Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 november 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was van 26 maart 1973 tot 13 januari 1983 in dienst van de
wederpartij. De toen geldende pensioenregeling sloot deelname van
gehuwde vrouwen uit, in tegenstelling tot gehuwde mannen. Verzoekster
is van mening dat de wederpartij door deze uitsluiting direct
onderscheid heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling. In zijn overweging 25 in het eerder genoemde Barber-arrest
(Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Bilka versus Kaufmann,
zaaknummer C-170/84, 13 mei 1986, Jurisprudentie 1986 p. 1607) stelt
het EG-Hof dat een pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel
119 EEG-Verdrag valt indien deze het resultaat is van overeenstemming
tussen werknemers en werkgevers of een eenzijdige beslissing van de
werkgever vormt. Voorts moet het gaan om een regeling die geheel
gefinancierd wordt door de werkgever of door werkgever en werknemers
gezamenlijk, zonder dat sprake is van enige bijdrage van de overheid.
Deze beginselen heeft het EG-Hof reeds in het Bilka-arrest
uitgesproken. In overweging 26 van het Barber-arrest gaat het Hof
nader in op de vraag in welke gevallen pensioenregelingen voor
werknemers geacht moeten worden onder de werkingssfeer van artikel 119
EEG-Verdrag te vallen. Daarvan is onder meer sprake indien de regeling
alleen van toepassing is op werknemers van bepaalde bedrijven of
instellingen, zodat gebondenheid aan de regeling noodzakelijkerwijs
voortvloeit uit de dienstbetrekking met de betrokken werkgever. De
onderhavige pensioenregeling heeft geen betrekking op algemene
categorieen van werknemers, maar slechts op werknemers van het bedrijf
van de wederpartij. De Commissie stelt op grond van bovenstaande vast
dat de deelname aan de onderhavige pensioenregeling onder het
loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag valt en derhalve, op grond van
verdragsconforme interpretatie, binnen de werkingssfeer van artikel
7A:1637 BW.

Het EG-Hof heeft in de zaken Vroege en Fisscher bevestigd dat niet
alleen het recht op uitkering uit hoofde van een
bedrijfspensioenregeling, maar ook het recht op aansluiting daartoe
binnen de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag valt. In genoemde
uitspraken heeft het Hof voorts aangegeven dat er voor het recht op
aansluiting geen beperking in de tijd geldt, en dat dit recht derhalve
vanaf 8 april 1976, de datum van het Defrenne II-arrest, waarin het Hof
voor het eerst de rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag
heeft erkend, afdwingbaar is. Het Hof wijst er echter uitdrukkelijk op,
dat recht op aansluiting bij de pensioenregeling mede betekent dat ook
over de betrokken periode (alsnog) premies moeten worden betaald, ook
door de werknemer indien het pensioenreglement een werknemersbijdrage
voorschrijft. Gelet op het bovenstaande concludeert de Commissie dat de
wederpartij verplicht kan worden om verzoekster over de periode
voorafgaande aan 17 mei 1990 tot de pensioenregeling toe te laten. De
bestreden pensioenregeling bepaalde dat gehuwde vrouwelijke werknemers
uitgesloten waren van deelname aan de regeling. De Commissie
concludeert dat de pensioenregeling een direct onderscheid tussen
mannen en vrouwen maakt. De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een
van de wettelijke uitzonderingsgronden. De Commissie ziet zelf ook geen
aanleiding om tot toepassing van deze gronden te concluderen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1 Op 19 oktober 1992 verzocht mevrouw te Amsterdam (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of … te
Amsterdam (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster was van 26 maart 1973 tot 13 januari 1983 in dienst
van de wederpartij. De toen geldende pensioenregeling sloot deelname
van gehuwde vrouwen uit, in tegenstelling tot gehuwde mannen.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij door deze uitsluiting
direct onderscheid heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. De wederpartij heeft eenmaal de gelegenheid gehad
zijn standpunt terzake uiteen te zetten.

2.2. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. De Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid heeft per 1 september 1994 haar werkzaamheden
overgedragen aan de Commissie gelijke behandeling, die is ingesteld op
grond van de inwerkingtreding van de Algemene wet gelijke behandeling
op 1 september 1994 (AWGB; Stb. 1994, 230).

2.3. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 30
november 1994. De wederpartij heeft van deze uitnodiging geen gebruik
gemaakt. Bij de zitting waren aanwezig:

van de zijde van verzoekster – mw mr M.E.B. Terwee (advocaat)

van de zijde van de Commissie – mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)
-dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer) -dhr mr J.A.M.I. Hoens
(plaatsvervangend lid Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen (juridisch
adviseur).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster was van 26 maart 1973 tot 13 januari 1983 voltijds in
dienst van de wederpartij. Het dienstverband is geeindigd in verband
met volledige arbeidsongeschiktheid van verzoekster.

3.2. De in die periode geldende pensioenregeling sloot gehuwde
vrouwelijke werknemers uit van deelname. Mannelijke werknemers en
vrouwelijke ongehuwde werknemers werden wel toegelaten, zij het dat
voor toetreding een voor mannen andere leeftijdsgrens gold dan voor
vrouwen.

De standpunten van partijen

3.3. Verzoekster is van mening dat in de toenmalige pensioenregeling,
door gehuwde vrouwelijke werknemers uit te sluiten, direct onderscheid
gemaakt werd op grond van geslacht, in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

Uit de arresten Vroege en Fisscher ( Hof van justitie der Europese
Gemeenschappen, Vroege versus NCIV Instituut voor Volkshuisvesting BV
en stichting Pensioenfonds NCIV, zaaknummer C-57/93, 28 september
1994, vindplaats Nemesis 1994 nummer 424 Hof van justitie der Europese
Gemeenschappen, Fisscher versus Voorhuis Hengelo BV en Stichting
Bedrijfspensioenfonds voor de Detailhandel, zaaknummer C-128/93, 28
september 1994, vindplaats Nemesis 1994 nummer 425) blijkt dat de
beperking in de terugwerkende kracht tot 17 mei 1990 in de zaken Barber
(Hof van jusititie der Europese gemeenschappen, Barber versus Guardian
Royal Exchange Assurance Group, zaaknummer C-262/88, 17 mei 1990) en
Ten Oever (Hof van justitie der Europese gemeenschappen, Ten Oever
versus Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Glazenwassers- en
Schoonmaakbedrijf, zaaknummer C- 109/91, 6 oktober 1993) niet dient te
gelden in verzoeksters geval. Indien het om een aansluiting bij een
bedrijfspensioenregeling gaat, kan met terugwerkende kracht vanaf de
datum van het arrest Defrenne (Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Defrenne versus Belgische luchtvaartmaatschappij NV
Sabena (II), zaaknummer C-43/75, Jurisprudentie 1976 455, 8 april 1976)
een beroep gedaan worden op artikel 119 EEG- Verdrag.

Tot slot brengt verzoekster naar voren dat zij er vanuit gaat dat de
Commissie niet bevoegd is om uitspraak te doen over in het nationale
recht geldende beroepstermijnen. Haar stelling is dat de
verjaringstermijn pas dient te lopen op het moment dat het pensioen tot
uitkering komt, omdat pensioen uitgesteld loon is.

3.4. De wederpartij is van mening, dat zij jegens verzoekster geen
onderscheid heeft gemaakt. Uit het arrest Ten Oever van het EG-Hof d.d.
6 oktober 1993 blijkt immers dat de terugwerkende kracht van het
gelijke beloningsbeginsel op het terrein van pensioenen is beperkt tot
de datum van het Barber-arrest.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. Allereerst is de vraag aan de orde of de Commissie bevoegd is naar
aanleiding van het onderhavige verzoek een oordeel uit te spreken.
Artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt namelijk dat een
werkgever noch direct noch indirect onderscheid mag maken tussen mannen
en vrouwen in onder meer de arbeidsvoorwaarden, waaronder begrepen de
beloning. Niet onder de arbeidsvoorwaarden worden begrepen aanspraken
of uitkeringen ingevolge pensioenregelingen.

Zij overweegt hieromtrent het volgende.

Voor zover nodig, toetst de Commissie aan de Wet gelijk loon voor
vrouwen en mannen (WGL; Stb. 1975, 129) indien er sprake is van een
periode van ongelijke behandeling tussen 1975 en 1980. De WGL bepaalde
in artikel 2 dat een werkgever geen onderscheid mocht maken op het punt
van de beloning. Voor een periode vanaf 1980 moet aan de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen getoetst worden (WGBoud; Stb. 1980,
86). Bij deze laatste Wet werd artikel 7A:1637ij BW ingevoerd, welke
bij de wetswijziging van de WGB in 1989 (Wet van 27 april 1989; Stb.
168) en in 1994 (AWGB; Stb. 1994, 230) is gewijzigd.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met de WGL en voorts met
artikel 7A:1637ij BW mede een volledige uitwerking heeft willen geven
aan artikel 119 EEG-Verdrag.

Het EG-Hof is blijkens haar overwegingen in de zaak Van Colson/Kamann
(Hof van Jusitie der Europese Gemeenschappen, Colson versus Kamann,
Zaaknummer C-14/83, 10 april 1984) van mening dat nationale rechters en
anderen die met overheidsgezag zijn bekleed gehouden zijn om binnen hun
bevoegdheden de wetgeving gelijke behandeling uit te leggen en toe te
passen in het licht van de bewoordingen en objectieve doelstelling van
-in dit geval- artikel 119 EEG-Verdrag.

Naar het oordeel van de Commissie betekent dit dat zij de
uitdrukkelijke uitzondering voor aanspraken en uitkeringen ingevolge
pensioenregelingen als gemaakt in artikel 7A:1637ij BW moet
interpreteren in het licht van de jurisprudentie van het EG-Hof over
het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag. Gelet op het bovenstaande
vat de Commissie de uitzondering genoemd in artikel 7A:1637ij BW zo op,
dat slechts die pensioenkwesties terzake waarvan volgens het EG-Hof
geen beroep op de rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag kan
worden gedaan van de wettelijke norm van gelijke behandeling zijn
uitgesloten.

Op grond van het bovenstaande acht de Commissie zich in ieder geval
bevoegd om te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de bestreden
pensioenregeling valt binnen het loonbegrip van artikel 119
EEG-Verdrag, en derhalve binnen de werkingssfeer van de wetgeving
gelijke behandeling.

4.2. Alvorens op de in geding zijnde vraag in te gaan, overweegt de
Commissie, zoals verzoekster al aangaf, dat het niet de taak van de
Commissie is om vast te stellen welke verjaringstermijn naar burgerlijk
procesrecht van toepassing is. Zij kan slechts haar oordeel uitspreken
over de vraag of er een door de wetgeving gelijke behandeling verboden
onderscheid is gemaakt.

4.3. Ten aanzien van de in geding zijnde vraag, namelijk of de
wederpartij jegens verzoekster onderscheid naar geslacht heeft gemaakt
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen
door haar van deelname aan de pensioenregeling uit te sluiten in de
periode van 9 juni 1976 (datum huwelijk) tot 23 augustus 1979 (bereiken
25-jarige leeftijd), terwijl een mannelijke werknemer in gelijke
omstandigheden wel toegelaten zou zijn, overweegt de Commissie als
volgt.

In zijn overweging 25 in het eerder genoemde Barber-arrest (Hof van
Justitie der Europese Gemeenschappen, Bilka versus Kaufmann, zaaknummer
C-170/84, 13 mei 1986, Jurisprudentie 1986 p. 1607) stelt het EG-Hof
dat een pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel 119
EEG-Verdrag valt indien deze het resultaat is van overeenstemming
tussen werknemers en werkgevers of een eenzijdige beslissing van de
werkgever vormt. Voorts moet het gaan om een regeling die geheel
gefinancierd wordt door de werkgever of door werkgever en werknemers
gezamenlijk, zonder dat sprake is van enige bijdrage van de overheid.
Deze beginselen heeft het EG-Hof reeds in het Bilka-arrest
uitgesproken. In overweging 26 van het Barber-arrest gaat het Hof
nader in op de vraag in welke gevallen pensioenregelingen voor
werknemers geacht moeten worden onder de werkingssfeer van artikel 119
EEG-Verdrag te vallen. Daarvan is onder meer sprake indien de regeling
alleen van toepassing is op werknemers van bepaalde bedrijven of
instellingen, zodat gebondenheid aan de regeling noodzakelijkerwijs
voortvloeit uit de dienstbetrekking met de betrokken werkgever. De
onderhavige pensioenregeling heeft geen betrekking op algemene
categorieen van werknemers, maar slechts op werknemers van het bedrijf
van de wederpartij. De Commissie stelt op grond van bovenstaande vast
dat de deelname aan de onderhavige pensioenregeling onder het
loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag valt en derhalve, op grond van
verdragsconforme interpretatie, binnen de werkingssfeer van artikel
7A:1637 BW.

4.4. Partijen verschillen van mening over de vraag vanaf welk moment de
norm van gelijke beloning, zoals neergelegd in artikel 7A:1637ij BW, in
rechte kan worden afgedwongen. Verzoekster is van mening dat in het
onderhavige geval de beperking in terugwerkende kracht, zoals volgend
uit het Barber-arrest, niet kan worden tegengeworpen aangezien het hier
gaat om een recht op aansluiting en niet om een recht op uitkering. De
wederpartij is van mening dat ook in het onderhavige geval de genoemde
beperking in terugwerkende kracht van toepassing is, en een afdwingbare
verplichting tot toelating tot de pensioenregeling eerst bestaat vanaf
17 mei 1990.

De Commissie overweegt hierover als volgt.

Het EG-Hof heeft in de zaken Vroege en Fisscher (zie noot 1) bevestigd
dat niet alleen het recht op uitkering uit hoofde van een
bedrijfspensioenregeling, maar ook het recht op aansluiting daartoe
binnen de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag valt. In genoemde
uitspraken heeft het Hof voorts aangegeven dat er voor het recht op
aansluiting geen beperking in de tijd geldt, en dat dit recht derhalve
vanaf 8 april 1976, de datum van het Defrenne II-arrest (zie noot 4),
waarin het Hof voor het eerst de rechtstreekse werking van artikel 119
EEG-Verdrag heeft erkend, afdwingbaar is. Het Hof wijst er echter
uitdrukkelijk op, dat recht op aansluiting bij de pensioenregeling mede
betekent dat ook over de betrokken periode (alsnog) premies moeten
worden betaald, ook door de werknemer indien het pensioenreglement een
werknemersbijdrage voorschrijft. Gelet op het bovenstaande concludeert
de Commissie dat de wederpartij verplicht kan worden om verzoekster
over de periode voorafgaande aan 17 mei 1990 tot de pensioenregeling
toe te laten.

4.5. De bestreden pensioenregeling bepaalde dat gehuwde vrouwelijke
werknemers uitgesloten waren van deelname aan de regeling. De Commissie
concludeert dat de pensioenregeling een direct onderscheid tussen
mannen en vrouwen maakt. De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een
van de wettelijke uitzonderingsgronden. De Commissie ziet zelf ook geen
aanleiding om tot toepassing van deze gronden te concluderen.

4.6. De Commissie concludeert derhalve dat de wederpartij in strijd met
artikel 7A:1637ij BW verzoekster in de periode van 8 april 1976 tot 13
januari 1983 niet heeft toegelaten tot de pensioenregeling die in haar
bedrijf van toepassing was.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Amsterdam jegens
mevrouw te Amsterdam onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in
strijd met artikel 2 Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen en artikel
7A:1637ij Burgerlijk Wetboek door haar van 8 april 1976 tot 13 januari
1983 niet toe te laten als deelneemster van de toen geldende
pensioenregeling om reden dat zij een gehuwde vrouw was.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), dhr mr R.A.C.M.Langemeijer (lid Kamer), dhr mr J.A.M.I. Hoens (plaatsvervangend lidKamer), mw mr G.L.M. Lenssen (juridisch adviseur)

Instantie: Europese Commissie voor de rechten van de mens, 30 november 1994

Instantie

Europese Commissie voor de rechten van de mens

Samenvatting


F is veroordeeld tot zes jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf en tot
elf jaar ontzetting uit het recht tot uitoefening van het beroep van
geneeskundige (RN 1990, 118, RN 1991, 141 en RN 1991, 208). F heeft in
cassatie aangevoerd dat zijn verzoek tot het horen van de slachtoffers
onterecht is afgewezen. Het hof was van oordeel dat de verdachte door
het achterwege blijven van dat verhoor redelijkerwijze niet in zijn
verdediging kan worden geschaad. De Hoge Raad is van mening dat dit
oordeel niet onbegrijpelijk is en wijst het cassatiemiddel af. F heeft
op 23 december 1991 een klacht ingediend bij de Europese Commissie voor
de rechten van de mens dat artikel 6 EVRM is geschonden omdat zijn
verzoek tot het horen van de slachtoffers is afgewezen. De Commissie
verklaart de klacht van F ontvankelijk.

Volledige tekst

The facts

1. The particular circumstances of the case

The applicant is a Dutch citizen, born in 1934, residing in Nijmegen.
Before the Commission, he is represented by Mr. G. Spong, a lawyer
practising in The Hague.

The facts of the case, as submitted by the parties, may be summarised
as follows.

The applicant is a psychiatrist. From 1970 to 1 February 1989 he was
employed by the H. Foundation in Z., the Netherlands. From 1973 until
the end of 1985 he was director and senior medical officer of the
“D.L” house of the H. Foundation. In this institution, minors with
metal problems are treated.

After several complaints had been made to the police, alleging that the
applicant had abused patients under his care and had committed
indecencies during a long period, a police investigation was carried
out in 1989. In January and February 1989, a large number of persons
were questioned by the police, including former patience and former
staff members of the “D.L.” house.

In May 1989, the investigating judge (rechter-commissaris) heard, inter
alia, three former patients, J.T. and D, who alleged that they had been
abused by the applicant. The applicant’s lawyer was present at these
hearings and was given opportunity to question them. They confirmed the
statements they had previously made before the police.

A fourth alleged victim C, however, did not appear before the
investigating judge. Initially, she had not been willing to bring a
complaint against the applicant at all, according to the police due to
psychological and emotional problems related to the abuse allegedly
suffered. She later changed her mind and agreed to make a statement
before the police, which she did on 27 February 1989.

When C was subsequently summoned to appear before the investigating
judge, she or her social counsel informed the investigating judge’s
registrar by telephone that she did not wish to appear before the
investigating judge. No reasons were given for C’s decision.

On 30 May 1990, the applicant, who denied all charges, was convicted by
the Regional Court (Arrondissementsrechtbank) of Arnhem of (a) multiple
abuse, as a doctor in a charitable institution, of a person admitted
thereto, (b) multiple indecent assault and (c) multiple rape. The
applicant was sentenced to six years’ imprisonment. In addition his
right to practise medicine was suspended for a period of eleven years.

Both the applicant and the public prosecutor filed an appeal against
the judgment of 30 May 1990 with the Court of Appeal (Gerechtshof) of
Arnhem.

In the course of the proceedings before the Court of Appeal, the
applicant’s lawyer repeatedly requested the Court to hear J., T., D and
C. The applicant’s lawyer argued that many other witnesses had been
heard since May 1989, when J, T, and D had been examined; he wished to
confront them with these new statements, and in particular to question
C., whom he had never been able to examine. The Court of Appeal
rejected these requests, considering:

“Bij pleidooi heeft de raadsman zijn eerder gedaan verzoek tot
het horen van de slachtoffers ter zitting (als getuigen onder ede)
herhaald. Het hof wijst dat verzoek nogmaals af omdat het van oordeel
is dat de verdachte door het achterwege blijven van dat verhoor
redelijkerwijze niet in zijn verdediging kan worden geschaad. (…) De
aangeefsters (J, T en D) zijn naar aanleiding van hun aangiften bij de
politie door de rechter-commissaris gehoord, in bijzijn van de raadsman
van de verdachte. Deze heeft gelegenheid gehad om deze getuigen de
vragen te stellen die hij in het belang van de verdediging achtte.
Omtrent de aangeefster (C) heeft de politie op blz. 13 van het proces-
verbaal nr. 3B/89 gerelateerd, dat het aanvankelijk niet mogelijk was,
contact met dit slachtoffer te krijgen, omdat zij door psychische en
emotionele problemen niet in staat was aangifte te doen. Naar ’s Hof
oordeel moet ook het proces-verbaal van de rechter-commissaris d.d. 25
april 1990, dat zich in het dossier bevindt, inhoudende dat aangeefster
of haar hulpverleenster heeft meegedeeld dat eerstgenoemde geen gevolg
geeft aan de oproep om voor de rechter-commissaris te verschijnen, in
dat licht worden bezien. Derhalve is te verwachten, dat aangeefster
ondanks de daarop bestaande sancties, bij oproeping niet zal voldoen
aan haar verplichting tot verschijning en tot het afleggen van een
verklaring.”

“In his submissions to the court, counsel has reiterated
his request to hear the victims (as witnesses under oath) before the
court. The court again rejects this request as it considers that the
rights of the defence cannot reasonably be impaired by the absence of
such a hearing. (…) On the basis of their reports to the police, the
informants (J, T. and D) have been heard by the investigating judge, in
the presence of the applicant’s lawyer. He has had the opportunity to
put the questions, which he considered to be in the interest of the
defence, to these witnesses. As regards informant (C), the police have
stated on page 13 of the proces- verbal nr. 3B/89 that initially it had
been impossible to contact this victim, as due to her psychological and
emotional problems she was incapable to report to the police. In the
opinion of the court the proces- verbal of the investigating judge of
25 April 1990, which is included in the case file and indicated that
the informant or her social worker have stated that the former will not
comply with the summons to appear before the investigating judge,
should be seen against the same background. Consequently, it is to be
expected that the informant, when summoned, will not comply with her
obligation to appear and to make a statement, despite the sanctions
that this refusal might entail.”

In its judgment of 14 November 1990, the Court of Appeal quashed the
Regional Court’s judgment and, after a new examination of the facts and
evidence, convicted the applicant, who still denied all charges, of (a)
multiple abuse, as a doctor in a mental hospital, of a person admitted
thereto, (b) multiple indecent assault and (c) multiple rape. The Court
of Appeal imposed the same sentence as the Regional Court.

The Court of Appeal’s conviction was based on:

– the applicant’s statements before the police, the Regional Court and
the Court of Appeal;

– the statements of J before the police and the investigating judge;

– the statement of J’s general practitioner before the investigating
judge;

– a letter of 23 July 1983 which J wrote to her general practitioner
describing the alleged abuse by the applicant;

– the statement of T before the police and the investigating judge;

– the statement of D before the police and the investigating judge;

– the statement before the police of an employee of a mental hospital
where D was admitted after having left the “D.L.” house and who had
treated D;

– the statement of C before the police;

– the statement before the police of V a friend of C whom she had met
and had friendly relations with when both of them were patients in the
“D.L.” house and to whom C had confided that she was repeatedly being
abused by the applicant and who had advised C to write about the matter
to C’s therapist;

– the statements before the police and the investigating judge of K, a
group leader at the “D.L.” house, who in 1988 received a letter from C
about the applicant’s abuse and who had taken the matter up with his
superiors;

– a statement before the police of a member of the Board of the H.
Foundation who in November 1988 had a discussion with the applicant
about the complaints against the latter;

– the statements before the police and the investigating judge of C’s
therapist H.C. to whom C had complained that the applicant was abusing
her;

– the statements before the police and the investigating judge of
therapist A.H., who had treated C’s friend V and to whom C, V and H.C.
went in order to discuss the applicant’s abuse of C; and

– the statements before the investigating judge of the police officers
who had taken down the various statements made before the police on
this case about the investigation and the method of questioning of the
persons heard by them.

In his subsequent appeal in cassation to the Supreme court (Hoge Raad)
the applicant complained, inter alia, that the Court of Appeal had
violated Article 6 paras. 1 and 3 (d) of the Convention by rejecting
his request to hear the four alleged victims. With respect to J, T and
D, he argued that the Court of Appeal had not properly given reasons
for its rejection. With respect to C, he referred to the case-law of
the European Court and Commission of Human Rights, arguing that the
defence had not had “adequate and proper opportunity to challenge and
question” her. According to the applicant, the Court of Appeal should
either have summoned C or should have refrained from using her
statement in evidence. He emphasised that C’s statement constituted and
important basis for his conviction.

In its judgment of 1 October 1991, the Supreme Court rejected the
appeal in cassation. It found that the Court of Appeal’s refusal to
summon J, T and D was reasonable, taking into account that the
applicant’s lawyer had not given specific reasons for his request to
hear them again, apart from a very general intention to confront them
with the statements of other witnesses.

As to C, the Supreme Court accepted that the Court of Appeal had
decided not to summon her given the situation in which she apparently
found herself. The Supreme Court held that the Court of Appeal could
reasonably use her statement in evidence, as it coincided with the
other statements obtained.

On 27 January 1992, the State Secretary of Justice (Staatssecretaris
van justitie) rejected the applicant’s appeal for pardon (gratie).

2. Relevant domestic law and practice

Section 168 of the Dutch Code of Criminal Procedure (Wetboek van
Strafvordering, hereinafter referred to as “CCP”) provides that each
District Court has one or more investigating judges to whom criminal
cases are entrusted. They are nominated from amongst the members of the
District Court.

It is open to the public prosecutor, under Section 181 CCP, to request
what is called -in order to distinguish it from the subsequent
investigation at the trial- a preliminary judicial investigation
(gerechtelijk vooronderzoek).

It is the task of the investigating judge to conduct such an
investigation. In that event he will hear the suspect, witness and
experts as soon as possible and as often as necessary (Section 185
CCP). Both the public prosecutor and defence counsel area, in
principle, entitled to be present at those hearings (Sections 185 para.
2 and 186 CCP) and, even if they are absent, to give notice of
questions they wish to have put. Most investigating judges invite and
accused and his counsel to attend their hearings of witnesses.

The preliminary judicial investigation provides a basis for a decision
by the prosecuting authorities with regard to the further prosecution
of a suspect, and also serves to clarify matters which cannot properly
be investigated at the trial. The investigating judge must act
impartially, by also collecting evidence which might exculpate the
suspect. The investigating judge will close his investigation when he
considers it is completed. Both the suspect and the prosecuting
authorities will be informed about the closure of the preliminary
judicial investigation (Section 237 CCP).

If the public prosecutor finds that the results of the preliminary
judicial investigation justify further prosecution, he will notify the
suspect and commit the case for trial. The trial will then follow.

At the time in question, the relevant law and practice as regards the
summoning of witnesses to a court hearing was as follows: a witness
whom the defence had asked to call before the beginning of the trial,
and who had not been summoned by the public prosecutor, would be
summoned by the court, unless the court – considering summoning
superfluous or fruitless – found that the suspect could, in all
fairness, not be harmed in his defence by refusing the summoning of the
witness (Section 280 para. 4CCP).

As regards the evidence in criminal proceedings, Section 338 CCP
provides that the finding that the accused has committed the act with
which he is charged may be a judge only if he has been so convinced
through the investigation at the trial, by the contents of “legal means
of evidence” (wettige bewijsmiddelen). The latter consist, according to
Section 339 CCP, exclusively of (i) what the judge has according to
Section 339 CCP, exclusively of (i) what the judge has himself
observed; (ii) statements made by the accused; (iii) statements made by
a witness; (iv) statements made by an expert; and (v) written
documents.

Evidence in the third category is defined in Section 342 CCP, which
reads:

“1. A statement by a witness is understood to be his
statement, made in the investigation at the trial, about facts or
circumstances which he himself has seen of experienced. 2. The judge
cannot accept as proven that the defendant has committed the act with
which he is charged, solely on the statement of one witness.”

Evidence in the fifth category is defined in Section 344 CCP, which, as
far as relevant, reads:

“1. Written documents are understood to be: 1 ….; 2
official reports and other documents, drawn up in the lawful form by
bodies and persons who have the proper authority and containing their
statement regarding facts or circumstances which they themselves have
seen or experienced; 3 ….; 4 ….; 5 all other documents; but these
are valid only in conjunction with the content of other means of
evidence. 2. (…).”

In actual practice, the course of a procedure in a criminal case
differs from that suggested by the CCP. This is to a considerable
extent due to a leading judgment of the Supreme Court of 20 December
1926 (Nederlandse Jurisprudentie 1927, no. 85). According to this
judgment: -a statement by a witness concerning what he was told by
another person (hearsay evidence) may be used as evidence, albeit with
the utmost caution; -it is permissible to use as evidence declarations
made by the accused or by a witness to a police officer, as recorded in
the latter’s official report.

These rulings permit the use, as “legal means of evidence” within the
meaning of Sections 338 and 339 CCP, of statements made by a witness
not at the trial but before a police officer or the investigating
judge, provided they are recorded in an official report which is read
out in court. In the great majority of cases, witnesses are not heard
at the trial but either only by the police or also by the examining
magistrate.

The law does not make the presence of counsel for the defence
compulsory during the investigation by the police.

Section 292 CCP enables the President of the court to order an accused
to leave the court-room so that a witness may be examined out of his
presence. If such an order is made, counsel for the defence may
question the witness and the accused shall be told immediately what has
happened during his absence and only then will the investigation be
resumed (Section 292 para. 2 CCP). Thus, on returning to the court-room
the accused may avail himself of his right to question the witness.

Complaint

The applicant complains that the domestic courts violated Article 6
paras. 1 and 3 (d) of the Convention by rejecting his repeated requests
to hear J., T., D. and C. at the trial. With regard to C., he argues
that she had only made a statement to the police and that the defence
had not had an “adequate and proper opportunity to challenge and
question” her. In this respect he refers to the Kostovski, Delta, Isgro
and Saidi judgments of the European Court of Human Rights, and the
Commission’s Report in the Cardot case.

Proceedings before the commission The application was introduced on 23
December 1991 and registered on 18 February 1992. On 2 March 1994, the
Commission (Second Chamber) decided to communicate the application to
the respondent Government and invite them to submit written
observations on the admissibility and merits of the application. After
an extension of the time limit, the Government’s observations were
submitted on 20 May 1994. The applicant submitted his observations in
reply on 8 June 1994.

The law The applicant complains under Article 6 paras. 1 and 3 (d) of
the Convention that he did not receive a fair trial, as the Court of
Appeal rejected his repeated requests to summon the four alleged
victims to the hearing and used their statements in evidence.

Article 6 paras. 1 and 3 of the Convention, insofar as relevant, reads:
“1. In the determination (…) of any criminal charge against him,
everyone is entitled to a fair (…) hearing (…) by (a) (…)
tribunal (…). 3. Everyone charged with a criminal offence has the
following minimum rights: (…) (d) to examine or have examined
witnesses against him and to obtain the attendance and examination of
witnesses on his behalf under the same conditions as witnesses against
him (…).”

The Government submit that the applicant had a fair trial. He did not,
in the proceedings before the Regional Court of Arnhem, ask for
witnesses to be heard. The witnesses J., T., and D. were examined by
the investigating judge in the presence of the applicant’s lawyer, who
had the opportunity to question them. The use in evidence of their
statements is therefore consistent with para. 3 (d) of Article 6. C.’s
statement could be used in evidence without violating the right of the
applicant to a fair hearing, given C.’s psychological and emotional
problems and the consequences that a questioning would have for her.

The applicant submits that he did not have a fair trial. The defence
never had the opportunity to question C. The proof of the facts
concerning C. rests mainly on her own statement. The rights of the
applicant are not subordinate to the rights of the victim.

The Commission, having regard to the parties’s submissions, considers
that the application raises issues of fact and law which can only be
resolved by an examination of the merits. The application can,
therefore, not be declared manifestly ill-founded within the meaning of
Article 27 para. 2 of the Convention. No other grounds for
inadmissibility having been established. For these reasons, the
Commission, by a majority, declares the application admissible, without
prejudging the merits of the case.

Rechters

Mrs Trechsel, President, Daelius, Jorundsson, Soyer, Schermers,Thune, Martinez, Loucaides, Geus, Nowicki, Cabral Barreto, Mucha enSvaby

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 29 november 1994

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Is in de dagvaarding voldoende omschreven wat het zogenaamde schijnhuwelijk inhoudt? Volgens het Hof niet en daarom wordt de inleidende dagvaarding
nietig verklaard. De Hoge Raad volgt het Hof.

Volledige tekst

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de
Arrondissementsrechtbank te Breda van 4 februari 1993 -de inleidende
dagvaarding nietig verklaard.

2. Het cassatieberoep

Het beroep is ingesteld door de Procureur-Generaal bij het Hof. Deze heeft
bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit
arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Van Dorst heeft geconcludeerd tot verwerping van het
beroep.

4. Beoordeling van het middel

4.1. Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding telastegelegd:

dat zij op of omstreeks 6 februari 1991, in de gemeente R., tezamen en in
vereniging met een of meer anderen, althans zij, verdachte opzettelijk in een
authentieke akte, te weten een huwelijksakte, een valse opgave hebben/heeft
doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid die akte moest doen
blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen
gebruiken als ware die opgave in overeenstemming met de waarheid, terwijl uit
dat gebruik enig nadeel kon ontstaan, bestaande die valse opgave hierin, dat
zij en/of haar mededader(e)s(sen) ten overstaande van de ambtenaar van de
burgerlijke stand der gemeente R. verklaarden met elkaar een huwelijk, als
bedoeld in het Burgerlijk Wetboek, aan te gaan en getrouw alle daaraan
verbonden wettelijke verplichtingen te zullen vervullen, zulks terwijl dit
huwelijk een zogenaamd schijnhuwelijk betrof, inhoudende, (onder meer) dat
genoemde gehuwde(n)/verdachte(n) niet zouden gaan samenwonen en/of welk
huwelijk werd gesloten, enerzijds, ter verkrijging van financieel voordeel
en/of, anderzijds, ter verkrijging van een verblijfstitel.

4.2. Met betrekking tot de geldigheid van de inleidende dagvaarding heeft het
hof als volgt overwogen en beslist:

De telastelegging vangt aan met een kwalificatieve aanduiding van het
telastegelegde feit, namelijk: het opzettelijk in een authentieke akte, te
weten een huwelijksakte, een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van
welks waarheid die akte moest doen blijken.

De telastelegging behelst vervolgens als feitelijke omschrijving van de
valsheid van voornoemde opgave dat ‘dit huwelijk een zogenaamd schijnhuwelijk
betrof, inhoudende (onder meer) dat genoemde gehuwde(n)/verdachte(n) niet
zouden gaan samenwonen en/of welk huwelijk werd gesloten, enerzijds ter
verkrijging van financieel voordeel en/of anderzijds, ter verkrijging van een
verblijfstitel’.
Deze omstandigheden zijn evenwel naar het oordeel van het hof niet een nadere
feitelijke omschrijving van datgene wat in de aanhef der telastelegging
kwalificatief werd aangekondigd, doch betreffen omstandigheden die betrekking
hebben op het motief van het huwelijk en de inhoud die partijen aan dat
huwelijk willen geven. Deze omstandigheden bieden dan ook niet zonder meer
steun aan de opvatting dat daardoor de gedane opgave als vals zou moeten
worden gekwalificeerd.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de dagvaarding niet
voldoet aan de door art. 261 eerste lid, Sv gestelde eisen, immers een
onvoldoende feitelijke opgave van het telastegelegde feit bevat. Door
voormelde wetsbepaling wordt het niet naleven van deze eis met nietigheid
bedreigd.

De inleidende dagvaarding moet derhalve alsnog nietig worden verklaard.

4.3.1. ’s Hofs oordeel dat de in de telastelegging opgenomen feitelijke
omschrijving niet oplevert de daarin eveneens voorkomende kwalificatieve
aanduiding van het telastegelegde feit geeft niet blijk van een onjuiste
rechtsopvatting en is niet onverenigbaar met de bewoordingen waarin de
telastelegging is gesteld.

4.3.2. Het hof heeft kennelijk aan het in de telastelegging gebruikte woord
‘schijnhuwelijk’ geen verdergaande feitelijke betekenis gehecht dan die welke
volgt uit de daarop vermelde omstandigheden dat ‘genoemde
gehuwde(n)/verdachte(n) niet zouden gaan samenwonen’ en dat dit huwelijk werd
gesloten ‘enerzijds, ter verkrijging van financieel voordeel en/of
anderzijds, ter verkrijging van een verblijfstitel’. Deze uitleg geeft niet
blijk van een onjuiste opvatting omtrent het begrip ‘schijnhuwelijk’ waarmee
– volgens algemeen spraakgebruik – wordt aangeduid dat sprake is van een op
zichzelf rechtsgeldig gesloten huwelijk dat echter is aangegaan met een
oneigenlijk doel.

4.3.3. Het middel miskent voorts dat de akte die de ambtenaar van de
burgerlijke stand ingevolge het in art. 1:67, tweede lid, BW bepaalde van de
huwelijksvoltrekking moet opmaken dient om te doen blijken dat partijen de in
het eerste lid van genoemde bepalingen bedoelde verklaringen tegenover hem en
in aanwezigheid van getuigen hebben afgelegd, doch dat de inhoud van die
aldus afgelegde verklaringen niet oplevert een of meer feiten van welks
waarheid die akte moet doen blijken in de zin van art. 227 Sr. Het middel is
derhalve vruchteloos voorgesteld.

Volgt verwerping van het beroep.

5. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen
grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren
te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechters

mrs Haak, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, Koster

Instantie: Kantonrechter Utrecht, 29 november 1994

Instantie

Kantonrechter Utrecht

Samenvatting


B is werkzaam als schoonmaker bij de stichting. Er zijn drie klachten
wegens seksuele intimidatie tegen hem ingediend bij de klachtencommissie
ongewenste intimiteiten. De klachtencommissie heeft onderzoek gedaan en
de adjunct-directeur heeft hierover een gesprek gehad met B. Daarna zijn
er nog een tweetal klachten naar voren gekomen en op basis hiervan heeft
de stichting B, hangende het politie-onderzoek, geschorst voor een week.
De zaak is door de Officier van Justitie geseponeerd bij gebrek aan
bewijs, maar de schorsing is verlengd. De stichting dient een verzoek in
tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst omdat zij geen vertrouwen meer
heeft in B gezien hetgeen is voorgevallen. Tevens verzoekt B om ontbinding
van de arbeidsovereenkomst met toekenning van schadevergoeding. De
kantonrechter is ervan overtuigd, nadat hij klaagsters heeft gehoord, dat
er geen sprake is geweest van seksuele intimidatie en dat B onterecht is
geschorst. Daarom gaat de kantonrechter over tot ontbinding van de
arbeidsovereenkomst met toekenning van ƒ 17.500,- bruto voor materiele
schadevergoeding en ƒ 7.500,- netto voor immateriele schadevergoeding.

Volledige tekst

Overweegt en beschikt als volgt 1. Verweerder, hierna mede B te noemen,
is op 1 juni 1993 als schoonmaker in dienst getreden van verzoekster,
hierna mede de stichting te noemen. Zijn bruto maandloon bedraagt
laatstelijk ƒ 2907. Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO
voor het ziekenhuiswezen. 2. B is afkomstig uit de Verenigde Staten van
Amerika. Hij was, alvorens bij de stichting in dienst te treden, sinds
1973 op de Vliegbasis Soesterberg werkzaam, eerst als politieagent en
later als luchtverkeersleider. B is thans 41 jaar. 3. De arbeid wordt
gewoonlijk verricht te Huis ter Heide, gemeente Zeist. 4. De stichting
houdt aldaar in stand een tehuis voor mensen met een verstandelijke
handicap, wel tehuis is genaamd Sterrenberg.

5. De stichting beticht B van ongewenste seksuele intimiteiten. In maart
1994 heeft een drietal leerlingverpleegkundigen te weten W, H en M, een
klacht ingediend bij de door de stichting in stand gehouden
Klachtencommissie Ongewenste Intimiteiten, hierna mede de
klachtencommissie te noemen. Deze commissie heeft vervolgens de drie
klaagsters gehoord. De door haar afgelegde verklaringen zijn door een lid
van de klachtencommissie weergegeven en op schrift gesteld. De weergaven
zijn door de onderscheiden klaagsters getekend en in kopie in het geding
gebracht. In die weergave staat onder meer het navolgende.

Betrekkelijk tot klaagster W: In januari 1994 zat W thee te drinken op de
woongroep waar zij werkt. Ook aanwezig was de heer B. Tijdens het gesprek
dat zij voerde, bood B aan haar zelfverdediging te leren. Ook na
afwijzende reactie bleef hij volhouden dat hij W zelfverdediging wilde
leren. Hij stond toen op en maakte bewegingen en opmerkingen waaruit bleek
dat hij daadwerkelijk ter plaatse met deze lessen zou beginnen. W
reageerde boos en afwijzend. ( …)

Betrekkelijk tot klaagster H: In februari 1994 hadden H en de heer B een
eenmalig gesprek over boeken, waarbij hij haar uitnodigde om bij hem thuis
te komen, zodat zij boeken van hem kon lenen. B nodigde H vaker hiervoor
uit. Dit gebeurde altijd in situaties waarin verder niemand aanwezig was.
H wijst deze uitnodigingen altijd af. Zij voelt zich niet op haar gemak.
(..) B heeft een keer opmerkingen over haar haren gemaakt toen zij hem,
met een arm vol boodschappen tegenkwam. Zij heeft toen afwijzend verbaal
gereageerd o.a. met de opmerking dat zij geen tijd had; zij is toen
doorgelopen. Een andere keer wilde hij onder het mom van een grapje haar
haren aanraken. H reageerde heftiger door haar arm afwerend omhoog te
doen. B liet door een wat lacherige reactie merken dat hij haar reactie
nogal overdreven vond.

Betrekkelijk tot klaagster M: Vanaf november 1993 heeft B M meerdere keren
gevraagd bij hem thuis op bezoek te komen. M ervaarde (bedoeld zal zijn:
ervoer; toev. ktr.) dit op een gegeven moment als gezeur en om hiervan af
te zijn is ze eind februari/begin maart (..) op bezoek gegaan. In het
begin van dit bezoek was er niets aan de hand. Ze dronken wat (B’s vrouw
was ook thuis) en B liet haar een boek zien over de oorlog. ( …). Op een
gegeven moment vroeg de vrouw van B of M haar foto had gezien en zij nam
M mee naar de slaapkamer, waar een naaktfoto hing van haar (B’s vrouw)
samen met een andere vrouw. B was daar niet bij. Vervolgens liet zij M een
fotoboek zien met pornofoto’s van haarzelf. ( …)

6. Op basis van onder meer deze weergaven oordeelt de klachtencommissie
dat dergelijke gedragingen niet meer mogen voorkomen. In haar naar
aanleiding van de bedoelde klachten opgemaakte advies gedateerd 16 mei
1994, stelt de klachtencommissie voorts nog: ‘De heer B moet zich
realiseren wat voor effect zijn gedrag heeft. Een indringend gesprek, op
korte termijn met de heer B om te laten weten dat de stichting dit gedrag
niet accepteert is hier op zijn plaats.’

7. Het door de klachtencommissie geadviseerde gesprek vindt vervolgens
plaats met een adjunct-directeur van stichting, ene W. Na het gesprek
schrijft genoemde W op 13 juni 1994 een brief aan B de inhoud daarvan
luidt als volgt: *Naar aanleiding van het advies van de klachtencommissie
ongewenste intimiteiten d.d. 16 mei jl. heeft ondergetekende een gesprek
met u gehad. In dit gesprek is afgesproken dat u zich zal onthouden in het
maken van afspraken met personeelsleden, welke vanuit de werksituatie
kunnen voortvloeien. Wat ons betreft is de zaak nu gesloten en verwachten
wij, naar de toekomst toe dat dit bij een incident zal blijven.

8. De stichting heeft voorts een verklaring in het geding gebracht van een
harer medewerksters, mw. M. In deze verklaring, gedateerd 20 juli 1994
wordt gesteld dat zij, mw. M., van ene K, bewoonster, patiente, van de
stichting, heeft gehoord dat een schoonmaker B, haar K wel eens lastig
viel. Zo zou B K onder meer gekust hebben en hebben gezegd dat zij ‘een
mooi/sexy meisje was’.

9. Naar aanleiding van dit bericht heeft een andere medewerker van de
stichting, ene V, eveneens met K gesproken. Genoemde V heeft naar
aanleiding van dit gesprek een schriftelijke verklaring opgesteld. In die
verklaring wordt iets soortgelijks gerelateerd als in de verklaring van
mw. M.

10. Op grond van deze beide verklaringen schrijft de stichting op 20 juli
1994 een brief aan B. Daarin staat onder meer het volgende: “Hierbij deel
ik u mee dat wij vandaag een klacht hebben ontvangen van een van onze
bewoners. De klacht richt zich tegen door u uitgevoerde ongewenste intieme
handelingen en/of voorstellen. Wij delen u mede, dat de klacht door de
politie zal worden onderzocht. In afwachting van de uitkomst van dit
onderzoek schorsen wij u voor een week. ( …) Wij hebben gemeend tot
schorsing over te moeten gaan omdat de nu ontstane situatie, los van de
schuldvraag, zodanig ernstig is, dat het niet gewenst is dat u uw
werkzaamheden op dit moment uitvoert. U heeft de mogelijkheid om u binnen
4 dagen na dagtekening tegenover de werkgever te verantwoorden.”

11. B heeft vervolgens zes uur op het politiebureau doorgebracht. De zaak
is verder door de betrokken officier van justitie geseponeerd bij gebrek
aan bewijs.

12. De schorsing is inmiddels verlengd en duurt tot op heden door.

13. De stichting voert nu aan dat zij op grond van een en ander geen
vertrouwen meer heeft in B. Zij meent dat zulks veranderingen in de
omstandigheden mee brengen die een gewichtige reden opleveren de
arbeidsovereenkomst te ontbinden. Haar verzoek strekt dan ook daartoe.

14. B ontkent wat hem door de stichting in de schoenen wordt geschoven.

15. Terzake van de verklaring van W wordt door B gesteld dat hij haar en
een collega van haar, genaamd E, wel eens heeft voorgedaan hoe men zich
diende te verdedigen. Hij zou dit gedaan hebben naar aanleiding van het
feit dat die collega door een van de bewoners van de Sterrenberg was
aangevallen.

16. Over het beweerde voorval met H wordt door B gesteld dat hij eens
tegen haar gezegd heeft: Oh, je hebt je haar veranderd, zulks naar
aanleiding van het feit dat zij, H, heur haar had laten verven.

17. Naar aanleiding van het door M gereleveerde voorval wordt door B
aangevoerd dat er geen sprake was van pornografische foto’s. Zijn vrouw,
en dus niet hijzelf, zou tijdens het bezoek van M aan zijn huis haar M,
enige naaktfoto’s hebben laten zien die van haar, de vrouw van B, gemaakt
waren.

18. Het beweerde voorval met K wordt door B categorisch ontkend.

19. Door B wordt voorts onweersproken gesteld dat toen zijn chef hem de
hiervoor genoemde brief van 20 juli 1994 overhandigde, hij, B’s chef, hem
gezegd heeft dat hij niets geloofde van de in de brief genoemde
beschuldiging en dat de schorsing ook niets te maken had met de eerder dat
jaar tegen B geuite klachten.

20. Tenslotte wordt door B gesteld en door de stichting onvoldoende
gemotiveerd betwist, dat de genoemde K een vrij onberekenbaar en
onbetrouwbare bewoonster, patiente van Sterrenberg is. Zij zou
herhaaldelijk zijn weggelopen en vervolgens door de politie weer zijn
teruggebracht. Voorts zou het van algemene bekendheid zijn dat zij, K
herhaaldelijk onware verhalen vertelt.

21. Gelet op alles wat is voorgevallen meent B, echter dat de
arbeidsverhouding zodanig is vertroebeld dat er van een normale
voortzetting van het dienstverband geen sprake meer kan zijn. Daarom wordt
ook zijnerzijds verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. B meent
evenwel dat hem in dat geval een vergoeding moet worden toegekend. Door
het handelen van de stichting raakt hij immers zijn baan kwijt. Voorts kan
het verlies van zijn baan mogelijkerwijs ook nog tot gevolg hebben dat hij
zijn huis zal moeten verkopen. Gezien deze omstandigheden is hij van
mening dat hem een vergoeding ten bedrage van ƒ 11.628.= bruto moet worden
toegekend, alsmede een vergoeding voor de door hem geleden en nog te
lijden immateriele schade ten bedrage van ƒ 10.000,=. Daar hij niet in
aanmerking komt voor door de overheid gefinancierde rechtshulp, vraagt B
tenslotte toewijzing van een bedrag ad ƒ 7.000,= wegens de door hem
gemaakte kosten van rechtsbijstand.

22. De hierboven genoemde drie leerlingverpleegkundigen zijn door de
kantonrechter ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gehoord.
Afgezien van het feit dat naar des kantonrechters oordeel de door die
verpleegkundigen genoemde feiten al nauwelijks als bedenkelijk zijn te
kwalificeren, is de kantonrechter, gelet op goed gemotiveerde verweer van
B niet overtuigd geworden dat die feiten zich zo hebben afgespeeld als is
verklaard. Daarbij komt dat B met het door M gereleveerd feit al geheel
niets van doen heeft. De bedoelde foto*s zijn immers getoond door de
echtgenote van B buiten zijn aanwezigheid. Ten slotte, uit de hiervoor
gedeeltelijk geciteerde brief van de heer B volgt dat die zaken afgesloten
zijn. Daarmede heeft de stichting zich het recht ontzegd nu nog daarop
terug te komen.

23. Het verhaal van K, die eveneens ter gelegenheid van de mondelinge
behandeling is gehoord, acht de kantonrechter in het geheel niet
aannemelijk. Gezien haar persoon en de persoon van B moet het uiterst
onwaarschijnlijk geacht worden dat B zich tegenover K heeft uitgelaten in
de zin als door de laatstgenoemde beweerd.

24. Het voorgaande brengt met zich dat het verzoek van de stichting niet
voor inwilliging in aanmerking komt.

25. Gelet op alle omstandigheden van het geval is de kantonrechter tot de
conclusie gekomen dat het verzoek van B wel ingewilligd kan worden.
Immers, gezien datgene wat tussen partijen is voorgevallen, moet een
rustige voortzetting van het dienstverband niet meer mogelijk geacht
worden.

26. de kantonrechter is voorts van oordeel dat bij ontbinding der
arbeidsovereenkomst aan B een vergoeding moet worden toegekend. Bij de
bepaling van de hoogte van die vergoeding spelen de volgende factoren een
rol. – Naar aanleiding van het verhaal van K is B zonder meer geschorst.
Hij is niet in de gelegenheid gesteld enig verweer te voeren. De stichting
bleek niet bereid met hem te spreken. In de brief van 20 juli 1994 wordt
bovendien niet gesteld van wie de daarin bedoelde klacht afkomstig was.
B werd dus geschorst zonder te weten waarom. Ten slotte wordt B dan de
mogelijkheid (geboden? Red.) om (zich) binnen vier dagen na dagtekening
tegenover de werkgever te verantwoorden. Hoe kon B dat doen wanneer hem
niet wordt gezegd waarvan hij wordt beschuldigd. De stichting heeft aldus
in hoge mate onzorgvuldig gehandeld en op een wijze die een goed werkgever
niet past. – Voorts heeft ten gevolge van het handelen van de stichting
B gedurende geruime tijd zonder relevante reden in het politiebureau
moeten verblijven. – Gezien zijn leeftijd en achtergrond kunnen de kansen
van B op de arbeidsmarkt niet al te groot worden ingeschat. – Het is niet
onbegrijpelijke dat B zich ernstig gekwetst voelt door de houding die de
stichting jegens hem heeft aangenomen.

27. Alles overziende komt de kantonrechter een vergoeding ten bedrage van
ƒ 17.500 bruto, alsmede een bedrag van ƒ 7500 netto voor immateriele
schade, billijk voor. Een vergoeding tot dat bedrag zal dan ook worden
toegekend.

28. Waar de toe te kennen vergoeding hoger is dan de door B verzochte, zal
terstond een eindbeschikking gegeven kunnen worden.

29. De vergoeding van de door B gemaakte kosten van rechtsbijstand komen
in de proceskostenveroordeling tot uiting. (ontbinding per 1 januari 1995,
met toekenning als sub 27 overwogen. Salaris gemachtigde van B f.5.000,=,
Red.)

Rechters

Mr. R.H.W. Mengelberg

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 29 november 1994

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Aan de orde is de invulling van de begrippen ‘feitelijkheid’ en ‘door
een feitelijkheid dwingen’ in de delictsomschrijving van verkrachting.
De Hoge Raad concludeert ten aanzien van het eerste begrip dat het
vergrendelen van een auto onder omstandigheden een ‘feitelijkheid’ kan
opleveren conform art. 242 Sr. Van ‘door een feitelijkheid dwingen’
conform art. 242 Sr kan volgens de Hoge Raad alleen sprake zijn als de
verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het
slachtoffer de in art. 242 Sr bedoelde handelingen tegen zijn/haar wil
heeft ondergaan. Zie ook D.H. de Jong, De gewijzigde zedendelicten, een
tussenstand, DD 25 maart 1995, p. 193-201 en H.M. Verrijn Stuart, De
jacht op het onzegbare, Verkrachting, aanranding en seksueel
binnendringen, Nemesis 5, 1993, p. 141-148 en redactioneel H.M. Verrijn
Stuart, Tijgers op de weg, Evaluatie zedelijkheidswetgeving is slordige
inventarisatie, Nemesis 2, 1995, p. 33-35.

Volledige tekst

Arrest op het beroep tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem,
militaire kamer, van 1 december 1993 alsmede tegen alle op de
terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen
M.R.M.S. v.d. B te Rilland, advocaat mr. H.J.M.G.M. van der Meijden te
Nijkerk Hof: Bewezenverklaring Bewezenverklaard dat: 1. verdachte in de
periode van 27 december 1991 tot en met augustus 1992 in de gemeente
Z., door een feitelijkheid Bianca K. heeft gedwongen tot het ondergaan
van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het
lichaam van die Bianca K., te weten het vingeren van Bianca K., welke
feitelijkheid hierin heeft bestaan dat verdachte opzettelijk die Bianca
opsloot in zijn wagen door middel van de centrale deurvergrendeling.

Bewijsmiddelen

1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het Hof
van 17 november 1993, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-: “In
de periode van 27 december 1991 tot en met augustus 1992 heb ik in de
gemeente Z seksueel handelingen gepleegd met Bianca K. Dat gebeurde in
mij wagen, die ik had afgesloten door middel van de centrale
deurvergrendeling. ( …)” 2. Een proces-verbaal ( …) onder meer
inhoudende -zakelijk weergegeven-( …: 2.1. als verklaring van
verdachte. ( …): “Op 31 december 1991 ben ik samen met Bianca gaan
schaatsen op de ijsbaan Z. Na het schaatsen zijn wij samen naar de auto
gegaan. Ik heb de deuren middels de centrale deurvergrendeling
afgesloten. Op dat moment had ik de bedoeling om lichamelijk contact
met Bianca te hebben. Ik wilde een manier vinden om haar zover te
krijgen en sloot een weddenschap af dat zij geen vijf minuten kon
stilzitten. Bianca deed aan deze weddenschap mee. Ik probeerde op een
gegeven moment haar broekriem te openen. Ik heb geprobeerd met mijn
hand haar geslachtsdeel aan te raken. Ik ging met mijn vinger over haar
clitoris.” 2.2 als verklaring van Bianca K.( …): “Op 31 december 1991
ben ik met Marcel gaan schaatsen in Z. Na het schaatsen kwamen wij in
de parkeergarage waar wij in de auto van Marcel stapten. De auto is
voorzien van een centrale deurvergrendeling. In de auto sloot Marcel
met mij een weddenschap af. Hij zei dat wij geen vijf minuten stil
konden zitten. Na enige minuten zei Marcel: “Ik houd het niet meer vol,
je bent ook zo moeilijk van af te blijven.” Toen ging hij met zijn
handen in mijn broek. Hij stopte een van zijn vingers in mijn
geslachtsdeel en begon mij te vingeren. Hij ging met zijn vinger in
mijn vagina. Hij drong daadwerkelijk mijn vagina binnen. Tijdens deze
handelingen had Marcel zijn portieren afgesloten middels de centrale
deurvergrendeling van de auto.”

Nadere bewijsoverweging Ten aanzien van de onder 1 bewezenverklaarde
feitelijkheid, bestaande in het opzettelijk opsluiten van Bianca door
verdachte in zijn wagen, door middel van de centrale deurvergrendeling,
merkt het Hof op dat een dergelijke feitelijkheid niet zonder meer
behoeft te worden beschouwd als een “opsluiten” in eigenlijke zin (“het
onmogelijk maken de wagen te verlaten”), nu -zoals ook door de raadsman
is betoogd- aangenomen mag worden dat een dergelijke vergrendeling
betrekkelijk eenvoudig ook vanaf de plaats van de passagier, kan worden
opgeheven. Het Hof is echter van oordeel dat onder de gegeven
omstandigheden, zoals daarvan blijkt uit de hiervoor gebezigde
bewijsmiddelen, en mede in aanmerking genomen de leeftijd van het
slachtoffer (een meisje van 14 jaar), het psychologische effect van het
door verdachte sluiten van de deurvergrendeling (hetgeen -naar het Hof
van algemene bekendheid acht- gepaard gaat met een duidelijk hoorbaar
geluid) zodanig moet worden geacht, dat van dat slachtoffer niet kon en
mocht worden verwacht dat zij er in zou slagen de belemmering van haar
bewegingsvrijheid op enigerlei wijze op te heffen.

Cassatiemiddelen:

( …)

II. Verzuim van vormen en/of schending van het recht, waarvan de
niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid
voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het
bijzonder het artikel 242 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 348,
350 en 352 Wetboek van Strafvordering, doordat het Gerechtshof te
Arnhem heeft overwogen en beslist dat “het opsluiten in zijn wagen door
middel van de centrale deurvergrendeling” moet worden aangemerkt als
een feitelijkheid bedoeld in artikel 242 Wetboek van Strafrecht
waardoor iemand wordt gedwongen tot het ondergaan van handelingen die
bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, zulks ten
onrechte om de navolgende redenen. Toelichting ( …) 3. Het dwingen
door een andere feitelijkheid dan geweld is ( …) bij de Wet van 9
oktober 1991 (Stb 519) als bestanddeel in artikel 242 Wetboek van
Strafrecht opgenomen, zulks op suggestie van de leden van de
PvdA-fractie (VV, TK 1988-1989, 20930, p. 17), zonder dat daarbij de
nadere invulling van die feitelijkheid is gegeven. Ook uit de verdere
parlementaire geschiedenis valt dit niet af te leiden. 4. Door de leden
van de PvdA-fractie is hun suggestie onderbouwd door het voorbeeld “het
door een chef dwingen van een ondergeschikte tot seksueel contact door
het dreigen met de gevolgen in de arbeidsrechtelijke sfeer”. Mede
indachtig dit voorbeeld, dient naar het oordeel van requirant in
cassatie, anders dan het Hof stelt, in deze het criterium te worden
toegepast dat de gehanteerde feitelijkheid, in casu de handeling, dient
te leiden tot een situatie waarin er sprake is van een
machtsuitoefening waardoor men iemand tot iets noodzaakt. Het afsluiten
van een wagen middels de centrale deurvergrendeling, welke afsluiting –
gelijk het Hof heeft gesteld- van de plaats van de passagier
betrekkelijk eenvoudig kan worden opgeheven, is niet een zodanig
feitelijk handelen dat leidt tot een situatie dat er sprake is van een
machtsuitoefening waardoor men iemand tot iets noodzaakt. Uit dit
handelen kan niet het dwangmatige aspect van de feitelijkheid worden
afgeleid, laat staan de dwangmatigheid ten aanzien van het dulden van
seksuele delicten. Nu het Hof op een onjuiste wijze uitleg heeft gegeven
aan het begrip feitelijkheid als bedoeld in artikel 242 Wetboek van
Strafrecht, had requirant in cassatie terzake vrijgesproken behoren te
worden. 5. Subsidiair, voor het geval uw Raad het Hof volgt voor wat
betreft het te hanteren criterium, zij gesteld dat het Hof niet op
goede gronden tot de constatering is kunnen geraken dat van het
slachtoffer niet kon en mocht worden verwacht dat zij er in zou slagen
de belemmering van haar bewegingsvrijheid op enigerlei wijze op te
heffen. Het Hof gaat voorbij aan het feit dat het slachtoffer met enige
regelmaat vervoerd is in die wagen van requirant in cassatie en bekend
was met het verschijnsel centrale deurvergrendeling. Dit brengt met
zich mee dat het sluiten van de wagen door middel van de centrale
deurvergrendeling onder die omstandigheden nimmer kan leiden tot een
zodanig psychologisch effect als door het Hof is bedoeld. Voor een
dergelijke stelling is in het geheel ook geen ruimte, nu die stelling
niet af te leiden is uit de verklaring van het slachtoffer zelf.
Daarnaast wordt door het Hof voorbijgegaan aan hetgeen uit de door het
Hof gebezigde bewijsmiddelen naar voren komt, dat na het vergrendelen
van de deuren, requirant in cassatie zowel als het slachtoffer “enige
tijd” hebben stilgezeten in de auto, en wel zodanig lang dat hoe dan
ook een bezinning op die situatie, ook bij het slachtoffer aanwezig kon
zijn. ( …)

Conclusie A-G mr. Van Dorst:

1. Verzoeker tot cassatie bij arrest van de militaire kamer van het
gerechtshof te Arnhem van 1 december 1993, waarbij het vonnis van de
militaire kamer in de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 25 mei
1993 is vernietigd, wegens 1. “verkrachting” en 2. “feitelijke
aanranding van de eerbaarheid” veroordeeld tot een gevangenisstraf van
twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd
van twee jaren. ( …) 9. Het tweede middel houdt in dat het hof ten
onrechte het bewezenverklaarde, voor zover inhoudende dat verzoeker
“opzettelijk die Bianca opsloot in zijn wagen door middel van de
centrale deurvergrendeling” heeft aangemerkt als een feitelijkheid als
bedoeld in art. 242 WvSr. ( …) II. Ik versta de nadere
bewijsoverweging van het hof aldus, dat daarin tot uitdrukking is
gebracht zijn -in het licht van de inhoud van de gebezigde
bewijsmiddelen te begrijpen- feitelijke oordeel dat het afsluiten van
de auto door middel van de centrale deurvergrendeling door de verzoeker
is gebezigd als middel om een zodanige psychische druk op het
slachtoffer uit te oefenen dat deze geen weerstand zou bieden aan het
vrijwillig ondergaan van de bewezenverklaarde handelingen. Dit oordeel
is niet onbegrijpelijk en doet niet blijken van een onjuiste
rechtsopvatting. Zie ook Noyon- Langemerijer-Remmelink, aant. 6 bij
art. 242 en aant. 3 bij art. 284. Tekst en Commentaar, aant. 9 bij art.
242 Sr en (uitvoeriger) Machielse, DD 1992, blz. 716 e.v. 12 Het middel
faalt mitsdien ( …) 18. Gronden waarop Uw Raad gebruik zou behoren te
maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te
vernietigen heb ik niet aangetroffen.

19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Hoge Raad:

6. Beoordeling van het tweede middel 6.1.1. De woorden ‘of een andere
feitelijkheid’ zijn in het voorgestelde art. 2142 Sr toegevoegd bij
nota van wijziging (Kamerstukken II, 1988/89, 20 930, nr. 6) De Memorie
van Antwoord (Kamerstukken II, 1988/89, 20 930, nr. 5, blz. 11) houdt
dienaangaande onder meer in: ‘De leden van de C.D.A.-fractie willen
vervolgens weten of ( …) de delictsomschrijving moet worden aangevuld
met dwang door andere feitelijkheden. ( …) Ook kan men iemand in een
bedreigende situatie brengen, bijvoorbeeld door de deur van een vertrek
in een verlaten woning af te sluiten. Ik heb de indruk dat door een
aanvulling als voorgesteld door deze leden een aantal situaties onder
de werking van dit artikel worden gebracht die inderdaad even
bedreigend kunnen zijn als geweld of bedreiging met geweld. Ik neem het
voorstel dan ook gaarne over.’ 6.1.2. Voorts houdt de Memorie van
Antwoord (blz. 17) in: ‘ De leden van de fractie van de P.v.d.A. waren
van mening dat deze uitbreiding zou kunnen bijdragen aan het
bijvoorbeeld tegengaan van ernstige ongewenste intimiteiten op de
werkvloer. Dit zou mogelijk zijn, doch de andere feitelijkheid moet wel
zo bedreigend zijn dat het slachtoffer er echt door ‘gedwongen’ wordt,
dus geen ‘weerstand kan bieden.’ 6.1.3. Tenslotte houdt de Nota naar
aanleiding van het eindverslag (kamerstukken II, 1989/90, 20 930, nr 8,
blz. 8) omtrent de vraag wanneer er sprake van kan zijn dat iemand door
een feitelijkheid wordt gedwongen in: ‘Het gaat er ( …) om dat de
feitelijkheid zo bedreigend moet zijn dat wanneer zij niet wordt
gebezigd, het slachtoffer niet zou hebben gehandeld of nagelaten,
althans niet op het ogenblik waarop en in de omstandigheden waarin hij
(zij) thans gehandeld heeft of niet gehandeld heeft. Er moet dus een
relatie zijn tot het gebezigde middel en het handelen of nalaten. Als
een feitelijkheid zeer bedreigend is voor het slachtoffer zal zij geen
weerstand meer kunnen bieden.’ 6.2. Gelet op het hiervoren onder 6.1.
overwogene dient art. 242 Sr aldus te worden opgevat dat niet valt uit
te sluiten dat het afsluiten van een auto door middel van een centrale
deurvergrendeling onder omstandigheden een feitelijkheid kan opleveren
waardoor een slachtoffer tot het ondergaan van handelingen als bedoeld
in die bepaling wordt gedwongen. De primaire klacht van het middel, die
van een andere opvatting uitgaat, faalt derhalve. 6.3. Van door een
feitelijkheid tot het ondergaan van handelingen als in art. 242 Sr
bedoeld dwingen in de zin van die bepaling, kan, mede gelet op het
hiervoren onder 6.1. overwogene, slechts sprake zijn indien de
verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het
slachtoffer die handelingen tegen haar/zijn wil heeft ondergaan. 6.4.
Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan, ook in het licht van
’s Hofs hiervoren onder 4.3. weergegeven overweging, niet volgen dat
het opzet van de verdachte omvatte door de afsluiting van de deuren te
bereiken dat Bianca K. de bewezenverklaarde handelingen tegen haar wil
zou ondergaan, noch dat Bianca K. die handelingen tegen haar wil heeft
ondergaan. De bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet
met redenen omkleed, zodat het middel gegrond is.

7. Slotsom Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden uitspraak
niet in stand kan blijven en verwijzing moet volgen.

8. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak, doch
uitsluitend voor wat betreft de aangaande het onder 1 telastegelegde
genomen beslissingen en de strafoplegging; Verwijst de zaak naar het
Gerechtshof te Arnhem (militaire kamer) ten einde in zoverre op het
bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan; Verwerpt
het beroep voor het overige.

Rechters

Mrs Haak, Mout, Davids, Keijzer, Bleichrodt

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 28 november 1994

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Voor de toepassing van de ABW mag ervan worden uitgegaan, dat tegenover
de werkzaamheden als prostituee een zodanige vergoeding staat danwel
behoort te staan, dat betrokkene daarmee kan voorzien in de
noodzakelijke kosten van bestaan. De vrouw verweert zich met de
stelling dat zij nooit geld maar alleen geringe hoeveelheden verdovende
middelen ontving. De Centrale Raad acht dit argument niet overtuigend
‘indien niettemin van de feitelijke juistheid van deze stelling zou
moeten worden uitgegaan, deze niet afdoet aan de constatering dat het
alsdan op haar weg gelegen had voor haar werkzaamheden een passende
financiele vergoeding te bedingen.’

Volledige tekst

Centrale Raad van Beroep

I. Ontstaan en loop van het geding

Bij beschikking van 27 juli 1993 heeft het College van burgemeester en
wethouders van Heerlen (hierna: het College) de aan appellante en haar
echtgenoot B toegekende uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling
werkloze werknemers (RWW) beeindigd met ingang van 1 juli 1993.
Beslissende op het tegen deze beschikking ingediende bezwaarschrift
heeft het college in zijn beslissing van 7 oktober 1993 de bezwaren van
appellante tegen de beeindiging van de uitkering ongegrond verklaard.
Bij besluit van 9 maart 1994 heeft gedaagde het namens appellante door
mr. M, advocaat en procureur te H. ingediende beroep tegen de hiervoor
vermelde beslissing van het College van 7 oktober 1993 ongegrond
verklaard. Namens appellante is door mr. M. voornoemd, tegen dat
besluit op in het beroepschrift aangevoerde gronden bij de Raad beroep
ingesteld. Namens het College, als partij aan dit geding deelnemend,
zijn desgevraagd bij schrijven van 29 september 1994, nog enige
ontbrekende gedingstukken aan de Raad toegezonden. Het geding is
behandeld ter terechtzitting van 31 oktober 1994, waar voor appellante
is verschenen mr. M. voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. B., werkzaam bij de provincie Limburg. Het
College heeft zich, als aangekondigd, niet doen vertegenwoordigen.

II. Motivering.

Appellante, geboren in 1960, ontving, te zamen met haar echtgenoot B,
vanaf 9 oktober 1992 een periodieke uitkering ingevolge de RWW naar de
norm voor een echtpaar. Terzake van de rechtmatigheid van de aan
appellante en haar echtgenoot toegekende uitkering werd door de Sociale
Recherche van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de
gemeente X een onderzoek ingesteld, waarvan de bevindingen zijn
neergelegd in een rapport van 14 juli 1993. Mede op basis van dit
rapport heeft het College bij Beschikking van 27 juli 1993 besloten
deze uitkering met ingang van 1 juli 1993 te beeindigen aangezien
appellante werk heeft aanvaard bij priveclub D. Nadat appellante tegen
deze beschikking bezwaar had gemaakt, heeft het College deze Beslissing
van 7 oktober 1993 gehandhaafd. Het Besluit van het College van 7
oktober 1993 en het bestreden besluit berusten onder meer op de
overweging dat appellante door haar activiteiten in een priveclub
wordt geacht over de middelen te beschikken om in de noodzakelijke
kosten van het bestaan te kunnen voorzien. Appellante bestrijdt dit
oordeel en voert in verband hiermede onder meer aan, dat niet is komen
vast te staan dat zij op geld waardeerbare diensten heeft verricht.
Verzocht wordt te bepalen dat appellante ook op en na 1 juli 1993 recht
kan doen gelden op een uitkering in het kader van de ABW.

Overweging ten aanzien van het geschil Ingevolge art. 1, eerste lid,
ABW wordt bijstand verleend aan iedere Nederlander, die hier te lande
in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken, dat hij niet
over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan
te voorzien. Ter gelegenheid van het door de Sociale Recherche van de
gemeente X ingestelde onderzoek naar de rechtmatigheid van de
onderhavige uitkering is geconstateerd, dat appellante in de periode
van 2 juni 1993 tot en met 30 juni 1993 iedere werkdag tussen 18.10 en
18.30 uur van haar woning werd afgehaald, waarna zij naar de
parkeerplaats aan de achterzijde van de priveclub D te Z werd gereden.
Op 7 juli 1993 werd appellante met een aantal andere personen aldaar
aangehouden. Op grond van de verklaringen die de exploitant van de club
en een collega van appellante op 8 juli 1993 tegenover de
gemeentepolitie te X hebben afgelegd is naar het oordeel van de Raad
voldoende aannemelijk geworden, dat appellante ten tijde van de
beeindiging van de uitkering als prostituee werkzaam was. De Raad is
met gedaagde van oordeel, dat er voor de toepassing van de ABW van mag
worden uitgegaan, dat tegenover werkzaamheden als prostituee een
zodanige vergoeding staat, dan wel behoort te staan, dat betrokkene
daarmede kan voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan.

De Raad komt te gereder tot dit oordeel, nu uit beide zojuist genoemde
verklaringen naar voren komt dat appellante met haar werkzaamheden ƒ
500 tot ƒ 700 per week verdiende. De stelling van appellante dat zij
nimmer geld, doch slechts geringe hoeveelheden verdovende middelen
ontving is daarmee niet te verenigen. De Raad voegt daar aan toe dat,
indien niettemin van de feitelijke juistheid van deze stelling zou
moeten worden uitgegaan, deze niet afdoet aan de constatering dat het
alsdan op haar weg had gelegen voor haar werkzaamheden een passende
financiele vergoeding te bedingen. Nu het College van GS, gelet op het
vorenstaande, op goede gronden heeft besloten onder toepassing van art
1, eerste lid, van de ABW de uitkering van appellante te beeindigen,
bestaat er geen aanleiding meer om in te gaan op de overige grieven van
appellante. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven
aan het bepaalde in art. 8:75 AWB.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep rechtdoende: verklaart het beroep
ongegrond.

Rechters

Mrs Kasdorp, Van Leeuwen, Van den Hurk

Instantie: Hoge Raad, 25 november 1994

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Verweerder, de man, stelt dat zijn alimentatiegerechtigde
ex-echtgenote, verzoekster tot cassatie, na de echtscheiding met een
ander is gaan samenleven als waren zij gehuwd in de zin van art. 1:160
slot BW. Op die grond verzocht hij in feitelijke instantie uit te
spreken dat zijn alimentatieplicht jegens de vrouw van rechtswege is
geeindigd. Het Hof stemt hiermee in, oordelend dat het niet-
samenwonen van de vrouw en haar nieuwe partner niet als doorslaggevend
beschouwd kan worden, aangezien ook binnen het huwelijk, dat immers in
art. 1:160 BW de maatstaf vormt, het thans niet ongebruikelijk is dat
echtelieden een deel van de tijd elk op verschillende woonadressen
doorbrengen. De Hoge Raad acht deze stelling blijk geven van een
onjuiste rechtsopvatting om vast te stellen of aan de maatstaf voldaan
is, is niet alleen vereist dat de gescheiden echtgenoot en de nieuwe
partner elkaar wederzijds verzorgen, maar ook dat zij met elkaar
samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.

Volledige tekst


10. Kortom, rechtsoverwegingen 4.1 en 4.2 bevatten geen beslissing(en)
op een aangevoerde grief, maar schetsen het in appel vaststaande,
procesrechtelijke kader waarin de grieven van de man tegen de
eindbeschikking van de rechtbank in conventie moeten worden
beoordeeld: is de vrouw in haar tegenbewijs geslaagd of niet? Tegen
hetgeen in appel als vaststaand moet worden aangenomen omdat er geen
grieven tegen zijn aangevoerd, kan in cassatie niet meer met succes
worden geklaagd. Onderdeel I sub A, B en C faalt om deze reden.

11. Onderdeel I sub D keert zich in het bijzonder tegen
rechtsoverwegingen 4.3, waarin het hof de maatstaf voor een met een
huwelijk vergelijkbare concubinaatsverhouding in de zin van art. 1:160
slot BW formuleert: er zijn huwelijken waarin de partners niet altijd
samenwonen en waarin zij gedurende die perioden ieder voor zich de
kosten van levensonderhoud uit hun eigen inkomen betalen.

12. Niemand zal ontkennen dat dergelijke huwelijken bestaan, meer dan
in het verleden ook, maar ze vormen niet de vergelijkingsmaatstaf die
de wetgever, mede blijkens de er op betrekking hebbende rechtspraak,
voor ogen stond. Ik verwijs met name naar HR 10 april 1981, NJ 1981,
348. In die zaak werd in cassatie betoogd dat nu voor het huwelijk
niet nodig is dat partijen samenwonen en elkaar wederzijds verzorgen,
dit ook niet vereist is voor een concubinaatsverhouding als bedoeld in
art. 1:160 slot BW. Ten onrechte evenwel, aldus de Hoge Raad in
navolging van zijn A-G Franx: uit de toelichting op het amendement kan
niet worden afgeleid dat het amendement een zo vergaande strekking
rechtvaardigt. Dit is, zo wordt er aan toegevoegd, ook niet nodig voor
het met het amendement nagestreefde doel: te voorkomen dat wegens het
aan hertrouwen verbonden verval van alimentatierecht “aan een
concubinaat de voorkeur zal worden gegeven boven een tweede huwelijk”.
In deze zin ook rechtsoverwegingen 3.4 en 3.5 van HR 29 april 1994,
RvdW 1994, 103 (NJ 1994, 625 m.nt. WH-S; red.) (betreffende de vraag
of een homofiele relatie eveneens onder het begrip “als ware zij
gehuwd” van art. 1:160 slot BW is te begrijpen).

13. De A-G Franx had in zijn conclusie voor de beschikking van 1981
opgemerkt dat bij de vergelijkingsmaatstaf van art. 1:160 slot BW moet
worden gedacht aan een relatie die de kenmerken vertoont van een als
normaal beschouwd huwelijk en dat wat in dit verband normaal is, moet
worden bepaald aan de hand van de wet zelf. Hij wijst dan onder meer
op art. 1:81 BW dat de echtgenoten verplicht elkaar getrouwheid, hulp,
bijstand en het nodige te verschaffen, alsmede op art. 1:83 BW dat de
echtgenoten tot samenwoning verplicht behoudens gewichtige redenen.

Deze bepalingen gelden nog steeds. Hieraan doet niet af dat sedert het
nieuwe echtscheidingsprocesrecht van 1 januari 1993 de
samenwoningsplicht van art. 1:83 BW ook vervalt indien een verzoek tot
(echt)scheiding is ingediend.

14. Asser-De Ruiter, 1992, nr. 647 sluit zich bij de opvatting van
Franx aan en vervolgt: “Hiermede in overeenstemming wordt in HR 2
april 1982, NJ 1982, 374, m.nt. EAAL gesproken van “die volledige, tot
lotsverbondenheid leidende levensgemeenschap, welke het kenmerk is van
een normaal huwelijk”. In latere rechtspraak (zie HR 22 februari 1985,
NJ 1986, 82, m.nt. EAAL, FJR 1986, p. 112 e.v.,
Hammerstein-Schoonderwoerd), is het element economische eenheid
benadrukt: naast de duurzame en affectieve relatie moet er zijn
wederzijdse verzorging door bijdragen aan de gemeenschappelijke
huishouding of op andere wijze. Bij dit laatste kan worden gedacht aan
de zodanige taakverdeling dat de een de huishouding doet en de ander
deze financieel voor zijn rekening neemt (aldus Luijten in zijn
noot).” 15. De uitspraak van HR 22 februari 1985, NJ 1986, 82 is
recent herhaald in HR 14 januari 1994, NJ 1994, 333: “Voor de
vaststelling dat een gescheiden echtgenoot samenleeft met een ander
als waren zij gehuwd, zoals bedoeld in art.

1:160 BW, is vereist dat de samenwonenden elkaar wederzijds verzorgen,
waarvan slechts sprake kan zijn, indien de samenwonenden in feite elk
hetzij bijdragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding,
dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien (HR 22 februari
1985, NJ 1986, 82).” 16. Ik meen, kortom, dat de vergelijkingsmaatstaf
die het hof in het onderhavige geval in rechtsoverweging 4.3 van zijn
beschikking heeft geformuleerd, rechtens onjuist is en dat onderdeel 1
sub D van het cassatiemiddel hierover terecht klaagt. Ik voeg hieraan
ten overvloede toe dat ik ook anderszins, dit wil zeggen als ius
constituendum, het standpunt van het hof niet zou willen
onderschrijven. De zeer minimale vorm van huwelijksbeleving die het
hof als maatstaf hanteert, zou er toe leiden dat iedere gescheiden
echtgenoot in Nederland alleen op straffe van het definitief verliezen
van alimentatieaanspraken een nieuwe relatie kan proberen op te
bouwen. Ik vind dat het andere uiterste van de mogelijkheid tot
oneigenlijk gebruik of tot misbruik die – wie zal het ontkennen? – de
huidige regeling biedt. Het is in ieder geval een uiterste waarbij het
niet aan de rechter is om het voortouw te nemen. Zie in dit verband
ook Wortmann, NJB 1994, p. 985-988 in een reactie op de beschikking
van de Hoge Raad van 29 april 1994, RvdW 1994, 103 (NJ 1994, 625 m.nt.
WH-S; red.), hiervoor onder 12 genoemd.

17. Onderdeel II bestrijdt rechtsoverweging 4.4 van het hof, waarin
het hof uitspreekt dat “dit alles” met zich brengt dat aan het
tegenbewijs van de vrouw zeer hoge eisen dienen te worden gesteld. Ook
deze klacht acht ik gegrond. Voorzover “dit alles” terugslaat op het
in rechtsoverwegingen 4.1 en 4.2 overwogene is de overweging onjuist,
omdat niet valt in te zien waarom aan tegenbewijs andere eisen dienen
te worden gesteld dan aan het bewijs. Mogelijk is dat het hof het door
de man geleverde bewijs al zo overtuigend oordeelde dat voor
tegenbewijs niet veel ruimte meer overbleef, maar indien het hof dit
bedoeld heeft, is zijn oordeel evenmin houdbaar indien “dit alles”
uitsluitend terugslaat op het in rechtsoverweging 4.3 overwogene: het
hof is daarin immers van een rechtens onjuiste en voor de vrouw zeer
nadelige vergelijkingsmaatstaf uitgegaan.

18. Terzijde wijs ik er op dat de Hoge Raad in andere gevallen waarin
aan bepaalde gedragingen van de gescheiden echtgenoot het gevolg wordt
verbonden van een definitief verlies van alimentatie, juist met het
oog op de zwaarwegendheid van deze konsekwentie zeer hoge eisen stelt.
Met andere woorden, het omgekeerde van de benadering van het hof in
deze zaak. Zie voor de bedoelde rechtspraak o.m. de twee uitspraken
van HR 4 februari 1994, NJ 1994, 366 en 367, alsmede HR 1 juli 1994,
NJ 1994, 597 en HR 24 juni 1994, RvdW 1994, 144 (NJ 1994, 612; red.),
met verdere gegevens in de conclusies.

19. Onderdeel III richt zich tegen de beslissing van het hof in
rechtsoverweging 4.5 dat de vrouw niet in haar tegenbewijs is
geslaagd. Nu blijkens het voorafgaande het hof bij deze beslissing van
een verkeerde maatstaf is uitgegaan, kan ook deze beslissing geen
standhouden. Onderdeel III is derhalve eveneens gegrond.

20. Uit hetgeen ten processe is gesteld en gebleken kan naar mijn
mening niet worden afgeleid dat de vrouw met een ander samenleeft als
waren zij gehuwd in de zin van art. 1:160 slot BW. De Hoge Raad zou
m.i. de zaak in zoverre zelf kunnen afdoen. Hij kan dit oordeel ook
aan de verwijzingsrechter overlaten. Hoe dan ook: verwijzing moet
volgen, omdat alsnog beslist moet worden op het reconventionele
verzoek van de vrouw.

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

Rechters

Mrs. Snijders, Roelvink, Neleman, Heemskerk, Nieuwenhuis, A-GVranken

Instantie: Hoge Raad, 25 november 1994

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Eiser tot cassatie, de man, vordert van verweerster zijn
ex-echtgenote, een bijdrage in de kosten van levensonderhoud. Het Hof
heeft deze alimentatie gelimiteerd in de tijd, en wel tot het tijdstip
waarop de man 65 jaar werd.

Het Hof oordeelt dat de man na dat tijdstip naast zijn AOW- uitkering
geen behoefte meer heeft aan een bijdrage van de vrouw omdat van hem,
gelet op de hoogte van zijn inkomen destijds en het free-lance
karakter van zijn werkzaamheden, verwacht had mogen worden dat hij
tijdens het huwelijk een behoorlijke oudedagsvoorziening had
getroffen. De Hoge Raad vernietigt deze uitspraak. Er is sprake van
omstandigheden die zichniet meer voor wijziging lenen waardoor de
uitspraak het recht van de man jegens de vrouw op alimentatie
praktisch definitief doet eindigen. Daarbij is de uitspraak
onvoldoende gemotiveerd. Door niet vast te stellen of het treffen van
een oudedagsvoorziening in de kring van de man gebruikelijk was en of
de vrouw niet mede-verantwoordelijk was voor het niet treffen van een
dergelijke voorziening, kan niet worden beoordeeld of het niet treffen
van een voorziening de man zo ernstig verweten kan worden dat hij in
redelijkheid geen aanspraak meer zou kunnen maken op alimentatie na
het bereiken van de 65-jarige leeftijd.

Volledige tekst

Hof: 4. De beoordeling van het hoger beroep 4.1 Er wordt vanuit
gegaan dat de man nadat hij 65 jaar is geworden geen behoefte meer
heeft aan een bijdrage van de vrouw, omdat van hem gelet op de hoogte
van zijn inkomen destijds en het free-lance karakter van zijn
werkzaamheden verwacht had mogen worden dat hij een behoorlijke
oudedagsvoorziening had getroffen. Dat hij dit niet heeft gedaan mag
niet worden afgewenteld op de vrouw, met name niet nu niet gebleken is
dat de man door met de vrouw in het huwelijk te treden
carrieremogelijkheden heeft gemist of anderszins door zijn huwelijk in
een slechtere financiele positie is gekomen.

(enz.)

Cassatiemiddel: Schending van het recht en/of verzuim van vormen
waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, doordat het
Hof in rechtsoverweging 4.1 heeft overwogen (enz.) en op grond daarvan
de door de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud van de man
met ingang van 1 maart 1993 op nihil heeft bepaald, zulks ten onrechte
om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang te
beschouwen, redenen: 1. ’s Hofs oordeel als weergegeven in
rechtsoverweging 4.1 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting
aangezien niet, althans niet (uitsluitend) op grond van de hoogte van
het eigen inkomen en het (free-lance) karakter van de werkzaamheden,
van iemand kan worden verwacht gedurende het huwelijk een behoorlijke
oudedagsvoorziening te treffen.

Zulk een verwachting kan slechts (mede) worden gegrond op de
vaststelling dat het treffen van een behoorlijke oudedagsvoorziening
“destijds” algemeen gebruik was binnen de beroepsgroep, waartoe de
alimentatiegerechtigde kan worden geacht te behoren en op de
vaststelling dat het inkomens- en bestedingspatroon van het gezin het
treffen van een behoorlijke oudedagsvoorziening door de
alimentatiegerechtigde “destijds” toeliet danwel noodzakelijk maakte.
In verband hiermee kan in de onderhavige procedure erop worden gewezen
dat in cassatie als vaststaand kan worden aangenomen dat de man
(geboren op ( …) 1928) tot omstreeks 1981 als (free-lance) musicus
werkzaam is geweest en destijds tenminste ƒ 40 000 a ƒ 50 000 per
jaar verdiende. Toen partijen in 1970 gingen samenwonen, werkte de
vrouw (geboren op ( …) 1944) al zeven jaar bij de KRO. Destijds
hebben partijen van het inkomen van de man geleefd. Partijen zijn in
1978 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Momenteel is de
vrouw bij de eerdergenoemde omroep in loondienst als regisseur
werkzaam en verdiende zij in november 1992 rond ƒ 6256 bruto per
maand.

Voorzover ’s Hofs oordeel op een juiste rechtsopvatting zou zijn
gebaseerd, is het oordeel in elk geval onbegrijpelijk danwel
onvoldoende gemotiveerd aangezien het Hof voor zijn beslissing
(kennelijk) uitsluitend de hoogte van het inkomen van de man en het
free-lance karakter van zijn werkzaamheden beslissend heeft geacht en
uit de overwegingen niet blijkt of en in hoeverre het Hof de hiervoor
bedoelde omstandigheden in zijn oordeel heeft meegewogen.

2. Voorzover het Hof op rechtens juiste en voldoende gemotiveerde
wijze is gekomen tot het oordeel dat van de man had mogen worden
verwacht dat hij een behoorlijke oudedagsvoorziening had getroffen, is
rechtens onjuist althans onbegrijpelijk en niet naar de eis der wet
met redenen omkleed, ’s Hofs oordeel dat, omdat dit van hem had mogen
worden verwacht, er vanuit wordt gegaan dat de man nadat hij 65 jaar
is geworden geen behoefte meer heeft aan een bijdrage van de vrouw.

Indien kan worden vastgesteld dat een alimentatiegerechtigde heeft
nagelaten “destijds” een behoorlijke oudedagsvoorziening te treffen
terwijl dit wel had mogen worden verwacht, kan achteraf bij de
bepaling van de behoefte in het kader van een echtscheidingsprocedure
er niet, althans niet zondermeer, van worden uitgegaan dat deze
alimentatiegerechtigde bij het bereiken van de pensioengerechtigde
leeftijd (in het geheel) geen behoefte meer heeft aan een bijdrage in
de kosten van het levensonderhoud.

Gelet op het ingrijpende karakter ervan, kan een beslissing als de
onderhavige slechts worden gegeven op grond van bijkomende bijzondere
omstandigheden, welke het Hof echter niet heeft vastgesteld. Als
zodanige omstandigheid heeft immers niet te gelden de (enkele)
omstandigheid dat niet is gebleken dat de man door met de vrouw in het
huwelijk te treden carrieremogelijkheden heeft gemist of anderszins
door zijn huwelijk in een slechtere financiele positie is gekomen.

Het oordeel van het Hof dat niet op de vrouw mag worden afgewenteld
dat de man geen behoorlijke oudedagsvoorziening heeft getroffen, is in
elk geval onbegrijpelijk waar het Hof ten onrechte in het midden heeft
gelaten de mogelijkheid dat de vrouw – waarvan in cassatie als
vaststaand kan worden aangenomen dat zij vanaf 1970 met de man
samenwoonde en partijen van het inkomen van de man hebben geleefd –
“destijds” mede heeft geprofiteerd van de omstandigheid dat de man
geen middelen heeft aangewend voor een behoorlijke
oudedagsvoorziening.

Mede in het licht van het voorgaande – en mede gelet op het
ingrijpende karakter van de op dit oordeel gebaseerde beslissing –
behoefde het oordeel, dat ervan wordt uitgegaan dat de man nadat hij
65 jaar is geworden geen behoefte meer heeft aan een bijdrage van de
vrouw, een nadere motivering dan het Hof heeft gedaan, hetgeen temeer
geldt in het licht van ’s Hofs oordeel in rechtsoverweging 4.4 dat “In
het midden kan blijven of van de man destijds gevergd had mogen worden
dat hij het risico van arbeidsongeschiktheid had verzekerd omdat het
niet onredelijk is dat de vrouw nog een bijdrage in de kosten van
levensonderhoud van de man levert gedurende de periode dat hij een
WAO-uitkering ontvangt, nu die periode zich niet verder uitstrekt dan
tot ongeveer een jaar na ontbinding van het huwelijk”.

Hoge Raad: 1. Het geding in feitelijke instanties Verweerster in
cassatie – verder te noemen: de vrouw – heeft bij exploit van 23 maart
1990 eiser tot cassatie – verder te noemen: de man – gedagvaard voor
de Rechtbank te Utrecht en gevorderd de echtscheiding tussen partijen
uit te spreken.

Nadat de man met betrekking tot die vordering had geconcludeerd tot
referte en in reconventie de veroordeling van de vrouw tot betaling
aan hem van een alimentatie van fl.

1200 per maand had gevorderd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 13
november 1991 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en met
betrekking tot de alimentatievordering van de man beslist zoals hierna
in 3.1 vermeld.

Tegen dit vonnis, uitsluitend voor zover dit de beslissing omtrent de
alimentatievordering betreft, heeft de vrouw hoger beroep ingesteld
bij het Gerechtshof te Amsterdam, waarna de man incidenteel hoger
beroep heeft ingesteld en daarbij een alimentatie van ƒ 1600 per
maand heeft gevorderd.

Na een bij arrest van 9 november 1992 bevolen comparitie van partijen
heeft het Hof bij arrest van 5 juli 1993 het bestreden vonnis, voor
zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd, de door de vrouw te
betalen uitkering tot levensonderhoud van de man vanaf 23 maart 1992
op ƒ 1200 per maand en met ingang van 1 maart 1993 op nihil bepaald,
en het meer of anders gevorderde afgewezen.

( …)

3. Beoordeling van het middel 3.1 Partijen zijn gewezen echtgenoten.
Zij zijn in 1978 gehuwd, nadat zij gedurende acht jaren hadden
samengewoond.

Het huwelijk is in 1992 ontbonden. De vrouw is geboren in 1944, de man
in 1928. De man maakt aanspraak op een bijdrage van de vrouw in zijn
levensonderhoud.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw voldoende draagkracht heeft
om het door de man gevorderde bedrag aan alimentatie (ƒ 1200 per
maand) te betalen en dat de man gelet op zijn financiele situatie
daaraan behoefte heeft. In het dictum van haar vonnis heeft zij echter
– naar ten processe tussen partijen vaststaat: bij vergissing – de man
in plaats van de vrouw veroordeeld tot betaling van dat bedrag.

Het Hof heeft de door de vrouw te betalen uitkering tot
levensonderhoud van de man bepaald op ƒ 1200 per maand vanaf 23
maart 1992 en op nihil met ingang van 1 maart 1993.

3.2 Het gaat in cassatie uitsluitend om de vraag of het Hof op goede
gronden heeft beslist dat de man met ingang van 1 maart 1993 geen
behoefte meer heeft aan een bijdrage van de vrouw.

De draagkracht van de vrouw is daarbij niet in geschil.

Wat de voor de bepaling van de behoefte van de man van belang zijnde
omstandigheden betreft, heeft het Hof vastgesteld (rechtsoverweging
3:3): dat de man alleenstaand is; dat hij 20 jaar free-lance heeft
gewerkt als (in Nederland zeer bekend) trompettist; dat hij destijds
tenminste ƒ 40 000 a ƒ 50 000 per jaar verdiende; dat hij in 1981
is opgehouden met werken; dat hij geen oudedagsvoorziening heeft
getroffen; dat hij tot 1 maart 1993 een WAO-uitkering van rond ƒ
1932 per maand ontving; dat hij daarnaast bijverdiensten door
pianospelen in horecagelegenheden had; dat hij in maart 1993 65 jaar
is geworden en sindsdien een AOW-uitkering ontvangt; dat hij aan kale
huur rond ƒ 700 per maand betaalt.

In rechtsoverweging 4.1 heeft het Hof het volgende overwogen: “Er
wordt van uitgegaan dat de man nadat hij 65 jaar is geworden geen
behoefte meer heeft aan een bijdrage van de vrouw, omdat van hem gelet
op de hoogte van zijn inkomen destijds en het free-lance karakter van
zijn werkzaamheden verwacht had mogen worden dat hij een behoorlijke
oudedagsvoorziening had getroffen. Dat hij dit niet heeft gedaan mag
niet worden afgewenteld op de vrouw, met name niet nu niet gebleken is
dat de man door met de vrouw in het huwelijk te treden
carrieremogelijkheden heeft gemist of anderszins door zijn huwelijk in
een slechtere financiele positie is gekomen”. Op grond hiervan heeft
het Hof de alimentatie met ingang van 1 maart 1993 op nihil bepaald.

3.3 Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de
aard van de omstandigheden die het Hof ten grondslag heeft gelegd aan
zijn oordeel dat de man met ingang van 1 maart 1993 geen behoefte meer
heeft aan een bijdrage van de vrouw, meebrengt dat zij zich niet meer
kunnen wijzigen, zodat ook een latere wijziging van ’s Hofs uitspraak
op grond van gewijzigde omstandigheden uitgesloten zal zijn en die
uitspraak derhalve het recht van de man jegens de vrouw op een
bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud practisch definitief
doet eindigen. Het ingrijpende karakter van een dergelijke uitspraak
brengt mee dat aan de motivering ervan hoge eisen moeten worden
gesteld.

De bestreden beslissing voldoet niet aan die eisen. Weliswaar mocht
het Hof voor zijn beoordeling van de omvang van de aanspraken van de
man jegens de vrouw betekenis toekennen aan de omstandigheid dat de
man heeft nagelaten tijdens de periode waarin hij als free-lance
musicus een inkomen van tenminste ƒ 40 000 a ƒ 50 000 had, een
behoorlijke oudedagsvoorziening te treffen, doch het heeft niet
vastgesteld dat het treffen van een dergelijke voorziening in de kring
van free-lance musici zo gebruikelijk was dat aan de man van dat
nalaten een voor de bepaling van zijn aanspraak op alimentatie
relevant verwijt kan worden gemaakt. Evenmin heeft het Hof
omstandigheden vastgesteld waaruit zou kunnen volgen dat de vrouw niet
mede verantwoordelijk is voor het feit dat destijds geen
oudedagsvoorziening voor de man is getroffen.

Bij gebreke van zodanige vaststellingen kan niet worden beoordeeld of
aan de man van het niet treffen van een voorziening als evenbedoeld
een zo ernstig verwijt kan worden gemaakt dat hij in redelijkheid geen
aanspraak meer zou kunnen maken op een bijdrage in zijn kosten van
levensonderhoud na het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Het Hof
heeft dan ook onvoldoende inzicht in zijn gedachtengang gegeven,
waardoor in cassatie ook niet kan worden nagegaan of het Hof van een
juiste rechtsopvatting is uitgegaan.

Het middel bevat klachten die blijkens het vorenoverwogene doel
treffen. ’s Hofs arrest kan niet in stand blijven en verwijzing moet
volgen.

4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt het arrest van het Gerechtshof
te Amsterdam van 5 juli 1993; verwijst het geding naar het Gerechtshof
te ‘s-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing; compenseert de
kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen
kosten draagt.

Conclusie A-G mr. Mok: 1. Korte beschrijving van de zaak 1.1. Partijen
zijn gewezen echtgenoten. Zij zijn in 1978 in algehele gemeenschap van
goederen gehuwd. Daaraan voorafgaande hadden zij, naar eiser van
cassatie (de man) heeft gesteld en verweerster (de vrouw) niet heeft
weersproken, gedurende acht jaar samengeleefd.

Het huwelijk is op 23 maart 1992 ontbonden.

1.2. De man, geboren op ( …) 1928, heeft gedurende twintig jaar als
free lance musicus (trompettist) gewerkt. Hij verdiende daarmee ca.,
ƒ 40 000 a ƒ 50 000 per jaar. In 1981 is hij (naar hij gesteld
heeft: om gezondheidsredenen opgehouden met werken. Uit de
vastgestelde feiten blijkt niet wat hij voordat hij als free lance
trompettist werkte (dus tot ± 1961, toen hij 33 jaar was) heeft
gedaan.

Hij ontving tot 1 maart 1993 een WAO-uitkering van rond fl.

1932. Sedertdien ontvangt hij een AOW-uitkering van ƒ 1212.

De man heeft geen oudedagsvoorziening getroffen. Zijn (“kale”) huur
bedraagt ƒ 700 per maand.

De man zou nog enige bijverdiensten hebben (zie bestreden arrest,
rechtsoverweging 4.5.), maar dit punt is voor de procedure in cassatie
zonder belang.

1.3. De vrouw, geboren op ( …) 1944, is in loondienst bij een
omroepvereniging. Zij had in november 1992 een salaris van fl.

6256 bruto per maand, plus onkosten- en overwerkvergoedingen, alsmede
andere emolumenten.

1.4. Als reconventionele eis in de door de vrouw aangespannen
echtscheidingsprocedure voor de rechtbank te Utrecht heeft de man
gevorderd dat de vrouw zou worden veroordeeld tot maandelijkse
voldoening van in totaal ƒ 1200 als bijdrage in de (toenmalige)
huisvesting en in het levensonderhoud van de man.

1.5. Bij vonnis van 13 november 1991 heeft de rechtbank de
echtscheiding uitgesproken. Zij heeft overwogen dat de man behoefte
had aan het gevorderde bedrag en dat de vrouw in staat was dat te
betalen.

Vervolgens heeft de rechtbank de man veroordeeld om de vrouw een
alimentatie van ƒ 1200 per maand te betalen. Door een kennelijke,
zij het krasse, verschrijving zijn hier de aanduidingen van partijen
verwisseld.

1.6. De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen de (door de rechtbank
in haar vonnis beoogde) beslissing inzake alimentatie. Zij heeft de
hierboven bedoelde verschrijving als zodanig erkend.

De man heeft bij incidenteel beroep vaststelling van een alimentatie
van ƒ 1600 geeist.

Bij arrest van 5 juli 1993 heeft het gerechtshof te Amsterdam het
vonnis van de Utrechtse rechtbank, voor zover aan zijn oordeel
onderworpen, vernietigd. Het heeft de door de vrouw aan de man te
betalen uitkering tot levensonderhoud met ingang van 23 maart 1992 (de
dag van ontbinding van het huwelijk) bepaald op ƒ 1200 per maand en
met ingang van 1 maart 1993 (de dag waarop de man in beginsel recht op
ouderdomspensioen ingevolge de AOW zou krijgen) op nihil.

1.7. Tegen die beslissing is het door de man (tijdig) ingestelde
cassatieberoep gericht. Het steunt op een middel, dat uit twee
onderdelen bestaat, en dat uitsluitend is gericht tegen ro. 4.1. in
het arrest van het hof.

2. Bespreking van het middel 2.1. De door het middel bestreden
rechtsoverweging 4.1. luidt als volgt: “Er wordt van uitgegaan dat de
man nadat hij 65 jaar is geworden geen behoefte meer heeft aan een
bijdrage van de vrouw, omdat van hem gelet op de hoogte van zijn
inkomen destijds en het free-lance karakter van zijn werkzaamheden
verwacht had mogen worden dat hij een behoorlijke oudedagsvoorziening
had getroffen. Dat hij dit niet heeft gedaan mag niet worden
afgewenteld op de vrouw, met name niet nu niet gebleken is dat de man
door met de vrouw in het huwelijk te treden carrieremogelijkheden
heeft gemist of anderszins door zijn huwelijk in een slechtere
financiele positie is gekomen.” 2.2.1. Onderdeel 1 betoogt dat het hof
is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat het oordeel
van het hof onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is.

Van iemand kan niet (uitsluitend) op grond van de hoogte van het eigen
inkomen en het (free lance) karakter van de werkzaamheden worden
verwacht gedurende het huwelijk een behoorlijke oudedagsvoorziening te
treffen.

Volgens het middel kan een dergelijke verwachting slechts (mede)
worden gegrond op de vaststelling dat het treffen van een behoorlijke
voorziening “destijds” algemeen gebruik was binnen de beroepsgroep
waartoe de alimentatiegerechtigde behoorde en op de vaststelling dat
het inkomens- en bestedingspatroon van het gezin het treffen van een
behoorlijke oudedagsvoorziening toeliet dan wel noodzakelijk maakte.
De schriftelijke toelichting van de raadsman van de man in cassatie
verwijst daarbij naar enkele uitspraken van de Hoge Raad.

2.2.2. Als uitgangspunt bij de beoordeling van deze klacht kan dienen
dat uit het bestreden arrest de draagkracht van de vrouw en de
behoefte van de man blijken. Daarop is immers de toekenning van
alimentatie tot 1 maart 1993 gebaseerd.

Er is niet gebleken, en er is ook geen aanleiding te veronderstellen,
dat op de genoemde datum (een substantiele) wijziging is gekomen in de
draagkracht van de vrouw.

Daarentegen blijkt uit de vaststaande feiten dat op die datum de
behoefte van de man groter is geworden, doordat zijn WAO-uitkering
heeft plaats gemaakt voor een (aanmerkelijk lagere) AOW-uitkering.

De beslissing van het hof tot limitering van de alimentatieduur steunt
noch op de draagkracht van de vrouw, noch op de behoefte van de man,
maar alleen op de inhoud van de geciteerde rechtsoverweging 4.1.

2.2.3. Doordat de verwachting die het hof in rechtsoverweging 4.1.
heeft uitgesproken, niet op bijzondere omstandigheden berust, maar
algemeen van karakter is, heeft de opvatting van het hof – zou de Hoge
Raad deze onderschrijven – vergaande consequenties.

Personen die gedurende een bepaalde periode door arbeid in hun
levensonderhoud hebben voorzien, zouden daardoor bij het bereiken van
de AOW-gerechtigde leeftijd (65 jaar) aanspraken op een bijdrage in
hun levensonderhoud door een ander (m.n.

ex-echtgenoot), die zij op zichzelf zouden hebben, verliezen.

Zulke personen zouden dan immers als regel pensioenrechten hebben, of
moeten hebben, die voldoende geacht worden om in combinatie met de
AOW-uitkering in hun levensonderhoud te voorzien.

2.2.4. Deze leer vindt in haar algemeenheid geen steun in de wet of de
rechtspraak. De rechter mag op grond van het hier nog toepasselijke
art. 1:157, lid 3, (oud) BW de verplichting tot betaling van
alimentatie aan een voormalige echtgenoot in de tijd limiteren.

De Hoge Raad heeft in de genoemde arresten uit 1982 de omstandigheid
dat een onderhoudsgerechtigde de behoefte, die hij of zij had aan een
uitkering tot levensonderhoud, aan zichzelf te wijten had, als een
grond tot limitering van alimentatie beschouwd.

Aan een beslissing in die zin zijn echter zware motiveringseisen
gesteld.

2.2.5. Aandacht verdient verder dat in het voorstel dat geleid heeft
tot de in noot 10 genoemde wetswijziging (en ook nog in de wet zoals
deze in het genoemde Staatsblad is gepubliceerd) voorzien was in
limitering tot het moment waarop recht op een AOW-uitkering bestond.
Die limitering zou alleen gelden bij verlenging van de bij die
wetswijziging ingevoerde 12-jaarstermijn.

Na zware kritiek uit de Eerste Kamer is de desbetreffende bepaling
echter bij novelle geschrapt. Deze gang van zaken levert op zichzelf
al een sterk argument op tegen de opvatting die aan het bestreden
arrest ten grondslag ligt.

2.2.6. Overigens zou ik geen grond zien de regel die uit het bestreden
arrest volgt, tot onderhoudsgerechtigde mannen te beperken. Zulk een
beperking zou ontoelaatbare discriminatie opleveren.

Het is een (ook uit de rechtspraak blijkend) feit van algemene
bekendheid dat het in de huidige maatschappelijke omstandigheden veel
meer voorkomt dat een man zijn vrouw, of een ex-man zijn ex-vrouw,
moet onderhouden, dan dat het omgekeerde het geval is.

De consequenties van de door het hof toegepaste leer, hoezeer in dit
geval in het nadeel van de man, zouden daardoor per saldo een
(onwenselijk) vrouwvijandig effect hebben.

2.2.7. Volgens het middel steunt de overweging van het hof, dat van de
man verwacht had mogen worden dat hij voor een behoorlijke
oudedagsvoorziening had gezorgd, op twee factoren, nl. de hoogte van
diens destijds genoten inkomen en het free lance karakter van de
werkzaamheden.

Ik vat de bedoelde overweging van het hof aldus op dat het free lance
karakter niet werkelijk een stuk redengeving is.

Het hof wilde daarmee tot uitdrukking brengen dat de situatie voor een
zelfstandige, als de man was, verschilt met die van de meeste
werknemers. Een zelfstandige moet veelal, wil hij (buiten de AOW) een
oudedagsvoorziening hebben, daar zelf voor zorgen.

Dat betekent dat de hoogte van het destijds genoten inkomen
doorslaggevend was.

De overweging van het hof volgens welke niet gebleken is dat de man
door het huwelijk carrieremogelijkheden heeft gemist of anderszins in
een slechtere positie is gekomen, is m.i. niet dragend voor de gegeven
beslissing. Deze geeft alleen aan dat het hof wanneer een van die
omstandigheden wel aanwezig was geweest, daarin mogelijk aanleiding
had gezien tot een andere conclusie te komen.

2.2.8. In verband met de motivering van limitering van alimentatie in
de tijd wegens een verzuim van de alimentatiegerechtigde heeft de Hoge
Raad in de arresten van 11 juni 1982 enkele speciale aandachtspunten
genoemd. Twee daarvan zijn ook voor toepassing in de onderhavige
casuspositie vatbaar. Toegesneden op deze casuspositie houden zij in:
a. hetgeen destijds, mede gelet op de maatschappelijke opvattingen in
de kring waartoe de man behoorde, van hem kon worden gevergd; b. de
omstandigheid dat indien de man van de voor hem bestaande
mogelijkheden binnen de grenzen van wat van hem gevergd kon worden,
gebruik had gemaakt, hij bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd in
zijn eigen levensonderhoud zou hebben kunnen voorzien.

2.2.9. De hoogte van het destijds genoten inkomen is een factor die op
zichzelf wel past in deze aandachtspunten, i.h.b. ter bepaling van
hetgeen destijds van hem gevergd kon worden. Overigens heeft het hof
ten aanzien van het voldaan zijn aan de in deze aandachtspunten
besloten criteria niets vastgesteld.

De vraag waarom de man destijds niet voor een oudedagsvoorziening
heeft gezorgd, is aan de orde geweest tijdens de ter terechtzitting
van het hof gehouden comparitie.

Daar heeft de man verklaard: “Ik weet niet waarom ik geen
oudedagsvoorziening heb getroffen. Je was druk met je werk en je dacht
daar niet aan.

Je zou het nalatigheid kunnen noemen. Het werd eigenlijk ook niet vaak
gedaan in mijn kring.” De vrouw heeft zich hierover noch ter
comparitie noch in de akte na comparitie uitgelaten.

De geciteerde uitlating van de man geeft aan dat in zijn perceptie het
treffen van een oudedagsvoorziening in de kring waartoe hij behoorde
niet gebruikelijk was. Daaruit zou men kunnen concluderen dat de
maatschappelijke opvattingen in de kring waartoe de man behoorde niet
meebrachten dat men een dergelijke voorziening behoorde te treffen.

De raadsman van de man vermeldt nog dat musici (in loondienst) eerst
sedert 1987 kunnen deelnemen in het Pensioenfonds voor Kunst en
Cultuur. Tijdens de actieve periode van de man bestond dus nog geen
(algemeen) beroepspensioenfonds voor musici. Wellicht was die
omstandigheid medebepalend voor de opvattingen in de kring van musici.
In feitelijke instanties is hierop geen beroep gedaan, maar dat kan
mede een gevolg zijn van het door het hof niet onderzoeken van de
maatschappelijke opvattingen in de kring waartoe de man behoorde.

2.2.10. In de arresten van 1982 was een verzuim aan de orde dat de
onderhoudsgerechtigden na het huwelijk hadden begaan.

In de onderhavige zaak gaat het om een verzuim (voor en) tijdens het
huwelijk. Dat lijkt om verscheidene redenen relevant.

Zowel de aanvang van het concubinaat als het huwelijk hebben plaats
gevonden tijdens de actieve periode van de man. De vrouw had kunnen
weten, of te weten kunnen komen, dat de man geen oudedagsvoorziening
had. Vervolgens zou zij er op hebben kunnen aandringen daarvoor alsnog
zorg te dragen. Er is niet vastgesteld dat dit is gebeurd. Als gevolg
daarvan heeft de vrouw een zekere medeverantwoordelijkheid voor het
achterwege laten van het treffen van zulk een voorziening.

Daar komt bij dat de vrouw een vaste dienstbetrekking met een goed
salaris (en naar men mag aannemen ook een pensioenvoorziening) had.
Beide partners kunnen tijdens het huwelijk en het daaraan voorafgegane
concubinaat een oudedagsvoorziening voor de man overbodig geacht
hebben, omdat de vrouw in de kosten van de gezamenlijke huishouding
kon voorzien.

2.2.11. In de tweede en de derde alinea van de vorige paragraaf heb ik
veronderstellingen geuit die aangeven dat een onderzoek door het hof
naar de redenen die hebben geleid tot het achterwege laten van een
oudedagsvoorziening van de man, en naar de rol die de vrouw daarbij
voor en tijdens de samenleving heeft gespeeld, andere resultaten zou
kunnen opleveren, dan waartoe het hof nu gekomen is.

Reeds om die reden had zulk een onderzoek niet achterwege mogen
blijven.

2.2.12. Gezien het bovenstaande treft het onderdeel doel.

2.3.1. Onderdeel 2 is voorwaardelijk voorgesteld, nl. voor het geval
het hof terecht en voldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat van de
man had mogen worden verwacht dat hij een behoorlijke
oudedagsvoorziening had getroffen.

Die voorwaarde is m.i. niet vervuld, zodat het tweede onderdeel geen
behandeling behoeft.

Ten overvloede zal ik hieraan kort aandacht geven.

2.3.2. De vraag wat een behoorlijke oudedagsvoorziening zou zijn
geweest kan slechts beantwoord worden aan de hand van het inkomen en
de overige economische omstandigheden van de man (of van het
voormalige echtpaar) in de periode waarin het treffen van zulk een
voorziening van de man moest worden verwacht.

Dit volgt uit het in 2.2.8. genoemde punt b. De man zou een
dergelijke voorziening slechts hebben behoeven te treffen “binnen de
grenzen van wat van hem gevergd kon worden”.

2.3.3. In de opvatting van het hof had onderzocht moeten worden hoe
groot het maandelijkse bedrag zou zijn waarop de man uit hoofde van
een voorziening van de in de vorige paragraaf aangeduide omvang vanaf
het bereiken van de 65-jarige leeftijd zou hebben kunnen rekenen.

Bij dat onderzoek had mede aandacht geschonken moeten worden aan de
aanspraken van de vrouw, bij gelegenheid van de boedelscheiding, op
een deel van die voorziening. In het eenvoudigste geval, nl. dat
waarin de man een voorziening zou hebben getroffen door een bedrag te
sparen waarmee hij bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd een
lijfrente had kunnen kopen, zou de helft van het gespaarde naar de
vrouw zijn gevloeid. Partijen zijn immers in gemeenschap van goederen
gehuwd geweest.

Het gevonden maandelijkse bedrag zou dan vervolgens afgezet moeten
worden tegen de door het hof zelf bepaalde behoefte van de man, nl.
ƒ 2532, verminderd met de AOW-uitkering ad ƒ

1212, dus in totaal rond ƒ 1320.

2.3.4. In dit verband merk ik nog op dat het hof in rechtsoverweging
4.1. heeft overwogen dat het door de man niet treffen van een
behoorlijke oudedagsvoorziening niet op de vrouw mag worden
afgewenteld.

Indien echter een “behoorlijke oudedagsvoorziening”, voor zover aan de
man ten goede komend, minder dan ƒ 1320 per maand zou hebben
opgeleverd, heeft het hof meer gedaan dan het vermijden van
afwenteling. In die veronderstelling heeft het de man gestraft met een
lager inkomen dan hij genoten zou hebben indien hij wel een
behoorlijke oudedagsvoorziening zou hebben getroffen.

Zou men een dergelijke sanctie al passend willen achten, dan dient men
in het oog te houden dat daar een even hoog voordeel voor de vrouw
tegenover staat. Ik zou menen dat daarvoor in geen geval een
rechtvaardiging te vinden is.

2.3.5. Daaruit volgt dat onderdeel 2, indien het aan de orde zou
komen, gegrond zou zijn.

3. Conclusie De conclusie luidt tot vernietiging van het bestreden
arrest, tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof, en tot
compensatie van kosten.

Rechters

Mrs. Snijders, Roelvink, Mijnssen, Neleman, Heemskerk; A-G Mok

Instantie: Hoge Raad, 25 november 1994

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Partijen hebben met elkaar samengeleefd en hebben sinds 26 april
1993 samen een dochter, erkend door de vader.

De samenleving is beeindigd in juni 1993. De moeder heeft verzocht om
kinderalimentatie ten bedrage van ƒ 250,=, wat door de Rechtbank
afgewezen maar door het Hof toegekend is. De vader eist in cassatie
vernietiging van deze beschikking, de A-G Leijten concludeert tot
verwerping van dit beroep maar de Hoge Raad vernietigt de bestreden
beschikking als onvoldoende gemotiveerd. Bij de beoordeling van de
draagkracht van de vader ten behoeve van kinderalimentatie moet in
beginsel rekening worden gehouden met alle redelijke uitgaven, die ten
late van de vader komen. Een nieuw gevormd gezin is een factor bij het
bepalen van deze uitgaven, maar niet in zo’n mate dat daarbij hetgeen
als redelijk dient te worden beschouwd ten aanzien van het niet in het
nieuwe gezin verblijvende kind buiten beschouwing kan blijven. Een
afweging van de belangen van het kind tegenover die van de nieuwe
partner kan aan de orde zijn. Bij de vaststelling van wat jegens het
kind als redelijk beschouwd dient te worden is het enkele feit dat de
vader een nieuw gezin gevormd heeft onvoldoende om de
kinderalimentatie op een lager bedrag vast te stellen dan anders het
geval zou zijn geweest. De omstandigheden van het geval kunnen evenwel
anders meebrengen.

Volledige tekst

Hof: ( …) 2. Het geschil in hoger beroep en de feiten en
omstandigheden 2.1. Partijen hebben met elkaar samengeleefd. In juni
1993 is de samenleving van partijen beeindigd. Uit hun relatie is
geboren Loes Elise (Loes) op 26 april 1993. De vader heeft haar
erkend.

Bij beschikking van de Kantonrechter te Alkmaar van 17 mei 1993 zijn
partijen bekleed met de ouderlijke macht over Loes.

Het is de bedoeling van partijen dat de moeder wordt benoemd tot
voogdes over Loes.

2.2. In geschil is de afwijzing bij de beschikking waarvan beroep van
het verzoek van de moeder de bijdrage in de kosten van verzorging en
opvoeding van Loes met ingang van 26 april 1993 te bepalen op ƒ 250
per maand.

De moeder verzoekt haar inleidend verzoek alsnog toe te wijzen.

De vader verzoekt de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3. De moeder heeft behoefte aan de door haar verzochte bijdrage in
de kosten van verzorging en opvoeding van Loes.

2.4. Ten aanzien van de vader is het volgende gebleken.

Hij leeft samen met een partner die (nog) met een ander gehuwd is.

Zijn partner heeft geen eigen inkomsten.

Hij is in loondienst.

Zijn salaris bedraagt rond ƒ 2022 netto per maand. Daarnaast
ontvangt hij vakantiegeld, een winstdeling van – in 1993 – ƒ 750
netto en per jaar vijf maal een bedrag van ƒ 100 netto in verband
met feestdagen. Aan huur en enige servicekosten betaalt hij rond ƒ
878 per maand.

Hij betaalt rond ƒ 12 per maand aan premie voor een
levensverzekering en ƒ 51 per maand aan spaarpremie ten behoeve van
Loes.

3. Beoordeling van het hoger beroep 3.1. Bij de bepaling van de
draagkracht van de vader wordt hij aangemerkt als een alleenstaande.
De vader woont weliswaar samen met een vrouw als ware hij met haar
gehuwd maar zijn wettelijke verplichting bij te dragen in de kosten
van verzorging en opvoeding van Loes gaat voor de verplichting, die
hij kennelijk voelt ten opzichte van deze vrouw.

3.2. De vader heeft in het kader van de boedelscheiding aan de moeder
rond ƒ 7000 betaald. In verband daarmee heeft hij een bedrag van ƒ
6250 – renteloos van zijn werkgever – geleend.

Hij betaalt die lening met ƒ 250 per maand af.

Met deze betalingen wordt geen rekening gehouden omdat dit zou
betekenen dat de financiele gevolgen voor de vader van een door hem
wegens overbedeling aan de moeder te betalen bedrag mede door de
moeder wordt gedragen.

3.3. Met de inkomsten van de vader in verband met zijn werkzaamheden
voor de vrijwillige brandweer wordt geen rekening gehouden, omdat niet
duidelijk is of deze de uitgaven te boven gaan.

Met de uitgaven in verband hiermee wordt geen rekening gehouden omdat
het hier, naar de man zelf stelt, om een hobby gaat.

3.4. Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn
vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, is een door de vader met
ingang van 1 juli 1993 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging
en opvoeding van Loes van ƒ 250 per maand in overeenstemming met de
wettelijke maatstaven.

Cassatiemiddel: Schending van het recht en/of verzuim van op straffe
van nietigheid voorgeschreven vormen doordat het Hof heeft overwogen
en beslist, als in gemelde uitspraak, waarvan de inhoud als hier
woordelijk herhaald en ingelast beschouwd moet worden, is omschreven,
zulks ten onrechte op grond van een of meer van de navolgende gronden.

Ten onrechte overweegt het Hof in rechtsoverweging 3.1: “Bij de
bepaling van de draagkracht van de vader wordt hij aangemerkt als een
alleenstaande. De vader woont weliswaar samen met een vrouw als ware
hij gehuwd, maar zijn wettelijke verplichting bij te dragen in de
kosten van verzorging en opvoeding van Loes gaat voor de verplichting,
die hij kennelijk voelt ten opzichte van deze vrouw.” a Voorzover het
Hof daarmede bedoeld zou hebben te oordelen dat er een rechtsregel
bestaat die met zich medebrengt dat de onderhoudsverplichting van een
man jegens zijn partner met wie hij samenwoont als ware hij gehuwd
achtergesteld moet worden bij de verplichting om bij te dragen in de
kosten van verzorging en opvoeding van zijn kind, is het Hof uitgegaan
van een verkeerde rechtsopvatting. Het Hof miskent dan immers dat de
rechter bij het bepalen van het bedrag waarmede een man in de kosten
van verzorging en opvoeding van zijn kind dient bij te dragen,
rekening mag houden met alle omstandigheden van het geval en derhalve
ook met voornoemde verplichting jegens zijn huidige partner.

b Zou het Hof bedoeld hebben te oordelen dat in casu voormelde
onderhoudsverplichting van verzoeker jegens zijn nieuwe partner, ervan
uitgaande dat verzoeker een verplichting had om in het levensonderhoud
van die partner te voorzien – wat het Hof deed door het bestaan van
die verplichting in het midden te laten -, achtergesteld moet worden
bij zijn verplichting om bij te dragen in de kosten en verzorging en
opvoeding van Loes, heeft het Hof ten onrechte voornoemde beslissing
niet, althans niet begrijpelijk, in zijn beschikking tot uitdrukking
gebracht.

Bovendien heeft het Hof ten onrechte niet aangegeven dat en waarom in
het onderhavige geval met het bestaan van een dergelijke verplichting
jegens voornoemde partner geen rekening dient te worden gehouden bij
het bepalen van de gehoudenheid van verzoeker tot het betalen van
alimentatie voor Loes. De beslissing van het Hof is derhalve niet
voldoende met redenen omkleed: Zie: O.m. Hoge Raad 27 november 1981;
NJ 1982, 284.

Opgemerkt zij nog dat het huwelijk van de huidige partner van
verzoeker per 3 juni 1994 is ontbonden.

Hoge Raad: 1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 13
oktober 1993 gedateerd verzoekschrift heeft verweerster in cassatie –
verder te noemen: de moeder – zich gewend tot de Rechtbank te Alkmaar
met verzoek te bepalen dat verzoeker tot cassatie – verder te noemen:
de vader – een bedrag van ƒ 250 per maand dient bij te dragen in de
kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige Loes Elise B.,
geboren te Alkmaar op 26 april 1993.

Nadat de vader tegen het verzoek verweer had gevoerd, heeft de
Rechtbank bij beschikking van 4 januari 1994 het verzochte afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het
Gerechtshof te Amsterdam.

Bij beschikking van 19 mei 1994 heeft het Hof de bestreden beschikking
van de Rechtbank vernietigd en het verzoek van de moeder met ingang
van 1 juli 1993 toegewezen.

( …)

3. Beoordeling van de middelen 3.1 In cassatie moet van het volgende
worden uitgegaan.

Partijen hebben met elkaar samengewoond. Uit deze relatie is op 26
april 1993 een dochter, genaamd Loes Elise geboren, die door de vader
is erkend. De samenwoning van partijen is in juni 1993 geeindigd.

Bij beschikking van de Kantonrechter te Alkmaar van 17 mei 1993 zijn
partijen bekleed met de ouderlijke macht over Loes; het is de
bedoeling van partijen dat de moeder wordt benoemd tot voogdes over
Loes.

De vader leeft thans samen met een andere vrouw (verder: partner) die
geen eigen inkomsten heeft.

3.2 Het Hof heeft in rechtsoverweging 3.1 overwogen: “Bij de bepaling
van de draagkracht van de vader wordt hij aangemerkt als een
alleenstaande. De vader woont weliswaar samen met een vrouw als ware
hij met haar gehuwd maar zijn wettelijke verplichting bij te dragen in
de kosten van verzorging en opvoeding van Loes gaat voor de
verplichting, die hij kennelijk voelt ten opzichte van deze vrouw.” De
middelen bestrijden dit oordeel met een rechts- en een
motiveringsklacht.

Middel a strekt ten betoge, kort samengevat, dat het Hof is uitgegaan
van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het heeft geoordeeld dat
de onderhoudsverplichting van de vader jegens zijn nieuwe partner
achtergesteld moet worden bij zijn verplichting jegens zijn dochter,
en heeft miskend dat de rechter rekening mag houden met de
verplichtingen van de vader jegens die partner; middel b houdt in dat,
voor zover het Hof heeft geoordeeld dat in dit geval de
onderhoudsverplichting van de vader jegens Loes diende te prevaleren,
dit oordeel onbegrijpelijk is gemotiveerd.

3.3 Bij de beoordeling van de middelen moet het volgende worden
vooropgesteld.

Bij de beoordeling van de draagkracht van een vader met het oog op het
vaststellen van zijn wettelijke verplichting tot bijdragen in de
kosten van verzorging en opvoeding van zijn kind uit een inmiddels
ontbonden huwelijk of geeindigde gezinsrelatie dient in beginsel
rekening te worden gehouden met alle redelijke uitgaven die ten laste
van de vader komen.

Indien de vader een nieuw gezin gevormd heeft, zullen zijn uitgaven
mede door deze factor worden bepaald, ongeacht of hij met zijn nieuwe
partner is gehuwd of samenleeft als waren zij gehuwd. Dit onderscheid
zal ook bij de beoordeling van de redelijkheid van de gezinsuitgaven
in beginsel niet van belang zijn. Wel zal bij die beoordeling rekening
moeten worden gehouden met wat als redelijk dient te worden beschouwd
jegens het niet in het nieuwe gezin verblijvende kind in welks
verzorging en opvoeding de vader verplicht is bij te dragen.

In dit kader zal ook een afweging van de belangen van het kind
tegenover die van de nieuwe partner aan de orde kunnen komen.

Het voorgaande brengt mee dat het Hof, zo zijn beschikking moet worden
opgevat als in middel a wordt aangenomen, van een onjuiste
rechtsopvatting is uitgegaan, nu het een andere maatstaf heeft
aangelegd dan hiervoor als juist is aanvaard.

3.4 Vervolgens moet de vraag onder ogen worden gezien wat in de
situatie die in deze zaak aan de orde is, jegens het niet in het
nieuwe gezin verblijvende kind als redelijk moet worden beschouwd.
Uitgangspunt dient hierbij te zijn dat het enkele feit dat de vader
zijn leven met een nieuwe partner is gaan delen en zich aldus in een
nieuwe gezinssituatie heeft begeven, die tot een ongunstiger
verhouding tussen inkomsten en uitgaven heeft geleid, onvoldoende is
om de ten behoeve van het kind verschuldigde bijdrage op een lager
bedrag te bepalen dan anders verschuldigd zou zijn, en zo de belangen
van het kind in het kader van de hiervoor bedoelde afweging bij die
van de nieuwe partner achter te stellen. De omstandigheden van het
geval kunnen evenwel anders meebrengen, waarbij onder meer van belang
zal zijn: de mate waarin de voor het kind verlangde bijdrage een
redelijk bestaansniveau van het nieuwe gezin zou aantasten; de
aanwezigheid van kinderen in het nieuwe gezin; en de mogelijkheden
voor de vader en zijn nieuwe partner om zich door werkzaamheden als
van hen kunnen worden gevergd, verdere inkomsten te verwerven.

Het voorgaande brengt mee dat, zo het Hof moet worden begrepen als in
middel b wordt aangenomen, de bestreden beschikking onvoldoende is
gemotiveerd, nu deze geen blijk geeft van een onderzoek naar
omstandigheden als hiervoor bedoeld.

3.5 Uit het hiervoor in 3.3 en 3.4 overwogene volgt dat de middelen,
in onderling verband gelezen, doel treffen. Na verwijzing zal de zaak
aan de hand van het voorgaande opnieuw moeten worden bezien.

4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de beschikking van het Hof te
Amsterdam van 19 mei 1994; verwijst de zaak naar het Hof te
‘s-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing; compenseert de
kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen
kosten draagt.

Conclusie A-G mr. Leijten: Bij beschikking van 19 mei 1994 heeft de
eerste enkelvoudige familiekamer van het gerechtshof te Amsterdam
vernietigd de in deze zaak in eerste aanleg gegeven beschikking van de
rechtbank te Alkmaar van 4 januari 1994 – bij welke beschikking het
verzoek van de verweerster in cassatie – de vrouw – om de verzoeker in
cassatie – de man – te veroordelen tot betaling van een bijdrage van
tweehonderd en vijftig gulden per maand als bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van hun dochtertje Loes Elise, werd afgewezen
– en de man veroordeeld om aan de vrouw terzake als hiervoor
weergegeven te betalen tweehonderd en vijftig gulden per maand.

De man heeft zich van de beschikking van het hof in cassatie voorzien
en bij schriftuur twee middelen (a en b) voorgesteld.

Voor zover in cassatie van belang heeft het hof in zijn beschikking
overwogen: “3.1. Bij de bepaling van de draagkracht van de vader wordt
hij aangemerkt als een alleenstaande. De vader woont weliswaar samen
met een vrouw als ware hij met haar gehuwd maar zijn wettelijke
verplichting bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding
van Loes gaat voor de verplichting, die hij kennelijk voelt ten
opzichte van deze vrouw.” Even voordien had het hof in zijn
beschikking vastgesteld ten aanzien van de vader (de man): “Hij leeft
samen met een partner die (nog) met een ander gehuwd is.” De namens de
man ingediende cassatieschriftuur bevat als mededeling: “Opgemerkt zij
dat het huwelijk van de huidige partner van verzoeker per 3 juni 1994
is ontbonden.” Middel a bevat een rechtsklacht gericht tegen de
overweging van het hof onder 3.1.: er bestaat geen rechtsregel die met
zich meebrengt dat de onderhoudsverplichting van een man jegens zijn
partner met wie hij samenwoont als ware hij gehuwd achtergesteld moet
worden bij de verplichting om bij te dragen in de kosten van
verzorging en opvoeding van zijn kind.

Middel b sluit daarop aan met een motiveringsklacht: als het hof heeft
geoordeeld dat in dit bijzondere geval de partner achtergesteld moet
worden bij het kind heeft het deze beslissing niet, althans niet
begrijpelijk gemotiveerd.

Naar mijn mening falen de middelen op de in het verweerschrift in
cassatie aangevoerde gronden: (i) In cassatie kan niet gelet worden op
nieuwe feitelijke omstandigheden die zich hebben voorgedaan nadat de
beschikking waartegen cassatie werd ingesteld was gegeven.

(ii) De beschikking van het hof is van 19 mei 1994 terwijl het
huwelijk van de huidige partner van de verzoeker volgens diens bericht
op 3 juni 1994 is ontbonden.

(iii) Het hof is er in zijn beschikking van uitgegaan dat de man
samenleefde met een partner (als waren zij met elkaar gehuwd) terwijl
die partner (nog) met een andere man gehuwd was.

(iv) Dit moet ook in cassatie het punt van uitgang zijn.

(v) Het hof heeft de alimentatie-verplichting van de man jegens zijn
dochtertje gekwalificeerd als een wettelijke verplichting, terwijl het
hof zulks niet vaststelt ten aanzien van de verplichting die de man
“kennelijk voelt” ten opzichte van zijn partner. Het hof heeft
derhalve deze verplichting hooguit aangemerkt als een voortspruitend
uit moraal en fatsoen, een natuurlijke verbintenis.

(vi) Het oordeel van het hof is juist: enerzijds rust op de partners
in een concubinaat niet de perfecte verplichting in de kosten van de
gezamenlijke huishouding bij te dragen, anderzijds (eigenlijk:
bovendien) bestaat er voor haar echtgenoot een wettelijke verplichting
tot betaling van een bijdrage zolang de vrouw nog met hem gehuwd is.

(vii) Hoewel namens de man met juistheid is betoogd dat de wet ten
aanzien van, enigszins algemeen gezegd, wettelijke
onderhoudsverplichtingen binnen het familierecht, geen hierarchische
opbouw kent, geen absolute prioriteiten, als gevolg waarvan het laten
voorgaan van de ene wettelijke verplichting voor een andere,
bijzondere motivering behoeft, zal een en ander hem in deze zaak niet
kunnen baten, omdat de wettelijke verplichting tot een bijdrage in de
verzorging en opvoeding van zijn minderjarig kind wel gaat boven de
door hem gevoelde maar niet wettelijke verplichting tot het bijdragen
in de kosten van living van zijn huidige partner.

Het hof heeft geen regel van recht geschonden en zijn beslissing
genoegzaam gemotiveerd.

Nu beide middelen falen concludeer ik tot verwerping van het beroep.

Rechters

Mrs. Snijders, Neleman, Heemskerk, Nieuwenhuis, Swen-Donner; A-GLeuijten

Instantie: Rechtbank Alkmaar, 24 november 1994

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Partijen zijn vijftien jaar gehuwd geweest en hebben drie minderjarige
kinderen van negen, elf en dertien jaar oud. De man verzoekt de
alimentatie te limiteren tot drie jaar. De rechtbank oordeelt dat de vrouw
behoefte heeft op grond van de volgende feiten en omstandigheden:
huwelijksdatum, drie kinderen, vrouw, vormt met kinderen een
eenoudergezin, vrouw heeft geen inkomen uit arbeid, vrouw kan voorlopig
niet deelnemen aan arbeidsproces omdat zij voornemens is een opleiding te
gaan volgen, financiele gegevens van de man. De rechtbank limiteert niet
en maakt daar ook geen opmerking over. Alimentatie wordt ƒ 1.700,=.

Volledige tekst

Gelet op de verwijzing naar deze kamer van de rechtbank; Gezien de
overgelegde en als hier ingevoegd geldende stukken, waaronder: de
bescheiden als bedoeld in artikel 817 (oud) van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering; authentieke afschriften van het door deze
rechtbank gewezen tussenvonnis van 2 juni 1994 en van het proces-verbaal
van de bij dit vonnis gelaste comparitie van partijen gehouden op 21 juni
1994; overweegt ten aanzien van de feiten: Eiseres heeft bij conclusie van
eis onder meer gevorderd echtscheiding subsidiair scheiding van tafel en
bed tussen partijen uit te spreken. Gedaagde heeft bij conclusie van
antwoord zich ten aanzien van de gevorderde echtscheiding en de scheiding
en deling van de huwelijksgoederengemeenschap gerefereerd aan het oordeel
van de rechtbank en verweer gevoerd tegen de nevenvordering met betrekking
tot de bijdrage in het levensonderhoud van eiseres voorzover die een
bedrag van ƒ 1.000,= per maand te boven gaat voor een periode van drie
jaar, althans met het verzoek een bedrag vast te stellen voor een periode
als de rechtbank juist acht en daartoe een comparitie van partijen te
gelasten, welke comparitie tevens gebruikt zal worden voor het
ouderenverhoor.

Hierop heeft de rechtbank bij voormeld tussenvonnis een comparitie van
partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op de hiervoor vermelde datum.
Bij gelegenheid van deze comparitie heeft eiseres haar vordering met
betrekking tot de bijdrage in haar levensonderhoud verminderd tot ƒ
1.700,= per maand en de rechtbank verzocht de bijdrage in de verzorging
en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen vast te stellen op
ƒ 600,= per kind per maand. Gedaagde heeft daarop nog een akte genomen met
betrekking tot de huurinkomsten van de voormalige echtelijke woning.
Eiseres heeft nog een akte genomen, waarbij zij een door partijen
ondertekende overeenkomst met betrekking tot de voogdij over de
minderjarigen heeft overgelegd. Tenslotte hebben partijen wederom de
stukken voor vonnis overgelegd. Overweegt ten aanzien van het recht: De
eisende partij wordt geacht te hebben voldaan aan het voorschrift van
artikel 817 (oud) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De
rechtbank heeft de in dit vonnis vermelde voornamen en geslachtsnamen van
partijen en datum en plaats van de huwelijksvoltrekking alsmede de
voornamen, geboortedatum en -plaats van hun minderjarige kinderen,
overgenomen uit de desbetreffende bescheiden, voor zover nodig met
dienovereenkomstige rectificatie van de dagvaarding.

Door de omstandigheid dat de partijen de Canadese nationaliteit bezitten
draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter, zodat eerst de
vraag dient te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak
rechtsmacht toekomt. Deze vraag kan ten aanzien van de hoofdvordering in
bevestigende zin worden beantwoord, aangezien, naar uit de overgelegde
stukken nagenoegzaam is gebleken, eiseres ten tijde van de dagvaarding
langer dan twaalf maanden woonplaats in Nederland had, terwijl de
rechtbank ook ten aanzien van de nevenvorderingen gelet op de woonplaats
van gedaagde en de gewone verblijfplaats van de kinderen rechtsmacht
toekomt. Vervolgens komt aan de orde de vraag welk rechtsstelsel op de
hoofd- en de nevenvorderingen van toepassing is. Op de primaire
hoofdvordering is het Nederlandse rechtsstelsel van toepassing, aangezien
eiseres een daartoe strekkende rechtskeuze heeft gedaan en gedaagde deze
keuze niet heeft weersproken. De nevenvordering tot toekenning van een
bijdrage in het levensonderhoud van eiseres ten laste van gedaagde wordt
eveneens beheerst door het Nederlandse rechtsstelsel nu dit van toepassing
is op de hoofdvordering. De nevenvordering tot boedelscheiding wordt
beheerst door het Canadese rechtsstelsel, aangezien partijen, hun eerste
huwelijksdomicilie in Canada vestigden. Aangezien het Canadese recht de
algehele scheiding van goederen kent als wettelijk
huwelijksgoederenstelsel en niet gesteld of gebleken is dat partijen een
daarvan afwijkend huwelijksgoederenregime zijn overeengekomen, dient
eiseres in haar nevenvordering tot boedelscheiding niet ontvankelijk te
worden verklaard. Het gestelde omtrent de huwelijkssluiting, het
huwelijksgoederenregime, der partijen kinderen en de nationaliteit van
partijen staat als erkend dan wel niet weersproken en gedeeltelijk
gestaafd door de overgelegde bescheiden ten processe vast.

Voorts is als gesteld en erkend komen vast te staan dat het huwelijk
duurzaam is ontwricht zodat de primaire vordering tot echtscheiding, nu
daartegen geen verweer wordt gevoerd, kan worden toegewezen. De door
partijen voorgestelde voorzieningen met betrekking tot het gezag over hun
minderjarige kinderen acht de rechtbank het meest in het belang van de
minderjarigen, zodat dienovereenkomstig zal worden beslist. Tussen
partijen is nog in geschil de door de vrouw gevorderde bijdrage in haar
levensonderhoud en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding
van de minderjarige kinderen van partijen. Hieromtrent is uit de stukken
en uit de door partijen ter comparitie verstrekte inlichtingen het
volgende gebleken: a. Partijen zijn op 4 augustus 1979 in het huwelijk
getreden. Uit hun huwelijk zijn drie thans nog minderjarige kinderen
geboren. b. De vrouw vormt met de drie minderjarige kinderen van partijen
een eenoudergezin. Zij heeft geen inkomen uit arbeid. Te zijner tijd gaat
de vrouw de woning van partijen in Canada bewonen, waarbij zij geen
woonkosten zal hebben. Zij kan voorlopig niet deelnemen aan het
arbeidsproces nu zij voornemens is in een opleiding te gaan volgen.

Zij bezit in een bankrekening waarop 68.000 is gestort als haar aandeel
in verkoop van een zakenbelang. c. De man is alleenstaand. Hij werkt
als directeur bij , gevestigd te . In 1993 had hij een bruto
jaarinkomen van ƒ 119.269,= bij welk bruto inkomen een derde van de
hypotheekrente voor de huur van de wordt opgeteld van het eenderde deel
van de woning van de man in Bergen (N.H.) ter waarde van ƒ 18.840,=. In
verband met een reparatie van de woning in Bergen (N.H.) heeft de man een
flexibel krediet opgenomen, waarvan nu nog ƒ 11.000,= resteert, welke hij
met ƒ 250,= per maand aflost. Zijn wervingskosten bedragen ƒ 1.578,= per
jaar. De rente in verband met de schulden met betrekking tot de woning
bedraagt ƒ 38.472,= per jaar. De zakelijke lasten met betrekking tot die
woning bedragen ƒ 150,= per maand. Hij betaalt ten behoeve van een
levensverzekering een premie van ƒ 335,= per maand. Hij stelt dat zijn
omgangskosten met zijn kinderen ƒ 500,= per maand bedragen.

Uit het bovenstaande komt voldoende naar voren dat de vrouw behoefte heeft
aan een bijdrage in haar levensonderhoud. De rechtbank zal voor het
vaststellen van de draagkracht van de man rekening houden met het fiscaal
voordeel dat de man heeft bij het betalen van alimentatie. Op grond van
het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat na te melden bijdrage in
overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. Doet recht: Spreekt
tussen partijen, op te , gehuwd, echtscheiding uit; Benoemt over de
minderjarigen: geboren te , op en , geboren te op en
geboren te op tot voogdes de moeder voornoemd en tot
toeziend-voogd de vader voornoemd; Beveelt voor zover nodig de afgifte van
de minderjarigen aan de met het gezag belaste ouder;

Bepaalt dat de vader voornoemd als bijdrage in de kosten van verzorging
en opvoeding van de minderjarigen aan de vrouw telkens bij vooruitbetaling
zal betalen ƒ 600,= per kind per maand, te vermeerderen met het bedrag van
iedere uitkering, die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten
behoeve van deze minderjarigen kan of zal worden verleend, een en ander
met ingang van de dag waarop de voogdij aanvangt, met dien verstande, dat
de kosten van niet vrijwillige nakoming voor rekening van de
bijdrageplichtige komen;

Veroordeelt gedaagde aan eiseres tot haar levensonderhoud uit te keren ƒ
1.700,= (een duizend zeven honderd gulden) per maand, telkens bij
vooruitbetaling te voldoen met ingang van de dag van inschrijving van dit
vonnis; Verklaart eiseres niet ontvankelijk in haar vordering met
betrekking tot de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap;
Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd; Compenseert de proceskosten
tussen partijen, echtelieden, aldus, dat iedere partij haar eigen kosten
draagt.

Rechters

mr. Ng-A-Tham