf zijn met elkaar gehuwde, niet van tafel en bed
gescheiden ouders, belanghebbenden, elk voor een derde gedeelte en van
zijn zuster, eveneens voor een derde gedeelte van zijn nalatenschap. De
Inspecteur heeft ten aanzien van belanghebbenden het bepaalde in
artikel 25 van de Successiewet 1956 (hierna: de Wet) toegepast en de
ingevolge die bepaling samengevoegde verkrijgingen, verminderd met de
vrijstelling als bedoeld in artikel 32, lid 1 aanhef en 4_, letter f,
van de Wet.

3.2. In cassatie is aan de orde de vraag of de heffing met toepassing
van artikel 26 IVBP verboden ongelijke behandeling van ouders als
belanghebbenden ten opzichte van niet met elkaar gehuwde, maar wel
samenwonende ouders, wier verkrijgingen immers voor de berekening van
het recht van successie niet worden aangemerkt als verkrijgingen door
een van hen en die elk voor zich aanspraak hebben op de vrijstelling
van artikel 32, lid 1, aanhef en 4 letter f, van de Wet.

3.3. Omtrent artikel 42 van de Successiewet 1859 luidende: “Hetgeen
echtgenoten uit eenzelfden boedel verkrijgen, wordt, voor zover dit
valt in eene tusschen hen bestaande huwelijksgemeenschap, voor de
regeling van het regt van successie geacht voor het geheel te zijn
verkregen door den echtgenoot, wiens verkrijging het laagst belast is.”
Welk artikel in die wet is opgenomen bij de wet van 22 mei 1911, Stb.
132, en, behoudens enige wijzigingen bij de Wetten van 20 januari 1917,
Stb. 189 en 28 december 1926, Stb. 429 en behoudens vernummering tot
artikel 66, zonder nadere toelichting als artikel 25 is overgenomen in
de Successiewet 1956, houdt de Memorie van Antwoord bij het ontwerp van
wet dat heeft geleid tot de Wet van 22 mei 1911 (Kamerstukken II
1910/11, Bijlagen 29.1, blz. 9), in: ‘De thans voorgestelde bepaling is
nodig om te voorkomen, dat een erflater, met hetzelfde resultaat, aan
echtgenoten vermaakt, wat hij een hunner heeft toegedacht; er zouden
dan twee verkrijgingen zijn, waardoor in vele gevallen minder belasting
zouden worden betaald……..

Ook met het oog op de vrijstellingen kan de bepaling niet worden
gemist; het bedrag der vrijstelling zou door eene dergelijke
testamentaire making verdubbeld kunnen worden’. De Memorie van
Toelichting bij het ontwerp van wet dat heeft geleid tot voormelde wet
van 28 december 1926 (Kamerstukken II 1924/25, 304, nr. 5, blz. 6)
vermeldt met betrekking tot de vervanging in artikel 66 van “worden,
voor zover het verkregene valt in een tusschen hen bestaande
huwelijksgemeenschap” door: “die niet van tafel en bed zijn gescheiden,
worden”: “Waar schenkingen – en ook testamentaire bepalingen – als de
hier bedoelde, geacht kunnen worden ten bate van het gezin te hebben
plaats gehad, behooren de verkrijgingen als eene verkrijging te worden
aangemerkt”.

3.4. Hoezeer bij verkrijgingen als de onderhavige waarbij de
verkrijgers niet krachtens testament maar bij versterf erfgenamen zijn,
zich niet kan voordoen de situatie die gezien voormelde geschiedenis
van de Wet van 22 mei 1911 kennelijk de aanleiding vormde voor de –
thans – in artikel 25 van de Wet gegeven regeling, dit laat niet toe
artikel 25 aldus uit te leggen dat dit artikel niet van toepassing is
op gevallen waarin bij versterf wordt verkregen. Immers, de wetgever
heeft die regeling niet beperkt tot gevallen waarin met elkaar gehuwde,
niet van tafel en bed gescheiden personen krachtens testament
verkrijgen maar een regeling in het leven geroepen voor alle gevallen
waarin door met elkaar gehuwde, niet van tafel en bed gescheiden
personen krachtens erfrecht wordt verkregen, kennelijk omdat – naar
zijn opvatting – ook wanneer bij versterf wordt verkregen zich de
situatie voordoet dat de verkrijging door ieder van de erfgenamen
hetzelfde resultaat heeft als een verkrijging door een van hen. Hierbij
moet worden aangenomen dat de wetgever ervan is uitgegaan dat dit
resultaat in gevallen waarin de verkrijgers met elkaar zijn gehuwd en
niet van tafel en bed zijn gescheiden, wordt teweeggebracht door de
vermogensrechtelijke verhoudingen en de verplichtingen elkaar het
nodige te verschaffen, zoals die verhoudingen en verplichtingen
ingevolge het Burgerlijk Wetboek tussen gehuwde, niet van tafel en bed
gescheiden personen bestaan.

3.5. In aanmerking genomen de mate waarin evenbedoelde verhoudingen en
verplichtingen bij gehuwd samenwonenden – bij wie gelet op die
verhoudingen en verplichtingen van een economische eenheid kan worden
gesproken – in het algemeen verschillen van die tussen niet gehuwd
samenwonenden heeft de wetgever zonder in strijd te komen met artikel
26 IVBP kunnen oordelen dat verkrijgingen door met elkaar gehuwde
personen die niet van tafel en bed zijn gescheiden, voor de berekening
van het recht van successie als een verkrijging door een van hen moeten
worden aangemerkt.

3.6. De klachten die uitgaan van een andere opvatting, falen derhalve.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een
veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet
administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechters

Mrs Stoffer, Wildeboer, Urlings, Herrmann, Fleers

Instantie: Rechtbank Breda, 17 januari 1995

Instantie

Rechtbank Breda

Samenvatting


Eiseres is door gedaagde verkracht. Gedaagde is hiervoor veroordeeld tot een
jaar gevangenisstraf. Eiseres stelt door de verkrachting schade te hebben
geleden. Zij heeft hierdoor onder andere een drankprobleem gekregen. De
rechtbank meent dat een schadevergoeding van ƒ 5000 op zijn plaats is. (ook
tussenvonnis van 13 september 1994 is opgenomen)

Volledige tekst

Tussenvonnis rechtbank Breda 13 september 1994
1. Het verloop van het geding.
Dit blijkt uit de volgende, door partijen, hierna te noemen
respectievelijk eiseres en gedaagde, ter vonniswijzing overgelegde stukken:
– de dagvaarding,
– de conclusie van eis,
– de conclusie van antwoord, met producties,
– de conclusie van repliek, met producties,
– de conclusie van dupliek.
2. Het geschil.
Eiseres vordert bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
veroordeling van gedaagde tot betaling van ƒ 10 000 (tienduizend gulden)
vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot
die der algehele voldoening kosten.
Gedaagde weerspreekt de vordering en concludeert tot niet
ontvankelijkheidsverklaring danwel afwijzing daarvan, met veroordeling van
eiser in de kosten van de procedure.
3. De beoordeling.
3.1. Op grond van de wederzijdse proceshouding staat tussen partijen vast:
– eiseres is op 23 maart 1991 verkracht door gedaagde, die daarvoor bij
onherroepelijk vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda (…) is
veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf.
– bij brief van 23 juni 1993 is gedaagde door de raadsman van eiseres
aansprakelijk gesteld voor de door eiseres als gevolg van die verkrachting
geleden immateriële schade.
3.2. Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag de stelling dat zij
tengevolge van de verkrachting door gedaagde schade heeft geleden met name op
het psychisch vlak: zij zou te kampen hebben met angst- en onrustgevoelens
waardoor zij niet alleen op straat zou durven en problemen zou hebben met
sociale contacten, alsmede in haar relatie met haar zoon. Voorts zou een
verminderd gevoel van eigenwaarde haar verhinderen op een normale wijze aan
het maatschappelijk verkeer deel te nemen. Bovendien zou er bij haar vanuit
haar poging haar, ten gevolge van de verkrachting optredende angsten de baas
te worden een alcoholprobleem zijn ontstaan.
Het door haar gevorderde bedrag zou haar enigszins genoegdoening kunnen
verschaffen voor het leed dat haar als gevolg van het handelen van gedaagde
is overkomen.
Gedaagde betwist dat eiseres als gevolg van de verkrachting schade zou hebben
geleden. Voorts betwist hij dat de door eiseres gestelde gevolgen van de
verkrachting een zodanige aantasting van de persoon van eiseres is dat
toekennen van schadevergoeding daarvoor op zijn plaats zou zijn.
3.3. Op voet van art. 188 Rv geldt hetgeen bij het onder 3.1. genoemde vonnis
bewezen is verklaard als bewezen in deze procedure; dat feit vormt dus bij
verdere oordeelsvorming van de rechtbank het uitgangspunt.
Op grond van art. 173 OW vindt de vordering van eiseres zijn grondslag in art
1401/1407 BW oud.
3.4. Verkrachting is een zeer ernstige inbreuk niet alleen op de lichamelijke
maar ook op de geestelijke integriteit van het slachtoffer. Ter compensatie
van de door een dergelijk handelen toegebrachte schade heeft het slachtoffer
recht op toekenning van smartegeld. Niet de ernst van het aangerichte letsel
doch het feit dat de lichamelijke en geestelijke integriteit van een persoon
is aangetast doet dit recht ontstaan.
3.5. De aard en ernst van het lichamelijk en geestelijk letsel vormen de
maatstaf bij het bepalen van de hoogte van de naar billijkheid vast te
stellen vergoeding van het geleden nadeel dat niet uit vermogensschade
bestaat. Hierbij speelt onder meer een rol de duur en de intensiteit van de
pijn, het verdriet en de gederfde levensvreugde die voor het slachtoffer het
gevolg zijn van de gebeurtenis waarop aansprakelijkheid berust, terwijl
voorts van belang is de aard van de aansprakelijkheid.
Teneinde de rechtbank in staat te stellen zich een oordeel te vormen over wat
een passende immateriële schadevergoeding voor eiseres is dient zij, met het
oog op de betwisting door gedaagde van de aard en omvang van de door eiseres
gestelde gevolgen van de verkrachting, de verschillende door haar genoemde en
in 3.2. weergegeven schadebepalende elementen te onderbouwen.
Daartoe zal eiseres stavende bescheiden van de verschillende instanties als
politie, huisarts en RIAGG, bij wie zij naar zij stelt, naar aanleiding van
de verkrachting hulp heeft gezocht in het geding dienen te brengen.
4. De beslissing

De rechtbank
verwijst de zaak naar de rol van 11 oktober 1994 voor het nemen van een
nadere conclusie door eiseres teneinde schriftelijke bescheiden zoals die
zijn genoemd onder 3.5., aan de rechtbank over te leggen.
bepaalt dat hoger beroep tegen deze beslissing niet eerder dan tegelijk met
het in deze procedure te wijzen eindvonnis kan worden ingesteld;
houdt verder iedere beslissing aan.
Eindvonnis rechtbank Breda van 17 januari 1995
1. Het verdere verloop van het geding;
Dit blijkt uit het volgende, door partijen hierna te noemen respectievelijk
eiseres en gedaagde, ter vonniswijzing overgelegde stukken:
– het tussen-vonnis d.d. 13 september 1994 en de daarin genoemde stukken;
– de conclusie na tussen-vonnis van de zijde van eiseres met producties.
– de nadere antwoordconclusie van de zijde van gedaagde.
2. De beoordeling.
Bij voornoemd tussen-vonnis is eiseres opgedragen bescheiden ter staving van
haar stelling met betrekking tot de omvang en de aard van de gevolgen van de
door gedaagde gepleegde verkrachting over te leggen.
Eiseres heeft vervolgens bij conclusie na tussen-vonnis overgelegd:
– een verklaring van 28 september 1994 van de heer J.P.M. van Groesen,
brigadier van Politie, ten tijde van de verkrachting van eiseres werkzaam bij
afdeling jeugd en zedenpolitie, die eiseres na de verkrachting heeft
begeleid,
– een rapportage van het CAD opgemaakt door W. Schouten, arts en H. Duine
maatschappelijk werkster van 13 oktober 1992.
– een brief van 5 oktober 1994 van het CAD en
– een brief van 5 oktober 1994 van haar huisarts J. Verkuyl.
Uit deze bescheiden in hun onderlinge samenhang bezien blijkt in ieder geval
dat eiseres na het tijdstip van verkrachting is gaan kampen met psychische
problemen, zich ondermeer uitend in hevige angsten, en dat zij ter
bestrijding van haar problemen heil heeft gezocht bij sterke drank waardoor
een alcohol probleem is ontstaan. Voorts dat zij door een arts en een
maatschappelijk werkster van het CAD is gediagnostiseerd als een vrouw die is
getraumatiseerd door een seksueel geweldsdelict waardoor zeer diep is
ingegrepen in haar leven. Bovendien dat zij van juni 1992 tot maart 1994
onder behandeling is geweest bij het CAD en dat zij deze behandeling heeft
afgebroken op een tijdstip waarop deze naar het inzicht van de behandelaars
nog niet was afgesloten.
Op grond van deze overgelegde stukken, waartegen overigens inhoudelijk geen
verweer is gevoerd door gedaagde, staat vast dat eiseres als gevolg van de
verkrachting is geconfronteerd met een aantal psychische problemen zoals die
zijn opgesomd in het tussenvonnis van 13 september 1994 onder 3.2.
Gedaagde stelt zich thans op het standpunt dat de in het geding gebrachte
bescheiden niet als rechtvaardiging van het door eiseres gevorderde bedrag
kunnen dienen.
De rechtbank is van oordeel dat nu vaststaat dat eiseres in ieder geval tot
drie jaar na de verkrachting als gevolg daarvan met aanzienlijke psychische
problemen te kampen heeft gehad ter zake van vergoeding van immateriële
schade een bedrag van ƒ 5000 billijk is.
De vordering ligt derhalve tot het hiervoor genoemde bedrag voor toewijzing
gereed. Gedaagde dient als grotendeels in het ongelijk gestelde partij de
kosten van de procedure te dragen.
3. De beslissing.
De rechtbank:
veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van de somma ƒ 5000
(vijfduizend gulden), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag
vanaf 28 december 1993 tot aan de dag der algehele voldoening;
verwijst gedaagde in de kosten van het geding en veroordeelt deze tot
betaling van de proceskosten gevallen aan de zijde van eiseres tot op heden
begroot op ƒ 2167,67;
bepaalt, nu eiseres met een toevoeging procedeert, dat die kostenbetaling
dient te geschieden door voldoening
a. aan de griffier van deze rechtbank, door overschrijving op
postbank-rekening nummer 1101800 van de Gerechten in het Arrondissement Breda
– wegens het in debet gestelde deel van het griffierecht
ƒ 217,50,
– wegens exploitkosten ƒ 77,67,
– wegens procureurssalaris ƒ 1800 met welke bedragen de griffier zal dienen
te handelen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 57b Rv;
b. aan eiseres het voor rekening van die partij komende deel van het
griffierecht ad ƒ 72,50;
wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mrs. Poerink, Van der Poel, Filippini

Instantie: President van de Rechtbank Lelystad, 16 januari 1995

Instantie

President van de Rechtbank Lelystad

Samenvatting


Eiseres is verkracht door wethouder. Zij heeft
aangifte gedaan en deze zaak is door de officier van Justitie
geseponeerd. Een beklag over de niet-vervolging is als
ongegrond afgewezen.
De president is van oordeel dat er sprake was van een
eenzijdige afhankelijkheidsrelatie, waarbinnen dusdanig
ongelijke posities bestonden, dat het gedaagde betaamde grote
terughoudendheid te betrachten met het betreden van de
persoonlijke levenssfeer van eiseres. Gedaagde heeft dit
echter niet gedaan. Het zo snel aangaan van seksueel contact
zou, zelfs indien gedaagde daartoe zou zijn uitgenodigd, dan
ook onrechtmatig kunnen worden geacht. De president meent dat
er onvoldoende bewijs voor de verkrachting is geleverd en
wijst de vordering in kort geding af.

Volledige tekst

Verloop van de procedure

H heeft G doen dagvaarden in kort geding.
De vordering strekt ertoe om bij vonnis uitvoerbaar bij
voorraad G te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ
5.000,= aan H als voorschot op de immateriele en materiele
schade van H, met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8
december 1994 en veroordeling van G in de kosten van dit
geding.

Daartegen is door G ter zitting van 9 januari 1995 mondeling
verweer gevoerd met conclusie tot afwijzing van de vordering.

Motivering

1. Vaststaande feiten

H gescheiden moeder van drie aan haar toegewezen kinderen,
kampte vanaf ongeveer augustus 1992 met ernstige
huisvestingsproblemen.
G is op 23 april 1993 wethouder van Almere geworden.
Vrij kort na G’s aantreden als wethouder hebben partijen
telefonisch contact met elkaar gehad over genoemde problemen.
Op dinsdag 11 mei 1993 hebben partijen elkaar bij toeval
ontmoet in een cafe in Almere.

Nadat partijen met elkaar in gesprek waren geraak ten H haar
papieren betreffende de huisvesting van huis had opgehaald, is
H met G naar diens huis gegaan.
Korte of enige tijd nadien hebben partijen seksueel contact
gehad.

Op 12 mei 1993 heeft H bij de gemeentepolitie Almere aangifte
gedaag van verkrachting door G. Deze strafzaak is nadien door
de officier van jusitie geseponeerd.
Het beklag van H over de niet-vervolging is door het
gerechtshof te Arnhem op 18 oktober 1994 als ongegrond
afgewezen.

2. Standpunt H

H leefde samen met haar drie kinderen bij een kennis te
Almere. Daar deelde zij met haar kinderen een kamer. Al haar
kinderen zijn carapatient. Het was voor H noodzakelik zo snel
mogelijk passende woonruimte te vinden. Alle haar pogingen om
langs officiele kanalen een woning te vinden hadden niet tot
resultaat geleid.

H had reeds telefonisch contact gehad met G alvorens zij hem
bij toeval ontmoette in een cafe te Alemere.
zij wist dat hij sinds kort werhouder van Almere was geworden
en leefde in de veronderstelling dat hij de verantwoordelijke
wethouder voor huisvestings- en woningzaken was. Tijdens de
ontmoeting in het cafe heeft H derhalve (wederom) haar
huisvestingsproblemen ter sprake gebracht. G heeft op geen
enkele wijze laten merken dat hij niet de verantwoordelijke
wethouder voor huisvestings- en woningzaken was. Op initiatief
van G heeft H zelfs al haar huisvestingspapieren thuis
opgehaald en is met G vertrokken naar diens huis. G had
toegezegd in een wat rustiger omgeving haar papieren te willen
bestuderen, om zo te kunnen zien of hij wat voor haar kon
doen.

Eenmaal thuis bij G heeft hij nauwelijks in het dossier
gekeken en heeft hij H tegen haar wil en ondanks de afwerende
pogingen harerzijds, allereerst betast en geprobeerd te zoenen
en uiteindelijk gedwongen mee naar zijn slaapkamer te gaan,
waar hij H heeft verkracht.
Gezien het feit dat H incestslachtoffer is en in haar
voormalige huwelijk regelmatig werd mishandeld, kon G , H dan
ook willoos mee naar de slaapkamer nemen.
H heeft op geen enkele wijze hetintitiatief genomen.

Nadien bleek dat G niet de wethouder voor huisvestings- en
woningzaken was. G heeft aldus door zijn positie als wethouder
te gebruiken, H onder valse voorwendselen mee naar zijn huis
genomen en misbruik gemaakt van zijn machtspositie.

In ieder geval heeft G misbruik gemaakt van de afhandelijke
positie van H.

G heeft onrechtmatig gehandeld tegenover H en is derhalve
gehouden de bij H ontstane schade te vergoeden. h heeft
materiele schade geleden, tot nu toe begroot op ƒ 823,– met
name doordien zij enige dagen in een hotel heeft moeten
doorbrengen om tot rust te komen en ries- en telefoonkosten
heeft moeten maken ten behoeve van het contact met haar
advocaat.
H heeft tevens grote immateriele schade geleden doordien zij
is getraumatiseerd door het gebeurde.
De zaak heeft zeer veel publicitaire aandacht gekregen.
Hoewel haar naam nooit publikelijk bekend is geworden, weet de
groep mensen om H heen precies om wie het gaat.
Daarbij komt dat de algemene termen waarin H werd
afgeschilderd, haar veel extra leed hebben berokkend. Naar
verwachting zal herstel van de traumatische stress-stoornis
nog enige jaren duren.

H begroot de immateriele schade op ƒ 50.000,=. Teneinde haar
schade te beperken heeft H recht en belang bij toewijzing van
een voorschot van ƒ 5.000,= om daarmee sociale activiteiten te
bekostigen die voor haar de verwerking van haar trauma zullen
vergemakkellijken.

3. Standpunt G.

G is door H telefonisch benaderd in verband met haar
huisvestingsproblematiek. Reeds vanaf dat moment heeft G
meerdere malen te kennen gegeven dat hij als raadslid van de
gemeenteraad van Almere H niet verder kon helpen, te meer daar
hij niet de verantwoordelijke wethouder voor huisvestings- en
woningzaken was. Hij heeft H meteen doorverwezen naar een
ander raadslid.

Toen op 11 mei 1993 H hem benaderde om hulp, heeft hij slechts
zijn plicht gedaan en haar uit goedheid snel geholpen. G was
van plan een ambtenaar op het stadhuis te laten controleren of
H wel een juist aantal urgentiepunten was toegekend. Na die
controle zouden er meer, maar evengoed ook minder punten
toegekend kunnen worden.

Het was H die met hem naar bed wilde, in plaats van andersom.
Er is derhalve ook geen sprake van verkrachting. Dit blijkt
ook uit het feit dat G niet vervolgd is en het onderzoek naar
ambtsmisbruik geen resultaten heeft opgeleverd.

Dat H incestslachtoffer is, was G op 11 mei 1993 nog niet
bekend.
De vermeende verkrachting is geensceneerd door politieke
tegenstanders van G. In een vergadering kort daarvoor gehouden
is besloten om G op die wijze politiek ten val te brengen.
Daarbij is meteen de naam van H genoemd als de persoon die
bereid zou zijn het ‘verkrachingsplan’ uit te voeren. Dit
blijkt ook wel uit het feit dat G dit toentertijd aan de
rechter-commissaris meedeelde en reeds enkele dagen nadien is
besloten om G niet te vervolgen. G heeft toen ook de persoon
genoemd die als getuige gehoord kon worden en die zijn lezing
zou kunnen onderschrijven.

Op een uitzondering na, i.c. direct na het besluit tot niet-
vervolging, heeft G op geen enkele wijze de publiciteit
gezocht met deze zaak.

G heeft bestreden dat H enige schade geleden heeft. Dit is ook
niet in overeenstemming met de huidige opstelling van H in het
dagelijkse leven.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. H heeft in de eerste plaats de door haar gestelde
verkrachting ten grondslag gelegd aan de gestelde
onrechtmatige daad. De strafzaak tegen G is wegens het
ontbreken van voldoende aanwijzing van schuld geeindigd. Op
zichzelf behoeft dat niet te verhinderen dat in een civiele
procedure wordt geconcludeerd dat wel bewijs voor verkrachting
bestaat. H heeft met uitzondering van na te noemen medische
verklaringen en na te noemen weergave van een telefoongesprek
met een leeftijdsgenote van G, geen bewijsmateriaal overgelegd
dat nog niet in de strafrechtelijke procedure is beoordeeld.

Naar mijn voorlopig oordeel kan aan dit materiaal het bewijs
van verkrachting niet (voldoende) worden ontleend. Het kan
niet worden bestreden dat bij H vanaf haar vertrek uit de
woning van G, door anderen dan G symptomen zijn waargenomen
die zouden kunnen wijzen op verkrachting (door G). Uit het
schriftelijke relaas van de toenmalige huisarts van H blijkt
dit eveneens. Voor de schriftelijk verklaring van haar latere
huisarts geldt hetzelfde. Deze symptomen zijn – ook gelet op
de (geringe) diepgang waarmee zij zijn beschreven – evenwel
niet slechts in een richting te duiden. Aan de overgelegde
weergave van een telefoongesprek met een leeftijdsgenote van G
vermag ik geen bewijs ten behoeve van de gestelde verkrachting
te ontlenen. Het gerelateerde voorval mist elk kenmerk van
verkrachting. (Ik merk op dat hetzelfde geldt voor een reeds
door de politie opgenomen verklaring van een getuige, waarin
sprake is van een acht jaar voor mei 1993 plaatsgehad hebbend
voorval.) Aan de mogelijkheid dat aan het voorliggende
materiaal in samenhang met nadere verklaring van
getuigen/deskundigen wel voldoende bewijs zal kunnen worden
ontleend, moet ik voorbij gaan. Een kort geding leent zich nu
eenmaal niet voor dergelijk – uitgebreid – onderzoek.

4.2. Naar mijn voorlopig oordeel is – gezien hetgeen is komen
vast te staan omtrent het gedrag en de uitlatingen van G tot
aan het moment waarop tot seksue(e)l(e) (getinte) handelingen
is overgegaan – evenmin voldoende aannemelijk geworden dat G H
door misleiding en/of misbruik van zijn positie, in zijn
woning heeft gelokt.

4.3. Wat betreft het misbruik maken van de afhankelijke
positie van H, geldt naar mijn voorlopig oordeel het volgende.
Toen H G benaderde om hulp bij het zoeken naar passende
woonruimte, was er voor H sprake van een noodsituatie op
huisvestingsgebied. Dat zij op 11 mei 1993 bij toeval G
persoonlijk in een cafe trof, was voor H een bijna uitgelezen
kans om haar zaak bij hem rechtstreeks te kunnen bepleiten.

Voor H was G, – al dan niet de verantwoordelijke wethouder
voor huisvestings- en woningzaken, – iemand die als wethouder
wellicht een snelle(re) oplossing kon bieden voor haar
woonprobleem. Dit gevoel zal zijn versterkt door de
bereidwillige houding die zij bij G aantrof. Er was sprake van
een zekere eenzijdige afhankelijkheidsrelatie, waarbinnen –
naar ook G redelijkerwijze had moeten begrijpen – dusdanig
ongelijke posities bestonden, dat het betaamde – grote –
terughoudendheid te betrachten met niet het doel van de
bemoeienis van G dienend betreden van de persoonlijke
levenssfeer van H. Uit hetgeen door G ter zitting naar voren
is gebracht, blijkt niet dat hij toentertijd ook maar enige
terughoudendheid in acht heeft genomen. Het bijna terstond
aangaan van seksueel contact zou, zelfs indien G daartoe zou
zijn uitgenodigd, dan ook onrechtmatig kunnen worden geacht.

4.4. G heeft aangevoerd dat hij zelf het slachtoffer is van
een complot beraamd door politieke tegenstanders om hem van
zijn wethouderschap te beroven. Na – met instemming van beide
partijen verrichte – bestudering van het strafdossier, kan ik
geen gegevens aanwijzen, welke deze complottheorie
ondersteunen. Op 14 december 1993 is G door de rechter-
commissaris verhoord in het kader van het in deze zaak(in
verband met een zogenaamde spoedhuiszoeking) geopende
gerechtelijk vooronderzoek. Tijdens dit verhoor heeft G zijn
complottheorie naar voren gebracht. Na bericht van de officier
van justitie dat deze G niet verder zou vervolgen, heeft de
rechter-commissaris het niet zinvol geacht verder onderzoek te
verrichten. Mitsdien heeft hij het gerechtelijk vooronderzoek
op 15 december 1993 gesloten. Nadien is G officieel door de
officier van justitie kennis gegeven dat hij niet verder
vervolgd zou worden. Er is geen sprake van (aanwijzingen
waaruit volgt) dat het openbaar ministerie op grond van
aanwijzingen van een complot tegen G, van verdere vervolging
van G heeft afgezien.

4.5. Aan toekenning van een voorschot op de uiteindelijke
schadevergoeding moet ten grondslag liggen een zeer grote mate
van zekerheid over toekenning van schadevergoeding in een
bodemgeschil. Ik meen dat ik niet met voldoende zekerheid
vooruit kan lopen op het van de bodemrechter te verwachten
oordeel. Daargelaten de uiteindelijke beoordeling van het sub
4.3. besproken punt, is in ieder geval vooralsnog niet komen
vast te staan dat er sprake is geweest van verkrachting, zodat
niet tot uitgangspunt kan worden genomen dat H terecht
aangifte van verkrachting heeft gedaan, terwijl het alleszins
aannemelijk is dat hetgeen samenhing met en is voortgevloeid
uit de aangifte terzake verkrachting, in hoge mate heeft
bepaald de situatie waarin H is komen te verkeren. Deze schade
dient echter vooralsnog voor haar rekening te blijven. Hetgeen
als schade ten gevolge van (mogelijk) onrechtmatig handelen
als sub 4.3. bedoeld resteert, kan door mij bij gebreke van
toereikend (bewijs-)materiaal onvoldoende worden ingeschat.

4.6. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen dient de vordering
van H te worden afgewezen. H dient als de in het ongelijk
gestelde partij te worden verwezen in de proceskosten.

Beslissing
De vordering wordt afgewezen.

H wordt veroordeeld in de kosten van dit geding. Deze worden
voor zover tot op heden aan de zijde van G gevallen, begroot
op ƒ 330,= voor verschotten.

Rechters

Mr J.F. de Vries, fungerend president

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 13 januari 1995

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


ISS en C hebben op 17 juli 1991 een arbeidsovereenkomst ondertekend op
grond waarvan C met ingang van 22 juli 1991 voor onbepaalde tijd als
schoonmaakster in dienst van ISS zou treden. In deze overeenkomst was
een proeftijd van twee maanden opgenomen. Vanuit het hoofdkantoor is
opdracht gegeven C te ontslaan omdat het in het bedrijf van ISS niet is
toegestaan personen van 65 jaar en ouder in dienst te nemen. C is op 22
juli 1991 ontslagen. ISS heeft C vervolgens van 22 juli tot 16 augustus
1991 voor zich laten werken via een uitzendbureau. De Hoge Raad is van
mening dat er geen sprake is van leeftijdsdiscriminatie, misbruik van
recht en/of discriminatie wegens geslacht en verwerpt het beroep.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 15 november 1991 ter
griffie van het Kantongerecht te Utrecht ingekomen verzoekschrift heeft
eiseres tot cassatie -verder te noemen: C- zich gewend tot de
Kantonrechter aldaar met het verzoek:

Primair: verweerster in cassatie -verder te noemen: ISS te veroordelen
tot betaling van een zodanige vergoeding voor de geleden materiele en
immateriele schade als de kantonrechter in goede justitie meent te
moeten vaststellen:

Subsidiair: voor recht te verklaren dat ISS zich niet heeft gedragen
als haar goed werkgever had mogen worden verwacht;

meer subsidiair: voor recht te verklaren dat ISS zich niet heeft
gedragen als van haar als goed werkgever had mogen worden verwacht maar
dat in de gegeven situatie ISS niet schadeplichtig is jegens C.

Nadat ISS tegen de vorderingen verweer had gevoerd, heeft de
kantonrechter bij vonnis van 27 mei 1992 de vordering afgewezen. Tegen
dit vonnis heeft C hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank Utrecht. Bij
memorie van grieven heeft C haar primaire vordering gewijzigd en haar
schade begroot op een bedrag van ƒ 214,20. Bij vonnis van 25 augustus
1993 heeft de Rechtbank het vonnis van de kantonrechter vernietigd,
voor recht verklaard dat ISS zich niet heeft gedragen als van haar als
goed werkgever had mogen worden verwacht, en het meer of anders
gevorderde afgewezen. Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest
gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft C beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel
uit. ISS heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is
voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de
Advocaat-Generaal Koopmans strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) ISS,
vertegenwoordigd door haar objectleidster mevrouw G, en C hebben op 17
juli 1991 een arbeidsovereenkomst ondertekend op grond waarvan C met
ingang van 22 juli 1991 voor onbepaalde tijd als schoonmaakster in
dienst van ISS zou treden. In de kop van de op schrift gestelde
arbeidsovereenkomst is de geboortedatum van C vermeld: 23 mei 1926.
Voorts is onder punt 2 opgenomen: “Bij aanvang van het dienstverband
gelden de eerste twee maanden als proeftijd. Gedurende de proeftijd kan
de arbeidsovereenkomst door iedere partij, zonder motivering en
opzegtermijn worden verbroken”. (ii) De objectleidster heeft de
ondertekende arbeidsovereenkomst doorgezonden naar het districtskantoor
van ISS. Daar werd geconstateerd dat C 65 jaar oud was. Vanuit het
hoofdkantoor is vervolgens de opdracht gegeven om C te ontslaan, omdat
het in het bedrijf van ISS niet is toegestaan personen van 65 jaar en
ouder in dienst te nemen.

Op grond van die opdracht heeft de objectleidster C op 22 juli 1991
wegens haar leeftijd ontslagen. (iii) Vervolgens heeft ISS van 22 juli
tot 16 augustus 1991 voor zich laten werken via een uitzendbureau. Op
13 augustus heeft ISS aan C te kennen gegeven dat zij met ingang van 19
augustus 1991 niet meer op het werk behoefde te komen. Per 1 september
1991 heeft C een andere baan gevonden.

3.2 C vordert in dit geding primair schadevergoeding en subsidiair een
verklaring voor recht. Voor zover in cassatie nog van belang, heeft zij
aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat ISS zich jegens haar
heeft schuldig gemaakt aan ongeoorloofde ongelijke behandeling
-discriminatie- wegens geslacht en zich niet heeft gedragen als van een
goed werkgever mag worden verwacht. De Kantonrechter heeft de
vorderingen afgewezen. De Rechtbank heeft het beroep op discriminatie
verworpen, maar aanvaard dat ISS bij het aangaan van de
arbeidsovereenkomst onvoldoende zorgvuldig jegens C heeft gehandeld.
Zij was evenwel van oordeel dat voor schadevergoeding ter zake geen
plaats was, en volstond daarom met het uitspreken van een verklaring
voor recht dat een ISS zich niet heeft gedragen als van haar als goed
werkgever had mogen worden verwacht.

3.3 Onderdeel IV, dat door de Hoge Raad als eerste zal worden
behandeld, strekt ten betoge dat de Rechtbank niet, althans niet
voldoende gemotiveerd, is ingegaan op de stelling van C dat ISS
misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om C in de proeftijd te
ontslaan. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden. Anders dan het
onderdeel veronderstelt, heeft de Rechtbank niet miskend dat uit de
aard van de in het eerste lid van art. 7A:1639n BW aan ieder der
partijen verleende bevoegdheid niet voortvloeit dat zij niet kan worden
misbruikt. De Rechtbank is, integendeel, kennelijk en met juistheid
ervan uitgegaan dat van zodanige misbruik sprake is wanneer moet worden
uitgegaan dat van zodanig misbruik sprake is wanneer moet worden
aangenomen dat de beeindiging berustte op discriminatie.
Dienovereenkomstig heeft zij de desbetreffende stellingen van C
onderzocht. Deze stellingen evenwel onjuist bevindende, heeft zij
terecht niet ook nog onderzocht of de beeindigingsbevoegdheid was
gebezigd voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend. De aard van
de voormelde bevoegdheid sluit een dergelijk onderzoek uit.

3.4 Onderdeel I komt op tegen het oordeel van de Rechtbank dat het
ontslag van C niet in strijd is met een (internationaal)
discriminatieverbod, noch met de openbare orde of goede zeden. Niet
uitgesloten is dat een ongelijke behandeling op grond van leeftijd in
strijd is met art. 1 Grondwet en art. 26 IVBP. Deze bepalingen
verbieden immers niet alleen discriminatie wegens de aldaar genoemde
gronden, zoals bijvoorbeeld ras, geslacht en godsdienst, maar ook
discriminatie op welke grond dan ook. Anders dan het onderdeel betoogt,
heeft de Rechtbank zulks niet miskend. Zij is terecht ervan uitgegaan
dat valt na te gaan of voor het beeindigen van de dienstbetrekking op
de enkele grond dat de werknemer de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt,
een redelijke en objectieve rechtvaardiging kan worden aangewezen. Zij
heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Het onderdeel verlangt
toetsing van dit antwoord door de Hoge Raad.

3.5 In dit verband stelt de Hoge Raad in de eerst plaats voorop dat in
het midden kan blijven of, als deze toetsing in de door het onderdeel
bepleite zin zou uitvallen, het aangeven van de daaraan te verbinden
conclusies – gegeven de betekenis van het bereiken van de 65-jarige
leeftijd in de pensioen-, de arbeids- en de sociale
verzekeringswetgeving – de rechtsvormende taak van de rechter niet te
buiten gaat. Voorts verdient te worden vooropgesteld dat niet kan
worden gezegd dat de regel dat een dienstbetrekking in het algemeen van
rechtswege eindigt bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, niet
langer in overeenstemming is met de rechtsopvatting van brede lagen van
de bevolking. Nochtans vormt zij in het kader van de vraag of het
hanteren van leeftijdsgrenzen in arbeidsverhoudingen in beginsel
geoorloofd is, onderwerp van parlementaire gedachtenwisseling (Zie
Kamerstukken II 1991/92, 22300 XV, nr. 22). Een en ander noopt tot
terughoudendheid.

3.6 Bij deze stand van zaken kan, anders dan het onderdeel betoogt,
niet worden gezegd dat de gangbare argumenten ter rechtvaardiging van
ontslag wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd, welke argumenten
voor een deel ook door de Rechtbank aan haar beslissing ten grondslag
zijn gelegd, reeds thans niet langer kunnen dienen als een redelijke en
objectieve rechtvaardiging van bedoelde ontslaggrond. In de eerste
plaats valt hierbij te denken aan het voordeel van het zonder aanzien
des persoons hanteren van een objectief criterium, te weten de leeftijd
van de werknemer, boven een stelsel waarin van geval tot geval door de
werkgever en de werknemer gedebatteerd zou moeten worden over de vraag
of de werknemer bij het klimmen der jaren nog wel in staat is de hem
opgedragen taak naar behoren te vervullen. In de tweede plaats leidt
het stelsel van ontslag bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd
ertoe dat het vrijkomen van arbeidsplaatsen voor jongere werknemers een
regelmatiger en vlotter verloop heeft dan wanneer dat zou afhangen van
de bereidheid van oudere werknemers om de door hen ingenomen
arbeidsplaatsen prijs te geven. In de derde plaats wordt aan de
bezwaren die ontegenzeggelijk kleven aan onvrijwillig ontslag wegens
het bereiken van de 65-jarige leeftijd, voor een deel tegemoetgekomen
doordat werknemers bij het bereiken van die leeftijd aanspraak kunnen
maken op inkomen waarvoor geen arbeidsprestatie behoeft te worden
geleverd. Een en ander leidt tot de slotsom dat het onderdeel, voor
zover het opkomt tegen het oordeel van de Rechtbank dat het ontslag van
C niet in strijd komt met het verbod van ongelijke behandeling wegens
leeftijd, faalt.

3.7 Ook voor zover onderdeel I nog klaagt dat de Rechtbank heeft
miskent dat de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval ISS
hadden moeten afhouden van haar beslissing C te ontslaan, faalt het. De
daartoe door het onderdeel aangevoerde omstandigheden, erop neerkomend
dat ISS ter rechtvaardiging van het ontslag weliswaar had gesteld dat
veel werknemers in de schoonmaakbranche tussen hun 50ste en 55ste jaar
arbeidsongeschikt raken, maar dat C volledig arbeidsgeschikt was en zij
slechts tien uren per week zou gaan werken, behoefden de Rechtbank, in
het licht van het hiervoor in 3.6 overwogene, niet te weerhouden van
haar oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake was van
discriminatie naar leeftijd.

3.8 Onderdeel II keert zich tegen de verwerping van de stelling van C
dat ISS zich jegens haar heeft schuldig gemaakt aan (indirecte)
discriminatie wegens geslacht. Anders dan het onderdeel aanvoert, heeft
de Rechtbank bij haar onderzoek naar deze stelling de juiste maatstaf
aangelegd, immers onderzocht of aannemelijk is dat door het
leeftijdsontslag op 65-jarige leeftijd naar verhouding meer vrouwen
worden getroffen dan mannen. Haar ontkennende beantwoording van deze
vraag – die op zichzelf door het onderdeel niet wordt bestreden –
draagt haar verwerping van de stelling zelfstandig. Daarnaast heeft de
Rechtbank aandacht besteed aan het betoog van C dat meerbedoeld
leeftijdsontslag vrouwen veel zwaarder treft dan mannen, maar haar
verwerping van dat betoog draagt haar beslissing niet. Voor zover het
onderdeel zich tegen deze verwerping keert, mist het derhalve belang.

3.9 De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie
leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a RO, geen nadere motivering,
nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het
belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt C in de
kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde
van ISS begroot op ƒ 507,20 aan verschotten en ƒ 3.000,- voor salaris.

Rechters

Mrs Martens, Korthals Altes, Neleman, Nieuwenhuis, Swens-Donner