Instantie: Rechtbank Amsterdam, 9 november 1994

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Partijen zijn 10 jaar getrouwd geweest en hebben een minderjarig kind van
8 jaar oud. De man is door de vriend van de vrouw mishandeld. De man stelt
dat de vrouw de mishandeling heeft uitgelokt en dat door het gedrag van
de vrouw van de man in redelijkheid niet kan worden gevergd bij te dragen
in het levensonderhoud van de vrouw. De vrouw heeft de uitlokking
weersproken. De rechtbank oordeelt dat de man onvoldoende aannemelijk
heeft gemaakt dat de vrouw heeft uitgelokt. Alimentatie wordt ƒ 200,=.

Volledige tekst

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het op 23 juni
ingediende verzoekschrift; het tijdig daartegen ingediende verweerschrift.

De vrouw heeft onder andere verzocht dat op grond van duurzame
ontwrichting van hun huwelijk tussen partijen -Nederlanders- echtscheiding
zal worden uitgesproken met bepaling dat de man tot het levensonderhoud
van de vrouw ƒ 450,= per maand zal betalen.

Tevens heeft de vrouw verzocht haar te benoemen tot voogdes en de man tot
toeziend voogd over het minderjarige kind van partijen met bepaling dat
de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van dat
minderjarige kind ƒ 300,= per maand zal betalen.

De man heeft erkend althans niet betwist hetgeen is gesteld omtrent de
huwelijkssluiting, het huwelijksgoederenregime, de geboorte van hun
minderjarige kind, de nationaliteit van partijen en de duurzame
ontwrichting van hun huwelijk en tegen het verzoek tot echtscheiding en
de voorgestelde gezagsvoorziening geen verweer gevoerd.

Hij heeft echter het verzoek met betrekking tot de kinderbijdrage en de
bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw -althans de bedragen-
bestreden en zijnerzijds verzocht de kinderbijdrage op ƒ 250,= per maand
te bepalen.

Daarop is de zaak behandeld op de terechtzitting van 13 oktober 1994. De
rechtbank overweegt als volgt:

1. Ten processe staat vast, mede door het overgelegde bewijsstuk, dat
partijen zijn gehuwd op 20 december 1984 te Hilversum.

2. Tussen partijen staat voorts vast dat het huwelijk duurzaam is
ontwricht, zodat het verzoek tot echtscheiding als niet bestreden
toewijsbaar is.

3. Hetzelfde geldt voor het niet bestreden nevenverzoek tot verdeling van
de huwelijksgoederengemeenschap van partijen, het nevenverzoek te bepalen
dat de vrouw huurster van de echtelijke woning zal zijn, de voorgestelde
gezagsregeling en de omgangsregeling.

4. Met betrekking tot de alimentatieverzoeken heeft de man primair het
verweer gevoerd dat de vrouw door haar misdragingen geen aanspraak kan
maken op alimentatie, subsidiair de vrouw samenleeft met een ander als
waren zij gehuwd, meer subsidiair de man onvoldoende draagkracht heeft om
de verzochte bijdragen te betalen, behoudens ƒ 250,= per maand voor het
kind.

5. Primair verweer.

De man heeft gesteld dat hij ernstig mishandeld is door de vriend van de
vrouw, welke mishandeling geschiedde op verzoek van de vrouw, danwel dat
deze mishandeling is uitgelokt door de vrouw.

Ter adstructie van zijn stellingen heeft de man een procesverbaal van
aangifte d.d. 7 maart 1994 overgelegd, waarin onder andere -zakelijk
weergegeven- het navolgende is opgenomen:

Op 28 februari 1994 heeft de man, in overleg met de vrouw, de echtelijke
woning verlaten en is apart gaan wonen. In de nacht van 4 op 5 maart 1994
constateerde de man dat het kind van partijen, in de leeftijd van 8 jaar,
en een dochter van de vrouw, in de leeftijd van 12 jaar alleen thuis
waren. De man heeft vervolgens naar een cafe gebeld, waar de vrouw vaak
kwam. Zij was daar en hij heeft haar verzocht naar huis te komen. Hierop
verscheen de vriend van de vrouw die de man zodanig mishandelde, dat hij
onder andere twee tanden verloor.

De vrouw heeft het in het proces-verbaal opgenomene niet weersproken. Zij
heeft echter tegengesproken dat zij haar vriend verzocht heeft de man te
mishandelen, zoals hij stelt, danwel de mishandeling uitgelokt te hebben.
Zij heeft -naar zij stelt- een in het bewuste cafe aanwezige vriendin
verteld dat de man haar had gecommandeerd naar huis te komen. Haar vriend
zou dit gehoord hebben, waarna deze naar de woning van de vrouw is gegaan
en de man mishandeld heeft. Zij is niet aanwezig geweest bij de
mishandeling.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de man
onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw de mishandeling van de
man uitgelokt zou hebben en er derhalve geen sprake is van een zodanig
gedrag van de vrouw dat in redelijkheid van de man niet gevergd kan worden
dat deze bijdraagt in het levensonderhoud van de vrouw.

6. Subsidiair verweer.

De man heeft gesteld dat de vrouw de helft van de week bij haar vriend en
de andere helft van de week de vriend bij haar verblijft.

De vrouw heeft het gestelde betwist. Zij heeft -naar zij stelt- slechts
een enkele keer bij haar vriend geslapen.

De man heeft geen bewijsaanbod van zijn stelling gedaan.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de man
onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw samenleeft met haar
vriend als waren zij gehuwd.

7. Meer subsidiair verweer.

Op grond van hetgeen uit de stukken en ter terechtzitting is gebleken gaat
de rechtbank uit van de navolgende situatie:

ten aanzien van de vrouw: Zij bewoont met het kind van partijen en twee
kinderen uit een vorig huwelijk de echtelijke woning waarvan de huur ƒ
427,= per maand bedraagt. Haar inkomen bedraagt ƒ 1.485,03 netto per
maand, exclusief vakantietoeslag. Zij is ingedeeld in tariefgroep 5.

ten aanzien van de man: Hij woont thans bij zijn ouders, maar is op zoek
naar een eigen woning. Zijn inkomen bedraagt ƒ 500,= netto per week,
hetgeen neerkomt op ƒ 2.166,= netto per maand, exclusief vakantietoeslag.

Bij de berekening van de draagkracht van de man zal de rechtbank rekening
houden met een toekomstige huur van ƒ 600,= per maand en met ƒ 250,=
herinrichtingskosten per maand. Voorts houdt de rechtbank rekening met ƒ
50,= omgangskosten per maand. Geen rekening wordt gehouden met
tandartskosten die de man stelt te hebben nu de man geen bewijsstukken
heeft overgelegd over toekomstige kosten hieromtrent. De overgelegde
kostenbegroting vormt onvoldoende bewijs dat de man daadwerkelijk nog
kosten heeft, temeer daar bij beschikking voorlopige voorzieningen van 25
mei 1994 reeds met de tandartskosten rekening is gehouden.

Hoewel de man stelt dat hij thans geen zwart werk meer verricht, terwijl
hij in het kader van de voorlopige voorzieningen heeft toegegeven hiermee
ongeveer ƒ 150,= per maand te verdienen, zal de rechtbank hiermee rekening
houden nu deze inkomsten tijdens het huwelijk een onderdeel van het
gezinsinkomen vormden. De man heeft ter zitting verklaard geen zin meer
te hebben om zwart bij te verdienen, maar zijn onderhoudsverplichting
jegens de vrouw wordt hierdoor niet beinvloed.

Lettende op deze feiten en omstandigheden, op de daaruit blijkende
behoefte onderscheidenlijk draagkracht van partijen en op de duur van hun
huwelijk en rekening houdende met de omstandigheid dat de man ook een
onderhoudsplicht heeft jegens het kind van partijen, voor wie hij na te
noemen bedrag moet betalen, alsook met de omstandigheid dat de door de man
tot het levensonderhoud van de vrouw te betalen uitkeringen voor hem
fiscaal aftrekbaar zijn terwijl zij voor de vrouw in beginsel belastbaar
en aan premieheffing onderworpen inkomen opleveren, is de rechtbank van
oordeel dat na te melden bijdrage redelijk en billijk en met de te dezen
aan te leggen maatstaven in overeenstemming is, terwijl voorts de
kinderbijdrage als buitengewone last fiscaal voordeel oplevert voor de
man.

Beslissing:

De rechtbank: -spreekt echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 20
december 1984 te Hilversum; -benoemt de vrouw tot voogdes en de man tot
toeziend voogd over der partijen kind:

geboren op 8 mei 1986 te Hilversum, en beveelt de afgifte, voorzover nodig
en voorzover niet door een eerdere rechterlijke beslissing uitgesloten,
aan de benoemde voogdes;

-bepaalt dat de man ƒ 300,= (driehonderd gulden) per maand zal betalen als
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde
minderjarige, bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw, en te verhogen
met het bedrag van iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten
of regelingen ten behoeve van die minderjarige kan of zal worden verleend;

-bepaalt in het kader van een omgangsregeling dat voornoemde minderjarige
eenmaal in de twee weken van zaterdag 12.00 uur tot zondag 19.00 uur bij
de man zal verblijven;

-bepaalt dat de man ƒ 200,= (tweehonderd gulden) per maand zal betalen aan
de vrouw als uitkering van haar levensonderhoud vanaf de dag van
inschrijving van de uitspraak der echtscheiding, bij vooruitbetaling te
voldoen;

-bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de echtelijke woning aan de
.

-verklaart voormelde nevenvoorzieningen uitvoerbaar bij voorraad;

-beveelt partijen met elkaar over te gaan tot verdeling van de tussen hen
bestaande gemeenschap van goederen en benoemt voor het geval van geschil
daaromtrent notaris mr. D. Stolp te Hilversum danwel de ambtelijke
bewaarder van diens protocol teneinde de verdeling op de door hem te
bepalen plaats en tijd te bewerkstelligen en voor het geval van
weigerachtigheid of nalatigheid tot medewerking de advocaten mr. B.J. van
den Hemel te Hilversum en mr. A.L. Koopman-Thomas te Hilversum ter
vertegenwoordiging van de man onderscheidenlijk de vrouw;

-wijst het meer of anders verzochte af.

Rechters

Mr. M. van Hees

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 9 november 1994

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Partijen zijn 19 jaar gehuwd geweest en hebben twee kinderen van 15 en 18
jaar oud. De man stelt dat de vrouw geen behoefte heeft omdat zij meer
uren kan gaan werken. De vrouw heeft een verklaring van de werkgever
overgelegd waaruit blijkt dat haar verzoek tot uitbreiding van haar
werkuren is afgewezen. Op grond van het bovenstaande, de leeftijd van
partijen en de financiele omstandigheden van partijen oordeelt de
rechtbank dat de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende uitkering tot
levensonderhoud. Alimentatie wordt ƒ 950,=.

Volledige tekst

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: -het op 5 juli
1994 ter griffie van deze rechtbank ingediende verzoekschrift; -het tijdig
daartegen ingediende verweerschrift; -de reactie op het verweerschrift.

De vrouw heeft onder andere verzocht dat op grond van duurzame
ontwrichting van hun huwelijk tussen partijen -Nederlanders- echtscheiding
zal worden uitgesproken met bepaling dat de man tot het levensonderhoud
van de vrouw ƒ 1.250,= per maand zal betalen. Tevens heeft de vrouw
verzocht haar te benoemen tot voogdes en de man tot toeziend voogd over
de minderjarige kinderen van partijen met bepaling dat de man als bijdrage
in de kosten van verzorging en opvoeding van die minderjarige kinderen ƒ
350,= per kind per maand zal betalen.

De man heeft erkend althans niet betwist hetgeen is gesteld omtrent de
huwelijkssluiting, het huwelijksgoederenregime, de geboorte van hun
minderjarige kinderen, de nationaliteit van partijen en de duurzame
ontwrichting van hun huwelijk en tegen het verzoek tot echtscheiding en
de voorgestelde gezagsvoorziening en kinderbijdrage geen verweer gevoerd.

Hij heeft echter het verzoek met betrekking tot de bijdrage in het
levensonderhoud van de vrouw -althans het bedrag- bestreden.

De vrouw heeft het in het verzoekschrift gestelde gehandhaafd.

Daarop is de zaak behandeld op de terechtzitting van 20 oktober 1994.

De rechtbank overweegt als volgt:

1. Ten processe staat vast, mede door het overgelegde bewijsstuk, dat
partijen zijn gehuwd op 28 maart 1975 te Uithoorn.

2. Tussen partijen staat voorts vast dat het huwelijk duurzaam is
ontwricht, zodat het verzoek tot echtscheiding als niet bestreden
toewijsbaar is.

3. Hetzelfde geldt voor het niet bestreden nevenverzoek tot verdeling van
de huwelijksgoederengemeenschap van partijen, het nevenverzoek te bepalen
dat de vrouw huurster van de echtelijke woning zal zijn, de voorgestelde
gezagsregeling en de verzochte kinderbijdrage.

De kinderen die de leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt, hebben
schriftelijk doen weten dat zij met de voorgestelde gezagsregeling akkoord
gaan.

4. Met betrekking tot het alimentatieverzoek gaat de rechtbank op grond
van hetgeen uit de stukken en ter terechtzitting is gebleken van de
navolgende situatie:

ten aanzien van de vrouw: zij is 47 jaar oud en bewoont met de kinderen
van partijen de echtelijke woning waarvan de huur ƒ 763,37 per maand
bedraagt. Zij werkt parttime als telefoniste bij de PTT, waarmee zij
ongeveer ƒ 930,= netto per maand verdient, inclusief ƒ 113,55
reiskostenvergoeding en exclusief vakantietoeslag. Zij is nog ingedeeld
in tariefgroep 2, hetgeen tariefgroep 4 zal worden.

ten aanzien van de man: Hij is 49 jaar oud en bewoont een kamer op het
bedrijf waar hij werkzaam is. De huur bedraagt ƒ 450,= per maand. Zijn
inkomen bedraagt ƒ 5.416,= bruto per maand. Voor een lening bij zijn
werkgever ter aflossing van een belastingschuld betaalt hij, blijkens de
overgelegde salarisstrook, ƒ 100,= per maand aan aflossing en rente. De
premie voor een ziektekostenverzekering bedraagt ƒ 153,94. De premie voor
een levensverzekering bedraagt ƒ 46,= per maand.

De man heeft gesteld dat de vrouw geen behoefte heeft aan een uitkering
tot levensonderhoud omdat zij meer uren kan gaan werken en aldus volledig
in haar levensonderhoud kan voorzien.

De vrouw heeft de stelling van de man weersproken en hiertoe aangevoerd
dat het haar niet gelukt is het aantal uren uit te breiden. Ter
ondersteuning hiervan heeft zij een verklaring van haar werkgever
overgelegd waaruit blijkt dat haar verzoek tot uitbreiding van haar
werkuren is afgewezen.

Op grond van vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de vrouw behoeft
heeft aan een aanvullende uitkering tot levensonderhoud.

Bij de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van
voormelde financiele gegevens. Voorts zal rekening worden gehouden met ƒ
50,= tandartskosten per maand en ƒ 100,= per maand omgangskosten.

De rechtbank gaat uit van de kamerhuur van de man en nu de vrouw
onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de man samenwoont en derhalve
geen of minder woonkosten zou hebben.

Hoewel de man ingeschreven staat voor zelfstandige woonruimte zal
vooralsnog slechts rekening worden gehouden met zijn kamerhuur nu hij al
bijna een jaar op deze wijze woont, onzeker is op welk tijdstip de man
andere woonruimte zal krijgen en hij zelf gesteld heeft dat dit nog wel
een tot twee jaar kan duren. De rechtbank zal derhalve ook geen rekening
houden met herinrichtingskosten.

Lettende op deze feiten en omstandigheden, op de daaruit blijkende
behoefte onderscheidenlijk draagkracht van partijen en op de duur van hun
huwelijk en rekening houdende met de omstandigheid dat de man ook een
onderhoudsplicht heeft jegens de kinderen van partijen, voor wie hij na
te noemen bedrag moet betalen alsook met de omstandigheid dat de door de
man tot het levensonderhoud van de vrouw te betalen uitkeringen voor hem
fiscaal aftrekbaar zijn terwijl zij voor de vrouw in beginsel belastbaar
en aan premieheffing onderworpen inkomen opleveren, is de rechtbank van
oordeel dat na te melden bijdrage redelijk en billijk en met de te dezen
aan te leggen maatstaven in overeenstemming is.

Bij de berekening van de bijdrage heeft de rechtbank ermee rekening
gehouden dat zodra het oudste kind de meerderjarige leeftijd bereikt de
door de man te betalen bijdrage voor dit kind, waarvan hij toegezegd heeft
deze ook na de meerderjarigheid te voldoen, geen fiscaal voordeel vanwege
buitengewone lasten oplevert.

Beslissing:

De rechtbank:

-spreekt echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 27 maart 1975 te
Uithoorn;

-benoemt de vrouw tot voogdes en de man tot toeziend voogd over der
partijen kinderen:

geboren op 14 november 1976 te Amsterdam, geboren op 13 maart 1979 te
Amsterdam, en beveelt de afgifte, voorzover nodig en voorzover niet door
een eerdere rechterlijke beslissing uitgesloten, aan de benoemde voogdes;

-bepaalt dat de man ƒ 350,= (driehonderd en vijftig gulden) per kind per
maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding
van voornoemde minderjarigen, bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw,
en te verhogen met het bedrag van iedere uitkering die hem op grond van
geldende wetten of regelingen ten behoeve van die minderjarigen kan of zal
worden verleend.;

-bepaalt dat de man ƒ 950,= (negenhonderd en vijftig gulden) per maand zal
betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud vanaf de dag
van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding, bij vooruitbetaling
te voldoen;

-bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de echtelijke woning aan de
te Uithoorn;

-verklaart voormelde nevenvoorzieningen uitvoerbaar bij voorraad;

-beveelt partijen met elkaar over te gaan tot verdeling van de tussen hen
bestaande gemeenschap van goederen en benoemt voor het geval van geschil
daaromtrent notaris mr. A.J. Gitzels te Uithoorn danwel de ambtelijke
bewaarder van diens protocol teneinde de verdeling op de door hem te
bepalen plaats en tijd te bewerkstelligen en voor het geval van
weigerachtigheid of nalatigheid tot medewerking de advocaten mr. A. Bos
te Uithoorn en mr. M.L.A. Verleun te Uithoorn ter vertegenwoordiging van
de man onderscheidenlijk de vrouw;

-wijst het meer of anders verzochte af.

Rechters

mr. C.E. Polak

Instantie: Rechtbank Roermond, 3 november 1994

Instantie

Rechtbank Roermond

Samenvatting


Partijen zijn achttien jaar gehuwd geweest en hebben twee minderjarige
kinderen van negen en elf jaar oud. De man betwist de behoefte van de
vrouw nu zij een inkomen verdient dat hoger is dan het van toepassing
zijnde ABW-normbedrag voor een een-oudergezin. De rechtbank is van oordeel
dat de behoefte van de vrouw aan een (aanvullende) bijdrage in de kosten
van haar levensonderhoud niet slechts wordt bepaald door het bedrag dat
nodig is om in haar primaire levensbehoeften te voorzien en door hetgeen
zij daarin uit eigen inkomsten kan bijdragen, doch mede wordt bepaald door
het inkomen dat partijen tijdens het huwelijk ter beschikking stond en hun
levensstandaard in die periode beinvloedde.

Vaststaat dat het totale inkomen van de echtgenoten tijdens hun huwelijk
veel hoger is geweest dat het volgens de ABW geldende normbedrag voor een
gezin. De rechtbank acht dan ook de behoefte van de vrouw aan alimentatie
reeel, waarbij ook nog van belang is dat de vrouw ter zitting haar verzoek
in die zin heeft beperkt dat zij slechts van de man een aanvulling wenst
op haar eigen inkomsten, zulks voorzover haar totale inkomen -dat wil
zeggen met inbegrip van de netto alimentatie- minder bedraagt dan ƒ
2.535,= netto per maand. Alimentatie wordt ƒ 1.895,=.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure: Bij exploit d.d. 8 juni 1994 is het
verzoekschrift aan B betekend. A heeft thans verzocht (kort samengevat):
-echtscheiding althans scheiding van tafel en bed; -benoeming van A tot
voogdes en B tot toeziend voogd over de minderjarige kinderen van de
echtgenoten; -bepaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en
opvoeding van de minderjarige kinderen van ƒ 350,= per maand per kind;
-bepaling dat de omgangsregeling in goed onderling overleg zal
plaatsvinden; -betaling van een uitkering voor levensonderhoud van ƒ
2000,= per maand; -verdeling van de gemeenschappelijke goederen; -het
voortgezet gebruik van de echtelijke woning met wat daarbij hoort;
-bepaling dat A de kosten van de hypotheek van de echtelijke woning, de
verdere lasten welke op de onroerende zaak betrekking hebben, alsmede de
energielasten gedurende het voortgezet gebruik zal voldoen.

B heeft op 11 augustus 1994 een verweerschrift bij de rechtbank ingediend
en verzocht A niet-ontvankelijk te verklaren in althans af te wijzen de
verzoeken tot: -bepaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en
opvoeding van de minderjarige kinderen van ƒ 350,= per maand per kind;
-betaling van een uitkering voor levensonderhoud van ƒ 2000,= per maand;
-verdeling van de gemeenschappelijke goederen; -het voortgezet gebruik van
de echtelijke woning met wat daarbij hoort; -bepaling dat A de kosten van
de hypotheek van de echtelijke woning, de verder lasten welke op de
onroerende zaak betrekking hebben, alsmede de energielasten gedurende het
voortgezet gebruik zal voldoen; en zich voor het overige gerefereerd aan
het oordeel van de rechtbank.

Op 5 september 1994 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De
griffier heeft daarvan aantekening gehouden. Bij deze behandeling waren
aanwezig: de echtgenoten, bijgestaan door hun advocaten.

Tenslotte hebben partijen nog nadere bescheiden en standpunten aan de
rechtbank overgelegd.

Naar aanleiding van een mondeling verzoek van A hebben partijen tijdens
de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt over de thans in de
beschikking vast te leggen omgangsregeling, waarbij partijen voorts hebben
afgesproken dat uitbreiding naar een weekendregeling -zodra mogelijk- in
onderling overleg zal worden bepaald.

A heeft tijdens de mondelinge behandeling haar verzoek tot bepaling van
een kinderbijdrage gewijzigd in die zin dat zij -gelet op de nieuwe normen
die gelden voor de bepaling van de kinderbijdragen- thans verzoekt om een
totaalbedrag van ƒ 1040,= ter zake van kinderbijdragen per maand.

B heeft tegen deze wijziging van het verzoek bezwaren geuit, doch de
rechtbank is van oordeel dat B door deze wijziging niet onredelijk in zijn
belangen wordt geschaad, zodat het verweer niet kan slagen. De hoogte van
de op te leggen bijdrageverplichting wordt immers beperkt door de
draagkracht van B.

Vaststellingen en overwegingen: Uit de overgelegde bescheiden blijkt
hetgeen bij verzoekschrift is gesteld over: het huwelijk van de
echtgenoten; de thans nog minderjarige kinderen; de Nederlandse
nationaliteit van de echtgenoten.

B heeft de door A gestelde duurzame ontwrichting niet weersproken en zich
aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd, zodat het verzoek tot
echtscheiding voor toewijzing vatbaar is. Dit geldt eveneens ten aanzien
van het nevenverzoek tot: -benoeming van A tot voogdes en B tot toeziend
voogd over de minderjarige kinderen.

De echtgenoten zijn het eens geworden over een omgangsregeling. De
rechtbank acht deze regeling in het belang van de betreffende
minderjarigen en zij zal deze daarom overnemen.

Met betrekking tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning met wat
daarbij hoort overweegt de rechtbank het volgende: Het staat onbetwist
vast dat B eigenaar is van deze woning. Voorts is gebleken dat B
vervangende woonruimte heeft, maar dat hij zo spoedig mogelijk in zijn
(eigendoms) woning wenst terug te keren. A heeft ter zitting verklaard dat
zij ingeschreven staat bij de woningbouwvereniging en dat zij de
betreffende woning zo spoedig mogelijk wenst te verlaten, maar dat het
tijdstip (in hoge mate) afhankelijk is van het moment waarop zij enigszins
passende woonruimte voor zichzelf en de kinderen heeft gevonden.

De rechtbank is van oordeel dat -ervan uitgaande dat A het nodige in het
werk stelt om vervangende woonruimte te vinden- nu A en de kinderen thans
nog niet over vervangende woonruimte beschikken, het redelijk is om het
voortgezet gebruik van de echtelijke woning met wat daarbij hoort aan B
toe te wijzen.

Ofschoon de echtgenoten gehuwd zijn met uitsluiting van iedere gemeenschap
van goederen, zal de rechtbank -nu B ter zitting heeft erkend dat er
goederen tussen de echtgenoten gemeen zijn- de verdeling bevelen van de
goederen tussen de echtgenoten gemeen.

Het verzoek strekkende tot bepaling dat A de kosten van de hypotheek van
de echtelijke woning, de verdere lasten welke op de onroerende zaak
betrekking hebben, alsmede de energielasten gedurende het voortgezet
gebruik zal voldoen, steunt niet op de wet en dient dan ook te worden
afgewezen. (De rechtbank merkt daaromtrent nog op dat het in het belang
is van B dat de hypothecaire lasten voldaan blijven worden).

Met betrekking tot de verzoeken tot bepaling van de onderhoudsbijdragen
overweegt de rechtbank het volgende: B heeft tijdens de zitting zijn
stelling dat A geen behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van de kinderen niet gehandhaafd.

B betwist wel de behoefte van A aan een bijdrage in de kosten van haar
levensonderhoud, omdat zij een inkomen verdient dat hoger is dan het voor
A van toepassing zijnde ABW-normbedrag voor een een-oudergezin.

Voorts betwist B dat hij de draagkracht heeft om de gevraagde bijdragen
te betalen.

De rechtbank is van oordeel dat de behoefte van A aan een (aanvullende)
bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud niet slechts wordt bepaald
door het bedrag dat nodig is om in haar primaire levensbehoeften te
voorzien en door hetgeen zij daarin uit eigen inkomsten kan bijdragen,
doch mede wordt bepaald door het inkomen dat partijen tijdens het huwelijk
ter beschikking stond en hun levensstandaard in die periode beinvloedde.

Vaststaat dat het totale inkomen van de echtgenoten tijdens hun huwelijk
veel hoger is geweest dan het volgens de Algemene Bijstandswet geldende
normbedrag voor een gezin.

De rechtbank acht dan ook de behoefte van A aan alimentatie reeel, waarbij
ook nog van belang is dat A ter zitting haar verzoek in die zin heeft
beperkt dat zij slecht van B een aanvulling wenst op haar eigen inkomen,
zulks voorzover haar totale inkomen -dat wil zeggen met inbegrip van de
netto alimentatie- minder bedraagt dan ƒ 2535,= netto per maand. De
rechtbank merkt hieromtrent nog op dat A heeft toegezegd iedere maand haar
salarisstrook aan B beschikbaar te stellen.

Derhalve dient thans de vraag beantwoord te worden in welke mate B in
staat moet worden geacht een bijdrage te leveren in de kosten van
verzorging en opvoeding, respectievelijk kosten van levensonderhoud.

Ter zitting d.d. 5 september 1994 is door B overgelegde
draagkrachtberekening besproken. Gelet op het verhandelde ter zitting
heeft de rechtbank -mede aan de hand van de overgelegde bescheiden en
rekening houdend met de na te noemen gegevens- een bruto rekening gemaakt.

Bij de berekening van het hierna te noemen besteedbaar inkomen is rekening
gehouden met het voor 1994 van toepassing zijnde huurwaardeforfait van ƒ
2520,= per jaar, alsmede met de fiscale konsekwenties van de te betalen
kinderbijdragen van ƒ 520,= per kind per maand, tot betaling waarvan B
gelet op zijn inkomsten en uitgaven- reeds op voorhand in staat wordt
geacht.

Het resultaat van een en ander is een besteedbaar maandinkomen van ƒ
5840,=, indien wordt uitgegaan van uitsluitend het door B gestelde salaris
van ƒ 7.350,= per maand. Gebleken is echter dat B zichzelf in 1992 een
tantieme van ƒ 20.000,= heeft toegekend. In 1993 is geen tantieme
uitgekeerd. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft B gesteld,
dat in 1993 behaalde winst geheel is omgezet in een pensioenvoorziening.
De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel, dat de
bedrijfsresultaten het kennelijk mogelijk maken dat jaarlijks boven het
salaris tegemoetkomingen aan B worden gedaan. Dat dit de ene keer gebeurt
in de vorm van een tantieme en de andere keer in de vorm van een
pensioenvoorziening, maakt geen relevant verschil. Een en ander betekent,
dat de rechtbank ook over 1994 ervan uitgaat dat B boven het vaste salaris
een relevante tegemoetkoming zal of kan ontvangen, waardoor zijn
draagkracht in relevante mate wordt beinvloed. Bij de berekening van de
draagkracht van B zal de rechtbank dan ook uitgaan van een totaal
besteedbaar inkomen van ƒ 6.500,= per maand.

Ter bestrijding van de noodzakelijke, in het algemeen geldende, kosten van
levensonderhoud dient te worden vrijgelaten het ABW-normbedrag voor een
alleenstaande.

De woonlasten: Ten aanzien van de woonlasten van de echtelijke woning
merkt de rechtbank op dat, gezien de hoogte van de betreffende netto
hypotheeklast en omdat het een verplichting betreft die tijdens het
huwelijk is ontstaan, die kosten integraal in aanmerking kunnen worden
genomen.

De rechtbank is het bovendien niet met A eens dat geen rekening gehouden
dient te worden met die woonlast als B in de woning is teruggekeerd, omdat
haar huurlast veel lager zal uitvallen. De rechtbank acht het niet
redelijke dat B gedurende het voortgezet gebruik van de echtelijke woning
door A en de kinderen de totale kosten voor zijn rekening dient te nemen,
maar dat -vanaf het moment dat hij zelf in de woning gaat wonen- die
woonlast te hoog wordt bevonden Dit betekent dat in aanmerking wordt
genomen een bruto hypotheeklast van ƒ 1705,= per maand en een premie
levensverzekering van ƒ 144,= per maand. Ter zake van zakelijke lasten is
B uitgegaan van ƒ 100,= per maand.

Overige lasten: Gebleken is dat de verschuldigde premie ZW en
AAW-verzekering voor geheel 1994 ƒ 651,31 heeft bedragen.

Ter zitting is overeengekomen dat de in aanmerking te nemen premie
ziektekostenverzekering vastgesteld kan worden op ƒ 83,= per maand.
Hetzelfde geldt voor het eigen risico van ƒ 500,= per jaar.

De kosten terzake van de omgangsregeling ad ƒ 80,= per maand kunnen in
aanmerking genomen worden.

Met de rente ING-bank van ƒ 600,= per maand wordt geen rekening gehouden,
omdat gebleken is dat het een verplichting betreft die niet valt in de
prive-sfeer, doch is aangegaan ter verwerving van aandelen, zodat deze
nimmer ten nadele kan strekken van de draagkracht die bestemd moet worden
voor het nakomen van wettelijke onderhoudsverplichtingen.

Het vorenstaande in aanmerking nemende en rekening houdend met de
relevante fiscale aspecten is de rechtbank van oordeel dat B met een
bedrag van ƒ 1.895,= per maand kan bijdragen in de kosten van
levensonderhoud van A.

De hierna te treffen voorzieningen moeten het meest in het belang van de
minderjarigen worden geacht.

De proceskosten zullen tussen de echtgenoten worden gecompenseerd.

Beslissing:

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen de echtgenoten, gehuwd op benoemt
over de twee thans nog minderjarige kinderen van de echtgenoten: 1.
geboren te op 2. geboren te op tot voogdes: de
moeder: tot toeziend voogd: de vader: beveelt -voorzover nodig- de
afgifte van voornoemde kinderen aan de moeder;

bepaalt dat de vader, ten behoeve van de verzorging en opvoeding van ieder
der minderjarigen, te beginnen met de dag dat deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij
vooruitbetaling aan de moeder heeft te betalen een bedrag van ƒ 520,=
(vijfhonderdtwintig gulden) per maand per kind, telkens vermeerderd met
het bedrag van ieder uitkering die krachtens geldende wetten of regelingen
ten behoeve van die minderjarigen kan of zal worden verleend;

regelt de omgang aldus dat voornoemde minderjarigen in beginsel iedere
zaterdagmiddag van 14.00 uur tot 18.00 uur bij de vader kunnen verblijven
en verstaat dat uitbreiding van deze regeling in onderling overleg
geregeld wordt;

bepaalt dat B met ingang van de dag, waarop de beschikking tot
echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke
stand aan A voor levensonderhoud heeft te betalen een bedrag van ƒ 1.895,=
(achttienhonderd vijf-en negentig gulden) per maand, bij vooruitbetaling
te voldoen, met dien verstande dat het door B verschuldigde bedrag niet
hoger zal zijn dan nodig is om voor A na aftrek van de door haar
verschuldigde belasting, in aanvulling op haar arbeidsinkomsten, een
totaal netto-inkomen te realiseren van ƒ 2.535,= netto per maand;

beveelt de echtgenoten over te gaan tot verdeling van de goederen tussen
hen gemeen;

benoemt, tenzij de echtgenoten binnen acht dagen na de inschrijving dezer
echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand anders
overeenkomen, notaris mr. V. Duysens ter standplaats Tegelen, of diens
waarnemer of opvolger om op de door deze te bepalen tijd en plaats en
onder zijn leiding de verdeling te bewerkstelligen;

benoemt, voor het geval een echtgenoot weigert of nalatig blijft aan de
verdeling mede te werken, tot onzijdig persoon volgens de wet voor A, mr.
M Steeghs, advocaat en procureur te Venlo en voor B, mr. J. van ’t
Grunewold, advocaat en procureur te Roermond;

bepaalt dat A als deze op het ogenblik van de inschrijving van deze
beschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning
aan de nog bewoont, jegens B bevoegd is de bewoning en het gebruik van
de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes
maanden na die inschrijving voort te zetten;

sluit voor het eerstkomende kalenderjaar geheel uit de wijziging van
rechtswege die de bij deze uitspraak bepaalde onderhoudsverplichtingen,
zonder deze uitsluiting, na heden zouden ondergaan;

wijst af het meer of anders verzochte;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten tussen de echtgenoten zodanig dat ieder van
hen de eigen kosten draagt.

Rechters

mr. W.P.C.M. Bruinsma

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 3 november 1994

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


De man die buiten huwelijk een kind verwekt maar niet
erkent, is tot onderhoud verplicht. Deze onderhoudsvordering
verjaart volgens artikel 405 lid 2 BW door verloop van vijf
jaar na de geboorte van het kind.
Het Gerechtshof Amsterdam heeft echter geoordeeld dat deze
verjaring discriminatoir is en daarom buiten toepassing moet
blijven. Een onderhoudsvordering ten behoeve van een wettig
kind of ten behoeve van een onwettig kind dat wel door de
vader is erkend, is niet aan verjaring onderworpen. Dit levert
volgens het hof een ongelijke behandeling van het onwettige
niet-erkende kind op zonder redelijke grond. Daarbij beroept
het hof zich op de moderne DNA-methode van vaststelling van
het vaderschap. Doordat tegenwoordig het vaderschap kan worden
vastgesteld zonder beperking in de tijd, is er geen goede
reden meer om de niet-erkende kinderen achter te stellen bij
de andere kinderen.

Volledige tekst

1. het geding

De moeder is bij dagvaarding van 13 december 1993 in hoger
beroep gekomen van een door de rechtbank te Haarlem onder
rolnummer E 55/1993 gewezen en op 14 september 1993
uitgesproken vonnis.

De moeder heeft onder overlegging van producties bij memorie
twee grieven aangevoerd en geconcludeerd -kort gezegd- dat het
hof het vonnis zal vernietigen en de vader -bij arrest
uitvoerbaar bij voorraad- zal veroordelen tot betaling van een
bijdragen van ƒ 300,= per maand in de kosten van verzorging en
opvoeding van R, inclusief de wettelijke indexering, met
veroordeling van de vader, in de kosten van beide instanties
danwel compensatie van kosten, in die zin dat iedere partij de
eigen kosten betaalt.

Hierop heeft de vader onder overlegging van producties bij
memorie van antwoord de juistheid van de grieven bestreden en
zelf eveneens van grieven gediend.

Daarop heeft de moeder bij memorie van antwoord in het hoger
beroep van de vader de juistheid van de grieven bestreden.

Vervolgens heeft de vader nog een akte genomen.

Ten slotte hebben partijen onder overlegging van de stukken
van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep arrest
gevraagd. De inhoud van al deze stukken moet als hier ingelast
worden beschouwd.

2. De grieven

2.1. De grieven van de moeder luiden als volgt.

Grief 1:
Ten onrechte heeft de rechtbank Haarlem overwogen dat uit het
onderzoek ter zitting is gebleken, dat de man over onvoldoende
draagkracht beschikt om een onderhoudsbijdrage te betalen ten
behoeve van de minderjarige t.

Grief 2:
Ten onrechte heeft de rechtbank bij haar beslissing overwogen,
dat bij de vaststelling van de draagkracht van de man rekening
is gehouden met de kosten, die de man in het kader van de
omgangsregeling maakt.

2.2. De grief van de vader houdt in dat de rechtbank ten
onrechte het beroep op de verjaringstermijn van art. 1:405 lid
2 van het Burgerlijke Wetboek heeft verworpen.
Daarnaast voert hij het hierna onder 4.2. onder 4 weergegeven
verweer.

3. De feiten en omstandigheden

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel onvoldoende
betwist alsmede op grond van de overgelegde stukken, staat het
volgende tussen partijen vast.

Uit de moeder is op 1981 T geboren. Zij is voogdes over T.
De vader is zijn biologische vader. Hij heeft T niet erkend.
De vader heeft sinds omstreeks het 6e jaar van T omgang met
hem. In het kader van die omgang verschaft de vader T het een
en ander.

4. De beoordeling van het hoger beroep

4.1. De moeder vordert een bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van T van de vader van ƒ 300,- per
maand.

4.2. De vader voert hiertegen als verweer het volgende aan.
1. De vordering is verjaard op grond van het bepaalde in art.
1:405 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2. De omgang met mij (circa 68 dagen per jaar) impliceert
voorziening in een deel van het levensonderhoud van T.
3. Mijn draagkracht is onvoldoende om -daarnaast- een bijdrage
in de kosten van verzorging en opvoeding van T te betalen.
4. De moeder leeft samen met een andere man als waren zij
gehuwd. Deze man gedraagt zich als vader/stiefvader.

4.3. Het eerste verweer wordt verworpen, omdat dit artikel
buiten toepassing moet blijven wegens strijd met art. 26 van
het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke
rechten (IVBP) en ook artikel 14 in verbinding met artikel 8
van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens (EVRM). Er is hier immers sprake van discriminatie van
het onwettige niet erkende kind ten opzichte van het wettige
en onwettige wel erkende kind terwijl daarvoor geen redelijke
grond aanwezig is. Voorzover een redelijke grond in het
verleden heeft bestaan, is deze door de thans bestaande
natuurwetenschappelijke methoden van vaststelling van het
vaderschap – hetgeen in deze zaak overigens niet aan de orde
is – komen te vervallen. De grief van de vader treft dus geen
doel.

4.4. Als stiefouder in de zin van artikel 1:392 van het
Burgerlijk Wetboek kan alleen worden aangemerkt degeen die
gehuwd is met de ouder van een wettig of natuurlijk kind dat
tot zijn gezin behoort, maar waarvan hij niet de ouder is.
Slechts in dat geval is de stiefouder verplicht
levensonderhoud te verstrekken aan die kinderen. Nu de moeder,
naar de vader stelt, met een man samenleeft als waren zij
gehuwd, faalt ook het vierde verweer.

4.5. Ten aanzien van het tweede en derde verweer behoeft het
hof nadere inlichtingen.

4.6. Partijen dienen alle bescheiden die voor een beslissing
van belang kunnen zijn uiterlijk veertien dagen voor de dag
waarop de comparitie van partijen zal worden gehouden aan de
raadsheer-commissaris en in afschrift aan de wederpartij toe
te zenden.

4.7. Bij deze bescheiden dienen zich te bevinden:
aan de zijde van partijen:

recente bescheiden waaruit de huidige hoogte van de inkomsten
en uitgaven van partijen die van belang kunnen zijn voor de
bepaling van de bijdrage voor T, kan blijken.

In ieder geval wordt van de vader verwacht dat hij de beide
laatste ingediende aangiften inkomstenbelasting overlegt met
alle bij die aangiften behorende stukken, odnertekend door hem
of zijn belastingadviseur.

4.8. Voorts dient de moeder bij voorkeur in fotocopie aan de
raadsheer-commissaris toe te zenden alle stukken van de eerste
aanleg en het hoger beroep met inbegrip van alle producties,
eveneens uiterlijk veertien dagen voor de dag waarop de
comparitie van partijen zal worden gehouden.

5. Beslissing

Het hof:

1. gelast partijen in persoon, met hun raadslieden te
verschijnen voor het geven van inlichtingen, voor mr. J.G.W.
Willems-Morsink in deze zaak benoemd tot raadsheer-
commissaris, op indsdag 13 december 1994 te 11.30 uur, in een
der zalen van het paleis van jusitie aan de Prinsengracht 436
te Amsterdam;

2. bepaalt dat uiterlijk veertien dagen voordien alle hiervoor
genoemde bescheiden en processtukken zullen worden toegezonden
als hiervoor is aangegeven;

3. houdt iedere verder beslissing aan.
Deze zaak is gegarandeerd door Proefprocessenfonds
Rechtenvrouw.

Rechters

Mrs Willems-Morsink, IJland-van Veen en De Boer

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 2 november 1994

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De pleegvader van eiseres is veroordeeld wegens het plegen van ontucht met
zijn minderjarig pleegkind. Eiseres is ƒ 1.500,- schadevergoeding
toegekend. De procureur-generaal heeft besloten deze strafzaak op te
leggen ter verjaring in verband met overschrijding van de in artikel 6
EVRM bedoelde redelijke termijn. Eiseres vordert van de Staat
schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad. De rechtbank oordeelt
dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld voor zover de vordering van
eiseres in een rechtsvacuum is terechtgekomen omdat zij de vordering niet
kon executeren en geen civiele vordering kon instellen. De Staat is
aansprakelijk voor de hieruit voortvloeiende schade van ƒ 1.500,-.
Bovendien is de Staat in beginsel aansprakelijk voor het disfunctioneren
van zijn personeel indien dit een onrechtmatige daad jegens eiseres zou
opleveren. Het afzien van vervolging van de dader vormt evenwel geen
onrechtmatige daad ten aanzien van het slachtoffer aangezien slachtoffers
geen recht op vervolging van verdachten toekomt.

Volledige tekst

Partijen hierna ook te noemen H en de Staat, hebben vonniswijzing gevraagd
en H heeft daartoe de navolgende stukken aan de rechtbank overgelegd: -de
conclusie van eis overeenkomstig de dagvaarding; -de conclusie van
antwoord en repliek, beide met producties; -de conclusie van dupliek met
een productie.

1. Feiten

1.1. Op 30 december 1985 heeft H bij de Amsterdamse politie aangifte
gedaan van seksueel misbruik door haar toenmalige stiefvader WH, gepleegd
in de periode 1974 tot 1979. Er is een gerechtelijk vooronderzoek tegen
WH ingesteld. Tegen de daarna betekende kennisgeving verder vervolging
heeft WH een bezwaarschrift ingediend. In deze bezwaarschriftprocedure
heeft de Hoge Raad op 26 mei 1987 een beslissing gegeven.

1.2. Op 26 oktober 1987 heeft de Rechtbank te Amsterdam WH veroordeeld tot
gevangenisstraf wegens ontucht plegen met zijn minderjarig pleegkind,
meermalen gepleegd. Bij dat vonnis is WH veroordeeld ƒ 1.500,- te betalen
aan H, die zich als beledigde partij in de strafzaak had gevoegd.

1.3. WH geeft op 26 oktober 1987 tegen het vonnis van de rechtbank hoger
beroep ingesteld. Op 17 december 1991 is het strafdossier bij het
gerechtshof te Amsterdam binnengekomen. Op 12 oktober 1992 heeft de
procureur-generaal te Amsterdam besloten de strafzaak op te leggen ter
verjaring in verband met overschrijding van de in artikel 6 van het
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden bedoelde redelijke termijn. Ondanks vele brieven
van de raadsvrouwe van H om informatie over de stand van het hoger beroep,
werd een en ander pas op 17 maart 1993 en 17 mei 1993 aan haar
medegedeeld.

1.4. Op 8 juni 1993 heeft de procureur-generaal aan de raadsvrouwe van H
geschreven, dat hem bericht was dat de strafzaak bij de
arrondissementsrechtbank zoek was geraakt.

1.5. De Staat heeft aan H ter zake van geleden materiele schade ƒ 1.500,-
en daarnaast een bedrag van ƒ 5.000,- betaald, waarbij echter
uitdrukkelijk geen aansprakelijkheid is erkend.

2. De vordering en het verweer:

2.1. H vordert een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens
haar heeft gehandeld en dat de Staat aansprakelijk is voor de daaruit
voortvloeiende schade, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
H stelt daartoe, dat door nalatigheid van de Staat de berechting van WH
niet is afgerond en zij de door de rechtbank toegewezen vordering op WH
niet heeft kunnen executeren. H is daardoor ernstig gedupeerd, omdat zij
door jarenlange spanning en het wachten op de terechtzitting bij het
gerechtshof getraumatiseerd raakte. Zij kon het verleden niet afsluiten
en kreeg last van slapeloosheid en herbelevingen.

2.2. De Staat bestrijdt de vordering gemotiveerd.

3. Beoordeling van het geschil:

3.1. Het betreft hier een vordering op grond van onrechtmatige daad,
waarbij de schade volgens de stellingen van H gedeeltelijk voor 1 januari
1992 is geleden. Op grond van het overgangsrecht zal daarom oud recht
worden toegepast.

3.2. Ons systeem van strafvordering is erop gericht, dat als een strafzaak
eenmaal ter openbare terechtzitting aanhangig is gemaakt, in die
strafprocedure ook een onherroepelijke einduitspraak wordt gedaan. Een
veroordelend vonnis opleggen ter verjaring hangende een daartegen
ingesteld hoger beroep — hoe praktisch dit wellicht soms ook mag zijn —
is daarmee in strijd. Dit tast immers enerzijds de rechten van de
betreffende verdachte aan en anderzijds de rechten van de zich in het
geding gevoegd hebbende beledigde partij. In het onderhavige geval kon H
daardoor enerzijds haar door de rechtbank toegewezen vordering op WH niet
executeren en anderzijds niet een civiele vordering bij de burgerlijke
rechter tegen WH instellen. De vordering van H kwam daardoor in een
rechtsvacuum te verkeren, veroorzaakt door de Staat. Dit is een
onrechtmatig handelen van de Staat jegens H. De Staat is voor de daaruit
voortvloeiende schade aansprakelijk, immers de beslissing tot dit opleggen
is genomen door de procureur-generaal en betreft geen rechterlijke
beslissing. Deze schade is echter reeds door de Staat vergoed door
betaling van ƒ 1.500,-, het maximum-bedrag welke de vordering kon
belopen.

3.3. Uit de brief van 8 juni 1993 van de procureur-generaal blijkt, dat
de vertraging in het verloop van de strafprocedure na het instellen van
het hoger beroep is veroorzaakt doordat de strafzaak bij de
arrondissementsrechtbank zoek was geraakt. Hieruit volgt dat de vertraging
niet gelegen was in enigerlei rechterlijke gedraging, zodat de Staat voor
het disfunctioneren van zijn personeel in beginsel aansprakelijk kan
worden gesteld, indien dit een onrechtmatige daad jegens H zou opleveren.
Dit laatste is echter niet het geval. Of een verdachte wordt vervolg en
of een aangevangen vervolging wordt doorgezet, is in beginsel overgelaten
aan het oordeel van het openbaar ministerie, waarbij indien niet wordt
vervolgd, een toetsing kan plaatsvinden door het gerechtshof. Bij deze
beslissingen spelen natuurlijk de belangen van slachtoffers een rol, maar
de slachtoffers hebben geen recht op vervolging van verdachten. Het niet
(tijdig) verder vervolgen van WH levert daarom geen onrechtmatige daad
jegens H op.

3.4. Uit het bovenstaande volgt dat de vordering van H als na te melden
moeten worden toegewezen. De rechtbank merkt hierbij op, dat de door H
geleden schade ten gevolge van het onrechtmatig handelen van de Staat door
de betaling van ƒ 1.500,- reeds volledig is vergoed. Na partijen over en
weer in het ongelijk zijn gesteld, zal de rechtbank de proceskosten
compenseren.

4. Beslissing:

De rechtbank:

verklaart voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens H heeft gehandeld
door de strafzaak tegen WH in hoger beroep niet verder te vervolgen en dat
de Staat aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade: wijst het
meer of anders gevorderde af; compenseert de proceskosten aldus, dat
iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mr. Van Rossum

Instantie: Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing, 2 november 1994

Instantie

Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing

Samenvatting


Klacht A richt zich tegen de duur van het avondprogramma. De
beroepscommissie meent dat de grenzen van het toelaatbare in dezen zijn
overschreden. Daaraan doet het beroep van de directeur op budgettaire
en personele perikelen niet af. Het herbestemmen van paviljoens voor
beperkt gemeenschapsgeschikte langgestraften mannen vergt meer
mankracht. Dit mag echter niet ten nadele werken voor paviljoen B, waar
de vrouwen in een regime van algehele gemeenschap zijn ondergebracht.
Klacht wordt echter niet-ontvankelijk verklaard omdat deze is gericht
tegen een algemeen geldende regeling en de klacht betreft niet een door
of namens de directeur jegens klaagster persoonlijk genomen beslissing.
Klacht B richt zich tegen het insluiten van klaagster op 9 mei 1994
tijdens het bezoekuur, vanwege het niet ontvangen van bezoek. Klaagster
is ontvankelijk in haar beklag. De beroepscommissie is van oordeel dat
deze beslissing van de directeur zich niet verstaat met een regime van
algehele gemeenschap en derhalve als onredelijk en onbillijk is aan te
merken. Zie ook CRvS, 2 november 1994 in zaaknrs. A 94/461, A 94/462, A
94/463, A 94/464, A 94/465, A 94/467, A 94/468 en A 94/469.

Volledige tekst

1. Inhoud van het beklag en de beslissing van de beklagcommissie: Het
beklag betreft: a. de duur van het avondprogramma (A 94/458); b. het
insluiten van klaagster op 9 mei 1994 tijdens het bezoekuur, vanwege
het niet ontvangen van bezoek (A 94/459).

De beklagcommissie heeft het beklag in zijn geheel gegrond verklaard,
op de gronden als in de aangehechte beschikking weergegeven.

2. Standpunten van de directeur en klaagster: De directeur heeft in
beroep volhard in het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt.
Voorts heeft hij -onder verwijzing naar zijn schriftelijke toelichting-
betoogd dat klaagster in beide onderdelen van het beklag alsnog
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe wordt allereerst
aangevoerd dat de regeling van 3 november 1993 een algemeen geldende
regeling betreft. Voorts wordt aangevoerd dat klaagster zich eerst op
23 mei 1994 beklaagt over een regeling van 3 november 1993, zodat zij
ook wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk in haar beklag had
dienen te worden verklaard. Betoogd wordt dat indien gedetineerden om
20.00 uur worden ingesloten dit niet impliceert dat zij moeten gaan
slapen.

De voor de nachtrust bestemde tijd is derhalve een relatief begrip
hetgeen in de penitentiaire context zowel de avond, de nacht als de
morgen kan omvatten. Voorts heeft de directeur meegedeeld dat door de
recente bestemmingswijziging van de p.i.-en “Overmaze” het personeel
thans naast de overige paviljoens ingezet dient te worden in met name
twee inrichtingen: paviljoen B voor langgestrafte vrouwen, algeheel
regime en de paviljoens G, H en I voor langgestrafte mannen, beperkt
regime. Medegedeeld wordt dat de personeelsbezetting ten gevolge van
voornoemde bestemmingswijziging toegenomen is; echter niet in voldoende
mate. Een en ander bracht met zich mee dat ter aanvulling van de
noodzakelijk geachte postenbezetting er ondermeer een wijziging diende
te komen in de duur van het avondprogramma.

Namens klaagster is daarop geantwoord als tegenover de beklagcommissie.
Klaagster heeft medegedeeld dat de beslissing tot inkorting van het
avondprogramma tengevolge van de beslissing van de beklagcommissie van
15 juni 1994 is teruggedraaid. Het avondprogramma duurt tot op heden
van 18.30 uur tot 21.00 uur. Echter het insluiten gedurende de
bezoekuren bij ondermeer het niet ontvangen van bezoek is niet
teruggedraaid. Betoogd wordt dat het insluiten voor de nacht om reeds
21.00 uur zich niet verstaat met een regime van algehele gemeenschap.

3. Beoordeling: Ten aanzien van onderdeel a. van het beklag: de
beroepscommissie stelt allereerst vast dat bij besluit van 2 mei 1994
een bestemmingswijziging van de p.i.-en “Overmaze” heeft
plaatsgevonden, inhoudende – voorzover voor het onderhavige geval van
belang- dat de paviljoens G, H en I van voornoemde inrichtingen zijn
bestemd voor langgestrafte volwassen mannen. Deze inrichting wordt
aangeduid als de gevangenis “Overmaze” en aldaar zal een regime van
beperkte gemeenschap gevoerd worden. Voorts is in genoemd besluit
bepaald dat paviljoen B wederom is aangewezen als gevangenis voor
vrouwen, alwaar een regime van algehele gemeenschap zal blijven gelden.

De beroepscommissie stelt voorts vast dat in de p.i.-en “Overmaze” het
avondprogramma vooruitlopend op en ten gevolge van voornoemde
bestemmingswijziging, om personele en budgettaire reden op voornoemd
paviljoen B, bij regeling van 3 november 1993, met dertig minuten
ingekort is. Vastgesteld is dat het avondprogramma van 18.00 uur tot
20.00 uur duurt. De voor de nachtrust bestemde tijd vangt derhalve om
20.00 uur aan. Op zondag vangt de voor de nachtrust bestemde tijd om
17.00 uur aan; bij het niet ontvangen van bezoek om 15.45 uur. De
beroepscommissie neemt met grote zorg kennis van de voornoemde
wijziging van het avondprogramma op paviljoen B, waar een regime van
algehele gemeenschap gevoerd wordt. De precieze inhoud van een regime
van algehele gemeenschap dan wel beperkte gemeenschap is weliswaar niet
in wettelijke bepalingen vastgelegd, maar de beroepscommissie is van
oordeel dat het laten ingaan van de voor de nachtrust bestemde tijd
reeds om 20.00 uur zich niet verstaat met een regime van algehele
gemeenschap. De beroepscommissie acht de grens van het toelaatbare in
dezen overschreden. Daaraan doet het beroep van de directeur op
budgettaire en personele perikelen niet af. Het herbestemmen van de
paviljoens G, H en I voor beperkt gemeeNschapsgeschikte langgestrafte
mannen vergt kennelijk meer mankracht. Dit mag echter niet ten nadele
werken voor paviljoen B, zijnde een inrichting met een eigen specifieke
bestemming en regime.

Toch kan klaagster in haar klacht niet worden ontvangen, omdat deze
gericht is tegen in de gevangenis voor vrouwen paviljoen B te
Maastricht algemeen geldende regeling betreffende de duur van het
avondprogramma. De klacht betreft derhalve geen door of namens de
directeur jegens klaagster persoonlijk genomen beslissing, ter
beoordeling waarvan de beklagprocedure ex artikel 51 e.v. van de
Beginselenwet gevangeniswezen kan worden aangewend. Een algemeen
geldend voorschrift kan niet aan deze beklagrechtelijke toetsing worden
onderworpen. Klaagster dient derhalve alsnog niet-ontvankelijk in haar
beklag te worden verklaard.

Ten aanzien van onderdeel b. van het beklag: In beroep heeft de
directeur betoogd dat klaagster niet-ontvankelijk in haar beklag had
behoren te worden verklaard. Nu het beklag is gericht tegen een
concrete namens de directeur genomen beslissing om klaagster gedurende
een bepaalde periode – te weten op 9 mei 1994 – in te sluiten, kan niet
gezegd worden dat het beklag een alle gedetineerden betreffende
regeling betreft. Terecht heeft de beklagcommissie derhalve klaagster
ontvankelijk in haar beklag verklaard.

De beslissing klaagster op 9 mei 1994 tijdens het bezoekuur, wegens het
niet-ontvangen van bezoek op te sluiten is gebaseerd op een sinds 3
november 1993 geldende regel dat gedetineerden worden ingesloten in hun
cel indien zij niet deelnemen aan de kerkdienst dan wel het
relatiebezoek. In een recente beschikking van de beroepscommissie van
23 augustus 1993 (A 149/93) – waar het beklag betrof het insluiten van
klaagster op 9 februari 1993 vanwege het niet deelnemen aan het
onderwijs – werd ondermeer overwogen dat in het kader van een regime
van algehele gemeenschap gedetineerden, naar wat als bedoeling van de
wetgever moet worden aangenomen, zich relatief vrij binnen de
inrichting moeten kunnen bewegen, Met uitzondering van de nacht. Dit
houdt in dat een regime van algehele gemeenschap in beginsel meebrengt
dat de deur van de cel open is gedurende de dag ook al zijn er geen
activiteiten. De beroepscommissie is van oordeel dat – gelet op het
vorenoverwogene – de beslissing van de directeur klaagster op 9 mei
1994 in te sluiten tijdens het bezoekuur wegens het niet ontvangen van
bezoek zich niet verstaat met een regime van algehele gemeenschap en
derhalve als onredelijk en onbillijk is aan te merken. Het beroep van
de directeur treft mitsdien geen doel.

4. Beslissing De beroepscommissie verklaart het beroep van de directeur
ten aanzien van onderdeel a. gegrond. Zij vernietigt in zoverre de
beschikking van de beklagcommissie en verklaart klaagster alsnog
niet-ontvankelijk in onderdeel a. van beklag.

De beroepscommissie verklaart het beroep van de directeur ten aanzien
van onderdeel b. ongegrond en bekrachtigt in zoverre de beschikking van
de beklagcommissie.

Noot

De minister kan bepalen of in gevangenissen algehele of beperkte
gemeenschap heerst (art. 30 Beginselenwet gevangeniswezen). Wat beide
begrippen precies inhouden staat niet vast. ‘In het regime van algemene
gemeenschap kan men zich met uitzondering van de nacht in zekere zin
vrij in de inrichting bewegen’, aldus Vegter. (P. Vegter, Vormen van
detentie, Gouda Quint, Arnhem, 1989, p. 49) Beperkte gemeenschap kan
het hele scala tussen bijna algemene gemeenschap en algehele
afzondering bevatten. Meestal wordt via het huishoudelijk reglement
vastgesteld aan welke groepsactiviteiten gedetineerden die in beperkte
gemeenschap verblijven, mogen deelnemen. De rest van de tijd wordt in
de cel doorgebracht. De directeur van de inrichting bezit echter een
grote vrijheid de interne differentiatie vorm te geven. Juist de wijze
waarop de directeur van de penitentiare inrichting Overmaze in
Maastricht van zijn beleidsvrijheid gebruik maakte en de
begripsverwarring over de regimes vormden de aanleiding tot
bovenstaande casus. De vrouwengevangenis in Maastricht, onderdeel van
een groot gevangeniscomplex, kent een regiem van algehele gemeenschap.
Bij de laatste bestemmingswijziging (circ. 21 juni 1994, Sancties 1994,
26) is vastgesteld dat voor de in Maastricht verblijvende langgestrafte
gedetineerde mannen een regime van beperkte gemeenschap geldt.
Vooruitlopend op die bestemmingswijziging is het avondprogramma op het
vrouwenpaviljoen ingekort en werden de gedetineerden al om acht uur ‘s
avonds ingesloten voor de nacht. Op zondag zelfs om vijf uur en als men
geen bezoek kreeg nog eerder, om kwart voor vier. De klaagster wordt in
haar klacht tegen de inkorting van het avondprogramma niet ontvankelijk
verklaard omdat het een algemeen geldende regeling betreft, waartegen
krachtens art. 51 Beginselenwet gevangeniswezen geen beroep openstaat.
Wel oordeelt de beroepscommissie ten overvloede dat het laten ingaan
van de voor de nachtrust bestemde tijd om acht uur ’s avonds zich niet
verdraagt met een regime van algehele gemeenschap en dat de grens van
het toelaatbare is overschreden! Over het insluiten vanwege het
niet-ontvangen van bezoek had klaagster wel een concrete klacht. Ook op
dit punt wordt het optreden van de directeur als onredelijk en
onbillijk bestempeld door de beroepscommissie: een regime van algehele
gemeenschap brengt in beginsel mee dat de deuren van de cellen overdag
open zijn, ook al zijn er geen activiteiten. Dit gold al eerder voor de
klaagster die was ingesloten toen zij niet deelnam aan het onderwijs.
Blijkbaar doet de reden van niet-deelnemen of geen bezoek ontvangen
niet terzake. Er mag geen extra straffend element worden toegevoegd. De
beklagcommisssie had in eerste aanleg overigens geoordeeld dat er
sprake was van strijd met een hogere regeling, ‘nu er uit de art. 30
lid 2 Beginselenwet en 22 lid 3 Gevangenismaatregel blijkt dat in
algehele gemeenschap verblijvende gedetineerden uitsluitend tijdens de
maaltijden en gedurende de nacht ingesloten worden.’ Dit is interessant
omdat in het voorontwerp Penitentiaire Beginselenwet wordt voorgesteld
de hogere regeling te verruimen en ook insluiting mogelijk te maken
‘gedurende activiteiten waaraan zij niet deelnemen’ (art. 21 lid 2
voorontwerp PBW). Van de Pol neemt naar aanleiding van bovenstaande
uitspraak in zijn annotatie in Sancties al een voorschot op de nieuwe
regeling: hij vindt kennelijk dat er wel gekeken moet worden naar de
aard van de afwezigheid: ‘Bezoek is een gewilde activiteit waarvoor je
echter in hoge mate afhankelijk bent van de beschikbaarheid van derden.
Als iemand om welke reden dan ook geen bezoek kan krijgen (Maastricht
ligt ver van het criminele westen) dan mag je iemand niet ‘straffen’
door hem op zijn cel te zetten’. In andere gevallen kan de afweging in
zijn optiek ook anders uitvallen. (U. van de Pol, Sancties, 1995/1, p.
51) De directeur had overigens niet ter legitimatie van zijn
handelswijze het gedrag, de intentie of ‘eigen verantwoordelijkheid’
van de vrouw opgevoerd. Wel gaf hij aan dat de bestemmingswijziging op
de mannenafdeling zodanige personele en budgettaire gevolgen had dat
hij wel moest inkrimpen op de personeelsbezetting op de
vrouwenafdeling. Hij beriep zich hierbij op een schrijven van de
landsadvocaat waarin stond ‘dat de “speelruimte” op het gebied van
personeelssterkte aanzienlijk wordt verkleind, hetgeen in voorkomende
gevallen tot gevolg kan hebben dat van de nieuw ingestelde hoofdregel –
achterblijvers worden niet ingesloten – wordt afgeweken met het oog op
de orde en veiligheid in de inrichting’. De casus vormt dus opnieuw een
illustratie van het feit dat gedetineerde vrouwen lijden onder het op
mannen ingestelde detentiebeleid. Gelukkig zegt ook de
beroepscommisssie dat het feit dat op de andere afdelingen kennelijk
meer ‘mankracht’ wordt vereist, niet ten nadele mag werken voor het
vrouwenpaviljoen, dat een eigen specifieke bestemming en regime kent.
Niettemin valt te vrezen dat er in de toekomst meer problemen zullen
rijzen, gezien de personeelskrapte, het streven naar een
bezettingspercentage van 103 procent en het voornemen in de meest
recente beleidsnota Werkzame detentie om als uitgangspositie voor elke
gedetineerde het beperkte regime te laten gelden, dus ‘insluiting,
tenzij
.. …'(TK 1993-1994, 22999, nrs. 10-11, p. 16-18). Het is de vraag wat
er onder dergelijke condities nog terecht kan komen van een specifiek
beleid voor vrouweninrichtingen, zoals dat in 1991 nog bepleit werd
door onder meer de stuurgroep Herziening differentiatiestelsel
Gevangeniswezen van het ministerie (Rapport, p. 19-26).

Ria Wolleswinkel

Rechters

Mrs van Staveren, voorzitter, Nijborg, Van der Waa-Somberg,leden, mr. B.I.M. Akkerman, secretaris

Instantie: Europees hof voor de rechten van de mens, 27 oktober 1994

Instantie

Europees hof voor de rechten van de mens

Samenvatting


Sinds 1986 is de (ex-)echtgenoot van de vrouw spoorloos. In 1987 krijgt de vrouw samen met haar nieuwe
partner een kind. Dit kind is het wettig kind van de (ex-)echtgenoot, aangezien het huwelijk nog niet is ontbonden. De
Nederlandse wet biedt de vrouw geen mogelijkheid het vaderschap van de (ex-)echtgenoot te ontkennen.
Voor het bestaan van ‘family life’ is samenleven niet altijd vereist, ook niet als het gaat om een buitenhuwelijkse
relatie. Als er sprake is van ‘family life’ tussen de verwekker en het kind is de staat verplicht ervoor te zorgen
dat familierechtelijke betrekkingen tot stand kunnen komen.
Voorzover de Nederlandse regeling met betrekking tot ontkenning van het vaderschap van de ex-echtgenoot van de
moeder hieraan in de weg staat, is er sprake van strijd met artikel 8 EVRM.
Zie ook: HR 16 november 1990, m.nt. Nora Holtrust en Ineke de Hondt, RN 1991, 170 en ECRM 7 april 1993, RN 1994, 406.

Volledige tekst

(…)
As to the law

I. Alleged violation of Article 8 of the Convention

28. The applicants complained that under Netherlands law it
was not possible for Mrs Kroon to have entered in the register
of births any statement that Mr M’Hallem-Driss was not Samir’s
father, with the result that Mr Zerrouk was not able to
recognise Samir as his child. They relied on Article 8 of the
Convention, which reads: ‘1. Everyone has the right to respect
for his private and family life, his home and his
correspondence. 2. There shall be no interference by a public
authority with the exercise of this right except such as is in
accordance with the law and is necessary in a democratic
society in the interests of national security, public safety
or the economic well-being of the country, for the prevention
of disorder or crime, for the protection of health or morals,
or for the protection of the rights and freedoms of others.’
The Government denied that any violation had taken place,
whereas the Commission agreed with the applicants.

A. Applicability of Article 8
29. The Government argued that the relationship between Mr
Zerrouk on the one hand and Mrs Kroon and Samir on the other
did not amount to ‘family life’. Since Samir had been born of
an extramarital relationship, there was no family tie ipso
jure between him and Mr Zerrouk. Moreover, Mrs Kroon and Mr
Zerrouk had chosen not to marry and it was from choice that
the latter did not reside with Mrs Kroon and Samir. In
addition, the Government alleged that Mr Zerrouk did not
contribute to Samir’s care and upbringing in any way and that
there was nothing to show that he fulfilled the role of
Samir’s ‘social father’. The Commission noted the long-
standing relationship between Mrs Kroon and Mr Zerrouk and the
fact that it was not disputed that not only was the latter the
biological father of Samir but also three other children had
been born of that relationship. The applicants noted that
Netherlands law did not require a man to live with a child and
its mother in order to have the right to recognise the child
as his and thereby create legally recognised family ties. They
also claimed that Mr Zerrouk did in fact spend half his time
on Samir’s care and upbringing and made financial
contributions from his modest income.
30. Throughout the domestic proceedings it was assumed by all
concerned, including the registrar of births, deaths and
marriages, that the relationship in question constituted
‘family life’ and that Article 8 was applicable; this was also
accepted by the Netherlands courts. In any case, the Court
recalls that the notion of ‘family life’ in Article 8 is not
confined solely to marriage-based relationships and may
encompass other de facto ‘family ties’ where parties are
living together outside marriage (see as the most recent
authority, the Keegan v. Ireland judgment of 26 May 1994,
Series A no. 290, p. 17-18, 44). Although, as a rule, living
together may be a requirement for such a relationship,
exceptionally other factors may also serve to demonstrate that
a relationship has sufficient constancy to create de facto
‘family ties’; such is the case here, as since 1987 four
children have been born to Mrs Kroon and Mr Zerrouk. A child
born of such a relationship is ipso jure part of that ‘family
unit’ from the moment of its birth and by the very fact of it
(see the Keegan judgment, ibid.). There thus exists between
Samir and Mr Zerrouk a bond amounting to ‘family life’,
whatever the contribution of the latter to his son’s care and
upbringing. Article 8 is therefore applicable.

B. General principles
31. The Court reiterates that the essential object of Article
8 is to protect the individual against arbitrary action by the
public authorities. There may in addition be positive
obligations inherent in effective ‘respect’ for ‘family life’.
However, the boundaries between the State’s positive and
negative obligations under this provision do not lend
themselves to precise definition. The applicable principles
are nonetheless similar. In both contexts regard must be had
to the fair balance that has to be struck between the
competing interests of the individual and of the community as
a whole; and in both contexts the State enjoys a certain
margin of appreciation (see, as the most recent authority, the
above-mentioned Keegan judgment, p. 19, 49).
32. According to the principles set out by the Court in its
case-law, where the existence of a family tie with a child has
been established, the State must act in a manner calculated to
enable that tie to be developed and legal safeguards must be
established that render possible as from the moment of birth
or as soon as practicable thereafter the child’s integration
in his family (see, mutatis mutandis, the above-mentioned
Keegan judgement, p. 19, 50).

C. Compliance with Article 8
33. The applicants argued that Article 8, 1 place the
Netherlands under a positive obligation to enable Mr Zerrouk
to recognise family ties between the two. In de alternative,
the applicants suggested that the existence of legislation
which made impossible such recognition constituted an
‘interference’ with their right to ‘respect’ for their ‘family
life’ and that such interference was not necessary in a
democratic society.
34. The Government argued that, even assuming ‘family life’ to
exist, the Netherlands had complied fully with any positive
obligations it might have as regards the applicants. They
pointed, firstly, to the possibility of ‘step-parent adoption’
(see paragraph 24 above), i.e. adoption of Samir by Mrs Kroon
and Mr Zerrouk. It was true that this possibility was
contingent on there being no opposition from Mr Omar M’Hallem-
Driss and on Mrs Kroon and Mr Zerrouk marrying each other.
However, the possibility of any objection on the part of Mr
M’Hallem-Driss could be discounted; if, for reasons of their
own, Mrs Kroon and Mr Zerrouk did not wish to marry, that was
not a state of affairs for which the State could be held
responsible, since it placed no obstacles in the way of their
marriage. Further, under legislation in the course of
preparation, an unmarried parent who had previously exercised
sole parental authority over his or her child would be allowed
joint custody with his or her partner; this would give the
partner complete legal authority, on an equal footing with the
parent. In the alternative, the Government argued that if
there was an ‘interference’ with the applicants’ right to
respect for their ‘family life’ then this was ‘necessary in a
democratic society’ in the interests of legal certainty.
35. In the Commission’s view the fact that it was impossible
under Netherlands law for anyone but Mr Omar M’Hallem-Driss to
deny his paternity and for Mr Zerrouk to recognise Samir as
his child constituted a lack of respect for the applicants’
private and family life, in breach of a positive obligation
imposed by Article 8.
36. The Court recalls that in the instant case it has been
established that the relationship between the applicants
qualifies as ‘family life’ (see paragraph 30 above). There is
thus a positive obligation on the part of the competent
authorities to allow complete legal family ties to be formed
between Mr Zerrouk and his son Samir as expeditiously as
possible.
37. Under Netherlands law the ordinary instrument for creating
family ties between Mr Zerrouk and Samir was recognition (see
paragraph 23 above). However, since Samir was the ‘legitimate’
child of Mr Omar M’Hallem-Driss, Mr Zerrouk would only be in a
position to recognise Samir after Mr M’Hallem-Driss’s
paternity had been successfully denied. Except for Mr
M’Hallem-Driss himself, who was untraceable, only Mrs Kroon
could deny Mr Omar M’Hallem-Driss’s paternity. However, under
section 1:198 CC the possibility for the mother of a
‘legitimate’ child to deny the paternity of her husband was,
and is, only open in respect of a child born within 306 days
of dissolution of the marriage (see paragraph 19 above). Mrs
Kroon could not avail herself of that possibility since Samir
was born when she was still married. Indeed, this was not
contested by the Government.
38. The Government, however, suggested that there were other
ways of achieving an equivalent result. The first such
alternative suggested by the Government, step-parent adoption,
would make Samir the ‘legitimate’ child of Mr Zerrouk and Mrs
Kroon. However, it would require Mrs Kroon and Mr Zerrouk to
marry each other. For whatever reason, they do not wish to do
so. A solution which only allows a father to create a legal
tie with a child with whom he has a bond amounting to ‘family
life’ if he marries the child’s mother cannot be regarded as
compatible with the notion of ‘respect’ for ‘family life’.
39. The second alternative suggested by the Government, namely
that of joint custody, is not an acceptable solution either.
Even if the legislation being prepared comes into force as the
Government anticipate, joint custody will leave the legal ties
between Samir and Mr. Omar M’Hallem-Driss intact and will
continue to preclude the formation of such ties between Samir
and mr Zerrouk.
40. In the Court’s opinion, ‘respect’ for ‘family life’
requires that biological and social reality prevail over a
legal presumption which, as in the present case, flies in the
face of both established fact and the wishes of those
concerned without actually benefiting anyone. Accordingly, the
Court concludes that, even having regard to the margin of
appreciation left to the State, the Netherlands has failes to
secure to the applicants the ‘respect’ for their ‘family life’
to which they are entitled under the Convention. There has
accordingly been a violation of Article 8.

II Alleged violation of article 14 of the Convention in
conjunction with Article 8

41. The applicants also complained that, while Netherlands law
made it possible for the husband of a child’s mother to deny
being the father of the child, the mother’s right to challenge
her husband’s paternity was much more limited. They relied on
Article 14 of the Convention, which reads: ‘The enjoyment of
the rights and freedoms set forth in this Convention shall be
secured without discrimination on any ground such as sex,
race, colour, language, religion, political or other opinion,
national or social origin, association with a national
minority, birth or other status.’
42. The Court finds that this complaint is essentially the
same as the one under Article 8. Having found a violation of
that provision taken alone, the Court does not consider that
any separate issue arises under that Article in conjunction
with Article 14.
(…)

Rechters

Mrs. Ryssdal, Golcuklu, Martens, Foighel, Loizou,Morenilla, Baka, Mifsud Bonnici, Gotchev

Instantie: Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing, 25 oktober 1994

Instantie

Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing

Samenvatting


Het beklag betreft een disciplinaire straf van een dag afzondering in een
cel, niet zijnde een strafcel, wegens een vermeende poging zich te
onttrekken aan het toezicht van het personeel. De beslissing van de
directeur is niet onredelijk of onbillijk. De directeur heeft zijn
beslissing goed gemotiveerd.

Volledige tekst

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als
volgt:

1. Inhoud van het beklag en de beslissing van de beklagcommissie: Het
beklag betreft een disciplinaire straf van een dag afzondering in een cel,
niet zijnde een strafcel, wegens een vermeende poging zich te onttrekken
aan de toezicht van het personeel.

De beklagcommissie heeft het beklag betreffende de disciplinaire straf
ongegrond verklaard en klaagster niet- ontvankelijk verklaard in haar
beklag gericht tegen de ongelijke behandeling, op de gronden als in de
aangehechte beschikking weergegeven.

2. Standpunten van klaagster en de directeur: Klaagster heeft haar
beroepschrift niet nader toegelicht. Zij heeft volstaan met een verwijzing
naar haar tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt.

Het standpunt van de directeur is in beroep niet nader toegelicht.

3. Beoordeling: De beroepscommissie is van oordeel dat het beklag betreft
een disciplinaire straf van een dag afzondering in een cel, niet zijnde
een strafcel. Het beroep van klaagster op rechtsgelijkheid, maakt hiervan
onderdeel uit. Uit het terzake opgemaakte rapport is voor de
beroepscommissie voldoende aannemelijk geworden dat klaagster en enkele
anderen een poging hebben ondernomen zicht te onttrekken aan het toezicht
van het personeel. De beslissing van de directeur klaagster deswege een
disciplinaire straf van een dag afzondering in een cel, niet zijnde een
strafcel op te leggen is niet als onredelijk of onbillijk aan te merken.
Het beroep van klaagster op rechtsgelijkheid in vergelijking met die
anderen doet hieraan niet af; de directeur heeft goed gemotiveerd waarom
hij ten aanzien van klaagster een andere strafmaat heeft gehanteerd. De
beroepscommissie komt tot de navolgende beslissing.

4. Beslissing: De beroepscommissie verklaart het beroep gericht tegen de
disciplinaire straf ongegrond en bekrachtigt in zoverre de beschikking van
de beklagcommissie onder verbetering van gronden.

Rechters

Mr. J.H. Koeleman, voorzitter, mr. J.P. Balkema, leden en dr. J.P.S.Akkerman, secretaris

Instantie: Hof Arnhem, 25 oktober 1994

Instantie

Hof Arnhem

Samenvatting


In 1962 zijn partijen gehuwd onder koude uitsluiting; huwelijkse
voorwaarden inhoudende uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen.
In 1985 verwierf het echtpaar een woning in gemeenschappelijk eigendom,
ieder voor de onverdeelde helft. De vrouw werkte als assistente in de
huisartspraktijk van haar echtgenoot. Bij de boedelscheiding vordert de
vrouw de helft van de waarde van de gemeenschappelijke woning. Het hof
wijst dit in hoger beroep toe onder aftrek van een ‘lening’ die zij
verondersteld wordt met haar echtgenoot te zijn aangegaan ter zake van de
aankoop van de woning.

Volledige tekst

Uit tussenvonnis: ( …) Essentieel voor de beoordeling van der partijen
geschilpunten acht het hof het antwoord op de vraag om welke reden
partijen bij de aankoop en de eigendomsoverdracht van het pand te Ermelo
beiden als koper zijn opgetreden respectievelijk partijen dat pand tezamen
— ieder voor de onverdeelde helft – – in eigendom hebben verkregen.

Gerechtshof te Arnhem, 25 oktober 1994 Arrest.

1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep.

1.1. Na het tussenarrest van dit hof van 16 november 1993 heeft op 3
februari 1994 de daarin bepaalde comparitie van partijen plaatsgevonden.
Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

1.2. De vrouw heeft bij memorie na comparitie bij haar vorderingen
volhard.

1.3. De man heeft bij antwoord-memorie na comparitie geconcludeerd 1) tot
afwijzing van de vordering van de vrouw voor zover deze een bedrag van ƒ
76.134,83 overschrijdt, en 2) tot afwijzing van de vorderingen van de
vrouw ter zake van de wettelijke rente en de gebruiksvergoeding.

1.4. Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het
wijzen van arrest.

2. de verdere beoordeling van de grieven

2.1. Ter comparitie heeft de man — zakelijk weergegeven — onder meer
verklaard dat hij zowel de koopakte van 17/19 november 1984 als de
concept-akte van overdracht betreffende het pand te Ermelo heeft
doorgelezen alvorens deze te ondertekenen, dat hij tevens — alvorens te
ondertekenen — heeft gelezen de passage in de genoemde koopakte
‘aankopend ieder voor de helft’ en de passage in de (concept)akte van
overdracht ‘ en draagt mitsdien in eigendom over aan de kopers, die —
ieder voor de onverdeelde helft — hebben gekocht en in eigendom
aannemen’, alsmede dat hij op zichzelf heeft begrepen wat die woorden
betekenen.

2.2. Uit het vorenoverwogene — mede gelet op het feit dat in de koopakte
van 17/19 november 1984 uitdrukkelijk is vermeld dat partijen toentertijd
na het maken van huwelijkse voorwaarden met elkaar waren gehuwd — volgt
aanstonds dat er geen sprake van kan zijn geweest dat, zoals de man
stelde, de tenaamstelling van de eigendom van het pand, zoals deze is
geschied, op louter toeval berust en een gevolg is van het feit dat de
makelaar, niet wetend van de vermogensrechtelijke verhouding tussen
partijen, de man en de vrouw tezamen in de koopakte heeft vermeld als
kopers, hetgeen door de notaris zonder meer is overgenomen.

2.3. Hieruit volgt– zie r.o. 5.3 van het tussenarrest van 16 november
1993 — dat het standpunt van de vrouw dat te dezen sprake is geweest van
een bewuste keuze van partijen als door de man onvoldoende gemotiveerd
betwist als juist dient te worden aangemerkt.

Het hof baseert dit oordeel mede op het feit dat de vrouw ter comparitie
heeft verklaard: ‘De makelaar vroeg ons hoe de tenaamstelling moest zijn.
De man zei toen tegen de makelaar dat hij wenste dat het op ons beider
naam zou worden gesteld. Ik stemde daarmee in.’ De man heeft deze stelling
van de vrouw in zijn — overigens uitvoerige — antwoord-memorie na
comparitie niet anders betwist dan bij wege van een algemene ontkenning
van de posita van de vrouw … mitsdien in ieder geval onvoldoende
gemotiveerd.

De verklaring van de man ter comparitie, daartoe strekkende dat in zijn
beleving hij — ondanks de andersluidende tekst in de koopakte en in de
(concept)akte van overdracht — nog steeds alleen eigenaar van het pand
te Ermelo zou zijn zonder financiele verplichtingen daaruit jegens de
vrouw, passeert het hof — mede gelet op het opleidingsniveau van de man
— als ongeloofwaardig.

2.4. Het hof kwalificeert deze bewuste keuze van partijen als een in
afwijking van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen gesloten nadere
overeenkomst, uit welke overeenkomst — waar tussen partijen in confesso
is dat de woning te Ermelo aan de man zal worden toegescheiden — een
vergoedingsplicht van de man jegens de vrouw voortvloeit. De man ervaart
dit thans kennelijk ook zo, waar hij in zijn antwoord-memorie na
comparitie heeft aangeboden te dezer zake een bedrag van ƒ 76.134,83 aan
de vrouw te betalen.

2.5. Nu partijen omtrent de omvang van de vergoedingsplicht van de man
jegens de vrouw geen concrete afspraken hebben gemaakt, zal het hof deze
in het licht van hetgeen partijen aangaande financiele gang van zaken
gedurende hun huwelijk over en weer hebben gesteld en aan de hand van na
te melden uitgangspunten in redelijkheid vaststellen. a. De woning te
Medemblik was ten tijde van de verkoop in 1985 vrij van hypotheek. Hieruit
valt af te leiden dat in de periode voor 1985 een vermogen is gevormd dat
voor een belangrijk deel als het resultaat van besparingen kan worden
aangemerkt. Die besparingen bedragen in elk geval het bedrag van aankoop
van die woning in 1974 van afgerond ƒ 150.000,-. In het kader van de
oplossing van het onderhavige geschil tussen partijen kan als uitgangspunt
worden genomen dat de helft van dit bedrag op grond van de regels van
redelijkheid en billijkheid aan de vrouw toekomt. b. De woning te Ermelo
is in 1985 mede — namelijk naast de winst uit de verkoop van de praktijk
van de man, waarop de vrouw in redelijkheid geen aanspraken kan doen
gelden — gefinancierd uit de opbrengst van de woning te Medemblik. Gelet
op hetgeen hiervoor onder a is overwogen, zou de vrouw mitsdien geacht
kunnen worden een gedeelte ad ƒ 75.000,- van de koopsom voor die woning
uit eigen middelen te hebben voldaan. Het resterende deel tot de helft van
die koopsom, zijnde 1/2 x (afgerond) ƒ 350.000,- minus ƒ 75.000,- = ƒ
100.000,-, kan de vrouw geacht worden van de man te hebben ‘geleend’. De
andere helft van die koopsom – ƒ 175.000,- is door de man gefinancierd.
c. Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat naar
redelijkheid aan de vrouw de helft van de getaxeerde waarde van de woning
te Ermelo ad ƒ 420.000,- toekomt, is ƒ 210.000,-, verminderd met het
door haar van de man ‘geleende’ bedrag ad ƒ 100.000,- (zie onder b),
zijnde dit per saldo een bedrag van ƒ 110.000,-.

2.6. Uit het vorenoverwogene volgt dat, met vernietiging van het vonnis
waarvan beroep, wat de conventie betreft, (tegen het vonnis in reconventie
zijn geen grieven aangevoerd) de primaire vordering van de vrouw onder 1
als na te melden voor toewijzing vatbaar is. De wettelijke rente over het
bedrag van ƒ 110.000,– zal worden toegewezen vanaf 24 december 1990,
zijnde de datum van de inleidende dagvaarding. In verband met de
toekenning van de wettelijke rente per genoemde datum -mede gelet op het
feit dat bij de vaststelling van alimentatie van de man ten behoeve van
de vrouw rekening is gehouden met de omstandigheid dat de man geen
woonlasten heeft -ziet het hof in redelijkheid geen gronden voor
toewijzing van de door de vrouw primair onder 2 gevorderde
gebruiksvergoeding, noch per 1 februari 1988 noch per 26 augustus 1988.
Aan de subsidiaire vordering van de vrouw komt het hof -waarvan subsidiair
onder 2 gevorderde identiek is aan het primair onder 2 gevorderde- niet
toe.

2.7. Waar partijen gewezen echtlieden zijn, zal het hof de kosten van
eerste aanleg en van het hoger beroep compenseren als na te melden.

De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis in conventie van de rechtbank te Zwolle van 2
december 1992.

Opnieuw rechtdoende:

Veroordeelt de man medewerking te verlenen aan toescheiding van de woning,
gelegen te Ermelo in dier voege, dat deze woning aan de man wordt
toegescheiden tegen betaling aan de vrouw van een bedrag van ƒ 110.000,-,
vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 december 1990
tot de dag der algehele voldoening. Verklaart deze veroordeling
uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mrs. Hammerstein, Van Wijland-Kalkman, Rijken

Instantie: Hoge Raad, 21 oktober 1994

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


In kort geding heeft de president geoordeeld dat de fotoreportage ‘Dressed
to kill’ in het blad Rails onrechtmatig is ‘omdat de beelden inspireren
tot geweld jegens vrouwen’. (RN 1993, nr. 336.) Dit criterium biedt
volgens het hof echter niet voldoende mogelijkheden om publikaties die
vallen onder de vrijheid van meningsuiting op rechtmatigheid te toetsen.
Het hof is van mening dat de reportage in strijd is met regels van goede
smaak en fatsoen maar dit levert geen onrechtmatigheid op. (RN 1994, nr.
380.) Aangezien de oordelen van het hof overwegend van feitelijke aard
zijn, kunnen zij volgens de Hoge Raad in cassatie niet op juistheid worden
onderzocht. Bovendien heeft het hof bij het vormen van zijn oordeel geen
onjuiste maatstaven aangelegd of blijk gegeven van een onjuiste
rechtsopvatting. De uitspraak van het hof is ook naar de eis der wet met
redenen omkleed. Op deze gronden verwerpt de Hoge Raad het beroep.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties. Eiseres tot cassatie -verder te
noemen: de Vereniging- heeft bij exploit van 2 november 1992 verweerster
in cassatie – verder te noemen: Multi Magazines- in kort geding gedagvaard
voor de President van de Rechtbank te Amsterdam. Nadat zij ter zitting
haar eis had gewijzigd, vorderde de Vereniging zakelijk weergegeven, dat
Multi Magazines, op straffe van een dwangsom zou worden veroordeeld:

a. in het blad Rails haar verontschuldigingen aan te bieden voor de
foto/modereportage van het augustus-septembernummer 1992, althans tot
enige andere vorm van rectificatie; b. de Vereniging redactionele ruimte
beschikbaar te stellen van twee pagina’s in hetzelfde nummer van Rails
waarin het onder a gestelde gebod wordt uitgevoerd.

Nadat Multi Magazines tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de
President bij vonnis van 26 november 1992 de gevraagde voorziening
geweigerd en de kosten gecompenseerd. Tegen dit vonnis heeft Multi
Magazines hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij
arrest van 29 juli 1993 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd
uitsluitend voor zover het betreft de daarin vervatte beslissing omtrent
de proceskosten. In zoverre opnieuw rechtdoende heeft het Hof de
Vereniging alsnog in de kosten van het geding in eerste aanleg en in die
van het hoger beroep veroordeeld. Het arrest van het Hof is aan dit arrest
gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de Vereniging beroep in cassatie
ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt
daarvan deel uit. Multi Magazines heeft geconcludeerd tot verwerping van
het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De
conclusie van de Advocaat-Generaal Koopmans strekt tot verwerping van het
beroep.

3. Beoordeling van het middel 3.1.1. In dit kort geding komt de Vereniging
– tot wier doelstellingen onder meer behoort het ‘aan de orde stellen van
al die feiten en structuren, die vrouwenmishandeling veroorzaken en in
stand houden’ – op tegen een door haar als onrechtmatig bestempelde
publikatie in het door Multi Magazines uitgegeven blad ‘Rails’ dat gratis
in de trein beschikbaar is voor reizigers.

3.1.2. Het gaat om een in het nummer van augustus/september 1992
gepubliceerde, aan de komende mode gewijde redactionele fotoreportage.
Deze reportage wordt op de omslag van dit nummer van Rails aangekondigd
(‘Modetrend: Dressed to kill’), in de inhoudsopgave vermeld (‘Dressed to
kill, thriller met modieuze hoofdrolspelers’) en op de eerste van de
daaraan gewijde pagina’s voorzien van de titel: ‘Dressed to kill Rails
regisseert een modieuze thriller. Hoofdrolspelers: huurmoordenaar en
gangsterliefje. Inzet: leven of dood. Kleding: mannenpakken. Afloop:
fataal.’ De fotoreportage – die is geplaatst temidden van serieuze
artikelen over theaters, ballet, evenementen, het Concours Hippique, het
Amstelhotel, muziek en film – beslaat acht volle pagina’s. De foto’s
zijn, behoudens de eerste, in kleuren. Op de eerste foto ontvoert de man,
die een nylonkous over het hoofde draagt, onder bedreiging met een
vuurwapen de vrouw. De tweede en de derde foto tonen de vrouw vastgebonden
en geblinddoekt. Op de vierde foto draagt de man de vrouw als lijk weg.
De laatste foto toont de vrouw dood tussen stenen en afval. Op elke foto
wordt rechts onder de titel ‘Dressed to kill’ herhaald en de (per foto
wisselende) kleding van elk der afgebeelde personen gespecificeerd (op de
eerste foto: ‘Hij: wollen krijtstreeppak, jeansshirt en singlet van Calvin
(…). Zij: vrouwenpak en gouden kettingen (…). Lieslaarzen’). waarbij
telkens de prijs en de winkel waar het betrokken modeartikel verkrijgbaar
is, worden vermeld.

3.1.3. De fotoreportage heeft aanleiding gegeven tot meer dan honderd boze
brieven van lezers die de reportage te realistisch, te vrouw-onvriendelijk
en aanzettend tot geweld tegen vrouwen vonden. Ter terechtzitting in
eerste aanleg heeft de redactie van Rails medegedeeld dat zij daarom in
het nummer van december/januari 1992/1993 een artikel zou opnemen,
waarvan de tekst aan de president werd overgelegd. Dit artikel vermeldde
onder meer dat de reportage – waarvan de titel was ontleend aan de
bekende thriller-film – de strekking had de traditionele cliches van het
thriller-genre en de stereotiepe man/vrouw-verhoudingen te relativeren.
De fotografie en de styling hadden duidelijk moeten maken dat de
‘film-realiteit’ hier zwaar werd overdreven. De redactie betreurde in hoge
mate dat de reportage lezers had gekwetst.

3.1.4. De president verwierp het verweer dat het hier ging om een
duidelijk als satirisch of parodierend bedoelde reportage. Hij was van
oordeel dat de reportage jegens de Vereniging onrechtmatig was ‘omdat de
beelden inspireren tot geweld tegen vrouwen’. Hoewel de gevorderd
rectificatie derhalve toewijsbaar was, wees hij de daartoe strekkende
vordering niettemin af, omdat hij de onder 3.1.3. bedoelde publikatie een
genoegzame rectificatie oordeelde. De vordering tot het verkrijgen van
redactionele ruimte (zie hiervoor onder 1) wees de president ad als
indruisend tegen de verantwoordelijkheid en de grondwettelijke vrijheid
van meningsuiting van de redactie. Deze laatste vordering speelt in dit
geding verder geen rol.

3.1.5. Op het hoger beroep van Multi Magazines heeft het hof het vonnis
van de president vernietigd omdat het de reportage jegens de Vereniging
niet onrechtmatig oordeelde. Het hof stelde vast dat het hier niet om een
reclame-uiting ging r.o. 4.5). Het stel;de voorts vast dat voor het in
aanmerking komende publiek duidelijk was ‘dat het hier niet om een rechte
huurmoord, maar om in scene gezette beelden gaat’ (r.o. 4.10). Het achtte
‘alleszins begrijpelijk’ dat ‘de presentatie van de komende mode in de
hier gekozen vorm van een in scene gezette huurmoord gevoelens van afkeer
oproept en als provocerend en shockerend wordt ervaren’ (r.o. 4.11). Het
betreft hier oordelen die overwegend van feitelijke aard zijn en daarom
in cassatie niet op juistheid kunnen worden onderzocht. Zij behoefden door
het hof niet nader te worden gemotiveerd. Voor zover het middel deze
oordelen bestrijdt, is het derhalve tevergeefs voorgedragen.

3.2. Het middel faalt ook voor het overige. Vooreerst miskent het middel,
door zich meermalen te beroepen op een interpretatie van de gewraakte
foto’s waarvan uit de gedingstukken niet blijkt dat de Vereniging haar
heeft voorgehouden aan de rechters die over de feiten oordeelden, en die
evenmin steun vindt in ’s hofs uitspraak, dat in cassatie geen plaats is
voor nieuwe stellingen van feitelijke aard. Beslissend is evenwel dat het
hof, anders dan het middel betoogt, bij het vormen van zijn oordeel dat
de reportage jegens de Vereniging niet onrechtmatig was, geen onjuiste
maatstaven heeft aangelegd noch anderszins blijk heeft gegeven van een
onjuiste rechtsopvatting. ’s Hofs uitspraak is ook naar de eis der wet met
redenen omkleed.

3.3. Ter nadere motivering van het in 3.2. overwogene diene nog het
volgende. Klaarblijkelijk en terecht is het hof ervan uitgegaan dat het
de onderhavige vordering van de Vereniging had te beoordelen mede in het
kader van artikel 10 EVRM. Het in deze verdragsbepaling omschreven
grondrecht beschermt een foto- reportage als de onderhavige zowel naar
inhoud als naar vorm. Toewijzing door de Nederlandse rechter van het
gevorderde bevel aan Multi Magazines tot rectificatie, zou dan ook moeten
worden aangemerkt als een sanctie als bedoeld in het tweede lid van deze
verdragsbepaling. Kennelijk heeft het hof daaruit de – juiste – slotsom
getrokken dat voor zulk een toewijzing tenminste was vereist dat duidelijk
en overtuigend kon worden vastgesteld dat en waarom de reportage in strijd
kwam met of inbreuk maakte op een van de in lid 2 van artikel 10
limitatief opgesomde rechten of belangen. Door in dit kader in zijn r.o.
4.7, respectievelijk 4.13 de stellingen dat de beelden van de gewraakte
fotoreportage jegens de Vereniging onrechtmatig waren omdat zij
‘inspireren tot geweld tegen vrouwen’, respectievelijk omdat daarin
‘geweld jegens vrouwen als aantrekkelijk wordt voorgesteld’, als
onvoldoende scherp omlijnd terzijde te stellen, heeft het hof dan ook niet
blijk gegeven van een onjuiste opvatting van voormelde verdragsbepaling.
Het is evenmin onbegrijpelijk dat het hof tot dit oordeel kwam, terwijl
het dit oordeel tegenover het door de Vereniging ter zake betoogde niet
nader behoefde te motiveren dan het heeft gedaan. Het hof heeft het
terecht niet gelaten bij verwerping van beide evenbedoelde door de
Vereniging ten betoge dat de reportage onrechtmatig was aangevoerde
gronden, maar heeft vooreerst onderzocht of kan worden gezegd dat de
gewraakte reportage tot geweld tegen vrouwen oproept, daartoe aanmoedigt
of zulk geweld goedkeurt (r.o. 4.9). ’s Hofs ontkennende beantwoording van
deze vragen berust op een aan de rechter die over de feiten oordeelt,
voorbehouden waardering. ’s Hofs desbetreffende oordelen geven niet blijk
van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen voor het overige door de Hoge
Raad niet inhoudelijk worden getoetst. Onbegrijpelijk zijn ze allerminst.
Nadere motivering was geenszins vereist. Het hof heeft daarenboven nog
onderzocht of – zoals de Vereniging had gesteld – de reportage inbreuk
maakte op ieders recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam (door de
Vereniging aangeduid als het recht op lichamelijke integriteit) dal wel
beledigend of onnodig grievend was voor vrouwen (r.o. 4.11). Ook dot
onderzoek leidde tot een negatieve uitkomst. Zo ook het onderzoek naar de
vraag of de reportage spot met de gevoelens van mishandelde vrouwen of met
het werk van de Vereniging (r.o. 4.12). Ten aanzien van deze oordelen
geldt hetgeen zo juist werd opgemerkt ten aanzien van die in r.o. 4.9
.. Opmerking verdient in dit verband nog dat voor zover het middel in
onderdeel d betoogt dat ook diegene wiens handelen ertoe leidt dat een
ander ongewild en onvoorbereid wordt geconfronteerd met beelden die voor
hem of haar in die mate schokkend zijn dat hij of zij dientengevolge
geestelijk ontredderd raakt, inbreuk maakt op het die ander toekomende
recht op onaantastbaarheid van het lichaam, het uitgaat van een onjuiste
opvatting van dat recht.

4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt de Vereniging
in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de
zijde van Multi Magazines begroot op ƒ 507,20 aan verschotten en ƒ 3000 voor salaris.

Deze zaak is gegarandeerd door Proefprocessenfonds Rechtenvrouw.

Rechters

Mrs. Martens, Roelving, Neleman, Heemskerk en Nieuwenhuis