Instantie: Commissie gelijke behandeling, 7 december 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was bij de wederpartij werkzaam als assistent-accountant.
Begin 1993 is aan tien werknemers, waaronder verzoekster, ontslag
aangezegd. Allen zijn uiteindelijk weggegaan bij (deze vestiging van)
de wederpartij. Verzoekster is van mening dat zich onder deze groep
relatief veel vrouwen bevonden, reden waarom zij stelt dat de
wederpartij heeft gehandeld in strijd met de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen (WGB: Stb. 1989, 168). De Commissie acht te
weinig gegevens voorhanden om op basis hiervan een vermoeden van
indirect onderscheid uit te spreken. Zij acht namelijk de verklaring
van de wederpartij dat het in casu niet om een geselecteerde groep van
tien personen gaat, maar om tien individuele gevallen aannemelijk.
Verzoekster heeft de redenen die de wederpartij gaf om op een dag tien
gesprekken te voeren ook niet bestreden. In deze situatie kan een
vermoeden van indirect onderscheid niet gebaseerd worden op een
ontslagaanzegging in tien individuele gevallen, omdat min of meer
toevallig op dezelfde dag gesprekken zijn gevoerd. Onderzocht zou
moeten worden hoeveel mannen en vrouwen over een bepaalde periode,
bijvoorbeeld een jaar, ontslag is aangezegd. De Commissie gaat ervan
uit dat de wederpartij deze gegevens wel zou kunnen overleggen, maar
ziet ervan af deze op te vragen. Zij is namelijk van oordeel dat, ook
al mocht een vermoeden van indirect onderscheid rijzen, dit in de
onderhavige casus objectief gerechtvaardigd kan worden geacht.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 28 mei 1994 verzocht mevrouw te Amsterdam (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of
te Amsterdam (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft
gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

Verzoekster was bij de wederpartij werkzaam als assistent-accountant.
Begin 1993 is aan tien werknemers, waaronder verzoekster, ontslag
aangezegd. Allen zijn uiteindelijk weggegaan bij (deze vestiging van)
de wederpartij. Verzoekster is van mening dat zich onder deze groep
relatief veel vrouwen bevonden, reden waarom zij stelt dat de
wederpartij heeft gehandeld in strijd met de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen (WGB: Stb. 1989, 168).

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid heeft het verzoek in behandeling genomen. Op 1 september 1994 is
de Algemene Wet gelijke behandeling in werking getreden (AWGB; Stb.
1994, 230). De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid is op die datum opgeheven. Zij heeft haar werkzaamheden
overgedragen aan de op 1 september 1994 ingestelde Commissie gelijke
behandeling. Deze Commissie heeft het onderzoek voortgezet.

2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen voor een zitting op 7 december
1994.

2.3. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mevrouw (verzoekster) – mevrouw
mr G. van Driem (advocate)

van de kant van de wederpartij – de heer (hoofd
personeelszaken) – mw

van de kant van de Commissie – dhr prof. mr P.F. van der Heijden
(Kamervoorzitter) – mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer) – mw drs
A.J. Huber (lid Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen (juridisch adviseur).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1 De wederpartij is een accountancy- en adviesorganisatie, behorend
tot de zogenaamde ‘kennisindustrie’. Kenmerkend voor de branche acht de
wederpartij de voortdurende innovatie en ontwikkeling in deskundigheid.
De elkaar snel opvolgende ontwikkelingen vragen volgens de wederpartij
veel van (het leervermogen van) het personeel. Zij stelt daarom hoge
eisen aan (het tempo van) de persoonlijke ontwikkeling van de
medewerkers. Medewerkers worden geplaatst in vaste loopbaantrajecten.
Bij goed functioneren en een continue ontwikkeling heeft een medewerker
voortdurend uitzicht op promotie. Blijkt evenwel dat door stagnatie in
ontwikkeling/functioneren promotie naar een volgend functieniveau is
uitgesloten, dan wordt met de betrokken medewerker de voortzetting van
de carriere buiten de organisatie van de wederpartij besproken. Deze
vorm van personeelsbeleid betekent dat er een constante toestroom,
doorstroom en uitstroom van medewerkers bestaat. 50% van de medewerkers
blijft minder dan vier jaar bij de wederpartij.

3.2. Het doorstroombeleid is typerend voor de organisatie van de
wederpartij. Vanaf de eerste kennismaking met (potentiele) werknemers
wordt dit beleid benadrukt. In een nota loopbaanontwikkeling en in
bijvoorbeeld personeelsjaarverslagen wordt het doorstroombeleid
beschreven. Vanaf eind 1993 wordt in de arbeidsovereenkomsten de
volgende bepaling opgenomen: ‘( …) hanteert voor haar professionele
staf vaste loopbaantrajecten. De maatschap biedt door opleiding en
training optimale faciliteiten teneinde deze professionele staf in de
gelegenheid te stellen dit loopbaantraject te doorlopen. Hierdoor is
bij een continue ontwikkeling voortdurend sprake van het vooruitzicht
op een promotie. Indien op enig moment in iemands carriere blijkt dat
door stagnatie in ontwikkeling en/of functioneren een promotie naar een
volgend functie-niveau van dit loopbaantraject is uitgesloten, zal in
het algemeen met de betrokken professional worden gesproken over
voortzetting van de carriere buiten de maatschap.’

Verder wordt in de regeling die geldt bij overplaatsing en ontslag,
aandacht besteed aan de positie van medewerkers die als gevolg van het
doorstroombeleid de organisatie verlaten. Hen wordt de mogelijkheid
geboden tot bijvoorbeeld bij- of omscholing, overplaatsing naar een
andere functie binnen de organisatie of plaatsing bij externe relaties.
Ook kan aan een vertrekkende medewerker een aanvulling op
loon/uitkering worden gegeven. De wederpartij streeft ernaar een goede
relatie met de vertrekkende werknemer te handhaven. Deze komt bij een
andere werkgever namelijk vaak terecht op een positie waarin deze
contacten met haar onderhoudt.

3.3. Verzoekster is op 1 september 1991 in dienst getreden bij de
wederpartij. Uit een beoordeling van verzoekster, door verzoekster
getekend op 11 juni 1992, blijkt dat zij overwegend 3 en 4 scoort, wat
staat voor goed respectievelijk normaal-goed (functioneren
overeenkomstig de eisen die aan de functie worden gesteld). Punt van
kritiek was verzoeksters werktempo. Haar lage werktempo zou worden
veroorzaakt door een te gedetailleerd werken. Verder zou verzoekster
haar clintenpakket moeten uitbreiden tot een volwaardig clintenpakket.

In februari 1993 zijn met tien assistent-accountants, waaronder
verzoekster, gesprekken gevoerd over het voortzetten van hun carriere
buiten de organisatie. Van het gesprek met verzoekster heeft de
wederpartij een gespreksverslag overgelegd. Daarin is aangegeven dat de
carrierelijn van verzoekster definitief is geblokkeerd. Op verzoeksters
vraag waarom nu plotseling een negatieve beoordeling werd gegeven, gaf
de wederpartij blijkens het gespreksverslag aan dat sprake een
beoordeling relatief is. Zij heeft nagenoeg alleen medewerkers in
dienst die goede verwachtingen rechtvaardigen, wat betekent dat de
beoordeling geen diskwalificatie inhoudt. De wederpartij drong aan op
beeindiging van het dienstverband met ingang van 1 juni 1993.
Verzoekster heeft met ingang van 1 augustus 1994 ontslag genomen.

3.4. De groep die tegelijk ontslag kreeg aangezegd, bestond uit vijf
mannen en vijf vrouwen. Normaliter zou het aanzeggen van ontslag aan
deze medewerkers op een later tijdstip zijn gebeurd. Enerzijds vanwege
de snel verslechterende arbeidsmarkt en de behoefte om een sluipend
negatief proces te voorkomen (geruchtencircuit), en anderzijds vanwege
de slechte economische situatie in het bedrijfsleven wat de wederpartij
noodzaakte tot een kritische beschouwing van haar personeelsformatie,
is er voor gekozen de medewerkers eerder op de hoogte te stellen.
Vanwege praktische redenen zijn de individuele gesprekken vervolgens op
een dag gevoerd.

Al deze tien medewerkers hebben de organisatie verlaten.

3.5. In totaal waren eind 1993 1.195 vrouwen en 2.146 mannen in dienst
bij de wederpartij. Verzoeksters functie behoort tot functiegroep 4. In
deze functiegroep waren in 1993 195 vrouwen (16,3% van het totaal
aantal vrouwen) en 365 mannen (17% van het totaal aantal mannen)
ingedeeld.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoekster stelt dat de wederpartij een verboden onderscheid
heeft gemaakt naar geslacht bij de beeindiging van de
arbeidsovereenkomst, door haar en negen collega’s ontslag aan te
zeggen. Weliswaar zijn de medewerkers formeel op eigen initiatief
weggegaan, feitelijk zijn zij daarin aangemoedigd door de wederpartij.
De wederpartij kan daarop dan ook aangesproken worden.

Verzoekster is in de eerste plaats van mening dat haar functioneren
geen reden voor ontslag kan zijn. Zij heeft namelijk geen slechte
beoordelingen gekregen, deze waren gemiddeld voldoende tot ruim
voldoende. Wanneer haar prestaties onvoldoende zouden zijn geweest, zou
een waarschuwing op zijn plaats zijn geweest. Zij had dan nog de kans
gehad zich te verbeteren. Overigens is haar nadat haar ontslag was
aangezegd, door een leidinggevende verteld dat haar ontslag een
vergissing was. Omdat toen de sfeer niet meer optimaal was, heeft
verzoekster toch een andere baan gezocht. Verzoekster was er wel van op
de hoogte dat het doorstroombeleid hoge eisen stelt aan het personeel.

3.7. In de tweede plaats, zo stelt verzoekster, bevonden zich in de
groep van tien medewerkers die ontslag is aangezegd relatief veel
vrouwen, waarmee de wederpartij een vermoeden van indirect onderscheid
naar geslacht op zich laadt. Ook bevonden zich in deze groep relatief
veel Antilliaanse mensen. Verzoekster is zich er evenwel van bewust dat
de WGB alleen ziet op onderscheid van geslacht, en dat de AWGB ten
tijde van dit onderscheid nog niet in werking was getreden.

De wederpartij heeft volgens verzoekster niet kunnen verklaren waarom
relatief meer vrouwen en Antillianen ontslag is aangezegd. Wellicht
speelt ook mee dat vrouwen vaak dubbel belast worden in verband met
kinderen en/of dat door een verschil in opvoeding van meisjes en
jongens, meisjes minder leren om initiatieven te nemen dan mannen,
waardoor zij minder aan de promotie-eisen in doorstroomorganisaties
kunnen voldoen. Dat betekent dat het hanteren van een doorstroombeleid
zoals de wederpartij dat doet, op zichzelf al in het nadeel van vrouwen
is.

3.8. De wederpartij is van mening dat zij geen onderscheid heeft
gemaakt op grond van geslacht. Zij wijst in de eerste plaats op haar
personeelsbeleid, waarin hoge eisen worden gesteld aan het functioneren
van medewerkers. Er is een permanente instroom, doorstroom en uitstroom
van medewerkers. De wederpartij ziet het beeindigen van een
dienstverband als een natuurlijk proces, en helpt en stimuleert
medewerkers bij het zoeken naar een andere werkkring. Het betreft
steeds afwegingen in individuele situaties. De wederpartij bestrijdt
dan ook dat zij op enig moment een groep medewerkers heeft gese-
lecteerd. In de onderhavige situatie is voor elk van de tien personen
op een gegeven moment de conclusie getrokken dat de arbeidsovereenkomst
tot een einde moest komen. Maar niet dan nadat deze conclusie was
voorgelegd aan een groep managers en vennoten.

Normaliter zou deze conclusie op een later tijdstip zijn meegedeeld aan
de medewerkers. Omdat nu op een dag met tien personen gesprekken zijn
gevoerd, kan de suggestie van een groep zijn gewekt.

3.9. Voor wat betreft de beoordeling van verzoeksters functioneren met
de cijfers 3/4 (normaal/goed), stelt de wederpartij dat dergelijke
scores discussiegevallen zijn. Het betekent dat een medewerker
weliswaar voldoende uitvoert wat wordt gevraagd, maar dat deze weinig
extra initiatief ontplooit. Overigens stroomt steeds een bepaald deel
van het personeel door, wat betekent dat het kan afhangen van de score
van collega’s of een medewerker die 3/4 scoort wel of niet doorstroomt.
Aan de basiseisen moet evenwel altijd worden voldaan.

3.10. Voor wat betreft de positie van vrouwen binnen haar organisatie,
stelt de wederpartij dat zij de functie van verzoekster zeker geschikt
acht voor vrouwen. Gewerkt wordt in een modern, goed geoutilleerd
kantoor, waar arbeid wordt verricht die lichamelijk niet zwaar is. Wel
is het zo dat vrouwen bij klanten nog vaak met mannelijke tegenspelers
te maken hebben. Vrouwen haken vaak ook eerder af dan mannen, wat de
wederpartij betreurt. Getracht wordt wel vrouwen binnen de organisatie
te krijgen/houden. Een element van het beleid dat daarop is gericht, is
de kinderopvangregeling.

Volgens de wederpartij blijkt uit de overgelegde cijfers dat het
aandeel van mannen en vrouwen in de organisatie, en de in- en uitstroom
van mannen en vrouwen min of meer gelijkblijvend is. De overgelegde
uitstroomcijfers betreffen overigens niet alleen medewerkers die op
initiatief van de wederpartij vertrekken, maar ook medewerkers die op
eigen initiatief of vanwege VUT of AOW, uitstromen. Zij betreurt dat de
schijn van discriminatie is gewekt, maar gaat ervan uit dat deze schijn
nu is weggenomen. De overgelegde cijfers betreffen de gehele
organisatie, maar ook op micro-niveau zoals bijvoorbeeld de
business-unit waarin verzoekster werkzaam was, is het aandeel van
mannen en vrouwen constant.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. De Commissie constateert allereerst dat verzoekster zelf haar
arbeidsovereenkomst heeft beeindigd. Partijen zijn het er evenwel over
eens dat het initiatief daartoe bij de wederpartij lag; zij heeft
verzoekster ervan op de hoogte gesteld tot een beeindiging van de
arbeidsovereenkomst te willen komen. Derhalve is in geding de vraag of
de wederpartij bij de beeindiging van de arbeidsovereenkomst met
verzoekster onderscheid heeft gemaakt naar geslacht in strijd met
artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 7A:1637ij
eerste lid BW verbiedt de werkgever om direct of indirect onderscheid
te maken tussen mannen en vrouwen bij onder meer de beeindiging van de
arbeidsovereenkomst. Ingeval van direct onderscheid wordt rechtstreeks
op grond van het geslacht van een medewerker onderscheid gemaakt. Dat
is in deze zaak niet aan de orde. Onder indirect onderscheid wordt
verstaan onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan het
geslacht, dat onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft,
tenzij dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is.

Verzoekster acht het in strijd met de wetgeving gelijke behandeling dat
haar ontslag is aangezegd. Enerzijds bestrijdt zij het oordeel van de
wederpartij dat zij zichzelf onvoldoende kwalificeert. Bovendien is
volgens verzoekster in februari 1993 aan relatief veel vrouwen ontslag
aangezegd.

4.2. De Commissie stelt op het punt van het functioneren van
verzoekster, vast dat het niet tot haar taak behoort om te beoordelen
of een werknemer al dan niet voldoende functioneert (Onder meer
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid van
16 september 1993, oordeelnummer 575-93-33). Zij is gelet op de Wet,
slechts bevoegd om na te gaan of de wederpartij om redenen die met
verzoeksters geslacht samenhangen, het dienstverband met verzoekster
wil beindigen. Hierbij kan zij echter wel betrekken of zij het
aannemelijk acht dat de wens tot beeindiging van het dienstverband
verband houdt met het functioneren van verzoekster.

De wederpartij heeft het hoe en waarom van het door haar gehanteerde
doorstroombeleid uitvoerig gemotiveerd. Verzoekster was van dit beleid
ook op de hoogte. Kern van dit beleid, zo leidt de Commissie uit het
betoog van de wederpartij af, is dat een medewerker die de eigen
functie op zichzelf goed uitvoert, zich met het oog op de toekomst toch
onvoldoende kan kwalificeren om door te stromen. Dat is voor de
wederpartij dan reden om met de medewerker te gaan praten over
voortzetting van de arbeidsloopbaan bij een andere werkgever. Uit
hetgeen beide partijen hebben aangevoerd leidt de Commissie af dat
verzoekster op zichzelf weliswaar voldoende functioneerde, maar dat de
wederpartij onvoldoende mogelijkheden voor doorstroming zag. De
beoordeling van verzoekster van juni 1992 geeft ook aan dat verzoekster
zich verder diende te ontwikkelen. De Commissie concludeert hieruit dat
gebleken noch aannemelijk is gemaakt dat de wederpartij bij deze
beoordeling in het individuele geval van verzoekster haar geslacht een
rol heeft laten spelen.

4.3. Rest vervolgens de vraag of de wederpartij indirect onderscheid op
grond van geslacht heeft gemaakt. Verzoekster stelt dat meer vrouwen
dan mannen ontslag is aangezegd, en geeft als mogelijke oorzaak dat
vrouwen minder dan mannen aan de eisen van het doorstroombeleid kunnen
voldoen.

Allereerst dient dan onderzocht te worden of het nadelig effect, het
aanzeggen van ontslag, mannen of vrouwen in overwegende mate treft. De
Commissie overweegt hierover als volgt.

Op 31 december 1993 waren 2.146 mannen en 1.195 vrouwen in dienst. De
uitstroom bedroeg in dit jaar 543 mannen en 309 vrouwen (36,3%). Begin
1993 waren er dus 2.689 mannen (2.146 + 543) en 1.504 vrouwen (1.195 +
309) in dienst. In 1993 is dan 20,2% van de mannen (543 van 2.689
mannen) en 20,5% van de vrouwen (309 van de 1.504 vrouwen)
uitgestroomd. Voor functiegroep 4 geldt voor 1993 dat aan het begin
van dat jaar 365 mannen en 195 vrouwen in die functiegroep zaten. De
uitstroom in dit jaar bedroeg 97 mannen en 52 vrouwen. Begin 1993 waren
er dus 462 mannen (365 + 97) en 247 vrouwen (195 + 52) in functiegroep
4. De uitstroom uit functiegroep 4 bedroeg in 1993 dan 21% van de
mannen (97 van de 462 mannen) en 21,05% van de vrouwen (52 van de 247
vrouwen).

Uit deze cijfers volgt dat ongeveer evenveel mannen als vrouwen als
aandeel in het totale aantal mannen en vrouwen, in 1993 de organisatie
hebben verlaten. Dat geldt ook wanneer alleen naar functiegroep 4 wordt
gekeken. Deze cijfers betreffen evenwel het totaal van de uitstroom,
onafhankelijk van de reden (ontslag, vrijwillig ontslag, bereiken
pensioengerechtigde leeftijd). Om na te gaan of het doorstroombeleid
een negatief effect heeft op de positie van vrouwen, moet alleen worden
gekeken naar de uitstroomcijfers als gevolg van onvrijwillig vertrek.

4.4. De uitstroomcijfers van 1993 zijn niet uitgesplitst naar de reden
van vertrek van medewerkers. Onbekend is derhalve hoeveel medewerkers
in 1993 op initiatief van de wederpartij hun arbeidsovereenkomst hebben
beeindigd. Verzoekster stelt dat wanneer gekeken wordt naar de groep
van tien medewerkers die in februari 1993 ontslag is aangezegd, vrouwen
nadelig worden getroffen.

Worden deze tien medewerkers afgezet tegen het totaal aantal
medewerkers dan luidt de conclusie dat 0,19% van de mannen (5 van de
2.689) en 0,33% van de vrouwen (5 van de 1.505) die begin 1993 werkzaam
waren bij wederpartij, op deze dag op grond van hun functioneren
ontslag is aangezegd. Wordt alleen naar functiegroep 4 gekeken dan
luidt de conclusie dat aan 1,1% van de mannen (5 van de 462 mannen) en
2% van de vrouwen (5 van de 247 vrouwen) toen ontslag is aangezegd.

Dit betekent dat – wanneer wordt gekeken naar de hele organisatie: 1,7
maal zoveel vrouwen als mannen op grond van functioneren ontslag is
aangezegd (0,19% van de mannen en 0,33% van de vrouwen); – wanneer
alleen wordt gekeken naar functiegroep 4: 1,8 zoveel vrouwen als mannen
ontslag is aangezegd (1,1% van de mannen en 2% van de vrouwen).

4.5. De Commissie acht evenwel te weinig gegevens voorhanden om op
basis van deze cijfers een vermoeden van indirect onderscheid uit te
spreken. Zij acht namelijk de verklaring van de wederpartij dat het in
casu niet om een geselecteerde groep van tien personen gaat, maar om
tien individuele gevallen aannemelijk. Verzoekster heeft de redenen die
de wederpartij gaf om op een dag tien gesprekken te voeren ook niet
bestreden. In deze situatie kan een vermoeden van indirect onderscheid
niet gebaseerd worden op een ontslagaanzegging in tien individuele
gevallen, omdat min of meer toevallig op dezelfde dag gesprekken zijn
gevoerd. Onderzocht zou moeten worden hoeveel mannen en vrouwen over
een bepaalde periode, bijvoorbeeld een jaar, ontslag is aangezegd.

De Commissie gaat ervan uit dat de wederpartij deze gegevens wel zou
kunnen overleggen, maar ziet ervan af deze op te vragen. Zij is
namelijk van oordeel dat, ook al mocht een vermoeden van indirect
onderscheid rijzen, dit in de onderhavige casus objectief
gerechtvaardigd kan worden geacht. Zij overweegt hierover als volgt.

Onder een objectieve rechtvaardigingsgrond verstaat de Commissie
(Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 5
maart 1990, oordeelnummer 1-90-10; Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Bilka- Kaufhaus versus Weber von Hartz, 13 mei 1986,
zaak 170/84; Rinner-Kuhn versus FWW Spezial Gebaudereinigung GmbH &
Co.KG, 13 juli 1989, zaak 171/88) – dat onderscheid gemaakt wordt om
een objectief gerechtvaardigd doel te dienen en – daartoe middelen zijn
gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken,
terwijl – dit doel niet is te bereiken op andere wijze waarbij geen
indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

Verzoekster stelt dat het doorstroombeleid er de oorzaak van is dat
vrouwen eerder dan mannen ontslag wordt aangezegd, omdat vrouwen minder
dan mannen aan de gestelde eisen kunnen voldoen. Dit vanwege de dubbele
belasting van vrouwen en een verschil in opvoeding. Door een
doorstroombeleid te hanteren zou de wederpartij in het individuele
geval van verzoekster in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
handelen. De Commissie acht dit een algemene stelling, die door
verzoekster slechts summier wordt onderbouwd. Bovendien is niet
aangegeven op welke wijze zijzelf door het doorstroombeleid is
belemmerd in haar functioneren.

4.6. Desalniettemin heeft de Commissie onderzocht of het hanteren van
een doorstroombeleid in de onderhavige situatie objectief gerecht-
vaardigd kan worden geacht.

De Commissie acht aannemelijk dat in de branche van de wederpartij
behoefte bestaat aan personeel met een voortdurend aanwezige
leercapaciteit. Het produkt dat dergelijke organisaties leveren bestaat
uit kennis. Deze kennis is verzameld in het personeel. Dit personeel
draagt de kennis over aan opdrachtgevers, en dient voldoende capaciteit
te hebben om ontwikkelingen te volgen. Daartoe weegt de wederpartij in
haar beoordelingen van personeel ook de groeicapaciteit mee. Getracht
wordt te voorzien hoe een medewerker in de toekomst zal functioneren.
Ook ten aanzien van verzoekster is zo gehandeld, getuige haar
beoordeling van juni 1992. Deze geeft namelijk enkele punten aan waarop
zij zich verder diende te ontwikkelen. De Commissie stelt vast dat het
doel dat de wederpartij met haar doorstroombeleid nastreeft, het
beschikken over personeel met voldoende groeipotentieel, in dit licht
objectief gerechtvaardigd moet worden geacht. Het gekozen middel, het
voortdurend beoordelen van personeel op toekomstig functioneren acht
zij daartoe geschikt, en ook noodzakelijk, waarbij een andere manier om
hetzelfde doel te bereiken niet voorhanden lijkt. Voortijdig moet
immers worden gesignaleerd welke punten van kritiek er zijn, die op een
later tijdstip eventueel tot een ontslagaanvraag zouden kunnen leiden.
Anders dan verzoekster stelt, is ook zij gezien haar beoordeling van
juni 1992 ruim een half jaar voor de ontslagaanzegging, op de hoogte
gesteld van de onderdelen in haar functioneren die voor verbetering
vatbaar waren.

De Commissie acht het gehanteerde doorstroombeleid in de onderhavige
situatie dan ook objectief gerechtvaardigd.

4.7. Zij voegt hier evenwel aan toe dat zij het niet ondenkbaar acht
dat bepaalde groepen minder optimaal functioneren binnen organisaties
in een cultuur met een dergelijk strak competitief doorstroombeleid. In
de onderhavige situatie is evenwel ten aanzien van verzoekster niet
gebleken dat de beeindiging van haar dienstverband hiermee in verband
stond.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat niet gebleken is dat
te Amsterdam jegens mevrouw te Amsterdam onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt, in strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek.

Rechters

dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter), mw prof. mrJ.E. Goldschmidt (lid Kamer), mw drs A.J. Huber (lid Kamer), mw mrG.L.M. Lenssen (juridisch adviseur)

Instantie: Kantonrechter Rotterdam, 6 december 1994

Instantie

Kantonrechter Rotterdam

Samenvatting


Werkgever en werkneemster verzoeken om ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
Werkneemster vordert een schadevergoeding van ƒ 60 220 en een immateriële
schadevergoeding van ƒ 10 000.
Werkneemster heeft in februari 1994 de directeur medegedeeld dat zij
gedurende 12 jaar was lastiggevallen door haar filiaalchef. De directeur
heeft daarop onderzoek verricht en kwam tot de conclusie dat er onvoldoende
bewijs was, zelfs nadat door de werkneemster aangifte was gedaan. Uit het
onderzoek kwam wel naar voren dat de filiaalchef slecht met jongeren kon
omgaan. Daarom is het dienstverband met de filiaalchef beëindigd.
De kantonrechter meent dat de arbeidsverhouding dusdanig is verstoord dat
moet worden overgegaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Daarbij is
het redelijk dat er een vergoeding wordt vastgesteld.
Gelet op de duur van het dienstverband, de leeftijd van werkneemster en het
feit dat zij gedurende enige tijd inkomensderving zal lijden, wordt een
materiële vergoeding van bruto ƒ 27 500 ineens in overeenstemming met de
redelijkheid en de billijkheid geacht. Tevens kent de kantonrechter een
immateriële schadevergoeding van ƒ 2500 toe.

Volledige tekst

Het verloop van het geding

Op 31 oktober 1994 is ter griffie van het kantongerecht te Rotterdam het
verzoekschrift ontvangen, waarbij verzoekster – nader te noemen `V. B.V.’ –
heeft verzocht de arbeidsovereenkomst tussen haar en verweerster – nader te
noemen M. -, wegens gewichtige redenen, gelegen in wijziging van
omstandigheden te ontbinden.
Namens M. is op 21 november 1994 een verweerschrift ingediend, strekkende tot
ontbinding van de arbeidsovereenkomst met toekenning van een vergoeding ten
laste van V. B.V. van ƒ 60 220, alsmede tot een immateriële vergoeding van ƒ
10 000.
De mondelinge behandeling heeft op 23 november 1994 plaatsgevonden.
Ter zitting waren partijen, vergezeld van hun gemachtigden, aanwezig.
Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden, welke bij de stukken
is gevoegd.
De beschikking is bepaald op heden.
De beoordeling van het verzoek

M. is op 28 juni 1977 als verkoopster bij V. B.V. in dienst getreden.
Uitgaande van een 29-urige werkweek bedraagt haar salaris thans bruto ƒ
1629,95 of 1639,95 per maand.
M. werkte in het filiaal X van V. B.V.
Tussen partijen zijn problemen ontstaan nadat M. in februari 1994 aan de
directeur van V. B.V. meedeelde dat zij gedurende 12 jaar door de filiaalchef
B. seksueel was geïntimideerd.
Naar aanleiding daarvan heeft de directeur persoonlijk een onderzoek
ingesteld onder het personeel. Afgezien van B’s ontkenning van de
beschuldigingen, meende de directeur dat seksuele intimidatie onvoldoende was
komen vast te staan.
Nadat M. bij de politie aangifte had gedaan van de seksuele intimidatie, heeft
de directeur wederom zelf een onderzoek verricht.
Zijn conclusie naar aanleiding daarvan was wederom dat hij te weinig
aanknopingspunten vond, die M’s beschuldigingen bevestigden.
Ook M. heeft in die periode getracht verklaringen van personeelsleden te
verkrijgen ter ondersteuning van haar beschuldiging.
Binnen het bedrijf van V. groeide een en ander uit tot een rel.
In juli 1994 heeft M, die ziek thuis zat, aan V. te kennen gegeven dat zij,
onder de voorwaarde dat zij niet met B. zou worden geconfronteerd, haar werk
weer wenste te hervatten.
Dit heeft echter niet tot wedertewerkstelling geleid.
Door het onderzoek van V. kwam wel aan het licht dat B. slecht met jongeren
kon opschieten, hetgeen met jongere personeelsleden problemen opleverde, en
zich regelmatig – vooral tegenover vrouwen – op groffe wijze uitliet.
Uiteindelijk heeft dit ertoe geleid dat het dienstverband met hem per 3
oktober 1994 werd beëindigd.
Daarop heeft M. – die zich ziek had gemeld – gevorderd haar werk te mogen
hervatten. V. heeft dit geweigerd.
V. heeft alstoen een ontbindingsverzoek ingediend, M. maakte harerzijds een
voorlopige voorzieningenprocedure aanhangig, waarin zij wedertewerkstelling
vorderde. Deze werd op 2 november 1994 behandeld.
Ter zitting werden partijen in de gelegenheid gesteld `het weer met elkaar te
proberen’. In afwachting van het resultaat van deze poging werd de mondelinge
behandeling aangehouden tot 23 november 1994.
Partijen zijn het erover eens dat de poging is mislukt, reden waarom zij
thans beiden ontbinding van de arbeidsovereenkomst nastreven.
M. heeft de vordering voorlopige voorziening inmiddels ingetrokken.
Tot zover de als erkend, dan wel niet of onvoldoende weersproken, vaststaande
feiten.
Op grond van de stukken en de mededelingen van partijen ter zitting, is de
kantonrechter er van overtuigd geraakt, dat de arbeidsrelatie tussen hen
zodanig is verstoord, dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn – uiterlijk
op 1 januari 1995 – dient te worden ontbonden.
Niet gezegd kan worden dat M. een verwijt van de verstoring van de
arbeidsrelatie kan worden gemaakt.
Weliswaar kan in het kader van deze procedure niet worden vastgesteld of, en
zoja in hoeverre, de beschuldiging van M. juist is – de kantonrechter neemt
ten deze een neutraal standpunt in -, vaststaat wel dat op het functioneren
van B. – vooral op zijn houding tegenover het personeel – het nodige was aan
te merken, alsook dat hij zich bediende van groffe opmerkingen waarbij met
name vrouwen in verlegenheid werden gebracht.
Uit hetgeen de directeur van V. ter zitting heeft medegedeeld, moet het
ervoor worden gehouden dat hij – anders dan in het verzoekschrift is gesteld
– M. niet verwijt uit eigener beweging steun bij het personeel te hebben
gezocht.
Hij is echter van mening dat er thans een situatie is ontstaan waarin
terugkeer van M. niet meer mogelijk is.
Inmiddels wordt dit door M. bevestigd.
In de gegeven omstandigheden wordt het redelijk geacht, dat aan M. een
vergoeding ten laste van V. B.V. wordt toegekend.
De door laatstgenoemde gevraagde vergoeding – neerkomende op 34
maandsalarissen – acht de kantonrechter echter buiten iedere proportie.
Gelet op de duur van het dienstverband, de leeftijd van M. en het feit dat
zij – naar te verwachten valt – gedurende enige tijd inkomstenderving zal
lijden, wordt een materiële vergoeding van een bedrag ineens van bruto ƒ 27
500 in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid geacht.
Daarbij acht de kantonrechter – in de gegeven omstandigheden – een
immateriële vergoeding van ƒ 2500 op zijn plaats
Hierbij wordt overwogen, dat de ophef die het incident binnen het bedrijf
heeft veroorzaakt, naar de mening van de kantonrechter niet aan M. kan worden
verweten.
De felle reacties van de mannelijke collega’s, waarvan enkele zijn
overgelegd, komen de kantonrechter overdreven voor. Deze verklaringen zouden
genegeerd dienen te worden, ware het niet dat zij mede de aanleiding zijn
voor het mislukken van M.’s terugkeer.
Anderzijds moet het de kantonrechter van het hart dat M.’s verwijten aan de
directeur van V. B.V. vooral waar het zijn onderzoek betreft en het tempo
waarin hij B. heeft ontslagen – niet zonder meer terecht zijn.
Als werkgever diende hij ook ten opzichte van B. de nodige zorgvuldigheid in
acht te nemen.
Iets meer begrip voor de problematische situatie waarin haar beschuldiging V.
B.V. bracht zou M. wel hebben kunnen opbrengen, zeker nu het hier om een
uiterst gevoelige kwestie ging.
Aan partijen zal tot uiterlijk 20 december 1994 gelegenheid worden gegeven
hun verzoek in te trekken.
Gelet op de aard van der partijen geschil en de omstandigheden van het geval,
bestaat er aanleiding de kosten van het geding te compenseren, met dien
verstande dat elk van de partijen haar eigen kosten draagt.
De beschikking
De kantonrechter:
stelt partijen tot uiterlijk 20 december in de gelegenheid om hun verzoek in
te trekken;
en
voor het geval zij van deze gelegenheid geen gebruik maken:
ontbindt der partijen arbeidsovereenkomst per 1 januari 1995;
kent aan M. ten laste van V. B.V. een materiële vergoeding toe van een bedrag
ineens van bruto ƒ 27 500 (zevenentwintigduizend en vijfhonderd gulden) en
een immateriële vergoeding van ƒ 2500 (tweeduizendvijfhonderd gulden), beide
bedragen uit te betalen uiterlijk binnen een maand na de datum van
ontbinding;
wijst af het meer of anders gevraagde;
compenseert de kosten van het geding, met dien verstande dat elk van partijen
haar eigen kosten draagt.

Rechters

Mr. G.H. Varekamp-Vos

Instantie: Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing, 6 december 1994

Instantie

Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing

Samenvatting


Het beklag betreft het voorstel tot wegplaatsing naar een huis van
bewaring vanuit een half open inrichting ter herselectie omdat
cocainegebruik was geconstateerd. De beroepscommissie oordeelt dat, waar
de directeur ook reeds bij een eerste constatering van het gebruik van
harddrugs door klaagster haar niet langer geschikt had kunnen achten voor
verblijf in een half open inrichting, de onderhavige beslissing tot haar
wegplaatsing daaruit, gebaseerd op de uitslag van twee urinecontroles, bij
afweging van alle belangen en omstandigheden van het geval, niet
onredelijk of onbillijk kan worden geacht. Zie ook CRvS, 15 december 1994,
in zaaknr. A 94/675 bij CWI (minder diep ontsloten) op te vragen.

Volledige tekst

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als
volgt:

1. Inhoud van het beklag en de beslissing van de alleensprekende
beklagrechter: Het beklag betreft het voorstel tot klaagsters wegplaatsing
naar een huis van bewaring ter herselectie.

De alleensprekende beklagrechter heeft het beklag ongegrond verklaard, op
de gronden als in de aangehechte beschikking weergegeven.

2. Standpunten van klaagster en de directeur: Klaagster heeft in beroep
volhard in het tegenover de alleensprekende beklagrechter ingenomen
standpunt. Voorts heeft zij wat het horen door de directeur betreft nog
betoogd dat zij in de gang, vanuit de isoleercel op weg naar het klaar
staande busje buiten, van de directeur wel heeft gehoord wat er aan de
hand was, doch niet de gelegenheid kreeg zelf het nodige naar voren te
brengen. Daarom was er volgens haar geen sprake van dat zij was gehoord.
Zij stond door het gebeuren dermate perplex dat zij er niet aan heeft
gedacht een contra- expertise van het urinemonster te vragen. Wel heeft
zij, toen zij eenmaal in het huis van bewaring was aangekomen, beklag
ingesteld. Wat de urinecontroles betreft wees de klaagster er op dat zij
die eerder heeft ondergaan en steeds negatief heeft gescoord. Toen zij op
haar verjaardag, een maandag, verlof had heeft zij cocaine gebruikt. Het
feit dat haar op die dinsdag afgenomen urine bij controle een positieve
uitslag had verbaasde haar dan ook niet. Zij meende evenwel recht te
hebben op een dergelijke eenmalige overtreding, zonder meteen te worden
overgeplaatst (ze had gerekend op een keer intrekking van het
weekendverlof), aangezien deze ingrijpende maatregel pas pleegt te worden
opgelegd wanneer voor de tweede keer sprake is van een positieve uitslag.
Aangezien cocaine hooguit drie dagen na gebruik in de urine aangetroffen
kan worden was zij ervan uitgegaan dat toen op de daaropvolgende donderdag
haar urine andermaal werd gecontroleerd, de uitslag negatief zou zijn. Dat
deze echter hoger uitviel dan de score van de test van dinsdag achtte zij
dan ook onbegrijpelijk; in de tussenliggende dagen had zij volstrekt niet
gebruikt.

De directeur heeft daarop geantwoord als tegenover de alleensprekende
beklagrechter. Voorts heeft hij aangevoerd dat hij bij het nemen van de
onderhavige maatregel is afgegaan -en zijns inziens ook mocht afgaan- op
de beide testuitslagen, die een stijgende lijn in klaagsters
cocainegebruik aantoonden. De directeur zette uiteen op welke wijze, door
welke functionaris en met welke voorzorgsmaatregelen de urinecontroles
worden afgenomen en uitgevoerd. Daarvan is in het onderhavige geval niet
afgeweken. Overigens is niet eerder sprake geweest van een klacht als
deze. Slechts eenmaal is verzocht om een contra- expertise; de uitslag
hiervan leverde niets nieuws op. Naar de directeur verklaarde wordt iedere
gedetineerde bij binnenkomst in de inrichting gewezen op hetgeen wel en
wat niet (druggebruik) kan, alsmede op de consequenties van het overtreden
van de regels; ook de mogelijkheid een contra- expertise aan te vragen
wordt daarbij vermeld, zodat hierop niet alsnog expliciet wordt gewezen
bij elke urinecontrole. Hoewel men na het maken van een “foutje” veelal
nog een kans krijgt betekent dit zeker niet dat men er recht op heeft om
pas bij een tweede overtreding van de regels te worden overgeplaatst.

3. Beoordeling: De beroepscommissie overweegt allereerst dat klaagster
voorafgaande aan het opleggen van de onderhavige maatregel – anders dan
wanneer sprake zou zijn van het opleggen van een disciplinaire straf-,
niet ingevolge enige wettelijk voorschrift behoefde te worden gehoord. Nu
de directeur haar naar aannemelijk is geworden, zelf mondeling heeft
geinformeerd omtrent de jegens haar genomen beslissing is in dat opzicht
geen sprake van onzorgvuldig handelen geweest. Zij overweegt voorts dat
klaagster niet heeft verzocht om een contra-expertise uit te voeren van
de haar afgenomen urinemonsters, terwijl harerzijds niet is betwist dat
zij op de hoogte was van de mogelijkheid daartoe. Zij komt tot het oordeel
dat, waar de directeur ook reeds bij een eerste constatering van het
gebruik van harddrugs door klaagster haar niet langer geschikt had kunnen
achten voor verblijf in een half open inrichting, de onderhavige
beslissing tot haar wegplaatsing daaruit, gebaseerd op de uitslag van de
twee urinecontroles, bij afweging van alle belangen en omstandigheden van
het geval, niet onredelijk of onbillijk kan worden geacht.

4. Beslissing. De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en
bekrachtigd de beschikking van de alleensprekende beklagrechter.

Rechters

Mr. J.R. Meijeringh, voorzitter, drs. T. Jongsma, en mr. G.J. teLoo, leden, mr F.H.L Cussel-te Gussinklo, secretaris

Instantie: Hof van Justitie EG, 6 december 1994

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Verdere uitleg van Emmott en Steenhorst-Neerings. Het gemeenschapsrecht
verzet zich niet tegen de toepassing van een nationale bepaling die de
terugwerkende kracht beperkt van een aanvraag voor een
arbeidsongeschiktheidsuitkering gebaseerd op de rechtstreekse werking van
richtlijn 79/7, ook wanneer deze niet tijdig naar behoren in nationaal
recht is omgezet. Het doel van de bepaling doet aan die conclusie niet af.

Volledige tekst

Arrest

1 Bij beschikking van 30 oktober 1992, ingekomen ten Hove op 10 december
daaraanvolgend, heeft de Court of Appeal krachtens artikel 177 EEG-Verdrag
een aantal prejudiciele vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn
79/7 EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24:
hierna “richtlijn 79/7”).

2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen E.R. Johnson (hierna
“verzoekster”) en de Chief Adjudication Officer over de betaling van
uitkeringen wegens ernstige arbeidsongeschiktheid.

3 Richtlijn 79/7 bevat de gemeenschapsrechtelijke bepalingen die voor dit
geding van belang zijn.

4 Volgens artikel 2 van richtlijn 79/7 is deze “van toepassing op de
beroepsbevolking -met inbegrip van zelfstandigen, van werknemers en
zelfstandigen wier arbeid is onderbroken door ziekte, ongeval of
onvrijwillige werkloosheid en van werkzoekenden- alsmede op gepensioneerde
of invalide werknemers en zelfstandigen”.

5 Artikel 4, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt:

“Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van
discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door
verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is
uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot:

-de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake
toelating tot de regelingen,

-de verplichting tot premiebetaling en de premieberekening,

-de berekening van de prestaties, waaronder begrepen verhogingen
verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende
personen, alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op
de prestaties.”

6 De termijn waarbinnen de Lid-Staten deze richtlijn moesten omzetten, is
ingevolge artikel 8 zes jaar na kennisgeving ervan, dat wil zeggen op 22
december 1984, verstreken.

7 Johnson, verzoekster in het hoofdgeding, hield in 1970 op met werken om
voor haar zes jaar oude dochter te zorgen. In 1980 wilde zij weer gaan
werken, maar wegens een rugkwaal kon zij dat niet. Daarom werd haar in
1981, toen zij alleen woonde, een niet op premiebetaling berustende
invaliditeitsuitkering (Non-Contributory Invalidity Benefit, hierna:
“NCIB”) toegekend.

8 In 1982 ging verzoekster samenwonen met een partner. De betaling van de
NCIB werd toen stopgezet, omdat in die tijd een vrouw die met een man
samenwoonde en voor die uitkering in aanmerking wilde komen, niet slechts
moest aantonen dat zij arbeidsongeschikt was, maar ook dat zij ongeschikt
was voor het verrichten van normale huishoudelijke werkzaamheden (Section
36 (2) van de toen geldende Social Security Act 1975). Deze voorwaarde
inzake ongeschiktheid voor huishoudelijke werkzaamheden gold niet voor
mannen.

9 Bij de Health and Security Act werd de NCIB afgeschaft en de Severe
Disablement Allowance (uitkering wegens ernstige invaliditeit, hierna:
“SDA”) ingevoerd, die aan mannen en vrouwen onder gelijke voorwaarden kan
worden toegekend. Op grond van Section 20 (1) van de Social Security
(Severe Disablement Allowance) Regulations 1984 kwamen evenwel degenen die
recht hadden op de vroegere NCIB, automatisch in aanmerking voor de nieuwe
SDA, zonder dat zij behoefden aan te tonen dat zij aan de nieuwe
voorwaarden voldeden.

10 Op 17 augustus 1987 diende verzoekster via een Citizens’ Advice Bureau
een aanvraag in om toekenning van een SDA.

11 Deze aanvraag werd afgewezen op grond van Section 165A van de Social
Securty Act 1975, zoals gewijzigd, die bepaalt:

“1. Behoudens andersluidende bepalingen, komen voor een uitkering enkel
in aanmerking personen die aan alle andere voor de betrokken uitkering
gestelde voorwaarden voldoen, en daarenboven

a) een aanvraag voor die uitkering indienen

i) in de voorgeschreven vorm, en ii) behoudens het bepaalde in lid 2,
binnen de gestelde termijn; ( …).”

12 In een geval als het onderhavige heeft deze bepaling tot gevolg, dat
iemand die niet heeft verzocht om betaling van de NCIB voordat deze
uitkering werd afgeschaft, niet automatisch aanspraak kan maken op
toekenning van de SDA (zie arrest van 11 juli 1991, zaak C-31/90, Johnson,
Jurispr. 1991, blz. 1- 3723, r.o. 29).

13 De Social Security Commissioners, die in hoger beroep van de zaak
kennis namen, stelden het Hof bij beschikkingen van 25 januari 1990 een
aantal vragen, onder meer over de verenigbaarheid van een dergelijke
bepaling met de richtlijn.

14 In antwoord op die vraag verklaarde het Hof in voornoemd arrest Johnson
voor recht, dat sedert 23 december 1984 een beroep kan worden gedaan op
artikel 4 van richtlijn 79/7 met het oog op buitentoepassingverklaring van
een nationale wettelijke regeling die het recht op een uitkering doet
afhangen van de voorwaarde, dat voordien een aanvraag is ingediend voor
een andere, inmiddels afgeschafte uitkering, waarvan de toekenning
afhankelijk was van een voor vrouwelijke werknemers discriminerende
voorwaarde. Wanneer passende maatregelen ter uitvoering van artikel 4 van
richtlijn 79/7/EEG ontbreken, hebben vrouwen die door het voortduren van
de discriminatie worden benadeeld, recht op dezelfde behandeling en
toepassing van dezelfde regeling als mannen die in een gelijke situatie
verkeren, zolang aan de richtlijn geen uitvoering is gegeven, het enige
bruikbare referentiekader blijft.

15 Na dit arrest van het Hof kenden de Social Security Commissioners bij
uitspraak van 16 december 1991 verzoekster een SDA toe vanaf 16 augustus
1986, dat wil zeggen twaalf maanden voor haar aanvraag, maar zij weigerden
die toekenning voor het tijdvak voor dat tijdstip.

16 Deze weigering berustte op de regel van Section 165A (3) van de Social
Security Act 1975, die bepaalt

“Niettegenstaande de krachtens deze Section vastgestelde bepalingen, kan
geen uitkering worden toegekend

( …)

c) wat de andere uitkeringen betreft (met uitzondering van de toelage voor
gehandicapten, de toelage wegens inkomstenverlies en de uitkering bij
overlijden als gevolg van een arbeidsongeval), voor tijdvakken die meer
dan twaalf maanden voor de datum van aanvraag liggen.”

17 Voor de Court of Appeal, waarbij de zaak in laatste instantie is
aangebracht, concentreerde de discussie zich op de vraag, of het arrest
van het Hof van 25 juli 1991 (zaak C- 208/90, Emmott, Jurispr. 1991, blz.
1-4269; hierna “arrest Emmott”) een precedent schiep voor de onderhavige
zaak en of verzoekster op grond daarvan een uitkering kon krijgen vanaf
de datum waarop de omzettingstermijn van de richtlijn was verstreken, te
weten 22 december 1984.

18 In het arrest Emmott verklaarde het Hof voor recht, dat het
gemeenschapsrecht zich ertegen verzet, dat de bevoegde autoriteiten van
een Lid-Staat de nationale procedurevoorschriften inzake beroepstermijnen
inroepen in het kader van een door een particulier voor de nationale
rechter tegen hen ingestelde procedure ter bescherming van de rechten die
hem rechtstreeks worden toegekend door artikel 4, lid 1, van richtlijn
79/7, zolang die Lid-Staat deze richtlijn niet naar behoren in nationaal
recht heeft omgezet.

19 Daar de Court of Appeal twijfelde aan de strekking die aan dit arrest
moest worden toegekend, besloot zij de behandeling van de zaak te schorsen
en het Hof de volgende prejudiciele vragen te stellen:

“1. Moet het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-208/90 (Emmott),
waarbij voor recht werd verklaard dat een Lid-Staat de nationale
procedurevoorschriften inzake beroepstermijnen niet mag inroepen zolang
die Lid-Staat richtlijn 79/7/EEG niet naar behoren in nationaal recht
heeft omgezet, aldus worden uitgelegd, dat het van toepassing is op
nationale regels inzake aanvragen om een uitkering over reeds verstreken
tijdvakken, wanneer een Lid-Staat maatregelen heeft getroffen om zich voor
de gestelde datum naar die richtlijn te voegen, maar een overgangsbepaling
zoals door het Hof van Justitie in beschouwing genomen in zaak 384/85
(Borrie Clarke), heeft gehandhaafd?

2. In het bijzonder wanneer:

(i) een Lid-Staat er nakoming van zijn verplichtingen krachtens richtlijn
79/7 van de Raad (hierna: ‘richtlijn’) voor de daarin gestelde datum een
wettelijke regeling heeft vastgesteld en uitgevoerd;

(ii) de Lid-Staat aanvullende overgangsbepalingen invoert om de positie
van rechthebbenden op reeds bestaande sociale- zekerheidsuitkeringen
veilig te stellen;

(iii) indien als gevolg van een prejudiciele beslissing van het Hof van
Justitie blijkt dat de overgangsbepalingen in strijd zijn met de
richtlijn;

(iv) een particulier kort na voornoemde prejudiciele beslissing voor een
nationale rechterlijke instantie alsnog een aanvraag om een uitkering
indient met een beroep op de overgangsbepalingen en de richtlijn, waarop
die particulier de uitkering wordt toegekend voor de toekomst en over de
twaalf maanden voor de indiening van de aanvraag, overeenkomstig de
relevante nationale bepalingen inzake betalingen over het tijdvak voor de
indiening van de aanvraag,

moet de nationale rechterlijke instantie die nationale bepalingen inzake
achterstallige betalingen dan buiten toepassing laten vanaf het tijdstip
waarop de termijn voor uitvoering van de richtlijn is verstreken, te weten
23 december 1984?”

20. Met deze vragen, die te zamen moeten worden onderzocht, wenst de
nationale rechter in wezen te vernemen, of het verenigbaar is met het
gemeenschapsrecht, dat een bepaling van nationaal recht, die het tijdvak
voor de indiening van de aanvraag waarover achterstallige uitkeringen
kunnen worden verkregen, beperkt, wordt toegepast op een aanvraag die
gebaseerd is op de rechtstreeks werking van richtlijn 79/7, ook wanneer
de betrokken Lid-Staat deze richtlijn niet tijdig naar behoren in
nationaal recht heeft omgezet.

21. Vooraf zij eraan herinnerd, dat de aanspraak op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering onder gelijke voorwaarden als voor mannen
gelden, welke aanspraak vrouwen ontlenen aan de rechtstreekse werking van
artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7, moet worden uitgeoefend
overeenkomstig de door de nationale bepalingen gestelde voorwaarden. Het
is evenwel vaste rechtspraak, dat deze voorwaarden niet ongunstiger mogen
zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden, en dat
zij de uitoefening van de door de communautaire rechtorde verleende rechte
in de praktijk niet onmogelijk mogen maken (zie arrest van 27 oktober
1993, zaak C-338/91, Steenhorst-Neerings, Jurispr. 1993, blz. I-5475, r.o.
15, en arrest Emmott, r.o. 16)

22. In casu blijkt uit de tekst van de omstreden bepaling, dat zij van
algemene toepassing is en dat vorderingen op grond van het
gemeenschapsrecht derhalve niet aan minder gunstige voorwaarden worden
onderworpen dan voor soortgelijke nationale vorderingen gelden.

23. Verder maakt deze bepaling die enkel het tijdvak voor de indiening van
de aanvraag beperkt waarover achterstallige uitkeringen kunnen worden
verkregen, de vordering van de justitiabele die zich op het
gemeenschapsrecht beroept, niet praktisch onmogelijk.

24. Onder verwijzing naar de bewoordingen van het arrest Emmott stelt
verzoekster evenwel, dat de betrokken bepaling een “nationaal
procedurevoorschrift inzake termijnen” is, en dat een Lid-Staat zich er
dus niet op kan beroepen zolang hij een richtlijn niet “naar behoren heeft
omgezet”.

25. Het is juist, dat het Hof in dat arrest heeft verklaard, dat zolang
een richtlijn niet naar behoren in nationaal recht is omgezet,
particulieren niet in staat zijn de precieze omvang van hun rechten te
kennen (r.o. 21), en dat de gebrekkige Lid-Staat zich derhalve tot het
moment van die omzetting niet kan beroepen op termijnoverschrijding door
een particulier die een procedure tegen die staat instelt ter bescherming
van de rechten die hij aan de bepalingen van die richtlijn ontleent, zodat
een in het nationale recht vastgelegde beroepstermijn niet voor dat
tijdstip kan gaan lopen (r.o. 23).

26. Uit het arrest Steenhorst-Neerings blijkt echter, dat de in het arrest
Emmott gevonden oplossing werd gerechtvaardigd door de specifieke
omstandigheden van die zaak, waarin als gevolg van verval van recht
verzoekster in het hoofdgeding geen enkele mogelijkheid meer had, haar
recht op gelijke behandeling ingevolge de richtlijn te doen gelden.

27. In het arrest Steenhorst-Neerings wees het Hof erop (r.o. 20), dat in
de zaak Emmott de verzoekster in het hoofdgeding naar aanleiding van ‘s
Hofs arrest van 24 maart 1987 (zaak 286/85, McDermott en Cotter, jurispr.
1987, blz. 1453) had gevorderd, dat vanaf 23 december 1984 ingevolge
artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 op haar hetzelfde stelsel van
invaliditeitsuitkering zou worden toegepast als op mannen die in dezelfde
situatie verkeren. Vervolgens hadden de betrokken administratieve
autoriteiten geweigerd op dit verzoek te beslissen, op grond dat richtlijn
79/7 nog voorwerp van geschil voor een nationale rechterlijk instantie
was. Ten slotte, en ofschoon richtlijn 79/7 nog niet naar behoren in
nationaal recht was omgezet, werd haar het verval van haar rechtsvordering
tot vaststelling dat deze autoriteiten haar verzoek hadden moeten
inwilligen, tegengeworpen.

28. Daarentegen tastte de bepaling waarom het in het arrest
Steenhorst-Neerings ging, niet het recht zelf van de justitiabele aan om
zich voor een nationale rechterlijke instantie tegenover een gebrekkige
Lid-Staat op richtlijn 79/7 te beroepen; zij beperkte enkel de
terugwerkende kracht van aanvragen tot verkrijging van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering tot een jaar.

29. Het Hof kwam tot de slotsom (r.o. 24) dat het gemeenschapsrecht zich
niet verzet tegen de toepassing van een bepaling van nationaal recht,
volgens werkte een arbeidsongeschiktheidsuitkering niet vroeger dan een
jaar voor de datum van aanvraag kan ingaan, wanneer een particulier zich
beroept op de rechten die met ingang van 23 december 1984 rechtstreeks
worden toegekend door artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 en de betrokken
Lid-Staat deze bepaling op de datum van aanvraag nog niet naar behoren in
nationaal recht heeft omgezet.

30. In casu komt de nationale bepaling waarop de vordering van verzoekster
voor de verwijzende rechter afstuit, overeen met de bepaling die in de
zaak Steenhorst-Neerings in geding was. In beide gevallen gaat het om een
voorschrift dat de vordering niet uitsluit, maar enkel het tijdvak voor
de indiening van de aanvraag, waarover achterstallige uitkeringen kunnen
worden verkregen, beperkt.

31. Ter terechtzitting heeft verzoekster evenwel betoogd, dat de twee
zaken niet met elkaar kunnen worden vergeleken, omdat de omstandigheden
ervan verschillen.

32. In de eerste plaats betoogt zij, dat op bepaalde gebieden van de
sociale zekerheid, en meer bepaald in het onderhavige geval zonder
problemen kan worden vastgesteld, of de aanvrager voor de datum van
indiening van de aanvraag aan de voorwaarden voor het recht op de
uitkering voldoet. Daar volgens de in het Verenigd Koninkrijk geldende
bepalingen zo vervolgt zij, de bewijslast op de aanvrager rust, zal deze
in het ongelijk worden gesteld indien door het tijdsverloop dat bewijs
niet meer kan worden geleverd.

33. In de tweede plaats betoogt verzoekster, dat de uitkering waarom het
in de onderhavige zaak gaat, niet op premiebetaling berust, zulks in
tegenstelling tot die welke in de Steenhorst-Neerings in geding was, en
dat er in casu derhalve geen noodzaak bestaat, het financieel evenwicht
van een fonds met beperkte reserves te bewaren. De betalingen van
achterstallige uitkeringen vanaf het einde van de omzettingstermijn zou
de staatsmiddelen niet zwaarder belasten dan wanneer de richtlijn tijdig
naar behoren was omgezet.

34. Deze argumenten lijken niet beslissend. De persoonlijk situatie van
verzoekster in het hoofdgeding en de uitkering waarop zij aanspraak maakt,
verschillen inderdaad in bepaalde opzichten van de situatie en de
uitkering waarvan in het arrest Steenhorst-Neerings sprake was.

35. Dat neemt niet weg, dat de bepaling waarom het thans gaat, identiek
is aan die in het zaak Steenhorst-Neerings, en dat de toepassing van deze
bepalingen de uitoefening van op de richtlijn gebaseerde rechten niet
onmogelijk maakt.

36. Gelet op het voorgaande moet aan de nationale rechterlijk instantie
worden geantwoord, dat het gemeenschapsrecht zich er niet tegen verzet,
dat een bepaling van nationaal recht, die enkel het tijdvak voor de
indiening van de aanvraag waarover achterstallige betalingen kunnen worden
verkregen, beperkt, wordt toegepast op een aanvraag die op de
rechtstreekse werking van richtlijn 79/7 is gebaseerd, ook wanneer de
betrokken Lid-Staat deze richtlijn niet tijdig naar behoren in nationaal
recht heeft omgezet.

Kosten

37 De kosten door de Ierse en de Britse regering en door de Commissie van
de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het
Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien
van partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen
incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de
kosten heeft te beslissen.

Het Hof van Justitie

uitspraak doende op de door de Court of Appeal bij beschikking van 30
oktober 1992 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Het gemeenschapsrecht verzet zich er niet tegen, dat een bepaling van
nationaal recht, die enkel het tijdvak voor de indiening van de aanvraag
waarover achterstallige betalingen kunnen worden verkregen, beperkt, wordt
toegepast op een aanvraag die gebaseerd is op de rechtstreekse werking van
richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de
geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling
van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, ook wanneer
de betrokken Lid-Staat deze richtlijn niet tijdig naar behoren in
nationaal recht heeft omgezet.

Rechters

Mrs Rodriguez Iglesias, Joliet, Schockweiler, Kapteijn, Mancini,Kakouris, Moitinho de Almeida, Murray en Edward

Instantie: Kantonrechter Schiedam, 2 december 1994

Instantie

Kantonrechter Schiedam

Samenvatting


Verweerder is op staande voet ontslagen omdat hij al gedurende vier jaar zijn
vrouwelijke collega’s benadert met discriminerende, intimiderende en seksueel
beledigende opmerkingen. Laatstelijk heeft verweerder schunnige taal gebruikt
tegenover een vrouwelijke collega en hij heeft haar aangeboden haar voor
niets zwanger te maken.
Hoewel de rechter oordeelt dat niet kan worden toegelaten dat een werknemer
een collega op een dusdanige manier bejegent en dat er in principe aanleiding
is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, wordt het ontbindingsverzoek
afgewezen omdat betrokkene een beperkt vocabulaire heeft, slecht Nederlands
spreekt, niet, of in elk geval in het bijzijn van een tolk is gewaarschuwd,
al acht jaar in dienst is en zijn werkzaamheden naar behoren verricht, graag
zijn baan wil behouden en het voor de werkgeefster niet onmogelijk is hem in
dienst te houden.
Het ontbindingsverzoek wordt afgewezen.

Volledige tekst

Motivering
Verweerder B, is sinds 17 november 1986 bij verzoekster Groothandelsgebouwen
in dienst. Hij vervult de functie van corveeër. Zijn loon bedroeg laatstelijk
ƒ 2584 bruto per maand. Zijn leeftijd is 37 jaar.
Op 6 oktober 1994 is B door Groothandelsgebouwen op staande voet ontslagen,
met als redenen – kort gezegd – dat zich op 4 oktober een handgemeen had
voorgedaan tussen B en een werkneemster waarbij B deze werkneemster heeft
bedreigd en beledigd.
Groothandelsgebouwen verzoekt thans de dienstbetrekking te beëindigen, voor
zover nog vereist, primair op grond van dringende reden en subsidiair op
grond van gewijzigde omstandigheden.
In deze procedure is komen vast te staan dat B al gedurende ongeveer vier
jaar zijn vrouwelijke collega’s benadert met discriminerende, intimiderende
en seksueel beledigende opmerkingen.
Het schoonmaakpersoneel verricht de werkzaamheden aan de hand van een steeds
wisselend schoonmaakrooster.
Voorzover er sprake is van ploegen is B ingedeeld in een ploeg waar hij geen
contact heeft met vrouwelijke collega’s.
De pauzes worden gezamenlijk doorgebracht in de kantine van het
Groothandelsgebouw.
Op 4 oktober 1994 heeft B tegen een collega, mevrouw H, gedurende de pauze,
ondermeer de woorden `stink kut’ en `vieze vrouw’ gezegd. B heeft dat niet
weersproken. Verder zou B gezegd hebben dat vrouwen minderwaardig zijn aan
mannen, dat zij geen kinderen kon krijgen omdat haar man niet in staat zou
zijn haar zwanger te maken.
B zou voorts met een koffielepeltje mevrouw H tussen haar ribben hebben
gestoken en aan haar haar hebben getrokken.
B was ter zitting vergezeld van zijn schoonzus, die voor zover mogelijk alles
vertolkte wat zich op de zitting voordeed. De kantonrechter had niet de
indruk dat B de heem rechtstreeks in het Nederlands gestelde vragen volledig
begreep.
Bij monde van zijn gemachtigde betwistte B dat hij zijn vrouwelijke collega
had gestoken en aan haar haar had getrokken. Hij zou alleen in haar richting
hebben gebaard met het lepeltje en haar niet hebben geraakt en slechts met
zijn hand haar hoofd hebben geraakt.
Verder heeft B gewezen op de `cultuur’ binnen de schoonmaakploeg waar over en
weer het maken van opmerkingen van de orde als hiervoor vermeld gebruikelijk
zijn.
De kantonrechter is met Groothandelsgebouwen van oordeel dat niet kan worden
toegelaten dat een werknemer een andere werknemer zodanig bejegent als
hiervoor is komen vast te staan. B heeft zich in de werksituatie, of dat nu
tijdens het werk is, te onthouden van het doen van zulke grove beledigingen.
Er is dus in beginsel aanleiding de arbeidsovereenkomst te ontbinden.
De vraag is echter of B heeft beseft welke strekking de door hem gebezigde
woorden hadden. B spreekt slecht Nederlands en heeft misschien een wat
beperkt vocabulaire. Daarbij komt dat B in het verleden niet uitdrukkelijk is
gewaarschuwd dat hij zich van het bezigen van die taal moest onthouden, in
ieder geval niet in het bijzijn van een tolk en voorts dat hij al acht jaar
in dienst is van Groothandelsgebouwen en zijn werkzaamheden op zich naar
behoren verricht.
Het zal voor deze werknemer van Marokkaanse afkomst voorts niet eenvoudig
zijn een andere betrekking te vinden.
Daar tegenover staan vier – schriftelijke – verklaringen van zijn vrouwelijke
collega’s betreffende de ernstige beledigingen en de gebeurtenissen op 4
oktober 1994.
Het karakter van deze ontbindingsprocedure staat naar het oordeel van de
kantonrechter een diepgaand onderzoek naar de feiten in de weg.
Dit alles in aanmerking nemende acht de kantonrechter voorshands geen termen
aanwezig de arbeidsovereenkomst te ontbinden, waarbij nog van belang is dat B
graag zijn baan wil behouden en niet is gebleken dat een voortzetting aan de
zijde van Groothandelsgebouwen onmogelijk is.
De hierboven vaststaande feiten maken, dat het verzoek niet kan worden
ingewilligd, immers de daarbij aangevoerde gronden dragen het verzoek niet.

Beslissing
De kantonrechter,
Wijst het verzoek van de hand;
compenseert de kosten van de procedure zo dat iedere partij haar eigen kosten
draagt.

Rechters

Mr. Hagendoorn

Instantie: Hoge Raad, 2 december 1994

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Gelijke beslissing als in Hoge Raad 25 november 1994. Partijen
zijn gehuwd geweest, staande het huwelijk zijn twee kinderen geboren
en voordat het jongste kind meerderjarig werd is de echtscheiding
uitgesproken. De man, verzoeker tot cassatie, werd door de Rechtbank
niet en door het Hof wel verplicht tot het betalen van
kinderalimentatie. De Hoge Raad vernietigt deze beschikking. Bij de
beoordeling van de draagkracht van de vader ten behoeve van
kinderalimentatie moet in beginsel rekening worden gehouden met alle
redelijke uitgaven die ten laste van de vader komen. Een nieuw gevormd
gezin is een factor bij het bepalen van deze uitgaven, maar niet in
zo’n mate dat daarbij hetgeen als redelijk dient te worden beschouwd
ten aanzien van het niet in het nieuw gevormde gezin verblijvende kind
buiten beschouwing kan blijven. Een afweging van de belangen van het
kind tegenover die van de nieuwe partner kan aan de orde zijn. Bij de
vaststelling van wat jegens het kind als redelijk beschouwd dient te
worden is het enkele feit dat de vader een nieuw gezin gevormd heeft
onvoldoende om de kinderalimentatie op een lager bedrag vast te
stellen dan anders het geval zou zijn geweest. De omstandigheden van
het geval kunnen even wel anders meebrengen.

Volledige tekst

Hof: ( …) 4.1 De man heeft de behoefte van Jessica aan de door
de vrouw verzochte onderhoudsbijdrage ad ƒ 450 per maand niet
betwist zodat die vaststaat.

Hij is evenwel van mening dat hij de financiele draagkracht mist tot
betaling van die bijdrage.

4.2 Met betrekking tot de draagkracht van de man tot betaling van
alimentatie overweegt het Hof het volgende: 4.2.1 Uit een drietal door
de man overgelegde loonspecificaties blijkt dat het inkomen van de man
ƒ 2005,70 netto per maand bedraagt, berekend naar tariefgroep 2 voor
de loonbelasting. Daarnaast ontvangt de man een
arbeidsongeschiktheidsuitkering van ƒ 3,28 netto per dag.

Beide inkomens dienen nog te worden vermeerderd met het gebruikelijke
vakantiegeld.

4.2.2 De man woont samen met een partner die tot 18 april 1993 eigen
inkomsten uit arbeid heeft gehad. Thans heeft zij geen werk meer.

4.2.3 Voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud zal het Hof in
casu uitgaan van de voor de man voor hem in deze persoonlijke kosten.

Weliswaar is het mogelijk dat op de man een morele verplichting rust
om te voorzien in de kosten van levensonderhoud van zijn partner doch
deze verplichting verdient, naar het oordeel van het Hof, in zijn
volle omvang in casu geen voorrang te hebben op de op de man rustende,
dwingende wettelijke en morele verplichting te voorzien in de kosten
van verzorging en opvoeding van zijn minderjarige dochter Jessica.

Bovendien heeft de man geen met bescheiden onderbouwde, afdoende
verklaring gegeven voor het feit dat zijn partner de haar aangeboden
arbeidsovereenkomst met Golfbad Exploitatie BV niet heeft kunnen
aannemen.

4.2.4 Naast de hiervoor onder 4.2.2. genoemde kosten voor de man zal
het Hof nog rekening houden met een bruto huurlast van ƒ 712,30 per
maand. Ter zake deze huur ontvangt de man per 1 juli 1993 een subsidie
van ƒ 150 per maand.

4.2.5 De man heeft geen andere lasten gesteld, terwijl hiervan ook
niet op andere wijze is gebleken, waarmede te dezen in het bijzonder
rekening dient te worden gehouden.

4.3 Op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge
samenhang bezien, is het Hof van oordeel dat de man met een bedrag van
ƒ 250 per maand kan bijdragen in de kosten van verzorging en
opvoeding van Jessica, met ingang van de datum waarop de voogdij over
haar is aangevangen.

Het Hof heeft hierbij rekening gehouden met alle relevante fiscale
aspecten voor de man.

(enz.)

Cassatiemiddel:

Verzuim van vormen en/of schending van het recht doordien het Hof
heeft overwogen en beslist gelijk bij zijn beschikking, waarvan beroep
in cassatie gedaan, zulks ten onrechte om de navolgende, voorzoveel
nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen redenen: Sub
4.2.3 overweegt het Hof als volgt: “4.2.3 Voor de noodzakelijke kosten
van levensonderhoud ( …)” Echter: (i) Eerstens is rechtens
onjuist/onvoldoende gemotiveerd het overwogene, dat het Hof “Voor de
noodzakelijke kosten van levensonderhoud … in casu (zal) uitgaan
van de voor de man voor hem in deze persoonlijke kosten”, immers
uitgangspunt dient te zijn: al die omstandigheden, die voor de
bepaling van de draagkracht van de man in redelijkheid van belang
kunnen zijn, waaruit het Hof niet zonder met de te dezen geldende
wettelijke maatstaven in strijd te komen, al hetgeen het College niet
als “persoonlijke kosten” voor de man – wat daaronder ook wel of niet
zou moeten worden verstaan – zou kunnen willen aanmerken, kan
elimineren; (ii) Voorts is rechtens onjuist/onvoldoende gemotiveerd
het overwogene, dat de, naar het inzicht van het Hof: mogelijkerwijs
op de man rustende morele verplichting om in het levensonderhoud van
zijn partner te voorzien “in zijn volle omvang in casu geen voorrang
(verdient) te hebben” op zijn verplichting tot betaling van een
kinderbijdrage ten behoeve van zijn dochter Jessica.

Eerstens miskent het Hof, aldus overwegende, inhoudelijk de op de man
rustende verplichting om in het levensonderhoud van zijn partner te
voorzien, welke verplichting – tenminste – als natuurlijke verbintenis
ware aan te merken, althans gaat aldus overwegende het Hof ten
onrechte/onvoldoende gemotiveerd voorbij aan de omstandigheid dat de
man in het levensonderhoud van zijn partner voorziet, waarmede het
College als behorende tot de omstandigheden, die voor de bepaling van
de draagkracht van de man van belang zijn, wel degelijk rekening had
dienen te houden.

Daarnevens laat het te dezen door het Hof overwogene zich zowel lezen
in de zin, dat de verplichting tot voorziening in het levensonderhoud
van de partner in haar geheel bij die ten opzichte van de minderjarige
Jessica wordt achtergesteld, alsook in de zin dat die verplichting ten
opzichte van de partner in casu alleen maar niet “in zijn volle
omvang” voorrang krijgt, waarbij dan in het laatste geval openblijft
in hoeverre die verplichting wel voorrang zou verdienen – en in casu
van het Hof voorrang krijgt -, en om welke redenen zulks alsdan zo is.

Voor beide alternatieven lijkt het Hof door het woordgebruik: “in
casu” bij wege van “ius in causa positum” te hebben rechtgedaan – maar
voor beide geldt dan toch in ieder geval, dat iedere (verdere)
redengeving daarvoor ten onrechte achterwege is gelaten; (iii) In het
onderhavige verband zij tenslotte opgemerkt, dat voor zoveel het Hof
met “persoonlijke kosten” in de eerste volzin van sub 4.2.3 de op de
man rustende kosten/lasten met uitzondering van het levensonderhoud
van zijn partner op het oog heeft – en voor zoveel het College met het
in de danvolgende volzin overwogene heeft willen zeggen, dat dat
levensonderhoud weliswaar niet “in zijn volle omvang”, maar toch – ten
dele – voorrang boven de kosten van de minderjarige Jessica verdient,
het aldus in deze twee opeenvolgende volzinnen overwogene innerlijk
tegenstrijdig is – en mitsdien om die reden onvoldoende gemotiveerd; –
verg. voor het hier sub (i) tot en met (iii) gestelde: HR 19 november
1971, NJ 1972, 337 (EAAL), HR 19 juni 1981, NJ 1982, 282, HR 22 juli
1981, NJ 1982, 283 (EAAL) en HR 27 november 1981, NJ 1982, 284 (EAAL)
– (iv) Ook met het sub 4.2.3 in fine overwogene, dat “de man geen met
bescheiden onderbouwde, afdoende verklaring (heeft) gegeven voor het
feit dat zijn partner de haar aangeboden arbeidsovereenkomst met
Golfbad Exploitatie BV niet heeft kunnen aannemen”, slaat naar het
gevoelen van verzoeker, het Hof de plank mis.

Weliswaar werd de partner van de man bij, bij het appelrequest
geproduceerd schrijven van de Gemeente Oss van 3 november 1992
medegedeeld, dat (1) haar arbeidsovereenkomst met die Gemeente met
ingang van 1 november 1992 was beeindigd en (2) haar per diezelfde
datum door “Golfbad Exploitatie BV” een arbeidsovereenkomst zou worden
aangeboden, in welk verband Mevrouw “nader bericht” zou ontvangen,
maar als zijdens verzoeker bij verweerschrift in hoger beroep sub “Ad
grief II” gesteld, was het beleid van de nieuwe exploitante van het
Golfbad aldus, dat “omdat de man (en zijn partner) een duurzame
relatie hadden en samenwoonden” “onwenselijk was dat (zij) samen
werkzaam zouden blijven bij het Golfbad”, reden waarom de partner van
de man “door de nieuwe exploitante van het Golfbad (werd medegedeeld)
dat zij geen nieuw oproepcontract kreeg aangeboden” (, welke
aanbieding ook zinloos zou zijn omdat – ingevolge dat beleid als
vorenbeschreven – Mevrouw dan vervolgens toch nimmer zou worden
opgeroepen).

Het aldus zijdens verweerder te dien aanzien gestelde is een
meer-dan-voldoende verklaring voor – wat de beeindiging van het werk
van zijn partner in het Golfbad betreft – de werkloosheid van die
partner – en laat zich naar het gevoelen van verweerder dan ook niet,
althans niet zonder nadere motivering aanmerken als “geen met
bescheiden onderbouwde, afdoende verklaring” in dat verband, te minder
nu het aldus zijdens de man gestelde zich inhoudelijk en naar zijn
aard er geenszins voor leent door bescheiden te worden gestaafd,
althans niet zonder de medewerking van “Golfbad Exploitatie BV”, die
zich er uiteraard wel voor zal wachten om haar aldus te dezen
ingenomen standpunt schriftelijk te bevestigen; ( …)

Hoge Raad: 1. Het geding in feitelijke instanties Bij vonnis van de
Rechtbank te ‘s-Hertogenbosch van 3 juli 1992 is de echtscheiding
uitgesproken tussen verzoeker tot cassatie – verder te noemen: de
vader – en verweerster in cassatie – verder te noemen: de moeder – en
is de zaak onder meer voor de behandeling van de gezagsvoorziening en
de alimentatie voor der partijen dochter aangehouden.

De Rechtbank heeft de moeder tot voogdes en de vader tot toeziend
voogd over de dochter benoemd en bij beschikking van 13 juli 1993 de
door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en
opvoeding van de dochter bepaald op nihil.

Tegen laatstgenoemde beschikking heeft de moeder hoger beroep
ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.

Bij beschikking van 19 november 1993 heeft het Hof de bestreden
beschikking vernietigd en beslist als hierna te vermelden.

( …)

3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie moet worden uitgegaan
van het volgende.

Partijen zijn op 17 december 1971 met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk
zijn twee kinderen geboren, het oudste op 10 maart 1975, het jongste,
Jessica Hendrica Theodora Ida Maria (verder: de dochter), op 18
februari 1977. De Rechtbank heeft tussen partijen echtscheiding
uitgesproken bij vonnis van 3 juli 1992. De vader woont samen met een
andere vrouw (verder: de partner) die tot 18 april 1993 inkomsten had
uit arbeid, maar sedertdien geen eigen inkomsten meer heeft.

De Rechtbank heeft de moeder benoemd tot voogdes over de kinderen.
Vervolgens heeft de Rechtbank bij beschikking van 13 juli 1993 de door
de vader ten behoeve van de dochter te betalen bijdragen in de kosten
van haar verzorging en opvoeding bepaald op nihil. Het Hof heeft
laatstgenoemde beschikking vernietigd en die bijdrage bepaald op ƒ
250 per maand, met ingang van de datum waarop de voogdij is
aangevangen.

3.2 De onderdelen (i), (ii) en (iii) van het middel richten zich met
rechts- en motiveringsklachten tegen ’s Hofs oordeel in zijn
rechtsoverweging 4.2.3: “Voor de noodzakelijke kosten van
levensonderhoud zal het Hof in casu uitgaan van de voor de man voor
hem in deze persoonlijke kosten.

Weliswaar is het mogelijk dat op de man een morele verplichting rust
om te voorzien in de kosten van levensonderhoud van zijn partner doch
deze verplichting verdient, naar het oordeel van het Hof, in zijn
volle omvang in casu geen voorrang te hebben op de op de man rustende,
dwingende wettelijke en morele verplichting te voorzien in de kosten
van verzorging en opvoeding van zijn minderjarige dochter Jessica.”

3.3 Bij de beoordeling van deze onderdelen moet het volgende worden
vooropgesteld.

Bij de beoordeling van de draagkracht van een vader met het oog op het
vaststellen van zijn wettelijke verplichting tot bijdragen in de
kosten van verzorging en opvoeding van zijn kind uit een inmiddels
ontbonden huwelijk of geeindigde gezinsrelatie dient in beginsel
rekening te worden gehouden met alle redelijke uitgaven die ten laste
van de vader komen.

Indien de vader een nieuw gezin gevormd heeft, zullen zijn uitgaven
mede door deze factor worden bepaald, ongeacht of hij met zijn nieuwe
partner is gehuwd of samenleeft als waren zij gehuwd. Dit onderscheid
zal ook bij de beoordeling van de redelijkheid van de gezinsuitgaven
in beginsel niet van belang zijn. Wel zal bij die beoordeling rekening
moeten worden gehouden met wat als redelijk dient te worden beschouwd
jegens het niet in het nieuwe gezin verblijvende kind in welks
verzorging en opvoeding de vader verplicht is bij te dragen.

In dit kader zal ook een afweging van de belangen van het kind
tegenover die van de nieuwe partner aan de orde kunnen komen.

Het voorgaande brengt mee dat het Hof, zo het zijn beschikking op een
algemene regel heeft gegrond, die het vorenoverwogene miskent, blijk
heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zodat de daarop
gerichte rechtsklachten doel treffen.

3.4 Vervolgens moet de vraag onder ogen worden gezien wat in de
situatie die in deze zaak aan de orde is, jegens het niet in het
nieuwe gezin verblijvende kind als redelijk moet worden beschouwd.
Uitgangspunt dient hierbij te zijn dat het enkele feit dat de vader
zijn leven met een nieuwe partner is gaan delen en zich aldus in een
nieuwe gezinssituatie heeft begeven, die tot een ongunstiger
verhouding tussen inkomsten en uitgaven heeft geleid, onvoldoende is
om de ten behoeve van het kind verschuldigde bijdrage op een lager
bedrag te bepalen dan anders verschuldigd zou zijn, en zo de belangen
van het kind in het kader van de hiervoor bedoelde afweging bij die
van de nieuwe partner achter te stellen. De omstandigheden van het
geval kunnen evenwel anders meebrengen, waarbij onder meer van belang
zal zijn: de mate waarin de voor het kind verlangde bijdrage een
redelijk bestaansniveau van het nieuwe gezin zou aantasten; de
aanwezigheid van kinderen in het nieuwe gezin; en de mogelijkheden
voor de vader en zijn nieuwe partner om zich door werkzaamheden als
van hen kunnen worden gevergd, verdere inkomsten te verwerven.

Het voorgaande brengt mee dat het Hof, zo zijn beschikking aldus moet
worden begrepen dat zijn voormelde oordeel is gegrond op de
omstandigheden van het geval (“in casu”), zijn beschikking op dit punt
onvoldoende heeft gemotiveerd.

3.5 In elk geval kan niet als een afdoende motivering gelden ’s Hofs
overweging dat “bovendien” de vader geen met bescheiden onderbouwde
verklaring heeft gegeven “voor het feit dat zijn partner de haar
aangeboden arbeidsovereenkomst met Golfbad Exploitatie BV niet heeft
kunnen aannemen”. Onderdeel (iv) valt deze overweging ook overigens
terecht aan. Te dezer zake was immers door de vader aangevoerd dat de
nieuwe exploitante van het Golfbad aan zijn partner had medegedeeld
dat zij geen nieuw oproepcontract kreeg aangeboden omdat deze
exploitante het onwenselijk vond dat de ook bij het Golfbad werkzame
vader en zijn partner samen aldaar werkzaam zouden blijven, nu zij
duurzaam samenwoonden. Het Hof had niet zonder nadere motivering aan
deze stelling voorbij mogen gaan.

3.6 Uit een en ander volgt dat ’s Hofs beschikking niet in stand kan
blijven en dat de overige klachten geen behandeling behoeven.

4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de beschikking van het Hof te
‘s-Hertogenbosch van 19 november 1993; verwijst de zaak naar het Hof
te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing; compenseert de kosten
van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten
draagt.

Conclusie A-G mr. Loeb: 1. De feiten en het procesverloop 1.1 Partijen
zijn op 17 december 1971 met elkaar gehuwd.

Staande het huwelijk zijn twee kinderen geboren, het jongste – een
dochter – op 18 februari 1977.

1.2 Bij vonnis van 3 juli 1992 is op vordering van de man, verzoeker
in cassatie, onder meer de echtscheiding uitgesproken.

1.3 De vrouw, verweerster in cassatie, is bij beschikking van 29
september 1992 benoemd tot voogdes over voormelde kinderen, de man tot
toeziend voogd.

1.4 Bij beschikking van 13 juli 1993 heeft de rechtbank de bijdrage
van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter op
nihil bepaald. Daartoe overwoog zij onder meer als volgt: “Uitgaande
van een netto inkomen van ongeveer ƒ 2175 per maand inclusief
vakantiegeld, toepassing van de zogenaamde “echtparennorm” en
meerwoonkosten van circa ƒ 422 kan reeds worden aangenomen dat de
man geen draagkracht heeft en dat de alimentatie op nihil moet worden
gesteld.” De zoon was inmiddels meerderjarig en voorzag in eigen
onderhoud, zo blijkt verder uit de beschikking.

1.5 Het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft vervolgens bij
beschikking van 19 november 1993 op appel van de vrouw, voor zover
thans van belang, de bijdrage van de man alsnog bepaald op ƒ 250 per
maand. Het heeft daartoe onder meer als volgt overwogen: “4.2.2 De man
woont samen met een partner die tot 18 april 1993 eigen inkomsten uit
arbeid heeft gehad. Thans heeft zij geen werk meer.

4.2.3 Voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud zal het Hof in
casu uitgaan van de voor de man voor hem in deze persoonlijke kosten.

Weliswaar is het mogelijk dat op de man een morele verplichting rust
om te voorzien in de kosten van levensonderhoud van zijn partner doch
deze verplichting verdient, naar het oordeel van het Hof, in zijn
volle omvang in casu geen voorrang te hebben op de op de man rustende,
dwingende wettelijke en morele verplichting te voorzien in de kosten
van verzorging en opvoeding van zijn minderjarige dochter Jessica.

Bovendien heeft de man geen met bescheiden onderbouwde, afdoende
verklaring gegeven voor het feit dat zijn partner de haar aangeboden
arbeidsovereenkomst met Golfbad Exploitatie BV niet heeft kunnen
aannemen.” 1.6 Van deze beschikking heeft de man tijdig beroep in
cassatie ingesteld. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en
daarbij verzocht het beroep te verwerpen.

2. Het middel 2.1 Het middel, dat uit vier onderdelen bestaat, richt
zich tegen rechtsoverweging 4.2.3 van de beschikking van het hof.

2.2 Het eerste onderdeel (I) betoogt in algemene termen dat het hof,
door uit te gaan van de persoonlijke kosten, ten onrechte nalaat
rekening te houden met alle omstandigheden, die voor het vaststellen
van de draagkracht van de man in redelijkheid van belang kunnen zijn.

2.3 Het tweede en derde onderdeel (II en III) richten zich tegen de
overweging dat de mogelijk aanwezige morele verplichting tot onderhoud
van de partner, met wie de man samenwoont, in volle omvang niet
prevaleert boven de verplichting van de man tot bijdragen in de kosten
van verzorging en opvoeding van de dochter.

2.4 Het vierde onderdeel (IV) bestrijdt het oordeel van het hof dat de
man bovendien onvoldoende heeft aangetoond dat de partner onvrijwillig
werkeloos was met een motiveringsklacht.

3. Bespreking van het middel 3.1 Het hof heeft bij de vaststelling van
de draagkracht van de man, anders dan de rechtbank, kennelijk geen
toepassing gegeven aan wat de rechtbank de “echtparennorm” heeft
genoemd, alhoewel niet in geschil is dat de man samenwoont met een
partner, die sedert 18 april 1993 niet beschikt over eigen inkomsten.

3.2 Onderdeel I van het middel mist naar mijn oordeel zelfstandige
betekenis naast elk van de andere onderdelen. Het behoeft derhalve
geen afzonderlijke bespreking.

3.3 Voor zover onderdeel II van het middel betoogt dat het hof bij de
vaststelling van de draagkracht van de man gehouden was al dan niet in
volle omvang rekening te houden met de omstandigheid dat de man
samenwoont en zijn partner, naar het hof aanneemt krachtens morele
verplichting, onderhoudt, faalt het. De rechter kan met zodanige
omstandigheid rekening houden. Het antwoord op de vraag in hoeverre
dat in het betrokken geval dient te gebeuren, is daarbij voorbehouden
aan de rechter, die over de feiten oordeelt.

Zie voor de factoren, die van belang kunnen zijn voor het vaststellen
van de draagkracht: Asser-De Ruiter-Moltmaker, Personen- en
Familierecht, 14e druk 1992, nrs. 624 en 1036 en de daar vermelde
jurisprudentie. Zie voorts: Losbl. Personen- en Familierecht, Titel 9
(Wortmann), art. 157, aant. 2 (sept.

1993); Losbl. Personen- en Familierecht, Titel 17 (Wortmann), art.
397, aant. 1 (sept. 1993) en de daar vermelde jurisprudentie. Zie
voorts meer in het bijzonder: Hof Amsterdam 27-11-1970, NJ 1971, 182;
HR 19-11-1971, NJ 1972, 337 (EAAL); HR 25-11-1977, NJ 1978, 177 (JCS);
HR 19-6-1981, NJ 1982, 282; HR 22-7-1981, NJ 1982, 283 (EAAL); HR
27-11-1981, NJ 1982, 284 (EAAL); HR 10-12-1982, NJ 1983, 255; punt 3.1
van de conclusie van mijn ambtgenoot Moltmaker voor HR 11-11-1983, NJ
1984, 329 en de daar vermelde jurisprudentie; HR 9-1-1987, NJ 1987,
927 (EAAL).

3.4 Wel kan de man gevolgd worden, in zoverre als het onderdeel
betoogt dat de beslissing om met vorenbedoelde omstandigheid in dit
geval geen rekening te houden onjuist, althans onvoldoende, is
gemotiveerd.

Voor zover het hof bedoeld heeft dat met het onderhoud van de partner
geen rekening kan worden gehouden, omdat de verplichting van de man
tot bijdragen in de verzorging en opvoeding van de dochter onder alle
omstandigheden gaat boven de morele verplichting tot onderhoud van de
partner, met wie hij samenwoont, getuigt dit van een onjuiste
rechtsopvatting.

Daarbij zij opgemerkt dat het hof niet oordeelde over de voorrang van
concurrerende onderhoudsaanspraken, doch over de draagkracht van de
man.

Voor zover het dat niet heeft bedoeld, heeft het, indien wordt
afgezien van de “bovendien” gegeven overweging, nagelaten duidelijk te
maken, waarom dit geval zich er niet toe leent om van de mogelijkheid
om met het onderhoud van de partner rekening te houden, gebruik te
maken.

Zie voor de aan de motivering te stellen eisen: HR 27-11-1981, NJ
1982, 284 (EAAL). Zie voorts de hiervoor aangehaalde litteratuur en
Asser-De Ruiter-Moltmaker, Personen- en Familierecht, 14e druk 1992,
nrs. 1032-1033. Zie over concurrerende onderhoudsverplichtingen
bijvoorbeeld: HR 9-11-1979, NJ 1980, 620 (FHJM); HR 13-12-1991, NJ
1992, 178; HR 6-3-1992, NJ 1992, 358; HR 11-9-1992, NJ 1992, 745.

3.5 De motiveringsklacht van onderdeel III mist m.i.

feitelijke grondslag. De aangevallen overweging kan, mede gelet op de
er aan voorafgaande en de er op volgende volzin, bezwaarlijk anders
worden gelezen, dan dat het hof de kosten van het onderhoud van de
partner in het geheel niet in aanmerking neemt bij het vaststellen van
de draagkracht van de man.

3.6 Onderdeel IV van het middel bestrijdt de “bovendien” door het hof
aan de genomen beslissing ten grondslag gelegde overweging dat de man
geen afdoende verklaring heeft gegeven voor het feit dat zijn partner
een aan haar aangeboden arbeidsovereenkomst niet heeft kunnen
aanvaarden.

3.7 In deze overweging ligt een oordeel van feitelijke aard besloten.
Het hof heeft het aantonen van de stelling van de man dat zijn partner
sinds 18 april 1993 voor haar onderhoud op hem is aangewezen aan hem
overgelaten. Het had nadere bewijsstukken kunnen vragen van diens
stelling dat de nieuwe exploitant van het zwembad, waar beiden
werkzaam waren, de partner in feite niet te werk wilde stellen of
zelfs verhoor van getuigen kunnen gelasten, maar verplicht was het
daartoe niet (vgl. HR 22-4-1994, nr. 8373). Het was evenmin verplicht
in te gaan op het bewijsaanbod, dat wellicht gelezen kan worden in de
toelichting op het verweer tegen grief II in de procedure bij het hof
(zie HR 16-10-1992, NJ 1992, 790; HR 14-1-1994, NJ 1994, 333). Het was
aan de man om het hof van de juistheid van zijn stelling te
overtuigen.

3.8 Geconcludeerd moet m.i. dan ook worden dat dit oordeel van het hof
geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, danwel onvoldoende
is gemotiveerd, zodat onderdeel IV van het middel niet kan slagen.

4. Conclusie 4.1 Onderdeel II van het middel is niet ten onrechte
voorgedragen, maar kan niet tot het beoogde doel leiden, omdat het
middel tevergeefs de “bovendien” door het hof aan de beslissing ten
grondslag gelegde overweging bestrijdt. Dat de aangevallen
rechtsoverweging onder die omstandigheden de beslissing van het hof
niet vermag te dragen, is niet betoogd.

4.2 Het middel ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van
het beroep.

Rechters

Mrs. Snijders, Mijnssen, Korthals Altes, Heemskerk,Swens-Donner; A-G Loeb

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 1 december 1994

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Partijen zijn 24 jaar getrouwd geweest en hebben een minderjarig kind van
16 jaar. De vrouw is tijdens het huwelijk arbeidsongeschikt geraakt. De
man stelt dat de arbeidsongeschiktheid van de vrouw niet het gevolg is van
het huwelijk van partijen en dat derhalve de hieruit voortvloeiende
gevolgen -verlaging van haar inkomen- voor haar rekening dienen te komen.
Dit betoog verwerpt het Hof. Voor de bepaling van de behoefte van de vrouw
is de vraag bepalend, of zij over voldoende inkomsten beschikt, dan wel
zich die in redelijkheid kan verwerven om geheel of gedeeltelijk in eigen
levensonderhoud te kunnen voorzien. Niet van belang is of de behoefte van
de vrouw een gevolg is van het huwelijk in de zin zoals door de man
aangevoerd. De rechtbank had ten aanzien van de stelling van de man
overwogen: Nu de vrouw tijdens het huwelijk ziek is geworden, met daaruit
voortvloeiend haar arbeidsongeschiktheid, is de rechtbank van oordeel dat
de hieruit voortvloeiende gevolgen van de verlaging in inkomen niet alleen
voor rekening van de vrouw dienen te komen. De alimentatie wordt ƒ
1200,=.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. De man is in hoger beroep gekomen van een gedeelte van een
beschikking van 11 mei 1994 van de rechtbank te Amsterdam, nummer 40290.

1.2. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De zaak is behandeld op 10 oktober 1994 door de daartoe aangewezen
raadsheer- commissaris.

1.4. Zoals afgesproken bij de behandeling heeft de man nog stukken aan het
Hof toegezonden. De vrouw heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2. Het geschil in hoger beroep en de feiten en omstandigheden.

2.1. Partijen zijn in gehuwd. Het huwelijk is door inschrijving van de
echtscheidingsbeschikking op 28 juni 1994 ontbonden. Uit hun huwelijk is
onder meer op geboren. De moeder is voogdes over .

2.2. In geschil is de toewijzing bij de beschikking waarvan beroep van het
verzoek van de vrouw de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te
bepalen op ƒ 1.200,= per maand.

De man verzoekt de uitkering met ingang van de inschrijving van de
echtscheidingsbeschikking te bepalen op nihil, althans een zodanig bedrag
als het Hof juist zal achten.

De vrouw verzoekt de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren op en alleenstaand.

Hij is werkzaam in het onderwijs. Zijn belastbaar loon bedroeg volgens de
jaarloonopgave over 1993 ƒ 78.376,=. Zijn belastbaar loon over 1994 zal
nagenoeg hetzelfde bedragen als over 1993.

Aan huur en enige servicekosten betaalt hij rond ƒ 735,= per maand.

Hij betaalt aan premie voor een ziektekostenverzekering rond ƒ 168,= per
maand.

Hij betaalt de in de beschikking waarvan beroep bepaalde bijdrage in de
kosten van verzorging en opvoeding van P van ƒ 300,= per maand.

2.4. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren op . Zij vormt met , en de twee meerderjarige
kinderen van partijen, een eenoudergezin. ontvangen ieder ingevolge
de Wet Studiefinanciering een uitkering van rond ƒ 225,= per maand.

Zij ontvangt een ABP-pensioen van rond ƒ 4.111,= bruto per maand,
inclusief vakantietoeslag.

In verband met de hypotheek gevestigd op de door haar en de kinderen
bewoonde voormalige echtelijke woning betaalt zij rond ƒ 82,= per maand
aan rente en rond ƒ 160,= per maand aan aflossing. Daarnaast betaalt zij
rond ƒ 233,= per maand aan erfpachtcanon. Zij heeft de gebruikelijke
andere eigenaars- en woonlasten.

3. Beoordeling van het hoger beroep

3.1. Bij de bepaling van de behoefte van de vrouw wordt rekening gehouden
met de schuld van partijen aan de Postbank, aangegaan in 1991 in verband
met de aanschaf van een auto, waarop zij rond ƒ 183,= per maand aan rente
en rond ƒ 302,= per maand aan aflossing betaalt. Er is geen aanleiding
-gelet op het feit dat de vrouw hierop reeds geruime tijd aflost- het
verzoek van de man om de aflossing van die schuld over te nemen toe te
wijzen, met name omdat onzeker is of hij deze schuld dan ook daadwerkelijk
zal gaan aflossen. Dat de man thans de beschikking heeft over de auto doet
daaraan niet af.

3.2. Rekening wordt gehouden met de door de man opgevoerde kosten in
verband met de huur van een parkeerplaats van rond ƒ 73,= per maand, omdat
de noodzaak tot het maken van deze kosten, gelet op de
parkeermogelijkheden ter plaatse, voldoende aannemelijk is geworden.

3.3. De man heeft betoogd dat de arbeidsongeschiktheid van de vrouw niet
het gevolg is van het huwelijk van partijen en dat derhalve de hieruit
voortvloeiende gevolgen – verlaging van haar inkomen- voor haar rekening
dienen te komen. Dit betoog wordt verworpen. Voor de bepaling van de
behoefte van de vrouw is de vraag bepalend, of zij over voldoende
inkomsten beschikt, dan wel zich die in redelijkheid kan verwerven om
geheel of gedeeltelijk in eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Niet
van belang is of de behoefte van de vrouw een gevolg is van het huwelijk
in de zin zoals door de man aangevoerd.

3.4. Anders dan de man heeft aangevoerd heeft de rechtbank terecht en op
juiste gronden zijn verzoek om de wettelijke indexering uit te sluiten,
afgewezen.

3.5. Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld
en van hetgeen hiervoor is overwogen is de door de rechtbank bij de
beschikking waarvan beroep bepaalde door de man met ingang van
inschrijving van de echtscheidingsbeschikking te betalen uitkering tot
levensonderhoud van de vrouw ƒ 1.200,= per maand in overeenstemming met
de wettelijke maatstaven. Dit is zelfs het geval indien rekening wordt
gehouden met de schuld van de man bij de Postbank van thans nog in totaal
ƒ 1.454,=, waarop hij ƒ 500,= per maand aflost. Bovendien is dit nog het
geval, indien de door de vrouw betwiste schuld van de man aan v.d. B,
waarop hij ƒ 600,= zou aflossen, inderdaad bestaat; in dat geval wordt
immers bij de bepaling van de draagkracht van de man slechts gedeeltelijk
rekening gehouden met genoemde schuld, omdat hij de noodzaak tot het maken
van hogere kosten dan de gebruikelijke herinrichtingskosten niet
aannemelijk heeft gemaakt.

3.6. Dit leidt tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

Het Hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voorzover aan het oordeel van
het Hof onderworpen;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus, dat iedere partij de
eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Verspyck Mijnssen, De Vreeze-Oostvogel, Streefkerk

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 1 december 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is in 1992 als secretarieel medewerkster in dienst getreden
bij de wederpartij. Partijen twisten over de vraag of tussen hen een
overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds
goedvinden tot stand is gekomen. Verzoekster ontkent dit en stelt dat
de wederpartij haar wil ontslaan omdat zij een beroep wilde doenop de
wettelijke regeling ouderschapsverlof. Zij stelt dat de wederpartij
hiermee handelt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
Volgens de Commissie hebben de problemen rond (de invulling van) het
ouderschapsverlof een belangrijke rol gespeeld bij de feitelijke
beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De Commissie stelt vast dat de
wederpartij geen direct onderscheid naar geslacht heeft gemaakt.
Daarvan is immers slechts sprake wanneer mannen of vrouwen rechtstreeks
op grond van hun geslacht worden benadeeld. Bijvoorbeeld ingeval een
vrouw wordt ontslagen wegens zwangerschap danwel moederschap.De
Commissie komt tot de conclusie dat in casu, door het feit dat het
beroep van verzoekster op ouderschapsverlof een rol speelt bij de
beoogde beëindiging van de arbeidsovereenkomst, vermoedelijk indirect
onderscheid wordt gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.De Commissie stelt vast dat uit
hetgeen in de stukken en ter zitting naar voren is gekomen de vereiste
noodzakelijkheid van de gestelde eisen niet is gebleken. Dit betekent
dat het bestaan van een objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte
onderscheid niet is aangetoond.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1 Op 27 september 1994 verzocht mevrouw te
Roosendaal (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar
oordeel uit te spreken over de vraag of de
te (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft
gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB; Stb. 1989, 168) en/of de Algemene Wet gelijke behandeling (AWGB;
Stb. 1994, 230).

Verzoekster is in 1992 als secretarieel medewerkster in dienst getreden
bij de wederpartij. Partijen twisten over de vraag of tussen hen een
overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds
goedvinden tot stand is gekomen. Verzoekster ontkent dit en stelt dat
de wederpartij haar wil ontslaan omdat zij een beroep wilde doen op de
wettelijke regeling ouderschapsverlof. Zij stelt dat de wederpartij
hiermee handelt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1 De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen. Bij brief van 10 oktober 1994 heeft verzoekster de Commissie
verzocht de spoedprocedure toe te passen. Dit verzoek is toegewezen.

2.2 Partijen zijn vervolgens opgeroepen voor een zitting op 1
november 1994. De wederpartij heeft voorafgaand aan de zitting haar
standpunt schriftelijk uiteengezet.

Bij de zitting waren aanwezig:

– mw (verzoekster)

van de kant van de wederpartij – dhr
(bedrijfsleider) – dhr (voormalig hoofd personeelszaken) –
dhr mr I.J.M. Woltring (advocaat)

van de kant van de Commissie – mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter) – dhr
ing. J. van Hemert (lid Kamer) – mw mr M. de Rooij (lid Kamer) – mw drs
J.A.M. Stolwijk (lid Kamer) – mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer) – mw
mr G.L.M. Lenssen (adjunct-secretaris).

2.3 Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster werkt sinds 1 mei 1992 bij de wederpartij in de
functie van secretarieel medewerkster. Zij werkt voltijds.

Begin 1993 raakte verzoekster zwanger, de vermoedelijke bevallingsdatum
lag in november van dat jaar. Verzoekster wilde aansluitend aan het
zwangerschaps- en bevallingsverlof gebruik maken van het wettelijk
recht op -onbetaald- ouderschapsverlof (artikel 7A:1638oo Burgerlijk
Wetboek). Dit houdt in dat een werknemer gedurende een periode van een
half jaar de arbeidstijd terug kan brengen tot 20 uur per week. De
wederpartij valt onder de cao voor het metaalbewerkingsbedrijf. Deze
cao kent geen nadere regeling van het ouderschapsverlof.

3.2. In de periode maart-mei 1993 hebben verzoekster en wederpartij
overlegd over de verdeling van de 20 uren ouderschapsverlof over de
week. Een tussen verzoekster en de bedrijfsleider bereikt accoord werd
niet goedgekeurd door de directie. Ook een gesprek in maart 1993 tussen
verzoekster, de bedrijfsleider en de algemeen directeur leverde geen
overeenstemming op. Bij brief van 20 april 1993 deed de wederpartij
schriftelijk het voorstel dat verzoekster de ene week op woensdag,
donderdag en vrijdag zou werken, en de andere week op maandag en
dinsdag. Een invalkracht zou worden aangetrokken voor de overige uren.
Als reden voor deze urenverdeling gaf de wederpartij dat het aantal
overdrachten van de ene werknemer aan de andere op deze wijze afneemt.
Het overdragen van werk brengt volgens haar het risico van vergissingen
met zich. Zeker in een gezichtsbepalende functie als die van
verzoekster, wil de wederpartij dit zoveel mogelijk voorkomen, onder
meer door binnen een functie niet op een dag werk over te dragen.
Bovendien hoeft in haar voorstel de invalkracht niet elke vrijdag te
werken.

Verzoekster heeft schriftelijk laten weten de 20 uren ouderschapsverlof
per week niet op bovengenoemde wijze in te willen vullen. Haar
tegenvoorstel luidde om elke week op maandag en dinsdag 8 uur en op
woensdag 4 uur te werken.

3.3. In een brief van 4 mei 1993 aan verzoekster zette de wederpartij
haar bezwaren tegen verzoeksters voorstel nogmaals uiteen, maar ging
desondanks accoord met verzoeksters voorstel. Daarbij tekende zij
evenwel aan dat mocht geen ‘duo-collega’ worden gevonden, er opnieuw
overlegd zou worden met verzoekster. Verder deed de wederpartij het
voorstel aan verzoekster voor de duur van het ouderschapsverlof een
andere functie binnen het bedrijf te bekleden. Verzoekster gaf hierop
aan dit voorstel in overweging te zullen nemen. Partijen zijn evenwel
op de brief van 4 mei 1993 niet teruggekomen.

3.4. Na de bevalling van verzoekster vond op 29 januari 1994 een
gesprek plaats tussen haar en de bedrijfsleider. Doel van dit gesprek
was voor verzoekster het -in verband met een postnatale depressie-
geleidelijk hervatten van haar werk. De bedrijfsleider kaartte in dit
gesprek de problemen tussen hem en het personeel, waaronder
verzoekster, aan. Hij deed verslag van een onderzoek door een extern
bureau dat tijdens de afwezigheid van verzoekster had plaatsgevonden.
Uit dat onderzoek zou zijn gebleken dat een aantal personeelsleden zich
aan het optreden van verzoekster voorafgaande aan het bevallingsverlof
zou hebben gestoord.

Na dit gesprek heeft verzoekster zich gemeld bij de bedrijfsarts.
Vervolgens vond op 28 februari een gesprek plaats tussen deze
bedrijfsarts, verzoekster, de bedrijfsleider en de algemeen directeur.
Beide partijen gaven ter zitting aan dat in dit zogenaamde ‘schoon
schip- gesprek’ de gerezen problemen zijn uitgepraat en dat besloten is
met een schone lei opnieuw te beginnen met elkaar. Over hetgeen aan het
einde van het gesprek is gezegd, verschillen partijen van mening.
Volgens verzoekster heeft de algemeen directeur aan het einde van het
gesprek aangegeven dat het ouderschapsverlof toch op de door het
bedrijf voorgestane wijze, te weten in de ene week op maandag en
dinsdag en de andere week op woensdag, donderdag en vrijdag, moest
worden ingevuld. Verzoekster wees dit af onder meer in verband met het
feit dat dit extra crechekosten met zich meebracht. De bedrijfsleider
gaf ter zitting aan zich niet te kunnen herinneren dat de
ouderschapsverlofregeling aan de orde is geweest. Wel wist hij nog dat
in dit gesprek is gesproken over de kosten van kinderopvang van
verzoekster.

Verzoekster heeft daarna op verzoek van de bedrijfsarts inlichtingen
ingewonnen over de extra kosten van kinderopvang. Verzoekster heeft
haar werkzaamheden evenwel niet meer hervat.

3.5. Ten slotte heeft op 22 maart 1994 opnieuw een gesprek
plaatsgevonden tussen verzoekster, de bedrijfsarts, de bedrijfsleider
en de algemeen directeur. Resultaat was volgens de wederpartij dat
partijen per 1 april 1994 met wederzijds goedvinden uit elkaar zouden
gaan. Verzoekster bestrijdt dat zij op dat moment, of een later moment
accoord is gegaan met een dergelijke beëindiging van het dienstverband.

De wederpartij heeft per brief van 25 maart 1994 de volgens haar
bereikte uitkomst van het gesprek van 22 maart bevestigd. Daarop heeft
verzoekster bij brief van 18 april 1994 de nietigheid van het ontslag
ingeroepen en doorbetaling van het salaris gevorderd vanaf de datum
waarop zij arbeidsgeschikt is verklaard (1 april 1994).

Over deze loonvordering en het al dan niet nog bestaan van het
dienstverband tussen partijen is een gerechtelijke procedure gestart.

De wederpartij heeft inmiddels zorggedragen voor vervanging van
verzoekster.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoekster bestrijdt op 22 maart 1994 accoord te zijn gegaan met
een beëindiging van het dienstverband met wederzijds goedvinden.
Verzoekster is weggegaan na te hebben aangegeven dat de wederpartij een
voorstel maar op papier moest zetten. De bedrijfsarts was volgens
verzoekster ook niet op de hoogte van het plan van de wederpartij om de
arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beeindigen. Volgens
verzoekster worden de in het verleden bestaande spanningen nu
aangegrepen om haar geen ouderschapsverlof toe te kennen, maar haar te
ontslaan. Deze spanningen echter waren na het ‘schoon schip- gesprek’
op 28 februari van de baan. Zij heeft de indruk dat de wederpartij het
lastig vindt wanneer een beroep wordt gedaan op ouderschapsverlof en
haar probeert te ontslaan omdat zij ouderschapsverlof wil opnemen.
Overigens wilde zij in beginsel wel meewerken aan een andere verdeling,
mits de wederpartij de extra kosten voor kinderopvang voor haar
rekening zou nemen. Wanneer verzoekster op wisselende dagen zou werken,
zou zij immers voor vijf dagen per week kinderopvang moeten betalen.
Door haar niet financieel tegemoet te komen, zo stelt verzoekster,
maakt de wederpartij het onmogelijk gezinstaken en betaalde arbeid te
combineren.

3.7. De wederpartij gaat ervan uit dat de dienstbetrekking met
wederzijds goedvinden is beeindigd. Verzoekster had voor het gesprek op
22 maart 1994 contact gehad met de bedrijfsarts. Verzoekster zou in
overleg met de bedrijfsarts hebben besloten in te stemmen met een
beëindiging van de arbeidsovereenkomst, vanwege de ontstane spanningen.
Deze spanningen waren volgens de wederpartij reeel aanwezig.

De wederpartij bestrijdt dat het door verzoekster aangevraagde
ouderschapsverlof een rol heeft gespeeld bij haar streven om tot
beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen. Weliswaar zag zij
liever een andere invulling van het ouderschapsverlof dan verzoekster,
maar toen overeenstemming daarover niet haalbaar bleek, is zij accoord
gegaan met verzoeksters voorstel. Op deze instemming is zij nimmer
teruggekomen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de (voorgenomen)
beëindiging van de arbeidsovereenkomst met verzoekster onderscheid op
grond van geslacht heeft gemaakt. Partijen verschillen van mening over
de vraag of een beëindiging met wederzijds goedvinden tot stand is
gekomen. In de procedure voor de kantonrechter zal dit geschil worden
beoordeeld. Voor de Commissie is de vraag aan de orde of bij de
(voorgenomen) beëindiging onderscheid is gemaakt op grond van geslacht.

4.2. De feiten die de Commissie ter beoordeling voorgelegd kreeg
betreffen de periode voor 1 september 1994, dus voor inwerkingtreding
van de AWGB. Getoetst moet dan worden aan artikel 7A:1637ij Burgerlijk
wetboek (BW). Lid 1 van dit artikel verbiedt de werkgever om
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen bij onder meer de
beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Lid 5 van dit artikel geeft aan
dat onder onderscheid moet worden verstaan direct en indirect
onderscheid. Onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en
moederschap is blijkens deze bepaling een vorm van direct onderscheid.
Onder indirect onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van
andere hoedanigheden dan het geslacht, dat onderscheid op grond van
geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid objectief
gerechtvaardigd is. Indirect onderscheid ontstaat wanneer het nadelig
effect van een maatregel in overwegende mate personen van een geslacht
treft, terwijl daarvoor geen of niet voldoende objectieve
rechtvaardigingsgronden aanwezig zijn (Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Bilka- Kaufhaus versus Weber von Hartz, d.d. 13 mei
1986, zaak 170/84; Rinner-Kuhn versus FWW Spezial Gebaudereinigung GmbH
& Co.KG, zaak 171/88, d.d. 13 juli 1989.).

4.3. Verzoekster stelt dat de wederpartij haar wil ontslaan omdat zij
ouderschapsverlof wilde opnemen en daar een bepaalde invulling aan
wilde geven. De wederpartij stelt dat partijen de arbeidsovereenkomst
wilden beeindigen vanwege de spanningen die heersten tussen onder
andere verzoekster en de bedrijfsleider.

De Commissie stelt hierover het volgende vast.

In de eerste plaats acht zij van belang dat verzoekster en de
wederpartij in het voorjaar van 1993 slechts na moeizaam overleg tot
overeenstemming zijn gekomen over de invulling van het
ouderschapsverlof. En dat de wederpartij de discussie over de invulling
van het ouderschapsverlof in februari 1994 weer heeft aangekaart. Dit
leidt de Commissie af uit het feit dat bespreking van de kosten van
kinderopvang alleen relevant is bij invulling van het ouderschapsverlof
volgens de wensen van de wederpartij, waardoor het niet anders kan dan
dat de urenverdeling opnieuw aan de orde is gesteld.

Vervolgens stelt de Commissie vast dat het weinig aannemelijk is dat de
wederpartij wegens spanningen tussen verzoekster en de bedrijfsleider
de arbeidsovereenkomst wilde beeindigen. Dit gezien de verklaring van
beide partijen ter zitting waaruit bleek dat na het ‘schoon schip-
gesprek’ de spanningen van de baan waren, en de omstandigheid dat
verzoekster vanaf oktober 1993 niet meer in het bedrijf van de
wederpartij heeft gewerkt. Het externe onderzoek naar spanningen heeft
plaatsgevonden in de periode waarin verzoekster afwezig was.

Het bovenstaande, gevoegd bij het feit dat de Commissie van een andere
reden om de arbeidsovereenkomst te beeindigen niet is gebleken, leidt
tot de conclusie dat de problemen rond (de invulling van) het
ouderschapsverlof een belangrijke rol hebben gespeeld bij de feitelijke
beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

4.4. Dit vastgesteld hebbende, is vervolgens aan de orde of de
wederpartij hiermee onderscheid heeft gemaakt naar geslacht.

De Commissie stelt vast dat de wederpartij geen direct onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt. Daarvan is immers slechts sprake wanneer mannen
of vrouwen rechtstreeks op grond van hun geslacht worden benadeeld.
Bijvoorbeeld ingeval een vrouw wordt ontslagen wegens zwangerschap
danwel moederschap.

Dat is met ouderschapsverlof niet het geval aangezien het recht op
ouderschapsverlof aan zowel mannen als vrouwen toekomt. Het gebruik van
het wettelijke recht op ouderschapsverlof kan in de praktijk echter wel
zodanig zijn dat daardoor in overwegende mate personen van een geslacht
nadelig getroffen worden.

De Commissie is van oordeel dat zulks in de onderhavige zaak het geval
is. Zo blijkt uit een in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid uitgevoerde evaluatie van de Wet op het
ouderschapsverlof (Drs J. Spaans, en drs C. van der Werf; Evaluatie van
de Wet op het ouderschapsverlof, Onderzoek onder (potentiele)
verlofgangers, juni 1994, blz. 23-27.) dat relatief meer vrouwen dan
mannen een beroep doen op de Wet op het ouderschapsverlof. Uit een
steekproef onder 12.000 huishoudens wordt in dit onderzoek afgeleid dat
in totaal naar schatting 535.000 mannen en 206.000 vrouwen sinds de
invoering van de Wet op het ouderschapsverlof recht hebben (gehad) op
ouderschapsverlof. Van alle mannen die recht hadden op
ouderschapsverlof heeft 8,4% daadwerkelijk ouderschapsverlof opgenomen,
van alle vrouwen met recht op ouderschapsverlof 22,5%. Ruim tweemaal
zoveel vrouwen als mannen maakten dus gebruik van het recht op ouder-
schapsverlof.

Dit betekent dat wanneer problemen ontstaan rond het opnemen van
ouderschapsverlof, dit tot effect heeft dat met name vrouwen worden
benadeeld. Dit leidt tot de conclusie dat in casu, door het feit dat
het beroep van verzoekster op ouderschapsverlof een rol speelt bij de
beoogde beëindiging van de arbeidsovereenkomst, vermoedelijk indirect
onderscheid wordt gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

4.5. Wanneer een vermoeden van indirect onderscheid ontstaat, moet de
vraag worden beantwoord of er een objectieve rechtvaardiging bestaat
voor het gemaakte onderscheid. Dit vermoeden kan weerlegd worden indien
de wederpartij kan aantonen dat voor deze eis objectieve
rechtvaardigingsgronden aanwezig zijn. Onder een objectieve
rechtvaardigingsgrond wordt verstaan – dat het onderscheid gemaakt
wordt om een objectief gerechtvaardigd doel te dienen en – daartoe
middelen zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te
bereiken, terwijl – dit doel niet is te bereiken op andere wijze
waarbij geen indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt (Zie de
arresten van het EG-Hof zoals hierboven genoemd).

De wederpartij heeft aangegeven waarom zij de 20 uren per week op een
bepaalde manier wilde verdelen. De Commissie is van oordeel dat eisen
om de goede uitoefening van een functie en de continuiteit van de
werkzaamheden in een organisatie te waarborgen, als objectief
gerechtvaardigd aangemerkt kunnen worden. De vraag is dan wel of dit
doel alleen bereikt kan worden, indien verzoekster de 20 uren zou
verdelen op de wijze die de wederpartij voor ogen stond. Met andere
woorden: aan de orde is de vraag of de door de wederpartij gestelde
eisen als geschikt en noodzakelijk moeten worden aangemerkt en of het
beoogde doel niet op een andere wijze is te bereiken, waarbij geen
indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

De Commissie stelt vast dat uit hetgeen in de stukken en ter zitting
naar voren is gekomen de vereiste noodzakelijkheid van de gestelde
eisen niet is gebleken. De wederpartij heeft immers in de brief van 4
mei 1993 ingestemd met de invulling van het ouderschapsverlof zoals
door verzoekster voorgesteld. Dit betekent dat het bestaan van een
objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid niet is
aangetoond.

4.6. Hiermee staat vast dat de wederpartij in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling van mannen en vrouwen indirect onderscheid naar
geslacht maakt door de arbeidsovereenkomst met verzoekster vanwege haar
beroep op ouderschapsverlof te willen beeindigen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de
te in strijd met artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk
Wetboek indirect onderscheid naar geslacht heeft gemaakt/maakt jegens
mevrouw … te Roosendaal.

Rechters

Mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter), dhr ing. J. van Hemert (lidKamer), mw mr M. de Rooij (lid Kamer), mw drs J.A.M. Stolwijk (lid Ka-mer), mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer), mw mr G.L.M. Lenssen(adjunct-secretaris).

Instantie: Kantonrechter Apeldoorn, 30 november 1994

Instantie

Kantonrechter Apeldoorn

Samenvatting


Schoonmaakster wordt geschorst gevolgd door een overplaatsing naar een
werkobject buiten haar woonplaats, de stad waar zij tot die tijd werkzaam was
geweest en door ontslag op staande voet. Als gevolg van een diepe religieuze
overtuiging wilde zij ook tijdens het werk een hoofddoekje dragen.
Werkgeefster is tekort geschoten in haar verplichtingen jegens werkneemster
en had geen rechtens te beschermen belang bij de jegens werkneemster genomen
maatregelen.
Toewijzing van de eis tot doorbetaling van het loon na het ontslag, waarvan
de werkneemster terecht nietigheid inroept.
Zie ook de uitspraak van de Commissie gelijke behandeling in deze zaak van 7
augustus 1995, oordeel 95-31.

Volledige tekst

: Procesverloop
K heeft overeenkomstig de dagvaarding geconcludeerd voor eis I.S.S. te
veroordelen om aan K te betalen een bedrag van
ƒ 396,63, zulks met nevenvorderingen.
I.S.S. heeft schriftelijk geantwoord op de vordering.
De conclusies van repliek en dupliek zijn hierna gewisseld.
Motivering

1. Als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) gemotiveerd betwist alsmede
op grond van de niet bestreden inhoud der overgelegde bescheiden staat het
volgende tussen partijen vast:
– K. is bij ISS in dienst vanaf 2 maart 1992 waarbij zij laatstelijk voor
tien uren per week als schoonmaakster tewerkgesteld was op het project Gastec
te Apeldoorn.
– K.’s loon bedraagt ƒ 14,51 bruto per uur. Op de arbeidsovereenkomst in
kwestie is van toepassing de CAO voor het Schoonmaak- en
Glazenwassersbedrijf.
– op 7 juni 1994 heeft K. ISS laten weten haar geloofsovertuiging niet langer
te kunnen verloochenen in verband waarmee zij voortaan met een hoofddoekje op
het werk zou verschijnen.
– Daags daarna – en ook op 9 juni 1994 – is zij metterdaad op het werk te
Apeldoorn verschenen, voorzien van een hoofddoekje, zonder dat op het dragen
daarvan op- of aanmerkingen werden gemaakt.
– Op 10 juni 1994 heeft haar voorvrouw op het werk, genaamd Van Werven, K.
laten weten dat het werken met een hoofddoekje bij Gastec niet was toegestaan
en dat zij zou worden overgeplaatst naar een object waar het dragen van
hoofddoekjes kennelijk niet op bezwaren stuitte, met name het object Nefit
Fasto te Deventer, alwaar K. op 13 juni 1994 zou kunnen beginnen.
– Toen K. zich op die datum te 17.30 uur – getooid met hoofddoek – meldde bij
Gastec te Apeldoorn werd zij met onmiddellijke ingang vanwege ISS geschorst.
– K. heeft tegen deze schorsing geprotesteerd; tevens heeft zij aangegeven de
ontstane situatie te willen bespreken met haar superieuren.
– Op 17 juni 1994 heeft K. zich volgens daartoe gemaakte afspraak gemeld op
het object Nefit Fasto te Deventer teneinde daar een gesprek te hebben met de
cheffin, genaamd Van der Wielen.
– K. is onverrichterzake naar huis moeten gaan toen noch genoemde Van der
Wielen noch iemand anders in haar plaats op het afgesproken tijdstip kwam
opdagen.
– Op 17 juni 1994 heeft ISS K. op staande voet ontslagen in verband met
herhaalde werkweigering.
– K. heeft de nietigheid van het haar verleende ontslag ingeroepen; ook heeft
zij zich beschikbaar gesteld haar werkzaamheden te verrichten.
2. Van mening dat zij op 17 juni 1994 volkomen ten onrechte is ontslagen op
staande voet vordert K. doorbetaling van loon etc., te rekenen vanaf 14 juni
1994. In haar zienswijze was overplaatsing haar deel bij wijze van straf voor
het dragen van een hoofddoek.
3. ISS van haar kant huldigt de opvatting dat de vordering behoort te worden
afgewezen.
Wat haar betreft behoort het hoofddoekje – althans op het project Gastec –
niet bij de voorgeschreven werkkleding. Waar het contract tussen partijen
bovendien vermeldt dat K. is aangenomen voor het verrichten van werkzaamheden
in de gehele regio is het ontslag op staande voet terecht gegeven toen bleek
dat K. niet op het project Nefit Fasto kwam opdagen op 13 juni 1994.
4. Het verweer van ISS faalt.
Ten eerste heeft ISS geen rechtens te beschermen belang een werkneemster over
te plaatsen c.q. die werkneemster te ontslaan die – zoals in casu het geval –
vanuit haar diepste religieuze overtuiging een hoofddoekje wenst te dragen
tijdens het werk.
Vervolgens had van ISS mogen worden verlangd dat zij met K. in overleg zou
zijn getreden teneinde de ontstane situatie – die zich kennelijk ten aanzien
van andere Turkse werkneemsters gemakkelijk zou kunnen herhalen – serieus
door te spreken.
ISS heeft de mogelijkheid tot overleg laten liggen; zij heeft – kennelijk
aangebrand – K. ontslagen op staande voet zonder het al onder 1 gememoreerde
gesprek van 17 juni 1994 te laten plaatsvinden.
Had dat gesprek doorgang gevonden dan was ook voor ISS duidelijk geworden dat
K. op doordeweekse dagen in Apeldoorn een opleiding volgt waarbij de lessen
eindigen om 17.00 uur, zodat zij in de feitelijke onmogelijkheid verkeert –
zonder eigen vervoer – om 17.30 uur te Deventer aan het werk te gaan.
5. Al met al moet worden geconcludeerd dat het aan K. op 17 juni 1994
verleende ontslag een dringende reden ontbeert. De vordering van K. kan dan
ook worden toegewezen in voege als na te melden.
6. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt ISS in de proceskosten
veroordeeld.
Beslissing
– Het aan K. op 17 juni 1994 verleende ontslag op staande voet wordt
geacht te zijn nietig.
– ISS wordt veroordeeld om K., tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te
betalen:
a. aan loon over de maand juni 1994: ƒ 396,63 bruto;
b. aan loon, te rekenen vanaf 1 juli 1994: ƒ 628,14 bruto per maand, dit
totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn
beëindigd;
c. de wettelijke verhoging als bedoeld in art. 7A:1638q BW, groot 15%, over
het netto-equivalent van de onder a en b vermelde bedragen;
d. de wettelijke rente over de onder a en b vermelde bedragen, vanaf de datum
van opeisbaarheid tot aan de dag der voldoening.
– Dit vonnis wordt tot zover uitvoerbaar verklaard bij voorraad.
– Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
– Als de in het ongelijk gestelde partij wordt I.S.S. veroordeeld tot
betaling van de proceskosten tot op heden aan de zijde van K begroot op ƒ
569,15, te voldoen als volgt:

1.
aan de griffier van dit kantongerecht:
door storting op gironummer xx ten name van de gerechten in het
arrondissement Zutphem
terzake:
– in debet gesteld griffierecht ƒ 112,50
– salaris gemachtigde ƒ 350
– kosten dagvaarding ƒ 69,15
ƒ 531,65 in totaal;
2. aan K:
– niet in debet gesteld griffierecht ƒ 37,50 in totaal;

Rechters

Mr. K.R. Kuiken

Instantie: Kantonrechter Apeldoorn, 30 november 1994

Instantie

Kantonrechter Apeldoorn

Samenvatting


Een Turkse schoonmaakster laat haar werkgever weten voortaan met
hoofddoek op de werkplek te zullen verschijnen.

Na enkele dagen wordt zij overgeplaatst naar een andere werkplek, maar
meldt zij zich op de oorspronkelijke werkplek, waarop zij geschorst
wordt. De werkneemster protesteert tegen de schorsing en een afspraak
voor overleg wordt gemaakt, waarbij de werkgever verstek laat gaan. Op
dezelfde dag wordt de werkneemster op staande voet ontslagen.

De rechter oordeelt dat de werkgever geen rechtens te beschermen
belang heeft een werkneemster op staande voet te ontslaan die op grond
van religieuze overtuiging een hoofddoek wenst te dragen tijdens het
werk. Verder heeft de werkgever niet serieus overlegd met de
werkneemster onder meer over de bereikbaarheid van de nieuwe werkplek.
Het ontslag wordt nietig verklaard en de werkgever veroordeeld tot
betaling van achterstallig loon.

Volledige tekst

Motivering 1. Als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende)
gemotiveerd betwist alsmede op grond van de niet bestreden inhoud der
overgelegde bescheiden staat het volgende tussen partijen vast: –
Nurdogdu is bij ISS in dienst vanaf 2 maart 1992 waarbij zij
laatstelijk voor tien uren per week als schoonmaakster tewerkgesteld
was op het project Gastec te Apeldoorn.

– Nurdogdu’s loon bedraagt ƒ 14,51 bruto per uur. Op de
arbeidsovereenkomst in kwestie is van toepassing de CAO voor het
Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf.

– op 7 juni 1994 heeft Nurdogdu ISS laten weten haar
geloofsovertuiging niet langer te kunnen verloochenen in verband
waarmee zij voortaan met een hoofddoekje op het werk zou verschijnen.

– Daags daarna – en ook op 9 juni 1994 – is zij metterdaad op het werk
te Apeldoorn verschenen, voorzien van een hoofddoekje, zonder dat op
het dragen daarvan op- of aanmerkingen werden gemaakt.

– Op 10 juni 1994 heeft haar voorvrouw op het werk, genaamd Van
Werven, Nurdogdu laten weten dat het werken met een hoofddoekje bij
Gastec niet was toegestaan en dat zij zou worden overgeplaatst naar
een object waar het dragen van hoofddoekjes kennelijk niet op bezwaren
stuitte, met name het object Nefit Fasto te Deventer, alwaar Nurdogdu
op 13 juni 1994 zou kunnen beginnen.

– Toen Nurdogdu zich op die datum te 17.30 uur – getooid met hoofddoek
– meldde bij Gastec te Apeldoorn werd zij met onmiddellijke ingang
vanwege ISS geschorst.

– Nurdogdu heeft tegen deze schorsing geprotesteerd; tevens heeft zij
aangegeven de ontstane situatie te willen bespreken met haar
superieuren.

– Op 17 juni 1994 heeft Nurdogdu zich volgens daartoe gemaakte
afspraak gemeld op het object Nefit Fasto te Deventer teneinde daar
een gesprek te hebben met de cheffin, genaamd Van der Wielen.

– Nurdogdu is onverrichterzake naar huis moeten gaan toen noch
genoemde Van der Wielen noch iemand anders in haar plaats op het
afgesproken tijdstip kwam opdagen.

– Op 17 juni 1994 heeft ISS Nurdogdu op staande voet ontslagen in
verband met herhaalde werkweigering.

– Nurdogdu heeft de nietigheid van het haar verleende ontslag
ingeroepen; ook heeft zij zich beschikbaar gesteld haar werkzaamheden
te verrichten.

2. Van mening dat zij op 17 juni 1994 volkomen ten onrechte is
ontslagen op staande voet vordert Nurdogdu doorbetaling van loon etc.,
te rekenen vanaf 14 juni 1994. In haar zienswijze was overplaatsing
haar deel bij wijze van straf voor het dragen van een hoofddoek.

3. ISS van haar kant huldigt de opvatting dat de vordering behoort te
worden afgewezen.

Wat haar betreft behoort het hoofddoekje – althans op het project
Gastec – niet bij de voorgeschreven werkkleding. Waar het contract
tussen partijen bovendien vermeldt dat Nurdogdu is aangenomen voor het
verrichten van werkzaamheden in de gehele regio is het ontslag op
staande voet terecht gegeven toen bleek dat Nurdogdu niet op het
project Nefit Fasto kwam opdagen op 13 juni 1994.

4. Het verweer van ISS faalt.

Ten eerste heeft ISS geen rechtens te beschermen belang een
werkneemster over te plaatsen c.q. die werkneemster te ontslaan die –
zoals in casu het geval – vanuit haar diepste religieuze overtuiging
een hoofddoekje wenst te dragen tijdens het werk.

Vervolgens had van ISS mogen worden verlangd dat zij met Nurdogdu in
overleg zou zijn getreden teneinde de ontstane situatie – die zich
kennelijk ten aanzien van andere Turkse werkneemsters gemakkelijk zou
kunnen herhalen – serieus door te spreken.

ISS heeft de mogelijkheid tot overleg laten liggen; zij heeft –
kennelijk aangebrand – Nurdogdu ontslagen op staande voet zonder het
al onder 1 gememoreerde gesprek van 17 juni 1994 te laten
plaatsvinden.

Had dat gesprek doorgang gevonden dan was ook voor ISS duidelijk
geworden dat Nurdogdu op doordeweekse dagen in Apeldoorn een opleiding
volgt waarbij de lessen eindigen om 17.00 uur, zodat zij in de
feitelijke onmogelijkheid verkeert – zonder eigen vervoer – om 17.30
uur te Deventer aan het werk te gaan.

5. Al met al moet worden geconcludeerd dat het aan Nurdogdu op 17 juni
1994 verleende ontslag een dringende reden ontbeert.

De vordering van Nurdogdu kan dan ook worden toegewezen in voege als
na te melden.

6. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt ISS in de proceskosten
veroordeeld.

Beslissing – Het aan Nurdogdu op 17 juni 1994 verleende ontslag op
staande voet wordt geacht te zijn nietig.

– ISS wordt veroordeeld om Nurdogdu, tegen behoorlijk bewijs van
kwijting, te betalen: a. aan loon over de maand juni 1994: ƒ 396,63
bruto; b. aan loon, te rekenen vanaf 1 juli 1994: ƒ 628,14 bruto per
maand, dit totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig
zal zijn beeindigd; c. de wettelijke verhoging als bedoeld in art.
7A:1638q BW, groot 15%, over het netto-equivalent van de onder a en b
vermelde bedragen; d. de wettelijke rente over de onder a en b
vermelde bedragen, vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag der
voldoening.

Rechters

Mr. K.R. Kuiken