Instantie: Hof van Justitie EG, 15 december 1994

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


In deze gevoegde zaken werd aan het Hof de prejudiciele vraag voorgelegd
op welke wijze overwerk van deeltijdwerkers gehonoreerd diende te worden.
De eisers in deze zaken vorderen dat voor de boven hun individuele
gewerkte arbeidstijd gewerkte uren dezelfde loontoeslagen worden betaald
als aan voltijdwerknemers voor boven de normale arbeidstijd gewerkte uren.
De toepasselijke CAO’s echter stellen betaling van een overurentoeslag aan
voltijd- en deeltijdwerkers alleen verplicht voor werkuren boven de in
deze overeenkomsten vastgestelde normale arbeidstijd, dat wil zeggen die
van voltijdsmedewerkers. Voor werkuren van deeltijdwerkers boven hun
individuele arbeidstijd is geen toeslag voorzien. De vraag is of deze
regeling te kwalificeren valt als een door art. 119 EEG-verdrag en de
richtlijn verboden (in)directe discriminatie. Het Hof stelt vast dat van
directe discriminatie geen sprake is aangezien deeltijdwerkers bij een
gelijk aantal arbeidsuren dezelfde totale beloning ontvangen als
voltijdwerkers. Dit is eveneens het geval wanneer de normale
CAO-arbeidstijd overschreden wordt door de deeltijdwerker: deze ontvangt
dan ook de overurentoeslag. Het Hof motiveert niet op welke gronden de
‘normale CAO- arbeidstijd’ opgevat dient te worden als de voor
voltijdwerkers geldende arbeidsduur.

Volledige tekst

Arrest

1 Bij beschikkingen van 22 oktober, 4 en 6 november, 18 december 1992, 21
januari en 1 februari 1993 hebben het Landesarbeitsgericht Hamm, het
Arbeitsgericht Hamburg, het Arbeitsgericht Elmshorn, het Arbeitsgericht
Bochum en het Arbeitsgericht Neumunster krachtens artikel 177 EEG-Verdrag
enkele verschillende prejudiciele vragen gesteld over de uitlegging van
artikel 119 EEG-Verdrag en van richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10
februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen
der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning
voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB 1991, L 45, blz. 19; hierna:
“de richtlijn”).

2 Die vragen zijn gerezen in gedingen die door deeltijdwerkneemsters tegen
hun werkgevers zijn aangespannen. Zij vorderen, dat voor de boven hun
individuele arbeidstijd gewerkte uren dezelfde loontoeslagen worden
betaald als aan voltijdwerknemers voor boven de normale arbeidstijd
gewerkte uren. De toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomsten (hierna:
“cao’s”) echter stellen betaling van een overurentoeslag aan voltijd- en
deeltijdwerknemers alleen verplicht voor werkuren boven de normale, in
deze overeenkomsten vastgestelde normale arbeidstijd; voor werkuren van
deeltijdwerknemers boven hun individuele arbeidstijd is geen toeslag
voorzien.

3 Volgens verzoeksters in de hoofdgedingen brengen de betrokken
cao-bepalingen een door artikel 119 EEG-Verdrag en de richtlijn verboden
discriminatie teweeg doordat zij enkel voor werkuren boven de normale
arbeidstijd voorzien in de betaling van toeslagen.

4 Van oordeel dat deze gedingen vragen over de uitlegging van het
gemeenschapsrecht aan de orde stelden, hebben de nationale rechterlijke
instanties besloten het Hof de volgende prejudiciele vragen voor te
leggen: – In zaak C-399/92:

“1. Is er sprake van schending van artikel 119 EEG-Verdrag in de vorm van
indirecte discriminatie, indien een collectieve arbeidsovereenkomst voor
de openbare dienst van de Bondsrepubliek Duitsland slechts voorziet in
betaling van toeslagen voor overuren wanneer de volgens de CAO normale
arbeidstijd wordt overschreden, waardoor werknemers in wier
arbeidsovereenkomst niet de volledige, in de CAO opgenomen arbeidstijd is
overeengekomen, van deze overurentoeslag worden uitgezonderd, en indien
door deze uitzondering onevenredig veel meer vrouwen dan mannen worden
getroffen?

2. Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: is het in de CAO
uitsluiten van deeltijdwerknemers van enige overurentoeslag objectief
gerechtvaardigd om de enkele reden dat

a) enerzijds door de in de CAO opgenomen overurentoeslag een zwaardere
belasting van de werknemer moet worden gecompenseerd en voorkomen moet
worden dat te veel van hem wordt verlangd, waarbij op grond van de
ervaring ervan kan worden uitgegaan, dat een werknemer die de in de CAO
als volledig omschreven arbeidstijd vervult, door het maken van overuren
a priori zwaarder wordt belast dan een deeltijdwerknemer;

b) anderzijds zonder individuele toetsing mag worden aangenomen, dat een
beperking van de vrije tijd een voltijdwerknemer in de zin van de CAO, die
langer dan de in de CAO opgenomen normale werktijd moet werken, zwaarder
treft dan een deeltijdwerknemer?

3. Indien vraag 2 ontkennend wordt beantwoord:

Brengt artikel 119 EEG-Verdrag mee, dat aan deeltijdwerknemers voor ieder
uur dat zij boven de overeengekomen arbeidstijd werken, eveneens de
volledige, in de CAO opgenomen overurentoeslag moet worden betaald, zoals
deze ook voor overuren van voltijdwerkers in de zin van de CAO is
voorzien, of hebben deeltijdwerkers slechts recht op een percentage van
de voor voltijdwerkers geregelde overurentoeslag, naar rato van hun
individuele arbeidstijd in verhouding tot de in de CAO overeengekomen
normale arbeidstijd?”

-In zaak C-409/92:

“Is met artikel 119 EEG-Verdrag en richtlijn 71/117/EEG van de Raad van
10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de
wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van
gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, verenigbaar
dat een collectieve arbeidsovereenkomst slechts voorziet in betaling, door
de werkgever, van toeslagen voor overuren die buiten de volgens de CAO
normale arbeidstijd worden gemaakt, en niet in betaling van toeslagen voor
uren die door deeltijdwerkers binnen de volgens de CAO normale
arbeidstijd, doch boven de met hen overeengekomen arbeidstijd, worden
verricht, gelet op het feit dat het aantal vrouwen dat in deeltijd werkt,
aanzienlijk groter is dan het aantal mannen?”

-In zaak C-425/92:

“1. Is een CAO-regeling (par. 34 BAT), die op grond van het gebruik in de
onderneming of een daadwerkelijke toetreding tot de CAO op een individuele
arbeidsovereenkomst van toepassing is en die voor deeltijdwerknemers die
langer dan de contractueel vastgestelde uren werken, slechts voorziet in
een vergoeding die evenredig is aan die van een vergelijkbare
voltijdwerknemer (zonder overurentoeslag), verenigbaar met het Europese
recht (artikel 119 EEG-Verdrag), indien door deze regeling procentueel
beduidend meer vrouwen dan mannen worden getroffen?

2. Wordt deze verschillende behandeling van deze twee categorieen van
werknemers gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets met
discriminatie op grond van geslacht van doen hebben?

3. Is een verschillende behandeling op grond van geslacht derhalve
gerechtvaardigd omdat deze verschillende behandeling aan een werkelijke
behoefte binnen de onderneming beantwoordt, geschikt is voor het bereiken
van de bedrijfsdoelstellingen en vereist is op grond van het
evenredigheidsbeginsel, indien hiervoor als rechtvaardigingsgrond wordt
aangevoerd dat door de overurentoeslag een zwaardere belasting van de
werknemer moet worden gecompenseerd en voorkomen moet worden dat te veel
van hem wordt verlangd, maar dat er geen sprake is van een vergelijkbare
belasting van een deeltijdwerknemer indien deze slechts de bij
overeenkomst vastgestelde arbeidstijd overschrijdt zonder de normale
arbeidstijd (voltijdarbeid) van gemiddeld 38,5 uur per week te bereiken
(zie par. 17, lid 1 en par. 15 lid 1, BAT)?”

-In de zaak C-34/93:

“1. Staan artikel 119 EEG-Verdrag en richtlijn 75/117 van de Raad van 10
februari 1975 (PB 1975, L 45, blz. 19), inzonderheid de artikelen 1 en 4
hiervan, in de weg aan een in een collectieve arbeidsovereenkomst voor een
publiekrechtelijk lichaam (Bundesknappschaft) vervatte regeling, die
slechts voorziet in de betaling van loontoeslagen wanneer de in de CAO
opgenomen normale arbeidstijd wordt overschreden, en dus werknemers in
wier arbeidsovereenkomst niet de volledige, in de CAO bepaalde arbeidstijd
is overeengekomen, tot die grens van elke overurentoeslag uitsluit, indien
door deze uitzondering aanzienlijk meer vrouwen dan mannen worden
getroffen, voor zover deze regeling niet gerechtvaardigd is door
objectieve factoren die niets met discriminatie op grond van geslacht van
doen hebben?

2. Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: vormen de volgende
overwegingen dan objectieve factoren die niets met discriminatie op grond
van geslacht van doen hebben en de in vraag 1 genoemde regeling kunnen
rechtvaardigen:

a) de regeling moet een zwaardere lichamelijke belasting compenseren en
het stellen van te zware eisen aan de werknemers verhinderen, waarbij de
extra belasting door overuren bij voltijdwerknemers a priori zwaarder is
dan bij deeltijdwerknemers;

b) als regel moet worden aangenomen, dat de inperking van de vrije tijd
de werknemers die de in de CAO opgenomen normale arbeidstijd werken,
zwaarder treffen dan deeltijdwerknemers?

3. Indien vraag 2 ontkennend wordt beantwoord: verlangt artikel 119
EEG-Verdrag dan, dat aan deeltijdwerknemers voor ieder uur dat zij boven
de in de individuele arbeidsovereenkomst afgesproken arbeidstijd
presteren, de volledige CAO-overurentoeslag wordt betaald, die voor
overuren boven de in de CAO voorziene normale wekelijkse voltijdarbeid is
bepaald?”

-In zaak C-50/93:

“Is er sprake van schending van artikel 119 EEG-Verdrag en van richtlijn
75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot
elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van
het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen, indien een
collectieve arbeidsovereenkomst slechts voorziet in betaling van toeslagen
voor overuren, wanneer de volgens de CAO normale arbeidstijd wordt
overschreden, en deeltijdwerknemers dus in beginsel van betaling van de
overurenregeling wordt getroffen, aanzienlijk groter is dan het aantal
mannen?”

– In zaak C-78/93:

“Is er sprake van schending van artikel 119 EEG-Verdrag in de vorm van
indirecte discriminatie, indien een collectieve arbeidsovereenkomst voor
de openbare dienst van de Bondsrepubliek Duitsland slechts voorziet in de
betaling van toeslagen voor overuren wanneer de volgens de CAO normale
arbeidstijd wordt overschreden, waardoor werknemers in wier
arbeidsovereenkomst niet de volledige, in de CAO opgenomen arbeidstijd is
overeengekomen, van deze overurentoeslag worden uitgezonderd, en indien
door deze uitzondering onevenredig veel meer vrouwen dan mannen worden
getroffen?

2. Indien vraag 1 bevestigd wordt beantwoord: is het in de CAO uitsluiten
van deeltijdwerknemers van enige overurentoeslag objectief gerechtvaardigd
om enkele reden dat

a) enerzijds door de in de CAO opgenomen overurentoeslagen een zwaardere
belasting van de werknemer moet worden gecompenseerd en voorkomen moet
worden dat te veel van hem wordt verlangd, waarbij op grond van de
ervaring ervan kan worden uitgegaan, dat een werknemer die de in de CAO
als volledig omschreven arbeidstijd vervult, door het maken van overuren
a priori zwaarder wordt belast dan een deeltijdwerknemer;

b) anderzijds zonder individuele toetsing mag worden aangenomen, dat een
beperking van de vrije tijd een voltijdwerker in de zin van de CAO, die
langer de in de CAO opgenomen normale werktijd moet werken, zwaarder treft
dan een deeltijdwerknemer?”

5 Bij twee beschikkingen van 5 maart en 15 juli 1993 heeft het Hof
overeenkomstig artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering de zaken
C-399/92, C-409/92, C-425/92 en C-34/93 en de zaken C-50/93 en C-78/93
voor de mondelinge behandeling en voor het arrest gevoegd.

De bevoegdheid van het Hof

6 Verweerster in het hoofdgeding in de zaak C-78/93 stelt in limine, dat
het verzoek om een prejudiciele beslissing niet- ontvankelijk is. Ook al
zouden de betrokken bepalingen een schending van artikel 119 EEG-Verdrag
inhouden, dan nog zal verzoekster in het hoofdgeding geen betaling van de
gevorderde toeslagen kunnen verkrijgen. Nietigverklaring van de
aangevochten bepalingen door de nationale rechter zou namelijk een
onoplosbaar rechtsvacuum scheppen, aangezien het Hof niet kan vaststellen
hoe partijen, hadden zij de thans gestelde schending van het
gemeenschapsrecht, dit punt zouden hebben willen regelen.

7 In de eerste plaats zij eraan herinner, dat artikel 177 EEG- Verdrag
bepaalt dat indien voor een rechterlijke instantie van een Lid-Staat een
vraag wordt opgeworpen over de uitlegging van het Verdrag of van afgeleide
handelingen die door de instellingen van de Gemeenschap zijn vastgesteld,
deze instantie, wanneer zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht
voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie kan verzoeken over
deze vraag een uitspraak te doen.

8 In het kader van deze verwijzingsprocedure is de nationale rechter, die
als enige rechtstreeks kennis heeft van de feiten van het geding, het best
in staat om met inachtneming van de bijzondere omstandigheden van het
geval de noodzaak van een prejudiciele beslissing voor het wijzen van zijn
vonnis te beoordelen (arresten van 29 november 1978, zaak 83/73, Pigs
Marketing Board, Jurispr. 1978, blz. 2347, en van 28 november 1991, Zaak
C-186/90, Durighello, Jurispr. 1991, blz. 1-5773).

9 Zodra de vragen van de nationale rechter betrekking hebben op de
uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht, is het Hof bijgevolg
in beginsel verplicht te antwoorden (arrest van 8 november 1990, C-231/89,
Gmurzynska, Jurispr. 1990, blz. 1-4003, r.o. 20).

10 In casu nu kan bezwaarlijk worden tegengesproken, dat de vragen in zaak
C-78/93 alsook die in de zaken C-399/92, C- 409/92, C-425/92, C-34/93 en
C-50/93 ter zake dienend zijn in het kader van de geschillen die de Duitse
rechters zijn voorgelegd.

11 Er kan dan ook geen sprake van zijn, dat het Hof zou weigeren de
verwijzende rechters de benodigde gegevens over het gemeenschapsrecht te
verstrekken op grond dat een “rechtsvacuum” zou ontstaan, indien de
betrokken bepalingen door hen werden nietig verklaard.

12 Wat dit “rechtsvacuum” betreft zij er overigens op gewezen, dat het
verbod van discriminatie tussen mannelijk en vrouwelijk werknemers
dwingend recht is en bijgevolg niet alleen van toepassing is op
overheidshandelingen, doch ook op alle overeenkomsten die de arbeid in
loondienst collectief regelen, alsmede op overeenkomsten tussen
particulieren (arrest van 8 april 1976, zaak 43/75, Defrenne, Jurispr.
1976, blz. 455). Bovendien is artikel 119 voldoende nauwkeurig om door een
justitiabele voor een nationale rechterlijke instantie te kunnen worden
ingeroepen met het verzoek, daarmee strijdige nationale bepalingen,
cao-bepalingen daaronder begrepen, buiten toepassing te laten (zie arrest
Defrenne, reeds aangehaald).

13 Ingeval de nationale rechter bepalingen van een collectieve
arbeidsovereenkomst wegens strijd met artikel 119 EEG-Verdrag buiten
toepassing zou laten, hebben de leden van de benadeelde categorie recht
op toepassing van dezelfde regeling als de overige werknemers en wel naar
evenredigheid van hun arbeidstijd (arrest van 27 juni 1990, zaak C-33/89,
Kowalska, Jurispr. 1990, blz. 1-2591).

14 Dit betekent derhalve, in tegenstelling tot wat verweerster in het
hoofdgeding in zaak C-78/93 beweert, dat een eventuele nietigverklaring
van deze bepaling door de nationale rechters geen rechtsvacuum zou doen
ontstaan.

15 Uit het bovenstaande volgt, dat de vragen van de verwijzende rechters
moeten worden beantwoord.

Het bestaan van een door artikel 119 EEG-Verdrag en de richtlijn verboden
discriminatie

16 De verwijzende rechters vragen zich in de eerste plaats af, of
cao-bepalingen die de betaling van toeslagen voor overuren alleen voorzien
voor gewerkte uren boven de normale, bij deze cao’s vastgestelde
arbeidstijd (die overeenstemt met de arbeidstijd van voltijdwerknemers)
en die deze toeslagen uitsluiten voor de uren die deeltijdwerknemers boven
hun individuele arbeidstijd werken, zolang die uren onder de in deze cao’s
bepaalde grens blijven, verenigbaar zijn met artikel 119 EEG-Verdrag en
met de Richtlijn.

17 De Commissie en verzoeksters in de hoofdgedingen stellen, dat
collectieve arbeidsovereenkomsten evenzeer als wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen onder het non- discriminatiebeginsel van
artikel 119 EEG-Verdrag vallen. Ingevolge dit beginsel mag geen uitvoering
worden gegeven aan bepalingen die weliswaar geslachtsneutraal zijn
geformuleerd en worden toegepast, maar die in feite een indirecte
discriminatie inhouden omdat zij, nu het merendeel van de deeltijdwerkers
vrouwen zijn, veel meer vrouwen dan mannen benadelen.

18 Zoals bij de bespreking van de ontvankelijkheid aangestipt, is artikel
119 EEG-Verdrag wegens zijn dwingend karakter niet alleen op wettelijke
en bestuursrechtelijke bepalingen van toepassing, maar ook op collectieve
en individuele arbeidsovereenkomsten.

19 Artikel 119 EEG-Verdrag poneert het beginsel van gelijke beloning voor
mannelijke en vrouwelijk werknemers voor gelijke arbeid. Volgens artikel
1 van de richtlijn houdt dit beginsel meer bepaald in, dat voor gelijke
arbeid of voor arbeid waaraan gelijke waarde wordt toegekend ieder
onderscheid naar kunne wordt afgeschaft ten aanzien van alle elementen en
voorwaarden van de beloning. Zoals het Hof in zijn arrest van 31 maart
1981 (zaak C-96/80, Jenkins, Jurispr. 1981, blz. 911) heeft overwogen, is
dit artikel in de eerste plaats bedoeld om de concrete toepassing van het
in artikel 119 EEG-Verdrag opgenomen beginsel van gelijke beloning te
vergemakkelijken, maar beinvloedt het op generlei wijze de inhoud of
strekking van dit beginsel zoals het in laatstgenoemde bepaling is
omschreven.

20 Het beginsel van gelijke beloning verzet zich niet alleen tegen de
toepassing van bepalingen die een rechtstreeks op het geslacht gebaseerde
discriminatie inhouden, maar ook tegen de toepassing van bepalingen die
aan de hand van geslachtsneutrale criteria verschillen in behandeling van
mannelijke en vrouwelijke werknemers handhaven, indien deze verschillen
in behandeling van mannelijke en vrouwelijk werknemers handhaven, indien
deze verschillen niet kunnen worden gerechtvaardigd door objectieve
factoren die niets met discriminatie op grond van geslacht van doen
hebben.

21 Wat nu de door de Commissie en verzoeksters in het hoofdgeding gelaakte
bepalingen betreft, staat vast dat deze geen rechtstreeks op het geslacht
gebaseerde discriminaties inhouden.

22 Bijgevolg moet worden onderzocht, of deze bepalingen geen indirecte
discriminaties opleveren in strijd met artikel 119 EEG-Verdrag.

23 Daartoe moet worden nagegaan enerzijds, of zij een ongelijke
behandeling van voltijd- en deeltijdwerknemers meebrengen, en anderzijds,
of deze ongelijke behandeling aanzienlijk meer vrouwen dan mannen treft.

24 Dit is de wijze waarop het Hof bij zijn toetsing op dit gebied te werk
pleegt te gaan (zie arrest Kowalska, reeds aangehaald, en arrest van 13
mei 1986, Bilka, zaak 107/84, Jurispr. 1986, blz. 1607).

25 Eerst wanneer het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, komt de
vraag aan de orde, of er objectieve, niet met discriminatie op grond van
geslacht verband houdende factoren voorhanden zijn die de vastgestelde
ongelijke behandeling kunnen rechtvaardigen.

26 Van ongelijke behandeling is sprake, telkens wanneer de totale beloning
die aan voltijdwerknemers wordt betaald, bij hetzelfde aantal uren dat uit
hoofde van een dienstbetrekking is gewerkt, hoger is dan aan
deeltijdwerknemers wordt betaald.

27 In de onderhavige gevallen nu ontvangen de deeltijdwerknemers bij een
gelijk aantal arbeidsuren echter dezelfde totale beloning als
voltijdwerknemers.

28 Zo ontvangt een deeltijdwerknemer met een contractuele arbeidstijd van
achttien uur voor het negentiende uur dezelfde totale beloning als een
voltijdwerknemer voor negentien arbeidsuren ontvangt.

29 De deeltijdwerknemer ontvangt eveneens dezelfde totale beloning als de
voltijdwerknemer wanneer hij de normale CAO- arbeidstijd overschrijdt,
want dan ontvangt ook hij de toeslag voor overuren.

30 Derhalve moet worden vastgesteld, dat de betrokken bepalingen geen
verschil in behandeling tussen voltijd- en deeltijdwerknemers
teweegbrengen en dat van discriminatie in de zin van artikel 119
EEG-Verdrag en artikel 1 van de richtlijn dan ook geen sprake is.

31 Mitsdien moet op de eerst vraag worden geantwoord, dat artikel 119
EEG-Verdrag en artikel 1 van richtlijn 75/117/EEG van 10 februari 1975
betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten
inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke
en vrouwelijk werknemers, niet eraan in de weg staan dat een collectieve
arbeidsovereenkomst slechts voorziet in betaling van toeslagen voor
overuren wanneer de in die overeenkomst voor voltijdwerknemers bepaalde
normale arbeidstijd wordt overschreden.

De overige vragen

32 Gelet op het antwoord op de eerste vraag behoeft niet te worden
ingegaan op de vragen met betrekking tot het bestaan van objectieve, niet
met discriminatie op grond van geslacht samenhangende factoren die een
eventuele ongelijke behandeling zouden kunnen rechtvaardigen, of met
betrekking tot de berekeningsmethode van de toeslag waarop de
deeltijdwerknemer aanspraak zou hebben gehad.

Kosten

33 De kosten door de Duitse, de Franse, de Griekse en de Britse regering
en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun
opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking
komen. Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als
een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke
instanties over de kosten hebben te beslissen.

Het hof van Justitie (Zesde Kamer),

uitspraak doende op de door het Landesgericht Hamm, het Arbeidsgericht
Hamburg, het Arbeitsgericht Elmshorn, het Arbeitsgericht Bochum en het
Arbeitsgericht Neumunster bij beschikkingen van 22 oktober 1992 (zaak
C-399/92), 4 november 1992 (zaak C-425/92), 6 november 1992 (zaak
C-409/92), 18 december 1992 (zaak C-50/93), 21 januari 1993 (zaak C-34/93)
en 1 februari 1993 (zaak C-78/93) gestelde vragen,

verklaart voor recht:

Artikel 119 EEG-Verdrag en artikel 1 van richtlijn 75/117/EEG van 10
februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen
der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning
voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, staan niet eraan in de weg dat
een collectieve arbeidsovereenkomst slechts voorziet in betaling van
toeslagen voor overuren wanneer de in die overeenkomst voor
voltijdwerknemers bepaalde normale arbeidstijd wordt overschreden.

Rechters

Mrs Schockweiler, Kapteyn, Mancini, Kakouris, Murray en Darmon, AGDarmon

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 14 december 1994

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De vrouw is seksueel misbruikt door de haar behandelende psychotherapeut.
De Vereniging voor Psychotherapie heeft een ingediende klacht gegrond verklaard
en de therapeut voor vier jaar geschorst. De vrouw vordert materiële en
immateriële schadevergoeding.
De rechtbank heeft de vrouw in het gelijk gesteld en een immateriële schadevergoeding
toegekend van ƒ 4.000,=. De vergoeding van de schade terzake verlies van
arbeidsvermogen is als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

Volledige tekst

Gezien de stukken van het geding, te weten
– de dagvaarding d.d. 23 september 1993;
– de conclusie van eis met een aantal produkties;
– een akte houdende procureurswisseling;
– de conclusie van antwoord met een aantal produkties;
– de conclusie van repliek met een produktie;
– een akte houdende produktie van eiseres;
– de conclusie van dupliek met een aantal produkties.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. Tussen partijen staat het navolgende vast:
a. in juli 1983 is eiseres, toen 34 jar oud en als secretaresse werkzaam
bij een Riagg, overspannen geraakt, waardoor zij in de ziektewet kwam.
b. in december 1983 werd eiseres door haar huisarts voor psychotherapeutische
behandeling verwezen naar gedaagde, psycholoog.
c. op 8 december 1983 vond de eerste therapiezitting bij gedaagde plaats;
op 15 december de tweede.
d. op 17 december 1983 en op 21 december heeft gedaagde bij hem thuis sexuele
gemeenschap met eiseres gehad.
e. op 1 mei 1985 is de arbeidsovereenkomst van eiseres bij de Riagg beëindigd.
f. naar aanleding van een door eiseres ingediende klacht is aan gedaagde
bij besluit van de Kommissie van Beroep van de Nederlandse Vereniging voor
Psychotherapie de maatregel van schorsing uit het (belangstellend) lidmaatschap
van de Vereniging voor de duur van vier jaren opgelegd.

2. Eiseres vordert – zakelijk weergegeven- gedaagde te veroordelen tot
betaling van ƒ 27.348,00 en de door haar daarboven geleden en nog te lijden
schade, nader op te maken bij de staat, met nevenverordeningen.
Aan deze vordering legt zij de stelling ten grondslag dat gedaagde verwijtbaar
onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door als therapeut een sexuele
relatie met haar aan te gaan en te onderhouden.
Zij stelt als gevolg daarvan zowel psychische als lichamelijke klachten
te hebben ondervonden. De door haar geleden immateriële schade stelt eisers
op ƒ 20.000,–.; de materiële schade bestaat uit verlies aan arbeidsvermogen,
waarvan de omvang nog niet vaststaat, en uit gemaakte pre-procescuele kosten,
aldus eiseres; laatstbedoelde kosten stelt eiseres op ƒ 7.438,–.

3. Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.1 Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat gedaagde, gelet op de omstandigheid
dat hij op 8 december 1983 een behandelingsrelatie met eiseres was aangegaan,
onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door op 17 december 1983 een persoonlijke
relatie met haar te beginnen.

Gedaagdes verweer dat hij, alvorens met haar gemeenschap te hebben, eiseres
op die 17e december 1983 heeft meegedeeld haar naar een andere therapeut
te willen doorverwijzen vanwege zijn gevoelens voor haar, en dat zij dus
geen patiënte meer van hem was toen hij een persoonlijke relatie met haar
begon faalt. Gesteld al dat gedaagde bedoelde mededeling heeft gedaan (eiseres
betwist zulks) dan had gedaagde eiseres vervolgens in de gelegenheid dienen
te stellen zich te bezinnen op de nieuwe situatie en zich een kalm en weloverwogen
oordeel te komen over het al dan niet aangaan van een dergelijke relatie
met gedaagde.
Door zulks na te laten (gedaagde begon immers diezelfde dag een persoonlijke
relatie met eiseres) heeft gedaagde gehandeld in strijd met de hem als
professioneel hulpverlener jegens eisers betamende zorgvuldigheid; zulks
klemt des temeer nu gedaagde niet heeft weersproken dat hij wist dat eiseres
zich bij aanvang van de therapie in een crisissituatie bevond en eiseres
– naar gedaagde zelf schrijft – bij hem onder meer relatietherapie ontving.

4.2 Het vorenoverwogene brengt mee dat gedaagde gehouden is de door eiseres
ten gevolge van deze onrechtmatige daad geleden schade te vergoeden.

5.1 Eiseres stelt dat zij tengevolge van gedaagdes handelswijze psychische
klachten heeft ondervonden, die zich openbaarden in de vorm van een acute
depersonalisatie, slaap- en angststoornissen en concentratieproblemen.
Eiseres beroept zich hierbij op het rapport van de psychologe/sexuologe
drs. Muluijzen-Drooglever Fortuijn van 17 mei 1990 (produktie 3 bij eis).
Eiseres geeft echter niet aan hoe lang en in welke mate deze klachten zijn
opgetreden en zulks valt ook niet uit voormeld rapport af te leiden.
De rechtbank acht aannnemelijk dat eiseres door gedaagdes handelswijze
psychische klachten heeft gekregen, dan wel dat haar bestaande psychische
klachten daardoor zijn verergerd.

5.2 De rechtbank is van oordeel dat eiseres dienaangaande zonder meer een
bedrag van ƒ 4.000,– toekomt terzake van immateriële schadevergoeding.
Indien eiseres van mening is dat zij vanwege de lange duru of de ernst
van de ondervonden psychische klachten voor een hogere schadevergoeding
in aanmerking komt, dan zal zij de duur en ernst van die klachten dienen
aan te geven en dienen te bewijzen.
De rechtbank zal eiseres in de gelegenheid stellen zich hieromtrent nader
uit te laten.

6. Aangaande de gestelde lichamelijke klachten is de rechtbank van oordeel
dat -zo al vast ou komen te staan dat deze klachten zijn opgetreden- door
eiseres onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat deze als een gevolg van
gedaagdes handelwijze aan die handelswijze kunnen worden toegerekend. Uit
voormeld rapport moet immers worden afgeleid dat de klachten optraden ten
tijde van het stageneren van het verwerkingsproces door toedoen van derden.
Het eventuele falen van derden kan echter niet aan gedaagde worden toegerekend.
Voorzover eiseresses vordering is gebaseerd op die lichamelijke klachten
is de vordering derhalve niet toewijsbaar.

7. De rechtbank is van oordeel dat, in aanmerking genomen dat eiseres al
sedert juli 1983 haar werkzaamheden niet meer uitoefende en zij blijkens
eerdervermeld rapport van
drs. Mulhuijzen-Drooglever Fortuijn zelf haar ontslag heeft ingediend,
het op de weg van eiseres had gelegen haar stelling dat gedaagde handelswijze
heeft geresulteerd in een gedwongen ontslag nader te onderbouwen. Nu zij
dit heeft nagelaten dient haar vordering tot vergoeding van de schade terzake
van verlies van arbeidsvermogen als onvoldoende onderbouwd afgewezen te
worden.

8. Blijkens de aan de griffier van deze rechtbank overgelegde toevoeginsbescheiden
is aan eisers onvoorwaardelijk een raadsvrouw toegevoegd voor het voeren
van de onderhavige procedure. In het licht hiervan is eiseresses vordering
ad. ƒ 7.348,– terzake van gemaakte advocaatkosten zonder nadere toelichting
onbegrijpelijk. Nu deze toelichting ontbreekt zal dit onderdeel van de
vordering ook moeten worden afgewezen.

9. Gesteld noch gebleken is dat eiseres in de toekomst nog andere schade
zal lijden dan de hiervoor behandelde schadeposten. De rechtbank acht zulks,
gelet op het tijdsverloop, ook niet aannemelijk.

10.Al het vorenoverwogene leidt tot de volgende conclusie:
– aan eiseres zal een bedrag worden toegekend terzake van immateriële schadevergoeding
wegens psychisch klachten; alvorens omtrent de hoogte van het bedrag definiteif
te beslissen zal de zaak naar de rol worden verwezen opdat eiseres zich
nader over de omvang van de klachten kan uitlaten (zie r.o. 5.2);
– voor het overige zal de vordering worden afgewezen.

BESLISSING

Alvorens verder te beslissen:

Verwijst de zaak nar de rol van 24 januari 1995 ter fine als vermeld in
rechtsoverweging 5.2, aanstonds PEREMPTOIR.

Rechters

Mrs Dil-Stork, Weiss, Van der Windt

Instantie: Rechtbank Dordrecht, 14 december 1994

Instantie

Rechtbank Dordrecht

Samenvatting


Vrouw is destijds (1977) door Raad voor de Kinderbescherming in pleegezin
geplaatst. Pleegvader heeft ontuchtige handelingen gepleegd. Na een jaar is
de vrouw het huis ontvlucht. De zaak is inmiddels strafrechtelijk verjaard.
In een civiele procedure eist de vrouw thans ƒ 80 000 immateriële
schadevergoeding en materiële schadevergoeding nader op te maken bij Staat.
In dit tussenvonnis heeft de rechtbank Dordrecht bepaald dat er een
deskundigenrapport dient te komen. Daarbij gaat het om de vraag of de
vaststaande feiten de door eiseres gestelde gevolgen kunnen hebben en welke
psychische klachten eiseres thans heeft en in het verleden gehad heeft.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure
Overeenkomstig de dagvaarding heeft eiseres bij conclusie van eis gevorderd
bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
a. gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan
eiseres te voldoen de som van ƒ 80 000, vermeerderd met de wettelijke rente
over dit bedrag vanaf 18 juni 1993 tot de dag van algehele voldoening;
b. gedaagde te veroordelen om de materiële schade, nader op te maken bij
staat, aan eiseres te voldoen;
c. gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding.
Gedaagde heeft onder overlegging van producties geconcludeerd voor antwoord
bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van eiseres af te
wijzen, althans haar in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren,
onder veroordeling van eiseres in de proceskosten.
Onder overlegging van producties heeft eiseres geconcludeerd voor repliek.
Gedaagde heeft onder overlegging van producties geconcludeerd voor dupliek.
Aan eiseres is akte verleend van een door haar op schrift gestelde
verklaring. Vervolgens heeft de procureur van gedaagde ter rolle verklaard
niet tot concluderen in staat te zijn.
Onder overlegging van de stukken heeft eiseres vonnis gevraagd.
De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende
gemotiveerd weersproken alsmede op grond van de in zoverre niet betwiste
inhoud van de producties staat tussen partijen – voorzover van belang en
zakelijk weergegeven – het volgende vast.
1. Eiseres is op 23 februari 1960 geboren. Op 9 maart 1976 is eiseres door de
kinderrechter voorlopig onder toezicht gesteld. Op 6 april 1976 is de
definitieve ondertoezichtstelling uitgesproken. De Vereniging Pro Juventute
heeft toen de gezinsvoogdij aanvaard.
2. Eiseres heeft in de periode van 15 maart 1977 tot 1 februari 1978
ingewoond bij gedaagde en diens toenmalige echtgenote. Deze inwoning
geschiedde in het kader van een plaatsing door de gezinsvoogd van eiseres.
3. Gedurende de onder 2. genoemde periode hebben er tussen partijen seksuele
contacten plaatsgevonden.
De stellingen van partijen
Eiseres heeft aan de vorderingen naast de vaststaande feiten (uiteindelijk)
de volgende stellingen ten grondslag gelegd:
– Gedaagde heeft jegens haar verwijtbaar onrechtmatig gehandeld door in de
onder 2. van de vaststaande feiten genoemde periode ontucht met haar te
plegen, terwijl zij toen minderjarig was en aan de zorgen van gedaagde als
pleegvader was toevertrouwd.
Gedaagde heeft eiseres daarbij psychisch onder druk gezet door haar te
dreigen dat zij naar een observatiehuis zou worden gestuurd indien zij iets
zou vertellen over hetgeen tussen partijen gebeurde.
Gedaagde heeft gemeenschap met eiseres gehad.
Gedaagde heeft eiseres voortdurend en opzettelijk vernederd en bedreigd.
– Door voormelde daden van gedaagde is de lichamelijke en geestelijke
integriteit van eiseres ernstig geschonden en heeft zij aanzienlijke
psychische schade, te omschrijven als een posttraumatisch stress-syndroom,
geleden.
De psychische klachten die eiseres ten gevolge van de gedragingen van
gedaagde ook thans nog heeft zijn als volgt te omschrijven:
* een zeer groot verlies van het vermogen om anderen te vertrouwen;
* loskoppeling van delen van haar persoonlijkheid;
* ernstige verstoring van de identiteit;
* ernstige aantasting van het vermogen voor de eigen grenzen op te komen;
* ernstige verstoring van het vermogen aanraking, lichamelijk contact, als
iets positiefs te beleven;
* depressies;
* emotionele geremdheid
Ten gevolge van deze klachten is eiseres vanaf haar 28ste levensjaar in
therapie.
Begin 1994 had eiseres de volgende lichamelijke klachten:
misselijkheid, keelpijn, nekkramp, verlamd gevoel in de benen. Zij is niet in
staat om meer dan een dag in de week te werken.
– Gedaagde heeft als pleegvader niet mee willen werken aan een gesprek met de
gezinsvoogd over de reden waarom zij bij gedaagde was weggevlucht. Zij werd
hierdoor betiteld als onbehandelbaar, waardoor de schade voor eiseres nog
werd vergroot.
– De ten gevolge van de gedragingen van gedaagde door eiseres geleden en nog
te lijden immateriële schade is te stellen op ƒ 80 000.
Tevens lijdt eiseres materiële schade en heeft zij deze geleden, onder andere
bestaande uit kosten wegens therapieën en juridisch advies alsmede
inkomstenderving.
Gedaagde heeft de vordering gemotiveerd betwist, daartoe – zakelijk
weergegeven en voorzover van belang – (uiteindelijk) stellende:
– De onder 3. van de vaststaande feiten bedoelde seksuele contacten hebben
plaatsgevonden in een geheel vrijwillige en wederkerige relatie.
– Gedaagde betwist dat hij de geestelijke en lichamelijke integriteit van
eiseres heeft geschonden en dat er sprake is van een zgn. posttraumatisch
stress-syndroom.
– Voor zover eiseres wel psychische klachten zou hebben (gehad), zijn deze
niet het gevolg van handelingen van gedaagde.
– Voor het geval er een causaal verband zou bestaan tussen de door eiseres
gestelde psychische klachten en de gedragingen van gedaagde, betwist gedaagde
dat er sprake is geweest van onrechtmatig handelen van hem jegens eiseres.
– Zou er sprake zijn van thans aanwezige psychische klachten aan de zijde van
eiseres dan zijn deze (mede) veroorzaakt door diverse los van de relatie
tussen partijen staande gebeurtenissen in de jeugd van eiseres.
– Van een niet willen meewerken aan een gesprek met de gezinsvoogd is geen
sprake; een dergelijke vraag heeft gedaagde nooit bereikt. Al voor het
vertrek van eiseres uit het gezin van gedaagde was de gezinsvoogd van
oordeel, dat eiseres verantwoordelijk was voor de ernstige problemen in het
pleeggezin.
– Gedaagde bestrijdt subsidiair de hoogte van de door eiseres gevorderde
schade. Schadevergoeding in geld is bovendien geen adequaat middel om het
gestelde leed ongedaan te maken.
Eiseres heeft hetgeen gedaagde heeft gesteld gemotiveerd bestreden en nog
aangevoerd:
– Tot het moment dat eiseres in het gezin van gedaagde werd geplaatst was
haar waarnemend en reflecterend vermogen goed gedifferentieerd, was zij in
staat een goede relatie met haar oma te onderhouden en een opleiding aan de
PABO te volgen en had zij al langere tijd een relatie met een
leeftijdsgenoot.
Gedaagde heeft hetgeen eiseres nog heeft aangevoerd gemotiveerd betwist.
De beoordeling van het geschil
Nu de gestelde schade is ontstaan vóór en na 1 januari 1992 en deze schade
volgens eiseres voortspruit uit door gedaagde jegens haar vóór 1 januari 1992
gepleegde onrechtmatige daden, dient de vordering ingevolge artikel 173,
tweede lid, juncto artikel 69 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek
beoordeeld te worden na het voor genoemde datum geldende recht.
Zelfs indien er sprake zou zijn, zoals gedaagde heeft gesteld, dat het tussen
partijen ging om een geheel vrijwillige en wederkerige seksuele relatie, dan
nog moet het gedrag van gedaagde ten opzichte van eiseres als onrechtmatig
worden aangemerkt. Iedere seksuele relatie tussen een pleegvader en een aan
zijn zorg toevertrouwde minderjarige – en daar gaat het in casu om – is
immers op grond van artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht verboden en
wordt strafrechtelijk geduid als ontucht. Dat de daden van gedaagde inmiddels
– strafrechtelijk – zijn verjaard is daarbij irrelevant. In de zin van
artikel 1407 BW (oud) is er sprake van een misdrijf tegen de persoon van
eiseres.
Partijen verschillen van mening over de omvang en intensiteit van de
gepleegde ontucht en over de vraag in welke mate daarbij door gedaagde
druk/dwang is uitgeoefend, alsmede over de vraag of de door eiseres gestelde
schade – geleden en nog te lijden – in een zodanig verband staat met de
gepleegde ontucht, dat zij in redelijkheid als een gevolg van de door
gedaagde gepleegde ontucht aan gedaagde kan worden toegerekend.
Vooreerst rijst dan de vraag of hetgeen tussen partijen ten processe
vaststaat reeds de door eiseres gestelde gevolgen kan hebben en zo neen, wat
dan de gevolgen van die vaststaande feiten kunnen zijn (geweest). In het
kader daarvan zal tevens moeten worden vastgesteld welke psychische klachten
eiseres thans heeft en in het (recente) verleden gehad heeft.
De rechtbank heeft behoefte aan voorlichting door (een) deskundige(n), aan
wie onder meer vorenbedoelde vragen zullen worden voorgelegd.
Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte ter rolle uit
te laten over het aantal en de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de
aan deze te stellen vragen.
Eiseres heeft aangevoerd, dat de kosten van een deskundigenbericht, althans
het te deponeren voorschot ten laste van gedaagde moet(en) komen.
Op grond van het bepaalde bij artikel 223, tweede lid, van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) dient in beginsel de eisende partij het
aldaar bedoelde voorschot te voldoen. Er zijn geen omstandigheden gesteld of
gebleken op grond waarvan in dit geval van deze regel dient te worden
afgeweken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het deskundigenbericht een
voorname rol zal spelen bij de beantwoording van de vraag of en zo ja, welke
schadevergoeding gedaagde zal moeten betalen.
Aan eiseres zal, nu haar ingevolge de Wet op de rechtsbijstand een toevoeging
is verleend en gelet op artikel 223, tweede lid, Rv. evenwel te zijner tijd
geen voorschot worden opgelegd.
Het oordeel over de vraag wie van partijen uiteindelijk de proceskosten zal
hebben te dragen is thans niet aan de orde.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
De beslissing.
De rechtbank:
Verwijst de zaak naar de rol van woensdag 1 februari 1995 teneinde partijen,
het eerst eiseres, in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten
over het aantal en de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de aan deze
te stellen vragen.
Houdt iedere verdere beslissing aan.

Rechters

Mr. F.L.J.M. Heijnen

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 14 december 1994

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Partijen zijn 13 jaar gehuwd geweest en hebben een kind van vijf jaar. De
man verzoekt de alimentatie te limiteren tot 3 jaar. Na 3 jaar moet de
vrouw, mede gezien haar ervaring op de arbeidsmarkt, in staat geacht
worden volledig in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Het kind van
partijen kan op school overblijven. De rechtbank oordeelt dat de behoefte
van de vrouw vaststaat aangezien zij in verband met de zorg voor het kind
in elk geval niet op korte termijn in staat zal zijn om volledig in haar
eigen levensonderhoud te voorzien. Deshalve wijst de rechtbank ook het
limiteringsverzoek af. Alimentatie wordt bepaald op ƒ 1.500,=.

Volledige tekst

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: -het op 19
mei 1994 ter griffie van deze rechtbank ingediende verzoekschrift; -het
tijdig daartegen ingediende verweerschrift tevens verzoekschrift; -het
verweerschrift van de vrouw tegen het zelfstandig verzoek van de man; -de
brief met bijlagen van mr. Van Brunschot d.d. 3 november 1994; -de brief
met bijlagen van de raadsman van de man, mr. H.R. Kant, advocaat te
Krommenie d.d. 10 november 1994; -de brief met bijlagen van mr. Van
Brunschot d.d. 15 november 1994.

De vrouw heeft onder andere verzocht dat op grond van duurzame
ontwrichting van hun huwelijk tussen partijen -Nederlanders- echtscheiding
zal worden uitgesproken met bepaling dat de man tot het levensonderhoud
van de vrouw ƒ 2.000,= per maand zal betalen en dat de rechtbank de
verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap
zal vaststellen conform haar voorstel. Tevens heeft zij verzocht haar te
benoemen tot voogdes en de man tot toeziend voogd over het minderjarige
kind van partijen met bepaling dat de man als bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van dit minderjarige kind ƒ 250,= per maand zal
betalen.

De man heeft erkend althans niet betwist hetgeen is gesteld omtrent de
huwelijkssluiting, het huwelijksgoederenregime, de geboorte van hun
minderjarige kind, de nationaliteit van partijen en de duurzame
ontwrichting van hun huwelijk en tegen het verzoek tot echtscheiding en
de voorgestelde gezagsvoorziening en kinderbijdrage geen verweer gevoerd.

Hij heeft echter het verzoek met betrekking tot de uitkering in het
levensonderhoud van de vrouw bestreden en zijnerzijds verzocht te bepalen
dat de rechtbank de scheiding en deling van de tussen partijen bestaande
huwelijksgoederengemeenschap zal bevelen.

Daarop is de zaak behandeld op de terechtzitting van 16 november 1994,
alwaar zijn verschenen: de vrouw met haar procureur, alsmede de man,
bijgestaan door mr. H.R. Kant, advocaat te Krommenie.

De rechtbank overweegt als volgt:

1. Ten processe staat vast, mede door het overgelegde bewijsstuk, dat
partijen zijn gehuwd op 9 december 1981 te Hilversum.

2. Tussen partijen staat voorts vast dat het huwelijk duurzaam is
ontwricht, zodat het verzoek tot echtscheiding als niet bestreden
toewijsbaar is.

3. Ter terechtzitting hebben partijen omtrent de verdeling van de tussen
hen bestaande huwelijksgoederengemeenschap overeenstemming bereikt. De
rechtbank zal aldus beslissen.

4. De man heeft als nevenvoorziening het voortgezet gebruik van de
echtelijke woning verzocht. Artikel 165 boek I van het Burgerlijk Wetboek
geeft een voorziening met het oog op moeilijkheden die de
echtscheidingsprocedure met zich mee kan brengen in verband met de
huisvesting van de echtgenoten in de voormalige echtelijke woning. Het
artikel geeft een voorlopige voorziening en loopt niet vooruit op de
verdeling. De voorziening is van voorlopige en feitelijke aard ter
overbrugging van de eerste periode na de echtscheiding, zijnde de periode
voor de verdeling. In die periode blijft nl. de mede-eigendom bestaan en
blijven beide echtgenoten rekening houden op gebruik van die echtelijke
woning. Nu tegelijkertijd met de inschrijving van de onderhavige
beschikking waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, de verdeling een
feit zal zijn -waarbij de echtelijke woning aan de man wordt
toegescheiden- heeft de man geen belang meer bij zijn verzoek. De
rechtbank zal dit nevenverzoek mitsdien afwijzen.

5. Met betrekking tot het alimentatieverzoek gaat de rechtbank op grond
van hetgeen uit de stukken en ter terechtzitting is gebleken uit van de
navolgende situatie:

ten aanzien van de vrouw: Zij is 35 jaar oud en vormt met het kind van
partijen in de leeftijd van 5 jaar een eenoudergezin. Zij werkt twee
ochtenden per week als Alpha-hulp. Haar inkomen bedraagt ƒ 350,= bruto per
maand. Voorts ontvangt zij nog vakantiegeld.

De rechtbank is van oordeel dat de behoefte van de vrouw voldoende
vaststaat aangezien zij in verband met de zorg voor der partijen kind in
elk geval op korte termijn in staat zal zijn om volledig in haar eigen
levensonderhoud te voorzien. Deshalve zal de rechtbank het verzoek van de
man om een eventueel vast te stellen uitkering tot levensonderhoud in
tijdsduur te beperken, ook afwijzen.

ten aanzien van de man: Hij is 38 jaar oud, alleenstaand en bewoont de
echtelijke woning. Hij had in 1993 een bruto inkomen van ƒ 74.294,=. Nu
de echtelijke woning aan de man toegescheiden zal worden (waardoor hij de
vrouw dient uit te kopen) zullen zijn woonlasten toenemen aangezien hij
de hypotheek zal dienen te verhogen. De rechtbank raamt de hypotheeklasten
naar aanleiding van de overgelegde offerte op een bedrag van ƒ 810,98 per
maand bestaande uit ongeveer ƒ 738,= rente en ƒ 73,= aflossing. Gelet op
de fiscale aftrekbaarheid van de rente acht de rechtbank deze woonlasten
niet bovenmatig zodat daarmee volledig rekening zal worden gehouden. Aan
servicekosten betaalt de man (exclusief een voorschot op de
verwarmingskosten) ƒ 232,= per maand. De rechtbank acht het forfaitaire
bedrag aan eigenaarslasten hierin begrepen. De man betaalt ƒ 100,= per
maand af op een doorlopend krediet, waarvan de rentecomponent zo’n ƒ 44,=
bedraagt. Ter dekking van het WAO-gat betaalt de man ƒ 96,= per maand.
Voorts houdt de rechtbank nog rekening met een forfaitair bedrag van ƒ
45,= per maand i.v.m. kosten omgangsregeling, ƒ 75,= per maand aan
representatiekosten en ƒ 10,= per maand aan eigen risico van de
ziektekostenverzekering.

6. Lettende op deze feiten en omstandigheden, op de daaruit blijkende
behoefte onderscheidenlijk draagkracht van partijen en op de duur van hun
huwelijk en rekening houdende met de omstandigheid dat de man ook een
onderhoudsplicht heeft jegens het kind van partijen, voor wie hij na te
noemen bedrag moet betalen alsook met de omstandigheid dat de door de man
tot het levensonderhoud van de vrouw te betalen uitkeringen voor hem
fiscaal aftrekbaar zijn terwijl zij voor de vrouw in beginsel belastbaar
en aan premieheffing onderworpen inkomen opleveren, is de rechtbank van
oordeel dat na te melden uitkering redelijk en billijk en met de te dezen
aan te leggen maatstaven in overeenstemming is.

7. Partijen hebben bij eensluidende verklaringen tegenover de rechtbank
met betrekking tot hun minderjarige kind als hun wens te kennen gegeven
dat na te melden gezagsregeling, omgangsregeling en bijdrage in de kosten
van verzorging en opvoeding worden opgenomen in deze beschikking. Nu het
belang van de minderjarige zich daar niet tegen verzet, terwijl de
bijdrage niet in strijd is met de geldende maatstaven, zal
dienovereenkomstig worden beslist.

Beslissing

De rechtbank: -spreekt echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 9
december 1981 te Hilversum;

-benoemt de vrouw tot voogdes en de man tot toeziend voogd over der
partijen kind:

, geboren op 30 juni 1989 te Naarden;

en beveelt de afgifte, voorzover nodig en voorzover niet door een eerdere
rechterlijke beslissing uitgesloten, aan de benoemde voogdes;

-bepaalt in het kader van een omgangsregeling dat de man het minderjarige
kind van partijen eenmaal per twee weken van zaterdag 08.30 uur tot zondag
18.45 uur bij zich zal hebben;

-bepaalt dat de man ƒ 250,= (TWEEHONDERDVIJFTIG GULDEN) per maand zal
betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van
voornoemde minderjarige, bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw en
te verhogen met het bedrag van iedere uitkering die hem op grond van
geldende wetten of regelingen ten behoeve van die minderjarige kan of zal
worden verleend;

-bepaalt dat de man ƒ 1.500,= (VIJFTIENHONDERD GULDEN) per maand zal
betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud vanaf de dag
van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding, bij vooruitbetaling
te voldoen;

-bepaalt dat de verhoging van rechtswege met het wettelijke
indexeringspercentage van de hiervoor vastgestelde bijdrage en uitkering
niet eerder zal worden toegepast dan per 1 januari 1996;

-stelt de navolgende verdeling van de tussen partijen bestaande
huwelijksgoederengemeenschap vast:

aan de man wordt toegescheiden -de voormalige echtelijke woning aan de
-de automobiel die de man thans berijdt; -spaarsaldo opgebouwd bij de
huidige werkgeefster van de man, Albert Heijn B.V.; -bepaalt dat de man
aan de vrouw in het kader van deze verdeling een uitkering zal doen van
ƒ 35.000,= (VIJFENDERTIGDUIZEND GULDEN) en dat de man de kosten zal
voldoen verbonden aan de toescheiding van de vermogensbedelen;

-verklaart voormelde nevenvoorziening uitvoerbaar bij voorraad; wijst het
meer of ander verzochte af.

Rechters

Mr S.B.M. Voorhoeve

Instantie: Hof Arnhem, 13 december 1994

Instantie

Hof Arnhem

Samenvatting


Partijen zijn zes jaar getrouwd geweest en hebben een dochter van vier
jaar. De man betwist dat de vrouw behoefte heeft. Zij kan in eigen
levensonderhoud voorzien. De vrouw heeft inkomsten uit werkzaamheden als
organiste en ontvangt aanvullende bijstand. Het Hof oordeelt op grond van
de volgende omstandigheden dat er voor de vrouw geen economische nadelen
tengevolge van het huwelijk zijn opgetreden: De moeder is zevenentwintig
jaar en heeft tijdens het huwelijk een studie muziek op HBO-niveau
afgerond als muziektherapeute. Zij heeft er naar eigen zeggen thans voor
gekozen om fulltime beschikbaar te zijn voor het kind. Zij stelt zich niet
beschikbaar voor de arbeidsmarkt. ( …) Tijdens het huwelijk van partijen
heeft de vader in deeltijd gewerkt om de moeder in de gelegenheid te
stellen haar opleiding af te ronden en zich een plaats op de arbeidsmarkt
te verwerven. De afspraak bij het huwelijk was dat partijen zouden
trachten economisch zelfstandig te blijven.

De ouders hebben -na de geboorte van het kind- de zorg voor het kind en
de huishouding gezamenlijk gedeeld. De moeder betwist niet dat zij met
haar opleiding in staat zou zijn in haar eigen levensonderhoud te
voorzien. Zij kiest er echter voor fulltime beschikbaar te zijn voor het
kind, thans bijna vijf jaar oud, hoewel er mogelijkheden zijn om het kind
dat ook al naar school gaat, in elk geval deels door anderen te laten
opvangen. Onder deze omstandigheden kan niet geoordeeld worden dat er voor
de moeder tengevolge van het huwelijk economische nadelen zijn opgetreden.
Integendeel; zij is toen in de gelegenheid geweest haar toekomstige
positie op de arbeidsmarkt veilig te stellen. Nu de moeder redelijkerwijs
geacht moet worden in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien rust
er geen onderhoudsplicht jegens haar op de vader. Het verzoek tot het
vaststellen van een bijdrage in haar levensonderhoud zal daarom alsnog
worden afgewezen. Alimentatie afgewezen, rechtbank ƒ 535,-.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Dit verloop blijkt uit: -het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 27
oktober 1993; -het exploit van betekening van 9 november 1993; -het
verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, ingekomen ter griffie op 24
december 1993; -het verweerschrift op het zelfstandig verzoek, ingekomen
ter griffie op 19 januari 1994; -de tussenbeschikking van deze rechtbank
van 21 januari 1994; -het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming
te Zutphen, uitgebracht op 21 februari 1994; -de processen-verbaal van de
behandeling ter terechtzitting op 13 april 1994 en 6 juli 1994.

De vaststaande feiten:

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit en zijn op met elkaar
gehuwd, op huwelijkse voorwaarden.

Uit hun huwelijk is op te geboren de minderjarige: .

Het verzoek:

De vrouw verzoekt na wijziging: 1 tussen partijen de echtscheiding,
subsidiair de scheiding van tafel en bed uit te spreken; 2 haar te
benoemen tot voogdes over de minderjarige en de man tot toeziend voogd;
3 te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en
opvoeding van de minderjarige ƒ 300,- per maand zal betalen; 4 een
omgangsregeling tussen de man en de minderjarige vast te stellen; 5 de man
te veroordelen om aan haar ƒ 535,- per maand te betalen voor haar
levensonderhoud; 6 deze beschikking voorzover deze betrekking heeft op het
onder 2, 3, 4 en 5 verzochte uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Zij stelt naast hetgeen hiervoor als vaststaand is weergegeven, dat het
huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, dat zij geen inkomen heeft
en in redelijkheid niet kan verwerven en dat de man draagkracht heeft om
de verzochte bijdrage te voldoen.

Het verweer tevens tegenverzoek:

De man voert verweer tegen de verzochte echtscheiding, subsidiair
scheiding van tafel en bed en de daarmee samenhangende nevenvorderingen.

Hij bestrijdt dat het huwelijk is ontwricht en stelt dat de vrouw in staat
moet worden geacht in haar eigen kosten te voorzien.

De man stelt voorts dat het in het belang van de minderjarige is dat hij
met de feitelijke zorg voor haar wordt belast. Hij verzoekt; 1 hem te
benoemen tot voogd over de minderjarige en de vrouw tot toeziend voogdes;
2 een omgangsregeling tussen de vrouw en de minderjarige vast te stellen.

Voor het geval de vrouw wordt belast met de voogdij over de minderjarige
heeft hij geen bezwaar tegen de verzochte bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van de minderjarige van ƒ 300,- per maand.

Het verweer op het tegenverzoek:

De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man om hem te benoemen tot
voogd over de minderjarige.

Zij acht het in het belang van het kind dat zij wordt benoemd tot voogdes.

Voor het overige handhaaft zij haar verzoek als omschreven in haar
verzoekschrift.

De beoordeling:

De essentie van een huwelijk ligt in de bereidheid van beide
huwelijkspartners om op een voor elke van beiden bevredigende wijze van
samenleven inhoud te geven. Indien deze bereidheid bij een van beide
huwelijkspartners komt te ontbreken moet het ervoor gehouden worden dat
het huwelijk is ontwricht. Partijen wonen sedert september 1993 niet meer
samen omdat de vrouw de samenleving met de man niet meer wenste voort te
zetten. De vrouw heeft, ook in rechte, duidelijk en herhaaldelijk te
kennen gegeven dat zij de samenleving met de man niet wil hervatten. Gelet
hierop moet dan ook worden aangenomen dat het huwelijk van partijen is
ontwricht en dat deze ontwrichting een duurzaam karakter heeft. De
rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding dan ook toewijzen.

Partijen zijn verdeeld over de toewijzing van het gezag over de
minderjarige. Zij hebben beide het beste voor met hun dochter. De
spanningen die ontstonden toen zij nog samenwoonden en waaronder de
minderjarige leed, waren het gevolg van hun emoties.

De minderjarige verblijft sedert het uiteengaan van partijen bij de vrouw.
Zij gaat in op school en heeft daar haar vriendinnetjes. De
minderjarige heeft thans rust en veiligheid gevonden.

Uit het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming is niet gebleken
dat de vrouw de verzorging en opvoeding van de minderjarige niet op de
juiste wijze zou uitoefenen. De rechtbank is, gelet op het vorenstaande,
van oordeel dat in het belang van de minderjarige geen verandering dient
te worden gebracht in de huidige situatie en dat de vrouw moet worden
belast met de voogdij over het kind en de man met de toeziende voogdij,
zodat aldus wordt beslist.

Partijen zijn ter terechtzitting de navolgende omgangsregeling
overeengekomen.

De rechtbank acht deze regeling in het belang van de minderjarige, zodat
wordt beslist als volgt.

De man heeft geen bezwaar tegen de door de vrouw verzochte bijdrage in de
kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, zodat dat verzoek
wordt toegewezen.

De man stelt dat partijen er steeds van uitgingen dat ieder voor zichzelf
zou zorgen en dat de vrouw in staat moet worden geacht in haar eigen
kosten voor het levensonderhoud te kunnen voorzien. Hij is van mening dat
de verzochte bijdrage overigens beantwoordt aan de aan te leggen
maatstaven.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de vrouw geen eigen inkomen heeft en
in verband met de zorg voor de minderjarige ook niet in staat is zich dat
te verwerven, zij behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar
levensonderhoud. Het aangaan van een huwelijk voorts roept een
verplichting voor beide partners in het leven om voor elkaar te zorgen,
welke zorgplicht na echtscheiding, in weliswaar gewijzigde vorm,
voortleeft. Afspraken tussen partijen in de door de man gestelde vorm
kunnen daar niet op afdoen, zodat, gelet op voormeld standpunt van de man,
de verzochte bijdrage zal worden toegewezen.

De rechtbank acht deze bijdrage in overeenstemming met de wettelijke
maatstaven.

De proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te melden wijze, omdat
zij zijn gemaakt tussen echtelieden.

De beslissing:

De rechtbank:

Spreekt uit de echtscheiding tussen de vrouw en de man, op met elkaar
gehuwd.

Veroordeelt de man om, vanaf de dag waarop deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de desbetreffende registers van de Burgerlijke Stand, aan
de vrouw voor levensonderhoud te betalen de som van ƒ 535,-
(vijfhonderdenvijfendertig gulden) per maand, telkens bij vooruitbetaling
te voldoen.

Benoemt over het minderjarige kind: geboren te op
.

tot voogdes: de vrouw, wonende te , en tot toeziend voogd: de man,
wonende te .

Beveelt dat de minderjarige, indien zij zich niet reeds bevindt in de
feitelijke macht van de met het gezag beklede ouder, aan deze zal worden
afgegeven.

Bepaalt dat de man, met ingang van de dag waarop de voogdij zal aanvangen,
als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige
aan de vrouw zal betalen ƒ 300,- (driehonderd gulden) per maand, voor de
toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Regelt het recht van omgang tussen de man en de minderjarige aldus
dat deze minderjarige eens in de drie weken van vrijdagmiddag tot
zondagmiddag bij de man zal verblijven. Bepaalt dat de vrouw op deze
weekeinden de minderjarige op vrijdagmiddag om 15.00 uur bij de familie
in zal brengen en dat zij weer bij deze familie op zondagmiddag
16.00 uur zal ophalen en dat bij de overdracht van het kind de ouders
schriftelijke informatie zullen verstrekken betreffende het kind en elkaar
daar niet ontmoeten.

Bepaalt voorts dat de minderjarige in haar schoolvakanties die langer dan
twee weken duren bij ieder der ouders de helft zal doorbrengen en dat zij
de andere schoolvakanties om en om bij een der ouders zal verblijven.

Verklaart deze beschikking voor wat betreft de beslissing over het gezag
over genoemde minderjarige, de bijdrage ten behoeve van de vrouw en de
minderjarige en de omgangsregeling tussen de man en de minderjarige
uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Compenseert de kosten van dit geding aldus, dat iedere echtgenoot met de
eigen kosten belast blijft, behoudens dat de executiekosten ten laste van
de man komen, indien niet vrijwillig wordt voldaan aan de bij deze
beschikking opgelegde alimentatieplicht.

Veroordeelt mitsdien de man in dat geval te dier zake te betalen
rechtstreeks aan de procureur van de vrouw het onder nakosten vallende
salaris en rechtstreeks aan de executerende deurwaarder de nakomende
verschotten.

Rechters

Mr. H.E. de Boer

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 13 december 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is op tijdelijke basis werkzaam bij de wederpartij. Haar
contract loopt af op 13 december 1994. Verzoekster stelt dat haar
contract niet verlengd zal worden omdat zij aan haar cheffin heeft
meegedeeld dat zij, als alleenstaande, zwanger wenst te worden. Zij is
van mening dat de wederpartij in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling handelt door haar contract niet te verlengen. De vraag die
voorligt is of de wederpartij verzoeksters contract niet heeft
verlengd, zoals gebruikelijk was bij gebleken geschiktheid, vanwege
haar afwezigheid in verband met IVF- behandelingen en/of angst voor
verzuim in het geval dat verzoekster zwanger zou worden. Aangezien
ongeschiktheid niet de reden kan zijn geweest voor niet-verlenging,
moet de afwezigheid van verzoekster wegens de met IVF verband houdende
behandelingen hebben meegespeeld bij het besluit om verzoekster niet in
dienst te houden. Aangezien IVF- behandelingen alleen door vrouwen
worden ondergaan, leidt dit tot direct onderscheid en heeft de
wederpartij in strijd met de Wet gehandeld. Onderscheid op grond van
beperkte inzetbaarheid bij zwangerschaps- en bevallingsverlof levert
dus direct onderscheid op.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 27 oktober 1994 verzocht mevrouw te Castricum
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling om met spoed
haar oordeel uit te spreken over de vraag of de te Castricum (hierna:
de wederpartij) jegens haar onderscheid maakt naar geslacht in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster is op tijdelijke basis werkzaam bij de wederpartij.
Haar contract loopt af op 13 december 1994. Verzoekster stelt dat haar
contract niet verlengd zal worden omdat zij aan haar cheffin heeft
meegedeeld dat zij, als alleenstaande, zwanger wenst te worden. Zij is
van mening dat de wederpartij in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling handelt door haar contract niet te verlengen.

2. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
spoedprocedure toegepast.

2.2. Partijen zijn opgeroepen voor de zitting van 29 november 1994.
Voorafgaand aan de zitting heeft de Commissie de wederpartij verzocht
om haar reactie te geven op het verzoekschrift, met afschrift aan
verzoekster.

2.3. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw (verzoekster)

van de kant van de wederpartij – dhr (voorzitter bestuur)
– mw (medewerkster personeelszaken) als
getuige – mw (hoofd huishoudelijke dienst bij de weder-
partij)

van de kant van de Commissie – mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter) – dhr
ing J. van Hemert (lid Kamer) – mw mr M. de Rooij (lid Kamer) – mw drs
J.A.M. Stolwijk (lid Kamer) – mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer) – mw
mr A.K. de Jongh (juridisch adviseur).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In
deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is sinds 13 december 1993 werkzaam in een serviceflat
in de functie van huishoudelijk medewerkster. Zij is aangenomen door
het hoofd van de huishoudelijke dienst (hierna: het hoofd) van de
wederpartij. Haar is destijds een tijdelijk contract voor een jaar
aangeboden tot 13 december 1994 met twee maanden proeftijd.

Bij de wederpartij is het gebruik dat na een jaar het dienstverband bij
gebleken geschiktheid in een vast contract wordt omgezet.

3.2. Tijdens een gesprek in juni 1994 heeft verzoekster het hoofd
verteld dat zij al enige tijd als alleenstaande zwanger probeerde te
raken en dat zij daarvoor een aantal keren naar een kliniek moest ter
voorbereiding van een invitro fertilisatie-behandeling
(IVF-behandeling). Zij vermeldde dat de kans op een IVF-behandeling erg
klein is en dat als zij op de wachtlijst zou komen, de behandeling nog
anderhalf jaar op zich zou laten wachten. Het hoofd meende dat een
dergelijke behandeling erg zwaar was, vooral voor een alleenstaande.
Dat wist zij omdat zij dat in haar naaste omgeving had meegemaakt.
Verzoekster heeft in de periode van haar dienstverband, met goedvinden
van het hoofd, vier a vijf keer een vakantiedag opgenomen voor
ziekenhuisbezoek.

In september 1994 deelde het hoofd aan verzoekster mee dat haar
arbeidscontract niet verlengd zou worden. Zij gaf hiervoor als redenen
op dat verzoekster: – vaak misselijk en moe op het werk rondliep – werk
weigerde – weigerde om met bepaalde schoonmaakmiddelen te werken –
weigerde bij bepaalde mensen te werken – een veel te emotionele band
had met de bewoners en telkens ziek werd wanneer een van hen overleed.
Verder zouden sommige bewoners haar niet als hulp willen en was het erg
lastig dat zij eenmaal per maand naar een kliniek ging.

Er zijn gedurende het dienstverband met verzoekster geen
functioneringsgesprekken geweest.

3.3. De Commissie heeft een verklaring van de admininstratieve
medewerkster ontvangen, die erbij aanwezig was toen verzoekster haar
arbeidscontract tekende.

In deze verklaring staat dat deze medewerkster nooit heeft toegezegd
dat verzoekster in vaste dienst zou komen. Zij heeft alleen gezegd dat
de wederpartij bij gebleken geschiktheid het contract zou kunnen
omzetten in een contract voor onbepaalde tijd.

Verzoekster heeft een vijftal schriftelijke verklaringen overgelegd van
personen bij wie zij gedurende het afgelopen jaar elke week heeft
gewerkt. Uit deze verklaringen blijkt dat deze personen tevreden waren
over verzoeksters werkzaamheden.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster brengt het volgende naar voren. De wederpartij wil
haar contract niet verlengen omdat deze bang is dat zij het werk niet
vol zal kunnen houden, indien zij als alleenstaande een IVF-behandeling
ondergaat, dan wel indien zij zwanger wordt. Tevens is zij bang dat
verzoekster in de toekomst vaak ziek zal zijn en dat het bestuur in dat
geval de eerste zes weken zelf de ziektekosten moet betalen. Het hoofd
heeft gezegd dat zij bang was haar eigen baan te verliezen als zij een
verkeerde beslissing zou nemen. Volgens verzoekster heeft de
wederpartij benadrukt dat de niet- verlenging niet aan haar
functioneren lag. Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling onderscheid naar
geslacht maakt.

Verzoekster heeft in mei 1994 aan het hoofd gevraagd hoe deze haar
functioneren beoordeelde en wat haar perspectieven waren. Het hoofd zou
volgens verzoekster geantwoord hebben dat alles prima verliep, dat er
genoeg budget was voor personeel en dat verzoekster zich dus helemaal
geen zorgen hoefde te maken over een vaste aanstelling. Verzoekster
stelt bovendien dat haar bij het tekenen van het contract voor de
desbetreffende functie, door een administratieve medewerkster reeds was
meegedeeld dat het contract automatisch omgezet zou worden in een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Het is onjuist dat verzoekster voor bepaalde personen weigerde te
werken. In een geval is van de ene op de andere dag besloten om een
ander dan verzoekster bij een bepaalde flatbewoner in te delen. Dit is
buiten verzoekster omgegaan en had er niets mee van doen dat zij bij
deze persoon niet meer wilde schoonmaken. Ook klopt het niet dat
verzoekster weigerde om met bepaalde schoonmaakmiddelen te werken, zij
heeft altijd met alle middelen gewerkt. Wel is het voorgekomen dat zij
het hoofd erover heeft ingelicht dat een flatbewoonster de gewoonte had
haar kleren in wasbenzine te wassen. Verzoekster deed dit met het oog
op mogelijk gevaarlijke situaties die hierdoor konden ontstaan.

Verzoekster stelt dat zij nooit heeft geweigerd om de ramen te lappen.
Wel is het een keer voorgekomen dat zij na afronding van haar eigen
werk, aanbood om ander werk te doen. Haar werd toen gevraagd om buiten
ramen te lappen. Aangezien zij merkte dat het erg koud was en zij bang
was om ziek te worden, heeft zij om ander extra werk verzocht.

De veronderstelling van de wederpartij dat verzoekster de verklaringen
van de flatbewoners onder valse voorwendselen heeft verkregen, is
onjuist. Zij heeft hen allemaal eerlijk verteld van de hoorzitting bij
de Commissie. Nog voordat zij hierom had gevraagd, zijn sommige van de
flatbewoners uit zichzelf naar het hoofd toegegaan om te zeggen dat zij
wilden dat verzoekster voor hen bleef werken. Ook is het voorgekomen
dat als verzoekster inviel, tegen haar werd gezegd dat de voorkeur aan
haar werd gegeven boven de vaste hulp van de desbetreffende
flatbewoner.

Verzoekster heeft nooit iets gemerkt van ontevredenheid over haar werk.
Zij heeft slechts een keer van het hoofd een klacht doorgekregen. Deze
klacht betrof een flatbewoonster die vond dat verzoekster een zeem niet
goed genoeg had uitgespoeld.

3.5. De wederpartij stelt het volgende. Het feit dat verzoekster in
verband met gewenste zwangerschap af en toe afwezig was en in
aanmerking wilde komen voor IVF, heeft geen rol gespeeld bij het
besluit om haar contract niet te verlengen. Na eerst overleg te hebben
gepleegd met het hoofd van de serviceflat en met een medewerkster van
personeelszaken, heeft het hoofd in een bestuursvergadering geadviseerd
om het contract niet te verlengen. Het bestuur, op dat moment niets
wetende van de IVF-plannen van verzoekster, heeft het advies van het
hoofd overgenomen. Toen het bestuur van de IVF-plannen vernam, heeft
zij uit zorgvuldigheidsoverwegingen in een volgende bestuursvergadering
nogmaals aan het hoofd gevraagd wat de redenen van niet- verlenging
waren. Het hoofd verzekerde het bestuur dat de IVF-kwestie niet had
meegespeeld. Van deze bestuursvergadering is geen verslag opgemaakt.

Tot slot brengt de wederpartij naar voren dat haar ter ore is gekomen
dat verzoekster overgelegde verklaringen van de flatbewoners heeft
gevraagd, om bij eventuele sollicitaties naar andere banen te kunnen
gebruiken. De wederpartij betwijfelt of verzoekster de flatbewoners
erover heeft ingelicht dat de verklaringen gebruikt zouden worden in
een procedure bij de Commissie.

3.6. Ter zitting heeft het hoofd het volgende verklaard. Het is niet
juist dat bij het besluit om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen
heeft meegespeeld dat verzoekster eenmaal per maand afwezig was, wegens
bezoek aan een kliniek in verband met gewenste zwangerschap. De overige
in paragraaf 3.2. genoemde redenen zijn wel juist, zij het dat werk
weigeren iets te cru is gesteld. Er waren werkzaamheden die verzoekster
liever niet deed, zoals ramen lappen als het buiten koud was. Dit heeft
verzoekster doorgegeven aan degene die het rooster maakte voor
ramenlappen, hetgeen tot gevolg had dat verzoekster hiervoor niet meer
werd ingedeeld. Ook heeft verzoekster aangegeven dat zij het er niet
mee eens was dat zij bepaalde schoonmaakmiddelen moest gebruiken. Het
was echter niet zo dat zij bepaalde schoonmaakmiddelen daadwerkelijk
niet heeft gebruikt.

Het hoofd kan zich twee gevallen herinneren dat verzoekster weigerde om
bij bepaalde flatbewoners schoon te maken, omdat zij naar de mening van
verzoekster te hoge eisen stelden. Wat betreft het misselijk en moe
rondlopen op het werk, is het zo dat verzoekster hier inderdaad
regelmatig over klaagde. Dit heeft haar er niet van weerhouden om te
komen werken, maar hierdoor ontstond wel de indruk dat het werk te
zwaar voor haar was en de angst dat verzoekster in de toekomst wegens
ziekte zou verzuimen.

Enkele keren zijn er bij het hoofd klachten gekomen van flatbewoners
over het functioneren van verzoekster. De klachten waren dat
verzoekster te weinig deed en dat zij niet goed genoeg schoonmaakte.
Dit was heel uitzonderlijk, aangezien het zelden voorkomt dat er
klachten zijn over het functioneren van huidhoudelijke krachten. De
klachten heeft het hoofd met verzoekster besproken.

Tot slot ontkent het hoofd dat zij tegen verzoekster gezegd zou hebben
dat zij bang was voor haar eigen baan als zij een verkeerde beslissing
zou nemen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid maakt naar
geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling door het
tijdelijk contract met verzoekster niet te verlengen.

4.2. Artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) schrijft voor dat
het verboden is bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst onderscheid
te maken tussen mannen en vrouwen. Alleen in het geval van een
wettelijke uitzonderingsgrond mag van dit verbod worden afgeweken. De
wettelijke uitzonderingsgronden zijn hier niet van toepassing.

Onderscheid op grond van zwangerschap is blijkens lid 5 van artikel
7A:1637ij BW een vorm van direct onderscheid waarvoor het systeem van
de Wet geen rechtvaardiging biedt. De Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid, voorgangster van deze Commissie, heeft
in eerdere oordelen uitgemaakt dat ook als zwangerschap een van de
redenen en niet de enige reden voor het gemaakte onderscheid is, dit
strijd met de Wet oplevert (Zie onder andere Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 23 juni 1992,
oordeelnummer 518-92-37).

4.3. De vraag die voorligt is of de wederpartij verzoeksters contract
niet heeft verlengd, zoals gebruikelijk was bij gebleken geschiktheid,
vanwege haar afwezigheid in verband met IVF- behandelingen en/of angst
voor verzuim in het geval dat verzoekster zwanger zou worden.

De wederpartij heeft verschillende redenen aangedragen voor het niet
verlengen van verzoeksters contract. Deze redenen zijn echter ter
zitting niet aannemelijk gemaakt. De Commissie is dan ook geenszins
overtuigd dat op grond hiervan het contract niet is voortgezet. Bij de
ondervraging van het hoofd is immers gebleken dat van daadwerkelijke
werkweigering geen sprake is geweest. Ook heeft het hoofd toegegeven
dat verzoekster, hoewel zij bezwaar had tegen het gebruik van bepaalde
schoonmaakmiddelen, nimmer heeft geweigerd met dergelijke middelen
schoon te maken. Ook is het weigeren bij bepaalde mensen te werken en
ontevredenheid van flatbewoners over verzoeksters werk niet aannemelijk
gemaakt.

De angst van de wederpartij dat verzoekster in de toekomst wegens
ziekte zou verzuimen, baseerde zij op het feit dat verzoekster -volgens
eigen zeggen- vaak misselijk en moe op het werk rondliep. De Commissie
heeft echter niet kunnen constateren dat verzoekster bovenmatig heeft
verzuimd. De angst voor verzuim van de wederpartij op deze grond acht
de Commissie daarom niet reeel.

Wat er resteert van de aangevoerde redenen, kan naar het oordeel van de
Commissie niet leiden tot de conclusie dat verzoekster niet geschikt is
voor haar werk. Aangezien ongeschiktheid niet de reden kan zijn geweest
voor niet-verlenging, moet de afwezigheid van verzoekster wegens de met
IVF verband houdende behandelingen hebben meegespeeld bij het besluit
om verzoekster niet in dienst te houden. Aangezien IVF-behandelingen
alleen door vrouwen worden ondergaan, leidt dit tot direct onderscheid
en heeft de wederpartij in strijd met de Wet gehandeld.

4.4. De Commissie heeft niet kunnen vaststellen of angst voor verzuim
in geval van zwangerschap van verzoekster een rol heeft gespeeld bij
het besluit tot niet-verlenging.

Voor zover dit wel het geval is, wijst de Commissie op het volgende.

De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid
heeft herhaalde malen uitgesproken (Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid, 21 juni 1993, oordeelnummer 449-93-24;
17 november 1992, oordeelnummer 421-92-59; 2 oktober 1991,
oordeelnummer 438-91-68; 17 september 1990, oordeelnummer 158-90-134; 8
mei 1990, oordeelnummer 172-90-31) dat afwezigheid of verminderde
inzetbaarheid wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof een
onlosmakelijk en onvermijdelijk gevolg is van de zwangerschap zelf en
daardoor op een lijn te stellen is met de zwangerschap zelf.
Onderscheid op grond van beperkte inzetbaarheid om hiergenoemde reden
levert dus direct onderscheid op. Het systeem van de Wet kent niet de
mogelijkheid direct onderscheid naar geslacht door verwijzing naar
(afwezigheid ten gevolge van) zwangerschap te rechtvaardigen. De Hoge
Raad heeft zich hierover in genoemde zin uitgesproken in de zaak Dekker
(Dekker vs Stichting Vormingscentrum voor Jong Volwassenen VJV-centrum,
arrest 13 september 1991, NJ 1992, 855. Zie in dezelfde zaak Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen, 8 november 1990, zaak
C-177/88. ), in navolging van de uitspraak van het EG-Hof in dezelfde
zaak.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de
te Castricum bij het aangaan van een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, jegens mevrouw
te Castricum onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met
artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek, door haar tijdelijke arbeidscon-
tract niet te verlengen.

Rechters

Mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter), dhr ing J. van Hemert (lidKamer), mw mr M. de Rooij (lid Kamer), mw drs J.A.M. Stolwijk (lidKamer), mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer), mw mr A.K. de Jongh(juridisch adviseur).

Instantie: Hof van Justitie EG, 13 december 1994

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Deeltijders ontvangen een lager uurloon, als zij de deeltijdbaan
uitoefenen als nevenbetrekking naast een hoofdbetrekking. Het Hof gaat
voorbij aan de vraag of dit mogelijk een belemmering vormt voor de
toegang tot het arbeidsproces voor in vrouwen die in deeltijd werken,
en aldus in strijd met de tweede EG-richtlijn, omdat deze vraag geen
verband houdt met het reele geschil. Het Hof beantwoordt de vraag of
ouderdomspensioen wordt gezien als hoofdbetrekking bevestigend, ook
wanneer dit pensioen is verminderd ten gevolge van inkomstenderving in
verband met de opvoeding van kinderen.

Volledige tekst

Arrest

1. Bij beschikking van 12 mei 1993, ingekomen bij het Hof op 21 mei
daaraanvolgend, heeft het Arbeitsgericht Bremen krachtens artikel 177
EEG- Verdrag twee prejudiciele vragen gesteld over de uitlegging van
artikel 119 EEG-Verdrag, richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10
februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de
wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van
gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB 1975, L
45, blz. 19; hierna “richtlijn gelijke beloning”), en richtlijn
76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen
en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de
beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de
arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40; hierna: “richtlijn gelijke
toegang”).

2. Die vragen zijn gerezen in een geding tussen R. Grau-Hupka
(verzoekster in het hoofdgeding; hierna: “verzoekster”), op
arbeidscontract werkzaam in overheidsdienst en haar werkgever de
Stadtgemeinde Bremen (verweerster in het hoofdgeding: hierna:
“verweerster”), over de berekening van verzoeksters beloning.

3. Verzoekster had van 1956 tot 1991 een voltijdbaan als muzieklerares
aan het conservatiorium te Bremen. Sinds 1991 ontvangt zij zowel een
wettelijk ouderdomspensioen als een maandelijkse uitkering uit hoofde
van de aanvullende pensioenregeling voor werknemers in overheidsdienst.
Desondanks geeft zij nog steeds les, zij het in deeltijd.

4. Toen verzoekster een voltijdbaan had, werd zij per uur betaald,
zoals in het Bundesangestelltentarifvertrag (collectieve
arbeidsovereenkomst voor Bondswerknemers; hierna: “cao”) is voorzien
voor personen die als deeltijd- of voltijdwerknemer een hoofdbetrekking
vervullen. Sinds zij in deeltijd werkt, ontvangt zij een lagere
beloning dan voordien. Derhalve verzocht zij haar werkgever bij
schrijven van 14 december 1992, haar weer per uur te betalen. Bij
schrijven van 21 december 1992 wees verweerster dat verzoek af met een
beroep op par. 3, sub n, van de cao, volgens welke werknemers die een
nevenbetrekking vervullen, van de werkingssfeer van de cao zijn
uitgesloten. Verweerster is van mening, dat het ontvangen van een
pensioen moet worden gelijkgesteld met het vervullen van een
hoofdbetrekking, zodat verzoeksters deeltijdbaan een nevenbetrekking is
en zij dus niet onder de cao valt.

5. Na die weigering wendde verzoekster zich met haar verzoek tot het
Arbeitsgericht Bremen. Tot staving van haar beroep voerde zij in het
bijzonder aan, dat par. 3 sub n, van de cao, volgens welke werknemers
die een nevenbetrekking vervullen, buiten de werkingssfeer van de cao
vallen, ongeldig is. Verzoekster acht die bepaling in strijd met par.
2, lid 1, van het Beschaftigungsforderungsgesetz (wet ter bevordering
van de werkgelegenheid; hierna: “BeschFG”), volgens welke een werkgever
een deeltijdwerknemer niet op grond van diens deeltijdarbeid anders mag
behandelen dan een voltijdwerknemer, tenzij objectieve redenen een
verschil in behandeling rechtvaardigen.

6. Volgens het Arbeitsgericht is par. 3, sub n, van de cao niet
onverenigbaar met par. 2, lid 1, BeschFG. Uit de rechtspraak van het
Bundesarbeitsgericht zou namelijk blijken, dat de omstandigheid dat
iemand een hoofdbetrekking vervult die hem bestaanszekerheid verschaft,
moet worden gerekend tot de in par. 2 BeschFG bedoelde “objectieve
redenen”. Het Arbeitsgericht merkt op, dat ouderdomspensioen, of zij nu
uit hoofde van de wettelijke regeling dan wel door de pensioenkassen
van ondernemingen worden uitgekeerd, bedoeld zijn om ouderen
bestaanszekerheid te verschaffen. De situatie waarin verzoekster zich
als gepensioneerde bevindt, is dus een “objectieve reden” in de zin van
par. 2 BeschFG, die een verschil in behandeling tussen voltijd- en
deeltijdwerknemers rechtvaardigt. Het is dus in overeenstemming met het
Duitse recht, dat verzoekster voor haar deeltijdarbeid een lagere dan
de normale beloning ontvangt.

7. Volgens het Arbeitsgericht werpt het geschil evenwel vragen van
gemeenschapsrecht op, die aan de in de nationale rechtspraak
geformuleerde oplossing in de weg zouden kunnen staan.

8. Wat een “objectieve reden” voor een verschil in behandeling tussen
voltijd- en deeltijdswerknemers is, blijkt volgens het Arbeitsgericht
niet uit de wet, maar moet door rechterlijke uitlegging van die wet
worden bepaald. Blijkens het EEG-Verdrag moeten bepalingen van
nationaal recht evenwel in overeenstemming met het van hogere rang
zijnde gemeenschapsrecht worden uitgelegd.

9. Het Arbeitsgericht is derhalve van mening, dat de rechtspraak waarin
het Bundesarbeitsgericht het in par. 2 BeschFG gebezigde begrip
“objectieve reden” heeft uitgelegd, pas kan worden toegepast na te zijn
getoetst op haar verenigbaarheid met enkele bepalingen van
gemeenschapsrecht.

10. Een en ander was voor het Arbeidsgericht aanleiding de behandeling
van de zaak te schorsen en het hof de navolgende prejudiciele vragen
voor te leggen:

‘1. Verlangt het beginsel van gelijke toegang van mannen en vrouwen tot
het arbeidsproces, zoals neergelegd in de artikelen 1, lid 2 en 3 van
richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976, dat een nationale
wet die discriminatie zonder objectieve reden van deeltijdwerknemers
verbiedt, aldus wordt uitgelegd, dat de omstandigheid dat een
deeltijdwerknemer, naast zijn deeltijdarbeid een hoofdbetrekking
vervult die hem bestaanszekerheid verschaft, niet wordt beschouwd als
een objectieve reden voor slechtere betaling van deeltijdarbeid?

2. Zo neen:

Staat dan het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen,
zoals neergelegd in artikel 119 EEG-Verdrag en richtlijn 75/117/EEG van
de Raad van 10 februari 1975, eraan in de weg, dat het ontvangen van
een ouderdomspensioen wordt gezien als het vervullen van een
hoofdbetrekking die bestaanszekerheid verschaft, wanneer dat pensioen
is verminderd als gevolg van inkomstenderving in verband met de
opvoeding van kinderen?’

De eerste vraag

11. Met de eerste vraag wordt in wezen beoogd te vernemen, of de
omstandigheid dat een deeltijdwerknemer een pensioen ontvangt en uit
dien hoofde op een lijn wordt gesteld met een werknemer die een
hoofdbetrekking vervult en daardoor bestaanszekerheid geniet, is te
beschouwen als een objectieve reden die een ongelijke behandeling ten
aanzien van de toegang tot arbeid rechtvaardigt.

12. Ingevolge 3, sub n, van de cao zijn alle in nevenbetrekking
werkzame werknemers van de werkingssfeer van de cao uitgesloten en kan
hun beloning bijgevolg lager zijn dan het uurloon dat volgens de cao
moet worden betaald aan werknemers die een hoofdbetrekking vervullen.
Het maakt daarbij geen verschil, of die nevenbetrekking een deeltijd-
of een voltijdbaan is.

13. De door de verwijzende rechter onderstelde discriminatie bestaat
dus niet in een verschil in beloning tussen deeltijdwerknemers en
voltijdwerknemers, maar tussen werknemers die een nevenbetrekking en
werknemers die een hoofdbetrekking vervullen. Het gaat dus enkel om een
ongelijke behandeling van deeltijdwerknemers en voltijdwerknemers, in
zoverre als, naar wordt aangenomen, deeltijdwerknemers vaker dan
voltijdwerknemers naast hun deeltijdarbeid nog een hoofdbetrekking
vervullen.

14. De verwijzende rechter motiveert zijn eerste vraag met een uit drie
stappen opgebouwde redenering.

15. In de eerst plaats gaat hij ervan uit, dat werknemers voor wie de
deeltijdarbeid een nevenbetrekking is, overwegend mannen zijn. De
ervaring zou namelijk leren, dat vrouwen wegens hun dubbele belasting –
werk en gezin – dikwijls geen voltijdbaan kunnen hebben, laat staan een
voltijdbaan plus een nevenbetrekking.

16. In de tweede plaats stelt hij vast, dat aan werknemers voor wie de
deeltijdarbeid een nevenbetrekkings is, volgens de rechtspraak van het
Bundesarbeitsgericht en op grond van 3, sub n, van de cao een lagere
beloning mag worden betaald dan aan andere deeltijdwerknemers.

17. In de derde plaats wijst hij erop, dat werkgevers voor
deeltijdarbeid bij voorkeur een beroep zullen doen op werknemers voor
wie die arbeid slechts een nevenbetrekking is – dat wil zeggen mannen
-, daar zij met hen een lagere dan de normale beloning kunnen
overeenkomen. Vrouwen zouden derhalve minder kans op een deeltijdbaan
hebben, waardoor zij op het punt van de toegang tot arbeid indirect
zouden worden gediscrimineerd.

18. Nog afgezien van het feit dat verzoekster juist behoort tot de
categorie van deeltijdwerknemers die volgens de verwijzende rechter bij
de toegang tot arbeid in het voordeel is, blijkt uit het dossier, dat
in het hoofdgeding door deze deeltijdwerknemer een hogere beloning
wordt gevorderd dan zij in feite ontvangt als gevolg van de
omstandigheid dat zij naast haar loon een pensioen heeft dat haar
bestaanszekerheid verschaft. Zij stelt echter niet, dat zij het
slachtoffers is van discriminatie op het punt van de toegang tot
arbeid. De uitlegging van de richtlijn gelijke toegang is dus niet
relevant voor de beslissing in het hoofdgeding.

19. Volgens vaste rechtspraak behoeft geen uitspraak te worden gedaan
over een prejudiciele vraag van een nationale rechter, wanneer blijkt
dat de door die rechter gestelde vraag over de uitlegging van het
gemeenschapsrecht of de geldigheid van een communautair voorschrift
geen verband houdt met een reeel geschil of met het voorwerp van het
hoofdgeding (zie arrest van 16 juli 1992, zaak C-343/90, Lourenco Dias,
Jurispr. 1992, blz. I-4673).

20. Mitsdien behoeft de eerste prejudiciele vraag niet te worden
beantwoord.

De tweede vraag

21. Terwijl de verwijzende rechter de eerste vraag heeft geformuleerd
vanuit het oogpunt van de toegang tot arbeid, plaatst hij de tweede
vraag in het kader van de gelijkheid van beloning.

22. Deze tweede vraag strekt ertoe te vernemen, of het beginsel van
gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers verbiedt, dat
het ontvangen van een ouderdomspensioen wordt gelijkgesteld met het
vervullen van een hoofdbetrekking die bestaanszekerheid verschaft,
wanneer dat ouderdomspensioen is verminderd als gevolg van
inkomstenderving in verband met de opvoeding van kinderen.

23. Anders dan de eerste vraag, houdt de tweede wel verband met het
voorwerp van het hoofdgeding. Het uitgangspunt, dat het ontvangen van
een ouderdomspensioen gelijk staat met het vervullen van een
hoofdbetrekking, ook indien dat pensioen is verminderd als gevolg van
inkomstenderving in verband met de opvoeding van kinderen, maakt het
immers mogelijk, voor deeltijdarbeid een lagere dan de normale beloning
te betalen.

24. Het pensioen dat verzoekster ontvangt, is in zoverre verminderd,
dat bij de berekening ervan slechts gedeeltelijk rekening is gehouden
met de vijf jaar die zij aan de opvoeding van haar kind heeft besteed.
Het Arbeitsgericht wijst er in dit verband op, dat weliswaar naar
huidig Duits recht bij de berekening van een ouderdomspensioen rekening
wordt gehouden met de tijdvakken die aan de opvoeding van kinderen zijn
besteed (56 van het Sozialgesetzbuch VI, hierna: ‘SGB’), maar dat de
regel van 56 niet is toegepast bij de berekening van het pensioen dat
verzoekster uit hoofde van haar SGB, volgens welke zij slechts
aanspraak kon maken op de inaanmerkingneming van een jaar
opvoedingstijd.

25. Volgens het Arbeitsgericht treft het niet in aanmerking nemen van
alle aan de opvoeding van kinderen bestede jaren naar verhouding meer
vrouwen dan mannen, daar van de generatie van de huidige
pensioengerechtigden nagenoeg uitsluitend vrouwen met die opvoeding
waren belast. Daardoor zouden het hoofdzakelijk vrouwen zijn die hun
pensioen verminderd zien. Het Arbeitsgericht concludeert hieruit, dat
er sprake is van een door artikel 119 van het Verdrag en de richtlijn
gelijke beloning verboden indirecte discriminatie van vrouwen.

26. De verwijzende rechter heeft niet gepreciseerd, of het bij het in
zijn tweede vraag bedoelde verminderde ouderdomspensioen gaat om het
wettelijk of om het aanvullend ouderdomspensioen van verzoekster. Daar
de door hem aangehaalde nationale bepalingen betrekking hebben op de
wettelijke pensioenregeling, moet worden aangenomen dat het om het
wettelijk ouderdomspensioen gaat.

27. In navolging van de advocaat-generaal moet dan worden opgemerkt,
dat richtlijn 79/7/EEG van de Raad betreffende de geleidelijke
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen
en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L6, blz.
24), de Lid-Staten nergens de verplichting oplegt, voordelen op het
gebied van ouderdomsverzekering toe te kennen aan hen die kinderen
hebben opgevoed, of te voorzien in rechten op uitkeringen van
tijdvakken van onderbreking van het werk wegens de opvoeding van
kinderen.

28. Daar het gemeenschapsrecht inzake gelijke behandeling op het gebied
van de sociale zekerheid de Lid-Staten niet ertoe verplicht, bij de
berekening van het wettelijk ouderdomspensioen rekening te houden met
de jaren die besteed zijn aan de opvoeding van kinderen, kan de
omstandigheid dat aan iemand die een ouderdomspensioen ontvangt en
daardoor bestaanszekerheid geniet, een lagere dan de normale beloning
kan worden betaald, wanneer dat pensioen is verminderd als gevolg van
inkomstenderving in verband met de opvoeding van kinderen, niet worden
geacht in strijd te zijn met het in artikel 119 van het Verdrag en de
richtlijn gelijke beloning neergelegde beginsel van gelijke beloning
van mannelijke en vrouwelijke werknemers.

29. Mitsdien moet op de tweede prejudiciele vraag worden geantwoord,
dat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke
werknemers zoals neergelegd in artikel 119 EEG-Verdrag en richtlijn
75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975, niet verbiedt, dat het
ontvangen van een ouderdomspensioen wordt gelijkgesteld met het
vervullen van een hoofdbetrekking die bestaanszekerheid verschaft,
wanneer dat pensioen is veminderd als gevolg van inkomstenderving in
verband met de opvoeding van kinderen.

Kosten

30. De kosten door de Duitse regering en de Commissie van de Europese
Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof
gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien
van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar
gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke
instantie over de kosten heeft te beslissen.

Het Hof van Justitie (Vijfde kamer),

uitspraak doende op het door het Arbeitsgericht Bremen bij beschikking
van 12 mei 1993 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1) De eerste prejudiciele vraag behoeft niet te worden beantwoord.

2) Het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke
werknemers, zoals neergelegd in artikel 119 EEG-Verdrag en richtlijn
75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot
elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing
van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke
werknemers, verbiedt niet, dat het ontvangen van een ouderdomspensioen
wordt gelijkgesteld met het vervullen van een hoofdbetrekking die
bestaanszekerheid verschaft, wanneer dat pensioen is verminderd als
gevolg van inkomstenderving in verband met de opvoeding van de
kinderen.

Noot

Mevrouw Grau-Hupka had gedurende 35 jaar een voltijdbaan als
muzieklerares. Na haar pensionering in 1991 ontving zij een wettelijk
ouderdomspensioen en een aanvullende pensioenuitkering. Zij bleef
echter, in deeltijd, doorgaan met lesgeven. Krachtens de voor haar
geldende CAO ontvangen deeltijdwerkers een lager uurloon, als zij deze
deeltijdbaan uitoefenen als nevenbetrekking naast een hoofdbetrekking.
Mevrouw Grau-Hupka acht deze regeling in strijd met de
Beschaftigungsforderungsgesetz, die ongelijke behandeling van
deeltijdwerkers verbiedt, tenzij objectieve redenen dit verschil in
behandeling rechtvaardigen en wendt zich tot het Arbeitsgericht Bremen.
Dit Arbeitsgericht memoreert aan een uitspraak van het
Bundesarbeitsgericht, dat heeft bepaald dat de omstandigheid dat iemand
een hoofdbetrekking vervult die hem bestaanszekerheid verschaft een
objectieve reden is die het maken van onderscheid rechtvaardigt.
Ouderdomspensioen is een regeling die bedoeld is om ouderen
bestaanszekerheid te verschaffen. Het Arbeitsgericht meent op deze
grond dan ook dat er sprake is van een objectieve reden en oordeelt dat
de regeling in de CAO in overeenstemming is met het Duitse recht. Het
legt echter de vraag of deze objectieve reden in overeenstemming is met
het Europese recht voor aan het Europese Hof.

De eerste vraag is slechts begrijpelijk als daar de gedachtengang van
het Arbeitsgericht bij wordt vermeld. De vraag is namelijk of de
regeling niet in strijd is met de tweede richtlijn (76/207/EEG), die
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot het
arbeidsproces gebiedt. Het Arbeitsgericht gaat er van uit, dat het met
name mannen zijn die naast een hoofdbetrekking nog een nevenbetrekking
vervullen. Het feit dat deze mannen een lagere beloning mogen ontvangen
zou betekenen dat het voor werkgevers interessant is juist aan deze
categorie een deeltijdbaan te geven. Dit zou voor vrouwen een
belemmering vormen in de toegang tot het arbeidsproces. Deze redenering
van het Arbeitsgericht lijkt mij zeer valide. Juist in de muziekwereld
wordt er (noodzakelijkerwijs?) regelmatig ‘geschnabbeld’; dat een CAO
een dergelijke bepaling kent ondersteunt deze gedachte.

Als een werkgever kan kiezen uit een deeltijdwerker die hij volledig
moet betalen en een deeltijdwerker die met minder genoegen neemt kiest
hij waarschijnlijk voor de laatste. Dat dat een mogelijke belemmering
vormt voor de toegang tot het arbeidsproces voor (dure) in deeltijd
werkende vrouwen lijkt voor de hand liggend. Het Hof gaat echter niet
in op deze vraag, omdat deze geen verband houdt met het reele geschil.
De tweede vraag staat in het kader van de gelijke beloning. De
verwijzende rechter vraagt zich af, of artikel 119 en richtlijn
75/117/EEG toestaan dat ouderdomspensioen gezien wordt als een
hoofdbetrekking die bestaanszekerheid verschaft als dat
ouderdomspensioen is verminderd ten gevolge van inkomstenderving in
verband met de opvoeding van kinderen.

Vrij vertaald betekent dit, dat de verwijzende rechter zich afvraagt of
een vrouw die na haar pensionering doorwerkt, omdat haar pensioen
onvolledig is in verband met werkonderbreking in verband met gezinszorg
en daardoor te klein is voor haar levensonderhoud, wel minder mag
verdienen. Het Hof is snel klaar met zijn antwoord: het Europese recht
gebiedt lidstaten nergens dat zij nadeel, dat is ontstaan door een
onderbreking in het arbeidsproces in verband met de opvoeding van
kinderen, moeten compenseren. Dat betekent dat het beginsel van gelijke
beloning van mannen en vrouwen, zoals neergelegd in artikel 119 en
richtlijn 75/117/EEG, niet verbiedt dat het ontvangen van een
ouderdomspensioen wordt gelijkgesteld met het vervullen van een
hoofdbetrekking die bestaanszekerheid verschaft, wanneer dat pensioen
is verminderd als gevolg van inkomstenderving in verband met de
opvoeding van kinderen.

De vraag of het vervullen van een hoofdbetrekking een objectieve reden
mag zijn om een deeltijder minder te betalen dan een voltijder laat het
Hof ter toetsing over aan de nationale rechter. De Duitse rechter heeft
deze vraag reeds in positieve zin beantwoord. Overigens ontgaat mij de
ratio van deze rechtvaardigingsgrond. Uitgangspunt lijkt mij gelijke
beloning, niet de vraag of een functie een hoofd- of een nevenfunctie
is. Het moge duidelijk zijn dat het onderschrijven van een dergelijke
rechtvaardiging het principe van herverdeling van arbeid gemakkelijk
ondermijnt.

Malva Driessen

Rechters

Mrs Rodriguez Iglesias, Joliet, Moitinho de Almeida, AG Jacobs

Instantie: Rechtbank Zutphen, 8 december 1994

Instantie

Rechtbank Zutphen

Samenvatting


Partijen zijn drie jaar getrouwd geweest en hebben een minderjarig kind
van 4 jaar. Ten aanzien van de behoefte overweegt de rechtbank: leeftijd
van de vrouw (35 jaar), inkomen vrouw ƒ 1400,= netto per maand (20 uur per
week); de vrouw heeft aannemelijk gemaakt dat zij geen uitbreiding van
haar werkuren kan krijgen; zij heeft de zorg voor 4-jarig kind; zij
betaalt een netto huur van ƒ 480,= ; zij betaalt de kosten voor de
kinderopvang; tijdens het huwelijk hadden beide partijen inkomen uit
arbeid, waardoor de welstand tijdens huwelijk, welke een indicatie vormt
voor de behoefte van de vrouw, werd bepaald. De behoefte staat vast.
Alimentatie wordt nihil (geen draagkracht).

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Dit verloop blijkt uit: -het verzoekschrift, ingekomen op 28 april 1994;
-het exploit van betekening van 28 april 1994; -het verweerschrift tevens
inhoudende een zelfstandig verzoek, ingekomen op 12 juli 1994; -het
verweerschrift van de vrouw op het zelfstandig verzoek, ingekomen op 2
september 1994; -de tussenbeschikking van deze rechtbank van 7 september
1994; -de brief met bijlagen van mr. Fleuren van 21 oktober 1994; -de
brieven met bijlage(n) van mr. Dreef van 24 en 25 oktober 1994; -het
proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 26 oktober 1994.

De vaststaande feiten: Partijen, Nederlanders, zijn op 4 juli 1990 te
Apeldoorn met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Uit dit
huwelijk is het thans nog minderjarige kind geboren: geboren op te .

Het verzoek: De vrouw verzoekt -na wijziging- de rechtbank bij beschikking
voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: -tussen partijen de
echtscheiding uit te spreken, -haar te benoemen tot voogdes over het
minderjarige kind van partijen en de man tot toeziend voogd; -aan de man
een bedrag van ƒ 250,= per maand op te leggen als bijdrage in de kosten
van verzorging en opvoeding van de minderjarige, -aan de man een bedrag
van ƒ 1.000,= per maand op te leggen als bijdrage in de kosten van haar
levensonderhoud, -de verdeling van de tussen partijen bestaande
huwelijksgoederengemeenschap te bevelen met benoeming van een notaris en
een onzijdig persoon als volgens de wet.

Zij stelt naast hetgeen hierboven als vaststaand is weergegeven dat het
huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, dat zij en de minderjarige
behoefte hebben aan de verzochte bijdrage en de man in staat moet worden
geacht om deze bijdrage te voldoen.

Het verweer tevens zelfstandig verzoek: De man voert alleen verweer tegen
de verzochte bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw.
De man stelt dat de vrouw gelet op haar eigen inkomen geen behoefte aan
deze bijdrage heeft. Verder stelt de man dat hij geen ruimte heeft om de
gevraagde bijdrage voor de vrouw te betalen.

De man verzoekt de rechtbank: -te bepalen dat hij huurder zal zijn van de
echtelijke woning aan de te Apeldoorn, -een omgangsregeling vast te
stellen tussen hem en de minderjarige in die zin dat hij gedurende een
weekend per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur
omgang met de minderjarige zal hebben.

Het verweer van de vrouw op het zelfstandig verzoek van de man:

De vrouw verzoekt de door de man verzochte omgangsregeling af te wijzen
en te bepalen dat hij de minderjarige eenmaal per maand gedurende het
eerste weekend van de maand van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur
bij zich zal hebben en verder dat de man de minderjarige moet halen en
brengen.

De beoordeling:

Nu de man erkent dat het huwelijk met de vrouw duurzaam is ontwricht, is
het verzoek tot echtscheiding voor toewijzing vatbaar.

De met de hoofdvoorziening samenhangende nevenvoorziening tot verdeling
van de huwelijksgoederengemeenschap is eveneens voor toewijzing vatbaar,
nu daartegen geen verweer is gevoerd.

De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen het door de man verzochte
huurrecht van de echtelijke woning van partijen, zodat dit verzoek ook kan
worden toegewezen.

De man voert evenmin verweer tegen de door de vrouw voorgestelde
gezagsvoorziening over het minderjarige kind van partijen.

De rechtbank, gehoord de Raad voor de Kinderbescherming in dit
arrondissement, acht de door de vrouw voorgestelde regeling in het belang
van de minderjarige, zodat als volgt wordt beslist.

Partijen hebben ter terechtzitting overeenstemming bereikt over een
omgangsregeling tussen de man en de minderjarige. De rechtbank acht,
gehoord de Raad voor de Kinderbescherming, deze regeling in het belang van
de minderjarige en zal deze in het dictum van deze beschikking weergeven.

Nu de man instemt met de door de vrouw verzochte bijdrage voor het kind
is dit verzoek eveneens voor toewijzing vatbaar.

Partijen verschillen van mening over de behoefte van de vrouw aan de door
haar gevraagde alimentatie en over de draagkracht van de man.

Ten aanzien van de behoefte van de vrouw overweegt de rechtbank het
volgende.

De vrouw is thans 35 jaar oud. Zij is gedurende 20 uur per week werkzaam
bij tegen een netto maandsalaris van ƒ 1.394,92. De vrouw heeft
voldoende aannemelijk gemaakt dat zij geen uitbreiding van haar aantal
werkuren kan krijgen. Zij heeft de zorg voor de 4- jarige dochter van
partijen. Aan netto huur betaalt de vrouw maandelijks 480,=. Ook betaalt
de vrouw kosten voor kinderopvang. Tijdens het huwelijk hadden beide
partijen een inkomen uit arbeid, waardoor de welstand tijdens huwelijk,
welke de indicatie vormt voor de behoefte van de vrouw, werd bepaald.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de vrouw
behoefte heeft aan de door haar verzochte bijdrage.

Ter berekening van de draagkracht van de man overweegt de rechtbank het
volgende.

Aan de inkomenszijde van de man gaat de rechtbank uit van een tussen
partijen vaststaand besteedbaar inkomen van ƒ 3.175,= netto per maand,
inclusief vakantiegeld.

Verder gaat de rechtbank uit van de bijstandsnorm voor een eenoudergezin
van ƒ 1.685,95 en van de volgende door de vrouw niet betwiste maandelijkse
lasten: -een kale huur van ƒ 853,55 te verminderen met de gemiddelde
landelijke huur van ƒ 335,42, -f 87,= voor kosten woon- werkverkeer, -f
12,65 aan premie voor de begrafenisverzekering, -f 21,35 aan contributie
voor de vakbond.

Ook houdt de rechtbank rekening met de door de man opgevoerde maandelijkse
aflossing van ƒ 310,= op de lening bij de Stadsbank te Apeldoorn van ƒ
9.476,60. De rechtbank is van oordeel dat de man deze schuld tot ƒ 7.000,=
aannemelijk heeft gemaakt omdat hij zijn aandeel in de huwelijkse schuld
aan de ouders van de vrouw van ƒ 7.000,= in verband met de echtscheiding
ineens heeft moeten voldoen. Verder heeft de man aannemelijk gemaakt dat
hij de overige ƒ 2.476,60 van de lening bij de Stadsbank in het kader van
herinrichting heeft moeten lenen, nu tussen partijen onbetwist vast staat
dat de vrouw gemeenschappelijke inboedelgoederen heeft meegenomen,
waardoor de man in elk geval enige kosten heeft moeten maken om deze
goederen te vervangen. Nu onbetwist is gesteld dat de looptijd van deze
lening -36 maanden- bij de Stadsbank gebruikelijk is, acht de rechtbank
deze looptijd niet zodanig redelijk dat het maandelijks aflossingsbedrag
onaanvaardbaar hoog moet worden geacht.

Gelet op de tussen partijen overeengekomen omgangsregeling stelt de
rechtbank tot 1 juli 1995 de kosten voor deze regeling vast op ƒ 60,= per
maand nadien op ƒ 70,= per maand.

De rechtbank houdt geen rekening met de extra opgevoerde ƒ 100,= per maand
voor herinrichting nu de man het voldoen van deze maandelijkse last niet
heeft aangetoond.

Ook gaat de rechtbank, gelet op het vermogensvormend karakter ervan
voorbij aan de door de man gestelde spaarregeling van ƒ 50,= per maand ten
behoeve van zijn zoon, die geboren uit een vorig huwelijk van de man.
Bovendien neemt de vrouw deel aan een dergelijke regeling ten behoeve van
de dochter van partijen.

Van de draagkracht is 45% of ƒ 250,= per maand beschikbaar voor
alimentatiebetaling. Na aftrek van de kinderalimentatie van ƒ 250,= per
maand heeft de man derhalve geen ruimte om met enig bedrag bij te dragen
in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

De proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te melden wijze, omdat
zij zijn gemaakt tussen echtelieden.

De beslissing:

De rechtbank:

Spreekt uit de echtscheiding tussen de vrouw en de man op met elkaar
gehuwd.

Veroordeelt de echtelieden om, nadat deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand, met elkaar over te
gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

Benoemt, indien de echtelieden niet binnen 14 dagen na inschrijving van
deze beschikking daaromtrent anders zijn overeengekomen, notaris mr. J.
van Leeuwen ter standplaats Apeldoorn, tot de notaris ten overstaan van
wie de werkzaamheden van verdeling zullen plaatshebben op de door de
notaris te bepalen plaats en tijd.

Benoemt als onzijdige personen mr. A.M. Heiner, advocaat te Apeldoorn, om
de vrouw en mr. F. Leemans, advocaat te Apeldoorn, om de man als
bewindvoerder op de voet van artikel 3:181 Burgerlijk Wetboek te
vertegenwoordigen indien een van hen in gebreke blijft op de voor die
verdeling bepaalde plaats en tijd te verschijnen, of verschenen zijnde,
mocht weigeren aan de verdeling mee te werken.

Bepaalt dat de man vanaf de dag waarop deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand huurder zal zijn van
de woning aan de te Apeldoorn.

Benoemt over het minderjarige kind: geboren te tot voogdes: de vrouw,
wonende te en tot toeziend voogd: de man, wonende te .

Beveelt dat de minderjarige, indien zij zich niet reeds bevindt in de
feitelijke macht van de met het gezag beklede ouder, aan deze zal worden
afgegeven.

Bepaalt dat de man, met ingang van de dag waarop de voogdij begint, als
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige aan
de vrouw zal betalen ƒ 250,= (tweehonderdvijftiggulden) per maand, voor
de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Bepaalt dat deze alimentatie voor het eerst van rechtswege zal worden
verhoogd met ingang van 1 januari 1996 met het ingaande dat jaar geldende
wettelijke indexeringspercentage.

Bepaalt het recht van omgang tussen de man en het minderjarige kind aldus,
dat de minderjarige bij de man zal verblijven: -tot 1 januari 1995 eenmaal
per maand het eerste weekend van de maand van zaterdag 10.00 uur tot
zondag 17.00 uur, -twee dagen in de kerstvakantie van 1994/1995, -vanaf
1 januari 1995 tot circa 1 april 1995 gedurende eenmaal per drie weken van
zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur, -vanaf 1 april 1995 tot de
zomervakantie 1995 eenmaal per drie weken van zaterdag 10.00 uur tot
zondag 17.00 uur en de woensdagmiddag ertussen van circa 13.30 uur tot
17.00 uur, -na de zomervakantie 1995 eenmaal per twee weken vanaf zaterdag
10.00 uur tot zondag 17.00 uur, -gedurende de zomervakantie drie weken en
van de overige vakanties ongeveer de helft, -de feestdagen het ene jaar
bij de man, het andere jaar bij de vrouw.

Verklaart deze beschikking voor wat betreft de beslissing over het gezag
over genoemde minderjarige, de voor die minderjarige te betalen
alimentatie uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Compenseert de kosten van dit geding aldus, dat iedere echtgenoot met de
eigen kosten belast blijft, behoudens dat de executiekosten ten laste van
de man komen, indien niet vrijwillig wordt voldaan aan de bij deze
beschikking opgelegde alimentatieplicht.

Veroordeelt mitsdien de man in dat geval te dier zake te betalen
rechtstreeks aan de procureur van de vrouw het onder nakosten vallende
salaris en rechtstreeks aan de executerende deurwaarder de nakomende
verschotten.

Rechters

Mr. M.C.J. Heesels

Instantie: Rechtbank Zutphen, 8 december 1994

Instantie

Rechtbank Zutphen

Samenvatting


Partijen zijn 12 jaar getrouwd geweest en hebben een minderjarig kind van
13 jaar oud. De man stelt dat de vrouw gelet op haar eigen inkomen geen
behoefte heeft aan een bijdrage in levensonderhoud. Ten aanzien van de
behoefte overweegt de rechtbank het volgende: leeftijd van de vrouw (45
jaar), inkomen ƒ 1600,= (netto per maand; ww-uitkering; duur tweeeneenhalf
jaar), zorg voor minderjarig kind; tijdens het huwelijk hadden beide
partijen inkomen uit arbeid, waardoor de welstand tijdens huwelijk, welke
de indicatie vormt voor de behoefte van de vrouw, werd bepaald. De door
de man te betalen kinderbijdrage blijft voor de bepaling van de behoefte
buiten beschouwing. Op grond van het vorenstaande heeft de vrouw behoefte
aan de door haar verzochte bijdrage. Alimentatie wordt ƒ 130,=.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Dit verloop blijkt uit: -het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 8
juli 1994; -het exploit van betekening van 20 juli 1994; -het
verweerschrift, ingekomen ter griffie op 31 augustus 1994; -de
tussenbeschikking van deze rechtbank van 7 september 1994; -de brief met
bijlage(n) van mr. Van Duijvenbode van 2 september en 10 oktober 1994; -de
brief met bijlagen van mr. Gaaf van 12 oktober 1994; -het proces-verbaal
van de behandeling ter terechtzitting op 26 oktober 1994.

De vaststaande feiten:

Partijen, Nederlanders, zijn op 24 maart 1972 te Nunspeet met elkaar
gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Uit dit huwelijk is geboren
het thans nog minderjarige kind: * geboren te op .

Het verzoek:

De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking voor zoveel mogelijk
uitvoerbaar bij voorraad: -tussen partijen de echtscheiding uit te
spreken, -haar te benoemen tot voogdes en de man tot toeziend voogd over
het minderjarige kind van partijen en aan de man een bedrag van ƒ 350,=
per maand op te leggen als bijdrage in de kosten van verzorging en
opvoeding van de minderjarige, -de man te veroordelen om aan haar voor
haar levensonderhoud te betalen een bedrag van ƒ 650,= per maand bij
vooruitbetaling te voldoen, -partijen te gelasten over te gaan tot
verdeling van de gemeenschap waarin zij zijn gehuwd met benoeming van een
notaris en een onzijdig persoon als volgens de wet.

Zij stelt naast hetgeen hierboven als vaststaand is weergegeven dat het
huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht en dat zij en de minderjarige
behoefte hebben aan de gevraagde bijdragen. Uit de stellingen van de vrouw
begrijpt de rechtbank dat de vrouw ook stelt dat de man voldoende
draagkracht heeft om de verzochte bijdragen te betalen.

Het verweer:

De man voert geen verweer tegen de gevraagde echtscheiding, de
veroordeling van partijen over te gaan tot verdeling van de
huwelijksgoederengemeenschap en de voorgestelde gezagsvoorziening. Ter
zitting heeft de man ingestemd met de verzochte bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van de minderjarige van ƒ 350,= per maand.

Ten aanzien van de door de vrouw voor zichzelf gevraagde bijdrage in de
kosten van haar levensonderhoud stelt de man dat de vrouw gelet op haar
eigen inkomen aan die bijdrage geen behoefte heeft. Verder voert de man
aan dat hij geen ruimte heeft om een bijdrage aan de vrouw te betalen.

De beoordeling:

Nu de man niet betwist dat het huwelijk met de vrouw duurzaam is
ontwricht, is het verzoek tot echtscheiding voor toewijzing vatbaar.

De met de hoofdvoorziening samenhangende nevenvoorziening tot verdeling
van de huwelijksgoederengemeenschap is eveneens voor toewijzing vatbaar,
nu daartegen geen verweer is gevoerd.

De man voert evenmin verweer tegen de door de vrouw voorgestelde
gezagsvoorziening over het minderjarige kind van partijen.

De minderjarige en de Raad voor de Kinderbescherming in dit arrondissement
zijn in de gelegenheid gesteld om hun mening over de gezagsvoorziening aan
de rechtbank kenbaar te maken.

De rechtbank acht de door de vrouw voorgestelde regeling in het belang van
de minderjarige, zodat als volgt wordt beslist.

Nu de man instemt met de door de vrouw verzochte bijdrage voor het kind
is dit verzoek eveneens voor toewijzing vatbaar.

Partijen verschillen van mening over de behoefte van de vrouw aan de door
haar gevraagde alimentatie-uitkering en over de draagkracht van de man.

Ten aanzien van de behoefte van de vrouw overweegt de rechtbank het
volgende.

De vrouw is thans 45 jaar oud. Sedert maart 1994 heeft zij een
werkloosheidsuitkering van ƒ 1.961,= bruto, ƒ 1.600,= netto per maand.
Deze uitkering ontvangt zij vanaf maart 1994 gedurende tweeenhalf jaar.
Zij heeft de zorg voor het minderjarige kind van partijen. Tijdens het
huwelijk hadden beide partijen een inkomen uit arbeid, waardoor de
welstand tijdens huwelijk, welke de indicatie vormt voor de behoefte van
de vrouw, werd bepaald.

De bijdrage voor de minderjarige van ƒ 350,= per maand dient naar het
oordeel van de rechtbank geheel ten behoeve van het kind te worden besteed
en blijft aldus voor de bepaling van de behoefte van de vrouw buiten
beschouwing. De vrouw woont in de echtelijke woning en betaalt ingevolge
afspraak met de man de helft van de lasten van deze woning, zijnde ƒ
393,69 per maand.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de vrouw
behoefte heeft aan de door haar verzochte bijdrage.

Ter berekening van de draagkracht van de man overweegt de rechtbank het
volgende:

Blijkens de door de man overgelegde salarisspecificaties over de maanden
juli, augustus en september 1994 bedraagt zijn gemiddeld netto
maandinkomen ƒ 2.510,= te vermeerderen met 5% vakantiegeld. Daarnaast
ontvangt de man maandelijks een belaste toelage van netto ƒ 90,= voor
werken op ongebruikelijke tijdstippen en garantie ambulantenregeling,
alsmede een onbelaste variabele vergoeding voor gebruik eigen fiets van
ƒ 0,17 per kilo-meter en verblijfkosten ambulante werknemers. De rechtbank
zal wel met de eerstgenoemde vergoeding van ƒ 90,= netto per maand als
inkomsten van de man rekenen, doch niet met de laatstgenoemde vergoeding,
omdat daar reele kosten van de man tegenover staan.

Verder gaat de rechtbank uit van de bijstandsnorm voor een alleenstaande
van ƒ 1.311,29 per maand en van de volgende door de vrouw niet betwiste
maandelijkse lasten: -de helft van de lasten van de echtelijke woning,
zijnde ƒ 393,68. -f 250,= aan aflossing op een doorlopend krediet dat bij
de Postbank voor herinrichting is afgesloten.

De man heeft een maandelijkse huur van ƒ 595,= opgevoerd. Nu in dit bedrag
ook de kosten voor gas, water en licht zijn begrepen, rekent de rechtbank
met een in redelijkheid vast te stellen kale huur van ƒ 470,= te
verminderen met de gemiddelde landelijke huur van ƒ 335,42 per maand.

De rechtbank houdt geen rekening met de door de man opgevoerde
wervingskosten van ƒ 85,= per maand, nu niet aannemelijk is geworden dat
de man deze kosten maakt.

Van de draagkracht is 70%, of ƒ 445,= per maand beschikbaar voor
alimentatiebetaling. Na aftrek van de kinderalimentatie van ƒ 350,= per
maand heeft de man ruimte om met ƒ 130,= per maand bij te dragen in de
kosten van het levensonderhoud van de vrouw, waarbij het door de man te
behalen belastingvoordeel aan de vrouw is toegerekend.

Het nevenverzoek om deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren
is -met uitzondering van de gezagsvoorziening en de
alimentatieveroordeling- niet op de wet gebaseerd en wordt derhalve
afgewezen.

De proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te melden wijze, omdat
zij zijn gemaakt tussen echtelieden.

De beslissing:

De rechtbank:

Spreekt uit de echtscheiding tussen de vrouw en de man op met elkaar
gehuwd.

Veroordeelt de man om, vanaf de dag waarop deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de desbetreffende registers van de Burgerlijke Stand, aan
de vrouw voor levensonderhoud te betalen de som van ƒ 130,=
(eenhonderdendertig gulden) per maand, telkens bij vooruitbetaling te
voldoen.

Bepaalt dat deze alimentatie voor het eerst van rechtswege zal worden
verhoogd met ingang van 1 januari 1996 met het ingaande dat jaar geldende
wettelijke indexeringspercentage.

Verklaart de beschikking voor wat betreft de alimentatieveroordeling
uitvoerbaar bij voorraad.

Veroordeelt de echtelieden om, nadat deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand, met elkaar over te
gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

Benoemt, indien de echtelieden niet binnen 14 dagen na inschrijving van
deze beschikking daaromtrent anders zijn overeengekomen, notaris mr.
M.W.G. Overbeeke ter standplaats Elburg, tot de notaris ten overstaan van
wie de werkzaamheden van verdeling zullen plaatshebben op de door de
notaris te bepalen plaats en tijd.

Benoemt als onzijdige personen mr. A.P. Kruijff, advocaat te Nunspeet, om
de vrouw en mr. A.M. Bruin, advocaat te Wezep, gemeente Oldebroek, om de
man als bewindvoerder op de voet van artikel 3:181 Burgerlijke Wetboek te
vertegenwoordigen indien een van hen in gebreke blijft op de voor die
verdeling bepaalde plaats en tijd te verschijnen, of verschenen zijnde,
mocht weigeren aan de verdeling mee te werken.

Benoemt over het minderjarige kind: geboren te op tot voogdes: de
vrouw, wonende en tot toeziend voogd: de man, wonende te .

Beveelt dat de minderjarige, indien zij zich niet reeds bevindt in de
feitelijke macht van de met het gezag beklede ouder, aan deze zal worden
afgegeven.

Bepaalt dat de man, met ingang van de dag waarop de voogdij begint, als
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige aan
de vrouw zal betalen ƒ 350,= (driehonderdenvijftig gulden) per maand, voor
de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Bepaalt dat deze alimentatie voor het eerst van rechtswege zal worden
verhoogd met ingang van 1 januari 1996 met het ingaande dat jaar geldende
wettelijke indexeringspercentage.

Verklaart deze beschikking voor wat betreft de beslissing over het gezag
over genoemde minderjarige en de voor die minderjarige te betalen
alimentatie uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Compenseert de kosten van dit geding aldus, dat iedere echtgenoot met de
eigen kosten belast blijft, behoudens dat de executiekosten ten laste van
de man komen, indien niet vrijwillig wordt voldaan aan de bij deze
beschikking opgelegde alimentatieplicht.

Veroordeelt mitsdien de man in dat geval te dier zake te betalen
rechtstreeks aan de procureur van de vrouw het onder nakosten vallende
salaris en rechtstreeks aan de executerende deurwaarder de nakomende
verschotten.

Rechters

Mr. Heessels

Instantie: Kantonrechter Alkmaar, 7 december 1994

Instantie

Kantonrechter Alkmaar

Samenvatting


Eiseres vergelijkt zich met mannelijke collega die net als zij als
leidinggevende traditionele hulpverlening werkzaam is in de thuiszorg. Uit
de toepasselijke CAO vloeit voort dat maatman op grond van zijn diploma
(HBO maatschappelijk werk) uiteindelijk een hoger salaris kan bereiken dan
verzoekster (Nijverheidsakte). Wel is er sprake van arbeid van gelijke
waarde. Vervolg op CGB 1 juli 1991, nr. 167A-91-41. Ook de kantonrechter
oordeelt dat hier sprake is van ongelijke beloning daar het onderscheid
in salariering niet objectief is te rechtvaardigen. Ook financieel
onvermogen kan geen afbreuk doen aan de rechten van de werknemers.

Volledige tekst

1. Het procesverloop:

B heeft een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding van
10 augustus 1993.

De Stichting Thuiszorg heeft bij antwoord verweer gevoerd.

Vervolgens hebben partijen van repliek en dupliek gediend.

Tenslotte is vonnis verzocht.

De inhoud van deze stukken dient als hier opgenomen te worden beschouwd.

2. Het geschil en de beoordeling daarvan:

Op grond van de stukken staat het navolgende tussen partijen vast:

1. B (geboren op 30 mei 1955) is op 14 april 1980 bij de Stichting
Thuiszorg in dienst getreden in de functie van leidinggevende
gezinsverzorging.

2. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor de Gezondheidszorg en Algemeen
Maatschappelijk Werk van toepassing. Op grond van de (tot 21 juni 1993)
bij de CAO behorende salarisregeling gezondheidszorg worden medewerkers
ingedeeld afhankelijk van functie, opleidingsniveau en ervaringsjaren in
volgnummers van 1 tot 40. Voorts worden medewerkers met diploma HBO-M.W.
en N20 als daarmee vergelijkbare opleiding in hetzelfde opleidingsniveau,
te weten niveau Y geplaatst.

3. B is ingeschaald in de salarisgroep behorend bij volgnummer 27.
Dientengevolge bedraagt haar bruto maandsalaris bij een volledige werkweek
3.902,40.

4. Bij de Stichting Thuiszorg werken 22 leidinggevenden, waaronder 1 man,
de heer M.

5. B verricht arbeid van gelijke althans nagenoeg gelijke waarde als haar
collega M. B ontvangt een lager salaris dan M.

6. B heeft de N20 (Nijverheidsakte 20)-opleiding gevolgd en het diploma
gehaald. Dit diploma is vergelijkbaar met het diploma HBO- Maatschappelijk
Werk (het diploma van M). De N20-opleiding was een nijverheidsopleiding
en werd nagenoeg uitsluitend gevolgd door meisjes.

7. Het diploma HBO-M.W. geeft recht op doorstroming naar het salaris
behorend bij volgnummer 33. Het diploma N20 gaf tot 21 juni 1993 recht op
doorstroming naar het lagere salaris behorende bij volgnummer 27. Vanaf
die datum is de diplomahonorering vervallen.

8. Artikel 10 van de (nieuwe) salarisregeling bepaalt:
1. De inschaling van de op 20 juni 1993 in dienst zijnde werknemer dient
per 21 juni 1993 plaats te vinden in de voor de nieuwe functie van
toepassing zijnde schaal in het dichtstbijzijnde salarisbedrag in
vergelijking met het op 20 juni 1993 geldende salaris, zodat sprake is van
een horizontale overgang. Door gebruikmaking van een nieuwe salaristabel
is het nieuwe volgnummer het oude volgnummer minus twee.
2. Indien op 21 juni 1993 een horizontale overgang naar de nieuwe functie
niet mogelijk is omdat de nieuwe schaal op een hoger niveau aanvangt,
dient inschaling per deze datum plaats te vinden in periodiek 0 van de
nieuwe schaal.
3. Indien de werknemer op 20 juni 1993 recht had op een hoger
salarismaximum dan op grond van de nieuwe salarisregeling, behoudt de
werknemer aanspraak op het hogere salarismaximum, behorend bij de oude
schaal.
4. De nieuwe inschaling op basis van artikel 10 lid 1 en 2, het verkregen
recht ex artikel 10 lid 3, alsmede de nieuwe functie worden opgenomen in
een aanhangsel bij de individuele arbeidsovereenkomst.

B vordert, na akte wijziging van eis, een verklaring voor recht dat de
Stichting Thuiszorg handelt in strijd met het bepaalde in artikel
7A:1637ij BW en artikel 7 e.v. van de Wet Gelijke Behandeling van Mannen
en Vrouwen. Zij vordert daarnaast betaling van achterstallig salaris ad
ƒ 5355,07 bruto en voorts de Stichting Thuiszorg te veroordelen tot
betaling aan haar van het salaris, behorende bij volgnummer 30 vanaf
periode 7 van het jaar 1993 met uitloop conform de salarisregeling tot
volgnummer 33 zolang de arbeidsovereenkomst duurt, alles te vermeerderen
met rente en kosten.

B baseert haar vordering onder meer op de hiervoor weergegeven vaststaande
feiten en omstandigheden en betoogt dat de handelwijze van de Stichting
Thuiszorg met betrekking tot de salariering als hiervoor omschreven
discriminerend is jegens vrouwen, nu juist vrouwen de N19-opleiding
volgden en medewerksters met deze opleiding zijn uitgesloten van
doorstroming. Zonder de salarisblokkade had de inschaling van B als volgt
dienen te verlopen: – per periode 1 1991 naar volgnummer 28 – per periode
1 1992 naar volgnummer 29; – per periode 1 1993 naar volgnummer 30; – per
periode 1 1994 naar volgnummer 31; en in de toekomst: – per periode 1 1995
naar volgnummer 32; – per periode 1 1996 naar volgnummer 33 (max); Op
grond van de in artikel 10 van de nieuwe salarisregeling weergegeven
garantieregeling heeft B recht op een uitloop naar volgnummer 33 (oud) per
1 januari 1996.

De Stichting Thuiszorg voert verweer. Zij ontkent dat de salarisregeling
discriminerend is voor vrouwen. Niet alleen de leidinggevenden met het
N20-diploma zijn uitgesloten van doorloop naar het salaris behorende bij
volgnummer 33, maar ook bijvoorbeeld leidinggevenden met het diploma K en
O en HBO-J. Al deze opleidingen staan open voor mannen en vrouwen. Indien
M een van deze opleidingen zou hebben gevolgd, zou hij evenmin
doorgestroomd zijn. Niet een onderscheid naar geslacht maar naar opleiding
wordt gehanteerd. Bovendien past de Stichting Thuiszorg de salarisregeling
toe conform de letter van de CAO. De Stichting Thuiszorg ziet financieel
geen mogelijkheden van de CAO af te wijken, gelet op samengevat, de
geldende subsidieregeling. Ook is de salarisregeling met ingang van 21
juni 1993 gewijzigd. Met ingang van die datum is geen sprake meer van
discriminatie. Tenslotte beroept de Stichting Thuiszorg zich op verjaring,
ingevolge het bepaalde in artikel 11 van de Weg Gelijke behandeling van
Mannen en Vrouwen. Zij betwist het gestelde door B omtrent de
garantie-regeling en de gevolgen daarvan ten aanzien van B niet.

Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de
kantonrechter als volgt.

Zoals onder de vaststaande feiten en omstandigheden reeds is weergegeven,
verrichten B en M arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde en is sprake van
ongelijk loon. Ten onrechte tracht de Stichting Thuiszorg dit onderscheid
te rechtvaardigen met de stelling dat de opleiding van de betrokkenen
bepalend is geweest voor het maken van dit onderscheid. Vaststaat dat
nagenoeg uitsluitend vrouwen de N20-opleiding volgden en dat zij zijn
uitgesloten van doorstroming naar het salaris behorende bij volgnummer 33.

De Stichting Thuiszorg handelt reeds daardoor in strijd met artikel
7A:1637ij B.484W. en artikel 7 e.v. van de Weg Gelijke behandeling van
Mannen en Vrouwen, nu dit onderscheid overigens niet objectief te
rechtvaardigen is. Dit laatste is ook niet door de Stichting Thuiszorg
gesteld. Er is door deze handelwijze dan ook sprake van indirecte
discriminatie. Het feit dat de opleiding N20 destijds ook door mannen
gevolgd kon worden, doet hieraan niet af, evenmin als het feit dat de
Stichting Thuiszorg slechts bedoelde de CAO na te leven. De CAO behoort
in dit verband buiten toepassing te blijven. Ook als het betoog van de
staatssecretaris met betrekking tot de achtergrond van deze ongelijke
beloning (zoals in een uitspraak van de Commissie voor Gelijke Behandeling
weergegeven) niets aan het voorgaande afdoen.

De kantonrechter overweegt tenslotte nog dat financieel onvermogen van de
Stichting Thuiszorg geen afbreuk kan doen aan de rechten van haar
werknemers en derhalve niet tot afwijzing van het gevorderde kan leiden.
Tussen partijen staat vast dat de salarisregeling is gewijzigd met ingang
van 21 juni 1993. Vanaf die datum is de honorering niet meer gerelateerd
aan het behaalde diploma. De verkregen rechten worden gerespecteerd in
dier voege dat voor werknemers in de leidinggevende functies op HBO-niveau
een garantie geldt voor een salaris behorend bij volgnummer 33 (oud).
Peildatum voor het salaris is 20 juni 1993. Door de Stichting Thuiszorg
is niet weersproken dat de inschaling van B, zonder blokkade, met ingang
van periode 1 1991 naar volgnummer 28 diende te geschieden en dat zij per
jaar “een nummer omhoog diende te gaan”. Dit betekent dat haar vanaf
periode 1 1991 salaris toekomt behorende bij volgnummer 28, met ingang van
1 januari 1992 salaris behorend bij volgnummer 29, in 1993 bij volgnummer
30 en thans naar volgnummer 31.

Het beroep op verjaring treft evenwel doel. Artikel 11 van de Wet Gelijke
Behandeling van Mannen en Vrouwen kent een verjaringstermijn van twee
jaar. Beide partijen gaan uit van een sluiting van de verjaring per 19
november 1992. Dit betekent dat geen rechten meer bestaan op betaling van
achterstallig loon over de periode voor 19 november 1990. Voorts heeft B
op basis van de garantieregeling recht op een uitloop, zoals zij betoogt,
tot volgnummer 33 (oud) in 1996. Haar salarismaximum behorend bij de oude
schaal zou, gelet op het voorgaande, 33 geweest zijn.

De kantonrechter acht, nu slechts een deel van de vordering wordt
toegewezen, termen aanwezig de proceskosten aldus tussen partijen te
compenseren dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Het voorgaande betekent dat de vordering van B op hierna te melden wijze
zal worden toegewezen.

3. De beslissing:

De kantonrechter:

Verklaart voor recht dat de Stichting Thuiszorg door de toepassing van de
salarisregeling behorende bij de CAO onderscheid maakt naar geslacht en
zodoende handelt in strijd met artikel 7A:1637ij BW en artikel 7 van de
Wet Gelijke Behandeling van Mannen en Vrouwen.

Veroordeelt de Stichting Thuiszorg om aan B te betalen het salaris
behorend bij volgnummer 38(oud) van de salarisregeling vanaf 1 januari
1991, 29(oud) vanaf 1 januari 1992, 30(oud) vanaf 1 januari 1993 en
31(oud) vanaf 1 januari 1994 met een uitloop tot volgnummer 33(oud) in het
jaar 1996 tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst, vermeerderd met
de wettelijke rente vanaf de onderscheiden vervaldata tot aan de dag der
voldoening. Verklaart dit vonnis wat betreft deze veroordeling uitvoerbaar
bij voorraad.

Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat ieder van
hen de eigen kosten draagt. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr. Rip