Instantie: Rechtbank Maastricht, 12 januari 1995

Instantie

Rechtbank Maastricht

Samenvatting


Eiseres is gesteriliseerd maar heeft desondanks toch een kind ter wereld
gebracht. Zij vordert schadevergoeding.
De rechtbank meent dat ook genoten levensvreugde dient te worden verrekend.
Voor de berekening van de schade zoekt de rechtbank aansluiting bij de
tabellen door de Werkgroep Alimentatienormen van de Nederlandse Vereniging
voor Rechtspraak opgesteld. Er is hoger beroep ingesteld.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure

Eiseres verder te noemen: H heeft gedaagden gedagvaard voor deze rechtbank en
heeft overeenkomstig die dagvaarding onder overlegging van produkties
geconcludeerd voor eis.

Gedaagden hebben geconcludeerd voor antwoord.

H heeft daarop gerepliceerd, waarna gedaagden hebben gedupliceerd, het een en
ander onder overlegging van produkties.

Beide partijen hebben nog een nadere conclusie genomen, waarbij gedaagden
zich wederom hebben beroepen op produkties.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd ter verkrijging van vonnis,
waarvan de uitspraak nader is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1. Op 6 oktober 1982 heeft gedaagde sub 1, destijds als gynaecoloog
verbonden aan gedaagde sub 2, een sterilisatie ingreep bij H verricht. Deze
ingreep heeft niet tot het beoogde resultaat geleid, waarna H op 16 november
1983 is bevallen van een zoon. Op het moment van de geboorte woonde H reeds
samen met de vader van haar kind, M, met wie ze korte tijd daarna is gehuwd.
In hun gezin bevonden zich toen voorts drie kinderen van respectievelijk 12,
14 en 16 jaar uit een eerder huwelijk van H.

2.2. Tussen partijen is in confesso dat gedaagden aansprakelijk zijn voor de
door H geleden schade als gevolg van het mislukken van de sterilisatie. Het
geschil betreft de aard en de hoogte van de voor vergoeding in aanmerking
komende schade.

2.3. Volgens H bestaat die schade uit:

a. de kosten van verzorging en opvoeding van haar zoon tot zijn achttiende
jaar;
b. de inkomsten die zij heeft gederfd en nog zal derven doordat zij als
gevolg van de geboorte van haar zoon niet in staat was in loondienst
inkomsten uit arbeid te verwerven;
c. de kosten verbonden aan een resterilisatie, die op 27 januari 1984 heeft
plaats gevonden;
d. de kosten samenhangend met de zwangerschap en de geboorte van het kind;
3. de kosten van het aanpassen van haar woning in verband met de
gezinsuitbreiding en een later noodzakelijk geworden verhuizing;
f. immateriële schade;
g. kosten van rechtsbijstand berekend tot aan het moment van dagvaarden;
h. kosten gemaakt ter vaststelling van de omvang van de schade in verband met
een rapport van Actua Consult van 10 oktober 1991.

2.4. Laatstelijk bij brief van 20 september 1991 zijn gedaagden gesommeerd de
door H geleden schade – door haar in totaal becijferd op een bedrag van ƒ 482
248,46- te vergoeden, waarbij tevens met ingang van die datum aanspraak is
gemaakt op de wettelijke rente.

2.5. Aangezien betaling niet werd verkregen vordert H in deze procedure bij
vonnis, uitvoerbaar bij voorraad behoudens de kosten, gedaagden hoofdelijk te
veroordelen om aan haar tegen kwijting te voldoen een bedrag van ƒ 482
248,46, vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 20
september 1991 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van
gedaagden in de kosten van het geding.

2.6. Gedaagden erkennen een inmiddels betaald bedrag van ƒ 20 000
verschuldigd te zijn en hebben de vordering overigens gemotiveerd bestreden.

3. Beoordeling

3.1.1. Als uitgangspunt bij de beoordeling neemt de rechtbank aan dat het
mislukken van de sterilisatie te wijten is geweest aan een door gedaagde sub
1 begane beroepsfout. H heeft immers gesteld dat bij het uitvoeren van de
ingreep de zgn. `hulca-clip’ door gedaagde sub 1 niet juist op de eileider
was geplaatst, hetgeen door gedaagden slechts gemotiveerd en in algemene
termen is weersproken, zodat hieraan voorbij moet worden gegaan.

3.1.2. Voorts dient als vaststaand te worden aangenomen dat H besloten heeft
tot sterilisatie omdat zij haar gezin compleet oordeelde, omdat zij ervan
verzekerd wilde zijn niet meer zwanger te worden en omdat zij om financiële
redenen weer arbeid in loondienst wilde verrichten.

3.1.3. In het navolgende zal de rechtbank de verschillende onderdelen van de
vordering in de hiervoor aangegeven volgorde bespreken.

3.1.4. Gelet op het bepaalde in art. 69 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk
Wetboek zal de rechtbank in deze zaak, waar dat nodig is, het voor 1 januari
1992 geldende recht toepassen.

3.2.1. Allereerst zal derhalve de vraag beantwoord dienen te worden of en in
hoeverre de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon van H als schade
kunnen worden aangemerkt.

3.2.2. In dat verband is door gedaagden om te beginnen aangevoerd dat een
vordering als deze zich niet zou verdragen met het stelsel van de wet, dat
een gesloten systeem van alimentatieverplichtingen kent. Terecht heeft H
echter opgemerkt, dat van een vordering tot het verstrekken van
levensonderhoud geen sprake is, doch slechts vergoeding van door haar geleden
schade wordt gevorderd. Ook aan het bepaalde in art. 1406 (oud) BW kan geen
argument worden ontleend, nu het daar een uitbreiding van de
aansprakelijkheid jegens derden betreft, terwijl het in dit geval gaat om een
verplichting tot schadevergoeding jegens de betrokkene zelf.

3.2.3. Voorts hebben gedaagden betoogd, dat `ouderschap’ en `het (ongewenst?)
leven zelf’ geen schadepost vormt. Aldus bezien hebben gedaagden het gelijk
aan hun zijde, doch in deze voorstelling van zaken wordt eraan voorbij gegaan
dat de vordering ook niet op het ouderschap of het leven zelf is gebaseerd,
doch slechts strekt ter vergoeding van kosten die moeten worden gemaakt als
gevolg van de aan gedaagden toe te rekenen beroepsfout. Op zich genomen staat
aan de toekenning van een dergelijke vergoeding niets in de weg, waarbij de
rechtbank in aanmerking heeft genomen dat H om andere dan medische redenen
tot sterilisatie heeft besloten.

3.2.4. Evenmin kan worden gezegd dat de gedane uitgaven niet meer als door de
beroepsfout veroorzaakt kunnen gelden. De door H gewenste ingreep beoogde
immers juist te voorkomen dat zij zwanger zou worden, zodat in beginsel de
gevolgen van een ongewenste, door een beroepsfout mogelijk geworden
zwangerschap aan gedaagden – afgezien van hieronder te bespreken beperkingen
– kunnen worden toegerekend.

3.2.5. Niettemin kan aan gedaagden worden toegegeven dat – ook los van zijn
ethische dimensies – het zonder meer toekennen van een vordering als de
onderhavige niet tot gevolg heeft dat, anders dan een schadevergoeding
beoogt, H in een situatie zal worden gebracht die gelijk is aan die waarin
zij zou hebben verkeerd, indien de sterilisatie op correcte en succesvolle
wijze zou zijn uitgevoerd. De door haar gemaakte extra uitgaven zouden dan
wel zijn vergoed, maar het feit dat zij daarmee haar kind zou hebben verzorgd
en opgevoed zou dan niet zijn verdisconteerd.

3.2.5. De vraag kan worden opgeworpen of een dergelijke verdiscontering wel
zou moeten plaats vinden, nu tegenover de vemogensschade voor het overgrote
deel slechts een niet direct in geld uit te drukken voordeel staat, even
daargelaten de – door H volledig verrekende – kinderbijslag, de verplichting
van het kind jegens de ouder op grond van art. 1:392, eerste lid, onder b BW
en de eventuele erfrechtelijke gevolgen. Naar het oordeel van de rechtbank
kan er echter geen bezwaar tegen bestaan gederfde en genoten levensvreugde op
dezelfde wijze te behandelen en ligt dit ook in de lijn van de door H met
haar vordering ingeslagen weg.

3.2.6. Daarmee is nog niet gezegd op welke wijze in een bijzonder geval deze
verrekening zou moeten plaats vinden, alleen al omdat het te ver zou gaan
zonder meer aan te nemen dat er inderdaad sprake is van genoten levensvreugde
die voor verrekening met de geleden schade in aanmerking komt. Anderzijds
lijkt op dit punt een debat tussen partijen en aansluitende bewijslevering,
zo deze al mogelijk is, minder aangewezen, terwijl bovendien het te
verrekenen, in een individueel geval genoten voordeel zich slecht leent voor
kwalificatie.

3.2.7. De verrekening zal derhalve – overeenkomstig de aan art. 6:97, tweede
zin, BW ten grondslag liggende gedachte – plaats moet vinden aan de hand van
een forfaitaire en normatieve schatting, die enerzijds uitgaat van het
bestaan van het hier bedoelde voordeel en anderzijds dit voordeel vaststelt
op een vast, voor alle gevallen, geldend bedrag.

3.2.8. Daarbij kiest de rechtbank voor een benadering, waarbij slechts de in
het algemeen noodzakelijke kosten verboden aan de verzorging en opvoeding van
een kind als schade kunnen gelden, terwijl al hetgeen overigens aan het kind
feitelijk is uitgegeven of moet worden uitgegeven buiten beschouwing blijft.
Met andere woorden, datgene wat – in casu – H op grond van haar ouderschap
nodig oordeelt en de noodzakelijke bestaanskosten te boven gaat kan niet voor
rekening van gedaagden worden gebracht, omdat deze kosten geacht worden weg
te vallen tegen de ermee verkregen levensvreugde.

3.2.9. Voor de bepaling van het toe te kennen bedrag zal derhalve moeten
worden gezocht naar het bedrag dat correspondeert met de minimale behoefte
van een kind. Daarvoor zijn door de Werkgroep Alimentatienormen van de
Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak inmiddels tabellen ontwikkeld, die
hun grondslag vinden in de publikaties van het NIBUD, welke publikaties ook
door partijen als uitgangspunt voor de schadeberekening worden genomen.

3.2.10. De door de rechtbank bedoelde tabel is gepubliceerd in Trema 1994, p.
132. De tabel is geheel gebaseerd op het uit statistisch onderzoek verkregen
inzicht, dat het bedrag dat in Nederland door ouders aan hun kinderen wordt
besteed zo constant is, dat dit kan worden uitgedrukt in een percentage van
het netto inkomen, vermeerderd met de netto kinderbijslag. Voor gezinnen met
een, twee en drie kinderen dienen deze percentages te worden gesteld op
respectievelijk 17, 25 en 32%. Terzijde merkt de rechtbank op dat deze
percentages ook worden gehanteerd in een thans bij de Tweede Kamer aanhangig
wetsvoorstel (nr. 23683) dat een forfaitaire vaststelling van
kinderalimentatie mogelijk moet maken.

3.2.11. Omdat er in de door de rechtbank gekozen benadering van
schaalvoordelen nauwelijks sprake zal zijn dient steeds te worden uitgegaan
van de situatie, waarin slechts één kind in het gezin wordt grootgebracht.
Voorts moet worden gezocht naar het minimale inkomen, waarvan moet worden
aangenomen dat dit toereikend is om in de behoefte van een kind te voorzien.
Dit bedrag kan worden gevonden in de op de Algemene Bijstandswet gebaseerde
norm voor een één-ouder-gezin (inclusief vakantietoeslag), vermeerderd met de
in die situatie te ontvangen kinderbijslag. Indien er sprake is van
bijzondere – zich in dit geval niet voordoende – kosten, die niet bij het
hiervoor genoemde statistische onderzoek zijn betrokken, zou hiervoor een
afzonderlijke vergoeding moeten worden berekend.

3.2.12. Het aldus verkregen bedrag (voor november 1994 zou dit voor een kind
jonger dan 6 jaar neerkomen op 17% van ƒ 1686 + ƒ 100,67 = ƒ 303,73) moet
vervolgens verminderd worden met het feitelijk verkregen voordeel in de vorm
van kinderbijslag, welk bedrag afhankelijk is van de feitelijke samenstelling
van het gezin.

3.2.13. Alvorens de desbetreffende berekening te maken dient eerst nog
nagegaan te worden tot welk moment de aldus voor rekening van gedaagden te
brengen kosten door hen moeten worden betaald. Gedaagden hebben aangevoerd
dat op een gegeven moment gesproken moet worden van een `causa remota’, zodat
de schade niet meer als veroorzaakt door de beroepsfout kan gelden. Volgens
gedaagden is hun gehoudenheid tot schadevergoeding in ieder geval beperkt tot
de kleuterleeftijd.

3.2.14. De rechtbank kan gedaagden hierin niet volgen. De schade zal dienen
te worden vergoed zolang deze wordt geleden, ook indien dit op een tijdstip
is dat geruime tijd is gelegen na het moment waarop de schade-veroorzakende
handeling is verricht. Van een verplichting tot schadevergoeding is derhalve
sprake zolang het kind voor rekening van de moeder komt en de moeder ook
daadwerkelijk gehouden is in het levensonderhoud van het kind te voorzien.

3.2.15. Het een en ander tezamen genomen betekent dat om een complex van
redenen vooraf niet kan worden aangegeven op welk bedrag de schade moet
worden gesteld. Niet alleen zijn het forfaitaire toe te kennen bedrag en de
daarop in mindering te brengen kinderbijslag afhankelijk van de actuele
tarieven en de actuele situatie, maar ook kan de
schadevergoedingsverplichting komen te vervallen bijvoorbeeld indien het kind
voordat het de 18-jarige leeftijd heeft bereikt in het eigen levensonderhoud
gaat voorzien.

3.2.16. Teneinde dit probleem te ondervangen zal de rechtbank – in
aansluiting op de in zoverre onbestreden berekeningen van partijen – voor de
toekomst uitgaan van de eind 1994 geldende tarieven en voor de jaren vanaf
1995 een voorwaardelijke veroordeling uitspreken, namelijk telkens voor het
geval dat zal zijn gebleken dat de schadevergoedingsverplichting niet is
komen te vervallen. Bij de bepaling van de extra ontvangen kinderbijslag tot
en met 1988 gaat de rechtbank uit van de door H opgegeven bedragen (rapport
Actua Consult pag. 91507-35), nu gedaagden in hun bij nadere
antwoord-conclusie overgelegde berekening uit blijken te gaan van een andere
leeftijd van de overige kinderen dan tussen partijen vaststaat. De – geringe-
toeslagen op de kinderbijslag worden terwille van de hanteerbaarheid door de
rechtbank buiten beschouwing gelaten. Voor de verschillende jaren komt de
rechtbank dan tot de volgende opstelling:

Periode T/m ABW-norm KB 1 kind Extra KB Mnd ƒ
31/12/83 1368,39 67,74 — 1,5 366,21
31/12/84 1370,61 67,74 1919,26 12 1014,97
31/12/85 1394,73 68,22 1656,80 12 1327,62
30/06/86 1416,17 68,34 — 6
31/12/86 1416,17 68,29 1612,02 6 1416,33
30/06/87 1419,43 67,56 — 6
31/12/87 1412,37 66,72 1589,96 6 1425,44
30/06/88 1423,53 70,88 — 6
31/12/88 1423,53 70,64 1227,74 6 1820,61
30/06/89 1466,11 71,50 — 6
31/12/89 1466,11 72,36 863,16 6 2274,44
31/03/90 1511,65 111,44 — 3
30/06/90 1513,46 111,44 — 3
31/12/90 1533,65 112,64 1344,48 6 1991,22
30/06/91 1560,55 119,97 — 6
31/12/91 1580,40 120,77 1444,46 6 2004,86
30/06/92 1627,41 127,94 — 6
31/12/92 1644,54 129,23 1543 6 2056,71
31/12/93 1672,23 133,07 1596,80 12 2986,01
30/06/94 1682,34 133,07 — 6
31/12/94 1685,93 133,07 1596,80 6 2110,32
31/12/95 1685,95 172,99 2075,84 12 1716,40þþF.norm¯

Daarbij werden de – uiteindelijke verschuldigde – bedragen in de laatste
kolom telkens verkregen door
– de bedragen in de tweede en derde kolom bij elkaar op te tellen;
– het verkregen bedrag te vermenigvuldigen met 0.17;
– het resultaat te vermenigvuldigen met het getal in de vijfde kolom;
– en tenslotte het voor een jaar verkregen totaal te verminderen met het op
dat jaar betrekking hebbende bedrag in de vierde kolom.

Het toe te wijzen bedrag voor 1995 is, zoals hiervoor al is opgemerkt,
verkregen door uit te gaan van de cijfers en tarieven voor 1994, uiteraard
rekening houdende met het feit dat in dat jaar de zoon van H met ingang van
de eerste peildatum voor de AKW 12 jaar zal zijn.

3.2.17. Partijen zijn het erover eens dat bij het berekenen van een
toekomstige schade rekening moet worden gehouden met een inflatiecorrectie,
zij het dat H uitgaat van een inflatie van 3%, terwijl gedaagden
daartegenover stellen dat de te verwachten inflatie laag is. Nu de inflatie
over de jaren 1984 tot en met 1993 in totaal 16% bedroeg zal de rechtbank
uitgaan van een correctie van 1,7%. De toe te kennen bedragen zullen worden
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 september 1991, dan wel – indien
dit later is – vanaf de datum dat deze verschuldigd waren of worden, telkens
te stellen op de laatste dag van het desbetreffende jaar.

3.3. Tevens vordert H vergoeding van schade die zij heeft geleden doordat zij
ten gevolge van de geboorte van haar zoon geen inkomen heeft kunnen
verwerven.

3.3.1. Zij stelt in dit verband dat zij per 1 juli 1983 in volledige
dienstbetrekking had kunnen gaan werken als eerste kapster bij Coiffures
Avanti te Haelen, waarvan zij heeft afgezien omdat zij kort daarvoor merkte
dat zij zwanger was. Daarbij stelt H de bewuste keuze te hebben gemaakt zelf
haar kind te willen – zo begrijpt de rechtbank- verzorgen en opvoeden, zodat
zij niet beschikbaar was voor het verrichten van arbeid in loondienst.

3.3.2. Haar schade stelt zij op het bedrag dat zij vanaf genoemde datum
volgens de betrokken CAO in loondienst had kunnen verdienen voor het geval
zij haar betrekking zou hebben behouden, onder verrekening van de fiscale
consequenties die zij en haar echtgenoot in dat geval zouden hebben
ondervonden. In 1989 is H ten gevolge van een hartaanval volledig
arbeidsongeschikt geworden, zodat zij met ingang van 1990 het gederfde
inkomen stelt op de WAO-uitkering die zij zou hebben genoten indien zij op
dat moment krachtens die wet uit hoofde van haar dienstbetrekking verzekerd
zou zijn geweest. H berekent haar schade tot het jaar 2001, in welk jaar zij
de 65-jarige leeftijd zal bereiken.

3.3.3. Gedaagden stellen in de eerste plaats dat niet aannemelijk is dat H
inderdaad reeds een betrekking had gevonden. Daarbij baseren zij zich op het
feit dat in de brief van Coiffures Avanti, die door H ter ondersteuning van
haar stellingen is overgelegd, wordt medegedeeld dat de betrokkene zich
`summier’ kan herinneren een sollicitatiegesprek met H te hebben gevoerd. Nu
in deze brief echter overigens hetgeen door H aan haar berekening ten
grondslag is gelegd onomwonden en zonder voorbehoud wordt bevestigd, zal de
rechtbank hieraan voorbij gaan.

3.3.4. Voorts hebben gedaagden erop gewezen dat de vader van het kind, M,
reeds in 1982 arbeidsongeschikt was geworden en nadien is gebleken, zodat hij
beschikbaar was voor de opvang van het kind. H heeft hier tegenover gesteld
dat M door reumatische aandoeningen niet geschikt was om voor het kind te
zorgen, terwijl zij bovendien zichzelf ziet als opvoedster van de kinderen en
niet voelde voor een `rolwisseling’.

3.3.5. Indien komt vast te staan dat M wel in staat was om, gedurende de tijd
dat H had kunnen werken in loondienst, de verzorging van het kind op zich te
nemen, is het verweer gegrond. De schade kan dan immers niet meer gelden als
gevolg van de beroepsfout van gedaagde sub 1, maar is dan een gevolg van de
niet door de omstandigheden opgedrongen vrijwillige beslissing van H, die
daarvan dan ook zelf de gevolgen zal dienen te dragen.

3.3.6. De bewijslast rust op H, die zal dienen te bewijzen dat M lichamelijk
niet in staat was de opvang van het kind gedurende de tijd dat zij zelf zou
hebben gewerkt, voor zijn rekening te nemen.

3.3.7. Indien H in dit bewijs slaagt, zullen de overige verweren van
gedaagden aan de orde dienen te komen, welke verweren reeds thans door de
rechtbank voor dat geval zullen worden besproken.

3.3.8. Het door partijen gevoerde debat omtrent de kans dat H, als
herintredende vrouw van middelbare leeftijd, tot haar 65-ste levensjaar
werkzaam zou zijn gebleven kan onbesproken blijven. Vanaf 1990 is haar
vordering immers gebaseerd op het derven van een WAO-uitkering, terwijl op
zich door gedaagden niet is bestreden, dat H tenminste gedurende 6 1/2 jaren
werkzaam zou zijn geweest.

3.3.9. Het tegen dat laatste onderdeel van de vordering gevoerde verweer kan
evenmin slagen. Gedaagden hebben immers slechts aangevoerd dat met betrekking
tot de hartinfarct van H het causale verband verbreekt. Zij zien daarbij
echter over het hoofd, dat de hartinfarct juist de schade vermindert die
anders zou zijn geleden en op zich geen afbreuk doet aan de redelijkheid van
de toerekening van gederfde inkomsten als gevolg van de onderhavige
beroepsfout.

3.3.10. Een door partijen tevens aan de orde gestelde vraag is of de
toerekening van de schade in de vorm van gederfde inkomsten ook na het
verstrijken van een bepaalde periode nog redelijk te achten is. De rechtbank
deelt de bezwaren van gedaagden in zoverre, dat zij van oordeel is dat in
redelijkheid geen toerekening meer kan plaats vinden nadat H de leeftijd van
60 jaar zal hebben bereikt.

3.3.11. Mocht H in het haar opgedragen bewijs slagen, dan zal haar vordering
ten hoogste voor de genoemde periode kunnen worden toegewezen, waarbij vanaf
1990 zal moeten worden uitgegaan van de gederfde WAO-uitkering. Daarbij zal
de rechtbank alsdan de door H overgelegde berekeningen – voor zover deze
gebaseerd zijn op wettelijke regelingen en derhalve ambtshalve door de
rechtbank moeten worden getoetst- aan een andere beoordeling onderwerpen en
zal tevens het beroep van gedaagden op matiging van het toe te wijzen bedrag
aan de orde komen.

3.4. De kosten van resterilisatie en zwangerschap als bedoeld onder c) en d)
zijn door H gesteld op een gespecificeerd bedrag van ƒ 8429,30 en worden als
verschuldigd erkend door gedaagden. Dit bedrag ligt dus voor toewijzing
gereed.

3.5. De kosten van het aanpassen van de woning en de verhuizing onder e) zijn
door H gesteld op een bedrag van ƒ 27 660,91, waarvan ƒ 7210,91 – gestaafd
door een factuur – betrekking heeft op het aanbrengen van een dakkapel ƒ 350
op een systeemplafond, ƒ 100 op electrische voorzieningen en ƒ 20 000 op de
geschatte kosten van verhuizing en stoffering, ter onderbouwing waarvan 3
nota’s tot een totaal bedrag van ƒ 4302 zijn overgelegd. Gedaagden – zo
begrijpt de rechtbank- voeren geen verweer tegen de kosten van de dakkapel,
maar bestrijden de door de geboorte van het kind veroorzaakte noodzaak van
een verhuizing. Nadat H deze noodzaak bij conclusie van repliek uitvoerig had
toegelicht zijn gedaagden hierop bij conclusie van dupliek niet meer
ingegaan, terwijl deze kosten niet meer door partijen zijn besproken in de
nadere conclusies. Het verweer van gedaagden zal dan ook als onvoldoende
onderbouwd worden verworpen, zodat ook het onder e) gevorderde volledig kan
worden toegewezen.

3.6. H heeft voorts onder f) een bedrag van ƒ 5000 gevorderd als vergoeding
van door haar geleden immateriële schade, naar de rechtbank begrijpt in
verband met het feit dat zij een tweede sterilisatie heeft moeten ondergaan.
Een gemotiveerd verweer op dit punt heeft de rechtbank in de stellingen van
gedaagden niet kunnen aantreffen, zodat het gevorderde bedrag dient te worden
toegewezen.

3.7. Omtrent het onder g) en h) gevorderde kan eerst een beslissing worden
genomen, indien vast staat in hoeverre de vordering overigens toewijsbaar is.
De rechtbank houdt de beslissing hieromtrent derhalve aan.

3.8. In aanvulling op het nu reeds toe te wijzen bedrag zal de rechtbank
verstaan, dat in mindering hierop reeds een bedrag van ƒ 20 000 is voldaan en
dat partijen, met inachtneming van de datum waarop betaling heeft plaats
gevonden, tot verrekening hiervan zullen overgaan.

3.9. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

4. Uitspraak

De rechtbank:

Veroordeelt gedaagden om aan H tegen behoorlijk bewijs van kwijting te
voldoen, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd:

– een bedrag van ƒ 11 636,84 in verband met de kosten van verzorging en
opvoeding van de zoon van H tot en met 1990, vermeerderd met de wettelijke
rente over de hoofdsom vanaf 20 september 1991;

– een bedrag van ƒ 2004,86 in verband met de kosten van verzorging en
opvoeding van de zoon van H in 1991, vermeerderd met de wettelijke rente over
de hoofdsom vanaf 31 december 1991;

– een bedrag van ƒ 2056,71 in verband met de kosten van verzorging en
opvoeding van de zoon van H in 1992, vermeerderd met de wettelijke rente over
de hoofdsom vanaf 31 december 1992;

– een bedrag van ƒ 2086,01 in verband met de kosten van verzorging en
opvoeding van de zoon van H in 1992, vermeerderd met de wettelijke rente over
de hoofdsom vanaf 31 december 1993;

– een bedrag van ƒ 2110,32 in verband met de kosten van verzorging en
opvoeding van de zoon van H in 1992, vermeerderd met de wettelijke rente over
de hoofdsom vanaf 31 december 1994;

– telkens een bedrag van ƒ 1716,40, uiterlijk te betalen op de laatste dag
van de jaren 1995, 1996, 1997, 1998, 1999, 2000 en 2001, telkens te
vermeerderen met een factor 1,017 verheven tot de macht die wordt berekend
door van het desbetreffende jaar het getal 1994 af te trekken, alsmede
vermeerderd met de wettelijke rente over de respectieve hoofdsommen bij
gebreke van tijdige betaling, het een en ander voor zover komt vast te staan
dat de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon van H in het
desbetreffende jaar voor haar rekening zijn gekomen en deze daarop jegens
haar rechtens aanspraak kon maken;

– een bedrag van ƒ 8429,30 in verband met de kosten van resterilisatie en
zwangerschap, vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 20
september 1991 tot aan de dag der algehele voldoening;

– een bedrag van ƒ 27 660,91 in verband met de kosten van het aanpassen van
de woning en verhuizing, vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom
vanaf 20 september 1991 tot aan de dag der algehele voldoening;

– een bedrag van ƒ 5000 als vergoeding van de geleden immateriële schade,
vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 20 september 1991
tot aan de dag der algehele voldoening.

Verstaat dat op vorenstaande bedragen reeds in mindering is voldaan een
bedrag van ƒ 20 000 welk bedrag door partijen met inachtneming van de datum
van betaling met de hiervoor uitgesproken veroordeling zal worden verrekend.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Laat H toe te bewijzen door alle middelen rechtens, allereerst door getuigen,
feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat M lichamelijk niet
in staat was de opvang van het kind, gedurende de tijd dat zij zelf zou
hebben gewerkt, voor zijn rekening te nemen.

Beveelt dat dit getuigenverhoor zal worden gehouden voor een
rechter-commissaris, waartoe te dezen wordt benoemd Mr. Fernhout, op een door
hem te houden terechtzitting in een der zalen van het Paleis van Justitie aan
het St. Annadal nr. 1 te Maastricht.

Beveelt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op een door de
rechter-commissaris te bepalen dag en uur.

Verwijst de zaak naar de rol van 2 februari 1995 voor akte houdende opgave
getuigen aan de zijde van H.

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Rechters

Mrs. Eliëns, vice-president, Fernhout en Elzinga

Instantie: Rechtbank Rotterdam, 12 januari 1995

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


Partijen zijn 23 jaar getrouwd en hebben een minderjarig kind van negen
jaar oud. De man stelt dat de vrouw voldoende inkomen uit arbeid heeft om
in eigen levensonderhoud te voorzien. De rechtbank stelt ten aanzien van
de behoefte van de vrouw: de vrouw heeft inkomen dat varieert van 1600 tot
2000 netto per maand. Zij woont nog in de echtelijke woning, waarvan de
man de lasten betaalt. Weliswaar is dat netto- inkomen niet zo laag dat
de vrouw niet in staat zou moeten worden geacht een groot deel van haar
lasten daardoor te kunnen betalen, doch het ligt gemiddeld op het
bijstandsniveau van een een-oudergezin waardoor haar behoefte aan een
bijdrage door de man vaststaat. De rechtbank neemt voorts in aanmerking
dat partijen een zekere welstand gewend zijn geweest, welke factor ook van
belang is bij het behoeftecriterium. Alimentatie wordt ƒ 1.400,=.

Volledige tekst

De feiten

De vrouw en de man hebben de Nederlandse nationaliteit.

Op 7 juli 1994 is ter griffie ingekomen een verzoekschrift van de vrouw,
waarin zij, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verzoekt: -de
echtscheiding subsidiair de scheiding van tafel en bed uit te spreken op
grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk; -aan haar, ten laste van
de man, een uitkering tot levensonderhoud ad ƒ 3.000,= per maand toe te
kennen; -voorzieningen te treffen met betrekking tot de boedelscheiding,
nu zij met de man in gemeenschap van goederen is gehuwd en -voorzieningen
te treffen betreffende het gezag over, de omgang met en een bijdrage in
de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind.

Op 22 september 1994 is ter griffie ingekomen een verweerschrift van de
man, strekkende tot afwijzing van de nevenverzoeken van de vrouw met
betrekking tot de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van
de minderjarige en de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van
de vrouw en toewijzing van het overige.

Op 21 november 1994 is ter griffie ingekomen een brief met bijlagen van
mr. E.G. Karel, advocaat van de man.

Op 5 december 1994 is ter griffie ingekomen een brief met bijlagen van mr.
F.G.L. van Ardenne, advocaat van de vrouw.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 22
december 1994. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

De inhoud van de gemelde bescheiden wordt als hier ingevoegd beschouwd.

De rechtsoverwegingen:

Nu zowel de vrouw als de man de Nederlandse nationaliteit bezit, komt aan
de Nederlandse rechter krachtens artikel 184, lid 1 aanhef en sub a van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsmacht toe in is in casu
deze rechtbank bevoegd.

Krachtens het bepaalde in artikel 1, lid 1, aanhef en sub a van de Wet van
25 maart 1981, Staatsblad 1981 no. 166, is, nu zowel de vrouw als de man
de Nederlandse nationaliteit bezit, Nederlands recht van toepassing op de
echtscheiding.

De vrouw heeft aan haar verzoek tot echtscheiding ten grondslag gelegd dat
het huwelijk van de man en de vrouw duurzaam is ontwricht, hetgeen door
de man is erkend.

Op de nevenverzoeken van de vrouw is eveneens Nederlands recht van
toepassing.

Het door de vrouw verzochte met betrekking tot de boedelscheiding en de
gezagsvoorziening is, als niet door de man weersproken en op de wet
gegrond, voor toewijzing vatbaar.

Met betrekking tot de omgangsregeling overweegt de rechtbank dat dit
nevenverzoek, als niet weersproken door de vrouw, geen verdere bespreking
en beslissing meer behoeft, aangezien partijen dit in onderling overleg
zullen regelen.

Ten aanzien van het verzoek van de vrouw tot levensonderhoud en een
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige
kind overweegt de rechtbank:

De vrouw heeft aan haar verzoek tot levensonderhoud ten grondslag gelegd
dat zij onvoldoende inkomsten heeft om in haar eigen levensonderhoud te
kunnen voorzien, dat de man een inkomen geniet van ƒ 4.000,= netto per
maand en derhalve in staat moet worden geacht bij te dragen in de kosten
van haar levensonderhoud en in de kosten van verzorging en opvoeding van
de minderjarige.

De man heeft aangevoerd: -primair dat de vrouw in haar eigen
levensonderhoud kan voorzien omdat zij voldoende inkomsten geniet uit
eigen arbeid; daarnaast onderhoudt de vrouw een relatie met een andere
man, die eveneens eigen inkomsten heeft; -subsidiair dat hij niet in staat
is enige bijdrage te leveren in het onderhoud van de vrouw en in de kosten
van verzorging en opvoeding van de minderjarige.

Ten aanzien van de behoefte van de vrouw:

De vrouw heeft als oproep-bejaardenhulp een inkomen dat varieert van ƒ
1.635,= tot ƒ 2.080,= netto per maand (excl. vakantiegeld). De vrouw woont
nog in de echtelijke woning, waarvan de man de lasten betaalt.

Weliswaar is dat netto-inkomen niet zo laag dat de vrouw niet in staat zou
moeten worden geacht een groot deel van haar lasten daardoor te kunnen
betalen, doch het ligt gemiddeld op het bijstandsniveau van een
een-oudergezin waardoor haar behoefte aan een bijdrage door de man
vaststaat. De rechtbank neemt voorts in aanmerking, dat partijen een
zekere welstand gewend zijn geweest, welke factor ook van belang is bij
het behoefte-criterium. Indien te zijner tijd de echtelijke woning is
verkocht, kan dat aanleiding zijn opnieuw de behoefte en draagkracht van
partijen aan de orde te stellen in het kader van de eventuele wijziging
van de onderhoudsbijdragen.

Ten aanzien van de financiele draagkracht van de man:

De rechtbank heeft bij het vaststellen van de financiele draagkracht van
de man rekening gehouden met de volgende gegevens (de bedragen op hele
guldens afgerond), waarbij zij is uitgegaan van de norm voor een
alleenstaande volgens de Algemene Bijstandswet:

-een bruto jaarinkomen van ƒ 79.736,=; -hypotheekrente ƒ 11.304,= per jaar
(12 x 942,=); -eigen woonlasten ƒ 250,= per maand; -premie
ziektekostenverzekering ƒ 96,= per maand en -rente en aflossing van een
schuld bij ad ƒ 238,= per maand.

De rechtbank gaat er tevens van uit dat de man, zoals hij heeft toegezegd,
het schoolgeld en de leermiddelen voor A blijft betalen ad ƒ 215,= per
maand.

De rechtbank houdt geen rekening met de door de man opgevoerde
*reiskosten, nu de door de man te ontvangen reiskostenvergoeding
kostendekkend geacht moet worden; *rente en aflossing van schuld bij
, aangegaan voor de aankoop van obligaties, aangezien dit vermogensvorming
betreft en *lijfrente, aangezien dit eveneens vermogensvorming betreft.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van de minderjarige ad ƒ 250,= per maand en een
hierna te bepalen bijdrage tot levensonderhoud van de vrouw redelijk en
billijk.

Beschikkende op het door de vrouw verzochte:

Spreekt de echtscheiding uit.

Kent ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud
toe van ƒ 1.400,= per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst
op de dag, dat deze beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van
de burgerlijke stand.

Bepaalt dat de man met de vrouw overgaat tot verdeling van de
gemeenschappelijke goederen.

Benoemt, indien de man en de vrouw binnen acht dagen na de inschrijving
van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand zich niet over
de keuze van een notaris zullen hebben verstaan, tot notaris ten overstaan
van wie de werkzaamheden van de verdeling zullen geschieden: M.A. Korbijn,
notaris ter standplaats of diens waarnemer of opvolger.

Bepaalt dat de man en de vrouw voor de gekozen of benoemde notaris te dien
einde moeten verschijnen op door deze te bepalen tijd en plaats.

Benoemt tot onzijdige persoon om de man, indien hij mocht weigeren voor
de notaris te verschijnen, of verschenen zijnde, mocht weigeren tot de
verdeling mede te werken, te vertegenwoordigen en hetgeen hij mocht
ontvangen te beheren: mr. C.G. van Delft, .

Benoemt tot onzijdig persoon om de vrouw, indien zij mocht weigeren voor
de notaris te verschijnen, of verschenen zijnde, mocht weigeren tot de
verdeling mede te werken, te vertegenwoordigen en hetgeen zij mocht
ontvangen te beheren: mr. R. A. Felix.

Benoemt de vrouw tot voogdes en de man tot toeziend voogd over voornoemde
minderjarigen.

Beveelt -voorzoveel nodig- de afgifte van voornoemde minderjarige aan de
vrouw.

Bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de
voogdij een aanvang neemt, als bijdrage in de kosten van verzorging en
opvoeding van de minderjarige telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren ƒ
250,= per maand, vermeerderd met het bedrag van iedere uitkering die hem
op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van deze
minderjarige kan of zal worden verleend.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de
beslissing op de nevenverzoeken tot het levensonderhoud, de
gezagsvoorziening en de kinderalimentatie.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Compenseert de proceskosten aldus dat iedere echtgenoot de eigen kosten
draagt.

Rechters

mr. De Roos

Instantie: Rechtbank Rotterdam, 11 januari 1995

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


Partijen zijn 24 jaar getrouwd geweest en hebben een minderjarig kind van
1 jaar. Volgens de man kan de vrouw door uitbreiding van haar
werkzaamheden in eigen levensonderhoud voorzien. De rechtbank stelt dat
niet is gebleken dat de vrouw in staat is zich thans een hoger inkomen te
verwerven en dat zij behoefte heeft omdat zij alle lasten verbonden aan
de echtelijke woning moet betalen (ongeveer 1050,= per maand). Alimentatie
wordt ƒ 900,=.

Volledige tekst

De feiten

De vrouw en de man zijn op met elkander gehuwd, uit welk huwelijk het
navolgende thans nog minderjarige kind is geboren: geboren op te
.

De vrouw en de man hebben de Nederlandse nationaliteit.

Op 3 augustus 1994 is ter griffie ingekomen een verzoekschrift van de
vrouw, waarin zij verzoek: -de echtscheiding uit te spreken op grond van
duurzame ontwrichting van het huwelijk; -aan haar, ten laste van de man,
een uitkering tot levensonderhoud ad ƒ 1100,= per maand toe te kennen;
-voorzieningen te treffen met betrekking tot de boedelscheiding, nu zij
met de man in gemeenschap van goederen is gehuwd; -voorzieningen te
treffen betreffende het gezag over en een bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van het minderjarige kind; -te bepalen dat zij het
gebruik van de woning aan de mag voortzetten.

Op 25 oktober 1994 is ter griffie ingekomen een verweerschrift van de man,
inhoudende de mededeling dat hij zich niet verzet tegen het door de vrouw
verzochte, met uitzondering van het nevenverzoek inzake levensonderhoud.

Op 6 december 1994, 12 december 1994 en 23 december 1994 zijn ter griffie
ingekomen brieven met bijlagen van mr J.R. Zeelenberg, raadsman van de
man.

Op 7 december 1994 is ter griffie ingekomen een brief van mr. E.E.
Rietveld, raadsvrouwe van de vrouw.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 21
december 1994. Bij de behandeling zijn partijen en hun raadslieden
verschenen. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

De inhoud van gemelde bescheiden wordt als hier ingevoegd beschouwd.

De rechtsoverwegingen:

Nu zowel de vrouw als de man de Nederlandse nationaliteit bezit, komt aan
de Nederlandse rechter krachtens artikel 814, lid 1 aanhef en sub a van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsmacht toe en is in casu
deze rechtbank bevoegd.

Krachtens het bepaalde in artikel 1, lid 1, aanhef en sub a van de Wet van
25 maart 1981, Staatsblad 1981 no. 166, is, nu zowel de vrouw als de man
de Nederlandse nationaliteit bezit, Nederlands recht van toepassing op de
echtscheiding.

Op de nevenverzoeken van de vrouw is eveneens Nederlands recht van
toepassing.

De door de vrouw verzochte echtscheiding alsmede de nevenverzoeken inzake
de boedelscheiding, het gezag over en een bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van de minderjarige en het voortgezet gebruik van
voormelde woning, zijn, als niet door de man weersproken en op de wet
gegrond, voor toewijzing vatbaar.

Nu uit het huwelijk van de vrouw en de man een thans nog minderjarig kind
is geboren, die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt, is deze
minderjarige in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Ten aanzien van het nevenonderzoek van de vrouw tot levensonderhoud
overweegt de rechtbank het volgende.

Ten aanzien van de behoefte van de vrouw: De man heeft gesteld dat de
vrouw geen behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar
levensonderhoud, nu de vrouw in staat moet worden geacht door uitbreiding
van haar werkzaamheden in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Door de
vrouw is gesteld dat zij haar huidige part-time baan bij de heeft
opgezegd en per 1 januari 1995 een arbeidscontract gedurende een periode
van zes maanden heeft afgesloten bij een verzekeringsbedrijf, waar zij een
bruto maandsalaris van ƒ 2300,- zal genieten. Gelet op het huidige netto
inkomen van de vrouw, dat is gelegen op bijstandsniveau, en haar
toekomstige woonlasten, nu de man er vanuit gaat dat de vrouw vanaf de
datum van inschrijving van de ten deze te geven beschikking alle lasten
verbonden aan de echtelijke woning zal voldoen, heeft de vrouw, naar het
oordeel van de rechtbank, behoefte aan een bijdrage in de kosten van haar
levensonderhoud; niet is gebleken dat de vrouw in staat is zich thans een
hoger inkomen te verwerven.

Ten aanzien van de financiele draagkracht van partijen: De rechtbank heeft
bij het bepalen van de financiele draagkracht van partijen rekening
gehouden met de navolgende gegevens:

de vrouw: -de vrouw geniet een bruto maandinkomen van ƒ 2300,= (exclusief
overhevelings- en vakantietoeslag); -de hypotheekrente van de echtelijke
woning bedraagt ƒ 665,= per maand en de premie levensverzekering, die is
gekoppeld aan de hypotheek bedraagt ƒ 228,= per maand. De eigenaarslasten
worden gesteld op ƒ 150,= per maand; -de norm eenoudergezin,

de man: -blijkens de jaar opgaaf 1993 heeft de man een loon genoten van
ƒ 58.262,=. Nu niet is gesteld dat de man minder is gaan verdienen, is de
rechtbank uitgegaan van voormeld loon; -de rechtbank heeft de onbelaste
onkostenvergoeding van ƒ 221,20 per maand buiten beschouwing gelaten, nu
er van wordt uitgegaan dat daar reeele kosten tegenover staan; -de man
woont inmiddels samen met een nieuwe partner, die in haar eigen
levensonderhoud kan voorzien. De nieuwe partner moet derhalve in staat
worden geacht de helft van de huur, die ƒ 543,20 per maand bedraagt, te
betalen. De man heeft derhalve, gelet op het vorenstaande, geen woonkosten
boven de norm; -de premie ziektekostenverzekering ten behoeve van de man
bedraag ƒ 187,55 per maand (minus nominale premie AWBZ); -de rechtbank zal
terzake van herinrichtingskosten rekening houden met een bedrag van ƒ
125,= per maand. De rechtbank acht een dergelijk bedrag redelijk en
billijk, nu er van moet worden uitgegaan dat de huidige partner van de
man, die op het moment van samenwonen reeds over zelfstandige woonruimte
beschikte, over enige huisraad moet hebben beschikt; -de rechtbank heeft
de kosten omgangsregeling buiten beschouwing gelaten, nu thans geen
omgangsregeling plaatsvindt en derhalve geen kosten worden gemaakt;
-bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige ad
ƒ 250,= per maand, terzake waarvan de man een forfaitaire aftrek geniet.
De man heeft ter zitting toegezegd dat hij een bijdrage van ƒ 250,= per
maand in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van een reeds
meerderjarig kind van partijen zal betalen. De rechtbank zal derhalve met
deze betaling rekening houden; -de alleenstaande norm. Gelet op het
vorenstaande moet de man in staat worden geacht met een bedrag van ƒ 900,=
per maand bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw,
welke bijdrage redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke
maatstaven is en waaraan de vrouw behoefte heeft. De man geniet terzake
een belastingvoordeel.

Beschikkende op het door de vrouw verzochte:

Spreekt de echtscheiding uit.

Kent ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud
toe van ƒ 900,= per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst
op de dag, dat deze beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van
de burgerlijke stand.

Bepaalt dat de man met de vrouw overgaat tot verdeling van de
gemeenschappelijke goederen.

Benoemt, indien de man en de vrouw binnen acht dagen na de inschrijving
van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand zich niet over
de keuze van een notaris zullen hebben verstaan, tot notaris ten overstaan
van wie de werkzaamheden van de verdeling zullen geschieden: J. Deurloo,
notaris ter standplaats of diens waarnemer of opvolger.

Bepaalt dat de man en de vrouw voor de gekozen of benoemde notaris te dien
einde moeten verschijnen op door deze te bepalen tijd en plaats.

Benoemt tot onzijdig persoon om de man, indien hij mocht weigeren voor de
notaris te verschijnen, of verschenen zijnde, mocht weigeren tot de
verdeling mede te werken, te vertegenwoordigen en hetgeen hij mocht
ontvangen te beheren: mr. J.P. Vandervoodt.

Benoemt tot onzijdig persoon om de vrouw, indien zij mocht weigeren voor
de notaris te verschijnen, of verschenen zijnde, mocht weigeren tot de
verdeling mede te werken, te vertegenwoordigen en hetgeen zij mocht
ontvangen te beheren: mr.

Benoemt de vrouw tot voogdes en de man tot toeziend voogd over voornoemde
minderjarige.

Beveelt -voorzoveel nodig- de afgifte van voornoemde minderjarige aan de
vrouw.

Bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de
voogdij een aanvang neemt, als bijdrage in de kosten van verzorging en
opvoeding van de minderjarige telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren ƒ
250,= per maand, vermeerderd met het bedrag van iedere uitkering die hem
op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van deze
minderjarige kan of zal worden verleend.

Bepaalt dat de vrouw, als zij ten tijde van de inschrijving van deze
beschikking in de registers van de burgerlijke stand voormelde woning, die
aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt,
bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning voort te zetten gedurende
zes maanden na de inschrijving van de beschikking, zulks tegen een
redelijke vergoeding, overeenkomstig het bepaalde in artikel 165 boek 1
van het Burgerlijk Wetboek.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de
beslissing inzake gezag en kinderbijdrage.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Compenseert de proceskosten aldus dat iedere echtgenoot de eigen kosten
draagt.

Rechters

Mr. Van der Woude-Kraayvanger

Instantie: Rechtbank Breda, 6 januari 1995

Instantie

Rechtbank Breda

Samenvatting


Partijen zijn dertien jaar gehuwd geweest. Zij hebben drie minderjarige
kinderen van vier, zes en acht jaar. De man betwist de behoefte van de
vrouw. De vrouw werkt part-time. De rechtbank oordeelt: gezien het feit
dat de vrouw de zorg heeft voor drie nog zeer jonge kinderen, waardoor zij
niet meer kan werken dan zij thans doet, staat de behoefte aan een
aanvullende bijdrage vast. Alimentatie wordt nihil (geen draagkracht).

Volledige tekst

1. De stukken van het geding.

Tot de stukken van het geding behoren:

-het verzoekschrift van de vrouw d.d. 22 augustus 1994; -het op 5 oktober
1994 ontvangen verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen;
-de beschikking voorlopige voorzieningen van 17 oktober 1994; -de brief
van de advocaat van de man, gedateerd 30 november 1994, met bijlage; -de
brief van de procureur van de vrouw, gedateerd 1 december 1994, met
bijlagen; -het proces-verbaal van de op behandeling ter terechtzitting van
5 december 1994.

Verder behoort tot de stukken: -het uittreksel uit het voogdijregister
betreffende na te noemen minderjarigen.

De inhoud van deze stukken dient als hier overgenomen te worden beschouwd.

2. De verzoeken

De vrouw verzoekt samengevat:

-echtscheiding; -vaststelling van een door de man aan haar te betalen
onderhoudsuitkering van ƒ 1.800,= per maand; -benoeming van haar tot
voogdes en van de man tot toeziend voogd over hun minderjarige kinderen;
-vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsuitkering ten
behoeve van die minderjarigen van ƒ 400,= per maand per kind.

De man verzoekt samengevat:

-voortzetting van de gezamenlijke ouderlijke macht over hun minderjarige
kinderen; -vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsuitkering
ten behoeve van die minderjarigen van ƒ 300,= per maand per kind;
-bepaling van een omgangsregeling van een weekend per veertien dagen.

3. De beoordeling

3.1. Tussen partijen staat blijkens de stellingen en overgelegde stukken
vast: -dat zij op 26 mei 1982 in de gemeente Berkel-Enschot met elkaar
zijn gehuwd op huwelijkse voorwaarden; -dat zij uit dit huwelijk drie
minderjarige kinderen hebben; -dat zij de Nederlandse nationaliteit
bezitten; -dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht.

3.2. Het verzoek van de vrouw tot echtscheiding alsmede voorziening in de
voogdij en toeziende voogdij over de minderjarige kinderen van partijen
met vaststelling van een door de man te betalen bijdrage van ƒ 400,00 per
maand per kind ligt als op de wet gegrond en niet (althans niet langer)
weersproken voor toewijzing gereed. Partijen zijn het voorts eens over de
vaststelling van een omgangsregeling in voege als na te melden.

3.3. Partijen zijn verdeeld gebleven over de door de vrouw verzochte
bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. De man betwist de behoefte
van de vrouw aan de verzochte bijdrage. Bovendien betwist hij de
financiele draagkracht te bezitten tot betaling van die bijdrage.

3.4. De behoefte van de vrouw aan een uitkering voor haar levensonderhoud
dient te worden bezien in het licht van haar financiele omstandigheden.
Daarbij gaat de rechtbank uit van de navolgende, door de man niet
weersproken, gegevens. De vrouw is op parttime basis werkzaam tegen een
inkomen van gemiddeld ƒ 752,17 netto per maand exclusief vakantietoeslag.
De enkele, niet danwel onvoldoende onderbouwde en door de vrouw
gemotiveerd betwiste, stelling van de man, dat de vrouw naast voormeld
inkomen nog inkomsten zou genereren uit een door haar gedreven
boekhoudbureau, acht de rechtbank onvoldoende gefundeerd om hiermede bij
de vaststelling van de behoefte rekening te houden. Voorts is door de man
gesteld dat hij aan de vrouw maandelijks een bedrag van ƒ 1.200,= betaalt
ter aflossing van een lening en dat dit bedrag, althans een bedrag van ƒ
200,00 voor de vrouw inkomen vormt. De vrouw heeft hieromtrent
onweersproken verklaard dat zij inderdaad ƒ 1.200,00 per maand aan
aflossing op een lening van de man ontvangt doch dat zij van dit bedrag
ƒ 1.000,00 dient te betalen ter aflossing van een bij haar vader
afgesloten lening. Wat er verder ook zij van het resterende bedrag van ƒ
200,00 per maand, naar het oordeel van de rechtbank staat, mede gezien het
feit dat de vrouw de zorg heeft voor drie nog zeer jonge kinderen waardoor
zij niet meer kan werken dan zij thans doet, de behoefte van de vrouw aan
een aanvullende bijdrage in haar levensonderhoud van de zijde van de man
vast.

3.5. Voor de vaststelling van de financiele draagkracht van de man gaat
de rechtbank uit van de volgende gegevens. Uit de door de man overgelegde
gegevens blijkt dat hij een bruto-jaarinkomen heeft van ƒ 120.000,00 per
jaar. Geen recht, zoals door de man onweersproken is gesteld, bestaat op
vakantietoeslag, tantieme danwel een dertiende maand.

Voor wat betreft de maandelijkse lasten dient te worden uitgegaan van het
op de Algemene Bijstandswet gebaseerde normbedrag voor een zelfstandig
wonende alleenstaande. Naast de in bedoeld normbedrag begrepen
noodzakelijke kosten voor levensonderhoud houdt de rechtbank in het
bijzonder rekening met de navolgende lasten per maand:

-f 872,26 huur nu de man, blijkens de in het geding gebrachte bescheiden,
voldoende aannemelijk gemaakt heeft deze kosten daadwerkelijk te moeten
voldoen; -f 67,00 premie arbeidsongeschiktheidsverzekering; -f 146,00
premie ziektekostenverzekering; -f 84,00 eigen risico; -f 150,00 kosten
omgangsregeling; -f 250,00 herinrichtingskosten.

De rechtbank houdt voorts rekening met een bedrag van ƒ 1.200,00 aan rente
en aflossing op een door de vrouw aan de man verstrekte lening van ƒ
55.000,00. Weliswaar heeft de vrouw gesteld dat, nu de man dit bedrag
heeft geinvesteerd in zijn bedrijf aangenomen moet worden dat uit hoofde
daarvan de onderneming aan de man aflost, doch de rechtbank acht
genoegzaam aannemelijk gemaakt dat de man dit bedrag volledig uit eigen
middelen dient te voldoen.

Eveneens zal de rechtbank rekening houden met een bedrag van ƒ 417,00 per
maand terzake premie lijfrente. Aan de vrouw kan worden toegegeven dat de
man deze verzekering heeft afgesloten op een tijdstip dat partijen al
besloten hadden om van echt te scheiden maar gezien de omstandigheid dat
de man a) inmiddels 41 jaar oud is b) hij tot op heden geen enkele
oudedagsvoorziening heeft kunnen treffen en c) de hoogte van de afgesloten
lijfrentepolis niet exorbitant te noemen is acht de rechtbank het redelijk
om voornoemd bedrag op de draagkracht van de man in mindering te laten
strekken.

De rechtbank zal geen rekening houden met het door de man opgevoerde
bedrag van ƒ 1.148,00 per maand aflossing op een rekening-courant schuld.
Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat de man
indertijd om hem moverende redenen de keuze heeft gemaakt om over de
periode 1 oktober 1993 tot en met juni 1994 geen salaris uit de B.V. op
te nemen maar in het levensonderhoud te voorzien door van de B.V. een
bedrag van ƒ 90.000,00 te lenen niet van invloed kan zijn op de
draagkracht van de man.

Op grond van voormelde financiele gegevens en rekening houdend met alle
fiscale gevolgen acht de rechtbank bij de man geen draagkracht aanwezig
om, naast de door hem toegezegde bijdrage ten behoeve van de kinderen,
enige bijdrage ten behoeve van de vrouw te voldoen.

3.5. Aangezien partijen echtgenoten zijn, zal de rechtbank bepalen dat
iedere partij de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op 26 mei 1982 in de
gemeente Berkel- Enschot met elkaar gehuwd;

benoemt, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw tot voogdes over de
minderjarigen: 1. geboren te . 2. geboren te
. 3. geboren te en de man tot toeziend voogd;

beveelt de afgifte van deze minderjarigen aan de vrouw;

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad dat de man en genoemde minderjarigen
gerechtigd zijn tot omgang met elkaar eenmaal per twee weken van
vrijdagavond tot zondagavond en gedurende een deel van de vakanties, nader
in onderling overleg door partijen te regelen;

bepaalt uitvoerbaar bij voorraad, dat de man vanaf de dag dat de
voogdijvoorziening ingaat ten behoeve van de verzorging en opvoeding van
genoemde minderjarige aan de vrouw bij vooruitbetaling zal voldoen een
bedrag van ƒ 400,= (VIERHONDERD GULDEN) per maand per kind;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Rechters

mr. Lamers

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 januari 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om
“oproepkrachten verhuizers”. Verzoekster heeft naar aanleiding van deze
advertentie gesolliciteerd naar de functie bij de wederpartij.
Verzoekster is afgewezen voor de functie. De wederpartij stelt dat zij
verzoekster niet wilde inschrijven als uitzendkracht, aangezien het
haar aan de benodigde ervaring als verhuizer ontbrak en zij dan ook
niet voldeed aan het profiel van een verhuizer. Daarnaast stelt de
wederpartij dat zij in het telefoongesprek met verzoekster onder meer
heeft meegedeeld dat het werk van verhuizer lichamelijk behoorlijk
zwaar is. Uit het bovenstaande zou afgeleid kunnen worden dat de
wederpartij impliciet een beroep doet op de geslacht- bepaaldheid van
de functie.

Artikel 1 A.M.v.B. bepaalt (voor zover hier van belang) dat, als
beroepsactiviteiten waarvoor in een voorkomend geval vanwege hun aard
of de voorwaarden voor de uitoefening ervan het geslacht bepalend kan
zijn, slechts beschouwd mogen worden die beroepsactiviteiten die om
lichamelijke redenen uitsluitend door personen van een bepaald geslacht
kunnen worden vervuld. De betreffende functie van verhuizer kan een
functie-eis rechtvaardigen dat betrokkenen over gepaste lichaamskracht
moeten beschikken. Zowel mannen als vrouwen zouden echter in beginsel
aan deze functie-eis kunnen voldoen. Er zijn immers ook vrouwen die de
benodigde lichaamskracht bezitten om als verhuizer te werken, zoals er
ook mannen zijn die die lichaamskracht niet hebben. Het beroep op
geslachtsbepaaldheid kan dan ook niet slagen. Daarmee staat vast dat
de wederpartij bij de behandeling bij de vervulling van de openstaande
betrekking in strijd heeft gehandeld met artikel 3 lid 1 WGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 21 oktober 1994 verzocht mevrouw te Den Haag (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te
spreken over de vraag of door te Den Haag (hierna:
wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding van een
betrekking en bij de behandeling bij de vervullling van een openstaande
betrekking, in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om
“oproepkrachten verhuizers”. Verzoekster heeft naar aanleiding van deze
advertentie gesolliciteerd naar de functie bij de wederpartij.
Verzoekster is afgewezen voor de functie.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in behandeling
genomen en op grond van artikel 31 van het Besluit werkwijze Commissie
gelijke behandeling besloten om in deze zaak de vereenvoudigde
behandeling toe te passen. De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid
gesteld om op het standpunt van verzoeker te reageren.

2.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in de Haagsche Courant (datum van plaatsing van de
advertentie is onbekend). In deze advertentie vraagt de wederpartij om
“oproepkrachten verhuizers”. Het woord ‘verhuizers’ is in grote vette
letters afgedrukt. In de advertentie wordt een telefoonnummer en het
tijdstip vermeld waarop de wederpartij bereikbaar is. In de advertentie
staat niet vermeld dat zowel mannen als vrouwen voor de aangeboden
functie in aanmerking komen. Verzoekster heeft naar aanleiding van
deze advertentie naar de wederpartij gebeld om aan te geven dat zij
wilde solliciteren naar de functie van verhuizer. De wederpartij deelde
verzoekster hierop mee: “Ik neem je niet aan als vrouw”.

3.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en
vrouwen en daarmee in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke
behandeling.

3.3. De wederpartij voert als verweer het volgende aan. Ten eerste
geeft zij aan dat zij, als gespecialiseerd uitzendbureau voor
verhuizers, met mensen werkt die reeds in de praktijk werkzaam zijn
geweest als verhuizer, of een beroep hebben uitgeoefend dat hiermee
grote raakvlakken vertoont. Zij is namelijk van mening dat deze mensen
doorgaans beschikken over het inzicht en de spierkracht die benodigd
zijn voor het vervullen van de functie van verhuizer. Voorts erkent de
wederpartij dat verzoekster op 21 oktober 1994 telefonisch heeft
gereageerd op de advertentie waarin “oproepkrachten verhuizers” worden
opgeroepen. De wederpartij geeft aan dat haar reactie in dit
telefoongesprek ongeveer als volgt luidde: “Wij hebben nog niet eerder
met vrouwelijke verhuizers gewerkt; het werk van verhuizer is
lichamelijk behoorlijk zwaar; door verhuisbedrijven is nog nooit om een
vrouwelijke verhuizer gevraagd”.

Aangezien mevrouw Jonas niet over ervaring als verhuizer beschikte, had
het volgens de wederpartij geen zin om mevrouw Jonas als uitzendkracht
in te schrijven. De wederpartij kan zich echter wel voorstellen dat
verzoekster de indruk heeft gekregen dat zij, omdat ze vrouw is, niet
voor de functie in aanmerking kwam. De werkelijke reden voor de
afwijzing van verzoekster is volgens de wederpartij echter het feit dat
verzoekster niet voldeed aan het profiel van een verhuizer.

Tot slot deelt de wederpartij mee dat zij, ondanks haar twijfel of
verzoekster werkelijk geinteresseerd was om als verhuizer te gaan
werken, verzoekster toch alsnog in de gelegenheid wil stellen haar
sollicitatie in een persoonlijk gesprek toe te lichten.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking en/of bij de behandeling bij de vervulling van deze
betrekking onderscheid naar geslacht heeft gemaakt door in de
onderhavige advertentie om “oproepkrachten verhuizers” te vragen,
terwijl zij niet vermeld heeft dat ook vrouwen voor de functie in
aanmerking komen en vervolgens verzoekster af te wijzen voor de functie
omdat zij vrouw is.

4.2. Artikel 3 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB; Stb. 1989, 168) verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking en bij de behandeling bij
de vervulling van een openstaande betrekking. Alleen in geval van een
wettelijke uitzondering, bijvoorbeeld als de werkgever een
voorkeursbeleid voor vrouwen wil voeren of als de functie
geslachtbepaald is, mag van dit verbod worden afgeweken. De reden van
deze afwijking moet in de advertentie worden vermeld.

4.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader
uitgewerkt. Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit tekst en vormgeving
van een advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen
in aanmerking komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat
of zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet
worden, of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als
vrouwen in aanmerking komen.

4.4. Met betrekking tot de onderhavige advertentie overweegt de
Commissie het volgende. In de advertentie wordt slechts een
functiebenaming vermeld, namelijk “oproepkrachten verhuizers”. In dat
geval stelt de Wet de eis dat uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel
mannen als vrouwen voor de betreffende functie in aanmerking komen. Een
dergelijke vermelding ontbreekt echter in de advertentie. Daarmee staat
vast dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met met artikel 3 lid
3 en lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 1 WGB.

4.5. Op grond van artikel 5 lid 2 van de WGB mag bij de werving en
selectie onderscheid tussen mannen en vrouwen worden gemaakt in die
gevallen waarin vanwege de aard of de voorwaarden voor de uitoefening
van de beroepsactiviteit het geslacht bepalend is. Aan de onderhavige
uitzondering is nadere uitwerking gegeven in de Algemene Maatregel van
Bestuur inzake beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan
zijn (Stb. 1989, 207; hierna: A.M.v.B.).

4.6. Met betrekking tot de onderhavige selectieprocedure overweegt de
Commissie als volgt. De wederpartij stelt dat zij verzoekster niet
wilde inschrijven als uitzendkracht, aangezien het haar aan de
benodigde ervaring als verhuizer ontbrak en zij dan ook niet voldeed
aan het profiel (benodigde inzicht en benodigde spierkracht?) van een
verhuizer. Daarnaast stelt de wederpartij dat zij in het
telefoongesprek met verzoekster onder meer heeft meegedeeld dat het
werk van verhuizer lichamelijk behoorlijk zwaar is. Uit het
bovenstaande zou afgeleid kunnen worden dat de wederpartij impliciet
een beroep doet op de geslacht-bepaaldheid van de functie.

Artikel 1 A.M.v.B. bepaalt (voor zover hier van belang) dat, als
beroepsactiviteiten waarvoor in een voorkomend geval vanwege hun aard
of de voorwaarden voor de uitoefening ervan het geslacht bepalend kan
zijn, slechts beschouwd mogen worden die beroepsactiviteiten die om
lichamelijke redenen uitsluitend door personen van een bepaald geslacht
kunnen worden vervuld.

Ter toelichting zij vermeld dat uitzonderingen op het gebod van gelijke
behandeling in het algemeen restrictief dienen te worden uitgelegd,
teneinde te voorkomen dat dat gebod al te zeer wordt uitgehold. Dat
geldt ook voor de onderhavige uitzonderingsgrond. Slechts in zeer
bijzondere gevallen kan een functie geslachtsbepaald zijn, dat wil
zeggen dat de functie alleen door een man of alleen door een vrouw kan
worden verricht.

De betreffende functie van verhuizer kan een functie-eis rechtvaardigen
dat betrokkenen over gepaste lichaamskracht moeten beschikken. Zowel
mannen als vrouwen zouden echter in beginsel aan deze functie-eis
kunnen voldoen. Er zijn immers ook vrouwen die de benodigde
lichaamskracht bezitten om als verhuizer te werken, zoals er ook mannen
zijn die die lichaamskracht niet hebben. Het beroep op
geslachtsbepaaldheid kan dan ook niet slagen. Daarmee staat vast dat
de wederpartij bij de behandeling bij de vervulling van de openstaande
betrekking in strijd heeft gehandeld met artikel 3 lid 1 .

4.7. Overigens spreekt de Commissie haar waardering uit voor de
bereidheid van de wederpartij verzoekster alsnog in de gelegenheid te
stellen haar sollicitatie in een persoonlijk gesprek toe te lichten.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Den
Haag jegens mevrouw bij de aanbieding van de betrekking
onderscheid heeft gemaakt in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee
tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen heeft gehandeld. Tevens heeft
te Den Haag bij de behandeling bij de vervulling van de
openstaande betrekking onderscheid gemaakt in strijd met artikel 3 lid
1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

prof. mr J.E. Goldschmidt, voorzitter, mr M.J.M.G. van Dorsten,waarnemend secretaris-directeur

Instantie: Kantonrechter Emmen, 4 januari 1995

Instantie

Kantonrechter Emmen

Samenvatting


De vrouw is docente stenografie en ingeschaald in de laagste schaal. Met
werkervaring (als secretaresse) en levenservaring (als verzorgster en
opvoedster van haar kinderen) is geen rekening gehouden. Haar klacht over
de discriminatoire inschaling is gegrond verklaard door de CGB (29
december 1992, RN 1993, 330). Ook de kantonrechter is van oordeel dat er
onvoldoende rechtvaardiging is voor het gemaakte onderscheid. Haar
ervaring is alleszins relevant te achten gezien haar taak als docent
jongeren kennis bij te brengen.

Volledige tekst

Gronden voor de beslissing:

1. Mevrouw M is in april 1985 als docente stenografie in dienst getreden
van (een rechtsvoorgangster van) de stichting. Zij werd ingeschaald in de
laagste schaal; met werkervaring (als secretaresse) en levenservaring (als
verzorgster en opvoedster van kinderen) werd geen rekening gehouden.
Mevrouw M heeft zich beklaagd bij de Commissie Gelijke Behandeling voor
mannen en vrouwen bij de arbeid. Die commissie heeft op 29 december 1992
haar klacht ongegrond geoordeeld; de stichting heeft naar het oordeel van
die commissie op met de wet strijdige wijze onderscheid gemaakt naar
geslacht.

2. Bij brief d.d. 23 oktober 1990 werd (een rechtsvoorgangster van) de
stichting bericht dat mevrouw M van mening was dat haar inschaling onjuist
was en dat de Commissie Gelijke Behandeling benaderd zou worden. Op 29
oktober 1992 werd de stichting verzocht, voor zover nodig gesommeerd,
mevrouw M met terugwerkende kracht hoger in te schalen en het daarmee
achterstallige salaris te voldoen. Bij dagvaarding van 10 maart 1994 is
gevorderd I. een verklaring voor recht dat vanaf 29 oktober 1990 op grond
van wettelijk vereiste gelijke behandeling een hogere inschaling, namelijk
in schaal 9.6 dient plaats te vinden en II. een veroordeling van de
stichting tot voldoening van (bij toepassing van een juiste inschaling)
achterstallig salaris vanaf 29 oktober 1990.

3.1 De stichting heeft inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vordering,
daarmee ook het oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling weersprekend.
Dit onderdeel van het geschil zal ik eerst bespreken.

3.2 Mevrouw M is bij haar indiensttreding met toepassing van het
rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (1985), bij het RPBO, ingeschaald.
Dat besluit geeft een basisschaal I-P6, waarvan in opwaartse zin afgeweken
kan worden in geval van onderwijservaring (I-P& en I-P8), ook al is die
ervaring in een ver verleden opgedaan (I-P10). Hogere inschaling kan ook
plaatsvinden indien de functionaris relevante ervaring buiten het
onderwijs heeft opgedaan. In dit geval wordt aangesloten bij het
laatstgenoten salaris (I-P9).

3.3 Mevrouw M heeft voordat zij haar carriere onderbrak, negen jaar als
secretaresse, later als directiesecretaresse gewerkt. In de jaren 1971 tot
en met 1985 heeft zij zich voornamelijk gewijd aan de verzorging en
opvoeding van haar kinderen. Zij heeft in die periode slechts incidenteel
(voor huidige functie relevant) betaald werk verricht; het laatst betrof
het een relatief laag betaalde functie als administratie-assistente, welk
werk mevrouw M aanvaard had omdat een andere functie die te combineren was
met de zorg voor de kinderen, niet verkregen kon worden. Mevrouw M heeft
geen onderwijservaring, althans niet anders dan die uit een kort durende
vervangingsfunctie.

3.4 De stichting heeft mevrouw M het salaris van schaal I-P6 toegekend en
bij de inschaling geen toepassing gegeven aan I-P9. De meegebrachte
ervaring werd aangemerkt als zijnde niet relevant, althans te gedateerd.
Zou al aansluiting zijn gezocht bij het laatst genoten salaris, dan zou
dit het salaris van de functie van adminstratie-assistente zijn geweest,
hetgeen geresulteerd zou hebben in een beloning beneden schaal IP-6.

3.5 Toepassing van het RPBO geeft, zo is althans daar de opzet van, een
bezoldiging op grond van functie, ervaring en ancienniteit, Het eerste en
het laatste zijn min of meer vaststaande gegevens. Het RPBO beoogt de
*ervaring* op objectieve wijze tot uitdrukking te brengen door aansluiting
te zoeken bij het laatstgenoten salaris: in het algemeen zou ervaring in
het salarisniveau tot uitdrukking komen.

3.6 Degene die geen onderwijservaring heeft en gedurende langere tijd geen
betaalde arbeid heeft verricht, zal naar de regels van het RPBO
ingeschaald worden in IP-6. Degenen die in deze categorie vallen, zijn
overwegend vrouwen die gedurende langere tijd onbetaalde arbeid verricht
hebben in de vorm van het verzorgen en opvoeden van kinderen. Derhalve
levert het onverkort toepassing geven aan het RPBO op, dat op indirecte
wijze onderscheid gemaakt wordt tussen mannen en vrouwen. Ik neem derhalve
het oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling over en maak dit tot het
mijne. Met deze commissie ben ik van oordeel dat voor het maken van het
genoemde onderscheid onvoldoende rechtvaardiging bestaat.

3.7 De ervaring die een persoon als mevrouw M heeft opgedaan in een
periode van 20 jaar waarin eerst gewerkt werd als secretaresse en
directiesecretaresse, vervolgens als verzorgster en opvoedster van
kinderen, gedurende enige tijd gecombineerd met een administratieve
deeltijd-functie, is alleszins relevant te achten voor de functie van
docent stenografie aan een streekschool In die functie moet immers aan
jongeren kennis ten behoeve van een kantoorbaan worden bijgebracht,
waarbij voor de docent opvoedingservaring en kennis van het kantoor van
belang is.

3.8 De bij mevrouw M toegepaste inschaling, die overeenkomst met die van
een persoon zonder enige ervaring is derhalve onjuist en – gelet op het
onder 3.6. overwogene – wegens strijd met de Wet (art. 7A:1637IJ BW) in
rechte aantastbaar. Met toepassing van IP-9 dient inschaling thans plaats
te vinden. Deze schaal dient analogisch toegepast te worden, nu er geen
relevant *laatstgenoten salaris* bestaat.

3.9 Welke schaal in concreto recht doet aan de ervaring van mevrouw M, is
ter beoordeling van het bevoegde gezag.

3.10 Ik kan de door het bevoegd gezag te geven (nadere) beslissing inzake
de inschaling van mevrouw M, slechts marginaal toetsen.

3.11 Nu er in dezen nog geen beslissing voorligt, kan ik omtrent de
inschaling – in aanvulling op hetgeen hiervoor werd overwogen – alleen nog
maar dit opmerken. Een inschaling als door mevrouw M in deze procedure
gesuggereerd, namelijk uitgaande van een fictieve vervulling van haar
functie van directiesecretaressen (inclusief reguliere
salarisverhogingen), lijkt niet reeel. Weggedacht het ontbreken van een
*laatstgenoten salaris*, moet (naar analogie van IP-(9) immers inschaling
plaatsvinden op grond van de *relevante ervaring*. Mevrouw M heeft geen
15 jaar onafgebroken ervaring als directiesecretaresse. haar ervaring is
divers en dient, gelet op de functie docente stenografie, op een reele
wijze gewaardeerd te worden door – zie hiervoor – het bevoegd gezag.
Gedaagde heeft – naast opmerking over het ongelijk van de commissie
Gelijke Behandeling en daarmee van eiseres – een groot aantal verweren
naar voren gebracht die niet van inhoudelijke aard zijn. Deze in meerdere
of mindere mate ‘formele’ verweren dienen alle verworpen te worden.

4.2 Aangevoerd is dat de Stichting slechts uitvoert de regels, die de voor
onderwijs verantwoordelijke minister dwingend oplegt. Dit verweer moet
verworpen worden: art. 7A:1637IJ BW is een wettelijke bepaling die de
verhouding tussen werkgever en werknemer regelt en door ieder die in
loondienst is jegens de werkgever ingeroepen kan worden. In het midden kan
thans blijven of eiseres ook een rechtsvordering tegen de minister zou
kunnen instellen. Verwezen mag overigens worden naar hetgeen de Commissie
Gelijke Behandeling in haar beslissing onder 4.2 op dit punt overwogen
heeft.

4.3 Niet ontvankelijkheid van eiseres, omdat zij in 1985 ingestemd heeft
met de inschaling, komt in strijd met een doelstelling van art. 7A:1637IJ
BW (de Wet Gelijke Behandeling), namelijk dat degene die ongelijk
behandeld wordt kan bewerkstelligen dat daaraan door de rechter een einde
wordt gemaakt. Op elk tijdstip kan in rechte de werkgever aangesproken
worden op ongelijke behandeling. In dit verband mag verwezen worden naar
de uitspraak van de Hoge Raad inzake gelijke beloning bij de KLM (HR 24
april 1992, NJ 1992, 689). In die zaak werd vanaf het eind van de
tachtiger jaren met succes door een sinds 1973 in dienst zijnde
werkneemster geageerd tegen de gevolgen van een in 1977 tot stand gekomen
salarisregeling.

4.4 Het beroep op de verjaringstermijn van art.11 Wet gelijke Behandeling
gaat om de hiervoor onder 4.3 genoemde reden evenmin op.

4.5 De verjaringstermijn van art.11 Wet Gelijke Behandeling heeft slechts
betrekking op loonbetalingen in het verleden (namelijk: die langer dan
twee jaar daarvoor plaatsvonden). Mevrouw M heeft op 29 oktober 1992 voor
het eerst een sommatie uitgebracht. Zij heeft op die datum de lopende
verjaring van haar rechtsvordering wat betreft reeds vervallen
salaristermijnen gestuit, zo vloeit voort uit art. 3:316 BW. Na stuiting
is een nieuwe verjaringstermijn beginnen te lopen (art. 3:319 BW), binnen
welke mevrouw M gedagvaard heeft (op 10 maart 1994), welke daad (opnieuw)
de verjaring gestuit heeft (art. 3:316 BW) Derhalve is een herberekening
van het salaris aan de orde vanaf 29 oktober 1990.

4.6 Indien het verweer dat tussentijdse herziening van een inschaling niet
mogelijk is – zoals door gedaagde (in het voetspoor van de minister ten
overstaan van de commissie gelijke behandeling) aangevoerd -geaccepteerd
zou worden, zou de toepassing van art. 7A1637IJ BW (de wet gelijke
behandeling op ontoelaatbare wijze gefrustreerd worden. Niet aanvaard kan
immers worden dat een ieder recht zou hebben op gelijke behandeling
behoudens degenen die vallen onder een salarisregeling waarbij de
inschaling bij indiensttreding nadien niet meer gewijzigd kan worden.

4.7 Aangevoerd is nog dat mevrouw M te lang gewacht zou hebben alvorens
zij, na de uitspraak van de Commissie Gelijke Behandeling, een procedure
begonnen is. Dit is een beroep op rechtsverwerking. Enkel tijdsverloop
leidt echter niet tot rechtsverwerking; tijdsverloop zonder bijkomende
omstandigheden heeft slechts gevolgen voor een rechtsvordering als dat
tijdsverloop in de termen van een wettelijke verjaringstermijn valt; dat
is – zie onder 4.3 – hier niet het geval.

5. Zoals hiervoor onder 3.9 aangegeven, is het aan het bevoegde gezag om
een nadere inschaling te doen plaatsvinden. De vordering van eiseres onder
I, voor zover inhoudende dat vastgesteld moet worden dat inschaling in 9.6
had moeten plaatsvinden en onder II, veroordeling tot voldoening van
achterstallig salaris, is derhalve niet, althans nog niet toewijsbaar. Het
komt mij doelmatig voor om voorshands geen nadere beslissing te geven en
het aan partijen over te laten in onderling overleg tot nadere afspraken
omtrent de inschaling te komen. Slechts indien gedaagde een inschaling tot
stand brengt waarin eiseres zich niet kan vinden, zou er voor haar reden
kunnen zijn de onderhavige procedure voort te zetten door mij te
verzoeken, een nadere beslissing te nemen. Indien de Stichting voldoende
tegemoet komt aan de verlangens van eiseres, zou de procedure door
royement kunnen eindigen.

De beslissing

De kantonrechter te Emmen:

Verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 13 december 1995 te 10.30
uur, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten.

Houdt iedere verdere beslissing aan. Deze zaak is gegarandeerd door het
Proefprocessenfonds Rechtenvrouw.

Rechters

Mr. Dijkers

Instantie: Rechtbank Breda, 3 januari 1995

Instantie

Rechtbank Breda

Samenvatting


Eiser is door een huisvriend seksueel misbruikt. Gedaagde is hiervoor
veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden
voorwaardelijk. Eiser vordert van gedaagde ƒ 15 000 immateriële
schadevergoeding omdat gedaagde ontucht met hem heeft gepleegd van zijn
negende tot zijn negentiende. Gedaagde voert aan dat eiser ook eigen schuld
heeft omdat hij op zijn veertiende jaar homobars bezocht. De rechtbank
verwerpt dit verweer en kent eiser een immateriële schadevergoeding toe van ƒ
15 000. (ook tussenvonnis van 15 maart 1994 is opgenomen)

Volledige tekst

Tussenvonnis rechtbank Breda 15 maart 1994
1. Het verloop van de procedure.
Dit blijkt uit de volgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde
processtukken:
– de dagvaarding,
– de conclusie van eis,
– de conclusie van antwoord met een productie,
– de conclusie van repliek met producties,
– de conclusie van dupliek,
– een akte aan de zijde van eiser,
– een akte aan de zijde van gedaagde.
2. Het geschil.
Eiser, verder te noemen (…), vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor
zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad gedaagde, verder te noemen (…),
veroordeelt om aan eiser te betalen een bedrag van ƒ 15 000, althans een
zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren,
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding en met veroordeling
van gedaagde in de kosten van het geding.
Gedaagde heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering met veroordeling
van eiser in de kosten van het geding.
3. De beoordeling.
3.1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet
voldoende betwist het navolgende tussen partijen vast.
Gedaagde is geboren op 28 augustus 1952. Eiser is geboren op 6 februari 1967.
Wegens problemen thuis en op school is eiser, toen hij een jaar of tien was,
uit huis geplaatst. Gedaagde, destijds een huisvriend van de familie van
eiser, was op de hoogte van deze problemen.
Bij vonnis van deze rechtbank d.d. 24 oktober 1989 is gedaagde veroordeeld
tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan drie voorwaardelijk, wegens
ontucht met eiser in de periode van 1 juni 1977 tot en met 5 februari 1983.
Het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 22 januari 1991
voormeld vonnis, voor wat betreft de – hiervoor weergegeven –
bewezenverklaring bekrachtigd.
In zijn arrest van 30 november 1993 heeft de Hoge Raad het arrest van het
gerechtshof vernietigd en de officier van justitie niet-ontvankelijk
verklaard in zijn vordering.
3.2. Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag, dat gedaagde onrechtmatig
jegens hem heeft gehandeld, tengevolge van psychisch letsel – ƒ 15 000
immateriële schade heeft geleden. Eiser stelt in dit verband dat gedaagde
ontucht met hem heeft gepleegd van zijn negende tot zijn negentiende jaar.
3.3. Gedaagde betwist, dat hij onrechtmatig heeft gehandeld. Hij voert aan
dat de seksuele relatie tussen partijen begon toen eiser 14 jaar was en dat
gedaagde nooit dwang heeft uitgeoefend. Gedaagde verwijst in dit verband naar
de door hem op 3 september 1987 tegenover verbalisanten Smit en Vermeer
afgelegde verklaring (prod. 1 bij de conclusie van antwoord).
3.4. Indien gedaagde eiser op tienjarige leeftijd seksueel heeft benaderd,
heeft hij, gegeven het leeftijdsverschil tussen partijen, de problemen die
eiser toen had en het overwicht van gedaagde in die situatie, in ieder geval
onrechtmatig gehandeld.
Hetzelfde geldt, indien de seksuele handelingen zijn begonnen toen eiser
veertien jaar oud was. Derhalve kan thans in het midden blijven op welke
leeftijd de seksuele contacten zijn begonnen.
Niet van belang is of eiser destijds al dan niet heeft ingestemd met seksuele
contacten of hoe eiser zich zou hebben gedragen bij de aanvang van de seksuele
relatie tussen partijen. Evenmin is van belang of eiser de seksuele contacten
heeft voortgezet tot zijn negentiende jaar. Gedaagde heeft eiser seksueel
benaderd op een leeftijd, dat deze laatste erg jong was, terwijl gedaagde
reeds lang volwassen was. Aldus heeft gedaagde in hoge mate invloed gehad op
in dit verband later door eiser gemaakte keuzen. Gedaagde blijft ten volle
verantwoordelijk voor zijn handelen jegens eiser en de daardoor veroorzaakte
schade.
3.5. Anders dan gedaagde meent, kan ook onder het recht, zoals dit gold voor
1 januari 1992 in gevallen als onderhavige geleden immateriële schade worden
toegewezen.
Gedaagde betwist de gestelde psychische schade en het causaal verband tussen
het handelen van gedaagde en de schade. Hij wijst er op, dat de psychische
schade eveneens kan zijn ontstaan door problemen in de huiselijke kring van
eiser zelf.
Eiser dient te bewijzen dat hij door het onrechtmatig handelen van gedaagde
psychische schade lijdt. De rechtbank wenst in dit verband te worden
ingelicht door een, hierna voor te stellen, deskundige.
Partijen kunnen zich nader uitlaten over het aantal te benoemen deskundigen,
de voorgestelde deskundige en de aan deze voor te leggen vragen.
Indien komt vast te staan, dat eiser psychische schade lijdt door het
onrechtmatig gedrag van gedaagde, is het niet van belang of eiser ook schade
kan hebben geleden door zijn vroegere thuissituatie. Gedaagde is dan voor het
geheel aansprakelijk. Dit geldt temeer, nu juist de toenmalige huiselijke
problemen relevante omstandigheden zijn bij de beoordeling van de
(on)rechtmatigheid van het gedrag van gedaagde.
In afwachting van de bewijslevering wordt de beslissing over de hoogte van de
schade aangehouden.
4. De beslissing.
De rechtbank
gelast een deskundigenonderzoek en formuleert – voorlopig – de navolgende
vraagpunten:
1. Lijdt eiser psychische schade tengevolge van de seksuele benadering door
gedaagde?
Indien voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord:
2. Op welke wijze manifesteert zich deze schade?
3. In hoeverre is bij het ontstaan van de schade de leeftijd van eiser waarop
de seksuele contacten tussen eiser en gedaagde zijn begonnen van belang?
4. Welke opmerkingen acht de deskundige overigens nog van belang ten behoeve
van de door de rechtbank te nemen beslissing?;
stelt voor als deskundige te benoemen:
– Dr. A.P. Haverkamp, psychiater,
Stationsplein 3,
4811 BB te Breda
deelt mede, dat de deskundige het benodigde voorschot begroot op ƒ 1000;
verstaat dat (voorshands) de griffier op de voet van het bepaalde in artikel
223, tweede lid W.v.Rv. het voorschot zal voldoen;
verstaat dat partijen, eiser als eerste, zich bij conclusie na tussenvonnis
zullen kunnen uitlaten over de voorgestelde vraagpunten, eventuele andere
door hen gewenste vraagpunten en over de voorgestelde deskundige;
verwijst de zaak naar de rol van 12 april 1994 voor het nemen van zodanige
conclusie door eiser, ambtshalve peremptoir;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Rechtbank Breda 3 januari 1995
1. Het verloop van de procedure.
Dit blijkt uit de volgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde
processtukken:
– het tussenvonnis van 2 augustus 1994 en de daarin genoemde stukken;
– een akte van depot, waaruit blijkt dat de door de rechtbank benoemde
deskundige, Dr. A.D. Haverkamp, psychiater, op 30 september 1994 zijn rapport
ter griffie heeft gedeponeerd;
– een uittreksel uit het audiëntieblad d.d. 25 oktober 1994, waaruit blijkt,
dat eiser geen conclusie na deskundigenbericht wenste te nemen;
– een uittreksel uit het audiëntieblad d.d. 8 november 1994, waaruit blijkt,
dat gedaagde geen conclusie na deskundigenbericht wenste te nemen.
2. De verdere beoordeling.
3.1. In het tussenvonnis van 15 maart 1994 is overwogen, dat eiser dient te
bewijzen, dat hij door het onrechtmatig handelen van gedaagde psychische
schade lijdt. In dit verband is dr. Haverkamp, voornoemd, benoemd als
deskundige.
De inhoud van het rapport van dr. Haverkamp is door geen van partijen
betwist.
3.2. Thans zijn nog aan de orde de door eiser geleden schade en het causaal
verband tussen schade en het handelen van gedaagde. In dat verband is aan de
deskundige voorgelegd in hoeverre de leeftijd van eiser invloed heeft gehad
op de ontstane schade.
3.3. De deskundige concludeert dat eiser psychische schade lijdt, welke
schade zich thans manifesteert in een chronisch depressieve stemmingsstoornis
met posttraumatische klachten.
De deskundige concludeert voorts dat het contact met gedaagde heeft
plaatsgevonden op een moment dat eiser met ingrijpende veranderingen in de
thuissituatie werd geconfronteerd en met de noodzaak van plaatsing op een
internaat, zodat eiser in die fase erg kwetsbaar was, hetgeen ook blijkt uit
het feit, dat eiser juist in die fase last kreeg van kinderneurotische
verschijnselen. Het ontstaan van een depressieve gemoedstoestand daarna en
nog wel in chronische vorm acht de deskundige dan ook veroorzaakt doordat
gedaagde eiser heeft belast met ervaringen die eiser nog niet kon plaatsen.
De deskundige concludeert tenslotte, dat eisers veerkracht door deze
belastende ervaringen sterk wordt ondermijnd, waardoor schoolprestaties niet
optimaal waren en mogelijkheden op de arbeidsmarkt en op het relationele vlak
sterk zijn ingeperkt.
De deskundige gaat uit van aanvang van het misbruik op negenjarige leeftijd,
hetgeen gedaagde niet betwist.
De hiervoor weergegeven conclusies van de deskundige worden gedragen door de
in zijn rapport neergelegde bevindingen. De rechtbank neemt deze conclusies
over en maakt deze tot de hare.
3.4. Uit vorenstaande blijkt, dat gedaagde door zijn onrechtmatig handelen
ernstige psychische schade bij eiser teweeg heeft gebracht.
Gedaagde heeft zich nog op eigen schuld van eiser beroepen, aangezien eiser
op veertienjarige leeftijd homobars zou hebben bezocht. Niet valt in te zien,
dat het bezoeken van een homobar op veertienjarige leeftijd door het
slachtoffer diens medeschuld aan misbruik vanaf het negende levensjaar zou
kunnen opleveren. Evenmin kan vrijwilligheid van eiser, zo daarvan al sprake
is geweest, medeschuld opleveren. Gedaagde is vijftien jaar ouder dan eiser
en als meerderjarige droeg gedaagde destijds dan ook de volle
verantwoordelijkheid voor zijn onrechtmatig handelen.
De gevorderde immateriële schadevergoeding ad ƒ 15 000 komt, mede gelet op de
uit de schade voortvloeiende maatschappelijke beperkingen die eiser nog
steeds ondervindt, niet bovenmatig voor.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven een
lager bedrag toe te wijzen dan gevorderd.
3.5. Gedaagde wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de
kosten van de procedure.
4. De beslissing.
De rechtbank
veroordeelt gedaagde om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te
betalen een bedrag van ƒ 15 000 (zegge: vijftienduizend gulden) vermeerderd
met de wettelijke rente vanaf 29 december 1992;
verwijst gedaagde in de kosten van de procedure, gevallen aan de zijde van
eiser, tot op heden begroot op ƒ 2772,38;
bepaalt, nu eiser met een toevoeging procedeert, dat die kostenbetaling dient
te geschieden door voldoening
a. aan de griffier van deze rechtbank, door overschrijving op girorekening
nummer 1101800 ten name van de Gerechten in het Arrondissement Breda
– wegens het in debet gestelde deel van het griffierecht
ƒ 262,50;
– wegens exploitkosten ƒ 122,38;
– wegens procureurssalaris ƒ 1200
– wegens in debet gestelde kosten van deskundigenbericht
ƒ 1100.
met welke bedragen de griffier zal dienen te handelen overeenkomstig het
bepaalde bij artikel 57b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
b. aan eiser
– het voor rekening van die partij gekomen deel van het griffierecht ƒ 87,50.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mrs. Grundeman, Verjans, Halk

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 31 december 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij hanteerde een bindpremie voor haar verpleegkundigen.
Verpleegkundigen kwamen niet in aanmerking voor de regeling bindpremie
indien zij langer dan drie maanden per jaar afwezig waren. Verzoekster
kwam in 1993 niet voor deze premie in aanmerking aangezien zij in dat
jaar langer dan drie maanden afwezig is geweest in verband met
zwangerschap. Verzoekster is van mening dat dit in strijd is met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen. De Commissie is
van oordeel dat, hoewel de regeling bindpremie op zichzelf
sekse-neutraal is geformuleerd, hetgeen veeleer wijst op mogelijk
indirect onderscheid, hier in feite de vraag naar direct onderscheid
aan de orde is. Zwangerschap en bevalling zijn immers omstandigheden,
waardoor alleen vrouwen getroffen kunnen worden, deze omstandigheden
kunnen derhalve niet zonder meer gelijk gesteld worden met een in
beginsel sekse-neutraal begrip als verzuim wegens ziekte. Dit betekent
dat de werkgever een direct onderscheid naar geslacht maakt, indien in
het geval van verzuim vanwege zwangerschap en bevalling geen bijzondere
regeling wordt opgenomen. De werkgever heeft onderscheid naar geslacht
gemaakt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

Op 14 april 1994 verzocht mevrouw te Schiedam
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of het
(hierna: wederpartij) onderscheid maakt op grond
van geslacht in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

De wederpartij hanteerde een bindpremie voor haar verpleegkundigen.
Verpleegkundigen kwamen niet in aanmerking voor de regeling bindpremie
indien zij langer dan drie maanden per jaar afwezig waren. Verzoekster
kwam in 1993 niet voor deze premie in aanmerking aangezien zij in dat
jaar langer dan drie maanden afwezig is geweest in verband met
zwangerschap. Verzoekster is van mening dat dit in strijd is met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid heeft het verzoek in behandeling genomen. Op 1 september 1994
is de Algemene Wet gelijke behandeling in werking getreden (AWGB; Stb.
1994, 230). De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid is op die datum opgeheven. Zij heeft haar werkzaamheden
overgedragen aan de Commissie gelijke behandeling, die op 1 september
1994 is ingesteld. Deze Commissie heeft het onderzoek voortgezet.

2.2. Partijen zijn uitgenodigd hun standpunten nader toe te lichten
tijdens een zitting op 7 december 1994. De wederpartij heeft van deze
uitnodiging geen gebruik gemaakt.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – de heer (gemachtigde van
verzoekster)

van de kant van de Commissie – dhr prof. mr P.F. van der Heijden
(voorzitter Kamer) – mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer) – mw drs
A.J. Huber (lid Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen (juridisch adviseur)

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. De wederpartij is een ziekenhuis. Zij hanteerde in de periode 1
januari 1991 tot en met 31 december 1993 een regeling bindpremie voor
haar verpleegkundigen. Ten grondslag aan het besluit van de
wederpartij deze regeling vast te stellen, lag het destijds bestaande
chronisch tekort aan gediplomeerd verpleegkundig personeel, waardoor de
continuiteit van de organisatie in gevaar kwam. Het personeelstekort
leidde tot een tijdelijke sluiting van beddencapaciteit van 100 bedden.
Met de regeling bindpremie wilde de wederpartij enerzijds de
verpleegkundigen aan de organisatie binden en anderzijds hen belonen
voor de bovenmaatse inspanningen die zij moesten leveren als gevolg van
het personeelstekort. De wederpartij heeft de regeling bindpremie
(‘oud’ en ‘nieuw’: zie hierna) in augustus 1993 geevalueerd. Zij heeft,
gelet op de verbeterde personele situatie binnen haar organisatie,
besloten de regeling op 31 december 1993 te laten aflopen. Het
personeel is in een nieuwsbulletin d.d. 1 september 1993 over het
bovengenoemde besluit genformeerd.

3.2. De regeling bindpremie had een tweeledig karakter en bestaat uit
de regeling bindpremie ‘nieuw’ en de regeling bindpremie ‘oud’. De
regeling bindpremie ‘nieuw’ is een regeling die van toepassing is op de
na 31 december 1990 in dienst getreden gediplomeerd verpleegkundigen
binnen de algemene verplegingsdienst. De regeling bindpremie ‘oud’
geldt voor voor 1 januari 1991 in dienst getreden personeel (deze
regeling geldt voor verzoekster). Deze regeling houdt in dat aan de
gediplomeerde verpleegkundige binnen de algemene verplegingsdienst,
onder bepaalde voorwaarden, de volgende bedragen worden uitgekeerd:
1991 een bedrag van ƒ 1.000,- bruto 1992 een bedrag van ƒ 1.500,-
bruto 1993 een bedrag van ƒ 2.000,- bruto. Daarbij is de eis dat men
op 31 december van dat jaar in dienst was. Verder gold dat bij een
onderbreking van de werkzaamheden wegens ziekte of afwezigheid
anderszins (b.v. zwangerschaps-, ouderschaps- of onbezoldigd verlof)
gedurende een periode van langer dan drie maanden aaneengesloten, geen
uitkering wordt verstrekt. Regulier opgenomen vakantiedagen
voorafgegaan of gevolgd door een hierboven bedoelde afwezigheid, werden
niet bij de periode van afwezigheid meegeteld.

3.3. Verzoekster is reeds 15 jaar werkzaam bij de wederpartij als
verpleegkundige. Zij heeft in 1991 en 1992 een uitkering gekregen op
grond van de regeling bindpremie ‘oud’. In 1993 heeft zij echter geen
uitkering ontvangen omdat zij in dit jaar langer dan drie maanden
afwezig is geweest. De reden hiervoor was haar zwangerschap: zij was 16
weken met zwangerschapsverlof en 10 weken afwezig in verband met
problemen tijdens de zwangerschap.

3.4. Verzoekster verzocht de wederpartij op 2 januari 1994 schriftelijk
de regeling bindpremie aan te passen in de zin dat afwezigheid door
zwangerschap niet als ziekte wordt meegeteld en de bindpremie alsnog
aan haar uit te keren. De wederpartij heeft dit verzoek bij brief van
19 januari 1994 afgewezen. Bij afwezigheid, ongeacht de reden,
gedurende een aaneengesloten periode van langer dan drie maanden, is er
conform het reglement, namelijk geen grond om de premie toe te kennen.
Hierop reageerde verzoekster vervolgens in een brief van 21 februari
1994. Zij wijst hierin de wederpartij op de notulen van de
Hoofdenvergadering van 16 december 1993. Volgens verzoekster wordt in
deze notulen gesteld dat zwangerschap niet gelijk is aan afwezigheid
door ziekte. Naar aanleiding hiervan verzoekt verzoekster de regeling
bindpremie overeenkomstig te interpreteren.

3.5. De ondernemingsraad heeft getracht het beleid van de wederpartij
in de door verzoekster en hemzelf gewenste zin te doen bijstellen. Dat
is niet gelukt.

3.6. Verzoekster stelt het volgende. De wederpartij maakt zich schuldig
aan discriminatie van de vrouwelijke verpleegkundige ten opzichte van
haar mannelijke collega, nu zij de afwezigheid door zwangerschap
beschouwt als ziekte en meetelt bij de beoordeling van het uitkeren van
de bindpremie aan een vrouwelijke verpleegkundige. Mannelijke
verpleegkundigen kunnen namelijk geen ziektedagen hebben door
zwangerschap.

3.7. De wederpartij is het niet eens met de stellingname van
verzoekster dat zij onterecht over het jaar 1993 geen bindpremie heeft
ontvangen en motiveert dat als volgt. Het criterium voor de beloning
was daadwerkelijke aanwezigheid. De regeling kent als bepaling dat
indien een werknemer langer dan een periode van drie maanden
aaneengesloten in een kalenderjaar afwezig is geweest, niet tot
uitbetaling zal worden overgegaan. Volgens de wederpartij is de reden
van de afwezigheid niet ter zake doende. De regeling kent, volgens de
wederpartij, geen enkel onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke
verpleegkundigen.

Ook ten aanzien van de situatie van verzoekster is de wederpartij van
mening dat de reden voor haar afwezigheid niet ter zake doet. Hierdoor
is ook de discussie over de vraag of zwangerschapsverlof als ziekte of
als verlof moet woren aangemerkt niet relevant.

3.8. De wederpartij verzoekt de Commissie op grond van bovenstaande
argumentatie, het verzoek van verzoekster niet ontvankelijk te
verklaren.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling van mannen en vrouwen onderscheid heeft gemaakt
naar geslacht door verzoekster in 1993 geen uitkering op grond van de
regeling bindpremie toe te kennen, omdat zij (vanwege zwangerschap en
bevalling) langer dan drie maanden aaneengesloten afwezig was.

Aangezien deze casus speelde voor 1 september 1994, moet getoetst
worden aan de wetgeving gelijke behandeling zoals die voor 1 september
1994 gold. Artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) schrijft
voor dat de werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en
vrouwen in -onder andere- de arbeidsvoorwaarden.

Alvorens de in geschil zijnde vraag te beantwoorden, kan de vraag
gesteld worden of in deze zaak direct dan wel indirect onderscheid
tussen mannen en vrouwen in geding is. Onderscheid op grond van
zwangerschap, bevalling en moederschap is volgens artikel 7A:1637ij BW
lid 5 een vorm van direct onderscheid. De Wet maakt het niet mogelijk,
rechtvaardigingsgronden aan te voeren voor direct onderscheid anders
dan de in de Wet zelf opgenomen uitzonderingen. Van het verbod om
direct onderscheid te maken naar geslacht mag alleen worden afgeweken
in geval van geslachtsbepaaldheid (artikel 7A:1637ij BW lid 2),
bescherming van de vrouw (lid 3) en voorkeursbeleid (lid 4). Indirect
onderscheid ontstaat wanneer onderscheid op grond van andere
hoedanigheden dan het geslacht wordt gemaakt, bijvoorbeeld echtelijke
staat of gezinsomstandigheden, dat onderscheid op grond van geslacht
tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is
(artikel 7A:1637ij BW lid 5).

De Commissie is van oordeel dat, hoewel de regeling bindpremie op
zichzelf sekse-neutraal is geformuleerd, hetgeen veeleer wijst op
mogelijk indirect onderscheid, hier in feite de vraag naar direct
onderscheid aan de orde is. Zwangerschap en bevalling zijn immers
omstandigheden, waardoor alleen vrouwen getroffen kunnen worden, deze
omstandigheden kunnen derhalve niet zonder meer gelijk gesteld worden
met een in beginsel sekse-neutraal begrip als verzuim wegens ziekte.

4.2. Dit betekent dat de wederpartij een direct onderscheid naar
geslacht maakt, indien in het geval van verzuim vanwege zwangerschap en
bevalling geen bijzondere regeling wordt opgenomen. Zoals gezegd is
direct onderscheid alleen toegestaan ingeval van een wettelijke
uitzonderingsgrond. Dat is hier niet aan de orde.

Het beroep van de wederpartij op de inspanning van de werknemers en het
behoud van werknemers als achtergrond van de regeling bindpremie, kan
dan ook niet als rechtvaardiging gelden. De Wet en ook de
jurisprudentie van de Hoge Raad (Hoge Raad d.d. 13 september 1991 in de
zaak Dekker/Stichting VJV-Centrum, NJ 1992, 225. Het Hof van Justitie
van de EG wees in deze zaak eerder arrest, arrest van 8 november 1990,
zaak C-177/88, NJU 1992, 224. ) is op dit punt duidelijk en biedt,
zelfs in situaties waarin zwangerschap leidt tot ongewenste praktische
en financiele consequenties voor de werkgever, geen mogelijkheid tot
het creeren van een buitenwettelijke rechtvaardigingsgrond.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het Westeinde Ziekenhuis
te Den Haag onderscheid naar geslacht heeft gemaakt jegens mevrouw
te Schiedam in strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek lid 1,
door haar in 1993 geen uitkering toe te kennen op grond van de regeling
bindpremie in verband met haar afwezigheid vanwege zwangerschap en
bevalling.

Rechters

dhr prof. mr P.F. van der Heijden (voorzitter Kamer), mw prof. mrJ.E. Goldschmidt (lid Kamer), mw drs A.J. Huber (lid Kamer), mw mrG.L.M. Lenssen (juridisch adviseur)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 december 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Vrouwen wordt het onmogelijk gemaakt om namens de SGP
werkzaam te zijn als volksvertegenwoordiger wanneer hen het
lidmaatschap van deze partij geweigerd wordt. Volgens de
Commissie vallen de werkzaamheden van een
volksvertegenwoordiger niet onder de WGB. Deze wet ziet alleen
op arbeid waarbij werkzaamheden plaatsvinden binnen een
gezagsverhouding of bij het uitoefenen van een vrij beroep.
Hiervan is bij de werkzaamheden van een volksvertegenwoordiger
geen sprake. Het verzoek is om die reden dan ook niet
ontvankelijk.
Wel laat de Commissie in haar uitspraak blijken dat zij het
zeer waarschijnlijk acht dat de functie van
volksvertegenwoordiger valt binnen de reikwijdte van de tweede
EG-richtlijn. Indien dit inderdaad het geval blijkt te zijn is
volgens de Commissie de Nederlandse wetgever gehouden om
gelijk toegang, ongeacht sekse, tot deze arbeid te garanderen.

Volledige tekst

HET VERZOEK

1.1. Op 27 april 1994 verzocht mevrouw te Roermond (hierna:
verzoekster), de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de
vraag of de Staat der Nederlanden te Den Haag (hierna: de
wederpartij) onderscheid heeft gemaakt naar geslacht in strijd
met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB;
Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoekster heeft zich op 5 augustus 1993 aangemeld tot
het lidmaatschap van een politieke partij. Deze heeft haar
uiteindelijk niet toegelaten, om reden dat de dichtstbijzijnde
kiesvereniging niet als voldoende nabij kan worden beschouwd
en dus niet gehouden is haar als lid in te schrijven. Zij
heeft voorts aangegeven dat vrouwen niet als lid worden
toegelaten.
Verzoekster is van mening dat de Staat der Nederlanden een in
de WGB verboden onderscheid naar sekse maakt door toe te staan
dat de betreffende politieke partij het vrouwen onmogelijk
maakt om het ambt van volksvertegenwoordiger namens deze
partij te vervullen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en
een onderzoek ingesteld. Partijen hebben de gelegenheid gehad
hun standpunten weer te geven.

2.2. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en
een onderzoek ingesteld. De Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid heeft per 1 september 1994
haar werkzaamheden overgedragen aan de Commissie gelijke
behandeling, die is ingesteld op grond van de inwerkingtreding
van de Algemene wet gelijke behandeling op 1 september 1994
(AWGB; Stb. 1994, 230).

2.3. De onderhavige zaak is gevoegd behandeld met een
samenhangend verzoek van verzoekster, zich richtend tot de
desbetreffende politieke partij (Zie oordeelnummer 94-16).

2.4. Partijen zijn opgeroepen te verschijnen op een zitting
van de Commissie op 8 december 1994.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster:
– mw (verzoekster)
– mw mr A. van Bon-Moors (advocaat)

van de kant van de wederpartij:

– mw mr(Ministerie van Binnenlandse Zaken)
– mw mr(Ministerie van Binnenlandse Zaken)

van de kant van de Commissie:

– mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)
– dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer)
– mw prof. mr J.E. Goldschmidt (plv. lid Kamer)
– mw mr M.M. Hubner (juridisch adviseur).

2.5. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd in paragraaf
2.4.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is een particulier, wonende te Roermond. Zij
heeft zich op 5 augustus 1993 bij het partijbureau van de
betreffende politieke partij te Den Haag als lid gemeld. Na
een daartoe strekkende sommatie van haar advocaat heeft deze
politieke partij op 8 oktober 1993 schriftelijk meegedeeld dat
aanmelding van lidmaatschap alleen mogelijk is bij een
plaatselijke kiesvereniging van haar in de gemeente (artikel 5
lid a der Statuten).

3.2. Verzoekster heeft zich vervolgens op 13 oktober 1993
schriftelijk gewend tot de Provinciale Kiesvereniging Noord-
Brabant met het verzoek als lid te worden toegelaten. In haar
eigen gemeente Roermond en breder, in de gehele provincie
Limburg, bestond namelijk geen kiesvereniging van de
betreffende partij; verzoekster achtte de kiesvereniging
Noord-Brabant de meest nabije kiesvereniging in de zin van de
Statuten.
Het Hoofd van het Partijbureau te Den Haag heeft in reactie
hierop aan verzoekster meegedeeld, dat de Statuten geen nadere
aanduiding geven van het begrip “nabije kiesvereniging”. Bij
een conflict hierover beslist het Hoofdbestuur. Het Hoofd liet
weten op het standpunt te staan dat Raamsdonk niet als “nabije
kiesvereniging” in de zin van de Statuten kan worden gezien,
gelet op de geografische afstand tussen Raamsdonk en Roermond.
Het Hoofd voegde hieraan toe, dat de kiesvereniging ver-
zoekster om een subsidiaire reden niet als lid kan in-
schrijven. Ofschoon het lidmaatschap van vrouwen nog niet
formeel door de Statuten is verboden, heeft de huishoudelijke
vergadering van de betreffende politieke partij inmiddels
besloten dat dit niet aan vrouwen toekomt.

3.3. Verzoekster heeft vervolgens op 20 januari 1994 het
hoofdbestuur van de betreffende politieke partij verzocht mee
te delen, welke als de voor haar meest dichtstbijzijnde kies-

vereniging moet worden beschouwd. Zij verzocht tevens, of,
ingeval een plaatselijke kiesvereniging vrouwen toch als lid
aanvaardt, het hoofdbestuur daartegen sancties neemt.
Op 28 februari 1994 werd geantwoord, dat ofschoon Raamsdonk
geografisch de dichtstbijzijnde kiesvereniging is, toch niet
is voldaan aan artikel 5 lid 2 van de Statuten. “Nabij” wil
zeggen: “niet ver weg”, ofwel een maximale afstand van
omstreeks 20 kilometer; en Roermond is in dit licht te ver weg
gelegen van Raamsdonk.
Voorts werd gesteld dat de betreffende kiesvereniging in
artikel 3 en 4 van het Huishoudelijk Reglement heeft bepaald
dat slechts mannen als lid worden toegelaten. De vraag of
sancties worden overwogen achtte het Hoofdbestuur, gelet op de
discussie binnen de partij, prematuur.

De standpunten van partijen

3.4. Inzake de ontvankelijkheid is verzoekster van mening dat
de betreffende politieke partij weigert haar als lid in te
schrijven. Zij heeft een persoonlijk belang bij het lid-
maatschap van juist deze omdat zij de grootste Tweede
Kamerfractie heeft van de kleine christelijke partijen, en de
weigering van haar als vrouw een persoonlijke vernedering en
bedreiging is. Bovendien is het algemeen belang in het geding:
het weigeren van vrouwen als lid van een politieke partij is
een bedreiging van vrouwenrechten, zoals onder meer bedoeld in
de EG-wetgeving terzake en het Internationaal Verdrag ter
uitbanning van alle vormen van discriminatie jegens vrouwen
(IVDV). De Staat c.q. de Minister van Binnenlandse Zaken is
verplicht om de internationale verplichtingen uit te voeren en
ook vrouwen de toegang tot politieke partijen en daarmee het
ambt van volksvertegenwoordiger te garanderen.
Verzoekster is voorts van mening dat de betreffende politieke
partij door haar te weigeren in strijd handelt met artikel 1a
lid 1 en artikel 2 WGB. Verzoekster kan hierdoor immers niet
namens deze partij volksvertegenwoordiger worden, aangezien de
Kieswet bepaalt dat alleen leden van een politieke partij op
een kieslijst kunnen worden geplaatst.

Genoemde artikelen moeten worden geinterpreteerd in het licht
van de Europese wetgeving gelijke behandeling en het IVDV. Het
ambt van volksvertegenwoordiger is een functie die moet worden
begrepen onder artikel 1a WGB. Deze bepaalt immers dat “tot de
openbare dienst (…) worden gerekend alle instellingen,
diensten en bedrijven door de staat en openbare lichamen
beheerd”. De Staat der Nederlanden is aansprakelijk voor de
naleving van het verbod om in en bij de openbare dienst direct
of indirect onderscheid naar geslacht te maken. De Staat
treedt voorts, gelet op de Kieswet, op als principaal voor
politieke partijen door hen de vrijheid te geven kandidaten
voor volksvertegenwoordigers te werven en selecteren. Artikel
3 WGB verbiedt het maken van onderscheid terzake. Dit artikel
richt zich, mede gelet op de oordelen van de Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, zowel op de
principaal als op de opdrachtnemer. Door vrouwen als lid te
weigeren, overtreedt de wederpartij genoemd artikel 3 jo
artikel 2 WGB.

Het ambt van volksvertegenwoordiger kan ook worden begrepen
onder artikel 2 WGB. Dit bepaalt dat het niet is toegelaten
“onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen met betrekking
tot de voorwaarden voor de toegang tot en de mogelijkheden tot
uitoefening van en ontplooiing binnen het vrije beroep”.

3.5. De wederpartij is van mening dat het verzoek niet
ontvankelijk is. Voorzover sprake is van een weigering
beschikt de Staat c.q. Minister van Binnenlandse Zaken niet
over bevoegdheden om een dergelijke handelwijze te verhinderen
en hebben zij terzake geen rol.
De wederpartij meent voorts dat de WGB niet ziet op het op
grond van sekse al dan niet toelaten tot een politieke partij.
Het betoog van verzoekster dat niet-toelating tevens
impliceert dat de toegang tot het ambt van volksvertegenwoor-
diger wordt ontzegd, is feitelijk onjuist. Het zijn de kiezers
die beslissen wie gekozen wordt. Kandidaatstelling binnen een
politieke partij is voorts niet de enige manier om het ambt te
verkrijgen.

Noch artikel 1a noch artikel 2 zien op het ambt van volks-
vertegenwoordiger. Artikel 1a veronderstelt een verhouding van
afhankelijkheid met het bevoegd gezag, die in casu ontbreekt.
Artikel 2 veronderstelt diensten tegen betaling; bij volks-
vertegenwoordigers is echter geen sprake van beloning voor
verrichte diensten.
De regering acht zich uiteraard verbonden aan de verplich-
tingen die voortvloeien uit het IVDV. Het handhavingsmecha-
nisme is echter niet gelegen in de wetgeving gelijke behan-
deling maar in artikel 15 BW.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. De vraag ligt voor, of de wederpartij jegens verzoekster
in strijd handelt met de WGB door toe te staan dat zij niet
wordt toegelaten als lid van een bepaalde politieke partij en
door haar dusdoende de mogelijkheid te ontnemen namens deze
als volksvertegenwoordiger op te treden.

4.2. Ofschoon na de indiening van het verzoek de Algemene wet
gelijke behandeling in werking is getreden, namelijk per 1
september 1994, dient, zo merkt de Commissie ten overvloede
op, het verzoek alleen te worden getoetst aan de wetgeving die
ten tijde van de indiening van het verzoek gold, namelijk de
WGB.

4.3. De eerste vraag is, of het lidmaatschap van de
betreffende politieke partij zozeer en op zo’n wijze verbonden
is met het ambt van volksvertegenwoordiger, dat het
lidmaatschap als wezenlijke toegangsvoorwaarde voor deze
functie moet worden beschouwd.
De Commissie overweegt hierover als volgt.

Het is inderdaad juist, dat lid worden van een politieke
partij niet de enige wijze is om het ambt van volksverte-
genwoordiger te verwerven. Het is echter wel de enige
toegangsmogelijkheid -al is het geen garantie- om namens juist
deze politieke partij dit ambt te vervullen en bijvoorbeeld
bij de uitoefening van de functie gebruik te maken van de
politieke en wetenschappelijk ondersteuning die juist deze
partij en de met haar verbonden instituties te bieden heeft.
De Commissie concludeert hieruit dat de toegang tot het
lidmaatschap inderdaad een toegangsvoorwaarde is voor het
vervullen van de genoemde functie namens de betreffende
politieke partij.

4.4. De volgende vraag is, of het ambt van
volksvertegenwoordiger namens de wederpartij begrepen moet
worden onder de WGB. Verzoekster beroept zich daarbij op de
artikelen 1a en 2 WGB, onder de stelling dat deze moeten
worden geinterpreteerd in het licht van met name het IVDV. De
wederpartij meent dat bij het ambt van volksvertegenwoordiger
sprake is van een functie sui generis waarop de WGB niet ziet.

De Commissie overweegt hierover als volgt.

4.5. Alvorens na te gaan of het ambt van
volksvertegenwoordiger kan en moet worden begrepen onder de
WGB, dient te worden bezien of het interpretatiekader van de
WGB een dergelijke uitleg toelaat.

Zoals de Commissie van mannen en vrouwen bij de arbeid in
eerdere oordelen al meermalen heeft gememoreerd, beogen de WGB
alsmede artikel 7A:1637ij BW, gelet op de wetsgeschiedenis,
volledige uitvoering te geven aan onder andere artikel 119 EG-
Verdrag en de Tweede EG-richtlijn (Richtlijn van 9 februari
1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van
gelijke behandeling van mannen en vrouwen inzake de toegang
tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de
promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden,
Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, nr. L/39/40.).
Het EG-Hof is blijkens haar overwegingen in de zaak Von
Colson/Kamann d.d. 10 april 1984 (Hof van Justitie EG, Von
Colson en Kamann/Land Nordrhein-Westfalen, zaak nr. 14/83.
Jurisprudentie 1984, 1891.) van mening dat nationale rechters
en anderen die met overheidsgezag zijn bekleed om binnen hun
bevoegdheden de nationale wetgeving toe te passen in het licht
van de bewoordingen en algemene doelstelling van de Tweede
richtlijn. Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt dat ongelijke
behandeling op grond van geslacht is verboden wat betreft de
toegangsvoorwaarden, met inbegrip van de selectie-criteria,
tot beroepen of functies, ongeacht de sector of bedrijfstak.

De richtlijn beoogt derhalve feitelijk alle arbeid te dekken,
en beperkt zich niet tot die arbeidsrelaties waarin sprake is
van een gezagsverhouding zoals bedoeld in de Nederlandse
omschrijving van de arbeidsovereenkomst of een relatie ex
artikel 2 WGB.

De vraag rijst, of ook de arbeid die een volksvertegenwoor-
diger verricht, begrepen moet worden onder de werking van de
Tweede richtlijn te vallen. Zo het antwoord daarop bevestigend
zou luiden, is de Nederlandse wetgever gehouden om gelijke
toegang, ongeacht sekse, tot deze arbeid te garanderen.

Een volksvertegenwoordiger verricht arbeid, en ontvangt
hiervoor een vergoeding. Voor sommige categorieen volksver-
tegenwoordigers, vooral die welke feitelijk een aanzienlijk
deel van de normale werktijd in beslag nemen zoals het
lidmaatschap van de Tweede Kamer en het zijn van wethouder of
gedeputeerde, gelden afvloeiingsregelingen en/of pensi-
oenregelingen die gebaseerd zijn op het aantal jaren waarin de
functie is vervuld. De rechtspositieregelingen voor
bijvoorbeeld de leden van de Tweede Kamer zijn/worden in
formele wetten vastgelegd, dat wil zeggen door Regering en
Staten-Generaal gezamenlijk (artikel 63 jo 81 Grondwet).

De Commissie neemt voorts in aanmerking dat andere functies,
waarvoor weliswaar niet formeel een lidmaatschap van een
politieke partij vereist is maar die politiek wel gevoelig
liggen en gemeenlijk mede aan de hand van een partij-politieke
verdeelsleutel worden toegekend, zoals het ambt van
burgemeester, sommige hoge ambtelijke functies en advies-
colleges, ook, en nimmer betwist, onder de werking van de
Tweede richtlijn vallen.

Gelet op het bovenstaande, ziet de Commissie vooralsnog geen
aanleiding om te veronderstellen dat de genoemde EG-richtlijn
niet zou zien op de functie van volksvertegenwoordiger. Dat
een volksvertegenwoordiger een bijzondere plaats inneemt in
het Nederlands democratisch bestel doet daar in dit kader niet
aan af.

4.6. Nu de Commissie het interpretatiekader van de WGB nader
heeft aangegeven, rijst de vraag of het ambt van volksver-
tegenwoordiger begrepen kan worden onder de betreffende
artikelen, te weten 1a, 1b of 2, al dan niet juncto artikel 3
WGB.
Verzoekster wijst in het bijzonder op artikel 2 WGB. Zij heeft
echter geen nadere argumentatie aangedragen voor een vast-
stelling dat de uitoefening van het ambt van volksvertegen-
woordiger tot de uitoefening van een vrij beroep zou behoren.
Ook de Commissie zelf ziet daarvoor geen aanknopingspunten,
integendeel. Artikel 67 lid 3 Grondwet bepaalt immers
uitdrukkelijk dat volksvertegenwoordigers functioneren zonder
last.

Het is ditzelfde grondwetartikel dat de mogelijke toepasse-
lijkheid van artikel 1a en 1b WGB verhindert: ook in de daar
bedoelde arbeidsrelaties wordt immers steeds uitgeaan van een
vorm van gezag.

Samenvattend concludeert de Commissie dat het (grond)wettelijk
kader niet de ruimte laat om genoemde artikelen uit de WGB
conform de Tweede EG-richtlijn uit te leggen in die zin dat
ook het ambt van volksvertegenwoordiger onder de WGB zou
vallen, aangezien een volksvertegenwoordiger nimmer onder
gezag van een ander werkt.
Het komt voorts niet aan de Commissie toe, haar bevoegdheid
tot oordelen direct te ontlenen aan het EG-recht; zij is in
casu alleen bevoegd de WGB te interpreteren.

4.7. Gezien het bovenstaande staat vast dat de WGB niet ziet
op (de toelatingsvoorwaarden tot) het ambt van volksvertegen-
woordiger, en dat de wederpartij in deze niet verantwoordelijk
kan worden gesteld in de zin van de WGB. Derhalve kan de
Commissie verzoekster niet in haar verzoek ontvangen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat mevrouw

te Roermond niet ontvangen kan worden in haar klacht jegens de
Staat der Nederlanden dat deze toelaat dat zij door de
Staatkundig Gereformeerde Partij te Den Haag niet als lid
wordt toegelaten en derhalve geen toegang heeft tot het ambt
van volksvertegenwoordiger namens deze partij.

Rechters

Mrs Evenhuis, Heringa, Goldschmidt, Hubner

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 december 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Vrouwen wordt het onmogelijk gemaakt om namens de SGP
werkzaam te zijn als volksvertegenwoordiger wanneer hen het
lidmaatschap van deze partij geweigerd wordt. Volgens de
Commissie vallen de werkzaamheden van een
volksvertegenwoordiger niet onder de WGB. Deze wet ziet alleen
op arbeid waarbij werkzaamheden plaatsvinden binnen een
gezagsverhouding of bij het uitoefenen van een vrij beroep.
Hiervan is bij de werkzaamheden van een volksvertegenwoordiger
geen sprake. Het verzoek is om die reden dan ook niet
ontvankelijk.
Wel laat de Commissie in haar uitspraak blijken dat zij het
zeer waarschijnlijk acht dat de functie van
volksvertegenwoordiger valt binnen de reikwijdte van de tweede
EG-richtlijn. Indien dit inderdaad het geval blijkt te zijn is
volgens de Commissie de Nederlandse wetgever gehouden om
gelijk toegang, ongeacht sekse, tot deze arbeid te garanderen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 27 april 1994 verzocht mevrouw te Roermond (hierna:
verzoekster), de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de
vraag of de Staat der Nederlanden te Den Haag (hierna: de
wederpartij) onderscheid heeft gemaakt naar geslacht in strijd
met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB;
Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoekster heeft zich op 5 augustus 1993 aangemeld tot
het lidmaatschap van een politieke partij. Deze heeft haar
uiteindelijk niet toegelaten, om reden dat de dichtstbijzijnde
kiesvereniging niet als voldoende nabij kan worden beschouwd
en dus niet gehouden is haar als lid in te schrijven. Zij
heeft voorts aangegeven dat vrouwen niet als lid worden
toegelaten.
Verzoekster is van mening dat de Staat der Nederlanden een in
de WGB verboden onderscheid naar sekse maakt door toe te staan
dat de betreffende politieke partij het vrouwen onmogelijk
maakt om het ambt van volksvertegenwoordiger namens deze
partij te vervullen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en
een onderzoek ingesteld. Partijen hebben de gelegenheid gehad
hun standpunten weer te geven.

2.2. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en
een onderzoek ingesteld. De Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid heeft per 1 september 1994
haar werkzaamheden overgedragen aan de Commissie gelijke
behandeling, die is ingesteld op grond van de inwerkingtreding
van de Algemene wet gelijke behandeling op 1 september 1994
(AWGB; Stb. 1994, 230).

2.3. De onderhavige zaak is gevoegd behandeld met een
samenhangend verzoek van verzoekster, zich richtend tot de
desbetreffende politieke partij (Zie oordeelnummer 94-16).

2.4. Partijen zijn opgeroepen te verschijnen op een zitting
van de Commissie op 8 december 1994.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster:

– mw (verzoekster)
– mw mr A. van Bon-Moors (advocaat)

van de kant van de wederpartij:

– mw mr(Ministerie van Binnenlandse Zaken)
– mw mr(Ministerie van Binnenlandse Zaken)

van de kant van de Commissie:

– mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)
– dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer)
– mw prof. mr J.E. Goldschmidt (plv. lid Kamer)
– mw mr M.M. Hubner (juridisch adviseur).

2.5. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd in paragraaf
2.4.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is een particulier, wonende te Roermond. Zij
heeft zich op 5 augustus 1993 bij het partijbureau van de
betreffende politieke partij te Den Haag als lid gemeld. Na
een daartoe strekkende sommatie van haar advocaat heeft deze
politieke partij op 8 oktober 1993 schriftelijk meegedeeld dat
aanmelding van lidmaatschap alleen mogelijk is bij een
plaatselijke kiesvereniging van haar in de gemeente (artikel 5
lid a der Statuten).

3.2. Verzoekster heeft zich vervolgens op 13 oktober 1993
schriftelijk gewend tot de Provinciale Kiesvereniging Noord-
Brabant met het verzoek als lid te worden toegelaten. In haar
eigen gemeente Roermond en breder, in de gehele provincie
Limburg, bestond namelijk geen kiesvereniging van de
betreffende partij; verzoekster achtte de kiesvereniging
Noord-Brabant de meest nabije kiesvereniging in de zin van de
Statuten.
Het Hoofd van het Partijbureau te Den Haag heeft in reactie
hierop aan verzoekster meegedeeld, dat de Statuten geen nadere
aanduiding geven van het begrip “nabije kiesvereniging”. Bij
een conflict hierover beslist het Hoofdbestuur. Het Hoofd liet
weten op het standpunt te staan dat Raamsdonk niet als “nabije
kiesvereniging” in de zin van de Statuten kan worden gezien,
gelet op de geografische afstand tussen Raamsdonk en Roermond.
Het Hoofd voegde hieraan toe, dat de kiesvereniging ver-
zoekster om een subsidiaire reden niet als lid kan in-
schrijven. Ofschoon het lidmaatschap van vrouwen nog niet
formeel door de Statuten is verboden, heeft de huishoudelijke
vergadering van de betreffende politieke partij inmiddels
besloten dat dit niet aan vrouwen toekomt.

3.3. Verzoekster heeft vervolgens op 20 januari 1994 het
hoofdbestuur van de betreffende politieke partij verzocht mee
te delen, welke als de voor haar meest dichtstbijzijnde kies-

vereniging moet worden beschouwd. Zij verzocht tevens, of,
ingeval een plaatselijke kiesvereniging vrouwen toch als lid
aanvaardt, het hoofdbestuur daartegen sancties neemt.
Op 28 februari 1994 werd geantwoord, dat ofschoon Raamsdonk
geografisch de dichtstbijzijnde kiesvereniging is, toch niet
is voldaan aan artikel 5 lid 2 van de Statuten. “Nabij” wil
zeggen: “niet ver weg”, ofwel een maximale afstand van
omstreeks 20 kilometer; en Roermond is in dit licht te ver weg
gelegen van Raamsdonk.
Voorts werd gesteld dat de betreffende kiesvereniging in
artikel 3 en 4 van het Huishoudelijk Reglement heeft bepaald
dat slechts mannen als lid worden toegelaten. De vraag of
sancties worden overwogen achtte het Hoofdbestuur, gelet op de
discussie binnen de partij, prematuur.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster is voorts van mening dat de wederpartij door
haar te weigeren in strijd handelt met artikel 1a lid 1 en
artikel 2 WGB. Verzoekster kan hierdoor immers niet namens de
wederpartij volksvertegenwoordiger worden, aangezien de
Kieswet bepaalt dat alleen leden van een politieke partij op
een kieslijst kunnen worden geplaatst.
Genoemde artikelen moeten worden geinterpreteerd in het licht
van de Europese wetgeving gelijke behandeling en het IVDV. Het
ambt van volksvertegenwoordiger is een functie die moet worden
begrepen onder de WGB. Artikel 1a bepaalt immers dat “tot de
openbare dienst (…) worden gerekend alle instellingen,
diensten en bedrijven door de Staat en openbare lichamen
beheerd”. Artikel 3 WGB verbiedt het maken van onderscheid
terzake. Dit artikel richt zich, mede gelet op de oordelen van
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, zowel op de principaal als op de opdrachtnemer, in
casu de wederpartij.
Het ambt van volksvertegenwoordiger kan worden begrepen onder
artikel 2 WGB. Dit bepaalt dat het niet is toegelaten
“onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen met betrekking
tot de voorwaarden voor de toegang tot en de mogelijkheden tot
uitoefening van en ontplooiing binnen het vrije beroep”. Bij
de keuze van de volksvertegenwoordigers/opdrachtnemers worden
vrouwen door de wederpartij/opdrachtgevers echter uitgesloten.
Door vrouwen als lid te weigeren, overtreedt de wederpartij
derhalve genoemd artikel 3 jo artikel 2 WGB.
De wederpartij daarentegen stelt, dat de gestelde weigering
van het lidmaatschap niet begrepen kan worden onder de
reikwijdte van artikel 1a WGB. Deze ziet immers alleen op de
aanstelling tot ambtenaar, indienstneming op
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, de
arbeidsvoorwaarden en de beeindiging van het dienstverband. De
verwijzing van verzoekster naar het ambt van
volksvertegenwoordiger doet geen recht aan het Nederlands
staatsbestel. Inlevering van kandidatenlijsten is ook mogelijk
buiten een politieke groepering om.
Bij volksvertegenwoordigers kan geen sprake zijn van een
dienstverband met de Staat als bedoeld in artikel 1a WGB. Zij
zijn onafhankelijk; hun financiele positie wordt apart bij de
wet geregeld. Mitsdien is ook geen sprake van toepasselijkheid
van artikel 3 WGB.
De wederpartij acht ook artikel 2 WGB niet van toepassing.
Noch in enige wettekst of jurisprudentie noch in de literatuur
is steun te vinden voor de stelling dat ook de arbeid van
volksvertegenwoordiger daaronder begrepen kan of moet worden.
Voorts blijkt uit de parlementaire behandeling van de Algemene
wet gelijke behandeling dat het al dan niet toelaten tot een
politieke partij hier niet onder valt.
De wederpartij wijst er op dat de door verzoekster bepleite
ruime uitleg van genoemde artikelen zou meebrengen dat geen
afweging zou kunnen worden gemaakt tussen het
gelijkheidsbeginsel enerzijds en de vrijheid van vereniging en
godsdienst anderzijds. Waar toegang tot het lidmaatschap al
niet door genoemde Algemene wet gelijke behandeling wordt
bestreken -die wel de mogelijkheid voor een dergelijke
afweging biedt-, kan deze zeker niet in de WGB zijn geregeld.
Tenslotte wijst de wederpartij de stelling van verzoekster af,
als zouden artikel 1a en 2 WGB moeten worden geinterpreteerd
in het licht van het IVDV.

4. De overwegingen van de commissie

4.1. De vraag ligt voor, of de wederpartij jegens verzoekster
in strijd handelt met de WGB door haar niet toe te laten als
lid en haar dusdoende de mogelijkheid te ontnemen namens haar
als volksvertegenwoordiger op te treden.
4.2. Ofschoon na de indiening van het verzoek de Algemene wet
gelijke behandeling in werking is getreden, namelijk per 1
september 1994, dient, zo merkt de Commissie ten overvloede
op, het verzoek alleen te worden getoetst aan de wetgeving die
ten tijde van de indiening van het verzoek gold, namelijk de
WGB.
4.3. De wederpartij heeft ter zitting verklaard dat zij, gelet
op het niet-bindende karakter van Commissie-oordelen, niet
zozeer hecht aan haar bezwaren inzake verzoeksters belang en
(het ontbreken van) een formele weigering dat deze aan
beoordeling door de Commissie van de vraag ten principale in
de weg staan. Gelet hierop gaat de Commissie op dit moment
voorbij aan hetgeen partijen hierover hebben gesteld.
4.4. De eerste vraag is, of het lidmaatschap van de
betreffende politieke partij zozeer en op zo’n wijze verbonden
is met het ambt van volksvertegenwoordiger, dat het
lidmaatschap als toegangsvoorwaarde voor deze functie moet
worden opgevat.
De Commissie overweegt hierover als volgt.
Het is inderdaad juist, dat lid worden van een politieke
partij niet de enige wijze is om het ambt van
volksvertegenwoordiger te verwerven. Het is echter wel de
enige toegangsmogelijkheid -al is het geen garantie- om namens
juist deze politieke partij dit ambt te vervullen en
bijvoorbeeld bij de uitoefening van de functie gebruik te
maken van de politieke en wetenschappelijk ondersteuning die
juist deze partij en de met haar verbonden instituties te
bieden heeft. De Commissie concludeert hieruit dat de toegang
tot het lidmaatschap inderdaad een wezenlijke
toegangsvoorwaarde is voor het vervullen van de genoemde
functie namens de wederpartij.
4.5. De volgende vraag is, of het ambt van
volksvertegenwoordiger namens de wederpartij begrepen moet
worden onder de WGB. Verzoekster beroept zich daarbij op de
artikelen 1a en 2 WGB, onder de stelling dat deze moeten
worden geinterpreteerd in het licht van met name het IVDV. De
wederpartij wijst een dergelijk beroep af, in de kern omdat de
WGB m/v geen mogelijkheid biedt tot afweging met de vrijheden
van vereniging en godsdienst. Nu een soortgelijke wet, die wel
een dergelijke afwegingsmogelijkheid kent, uitdrukkelijk niet
op politieke partijen van toepassing is, kan de gelijke
behandelingsnorm te dien aanzien niet in de (eerdere) WGB m/v
al zijn vastgelegd.
De Commissie overweegt hierover als volgt.
4.6. Alvorens na te gaan of het ambt van
volksvertegenwoordiger begrepen kan en moet worden onder de
WGB, moet bezien worden of het interpretatiekader van de WGB
een dergelijke uitleg toelaat.
Zoals de Commissie van mannen en vrouwen bij de arbeid in
eerdere oordelen al meermalen heeft gememoreerd, beogen de WGB
alsmede artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW), gelet op de
wetsgeschiedenis, volledige uitvoering te geven aan onder
andere artikel 119 EG-Verdrag en de Tweede EG-richtlijn
(Richtlijn van 9 februari 1976 betreffende de
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van
mannen en vrouwen inzake de toegang tot het arbeidsproces, de
beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de
arbeidsvoorwaarden, Publikatieblad van de Europese
Gemeenschappen, nr L/39/40). Het EG-Hof is blijkens haar
overwegingen in de zaak Von Colson/Kamann d.d. 10 april 1984
(Hof van Justitie EG, Von Colson en Kamann/Land Nordrhein-
Westfalen, zaak nr. 14/83. Jurisprudentie 1984, 1891) van
mening dat nationale rechters en anderen die met
overheidsgezag zijn bekleed om binnen hun bevoegdheden de
nationale wetgeving toe te passen in het licht van de
bewoordingen en algemene doelstelling van de Tweede Richtlijn.
Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt dat ongelijke behandeling
op grond van geslacht is verboden wat betreft de
toegangsvoorwaarden, met inbegrip van de selectie-criteria,
tot beroepen of functies, ongeacht de sector of bedrijfstak.
De richtlijn beoogt derhalve feitelijk alle arbeid te dekken,
en beperkt zich niet tot die arbeidsrelaties waarin sprake is
van een gezagsverhouding zoals bedoeld in de Nederlandse
omschrijving van de arbeidsovereenkomst of een relatie ex
artikel 2 WGB.
De vraag rijst, of ook de arbeid die een
volksvertegenwoordiger verricht, begrepen moet worden onder de
werking van de Tweede Richtlijn te vallen. Zo het antwoord
daarop bevestigend zou luiden, is de Nederlandse wetgever
gehouden om gelijke toegang, ongeacht sekse, tot deze arbeid
te garanderen.
Een volksvertegenwoordiger verricht arbeid, en ontvangt
hiervoor een vergoeding. Voor sommige categorieen
volksvertegenwoordigers, vooral die welke feitelijk een
aanzienlijk deel van de normale werktijd in beslag nemen zoals
het lidmaatschap van de Tweede Kamer en het zijn van wethouder
of gedeputeerde, gelden afvloeiingsregelingen en/of
pensioenregelingen die gebaseerd zijn op het aantal jaren
waarin de functie is vervuld. De rechtspositieregelingen voor
bijvoorbeeld de leden van de Tweede Kamer zijn/worden in
formele wetten vastgelegd, dat wil zeggen door Regering en
Staten-Generaal gezamenlijk (artikel 63 jo 81 Grondwet).
De Commissie neemt voorts in aanmerking dat andere functies,
waarvoor weliswaar niet formeel een lidmaatschap van een
politieke partij vereist is maar die politiek wel gevoelig
liggen en gemeenlijk mede aan de hand van een partij-politieke
verdeelsleutel worden toegekend, zoals het ambt van
burgemeester, sommige hoge ambtelijke functies en
adviescolleges, ook, en nimmer betwist, onder de werking van
de Tweede Richtlijn vallen.
Gelet op het bovenstaande, ziet de Commissie vooralsnog geen
aanleiding om te veronderstellen dat de genoemde EG-richtlijn
niet zou zien op de functie van volksvertegenwoordiger. Dat
een volksvertegenwoordiger een bijzondere plaats inneemt in
het Nederlands democratisch bestel doet daar op zich niet aan
af.
De wederpartij heeft er in haar verweer op gewezen, dat in de
WGB een afwegingsmogelijkheid met de vrijheid van vereniging
en godsdienst ontbreekt. Met andere woorden, ingeval de
functie van volksvertegenwoordiger onder de werking van
genoemde bepalingen zou vallen, kan bij de interpretatie
spanning met de Grondwet ontstaan, die immers de vrijheid van
vereniging en van godsdienst garandeert.
De Commissie wijst er op, dat Nederland als EG-lidstaat
gebonden is aan de EG-wetgeving. De EG-wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen in en rond de arbeid erkent,
ook volgens het EG-Hof, slechts in zeer beperkte gevallen een
beroep op een uitzondering op het verbod van direct
onderscheid; deze zijn wettelijk vastgelegd. Daarbij is niet,
althans niet in expliciete bewoordingen, voorzien in een
algemeen beroep op (nationale constitutioneel vastgelegde)
grondrechten.
Wel hebben de EG zich gecommitteerd aan de bescherming van
grondrechten als onder meer vastgelegd in de EVRM (vergelijk
artikel F Europees Unieverdrag)). Strijdigheid tussen een EG-
richtlijn en fundamentele vrijheden dient primair te worden
vastgesteld door het EG-Hof; ook kunnen die vrijheden het EG-
Hof leiden tot een aangepaste interpretatie van die richtlijn.
Met andere woorden: zo de relevante EG-regels op gespannen
voet staan met de fundamentele vrijheden kan zulks door de
nationale rechter aan het EG-Hof worden voorgelegd.
Zo de wederpartij bedoelde te betogen dat, bij ontbreken in de
WGB van een afwegingsmogelijkheid met nationale
grondwettelijke bepalingen inzake grondrechten, de WGB alleen
al daarom niet van toepassing kan zijn, kan de Commissie haar
dan ook niet volgen.
4.7. Nu de Commissie het interpretatiekader van de WGB nader
heeft aangegeven, rijst de vraag of het ambt van
volksvertegenwoordiger begrepen kan worden onder de
betreffende artikelen, te weten 1a, 1b of 2, al dan niet
juncto artikel 3.
Verzoekster wijst in het bijzonder op artikel 2 WGB. Zij heeft
echter geen nadere argumentatie aangedragen voor een
vaststelling dat de uitoefening van het ambt van
volksvertegenwoordiger tot de uitoefening van een vrij beroep
zou behoren. Ook de Commissie zelf ziet daarvoor geen
aanknopingspunten, integendeel. Artikel 67 lid 3 Grondwet
bepaalt immers uitdrukkelijk dat volksvertegenwoordigers
functioneren zonder last.
Het is ditzelfde grondwetsartikel dat de mogelijke
toepasselijkheid van artikel 1a en 1b WGB verhindert: ook in
de daar bedoelde arbeidsrelaties wordt immers steeds uitgegaan
van een vorm van gezag.
Samenvattend concludeert de Commissie dat het (grond)wettelijk
kader niet de ruimte laat om genoemde artikelen uit de WGB
conform de Tweede EG-richtlijn uit te leggen in die zin dat
ook het ambt van volksvertegenwoordiger onder de WGB zou
vallen, aangezien een volksvertegenwoordiger nimmer onder
gezag van een ander werkt.
Het komt voorts niet aan de Commissie toe, haar bevoegdheid
tot oordelen direct te ontlenen aan het EG-recht; zij is in
casu alleen bevoegd de WGB te interpreteren.
4.8. Gezien het bovenstaande staat vast dat de WGB niet ziet
op (de toelatingsvoorwaarden tot) het ambt van
volksvertegenwoordiger, en dat de wederpartij in deze niet
verantwoordelijk kan worden gesteld in de zin van de WGB.
Derhalve kan de Commissie verzoekster niet in haar verzoek
ontvangen.

(…)

Het oordeel van de Commissie gelijke behandeling in de zaak F,
verzoekster en wederpartij de Staat der Nederlanden is
nagenoeg gelijkluidend aan bovenstaande uitspraak (CGB oordeel
94-16).
Deze zaak is gegarandeerd door het Proefprocessenfonds
Rechtenvrouw.
De volledige tekst van deze uitspraak is op de vragen bij de
Commissie gelijke behandeling.

Rechters

Mrs Evenhuis, Heringa, Goldschmidt, Hubner