Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 december 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeksters behoorden tot een groep stewardessen die in de jaren
veertig/vijftig bij de wederpartij in dienst waren. Deze groep viel
gedurende het dienstverband onder een andere pensioenregeling dan
mannelijke collega’s, die volgens verzoeksters dezelfde werkzaamheden
verrichtten. De pensioenregeling voor de mannelijke collega’s was
gunstiger dan voor de groep stewardessen. De pensioenleeftijd voor de
mannen lag vijf jaar hoger dan die voor verzoeksters. Verzoeksters zijn
na 8 april 1976 met pensioen gegaan. Verzoeksters zijn van mening dat
de wederpartij door hen niet toen of alsnog tot de gunstiger
mannenregeling toe te laten in strijd handelt/handelde met de wetgeving
gelijke behandeling. De Commissie acht zich bevoegd te onderzoeken of,
en zo ja in hoeverre, de bestreden pensioenregelingen vallen binnen het
begrip loon, en derhalve binnen de werkingssfeer van de wetgeving
gelijke behandeling/beloning. De Commissie komt tot de conclusie dat de
onderhavige pensioenregelingen Geen betrekking hebben op algemene
categorieen van werknemers, maar slechts op werknemers van het bedrijf
van wederpartij. Daarmee staat vast dat de onderhavige
pensioenregelingen vallen binnen het loonbegrip van de wetgeving
gelijke beloning/gelijke behandeling. De Commissie concludeert dat
onder artikel 2 WGL vanaf haar inwerkingtreding mede moet worden
begrepen het verbod om in het kader van aanvullende collectieve
werknemerspensioenregelingen direct of indirect onderscheid te maken
naar geslacht. De Commissie bepaalt dat de wederpartij niet heeft
voldaan aan artikel 2 WGL door verzoeksters niet toe te laten tot de
pensioenregeling van het mannelijk cabinepersoneel.Daarmee staat vast
dat de wederpartij jegens verzoeksters onderscheid heeft gemaakt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 3 mei 1993 verzochten mevrouw te
Hengelo (hierna: verzoekster 1) en mevrouw te Amsterdam (hierna:
verzoekster 2) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag, of de
te (hierna: de wederpartij) jegens hen
in strijd heeft gehandeld/handelt met de wetgeving gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoeksters behoorden tot een groep stewardessen die in de jaren
veertig/vijftig bij de wederpartij in dienst waren. Deze groep viel
gedurende het dienstverband onder een andere pensioenregeling dan
mannelijke collega’s, die volgens verzoeksters dezelfde werkzaamheden
verrichtten. De pensioenregeling voor de mannelijke collega’s was
gunstiger dan voor de groep stewardessen. De pensioenleeftijd voor de
mannen lag vijf jaar hoger dan die voor verzoeksters. Verzoeksters zijn
na 8 april 1976 met pensioen gegaan. Verzoeksters zijn van mening dat
de wederpartij door hen niet toen of alsnog tot de gunstiger
mannenregeling toe te laten in strijd handelt/handelde met de wetgeving
gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Verzoeksters, alsmede een aantal andere stewardessen, hebben
eveneens een verzoek om een oordeel ingediend waarbij zij het
pensioenfonds aansprakelijk stelden. De Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid heeft die zaken gevoegd behandeld
en uitspraak gedaan op 22 juni 1994 (oordeel 590 t/m 600-46 t/m 56).

In de onderhavige zaken tegen de wederpartij is het onderzoek tijdelijk
stilgelegd. Dit hield verband met vragen die gerezen waren over de
interpretatie van een voor de pensioenproblematiek relevant arrest van
het Hof van Justitie van de EG, het arrest Barber (Hof van Justitie der
Europese Gemeenschappen, Barber versus Guardian Royal Exchange
Assurance Group, 17 mei 1990, zaaknummer C 262/88. Nemesis 1990, nr.
116).

2.2. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid is vervolgens op 1 september 1994, de datum van inwerkingtreding
van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB; Stb. 1994, 230)
opgeheven. Zij heeft haar werkzaamheden overgedragen aan de op 1
september 1994 ingestelde Commissie gelijke behandeling (hierna: de
Commissie).

Deze Commissie heeft het onderzoek voortgezet en partijen opgeroepen
voor een zitting op 30 november 1994. Verzoekster 2 was inmiddels
overleden, de procedure is voortgezet door haar erfgenamen. Beide zaken
zijn ter zitting gevoegd behandeld met die van genoemde andere
stewardessen.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeksters – de heer mr I.P.M. Boelens (advocaat) –
mevrouw (verzoekster in gevoegde zaak) –
mevrouw (verzoekster in gevoegde zaak) van
de kant van de wederpartij – de heer – de heer mr E.D. Wiersma
(advocaat)

van de kant van de Commissie – mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)
– dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer) – dhr mr J.A.M.I. Hoens (lid Kamer) –
mw mr G.L.M. Lenssen (juridisch adviseur).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeksters behoren tot een groep stewardessen die in de jaren
veertig/vijftig, in elk geval voor 1 april 1954, bij de wederpartij in
dienst zijn getreden. Zij zijn toen een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd aangegaan.

Verzoeksters vielen onder een andere pensioenregeling dan het
mannelijke cabinepersoneel dat in diezelfde periode in dienst trad van
de wederpartij. De verschillen betreffen onder andere: – de
pensioendatum: deze is voor het vrouwelijk personeel vastgesteld op 1
januari na hun 50e verjaardag, en voor het mannelijk personeel op 1
januari na hun 56e verjaardag; – de opbouw van het pensioen en de te
betalen premie; – het meedelen in een eventueel exploitatie-overschot
van het pensioenfonds, de pensioenregeling van het mannelijk
cabinepersoneel laat hen wel meedelen, die van het vrouwelijk personeel
niet.

3.2. Per 1 april 1954 is het beleid van de wederpartij gewijzigd in die
zin, dat vrouwelijk cabinepersoneel vanaf die datum is aangenomen op
basis van arbeidsovereenkomsten voor vijf jaar. Ook werd een
eindleeftijd van 40 jaar ingevoerd. Achterliggende gedachte was dat de
wederpartij alleen relatief jonge vrouwen wilde aannemen als
cabinepersoneel. Vanaf 1977 geldt dit ook voor het mannelijk
cabinepersoneel.

Aan de groep stewardessen met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde
tijd, waartoe dus ook verzoeksters behoorden, werd een aanbod gedaan
dat onder meer het volgende inhield: – per 1 januari 1964 of bij het
bereiken van de 40-jarige leeftijd worden de stewardessen op non-actief
gesteld totdat hun dienstbetrekking eindigt vanwege het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd (50 jaar) of vanwege andere redenen
(bijvoorbeeld huwelijk); – gedurende deze periode ontvangen de vrouwen
wachtgeld, andere inkomsten uit arbeid worden voor 50% gekort; – de
pensioenopbouw wordt voortgezet; – in de pensioenopbouw wordt een
backservice gegeven.

Dit is bevestigd in een brief aan de stewardessen van 23 september
1964. Verzoeksters zijn hiermee accoord gegaan.

3.3. Verzoekster 1 is in 1951 in dienst getreden, op 1 januari 1970 op
non-actief gesteld en op 1 januari 1980 met pensioen gegaan (50-jarige
leeftijd). Verzoekster 2 is in 1948 in dienst getreden, op 1 januari
1967 op non-actief gesteld en op 1 januari 1977 met pensioen gegaan.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoeksters stellen dat hun pensioenregeling slechter is dan die
van hun mannelijke collega’s. Zo is het pensioen van de mannen
afhankelijk van de gemaakte carriere, terwijl de vrouwen een
opbouwpensioen kennen. Verder geldt bij de mannen geen beperking van
het aantal dienstjaren dat meetelt, en delen zij mee in een eventueel
exploitatie-overschot.

Verzoeksters zijn zich er van bewust dat pensioenuitkeringen
uitgezonderd zijn van de werking van de wetgeving gelijke behandeling
van mannen en vrouwen, zij gaan er evenwel van uit dat de Commissie ook
aan artikel 119 EEG-Verdrag toetst, waar de pensioenuitkeringen wel
onder vallen. Uit de arresten Vroege en Fisscher(Vroege versus NCIV
Instituut voor Volkshuisvesting BV en Stichting Pensioenfonds NCIV,
arrest van 28 september 1994 in zaak C-57/93. Nemesis 1994, nr. 424).

(Fisscher/Voorhuis Hengelo BV en Stichting Bedrijfs- pensioenfonds voor
de Detailhandel, arrest van 28 september 1994, zaak C-128/93. Nemesis
1994, nr. 425) van het Hof van Justitie volgt dat een recht op deelname
aan een pensioenregeling kan worden afgedwongen vanaf 8 april 1976, de
datum waarop het Hof uitspraak deed in de zaak Defrenne (Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen, Defrenne tegen Belgische
luchtvaartmaatschappij NV Sabena (II), zaak 43/75. Jurisprudentie 1976,
455). Beide verzoeksters hadden, hoewel langdurig op non-actief
gesteld, na deze datum nog een arbeidsovereenkomst. Zij kunnen hun
recht op deelname aan de mannenregeling daarom afdwingen. Verzoeksters
zijn van mening dat ook waar het gaat om ingegane pensioenen, de
gevraagde gelijke behandeling juridisch kan worden afgedwongen. Het
gebrek in de toelating tot de pensioenregeling werkt namelijk door
nadat de pensioenen tot uitkering zijn gekomen. Nu het Hof in de
uitspraken Vroege en Fisscher geen beperking in de terugwerkende kracht
heeft aangebracht wanneer het gaat om de toelating tot een pensioen-
regeling, kan deze toelating ook worden afgedwongen wanneer reeds tot
uitkering is overgegaan.

3.5. De wederpartij stelt in de eerste plaats dat verzoeksters zich
voor de jaren vanaf hun 40e niet kunnen vergelijken met hun mannelijke
collega’s, omdat die collega’s toen wel en verzoeksters geen arbeid
verrichtten. Verzoeksters waren op non-actief gesteld. Zij ontvingen
daarom geen beloning maar een schadeloosstelling, als vergoeding voor
het verlies van beloning. Een vergelijking kan worden gemaakt met een
vergoeding, voortvloeiend uit een ontbindings- of een kennelijk
onredelijk ontslagprocedure. Dat uit de bewoordingen van de brief van
23 september 1964 wellicht het blijven voortbestaan van een formele
dienstbetrekking kan worden afgeleid, doet daar niet aan af.

De wederpartij erkent overigens dat een verschillende pensioenregeling
geldt voor mannelijk en vrouwelijk cabinepersoneel dat in de jaren
veertig/vijftig in dienst trad. Het mannelijk personeel heeft voor de
hogere pensioenuitkering overigens ook hogere premies betaald.

Als de Commissie toch wil onderzoeken of in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling is gehandeld, rijst, nu de ongelijke behandeling is
ontstaan in een ver verleden, de vraag of in strijd is gehandeld met
normen waaraan de Commissie kan toetsen. De wederpartij wijst er in dit
verband op dat het EEG-Verdrag dateert van 1957, derhalve van na het
ontstaan van de ongelijke behandeling. Uit jurisprudentie van het Hof
van Justitie volgt volgens haar dat ongelijke behandeling in het recht
op deelname aan een pensioenregeling wellicht kan worden geclaimd voor
de periode voor Barber, maar dat geen gelijke behandeling kan worden
geclaimd in gevallen waarin de pensioenuitkeringen reeds zijn ingegaan.
Nu verzoeksters reeds jaren hun pensioenuitkering ontvangen, kan om die
reden geen recht op gelijke behandeling worden afgedwongen.

Zou de Commissie de onderhavige zaken in navolging van de zaken Vroege
en Fisscher van het Hof van Justitie, willen beschouwen als een waarin
het recht op aansluiting bij een pensioenregeling in geding is, dan
geldt dat verzoeksters niet zijn uitgesloten van een pensioenregeling,
doch onder een andere pensioenregeling vallen. Verder hebben zij niet
aangeboden premies te betalen voor de afgelopen jaren en is de
verjaringstermijn van twee jaar uit de WGB van belang.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd handelt/heeft
gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling door verzoeksters onder
andere voorwaarden in een pensioenregeling op te nemen dan mannelijke
collega’s.

4.2. De eerste vraag die rijst, is over welke periode de Commissie aan
welke artikelen uit de wetgeving gelijke behandeling kan toetsen.
Daarover overweegt de Commissie als volgt.

Eerst op 1 maart 1975 trad de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen
(WGL; Stb. 1975, 129) in werking. Deze voorzag in een Commissie die
bevoegd was te oordelen over klachten inzake de WGL. Vanaf 1980 gold de
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGBoud; Stb. 1980, 86),
waarbij tevens de voorloper van het huidige artikel 7A:1637ij
Burgerlijk Wetboek (BW) werd ingevoerd. Op 1 juli 1989 werd een aantal
wijzigingen in artikel 7A:1637ij BW van kracht, terwijl tevens de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen in werking trad (WGBoud; Stb.
168, in werking getreden op 1 juli 1989). In beide wijzigingswetten was
voorzien in Commissies, die als achtereenvolgende rechtsopvolgsters tot
onderzoek en oordelen bevoegd waren bij vermeende overtreding van
genoemde wetgeving.

De WGL bepaalde in artikel 2 dat een werkgever geen onderscheid mocht
maken op het punt van de beloning. Een uitdrukkelijke uitzondering ten
aanzien van pensioen- regelingen was niet opgenomen. Evenals het
huidige artikel 7A:1637ij BW bepaalde het oude artikel 1637ij BW dat
een werkgever direct (onmiddellijk) noch indirect (middelijk)
onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in onder meer de
arbeidsvoorwaarden, waaronder begrepen de beloning. Niet onder de
arbeidsvoorwaarden werden begrepen aanspraken of uitkeringen ingevolge
pensioen- regelingen.

Uit het bovenstaande blijkt dat eerst bij de inwerkingtreding van de
WGL in 1975 specifieke wetgeving terzake van gelijke beloning van
mannen en vrouwen bestond, alsmede een Commissie die tot onderzoek en
oordelen bevoegd was. De Commissie concludeert dan ook dat zij wat
betreft de periode tot 1 maart 1975 niet bevoegd is en verzoeksters
derhalve niet kan ontvangen.

4.3. Voor de periode na 1975 is hiervoor al vastgesteld aan welke
opeenvolgende artikelen moet worden getoetst. Vervolgens rijst de vraag
of de Commissie voor deze periode bevoegd is te oordelen over een
aanvullende pensioenregeling. Zij overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met de hierboven
genoemde wetgeving op het gebied van de gelijke behandeling van mannen
en vrouwen mede een volledige uitwerking heeft willen geven aan artikel
119 EEG-Verdrag.

Het EG-Hof is blijkens haar overwegingen in de zaak Von Colson/Kamann
d.d. 10 april 1984 (Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Von
Colson en Kamann versus Deelstaat Nordrhein Westfalen, zaaknummer
14/83. Jurisprudentie 1984, 1891) van mening dat nationale rechters en
anderen die met overheidsgezag zijn bekleed, gehouden zijn om binnen
hun bevoegdheden de wetgeving gelijke behandeling uit te leggen en toe
te passen in het licht van de bewoordingen en objectieve doelstelling
van -in dit geval- artikel 119 EEG-Verdrag. Naar de mening van de
Commissie betekent dit dat zij de (latere) uitdrukkelijke uitzondering
voor aanspraken en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen als gemaakt
in artikel 7A:1637ij BW en artikel 7 lid 2 WGB moet interpreteren in
het licht van de jurisprudentie van het EG-Hof (Zie noot 1) over het
loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag en over de werking in de tijd
van dat artikel.

Gelet op het bovenstaande vat de Commissie deze uitzondering zo op, dat
slechts die pensioenkwesties terzake waarvan volgens het EG-Hof geen
beroep op de rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag kan
worden gedaan van de wettelijke norm van gelijke behandeling zijn
uitgesloten.

Op grond van het bovenstaande acht de Commissie zich in ieder geval
bevoegd om te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de bestreden
pensioenregelingen vallen binnen het begrip loon, en derhalve binnen de
werkingssfeer van de wetgeving gelijke behandeling/beloning.

4.4. Ten aanzien van de onderhavige pensioenregelingen overweegt de
Commissie als volgt.

In zijn overweging 25 in het eerder genoemde Barber-arrest stelt het
EEG-Hof, dat een pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel 119
EEG-Verdrag valt indien deze het resultaat is van overeenstemming
tussen werknemers of werkgevers of een eenzijdige beslissing van de
werkgever vormt. Voorts moet het gaan om een regeling die geheel
gefinancierd wordt door de werkgever of door werkgever en werknemers
gezamenlijk, zonder dat sprake is van enige bijdrage van de overheid.
De Commissie stelt vast dat de onderhavige pensioenregelingen aan deze
eisen voldoen.

In overweging 26 van hetzelfde arrest gaat het Hof nader in op de vraag
in welke gevallen pensioenregelingen voor werknemers geacht moeten
worden onder de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag te vallen.
Daarvan is onder meer sprake indien de regeling alleen van toepassing
is op werknemers van bepaalde bedrijven of instellingen, zodat
gebondenheid aan de regeling noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de
dienstbetrekking met de betrokken werkgever.

De Commissie stelt vast dat de onderhavige pensioenregelingen geen
betrekking hebben op algemene categorieen van werknemers, maar slechts
op werknemers van het bedrijf van wederpartij. Daarmee staat vast dat
de onderhavige pensioenregelingen vallen binnen het loonbegrip van de
wetgeving gelijke beloning/gelijke behandeling.

4.5. Op 28 september 1994 heeft het Hof van Justitie uitspraak gedaan
in de reeds eerder genoemde zaken Vroege en Fisscher. Daarin stelde het
Hof vast dat blijkens het Bilka-arrest (Hof van Justitie der Europese
Gemeenschappen, arrest van 13 mei 1986, zaak 170/84. Jurisprudentie
1986, p. 1607) niet alleen het recht op uitkeringen uit hoofde van een
bedrijfspensioenregeling binnen de werkingssfeer van artikel 119
EEG-verdrag valt, maar ook het recht op aansluiting bij die regeling.
Een bedrijfspensioenregeling die direct onderscheid maakt naar
geslacht, levert onderscheid naar geslacht op dat in strijd is met
artikel 119 van het EEG-Verdrag, aldus het EEG-Hof in de Fisscher-zaak.
De Commissie concludeert hieruit, dat hiermee bevestigd wordt dat het
verbod om in het kader van aanvullende werknemerspensioenregelingen
direct of indirect onderscheid te maken op grond van geslacht steeds
onder de werking van artikel 119 EEG-Verdrag moet zijn begrepen.
Aangezien artikel 2 WGL destijds mede als uitwerking van artikel 119
EEG- Verdrag het beginsel van gelijke beloning vastlegde, moet dit
artikel naar de mening van de Commissie derhalve zo worden
geinterpreteerd dat dit mede de aanvullende collectieve
werknemerspensioenregelingen omvat.

De Commissie onderkent dat het niet uitdrukkelijk in de bedoeling van
de nationale wetgever heeft gelegen om een dergelijke betekenis aan
artikel 2 WGL te geven. Waar echter het EG- Hof aanvullende
pensioenregelingen wel uitdrukkelijk onder het begrip beloning
begrijpt, dient een verdragsconforme interpretatie -die naar de letter
van artikel 2 WGL ook mogelijk is- echter voor te gaan.

De Commissie onderkent tevens, dat eerst vanaf 8 april 1976 een
rechtstreeks beroep op artikel 119 EEG-Verdrag mogelijk is. Betoogd kan
worden dat voor de aanvullende werknemerspensioenregelingen dan ook pas
vanaf die datum een beroep op artikel 2 WGL kan worden gedaan en niet
vanaf de inwerkingtreding van de WGL, te weten 1 maart 1975. De
Commissie wijst dit betoog echter af. Het EG-Hof sprak immers in het
Defrenne II-arrest slechts uit, dat een rechtstreeks beroep op artikel
119 EEG-Verdrag eerst vanaf de datum van het arrest mogelijk was. Met
andere woorden, de materiele norm zoals in artikel 119 EEG- Verdrag
vastgelegd, heeft steeds vanaf de inwerkingtreding van het Verdrag zelf
de Lid- Staten gebonden en derhalve ook de Nederlandse wetgever. De
beperking in tijd van een rechtstreeks beroep op artikel 119
EEG-Verdrag hoeft en kan derhalve ook niet aan een verdragsconforme
interpretatie van artikel 2 WGL in de weg staan.

Tenslotte ligt in dit verband de vraag voor, welke betekenis voor
artikel 2 WGL moet worden toegekend aan de beperking in terugwerkende
kracht zoals het EG-Hof die in een aantal onderdelen van aanvullende
collectieve werknemers- pensioenregelingen heeft aangebracht, zoals
terzake van uitkeringen en de leeftijd waarop het recht op
pensioenuitkering ingaat. De Commissie overweegt daarbij, dat het niet
haar taak is om de omvang en de reikwijdte van een vordering op grond
van de wetgeving gelijke behandeling vast te stellen, noch om andere
wettelijke bepalingen dan die terzake van gelijke behandeling -zoals
bepalingen terzake van terugwerkende kracht- te interpreteren. Deze en
dergelijke vragen zijn voorbehouden aan de rechter. De Commissie is
slechts bevoegd om een oordeel uit te spreken over de vraag of de
wetgeving gelijke behandeling al dan niet geschonden is.

Gelet op het bovenstaande concludeert de Commissie dat onder artikel 2
WGL vanaf haar inwerkingtreding mede moet worden begrepen het verbod om
in het kader van aanvullende collectieve werknemerspensioenregelingen
direct of indirect onderscheid te maken naar geslacht.

4.6. Voor de situatie van verzoeksters overweegt de Commissie als
volgt.

Verzoeksters zijn beiden na 1 maart 1975 met pensioen gegaan, namelijk
op 1 januari 1977 en 1 januari 1980. Op 1 maart 1975 trad de WGL in
werking en daarmee derhalve ook het verbod om ongelijke
pensioenleeftijden voor vrouwen en mannen te hanteren voor de ingang
van het recht op pensioenuitkering. Tevens werd het verboden om direct
of indirect onderscheid te maken bij onder meer de toelating tot
pensioenregelingen. De Commissie comstateert dat de wederpartij
ondanks dit wettelijk verbod ongelijke pensioenleeftijden bleef
hanteren en verzoeksters niet toeliet tot de pensioenregeling voor het
mannelijk cabinepersoneel. De wederpartij heeft naar voren gebracht
dat er geen arbeidsrelatie meer met verzoeksters bestond en toelating
tot genoemde pensioenregeling derhalve niet aan de orde was. Dit
verweer wijst de Commissie af. Er was tussen verzoeksters en
wederpartij immers wel een zodanige (arbeids)relatie dat verzoeksters
recht hadden op (voorzetting van de) pensioenopbouw. Gelet op artikel 2
WGL diende dit recht op gelijke wijze gestalte te krijgen als dat van
het mannelijk cabinepersoneel.

Gelet op het bovenstaande concludeert de Commissie dat de wederpartij
niet heeft voldaan aan artikel 2 WGL door verzoeksters niet toe te
laten tot de pensioenregeling van het mannelijk cabinepersoneel.
Daarmee staat vast dat de wederpartij jegens verzoeksters onderscheid
heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Koninklijke
Luchtvaartmaatschappij te Luchthaven Schiphol jegens mevrouw te
Hengelo en mevrouw te Amsterdam in strijd met artikel 2 Wet gelijk
loon voor vrouwen en mannen hebben gehandeld.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), dhr mr A.W. Heringa (lidKamer), dhr mr J.A.M.I. Hoens (lid Kamer), mw mr G.L.M. Lenssen (juri-disch adviseur)

Instantie: Rechtbank Zutphen, 29 december 1994

Instantie

Rechtbank Zutphen

Samenvatting


Eiseres wordt met een acute psychose in 1989 vrijwillig opgenomen in de
gesloten afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis voor haar eigen
veiligheid. Zij krijgt medicijnen toegediend. De eerste dag wordt zij
verkracht en aangerand door twee medepatienten. Dezelfde avond vertelt ze
dat tegen haar zus. Die spreekt de verpleging daarop aan maar volgens de
verpleging kon dit niet zijn gebeurd en zou eiseres hallucineren. De
volgende dag wordt het weer ter sprake gebracht bij de psychiater die ook
niet reageert.

Hetzelfde gebeurt bij de arbeidstherapeut. Anderhalf jaar later doet
eiseres aangifte. Beide mannen worden verhoord en een van hen bekent de
aanranding. Bij het personeel was bekend dat deze mannen zwakzinnig zijn
en in seksueel opzicht ontremd. De zaak wordt geseponeerd. Dan begint
eiseres een civiele procedure tegen het ziekenhuis. De vordering wordt
afgewezen omdat niet voldoende is aangetoond dat er sprake is van enig
tekortschieten terzake van toezicht of preventie van dergelijke
gebeurtenissen. Volgens de rechter komt aan de inrichting ten aanzien van
de bewegingsvrijheid van patienten een zekere beoordelingsvrijheid toe.
Door eiseres is onvoldoende aangegeven welke maatregelen de instelling had
moeten treffen.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit: -de dagvaarding d.d. 21 juli 1993 -de conclusie
van eis -de conclusie van antwoord -de conclusie van repliek -de conclusie
van dupliek

2. De vaststaande feiten

2.1. Eind mei, begin juni 1989 is B op vrijwillige basis opgenomen geweest
in het algemeen psychiatrisch ziekenhuis te Deventer. B was psychotisch.
Zij heeft ongeveer vijf weken verbleven op de gesloten afdeling Centrale
Opname.

2.2. Op 27 januari 1992 heeft B aangifte gedaan bij de politie te Deventer
terzake van verkrachting en feitelijke aanranding der eerbaarheid door
twee medepatienten van het ziekenhuis, R en E, welke feiten zouden zijn
gepleegd op de eerste dag van haar opname.

2.3. De officier van justitie heeft de zaak geseponeerd.

3. De vordering

3.1. B vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de
Stichting zal veroordelen om aan haar te betalen een bedrag groot ƒ
15.000,= , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 juni 1993 tot
aan de dag der algehele voldoening met haar veroordeling in de kosten van
het geding.

3.2. B legt aan haar vordering de navolgende stellingen ten grondslag.

3.3. Het is aan (personeel van) de Stichting te verwijten dat het seksueel
contact heeft kunnen plaatsvinden. Het personeel heeft onvoldoende
toezicht gehouden en/of aan E en R een ontoelaatbare bewegingsvrijheid
gelaten. Hoewel B aan de behandelend psychiater en later aan de
arbeidstherapeut heeft verteld wat er met haar was gebeurd, is er door de
stichting geen enkele actie ondernomen. De onrechtmatige gedraging van de
Stichting heeft smart en derving van levensvreugde opgeleverd en levert
dit thans nog op.

4. Het verweer

4.1. De Stichting concludeert dat de rechtbank de vordering van B afwijst,
hetzij door haar niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering, hetzij
door haar deze te ontzeggen met haar veroordeling in de kosten van het
geding.

4.2. De Stichting voert de navolgende verweren aan.

Het staat niet vast dat de gebeurtenissen zoals door B geschetst, in het
bijzonder in haar aangifte bij de politie zich daadwerkelijk zo hebben
afgespeeld.

Er worden geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die wijzen op
enige (organisatorisch) tekort schieten terzake van toezicht of preventie
van gebeurtenissen als door B gerelateerd.

Uit de aangifte blijkt niet duidelijk dat er sprake is van verkrachting
stricto sensu. De vraag rijst dan of en in hoeverre sprake is van een van
de gestelde gebeurtenissen toe te rekenen smart en derving van
levensvreugde. Voorts wordt de immateriele schade op geen enkele wijze
onderbouwd.

Uiterst subsidiair bestrijdt de Stichting de gerechtigtvaardigheid en de
omvang van het gevorderde smartegeld.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge artikel 68a van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek
wordt het onderhavige geschil beheerst door het recht van voor 1 januari
1992.

5.2 Voor aansprakelijkheid van de Stichting voor het door B geschetste
misbruik, is nodig dat komt vast te staan dat de Stichting of haar
personeelsleden zijn te kort geschoten in het treffen van maatregelen die
redelijkerwijze van hen konden worden gevergd teneinde die gebeurtenis te
voorkomen.

Met de Stichting is de rechtbank van oordeel dat B haar stelling dat het
personeel onvoldoende toezicht heeft gehouden en/of dat aan de betrokken
medepatienten teveel vrijheid is gelaten niet althans onvoldoende heeft
onderbouwd met feitelijkheden, waaruit – indien deze zouden komen vast te
staan – zou kunnen blijken dat de Stichting enigerlei verwijt kan worden
gemaakt in gemelde zin. B noemt in dit verband slechts dat van R algemeen
bekend was dat hij niet van vrouwen kon afblijven en dat B toen zij
misbruikt werd, versuft was door medicijnen en op een gesloten afdeling
verbleef. De rechtbank overweegt hieromtrent, dat (op gesloten afdelingen)
in instellingen als de onderhavige vaker patienten met eigenschappen als
die van R verblijven en dat doorgaans bij psychotische patienten medicatie
wordt toegepast.

Voorts komt deze instellingen met betrekking tot aan de patienten
toekomende bewegingsvrijheid – anders dan B meent ook binnen de instelling
-, een zekere beoordelingsvrijheid toe. B had – in dit licht beschouwd –
feitelijk en concreet moeten aangeven welke maatregelen de personeelsleden
in dit specifieke geval verzuimd hebben te treffen of hoe zij anderszins
onzorgvuldig gehandeld hebben, dan wel welk gebrek in de organisatie de
Stichting in het onderhavige geval te verwijten valt.

5.3 B heeft nog aangevoerd, dat de Stichting geen actie heeft ondernomen
nadat B aan de psychiater en de arbeidstherapeut had verteld wat er zich
had voorgedaan. Het enkele verzuimen van het geven van nazorg in de
ruimste zin zoals de rechtbank de stelling van B leest – welk verzuimen
overigens door de Stichting wordt betwist – kan niet gekwalificeerd worden
als onrechtmatig handelen.

5.4 Uit het bovenstaande volgt dat de vordering reeds hierom zal worden
afgewezen. De overige weren van de Stichting behoeven derhalve geen
bespreking.

5.5 B zal als in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding
worden veroordeeld.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende,

Wijst de vordering af.

Veroordeelt B in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van
de Stichting begroot op ƒ 350,= aan verschotten en op ƒ 1.240,= aan
salaris voor de procureur.

Noot De rechtbank, die er ondanks het verweer van de Stichting blijkbaar
wel degelijk van uitging dat eiseres door mede-patinten was misbruikt,
vond dat zij feitelijk en concreet had moeten aangeven welke maatregelen
de personeelsleden van de Stichting in dit specifieke geval verzuimd
hadden te treffen. Een recentelijk gepubliceerd arrest (HR 12 mei 1995,
NJ 1996, 118) werpt een ander licht op deze zaak. Deze uitspraak betreft
de aansprakelijkheid van een stichting, die een kinder- en
jeugdpsychiatrisch ziekenhuis exploiteerde, voor door een patientje aan
derden toegebrachte (brand)schade. In zijn conclusie bij dit arrest merkt
Advocaat-Generaal Hartkamp op dat zowel naar huidig als naar oud recht
geldt, dat onder omstandigheden een ziekenhuis of instelling aansprakelijk
kan zijn wegens onvoldoende toezicht op patinten die schade aan derden
(ook mede-patienten zijn m.i. ‘derden’; gdj) hebben veroorzaakt.

Of en in hoeverre op een instelling een zorgverplichting, gericht op het
treffen van maatregelen ter voorkoming van schadeveroorzaking, rust zal,
aldus Hartkamp, afhangen van de omstandigheden van het geval. Tot de
relevante factoren rekent deze AG onder meer: het gevaar van de geestelijk
gestoorde voor derden en de waarschijnlijkheid dat dit gevaar zich zal
verwezenlijken; de aard van de geestesziekte; de persoonlijkheid en de
leeftijd van de geestelijk gestoorde; eerder schadeveroorzakend gedrag en
de mogelijkheid en de bezwaarlijkheid van het nemen van
voorzorgsmaatregelen. De Hoge Raad volgde in dit geval het arrest van het
gerechtshof te Leeuwarden, dat de vordering van de benadeelde had
toegewezen. Daarbij merkte de HR (in rechtsoverweging 3.7) op, dat het
Hof niet nader aan had behoeven te geven welke specifieke maatregelen het
op het oog had, waar het nadere maatregelen van het ziekenhuis eiste, die
redelijkerwijs hadden kunnen voorkomen dat de patient de schade
veroorzaakte. Dat zou betekenen dat de eis van de Zutphense rechtbank, dat
eiseres dan maar had moeten aangeven welke voorzorgsmaatregelen de
Stichting had moeten nemen, ten onrechte is gesteld. De huidige wet kent
geen (risico)aansprakelijkheid van instellingen als psychiatrisch
ziekenhuizen voor fouten van hun patienten. In zijn bovengenoemde
conclusie stelt Hartkamp vast dat een dergelijke, door Schoonenberg
voorgestelde aansprakelijkheid door de wetgever is verworpen.

De AG wijst er op dat in Frankrijk en Duitsland de aansprakelijkheid van
(psychiatrische) instellingen voor fouten van geestelijk gestoorden meer
is uitgewerkt. Onder het huidige Nederlandse recht (op het Zutphense geval
is nog het oude onrechtmatige daad-recht, nl. dat van voor 1 januari 1992
van toepassing) zijn verpleegden persoonlijk voor hun onrechtmatige daden
aansprakelijk, ook als zij aan een geestelijk gebrek lijden. Artikel 6:
165 BW lid 1 luidt immers: ‘De omstandigheid dat een als een doen te
beschouwen gedraging van een persoon van veertien jaar of ouder verricht
is onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming, is geen
beletsel haar als een onrechtmatige daad aan de dader toe te rekenen’.

Dat een dergelijk persoon op basis van artikel 39 Sr strafrechtelijk niet
aansprakelijk is als er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of
stoornis van zijn geestvermogens staat een civielrechtelijke claim jegens
hem niet in de weg. Wel zegt art. 6:165 lid 2 BW dat als jegens de
benadeelde tevens een derde (bijvoorbeeld een psychiatrisch ziekenhuis;
gdj) wegens onvoldoende toezicht aansprakelijk is, deze jegens de dader
verplicht is tot bijdragen in de schadevergoeding en wel voor het gehele
bedrag van zijn aansprakelijkheid jegens de benadeelde. Hoewel een
vergelijking met strafinrichtingen misschien niet helemaal opgaat, is het
bij Gevangeniswezen vanzelfsprekend dat mannen en vrouwen gescheiden
worden gedetineerd. Die seksuele segregatie wordt gehandhaafd in de op
stapel staande Penitentiaire Beginselenwet (wetsontwerp 24 263), waarvan
artikel 11 luidt: ‘Mannelijke en vrouwelijke gedetineerden worden
gescheiden ondergebracht.’ Volgens de memorie van toelichting had
onderzoek, verricht in opdracht van de werkgroep Vrouwen in detentie,
uitgewezen dat vrouwen prijs stellen op gescheiden onderbrenging.

Volgens het vierde lid van genoemd artikel 11 kan de directeur
gedetineerden van verschillend geslacht in de gelegenheid stellen
gezamenlijk aan activiteiten deel te nemen. De plicht voor de directeur
om mannen en vrouwen gescheiden onder te brengen schept tevens een recht
op zo’n gescheiden huisvesting en niemand hoeft aan ‘gemengd zwemmen’ deel
te nemen wanneer de directeur daartoe de mogelijk opent. Misschien geen
gek idee om het onderbrengingsbeleid in psychiatrisch ziekenhuizen ook op
zo’n leest te schoeien. Wat in de Zutphense uitspraak wringt is, dat de
rechtbank bij het beoordelen van de zorgvuldigheid van de Stichting
volstond met de overweging ‘dat (op gesloten afdelingen) in instellingen
als de onderhavige vaker patienten met eigenschappen als die van
(gedaagden; gjd) verblijven ( …)’.

Het lijkt erop dat de rechtbank daarmee wilde zeggen dat eiseres daarom
rekening had moeten houden met de mogelijkheid van een aanranding en de
gesloten afdeling op eigen risico heeft betreden. Een onbegrijpelijke
overweging: een psychiatrisch ziekenhuis moet (bij uitstek!) bekend worden
verondersteld met de eigenschappen en neigingen van zijn patienten. Daarom
lijkt het primair op de weg van zo’n ziekenhuis te liggen om nieuwe
patienten voor de risico’s van het gedrag van mede-patienten te
waarschuwen. Van eiseres, die psychotisch de afdeling binnenkwam, kon toch
onmogelijk worden verwacht dat zij zich van eventuele gevaren bewust was.
Sterker: zij mocht verwachten dat ze juist daar, in de inrichting waar ze
hulp zocht, geen enkel gevaar liep.

Gerard de Jonge

Rechters

Mr Van Dorp

Instantie: Rechtbank Roermond, 29 december 1994

Instantie

Rechtbank Roermond

Samenvatting


Partijen zijn twintig jaar getrouwd geweest en hebben een minderjarig kind
van vijftien jaar. De man stelt dat de vrouw geen behoefte heeft. Zij
heeft een part-time baan en kan haar werkzaamheden uitbreiden. Verder
verzoekt de man de alimentatie te limiteren. De vrouw stelt -onder
overlegging van haar verklaring van haar werkgever- dat het aantal uren
bij haar werkgever niet kan worden uitgebreid, en voorts dat zij ten
gevolge van rugklachten niet in staat is meer uren te gaan werken. De
rechtbank gaat voorbij aan de gezondheidsklachten van de vrouw, nu zij
heeft nagelaten terzake bescheiden te produceren. Ten aanzien van de
behoefte en limitering overweegt de rechtbank voorts:

De vrouw heeft aannemelijk gemaakt dat bij haar huidige werkgever thans
geen mogelijkheden aanwezig zijn haar uren uit te breiden. Hoewel de vrouw
gelet op haar leeftijd en haar arbeidsverleden, zich beschikbaar kan
stellen voor een fulltime baan, valt, mede gelet op de situatie op de
arbeidsmarkt, doch in het midden latend haar gezondheidstoestand, thans
niet te voorzien op welke termijn zij daarin zal slagen. De rechtbank is
dan ook van oordeel dat thans aan de zijde van de vrouw behoefte aan een
uitkering tot levensonderhoud aanwezig is.

Gezien het huidige inkomen van de vrouw, welk inkomen is gelegen beneden
de op haar van toepassing zijnde ABW-norm voor een eenoudergezin, en de
welstand waarin partijen gedurende hun ruim twintig jaar durende huwelijk
hebben geleefd, acht de rechtbank het verzochte bedrag in overeenstemming
met de ten deze toepasselijke normen. De rechtbank acht gelet op het
vorenstaande geen termen aanwezig de uitkering tot levensonderhoud in tijd
te limiteren. Alimentatie wordt ƒ 145,=.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Bij exploit d.d. 17 augustus 1994 is het verzoekschrift aan B betekend.
-A heeft verzocht (kort samengevat): -echtscheiding althans scheiding van
tafel en bed; -handhaving van de ouderlijke macht; -betaling van een
uitkering voor levensonderhoud van ƒ 750,= per maand; -verdeling van de
gemeenschappelijke goederen;

B heeft op 27 september 1994 een verweerschrift bij de rechtbank ingediend
en verzocht af te wijzen de verzoeken tot: -de handhaving van de
ouderlijke macht -de uitkering tot levensonderhoud, althans de uitkering
te limiteren tot een periode van een jaar; Ten aanzien van de verzoeken
tot echtscheiding en de verdeling van de gemeenschappelijke goederen
refereerde B zich aan het oordeel van de rechtbank. B verzocht voorts:
-benoeming van hem tot voogd en A tot toeziend voogdes over het
minderjarige kind van partijen. -benoeming van A tot voogdes en hem tot
toeziend voogd over het minderjarige kind van partijen -bepaling dat de
omgangsregeling met voornoemde kinderen in goed onderling overleg zal
worden geregeld; -het voortgezet gebruik van de woning;

Blijkens zijn verklaring heeft de griffier op 27 september 1994 op de bij
de wet voorgeschreven wijze een afschrift van het verweerschrift aan A
gezonden.

A heeft op 9 november 1994 een verweerschrift tegen de zelfstandige
verzoeken bij de rechtbank ingediend en verzocht: -benoeming van haar tot
voogdes en B tot toeziend voogd over het minderjarige kind van partijen.
-benoeming van B tot voogd en haar tot toeziend voogdes over het
minderjarige kind van partijen. -bepaling dat de omgangsregeling in goed
onderling overleg zal worden geregeld; Ten aanzien van het verzoek van A
met betrekking tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning
refereerde B zich aan het oordeel van de rechtbank.

Blijkens zijn verklaring heeft de griffier op 14 november 1994 op de bij
de wet voorgeschreven wijze een afschrift van het verweerschrift aan A
gezonden.

Op 5 december 1994 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De
griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden. Bij deze
behandeling zijn verschenen: -de echtgenoten, bijgestaan door hun
advocaten;

De minderjarigen van twaalf jaar of ouder hebben een mening kenbaar
gemaakt omtrent de gezagsvoorziening.

De echtgenoten hebben in de loop van de procedure een aantal produkties
overgelegd.

Vaststellingen en overwegingen:

Uit de overgelegde bescheiden blijkt hetgeen bij verzoekschrift is gesteld
over: het huwelijk van de echtgenoten; de thans nog minderjarige kinderen;
de Nederlandse nationaliteit van de echtgenoten.

B heeft de door A gestelde duurzame ontwrichting niet weersproken en zich
aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd, zodat het verzoek tot
echtscheiding voor toewijzing vatbaar is. Dit geldt eveneens ten aanzien
van het nevenverzoek tot de verdeling van de gemeenschappelijke goederen.

Nu beide partijen om zulks hebben verzocht en de rechtbank dit het meest
in het belang van de minderjarige kinderen van partijen acht, zal de
rechtbank ten aanzien van de gezagsvoorziening en de omgangsregeling
beslissen in voege als hierna vermeld.

A heeft zich gerefereerd ten aanzien van het verzoek van B tot het
voortgezet gebruik van de echtelijke woning, weswege de rechtbank het
verzoek zal toewijzen.

Ten aanzien van het alimentatieverzoek van A overweegt de rechtbank het
navolgende. A heeft ter zitting haar verzoeken aangepast in deze zin dat
zij een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het
minderjarige kind van partijen van ƒ 400,= per maand verzoekt, alsmede een
uitkering tot levensonderhoud van ƒ 350,= per maand.

B heeft de behoefte van A aan een uitkering tot levensonderhoud bestreden,
daartoe stellende dat A die momenteel een part-time baan heeft, haar
werkzaamheden kan uitbreiden. A heeft tegen deze stellingname verweer
gevoerd. Onder overlegging van een schrijven van haar werkgever d.d. 24
augustus 1994 stelt zij dat het aantal uren bij haar werkgever niet kan
worden uitgebreid, en voorts dat zij tengevolge van rugklachten niet in
staat is meer uren te gaan werken.

De rechtbank overweegt te dezer zake het navolgende.

De rechtbank gaat aan het door A gestelde ten aanzien van haar gezondheid
voorbij nu B dit heeft weersproken en A heeft nagelaten te dezer zake
bescheiden te produceren.

A heeft aannemelijk gemaakt dat bij haar huidige werkgever thans geen
mogelijkheden aanwezig zijn haar uren uit te breiden. Hoewel A gelet op
haar leeftijd en haar arbeidsverleden, zich beschikbaar kan stellen voor
een full-time baan, valt mede gelet op de situatie op de arbeidsmarkt doch
in het midden latend haar gezondheidstoestand, thans niet te voorzien op
welke termijn zij daarin zal slagen. De rechtbank is dan ook van oordeel
dat thans aan de zijde van A behoefte aan een uitkering tot
levensonderhoud aanwezig is. Gezien het huidige inkomen van A van ƒ 1300,=
per maand netto, welk inkomen is gelegen beneden de op haar van toepassing
zijnde ABW-norm voor een een- oudergezin, en de welstand waarin partijen
gedurende hun ruim twintig jaar durende huwelijk hebben geleefd, acht de
rechtbank het verzochte bedrag in overeenstemming met de ten deze
toepasselijke normen.

De rechtbank acht gelet op het vorenstaande geen termen aanwezig de
uitkering tot levensonderhoud in tijd te limiteren.

Bij de beoordeling van de draagkracht van B is de rechtbank uitgegaan van
een bruto- inkomen inclusief vakantiegeld, dertiende maand uitkering en
de tegemoetkoming in de ziektekostenverzekering en de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, doch exclusief overhevelingstoeslag,
van ƒ 69,735,= per jaar. De rechtbank gaat bij de berekening van de
verschuldigde inkomstenbelasting en premieheffing uit van tariefgroep 4.

De rechtbank houdt rekening met de ABW-norm voor een een-oudergezin ad ƒ
1.686,= per maand.

A heeft aangevoerd dat slechts met een gedeelte van de door B opgevoerde
woonlasten rekening gehouden dient te worden. De rechtbank is te dien
aanzien van oordeel dat nu de netto-woonlast (hypothecaire rente en
aflossing plus forfaitaire zakelijke lasten minus fiscaal voordeel) van
B circa ƒ 1.200,= bedraagt, deze last gelet op zijn inkomen alsook op de
in de regio gangbare huurprijzen niet als buitensporig is aan te merken.
De rechtbank houdt derhalve met voornoemde woonlast rekening.

A heeft ten aanzien van de gestelde verplichtingen doorlopend krediet van
ƒ 460,= per maand opgemerkt dat, nadat zij de echtelijke woning heeft
verlaten, B terzake die krediet een bedrag groot ƒ 13.000,= heeft
opgenomen. De rechtbank overweegt dat, nu B heeft verklaard de opgenomen
gelden mede te hebben aangewend in verband met de recent gereedgekomen
woning, (inrichting, nabetaling hypotheek etc.) en hij bereid is de
verplichtingen terzake dit krediet onder vrijwaring van A op zich te nemen
en overigens de hoogte van de maandelijkse verplichtingen terzake een
doorlopend krediet niet afhankelijk is van het nader opgenomen bedrag, er
voldoende termen aanwezig zijn rekening te houden met de door A opgevoerde
post.

De rechtbank houdt voorts rekening met premie ziektekostenverzekering ten
behoeve van B in het bij hem verblijvende kind van ƒ 245,= per maand,
(inclusief een eigen risico van ƒ 25,= per maand), met premie
arbeidsongeschiktheidsverzekering ad ƒ 77,= per maand, en met premie
risicoverzekering ad ƒ 45,= per maand.

Gelet op bovenstaande gegevens en rekening houdend met de fiscale aspecten
van de zaak acht de rechtbank B in staat een bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van het minderjarig kind van partijen van ƒ 400,=
per maand, alsmede een uitkering tot levensonderhoud van ƒ 145,= per maand
te voldoen.

De hierna te treffen voorzieningen moeten het meest in het belang van de
minderjarigen worden geacht.

De rechtbank acht termen aanwezig de proceskosten tussen de echtgenoten
te compenseren.

Beslissing:

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen echtgenoten, gehuwd op . benoemt
over het thans nog minderjarige kind van de echtgenoten: geboren te op
tot voogdes: de moeder: en tot toeziend voogd: de vader:

beveelt de afgifte van voornoemd kind aan de met de voogdij belaste ouder;
benoemt over het thans nog minderjarige kind van de echtgenoten: geboren
te op tot voogd: de vader: en tot toeziend voogdes: de moeder:.

beveelt de afgifte van voornoemd kind aan de met de voogdij belaste ouder;

bepaalt dat de vader ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de
minderjarige voornoemd, te beginnen met de dag dat deze beschikking zal
zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij
vooruitbetaling aan de ouder die het gezag over de minderjarige uitoefent
heeft te betalen een bedrag van ƒ 400,= (vierhonderd gulden) per maand,
telkens vermeerderd met het bedrag van iedere uitkering die krachtens
geldende wetten of regelingen ten behoeve van die minderjarige kan of zal
worden verleend;

verstaat dat de echtgenoten met elkaar in goed onderling overleg een
omgangsregeling hebben afgesproken;

bepaalt dat B met ingang van de dag, waarop de beschikking tot
echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke
stand aan A voor levensonderhoud heeft te betalen de somma van ƒ 145,=
(honderdvijfenveertig gulden) per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

sluit voor het eerstkomende kalenderjaar geheel uit de wijziging van
rechtswege die de bij deze uitspraak bepaalde onderhoudsverplichtingen,
zonder deze uitsluiting, na heden zouden ondergaan;

beveelt de echtgenoten over te gaan tot verdeling van de goederen tussen
de echtgenoten gemeen;

benoemt, tenzij de echtgenoten binnen acht dagen na de inschrijving dezer
echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand anders
overeenkomen, notaris Van Duysens ter standplaats Tegelen, of diens
waarnemer of opvolger om op de door deze te bepalen tijd en plaats en
onder zijn leiding de verdeling te bewerkstelligen;

benoemt, voor het geval een echtgenoot weigert of nalatig blijft aan de
verdeling mede te werken, tot onzijdig persoon volgens de wet voor A, mr.
H. Theunissen, advocaat en procureur te Venlo, voor B, mr. L. Caundri,
advocaat en procureur te Venlo;

bepaalt dat A als deze op het ogenblik van de inschrijving van deze
beschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning
aan de nog bewoont, jegens B bevoegd is de bewoning en het gebruik van
de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes
maanden na die inschrijving voort te zetten;

wijst af het meer of anders verzochte;

verklaart de beslissing over de gezagsvoorziening en die over de
kinderbijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

verklaart de beslissing tot toekenning van een uitkering tot
levensonderhoud voor A uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten tussen de echtelieden zodanig dat ieder van
hen de eigen kosten draagt.

Rechters

mr. W.P.C.M. Bruinsma

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 28 december 1994

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Partijen zijn 5 jaar gehuwd geweest en hebben een kind van vijf jaar. De
rechtbank oordeelt dat de (gedeeltelijke) behoefte van de vrouw vaststaat
en voegt daaraan toe de overweging “gelet op hetgeen in haar
omstandigheden van haar verwacht mag worden met betrekking tot het
verwerven van eigen inkomsten”. De vrouw is 28 jaar; zij heeft een andere
baan in de avonduren moeten opzeggen wegens oppasproblemen. De vrouw zoekt
nu een baan overdag. Bij de vaststelling van de kinderbijdrage houdt de
rechtbank rekening met oppaskosten. Alimentatie wordt nihil omdat er geen
draagkracht is.

Volledige tekst

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder: -het op 8 juni
1994 ter griffie van deze rechtbank ingediende verzoekschrift; -het tijdig
daartegen ingediende verweerschrift; -een nadere reactie van de vrouw op
het verweerschrift; -een brief -met bijlagen- van de procureur van de man
van 15 december 1994.

De vrouw heeft onder andere verzocht dat op grond van duurzame
ontwrichting van het huwelijk tussen partijen -Nederlanders- echtscheiding
zal worden uitgesproken met bepaling dat de man tot het levensonderhoud
van de vrouw zal betalen ƒ 2.500,= per maand.

Tevens heeft zij verzocht te worden benoemd tot voogdes en de man tot
toeziend voogd over het minderjarige kind van partijen met bepaling dat
de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van dit
minderjarige kind ƒ 350,= per maand zal betalen.

Voorts heeft zij het voortgezet gebruik van de echtelijke woning verzocht.

De man heeft erkend althans niet betwist hetgeen is gesteld omtrent de
huwelijkssluiting, de geboorte van hun minderjarige kind, de nationaliteit
van partijen, het huwelijksgoederenregime en de duurzame ontwrichting van
hun huwelijk en tegen het verzoek tot echtscheiding en de voorgestelde
gezagsvoorziening geen verweer gevoerd.

Hij heeft echter het verzoek met betrekking tot de bijdrage in het
levensonderhoud van de vrouw en de kinderbijdrage -althans de bedragen-
bestreden en zijnerzijds aangeboden ƒ 250,= per maand voor het kind te
willen betalen.

De vrouw heeft het in het verzoekschrift gestelde gehandhaafd met dien
verstande dat zij bij nadere reactie op het verweerschrift de hoogte van
de bijdrage in haar levensonderhoud verlaagd heeft tot ƒ 1.800,= per
maand. Voorts heeft zij haar verzoek tot voortgezet gebruik van de
echtelijke woning ingetrokken, aangezien de echtelijke woning inmiddels
verkocht is.

Daarop is de zaal behandeld op de terechtzitting met gesloten deuren van
8 december 1994, alwaar zijn verschenen partijen en hun procureurs.

De rechtbank overweegt als volgt:

1. Ten processe staat vast, mede door het overgelegde bewijsstuk, dat
partijen zijn gehuwd op 21 augustus 1989 te Uithoorn.

2. Tussen partijen staat voorts vast dat het huwelijk duurzaam is
ontwricht, zodat het verzoek tot echtscheiding toewijsbaar is.

3. Hetzelfde geldt voor het niet bestreden nevenverzoek de verdeling van
de huwelijksgoederengemeenschap van partijen te bevelen.

4. Met betrekking tot de gevraagde bijdragen ten behoeve van de vrouw en
het kind gaat de rechtbank op grond van hetgeen uit de stukken en ter
terechtzitting is gebleken uit van de volgende situatie:

Ten aanzien van de vrouw:

Zij is 28 jaar oud en woont met het kind van partijen in de leeftijd van
4 jaar op dit moment bij haar moeder.

De vrouw heeft, ook tijdens het huwelijk kennelijk wisselende inkomsten
genoten uit horeca-werkzaamheden. Zij heeft thans een inkomen van ƒ 200,=
netto per maand uit een werkkring op de drafbaan te Hilversum. Een
parttime baan in een horecagelegenheid -in de avonduren- heeft zij moeten
opzeggen in verband met oppasmoeilijkheden. Thans ontvangt zij een
bijstandsuitkering. Zij is doende een baan te vinden gedurende
kantooruren. Op dit moment staat haar behoefte vast.

Ten aanzien van de man:

Hij is 34 jaar oud, alleenstaand, en woont eveneens in bij zijn moeder.
Hij betaalt aan kostgeld ƒ 400,= per maand.

Tot 1 december van dit jaar was hij in loondienst van BV. Zijn bruto
salaris bedroeg ƒ 4.390,= per maand, exclusief ploegendiensttoeslagen,
autokostenvergoeding, autokostentegemoetkoming en vakantietoeslag.

Per genoemde datum heeft hij, wegens persoonlijke omstandigheden en het
feit dat het bedrijf in moeilijkheden verkeert, ontslag genomen en is voor
zichzelf begonnen. Hij is een eenmanszaak gestart en voert aan met een
opdrachtgever een jaarcontract afgesloten te hebben tegen een bruto
jaarloon van ƒ 36.000,=. Uit de overgelegde verklaring van zijn
opdrachtgever van 14 december 1994 blijkt niet meer dan dat hij
sedert 1 december 1994 voor dit bedrijf werkzaam is tegen een bruto
salaris van ƒ 3.000,= per maand. Zij werktijden zijn daardoor ingrijpend
veranderd. In plaats van onregelmatige werktijden, werkt hij thans
gedurende de periode 1 december 1994 tot 15 mei 1995 gemiddeld tenminste
zes uur per dag, terwijl gedurende de periode 15 mei 1995 tot 1 december
1995 het werk beduidend minder tijd zal vergen. Gedurende de zomer maanden
neemt hij -met het aan partijen in eigendom toebehorende paard- deel aan
wedstrijden.

De echtelijke woning is inmiddels verkocht en de overwaarde tot een bedrag
van ƒ 20.206,39 staat in depot.

De man voert de navolgende lasten op. Een staande huwelijk aangegaan
doorlopend krediet bij de ING waarop thans nog ruim ƒ 18.000,= openstaat.
Hij lost hierop met een maandtermijn van ƒ 400,= af. Hij voert aan dat dit
krediet aangewend is om verbouwingen in de voormalige echtelijke woning
te financieren en de tekorten op de zgn. en/of rekening van partijen aan
te zuiveren.

De kosten van het paard bedragen ongeveer ƒ 400,= per maand.

Verder stort hij maandelijks ƒ 50,= op een spaarrekening voor het
minderjarige kind van partijen.

5. De vrouw voert verweer tegen de hoogte en besteding van het doorlopend
krediet. Voorts stelt zij dat het paard een gezamenlijke hobby van
partijen was, die door het uiteengaan van partijen weggevallen is. Het
paard dient derhalve verkocht te worden. De opbrengst stelt zij
-onweersproken- op ongeveer ƒ 17.000,=.

Verder stelt zij dat het maandelijks te sparen bedrag voor het
minderjarige kind niet ten laste van de draagkracht van de man dient te
komen.

6. Gelet op na te noemen (ontbrekende) draagkracht van de man om
alimentatie te voldoen volstaat de rechtbank ten aanzien van de behoefte
van de vrouw met de overweging dat zij, gelet op hetgeen in haar
omstandigheden van haar verwacht mag worden met betrekking tot het
verwerven van eigen inkomsten, in elk geval gedeeltelijk behoefte heeft
aan een bijdrage van de man.

De vrouw heeft niet aannemelijk kunnen maken dat het doorlopend krediet
tot de datum van uiteengaan van partijen voor andere doelen dan de door
de man gestelde is aangewend. Nu het aflossingsbedrag ten tijde van het
huwelijk ƒ 300,= per maand bedroeg, en uit het overgelegde afschrift van
de ING-Bank van 5 mei 1994 (als produktie 5a bij het verweerschrift
gevoegd) niet blijkt dat de na het feitelijk uiteengaan van partijen door
de man opgenomen bedragen van het doorlopend krediet zijn gebruikt om
tekorten van de zgn. en/of rekening van partijen te dekken, zal de
rechtbank met dit bedrag rekening houden.

Met betrekking tot het paard van partijen is de rechtbank met de vrouw van
oordeel dat dit een gezamenlijke hobby van partijen was en die grond
hieraan thans ontvallen is. Er wordt dan ook geen rekening gehouden met
enige kosten voor het paard. Evenmin wordt rekening gehouden met de
maandelijkse storting van ƒ 50,= op de spaarrekening van de zoon.

Ten aanzien van de verzochte kinderbijdrage acht de rechtbank het
redelijke en billijk rekening te houden met enige oppaskosten. Immers mede
daardoor is de vrouw in staat inkomsten te verwerven. Voorts geeft de man
aan bereid te zijn ƒ 250,= per maand te betalen, teneinde daarnaast in
staat te blijven zelf nog uitgaven voor het minderjarige kind te doen.

Daarmee geeft hij impliciet aan in staat te zijn meer te betalen. Rekening
houdend met genoemde oppaskosten zal de rechtbank de verzochte bijdrage
vaststellen. De rechtbank overweegt daarbij dat het bestedingspatroon ten
behoeve van het kind wordt bepaald door de ouder die het kind dagelijks
verzorgt. Voorts is rekening gehouden met de fiscale aftrek wegens
buitengewone lasten.

Gerekend is met de bijstandsnorm voor een alleenstaande, waarin het door
de man betaalde kostgeld begrepen is. Nu de man ter terechtzitting heeft
aangevoerd dat hij voorlopig geen kans heeft op een eigen woning, kan de
rechtbank thans geen rekening houden met een eventuele meerhuur.

7. Lettende op deze feiten en omstandigheden, op de daaruit blijkende
behoefte onderscheidenlijk draagkracht van partijen en op de duur van hun
huwelijk en in aanmerking genomen de omstandigheid dat de man ook een
onderhoudsplicht heeft jegens het kind van partijen voor wie hij na te
noemen bedrag moet betalen, is de rechtbank van oordeel dat, hoezeer de
vrouw aan een uitkering tot haar levensonderhoud van de zijde van de man
behoefte moge hebben, de huidige draagkracht van de man voor het hem
opleggen van een uitkering ten behoeve van de vrouw geen ruimte laat.

8. Partijen hebben bij eensluidende verklaringen tegenover de rechtbank
met betrekking tot hun minderjarige kind als hun wens te kennen gegeven
dat na te melden gezagsregeling wordt opgenomen in deze beschikking.

Nu het belang van de minderjarige zich daar niet tegen verzet, is met de
geldende maatstaven, zal dien overeenkomstig worden beslist.

9. Partijen zijn terechtzitting na te melden omgangsregeling
overeengekomen. Daarbij is tevens afgesproken dat de man het kind bij de
vrouw zal ophalen en terugbrengen, terwijl de man er geen bezwaar tegen
heeft dat het kind -gezien de werkkring van de vrouw- op zondag eventueel
door een oppas opgevangen zal worden. In geval de man het kind later dan
19.00 uur terugbrengt zal hij de andere partij daarvan in kennis stellen.
De omgangsregeling is ingegaan op 11 december 1994.

Beslissing:

De rechtbank:

-spreekt echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 21 augustus 1989 te
Uithoorn;

-benoemt de vrouw tot voogdes en de man tot toeziend voogd over het kind
van partijen:

geboren op 6 februari 1990 te Amsterdam;

en beveelt afgifte van die minderjarige, voorzover nodig en voorzover niet
door een eerdere rechterlijke beslissing uitgesloten, aan de benoemde
voogdes;

-bepaalt in het kader van een omgangsregeling dat het kind van partijen
een weekeinde per veertien dagen van zaterdagochtend 10.00 uur tot
zondagavond 19.00 uur bij de man zal verblijven;

-bepaalt dat de man ƒ 350,= (driehonderdenvijftig gulden) per maand zal
betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van
voornoemde minderjarige bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw,
subsidiair aan de Raad voor de Kinderbescherming, en te verhogen met
bedrag van iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of
regelingen ten behoeve van die minderjarige kan of zal worden verleend;

-bepaalt dat de verhoging van rechtswege met het wettelijk
indexeringspercentage van de hiervoor vastgestelde bijdrage niet eerder
zal worden toegepast dan per 1 januari 1996; -verklaart voormelde
nevenvoorzieningen uitvoerbaar bij voorraad;

-beveelt partijen met elkaar over te gaan tot verdeling van de tussen hen
bestaande gemeenschap van goederen en benoemt voor het geval van verschil
daaromtrent tot notaris mr. R. Bouwman te Amsterdam, dan wel de ambtelijke
bewaarder van diens protocol teneinde de verdeling op een door hem te
bepalen plaats en tijd te bewerkstelligen en voor het geval van
weigerachtigheid of nalatigheid tot medewerking de advocaten mr. J. Werner
te Amsterdam en mr. T.M. Kolle te Amsterdam ter vertegenwoordiging van de
man respectievelijk de vrouw bij de verdeling;

-wijst het meer of anders verzochte af.

Rechters

mr. L. Bergsma

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 24 december 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker heeft gesolliciteerd op een personeelsadvertentie waarin de
wederpartij kandidaten oproept voor de functie van Hoofd Personeel &
Organisatie. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een vakvrouw.
Verzoeker is van mening dat deze advertentie, en mogelijk ook de daarop
volgende selectieprocedure, strijd oplevert met de WGB.In geding is
de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de betrekking en/of
bij de behandeling bij de vervulling van de openstaande betrekking
onderscheid heeft gemaakt/maakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld/handelt met artikel 3 WGB.De wederpartij heeft
geen algemeen voorkeursbeleid voor vrouwen gevoerd, maar bij hogere
functies incidenteel een voorkeursbehandeling toegepast. In casu is
besloten tot een voorkeursbehandeling, omdat van het stedelijk
management slechts een vrouw deel uitmaakt.

De Commissie stelt vast dat ook bij incidentele voorkeursbehandeling
blijft gelden dat voor functies waarvoor een voorkeursbehandeling
geldt, nagegaan moet worden of er een achterstand bestaat. De
constatering van de wederpartij dat binnen het stedelijk managementteam
een vrouw werkt, en dat op lagere niveaus binnen het personeelswerk wel
vrouwen werken, maar veel minder op het hogere niveau van de functie
Hoofd P & O, acht de Commissie onvoldoende, daar de motivering van de
wederpartij voornamelijk is gebaseerd op inschattingen van aantallen
vrouwen die men tegenkomt bij besprekingen.De Commissie concludeert
dan ook dat niet is voldaan aan de eisen die worden gesteld aan
voorkeursbehandeling. Dat betekent dat bij de werving voor de
onderhavige functie geen voorkeursbeleid mag worden toegepast.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 9 november 1994 verzocht de heer te Houten
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit
te spreken over de vraag of de te Amsterdam (hierna:
de wederpartij) jegens hem onderscheid maakt/heeft gemaakt in strijd
met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989,
168).

Verzoeker heeft gesolliciteerd op een personeelsadvertentie waarin de
wederpartij kandidaten oproept voor de functie van Hoofd Personeel &
Organisatie. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een vakvrouw.
Verzoeker is van mening dat deze advertentie, en mogelijk ook de daarop
volgende selectieprocedure, strijd oplevert met de WGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen. Bij brief van 10 november 1994 heeft verzoeker de Commissie
verzocht de zaak versneld te behandelen. Dit verzoek is toegewezen.

2.2. Partijen zijn opgeroepen voor een zitting op 26 november 1994.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker – de heer

van de kant van de wederpartij – dhr (directeur) – dhr
(werving- en selectiebureau) – mw mr M.K. Appelo (advocaat)

van de kant van de Commissie – mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter) – dhr
ing. J. van Hemert (lid Kamer) – mw mr M. de Rooij (lid Kamer) – mw drs
J.A.M. Stolwijk (lid Kamer) – mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer) – mw
mr G.L.M. Lenssen (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In
deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een stedelijke organisatie voor thuiszorg. In
totaal werken er ongeveer 2.700 mensen. Aan het hoofd van de
organisatie staat het stedelijk managementteam. Dit bestaat uit een
tweehoofdige directie (een man en een vrouw), een mannelijke controller
en een mannelijk hoofd Personeel & Organisatie. Verder is er een
secretariele staf. Er zijn zes gedecentraliseerde regio’s, met aan het
hoofd een regiomanager. Hiervan zijn er drie man en drie vrouw. Van
het uitvoerend personeel is het overgrote deel (92%) vrouw.

3.2. Op 29 oktober 1994 heeft een werving- en selectiebureau in
opdracht van de wederpartij een personeelsadvertentie geplaatst in de
Volkskrant. Hierin werden kandidaten opgeroepen voor de functie van
‘Hoofd Personeel & Organisatie, vakvrouw op het gebied van
personeelsmanagement’. Kandidaten dienden hun belangstelling bij het
werving- en selectiebureau kenbaar te maken.

Bij de omschrijving van het profiel vermeldt de advertentie:’Voor deze
functie is de ( …) op zoek naar een vrouw met uitgebreide ervaring
… … …’

Een afbeelding in de advertentie laat een vrouwengestalte zien, die een
trap oploopt.

3.3. Verzoeker heeft in een brief van 8 november 1994 aan het werving-
en selectiebureau zijn belangstelling voor de functie kenbaar gemaakt.
Hij spreekt in die brief tevens zijn twijfel uit over de vraag of hij
wel een kans maakt, omdat hij als vakman niet aan de eis van het vrouw
zijn kan beantwoorden. Concreet luidde zijn verzoek aan het werving- en
selectiebureau om een nieuwe advertentie te plaatsen waarin rekening is
gehouden met de eisen die de WGB stelt. Zodat niet alleen hij maar ook
andere mannen mee kunnen dingen naar deze functie. Verzoeker heeft de
brief aan het werving- en selectiebureau in afschrift toegestuurd aan
(onder meer) de wederpartij.

3.4. Vervolgens is in De Volkskrant van 19 november 1994 een
rectificatie opgenomen. Deze rectificatie bestond uit het volgende
bericht:’In de Volkskrant van 29 oktober j.l. is door ( …) een
advertentie voor een Hoofd Personeel & Organisatie bij ( …)
geplaatst. ( …) is in gebreke gebleven te vermelden dat zowel mannen
als vrouwen op deze advertentie kunnen reageren. In verband met de
feitelijke achterstand van vrouwen binnen het stedelijk management op
het hoofdkantoor en binnen de staf P & O van de ( …) is er bij
gelijke geschiktheid voorkeur voor een vrouwelijke kandidaat.’

Hierna heeft de wederpartij bij monde van het werving- en
selectiebureau verzoeker gevraagd of hij naar aanleiding van de
rectificatie wil solliciteren. Verzoeker wilde daar niet op ingaan voor
de behandeling van de zaak bij de Commissie.

3.5. Na de eerste advertentie hadden zes mannen en een kleine veertig
vrouwen gesolliciteerd. Na de rectificatie solliciteerden nog twee
mannen en een vrouw.

3.6. De wederpartij voert een personeelsbeleid waarbij gelijke
behandeling als richtsnoer geldt. Er is een voorkeursbeleid voor
allochtonen. Er is geen algemeen voorkeursbeleid voor vrouwen. Wel is
geconstateerd dat bij de instellingen als de hare vaak veel vrouwen
werken in de lagere functies, en dat de hogere functies voornamelijk
bezet worden door mannen. De uitvoerende functies worden voor het
overgrote deel (ongeveer 92%) door vrouwen vervuld. Op dit niveau wordt
dan ook geen voorkeursbeleid gevoerd. Voor het niveau regiomanagers
bestaat wel een voorkeursbeleid. Zo zijn de twee recente vacatures voor
regiomanagers ingevuld door een zwarte man en een zwarte vrouw.

Ten aanzien van de in geding zijnde functie past de wederpartij een
incidentele voorkeursbehandeling toe, gebaseerd op een incidentele be-
leidsbeslissing. Zij motiveert dit als volgt. Directiefuncties in den
lande worden vooral door mannen vervuld. Op vergaderingen, congressen
et cetera komen steeds zo’n 125 mannen en slechts enkele vrouwen. Dat
bij de wederpartij de directie uit een man en een vrouw bestaat, wordt
alom als uitzonderlijk gezien. Binnen het personeel- en organisatiewerk
werken relatief meer vrouwen, zeker op de lagere niveaus. Voor de
functie Hoofd P & O geldt dat weer minder. Gezien deze situatie in het
bedrijf en in de bedrijfstak, en de overtuiging van de wederpartij dat
zich onder het potentiele aanbod wel vrouwen bevinden, is voor de
onderhavige vacature in het managementteam een voorkeur uitgesproken
voor een vrouw.

3.7. De wederpartij heeft die voorkeur doorgesproken met het werving-
en selectiebureau. Gevraagd is om een advertentie, die duidelijk op de
doelgroep zou zijn gericht. Het werving- en selectiebureau gaf ter
zitting aan in de eerste advertentie een fout te hebben gemaakt.

3.8. Na afloop van de zitting heeft de Commissie nog een brief van
verzoeker ontvangen.

De standpunten van partijen

3.9. Verzoeker is van mening dat de eerste advertentie in strijd is met
de WGB. Wanneer een dergelijke advertentie wordt geplaatst, heeft dat
tot gevolg dat mannen geen gelijke kans hebben op de betreffende
functie. Daarom heeft verzoeker wel meteen schriftelijk zijn
belangstelling voor de functie kenbaar gemaakt maar tevens een
rectificatie gevraagd. Volgens hem is er geen sprake van een
geslachtsbepaalde functie. Ook is er geen reden om een voorkeursbeleid
voor vrouwen te voeren, omdat het uitvoerend personeel en het
middenkader vooral uit vrouwen bestaat.

De rectificatie acht verzoeker onvoldoende. Hij vraagt zich onder meer
af waarom de advertentie niet opnieuw, gecorrigeerd, is geplaatst.
Potentiele sollicitanten zullen namelijk wellicht niet meer in het
bezit zijn van de eerste advertentie. Ook wordt er geen telefoonnummer
vermeld, waar kandidaten de tekst zouden kunnen opvragen. Verder
krijgen kandidaten nu maar een week de tijd om te reageren, terwijl de
oorspronkelijke reactietermijn twee weken was. Verzoeker stelt er ook
na deze rectificatie niet zeker van te zijn gelijkwaardig aan vrouwen
te worden behandeld. Dat is ook de reden waarom hij zijn sollicitatie
nog niet schriftelijk heeft toegelicht.

Verzoeker heeft de wederpartij en niet het werving- en selectiebureau
aangesproken, omdat hij de opdrachtgever verantwoordelijk acht.

3.10. De wederpartij stelt allereerst de ontvankelijkheid van verzoeker
aan de orde. Volgens haar is verzoeker ook tijdens de zitting niet
duidelijk geweest ten aanzien van de vraag of hij al dan niet
solliciteert. Wederpartij gaat ervan uit dat verzoeker niet heeft
gesolliciteerd. Hij heeft daarom geen belang bij een oordeel van de
Commissie en moet derhalve niet- ontvankelijk worden geacht in zijn
verzoek.

3.11. Mocht de Commissie verzoeker wel ontvankelijk achten, dan stelt
de wederpartij het volgende.

Voor wat betreft de eerste advertentie geeft zij aan dat daarin een
fout is gemaakt, waarvoor overigens niet zij maar het werving- en
selectiebureau verantwoordelijk is. De rectificatie geeft haar
(voorkeurs)beleid juist weer. De advertentie, samen met de
rectificatie, dient getoetst te worden aan de WGB en de jurisprudentie
van de Commissie. Gezien de motivering die zij voor dit
voorkeursbeleid heeft gegeven, acht de wederpartij deze incidentele
voorkeursbehandeling gerechtvaardigd. Zij heeft geen harde cijfers
kunnen overleggen, maar daarvoor zou het houden van een enquete onder
130 instellingen noodzakelijk zijn. Dat kan niet van haar worden
verwacht.

Wederpartij verwijst op dit punt naar oordeel 397-91-38 van de
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid,
waarin eveneens een incidentele voorkeursbehandeling aan de orde was
(Oordeel van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid van 17 juni 1991. Deze Commissie is per 1 september 1994
opgeheven.).

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. Allereerst merkt de Commissie op dat met de behandeling van een
zaak ter zitting, tenzij anders wordt beslist ter zitting, een einde
komt aan de gelegenheid om stukken te overleggen. Dat betekent dat de
brief die verzoeker na afloop van de zitting stuurde aan de Commissie,
niet wordt meegenomen in de beoordeling van de zaak.

4.2. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking en/of bij de behandeling bij de vervulling van de
openstaande betrekking onderscheid heeft gemaakt/maakt tussen mannen en
vrouwen en daarmee in strijd heeft gehandeld/handelt met artikel 3 WGB.

Gezien de opmerkingen van de wederpartij over de ontvankelijkheid van
verzoeker en de verantwoordelijkheid van het werving- en
selectiebureau, merkt de Commissie allereerst het volgende op.

Voor wat betreft de ontvankelijkheid van het verzoek stelt de Commissie
vast dat verzoeker voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij belang
heeft bij een uitspraak van de Commissie. Hij heeft in eerste instantie
aangegeven belangstelling te hebben voor de functie van Hoofd P & O.
Weliswaar heeft verzoeker een eventuele verdere toelichting op deze
eerste reactie uitgesteld tot na de zitting van de Commissie, maar dit
betekent niet dat daarmee zijn belang bij een uitspraak van de
Commissie is vervallen.

Voor wat betreft de verantwoordelijkheid van het werving- en
selectiebureau blijkt uit de tekst van artikel 3 WGB en de Memorie van
Toelichting daarop dat dit artikel zich richt tot zowel tot de
werkgever als tot een derde die door deze werkgever wordt betrokken bij
de werving- en selectieprocedure. In beginsel is de werkgever
verantwoordelijk voor de naleving van de WGB voor het geheel van de
werving- de selectie- en de aanstellingsfase. Daarnaast is een door de
werkgever ingeschakelde derde verantwoordelijk voor de naleving van de
WGB voor dat deel van de procedure waar deze bij betrokken is. Dat
betekent voor gevallen als de onderhavige dat zowel de werkgever als de
intermediair kan worden aangesproken. Verzoeker heeft in casu alleen de
wederpartij aangesproken, reden waarom de beoordeling van de Commissie
zich ook hiertoe beperkt.

4.3. Zoals gezegd, verbiedt artikel 3 lid 1 WGB het maken van
onderscheid op grond van geslacht bij de aanbieding van een betrekking
en in de selectieprocedure. Alleen in geval van een wettelijke
uitzondering, bijvoorbeeld als de werkgever een voorkeursbeleid voor
vrouwen wil voeren, of wanneer sprake is van een geslachtsbepaalde
functie, mag van dit verbod worden afgeweken. De reden van deze
afwijking moet in de advertentie worden vermeld (artikel 3 lid 2 WGB).

In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader
uitgewerkt. Dit artikel schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving
van een advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen
in aanmerking komen.In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis
vervolgens verder toegespitst op het gebruik van functiebenamingen.
Hierin is bepaald dat of zowel de mannelijke als de vrouwelijke
functiebenaming gebruikt moet worden, of uitdrukkelijk vermeld moet
worden dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

Artikel 5 lid 1 WGB bepaalt dat van het bepaalde in artikel 3 mag
worden afgeweken, indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een
bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op
te heffen of te verminderen en het onderscheid in een redelijke
verhouding staat tot het beoogde doel.

Het laatste deel van artikel 5 lid 1 is toegevoegd bij wijziging van de
Wet gelijke behandeling, ter gelegenheid van de invoering van de
Algemene Wet gelijke behandeling (AWGB; Stb. 1994, 230).

De Commissie zal eerst de vraag beoordelen of de wederpartij in strijd
met de WGB handelt door een voorkeur voor een vrouw uit te spreken voor
de onderhavige functie.

4.4. Het voorkeursbeleid

De Commissie zal, in navolging van de Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid, het voorkeursbeleid toetsen aan de
onderstaande criteria voor voorkeursbeleid bij werving en selectie (Zie
onder andere Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, 9 juli 1990, oordeelnummer 56-90-33, of 25 oktober 1993,
oordeelnummer 536-93-41.): 1. De achterstand moet worden bekeken per
functiesoort en -niveau met een duidelijk eigen toestroom uit de
arbeidsmarkt. Deze achterstand wordt bepaald door het concrete aandeel
daarin van vrouwen te vergelijken met het aandeel in het relevante
potentiele aanbod van vrouwen op de arbeidsmarkt. 2. Per functiesoort
en -niveau moet voorts worden vastgesteld welke intensiteit van
voorkeursbehandeling het meest geschikt of wenselijk is. 3. Bij de
openlijke aanbieding van een betrekking zal vermeld moeten worden dat
een voorkeursbehandeling van toepassing is.

De wederpartij heeft geen algemeen voorkeursbeleid voor vrouwen
gevoerd, maar bij hogere functies incidenteel een voorkeursbehandeling
toegepast. In casu is besloten tot een voorkeursbehandeling, omdat van
het stedelijk management slechts een vrouw deel uitmaakt.

De Commissie stelt vast dat ook bij incidentele voorkeursbehandeling
blijft gelden dat voor functies waarvoor een voorkeursbehandeling
geldt, nagegaan moet worden of er een achterstand bestaat. De
constatering van de wederpartij dat binnen het stedelijk managementteam
een vrouw werkt, en dat op lagere niveaus binnen het personeelswerk wel
vrouwen werken, maar veel minder op het hogere niveau van de functie
Hoofd P & O, acht de Commissie onvoldoende, daar de motivering van de
wederpartij voornamelijk is gebaseerd op inschattingen van aantallen
vrouwen die men tegenkomt bij besprekingen. Een achterstand kan niet
alleen aan de hand van dit soort gegevens worden beoordeeld, maar moet
worden afgezet tegen het potentiele aanbod. Niet gebleken is dat de
wederpartij daarmee rekening heeft gehouden. De constatering dat er op
lagere niveaus meer vrouwen werken is daarvoor namelijk onvoldoende,
aangezien onbekend is of die vrouwen zich zouden kwalificeren voor die
hogere functie. Het feit dat de wederpartij het managementteam als
eenheid ziet, doet daaraan niet af. In dit team zijn namelijk drie
wezenlijk verschillende functies vertegenwoordigd, met elk een eigen
potentieel aanbod. Dit betekent dat een eventuele achterstand per
functie bezien moet worden. En nu de voorkeursbehandeling in casu de
functie Hoofd P & O betreft, met name op dat niveau.

De Commissie concludeert dan ook dat niet is voldaan aan de eisen die
worden gesteld aan voorkeursbehandeling. Dat betekent dat bij de
werving voor de onderhavige functie geen voorkeursbeleid mag worden
toegepast.

4.5. De eerste advertentie

Vaststaat dat de eerste advertentie niet voldoet aan de eisen die met
name de leden 3 en 4 van artikel 3 WGB stellen. Integendeel, de
advertentie vermeldt op een tweetal plaatsen dat een (vak)vrouw wordt
gezocht. Dit beeld wordt versterkt door de afbeelding van een
vrouwenfiguur in de advertentie.

Dit brengt mee dat de wederpartij op dit punt in strijd heeft gehandeld
met het bepaalde in artikel 3 lid 4 en lid 3 en daarmee tevens in
strijd met artikel 3 lid 1 WGB.

Ook is niet overeenkomstig artikel 3 lid 2 WGB gehandeld. Uit de
jurisprudentie van de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid (Zie bijvoorbeeld oordeel 315-90-32 van 17 mei
1990.), blijkt dat wanneer een organisatie voornemens is een
voorkeursbehandeling toe te passen, de voorwaarde geldt dat daarvan ook
melding wordt gemaakt in de advertentie. Kandidaten behoren door middel
van de advertentie namelijk duidelijk te worden ingelicht over hetgeen
zij in het vervolg van de procedure mogen verwachten op het punt van
bijzondere selectieregels.

4.6. De rectificatie en de selectieprocedure

De geplaatste rectificatie omvat een tekst die vermeldt dat zowel
mannen als vrouwen kunnen solliciteren, en dat bij gelijke geschiktheid
een voorkeur voor een vrouw bestaat. De rectificatie vermeldt niet de
oorspronkelijke gegevens over de functie. De Commissie oordeelt dat
deze rectificatie daardoor te summier is en dat de schending van de WGB
door de oorspronkelijke advertentie door plaatsing van deze recti-
ficatie niet is opgeheven (Zie ook Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid, oordeelnummer 365- 91-5, van 14
januari 1991.). Zou sprake zijn van een correcte rectificatie, dan had
een met de Wet strijdige selectie wellicht voorkomen kunnen worden,
maar in casu is de wederpartij daarin niet geslaagd. Dat betekent dat
door de onvoldoende rectificatie van de met de WGB strijdige eerste
advertentie, ook in de selectieprocedure een verboden onderscheid naar
geslacht is/wordt gemaakt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de te
Amsterdam jegens de heer te Houten

ten aanzien van de aanbieding van de betrekking – door de wijze van
gebruik van functiebenaming, tekst en afbeelding in de eerste
advertentie, in strijd heeft gehandeld met artikel 3 lid 3 en
lid 4 en daarmee tevens onderscheid heeft gemaakt naar geslacht in
strijd met artikel 3 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen; – door het plaatsen van de eerste advertentie in strijd
heeft gehandeld met artikel 3 lid 2 Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen, door de in de selectieprocedure toe te passen
voorkeursbehandeling niet te vermelden in de advertentie.

ten aanzien van de selectieprocedure – in de selectieprocedure
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt/maakt in strijd met artikel 3
lid 1 jo artikel 5 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen,
door in de selectieprocedure een voorkeursbehandeling voor vrouwen toe
te passen.

Rechters

Mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter), dhr ing. J. van Hemert (lidKamer), mw mr M. de Rooij (lid Kamer), mw drs J.A.M. Stolwijk (lid Ka-mer), mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer), mw mr G.L.M. Lenssen(adjunct-secretaris).

Instantie: Rechtbank Roermond, 22 december 1994

Instantie

Rechtbank Roermond

Samenvatting


Partijen zijn zeven jaar getrouwd geweest en hebben twee kinderen van vier
en vijf jaar oud. De man bestrijdt de behoefte van de vrouw, stellende dat
zij 20 uur per week werkt waarmee zij ƒ 1100,= netto per vier weken
verdient. De vrouw overlegt een salarisstrook. De rechtbank overweegt dat
uit de salarisstrook is af te leiden dat het door de vrouw te genereren
inkomen is gelegen onder de op haar van toepassing zijnde ABW- norm voor
een eenoudergezin, zodat de rechtbank bij haar, aanvullende behoefte aan
een uitkering tot levensonderhoud aanwezig acht. De rechtbank is daarbij
van oordeel, in aanmerking nemende de stand waarin de echtgenoten tijdens
het huwelijk hebben geleefd, dat het verzochte bedrag van ƒ 500,= per
maand in overeenstemming is met de hier toepasselijke normen. Geen
alimentatie omdat er geen draagkracht is.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Bij exploit d.d. 28 juli 1994 is het verzoekschrift aan B betekend. A
heeft verzocht (kort samengevat): -echtscheiding althans scheiding van
tafel en bed; -benoeming van A tot voogdes en B tot toeziend voogd over
de minderjarige kinderen van de echtgenoten; -bepaling van een bijdrage
in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van
de echtgenoten van ƒ 250,= per maand per kind; -bepaling van een
omgangsregeling in die zin dat B vrijelijk omgang mag hebben met de
minderjarige kinderen van de echtgenoten elke zondag van 10.00 uur tot
19.00 uur; -betaling van een uitkering voor levensonderhoud van ƒ 500,=
per maand;

B heeft op 9 september 1994 een verweerschrift bij de rechtbank ingediend
en verzocht toe te wijzen de verzoeken van A met betrekking tot: -de
echtscheiding; -de gezagsvoorziening; -de omgangsregeling; Voorts verzocht
B niet ontvankelijk te verklaren in, althans af te wijzen de verzoeken tot
de kinderbijdrage en de uitkering tot levensonderhoud.

Blijkens zijn verklaring heeft de griffier op 12 september 1994 op de bij
de wet voorgeschreven wijze een afschrift van het verweerschrift aan A
gezonden.

Bij schrijven d.d. 22 september 1994, is door A medegedeeld dat zij zich
met inachtneming van een aantal opmerkingen, ten aanzien van welke
opmerkingen de rechtbank naar de inhoud van bedoeld schrijven verwijst,
zich met betrekking tot hetgeen door A omtrent behoefte en draagkracht is
gesteld, refereert.

Bij telefax d.d. 23 september 1994 is zijdens B gereageerd op bovengenoemd
schrijven.

De gemeente heeft bij schrijven d.d. 19 september 1994 zich in de
procedure gemengd. De gemeente is door de rechtbank in de gelegenheid
gesteld haar mening omtrent de aan B op te leggen onderhoudsbijdragen
middels een gespecificeerde berekening kenbaar te maken, doch zij heeft
dit nagelaten.

De echtgenoten hebben in de loop van de procedure een aantal produkties
overgelegd.

Vaststellingen en overwegingen:

Uit de overgelegde bescheiden blijkt hetgeen bij verzoekschrift is gesteld
over: het huwelijk van echtgenoten; de thans nog minderjarige kinderen;
de Nederlandse nationaliteit van de echtgenoten.

B heeft de door A gestelde duurzame ontwrichting niet weersproken en
verzocht het verzoek tot echtscheiding toe te wijzen, zodat dit verzoek
voor toewijzing vatbaar is. Dit geldt eveneens ten aanzien van de
nevenverzoeken tot: -de gezagsvoorziening; -de omgangsregeling;

Ten aanzien van verzoeken van A tot de kinderbijdrage en de uitkering tot
levensonderhoud en het daartegen door B gevoerde verweer, overweegt de
rechtbank het navolgende.

A heeft omtrent de gronden van haar alimentatieverzoeken niets gesteld.
De rechtbank begrijpt dat nu A een kinderbijdrage van ƒ 250,= per maand
per kind en een uitkering tot levensonderhoud van ƒ 500,= per maand heeft
verzocht, A zich op het standpunt stelt behoefte aan zulk een uitkering
tot levensonderhoud te hebben alsmede B in staat te achten de verzochte
onderhoudsverplichtingen te voldoen.

B heeft de behoefte van A aan de verzochte uitkering tot levensonderhoud
bestreden, daartoe stellende dat A 20 uur per week bij de Gezinszorg te
Nederweert werkt waarmee zij ƒ 1100,= netto per vier weken verdiend.

A heeft het bovenstaande bestreden. Zij heeft, onder overlegging van een
salarisstrook, gesteld dat zij slechts 15 uur per vier weken werkt waarmee
zij tussen de ƒ 900,= en ƒ 950,= netto per 4 weken verdiend.

Ten aanzien van de behoefte van A overweegt de rechtbank het navolgende.

Uit de op de overgelegde salarisstrook onder de noemer “uren/dagen t/m
deze maand/periode” opgenomen gegevens blijkt dat A tot en met periode 9,
gemiddeld 18,6 uur per week heeft gewerkt terwijl het aantal contract-uren
60 per 4 weken bedraagt. Het bruto-uurloon van A bedraagt blijkens de
overgelegde salarisstrook ƒ 18,43 per uur. Uit hetgeen uit het
bovenstaande is af te leiden is het door A te genereren inkomen gelegen
onder de op haar van toepassing zijnde ABW-norm voor een een-oudergezin,
zodat de rechtbank bij haar, aanvullende behoefte aan een uitkering tot
levensonderhoud aanwezig acht. De rechtbank is daarbij van oordeel, in
aanmerking nemende de stand waarin de echtgenoten tijdens het huwelijk
hebben geleefd, dat het verzochte bedrag van ƒ 500,= per maand in
overeenstemming is met de hier toepasselijke normen.

Ten aanzien van de financiele draagkracht van B overweegt de rechtbank het
navolgende.

B heeft gesteld dat zijn inkomen inclusief vakantiegeld, overuren en
ploegentoeslag, ƒ 4255,= bruto per maand bedraagt.

A heeft de hoogte van dit inkomen betwist daartoe stellende dat B een
dertiende maand uitkering alsmede een maandelijkse betaling betreffende
inhaaluren buiten beschouwing heeft gelaten.

Bij telefax d.d. 23 september 1994 heeft B erkend een dertiende maand
uitkering te ontvangen. Met betrekking tot de inhaaluren, stelde hij dat
hij deze slechts in de zomermaanden ontvangt aangezien dan met drie
ploegen wordt gewerkt.

De rechtbank merkt op dat de in de draagkrachtberekening van B voorkomende
post “overuren” van ƒ 1.800,= op jaarbasis, kennelijk betrekking heeft op
deze inhaaluren.

De rechtbank is van oordeel dat nu uit de overgelegde salarisstroken
blijkt dat ook in de maand februari te dezer zake een betaling door de
werkgever aan B is gedaan, de stelling van B dat hij slechts in de
zomermaanden te dezer zake een betaling ontvangt, niet opgaat.

Uitgaande van de op de salarisstroken voorkomende gegevens betreffende de
inhaaluren, is de rechtbank van oordeel dat het bedrag dat B te dezer zake
ontvangt kan worden bepaald op ƒ 255,= gemiddeld bruto per maand, hetgeen
op jaarbasis neerkomt op een bedrag van ƒ 3060,= bruto.

De rechtbank is van oordeel dat het bruto-jaarsalaris van B inclusief
dertiende maand uitkering (bij gebreke aan nadere informatie hieromtrent
neemt de rechtbank te dezer zake een bruto maand(schaal)salaris van ƒ
3245,= in aanmerking) het hierboven genoemde bedrag terzake inhaaluren en
het vakantiegeld, in redelijkheid kan worden bepaald op ƒ 56.783,=, zodat
de rechtbank bij de beoordeling van de financiele draagkracht van B dit
inkomen als uitgangspunt neemt.

De rechtbank houdt rekening met het ABW-normbedrag voor een alleenstaande
inclusief vakantiegeld en exclusief woonkosten, en voorts met de – door
A onweersproken gelaten navolgende maandelijkse lasten: -f 789,=
hypotheekrente; -f 524,= aflossing hypotheek; -f 150,= forfaitaire
eigenaarslasten; -f 540,= rente en aflossing schuld financieringen; -f
281,= rente en aflossing schuld bank; -f 30,= kosten woon-werkverkeer; -f
50,= terzake ziektekosten;

Terzake kostenomgangsregeling heeft B een bedrag van in totaal ƒ 169,= per
maand opgevoerd. Dit bedrag bestaat uit ƒ 100,= voor verblijfskosten en
ƒ 69,= voor reiskosten. Tegen de hoogte van de reiskosten heeft A bezwaar
gemaakt, Zij stelt dat de afstand tussen en vice versa niet 64
kilometer, doch slechts 46 kilometer bedraagt. De rechtbank is het met A
eens en bepaald, uitgaande van ƒ 0,25 per kilometer, de reiskosten op ƒ
50,= per maand, zodat de totale in aanmerking te nemen kosten
omgangsregeling ƒ 150,= per maand bedragen.

Gelet op bovenstaande gegevens en rekening houdende met de relevante
fiscale aspecten van de zaak, acht de rechtbank B thans in staat noch een
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige
kinderen van de echtgenoten, noch een uitkering tot levensonderhoud aan
A te voldoen, zodat deze verzoeken worden afgewezen.

De hierna te treffen voorzieningen moeten het meest in het belang van de
minderjarigen worden geacht.

De rechtbank acht termen aanwezig de proceskosten tussen de echtgenoten
te compenseren.

Beslissing: De rechtbank: spreekt uit de echtscheiding tussen de
echtgenoten, gehuwd op benoemt over de twee thans nog minderjarige
kinderen van de echtgenoten: 1. geboren te op 2 geboren te
op tot voogdes: de moeder: en tot toeziend voogd: de vader
beveelt de afgifte van de voornoemde kinderen aan de met de voogdij
belaste ouder; regelt de omgang tussen voornoemde minderjarigen en de niet
met de dagelijkse zorg belaste ouder in dier voege dat B vrijelijke omgang
met de minderjarige mag hebben elke zondag van 10.00 uur tot 19.00 uur;

wijst af de verzoeken van A ten aanzien van de kinderbijdrage en de
uitkering tot levensonderhoud;

verklaart de beslissing over de gezagsvoorziening uitvoerbaar bij
voorraad;

compenseert de proceskosten tussen de echtgenoten zodanig dat ieder van
hen de eigen kosten draagt.

Rechters

mr. L.A. Gruiters

Instantie: Rechtbank Arnhem, 22 december 1994

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Tijdens haar huwelijk heeft een vrouw in loondienst gewerkt en pensioen
opgebouwd. Daarnaast nam zij alle huishoudelijke taken voor haar
rekening. De echtgenoot had een eigen inkomen. Na de echtscheiding is
vanwege het inkomensverschil aan de vrouw de plicht tot
alimentatiebetaling opgelegd. De vrouw vraagt ontslagen te worden van
de alimentatie- en pensioenverdelingsplicht, aangezien de man door zich
te onttrekken aan de zorg voor huishouden en kinderen geen bijdrage
heeft geleverd aan de verdiencapaciteit, loopbaan en pensioenopbouw van
de vrouw. Verder vraagt zij een bijdrage in de te maken notariskosten
in de door de man aangespannen procedure.

Volledige tekst

De procedure.

1. Onder overlegging van twee produkties heeft P voor eis geconcludeerd
overeenkomstig de dagvaarding. (De conclusie van eis ontbreekt in het
procesdossier van P). K heeft geantwoord, waarna P heeft gerepliceerd.
Vervolgens heeft K gedupliceerd waarbij zij vier produkties heeft
overgelegd. Daarop hebben beide partijen akte verzocht. Tenslotte
hebben partijen de stukken overgelegd voor vonnis.

2. De vaststaande feiten.

2.1. Als door de ene partij gesteld en door de wederpartij niet of
onvoldoende betwist staat het volgende vast.

2.2. Partijen zijn met elkander gehuwd geweest welk huwelijk werd
ontbonden op 22 september 1986 door inschrijving van het
echtscheidingsvonnis in de Registers van de Burgerlijke Stand.

2.3. Op 12 juli 1991 is een proces-verbaal van zwarigheden opgemaakt,
welk proces- verbaal op 19 augustus 1991 ter griffie van deze rechtbank
is gedeponeerd (registernummer 1957/1991). Uit deze akte blijkt het
volgende.

2.3.1. Bij notariele akte van scheiding en deling d.d. 2 januari 1987
verleden voor J.H. Laarberg, destijds notaris te Bemmel, is ten aanzien
van de pensioenaanspraken en de belasting en premieheffing over 1985
het navolgende bepaald: “6. De restitutie inkomstenbelasting en
premieheffing van het jaar 1985 zal zodra de definitieve aanslag is
vastgesteld gelijkelijk tussen partijen worden verdeeld op de eerste
daartoe strekkende vordering van de meest gerede van partijen. 7.
Partijen hebben nog geen overeenstemming bereikt omtrent de scheiding
en deling van hun pensioenaanspraken. Ieder der partijen houdt zich
dienaangaande alle rechten voor waaronder het recht voor de meest
gerede van partijen om deze kwestie ter beslissing voor te leggen aan
de rechter.”

2.3.2. Over het jaar 1985 zijn aan P aanslagen inkomstenbelasting
opgelegd van ƒ 560,- en premieheffing ƒ 82,-.

2.3.3. In opdracht van P zijn door het Actuarieel Bureau dr. W.G.J. ten
Pas te Amsterdam berekeningen gemaakt met betrekking tot de
pensioenaanspraken van partijen per 22 september 1986 met de volgende
resultaten. Aan P komt toe ter zake van het door K opgebouwde
ouderdomspensioen ingeval van een uitkering ineens een bedrag van ƒ
76.771,- verminderd met het aan K ter zake van het door P opgebouwde
pensioen bij uitkering ineens van een bedrag van ƒ 7.200,-, per saldo
derhalve een bedrag van ƒ 69,571,-. Indien verrekend wordt middels een
uitkering naar de datum waarop het pensioen is ingegaan, bedraagt deze
uitkering volgens bureau Ten Pas met betrekking tot het door K
opgebouwde pensioen een bedrag van ƒ 18.455,- per jaar en met het door
P opgebouwde pensioen een bedrag van ƒ 1.103,- per jaar, zodat per
saldo volgens Bureau Ten Pas aan P toekomt een bedrag van ƒ 17.352,-
per jaar. Deze berekeningen zijn bijgesteld naar aanleiding van de
toekenning van bijzonder weduwnaarspensioen door het ABP, het
pensioenfonds waarbij de door K’s opgebouwde pensioenaanspraken zijn
ondergebracht. De waarde van dit bijzondere weduwnaarspensioen wordt
door Bureau Ten Pas berekend op ƒ 11.232,77 en de per saldo aan P
toekomende uitkering op ƒ 13.710,- per jaar, mits beide partijen in
leven zijn op de datum van pensioeningang van K en zolang beide
partijen leven.

2.3.4. P verlangt verrekening van de pensioenaanspraken middels een
jaarlijkse uitkering na pensioeningang volgens de berekeningen van
Bureau Ten Pas van ƒ 13.710,- per jaar met ingang van de pensioendatum
van K, uitbetaling aan hem terzake van de door hem betaalde
inkomstenbelasting en premieheffing 1985 van ƒ 321,- en van de helft
van de door K over 1985 ontvangen restitutie inkomstenbelasting en
premieheffing.

2.4. De kosten van het opmaken van het proces-verbaal van zwarigheden
bedragen ƒ 4.413,41 inclusief BTW.

2.5. Aan K. zijn over het jaar 1985 opgelegd een aanslag
inkomstenbelasting van nihil en een aanslag premieheffing van ƒ 201,-
terug te ontvangen.

3. Het geschil 3.1. P vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de
verdeling van de gemeenschap vast te stellen aldus dat K aan P zal
betalen: 1. een bedrag van ƒ 13.710,- per jaar, te voldoen in
maandelijkse termijnen, met ingang van K’s pensioendatum (10 december
1994), te verhogen overeenkomstig de indexeringsbepalingen van de
betreffende pensioenfonds(en); 2. een bedrag van ƒ 321,- ter zake van
door P ontvangen belastingaanslagen inkomstenbelasting en premieheffing
1985; 3. de helft van de door K ontvangen belasting/premierestitutie
1985; 4. een bedrag van ƒ 2.206,70 ter zake van notariskosten; 5. de
wettelijke rente over de sub 2,3, en 4 gevorderde bedragen vanaf 4 juni
1992; en K te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2. Hij stelt daartoe dat de door de echtscheiding ontbonden
huwelijksgoederengemeenschap is verdeeld met uitzondering van de
pensioenaanspraken en de belasting/premieheffing over 1985, dat over de
verdeling daarvan geen overeenstemming is bereikt, dat ter zake een
proces-verbaal van zwarigheden is opgemaakt, hetgeen ƒ 4.413,41 heeft
gekost welk bedrag P heeft betaald en dat hij verdeling wenst conform
zijn in dit proces-verbaal vastgelegde standpunt.

3.3 Met betrekking tot de pensioenaanspraken voert K primair het
verweer dat er sprake is van een bijzondere situatie die een
pensioenverrekening niet rechtvaardigt en dat de pensioenaanspraken
niet verrekend behoeven te worden omdat niet voldaan is aan de
vereisten voor pensioenverrekening volgens het
pensioenverrekeningsarrest van de Hoge Raad d.d. 27 november 1981 NJ
1982, 503. Volgens dit arrest, aldus K, vallen de pensioenaanspraken
slechts in de huwelijksgoederengemeenschap als de aan de
pensioengerechtigde verknochte pensioenaanspraken tevens een niet te
verwaarlozen band hebben met de andere echtgenoot en dat deze band voor
zover het het ouderdomspensioen betreft wordt geacht aanwezig te zijn
indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1. indien het pensioen
uit maatschappelijk oogpunt bestemd is te voorzien in de behoefte van
beide echtgenoten; 2. indien de opbouw van het pensioen in verband met
de financiering uit de gemeenschap en de bij velen bestaande
taakverdeling binnen het huwelijk moeten worden bezien als het
resultaat van gemeenschappelijke inspanning van beide echtgenoten,
voortvloeiende uit de zorg die zij krachtens artikel 1:81 B.W. aan
elkaar verschuldigd zijn. Volgens K is aan beide voorwaarden niet
voldaan omdat beide partijen zowel voor als tijdens het huwelijk in
eigen onderhoud konden voorzien en dat haar pensioenaanspraken
grotendeels voor het huwelijk zijn opgebouwd (ten tijde van de
huwelijkssluiting waren partijen al respectievelijk 45 en 43 jaar oud)
en zij de huishouding vrijwel geheel voor haar rekening heeft genomen

3.3.1. Subsidiair verzoekt K om matiging in die zin dat slechts die
pensioenrechten worden verrekend die tijdens het huwelijk zijn
opgebouwd. Tot aan de ontbinding van het huwelijk heeft K 31 jaar
pensioenrechten opgebouwd waarvan slechts 12 jaar tijdens het huwelijk.

3.3.2. Tenslotte bestrijdt K voor wat betreft de pensioenverrekening de
berekening van Bureau Ten Pas daar dit bureau bij haar berekeningen
gebruik heeft gemaakt van seksespecifieke sterftetabellen hetgeen
nadelig en discriminerend is voor K.

3.4. Dienaangaande wordt overwogen als volgt. Bij het pensioenarrest
van 27 november 1981 heeft de Hoge Raad bepaald dat pensioenrechten in
de gemeenschap vallen en in het algemeen bij de verdeling van de
gemeenschap moeten worden betrokken in de vorm van waardeverrekening.
De Hoge Raad baseert zijn beslissing vooral op de gedachte dat het
ouderdomspensioen uit maatschappelijke oogpunt bestemd is te voorzien
in de behoeften van beide echtgenoten en dat de opbouw ervan in verband
met de geheel of gedeeltelijke financiering daarvan uit de gemeenschap
en de bij velen bestaande taakverdeling binnen het huwelijk, in
beginsel gezien moet worden als het resultaat van gemeenschappelijk
inspanning van beide echtgenoten. Het primaire verweer van K komt erop
neer dat in casu de pensioenrechten ten tijde van de ontbinding van het
huwelijk niet het resultaat zijn van gemeenschappelijke inspanning van
beide partijen, nu de financiering slechts voor een klein deel (de
laatste 12 jaar van in totaal 31 jaar) tijdens het huwelijk zijn
opgebouwd en er van een taakverdeling zoals door de Hoge Raad bedoeld
geen sprake was in tegendeel dat K de huishouding nagenoeg geheel voor
haar rekening heeft genomen. De rechtbank is van oordeel dat voor het
antwoord op de vraag op pensioenrechten moeten worden verrekend niet
van belang is welke bijdrage ieder der partijen heeft geleverd aan de
huishouding. De zinsnede ‘bij velen bestaande taakverdeling binnen het
huwelijk’ ziet naar het oordeel van de rechtbank veeleer op de
verzorging en opvoeding van kinderen en de daarmee gepaard gaande zorg
voor de huishouding. Evenmin is van belang dat de opbouw van het
pensioen merentijds heeft plaatsgevonden voor het huwelijk, nu de Hoge
Raad in bedoeld arrest spreekt van ‘gehele, dan wel gedeeltelijke
financiering uit de gemeenschap’.

3.4.1. De door de vrouw aangevoerde omstandigheden kunnen wel van
belang zijn bij het antwoord op de vraag op welke wijze en tot welk
bedrag er verrekend moet worden. De rechtbank heeft ter zake behoefte
aan nadere inlichtingen. Daartoe zal een inlichtingencomparitie worden
bepaald, welke eveneens zal worden benut voor het beproeven van een
minnelijke regeling. P wordt verzocht twee weken voor de comparitie aan
de rechtbank en de wederpartij te doen toekomen de berekeningen van het
Bureau Ten Pas (rechtsoverweging 2.3.3.) en de akte van scheiding en
deling d.d. 2 januari 1987.

3.5. Met betrekking tot de verrekening van de belasting/premieaanslagen
over het jaar 1985 voert K aan dat P geen recht heeft op verrekening
van deze aanslag nu deze het gevolg zijn van de alimentatiebetalingen
van K aan P.

3.6. Ook met betrekking tot deze kwestie heeft de rechtbank behoefte
aan nadere inlichtingen. K wordt verzocht op dezelfde wijze als onder
3.4.1. ten aanzien van P is bepaald, aan de rechtbank en de wederpartij
toe te zenden het echtscheidingsconvenant waarnaar in het procesverbaal
van zwarigheden wordt verwezen (pagina 4 sub a) en voor zover aanwezig
de beschikking(en) voorlopige alimentatie.

3.7. K heeft er geen bezwaar tegen dat de kosten verbonden aan het
opmaken van een proces-verbaal van zwarigheden voor rekening van beide
partijen komen.

3.8. Mochten partijen tijdens de comparitie een beroep willen doen op
andere schriftelijke stukken dan hiervoor vermeld, dan worden zij
verzocht te handelen zoals hiervoor bepaald.

3.9. Ter comparitie kan aan de orde komen wie de partijen eventueel als
deskundige(n) benoemd willen zien.

3.10. Hoger beroep zal worden beperkt zoals hierna weer te geven.

3.11. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing

De rechtbank

1. bepaalt dat partijen vergezeld van hun advocaten in het gebouw van
deze rechtbank te Arnhem, zullen verschijnen om aan de rechter mr. G.
Feddes inlichtingen over de zaak te geven en om deze te laten
onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens
kunnen worden, op een door de rechtbank vast te stellen datum (een
woensdag) en tijd,

2. bepaalt dat de advocaten van de beide partijen daartoe hun
verhinderdagen binnen twee weken na de uitspraak van dit vonnis
schriftelijk zullen opgeven aan de enquetegriffie, bij gebreke van
welke opgave de rechtbank dag en uur van de comparitie zelfstandig zal
bepalen.

3. bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip in beginsel geen
uitstel meer zal worden verleend,

4. bepaalt dat partijen dan in persoon aanwezig zullen zijn,

5. verzoekt de tijdige toezending van de stukken als onder overweging
3.4.1., 3.6 en 3.8 bedoeld,

6. bepaalt dat van dit vonnis geen hoger beroep mogelijk is dan
tegelijk met dat van het eindvonnis,

7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Rechters

Mr Feddes

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 21 december 1994

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Verzoekster is afkomstig uit Turkije. Zij verblijft als vreemdeling in de zin
van de Vreemdelingenwet in Nederland. Verzoekster heeft op 16 maart 1994
verzocht om een vergunning tot verblijf bij echtgenoot met wie zij op 26
augustus 1993 in het huwelijk is getreden.
De president is van mening dat aan de voorwaarde dat de echtgenoot dient te
beschikken over voldoende middelen van bestaan, is voldaan. Bovendien
overweegt de president dat er een redelijke kans bestaat dat in
administratief beroep verzoekster op humanitaire gronden een
verblijfsvergunning zal worden verleend.
De president komt tot het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft
kunnen besluiten dat de gevolgen van het bestreden besluit voor verzoekster
in verhouding staan met de door het besluit te dienen doelen daarom dient de
gevraagde voorziening te worden toegestaan.

Volledige tekst

1. Ontstaan en loop van het geding
1.1. Verzoekster is afkomstig uit Turkije. Zij verblijft als vreemdeling in
de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland.
Medio november 1993 is verzoekster naar eigen zeggen Nederland ingereisd.
Verzoekster heeft vervolgens op 16 maart 1994 verzocht om een vergunning tot
verblijf bij echtgenoot, de heer A. M, en het verrichten van arbeid al dan
niet in loondienst gedurende dat verblijf. Verzoekster is op 26 augustus 1993
in het huwelijk getreden met de heer A. M te K, Turkije.
Bij schriftelijk besluit van 21 juni 1994 heeft, verweerder vorengenoemde
aanvraag niet ingewilligd.
Verzoekster heeft tegen laatstgenoemd besluit op 11 juli 1994, tijdig,
administratief beroep ingesteld bij verweerder.
Aangezien door verweerder is bepaald dat uitzetting niet achterwege blijft
gedurende de periode dat het administratief beroep aanhangig is, moet
verzoekster er ernstig rekening mee houden binnenkort uit Nederland te worden
verwijderd.
1.2. Bij verzoekschrift d.d. 18 maart 1994 heeft verzoekster de president van
de rechtbank verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat het verweerder
verboden wordt verzoekster uit Nederland te doen uitzetten zolang niet is
beslist op het administratief beroepschrift.
Verweerder heeft in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het
verzoek en tevens gewezen op de bevoegdheden als bedoeld in artikel 33b Vw.
In dit verband heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrond verklaring van
het administratief beroep.
1.3. Openbare behandeling van dit verzoek heeft plaatsgevonden op 7 december
1994, waarbij verzoekster in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde, is
verschenen. Voor verweerder is eerder genoemde gemachtigde verschenen.
2. Standpunt verzoekster
2.1. Door verzoekster is onder meer gesteld dat aan het middelen vereiste
wordt voldaan. Ter adstruering hiervan zijn een aantal stukken overgelegd.
Voorts is door verzoekster gesteld dat er sprake is van een gezins- dan wel
familieleven in de zin van artikel 8 EVRM.
Ten slotte is door verzoekster naar voren gebracht dat zij gelet op haar
geestelijke problemen niet naar Turkije kan terugkeren mede omdat daar
niemand is om haar op te vangen.
3. Standpunt verweerder
3.1. Door verweerder is naar voren gebracht dat verzoeksters echtgenoot niet
duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Voorts is door
verweerder gesteld dat verzoekster niet kan worden toegelaten omdat zij niet
voldoet aan de leeftijdseis van 18 jaar die is neergelegd in hoofdstuk B1,
par. 1.1.2., onder b, Vreemdelingencirculaire (hierna: Vc).
Ten slotte is door verweerder betoogd dat er geen sprake is van gezinsleven
in de zin van artikel 8 EVRM.
4. Overwegingen
4.1. Verzoekster legt aan de aanvraag en het onderhavige verzoek ten
grondslag, dat zij in aanmerking komt voor verblijf in Nederland op grond van
verblijf bij echtgenoot dan wel op grond van andere klemmende redenen van
humanitaire aard.
4.2. Aan de orde is de vraag of de uitvoering van het besluit om hangende de
afdoening van het administratief beroepschrift uitzetting niet achterwege te
laten, voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in
verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te
dienen belang.
4.3. Aangezien de beslissing tot uitzetting samenhangt met de niet
inwilliging van de aanvraag om een vergunning tot verblijf, doet het geval
zich voor van artikel 32, eerste lid onder b Vw. Dit houdt in dat uitzetting
achterwege blijft, indien er aanleiding bestaat om aan te nemen dat het
administratief beroepschrift dat gericht is tegen de beschikking die strekt
tot weigering van de toelating, een redelijke kans van slagen heeft.
4.4. Uitzetting is onrechtmatig, indien verweerder heeft gehandeld in strijd
met bovengenoemde wettelijke bepaling. Daarnaast kan uitzetting onrechtmatig
zijn, indien verweerder in de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet tot
de maatregel van uitzetting heeft kunnen komen zonder dat deze in strijd is
met rechtsregels, waaronder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
4.5. Ingevolge artikel 11, vijfde lid Vw kan het verlenen van een vergunning
tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen
belang ontleend. Vreemdelingen komen – behoudens verplichtingen voortvloeiend
uit internationale overeenkomsten – slechts voor een vergunning tot verblijf
in aanmerking indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk
Nederlands belang is gediend of indien er sprake is van klemmende redenen van
humanitaire aard.
4.6. Uitgangspunt voor de bepaling welke regelgeving toepasselijk is, is het
moment van de aanvraag om een vergunning tot verblijf. Onweersproken is dat
deze aanvraag daadwerkelijk is ingediend op 16 maart 1994.
Gelet op het bovenstaande worden de beleidsregels zoals neergelegd in de Vc
1994 als uitgangspunt voor de beoordeling genomen.
4.7. Op grond van par. 1.1. van Hoofdstuk B1 Vc moet, om voor toelating voor
verblijf bij echtgenoot in aanmerking te komen, aan een aantal vereisten
worden voldaan.
In par. 2.2.2. Vc is, voorzover hier van belang, neergelegd dat degene bij
wie toelating als gezinslid wordt beoogd duurzaam en zelfstandig beschikken
over voldoende middelen van bestaan. Aan deze voorwaarde wordt naar het
oordeel van de president voldaan. Immers de echtgenoot van verzoekster heeft
in het verleden steeds betaalde arbeid verricht en beschikt over een
dienstverband van veertig weken bij B.R. B.V.. Tevens heeft de werkgever van
de echtgenoot van verzoekster ten behoeve van de onderhavige procedure
schriftelijk medegedeeld dat men, in beginsel, voornemens is het
arbeidscontract van de heer M. om te zetten in een dienstverband voor
onbepaalde tijd.
De president is van oordeel dat er een redelijke kans bestaat dat in
administratief beroep verzoekster op humanitaire gronden een
verblijfsvergunning zal worden verleend.
Hiertoe overweegt de president dat aan alle vereisten voor een vergunning tot
verblijf wordt voldaan behoudens het bepaalde in par. 1.1.2.1., onder b. Vc
dat bepaalt dat toelating mogelijk is vanaf het achttiende levensjaar van de
beide echtgenoten. Door verweerder is niet expliciet aangegeven wat de
doelstelling van deze, gewijzigde, beleidsregel is. In de literatuur wordt
aangenomen dat de ratio van deze regeling is gelegen in het tegengaan van het
gedwongen uithuwelijken van migrantenmeisjes in Nederland. In het onderhavige
geval is geen aanleiding om aan te nemen dat het om een dergelijke situatie
handelt omdat verzoekster uit Turkije komt.
Onweersproken is dat sprake is van een door Nederland erkend huwelijk. In dit
verband wordt opgemerkt dat in artikel 31, eerste lid, van Boek 1 van het
Nederlands Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het mogen huwen ook een
leeftijdsbeperking is opgenomen: `Om een huwelijk te mogen aangaan moeten een
man en een vrouw de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt.’ Artikel 31,
tweede lid, bepaalt echter: `Het in het vorige lid vermelde huwelijksbeletsel
bestaat niet wanneer zij die met elkander een huwelijk willen aangaan de
leeftijd van zestien jaren hebben bereikt en de vrouw een verklaring van een
arts overlegt dat zij zwanger is, dan wel haar kind reeds ter wereld heeft
gebracht.’
In casu was verzoekster zestien jaar ten tijde van het indienen van haar
vezoek om toelating en was zij inmiddels moeder van een dochter Emine
genaamd.
Gelet hierop is de president voorshands van oordeel dat het handelen
overeenkomstig de beleidsregel in het onderhavige geval voor verzoekster
gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig nadelig voor
haar zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Derhalve
zou het in de rede hebben gelegen dat verweerder in het onderhavige geval
gebruik zou hebben gemaakt van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid.
Voorts overweegt de president dat gelet op de (door verweerder onweersproken)
psychische toestand van verzoekster en het gebrek aan opvang door familie of
anderen in het land van herkomst er in dit bijzondere geval redenen zijn om
klemmende redenen van humanitaire aard aan te nemen. In deze situatie is het
terugzenden van een zeer jonge moeder met of zonder haar zeer jonge kind
onevenredig hard.
Alles overwegende is de president van oordeel dat, mede gelet op het bepaalde
in artikel 3:4, tweede lid, Awb, verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen
besluiten dat de gevolgen – van het bestreden besluit – voor verzoekster in
verhouding staan met de door het besluit te dienen doelen.
4.8. Gelet op het vorenstaande valt voorshands zeker niet uit te sluiten dat
verzoekster op humanitaire gronden in aanmerking zal kunnen komen voor een
verblijfsvergunning, zodat aangenomen kan worden dat het door verzoekster
ingediende administratief beroepschrift een redelijke kans van slagen heeft.
4.9. De gevraagde voorziening moet derhalve worden toegestaan en verweerder
dient als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden
veroordeeld.
4.10. De president ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82,
vierde lid van de Awb te bepalen dat verweerder aan verzoekster het betaalde
griffierecht zal vergoeden.
4.11. De president acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 33b
Vw.
5. Beslissing
De president:
wijst het verzoek toe;
verbiedt verweerder verzoekster uit Nederland te verwijderen voordat op het
administratief beroepschrift is beslist;
veroordeelt verweerder in de kosten ad. ƒ 1420, onder verwijzing van de Staat
de Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden;
wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het
door verzoekster betaalde griffierecht.

Rechters

Mr. Th.A. Ariëns

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 21 december 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Ingevolge artikel 8 van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het
verzekeringsbedrijf april 1991-1992 is het voor oudere werknemers bij
de wederpartij mogelijk om met behoud van loon aanspraak te maken op
arbeidstijdvermindering. Voorwaarde hiervoor is dat de werknemer voor
onbepaalde tijd in een voltijd dienstverband werkt. Verzoekster heeft
voor onbepaalde tijd een deeltijd dienstverband bij de wederpartij en
komt derhalve niet in aanmerking voor de regeling voor
arbeidstijdvermindering. Verzoekster is van mening dat de wederpartij
hiermee in strijd handelt met de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen. In geding is de vraag of de wederpartij jegens
verzoekster in strijd met de wetgeving gelijke behandeling handelt door
haar op grond van haar deeltijddienstverband uit te sluiten van de
regeling voor arbeidstijdvermindering zoals omschreven in artikel 8 van
de CAO. De Commissie is van oordeel dat er een vermoeden rijst dat de
wederpartij indirect onderscheid naar geslacht maakt door de toepassing
van artikel 8 van de CAO aangezien vooral personen van een geslacht, in
casu vrouwen, door toepassing van deze bepaling nadelig worden
getroffen. De Commissie overweegt dat er geen rechtvaardigingsgrond is
voor een regeling waarbij alle deeltijdwerkers worden uitgesloten.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 15 december 1993 verzocht mw te
Spijkenisse (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de
vraag of te Rotterdam (hierna: de
wederpartij) onderscheid naar geslacht maakt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Ingevolge artikel 8 van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor
het verzekeringsbedrijf april 1991-1992 is het voor oudere werknemers
bij de wederpartij mogelijk om met behoud van loon aanspraak te maken
op arbeidstijdvermindering. Voorwaarde hiervoor is dat de werknemer
voor onbepaalde tijd in een voltijd dienstverband werkt. Verzoekster
heeft voor onbepaalde tijd een deeltijd dienstverband bij de
wederpartij en komt derhalve niet in aanmerking voor de regeling voor
arbeidstijdvermindering. Verzoekster is van mening dat de wederpartij
hiermee in strijd handelt met de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. De Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid heeft per 1 september 1994 haar werkzaamheden
overgedragen aan de Commissie gelijke behandeling, die is ingesteld op
grond van de inwerkingtreding van de Algemene wet gelijke behandeling
op 1 september 1994 (AWGB; Stb. 1994, 230).

Partijen hebben enkele malen de gelegenheid gehad schriftelijk vragen
te beantwoorden en hun standpunten schriftelijk toe te lichten.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 26 oktober 1994.

Bij deze zitting waren aanwezig: van de kant van verzoekster – mw
(verzoekster) – dhr mr (gemachtigde)
– dhr (toehoorder)

van de kant van de wederpartij – dhr mr (wederpartij) – mw
mr (advocaat) – mw (toehoorder)

van de kant van de Commissie – mw mr I.M.C.V.T. Kiebert
(plaatsvervangend Kamervoorzitter) – mw drs A.J. Huber (lid Kamer) – mw
mr C.B. Mol-Bronkhorst (lid Kamer) – mw mr A.K. de Jongh (juridisch
adviseur).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster (geboren op 13 december 1933) werkt sinds 1 april 1977
als administratief medewerkster bij de wederpartij, een
verzekeringsmaatschappij. Tot 1 april 1987 werkte zij voltijds, hierna
had zij een deeltijddienstverband van 32 uur per week. Er is sprake van
een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op de arbeidsovereenkomst
tussen verzoekster en de wederpartij is de CAO voor de binnendienst van
het verzekeringsbedrijf van toepassing (hierna: de CAO). De Commissie
heeft de CAO van april 1991-1992 ontvangen. Voorts heeft de wederpartij
een kopie van de desbetreffende CAO-tekst 1993-1994 overgelegd.

In artikel 8 lid 1 van de CAO van april 1991-1992 is bepaald dat oudere
werknemers die voor onbepaalde tijd in een voltijddienstverband werken,
recht hebben op de volgende arbeidstijdvermindering:

– in het jaar waarin de 60-jarige leeftijd wordt bereikt 2 uur per
week; – in het jaar waarin de 61-jarige leeftijd wordt bereikt 3 uur
per week; – in het jaar waarin de 62-jarige leeftijd wordt bereikt 4
uur per week; – in het jaar waarin de 63-jarige leeftijd wordt bereikt
6 uur per week; – in het jaar waarin de 64-jarige leeftijd wordt
bereikt 8 uur per week; – in het jaar waarin de 65-jarige leeftijd
wordt bereikt 8 uur per week.

In de CAO van april 1993-1994 is deze bepaling, blijkens de brief van
de wederpartij van 3 februari 1994, gelijk gebleven.

In artikel 4A lid 1 van de CAO april 1991-1992 staat dat de normale
arbeidsduur 40 uur per week bedraagt, verdeeld over de eerste vijf
werkdagen van de week.

Naast de regeling voor arbeidstijdvermindering voor oudere werknemers
geldt ook een algemene regeling voor arbeidstijdverkorting. Deze staat
omschreven in artikel 4B van de CAO van april 1991-1992. Deze regeling
is zowel op voltijdwerkers als op deeltijdwerkers van toepassing, zij
het dat bij deeltijdwerkers een pro rata berekening wordt gehanteerd.

3.2. Verzoekster heeft in 1993 de 60-jarige leeftijd bereikt. Zij heeft
in dat jaar aan de wederpartij verzocht om extra
arbeidstijdvermindering. Haar verzoek werd aanvankelijk naar rato van
haar dienstverband gehonoreerd, maar na drie maanden teruggedraaid
onder verwijzing naar artikel 8 van de CAO. Naar het oordeel van de
werkgever stond deze regeling namelijk uitsluitend open voor
voltijdwerkers.

3.3. Bij de wederpartij werken in totaal 628 werknemers, waaronder 388
mannen en 240 vrouwen. De wederpartij bestaat uit een binnendienst en
een buitendienst. De onderhavige CAO is slechts van toepassing op de
binnendienst. Voor de buitendienst bestaat een andere CAO, die een
regeling zoals opgenomen in artikel 8 van de CAO voor de binnendienst
niet kent.

Bij de binnendienst werken in totaal 563 werknemers, waaronder 323
mannen en 240 vrouwen. Van de mannen werken er 319 (98,8%) voltijds en
4 (1,2%) in deeltijd. Van de vrouwen werken er 160 (66,7%) in voltijd
en 80 (33,3%) in deeltijd. Op 3 februari 1994 waren er in de
leeftijdscategorie 60 jaar en ouder (in de binnendienst) in totaal 13
werknemers werkzaam. Vier van deze werknemers maakten op dat moment
gebruik van de regeling van artikel 8 van de CAO, dit waren allen
mannen. De overige 9 werknemers zijn 5 mannen, waarvan 4 voltijd en een
in deeltijd werkt en 4 vrouwen die in deeltijd werken.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster brengt het volgende naar voren. Zij is van mening dat
de wederpartij door artikel 8 van de CAO slechts op voltijdwerkers toe
te passen jegens haar onderscheid naar geslacht maakt. Binnen het
bedrijf van de wederpartij zijn het vrijwel uitsluitend vrouwen die in
deeltijd werkzaam zijn. Deze vrouwen kunnen nimmer gebruik maken van de
regeling voor arbeidstijdvermindering. Hier komt nog bij dat bij
toepassing van de regeling op voltijdwerkers na enige jaren de situatie
kan ontstaan dat een voltijdwerker minder dan of een gelijk aantal uren
werkt als een deeltijdwerker, maar nog wel een beloning ontvangt die is
afgestemd op een dienstverband van 40 uur.

De rechtvaardigingsgrond van de wederpartij dat de regeling is bedoeld
ter voorbereiding op een VUT- of pensioensituatie, hetgeen niet nodig
wordt geacht voor werknemers die al eerder hebben gekozen voor een
deeltijddienstverband, kan niet als een geldige rechtvaardigingsgrond
worden geaccepteerd.

3.5. De wederpartij voert het volgende aan. Artikel 8 van de CAO
spreekt ondubbelzinnig over een regeling die geldt voor oudere
werknemers met een voltijddienstverband en biedt derhalve geen ruimte
om hier ook deeltijdwerkers onder te laten vallen. Dit valt ook af te
leiden uit de systematiek van de CAO. Deze houdt in dat in die gevallen
dat een regeling (pro rata) op deeltijdwerkers moet worden toegepast,
dit expliciet in het desbetreffende artikel wordt aangegeven.

De wederpartij is van mening dat de wijze waarop zij artikel 8 van de
CAO toepast noch direct noch indirect discriminerend voor vrouwen is.
In dit verband wijst zij erop dat van de 13 werknemers werkzaam in de
leeftijdscategorie 60 jaar en ouder (in de binnendienst), er slechts 4
werknemers zijn (allen mannen) die van de regeling voor
arbeidstijdvermindering gebruik maken. Aangezien deze werknemers allen
mannen zijn, is de regeling in haar uitwerking niet substantieel
nadelig voor relatief meer vrouwen dan mannen.

Voor zover de Commissie van mening mocht zijn dat er wel sprake is van
benadeling van vrouwen, voert de wederpartij de volgende objectieve
rechtvaardigingsgrond aan. Artikel 8 van de CAO is na uitvoerig overleg
tussen CAO-partijen tot stand gekomen om oudere werknemers die in
voltijddienstverband werkzaam zijn, de tijdruimte te geven hun volle
dagtaak af te bouwen zodat zij zich op een VUT- of pensioensituatie
kunnen voorbereiden. Voor deeltijdwerkers die reeds voor hun zestigste
ervoor hebben gekozen om korter te werken, is het niet nodig om een
dergelijke tijdruimte te creeren. Zeker niet gezien het feit dat de
meeste deeltijdwerkers in de categorie van zestig jaar en ouder reeds
een zeer gering aantal uren werkzaam zijn. Behalve verzoekster zijn er
in deze categorie vier deeltijdwerkers. Twee hiervan werken 20 uur per
week, een werkt 12,5 uur per week en de vierde werkt slechts 5 uur per
week. Deze deeltijdwerkers beschikken reeds over zeer veel vrije tijd,
hetgeen een regeling voor gewenning aan nog meer vrije tijd voor hen
overbodig maakt. Gezien de urenaantallen van deze deeltijdwerkers, gaat
het argument van verzoekster dat een voltijdwerker op een lager aantal
arbeidsuren kan uitkomen dan een deeltijdwerker, slechts op in het
geval van verzoekster.

Overigens wijst de wederpartij erop dat de bestreden regeling de
mogelijkheid biedt om de arbeidstijd te verminderen en dus niet
automatisch in werking treedt.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling handelt door haar op grond
van haar deeltijddienstverband uit te sluiten van de regeling voor
arbeidstijdvermindering zoals omschreven in artikel 8 van de CAO.

4.2. Getoetst moet worden aan artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek
(BW). Artikel 7A:1637ij BW bepaalt dat de werkgever onder andere bij de
arbeidsvoorwaarden geen direct of indirect onderscheid tussen mannen en
vrouwen mag maken. Onder indirect onderscheid wordt verstaan
onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan het geslacht dat
onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit
onderscheid objectief gerechtvaardigd is (artikel 7A: 1637ij lid 5 BW).

4.3. Artikel 8 van de van de CAO betreft een arbeidsvoorwaarde in de
zin van artikel 7A:1637ij BW. Om na te gaan of er hier sprake is van
indirect onderscheid, zal de Commissie eerst nagaan of de wijze waarop
de wederpartij de onderhavige regeling toepast, voor personen van een
geslacht een nadelig effect heeft. Zij hanteert hierbij relatieve
cijfers, aangezien daardoor rekening wordt gehouden met het aandeel dat
mannen respectievelijk vrouwen hebben in het personeel waarvoor de CAO
bedoeld is. Bij een bestand waarin mannen en vrouwen niet een ongeveer
gelijk aandeel hebben, zouden absolute aantallen een vertekend beeld
kunnen geven (Een voorbeeld: een onderneming waarin 10 vrouwen werken
en 1000 mannen. Van de vrouwen werken er 9 in deeltijd, van de mannen
ook. Stel dat deeltijders een lager uurloon ontvangen dan voltijders.
Indien men alleen kijkt naar de aantallen (dus de absolute getallen)
werkt onderscheid ten nadele van deeltijders gelijk uit naar geslacht;
er zijn immers 9 vrouwen en 9 mannen die benadeeld worden. Toch zal
duidelijk zijn dat met name de vrouwen nadelig getroffen worden: immers
9 van de 10 vrouwen tegenover 9 van de 1000 mannen worden nadelig
getroffen.).

Op 3 februari 1994 waren er in de binnendienst in de categorie 60 jaar
en ouder werkzaam 13 werknemers, waaronder 9 mannen en 4 vrouwen. Van
de mannen werkten er 8 in voltijd, dus 8/9 x 100 % = 88,9 % en werkte
er een in deeltijd, dus 8/9 x 100 % = 11,1 %. Alle vrouwen werkten in
deeltijd, dus 100 %. Er werkten dus, relatief gezien, negen keer zoveel
vrouwen als mannen in deeltijd (100:11,1). Door deeltijdwerkers uit te
sluiten van de regeling voor arbeidstijdvermindering worden derhalve
negen keer zoveel vrouwen als mannen nadelig getroffen.

Vorenstaande cijfers zijn in overeenstemming met het feit van algemene
bekendheid dat er meer vrouwen dan mannen in deeltijd werken.

De wederpartij stelt overigens dat aangezien er slechts mannen gebruik
maken van de onderhavige regeling, de regeling derhalve niet resulteert
in een substantieel onderscheid tussen mannen en vrouwen. De Commissie
kan de wederpartij niet volgen in deze redenering. Immers, dat er geen
vrouwen gebruik maken van de regeling, hoeft niet automatisch te
betekenen dat er geen vrouwen zijn die hier belangstelling voor hebben.
Mogelijk zijn er vrouwen (zoals verzoekster) die voor deze regeling
belangstelling hebben, maar niet in aanmerking komen omdat zij in
deeltijd werken.

4.5 De Commissie is op grond van bovenstaande gegevens van oordeel dat
er een vermoeden rijst dat de wederpartij indirect onderscheid naar
geslacht maakt door de toepassing van artikel 8 van de CAO aangezien
vooral personen van een geslacht, in casu vrouwen, door toepassing van
deze bepaling nadelig worden getroffen. Nu een vermoeden van indirect
onderscheid is vastgesteld, moet de Commissie nagaan of de wederpartij
een toereikend objectieve rechtvaardigingsgrond heeft aangedragen.
Onder een objectieve rechtvaardigingsgrond verstaat de Commissie: –
dat het onderscheid gemaakt wordt om een objectief
gerechtvaardigd doel te dienen en – daartoe middelen zijn gekozen die
geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken, terwijl –
dit doel niet is te bereiken op andere wijze waarbij geen indirect
onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

4.6 De Commissie overweegt hieromtrent als volgt. Het doel dat de
wederpartij met de onderhavige regeling wil bereiken is dat oudere
werknemers de gelegenheid krijgen te wennen aan een VUT- of
pensioensituatie.

Op zich kan een geleidelijke werktijdvermindering ertoe bijdragen dat
de werknemer went aan een situatie met meer vrije tijd en dus een
pensioensituatie met veel vrije tijd minder aanpassingsproblemen met
zich meebrengt.

4.7 Het middel dat de wederpartij hiervoor heeft gekozen houdt in dat
alleen oudere werknemers die voltijds werken hun werktijd kunnen
verkorten. De wederpartij stelt dat in geval artikel 8 van de CAO
tevens van toepassing zou zijn op deeltijdwerknemers, het effect
hiervan niet zou zijn dat zij op die wijze voorbereid zouden worden op
een VUT- of een pensioensituatie met veel vrije tijd.

De Commissie overweegt hieromtrent dat het uitgangspunt dat aan het
standpunt van de wederpartij ten grondslag ligt, inhoudende dat
deeltijdwerkers al over veel vrije tijd beschikken in zijn algemeenheid
niet kan worden volgehouden. Of daadwerkelijk vrije tijd aanwezig is,
is afhankelijk van factoren en omstandigheden. Deeltijdwerkers kunnen
naast hun werk bijvoorbeeld nog een andere baan hebben,
vrijwilligerswerk verrichten of zorgtaken hebben te verrichten.

Daarnaast heeft de wederpartij naar voren gebracht dat deel-
tijdwerknemers in de relevante leeftijdscategorie een zeer beperkt
aantal uren werkzaam zijn en derhalve reeds over zeer veel vrije tijd
beschikken, hetgeen een regeling voor gewenning aan meer vrije tijd
voor hen overbodig maakt.

De Commissie overweegt hieromtrent dat dit argument geen
rechtvaardigingsgrond is voor een regeling waarbij alle deeltijdwerkers
worden uitgesloten. Er is hier immers sprake van een toevallige
omstandigheid. Het is bepaald niet uitgesloten dat in de toekomst ook
in de leeftijdscategorie van 60 jaar en ouder meer werknemers met een
grote deeltijdbaan werkzaam zullen zijn. Bovendien impliceert de
redenering van de wederpartij dat het ook voor de oudere
deeltijdwerknemer die 37 uur per week werkt niet nodig is om te wennen
aan een VUT- of pensioensituatie, terwijl deze slechts een paar uur
minder werkt dan een voltijdwerker.

Op grond van het vorenstaande concludeert de Commissie dat de regeling
dat alleen oudere werknemers die voltijd werken in aanmerking kunnen
komen voor werktijdvermindering niet geschikt en evenmin noodzakelijk
geacht kan worden om dit doel te bereiken.

Daarmee staat vast dat de wederpartij een niet gerechtvaardigd
onderscheid op grond van geslacht maakt.

Ten overvloede wijst de Commissie erop dat het niet uitgesloten is dat
al naar gelang de omvang van het deeltijddienstverband de regeling kan
varieren. De Commissie kan zich voorstellen dat voor werknemers met een
kleine deeltijdbaan een dergelijke regeling niet nodig is. Wel dient
van te voren onderzocht te zijn welke groep als zodanig kan worden
aangemerkt, en of deze deeltijdwerkers inderdaad over zo veel meer
vrije tijd beschikken.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat
te Rotterdam in strijd met artikel 7A: 1637ij Burgerlijk Wetboek
indirect onderscheid naar geslacht heeft gemaakt jegens mevrouw
te Spijkenisse.

Rechters

Mw mr I.M.C.V.T. Kiebert (plaatsvervangend Kamervoorzitter), mwdrs A.J. Huber (lid Kamer), mw mr C.B. Mol-Bronkhorst (lid Kamer), mwmr A.K. de Jongh (juridisch adviseur).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 20 december 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een
‘enthousiaste medewerker in onze accessoiresshop (m)’. Verzoekster
heeft naar aanleiding van deze advertentie gesolliciteerd bij de
wederpartij. Zij is voor de functie afgewezen omdat de wederpartij de
voorkeur gaf aan een mannelijke kandidaat. Verzoekster is van mening
dat zij als vrouw ongelijk behandeld is. In de onderhavige advertentie
wordt slechts een functiebenaming vermeld, namelijk ‘medewerker
accessoiresshop’, daarnaast is door middel van de vermelding ‘(m)’
aangegeven dat de voorkeur uitgaat naar een man. In de advertentie is
dus niet aangegeven dat vrouwen ook in aanmerking komen voor de
functie. Daarmee staat vast dat de wederpartij in strijd heeft gehan-
deld met artikel 3 lid 3 en lid 4 en daarmee tevens in strijd met
artikel 3 lid 1 WGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 20 september 1994 verzocht mevrouw te Nijega
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit
te spreken over de vraag of door te Drachten
(hierna: wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding van een
betrekking en bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking, in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een
‘enthousiaste medewerker in onze accessoiresshop (m)’. Verzoekster
heeft naar aanleiding van deze advertentie gesolliciteerd bij de
wederpartij. Zij is voor de functie afgewezen omdat de wederpartij de
voorkeur gaf aan een mannelijke kandidaat. Verzoekster is van mening
dat zij als vrouw ongelijk behandeld is.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en op grond
van artikel 31 van het Besluit werkwijze Commissie gelijke behandeling
besloten om in deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen.
De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoekster te reageren.

2.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. Verzoekster heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in de Courant van 3 september 1994. In deze
advertentie vraagt de wederpartij om een ‘enthousiaste medewerker in
onze accessoiresshop (m)’. Het woord ‘accessoiresshop’ en de vermelding
‘(m)’ zijn hierbij in grote vette letters afgedrukt. In de advertentie
wordt belangstellenden gevraagd te bellen voor een afspraak.
Verzoekster heeft naar aanleiding van deze advertentie naar de
wederpartij gebeld om een afspraak te maken. Tijdens dit
telefoongesprek werd haar door een medewerker van de wederpartij
gevraagd of zij de advertentie ook gelezen had. De wederpartij zocht
namelijk mannen in verband met het eventueel vertillen van gasflessen.
Verzoekster is vervolgens naar het zakelijk adres van de wederpartij
gegaan en heeft daar gesproken met de eigenaar. Verzoekster vroeg
waarom zij niet welkom was. De wederpartij antwoordde hierop dat het
meisje dat er al werkt genegeerd wordt door de klanten die wachten tot
zij door een man te woord worden gestaan. Verder deelde de wederpartij
mee dat er allemaal mannen werken, dat er een gemoedelijke sfeer heerst
binnen het bedrijf en dat hier geen vrouw tussen past.

3.2. Verzoekster is van mening dat zij als vrouw ongelijk behandeld is
door de wederpartij en dat de wederpartij hiermee in strijd heeft
gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling.

3.3. De wederpartij heeft telefonisch aan de Commissie meegedeeld dat
zij niet wist dat onderscheid maken tussen mannen en vrouwen bij een
selectieprocedure verboden was. In een schriftelijke reactie deelt de
wederpartij mee dat verzoekster gelijk heeft. De wederpartij erkent dat
het onzorgvuldig is geweest de advertentie uitsluitend op de mannen te
richten. Volgens de wederpartij komt het door haar onbekendheid met de
wet. Wel merkt de wederpartij op dat in haar bedrijf wel eens zware
arbeid voor kan komen. Volgens de wederpartij stelt de clientele het
niet erg op prijs dat de medewerker/medewerkster, in dit geval
medewerkster, die zware arbeid verricht. Dat verzoekster dit werk
echter wel op zich wilde nemen is volgens de wederpartij te waarderen.
Tenslotte deelt de wederpartij mee dat in het vervolg deze
onzorgvuldigheden ten aanzien van de advertentie en ten aanzien van de
mondelinge behandeling, niet meer voor zullen komen. De wederpartij
biedt haar excuses aan aan verzoekster en aan andere mensen die zich
eraan hebben gestoord.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking en/of bij de behandeling bij de vervulling van deze
betrekking onderscheid naar geslacht heeft gemaakt door in de
onderhavige advertentie om een ‘medewerker in onze accessoiresshop (m)’
te vragen, terwijl zij niet vermeld heeft dat ook vrouwen voor de
functie in aanmerking komen en vervolgens verzoekster af te wijzen voor
de functie omdat de voorkeur van de wederpartij uitging naar een man.

4.2. Artikel 3 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB; Stb. 1989, 168) verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking en bij de behandeling bij
de vervulling van een openstaande betrekking. De Wet noemt in artikel
5, twee toegelaten uitzonderingen op dit verbod. Onderscheid is
toegestaan in gevallen waarin een voorkeursbeleid voor vrouwen van
toepassing is en in gevallen waarin het geslacht bepalend is.

In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader
uitgewerkt. Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en
vormgeving van een advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen
als vrouwen in aanmerking komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat
of zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet
worden, of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als
vrouwen in aanmerking komen.

4.3. Met betrekking tot de advertentie overweegt de Commissie het
volgende. In de onderhavige advertentie wordt slechts een
functiebenaming vermeld, namelijk ‘medewerker accessoiresshop’,
daarnaast is door middel van de vermelding ‘(m)’ aangegeven dat de
voorkeur uitgaat naar een man. In de advertentie is dus niet aangegeven
dat vrouwen ook in aanmerking komen voor de functie. Daarmee staat vast
dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met artikel 3 lid 3 en lid
4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 1 WGB.

4.4. Met betrekking tot de selectieprocedure overweegt de Commissie als
volgt. De wederpartij heeft meegedeeld dat een vrouw niet past binnen
het bedrijf en dat daarom de voorkeur uitging naar een man. De
wederpartij heeft eveneens meegedeeld dat zware arbeid in haar bedrijf
nog wel eens voor kan komen. Hieruit zou afgeleid kunnen worden dat de
wederpartij een beroep doet op geslachtbepaaldheid van de functie. De
wederpartij geeft echter tevens aan dat niet zozeer de zwaarte van de
arbeid een probleem vormt, als wel de houding van de klanten ten
opzichte van een vrouw die deze zware arbeid zou moeten verrichten. De
Commissie leidt hieruit af dat het verrichten van zware arbeid op zich
niet tot geslachtbepaaldheid van de functie leidt. Aangezien ook de
andere wettelijke uitzonderingsgrond in artikel 5 niet van toepassing
is, staat hiermee staat vast dat de wederpartij bij de behandeling bij
de vervulling van de openstaande betrekking in strijd heeft gehandeld
met artikel 3 lid 1 WGB.

4.5. Overigens spreekt de Commissie haar waardering uit voor de
toezegging van de wederpartij dat deze onzorgvuldigheden ten aanzien
van de advertentie en ten aanzien van de mondelinge behandeling van de
selectie niet meer voor zullen komen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat
te Drachten jegens mevrouw te Nijega bij de aanbieding van een
betrekking onderscheid heeft gemaakt in strijd met artikel 3 lid 4 en
daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen heeft gehandeld. Tevens heeft
te Drachten bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking onderscheid gemaakt in strijd
met artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

Rechters

Prof. mr J.E. Goldschmidt