Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 december 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij heeft in het kader van een reorganisatie besloten een
aantal medewerkers te ontslaan. Volgens verzoeker worden er hierdoor
meer vrouwen dan mannen getroffen. Bovendien is er bij de reorganisatie
geen juiste uitvoering gegeven aan het geldende positieve actiebeleid.
Ten slotte is ten aanzien van een vrouw voor wie ontslag dreigde,
zodanig intimiderend opgetreden dat zij uiteindelijk met een
beëindigingsovereenkomst akkoord is gegaan. Verzoeker is van mening dat
de wederpartij hiermee in strijd heeft gehandeld met de wetgeving
gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Op grond van de cijfers is
de Commissie van oordeel dat er sprake is van een vermoeden van
indirect onderscheid. Na onderzoek komt de Commissie tot het oordeel
dat er geen sprake is van indirect onderscheid.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 13 oktober 1993 verzocht het Instituut Vrouw en Arbeid te Den
Haag (hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of het
College van Bestuur van de Katholieke Universiteit Nijmegen te Nijmegen
(hierna: de wederpartij) onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. De wederpartij heeft in het kader van een reorganisatie besloten
een aantal medewerkers te ontslaan. Volgens verzoeker worden er
hierdoor meer vrouwen dan mannen getroffen. Bovendien is er bij de
reorganisatie geen juiste uitvoering gegeven aan het geldende positieve
actiebeleid. Ten slotte is ten aanzien van een vrouw voor wie ontslag
dreigde, zodanig intimiderend opgetreden dat zij uiteindelijk met een
beëindigingsovereenkomst akkoord is gegaan. Verzoeker is van mening dat
de wederpartij hiermee in strijd heeft gehandeld met de wetgeving
gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met een
doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen, die voor 1 september 1994 gold (WGB;
Stb. 1989, 168). Hiermee voldoet verzoeker aan de eisen die de Wet aan
een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

3.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Verzoeker heeft de Commissie aanvankelijk verzocht
een spoedprocedure toe te passen. Wegens het ontbreken van een
spoedeisend belang is de Commissie daartoe niet overgegaan. Zij heeft
de normale procedure gehanteerd. De Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid heeft per 1 september 1994 haar
werkzaamheden overgedragen aan de Commissie gelijke behandeling, die is
ingesteld op grond van de inwerkingtreding van de Algemene wet gelijke
behandeling op 1 september 1994 (AWGB; Stb. 1994, 230).

3.2. Conform artikel 14 lid 3 WGB zoals die voor 1 september 1994 gold,
heeft de Commissie de vrouw met wie een beëindigingsovereenkomst is
gesloten in de loop van het onderzoek op de hoogte gesteld van het feit
dat zij in het verzoek was genoemd. Zij heeft aangegeven er bezwaar
tegen te hebben bij het onderzoek betrokken te worden, hetgeen dan ook
niet is gebeurd. 3.3. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk
toegelicht. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen hun
standpunten nader toe te lichten tijdens een zitting op 7 december
1994.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker – mw A. van Bon-Moors (advocaat) – mw prof.
(hoogleraar)

van de kant van de wederpartij – mw mr
– dhr prof.
– dhr prof. dr .

van de kant van de Commissie – dhr prof. mr P.F. van der Heijden
(Kamervoorzitter) – mw drs A.J. Huber (lid Kamer) – mw prof. mr J.E.
Goldschmidt (lid Kamer) – mw mr A.K. de Jongh (juridisch adviseur).

3.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 3.3.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

4.1. De wederpartij is een universiteit. In verband met bezuinigingen,
heeft zij besloten om een aantal functies van (onder andere) de
faculteit letteren op te heffen. Hiertoe is een beleidsplan (Herzien
Beleidsplan 1993-1996) opgesteld dat, nadat de faculteitsraad hierover
was gehoord, door het faculteitsbestuur is vastgesteld op 1 november
1993. Dit plan is hiervoor eerst nog aan de facultaire
emancipatiecommissie (hierna: de FEC) van de faculteit letteren
voorgelegd. De FEC heeft hier een advies over uitgebracht van 29
september 1993. In dit advies geeft de FEC onder andere aan dat het
plan onvoldoende reele positieve consequenties heeft voor de man/vrouw
verhouding in de faculteit.

Hierna is een reorganisatieplan opgesteld. Deze is in januari 1994 door
het faculteitsbestuur vastgesteld, waarbij tevens aan het College van
Bestuur is gevraagd hieraan uitvoering te geven. De bedoeling was dat
per 1 september 1994 de faculteit in zijn gewijzigde vorm zou gaan
functioneren.

4.2. Op 11 oktober 1993 werkten er in de rangen van het weten-
schappelijk personeel van de wederpartij in totaal 142 personen,
waaronder 33 hoogleraren, 40 universitaire hoofddocenten (hierna: UHD)
en 69 universitaire docenten (hierna: UD). Onder de hoogleraren
bevonden zich 2 vrouwen, onder de UHD’s 4 vrouwen en onder de UD’s 10
vrouwen. Twee van de vrouwelijke UHD’s werkten bij de vakgroep Neder-
lands. Uitgedrukt in Full Time Equivalenten (FTE) was het totaal aan
FTE van de vrouwelijke UHD’s op 11 oktober 1993 2,4. Het totaal FTE van
de mannelijke UHD’s bedroeg toen 31,3.

Uit het reorganisatieplan blijkt dat de reorganisatie de volgende
gevolgen had voor de personeelssamenstelling. Er worden 4 mannen
ontslagen, waaronder 2 hoogleraren, een UD en een UHD. Van 3 mannen
werd het aantal arbeidsuren verminderd. Hieronder waren een hoogleraar
en 2 UHD’s. Voorts is er met 1 vrouwelijke UHD en 8 mannen een
beëindigingsovereenkomst gesloten. Deze mannen bestonden uit een
hoogleraar, 3 UHD’s en 4 UD’s.

4.3. Uit een brief van 23 september 1993 van de FEC aan de voorzitter
van de faculteit letteren blijkt dat de FEC meent dat reeds
vooruitlopend op de vaststelling van het beleidsplan 1993-1996 aan twee
vrouwelijke UHD’s ontslag is aangezegd. De voorzitter ontkent dit in
een brief van 29 september 1993. Er zijn met de medewerkers voor wie
ontslag dreigde weliswaar gesprekken gevoerd, maar hierin zijn zij
slechts op de hoogte gesteld van het voornemen tot ontslag.

Met een van de vrouwelijke UHD’s die met ontslag was bedreigd is
uiteindelijk een beëindigingsovereenkomst gesloten. Het betrof hier een
UHD Nederlands. De andere vrouwelijke UHD kon alsnog in dienst blijven,
omdat een hoogleraar bereid bleek vervroegd met de VUT te gaan.
Hierdoor kon zij voor zijn arbeidsuren aangesteld blijven.

4.4. In oktober 1992 heeft het faculteitsbestuur een positief actieplan
aanvaard. Hierin staat onder andere vermeld dat er met kracht naar
gestreefd moet worden een kwantitatieve man/vrouw verhouding tot stand
te brengen, die meer overeenstemming vertoont met de verhoudingen in
het aantal afgestudeerden respectievelijk met de sekse-ratio op de
arbeidsmarkt. Dit betekent dat het uiterste moet worden gedaan om te
voorkomen dat de bestaande onevenredigheid nog toeneemt. Dit is later
ook in het beleidsplan 1993-1996 opgenomen. In het positief actieplan
staat verder dat de faculteit zich verplicht tot het betrachten van de
uiterste zorgvuldigheid waar het de mogelijke effecten op het
kwantitatieve man/vrouw verhouding betreft. Voorts staat er dat het
uitzetten van een beleid dat verbaal de emancipatie dient, maar
operationeel tot een daling van het aandeel van de vrouwelijke
medewerkers leidt niet geloofwaardig is.

Volgens het beleidsplan 1993-1996 wordt binnen het vaste
wetenschappelijk personeel gestreefd naar een aandeel van 25% vrouwen
en voor het overige wetenschappelijk personeel en AIO’s 50% vrouwen.
Bij het vaststellen van deze streefcijfers is het aandeel van
vrouwelijk wetenschappelijk personeel gerelateerd aan het potentiele
aanbod van vrouwen op de arbeidsmarkt. Deze streefcijfers komen overeen
met aanbevelingen van de werkgroep positieve actie aan de faculteit der
letteren. In deze aanbevelingen staat vermeld dat zolang de man/vrouw
verhouding op de faculteit, respectievelijk de vakgroep, niet in
overeenstemming is met het aanbod op de arbeidsmarkt, vrouwen zullen
worden gevrijwaard voor gedwongen ontslag in het kader van
reorganisaties. Deze aanbevelingen zijn niet in het beleidsplan
opgenomen. Wel meldt het beleidsplan dat indien op grond van een
reorganisatieplan het enige vrouwelijke lid van de staf van het
wetenschappelijk personeel zou moeten afvloeien, erop wordt toegezien
dat dit slechts gebeurt na een zeer indringende en toetsbare afweging
van alle relevante aspecten. Hiervan is in het onderhavige geval geen
sprake.

Het College van Bestuur is verantwoordelijk voor de realisering van het
positieve actiebeleid binnen de totale instelling.

De standpunten van partijen

4.5. Volgens verzoeker heeft de wederpartij bij de reorganisatie in
strijd met de WGB gehandeld. Dit blijkt uit het volgende. In de eerste
plaats is er sprake van indirect onderscheid, omdat door de
reorganisatie de vrouwelijke UHD’s onevenredig zwaar zijn getroffen.
Uiteindelijk is een van de vier vrouwelijke UHD’s ontslagen, terwijl er
relatief gezien veel minder mannen zijn ontslagen. Ook bij het bepalen
wie ontslagen moesten worden, was er sprake van indirect onderscheid.
In eerste instantie was het immers de bedoeling om twee van de vier
vrouwelijke UHD’s te ontslaan. Naar de mening van verzoeker is er in
beide gevallen geen objectieve rechtvaardigingsgrond aanwezig.

In de tweede plaats is het van toepassing zijnde positief actiebeleid
voor vrouwen niet meegewogen bij de beslissing wie ontslagen zou
worden. Het feit dat voor een van de vrouwen die ontslagen zou worden
een oplossing is gevonden om toch te kunnen blijven, doet niet af aan
de wijze waarop het faculteitsbestuur gekozen heeft vorm te geven aan
de reorganisatie. Er is op een willekeurige wijze tot een keuze gekomen
wie ontslagen moesten worden, hetgeen discriminatie op grond van
geslacht tot gevolg heeft gehad.

Ten slotte is ten aanzien van de UHD Nederlands zodanig intimiderend
opgetreden dat zij uiteindelijk met de beëindigingsovereekomst akkoord
is gegaan. Sinds augustus 1993 is zij verschillende keren bij de decaan
geroepen. Deze hield haar dan voor dat als zij voor 1 december 1993
vrijwillig zou instemmen met haar ontslag, zij nog in aanmerking kon
komen voor een gunstige wachtgeldregeling. Indien zij tegen haar
ontslag verweer zou voeren, zou er echter een minder gunstige
wachtgeldregeling van toepassing zijn. Met de mannelijke UHD
Nederlands, die mag aanblijven, zijn niet zulke gesprekken gevoerd. De
wederpartij heeft geen moeite getroost de positie van de vrouwelijke
UHD te redden of een eerlijke afweging te maken tussen de twee UHD’s.
Verzoekster bestrijdt dat het hier ging om beperkt uitwisselbare
functies. Voorts brengt verzoeker naar voren dat de wederpartij niet
heeft getracht de ontslagen vrouw binnen de universiteit te
herplaatsen.

4.6. De wederpartij voert het volgende aan. Zij bestrijdt dat er sprake
is van indirect onderscheid naar geslacht. Indien de gehele
personeelsbezetting van het wetenschappelijke staf in beschouwing wordt
genomen, blijkt dat de reorganisatie niet tot een verslechtering van de
man/ vrouw verhouding heeft geleid, integendeel. Van de 16 vrouwen is
er uiteindelijk een ontslagen, terwijl er onder de 126 mannen 16
ontslagen zijn gevallen.

Inkrimping van de wetenschappelijke staf en in het bijzonder van de
“topstaf” (de hoogleraren en de UHD’s) binnen de letterenfaculteit was
op grond van financiele redenen noodzakelijk. De wetenschappelijke
topstaf bestaat voor een groot deel uit wetenschappers die op een
bepaald aspect van hun vakgebied gespecialiseerd zijn. Hierdoor zijn
deze functies over het algemeen enkelvoudig, dat wil zeggen dat er
slechts een medewerker is die een functie met die inhoud uitoefent.
Door de hoge specialisatiegraad is de onderlinge uitwisselbaarheid van
medewerkers op dit niveau beperkt. Doorslaggevend voor de keuze om de
plaats van de vrouwelijke UHD Nederlands op te heffen, was dat er op
haar specialisatiegebied (moderne Nederlandse literatuur en poezie) nog
twee UD’s waren die deskundig waren en haar werk (deels) konden
overnemen. Op het specialisatiegebied van de mannelijke UHD Nederlands
(Vlaamse letterkunde) was dat niet het geval.

In het beleidsplan voor het wetenschappelijk personeel is primair
bepalend geweest de behoefte aan bepaalde specialismen, gezien de
onderwijs- en onderzoeksresultaten die er lagen. Pas daarna, bij het
opstellen van het reorganisatieplan, is bekeken wie de geschrapte
formatieplaatsen bezetten en dus zouden moeten afvloeien en of hierdoor
de man/vrouw verhouding dusdanig verstoord zou worden dat van het
reorganisatieplan afgeweken moest worden. Indien de man/vrouw
verhouding als bepalend element was gehanteerd bij het opstellen van
het beleidsplan, zou er een discrepantie zijn ontstaan tussen de te
verrichten werkzaamheden en de kwalificaties van de personeelsleden die
deze werkzaamheden moesten uitvoeren. Dit was ten koste gegaan van de
kwaliteit van het onderwijs en onderzoek. Overigens geeft de
wederpartij aan bij de uitvoering van het beleidsplan 1993-1996 wel
degelijk het in het plan zelf geformuleerde emancipatiebeleid te hebben
betrokken. Op grond van het positieve actieplan zijn zo nu en dan
andere afwegingen gemaakt dan anders het geval geweest zou zijn. De
wederpartij stelt dat zij al het mogelijke gedaan heeft om ontslagen
van vrouwelijke medewerkers te voorkomen.

De wederpartij erkent dat de man/vrouw verhouding binnen de
wetenschappelijke staf van de letterenfaculteit verre van ideaal is.
Gezien de specialistische functies van de topstaf is het echter
moeilijk om via het afvloeiingsbeleid de man/vrouw verhouding gericht
te verbeteren. Het beleid van de faculteit der letteren ten aanzien van
de man/vrouw verhouding richt zich daarom met name op het
aannamebeleid. Het is de wederpartij overigens niet duidelijk geworden
in welk opzicht zij zich niet aan het positief actiebeleid zou hebben
gehouden. Verzoeker heeft in dit verband slechts naar voren gebracht
dat er sprake is van een slechte vertegenwoordiging van vrouwen in
hogere functies.

De wederpartij bestrijdt dat zij door intimidatie de vrouwelijke UHD
Nederlands zover gekregen heeft om een beëindigingsovereenkomst te
sluiten. In het kader van de voorgenomen verslechtering van de
wachtgeldregeling heeft de wederpartij met de personeelsleden die hier
prijs op stelden, vooruitlopend op de vaststelling van het
reorganisatieplan, over een beëindigingsovereenkomst gesproken.
Aangezien de functie van belanghebbende werd opgeheven, is dit ook met
haar besproken. Van intimidatie is echter geen sprake geweest. Dit
blijkt ook uit een brief die de vrouwelijke UHD Nederlands heeft
gestuurd aan de voorzitter van het faculteitsbestuur, waarin staat dat
zij zijn optreden tegenover haar correct achtte.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de reorganisatie bij
de faculteit letteren onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling.

5.2. Ten tijde dat de onderhavige zaak speelde, gold de WGB tekst zoals
deze voor 1 september 1994 luidde. Artikel 1a lid 1 WGB bepaalt dat het
bevoegd gezag onder andere bij de beëindiging van het dienstverband
geen onderscheid tussen mannen en vrouwen mag maken. Artikel 5 lid 1
WGB maakt op dat verbod een uitzondering, indien het gemaakte
onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te plaatsen
teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen.

Artikel 1 WGB geeft aan dat onder onderscheid tussen mannen en vrouwen
moet worden verstaan direct en indirect onderscheid. Blijkens dit
artikel wordt onder indirect onderscheid verstaan, onderscheid op grond
van andere hoedanigheden dan het geslacht dat onderscheid op grond van
geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid objectief
gerechtvaardigd is.

5.3. Een van de vragen die voorligt is of er hier sprake is van
indirect onderscheid naar geslacht. Hiervan is sprake indien blijkt dat
het vrouwelijk personeel door de reorganisatie onevenredig zwaar wordt
getroffen ten opzichte van de mannen, en hiervoor geen objectieve
rechtvaardigingsgrond bestaat.

Allereerst zal de Commissie dus onderzoeken of de reorganisatie in
overwegende mate voor vrouwen een nadeliger effect heeft gehad dan voor
de mannen. Hierbij vergelijkt de Commissie de cijfers van de
personeelssamenstelling voor de reorganisatie met de cijfers van de
personeelssamenstelling erna. Zij laat hierbij buiten beschouwing dat
er in eerste instantie twee vrouwelijke UHD’s voor ontslag in
aanmerking kwamen, aangezien voor een van deze vrouwen uiteindelijk een
oplossing is gevonden om haar in dienst te houden. De Commissie
hanteert relatieve cijfers. Daardoor wordt rekening gehouden met het
aandeel mannen respectievelijk vrouwen dat door de reorganisatie
getroffen is. Bij een bestand waarin mannen en vrouwen niet een
ongeveer gelijk aandeel hebben, zouden absolute cijfers een vertekend
beeld kunnen geven (Een voorbeeld: een onderneming waarin 10 vrouwen
werken en 1000 mannen. Van de vrouwen werken er 9 in deeltijd, van de
mannen ook. Stel dat de deeltijders een lager uurloon ontvangen dan
voltijders. Indien men alleen kijkt naar de aantallen (dus de absolute
getallen) werkt onderscheid ten nadele van deeltijders gelijk uit naar
geslacht; er zijn immers 9 vrouwen en 9 mannen die benadeeld worden.
Toch zal duidelijk zijn dat met name de vrouwen nadelig worden getrof-
fen: immers 9 van de 10 vrouwen tegenover 9 van de 1000 mannen worden
nadelig getroffen.).

Aangezien deze zaak zich toespitst op de functie van UHD, zal de
Commissie de cijfers met betrekking tot deze functie in beschouwing
nemen. Zij neemt hierbij als uitgangspunt de lijst met cijfers van de
facultaire emancipatiecommissie, die verzoeker heeft overhandigd. De
wederpartij heeft later in de procedure andere cijfers naar voren
gebracht. Percentueel gezien leveren deze cijfers echter geen ander
beeld op.

Op 11 oktober 1993 waren bij de wederpartij 40 UHD’s werkzaam,
waaronder 4 vrouwen en 36 mannen. Op grond van het reorganisatieplan
moesten in totaal 7 UHD’s afvloeien, waaronder 1 vrouw en 6 mannen. Dit
betekent dat 25% van de vrouwen moesten afvloeien ((1:4)x100%) en dat
van de mannen 16,6% moesten afvloeien ((6:36)x100%). Dit betekent dat
1,5 (25:16,6) keer zoveel vrouwen als mannen door de reorganisatie zijn
benadeeld.

Indien het aantal FTE in ogenschouw worden genomen, leidt dit tot de
volgende uitkomst. Op 11 oktober 1993 waren er onder de UHD’s 33,7 FTE.
Hiervan werd 2,4 door vrouwen en 31,3 door mannen bezet. Op grond van
het reorganisatieplan moesten er in totaal 5,8 FTE afvloeien, waaronder
0,8 FTE van de vrouwen en 5 FTE van de mannen. Dit betekent dat het
aantal FTE van de vrouwen met 33,3% afnam ((0,8:2,4)x100%) en die van
de mannen met 15,9% ((5:31,3)x100%). Verhoudingsgewijs hebben de
vrouwen dus 2 (33,3:15,9) keer zoveel FTE moeten inleveren dat de
mannen.

5.4. Op grond van deze cijfers is de Commissie van oordeel dat er
sprake is van een vermoeden van indirect onderscheid. Vervolgens zal de
Commissie nagaan of er sprake is van een objectieve
rechtvaardigingsgrond.

Onder een objectieve rechtvaardiging verstaat de Commissie: – dat het
onderscheid gemaakt wordt om een objectief gerechtvaardigd doel te
dienen en – daartoe middelen zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk
zijn om dit doel te bereiken, terwijl – dit doel niet is te bereiken
op andere wijze waarbij geen indirect onderscheid naar geslacht wordt
gemaakt (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, 5 maart 1990, oordeelnummer 1-90-10; Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen, Bilka- Kaufhaus versus Weber von Hartz, 13 mei
1986, zaak 170/84; Rinner-Kühn versus FWW Spezial Gebaüdereinigung GmbH
& Co.KG, 13 juli 1989, zaak 171/88.).

De wederpartij voert aan dat de wetenschappelijke staf in verband met
bezuinigingen ingekrompen moest worden. De Commissie acht hiermee een
objectief gerechtvaardigd doel aanwezig.

Bij deze inkrimping is als uitgangspunt genomen de behoefte aan
bepaalde specialismen binnen de letterenfaculteit. Pas in tweede
instantie is bekeken of dit ertoe leidde dat de man/vrouw verhouding
dusdanig verstoord werd dat van het reorganisatieplan moest worden
afgeweken. In het onderhavige geval zag de wederpartij hier geen
aanleiding toe. Op grond van het reorganisatieplan is besloten dat de
vrouwelijke UHD Nederlands ontslagen moest worden. Bij deze beslissing
is meegewogen dat er nog twee UD’s op haar specialisatiegebied waren,
die haar werk tot op zekere hoogte konden overnemen. Voor de mannelijke
UHD Nederlands ging dit niet op. Gezien de verschillende specialisaties
van de UHD’s Nederlands, was er geen sprake van onderling uitwisselbare
functies.

De Commissie heeft er begrip voor dat de wederpartij binnen bepaalde
functies, zoals de functie van UHD, rekening heeft gehouden met de
verschillende soorten specialisaties, om zodoende te komen tot een
evenwichtig onderwijsaanbod. Het uitgangspunt van het beleidsplan
(behoefte aan bepaalde specialismen) acht de Commissie in dit geval dan
ook een geschikt en noodzakelijk middel om te bepalen wie ontslagen
moest worden.

Vervolgens ligt de vraag voor, of de wederpartij bij de reorganisatie
voldoende rekening heeft gehouden met het geldende positieve
actiebeleid. Volgens verzoeker is dit niet het geval. De wederpartij
brengt hier tegenin dat het moeilijk is om via een afvloeiingsbeleid te
komen tot een evenwichtige personeelssamenstelling van mannen en
vrouwen. Helemaal in een geval als het onderhavige, als er sprake is
van beperkt uitwisselbare functies.

De Commissie merkt in dit verband op dat indien wordt gestreefd naar
een groter aandeel van vrouwen in hogere functies, verwacht kan worden
dat dit niet alleen in het werving- en selectiebeleid, maar ook in het
overige beleid tot uitdrukking komt. Indien dat niet gebeurt, loopt men
het risico dat het emancipatiebeleid geen effect sorteert. In het
onderhavige geval is het positief actiebeleid pas meegewogen op het
moment dat duidelijk werd dat de functie van de vrouwelijke UHD
Nederlands werd opgeheven. Dit heeft er echter niet toe geleid dat haar
functie behouden werd. Hoewel de Commissie van oordeel is dat het
positief actiebeleid dient deel uit te maken van het algehele beleid,
acht zij niet aannemelijk gemaakt dat een eerdere integratie van het
positief actiebeleid in het reorganisatieplan tot een andere uitkomst
had geleid. Naar haar oordeel heeft verzoeker niet aangetoond dat de
reorganisatie op een andere wijze tot stand had kunnen komen zonder
onderscheid naar geslacht te maken.

Het bovenstaande leidt de Commissie tot het oordeel dat er geen sprake
is van indirect onderscheid.

5.5. Ten slotte heeft verzoeker aan de orde gesteld de vraag of de
vrouwelijke UHD Nederlands door intimidatie van de wederpartij
gedwongen is om de beëindigingsovereenkomst te sluiten en de vraag
waarom zij niet is herplaatst. Aangezien de betreffende vrouw aan de
Commissie te kennen heeft gegeven dat zij niet in het onderzoek
betrokken wil worden, kan de Commissie hier echter niet nader op ingaan
en laat zij dit deel van het verzoek buiten beschouwing.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het College van Bestuur
van de Katholieke Universiteit Nijmegen te Nijmegen jegens het
Instituut Vrouw en Arbeid te Den Haag geen onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt in strijd met artikel 1a WGB.

Rechters

Dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter), mw drs A.J.Huber (lid Kamer), mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer), mw mr A.K.de Jongh (juridisch adviseur).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 december 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft een tijdelijke ambtelijke aanstelling die op 1
januari 1995 afloopt. Twee andere medewerksters hebben eveneens een
tijdelijke aanstelling. Het contract van beide medewerksters wordt
verlengd en dat van verzoekster wordt niet verlengd. Verzoekster is van
mening dat haar zwangerschap de enige daarvoor aanwijsbare reden kan
zijn. Zij is op die grond van mening dat de wederpartij in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling handelt. In een eerdere uitspraak
heeft de Commissie bepaald dat het besluit om een tijdelijke
arbeidsovereenkomst niet om te zetten in een vast dienstverband, een
besluit betreffende het aangaan van een arbeidsovereenkomst
respectievelijk de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking is. Wat betreft de bestreden beslissing omtrent
niet-verlenging baseert verzoekster haar stelling in belangrijke mate
op het feit dat haar in 1993 (mede) wegens zwangerschap geen tijdelijke
aanstelling zou zijn geboden. Verzoekster heeft inzake de nu
voorliggende beslissing van de wederpartij echter geen feiten of
omstandigheden aangedragen die aannemelijk maken dat (ook) dit keer
zwangerschap een rol heeft gespeeld. De Commissie komt tot de conclusie
dat niet is komen vast te staan dat de wederpartij de zwangerschap van
verzoekster als een criterium heeft gehanteerd bij haar beslissing om
de aanstelling van verzoekster niet te verlengen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 2 november 1994 verzocht mevrouw te Vleuten
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling om met spoed
haar oordeel uit te spreken over de vraag of de Minister van
Binnenlandse Zaken te Den Haag (hierna: de wederpartij) jegens haar
onderscheid maakt naar geslacht in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

1.2. Verzoekster heeft een tijdelijke ambtelijke aanstelling die op 1
januari 1995 afloopt. Twee andere medewerksters hebben eveneens een
tijdelijke aanstelling. Het contract van beide medewerksters wordt
verlengd en dat van verzoekster wordt niet verlengd. Verzoekster is van
mening dat haar zwangerschap de enige daarvoor aanwijsbare reden kan
zijn. Zij is op die grond van mening dat de wederpartij in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling handelt.

2. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
versnelde behandeling toegepast (artikel 29 van het Besluit Werkwijze
Commissie gelijke behandeling).

2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen om te verschijnen op de
zitting van 8 december 1994. Voorafgaande aan de zitting heeft de
wederpartij haar reactie op het verzoek naar de Commissie gezonden, met
afschrift aan verzoekster.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw (verzoekster) – dhr
(gemachtigde)

van de kant van de wederpartij – mw mr (directie
personeelszaken) – dhr drs (districtsmanager) – dhr
(assistent-districtsmanager)

van de kant van de Commissie – mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)
– mw mr A.C. Possel (lid Kamer) – dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer) – mw
mr M.M. Hubner (juridisch adviseur).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is op 4 januari 1993 via een uitzendbureau als
administratief medewerkster tewerkgesteld bij de
bedrijfsgezondheidsdienst te Utrecht, een onderdeel van de organisatie
van de wederpartij. Zij was op dat moment drie maanden zwanger, hetgeen
zij ook aan de wederpartij bekendgemaakt had. De
assistent-districtsmanager wilde er voor zorgdragen dat verzoekster
tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof een uitkering zou
krijgen en heeft om die reden getracht voor verzoekster een tijdelijke
ambtelijke aanstelling te regelen. De afdeling personeelszaken van de
wederpartij wenste hieraan echter niet mee te werken, aangezien
verzoekster al een uitkering zou krijgen van het GAK en bovendien
zwanger was, aldus de verklaring van de assistent-districtsmanager.

Verzoekster heeft vervolgens op 10 mei 1993 haar werkzaamheden
beeindigd en is met zwangerschaps- en bevallingsverlof gegaan tot 30
augustus 1993.

3.2. Op 8 oktober 1993 heeft verzoekster, na daartoe benaderd te zijn
geweest door de assistent-districtsmanager, bij de
bedrijfsgezondheidsdienst een aanstelling gekregen als administratief
medewerkster in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd tot en met 31
december 1993. Verzoekster kreeg een aanstelling conform artikel 6 lid
2 onder 1 ARAR vanwege een voorgenomen privatisering van de
bedrijfsgezondheidsdienst, waarvan de datum nog onzeker is (thans
gepland in 1996). Deze tijdelijke aanstelling is later verlengd tot en
met 31 december 1994.

3.3. Verzoekster werd in deze periode wederom zwanger en heeft dat op
30 augustus 1994 aan haar collega’s en het management bekendgemaakt.

Begin september 1994 heeft verzoekster een gesprek gevoerd met de
nieuwe districtsmanager. Dit gesprek verontrustte verzoekster zeer,
aangezien hij in dat gesprek vroeg of er al een tweede zwangerschap
gepland was (hij was nog niet op de hoogte van haar zwangerschap) en
tevens vroeg wanneer haar aanstelling zou aflopen. Hij liet blijken dat
er een aantal mensen moest afvloeien om een bedrijfseconomisch gezond
bedrijf te krijgen. Vanwege de hierdoor ontstane onrust heeft
verzoekster om een gesprek met de interim- districtsmanager verzocht,
die voorlopig nog het aanspreekpunt was tot het moment waarop de nieuwe
districtsmanager ingewerkt zou zijn. Deze heeft aan verzoekster
meegedeeld dat het voornemen was om alle aanstellingen per 1 januari
1995 te verlengen tot aan de datum van privatisering.

3.4. Op 31 oktober 1994 is echter aan verzoekster bij monde van de
districtsmanager meegedeeld dat haar aanstelling niet verlengd zou
worden omdat een aantal belangrijke opdrachtgevers het contract met de
bedrijfsgezondheidsdienst had verbroken. Deze mondelinge mededeling is
schriftelijk bevestigd op 3 november 1994.

Twee andere medewerkers, een administratief medewerkster en een
management-assistente, zouden wel een verlenging van hun tijdelijke
aanstelling krijgen. Naast het dienstverband met verzoekster zijn ook
de dienstverbanden met een uitzendkracht en een medewerker die werkzaam
was op detacheringsbasis, verbroken.

3.5. De wederpartij heeft aangegeven dat de bewuste beslissing
gebaseerd is op de volgende overwegingen. Een aantal grote klanten is
verdwenen, dus de noodzaak tot bezuiniging was aanwezig. Voorts moest
er gekozen worden tussen de twee administratieve medewerksters,
waaronder verzoekster, en de management-assistente, aangezien deze drie
personen een tijdelijke aanstelling hebben. De management-assistente
kwam niet in aanmerking omdat zij een andere functie verrichtte dan de
administratief medewerksters. De andere administratief medewerkster
werd niet aangewezen omdat zij voor een bepaalde klantengroep werkzaam
was en de wederpartij wil voorkomen dat klanten met steeds nieuwe
gezichten geconfronteerd werden. Bovendien werkte de andere
administratief medewerkster voltijds en kon verzoekster deze baan niet
volledig invullen. Om deze redenen bleef verzoekster over.

De functie van verzoekster is overgenomen door een medewerkster met een
vaste aanstelling.

Bij de bedrijfsgezondheidsdienst te Utrecht zijn, naast verzoekster, de
administratief medewerkster en de management-assistente, nog werkzaam:
– 23 medewerkers in vaste dienst; – 6 medewerkers met een tijdelijke
aanstelling op basis van artikel 6.2.a. ARAR.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoekster stelt het volgende. Zij is van mening dat haar
tijdelijke aanstelling niet is verlengd vanwege haar zwangerschap,
aangezien er geen andere steekhoudende argumenten, zoals bijvoorbeeld
slecht functioneren, aan te wijzen zijn voor de beslissing om juist
haar aanstelling niet te verlengen.

Zij voert ter ondersteuning van haar stelling het volgende aan. De
administratief medewerkster en de management-assistente die wel een
verlenging van hun aanstelling kregen, oefenen functies uit die zij ook
kan verrichten. De administratief medewerkster verricht namelijk exact
dezelfde werkzaamheden als zijzelf; de management-assistent-functie
heeft zij ook al eerder uitgeoefend. Met een beetje moeite zijn alle
drie de functies onderling uitwisselbaar. Bovendien is de
administratief medewerkster na haar in dienst gekomen (in april 1994).
Bovenstaande punten maken het voor verzoekster onbegrijpelijk waarom er
nu juist voor gekozen is om haar aanstelling niet te verlengen.

Op zich is het juist dat getracht wordt de teams bij elkaar te houden
en herkenbaar te laten zijn voor de klantengroepen, maar er is de
laatste tijd zoveel verschoven, dat dit niet onoverkomelijk hoefde te
zijn. Voorts vindt verzoekster het onbegrijpelijk dat er voor gekozen
is om een tijdelijke aanstelling van maar 20 uur niet te verlengen in
het kader van bezuinigingen. In zo’n geval kan men juist beter een
aanstelling van 40 uur niet verlengen. Deze beslissing zal in ieder
geval wel bijdragen aan het beoogde doel. Zij vindt het ook vreemd dat
de interim-districtsmanager haar half september nog vertelde dat het in
de bedoeling lag om alle aanstellingen te verlengen en dat een aantal
weken later blijkt dat er toch een persoon weg moet.

Ten overvloede wijst verzoekster er op dat de wederpartij haar in het
verleden, in haar uitzendperiode, ook een tijdelijke aanstelling heeft
geweigerd vanwege zwangerschap.

Tot slot deelt verzoekster mee dat er op de vestiging in Amersfoort nog
een uitzendkracht werkzaam is als administratief medewerker die op 28
november jongstleden nog niet had vernomen of haar werk beeindigd zou
worden. Dit, terwijl zijzelf -met een ogenschijnlijk betere
rechtspositie- op 31 oktober 1994 al te horen had gekregen dat zij weg
moest.

3.7. De wederpartij stelt het volgende. Zij betwist dat zij
verzoeksters tijdelijke aanstelling niet verlengd heeft vanwege haar
zwangerschap en draagt hiertoe het volgende aan. Om een
bedrijfseconomisch gezonde organisatie te krijgen, die zou kunnen
overleven na de privatisering, is het nodig om bezuinigingen te
treffen. Dat betekent dat sommige medewerkers overbodig zouden worden.
In dit licht moet de hele geschiedenis bekeken worden. Hetgeen de
interim-districtsmanager aan verzoekster heeft meegedeeld is juist. De
bedoeling was om alle aanstellingen te verlengen. Het werd echter al
snel duidelijk, toen een grote klant haar bleek te ontglippen, dat een
van de administratief medewerkers met een tijdelijke aanstelling
overbodig geworden was. Bij het bepalen van de keuze heeft de
zwangerschap van verzoekster geen enkele rol gespeeld.

Evenmin is er gekeken naar ancienniteit, waarbij zij overigens
aantekent dat er haars inziens weinig verschil in ancienniteit is
tussen verzoekster en de andere administratief medewerkster.

Voorts wijst zij er op dat verzoekster zelf verzocht heeft om zo snel
mogelijk op de hoogte gebracht te worden indien haar aanstelling niet
verlengd zou worden. Aan het feit dat zij al eerder dan een
uitzendkracht wist dat haar werkzaamheden beeindigd zouden worden,
moet, in dit licht bezien, dan ook geen betekenis gehecht worden.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling.

4.2. Niet-verlenging van een aanstelling beschouwt de Commissie als
niet-aanstellen (Zie ook Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid, 10 april 1990, oordeelnummer 134-90-15, waarin
deze Commissie bepaalde dat het besluit om een tijdelijke
arbeidsovereenkomst niet om te zetten in een vast dienstverband, een
besluit betreffende het aangaan van een arbeidsovereenkomst
respectievelijk de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking is.). In een eerdere uitspraak heeft de Commissie bepaald
dat het besluit om een tijdelijke arbeidsovereenkomst niet om te zetten
in een vast dienstverband, een besluit betreffende het aangaan van een
arbeidsovereenkomst respectievelijk de behandeling bij de vervulling
van een openstaande betrekking is. Artikel 1a lid 1 van de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168) schrijft voor
dat in de openbare dienst het bevoegd gezag geen onderscheid mag maken
tussen mannen en vrouwen bij de aanstelling tot ambtenaar. In artikel 1
van de WGB is bepaald dat onder onderscheid tussen mannen en vrouwen
wordt verstaan direct en indirect onderscheid. Onder direct onderscheid
wordt mede verstaan onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en
moederschap.

4.3. De vraag die voorligt is of de wederpartij bij haar beslissing om
de tijdelijke aanstelling van verzoekster niet te verlengen heeft laten
meewegen dat verzoekster zwanger is. De Commissie is namelijk van
oordeel dat, ook indien zwangerschap niet de doorslaggevende reden is
geweest om een zwangere kandidate niet te benoemen maar slechts een van
de redenen, reeds dan in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
van mannen en vrouwen is gehandeld (Zie ook oordelen van de Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid waarin deze
uitsprak dat ook als zwangerschap een van de redenen en niet de enige
reden voor het gemaakte onderscheid is, dit strijd met de Wet oplevert:
– 18 oktober 1989, oordeelnummers 42-89-13; – 8 mei 1990, 172-90-31; –
23 juni 1992, 518-92-37.).

4.4. Verzoekster heeft een aantal punten genoemd die, naar haar mening,
voor haar stelling pleiten. Haar belangrijkste punten zijn, kort
samengevat:

– reeds in september was bekend dat een aantal grote klanten zou
verdwijnen. De interim- districtsmanager vertelde haar desondanks dat
het de bedoeling was om alle aanstellingen te verlengen;

– de argumenten waarom juist zij en niet een van de andere twee
medewerkers is uitgekozen, zijn niet deugdelijk omdat a. de
administratieve functies onderling uitwisselbaar zijn; b. de teams al
gedurende langere tijd niet intact zijn en klanten reeds met
verschillende gezichten te maken krijgen; c. zij langer in dienst is
dan de andere administratief medewerkster; d. zij een deeltijdbaan
heeft, zodat de genomen beslissing geen bezuinigingswaarde heeft;

– zij heeft in haar uitzendperiode ook geen tijdelijke aanstelling
gekregen vanwege zwangerschap.

Omdat zij alle argumenten van de wederpartij kan weerleggen, is volgens
verzoekster haar zwangerschap de enige aanwijsbare reden om haar
aanstelling niet te verlengen. 4.5. De Commissie overweegt
hieromtrent als volgt. De besluitvorming rondom de niet-verlenging van
verzoeksters aanstelling getuigt van weinig helderheid en kan daardoor
in ieder geval een indruk van willekeur maken. De wederpartij had dit
kunnen voorkomen door aan de medewerkers tijdig en eenduidig inzicht te
verschaffen in de criteria die zij hanteert bij de beslissing om de
aanstellingen al dan niet te verlengen. Door een ondoorzichtig
personeelsbeleid is de kans dat er bewust of onbewust verboden
onderscheid wordt gemaakt groter.

Wat betreft de bestreden beslissing omtrent niet-verlenging baseert
verzoekster haar stelling in belangrijke mate op het feit dat haar in
1993 (mede) wegens zwangerschap geen tijdelijke aanstelling zou zijn
geboden.

Ofschoon de toen genomen beslissing nu niet ter toetsing voorligt,
hecht de Commissie er aan, gelet op de verklaring hieromtrent van de
toenmalige assistent-manager, er op te wijzen dat zwangerschap een
wettelijk verboden selectiecriterium is. Verzoekster heeft inzake de nu
voorliggende beslissing van de wederpartij echter geen feiten of
omstandigheden aangedragen die aannemelijk maken dat (ook) dit keer
zwangerschap een rol heeft gespeeld.

Immers, vast staat dat om bedrijfseconomische redenen medewerkers bij
de betreffende dienst overbodig worden. Hoewel de besluitvorming over
het aantal medewerkers dat overtollig zou worden en op welke momenten
dan, niet erg helder is, althans niet helder is meegedeeld, is de keuze
om het tijdelijk contract met juist verzoekster niet te verlengen op
zich niet onbegrijpelijk. Wat betreft verzoeksters nadere argumenten
merkt de Commissie op dat de ancinniteit van haarzelf en de collega die
wel in dienst bleef nauwelijks verschilde. Ook het schrappen van een
deeltijdbaan levert een bezuiniging op, al is die geringer dan het
schrappen van een voltijdbaan. Dat de teams gedurende een periode
langere tijd niet intact waren en klanten reeds met verschillende
gezichten te maken kregen, neemt niet weg dat de beleidslijn om naar
continuiteit te streven op zich niet ondeugdelijk is. Voorts staat niet
vast dat andere medewerkers voor de toekomst wel zeker zijn van hun
functie: de wederpartij heeft juist aangegeven dat afhankelijk van de
ontwikkelingen in het klantenbestand meer medewerkers overtollig kunnen
worden.

Gelet op het bovenstaande concludeert de Commissie dat niet is komen
vast te staan dat de wederpartij de zwangerschap van verzoekster als
een criterium heeft gehanteerd bij haar beslissing om de aanstelling
van verzoekster niet te verlengen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Minister van
Binnenlandse Zaken te Den Haag jegens mevrouw A. van den Hul te Vleuten
geen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt dat in strijd is met
artikel 1a lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

Mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), mw mr A.C. Possel (lidKamer), dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer), mw mr M.M. Hubner (juridischadviseur).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 december 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft naar aanleiding van een advertentie in een
plaatselijk blad telefonisch gesolliciteerd bij de wederpartij naar de
deeltijdfunctie van verkoopster. Volgens verzoekster is zij in dit
telefoongesprek afgewezen voor de functie omdat de wederpartij voorkeur
had voor iemand zonder kinderen. Verzoekster heeft een kind en zou
daardoor volgens de wederpartij niet altijd beschikbaar zijn.
Verzoekster was ook na aandringen van de zijde van de Commissie niet
bereid op de zitting te verschijnen. Ook de wederpartij was bij de
zitting niet aanwezig. Aan verzoekster is telefonisch door de Commissie
meegedeeld dat het verschijnen van partijen op de zitting in dit geval
absoluut noodzakelijk was om nadere informatie te verkrijgen, omdat
partijen verschillende lezingen geven van de feiten. Nu verzoekster
niet op de zitting is verschenen, kan niet vastgesteld worden dat de
wederpartij haar inderdaad in verband met het feit dat zij een kind
heeft, heeft afgewezen voor de geboden functie. Daarom kan de Commissie
niet tot een andere conclusie komen dan dat verzoekster niet
aannemelijk heeft gemaakt dat haar moederschap een rol heeft gespeeld
bij de beslissing om haar niet in aanmerking te laten komen voor de
geboden functie.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 29 maart 1994 verzocht mevrouw te Stein (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of te
Stein (hierna: de wederpartij) onderscheid heeft gemaakt in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster heeft naar aanleiding van een advertentie in een
plaatselijk blad telefonisch gesolliciteerd bij de wederpartij naar de
deeltijdfunctie van verkoopster. Volgens verzoekster is zij in dit
telefoongesprek afgewezen voor de functie omdat de wederpartij voorkeur
had voor iemand zonder kinderen. Verzoekster heeft een kind en zou
daardoor volgens de wederpartij niet altijd beschikbaar zijn.

Verzoekster is van mening dat de wederpartij hierdoor in strijd met de
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168)
heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun
standpunten toe te lichten.

2.2. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid is op 1 september 1994, de datum van inwerkingtreding van de
Algemene wet gelijke behandeling (AWGB; Stb. 1994, 230) opgeheven. Zij
heeft haar werkzaamheden overgedragen aan de op 1 september 1994
ingestelde Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie). Deze
Commissie heeft de behandeling van de onderhavige zaak overgenomen.

2.3. De Commissie heeft partijen opgeroepen hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 8 december 1994.

Partijen zijn niet op de zitting verschenen.

Bij de beraadslagingen over deze zaak waren de volgende Commissieleden
aanwezig:

– mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter) – dhr mr A.W. Heringa (lid
Kamer) – mw mr A.C. Possel (lid Kamer).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij, een modezaak, heeft eind 1993 of januari 1994 een
advertentie geplaatst in het plaatselijk blad … waarin zij vroeg om
een verkoopster in deeltijd. Verzoekster heeft telefonisch naar deze
functie gesolliciteerd. Tijdens dit gesprek is verzoekster door een
heer te woord gestaan; deze heer heeft zich echter niet aan verzoekster
voorgesteld. Volgens verzoekster is het telefoongesprek als volgt
verlopen: Aan verzoekster werd gevraagd of zij kinderen heeft. Toen
verzoekster hierop antwoordde dat zij een kind van bijna twee jaar
heeft, zei de persoon aan de andere kant van de lijn: ” Dan spijt het
me voor je, maar dan ben je al afgevallen, want wij zoeken iemand
zonder kinderen, omdat zij altijd beschikbaar zijn.” Toen verzoekster
hierop antwoordde dat zij de kinderopvang goed geregeld had, onderbrak
de wederpartij haar betoog met de opmerking “als je kind ziek is, komen
we in de problemen.” De wederpartij kan zich, naar haar zeggen, dit
telefoongesprek niet herinneren.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster is van mening dat de wederpartij jegens haar in strijd
met de WGB heeft gehandeld. Verzoekster voelt zich als vrouw, moeder en
herintreedster door de houding van de wederpartij zeer gediscrimineerd.

3.3. De wederpartij acht het zeer onwaarschijnlijk dat een
telefoongesprek als door verzoekster beschreven, heeft plaatsgevonden.
De wederpartij wijst erop dat hij zelf ook twee kinderen van negen en
vier jaar heeft en dat zijn vrouw dagelijks werkzaam is in het eigen
bedrijf. Ook hebben meerdere van de personeelsleden van de wederpartij
kinderen. Hieruit blijkt volgens de wederpartij dat hij hier geen
problemen mee heeft. De wederpartij geeft aan dit een pijnlijke zaak te
vinden en zich van geen kwaad bewust te zijn.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel 3 lid 1
WGB.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond
van geslacht bij de aanbieding van een betrekking en in de
selectieprocedure. Alleen in geval van een wettelijke uitzondering,
bijvoorbeeld als de werkgever een voorkeursbeleid voor vrouwen wil
voeren, of wanneer sprake is van een geslachtsbepaalde functie, mag
van dit verbod worden afgeweken. De reden van deze afwijking moet in de
advertentie worden vermeld (artikel 3 lid 2 WGB).

In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader
uitgewerkt. Dit artikel schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving
van een advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen
in aanmerking komen. In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis
vervolgens verder toegespitst op het gebruik van functiebenamingen.
Hierin is bepaald dat of zowel de mannelijke als de vrouwelijke
functiebenaming gebruikt moet worden, of uitdrukkelijk vermeld moet
worden dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

In artikel 1 WGB is bepaald dat onder onderscheid tusssen mannen en
vrouwen direct en indirect onderscheid verstaan wordt. Onder direct
onderscheid wordt mede verstaan, onderscheid op grond van zwangerschap,
bevalling en moederschap. Onder indirect onderscheid wordt verstaan
onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan het geslacht,
bijvoorbeeld echtelijke staat of gezins- omstandigheden, dat
onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit
onderscheid objectief gerechtvaardigd is.

4.3. Verzoekster stelt dat zij is afgewezen voor de functie omdat zij
een kind heeft. De wederpartij zou volgens haar gezegd hebben dat
mensen zonder kinderen altijd beschikbaar zijn en dat de wederpartij in
de problemen zou komen bij ziekte van het kind van verzoekster.

4.4. De vraag die voorligt, is of aannemelijk is geworden dat het feit
dat verzoekster een kind van bijna twee jaar heeft, aanleiding voor
wederpartij vormde om verzoekster niet in aanmerking te laten komen
voor de functie van verkoopster.

Hieromtrent overweegt de Commissie als volgt. Verzoekster was ook na
aandringen van de zijde van de Commissie niet bereid op de zitting te
verschijnen. Ook de wederpartij was bij de zitting niet aanwezig. Aan
verzoekster is telefonisch door de Commissie meegedeeld dat het
verschijnen van partijen op de zitting in dit geval absoluut
noodzakelijk was om nadere informatie te verkrijgen, omdat partijen
verschillende lezingen geven van de feiten. Nu verzoekster niet op de
zitting is verschenen, kan niet vastgesteld worden dat de wederpartij
haar inderdaad in verband met het feit dat zij een kind heeft, heeft
afgewezen voor de geboden functie.

Het bovenstaande kan de Commissie niet tot een andere conclusie leiden
dan dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar moederschap
een rol heeft gespeeld bij de beslissing om haar niet in aanmerking te
laten komen voor de geboden functie.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat niet aannemelijk is
geworden dat te Stein jegens mevrouw te Stein
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel 3 Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

Mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), dhr mr A.W. Heringa (lidKamer), mw mr A.C. Possel (lid Kamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 december 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is sinds april 1983 bij de wederpartij werkzaam. De
wederpartij hanteerde een pensioenregeling waarvoor alleen de
mannelijke werknemers in aanmerking kwamen. Per 1 mei 1990 worden ook
de vrouwelijke werknemers tot de pensioenregeling toegelaten.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij onderscheid maakt(e) op
grond van geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen door haar niet, respectievelijk pas vanaf 1 mei 1990,
tot de pensioenregeling toe te laten. Verzoekster heeft eveneens het
oordeel van de Commissie gevraagd omtrent de beloning van haar arbeid
en die van een aangewezen maatman. De Commissie heeft naar aanleiding
van dit verzoek op 28 januari 1992 reeds een oordeel uitgesproken
(nummer 369A-92-01). De Commissie meent dat de uitzondering genoemd in
artikel 7A:1637ij BW inhoudt, dat slechts die pensioenkwesties terzake
waarvan volgens het EG-Hof geen beroep op de rechtstreekse werking van
artikel 119 EEG-Verdrag kan worden gedaan van de wettelijke norm van
gelijke behandeling zijn uitgesloten. Op grond daarvan acht de
Commissie zich in ieder geval bevoegd om te onderzoeken of, en zo ja in
hoeverre, de bestreden pensioenregeling valt binnen het loonbegrip van
artikel 119 EEG-Verdrag, en derhalve binnen de werkingssfeer van de
wetgeving gelijke behandeling. De Commissie stelt vast dat de deelname
aan de onderhavige pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel
119 EEG-Verdrag valt en derhalve, op grond van verdragsconforme
interpretatie, binnen de werkingssfeer van artikel 7A:1637 BW.
Bovendien concludeert de Commissie dat de wederpartij verplicht kan
worden om verzoekster over de periode voorafgaande aan 1 mei 1990 tot
de pensioenregeling toe te laten.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 27 november 1990 verzocht mevrouw
(hierna: verzoekster) te Lith de Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de
vraag of (hierna: de wederpartij)
te Oss jegens haar onderscheid maakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster is sinds april 1983 bij de wederpartij werkzaam. De
wederpartij hanteerde een pensioenregeling waarvoor alleen de
mannelijke werknemers in aanmerking kwamen. Per 1 mei 1990 worden ook
de vrouwelijke werknemers tot de pensioenregeling toegelaten.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij onderscheid maakt(e) op
grond van geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen door haar niet, respectievelijk pas vanaf 1 mei 1990,
tot de pensioenregeling toe te laten. Verzoekster heeft eveneens het
oordeel van de Commissie gevraagd omtrent de beloning van haar arbeid
en die van een aangewezen maatman. De Commissie heeft naar aanleiding
van dit verzoek op 28 januari 1992 reeds een oordeel uitgesproken
(nummer 369A-92-01).

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Commissie op 4 februari
1992 een tussenbeslissing uitgebracht. De inhoud van deze beslissing
wordt geacht hier in zijn geheel te zijn ingevoegd (opgenomen achter
dit oordeel). De Commissie heeft daarin besloten om de zaak aan te
houden totdat er een uitspraak zou komen van het EG-Hof over de
betekenis en reikwijdte van het Barber-arrest (Barber vs. Guardian
Royal Exchange Assurance Group, 17-05-1990, zaak C 262/88. Rechtspraak
Nemesis 1990, nr. 116.).

2.2. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. De Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid heeft per 1 september 1994 haar werkzaamheden
overgedragen aan de Commissie gelijke behandeling, die is ingesteld op
grond van de inwerkingtreding van de Algemene wet gelijke behandeling
op 1 september 1994 (AWGB; Stb. 1994, 230).

2.3. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 30
november 1994. Partijen hebben van deze uitnodiging geen gebruik
gemaakt.

Bij de beraadslagingen waren de volgende Commissieleden aanwezig:

– mw mr C.H.S. Evenhuis (kamervoorzitter) – dhr mr A.W. Heringa (lid
Kamer) – dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen
(juridisch adviseur).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I. In deze Kamer hebben
zitting de leden als genoemd onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

Voorzover de feiten een aanvulling zijn op hetgeen is opgenomen in de
tussenbeslissing van de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid d.d. 4 februari 1992, wordt het volgende
vastgesteld.

3.1. In het pensioenreglement dat gold van 15 december 1974 tot aan 1
mei 1990 is in artikel 1 bepaald dat onder ‘deelnemer’ wordt verstaan:
elke werknemer die behoort tot de personeelsgroep omschreven in de
bijlage bij het pensioenreglement. In de bijlage is bepaald dat de
groep werknemers waarop het pensioenreglement van toepassing is,
bestaat uit de mannelijke werknemers, uitgezonderd de directieleden.
Voorts is in artikel 4 lid 3 van het reglement bepaald dat de
diensttijd voor de maand waarin de deelnemer de 25e verjaardag bereikt,
buiten beschouwing blijft.

3.2. In het nieuwe pensioenreglement is in artikel 4 onder lid 4
vermeld: “Voor de vrouwelijke deelnemers aan deze pensioenregeling
wordt onder diensttijd verstaan de diensttijd te rekenen vanaf 1 mei
1990, danwel de werkelijke datum van indiensttreding indien deze ligt
na 1 mei 1990.”

De standpunten van partijen

3.3. Verzoekster is van mening dat de wederpartij onderscheid naar
geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen door haar op grond van de oude pensioenregeling geen
pensioenaanspraken toe te kennen. Voorts brengt verzoekster naar voren
dat de wederpartij haar voor de zitting er niet van op de hoogte had
gesteld dat er een nieuwe pensioenregeling was getroffen.

3.4. De wederpartij voert aan dat vrouwen per 1 mei 1990 ook aan de
pensioenregeling kunnen deelnemen en dat deze datum gekozen is vanwege
een wettelijke verplichting daartoe die tevoren niet bestond.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. Allereerst is de vraag aan de orde of de Commissie bevoegd is naar
aanleiding van het onderhavige verzoek een oordeel uit te spreken.
Artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt namelijk dat een
werkgever noch direct noch indirect onderscheid mag maken tussen mannen
en vrouwen in onder meer de arbeidsvoorwaarden, waaronder begrepen de
beloning. Niet onder de arbeidsvoorwaarden worden begrepen aanspraken
of uitkeringen ingevolge pensioenregelingen.

Zij overweegt hieromtrent het volgende.

Voor zover nodig, toetst de Commissie aan de Wet gelijk loon voor
vrouwen en mannen (WGL; Stb. 1975, 129) indien er sprake is van een
periode van ongelijke behandeling tussen 1975 en 1980. De WGL bepaalde
in artikel 2 dat een werkgever geen onderscheid mocht maken op het punt
van de beloning. Voor een periode vanaf 1980 moet aan de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen getoetst worden (WGBoud; Stb. 1980,
86). Bij deze laatste Wet werd artikel 7A:1637ij BW ingevoerd, welke
bij de wetswijziging van de WGB in 1989 (Wet van 27 april 1989; Stb.
168) en in 1994 (AWGB; Stb. 1994, 230) is gewijzigd.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met de WGL en voorts met
artikel 7A:1637ij BW mede een volledige uitwerking heeft willen geven
aan artikel 119 EEG-Verdrag.

Het EG-Hof is blijkens haar overwegingen in de zaak Van Colson/Kamann
d.d. 10 april 1984 (Zaaknummer 14/83.) van mening dat nationale
rechters en anderen die met overheidsgezag zijn bekleed gehouden zijn
om binnen hun bevoegdheden de wetgeving gelijke behandeling uit te
leggen en toe te passen in het licht van de bewoordingen en objectieve
doelstelling van -in dit geval- artikel 119 EEG-Verdrag.

Naar het oordeel van de Commissie betekent dit dat zij de
uitdrukkelijke uitzondering voor aanspraken en uitkeringen ingevolge
pensioenregelingen als gemaakt in artikel 7A:1637ij BW moet
interpreteren in het licht van de jurisprudentie van het EG-Hof over
het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag.

Gelet op het bovenstaande vat de Commissie de uitzondering genoemd in
artikel 7A:1637ij BW zo op, dat slechts die pensioenkwesties terzake
waarvan volgens het EG-Hof geen beroep op de rechtstreekse werking van
artikel 119 EEG-Verdrag kan worden gedaan van de wettelijke norm van
gelijke behandeling zijn uitgesloten.

Op grond van het bovenstaande acht de Commissie zich in ieder geval
bevoegd om te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de bestreden
pensioenregeling valt binnen het loonbegrip van artikel 119
EEG-Verdrag, en derhalve binnen de werkingssfeer van de wetgeving
gelijke behandeling.

4.2. Ten aanzien van de in geding zijnde vraag, namelijk of de
wederpartij jegens verzoekster onderscheid naar geslacht maakt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen door
haar van deelname aan de oude pensioenregeling uit te sluiten,
overweegt de Commissie als volgt.

In zijn overweging 25 in het eerder genoemde Barber-arrest stelt het
EG-Hof dat een pensioenregeling onder het loon- begrip van artikel 119
EEG-Verdrag valt indien deze het resultaat is van overeenstemming
tussen werknemers en werkgevers of een eenzijdige beslissing van de
werkgever vormt. Voorts moet het gaan om een regeling die geheel
gefinancierd wordt door de werkgever of door werkgever en werknemers
gezamenlijk, zonder dat sprake is van enige bijdrage van de overheid.
Deze beginselen heeft het EG-Hof reeds in het Bilka-arrest
(Bilka/Kaufmann, zaak 170/84. Arrest van 13 mei 1986. Jurisprudentie
1986. p. 1607.) uitgesproken.

In overweging 26 van het Barber-arrest gaat het Hof nader in op de
vraag in welke gevallen pensioenregelingen voor werknemers geacht
moeten worden onder de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag te
vallen. Daarvan is onder meer sprake indien de regeling alleen van
toepassing is op werknemers van bepaalde bedrijven of instellingen,
zodat gebondenheid aan de regeling noodzakelijkerwijs voortvloeit uit
de dienstbetrekking met de betrokken werkgever. De onderhavige
pensioenregeling heeft geen betrekking op algemene categorieen van
werknemers, maar slechts op werknemers van het bedrijf van de
wederpartij.

De Commissie stelt op grond van bovenstaande vast dat de deelname aan
de onderhavige pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel 119
EEG-Verdrag valt en derhalve, op grond van verdragsconforme
interpretatie, binnen de werkingssfeer van artikel 7A:1637 BW.

4.3. Partijen verschillen van mening over de vraag of de eis van
gelijke beloning als neergelegd in artikel 7A:1637ij BW op de
onderhavige pensioenregeling ook al voor de uitspraak van het EG-Hof op
17 mei 1990 van toepassing moet worden geacht.

De Commissie overweegt hierover als volgt.

Het EG-Hof heeft in de zaken Vroege en Fisscher (Vroege vs NCIV
Instituut voor Volkshuisvesting BV en Stichting Pensioenfonds NCIV,
arrest van 28 september 1994 in zaak C-57/93. Rechtspraak Nemesis 1994,
nr. 424. Fisscher/Voorhuis Hengelo BV en Stichting Bedrijfs-
pensioenfonds voor de Detailhandel, arrest van 28 september 1994, zaak
C-128/93. Rechtspraak Nemesis 1994, nr. 425 ) bevestigd dat niet alleen
het recht op uitkering uit hoofde van een bedrijfspensioenregeling,
maar ook het recht op aansluiting daartoe binnen de werkingssfeer van
artikel 119 EEG-Verdrag valt. In genoemde uitspraken heeft het Hof
voorts aangegeven dat er voor het recht op aansluiting geen beperking
in de tijd geldt, en dat dit recht derhalve vanaf 8 april 1976 afdwing-
baar is. Het Hof wijst er echter uitdrukkelijk op, dat recht op
aansluiting bij de pensioenregeling mede betekent dat ook over de
betrokken periode (alsnog) premies moeten worden betaald, ook door de
werknemer indien het pensioenreglement een werknemersbijdrage voor-
schrijft.

Gelet op het bovenstaande concludeert de Commissie dat de wederpartij
verplicht kan worden om verzoekster over de periode voorafgaande aan 1
mei 1990 tot de pensioenregeling toe te laten.

4.4. De bestreden pensioenregeling bepaalde tot 1 mei 1990 dat alleen
mannelijke werknemers tot de regeling konden toetreden. Vrouwelijke
werknemers werden uitgesloten. De Commissie concludeert dat de
pensioenregeling een direct onderscheid tussen mannen en vrouwen maakt.
De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingsgronden. De Commissie ziet zelf ook geen aanleiding om tot
toepassing van deze gronden te concluderen.

Daarmee staat vast dat de wederpartij heeft gehandeld in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling door verzoekster in de periode voor 1 mei
1990 niet toe te laten tot de pensioenregeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Oss jegens mevrouw
te Lith onderscheid naar geslacht maakt in strijd
met artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek door haar tot 1 mei 1990 van
deelname aan de geldende pensioenregeling uit te sluiten.

Rechters

Mw mr C.H.S. Evenhuis (kamervoorzitter), dhr mr A.W. Heringa (lidKamer), dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer), mw mr G.L.M. Lenssen(juridisch adviseur).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 december 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was in dienst van de wederpartij toen zij op 9 juni 1977
in het huwelijk trad. Alleen haar echtgenoot kon vanaf dat moment
toetreden tot de toen geldende pensioenregeling, maar zijzelf niet.
Nadat haar echtgenoot per 8 mei 1979 zijn dienstverband moest
beeindigen, heeft haar werkgever nagelaten haar te wijzen op de
mogelijkheid alsnog zelf toe te treden tot de pensioenregeling op grond
van mogelijk kostwinnerschap. Verzoekster is van mening dat hierdoor in
strijd gehandeld is met de wetgeving gelijke behandeling. De Commissie
vat de uitzondering genoemd in artikel 7A:1637ij BW zo op, dat slechts
die pensioenkwesties terzake waarvan volgens het EG-Hof geen beroep op
de rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag kan worden gedaan
van de wettelijke norm van gelijke behandeling zijn uitgesloten. De
Commissie stelt vast dat de deelname aan de onderhavige
pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag valt
en derhalve, op grond van verdragsconforme interpretatie, binnen de
werkingssfeer van artikel 7A:1637 BW. De Commissie komt tot de
conclusie dat de wederpartij verplicht kan worden om verzoekster over
de periode voorafgaande aan 17 mei 1990 tot de pensioenregeling toe te
laten. De Commissie concludeert bovendien dat de wederpartij in strijd
met artikel 7A:1637ij BW verzoekster niet heeft toegelaten tot de
pensioenregeling die in haar bedrijf van toepassing was in de periode
van 9 juni 1977 tot 23 augustus 1979.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1 Op 8 november 1991 verzocht mevrouw te Eindhoven
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of het
te Eindhoven (hierna: de wederpartij) jegens haar in
strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster was in dienst van de wederpartij toen zij op 9 juni
1977 in het huwelijk trad. Alleen haar echtgenoot kon vanaf dat moment
toetreden tot de toen geldende pensioenregeling, maar zijzelf niet.
Nadat haar echtgenoot per 8 mei 1979 zijn dienstverband moest
beeindigen, heeft haar werkgever nagelaten haar te wijzen op de
mogelijkheid alsnog zelf toe te treden tot de pensioenregeling op grond
van mogelijk kostwinnerschap. Verzoekster is van mening dat hierdoor in
strijd gehandeld is met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. De wederpartij heeft eenmaal de gelegenheid gehad
haar standpunt terzake uiteen te zetten.

2.2. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. De Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid heeft per 1 september 1994 haar werkzaamheden
overgedragen aan de Commissie gelijke behandeling, die is ingesteld op
grond van de inwerkingtreding van de Algemene wet gelijke behandeling
op 1 september 1994 (AWGB; Stb. 1994, 230).

2.3. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 30
november 1994. De wederpartij heeft van deze uitnodiging geen gebruik
gemaakt.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de zijde van verzoekster – dhr (gemachtigde)

van de zijde van de Commissie – mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)
– dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer) – dhr mr J.A.M.I. Hoens
(plaatsvervangend lid Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen (juridisch
adviseur).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster was evenals haar partner al enige tijd in dienst van
de wederpartij toen zij op 9 juni 1977 in het huwelijk trad. Noch
verzoekster noch haar echtgenoot namen voor hun huwelijk deel aan de
geldende pensioenregeling aangezien zij beiden jonger waren dan 25
jaar, welke leeftijd als toela- tingsgrens gold. De pensioenregeling
kende echter ook de bepaling dat gehuwde mannen die jonger waren dan 25
jaar toch konden deelnemen. Deze mogelijkheid stond niet open voor
gehuwde vrouwen jonger dan 25 jaar, tenzij zij kostwinner waren.

3.2. Op 8 mei 1979 trad de echtgenoot in militaire dienst. Door het
verbreken van zijn dienstverband kwam ook een einde aan zijn deelname
aan de pensioenregeling. Verzoekster, die kostwinner was, was niet op
de hoogte van de mogelijkheid dat, indien zij als kostwinner zou worden
aangemerkt, zij alsnog aan de pensioenregeling zou kunnen deelnemen.
Overigens bereikte zij in augustus van dat jaar de 25-jarige leeftijd.

De standpunten van partijen

3.3. Verzoekster is van mening dat de pensioenregeling, door
onderscheid te maken tussen gehuwde mannen en gehuwde vrouwen, in
strijd is met artikel 119 EEG-Verdrag. Voor gehuwde mannen en gehuwde
vrouwen jonger dan 25 jaar golden immers verschillende voorwaarden.
Gehuwde mannen konden in alle gevallen deelnemen, gehuwde vrouwen
alleen indien zij

kostwinner waren. Zij wijst op jurisprudentie van het EG-Hof terzake,
in het bijzonder de arresten Vroege en Fisscher (Hof van justitie der
Europese Gemeenschappen, Vroege versus NCIV Instituut voor
Volkshuisvesting BV en Stichting Pensioenfonds NCIV, zaaknummer
C-57/93, 28 september 1994, vindplaats Rechtspraak Nemesis 1994 nummer
424. Hof van justitie der Europese Gemeenschappen, Fisscher versus
Voorhuis Hengelo BV en Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de
Detailhandel, zaaknummer C-128/93, 28 september 1994, vindplaats
Rechtspraak Nemesis 1994 nummer 425) waarin verwezen wordt naar de
arresten Bilka (Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Bilka
versus Kaufmann, zaaknummer C-170/84, 13 mei 1986, Jurisprudentie 1986
p. 1607) en Barber (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen,
Ten Oever versus Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het
Glazenwassers- en Schoonmaakbedrijf, zaaknummer C-109/91, 6 oktober
1993).

In deze arresten wordt er op gewezen dat volgens vaste jurisprudentie
van het EG-Hof een beperking van de terugwerkende kracht een
uitzondering op de regel vormt, die alleen gerechtvaardigd kan worden
met een beroep op de rechtszekerheid en de ernstige gevolgen voor te
goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen. In eerdergenoemd
Bilka-arrest heeft het EG-Hof uitgesproken dat de toegang tot
pensioenregelingen bestreken wordt door artikel 119 EEG-Verdrag. Dit is
dus al vele jaren bekend; er kan dus geen sprake zijn van goede trouw.
Evenmin is in casu sprake van ernstige gevolgen van terugwerkende
kracht, in de zin dat het financieel evenwicht van het pensioenfonds in
gevaar komt. Het met terugwerkende kracht toelaten tot het
pensioenfonds betekent immers, dat voor die periode ook alsnog premies
verschuldigd zijn door werknemer en werkgever, en de dekking voor de
toekomstige uitkeringen verzekerd wordt. Overigens was ook al in de
Bilka-zaak een mogelijke verstoring van zo’n financieel evenwicht ter
sprake gebracht. Dat heeft destijds het EG-Hof er niet toe gebracht op
dat moment een beperking in de terugwerkende kracht aan te brengen. Ook
de Advocaat-Generaal heeft in zijn conclusie in de Ten Oever-zaak (Hof
van Justitie van de Europese Gemeenschappen, Ten Oever versus Stichting
Bedrijfspensioenfonds voor het Glazenwassers- en Schoonmaakbedrijf,
zaaknummer C- 109/91, 6 oktober 1993) geconcludeerd dat in gevallen die
analoog zijn aan de casus in de Bilka-zaak geen beperking in de
terugwerkende kracht bestaat.

Tot slot brengt verzoekster, in verband met hetgeen het EG-Hof in de
Fisscher-zaak op dit punt overweegt, naar voren dat de
verjaringstermijn in de nationale wetgeving niet eerder mag ingaan dan
op de dag waarop deze in overeenstemming met artikel 119 EEG-Verdrag is
gebracht.

3.4. De wederpartij beroept zich op de toen geldende bepalingen in het
pensioenreglement, in het bijzonder de eis van kost-winnerschap voor
vrouwelijke werknemers jonger dan 25 jaar.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. Allereerst is de vraag aan de orde of de Commissie bevoegd is naar
aanleiding van het onderhavige verzoek een oordeel uit te spreken.
Artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt namelijk dat een
werkgever noch direct noch indirect onderscheid mag maken tussen mannen
en vrouwen in onder meer de arbeidsvoorwaarden, waaronder begrepen de
beloning. Niet onder de arbeidsvoorwaarden worden begrepen aanspraken
of uitkeringen ingevolge pensioenregelingen.

Zij overweegt hieromtrent het volgende.

Voor zover nodig, toetst de Commissie aan de Wet gelijk loon voor
vrouwen en mannen (WGL; Stb. 1975, 129) indien er sprake is van een
periode van ongelijke behandeling tussen 1975 en 1980. De WGL bepaalde
in artikel 2 dat een werkgever geen onderscheid mocht maken op het punt
van de beloning. Voor een periode vanaf 1980 moet aan de Wet gelijke
behan- deling van mannen en vrouwen getoetst worden (WGBoud; Stb. 1980,
86). Bij deze laatste Wet werd artikel 7A:1637ij BW ingevoerd, welke
bij de wetswijziging van de WGB in 1989 (Wet van 27 april 1989; Stb.
168) en in 1994 (AWGB; Stb. 1994, 230) is gewijzigd.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met de WGL en voorts met
artikel 7A:1637ij BW mede een volledige uitwerking heeft willen geven
aan artikel 119 EEG-Verdrag.

Het EG-Hof is blijkens haar overwegingen in de zaak Van Colson/Kamann
(Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Colson versus Kamann,
Zaaknummer C-14/83, 10 april 1984) van mening dat nationale rechters en
anderen die met overheidsgezag zijn bekleed gehouden zijn om binnen hun
bevoegdheden de wetgeving gelijke behandeling uit te leggen en toe te
passen in het licht van de bewoordingen en objectieve doelstelling van
-in dit geval- artikel 119 EEG-Verdrag.

Naar het oordeel van de Commissie betekent dit dat zij de
uitdrukkelijke uitzondering voor aanspraken en uitkeringen ingevolge
pensioenregelingen als gemaakt in artikel 7A:1637ij BW moet
interpreteren in het licht van de jurisprudentie van het EG-Hof over
het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag.

Gelet op het bovenstaande vat de Commissie de uitzondering genoemd in
artikel 7A:1637ij BW zo op, dat slechts die pensioenkwesties terzake
waarvan volgens het EG-Hof geen beroep op de rechtstreekse werking van
artikel 119 EEG-Verdrag kan worden gedaan van de wettelijke norm van
gelijke behandeling zijn uitgesloten.

Op grond van het bovenstaande acht de Commissie zich in ieder geval
bevoegd om te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de bestreden
pensioenregeling valt binnen het loonbegrip van artikel 119
EEG-Verdrag, en derhalve binnen de werkingssfeer van de wetgeving
gelijke behandeling.

4.2. Alvorens op de in geding zijnde vraag in te gaan, overweegt de
Commissie, gelet op de door verzoekster aangevoerde stelling omtrent de
verjaringstermijn, dat het niet de taak van de Commissie is om vast te
stellen welke verjaringstermijn naar burgerlijk procesrecht van
toepassing is. Zij kan slechts haar oordeel uitspreken over de vraag of
er een door de wetgeving gelijke behandeling verboden onderscheid is
gemaakt.

4.3. Ten aanzien van de in geding zijnde vraag, namelijk of de
wederpartij jegens verzoekster onderscheid naar geslacht heeft gemaakt
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen
door haar van deelname aan de pensioenregeling uit te sluiten in de
periode van 9 juni 1977 (datum huwelijk) tot 23 augustus 1979
(bereiken 25-jarige leeftijd), terwijl een mannelijke werknemer in
gelijke omstandigheden wel toegelaten zou zijn, overweegt de Commissie
als volgt.

In zijn overweging 25 in het eerder genoemde Barber-arrest stelt het
EG-Hof dat een pensioenregeling onder het loon- begrip van artikel 119
EEG-Verdrag valt indien deze het resultaat is van overeenstemming
tussen werknemers en werkgevers of een eenzijdige beslissing van de
werkgever vormt. Voorts moet het gaan om een regeling die geheel
gefinancierd wordt door de werkgever of door werkgever en werknemers
gezamenlijk, zonder dat sprake is van enige bijdrage van de overheid.
Deze beginselen heeft het EG-Hof reeds in het Bilka-arrest
uitgesproken.

In overweging 26 van het Barber-arrest gaat het Hof nader in op de
vraag in welke gevallen pensioenregelingen voor werknemers geacht
moeten worden onder de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag te
vallen. Daarvan is onder meer sprake indien de regeling alleen van
toepassing is op werknemers van bepaalde bedrijven of instellingen,
zodat gebondenheid aan de regeling noodzakelijkerwijs voortvloeit uit
de dienstbetrekking met de betrokken werkgever. De onderhavige
pensioenregeling heeft geen betrekking op algemene categorieen van
werknemers, maar slechts op werknemers van het bedrijf van de
wederpartij.

De Commissie stelt op grond van bovenstaande vast dat de deelname aan
de onderhavige pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel 119
EEG-Verdrag valt en derhalve, op grond van verdragsconforme
interpretatie, binnen de werkingssfeer van artikel 7A:1637 BW.

4.4. Partijen verschillen van mening over de vraag vanaf welk moment de
norm van gelijke beloning, zoals neergelegd in artikel 7A:1637ij BW, in
rechte kan worden afgedwongen. Verzoekster is van mening dat in het
onderhavige geval de beperking in terugwerkende kracht, zoals volgend
uit het Barber-arrest, niet kan worden tegengeworpen aangezien het hier
gaat om een recht op aansluiting en niet om een recht op uitkering.

De Commissie overweegt hierover als volgt.

Het EG-Hof heeft in de zaken Vroege en Fisscher (Zie noot 1.) bevestigd
dat niet alleen het recht op uitkering uit hoofde van een
bedrijfspensioenregeling, maar ook het recht op aansluiting daartoe
binnen de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag valt. In genoemde
uitspraken heeft het Hof voorts aangegeven dat er voor het recht op
aansluiting geen beperking in de tijd geldt, en dat dit recht derhalve
vanaf 8 april 1976, de datum van het Defrenne II-arrest (Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen, Defrenne tegen Belgische
luchtvaartmaatschappij NV Sabena (II), zaak 43/75. Jurisprudentie 1976,
455.), waarin het Hof voor het eerst de rechtstreekse werking van
artikel 119 EEG-Verdrag heeft erkend, afdwingbaar is. Het Hof wijst er
echter uitdrukkelijk op, dat recht op aansluiting bij de
pensioenregeling mede betekent dat ook over de betrokken periode
(alsnog) premies moeten worden betaald, ook door de werknemer indien
het pensioenreglement een werknemersbijdrage voorschrijft.

Gelet op het bovenstaande concludeert de Commissie dat de wederpartij
verplicht kan worden om verzoekster over de periode voorafgaande aan 17
mei 1990 tot de pensioenrege- ling toe te laten.

4.5. De bestreden pensioenregeling bepaalde dat gehuwde mannen die
jonger waren dan 25 jaar toch konden deelnemen. Deze mogelijkheid stond
niet open voor gehuwde vrouwen jonger dan 25 jaar, tenzij zij
kostwinner waren. De Commissie concludeert dat de pensioenregeling een
direct onderscheid tussen mannen en vrouwen maakt. De wederpartij heeft
geen beroep gedaan op een van de wettelijke uitzonde- ringsgronden. De
Commissie ziet zelf ook geen aanleiding om tot toepassing van deze
gronden te concluderen.

De Commissie concludeert derhalve dat de wederpartij in strijd met
artikel 7A:1637ij BW verzoekster niet heeft toegelaten tot de
pensioenregeling die in haar bedrijf van toepassing was in de periode
van 9 juni 1977 tot 23 augustus 1979.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het te
Eindhoven jegens mevrouw te Eindhoven onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt in strijd met artikel 2 Wet gelijk loon voor vrouwen en
mannen en artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek door haar vanaf 9 juni
1977 niet aan de toen geldende pensioenregeling deel te laten nemen.

Rechters

Mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), dhr mr A.W. Heringa (lidKamer), dhr mr J.A.M.I. Hoens (plaatsvervangend lid Kamer), mw mrG.L.M. Lenssen (juridisch adviseur).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 december 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was van 1 februari 1970 tot 1 januari 1990 in dienst van de
wederpartij. De toen geldende pensioenregeling sloot deelname van
gehuwde vrouwen uit, in tegenstelling tot gehuwde mannen. Verzoekster
is van mening dat de wederpartij door deze uitsluiting direct
onderscheid heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling. De Commissie stelt vast dat de deelname aan de onderhavige
pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag valt
en derhalve, op grond van verdragsconforme interpretatie, binnen de
werkingssfeer van artikel 7A:1637 BW. De Commissie concludeert dat
de wederpartij in strijd met artikel 7A:1637ij BW verzoekster niet
heeft toegelaten tot de pensioenregeling die in haar bedrijf van
toepassing was in de periode van 9 juni 1976 tot 23 augustus 1979.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1 Op 13 april 1993 verzocht mevrouw te Amsterdam
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of
te Amsterdam (hierna: de wederpartij) en de Stichting
Louis Reyners te Amsterdam jegens haar onderscheid naar geslacht heeft
gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

1.2. Verzoekster was van 1 februari 1970 tot 1 januari 1990 in dienst
van de wederpartij. De toen geldende pensioenregeling sloot deelname
van gehuwde vrouwen uit, in tegenstelling tot gehuwde mannen.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij door deze uitsluiting
direct onderscheid heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. De wederpartij heeft eenmaal de gelegenheid gehad
zijn standpunt terzake uiteen te zetten.

2.2. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. De Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid heeft per 1 september 1994 haar werkzaamheden
overgedragen aan de Commissie gelijke behandeling, die is ingesteld op
grond van de inwerkingtreding van de Algemene wet gelijke behandeling
op 1 september 1994 (AWGB; Stb. 1994, 230).

2.3. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 30
november 1994. De wederpartij heeft van deze uitnodiging geen gebruik
gemaakt. Bij de zitting waren aanwezig:

van de zijde van verzoekster -mw mr M.E.B. Terwee (advocaat)

van de zijde van de Commissie -mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)
-dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer) -dhr mr J.A.M.I. Hoens
(plaatsvervangend lid Kamer) -mw mr G.L.M. Lenssen (juridisch
adviseur).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster was van 1 februari 1970 tot 1 januari 1990 in dienst
van de wederpartij.

De in die periode geldende pensioenregeling sloot gehuwde vrouwelijke
werknemers uit van deelname. Mannelijke werknemers en vrouwelijke
ongehuwde werknemers werden wel toegelaten indien zij de leeftijd van
25 jaar hadden bereikt. Gehuwde mannelijke werknemers die jonger waren
dan 25 jaar konden eveneens deelnemen aan de pensioenregeling.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster is van mening dat in de toenmalige pensioenregeling,
door gehuwde vrouwelijke werknemers uit te sluiten, direct onderscheid
gemaakt werd op grond van geslacht, in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

Uit de arresten Vroege en Fisscher (Hof van justitie der Europese
Gemeenschappen, Vroege versus NCIV Instituut voor Volkshuisvesting BV
en Stichting Pensioenfonds NCIV, zaaknummer C-57/93, 28 september 1994,
vindplaats Rechtspraak Nemesis 1994 nummer 424. Hof van justitie der
Europese Gemeenschappen, Fisscher versus Voorhuis Hengelo BV en
Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Detailhandel, zaaknummer
C-128/93, 28 september 1994, vindplaats Rechtspraak Nemesis 1994 nummer
425) blijkt dat de beperking in de terugwerkende kracht tot 17 mei 1990
in de zaken Barber (Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen,
Barber versus Guardian Royal Exchange Assurance Group, zaaknummer
C-262/88, 17 mei 1990) en Ten Oever (Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Ten Oever versus Stichting Bedrijfspensioenfonds voor
het Glazenwas- sers- en Schoonmaakbedrijf, zaaknummer C-109/91, 6
oktober 1993) niet dient te gelden in verzoeksters geval. Indien het om
een aansluiting bij een bedrijfs- pensioenregeling gaat, kan met
terugwerkende kracht vanaf de datum van het arrest Defrenne (Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen, Defrenne versus Belgische
luchtvaartmaatschappij NV Sabena (II), zaaknummer C-43/75,
Jurisprudentie 1976 455, 8 april 1976) een beroep gedaan worden op
artikel 119 EEG-Verdrag. Tot slot brengt verzoekster naar voren dat zij
er vanuit gaat dat de Commissie niet bevoegd is om uitspraak te doen
over in het nationale recht geldende beroepstermijnen. Haar stelling is
dat de verjaringstermijn pas dient te lopen op het moment dat het
pensioen tot uitkering komt, omdat pensioen uitgesteld loon is.

3.3. De wederpartij is van mening, dat zij jegens verzoekster geen
onderscheid heeft gemaakt. Uit het arrest Ten Oever (zie hierboven)
blijkt immers dat de terugwerkende kracht van het gelijke
beloningsbeginsel op het terrein van pensioenen is beperkt tot de datum
van het Barber-arrest.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. Allereerst is de vraag aan de orde of de Commissie bevoegd is naar
aanleiding van het onderhavige verzoek een oordeel uit te spreken.
Artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt namelijk dat een
werkgever noch direct noch indirect onderscheid mag maken tussen mannen
en vrouwen in onder meer de arbeidsvoorwaarden, waaronder begrepen de
beloning. Niet onder de arbeidsvoorwaarden worden begrepen aanspraken
of uitkeringen ingevolge pensioenregelingen.

Zij overweegt hieromtrent het volgende.

Voor zover nodig, toetst de Commissie aan de Wet gelijk loon voor
vrouwen en mannen (WGL; Stb. 1975, 129) indien er sprake is van een
periode van ongelijke behandeling tussen 1975 en 1980. De WGL bepaalde
in artikel 2 dat een werkgever geen onderscheid mocht maken op het punt
van de beloning. Voor een periode vanaf 1980 moet aan de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen getoetst worden (WGBoud; Stb. 1980,
86). Bij deze laatste Wet werd artikel 7A:1637ij BW ingevoerd, welke
bij de wetswijziging van de WGB in 1989 (Wet van 27 april 1989; Stb.
168) en in 1994 (AWGB; Stb. 1994, 230) is gewijzigd.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met de WGL en voorts met
artikel 7A:1637ij BW mede een volledige uitwerking heeft willen geven
aan artikel 119 EEG-Verdrag.

Het EG-Hof is blijkens haar overwegingen in de zaak Van Colson/Kamann
(Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Colson versus Kamann,
zaaknummer C-14/83, 10 april 1984) van mening dat nationale rechters en
anderen die met overheidsgezag zijn bekleed gehouden zijn om binnen hun
bevoegdheden de wetgeving gelijke behandeling uit te leggen en toe te
passen in het licht van de bewoordingen en objectieve doelstelling van
-in dit geval- artikel 119 EEG-Verdrag. Naar het oordeel van de
Commissie betekent dit dat zij de uitdrukkelijke uitzondering voor
aanspraken en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen als gemaakt in
artikel 7A:1637ij BW moet interpreteren in het licht van de
jurisprudentie van het EG-Hof over het loonbegrip van artikel 119
EEG-Verdrag. Gelet op het bovenstaande vat de Commissie de uitzondering
genoemd in artikel 7A:1637ij BW zo op, dat slechts die pensioenkwesties
terzake waarvan volgens het EG-Hof geen beroep op de rechtstreekse
werking van artikel 119 EEG-Verdrag kan worden gedaan van de wettelijke
norm van gelijke behandeling zijn uitgesloten.

Op grond van het bovenstaande acht de Commissie zich in ieder geval
bevoegd om te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de bestreden
pensioenregeling valt binnen het loonbegrip van artikel 119
EEG-Verdrag, en derhalve binnen de werkingssfeer van de wetgeving
gelijke behandeling.

4.2. Alvorens op de in geding zijnde vraag in te gaan, overweegt de
Commissie, zoals verzoekster al aangaf, dat het niet de taak van de
Commissie is om vast te stellen welke verjaringstermijn naar burgerlijk
procesrecht van toepassing is. Zij kan slechts haar oordeel uitspreken
over de vraag of er een door de wetgeving gelijke behandeling verboden
onderscheid is gemaakt.

4.3. Ten aanzien van de in geding zijnde vraag, namelijk of de
wederpartij jegens verzoekster onderscheid naar geslacht heeft gemaakt
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen
door haar van deelname aan de pensioenregeling uit te sluiten in de
periode van 9 juni 1976 (datum huwelijk) tot 23 augustus 1979 (bereiken
25-jarige leeftijd), terwijl een mannelijke werknemer in gelijke
omstandigheden wel toegelaten zou zijn, overweegt de Commissie als
volgt.

In zijn overweging 25 in het eerder genoemde Barber-arrest stelt het
EG-Hof dat een pensioenregeling onder het loon- begrip van artikel 119
EEG-Verdrag valt indien deze het resultaat is van overeenstemming
tussen werknemers en werkgevers of een eenzijdige beslissing van de
werkgever vormt. Voorts moet het gaan om een regeling die geheel
gefinancierd wordt door de werkgever of door werkgever en werknemers
gezamenlijk, zonder dat sprake is van enige bijdrage van de overheid.
Deze beginselen heeft het EG-Hof reeds in het Bilka-arrest (Hof van
Justitie der Europese gemeenschappen, Bilka versus Kaufmann, zaaknummer
C 170/84, 13 mei 1986, Jurisprudentie 1986 p. 1607) uitgesproken. In
overweging 26 van het Barber-arrest gaat het Hof nader in op de vraag
in welke gevallen pensioenregelingen voor werknemers geacht moeten
worden onder de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag te vallen.
Daarvan is onder meer sprake indien de regeling alleen van toepassing
is op werknemers van bepaalde bedrijven of instellingen, zodat
gebondenheid aan de regeling noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de
dienstbetrekking met de betrokken werkgever. De onderhavige
pensioenregeling heeft geen betrekking op algemene categorieen van
werknemers, maar slechts op werknemers van het bedrijf van de
wederpartij.

De Commissie stelt op grond van bovenstaande vast dat de deelname aan
de onderhavige pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel 119
EEG-Verdrag valt en derhalve, op grond van verdragsconforme
interpretatie, binnen de werkingssfeer van artikel 7A:1637 BW.

4.4. Partijen verschillen van mening over de vraag vanaf welk moment de
norm van gelijke beloning, zoals neergelegd in artikel 7A:1637ij BW, in
rechte kan worden afgedwongen. Verzoekster is van mening dat in het
onderhavige geval de beperking in terugwerkende kracht, zoals volgend
uit het Barber-arrest, niet kan worden tegengeworpen aangezien het hier
gaat om een recht op aansluiting en niet om een recht op uitkering. De
wederpartij is van mening dat ook in het onderhavige geval de genoemde
beperking in terugwerkende kracht van toepassing is, en een afdwingbare
verplichting tot toelating tot de pensioenregeling eerst bestaat vanaf
17 mei 1990.De Commissie overweegt hierover als volgt.

Het EG-Hof heeft in de zaken Vroege en Fisscher (zie hierboven)
bevestigd dat niet alleen het recht op uitkering uit hoofde van een
bedrijfspensioenregeling, maar ook het recht op aansluiting daartoe
binnen de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag valt. In genoemde
uitspraken heeft het Hof voorts aangegeven dat er voor het recht op
aansluiting geen beperking in de tijd geldt, en dat dit recht derhalve
vanaf 8 april 1976, de datum van het Defrenne II-arrest (zie hierboven)
waarin het Hof voor het eerst de rechtstreekse werking van artikel 119
EEG-Verdrag heeft erkend, afdwingbaar is. Het Hof wijst er echter
uitdrukkelijk op, dat recht op aansluiting bij de pensioenregeling mede
betekent dat ook over de betrokken periode (alsnog) premies moeten
worden betaald, ook door de werknemer indien het pensioenreglement een
werknemersbijdrage voorschrijft. Gelet op het bovenstaande concludeert
de Commissie dat de wederpartij verplicht kan worden om verzoekster
over de periode voorafgaande aan 17 mei 1990 tot de pensioenregeling
toe te laten.

4.5. De bestreden pensioenregeling bepaalde dat gehuwde vrouwelijke
werknemers uitgesloten waren van deelname aan de regeling. De Commissie
concludeert dat de pensioenregeling een direct onderscheid tussen
mannen en vrouwen maakt. De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een
van de wettelijke uitzonderingsgronden. De Commissie ziet zelf ook geen
aanleiding om tot toepassing van deze gronden te concluderen.

4.6. De Commissie concludeert derhalve dat de wederpartij in strijd met
artikel 7A:1637ij BW verzoekster niet heeft toegelaten tot de
pensioenregeling die in haar bedrijf van toepassing was in de periode
van 9 juni 1976 tot 23 augustus 1979.

5.HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te
Amsterdam jegens mevrouw te Amsterdam onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel 2 Wet gelijk loon voor
vrouwen en mannen en artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek door haar van
9 juni 1976 tot 1 januari 1990 niet toe te laten als deelneemster van
de toen geldende pensioenregeling om reden dat zij een gehuwde vrouw
was.

Rechters

Mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), dhr mr A.W. Heringa (lidKamer), dhr mr J.A.M.I. Hoens (plaatsvervangend lid Kamer), mw mrG.L.M. Lenssen (juridisch adviseur).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 december 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was van 29 november 1976 tot en met 28 maart 1989 in dienst
van de wederpartij voor vijf uur per dag. De wederpartij heeft haar
niet uitgenodigd om toe te treden tot de geldende pensioenregeling.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij hierdoor in strijd heeft
gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling. De Commissie stelt vast
dat de deelname aan de onderhavige pensioenregeling onder het
loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag valt en derhalve, op grond van
verdragsconforme interpretatie, binnen de werkingssfeer van artikel
7A:1637 BW. De Commissie oordeelt dat de pensioenregeling direct
onderscheid tussen mannen en vrouwen maakt. De wederpartij heeft geen
beroep gedaan op een van de wettelijke uitzonderingsgronden. De
Commissie ziet zelf ook geen aanleiding om tot toepassing van deze
gronden te concluderen. De Commissie concludeert derhalve dat de
wederpartij in strijd met artikel 7A:1637ij BW verzoekster niet heeft
toegelaten tot de pensioenregeling die in haar bedrijf van toepassing
was.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1 Op 19 maart 1992 verzocht mevrouw te
Amsterdam (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de
vraag of te ‘s-Gravenhage (hierna: de
wederpartij) jegens haar in strijd heeft gehandeld met de wetgeving
gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster was van 29 november 1976 tot en met 28 maart 1989 in
dienst van de wederpartij voor vijf uur per dag. De wederpartij heeft
haar niet uitgenodigd om toe te treden tot de geldende
pensioenregeling. Verzoekster is van mening dat de wederpartij hierdoor
in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. De wederpartij heeft eenmaal de gelegenheid gehad
haar standpunt terzake uiteen te zetten.

2.2. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. De Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid heeft per 1 september 1994 haar werkzaamheden
overgedragen aan de Commissie gelijke behandeling, die is ingesteld op
grond van de inwerkingtreding van de Algemene wet gelijke behandeling
op 1 september 1994 (AWGB; Stb. 1994, 230).

2.3. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 30
november 1994. Partijen hebben van deze uitnodiging geen gebruik
gemaakt.

Bij de beraadslagingen waren de volgende Commissieleden aanwezig: – mw
mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter) – dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid
Kamer) – dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen
(juridisch adviseur).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster was van 29 november 1976 tot en met 28 maart 1989 in
dienst van de wederpartij voor vijf uur per dag.

3.2. De wederpartij kent vanaf 1 januari 1975 een pensioenregeling.
Deze is per 1 januari 1981 omgezet in een andere pensioenregeling. In
beide pensioenregelingen wordt onderscheid naar geslacht gemaakt,
namelijk doordat vrouwelijke werknemers alleen op uitnodiging van
wederpartij kunnen deelnemen.

3.3. Verzoekster heeft de wederpartij bij haar indiensttreding verzocht
om deel te mogen nemen aan de pensioenregeling. De wederpartij heeft
dit verzoek niet gehonoreerd. Ook in een later stadium van het
dienstverband heeft de wederpartij verzoekster niet uitgenodigd om aan
de regeling deel te nemen.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster is van mening dat de wederpartij door haar niet toe te
laten tot de pensioenregeling in strijd handelt met artikel 119
EEG-Verdrag en de daarop gebaseerde richtlijnen, alsmede in strijd met
artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) lid 1 jo artikel 7 WGB.

3.5. De wederpartij is van mening dat het verzoek niet ontvankelijk is,
gelet op artikel 13 lid 2 van het Procedurereglement van de Commissie.
Dit artikel bepaalt dat verzoeken die twee jaar na het beweerde
onderscheid worden ingediend niet meer in behandeling worden genomen.

Voorts stelt zij dat artikel 7A:1637ij lid 1 BW thans nog uitdrukkelijk
uitkeringen en aanspraken ingevolge pensioenregelingen uitzondert van
de verplichting tot gelijke behandeling. Een beroep op dit artikel kan
in casu derhalve niet worden gehonoreerd.

Tenslotte moet het beroep van verzoekster op artikel 119 EEG-verdrag
falen, aangezien het EG-Hof van Justitie in het zogenaamde
Barber-arrest (Hof van Justitie der Europese gemeenschappen, Barber
versus Guardian Royal Exchange Assurance Group, zaaknummer C-262/88, 17
mei 1990) uitdrukkelijk in verband met dwingende overwegingen van
rechtszekerheid een beperking in de tijd heeft aangebracht wat betreft
de werking in de tijd van bedoeld artikel. Vanaf de dag van de
beslissing van het EG-Hof, namelijk 17 mei 1990, kan een beroep worden
gedaan op artikel 119 EEG-Verdrag. Het Hof heeft alleen een
uitzondering gemaakt voor diegenen die voor die datum al een vordering
terzake hadden ingediend. Daarvan is in casu geen sprake.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. Allereerst is de vraag aan de orde of de Commissie bevoegd is naar
aanleiding van het onderhavige verzoek een oordeel uit te spreken.
Artikel 7A:1637ij BW bepaalt namelijk dat een werkgever noch direct
noch indirect onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in onder
meer de arbeidsvoorwaarden, waaronder begrepen de beloning. Niet onder
de arbeidsvoorwaarden worden begrepen aanspraken of uitkeringen
ingevolge pensioenregelingen.

Zij overweegt hieromtrent het volgende.

Voor zover nodig, toetst de Commissie aan de Wet gelijk loon voor
vrouwen en mannen (WGL; Stb. 1975, 129) indien er sprake is van een
periode van ongelijke behandeling tussen 1975 en 1980. De WGL bepaalde
in artikel 2 dat een werkgever geen onderscheid mocht maken op het punt
van de beloning. Voor een periode vanaf 1980 moet aan de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen getoetst worden (WGBoud; Stb. 1980,
86). Bij deze laatste Wet werd artikel 7A:1637ij BW ingevoerd, welke
bij de wetswijziging van de WGB in 1989 (Wet van 27 april 1989; Stb.
168) en in 1994 (AWGB; Stb. 1994, 230) is gewijzigd.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met de WGL en voorts met
artikel 7A:1637ij BW mede een volledige uitwerking heeft willen geven
aan artikel 119 EEG-Verdrag.

Het EG-Hof is blijkens haar overwegingen in de zaak Van Colson/Kamann
(Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Colson versus Kamann,
Zaaknummer C-14/83, 10 april 1984) van mening dat nationale rechters en
anderen die met overheidsgezag zijn bekleed gehouden zijn om binnen hun
bevoegdheden de wetgeving gelijke behandeling uit te leggen en toe te
passen in het licht van de bewoordingen en objectieve doelstelling van
-in dit geval- artikel 119 EEG-Verdrag.

Naar het oordeel van de Commissie betekent dit dat zij de
uitdrukkelijke uitzondering voor aanspraken en uitkeringen ingevolge
pensioenregelingen als gemaakt in artikel 7A:1637ij BW moet
interpreteren in het licht van de jurisprudentie van het EG-Hof over
het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag.

Gelet op het bovenstaande vat de Commissie de uitzondering genoemd in
artikel 7A:1637ij BW zo op, dat slechts die pensioenkwesties terzake
waarvan volgens het EG-Hof geen beroep op de rechtstreekse werking van
artikel 119 EEG-Verdrag kan worden gedaan van de wettelijke norm van
gelijke behandeling zijn uitgesloten.

Op grond van het bovenstaande acht de Commissie zich in ieder geval
bevoegd om te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de bestreden
pensioenregeling valt binnen het loonbegrip van artikel 119
EEG-Verdrag, en derhalve binnen de werkingssfeer van de wetgeving
gelijke behandeling.

4.2. Alvorens op de in geding zijnde vraag in te gaan, komt nog de
vraag aan de orde of het voorgelegde verzoek ontvankelijk is. De
wederpartij is van mening dat het verzoek niet- ontvankelijk dient te
worden verklaard, aangezien het Procedurereglement van de Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid bepaalde dat,
indien het gemaakte onderscheid zich meer dan twee jaren geleden
voordeed, het verzoek niet-ontvankelijk is, wat in de onderhavige casus
het geval zou zijn. Hieromtrent verwijst de Commissie naar hetgeen zij
reeds op 16 april 1992 aan de wederpartij heeft bericht, namelijk dat
het verzoek ontvankelijk is verklaard omdat bijzondere omstandigheden,
zoals verwoord in artikel 13 lid 2 van het Procedurereglement dit
besluit rechtvaardigen. Ongelijke behandeling in pensioenrechten heeft
immers doorwerking naar het heden en de toekomst. Het verzoek is
derhalve ontvankelijk.

4.3. Ten aanzien van de in geding zijnde vraag, namelijk of de
wederpartij jegens verzoekster onderscheid naar geslacht maakt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen door
haar van deelname aan de oude pensi-oenregeling uit te sluiten,
overweegt de Commissie als volgt.

In zijn overweging 25 in het eerder genoemde Barber-arrest stelt het
EG-Hof dat een pensioenregeling onder het loon- begrip van artikel 119
EEG-Verdrag valt indien deze het resultaat is van overeenstemming
tussen werknemers en werkgevers of een eenzijdige beslissing van de
werkgever vormt. Voorts moet het gaan om een regeling die geheel
gefinancierd wordt door de werkgever of door werkgever en werknemers
gezamenlijk, zonder dat sprake is van enige bijdrage van de overheid.
Deze beginselen heeft het EG-Hof reeds in het Bilka-arrest (Hof van
Justitie der Europese Gemeenschappen, Bilka versus Kaufmann, zaaknummer
C-170/84, 13 mei 1986, Jurisprudentie 1986 p. 1607) uitgesproken. In
overweging 26 van het Barber-arrest gaat het Hof nader in op de vraag
in welke gevallen pensioenregelingen voor werknemers geacht moeten
worden onder de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag te vallen.
Daarvan is onder meer sprake indien de regeling alleen van toepassing
is op werknemers van bepaalde bedrijven of instellingen, zodat
gebondenheid aan de regeling noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de
dienstbetrekking met de betrokken werkgever. De onderhavige
pensioenregeling heeft geen betrekking op algemene categorieen van
werknemers, maar slechts op werknemers van het bedrijf van de
wederpartij.

De Commissie stelt op grond van bovenstaande vast dat de deelname aan
de onderhavige pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel 119
EEG-Verdrag valt en derhalve, op grond van verdragsconforme
interpretatie, binnen de werkingssfeer van artikel 7A:1637 BW.

4.4. Partijen verschillen van mening over de vraag of de eis van
gelijke beloning als neergelegd in artikel 7A:1637ij BW op de
onderhavige pensioenregeling ook al voor de uitspraak van het EG-Hof op
17 mei 1990 van toepassing moet worden geacht.

De Commissie overweegt hierover als volgt.

Het EG-Hof heeft in de zaken Vroege en Fisscher (Hof van justitie der
Europese Gemeenschappen, Vroege versus NCIV Instituut voor Volkshuis-
vesting BV en Stichting Pensioenfonds NCIV, zaaknummer C-57/93, 28
september 1994, vindplaats Rechtspraak Nemesis 1994 nummer 424. Hof van
justitie der Europese Gemeenschappen, Fisscher versus Voorhuis Hengelo
BV en Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Detailhandel, zaaknummer
C-128/93, 28 september 1994, vindplaats Rechtspraak Nemesis 1994 nummer
425) bevestigd dat niet alleen het recht op uitkering uit hoofde van
een bedrijfspensioenregeling, maar ook het recht op aansluiting daartoe
binnen de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag valt. In genoemde
uitspraken heeft het Hof voorts aangegeven dat er voor het recht op
aansluiting geen beperking in de tijd geldt, en dat dit recht derhalve
vanaf 8 april 1976, de datum van het Defrenne II-arrest (Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen, Defrenne versus Belgische
luchtvaartmaatschappij NV Sabena (II), zaaknummer C-43/75,
Jurisprudentie 1976 455, 8 april 1976), waarin het Hof voor het eerst
de rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag heeft erkend,
afdwingbaar is. Het Hof wijst er echter uitdrukkelijk op, dat recht op
aansluiting bij de pensioenregeling mede betekent dat ook over de
betrokken periode (alsnog) premies moeten worden betaald, ook door de
werknemer indien het pensioenreglement een werknemersbijdrage
voorschrijft.

4.5. De bestreden pensioenregeling bepaalde dat vrouwelijke werknemers
alleen op uitnodiging van wederpartij kunnen deelnemen.

De Commissie concludeert dat de pensioenregeling een direct onderscheid
tussen mannen en vrouwen maakt. De wederpartij heeft geen beroep gedaan
op een van de wettelijke uitzonderingsgronden. De Commissie ziet zelf
ook geen aanleiding om tot toepassing van deze gronden te concluderen.

De Commissie concludeert derhalve dat de wederpartij in strijd met
artikel 7A:1637ij BW verzoekster niet heeft toegelaten tot de
pensioenregeling die in haar bedrijf van toepassing was.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te
‘s-Gravenhage jegens mevrouw te Amsterdam onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel 2 Wet gelijk loon voor
vrouwen en mannen en artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek door haar
gedurende haar dienstverband van 29 november 1976 tot en met 28 maart
1989 niet uit te nodigen aan de geldende pensioenregeling deel te
nemen.

Rechters

Mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), dhr mr R.A.C.M.Langemeijer (lid Kamer), dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer), mw mr G.L.M.Lenssen (juridisch adviseur).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 december 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster werkt vanaf eind 1979 voor de wederpartij, naar zij stelt
eerst als hulp-agente en later als service-dame. Zij heeft verzocht om
te kunnen deelnemen aan een van de pensioenregelingen van de
wederpartij. Dit verzoek is afgewezen. Een pensioenvoorziening voor
service-dames ontbreekt. Verzoekster is van mening dat de wederpartij
hiermee in strijd heeft gehandeld c.q. handelt met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen. De Commissie concludeert derhalve
dat wanneer een medewerker op grond van geslacht na 8 april 1976 de
toelating tot een pensioenregeling is geweigerd, in beginsel in strijd
wordt gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling. De Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid constateerde
evenwel al in haar tussenvonnis dat de gelijkenis met een
arbeidsovereenkomst zich opdringt in dit specifieke geval van
verzoekster. Aangetoond, noch gebleken is dat ook andere service-
dames, mannen dan wel vrouwen, zich in een dergelijke situatie
bevinden. Dat betekent dat geen sprake is van een situatie waarin
mannen dan wel vrouwen in overwegende mate benadeeld worden door hun
status van service-dame. De Commissie ziet dan ook onvoldoende
aanknopingspunten om te concluderen dat een vermoeden van indirect
onderscheid rijst. Dat betekent dat voor de situatie waarin
verzoekster als werkneemster moet worden beschouwd, niet gebleken is
dat de wederpartij in de periode 1979-17 mei 1990 handelde in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling door verzoekster niet toe te laten
tot een pensioenregeling. Voor de periode 1 juli 1989 tot 17 mei 1990
wordt, via artikel 1b WGB, getoetst aan artikel 7A:1637ij BW. In geding
is de vraag of de wederpartij in deze periode indirect onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt door verzoekster niet toe te laten tot de
pensioenregeling voor agenten, en ook geen aparte, vergelijkbare
pensioenregeling voor service-dames op te zetten. Om te bezien of in
overwegende mate vrouwen worden getroffen door het feit dat voor
agenten wel en voor service-dames geen pensioenregeling is getroffen,
moeten de mannelijke en vrouwelijke agenten en service-dames tegen
elkaar worden afgezet. De Commissie gaat er daarom van uit dat in de
periode 1 juli 1989-17 mei 1990, evenals in de periode 1992/1993
ongeveer 10% van de mannelijke en zo’n 40 a 50% van de vrouwelijke
agenten en service-dames waarvoor sociale premies werden ingehouden,
uitgesloten werd van de pensioenregeling vanwege hun functie van
service-dame. Het nadelig effect is voor vrouwelijke service-dames dan
bijna 4 tot 5 maal groter dan voor mannelijke service-dames. Daarmee
staat vast, dat vooral vrouwen door de uitsluiting van service-dames
van een pensioenregeling zijn getroffen en dat een vermoeden van
indirect onderscheid ontstaat. Als objectieve rechtvaardiging voor het
gemaakte onderscheid voerde de wederpartij geen andere redenen aan, dan
in oordeel 444-94-63 vermeld, namelijk het feit dat zij alleen voor
degenen die volledig werkzaam zijn en meer dan het minimumloon
verdienen een pensioenregeling wenst af te sluiten. De Commissie maakt
de beoordeling van die objectieve rechtvaardiging door de Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid tot de hare, en
acht het gekozen doel dan ook niet objectief gerechtvaardigd. Zij
concludeert dan ook dat voor het gemaakte onderscheid geen objectieve
rechtvaardiging bestaat, en dat de wederpartij in de periode 1 juli
1989 tot 17 mei 1990 in strijd handelde met artikel 1b WGB, door
verzoekster niet toe te laten tot de pensioenregeling voor agenten, of
op andere wijze in een pensioenregeling voorzien.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 26 augustus 1991 verzocht mevrouw te
Nuenen (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de
vraag of te Amsterdam (hierna: wederpartij)
jegens haar onderscheid naar geslacht heeft gemaakt c.q. maakt, in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster werkt vanaf eind 1979 voor de wederpartij, naar zij
stelt eerst als hulp- agente en later als service-dame. Zij heeft
verzocht om te kunnen deelnemen aan een van de pensioenregelingen van
de wederpartij. Dit verzoek is afgewezen. Een pensioenvoorziening voor
service-dames ontbreekt. Verzoekster is van mening dat de wederpartij
hiermee in strijd heeft gehandeld c.q. handelt met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid op 15 juli 1994 een
oordeel en een tussenbeslissing uitgebracht (444- 94-63). Het oordeel
betrof de periode na 17 mei 1990, de datum waarop het Hof van Justitie
van de EG uitspraak deed in de zaak Barber(Barber vs. Guardian Royal
Exchange Assurance Group, d.d. 17-05-1990, zaak C 262/88, Nemesis 1990,
nr. 116). Voor de periode voor 17 mei 1990 heeft deze Commissie
besloten de zaak aan te houden totdat er een uitspraak zou komen van
het EG-Hof over de betekenis en reikwijdte van het Barber-arrest.

2.2. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid is op 1 september 1994, de datum van inwerkingtreding van de
Algemene wet gelijke behandeling (AWGB; Stb. 1994, 230) opgeheven. Zij
heeft per die datum haar werkzaamheden overgedragen aan de op die datum
ingestelde Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie). Deze
Commissie heeft de behandeling van de onderhavige zaak overgenomen. De
inhoud van oordeel en tussenbeslissing 444-94-63 van de Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid is hierachter
opgenomen en wordt als ingevoegd beschouwd.

2.3. Naar aanleiding van de tussenbeslissing hebben partijen
schriftelijk gereageerd. Vervolgens zijn partijen uitgenodigd voor een
zitting op 30 november 1994. Partijen hebben van deze uitnodiging geen
gebruik gemaakt.

Bij de zitting waren van de kant van de Commissie aanwezig:

– mw mr C.H.S. Evenhuis (kamervoorzitter) – dhr mr A.W. Heringa (lid
Kamer) – dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen
(juridisch adviseur).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I. In deze Kamer hebben
zitting de leden als genoemd onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

Voorzover de feiten een aanvulling zijn op hetgeen is opgenomen in
oordeel/tussenbeslissing 444-94-63 van de Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid d.d. 15 juli 1994, wordt het
volgende vastgesteld.

3.1. De huidige verdeling van het personeel in twee categorieen,
namelijk personeel (werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst) en
niet-personeel (agenten, service- dames, uitzendkrachten), bestond
reeds toen verzoekster in 1979 voor de wederpartij ging werken.
Verzoekster is vanaf haar indiensttreding aangemerkt als service-dame.
De wederpartij kon niet aangeven uit hoeveel mannen en vrouwen de
verschillende categorieen personeel destijds bestonden.

De categorie personeel viel ook in de periode vanaf 1979 al onder het
pensioenfonds. In 1982 namen 912 mannen en 187 vrouwen, en in 1985 987
mannen en 264 vrouwen, deel aan deze pensioenregeling. Voor de
categorie niet-personeel bestond in die tijd geen pensioenregeling.
Alleen voor de agenten is het, vanaf 1984, mogelijk deel te nemen aan
een pensioenregeling.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in de periode 1979-17 mei
1990 onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling, door verzoekster niet deel te laten nemen aan een
pensioenregeling.

In oordeel 444-94-63 sprak de Commissie gelijke behandeling van mannen
en vrouwen bij de arbeid uit, dat verzoekster voor de periode vanaf
1985 of als werkneemster moet worden beschouwd, of als personeelslid
werkzaam op basis van een overeenkomst waarbij arbeid wordt verricht
onder gezag, doch niet op basis van een arbeidsovereenkomst. De
Commissie sluit zich bij deze beoordeling aan.

Zoals gezegd, is verzoekster vanaf 1979 werkzaam voor de wederpartij.
Deze kende ook toen al de personeelscategorie service-dame. Niet
gebleken is dat verzoeksters werkzaamheden en arbeidsvoorwaarden in de
loop der jaren ingrijpend zijn veranderd. De Commissie gaat er daarom
van uit dat verzoek- ster in de periode 1979-1985 dezelfde
arbeidsrechtelijke status had als vanaf 1985. De Commissie zal de
voorliggende vragen dan ook beantwoorden voor twee situaties, namelijk
dat het ervoor moet worden gehouden dat zij: – op arbeidsovereenkomst
werkzaam was; – anders dan op basis van arbeidsovereenkomst onder gezag
arbeid verrichtte.

4.2. Onderhavig oordeel betreft de periode 1979 tot 17 mei 1990.
Getoetst moet worden aan de in die periode geldende wetgeving gelijke
behandeling.

In oordeel 444-94-63 is getoetst aan artikel 7A:1637ij Burgerlijk
Wetboek (BW) jo 1b Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Deze
artikelen zijn bij Wet van 27 april 1989 ingevoerd (WGBoud; Stb. 168,
in werking getreden op 1 juli 1989). Daarvoor gold vanaf 1975 de Wet
gelijk loon voor vrouwen en mannen (WGL; Stb. 1975, 129) en vanaf 1980
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGBoud; Stb. 1980,
86). Bij deze laatste Wet werd ook de voorloper van het huidige artikel
7A:1637ij BW ingevoerd.

Evenals het huidige artikel 7A:1637ij BW bepaalde het oude artikel
1637ij BW dat een werkgever direct (onmiddellijk) noch indirect
(middellijk) onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in onder
meer de arbeidsvoorwaarden, waaronder begrepen de beloning. Niet onder
de arbeids- voorwaarden werden begrepen aanspraken of uitkeringen
ingevolge pensioenregelingen. De WGL bepaalde in artikel 2 dat een
werkgever geen onderscheid mocht maken op het punt van de beloning.

De WGL en de WGBoud kenden geen artikel vergelijkbaar met het huidige
artikel 1b WGB. Dit artikel is pas in 1989 in de wetgeving gelijke
behandeling ingevoerd, om een tot dan bestaande leemte in de wetgeving
gelijke behandeling waardoor diverse arbeidsrelaties niet werden
bestreken door deze wetgeving, op te vullen. Dit betekent voor de
onderhavige zaak dat voor zover het ervoor moet worden gehouden dat
tussen partijen een overeenkomst bestond, waarbij anders dan op basis
van een arbeidsovereenkomst, onder gezag arbeid werd verricht, deze pas
vanaf de inwerkingtreding van de WGBoud (in 1989) onder de wetgeving
gelijke behandeling valt.

Concluderend stelt de Commissie vast dat: – ingeval sprake is van een
arbeidsovereenkomst, artikel 7A:1637ij BW (oud en nieuw) van toepassing
is; – ingeval sprake is van een overeenkomst, waarbij anders dan op
basis van een arbeidsovereenkomst arbeid onder gezag werd verricht
zoals bedoeld in artikel 1b WGB, alleen voor de periode vanaf 1 juli
1989 getoetst kan worden aan artikel 7A:1637 BW.

4.3. Nu is vastgesteld aan welke artikelen uit de wetgeving gelijke
behandeling moet worden getoetst voor de periode 1979-17 mei 1990,
rijst de vraag of de Commissie voor deze periode bevoegd is te oordelen
over (het ontbreken van) een aanvullende pensioenregeling. Ook in de
oude wetgeving gelijke behandeling werden aanspraken en uitkeringen
ingevolge pensioenregelingen namelijk uitgezonderd van de norm van
gelijke behandeling. De Commissie overweegt hieromtrent het volgende.

In oordeel 444-94-63 gaf de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen reeds aan, dat de bepalingen uit de wetgeving gelijke
behandeling verdrag- en richtlijnconform moeten worden uitgelegd. Dat
heeft tot gevolg dat slechts die pensioenkwesties die volgens het
EG-Hof van Justitie niet onder het loonbegrip vallen, van de wettelijke
norm van gelijke behandeling zijn uitgesloten. De Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid stelde vast dat de in
geding zijnde pensioenregelingen onder het loonbegrip vallen, maar dat
nog niet beantwoord was de vraag of deelname aan pensioenregelingen in
de periode voor 17 mei 1990 kon worden afgedwongen.

De vraag kan worden gesteld of de beperking in de terugwerkende kracht
zoals volgend uit het Barber-arrest, kan tegengeworpen worden wanneer
niet een recht op gelijke uitkering maar een recht op deelname wordt
geclaimd.

De Commissie overweegt hierover als volgt.

Het EG-Hof heeft in de zaken Vroege en Fischer (Vroege vs NCIV
Instituut voor Volkshuisvesting BV en Stichting Pensioenfonds NCIV,
arrest van 28 september 1994 in zaak C-57/93, Nemesis 1994, nr 424.

Fisscher/Voorhuis Hengelo BV en Stichting Bedrijfs- pensioenfonds voor
de Detailhandel, arrest van 28 september 1994, zaak C-128/93, Nemesis
1994, nr 425.) bevestigd dat niet alleen het recht op uitkering uit
hoofde van een bedrijfspensioenregeling, maar ook het recht op
aansluiting daartoe binnen de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag
valt. In genoemde uitspraken heeft het Hof voorts aangegeven dat er
voor het recht op aansluiting geen beperking in de tijd geldt, en dat
dit recht derhalve vanaf 8 april 1976, de datum van het Defrenne
II-arrest (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, Defrenne
tegen Belgische luchtvaartmaatschappij NV Sabena (II), zaak 43/75.
Jurisprudentie 1976, nr 455) waarin het Hof voor het eerst de
rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag heeft erkend, direct
afdwingbaar is. Het Hof wijst er echter uitdrukkelijk op, dat recht op
aansluiting bij de pensioenregeling mede betekent dat ook over de
betrokken periode (alsnog) premies moeten worden betaald, ook door de
werknemer indien het reglement een werknemersbijdrage voorschrijft.

De Commissie concludeert derhalve dat wanneer een medewerker op grond
van geslacht na 8 april 1976 de toelating tot een pensioenregeling is
geweigerd, in beginsel in strijd wordt gehandeld met de wetgeving
gelijke behandeling.

4.4. Dan komt de Commissie vervolgens toe aan de vraag of de
wederpartij in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke
behandeling, door verzoekster in de periode 1979-17 mei 1990 niet toe
te laten tot een pensioenregeling. Zoals gezegd, wordt bij die
beoordeling onderscheid gemaakt voor de situatie waarin verzoekster als
werkneemster moet worden beschouwd, en voor de situatie waarin zij
anders dan op basis van een arbeidsovereenkomst onder gezag van de
wederpartij arbeid verrichtte.

Voor beide situaties geldt dat verzoekster niet rechtstreeks op grond
van haar geslacht niet is toegelaten tot een pensioenregeling. Geen
enkele service-dame, mannelijk of vrouwelijk, kon namelijk deelnemen
aan een pensioenregeling. In oordeel 444-94-63 is dan ook onderzocht of
sprake is van indirect onderscheid naar geslacht. Dat ontstaat wanneer
onderscheid wordt gemaakt op grond van andere hoedanigheden dan het
geslacht, dat onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft,
tenzij dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is (artikel 7A:1637ij
lid 5 BW). Van een objectieve rechtvaardigingsgrond is volgens vaste
jurisprudentie sprake: – indien het onderscheid wordt gemaakt om een
objectief gerechtvaardigd doel te dienen en – daartoe middelen zijn
gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken,
terwijl – dit doel niet bereikt kan worden op andere wijze waarbij geen
indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

4.5. verzoekster als werkneemster

De Commissie sluit zich aan bij het oordeel van de Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, dat in de specifieke
situatie van verzoekster sprake is van een zekere gelijkenis met een
arbeidsovereenkomst. Voor de periode 1979-17 mei 1990 moet dan getoetst
worden aan het bepaalde in achtereenvolgens artikel 2 WGL, artikel
1637ij BWoud en 7A:1637ij BW.

De vraag moet worden beantwoord of er een vermoeden van indirect
onderscheid bestaat. In casu wordt verzoekster van de pensioenregeling
uitgesloten omdat zij service-dame is, terwijl beide partijen zich
feitelijk meer gedragen alsof sprake is van een arbeidsovereenkomst. Om
tot een vermoeden van indirect onderscheid te komen, moet worden
aangetoond dat vrouwen dan wel mannen in overwegende mate in een
dergelijke situatie verkeren. De Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid constateerde evenwel al dat de
gelijkenis met een arbeidsovereenkomst zich opdringt in dit specifieke
geval van verzoekster. Aangetoond, noch gebleken is dat ook andere
service-dames, mannen dan wel vrouwen, zich in een dergelijke situatie
bevinden. Dat betekent dat geen sprake is van een situatie waarin
mannen dan wel vrouwen in overwegende mate benadeeld worden door hun
status van service-dame. De Commissie ziet dan ook onvoldoende aankno-
pingspunten om te concluderen dat een vermoeden van indirect
onderscheid rijst.

Dat betekent dan ook dat voor de situatie waarin verzoekster als
werkneemster moet worden beschouwd, niet gebleken is dat de wederpartij
in de periode 1979-17 mei 1990 handelde in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling door verzoekster niet toe te laten tot een
pensioenregeling.

4.6. verzoekster anders dan op basis van arbeidsovereenkomst onder
gezag van de wederpartij werkzaam

Zoals in paragraaf 4.2. reeds aangegeven, werd de juridische relatie
tussen verzoekster en wederpartij tot 1 juli 1989 niet gedekt door de
wetgeving gelijke behandeling. Bovendien is de pensioenregeling voor
agenten pas in 1984 ingevoerd, zodat voor die tijd ook geen sprake kan
zijn geweest van onderscheid op grond van geslacht bij de toelating tot
de pensioenregeling voor agenten.

Voor de periode 1 juli 1989 tot 17 mei 1990 wordt, via artikel 1b WGB,
getoetst aan artikel 7A:1637ij BW. In geding is de vraag of de
wederpartij in deze periode indirect onderscheid naar geslacht heeft
gemaakt door verzoekster niet toe te laten tot de pensioenregeling voor
agenten, en ook geen aparte, vergelijkbare pensioenregeling voor
service-dames op te zetten.

Om te bezien of in overwegende mate vrouwen worden getroffen door het
feit dat voor agenten wel en voor service-dames geen pensioenregeling
is getroffen, moeten de mannelijke en vrouwelijke agenten en
service-dames tegen elkaar worden afgezet. De wederpartij kon geen
cijfers uit deze periode overleggen. De Commissie zal daarom uitgaan
van de cijfers over de jaren 1992 en 1993, zoals vermeld in oordeel
444-94-63. Weliswaar betreffen deze een recentere periode dan de
periode 1989/1990, maar er zijn geen aanwijzingen dat tussen deze
periode en de jaren 1992/1993 grote verschuivingen zijn opgetreden.

De Commissie gaat er daarom van uit dat in de periode 1 juli 1989-17
mei 1990, evenals in de periode 1992/1993 ongeveer 10% van de
mannelijke en zo’n 40 a 50% van de vrouwelijke agenten en service-dames
waarvoor sociale premies werden ingehouden, uitgesloten werd van de
pensioenregeling vanwege hun functie van service-dame. Het nadelig
effect is voor vrouwelijke service-dames dan bijna 4 tot 5 maal groter
dan voor mannelijke service-dames. Daarmee staat vast, dat vooral
vrouwen door de uitsluiting van service-dames van een pensioenregeling
zijn getroffen en dat een vermoeden van indirect onderscheid ontstaat.

Als objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid voerde de
wederpartij geen andere redenen aan, dan in oordeel 444-94-63 vermeld,
namelijk het feit dat zij alleen voor degenen die volledig werkzaam
zijn en meer dan het minimumloon verdienen een pensioenregeling wenst
af te sluiten. De Commissie maakt de beoordeling van die objectieve
rechtvaardiging door de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid tot de hare, en acht het gekozen doel dan ook
niet objectief gerechtvaardigd.

Zij concludeert dan ook dat voor het gemaakte onderscheid geen
objectieve rechtvaardiging bestaat, en dat de wederpartij in de periode
1 juli 1989 tot 17 mei 1990 in strijd handelde met artikel 1b WGB, door
verzoekster niet toe te laten tot de pensioenregeling voor agenten, of
op andere wijze in een pensioenregeling voorzien.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Amsterdam
jegens mevrouw te Nuenen in de periode 1979 tot 17 mei 1990 –
voor het geval verzoekster als werkneemster moet worden beschouwd, niet
in strijd heeft gehandeld met achtereen- volgens artikel 2 Wet gelijk
loon voor vrouwen en mannen, artikel 1637ij Burgerlijk Wetboek (oud) en
artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek; – voor het geval verzoekster op
andere basis dan arbeidsovereenkomst onder gezag arbeid verricht, – tot
1 juli 1989 niet in strijd heeft gehandeld met achtereenvolgens artikel
2 Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen, artikel 1637ij Burgerlijk
Wetboek (oud), en artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek; – in strijd
heeft gehandeld met artikel 1b Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen jo. artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek in de periode van 1
juli 1989 tot 17 mei 1990, door haar niet toe te laten tot de
pensioenregeling voor agenten c.q. in andere wijze in een
pensioenregeling te voorzien.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis (kamervoorzitter), dhr mr A.W. Heringa (lidKamer), dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer), mw mr G.L.M. Lenssen(juridisch adviseur)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 december 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker was de laatste jaren werkzaam bij een gemeente. Deze gemeente
heeft zijn pensioenregeling ondergebracht bij de wederpartij. Op 1
augustus 1991 is verzoeker met pensioen gegaan. Verzoeker ontvangt een
lager aanvullend pensioen dan wanneer hij een vrouw zou zijn geweest.
Hij is van mening dat de wederpartij hiermee handelt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen. De Commissie
interpreteert de uitdrukkelijke uitzondering voor aanspraken en
uitkeringen ingevolge pensioenregelingen als gemaakt in artikel 1a WGB
en artikel 7 lid 2 WGB in het licht van de jurisprudentie van het
EG-Hof over het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag. De Commissie
vat deze uitzondering zo op, dat slechts die pensioenkwesties terzake
waarvan volgens het EG-Hof geen beroep op de rechtstreekse werking van
artikel 119 EEG-Verdrag kan worden gedaan, van de wettelijke norm van
gelijke behandeling zijn uitgesloten. De genoemde opdracht tot verdrag-
en richtlijnconforme uitleg kan naar het oordeel van de Commissie
evenwel niet leiden tot haar bevoegdheid om een oordeel uit te spreken
over de vraag of een pensioenfonds handelt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling. De tekst van artikel 1a WGB noemt namelijk
expliciet slechts het bevoegd gezag als aan te spreken persoon.
Pensioenfondsen, als juridisch zelfstandige rechtspersonen met eigen
bevoegdheden, kunnen niet worden gevat onder het begrip werkgever. Het
uitbreiden van de bevoegdheid ‘ratione materiae’ via een
verdragconforme interpretatie, is iets anders dan het uitbreiden van de
groep van door de wetgever aangewezen wederpartijen. Dat laatste gaat
de wettelijke bevoegdheid van de Commissie te zeer te buiten. Dit
leidt tot de conclusie dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden
geacht in zijn verzoek jegens wederpartij. Overigens kan met de
inwerkingtreding van de AWGB een pensioenfonds wellicht wel
aangesproken worden op handelen in strijd met deze nieuwe wet.
Aangezien de AWGB evenwel dateert van en werkt vanaf een datum gelegen
na indiening van het onderhavige verzoek, doet dit bovenstaande aan de
niet-ontvankelijkheid van verzoeker in deze zaak niet af.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 13 augustus 1993 verzocht de heer te Den Haag (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of het Bestuur van
het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds te Heerlen (hierna: de
wederpartij) jegens hem in strijd heeft gehandeld/handelt met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoeker was de laatste jaren werkzaam bij een gemeente. Deze
gemeente heeft zijn pensioenregeling ondergebracht bij de wederpartij.
Op 1 augustus 1991 is verzoeker met pensioen gegaan. Verzoeker ontvangt
een lager aanvullend pensioen dan wanneer hij een vrouw zou zijn
geweest. Hij is van mening dat de wederpartij hiermee handelt in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Daarbij is aangegeven dat de ontvankelijkheid van
de zaak voorwerp van onderzoek zou zijn. Het onderzoek is vervolgens
tijdelijk stilgelegd in verband met te verwachten uitspraken van het
Hof van Justitie op pensioengebied, met name in de zaak Beune (Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak Beune tegen het
Bestuur van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, 28 september 1994,
zaak C-7/93).

2.2. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid is op 1 september 1994, de datum van inwerkingtreding van de
Algemene wet gelijke behandeling (AWGB; Stb. 1994, 230) opgeheven. Zij
heeft haar werkzaamheden overgedragen aan de op 1 september 1994
ingestelde Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie). Deze
Commissie heeft de behandeling van de onderhavige zaak overgenomen.

Vervolgens zijn partijen uitgenodigd voor een zitting op 8 december
1994. Verzoeker heeft van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van de wederpartij – mevrouw mr M. de Rijke

van de kant van de Commissie – mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)
– dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer) – mw mr A.C. Possel (lid Kamer) – mw
mr G.L.M. Lenssen (juridisch adviseur).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker werkte voor zijn pensionering in 1991 voor een gemeente.
Deze had zijn pensioenregeling ondergebracht bij de wederpartij. Deze
pensioenregeling kent een ouderdomspensioen van 70% van het
laatstverdiende loon. In dit pensioen is het wettelijk
ouderdomspensioen ingebouwd. Het bedrag boven deze inbouw tot 70% van
het laatstverdiende loon, is het aanvullende ouderdomspensioen.

Tot 1986 bestond er een verschillende inbouw van het wettelijk
ouderdomspensioen voor gehuwde mannen en vrouwen. Bij gehuwde mannen
werd de inbouw afhankelijk gesteld van het wettelijk ouderdomspensioen
voor gehuwden, bij vrouwen van het (lagere) wettelijk ouderdomspensioen
voor ongehuwden. Dit heeft dan tot gevolg dat het aanvullende pensioen
van gehuwde mannen lager is dan dat van gehuwde vrouwen.

Vanaf 1986 geldt voor (gehuwde) mannen en vrouwen dezelfde
pensioeninbouw.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij in strijd heeft
gehandeld/handelt met de wetgeving gelijke behandeling, nu zijn
aanvullend pensioen lager is dan dat van een vrouw in overigens
dezelfde omstandigheden. Hij is van mening dat zijn vroegere werkgever
hier niet op aangesproken kan worden, nu de regels afkomstig zijn van
de wederpartij.

3.3. De wederpartij stelt in de eerste plaats dat verzoeker niet
ontvankelijk is in zijn verzoek. Artikel 1a Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen (WGB) verbiedt het bevoegd gezag onderscheid te maken
op grond van geslacht. Zij kan als pensioenbeheerder niet gelijk
gesteld worden met dit bevoegd gezag. Het verbod in de WGB richt zich
dus niet tot haar. De wederpartij verwijst in dit verband naar oordeel
569-94-43 van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid, die in een vergelijkbare zaak tot niet- ontvankelijkheid
van de verzoekende partij concludeerde.

De wederpartij stelt dat een beroep op artikel 5 AWGB niet aan de orde
is. Dit artikel betreft een algemeen verbod om onderscheid te maken in
de arbeidsvoorwaarden, zonder de kring van geadresseerden te beperken.
Verzoeker heeft evenwel geen beroep gedaan op dit artikel, reden waarom
de Commissie niet artikel 5 AWGB hoeft te toetsen. Overigens is de AWGB
ook pas op 1 september 1994 in werking getreden, zodat toetsing van de
onderhavige casus, die zich voor deze datum afspeelde, niet mogelijk
is. Verder is de WGB een lex specialist ten opzichte van de AWGB, zodat
toetsing aan de WGB voorrang heeft boven toetsing aan de AWGB.

3.4. Mocht de Commissie verzoeker wel ontvankelijk achten, dan acht de
wederpartij het voor de hand liggen dat de Commissie de uitspraak van
het Hof van Justitie van de EG in de zaak Beune in haar overwegingen
betrekt. In deze zaak is door het Ambtenarengerecht Den Haag (28
februari 1990. zaak 1988/21571) uitspraak gedaan, en heeft de Centrale
Raad van Beroep vervolgens prejudiciele vragen gesteld aan het Hof van
Justitie. Dit oordeelde op 28 september 1994 weliswaar dat een
verschillende berekening voor mannen en vrouwen in strijd is met
artikel 119 EG-Verdrag, maar stelde vervolgens vast dat het protocol
bij dit artikel een beroep op gelijke behandeling voor tijdvakken van
arbeid voor 17 mei 1990 blokkeert. Dit tenzij voor deze datum reeds een
(rechts)vordering was ingesteld.

De zaak van verzoeker betreft geen tijdvakken van arbeid na 17 mei
1990, en verzoeker heeft ook niet voor deze datum een claim ingediend.
De conclusie luidt dan ook dat verzoeker zijn vordering dient te worden
ontzegd.

De wederpartij heeft haar beleid nog niet herzien naar aanleiding van
het arrest Beune. Zij zal daarvoor de uitspraak van de Centrale Raad
van Beroep afwachten.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd heeft
gehandeld/handelt met de wetgeving gelijke behandeling door voor
verzoeker een andere berekening van het aanvullende ouderdomspensioen
te hanteren dan bij een vrouw in overigens dezelfde omstandigheden, en
verzoeker derhalve ook een lagere aanvullende pensioenuitkering toe te
kennen.

4.2. Vooraleer aan beantwoording van deze vraag toe te komen, rijst de
vraag of de Commissie bevoegd is over het verzoek een oordeel uit te
spreken. Aan de orde is namelijk of de wederpartij in een
pensioenregeling onderscheid naar geslacht heeft gemaakt. Een
pensioenregeling wordt gerekend tot de arbeidsvoorwaarden van
werknemers en personen in overheids- dienst.

Het in artikel 1a WGB neergelegde verbod om in de arbeidsvoorwaarden
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen, is gericht tot het
bevoegd gezag. De WGB kent geen bepaling die de aansprakelijkheid van
andere personen of organen dan de werkgever/het bevoegd gezag vestigt,
wanneer het betreft de (uitvoering van) arbeidsvoorwaarden. Dit zou
leiden tot de conclusie dat de Commissie niet bevoegd is een oordeel
uit te spreken over de voorliggende vraag, en dat dus een pensioenfonds
zoals de wederpartij niet aangesproken kan worden op handelen in strijd
met de WGB.

Hieraan doet niet af het feit dat uitvoeringswetgeving (Wijziging van
het Burgerlijk Wetboek en de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van
de bovenwettelijke sociale zekerheid), Kamerstukken 20.890) naar
aanleiding van de Vierde EG-richtlijn (Richtlijn 86/378/EEG, 24 juli
1986, inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings-
en sectoriele regelingen inzake sociale zekerheid, nr. L 225/40) in de
toekomst zal leiden tot wijziging van de wetgeving gelijke behandeling
in die zin, dat ook anderen dan de werkgever aangesproken kunnen
worden. Overigens had deze wetgeving, gezien de termijn voor
tenuitvoerlegging die de Vierde richtlijn gaf, uiterlijk per 1 januari
1993 ingevoerd moeten zijn. Het verstrijken van deze uitvoeringstermijn
was voor de Commissie ook reden om na 1 januari 1993, anders dan
voorheen, zaken tegen pensioen- fondsen niet langer kennelijk
niet-ontvankelijk te verklaren.

De Commissie stelt vast dat de uitvoeringswetgeving op dit moment nog
niet in werking is getreden. Dat leidt dan tot de conclusie dat de
wetgeving gelijke behandeling op dit moment geen bepaling kent op grond
waarvan pensioenfondsen kunnen worden aangesproken.

4.3. Dit zal slechts anders zijn wanneer uit het -hogere- Europese
gemeenschapsrecht een andere interpretatie van de wetgeving gelijke
behandeling volgt. De Commissie zal dan ook onderzoeken of op grond
hiervan een andere interpretatie van bepalingen uit de WGB is geboden.
Zij overweegt hierover als volgt.

Zij stelt allereerst vast dat de wetgever met de vroegere en ook de
huidige wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen mede een
volledige uitwerking heeft willen geven aan artikel 119 EEG-Verdrag.
Het EG-Hof is blijkens haar overwegingen in onder andere de zaak Von
Colson/Kamann d.d. 10 april 1984 van mening dat nationale rechters en
anderen die met overheidsgezag zijn bekleed gehouden zijn om binnen hun
bevoegdheden de wetgeving gelijke behandeling zoveel mogelijk uit te
leggen en toe te passen in het licht van de bewoordingen en objectieve
doelstelling van artikel 119 EEG-Verdrag en de EG-richtlijnen (Hof van
Justitie der Europese gemeenschappen, Von Colson en Kamann vs.
Deelstaat Nordrhein Westfalen, zaaknummer 14/83. Jurisprudentie 1984,
1891. Zie ook Marleasing SA tegen La Comercial Internacional de
Alimentacion SA, zaaknummer C-106/89, arrest van 13- 11-1990). Dit
heeft ertoe geleid dat de Commissie de uitdrukkelijke uitzondering voor
aanspraken en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen als gemaakt in
artikel 1a WGB en artikel 7 lid 2 WGB interpreteert in het licht van de
jurisprudentie van het EG-Hof (Zie onder meer Hof van Justitie der
Europese Gemeenschappen, Barber vs. Guardian Royal Exchange Assurance
Group, zaaknummer C 262/88, 17 mei 1990. Nemesis 1990, nr. 116. En zaak
Ten Oever vs. Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Glazenwassers-
en Schoonmaakbedrijf, 6 oktober 1993, zaaknummer 14/83) over het
loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag. Gelet op het bovenstaande vat
de Commissie deze uitzondering namelijk zo op, dat slechts die
pensioenkwesties terzake waarvan volgens het EG-Hof geen beroep op de
rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag kan worden gedaan,
van de wettelijke norm van gelijke behandeling zijn uitgesloten.

De genoemde opdracht tot verdrag- en richtlijnconforme uitleg kan naar
het oordeel van de Commissie evenwel niet leiden tot haar bevoegdheid
om een oordeel uit te spreken over de vraag of een pensioenfonds
handelt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling. Anders dan
hierboven waar sprake was van verdragconforme interpretatie van het
beloningsbegrip dat zowel in artikel 119 EEG-Verdrag als de wetgeving
gelijke behandeling voorkomt, biedt de tekst van de Wet in het
voorliggende geval voor een verdragconforme interpretatie geen
aanknopingspunt. De tekst van artikel 1a WGB noemt namelijk expliciet
slechts het bevoegd gezag als aan te spreken persoon. Pensioenfondsen,
als juridisch zelfstandige rechtspersonen met eigen bevoegdheden,
kunnen niet worden gevat onder het begrip werkgever. Het uitbreiden van
de bevoegdheid ‘ratione materiae’ via een verdragconforme
interpretatie, is iets anders dan het uitbreiden van de groep van door
de wetgever aangewezen wederpartijen. Dat laatste gaat de wettelijke
bevoegdheid van de Commissie te zeer te buiten.

4.4. Bovenstaande leidt tot de conclusie dat verzoeker niet-o-
ntvankelijk moet worden geacht in zijn verzoek jegens wederpartij.
Overigens kan met de inwerkingtreding van de AWGB een pensioenfonds
wellicht wel aangesproken worden op handelen in strijd met deze nieuwe
wet. Artikel 5 AWGB kent een algemeen verbod om onderscheid te maken in
de arbeidsvoorwaarden, dat zich niet tot een specifieke geadresseerde
richt. Dat betekent dat vanaf 1 september 1994 ook een pensioenfonds
kan worden aangesproken op handelen in strijd met de AWGB. Weliswaar
stelt niet het pensioenfonds de arbeidsvoorwaarden van het personeel
vast, maar uit jurisprudentie van het Hof van Justitie inzake artikel
119 EEG-Verdrag (Onder meer de zaak Ten Oever/Stichting
bedrijfspensioenfonds voor het glazenwassers- en schoonmaakbedrijf, 6
oktober 1993, zaak C-109/91) blijkt, dat ook een pensioenfonds kan
worden aangesproken op ongelijke behandeling in de voorwaarden die in
een pensioenregeling tussen werkgevers en werknemers zijn neergelegd.
Aangezien de AWGB evenwel dateert van en werkt vanaf een datum gelegen
na indiening van het onderhavige verzoek, doet dit bovenstaande aan de
niet-ontvankelijkheid van verzoeker in deze zaak niet af.

4.5. Ten overvloede voegt de Commissie hier aan toe dat zowel
werkgevers als pensioenfondsen wel in een procedure voor de rechter
aangesproken kunnen worden op handelen in strijd met artikel 119
EEG-Verdrag (Zie de eerder genoemde bij het Hof van Justitie aanhangige
zaak Coloroll en de eveneens bij het Hof aanhangige zaak C-128/93,
Fischer vs. Voorhuis Hengelo B.V., vs Stichting Bedrijfspensioenfonds
voor de Detailhandel). Het is evenwel niet de taak van de Commissie om
te beoordelen of wordt gehandeld in strijd met artikel 119 EEG-Verdrag,
aangezien het beoordelingskader van de Commissie is beperkt tot de
wetgeving gelijke behandeling. Dit heeft tot gevolg dat de justitiabele
voor de rechter wel, maar voor de Commissie geen rechtstreeks beroep op
artikel 119 EEG-Verdrag kan doen. In de onderhavige casus is bij een
beroep op artikel 119 EEG-Verdrag op dit punt dan nog relevant dat het
Hof van Justitie in de zaak Beune dezelfde problematiek beoordeelde als
in de onderhavige zaak. Zoals wederpartij reeds aangaf, sprak het Hof
uit dat de verschillende berekening van pensioenen voor gehuwde mannen
en vrouwen leidt tot onderscheid op grond van geslacht in strijd met
artikel 119 EEG-Verdrag. Het recht op gelijke behandeling kan evenwel,
door de werking van het protocol bij artikel 119 EEG-Verdrag, alleen
worden ingeroepen voor tijdvakken van arbeid gelegen na 17 mei 1990,
tenzij al eerder een (rechts)vordering is ingesteld. Van beide
situaties is in casu geen sprake, reden waarom een beroep op artikel
119 EEG-Verdrag in een gerechtelijke procedure weinig succesvol moet
worden geacht.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat zij niet bevoegd is in de
onderhavige zaak een oordeel uit te spreken, en dat de heer te
Den Haag derhalve niet-ontvankelijk is in zijn verzoek.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), dhr mr A.W. Heringa (lidKamer), mw mr A.C. Possel (lid Kamer), mw mr G.L.M. Lenssen (juridischadviseur)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 december 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeksters behoorden tot een groep stewardessen die in de jaren
veertig/vijftig bij de wederpartij in dienst waren. Deze groep viel
gedurende het dienstverband onder een andere pensioenregeling dan
mannelijke collega’s, die volgens verzoeksters dezelfde werkzaamheden
verrichtten. De pensioenregeling voor de mannelijke collega’s was
gunstiger dan voor de groep stewardessen, terwijl de pensioenleeftijd
voor de mannen vijf jaar hoger was. Verzoeksters zijn alle voor 1976
met pensioen gegaan. Verzoeksters zijn van mening dat de wederpartij
door vrouwelijke stewardessen niet toen of alsnog tot de gunstiger
mannenregeling toe te laten in strijd handelt/handelde met de wetgeving
gelijke behandeling. De Commissie acht zich bevoegd om te onderzoeken
of, en zo ja in hoeverre, de bestreden pensioenregelingen vallen binnen
het begrip loon, en derhalve binnen de werkingssfeer van de wetgeving
gelijke behandeling/beloning. De Commissie stelt vast dat de
onderhavige pensioenregelingen geen betrekking hebben op algemene
categorieen van werknemers, maar slechts op werknemers van het bedrijf
van wederpartij. Daarmee staat vast dat de onderhavige pensioenre-
gelingen vallen binnen het loonbegrip van de wetgeving gelijke
behandeling/beloning. De Commissie komt tot de conclusie dat onder
artikel 2 WGL vana haar inwerkingtreding mede moet worden begrepen het
verbod om in het kader van aanvullende collectieve
werknemerspensioenregelingen direct of indirect onderscheid te maken
naar geslacht. Verzoeksters zijn allen voor 1 maart 1975, dus voor de
inwerkingtreding van artikel 2 WGL met pensioen gegaan. Weliswaar is
per genoemde datum ook het verbod van kracht geworden om ongelijke
leeftijden te hanteren bij de ingang van het recht op uitkering, maar
dit verbod kan verzoeksters niet meer baten. Hun pensionering is reeds
ingegaan.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 3 mei 1993 verzochten – mevrouw te
Den Haag – mevrouw te Schoorl – mevrouw te
Amsterdam – mevrouw te Leptokaria (Griekenland) –
mevrouw te Zeist – mevrouw
te Amsterdam – mevrouw te Amsterdam – mevrouw
te Amsterdam, en – mevrouw te Overveen (hierna:
verzoeksters) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag, of de
te (hierna: de
wederpartij) jegens hen in strijd heeft gehandeld/handelt met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoeksters behoorden tot een groep stewardessen die in de jaren
veertig/vijftig bij de wederpartij in dienst waren. Deze groep viel
gedurende het dienstverband onder een andere pensioenregeling dan
mannelijke collega’s, die volgens verzoeksters dezelfde werkzaamheden
verrichtten. De pensioenregeling voor de mannelijke collega’s was
gunstiger dan voor de groep stewardessen, terwijl de pensioenleeftijd
voor de mannen vijf jaar hoger was. Verzoeksters zijn alle voor 1976
met pensioen gegaan. Verzoeksters zijn van mening dat de wederpartij
door vrouwelijke stewardessen niet toen of alsnog tot de gunstiger
mannenregeling toe te laten in strijd handelt/handelde met de wetgeving
gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid heeft de verzoeken in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Alle genoemde verzoeksters dienden tevens een verzoek om
een oordeel in waarbij zij het pensioenfonds aansprakelijk achtten en
deze als wederpartij aanwezen. De Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid heeft de zaken die zich richtten tegen
het pensioenfonds gevoegd behandeld en uitspraak gedaan op 22 juni 1994
(oordeel 590 t/m 600- 46 t/m 56).

In de onderhavige verzoeken tegen de wederpartij, is het onderzoek
tijdelijk stilgelegd. Dit hield verband met vragen die gerezen waren
over de interpretatie van een voor de pensioenproblematiek relevant
arrest van het Hof van Justitie van de EG, het arrest Barber (Hof van
Justitie der Europese Gemeenschappen, Barber versus Guardian Royal
Exchange Assurance Group, zaaknummer C 262/88, 17 mei 1990. Nemesis
1990, nr. 116).

2.2. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid is vervolgens op 1 september 1994, de datum van inwerkingtreding
van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB; Stb. 1994, 230)
opgeheven. Zij heeft haar werkzaamheden overgedragen aan de op 1
september 1994 ingestelde Commissie gelijke behandeling (hierna: de
Commissie).

Deze Commissie heeft het onderzoek voortgezet en partijen opgeroepen
voor een zitting op 30 november 1994. Alle zaken zijn ter zitting
gevoegd behandeld met die van de overige tien stewardessen.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeksters – mevrouw
(verzoekster in zaak 93-579) – mevrouw
(verzoekster in zaak 93-582) – de heer mr I.P.M. Boelens (advocaat)

van de kant van de wederpartij – de heer – de heer mr E.D.
Wiersma (advocaat)

van de kant van de Commissie – mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)
– dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer) – dhr mr J.A.M.I. Hoens (lid Kamer) –
mw mr G.L.M. Lenssen (juridisch adviseur).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeksters behoorden tot een groep stewardessen die in de jaren
veertig/vijftig, in elk geval voor 1 april 1954, bij de wederpartij in
dienst zijn getreden. Met hen is toen een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd aangegaan.

Deze groep viel onder een andere pensioenregeling dan het mannelijke
cabinepersoneel dat in diezelfde periode in dienst trad van de
wederpartij. De verschillen betreffen onder andere: – de pensioendatum;
deze is voor het vrouwelijk personeel vastgesteld op 1 januari na hun
50e verjaardag, en voor het mannelijk personeel op 1 januari na hun 56e
verjaardag; – de opbouw van het pensioen en de te betalen premie; – het
meedelen in een eventueel exploitatie-overschot van het pensioenfonds,
de pensioenregeling van het mannelijk cabine personeel laat hen wel
meedelen, die van het vrouwelijk personeel niet.

3.2. Per 1 april 1954 is het beleid van de wederpartij gewijzigd in die
zin, dat vrouwelijk cabinepersoneel vanaf die datum is aangenomen op
basis van arbeidsovereenkomsten voor vijf jaar. Ook werd een
eindleeftijd van 40 jaar ingevoerd. Achterliggende gedachte was dat de
wederpartij alleen relatief jonge vrouwen wilde aannemen als
cabinepersoneel. Vanaf 1977 gold dit ook voor het mannelijk
cabinepersoneel.

Aan de groep stewardessen met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde
tijd, waartoe dus ook verzoeksters behoorden, werd een aanbod gedaan
dat onder meer het volgende inhield: – per 1 januari 1964 of bij het
bereiken van de 40-jarige leeftijd worden de stewardessen op non-actief
gesteld totdat hun dienstbetrekking eindigt vanwege het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd (50 jaar) of vanwege andere redenen
(bijvoorbeeld huwelijk); – gedurende deze periode ontvangen de vrouwen
wachtgeld, andere inkomsten uit arbeid worden voor 50% gekort; – de
pensioenopbouw wordt voortgezet; – in de pensioenopbouw wordt een
backservice gegeven.

Dit is bevestigd in een brief aan de stewardessen van 23 september
1964. Acht van de negen verzoeksters zijn accoord gegaan met de
voorstellen. Verzoekster in dossier 93-579 is niet accoord gegaan maar
is feitelijk op vrijwel dezelfde wijze behandeld als de overige
verzoeksters.

Alle verzoeksters zijn voor 1976 met pensioen gegaan.

3.3. De standpunten van partijen

3.4. Verzoeksters stellen dat hun pensioenregeling slechter is dan die
van hun mannelijke collega’s. Zo is het pensioen van de mannen
afhankelijk van de gemaakte carriere, terwijl de vrouwen een
opbouwpensioen kennen. Verder geldt bij de mannen geen beperking van
het aantal dienstjaren dat meetelt, en delen zij mee in een eventueel
exploitatie-overschot.

Verzoeksters zijn zich er van bewust dat pensioenuitkeringen
uitgezonderd zijn van de werking van de wetgeving gelijke behandeling
van mannen en vrouwen, zij gaan er evenwel van uit dat de Commissie ook
aan artikel 119 EEG-Verdrag toetst, waar de pensioenuitkeringen wel
onder vallen. Uit de arresten Vroege en Fisscher (Vroege versus NCIV
Instituut voor Volkshuisvesting BV en Stichting Pensioenfonds NCIV,
arrest van 28 september 1994 in zaak C-57/93. Nemesis 1994, nr 424).

(Fisscher/Voorhuis Hengelo BV en Stichting Bedrijfs- pensioenfonds voor
de Detailhandel, arrest van 28 september 1994, zaak C-128/93. Nemesis
1994, nr. 424) van het Hof van Justitie volgt dat een recht op deelname
aan een pensioenregeling kan worden afgedwongen vanaf 8 april 1976, de
datum waarop het Hof uitspraak deed in de zaak Defrenne (Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen, Defrenne tegen Belgische
luchtvaartmaatschappij NV Sabena (II), zaak 43/75. Jurisprudentie 1976,
455). Verzoeksters zijn van mening dat ook indien de pensioenen reeds
zijn ingegaan pensioenen, de gevraagde gelijke behandeling juridisch
kan worden afgedwongen. Het gebrek in de toelating tot de
pensioenregeling werkt namelijk door nadat de pensioenen tot uitkering
zijn gekomen. Nu het Hof in de uitspraken Vroege en Fisscher geen
beperking in de terugwerkende kracht heeft aangebracht wanneer het gaat
om de toelating tot een pensioenregeling, kan deze toelating ook worden
afgedwongen wanneer reeds tot uitkering is overgegaan.

3.5. De wederpartij stelt in de eerste plaats dat verzoeksters zich
voor de jaren vanaf hun 40e niet kunnen vergelijken met hun mannelijke
collega’s, omdat die collega’s toen wel en verzoeksters geen arbeid
verrichtten. Verzoeksters waren toen op non-actief gesteld. Zij
ontvingen daarom geen beloning maar een schadeloosstelling, als
vergoeding voor het verlies van beloning. Een vergelijking kan worden
gemaakt met een vergoeding, voortvloeiend uit een ontbindings- of een
kennelijk onredelijk ontslagprocedure. Dat uit de bewoordingen van de
brief van 23 september 1964 wellicht het blijven voortbestaan van een
formele dienstbetrekking kan worden afgeleid, doet daar niet aan af.

De wederpartij erkent overigens dat een verschillende pensioenregeling
geldt voor mannelijk en vrouwelijk cabinepersoneel dat in de jaren
veertig/vijftig in dienst trad. Het mannelijk personeel heeft voor de
hogere pensioenuitkering overigens ook hogere premies betaald.

Als de Commissie toch wil onderzoeken of in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling is gehandeld, rijst, nu de ongelijke behandeling is
ontstaan in een ver verleden, de vraag of in strijd is gehandeld met
normen waaraan de Commissie kan toetsen. De wederpartij wijst er in dit
verband op dat het EEG-Verdrag dateert van 1957, derhalve van na het
ontstaan van de ongelijke behandeling. Uit jurisprudentie van het Hof
van Justitie volgt volgens haar dat ongelijke behandeling in het recht
op deelname aan een pensioenregeling wellicht kan worden geclaimd voor
de periode voor Barber, maar dat geen gelijke behandeling kan worden
geclaimd in gevallen waarin de pensioenuitkeringen reeds zijn ingegaan.
Nu verzoeksters reeds jaren pensioen ontvangen, kan om die reden geen
recht op gelijke behandeling worden afgedwongen.

Zou de Commissie de onderhavige zaken in navolging van de zaken Vroege
en Fisscher van het Hof van Justitie, willen beschouwen als een waarin
het recht op aansluiting bij een pensioenregeling in geding is, dan
geldt dat verzoeksters niet zijn uitgesloten van een pensioenregeling,
doch onder een andere pensioenregeling vallen. Verder hebben zij niet
aangeboden premies te betalen voor de afgelopen jaren en is de
verjaringstermijn van twee jaar uit de WGB van belang.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd handelt/heeft
gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling door verzoeksters vanaf
hun indiensttreding in de jaren ’40/’50 op andere voorwaarden in een
pensioenregeling op te nemen dan mannelijke collega’s.

4.2. De eerste vraag die rijst, is over welke periode de Commissie aan
welke artikelen uit de wetgeving gelijke behandeling kan toetsen.
Daarover overweegt de Commissie als volgt.

Eerst op 1 maart 1975 trad de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen
(WGL; Stb. 1975, 129) in werking. Deze voorzag in een Commissie die
bevoegd was te oordelen over klachten inzake de WGL. Vanaf 1980 gold de
Wet gelijk behandeling van mannen en vrouwen (WGBoud; Stb. 1980, 86),
waarbij tevens de voorloper van het huidige artikel 7A:1637ij BW werd
ingevoerd. Op 1 juli 1989 werd een aantal wijzigingen in artikel
7A:1637ij Burgerlijk Wetboek van kracht, terwijl tevens de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen in werking trad (WGBoud; Stb. 168, in
werking getreden op 1 juli 1989). In beide wijzigingswetten was
voorzien in Commissies, die als achtereenvolgende rechtsopvolgsters tot
onderzoek en oordelen bevoegd waren bij vermeende overtreding van
genoemde wetgeving.

De WGL bepaalde in artikel 2 dat een werkgever geen onderscheid mocht
maken op het punt van de beloning. Een uitdrukkelijke uitzondering ten
aanzien van pensioenrege- lingen was niet opgenomen. Evenals het
huidige artikel 7A:1637ij BW bepaalde het oude artikel 1637ij BW dat
een werkgever direct (onmiddellijk) noch indirect (middellijk)
onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in onder meer de
arbeidsvoorwaarden, waaronder begrepen de beloning. Niet onder de
arbeids- voorwaarden werden begrepen aanspraken of uitkeringen
ingevolge pensioenregelingen.

Uit het bovenstaande blijkt dat eerst bij de inwerkingtreding van de
WGL in 1975 specifieke wetgeving terzake van gelijke beloning van
mannen en vrouwen bestond, alsmede een Commissie die tot onderzoek en
oordelen bevoegd was.

4.3. Voor de periode na 1975 is hiervoor al vastgesteld aan welke
opeenvolgende artikelen moet worden getoetst. Vervolgens rijst de vraag
of de Commissie voor deze periode bevoegd is te oordelen over een
aanvullende pensioenregeling. Zij overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met de hierboven
genoemde wetgeving op het gebied van de gelijke behandeling van mannen
en vrouwen mede een volledige uitwerking heeft willen geven aan artikel
119 EEG-Verdrag.

Het EG-Hof is blijkens haar overwegingen in de zaak Von Colson/Kamann
d.d. 10 april 1984 (Hof van Justitie der Europese gemeenschappen, Von
Colson en Kamann versus Deelstaat Nordrhein Westfalen, zaaknummer
14/83. Jurisprudentie 1984, 1891) van mening dat nationale rechters en
anderen die met overheidsgezag zijn bekleed, gehouden zijn om binnen
hun bevoegdheden de wetgeving gelijke behandeling uit te leggen en toe
te passen in het licht van de bewoordingen en objectieve doelstelling
van -in dit geval- artikel 119 EEG-Verdrag. Naar de mening van de
Commissie betekent dit dat zij de (latere) uitdrukkelijke uitzondering
voor aanspraken en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen als gemaakt
in artikel 7A:1637ij BW en artikel 7 lid 2 WGB moet interpreteren in
het licht van de jurisprudentie van het EG-Hof (Zie noot 1) over het
loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag en over de werking in de tijd
van dat artikel.

Gelet op het bovenstaande vat de Commissie deze uitzondering zo op, dat
slechts die pensioenkwesties terzake waarvan volgens het EG-Hof geen
beroep op de rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag kan
worden gedaan van de wettelijke norm van gelijke behandeling zijn
uitgesloten.

Op grond van het bovenstaande acht de Commissie zich in ieder geval
bevoegd om te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de bestreden
pensioenregelingen vallen binnen het begrip loon, en derhalve binnen de
werkingssfeer van de wetgeving gelijke behandeling/beloning.

4.4. Ten aanzien van de onderhavige pensioenregelingen overweegt de
Commissie als volgt.

In zijn overweging 25 in het eerder genoemde Barber-arrest stelt het
EG-Hof, dat een pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel 119
EEG-Verdrag valt indien deze het resultaat is van overeenstemming
tussen werknemers of werkgevers of een eenzijdige beslissing van de
werkgever vormt. Voorts moet het gaan om een regeling die geheel
gefinancierd wordt door de werkgever of door werkgever en werknemers
gezamenlijk, zonder dat sprake is van enige bijdrage van de overheid.
De Commissie stelt vast dat de onderhavige pensioenregelingen aan deze
eisen voldoen.

In overweging 26 van hetzelfde arrest gaat het Hof nader in op de vraag
in welke gevallen pensioenregelingen voor werknemers geacht moeten
worden onder de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag te vallen.
Daarvan is onder meer sprake indien de regeling alleen van toepassing
is op werknemers van bepaalde bedrijven of instellingen, zodat
gebondenheid aan de regeling noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de
dienstbetrekking met de betrokken werkgever.

De Commissie stelt vast dat de onderhavige pensioenregelingen geen
betrekking hebben op algemene categorieen van werknemers, maar slechts
op werknemers van het bedrijf van wederpartij. Daarmee staat vast dat
de onderhavige pensioenregelingen vallen binnen het loonbegrip van de
wetgeving gelijke beloning/gelijke behandeling.

4.5. Op 28 september 1994 heeft het Hof van Justitie uitspraak gedaan
in de reeds eerder genoemde zaken Vroege en Fisscher. Daarin stelde het
Hof vast dat blijkens het Bilka-arrest (Hof van Justitie der Europese
gemeenschappen, zaak 170/84, arrest van 13 mei 1986, Jurisprudentie
1986, p. 1607) niet alleen het recht op uitkeringen uit hoofde van een
bedrijfspensioenregeling binnen de werkingssfeer van artikel 119
EEG-verdrag valt, maar ook het recht op aansluiting bij die regeling.
Een bedrijfspensioenregeling die direct onderscheid maakt naar
geslacht, levert onderscheid naar geslacht op dat in strijd is met
artikel 119 van het EEG-Verdrag, aldus het EG-Hof in de Fisscher-zaak.
De Commissie concludeert hieruit, dat hiermee bevestigd wordt dat het
verbod om in het kader van aanvullende werknemerspensioenregelingen
direct of indirect onderscheid te maken op grond van geslacht steeds
onder de werking van artikel 119 EEG-Verdrag moet zijn begrepen.
Aangezien artikel 2 WGL destijds mede als uitwerking van artikel 119
EEG- Verdrag het beginsel van gelijke beloning vastlegde, moet dit
artikel naar de mening van de Commissie derhalve zo worden
geinterpreteerd dat dit mede de aanvullende collectieve
werknemerspensioenregelingen omvat.

De Commissie onderkent dat het niet uitdrukkelijk in de bedoeling van
de nationale wetgever heeft gelegen om een dergelijke betekenis aan
artikel 2 WGL te geven. Waar echter het EG- Hof aanvullende
pensioenregelingen wel uitdrukkelijk onder het begrip beloning
begrijpt, dient een verdragsconforme interpretatie -die naar de letter
van artikel 2 WGL ook mogelijk is- echter voor te gaan.

De Commissie onderkent tevens, dat eerst vanaf 8 april 1976 een
rechtstreeks beroep op artikel 119 EEG-Verdrag mogelijk is. Betoogd kan
worden dat voor de aanvullende werknemerspensioenregelingen dan ook pas
vanaf die datum een beroep op artikel 2 WGL kan worden gedaan en niet
vanaf de inwerkingtreding van de WGL, te weten 1 maart 1975. De
Commissie wijst dit betoog echter af. Het EG-Hof sprak immers in het
Defrenne II-arrest slechts uit, dat een rechtstreeks beroep op artikel
119 EEG-Verdrag eerst vanaf de datum van het arrest mogelijk was. Met
andere woorden, de materiele norm zoals in artikel 119 EEG- Verdrag
vastgelegd, heeft steeds vanaf de inwerkingtreding van het Verdrag zelf
de Lid- Staten gebonden en derhalve ook de Nederlandse wetgever. De
beperking in tijd van een rechtstreeks beroep op artikel 119
EEG-Verdrag hoeft en kan derhalve ook niet aan een verdragsconforme
interpretatie van artikel 2 WGL in de weg staan.

Tenslotte ligt in dit verband de vraag voor, welke betekenis voor
artikel 2 WGL moet worden toegekend aan de beperking in terugwerkende
kracht zoals het EG-Hof die in een aantal onderdelen van aanvullende
collectieve werknemerspensioen- regelingen heeft aangebracht, zoals
terzake van uitkeringen en de leeftijd waarop het recht op
pensioenuitkering ingaat. De Commissie overweegt daarbij, dat het niet
haar taak is om de omvang en de reikwijdte van een vordering op grond
van de wetgeving gelijke behandeling vast te stellen, noch om andere
wettelijke bepalingen dan die terzake van gelijke behandeling -zoals
bepalingen terzake van terugwerkende kracht- te interpreteren. Deze en
dergelijke vragen zijn voorbehouden aan de rechter. De Commissie is
slechts bevoegd om een oordeel uit te spreken over de vraag of de
wetgeving gelijke behandeling al dan niet geschonden is.

Gelet op het bovenstaande concludeert de Commissie dat onder artikel 2
WGL vanaf haar inwerkingtreding mede moet worden begrepen het verbod om
in het kader van aanvullende collectieve werknemerspensioenregelingen
direct of indirect onderscheid te maken naar geslacht.

4.6. Voor de situatie van verzoeksters overweegt de Commissie als
volgt. Verzoeksters zijn allen voor 1 maart 1975, dus voor de inwer-
kingtreding van artikel 2 WGL met pensioen gegaan. Weliswaar is per
genoemde datum ook het verbod van kracht geworden om ongelijke
leeftijden te hanteren bij de ingang van het recht op uitkering, maar
dit verbod kan verzoeksters niet meer baten. Hun pensionering was
immers reeds ingegaan.

De Commissie concludeert derhalve dat niet is komen vast te staan dat
de wederpartij jegens verzoeksters in strijd handelde met de wetgeving
gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat niet is komen vast te
staan dat de Koninklijke Luchtvaartmaatschappij te Luchthaven Schiphol
in strijd met artikel 2 Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen hebben
gehandeld jegens

– mevrouw te Den Haag – mevrouw te Schoorl – mevrouw te Amsterdam –
mevrouw te Leptokaria (Griekenland) – mevrouw te Zeist – mevrouw te
Amsterdam – mevrouw te Amsterdam – mevrouw te Amsterdam en – mevrouw
te Overveen.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), dhr mr A.W. Heringa (lidKamer), dhr mr J.A.M.I. Hoens (lid Kamer), mw mr G.L.M. Lenssen (juri-disch adviseur).