Instantie: Rechtbank Amsterdam, 23 november 1994

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Partijen zijn 22 jaar getrouwd geweest en hebben twee minderjarige
kinderen van 11 en 14 jaar. De man stelt dat partijen gelijke
inkomenscapaciteiten hebben. De vrouw kan commercieler en efficienter gaan
werken (vrouw heeft eigen praktijk. Zij kan voorts fulltime gaan werken
en de man stelt dat hij dan de kinderen op kan vangen. De man verzoekt de
alimentatie tot 2 jaar te limiteren. Ten aanzien van dit verzoek overweegt
de rechtbank: Vaststaat dat de vrouw gedurende het huwelijk grotendeels
voor de kinderen heeft gezorgd en dat zij vanaf 1988 zich zelfstandig
heeft gevestigd. Zij heeft gedurende het huwelijk parttime gewerkt.

Gelet op de verdeling van de taken tussen partijen gedurende het huwelijk,
rekeninghoudend met de door partijen overeengekomen omgangsregeling en het
feit dat de man heeft verklaard dat hij fulltime zal blijven werken, acht
de rechtbank het niet redelijk voor de berekening van de draagkracht van
de vrouw uit te gaan van een andere verdiencapaciteit dan zij gedurende
de laatste jaren van het huwelijk heeft gehad. Om die reden zal ook de
stelling van de man dat, gelet op de gelijke inkomenscapaciteit, de
eventueel op te leggen uitkering in haar levensonderhoud niet langer dan
twee jaar zou behoren te worden opgelegd buiten beschouwing worden
gelaten. Alimentatie wordt ƒ 550,=.

Volledige tekst

Partijen worden hierna mede respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: -het op 18
oktober 1993 ter griffie van deze rechtbank ingediende verzoekschrift;
-het tijdig daartegen ingediende verweerschrift tevens verzoekschrift;
-het verweerschrift van de vrouw naar aanleiding van het zelfstandig
verzoek. -binnengekomen is een brief met bijlagen van mr. Van Zanten d.d.
9 november 1994. De vrouw heeft onder andere verzocht haar te benoemen tot
voogdes en de man tot toeziend voogd over geboren te Hilversum op 18
mei 1979, en geboren te Hilversum op 29 augustus 1982, met bepaling
dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van die
minderjarigen ƒ 300,= per maand zal betalen. Tevens verzoekt zij een
uitkering in haar levensonderhoud van ƒ 2.500,= per maand, de verdeling
van de huwelijksgoederengemeenschap ten overstaan van een notaris alsmede
te bepalen dat zij jegens de man bevoegd zal zijn de echtelijke woning te
bewonen en het gebruik maken van de zaken behorende bij de echtelijke
woning gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheiding.

De man heeft onder andere primair verzocht dat op grond van duurzame
ontwrichting van hun huwelijk tussen partijen -Nederlanders- echtscheiding
zal worden uitgesproken. Hij heeft erkend althans niet betwist hetgeen is
gesteld omtrent de huwelijkssluiting, het huwelijksgoederenregime, de
geboorte van hun minderjarige kinderen, de nationaliteit van partijen en
de duurzame ontwrichting van hun huwelijk en tegen de verzochte
kinderbijdrage, alsmede dat de vrouw de echtelijke woning zal bewonen
gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheiding geen verweer
gevoerd.

Hij heeft echter het verzoek met betrekking tot de uitkering in het
levensonderhoud van de vrouw -althans het bedrag- en de vaststelling van
de gezagsvoorziening bestreden en zijnerzijds verzocht te bepalen dat de
behandeling betreffende de gezagsvoorziening zal worden aangehouden totdat
de kinderen op grond van de te verwachten ontwikkelingen in de
woonsituatie hun standpunt kunnen bepalen.

De vrouw heeft het in het verzoekschrift gestelde gehandhaafd.

Daarop is de zaak behandeld op de terechtzitting van 20 oktober 1994,
alwaar zijn verschenen: beide partijen, alsmede beide procureurs.

De rechtbank overweegt als volgt:

1. Ten processe staat vast, mede door het overgelegde bewijsstuk, dat
partijen zijn gehuwd op 20 november 1972 te Voorthuizen.

2. De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde ten tijde van het
indienen van het verzoekschrift langer dan zes maanden in Nederlands,
zodat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.

3. Tussen partijen staat voorts vast dat het huwelijk duurzaam is
ontwricht, zodat het verzoek tot echtscheiding als niet bestreden
toewijsbaar is.

4. Hetzelfde geldt voor het niet bestreden nevenverzoek tot verdeling van
de huwelijksgoederengemeenschap van partijen en tot het voortgezet gebruik
van de echtelijke woning door de vrouw gedurende zes maanden na
inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

5. Met betrekking tot het alimentatieverzoek gaat de rechtbank op grond
van hetgeen uit de stukken ter terechtzitting is gebleken uit van de
navolgende situatie:

ten aanzien van de vrouw: Zij is 46 jaar oud en bewoont met de kinderen
van partijen in de leeftijd van 14 en 11 jaar de echtelijke woning waarvan
de hypotheekrente ƒ 902,= per maand bedraagt. Daarnaast heeft zij de
gebruikelijke eigenaarslasten. De rechtbank houdt naast de hypotheekrente
rekening met de aflossing van de hypotheek van ƒ 250,= per maand, nu de
vrouw deze aflossing maandelijks voldoet en tussen partijen nog geen
overeenstemming is over de scheiding en deling van de
huwelijksgoederengemeenschap. De verrekening of verkoop van de echtelijke
woning (waaronder de aflossing van de hypotheek en de daarbij behorende
vermogensvorming valt) kan plaatsvinden in het kader van de
boedelscheiding.

Zij werkt part-time als fysiotherapeute en heeft praktijk aan huis. De man
stelt primair dat partijen een gelijke inkomenscapaciteit hebben. Volgens
de man zou het inkomen van de vrouw hoger kunnen zijn als zij commercieler
en efficienter haar praktijk zou uitoefenen. Zo zou de vrouw, die naast
fysiotherapie ook alternatieve behandeling geeft, deze alternatieve
behandelingen niet volgens het ziekenfonds tarief moeten declareren, maar
zou zij een hoger tarief kunnen hanteren, wat de inkomsten uit de praktijk
zou verhogen. Ook zou de vrouw full-time kunnen gaan werken, nu de
kinderen door de week regelmatig bij de man zouden kunnen verblijven.

Vaststaat dat de vrouw gedurende het huwelijk grotendeels voor de kinderen
heeft gezorgd en dat zij vanaf 1988 zich zelfstandig gevestigd heeft als
fysiotherapeute. Zij heeft gedurende het huwelijk part-time gewerkt,
waarbij zij de laatste jaren naast fysiotherapie ook alternatieve
behandelingen heeft verricht en gedeclareerd volgens het
ziekenfondstarief. Gelet op de verdeling van de taken tussen partijen
gedurende het huwelijk, rekeninghoudend met de door partijen
overeengekomen omgangsregeling en het feit dat de man heeft verklaard dat
hij full-time zal blijven werken, acht de rechtbank het niet redelijk voor
de berekening van de draagkracht van de vrouw uit te gaan van een andere
verdiencapaciteit dan zij gedurende de laatste jaren van het huwelijk
heeft gehad. Om die reden zal ook de stelling van de man dat, gelet op de
gelijke inkomenscapaciteit, de eventueel op te leggen uitkering in haar
levensonderhoud niet langer dan twee jaar zou behoren te worden opgelegd
buiten beschouwing worden gelaten.

De rechtbank gaat uit van het inkomen van de vrouw zoals blijkt uit de
door haar overgelegde jaarstukken over 1993. Volgens de door de vrouw
overgelegde jaarcijfers bedraagt het honorarium van de vrouw over 1993 ƒ
72.678,=. De rechtbank gaat na aftrek van de kosten voor
egalisatierekening, algemene kosten (waarbij de post advieskosten tot een
bedrag van ƒ 2268,= beperkt wordt) en pensioen premie uit van een bruto
jaarinkomen van de vrouw van ƒ 50.031,=. De rechtbank houdt geen rekening
met de opgevoerde post dubieuze debiteuren, noch met de post
vervoerskosten nu de vrouw ter zitting heeft verklaard dat zij deze kosten
niet heeft gemaakt en deze posten de afgelopen jaren ook niet op de balans
hebben gestaan. Ook met de post huisvestingskosten wordt geen rekening
gehouden, nu de vrouw (voorlopig) praktijk aan huis heeft en nog onzeker
is of zij een vervangende praktijkruimte zal moeten betrekken. Indien zij
vervangende praktijkruimte zal moeten betrekken. Indien zij vervangende
praktijkruimte zal betrekken, kan dit een wijziging van omstandigheden
opleveren.

Er wordt een kamer van de echtelijke woning verhuurd, de huuropbrengst
bedraagt ƒ 300,= per maand.

De vrouw heeft ƒ 615,= per jaar aan rente inkomsten.

De arbeidsongeschiktheidsverzekering bedraagt ƒ 283,= per maand.

De premie ziektekosten voor de vrouw en de kinderen bedraagt ƒ 300,= per
maand.

ten aanzien van de man:

Hij is 46 jaar oud en bewoont een woning waarvan de woonlasten ƒ 1050,80
per maand bedragen (huur ƒ 966,11 per maand en ƒ 84,70 servicekosten). Hij
is werkzaam bij het GAK (GMD) te Amsterdam. Zijn bruto jaarinkomen
bedraagt ƒ 93.922 (jaaropgave 1993).

Bij de berekening van de draagkracht van de man wordt rekening gehouden
met een premie ziektekosten van ongeveer ƒ 165,= per maand (f 2.000,= per
jaar) en een bijdrage ziektekosten van de werkgever van ƒ 1.000,= per
jaar.

De rechtbank houdt op voet van het Trema rapport rekening met een lening
van ƒ 20.000,= herinrichtingskosten en een aflossing van deze schuld van
ƒ 250,= per maand.

Verder wordt rekening gehouden met ƒ 180,= omgangskosten per maand en een
te betalen kinderbijdrage van ƒ 300,= per kind per maand.

Lettende op deze feiten en omstandigheden, op de daaruit blijkende
behoefte onderscheidenlijk draagkracht van partijen en op de duur van hun
huwelijk en de welstand gedurende hun huwelijk, rekening houdende met de
omstandigheid dat de man ook een onderhoudsplicht heeft jegens de kinderen
van partijen, voor wie hij na te noemen bedrag moet betalen alsook met de
omstandigheid dat de door de man tot het levensonderhoud van de vrouw te
betalen uitkeringen voor hem fiscaal aftrekbaar zijn terwijl zij voor de
vrouw in beginsel belastbaar en aan premieheffing onderworpen inkomen
opleveren, is de rechtbank van oordeel dat na te melden uitkering redelijk
en billijk en met de te dezen aan te leggen maatstaven in overeenstemming
is.

6. Partijen zijn ter zitting een omgangsregeling overeengekomen waarbij
de kinderen van partijen twee dagen en een nacht per week alsmede vier
weken gedurende de zomervakantie bij de man verblijven. Welke dagen (en
nacht) in de week de kinderen bij de man verblijven zullen partijen in
onderling overleg regelen.

7. De vrouw verzoekt te worden benoemd tot voogdes en de man tot toeziend
voogd over der partijen minderjarigen kinderen. De man heeft verzocht de
behandeling omtrent de gezagsvoorziening aan te houden tot een nader te
bepalen datum, totdat de kinderen op grond van de te verwachten
ontwikkelingen in de woonsituatie hun standpunt kunnen bepalen. De vrouw
heeft zich gerefereerd ten aanzien van de aanhouding van de
gezagsvoorziening.

Nu de kinderen van partijen, die de leeftijd van twaalf jaar hebben
bereikt, bij schriftelijke verklaring hebben doen weten dat zij akkoord
gaan met de door de vrouw verzochte gezagsvoorziening en partijen reeds
een omgangsregeling overeen zijn gekomen, zal de rechtbank, nu het belang
van de minderjarigen zich daar niet tegen verzet, navolgende
gezagsvoorziening vaststellen.

8. De vrouw verzoekt een kinderbijdrage van ƒ 300,= per kind per maand.
Nu de man zich heeft gerefereerd ten aanzien van de gevorderde
kinderbijdrage en de bijdrage niet in strijd is met de geldende
maatstaven, zal dienovereenkomstig worden beslist.

Beslissing:

De rechtbank:

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 20 november 1994
te V; -benoemt de vrouw tot voogdes en de man tot toeziend voogd over der
partijen kinderen; geboren, te Hilversum op 18 mei 1979, geboren te
Hilversum op 29 augustus 1982, en beveelt de afgifte, voorzover nodig en
voorzover niet door een eerdere rechterlijke beslissing uitgesloten, aan
de benoemde voogdes;

-bepaalt dat de man ƒ 300,= (driehonderd gulden) per kind per maand zal
betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van
voornoemde minderjarigen, bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw en
te verhogen met het bedrag van iedere uitkering die hem op grond van
geldende wetten of regelingen ten behoeve van die minderjarigen kan of zal
worden verleend;

-bepaalt dat de man ƒ 550,= (vijf honderd en vijftig gulden) per maand zal
betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud vanaf de dag
van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding, bij vooruitbetaling
te voldoen;

-bepaalt dat de verhoging van rechtswege met het wettelijke
indexeringspercentage van de hiervoor vastgestelde bijdragen niet eerder
zal worden toegepast dan per 1 januari 1996;

-bepaalt dat de vrouw, indien deze ten tijde van de dag van inschrijving
van de uitspraak der echtscheiding nog de echtelijke woning aan
bewoont, jegens de man bevoegd zal zijn de bewoning en het gebruik van de
bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes
maanden na die inschrijving voort te zetten;

-verklaart voormelde nevenvoorzieningen uitvoerbaar bij voorraad;

-beveelt partijen met elkaar over te gaan tot verdeling van de tussen hen
bestaande gemeenschap van goederen en benoemt voor het geval van geschil
daaromtrent notaris mr. L. Davina te Hilversum danwel de ambtelijke
bewaarder van diens protocol teneinde de verdeling op de door hem te
bepalen plaats en tijd te bewerkstelligen en voor het geval van
weigerachtigheid of nalatigheid tot medewerking de advocaten mr. M.J. Dito
te Hilversum en mr. A.F. Leeman te Hilversum ter vertegenwoordiging van
de man onderscheidenlijk de vrouw;

-bepaalt dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt;

-wijst het meer of anders verzochte af.

Rechters

mr. R.H.M. Jansen

Instantie: Rechtbank Utrecht, 23 november 1994

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Partijen zijn twee jaar gehuwd geweest en gaan scheiden. Zij hebben een
kind van een jaar. De man stelt dat hij gezien de korte duur van het
huwelijk niet onderhoudsplichtig is. Voorts stelt de man dat de vrouw
in eigen levensonderhoud moet kunnen voorzien. De rechtbank gaat ervan
uit dat nu de vrouw de zorg voor een nog zeer jong kind heeft zij
hooguit part-time zal kunnen werken en een bescheiden inkomen hebben,
waardoor zij wel behoefte houdt. De korte duur van het huwelijk is geen
reden geen alimentatie op te leggen. Dan volgt in de uitspraak een
opsomming van de inkomsten en lasten van partijen. Aan de zijde van de
vrouw wordt een bedrag van ƒ 650,= per maand aan kinderopvang
opgevoerd. De rechtbank limiteert vervolgens de alimentatie tot de
datum dat het kind de leeftijd van 6 jaar heeft bereikt en stelt de
bijdrage voor daarna op nihil, ervan uitgaande dat de vrouw dan in
staat zal zijn geheel in eigen levensonderhoud te voorzien. Zij zal dan
hoogstwaarschijnlijk een tweede universitaire studie hebben afgerond en
zal mede gelet op haar jeugdige leeftijd, voldoende inkomsten uit
arbeid kunnen genieten. Alimentatie wordt ƒ 1.000,=.

Volledige tekst

1. Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder het ter
griffie ingediende verzoekschrift en het nadien ingediende
verweerschrift, nog gevolgd door nadien ingekomen stukken.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 20
september 1994.

Nadien zijn beide partijen nader stukken ter griffie van deze rechtbank
binnengekomen.

2. Vaststaande feiten

Mede blijkens de overgelegde stukken staat het volgende tussen partijen
vast; -zij zijn op 5 oktober 1992 te Baarn op huwelijkse voorwaarden
met elkaar gehuwd; -het huwelijk is duurzaam ontwricht; -de vrouw heeft
de Nederlandse en de man de Duitse nationaliteit; -uit hun huwelijk is
geboren het in het verzoekschrift genoemde kind.

3. Beoordeling van het verzochte

3.1. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vrouw sedert meer dan zes
maanden in Nederland woonplaats heeft, zodat de Nederlandse rechter op
grond van artikel 814 Rv bevoegd is om over het echtscheidingsverzoek
te oordelen.

3.2. Nu de vrouw heeft gekozen voor toepassing van Nederlands recht en
zulks door de man niet is weersproken, zal op het onderhavige
echtscheidingsverzoek Nederlands recht worden toegepast.

3.3. Op grond van de vaststaande feiten kan het verzoek tot
echtscheiding worden toegewezen.

3.4. De rechtbank is voorts bevoegd om van het verzoek om toekenning
aan de vrouw van een bijdrage in haar levensonderhoud kennis te nemen.
Op grond van het Haags Alimentatieverdrag 1973 zal de rechtbank op dit
verzoek hetzelfde recht toepassen als zij op het echtscheidingsverzoek
heeft toegepast.

3.5. Nu het kind haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is de
rechtbank op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag bevoegd in
het gezag over haar te voorzien. Zij zal dat op de voet van datzelfde
verdrag doen naar Nederlands recht.

3.6. De rechtbank is verder bevoegd om ten behoeve van het kind een
bijdrage in haar kosten van verzorging en opvoeding te bepalen. Op dit
verzoek past de rechtbank op grond van het Haags Alimentatieverdrag
1973 hetzelfde recht toe als zij op het echtscheidingsverzoek heeft
toegepast.

3.7. De rechtbank zal voorts de regeling van het gezag over en de
bijdrage ten behoeve van het na te noemen minderjarige kind van
partijen uitspreken gelijk verzocht, nu deze regeling het meest in het
belang van de minderjarige moet worden geacht, en partijen blijkens de
overgelegde stukken overeenstemming hebben bereikt omtrent deze
gezagsregeling en de bijdrage.

3.8. Partijen hebben ter terechtzitting overeenstemming bereikt over
een omgangsregeling van eenmaal per maand, nader in onderling overleg
te regelen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

3.9. Tussen partijen is omstreden, of en zo ja in hoeverre de man
verplicht moet worden geacht bij te dragen in het levensonderhoud van
de vrouw.

De vrouw heeft gevraagd de door de man te betalen bijdrage voor haar
vast te stellen op ƒ 1.800,= per maand. De man heeft zich daartegen
verweerd. In de eerste plaats is hij van oordeel dat de korte duur van
het huwelijk meebrengt dat geen onderhoudsverplichting bestaat jegens
de vrouw. Zijns inziens heeft voorts de vrouw geen behoefte aan een
bijdrage in haar levensonderhoud, omdat zij in haar eigen
levensonderhoud moet kunnen voorzien. Verder heeft hij aangevoerd, dat
de gevraagde bijdrage zijn draagkracht te boven gaat.

De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw, nu zij de zorg heeft voor een
nog zeer jong kind (nog) niet (geheel) in eigen levensonderhoud kan
voorzien, ook als het haar wel zou lukken op korte termijn een
(part-time) baan te vinden. Immers dan vervalt de studiebeurs (zij wil
thans nog een andere studie volgen) en zal zij hooguit part-time kunnen
werken met dienovereenkomstig vooralsnog waarschijnlijk relatief
bescheiden inkomen.

Weliswaar heeft het huwelijk van partijen slechts korte tijd geduurd en
heeft de vrouw een universitaire studie afgerond, maar gelet op het
vorenstaande is er geen reden thans geen door de man voor haar te
betalen alimentatie op te leggen.

Ten aanzien van de (financiele) omstandigheden van partijen is het
volgende gebleken:

ten aanzien van de man (geboren op 4 februari 1964)

De rechtbank gaat uit:

-van zijn inkomen uit arbeid zonder zogenaamde Berlinzulage van
ongeveer 3.760,= DM netto per maand en van DM 500,= per jaar netto
vakantiegeld: -van een huur ad DM 800,= per maand (het restant wordt
geacht door zijn nieuwe partner c.q. door haar onderhoudsplichtige
ouders te voldaan); -van premie ziektekostenverzekering van DM 690,=
per maand en een tegemoetkoming van de werkgever van ongeveer DM 370,=
per maand; -van aftrekbare verwervingskosten ad DM 3.000,= per jaar
(belastingvoordeel ongeveer 35% van DM 3.000); -van het
belastingvoordeel terzake van alimentatiebetaling voor de vrouw bij
betaling van tenminste DM 7200,= per jaar (voordeel ongeveer D 2500,=
per jaar) en van de aftrekmogelijkheid van de bijdrage voor het kind
tot DM 4104,= per jaar; -van kosten omgangsregeling ad DM 350,= per
maand. (uitgaande van een dag omgang per maand).

ten aanzien van de vrouw (geboren op 5 mei 1969)

-haar inkomen uit studiebeurs bedraagt ongeveer ƒ 1.100,= per maand;
-haar woonlasten bedragen ƒ 695,= per maand aan hypotheekrente, ƒ 87,65
per maand aan premie spaar/risicoverzekering en ƒ 105,= per maand aan
servicekosten; -de premie ziektekostenverzekering voor haar en haar
dochter bedraagt ƒ 156,70 per maand, inclusief wettelijk bijdrage en
AWBZ-premie; -aan kosten voor kinderopvang betaalt zij ƒ 650,= per
maand; -haar kosten voor college- en boekengeld bedragen ongeveer ƒ
350,= per maand.

Bij het onderzoek van de draagkracht van de man is de rechtbank
uitgegaan van de hierboven opgesomde feiten en omstandigheden. Voorts
wordt nog het volgende overwogen. Het kind is geboren op 19 februari
1993. Op 19 februari 1999 zal het kind de leeftijd van zes jaar hebben
bereikt. De rechtbank zal een bijdrage voor de vrouw vaststellen tot 19
februari 1999 en zij zal de bijdrage voor de tijd daarna stellen op
nihil, ervan uitgaande dat de vrouw dan in staat zal zijn geheel in
eigen levensonderhoud te voorzien. Zij zal dan hoogstwaarschijnlijk een
tweede universitaire studie hebben afgerond en zal, mede gelet op haar
jeugdige leeftijd, voldoende inkomen uit arbeid kunnen genieten.

Dienovereenkomstig zal worden beslist.

4. Proceskosten

Nu partijen echtelieden zijn, zal de rechtbank bepalen dat ieder van
partijen de eigen proceskosten moet dragen.

5. Beslissing

5.1. De rechtbank spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, die op
5 oktober 1992 te Baarn met elkaar zijn gehuwd en bepaalt daarbij het
volgende.

5.2. De man moet vanaf de dag waarop deze beschikking in de registers
van de burgerlijke stand zal zijn ingeschreven en tot 19 februari 1992,
ƒ 1.000,= (duizend gulden) per maand aan de vrouw voor haar
levensonderhoud uitkeren, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Deze
beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.

5.3.1. Over het minderjarige kind: geboren op 19 februari 1993 te
Berlin-Zehlendorf (Duitsland), wordt benoemd tot voogdes de vrouw en
tot toeziend voogd de man.

5.3.2. De man moet vanaf de dag waarop deze beschikking in de registers
van de burgerlijke stand zal zijn ingeschreven voor de minderjarige ƒ
350,= (driehonderdvijftig gulden) per maand betalen aan de vrouw,
telkens bij vooruitbetaling te voldoen en vermeerderd met het bedrag
van iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten en/of
regelingen ten behoeve van de minderjarige kan of zal worden verleend.

5.3.3. De man heeft recht op omgang met de minderjarige en wel
eenmaal per maand een dag.

Rechters

onbekend

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 22 november 1994

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Het bewezenverklaarde levert verkrachting op in plaats van feitelijke
aanranding der eerbaarheid. Artikel 242 Sr is geen lex speciales van
art. 246 Sr.

Volledige tekst

1. De bestreden einduitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep -met vernietiging van een vonnis van de
Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 21 april 1993- de verdachte
ter zake van 1. “verkrachting” en 2. “feitelijke aanranding van de
eerbaarheid” veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf.

2. Het cassatieberoep

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft ,
advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie
voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan
deel uit.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie.

De Advocaat-Generaal Van Dorst heeft geconcludeerd tot verwerping van
het beroep.

4. Beoordeling van het middel.

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art.
101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot
beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of
van de rechtsontwikkeling.

5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak.

5.1. Ten laste van de verdachte is onder 2 overeenkomstig de
telastelegging bewezenverklaard dat:

hij op 2 maart 1992 te Amsterdam door geweld heeft gedwongen tot
het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij die door
zijn elleboog onder de keel van die te drukken en die toe te
voegen: “Hou je kalm” en zijn geslachtsdeel in de mond van die te
drukken gedwongen hem, verdachte te pijpen.

Het Hof heeft dus aldus bewezenverklaarde gekwalificeerd als
“feitelijke aanranding van de eerbaarheid”, strafbaar gesteld bij art.
246 Sr.

5.2. Zoals de HR heeft geoordeeld in zijn arrest van 22 februari 1994,
NJ 1994, 379, omvat de in art. 242 Sr gebezigde term “seksueel
binnendringen van het lichaam” ieder binnendringen van het lichaam met
een seksuele strekking. Nu door het Hof is bewezenverklaard dat de
verdachte het slachtoffer heeft gedwongen hem te pijpen door onder meer
zijn geslachtsdeel in haar mond te drukken had het Hof het
bewezenverklaarde moeten kwalificeren als “verkrachting”, strafbaar
gesteld in art. 242 Sr.

5.3. Aan het voorafgaande kan niet afdoen dat de Officier van Justitie
kennelijk -de kwalificatieve aanduiding van het feit in de
telastelegging duidt daarop- de bedoeling heeft gehad de verdachte te
vervolgen voor het misdrijf van art.

Conclusie AG mr. Van Dorst:

1. Bij arrest van 16 november 1993 heeft het gerechtshof te Amsterdam
vernietigd het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van
21 april 1993 en de verzoeker tot cassatie ter zake van “verkrachting”
en “feitelijke aanranding van de eerbaarheid” veroordeeld tot twee jaar
gevangenisstraf.

2. Van de zijde van verzoeker is tegen deze veroordeling beroep in
cassatie ingesteld. Namens verzoeker heeft mr. P.A.M. Hoek, advocaat te
Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld. 3. Het middel (…) 7.
Ambtshalve vestig ik de aandacht van Uw Raad op de beslissing van het
hof ten aanzien van feit 2. Telastegelegd en bewezenverklaard is dat
verzoeker “op 2 maart 1992 te Amsterdam door geweld M.Z.V. heeft
gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij
die V. door zijn elleboog onder de keel van die V. te drukken en die V.
toe te voegen: “Hou je kalm” en zijn geslachtsdeel in de mond van die
V. te drukken gedwongen hem, verdachte, te pijpen”. Het hof heeft dit
bewezene gekwalificeerd als “feitelijke aanranding van de eerbaarheid”
(art. 246 Sr). 8. In HR DD 94.384 is beslist dat een handeling als in
casu bewezenverklaard valt onder het “seksueel binnendringen van het
lichaam” in de zin van art. 242 Sr. En in HR NJ 1988, 613 is beslist
dat art. 242 Sr een specialis vormt van art. 246 Sr. Als die beslissing
nog steeds geldend recht vormt, zou in casu een ontslag van
rechtsvervolging hebben moeten volgen, tenzij de bewezenverklaring
voldoende feitelijk substraat zou bevatten voor de kwalificatie
“verkrachting” (art. 242 Sr). Indien Uw Raad zou oordelen dat aan beide
condities is voldaan, zou de kwalificatie van feit 2 gecorrigeerd
moeten worden. 9. Betwijfeld kan echter worden of voormeld arrest HR
NJ 1988, 613 nog die betekenis heeft die het had toen het werd
uitgesproken. Algemeen wordt immers aangenomen dat de Hoge Raad in 1988
tot zijn specialis-constructie is gekomen om te verhinderen dat via een
achterdeur (art. 246 Sr) verkrachting binnen het huwelijk (die toen op
grond van art. 242 Sr niet strafbaar was) onder het strafrecht gebracht
zou worden. Die ratio is met de invoering van de nieuwe
zedelijkheidsvoorschriften vervallen, aangezien thans ook verkrachting
binnen het huwelijk strafbaar is. De noodzaak om vast te houden aan een
lex specialis/generalis verhouding bestaat dus niet meer. Zo ook Tekst
& Commentaar, aant. 7 bij art. 242 Sr en aant. 6 bij art. 246 Sr 10.
Wel moet erop worden gewezen dat sommige schrijvers zich op het
standpunt lijken te stellen dat die verhouding is blijven bestaan; zie
bijv. Van der Neut/Wedzinga, NJB 1994 blz. 152 en Van der Landen, DD
1994 blz. 565. Zij verwijzen daartoe naar een passage in de memorie van
toelichting bij de nieuwe zedelijkheidswetgeving (Wet van 9 oktober
1991 Stb. 519, Hand. II 1988-1989 20.Z930 nr. 3 blz. 7). Daar staat:
“Ook ten aanzien van deze feiten (ontuchtige handelingen die – mede –
bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, vD) blijft het
dwingen van een vrouw tot vleselijke gemeenschap, verkrachting, een
bijzondere bepaling als bedoeld in artikel 55, tweede lid, van het
Wetboek van Strafrecht.” 11. Deze schrijvers zien er, denk ik, aan
voorbij dat deze passage betrekking heeft op het oorspronkelijk ontwerp
waarin het oude art. 242 Sr gehandhaafd bleef (alleen vleselijke
gemeenschap levert verkrachting op), behoudens dat de woorden “buiten
echt” vervielen, en waarin art. 246 werd uitgebreid met een tweede lid
waarin het seksueel binnendringen van het lichaam een strafverhogende
omstandigheid werd van ontucht conform lid 1. In een latere fase van
het wetgevingstraject is die constructie verlaten en is gekozen voor de
oplossing dat elke vorm van seksueel binnendringen onder art. 242 Sr
kwam te vallen en het oude art. 246 nagenoeg ongewijzigd bleef. Kortom,
retrospectief is de aangehaalde passage in de MvT over het
specialis-karakter van art. 242 in de lucht komen te hangen. 12.
Bovendien wordt in de toelichting op de 5e nota van wijziging (nr. 14
blz. 2) gesteld: “Er was geen aanleiding meer onderscheid te maken
tussen ontuchtige handelingen en vleselijke gemeenschap. Blijkens
artikel 245 wordt onder ontuchtige handelingen ook het seksueel
binnendringen verstaan.” Art. 245 luidt, voor zover hier van belang,
dat straf wordt bedreigd tegen degene die met iemand tussen 12 en 16
jaar buiten echt “ontuchtige handelingen pleegt die bestaan uit of mede
bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam”. Uit deze
laatste passage zou kunnen worden afgeleid dat het seksueel
binnendringen van het lichaam (art. 242 Sr) een met zwaardere straf
bedreigde variant van ontucht (in o.m. art. 246 Sr) is. 13. Nu het
nieuwe art. 242 Sr ten opzichte van art. 246 geen bijzondere
vervolgingsbeletselen (bijv. de klacht) of strafbaarheidseisen (bijv.
buiten echt) kent, behoort mijns inziens de algemene regel te worden
toegepast dat het de officier van justitie als dominus litis is die
beslist of hij een bepaalde vorm van seksueel binnendringen als
(zwaarder te bestraffen) verkrachting wenst te vervolgen dan als
(lichter te bestraffen) feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Vgl.
ook De Jong, De macht van de telastelegging, blz. 126 ev. In die visie
kan ’s hofs arrest stand houden. 14. Ook andere gronden waarop Uw Raad
gebruik zou behoren te maken van zijn bevoegdheid de bestreden
uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen. 15. Deze
conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Hoge Raad 5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak (…)
5.2. Zoals de HR heeft geoordeeld in zijn arrest van 22 februari 1994,
NJ 1994, 379, omvat de in art. 242 Sr gebezigde term “seksueel
binnendringen van het lichaam” ieder binnendringen van het lichaam met
een seksuele strekking. Nu door het Hof is bewezenverklaard dat de
verdachte het slachtoffer heeft gedwongen hem te pijpen door onder meer
zijn geslachtsdeel in haar mond te drukken had het Hof het
bewezenverklaarde moeten kwalificeren als “verkrachting”, strafbaar
gesteld in art. 242 Sr. 5.3. Aan het voorafgaande kan niet afdoen dat
de Officier van Justitie kennelijk – de kwalificatieve aanduiding van
het feit in de telastelegging duidt daarop – de bedoeling heeft gehad
de verdachte te vervolgen voor het misdrijf van art. 246 Sr. Dit
laatste zou hem op zichzelf overigens hebben vrijgestaan, nu art. 242
Sr, zoals het is komen te luiden na de inwerkingtreding op 1 december
1993 van de Wet van 9 oktober 1992, Stb. 519, niet is een bijzondere
bepaling die de rechter moet toepassen ook indien het feit zoals dit is
telastegelegd en bewezenverklaard oplevert feitelijke aanranding van de
eerbaarheid als bedoeld in art. 246 Sr.

6. Slotsom Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, en de Hoge Raad
geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak anders dan
uit het hiervoor onder 5.2 overwogene volgt behoort te worden
vernietigd, dient te worden beslist als volgt.

7. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt het bestreden arrest, doch
uitsluitend voor wat betreft de kwalificatie van het onder 2
bewezenverklaarde en de aanhaling van art. 246 Sr; Kwalificeert het
onder 2 bewezenverklaarde als “verkrachting”; Verwerpt het beroep voor
het overige.

Rechters

Mrs Haak, Beekhuis, Bleichrodt, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp,Schipper; AG Van Dorst

Instantie: Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing, 18 november 1994

Instantie

Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing

Samenvatting


Het beklag betreft het advies van de directeur klaagster over te brengen
naar een andere inrichting voor vrouwen, in afwachting van haar plaatsing
in de p.i.v. “Amerswiel” te Heerhugowaard. De beroepscommissie stelt vast
dat klaagster bij herhaling bedreigingen heeft geuit, aan het adres van
H. Nadat H, zonder dat de directeur daar invloed op had kunnen uitoefenen,
was geplaatst in zijn inrichting, diende hij maatregelen te treffen om een
ongewenste confrontatie tussen beide gedetineerden te voorkomen. De
beslissing van de directeur om een van beiden voor te dragen voor
overplaatsing is als redelijk te beschouwen, nu hij niet kon garanderen
dat de vrouwen elkaar niet in de inrichting zouden kunnen ontmoeten. Dat
de directeur uiteindelijk heeft besloten klaagster voor te dragen voor
overplaatsing acht de beroepscommissie onredelijk noch onbillijk, daar
klaagster verantwoordelijk kan worden gesteld voor het ontstaan van de
problemen, door H te (laten) bedreigen. Het beroep is derhalve ongegrond.

Volledige tekst

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als
volgt: 1. Inhoud van het beklag en de beslissing van de beklagcommissie:
Het beklag betreft het advies van de directeur klaagster over te brengen
naar een andere inrichting voor vrouwen, in afwachting van haar plaatsing
in de p.i.v. “Amerswiel” te Heerhugowaard.

De beklagcommissie heeft het beklag ongegrond verklaart, op de gronden als
in de aangehechte beschikking weergegeven.

2. Standpunten van klager en de directeur: Klaagster heeft in beroep
volhard in het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt. Zij heeft
betoogd dat haar overbrenging op 18 februari 1994 naar de p.i.v. te Breda
een strafoverplaatsing betrof en niet -zoals door de directie is gesteld-
een zogenaamde preventieve overplaatsing. Klaagster heeft aangegeven dat
zij het B.S.D. van de p.i.v. te Zwolle tijdig op de hoogte heeft gesteld
van haar problemen met medegedetineerde H. en dat zij tijdig heeft
verzocht om overgebracht te worden naar de p.i.v. “Amerswiel” te
Heerhugowaard. Zij wilde op deze wijze voorkomen in contact te moeten
komen met H. Haar verzoek kon echter op korte termijn niet ingewilligd
worden. Op 15 februari 1994 is H. ondergebracht in de p.i.v. te Zwolle.
Klaagster heeft ter zitting erkend wraak- en haatgevoelens te koesteren
jegens H en aangegeven dat zij niet voor haar gedragingen kan instaan
indien zij met H. in contact zou komen.

De directeur heeft eveneens volhard in het tegenover de beklagcommissie
ingenomen standpunt. Aangevoerd is dat de directeur niets van doen heeft
gehad met de beslissing om H. onder te brengen in zijn inrichting. Dit is
een beslissing geweest van de selectieadviescommissie (s.a.c.) voor
vrouwen. Kort nadat H. overgebracht was naar de p.i.v. te Zwolle is er een
brief van de raadsman van H. binnengekomen bij de directeur, waarin werd
aangegeven dat de directeur aansprakelijk zou worden gesteld indien zijn
cliente iets zou overkomen.

De directeur was bekend dat klaagster H. niet alleen door middel van
brieven bedreigde (ondermeer met de dood), doch ook medegedetineerden
tegen haar ging opzetten. Omdat de directeur niet kon garanderen dat de
beide vrouwen elkaar in de inrichting niet zouden kunnen ontmoeten, heeft
hij maatregelen moeten treffen. Terugplaatsing van H. naar de p.i.v. te
Utrecht bleek niet mogelijk. Omdat de bedreigingen van klaagster uitgingen
heeft de directeur toen besloten haar voor te dragen voor overplaatsing,
welke in overleg met de s.a.c. tot stand gekomen. Klaagster heeft een
aantal dagen in de p.i.v. te Breda verbleven alvorens zij is overgebracht
naar “Amerswiel”. De beslissing om klaagster te boeien is genomen door de
transportbegeleider. Een dergelijke maatregel was z.i. noodzakelijk omdat
klaagster felle verbale bedreigingen uitte naar aanleiding van het feit
dat de directeur niet had toegestaan afscheid te nemen van de
gedetineerden op haar afdeling.

3. Beoordeling: De beroepscommissie stelt vast dat klaagster bedreigingen
heeft geuit, aan het aders van H. Nadat H zonder dat de directeur daar
invloed op had kunnen uitoefenen, was geplaatst in zijn inrichting, diende
hij maatregelen te treffen om een ongewenste confrontatie tussen beide
gedetineerden te voorkomen. De beslissing van de directeur om een van
beiden voor te dragen voor overplaatsing is als redelijk te beschouwen,
nu hij niet kon garanderen dat de vrouwen elkaar niet in de inrichting
zouden kunnen ontmoeten. Dat de directeur uiteindelijk heeft besloten
klaagster voor te dragen voor overplaatsing acht de beroepscommissie
onredelijk noch onbillijk, daar klaagster verantwoordelijk kan worden
gesteld voor het ontstaan van de problemen, door H te (laten) bedreigen.
Het beroep is derhalve ongegrond.

4. Beslissing: De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en
bekrachtigt de beschikking van de beklagcommissie, onder verbetering van
gronden.

Rechters

Mr. J.R. Meijeringh, voorzitter, J. Nijborg en mr. G.J. te Loo,leden Mr. S.A.A.J. Beumer, secretaris

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 17 november 1994

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Partijen zijn zeventien jaar getrouwd geweest en hebben drie kinderen van
vijftien, zeventien en twintig jaar oud. Partijen hebben vanwege de
loopbaan van de man enig jaren in het buitenland gewoond. Hierdoor is een
AOW-gat ontstaan. Bij haar behoefterekening reserveert de vrouw ƒ 250,=
per maand voor dit AOW-gat. Voorts voert de vrouw op een voorziening in
verband met onzekerheid over haar arbeidsmarktpositie van ƒ 300,= per
maand. De man betwist dat de vrouw behoefte heeft aan het door haar
gevorderde bedrag. Het Hof overweegt dat maar voor een deel rekening zal
worden gehouden met het door de vrouw genoemde reservering AOW-gat van ƒ
250,= per maand, omdat dat bedrag gezien het doel onredelijk hoog is. Geen
rekening wordt gehouden met een voorziening in verband met onzekerheid
over de arbeidsmarkt. Indien de vrouw haar baan zou verliezen kan zij
recht doen gelden op zekere uitkeringen. Daarnaast heeft zij de
beschikking over haar spaargeld, aldus het Hof. Alimentatie ƒ 2.500,= (Rb
1.700,=).

Volledige tekst

Het geding in hoger beroep

1.1. De vrouw is in hoger beroep gekomen van een beschikking van 4 mei
1994 van de rechtbank te Amsterdam, nummer 47845.

1.2. De man heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De zaak is behandeld op 3 oktober 1994 door de daartoe aangewezen
raadsheer- commissaris.

2. Het geschil in hoger beroep en de feiten en omstandigheden.

2.1. Partijen zijn in gehuwd. De echtscheiding is bij beschikking
waarvan beroep uitgesproken. Uit hun huwelijk zijn geboren V op , J
op en C op . De vrouw is voogdes over J en V.

2.2. In geschil is de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van ƒ
1.700,= per maand met ingang van de dag van inschrijving van de
echtscheidingsbeschikking, zoals bepaald bij de beschikking waarvan
beroep. Deze beslissing is gegeven op het verzoek van de vrouw deze
uitkering met ingang van 1 september 1992 te bepalen op ƒ 3.382,= per
maand en op het aanbod van de man een uitkering van ƒ 1.500,= per maand
te betalen.

De vrouw verzoekt de echtscheidingsbeschikking te vernietigen, althans
alsdan te bevestigen, indien partijen een billijke voorziening ex artikel
153 BW hebben getroffen en de uitkering te bepalen op ƒ 3.049,= per maand,
althans op een zodanig hoger bedrag dan ƒ 1.700,= per maand als het hof
juist zal achten.

De man verzoekt de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is alleenstaand en C woont bij hem in. Hij is fulltime werkzaam in het
onderwijs. Zijn salaris bedraagt rond ƒ 7.9996,= bruto per maand.

Daarnaast ontvangt hij vakantiegeld. Hij heeft tevens inkomsten uit een
bijbaan bij de Stichting Cursussen Hogere Technische Avondschool die over
1993 rond ƒ 7.350,= bruto bedroegen inclusief vergoedingen voor reis-
en/of verblijfkosten van rond ƒ 2.950,= bruto.

Hij betaalt aan huur rond ƒ 900,= per maand.

Hij betaalt aan premie voor een ziektekostenverzekering rond ƒ 171,= per
maand. Hij ontvangt van zijn werkgever ingevolge de interimregeling een
tegemoetkoming in de premie voor een ziektekostenverzekering. Hij betaalt
aan tandartskosten ongeveer ƒ 1.500,= per jaar. Hij had in december 1993
rond ƒ 25.000,= aan spaargelden. Hij betaalt ten behoeve van V en J ƒ
250,= per kind per maand.

2.4. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken. Zij vormt met V
en J een eenoudergezin.

Zij is parttime in overheidsdienst en heeft een inkomen van rond ƒ 1.467,=
netto per maand. Daarnaast ontvangt zij vakantiegeld.

Aan huur betaalt zij rond ƒ 729,= per maand.

Zij betaalt rond ƒ 75,= per maand aan tandarts- en overige medische
kosten.

Zij betaalt aan premie voor een ziektekostenverzekering voor zichzelf, V
en J rond ƒ 299,= per maand. Van haar werkgever ontvangt zij ingevolge de
interimregeling een tegemoetkoming in de premie voor een
ziektekostenverzekering.

Zij betaalt aan premie voor een levensverzekering rond ƒ 384,= per jaar.

Zij heeft rond ƒ 40.000,= aan spaartegoeden.

3. Beoordeling van het hoger beroep

3.1. De vrouw heeft gesteld dat zij gelet op haar pensioenpositie het
verweer op grond van artikel 153 lid 1 BW alsnog in hoger beroep wenst te
voeren. De man is verzekerd bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds. In
het geval van vooroverlijden van de man zijn de voorzieningen van dit
fonds zodanig dat niet gezegd kan worden dat een bestaand vooruitzicht op
uitkering aan de vrouw na vooroverlijden van de man teloor zou gaan of in
ernstige mate zou verminderen.

3.2. De vrouw heeft aangevoerd dat zij enige reservering maakt in verband
met het zogenaamde AOW gat, kennelijk ontstaan doordat partijen vanwege
de loopbaan van de man tijdelijk in het buitenland hebben gewoond. Dit
wordt over die jaren op zich niet onredelijk geacht. Wel wordt maar ten
dele met het door de vrouw genoemde bedrag van ƒ 250,= per maand rekening
gehouden, omdat dat bedrag gezien het doel onredelijk hoog is.

3.3. Met de kosten van een verzorgingspolis ten behoeve van de kinderen
bij overlijden van de vrouw wordt geen rekening gehouden nu de wettelijke
voorziening en die van de ABP voldoende worden geacht.

Evenmin wordt rekening gehouden met een voorziening in verband met
onzekerheid over de arbeidsmarkt. Indien de vrouw haar baan zou verliezen
kan zij recht doen gelden op zekere uitkeringen. Daarnaast heeft zij de
beschikking over haar spaargeld.

3.4. Geen rekening wordt gehouden met de lening van de man bij de
Postbank, aangegaan in verband met herinrichtingskosten, waarop hij rond
ƒ 176,= per maand aan aflossing betaalt, omdat de noodzaak tot het aangaan
van die lening, met name gezien de omvang van zijn spaargelden, niet
aannemelijk is geworden.

3.5. Anders dan de vrouw heeft aangevoerd wordt het niet onredelijk geacht
dat de man zijn tweede bijbaan vrijwillig heeft opgezegd, omdat hij
voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het hebben van twee bijbanen naast
zijn fulltime baan een te zware belasting was geworden.

3.6. Voorts wordt bij de bepaling van de draagkracht van de man rekening
gehouden met de door hem opgevoerde bijdrage in de kosten van
levensonderhoud van ƒ 300,= per maand voor C omdat hij daartoe tot 20
maart 1995 een wettelijke onderhoudsplicht heeft zolang zij nog niet in
de kosten van eigen levensonderhoud voorziet.

3.7. Geen rekening wordt gehouden met de vergoedingen reiskosten woon-
werkverkeer en/of verblijfkosten die de man van zijn beide werkgevers
ontvangt omdat aannemelijk is dat deze vergoedingen de kosten in ieder
geval niet te boven gaan.

3.8. Nu gebleken is dat er enige omgang tussen de man en J en V
plaatsvindt en voorts gebleken is dat de man de reiskosten in verband met
die bezoeken betaalt, wordt bij de bepaling van de draagkracht van de man
rekening gehouden met enige omgangskosten.

3.9. Het bewijsaanbod van de man wordt als te vaag gepasseerd.

3.10. Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn gemeld
en van hetgeen hiervoor is overwogen, is een door de man met ingang van
de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking te betalen
uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van ƒ 2.500,= per maand in
overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

3.11. Dit leidt tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

Het hof:

bepaalt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de
vrouw met ingang van de dag van inschrijving van de
echtscheidingsbeschikking op ƒ 2.500,= (vijfentwintig honderd gulden) per
maand, vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen en vernietigt de
beschikking waarvan beroep in zoverre;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus, dat iedere partij de
eigen kosten draagt.

Rechters

mrs. Willems-Morsink, Verspyck Mijnssen, Streefkerk

Instantie: President Rechtbank ‘s-Gravenhage, 16 november 1994

Instantie

President Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Eiseres is sinds 20 december 1987 voor 36 uren per week in dienst van de
gemeente Voorhout. Zij heeft op 1 maart 1994 verzocht de omvang van haar
aanstelling per 1 november 1994 terug te brengen tot 16 uren. Dit verzoek
is op 24 mei 1994 afgewezen. De president oordeelt dat er geen
ongeclausuleerd recht op deeltijdarbeid bestaat. Blijkens het bestreden
besluit voert de gemeente Voorhout het beleid dat deeltijdarbeid wordt
toegestaan mits dit organisatorisch bezien geen onevenredig nadeel
oplevert. De president beslist dat in dit geval geen sprake is van
onevenredig nadelige gevolgen en dat de gemeente het verzoek van eiseres
moet honoreren.

Volledige tekst

1. Aanduiding bestreden besluit Het besluit van verweerder gedateerd 8
september 1994, kenmerk 8cvdpb.14 7320.

2. Terechtzitting Datum: 9 november 1994. Eiseres is ter zitting in
persoon verschenen, bijgestaan door haar raadsvrouwe, mr. H.A.E. van
Soest, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand
Verzekeringsmaatschappij N.V. gevestigd te Amsterdam. Verweerder heeft
zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. C.J. van der Plas.

3. Feiten Eiseres is sedert 20 december 1987 gedurende 36 uren per week
werkzaam in de functie medewerkster interne zaken B, in dienst van de
gemeente Voorhout. Bij schrijven van 1 maart 1994 heeft eiseres verzocht
de omvang van haar aanstelling ingaande 1 november dan wel 1 december 1994
terug te brengen van 36 naar 16 uur per week. Bij besluit van 24 mei 1994
is dit verzoek afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres een
bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 8 september 1994 heeft
verweerder het besluit van 24 mei 1994 gehandhaafd. Namens eiseres is
tegen dit besluit beroep ingesteld. Tegelijkertijd is aan de president van
de rechtbank verzocht ter zake van het onderhavige besluit een voorlopige
voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht (hierna: Awb).

4. Motivering In artikel 8:81, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de
president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een
voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de
betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van de Awb heeft de president
na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening
de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek
redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak,
onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Er bestaat aanleiding om
in dit geval van laatstgenoemde bevoegdheid gebruik te maken. Bij het
bestreden besluit heeft verweerder zijn besluit van 24 mei 1994, waarbij
hij afwijzend heeft beslist op het verzoek van eiseres, om haar
betrekkingsomvang met ingang van 1 november danwel 1 december 1994 terug
te brengen van 36 uur naar 16 uur per week, gehandhaafd.

Bij besluit van 25 april 1994 (Staatsblad 1994, nr. 346) is het Algemeen
Rijksambtenarenreglement gewijzigd, in die zin, dat daarin een artikel 21b
is opgenomen, inhoudende een (geclausuleerd) recht op deeltijdarbeid. Vast
staat dat ambtenaren in dienst van de gemeente Voorhout geen aanspraak
kunnen maken op een geformaliseerd recht op deeltijdarbeid. Gelet hierop
bestaat er voor verweerder op dit moment ten aanzien van de mogelijkheid
om in deeltijd te werken nog beleidsvrijheid. Dit laatste impliceert dat
de weigering om een ambtenaar in deeltijd aan te stellen in beginsel dient
te worden geeerbiedigd, tenzij moet worden gezegd dat het betrokken
bestuursorgaan, in casu verweerder, bij afweging van de in aanmerking
komende belangen niet in redelijkheid tot zijn standpunt heeft kunnen
geraken dan wel anderszins in strijd heeft gehandeld met een beginsel van
behoorlijk bestuur.

Blijkens het bestreden besluit wordt door de gemeente Voorhout het beleid
gevoerd dat deeltijdarbeid wordt toegestaan mits dit organisatorisch
bezien geen onevenredig nadelig gevolgen in zich heeft. Naar het oordeel
van de president wordt met dit beleid, waarmee verweerder overigens een
groot deel van de hem ter zake toekomende vrije ruimte heeft ‘ingeleverd’,
gebleven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Verweerder
stelt zich op het standpunt dat in dit geval sprake is van onevenredig
nadelige gevolgen voor het gemeentelijk apparaat; indien deeltijdarbeid
met betrekking tot de functie van medewerkster interne zaken B zou worden
toegestaan zouden continuiteit en kwaliteit van het werk niet langer
kunnen worden gewaarborgd. Hiertoe heeft verweerder het volgende
aangevoerd: – Interne zaken heeft 6,24 formatieplaatsen. Deze plaatsen
worden vervuld door 12 mensen. Bij interne zaken werken nog slechts 2
mensen full-time. Uitbreiding van het aantal medewerkers, zonder dat de
taken van interne zaken toenemen, vraagt een overhead die niet meer in
verhouding staat tot de uit te voeren taken. Op grond van het formatieplan
kunnen in de werkruimte van eiseres drie functionarissen werkzaam zijn.
Feitelijk zijn daar thans vier functionarissen werkzaam en in de door
eiseres gewenste situatie zijn vijf functionarissen noodzakelijk. Ter
zitting is van de zijde van verweerder toegelicht dat de overhead bestaat
uit het verschil tussen de formele- en plaatsingsgegevens. Extra
huisvesting/materiaal etcetera alsmede extra aansturing en coordinatie
vormen gezamenlijk de overhead. Interne zaken heeft bij uitstek een
dienstverlenende functie/ facilitaire functie voor de overige
organisatieonderdelen.

Continuiteit van werkzaamheden is een voorwaarde voor een goede
taakvervulling. Eiseres is het eerste aanspreekpunt voor informatie en
uitvoering van opdrachten bij interne zaken, behalve als het gaat om
coordinatie van genoemd werkveld, bode en receptiediensten, inlichtingen
uit archief/bibliotheek, tekstverwerking en de agenda voor de
raadsvergaderingen. – Part-timers zien elkaar in principe niet. Overdracht
van werk vraagt daarom veel organisatie. Een vlotte gang van zaken wordt
door overdracht veelal belemmerd. – Degene die de functie van medewerker
interne zaken B vervult is voor wat betreft de gehele postbehandeling
vraagbaak voor de organisatie. Omdat zeker niet alle post in een
geautomatiseerd bestand wordt opgenomen, kan bij deeltijdarbeid de
situatie ontstaan dat de betreffende medewerker minder goed als vraagbaak
voor de organisatie fungeert.

Namens eiseres is ten aanzien van het vorenstaande het volgende
aangevoerd: – de vloeroppervlakte van de ruimte waarin eiseres werkzaam
is belaat meer dan 70 m2. In de werkruimte van eiseres staan 6 bureaus,
waarvan in de huidige situatie maximaal 3 bureaus tegelijkertijd bezet
zijn. De vierde medewerker, die een dienstverband van 4 uur en een
dienstverband van 8 uur heeft, is uitsluitend aanwezig wanneer de
medewerkster met een dienstverband van 32 uur en van 36 uur niet aanwezig
zijn. Wanneer het verzoek om deeltijd wordt toegewezen, zal de vervanger
van eiseres haar bureau gebruiken op het moment dat zij afwezig is en
zullen ook in deze situatie te allen tijde slechts 3 personen
tegelijkertijd in de werkruimte werkzaam zijn. Verder betreft een functie
een functie van 20 uur per week, voor de overige 20 uur per week staat het
bureau van deze functie leeg en zijn er dus slecht 2 werknemers
tegelijkertijd in de ruimte aanwezig.

– Uit de functie-omschrijving van eiseres blijkt dat haar functie vrijwel
volledig geautomatiseerd is. De werkzaamheden van eiseres bestaan uit:
* alles wat betrekking heeft op de postregistratie (deze is geheel
geautomatiseerd)
* de inkoop en het beheer van de kantoorartikelen (e.a. is schriftelijk
vastgelegd)
* het kopieer- en bindwerk
* beheerkantoormachines (geautomatiseerd)

De procedures van voornoemde werkzaamheden zijn in een afsprakenboek
vastgelegd. Het is onjuist dat door opdeling van de functie werkprocessen
in het gevaar zouden komen.

– Informatie wordt slechts verstrekt op basis van gegevens uit de
computer. Indien de werkzaamheden van eiseres worden bekeken kan gesteld
worden dat deze of geautomatiseerd zijn of de handelingen in een
afsprakenboek vastliggen, zodat van overdracht of communicatieproblemen
nauwelijks of geen sprake zal zijn. Na een korte inwerkperiode kan een
ieder dan ook zonder noemenswaardige overdracht zelfstandig en volledig
functioneren op deze functie.

– Eiseres is inderdaad een vraagbaak voor wat betreft de postbehandeling,
doch dit betekent niet meer dan dat zij in staat is in het computersysteem
het gevraagde poststuk te traceren. Namens verweerder is in het bestreden
besluit en ook ter zitting niet ontkend dat de procedures/wijze van werken
van de functie van eisers zijn vastgelegd in een afsprakenboek. De
dagelijkse praktijk vraagt echter meer dan alleen maar het opvolgen van
de procedures en werkafspraken. Juist het flexibel in kunnen spelen op de
dagelijkse praktijk zorgt er voor dat de organisatie goed kan draaien. Dit
laatste is voor een dienstverlenende organisatie als interne zaken een
vereiste. Naast de postregistratie verzorgt eiseres het sorteren, openen
en verspreiden van de inkomende post, het verspreiden van de interne post
en het verzenden van de uitgaande post. Verder is het beheer van
kantoormachines niet geautomatiseerd.

Een overzicht van de machines alsmede een overzicht van
reparatie/onderhoud staan in W.P. 5.1. Eiseres heeft ook te maken met
vragen/opdrachten als: – wanneer een bepaalde opdracht op interne zaken
moet komen dan.. – zijn bepaalde bijlagen meegezonden met een stuk? – is
een bepaald stuk in de loop van de dag ontvangen? De antwoorden op
dergelijke vragen/opdrachten zijn niet te vinden in het
postregistratiesysteem. Communicatie en overdracht is nodig, bijvoorbeeld:
– bij afwijking in bijzondere gevallen, – bij doorlopende werzaamheden,
– reparatie/onderhoud kantoormachines (wat komt monteur doen) – in
ontvangst nemen en controleren van bestellingen. Op grond van hetgeen
verweerder in het bestreden besluit en ter zitting naar voren heeft
gebracht in relatie tot hetgeen namens eiseres is aangevoerd kan de
president, in aanmerking nemende het beleid dat ter zake door verweerder
wordt gevoerd, tot geen ander oordeel komen dan dat verweerder niet in
redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Niet ontkend
kan worden, dat, wanneer eiseres wordt toegestaan in deeltijd te werken
het gemeentelijk apparaat (enig) nadeel ondervindt, doch dit betekent niet
dat in dit geval ook gesproken kan worden van onevenredig nadelige
gevolgen.

Van de zijde van verweerder is ter zitting niet bestreden dat de kamer
waar eiseres werkzaam is groot genoeg is en dat daarin slechts 3
werknemers tegelijkertijd werkzaam zullen zijn. De president acht verder
niet aannemelijk gemaakt dat de door verweerder gevreesde *overhead*
zodanige organisatorische problemen met zich brengt dat op grond daarvan
het verzoek diende te worden afgewezen. Dat de continuiteit van de
werkzaamheden door deeltijd in gevaar zou komen is evenmin gebleken nu de
werkzaamheden na een inwerkperiode ook door iemand anders kunnen worden
verricht. Bovendien wordt er gebruik gemaakt van een afsprakenboek. Dat
bepaalde werkzaamheden volgens verweerder niet overgedragen zouden kunnen
worden acht de president door verweerde onvoldoende aannemelijk gemaakt.
Door eiseres is ter zitting aangegeven dat post die niet geregistreerd
wordt geen belangrijke post is en ook voor haar moeilijk te traceren is.
Voor wat de opmerking van de zijde van verweerder over de commissie
stukken die niet geregistreerd worden heeft eiseres verklaard dat dit een
handeling betreft die beschreven is, zodat daarover geen onduidelijkheid
hoeft te bestaan.

Verder heeft eiseres aangegeven dat afspraken met monteurs voor
onderhoud/reparatie van kantoormachines door middel van een briefje op het
bureau kunnen worden doorgegeven. Zover ter zitting van de zijde van
verweerder nog is aangevoerd dat in het verleden al eens sprake is geweest
van een deeltijdfunctie en dat dit toen mis is gegaan, overweegt de
president dat naar ter zitting is gebleken dit 7 jaar geleden is geweest
en de situatie niet gelijk was aan de huidige situatie. Van
geautomatiseerde postregistratie was bijvoorbeeld destijds nog geen
sprake.

Gelet op het vorenstaande komt het bestreden besluit wegens strijd met het
bepaalde in artikel 3:4 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De
president ziet hierbij aanleiding verweerder te verplichten binnen zes
weken na de datum van verzending van de uitspraak een nieuwe beslissing
op het bezwaarschrift van eiseres te nemen met inachtneming van deze
uitspraak.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak bestaat er geen aanleiding tot het
treffen van een voorlopige voorziening.

Rechters

Mr. Naves

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 15 november 1994

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


J werd op 23 juni 1994 door de Rechtbank ‘s-Hertogenbosch voor twee
verkrachtingen en diefstal met braak veroordeeld tot een
gevangenisstraf van drie jaar, waarvan een jaar voorwaardelijk met een
proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden, onder meer met
betrekking tot therapeutische behandelingen. Voorts legde de rechtbank
aan J de verplichting op tot betaling van ƒ 5000,- en ƒ 680,- materiele
schadevergoeding aan de twee slachtoffers. De vordering van een van hen
tot immateriele schadevergoeding wordt niet ontvankelijk verklaard.
Zowel J als de officier van justitie zijn tegen dit vonnis in beroep
gegaan. Het hof laat dit vonnis in stand, met uitzondering van de
bewijsvoering, de opgelegde straf en de strafmotivering, en met
uitzondering van de beslissing over de toegekende schadevergoeding aan
de slachtoffers en de motivering die daaraan ten grondslag ligt. Het
hof lijkt hierbij vooral belang te hechten aan de ernst van de begane
feiten en de mate waarin deze feiten persoonlijk leed teweeg hebben
gebracht. Het hof kent aan een slachtoffer in plaats van ƒ 5000,-
materiele schadevergoeding een bedrag van ƒ 8200,- toe, waarvan ƒ
3200,- materiele schadevergoeding en ƒ 5000,- immateriele
schadevergoeding.

Volledige tekst

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte
1. op
25 september 1993 te Waalre door geweld en bedreiging met geweld H
heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het
seksueel binnendringen van het lichaam van die H hebbende verdachte zijn
geslachtsdeel en een fles en zijn vuist in de anus en/of vagina van die
van H gestopt en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld
hierin dat verdachte die van H heeft geslagen en geschopt en een mes op
de keel gezet en heeft vastgebonden en aldus voor die van H een
bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

2. op een tijdstip in de maand september 1993 te Eindhoven door geweld
B heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit
het seksueel binnendringen van het lichaam van die B, hebbende verdachte
zijn geslachtsdeel en zijn hand in de anus en/of vagina van die B
gestopt en bestaande dat geweld hierin dat verdachte die B gewelddadig
bij de keel heeft gegrepen en geslagen;

3. op 30 oktober 1993 te Waalre met het oogmerk van wederrechtelijke
toeeigening uit een aan de ……. gelegen woning heeft weggenomen een
portemonnee, inhoudende een hoeveelheid geld en een bankpas,
toebehorende aan S, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des
misdrijf heeft verschaft door middel van braak, te weten door middel
van het forceren van een raam van die woning;

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het
bewezenverklaarde heeft begaan, op grond van feiten en omstandigheden
die zijn vervat in voornoemde bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit,
waarop zij betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is
verklaard acht de rechtbank niet bewezen. Verdachte dient hiervan te
worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert op de hieronder
te kwalificeren misdrijven, voorzien en strafbaar gesteld: ten aanzien
van de sub 1 en 2 tenlastegelegde feiten, bij artikel 242 van het
Wetboek van Strafrecht; ten aanzien van de sub 1 en 2 tenlastegelegde
feiten, bij artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht; ten aanzien van
het sub 3 tenlastegelegde feit, bij artikel 311, eerste lid aanhef en
sub 5, juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht;

De strafbaarheid van de verdachte. Verdachte is strafbaar voor hetgeen
te zijnen laste bewezen is verklaard, omdat niet gebleken is van enige
omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

Motivering van de straf op grond van het bewezenverklaarde en de
omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van verdachte
zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is
gebleken, is de rechtbank van oordeel, dat aan verdachte de straf,
maatregelen en bijkomende straf behoren te worden opgelegd, die zij
hierna zal bepalen.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste
normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een
andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf, welke
vrijheidsbeneming meebrengt, voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting ten bezware van verdachte er
rekening mee gehouden dat: – verdachte terzake soortgelijke feiten
reeds eerder is veroordeeld; – verdachte heeft erkend zich schuldig te
hebben gemaakt aan het strafbare feit, ad informandum vermeld op de
inleidende dagvaarding, voor welk feit verdachte niet afzonderlijk is
of zal worden vervolgd;

Het navolgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp is
van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is
met het algemeen belang. Bij het onderzoek ter terechtzitting is
gebleken dat het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 3
bewezenverklaarde feit is begaan.

Dit voorwerp zal aan het verkeer worden onttrokken. -1 slagwapen, kleur
bruin.

Het navolgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, ten
aanzien waarvan bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat
het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 3 bewezenverklaarde
feit is begaan, zal worden verbeurd verklaard.

– 1 muts, kleur blauw.

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel
ten aanzien van het slachtoffer B besloten omdat verdachte naar het
oordeel van de rechtbank jegens B naar burgerlijk recht aansprakelijk
is voor de schade die door het strafbare feit 2 is toegebracht aan
benadeelde B. De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te
noemen maatregel ten aanzien van het slachtoffer S besloten omdat
verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens S naar burgerlijk
recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit 3 is
toegebracht aan benadeelde S.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van
de benadeelde partij B voor zover die hierna zal worden toegewezen, van
zodanige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze
strafzaak. Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij
als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit,
door de handelingen van verdachte, rechtstreekse schade heeft geleden
tot een bedrag van ƒ 5.000,–, kan de vordering tot dat bedrag worden
toegewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is het overige gedeelte van de
vordering van de benadeelde partij B niet van zo eenvoudige aard dat
die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet
hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel
van de vordering niet ontvankelijk is en dat zij die vordering slechts
bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van
de benadeelde partij S van zodanige aard is dat deze zich leent voor
behandeling in deze strafzaak. Nu voorts is komen vast te staan dat de
benadeelde als gevolg van het hiervoor onder 3 bewezenverklaarde
strafbare feit, door de handelingen van verdachte, rechtstreekse schade
heeft geleden tot een bedrag van ƒ 680,–, kan de vordering tot dat
bedrag worden toegewezen.

Toepasselijke wetsartikelen. De op te leggen straf, maatregel en
bijkomende straf zijn gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de
artikelen: 10, 14a, 14c, 14d, 27, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, en 57 van het
Wetboek van Strafrecht.

Bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te ‘s-Hertogenbosch van 23
juni 1994 ter zake van: betr. 01/038612/93: sub 1 en 2 telkens:
‘Verkrachting’, sub 3: ‘Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang
tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak’,
is veroordeeld tot: een gevangenisstraf voor de tijd van drie jaar,
waarvan en gedeelte groot een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van
twee jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en in voorlopige
hechtenis door gebracht met als bijzonder voorwaarde: dat veroordeelde
zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen, hem te
geven door of namens de Stichting Reclassering Oost-Brabant,
werkeenheid S.P.W., gevestigd te Eindhoven aan de Julianastraat 1a,
zolang deze instelling zulks, in overleg met het arrondissements-bureau
van de Stichting Reclassering Oost-Brabant, Zuiderparkweg 280 te
‘s-Hertogenbosch, noodzakelijk acht, ook indien dit toezicht inhoudt
dat veroordeelde binnen de proeftijd:

1. zal deelnemen aan de partnerrelatie-therapie van de heer
Speldenbrink van voornoemde werkeenheid,

2. zal deelnemen aan de dagbehandeling op de forensisch psychiatrische
kliniek de Grote Beek te Eindhoven, en

3. zal deelnemen aan een poliklinische behandeling bij voormelde
kliniek,

verklaart verbeurd: 1 muts, kleur blauw, verklaart onttrokken aan het
verkeer: 1 slagwapen, kleur bruin, legt aan verdachte de verplichting
op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, genaamd B, wonende te
Utrecht te betalen een som gelds ten bedrage van vijfduizend gulden,
subsidiair honderd dagen hechtenis, met dien verstande dat de
toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting niet
opheft, legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve
van het slachtoffer, genaamd S, wonende te V te betalen een som gelds
ten bedrage van ƒ 680,- subsidiair 13 dagen hechtenis met dien
verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde
verplichting niet opheft.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt
verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan B voornoemde een
bedrag van vijfduizend gulden, verklaart benadeelde partij B niet
ontvankelijk in haar overige vordering, veroordeelt verdachte tevens in
de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten
behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op
nihil, wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt
verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan S voornoemde een
bedrag van zeshonderdentachtig gulden, veroordeelt verdachte tevens in
de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten
behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op
nihil, bepaalt daarbij dat indien verdachte heeft voldaan aan de
verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van vijfduizend
gulden en een bedrag van zeshonderdentachtig gulden ten behoeve van de
slachtoffers B en S voornoemd, daarmee de verplichting van verdachte om
aan de benadeelde partijen een bedrag van vijfduizend gulden en een
bedrag van zeshonderdentachtig gulden te betalen komt te vervallen
(zulks vice versa, dat wil zeggen: indien verdachte aan de benadeelde
partij een bedrag van ƒ 5.000,= en een bedrag van ƒ 680,= heeft
betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van een
bedrag van ƒ 5.000,= en een bedrag van ƒ 680,= ten behoeve van de
slachtoffers B en S komt te vervallen), met vrijspraak van hetgeen meer
of anders is tenlastegelegd dan bewezen is verklaard.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tijdig tegen genoemd
vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de
terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de procureur-generaal
en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop
dit berust, behalve voor wat betreft de bewijsvoering, de opgelegde
straf en de strafmotivering, en voor wat betreft de beslissing op de
vordering van de benadeelde partij en de motivering die daaraan ten
grondslag ligt.

De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de
orde is gekomen, verbetering. Om wille van de leesbaarheid wordt de
bewijsvoering in haar geheel vervangen. De bewezenverklaring door de
eerste rechter komt uitsluitend te berusten op de hierna volgende
bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

De telastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de
telastelegging over. In deze weergave van de telastelegging zijn de in
eerste aanleg toegelaten wijzigingen begrepen.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Pro memorie

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan
berust op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven
vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen
verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

(Pro memorie: bijzondere overwegingen, Meer en Vaart-verweren)

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de
ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder
het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte,
zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is
gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of
lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke
vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in
de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot
uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de
straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, en in de mate
waarin het onder 1 en onder 2 bewezen verklaarde persoonlijk leed
teweeg heeft gebracht.

Bij de straftoemeting heeft het hof ten bezware van de verdachte er
rekening mee gehouden dat de verdachte heeft erkend zich schuldig te
hebben gemaakt aan het strafbare feit, ad informandum vermeld op de
inleidende dagvaarding, voor welk feit de verdachte niet afzonderlijk
is of zal worden vervolgd.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de inhoud van de rapporten
van de psychiater P.J..A Panhuis van 4 mei 1994 en van de psycholoog
drs. W.F. Kordelaar van 27 april 1994. Beide deskundigen komen tot de
conclusie dat de verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling
van de persoonlijkheid. Voorts wordt aangegeven dat er sprake is van
recidive-gevaar en adviseert drs. Kordelaar tot een hulpaanbod waarin
enerzijds gespecialiseerde aandacht moet bestaan voor bewerking van de
partnerrelatie en daarbinnen het aspect van seksualiteit en anderzijds
uit het bevorderen van een zinvolle dagbesteding.

De verdacht heeft ten aanzien van de op te leggen straf, voor wat
betreft het onder 3 te laste gelegde, een aanbod gedaan tot het
verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte, voor het geval het
hof voornemens zou zijn een geheel of gedeeltelijk onvoorwaardelijke
vrijheidsstraf op te leggen. Dit aanbod moet worden verworpen omdat,
met toepassing van het bepaalde in artikel 57, eerste lid van het
Wetboek van Strafrecht, niet voldaan is aan de wettelijke voorwaarde
dat het hof voornemens is aan de verdachte een straf op te leggen die
onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van niet meer dan zes maanden met
zich mee zou brengen.

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven muts, kleur blauw,
volgens eigen opgave aan de verdachte toebehorend, is vatbaar voor
verbeurdverklaring. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken
dat het een voorwerp betreft met behulp waarvan het onder 3 bewezen
verklaarde is begaan. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de
financiele draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter
terechtzitting is gebleken.

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven slagwapen, kleur bruin,
is van zulke aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is
met de wet. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het
een voorwerp is met behulp waarvan het onder 3 bewezen verklaarde is
begaan of voorbereid. Dit voorwerp zal aan het verkeer worden
onttrokken.

De oplegging van een betalingsverplichting ten behoeve van het
slachtoffer B.

Uit een voegingsformulier van de benadeelde partij in het strafproces,
blijkt dat het slachtoffer B zich in eerste aanleg in het geding heeft
gevoegd. De vordering strekte tot vergoeding van ƒ 5.097,- materiele
schade en ƒ 10.000,- immateriele schade. In eerste aanleg is aan de
benadeelde partij ƒ 5.000,- materiele schade toegewezen. Namens het
slachtoffer heeft mr. Van Bon-Moors thans fl.15.000,- gevorderd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat, als gevolg van
het onder 2 bewezen verklaarde feit, B voornoemde schade heeft geleden.
Het hof stelt de totale materiele schade vast op ƒ 3.200,-. Uit het
onderzoek ter terechtzitting is voorts gebleken dat het slachtoffer
immateriele schade heeft geleden, welke het hof naar billijkheid
begroot op ƒ 5.000,-. Verdachte is naar burgerlijk recht
aansprakelijk voor deze schade. Het hof zal daarom aan de verdachte de
verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van ƒ 8.200,- te
betalen ten behoeve van het slachtoffer.

De vordering van de benadeelde partij B

B heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van
Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde
partij en een vordering ingediend. Deze vordering strekt tot vergoeding
van geleden schade. Ter terechtzitting in hoger beroep is de vordering
terzake de materiele schade beperkt tot ƒ 5.000,=. Terzake de
immateriele schade is gepersisteerd bij de vordering van ƒ 10.00,=.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de
vordering van de benadeelde partij van zodanig eenvoudige aard is dat
deze zich leent voor de behandeling binnen het kader van dit
strafgeding. Uit het onderzoek ter terechtzitting, en met name uit de
bijlagen bij het “Voegingsformulier benadeelde partij in het
strafproces” en de door Mr. Van Bon-Moors aan het hof overgelegde
pleitnota, is komen vast te staan dat de benadeelde partij als
rechtstreeks gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen schade
heeft geleden. Het Hof stelt de materiele schade, bestaande uit de
kosten van opname in de Stichting de Paula te Oosterbeek, de
verhuiskosten en de kosten rechtsbijstand, vast op ƒ 3.200,=. Het te
dien aanzien meer of anders gevorderde moet, als ongegrond of
onvoldoende bewezen, worden ontzegd.

Aan de benadeelde partij is voorts door het onder 2 bewezen verklaarde
rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat.
Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten,
waaronder art. 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar
maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op ƒ
5.000,= en moet het te dien aanzien meer of anders gevorderde worden
afgewezen. De proceskosten van de benadeelde partij worden tot na te
melden bedrag ten laste van de verdachte gebracht.

Het Hof zal, gelet op het vorenstaande, de vordering van de benadeelde
partij toewijzen met dien verstande dat, indien verdachte heeft voldaan
aan bovenvermelde verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve
van het slachtoffer van het hierboven vermelde bedrag, de verplichting
tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en indien de
verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de
benadeelde partij, de verplichting tot betaling aan de Staat ten
behoeve van het slachtoffer van bovenvermeld bedrag komt te vervallen.

De oplegging van een betalingsverplichting ten behoeve van het
slachtoffer S.

Uit een voegingsformulier van de benadeelde partij in het strafproces,
blijkt dat het slachtoffer S zich in eerste aanleg in het geding heeft
gevoegd. De vordering strekt tot vergoeding van ƒ 680,= materiele
schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat, als gevolg van
het onder 3 bewezenverklaarde feit, S voornoemd schade heeft geleden.
Het Hof stelt de totale materiele schade vast op ƒ 680,=. Verdachte
is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. Het Hof zal
daarom aan de verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een
bedrag van ƒ 680,= te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

De vordering van de benadeelde partij S

S, wonende te Keldonk, heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het
Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als
benadeelde partij en een vordering ingediend. Deze vordering strekt tot
vergoeding van geleden materiele schade tot een bedrag van ƒ 680,=.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de
vordering van de benadeelde partij van zodanige eenvoudige aard is dat
deze zich leent voor de behandeling binnen het kader van dit
strafgeding. De vordering is niet betwist. Uit het onderzoek ter
terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als
rechtstreeks gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen schade
heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De vordering is voor
toewijzing vatbaar, met veroordeling van de verdachte in de
proceskosten van de benadeelde partij.

Het hof zal, gelet op het vorenstaande, de vordering van de benadeelde
partij toewijzen met dien verstande dat, indien verdachte heeft voldaan
aan bovenvermelde verplichtingen tot betaling aan de Staat ten behoeve
van het slachtoffer van het hierboven vermelde bedrag, de verplichting
tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en indien de
verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de
benadeelde partij; de verplichting tot betaling aan de Staat ten
behoeve van het slachtoffer van bovenvermeld bedrag komt te vervallen.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De oplegging van de straffen en maatregel is gegrond op de artikelen:
10, 14a, 14b, 14c, 24, 27, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 57, 242, 310 en 311
van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis, doch alleen voor zover dit betreft de
aan de verdachte opgelegde straffen en maatregel en doet in zoverre
opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van drie
jaar.

Beveelt dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot een jaar
niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht
gelasten op grond dat de veroordeelde de voorwaarde niet heeft
nageleefd zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar niet
schuldig te maken aan een strafbaar feit, dan wel de volgende
bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzonder voorwaarden dat de veroordeelde: 1. zich gedurende
de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen, hem te geven door of
namens de Stichting Reclassering Oost-Brabant, werkeenheid S.P.W.,
gevestigd te Eindhoven aan de Julianastraat 1a, voor zover en voor
zolang deze instelling zulks, in overleg met het arrondissementsbureau
van de Stichting Reclassering Oost-Brabant, Zuiderparkweg 280 te
‘s-Hertogenbosch, noodzakelijk acht, 2. zo spoedig mogelijk na de
ingang van de proeftijd, gedurende die proeftijd zal deelnemen aan de
dagbehandeling van de Dr. Henri Van der Hoeven Kliniek te Utrecht (of
enige andere door de S.P.W. aan te wijzen behandelingsinstelling.

Verleent aan de werkeenheid voornoemd de opdracht als bedoeld in
artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging in
verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van
de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden
gebracht.

Verklaart verbeurd het navolgende inbeslaggenomen, nog niet
teruggegeven voorwerp, te weten: een muts, kleur blauw.

Verklaart onttrokken aan het verkeer het navolgende inbeslaggenomen nog
niet teruggegeven voorwerp, te weten: een slagwapen, kleur bruin.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van
het slachtoffer B te betalen een bedrag van ƒ 8200,= (zegge:
tweeentachtig gulden), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen
door hechtenis voor de duur van veertig dagen, met dien verstande dat
de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot
schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de
verdachte om, door tussenkomst van de advocate Mr. Van Bon-Moors,
Graafseweg 54, te Nijmegen, tegen bewijs van kwijting te betalen aan B
een bedrag van ƒ 8200,=.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de
benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog
te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling aan
de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door verdachte aan de
opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot schadevergoeding
aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van
voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt,
indien en voorzover door verdachte aan zijn verplichting tot betaling
van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van ƒ
8.200,= is voldaan.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van
het slachtoffer S te betalen een bedrag van ƒ 680,= (zegge:
zeshonderdtachtig gulden), bij gebreke van betaling en verhaal te
vervangen door hechtenis voor de duur van veertien dagen, met dien
verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de
verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet
opheft.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de
verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan S wonende te
een bedrag van ƒ 680,=.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de
benadeelde partij gemaakt ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te
maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan verdachte opgelegde verplichting tot betaling aan de
benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door verdachte aan de
opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot schadevergoeding
aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van
voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt,
indien en voorzover door verdachte aan zijn verplichting tot betaling
van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van ƒ 680,=
is voldaan.

Bevestigt het beroepen vonnis voor al het overige.

Rechters

Mrs Feith, Van Etten, Hulleman

Instantie: Rechtbank Breda, 15 november 1994

Instantie

Rechtbank Breda

Samenvatting


Eiseres liep ten gevolge van het seksueel misbruik vier jaar achterstand
op in haar opleiding. Hiervoor kent de Rechtbank haar een materiële
schadevergoeding van ƒ 26.765,- toe en een bedrag van ƒ 17.500,-
aan immateriële schadevergoeding.

Volledige tekst

1. Het verdere verloop van het geding.

Dit blijkt uit de ter vonniswijziging overgelegde stukken: – het
tussenvonnis van 8 februari 1994 en de daarin genoemde stukken; – de
akte van depot van het deskundigenbericht van drs. R.A. van der Pol,
psychiater, d.d. 10 maart 1994; – de conclusie na deskundigenbericht
van de kant van eiseres; – de conclusie na deskundigenbericht van de
kant van gedaagde.

2. De verdere beoordeling 2.1. De rechtbank volhardt bij en verwijst
naar de eerdere vonnissen in deze zaak. Ingevolge het zojuist genoemde
vonnis heeft de deskundige in zijn rapportage d.d. 10 maart 1994 de
door de rechtbank voorgelegde vraagpunten beantwoord. Eiseres kan zich
met de inhoud van het deskundigenrapport en de daaraan verbonden
conclusie verenigen. Gedaagde stelt vraagtekens bij de deskundigheid
van de rapporteur, omdat het deskundigenbericht tot stand is gekomen
onder supervisie van de door de rechtbank benoemde deskundige in
samenwerking met de arts-assistente psychiatrie in opleiding V.M.
Kooij. Gedaagde geeft niet aan in welk opzicht het de rapportage aan
deskundigheid ontbreekt. De omstandigheid dat het feitelijk onderzoek
in de vorm van drie gesprekken met eiseres is gedaan door
arts-assistente psychiatrie V.M. Kooij doet niet af aan het feit dat
het deskundigenbericht is uitgebracht onder supervisie van drs. Van der
Pol, haar opleider, die met zijn handtekening het deskundigenbericht
heeft bekrachtigd. De rechtbank gaat aan deze ongemotiveerde klacht van
gedaagde voorbij.

2.2. De deskundige komt tot de navolgende bevindingen en conclusies,
kort weergegeven: In antwoord op het eerste vraagpunt worden de
klachten opgesomd waaraan eiseres lijdt; deze klachten passen binnen
het kader van een dissociatieve stoornis. De diagnose meervoudige
persoonlijkheidsstoornis kan niet meer gesteld worden, waarbij de
deskundige opmerkt dat in aanmerking genomen dient te worden dat
eiseres inmiddels een langdurige en intensieve behandeling achter de
rug heeft, waardoor het mogelijk is dat tijdens het huidige onderzoek
de oorspronkelijke stoornis in afgevlakte mate naar voren komt. De
klachten en verschijnselen waaraan eiseres lijdt ontstaan in
aansluiting op ernstige en veelvuldige traumatisering in de vroege
kindertijd. In dit geval is het zeer aannemelijk dat de huidige
klachten en verschijnselen van eiseres het gevolg zijn van seksueel
misbruik door gedaagde, mits dit veelvuldig en op jonge leeftijd
gebeurde.

Direct aansluitend op een jeugdtrauma treden specifieke
afweermechanismen in werking, zoals dissociatie, waardoor een
slachtoffer vanaf dat tijdstip een scala van klachten kan gaan
ontwikkelen en onder haar niveau kan gaan functioneren. De deskundige
acht dit ook waarschijnlijk in het geval van eiseres. Het gegeven dat
eiseres, na een langdurige en intensieve behandeling, momenteel
redelijk functioneert, houdt niet in dat zij haar traumatische
jeugdervaringen volledig heeft geintegreerd in haar geheugen en dat zij
deze adequaat verwerkt heeft. Waarschijnlijk is het zo dat zij een
acceptabel evenwicht heeft kunnen vinden tussen het losmaken en
verwerken van een deel van haar traumatische jeugdervaringen en het
leren leven met haar klachten.

2.3. De rechtbank constateert dat het deskundigenbericht en de
conclusies van deze rapportage geheel aansluiten bij hetgeen inmiddels
in deze procedure feitelijk vaststaat en bij hetgeen bewezen is
verklaard omtrent het seksuele misbruik door gedaagde van zijn zusters,
waaronder eiseres als jongste zusje.

De traumatische gebeurtenissen hebben inderdaad in de vroege jeugdjaren
plaatsgevonden. Eiseres herinnert zich met name een zeer bedreigde
gebeurtenis toen zij zes jaar oud was en verder heeft zij steeds flash-
backs. Dat het om veelvuldige handelingen gaat en niet om een eenmalig
trauma is zeer aannemelijk, gezien ook de verklaringen van de twee
zusters van eiseres die beiden spreken over veelvuldige seksuele
handelingen zoals de imitatiecoitus waarvan eiseres zich er in ieder
geval een in concreto herinnert. Ook de andere vormen van seksuele
intimidatie en geweld zijn meermalen voorgevallen, zo blijkt ook uit de
verklaringen van de beide zusters. Ook getuige L spreekt over trauma’s
in vroege jeugd die zij reeel gebeurd acht. In 1988 is eiseres hulp
gaan zoeken bij het RIAGG en is zij voor haar klachten tot en met
december 1993 onder therapie geweest; zij heeft 50 hypno-sessies
ondergaan. Dat thans de diagnose meervoudige persoonlijkheidsstoornis
niet meer gesteld kan worden ziet de deskundige in het verband met deze
zeer intensieve therapie.

De door eiseres genoemde klachten worden door gedaagde niet bestreden,
en passen in het kader van een dissociatieve stoornis. Een dergelijke
stoornis -dissociatie als afweermechanisme tegen een jeugdtrauma-
veroorzaakt een scala van klachten en kan er ook toe leiden dat men
onder zijn niveau functioneert, zo stelt de deskundige. Ook dat is
feitelijk zichtbaar in het leven van eiseres. Ze is er immers in
geslaagd om na een niet-voltooide MAVO-opleiding, enige jaren LHNO en
een LTS-opleiding voor waar zij inmiddels is afgestudeerd als beeldend
kunstenares/edelsmid.

De rechtbank neemt de conclusies van het deskundigenbericht over en
maakt die tot onderdeel van haar eindbeslissing. Het deskundigenbericht
enerzijds en de vastgestelde en bewezen verklaarde handelwijze van
gedaagde ten opzichte van eiseres anderzijds -fysieke bedreiging in
haar ongewenste intimiteiten in haar vroege jeugdjaren, voortgezet in
seksuele intimidaties en ongewenste intimiteiten in de pubertijd- voeren
tot de slotsom dat de klachten die eiseres lijdt en geleden heeft het
rechtstreekse gevolg zijn van de inbreuk die gedaagde gepleegd heeft op
haar integriteit in haar vroege jeugdjaren en in haar ontwikkeling tot
volwassenheid. Weliswaar heeft het overlijden van haar vader toen zij
zelf negen jaar oud was haar getroffen, maar uit de rapportage blijkt
in geen enkel opzicht dat dit verdriet een zodanig trauma bij haar
heeft achtergelaten dat zij ten gevolge daarvan een dissociatieve
stoornis ontwikkelde. Hetzelfde geldt voor hetgeen haar broer Rinie met
haar gedaan heeft; daarvan zegt eiseres zelf dat dit handelen niet zo
bedreigend was als de handelwijze van gedaagde, aan wie zij niet
ontsnappen kon, behalve kennelijk door dissociatie als een vorm van
afweermechanisme.

2.4. Nu het causaal verband tussen de klachten en het psychisch lijden
van eiseres en de bejegening van gedaagde, steeds seksueel en incestueus
getint, vaststaat dient aan gedaagde de schade die eiseres hiervan
lijdt en geleden heeft te worden toegerekend. Eiseres vordert zowel
immateriële als materiële schadevergoeding.

Het behoeft geen betoog dat eiseres psychisch vanaf haar jeugd tot op
de dag van vandaag geleden heeft van het optreden van gedaagde. Ook in
de toekomst zal zij een evenwicht moeten blijven vinden tussen het
losmaken en verwerken van een deel van haar traumatische
jeugdervaringen en het leren leven met haar klachten, zo bevestigt het
deskundigenbericht. Een dergelijk psychisch leed is moeilijk in geld
uit te drukken of door geld te verzachten. De feiten en omstandigheden
afwegende zal een immateriële schadevergoeding van ƒ 17.500,- worden
toegekend. Eiseres lijdt voorts vermogensschade doordat zij vier jaar
achterstand in haar opleiding opliep. Zij had in 1987 een lagere
beroepsopleiding voltooid als edelsmid; zij was toen eenentwintig jaar.

Zij had zich vanaf dat moment inkomen door arbeid kunnen verwerven,
maar deze opleiding bleek onder haar niveau te zijn, een rechtstreeks
gevolg van de door gedaagde veroorzaakte jeugdtrauma’s en de
persoonlijkheidsstoornis die daar het gevolg van was met alle klachten
van dien. De opleiding aan de Rietveld-academie, vooraf gegaan door het
ene jaar aan de Hogere school voor de kunst is binnen de normale
termijnen daarvoor voltooid en thans voorziet eiseres kennelijk in haar
eigen levensonderhoud vanuit deze artistieke opleiding. Eiseres stelt
dat zij ƒ 18.345,60 netto had kunnen verdienen (het jaarsalaris van
een vormgever/edelsmid en dit is door gedaagde niet, althans niet
gemotiveerd bestreden. Zij berekent de achterstand in opleiding op vier
jaar en komt zo op een bedrag van ƒ 73.382,40 netto, waarop in
mindering dient te strekken de door haar genoten studie-financiering
van ƒ 971,20 per maand. Dit brengt deze materiële vermogensschade op
(afgerond) ƒ 26.765,- netto.

De rechtbank acht het geraden de schade ten gevolge van de achterstand
in opleiding te relateren aan het jaarinkomen van een
vormgever/edelsmid. Nu het gaat om een schadevergoeding in de vorm van
een som ineens – ter vergoeding van gemist inkomen uit arbeid in het
algemeen – is het nettoloon het uitgangspunt, omdat over een dergelijke
vergoeding geen inkomstenbelasting en sociale premies verschuldigd
zijn. De gemiste opbrengst van verkochte kunstwerken, door eiseres
geschat op ƒ 22.000,- over vier jaar, laat de rechtbank buiten
beschouwing. Dit zijn immers de vruchten van de opleiding aan de
Rietveld-academie, die in 1992 werd voltooid. Derhalve wordt alleen in
aanmerking genomen het gemiste inkomen uit arbeid na haar voltooide
lagere beroepsopleiding, om reden dat zij haar achterstand in opleiding
inhaalde aan de Rietveld-academie.

Ten aanzien van de overige materiële schade vorderde eiseres
veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat en te
vereffenen volgens de wet. Deze vordering zal worden afgewezen, nu
eiseres in geen enkel opzicht heeft aangeduid om welke schadeposten het
gaat.

3. De kosten

Gedaagde zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden
verwezen in de kosten.

4. De beslissing De rechtbank veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk
bewijs van kwijting aan eiseres te betalen ƒ 44.265,- (zegge:
vierenveertigduizend tweehondervijfenzestig gulden);

verwijst gedaagde in de kosten en veroordeelt hem tot betaling van de
kosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot op heden begroot op ƒ
6.849,08;

bepaalt, nu eiseres met een toevoeging procedeert, dat die
kostenbetaling dient te geschieden door voldoening: A. aan de griffier
van deze rechtbank, door middel van overschrijving op giro nr. 1101800
t.n.v. de gerechten in het Arrondissement Breda

– het in debet gestelde deel van het griffie-recht ƒ 1.050
– wegens exploitkosten (deurwaarder…) ƒ 85.08 ƒ 4.095
– wegens in debet gestelde kosten deskundigenbericht ƒ 1.254

met welke bedragen de griffier zal dienen te behandelen overeenkomstig
het bepaalde bij art. 57b Rv; B. aan eiseres

– het voor haar rekening gekomen deel van het griffierecht ƒ 150
– de door haar betaalde getuigentaxen ƒ 215;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het anders of
meer gevorderde.

Rechters

Mrs Van den Emster, De Ruijter, Van Andel

Instantie: President Rechtbank Arnhem, 9 november 1994

Instantie

President Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Vrouw met bijstandsuitkering volgt op advies van de Sociale Dienst een
MBO-opleiding. In het kader van deze opleiding krijgt zij een stageplaats
bij de Sociale
Dienst Nijmegen. Kort na haar aanstelling en nog voor zij met haar werk
is begonnen krijgt zij te horen dat haar stageplaats niet door kon gaan.
De werkgever had het ABW-dossier van de vrouw gelezen en geoordeeld dat
zij een veiligheidsrisico voor privacy van de clienten van de Sociale Dienst
zou zijn. Een veroordeling wegens belastingontduiking van haar ex-echtgenoot
en het drugsgebruik van haar ex-echtgenoot werd daarbij genoemd. De vrouw
vordert in kort geding tewerkstelling.
Eiseres vordert nakoming van de stage-overeenkomst en tewerkstelling. De
President oordeelt dat er geen stage-overeenkomst tot stand is gekomen,
zodat de vraag of het de gemeente vrij stond om eiseres ingeval van totstandkoming
van een stageovereenkomst alsnog te weigeren op grond van uit het ABW-dossier
van eiseres verkregen informatie, onbeantwoord kan blijven. Ook de vordering
tot schadevergoeding (opleidingskosten en inkomensschade) wordt afgewezen.
De President stelt dat de opleidingskosten door de Sociale Dienst bij wijze
van bijzondere bijstand zijn betaald en dat thans niet te beoordelen is
of zich inkomensschade zal voordoen.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure

Eiseres heeft gedaagde ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden
en bij mondelinge conclusie van eis gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.
Gedaagde heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.
De procureur van eiseres en de procureur van gedaagde hebben de zaak bepleit,
overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities.
Daarbij hebben zij produkties in het geding gebracht.
Tenslotte zijn de processtukken voor het wijzen van vonnis overlegd.

De vaststaande feiten

1. Eiseres is voor haar inkomen afhankelijk van een ABW-uitkering. Op advies
van de Dienst Sociale Zaken volgt zij een middelbare beroepsopleiding (MBO
SD). Eiseres moet in het tweede jaar van die opleiding een stage doen van
20 uur per week. In februari 1994 heeft zij bij de Dienst Sociale Zaken
te Nijmegen gesolliciteerd naar een stageplaats. Op 21 augustus 1994 heeft
zij van mevrouw Van Kooten, werkzaam bij voormelde Dienst en belast met
de selectie van stagiaires, te horen gekregen dat ze per september 1994
als stagiaire kon beginnen. Er werd een afspraak gemaakt voor (uiteindelijk)
19 september 1994.

2. Op 19 september 1994 heeft eiseres van de heer De Bruin, sectorhoofd
van de Dienst Sociale Zaken, te horen gekregen dat de stage niet door kon
gaan op grond van door de gemeente verkregen informatie over eiseres. Deze
informatie was verkregen uit een rapport van oktober 1987, zich bevindend
in het ABW-dossier van eiseres. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Tussen partijen hebben vervolgens gesprekken plaatsgevonden op 22 en 28
september, maar zonder resultaat.

Het geschil en de beoordeling daarvan

3. Eiseres vordert primair gedaagde, hierna ook te noemen de gemeente,
te veroordelen tot nakoming van de stage-overeenkomst van 21 augustus 1994,
eruit bestaande dat zij na betekening van dit vonnis met onmiddelijke ingang,
althans op de eerstvolgende werkdag tewerkgesteld wordt als stagiaire.

4. Voor de beoordeling van voormelde vordering is van belang of tussen
partijen op 21 augustus 1994 een overeenkomst tot stand is gekomen zoals
eiseres stelt en gedaagde betwist.

5. Gerechtigd om namens de gemeente een stageovereenkomst aan te gaan is
het college van burgemeester en wethouders. Het college heeft deze bevoegdheid
overgedragen aan de directeur van de Dienst Sociale Zaken (mevrouw Berben).
Een en ander blijkt ook uit de door eiseres overgelegde standaard stage-overeenkomst
die gedaagde hanteert. Niet is gesteld of gebleken dat het college en/of
de directeur van de Dienst Sociale Zaken de schijn hebben opgwekt dat er
door de gemeente met eiseres een stage-overeenkomst zou worden gesloten.
De door Van Kooten op 21 augustus 1994 onbevoegd gedane toezegging kan
niet als zodanig gelden. Dat betekent dat voorshands moet worden aangenomen
dat de door eiseres gestelde overeenkomst niet tot stand is gekomen. De
primaire vordering van eiseres, die op het bestaan van een stage-overeenkomst
is gegrond, moet dus worden afgewezen, zodat de -overigens niet eenvoudig
te beantwoorden- vraag of het de gemeente redelijkerwijs vrijstond om eiseres
in geval van totstandkoming van een stageovereenkomst alsnog als stagiaire
te weigeren op grond van uit het ABW-dossier (volgens de gemeente toevalligerswijs)
verkregen informatie, onbeantwoord kan blijven.

6. Blijft de vraag of de door Van Kooten gedane toezegging zou kunnen leiden
tot een verplichting van de gemeente tot schade vergoeding aan eiseres.
Eiseres meent van wel.
Volgens haar bestaat de schade uit ƒ 748,– aan door haar betaalde opleidingskosten
en uit inkomensschade (het verschil tussen wat zij als bijstandsmoeder
aan inkomen krijgt en wat zij als afgestudeerde MBO-er zou verdienen, een
en ander berekend over een periode van een jaar), zijnde een bedrag van
ƒ 19.260,–. Subsidiair vordert eiseres op die grond een bedrag aan schadevergoeding
van in totaal ƒ 20.008,–.

7. Met de gemeente wordt geoordeeld dat voormelde vordering in dit kort
geding niet kan worden toegewezen. De opleidingskosten ad. ƒ 748,.–zijn
door gedaagde aan eisers vergoed bij wijze van bijzondere bijstand en gedaagde
heeft verklaard dat zij niet zal verlangen dat eiseres deze kosten terugbetaalt.
Of de gestelde inkomensschade zich zal voordoen is thans niet te beoordelen.
Het is mogelijk dat eiseres de opleiding niet afmaakt tengevolge van een
oorzaak die niets te maken heeft met de weigering van de gemeente om haar
als stagiaire te werk te stellen. Ook is denkbaar dat eiseres alsnog een
andere stageplaats vindt en de opleiding zonder relevante vertraging afmaakt.
In beide gevallen zal de gestelde inkomensschade zich niet voordoen. Het
is op deze grond, nog afgezien van het restitutierisico en de vraag of
eiseres wel een spoedeisend belang heeft, dat ook de subsidiaire vordering
moet worden afgewezen.

8. Als de in het ongelijk gestelde partij zal eiseres in de kosten van
dit kort geding worden verwezen.

De beslissing

De president weigert de gevorderde voorzieningen, veroordeelt eiseres in
de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van gedaagde
bepaald op ƒ 1.500,– voor salaris en op ƒ 330,– voor verschotten,

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij
voorraad.

Rechters

Mr van Rossem

Instantie: Rechtbank Middelburg, 9 november 1994

Instantie

Rechtbank Middelburg

Samenvatting


Partijen zijn achttien jaar getrouwd geweest en hebben twee minderjarige
kinderen van elf en vijftien jaar oud. De man stelt dat de vrouw eigen
inkomen heeft. De vrouw heeft toekenningsbeschikking voorlopige
ABW-uitkering overgelegd. Hieruit volgt volgens de rechtbank dat de vrouw
behoefte heeft. Alimentatie wordt ƒ 450,=.

Volledige tekst

1. Het procesverloop

De vrouw heeft verzocht: a. echtscheiding; b. alimentatiebijdrage van ƒ
1.400,= per maand; c. boedelverdeling; d. haar te benoemen tot voogdes
over de minderjarige kinderen van partijen en de man tot toeziend voogd;
e. een kinderbijdrage van ƒ 250,= per kind per maand.

De man heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft geconcludeerd tot
toewijzing van de verzoeken sub a, c, en d. en tot afwijzing van het
verzochte sub b.

Bij conclusie van repliek heeft de vrouw het verzochte sub b. gewijzigd
in die zin dat zij thans verzoekt een alimentatiebijdrage vast te stellen
van ƒ 900,= per maand. Voor het overige heeft zij gepersisteerd.

De man heeft vervolgens gedupliceerd en daarbij volhard in zijn stelling
niet in staat te zijn om, naast de kinderbijdrage waartoe hij zich bereid
heeft verklaard deze te betalen, een bijdrage ten behoeve van de vrouw te
voldoen.

De minderjarige zoon P. heeft, alhoewel behoorlijk opgeroepen, geen
gebruik gemaakt van de van de gelegenheid om zijn mening omtrent de
gezagsvoorziening kenbaar te maken.

Tussen partijen zijn voorlopige voorzieningen getroffen.

De zaak is behandeld op de terechtzitting van 27 september 1994.

2. De feiten

Partijen, Nederlanders, zijn op in algehele gemeenschap van goederen
gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn de navolgend thans nog minderjarige
kinderen geboren: – –

Het huwelijk van partijen is duurzaam ontwricht.

3. De beoordeling

De verzoeken sub a, c, d en e liggen bij gebreke van verweer voor
toewijzing gereed.

Partijen blijven van mening verschillen omtrent het verzoek van de vrouw
tot vaststelling van een alimentatiebijdrage.

In zijn verweerschrift heeft de man aangevoerd dat de vrouw een eigen
inkomen heeft en volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. In
zijn conclusie van dupliek en ter terechtzitting heeft de man dit verweer
niet herhaald en evenmin onderbouwd. Aangenomen wordt derhalve dat de man
niet persisteert bij dit verweer. De vrouw heeft overigens een
toekenningsbeschikking op grond van de Algemene Bijstandswet overgelegd,
waaruit blijkt dat zij met ingang van 14 maart 1994 een voorlopige
ABW-uitkering toegekend heeft gekregen. Daaruit volgt dat zij behoefte
heeft aan alimentatie.

De man heeft een draagkrachtberekening overgelegd. Hij stelt, naast de te
betalen kinderbijdrage van ƒ 250,= per kind per maand, slechts in staat
te zijn tot betaling van een bijdrage ten behoeve van de vrouw van ƒ 109,=
per maand.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en meent dat de man in staat moet
worden geacht de verzochte alimentatiebijdrage te voldoen.

De rechtbank gaat voor de berekening van de draagkracht van de man uit van
de volgende gegevens. Zijn bruto-maandsalaris bedraagt ƒ 5.167,=,
exclusief vakantiegeld. Voorts houdt de rechtbank, naast de bijstandsnorm
voor een alleenstaande van ƒ 1.311,= per maand, rekening met de volgende
posten. – meerwoonkosten ƒ 615,= (huur ƒ 950,= minus ƒ 335,= norm) –
aflossing schulden ƒ 452,= – premie ziektekostenverzekering ƒ 60,=

De man heeft een post herinrichtingskosten opgevoerd van ƒ 100,= per
maand. Hij stelt deze kosten weliswaar nog niet gemaakt te hebben, maar
verwacht deze binnenkort te moeten maken. Hij heeft desgevraagd bevestigd
dat uit de verkoop van de echtelijke woning voor beide partijen in verband
met overwaarde een bedrag vrij zal komen.

De vrouw heeft de herinrichtingskosten van de man betwist. Zij is van
mening dat, nu nog onzeker is hoe de boedelverdeling zal verlopen en wat
de overwaarde van de echtelijke woning zal zijn, geen rekening gehouden
dient te worden met deze kosten, te meer daar de man ze nog niet
daadwerkelijk gemaakt heeft.

Verder stelt de vrouw zich op het standpunt dat de door de man opgevoerde
kosten in verband met de omgangsregeling slechts ƒ 80,= per maand, in
plaats van de door hem berekende ƒ 100,= belopen.

De rechtbank houdt, nu de kosten nog niet daadwerkelijk gemaakt zijn en
bovendien onvoldoende aannemelijk geworden is dat deze binnenkort gemaakt
dienen te worden, geen rekening met de door de man opgevoerde
herinrichtingskosten. Voorts houdt de rechtbank rekening met een bedrag
van ƒ 80,= in verband met kosten omgangsregeling.

In aanmerking nemend dat 60% van de draagkrachtruimte van de man bestemd
is voor alimentatie en er van uitgaand dat, nu de man alleenstaand is, hij
in tariefgroep 2 valt, is de rechtbank van oordeel dat de man in staat
moet worden geacht, naast de kinderbijdrage van ƒ 250,= per kind per maand
een bijdrage ten behoeve van het levensonderhoud van de vrouw te betalen
van ƒ 450,= per maand. De rechtbank zal dit bedrag dan ook vaststellen.

4. De beslissing

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding in het tussen partijen gesloten huwelijk.

Benoemt over, – geboren te . – geboren te de
moeder tot voogdes en de vader tot toeziend voogd.

Beveelt dat de minderjarigen, indien deze zich niet reeds bevinden in de
feitelijke macht van de met het gezag beklede ouder, aan deze zullen
worden afgegeven.

Bepaalt de door de niet met het gezag belaste ouder aan de met het gezag
belaste ouder telkens bij vooruitbetaling te betalen bijdrage in de kosten
van verzorging en opvoeding van vorengenoemde kinderen op ƒ 250,=
(tweehonderdenvijftig gulden) per kind per maand, vermeerderd met het
bedrag van iedere uitkering die deze ouder op grond van geldende wetten
of regelingen ten behoeve van deze kinderen kan of zal worden verleend.

En voor het geval deze beschikking zal zijn ingeschreven in de registers
van de burgerlijke stand:

Veroordeelt de man om ten titel van haar levensonderhoud aan de vrouw te
betalen ƒ 450,= (vierhonderdvijftig gulden) per maand, maandelijks bij
vooruitbetaling te voldoen, zulks met ingang van de dag waarop deze
beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke
stand.

Sluit de wettelijke indexering van deze bijdragen uit voor het jaar 1995.

Beveelt de verdeling van de gemeenschap van goederen waarin partijen zijn
gehuwd ten overstaan van een notaris.

Benoemt mr. P.J.E. Frantzen, te Goes, diens plaatsvervanger of opvolger,
tot notaris te wiens overstaan -indien partijen binnen een maand na
bovenbedoelde inschrijving omtrent de keuze van een notaris geen
overeenstemming mochten bereiken- de werkzaamheden van die verdeling
zullen plaats hebben. Benoemt tot onzijdig persoon ter vertegenwoordiging
van diegene die weigerachtig of nalatig mocht zijn tot die verdeling mede
te werken mr. J.B. de Meester, advocaat en procureur, kantoorhoudende te
Goes.

Compenseert de proceskosten zo dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Rechters

mr. P.H.J. Slot