Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 19 oktober 1994

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Het verzoek voorlopige voorziening, tevens kortsluiten; bezwaar tegen
niet-inwilliging van de aanvraag ongegrond.
Weigering gezinshereniging bij Nederlandse partner, later echtgenote vanwege
onvoldoende middelen van bestaan.
er is niet voldaan aan het 3-uit-5 vereiste omdat de echtgenote nooit heeft
gewerkt. Geen vrijstelling van bestaansmiddelenvereiste omdat
arbeidsongeschiktheid niet blijvend maar tijdelijk is. De echtgenote is
zwanger. Evenmin is er sprake van schending van het gezinsleven.
Met toepassing van art. 33b Vreemdelingenwet is het bezwaarschrift ongegrond
verklaard en wordt de voorlopige voorziening als niet meer van belang zijnde
afgewezen.

Volledige tekst

I Ontstaan en loop van het geding
1. Verzoeker, geboren op (…). Hij verblijft sedert 23 januari 1991 als
vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 29 maart
1994 heeft hij verzocht om verlening van een vergunning tot verblijf met als
doel: `verblijf bij Nederlandse partner F.J.A.’. Op 10 mei 1994 is verzoeker
met F.J.A. gehuwd.
Bij besluit van 6 juni 1994 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend
beslist. Hiertegen heeft verzoeker bij schrijven van 29 juni 1994 bezwaar
gemaakt. Verweerder heeft op grond van artikel 32, Vw bepaald dat uitzetting
gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal worden
gelaten.
2. Op 26 juli 1994 heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht een
voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten,
totdat op het bezwaar is beslist. Verweerder heeft de op de zaak betrekking
hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot
afwijzing van het verzoek, alsmede tot ongegrondverklaring van het bezwaar
met toepassing van artikel 33b Vw.
3. De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 5 oktober
1994. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.L.
Plokker, advocaat te ‘s-Gravenhage. Verweerder heeft zich doen
vertegenwoordigen door mr. M. Eelman, advocaat te ‘s-Gravenhage.
II Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:81, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen
een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan
een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief
beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan
worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien
onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Artikel 33b bepaalt: `Indien het beroep op de rechtbank is gericht tegen
een afzonderlijke beschikking, houdende weigering hangende de afdoening van
het bezwaar of het administratief beroep uitzetting achterwege te laten,
beslist de rechtbank zoveel mogelijk tevens over de niet-inwilliging van de
aanvraag om toelating.’
3. Verzoeker heeft gevraagd een voorziening te treffen die ertoe strekt de
uitzetting achterwege te laten totdat op het bezwaar is beslist. De president
verstaat artikel 33b Vw aldus, dat de daar aan de rechtbank gegeven
bevoegdheid ook aan de president toekomt wanneer hij oordeelt over de
weigering de uitzetting achterwege te laten. Een beslissing op het
bezwaarschrift tegen de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating
ontneemt aan de gevraagde voorziening het belang.
Er bestaat aanleiding om in dit geval artikel 33b Vw toe te passen. De
president overweegt daartoe het volgende.
4. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning
tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen
belang ontleend.
5. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie
hier te lande bij de toepassing van dit artikellid een beleid waarbij
vreemdelingen in het algemeen – behoudens verplichtingen voortvloeiende uit
internationale overeenkomsten – slechts voor verlening van een vergunning tot
verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een
wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake is van klemmende
redenen van humanitaire aard.
6. Verzoeker legt aan de aanvraag en het onderhavig verzoek ten grondslag dat
hij in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf bij F.J.A., met wie
hij op 10 mei 1994 in het huwelijk is getreden.
7. Om in aanmerking te komen voor een vergunning tot verblijf bij echtgenote
dient te worden voldaan aan de voorwaarden die zijn neergelegd in hoofdstuk
B1/1.2. van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc). In het onderhavige geval is
de vergunning tot verblijf geweigerd omdat niet is voldaan aan vereiste dat
degene bij wie toelating wordt beoogd duurzaam en zelfstandig dient te
beschikken over voldoende middelen van bestaan. Onder voldoende middelen van
bestaan wordt verstaan een netto-inkomen, dat tenminste gelijk is aan het
bestaansminimum voor een gezin in de zin van de Algemene Bijstandswet.
8. Gebleken is dat de echtgenote van verzoeker een RWW-uitkering geniet. Een
uitkering krachtens de RWW geldt slechts als voldoende inkomen indien de
betrokkene op het moment van aanvraag om gezinshereniging of gezinsvorming
gedurende drievijfde deel van de periode dat hij vanaf zijn achttiende
levensjaar in Nederland heeft gewoond inkomen uit arbeid heeft gehad, waarbij
een minimum geldt van drie jaar. Deze situatie doet zich hier niet voor;
mevrouw A. heeft immers verklaard dat zij nimmer arbeid in loondienst heeft
verricht.
9. Verzoeker heeft aangevoerd dat zijn echtgenote feitelijk arbeidsongeschikt
is. In dit verband is een verklaring overgelegd van de behandelend psychiater
S. Wolters d.d. 21 juni 1994, waaruit blijkt dat deze de medische dienst van
de dienst sociale zaken te Den Haag heeft gevraagd om mevrouw A. voor het
verrichten van arbeid af te keuren. Ingevolge het bepaalde in B1/1.2.3. onder
c3 Vc zijn personen die blijvend volledig arbeidsongeschikt zijn en die een
uitkering ontvangen krachtens de ABW vrijgesteld van het middelenvereiste.
Voorts is aangevoerd dat verzoekers echtgenote zwanger is. Zodra het kind
geboren is geldt voor haar de vrijstelling van het middelenvereiste, omdat
het dan immers een eenoudergezin betreft met een kind jonger dan 6 jaar.
10. Telefonische informatie heeft uitgewezen dat er op 3 oktober 1994 door de
GG & GD omtrent mevrouw A. advies is uitgebracht. Uit dit advies valt af te
leiden dat verzoekers echtgenote alleen gedurende haar zwangerschap
arbeidsongeschikt wordt geacht en dat zij gedurende die periode zal worden
vrijgesteld van haar sollicitatieplicht. Nu zij niet blijvend volledig
arbeidsongeschikt is te achten, zal haar RWW-uitkering niet worden omgezet in
een ABW-uitkering.
Gelet hierop moet worden geoordeeld dat verzoekers echtgenote niet behoort
tot de categorie van personen die van het middelenvereiste zijn vrijgesteld.
De omstandigheid dat zij op dit moment zwanger is, leidt niet tot een ander
oordeel. Gedurende de zwangerschap kan niet met recht een beroep worden
gedaan op de vrijstellingscategorie van het middelenvereiste als neergelegd
in B1/1.2.3. onder c2 Vc.
11. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan aan verzoeker wegens
klemmende redenen van humanitaire aard verblijf in Nederland zou moeten
worden toegestaan, is de president niet gebleken.
12. De weigering om verzoeker verblijf hier te lande toe te staan levert
voorts geen schending op van artikel 8 EVRM. Verzoeker bezat immers geen
verblijfstitel op grond van artikel 9 of 10 Vw toen hij het gezinsleven
aanving en de beslissing van verweerder strekt er dan ook niet toe verzoeker
een verblijfstitel te ontnemen die hem tot het uitoefenen van het gezinsleven
hier te lande in staat stelde. Evenmin doen zich naar het oordeel van de
president zodanige feiten of omstandigheden voor op grond waarvan voor
verweerder een – uit het recht op het respect op het gezinsleven
voortvloeiende – positieve verplichting ontstaat om verzoeker door het
verstrekken van een verblijfsvergunning het uitoefenen van het gezinsleven in
Nederland mogelijk te maken. Afweging van het belang van verzoeker dat is
gemoeid met de uitoefening van het gezinsleven in Nederland enerzijds en het
openbaar belang gelegen in het voeren van een terughoudend toelatingsbeleid
anderzijds, breng de president tot de conclusie dat verweerder in
redelijkheid aan het openbaar belang meer gewicht kon toekennen. Hierbij
wordt mede in aanmerking genomen dat het om een eerste toelating gaat, zodat
reeds op die grond aan het algemeen belang een zwaarwegend gewicht toekomt.
13. Op grond van het voorgaande is de president van oordeel dat, nu nader
onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak,
het bezwaar gericht tegen de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating
met toepassing van artikel 33b Vw ongegrond dient te worden verklaard.
14. De gevraagde voorziening dient als niet meer van belang zijnde te worden
afgewezen. De president merkt hierbij op dat ook overigens niet is gebleken
dat de uitzetting van verzoeker in strijd zou zijn met enige regel van
geschreven of ongeschreven recht.
15. In dit geval ziet de president geen aanleiding tot kostenveroordeling en
evenmin tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
III Beslissing
De fungerend president:
1. Verklaart het bezwaar gericht tegen de niet-inwilliging van de aanvraag om
toelating ongegrond.
2. Wijst het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 Awb af.

Rechters

Mr. F.J.A. Quadekker

Instantie: Hof Arnhem, 14 oktober 1994

Instantie

Hof Arnhem

Samenvatting


Verzoekster stelt seksueel misbruikt te zijn door haar broer van 1968 tot
1972. Zij vordert materiele en immateriele schadevergoeding. De rechtbank
overweegt dat het feit in ieder geval is verjaard omdat de termijn van
twintig jaar is verlopen. Deze termijn vangt aan op het moment dat de
gebeurtenis die de schade heeft veroorzaakt plaatsvond. Deze termijn kan
terzijde worden gesteld met een beroep op de redelijkheid en de
billijkheid. De rechtbank is van mening dat dan aan zware eisen moet
worden voldaan, wat in casu niet het geval is. In hoger beroep is ook het
hof van mening dat het feit is verjaard. De feiten die verzoekster naar
voren brengt zijn, niet voldoende ernstig om te beslissen dat het beroep
van de broer op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar moet worden geacht.

Volledige tekst

Rechtbank Arnhem, 17 mei 1994: Overwegende

1. Verzoekster stelt dat gerekwestreerde, haar broer, in de periode van
1968 tot 1972 incestueuze handelingen met haar heeft verricht. Terzake
daarvan heeft zij op 30 juni 1993 aangifte gedaan bij de politie. Bij
brief van 16 augustus 1993 heeft zij gerekwestreerde van een en ander op
de hoogte gebracht. Verzoekster is voornemens een rechtsvordering tegen
gerekwestreerde in te stellen om terzake van het voorgaande zowel
materiele als immateriele schadevergoeding van hem te eisen.

2. Volgens gerekwestreerde kan het verzoek niet worden toegewezen omdat
de rechtsvordering die verzoekster tegen hem wil instellen is verjaard.
Hij stelt daartoe dat tussen 1972 en voormelde brief van 16 augustus 1993,
de volle verjaringstermijn van twintig jaren is verstreken, zonder dat
zich in die periode een aspect van stuiting of schorsing heeft voorgedaan.

3. Onder het oude recht gold voor rechtsvorderingen als de onderhavige een
verjaringstermijn van dertig jaar (art. 2004 oud BW). Ingevolge art. 2024
oud BW is deze termijn niet gaan lopen zolang verzoekster minderjarig was,
dus niet voor 29 januari 1980 (verzoekster is geboren op 29 januari 1959).
Ten tijde van de inwerkingtreding van het nieuwe BW liep deze
verjaringstermijn dus nog. Ingevolge art. 121 lid 2 Overgangswet is art.
2024 oud BW echter weliswaar tot 1 januari 1993 van toepassing gebleven
maar moet de verjaring sindsdien geacht worden nimmer geschorst te zijn
geweest. Ingevolge art. 73 Overgangswet is met ingang van 1 januari 1993
het nieuwe recht met zijn kortere verjaringstermijnen van toepassing
geworden. Nu een eventuele stuiting pas nadien heeft plaatsgevonden moet
de vraag of de vordering van verzoekster verjaard is, nu geheel naar het
thans geldende recht beoordeeld worden.

4. Wat dat nieuwe recht betreft is volgens verzoekster de in art. 3:310
lid 1 BW bedoelde termijn van vijf jaar pas in 1992 gaan lopen omdat zij
toen pas een verband is gaan leggen tussen de aan gerekwestreerde verweten
gedragingen en haar lichamelijke en psychische klachten en dus toen pas
zich van de schade bewust ofwel daarmee bekend is geworden in de zin van
deze bepaling. Gerekwestreerde bestrijdt deze stelling, maar wie het in
dit opzicht bij het rechte eind heeft kan in het midden worden gelaten.
Immers, het slot van laatstgenoemd artikellid maakt aan alle onzekerheden
die kunnen bestaan over de aanvang van de termijn een einde: de vordering
verjaart in elk geval twintig jaar nadat de gebeurtenis die de schade
veroorzaakte plaatsvond. Al dan niet bekendheid met de schade of met de
aansprakelijke persoon is hierbij niet relevant. In dit geval is deze
termijn van twintig jaar in ieder geval verstreken. Immers, de
gebeurtenissen zouden volgens verzoekster hebben plaatsgevonden in de
periode 1968 tot 1972.

5. Volgens verzoekster is een beroep op de twintigjarige termijn in strijd
met de redelijkheid en billijkheid. Hoewel dat op zichzelf denkbaar is zal
aan zware eisen moeten worden voldaan alvorens kan worden geconcludeerd
dat een beroep op een dwingende bepaling als deze op grond van strijd met
de redelijkheid en billijkheid terzijde moet worden gesteld. Om tot deze
conclusie te komen is door verzoekster onvoldoende gesteld. In ieder geval
kan niet aanvaard worden dat, zoals verzoekster verdedigt, ook de
twintigjarige verjaringstermijn pas ingaat op het moment (dat objectief
blijkt) van bewustzijn van de schade. Daarmee zou aan de strekking van de
wet (art. 3:310, lid 1 slot BW) geweld worden aangedaan.

6. Het beroep van gerekwestreerde op verjaring gaat, gelet op het
vorenoverwogene op, zodat het verzoek reeds om die reden moet worden
afgewezen. Op grond van de familierelatie tussen partijen zullen de
proceskosten tussen hen worden gecompenseerd.

Beslissende

Wijst het verzoek af.

Compenseert de proceskosten tussen partijen zo dat iedere partij haar
eigen kosten draagt.

Hof Arnhem, 4 oktober 1994:

Het geding in eerste aanleg

Het Hof verwijst naar de inhoud van de tussen de partijen gegeven
beschikking van de rechtbank te Arnhem van 17 mei 1994, die in fotokopie
aan deze beschikking is gehecht.

Het geding in hoger beroep

Bij verzoekschrift, op 14 juli 1994 ter griffie van het hof ingekomen, is
verzoekster -hierna ook Marga te noemen- in hoger beroep gekomen van de
hiervoor genoemde beschikking.

Marga heeft bij haar beroepschrift verzocht, dat het hof de beschikking
zal vernietigen en alsnog aan de rechtbank opdracht zal geven een datum
voor het voorlopige getuigenverhoor vast te stellen.

Bij zijn op 18 augustus 1994 ter griffie ingekomen verweerschrift tevens
incidenteel appelschrift heeft verweerder -hierna ook Gert te noemen-
verzocht, dat het hof het appel ongegrond zal verklaren en de beschikking
van de rechtbank met verbetering van de gronden zal bekrachtigen.

Het hof heeft kennis genomen van de overig stukken, waaronder een brief
met bijlagen van de procureur van Marga van 23 augustus 1994.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 augustus 1994. Marga
is in persoon verschenen, bijgestaan door haar procureur. Gert is eveneens
in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C.G.M. van Rossum, advocaat te
Huissen.

De vaststaande feiten

a. Marga geboren op 24 januari 1959, is sinds begin 1993 onder behandeling
van haar huisarts in verband met klachten van depressieve aard. Sedert
haar puberteitsjaren heeft zij last van migraine.

b. In een brief van 8 augustus 1994 heeft H. Th. S.M. Nadorp, huisarts van
Marga onder meer het volgende aan de procureur van de laatstgenoemde
geschreven: “(
..) Vanaf 4 januari 1993 komt patiente herhaaldelijk op mijn spreekuur in
verband met klachten van duizeligheid, hartkloppingen, zich licht in het
hoofd voelen, angst voor het hart. Bij orienterend lichamelijk onderzoek
worden geen afwijkingen gevonden. het beeld is typisch voor dat van
hyperventilatie. Wanneer patiente eind van de maand opnieuw op het
spreekuur komt met nerveus functionele klachten probeer ik achter de
oorzaak hiervan te komen. Patiente vertelt nu pas voor het eerst over haar
incestervaringen die zij vroeger heeft meegemaakt, het blijkt dat haar
oudste broer haar vroeger seksueel heeft misbruikt. Gedurende enkele
gesprekken die dan volgen blijkt dat patiente de problemen ten aanzien van
deze incest in het geheel niet verwerkt heeft. (
..). In het afgelopen jaar is zij herhaalde malen nog op het spreekuur
geweest ter bespreking van bovengenoemde problematiek.(
..)”.

c. Tegenover de politie heeft Gert op 26 juli 1993 toegegeven dat hij
ontuchtige handelingen heeft gepleegd met twee broers en twee zusters,
onder wie Marga.

De beoordeling

1. Marga stelt dat haar klachten zijn veroorzaakt door de ontuchtige
handelingen die haar oudere, op 22 september 1938 geboren broer Gert in
de periode van 1986 tot 1972 jegens haar heeft gepleegd. Ter zake van die
feiten heeft zij op 30 juni 1993 aangifte gedaan bij de politie. Bij brief
van 16 augustus 1993 heeft zij haar broer Gert van een en ander op de
hoogte gesteld.

2. Marga is voornemens tegen Gert een rechtsvordering in te stellen ter
verkrijging van materiele en immateriele schadevergoeding. In verband
daarmee heeft zij de rechtbank verzocht te bevelen dat omtrent de hiervoor
bedoelde feiten een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden, welk
verzoek door de rechtbank is afgewezen bij de beschikking waarvan beroep.

3. Het betoog van Gert dat het verzoek niet toewijsbaar is omdat de
rechtsvordering, die Marga tegen hem wil instellen is verjaard, komt er
op neer dat Marga geen belang zou hebben bij haar verzoek.

4. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is ingevolge artikel 73 van
de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek met ingang van 1 januari 1993 het
nieuwe recht van toepassing geworden en moet de vraag, of de vordering van
M verjaard is, geheel naar het thans geldende recht, in het bijzonder
artikel 3:310 BW, worden beoordeeld.

5. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het slot van artikel
3:310 lid 1 BW een eind maakt aan alle onzekerheden die kunnen bestaan
over de aanvang van een verjaringstermijn. De daar genoemde termijn van
twintig jaren begint te lopen op de dag na de gebeurtenis waardoor de
schade is veroorzaakt. Krachtens deze bepaling zijn de gestelde feiten dus
verjaard. Het beroep van M op het sinds 1 september 1994 geldende artikel
3:310 lid 4 BW kan haar niet baten, reeds omdat het recht tot
strafvordering jegens G volgens het ook sinds 1 september 1994 geldende
artikel 71 onderdeel 3o van het Wetboek van Strafrecht door verjaring is
vervallen. Volgens deze laatste bepaling is de verjaring immers gaan lopen
op de dag na die waarop M achttien jaar is geworden — derhalve 30 januari
1977 –, zodat deze verjaring — zelfs wanneer sprake zou zijn geweest van
een misdrijf waarbij de verjaringstermijn van vijftien jaar geldt (waarvan
overigens in deze procedure niet is gebleken) — in ieder geval eind
januari 1992 was voltooid.

6. De incidentele grief van G — welke grief inhoudt, dat de rechtbank ten
onrechte heeft overwogen dat het op zichzelf denkbaar is dat een beroep
op het verstrijken van de termijn van twintig jaren in strijd is met de
redelijkheid en billijkheid — faalt. Volgens artikel 6:2 lid 2 BW is het
immers mogelijk dat een tussen schuldeiser en schuldenaar geldende
wettelijke regel niet van toepassing is, voor zover dat in de gegeven
omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar zou zijn.

7. Hoewel de door M gestelde feiten — die, indien bewezen, feiten zoals
strafbaar gesteld bij artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht opleveren
— op zichzelf ernstig van aard zijn, is het hof met de rechtbank van
oordeel, dat onvoldoende is gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat
het beroep van G op verjaring door de rechter, die de vordering van M te
zijner tijd zou beoordelen, in de gegeven omstandigheden naar maatstaven
van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou worden geacht, waartoe
nu eenmaal aan zware eisen zou moeten zijn voldaan. Daarbij heeft het hof
zowel met de door M als met de door G aangevoerde omstandigheden — die
het beroep op verjaring beiden in de onderhavige procedure uitputtend aan
de orde hebben gesteld — rekening gehouden. Ook het principaal appel kan
dus niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leiden.

8. Gelet op het voorgaande heeft M onvoldoende belang bij het door haar
verzochte voorlopig getuigenverhoor, zodat het hof de beschikking waarvan
beroep zal bekrachtigen. de proceskosten in hoger beroep zullen tussen de
partijen, zuster en broer van elkaar, worden gecompenseerd.

De beslissing

Het hof:

in het principaal en in het incidenteel appel:

bekrachtigt de tussen de partijen gegeven beschikking van de rechtbank te
Arnhem van 17 mei 1994;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de
eigen kosten draagt. Deze zaak is gegarandeerd door het
Proefprocessenfonds Rechtenvrouw.

Rechters

Mrs. Van Raalte, Fokker en Katz-Soeterbeek

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 7 oktober 1994

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


De Roks-uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
(RN 1994, 417, m.nt. Linda Senden) is voor de Centrale Raad aanleiding
twee prejudiciele vragen aan het Hof voor te leggen met betrekking tot de
inkomenseis, zoals bijgesteld in CRvB 23 juni 1992 (RN 1992, 294, m.nt.
Mireille Steinmetz) 1. Mag de in art. IV Wet van 3 mei 1989 (Reparatiewet)
neergelegde inkomenseis met ingang van 1 juli 1994 worden tegengeworpen
aan de vrouw die reeds voor 1 januari 1979 arbeidsongeschikt was en uit
dien hoofde uitkering genoot? 2. Mag de in art. 6 AAW neergelegde
inkomenseis worden tegengeworpen aan de vrouw die op later datum, in casu
1989, arbeidsongeschikt is geworden?

Volledige tekst

I. Procesverloop

De Centrale Raad van Beroep wendt zich tot het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen met het verzoek om bij wijze van prejudiciele
beslissing de aan het slot van dit Bevel geformuleerde vragen te
beantwoorden. Deze vragen zijn gerezen in twee bij de Raad aanhangige
gedingen, te weten de zaak (AAW 1992/825) en de zaak (AAW/WAO 1993/1264),
nader aan te duiden als respectievelijk zaak 1 en zaak 2.

In zaak 1 is aan de orde de intrekking van een uitkering ingevolge de
Nederlandse Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (Wet van 11 december 1975,
Staatsblad 674, zoals nadien gewijzigd, nader: AAW), met toepassing van
artikel IV van de Wet van 3 mei 1989, Stb. 126. In zaak 2 is aan de orde
de weigering van AAW-uitkering met toepassing van artikel 6 van de AAW,
zoals deze is komen te luiden na de wijziging bij Wet van 20 december
1979, Stb. 708.

De relevante feiten van de twee gedingen laten zich als volgt weergeven.
Eiseres in hoger beroep in zaak 1, nader te noemen: P, is laatstelijk als
zelfstandige tezamen met haar echtgenoot werkzaam geweest in een
garagebedrijf annex benzinetankstation. Omstreeks einde 1974 heeft zij die
arbeid gestaakt in verband met toenemende klachten van een aandoening,
welke later als multiple sclerose is gediagnostiseerd. Opmerking verdient,
dat P destijds als gehuwde vrouw uit hoofde van die arbeidsongeschiktheid
bij de inwerkingtreding van de AAW op 1 oktober 1976 geen aanspraak kon
maken op uitkering ingevolge die wet. Kort na het staken van de arbeid
door zijn echtgenote heeft de echtgenoot het bedrijf beeindigd en is hij
in loondienst getreden. Gedaagde in hoger beroep, het bestuur van de
Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen (nader te
noemen: de Detam) heeft het aanvangstijdstip van de arbeidsongeschiktheid
van P aanvankelijk gesteld op 1 oktober 1978, en later, in de loop van het
geding, op 1 oktober 1976. De Raad neemt in dit verband aan, dat P op
laatstgenoemde datum was aan te merken als een persoon die haar
werkzaamheden hetzij als gevolg van arbeidsongeschiktheid, hetzij in
verband met werkloosheid heeft gestaakt. Op de aanvraag om AAW-uitkering
van P d.d. 26 oktober 1988 heeft de Detam, met inachtneming van de —
nader te bespreken — uitspraken van de Centrale Raad van Beroep d.d. 5
januari 1988, bij beslissing van 25 juli 1989 haar met ingang van 26
oktober 1987 zodanige uitkering toegekend, naar een arbeidsongeschiktheid
van tachtig tot honderd procent en een grondslag van ƒ 91,74 per dag. Bij
een latere beslissing, d.d. 18 december 1989, is de ingangsdatum van de
uitkering vastgesteld op 14 april 1985. Bij beslissing van 26 maart 1991,
de thans bestreden beslissing, is die uitkering met ingang van 1 juli 1991
ingetrokken, onder toepassing van artikel IV van de Wet van 3 mei 1989
(Stb. 126) als gewijzigd bij Wet van 4 juli 1990 (Stb. 386), onder de
overweging dat P in het jaar voor het intreden van haar
arbeidsongeschiktheid niet heeft voldaan aan de inkomenseis als gesteld
bij Wet van 3 mei 1989. De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft het
beroep van P tegen deze laatste beslissing van de Detam bij uitspraak van
12 november 1992 ongegrond verklaard. P is van deze uitspraak in hoger
beroep gekomen bij de Centrale Raad van Beroep. Eiser in hoger beroep in
zaak 2, nader te noemen O is tot 1988 bij diverse werkgevers in Nederland
werkzaam geweest.

Nadien ontving hij tot 17 april 1990 een uitkering
ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW). Op
laatstgenoemde datum trad hij in dienst van de werkgever Tank Cleaning
Rotterdam CV, waar hij de arbeid op 13 september 1990 staakte in verband
met psychische klachten. Bij geneeskundige onderzoek vanwege de
Gemeenschappelijke Medische Dienst, adviseur van de uitvoeringsorganen van
de sociale verzekering, is vastgesteld dat O reeds op 1 april 1989 als
arbeidsongeschikt moest worden beschouwd. De Raad neemt in dit verband
aan, dat O het verrichten van arbeid voor 1 april 1989 heeft gestaakt in
verband met werkloosheid. Bij de thans bestreden beslissing van het
bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (nader: de NAB) d.d. 23
oktober 1992 (voorzover gehandhaafd) is aan O uitkering ingevolge de AAW
geweigerd op de grond dat hij over het jaar voorafgaande aan het intreden
van zijn arbeidsongeschiktheid op 1 april 1989 niet voldeed aan de in de
AAW gestelde inkomenseis. (Omtrent O’s aanspraken op
arbeidsongeschiktheidsuitkering terzake van zijn werkstaking op 13
september 1990 is eveneens een beslissing genomen, en wel door het ten
aanzien van die datum bevoegde orgaan, de Bedrijfsvereniging voor de
Metaalindustrie en de Electrotechnische Industrie. Uitkeringen (op grond
van de AAW en de WAO) zijn daarbij geweigerd, op de grond, kort gezegd,
dat O bij de aanvang van de werkzaamheden op 17 april 1990 reeds volledig
arbeidsongeschikt was. Het beroep tegen die beslissing is niet relevant
voor de onderhavige procedure). Het beroep tegen de beslissing van de NAB
d.d. 23 oktober 1991 is ongegrond verklaard bij uitspraak van de
Arrondissementsrechtbank te Rotterdam d.d. 14 juni 1993. O is van die
uitspraak in hoger beroep gekomen bij de Centrale Raad van Beroep.

II. Overwegingen

De betreffende nationale regeling, de AAW, en de daarin aangebrachte
wijzigingen zijn door uw Hof in het arrest van 24 februari 1994 in de zaak
C-343/92 (nader: arrest Roks e.a.) als volgt weergegeven:

‘3. Aanvankelijk gaf de AAW, die sinds 1 oktober 1976 van kracht is,
mannen alsmede ongehuwde vrouwen na een arbeidsongeschiktheid van een jaar
recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering waarvan de hoogte niet
afhankelijk was van de eventuele overige inkomsten van de
uitkeringsgerechtigde of van de door deze geleden inkomensderving.

4. Met de Wet invoering gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen
van 20 december 1979 kregen ook gehuwde vrouwen recht op een
AAW-uitkering. Tegelijkertijd voerde die wet voor alle verzekerden, met
uitzondering van bepaalde categorieen, de voorwaarde in, dat er slechts
recht op uitkering bestaat indien de betrokkene in het jaar voorafgaand
aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid uit of in verband met zijn
of haar arbeid een bepaald inkomen — oorspronkelijk minimaal ƒ 3.423,81
— heeft verworven (hierna: ‘inkomenseis’). Die inkomenseis gold voor alle
personen die op of na 1 januari 1979 arbeidsongeschikt waren geworden.

5. Ingevolge de overgangsbepalingen van genoemde wet van 20 december 1979
behielden mannen en vrouwen die voor 1 januari 1979 arbeidsongeschikt
waren geworden, hun recht op uitkering zonder aan de inkomenseis te hoeven
voldoen. Gehuwde vrouwen wier arbeidsongeschiktheid dateerde van voor 1
oktober 1975, hadden geen recht op uitkering, zelfs indien zijn aan de
inkomenseis voldeden, en gehuwde vrouwen die tussen 1 oktober 1975 en 1
januari 1979 arbeidsongeschikt waren geworden, hadden enkel recht op
uitkering indien zij aan de inkomenseis voldeden.

6. Bij een aantal uitspraken van 5 januari 1988 oordeelde de Centrale Raad
van Beroep, dat die overgangsbepalingen een discriminatie op grond van
geslacht vormden, die onverenigbaar was met artikel 26 van het
BuPo-verdrag van 19 december 1966 (Recueil de Traites, vol. 999, blz.
171), en dat gehuwde vrouwen die voor 1 januari 1979 arbeidsongeschikt
waren geworden, met ingang van 1 januari 1980 — datum van
inwerkingtreding van de wet van 20 december 1979 — onder dezelfde
voorwaarden als mannen recht hadden op een AAW- uitkering, dat wil zeggen
zonder aan de inkomenseis te hoeven voldoen, zelfs indien hun
arbeidsongeschiktheid dateerde van voor 1 oktober 1975.

7. De overgangsbepalingen die werden geacht gehuwde vrouwen te
discrimineren, zijn ingetrokken bij wet van 3 mei 1989. Artikel III van
die wet bepaalt echter, dat personen die voor 1 januari 1979
arbeidsongeschikt zijn geworden en na 3 mei 1989 een AAW-uitkering
aanvragen, aan de inkomenseis moeten voldoen, en artikel IV bepaalt dat
de AAW-uitkering van personen die voor 1 januari 1979 arbeidsongeschikt
zijn geworden, wordt ingetrokken indien niet aan de inkomenseis is
voldaan. Die intrekking, die oorspronkelijk op 1 juni 1990 had moeten
plaatsvinden, is bij een latere wet bepaald op 1 juli 1991.

8. Bij uitspraak van 23 juni 1992 besliste de Centrale Raad van Beroep,
dat de hoogte van de inkomenseis (in 1988: ƒ 4.403,52 per jaar) vrouwen
indirect discrimineerde en derhalve in strijd was met artikel 26 van het
eerdergenoemd internationaal verdrag en met artikel 4, lid 1, van de
richtlijn 79/7. Volgens de Centrale Raad van Beroep werd aan de
inkomenseis voldaan, indien de betrokkene in het jaar voorafgaand aan het
intreden van de arbeidsongeschiktheid ‘enig inkomen’ had verworven.’.

In genoemd arrest heeft het Hof de door de nationale rechter gestelde
tweede en derde vraag als volgt beantwoord:

‘2. Het gemeenschapsrecht verzet zich niet tegen de invoering van een
nationale wettelijke regeling die, door het behoud van het recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering afhankelijk te stellen van een voorwaarde
die voortaan voor zowel mannen als vrouwen geldt, tot gevolg heeft, dat
vrouwen voor de toekomst rechten worden ontnomen die zij ontleenden aan
de rechtstreekse werking van artikel 4, lid 1, van de richtlijn 79/7/EEG.
3. Artikel 4, lid 1, van de richtlijn 79/7/EEG verzet zich tegen de
toepassing van een nationale wettelijke regeling die de toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering afhankelijk stelt van de voorwaarde, dat
de betrokkene in het jaar voordat de arbeidsongeschiktheid is ingetreden,
enig inkomen heeft genoten, welke voorwaarde ofschoon zij geen onderscheid
maakt naar geslacht, een veel groter aantal vrouwen dan mannen treft,
zelfs wanneer de vaststelling van deze wettelijke regeling haar
rechtvaardiging vindt in budgettaire overwegingen’.’

Naar aanleiding van deze antwoorden zijn bij de Raad vragen gerezen welke
het noodzakelijk maken de uitlegging van het gemeenschapsrecht in relatie
tot de onderwerpelijke nationale wetgeving, ten dele opnieuw, aan de orde
te stellen. Het gaat hier in het bijzonder om de verenigbaarheid met het
gemeenschapsrecht van een inkomensvoorwaarde gesteld in een nationale
wettelijke regeling betreffende de verzekering tegen
arbeidsongeschiktheid, en de in dit verband geldende reikwijdte van de
door het Hof gegeven antwoorden, hierboven aangehaald, in het arrest Roks
e.a.

Verwijzend naar de overwegingen in genoemd arrest, roept de Raad in
herinnering dat de verwijzende rechter in zijn derde vraag aan de orde
heeft gesteld of — voor zoveel hier van belang — een bepaling als
artikel IV van de Wet van 3 mei 1989, waarbij ten aanzien van het behoud
van het recht op uitkering alsnog een voorwaarde wordt gesteld betreffende
de derving van arbeidsinkomen in het jaar voorafgaande aan het intreden
van arbeidsongeschiktheid, op het punt van ongelijke behandeling van
mannen en vrouwen kan worden gerechtvaardigd door budgettaire
overwegingen. De beantwoording echter door het Hof van deze vraag wekt de
suggestie dat het daarbij gegeven oordeel over de verenigbaarheid met het
gemeenschapsrecht een wijdere strekking heeft dan de context waarin de
vraag is gesteld; gewezen kan worden op het gebruik van de woorden “voor
het overige …” in rechtsoverweging 33, van het woord “toekenning” in
rechtsoverwegingen 31, 38 en onder 3) van het arrest en op de
clausulering, beginnende met het woord “zelfs” onder 3) van het arrest.
Vergelijking van vraag 3) met het daarop gegeven antwoord kan de volgende
interpretatievragen doen rijzen: – heeft het Hof hier uitsluitend bedoeld
aan te geven dat, gegeven een door een nationale regeling teweeggebrachte
ongelijke behandeling van mannen en vrouwen en in het midden gelaten
eventuele andere daarvoor aan te voeren rechtvaardigingsgronden,
budgettaire overwegingen op zichzelf geen objectieve rechtvaardiging
kunnen vormen? – heeft het Hof, naast het in rechtsoverweging 32 gegeven
antwoord terzake van artikel III, geoordeeld dat het gemeenschapsrecht
zich verzet tegen het stellen van een inkomensvoorwaarde (uitsluitend) in
de specifieke context van artikel IV van de Wet van 3 mei 1989? – betekent
het antwoord op vraag 3) dat artikel 4, lid 1, van de richtlijn 79/7/EEG
zich in algemene zin verzet tegen het stellen van een inkomensvoorwaarde
in een nationale wettelijke regeling inzake
arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan wel tegen de introductie van een
inkomensvoorwaarde bij wijziging van een zodanige wettelijke regeling
zoals geschied bij Wet van 20 december 1979, aangezien, althans in de
Nederlandse situatie, meer vrouwen dan mannen door een dergelijke
voorwaarde getroffen worden?

Hoewel enerzijds een bevestigend antwoord op de tweede hierboven
geformuleerde vraag rechtstreeks uit het arrest lijkt te kunnen worden
afgeleid, en, anderzijds, een bevestigend antwoord op de derde vraag niet
onmiddellijk voor de hand ligt, omdat de meeste wettelijke regelingen
betreffende arbeidsongeschiktheid gericht zijn op compensatie van derving
van inkomen en derhalve van het voor de arbeidsongeschiktheid verdiend
hebben van inkomen uitgaan, rijst wel de vraag, gelet op de door het Hof
gekozen ruime formulering, wat de precieze reikwijdte is van het op
artikel 4, lid 1 van de richtlijn gebaseerde verbod van het stellen van
een inkomensvoorwaarde in arbeidsongeschiktheidsregelingen, als in het
arrest Roks e.a. aangegeven.

De Raad wijst in dit verband nog op de
navolgende karakteristieken van de Nederlandse
arbeidsongeschiktheidsverzekering, voorzover beheerst door de AAW, en op
de daaruit naar voren komende samenhang tussen de inkomensvoorwaarde in
algemene zin en die, gesteld in artikel IV van de Wet van 3 mei 1989: –
de wijziging van de AAW bij Wet van 20 december 1979 beoogde — afgezien
van de eventuele discriminerende werking van de inkomensvoorwaarde zelf
— in zoverre gelijke behandeling, dat in ieder geval voor alle personen
die vanaf 1 januari 1979 arbeidsongeschikt werden een inkomensvoorwaarde
ging gelden; – de na de inwerkingtreding van voornoemde wet voortbestaande
ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, arbeidsongeschikt geworden voor 1
januari 19798, op het punt van het al dan niet gelden van een
inkomensvoorwaarde is de iure weggenomen door de uitspraak van de Centrale
Raad van Beroep van 5 januari 1988, vermeld in het arrest Roks e.a.,
rechtsoverweging 6; – aldus gold na genoemde uitspraak bij de toepassing
van de AAW een regime dat (uitsluitend) onderscheid maakte op het punt van
de gelding van een inkomensvoorwaarde, en wel tussen personen, zowel
mannen als vrouwen, die voor, en personen die sinds 1 januari 1979
arbeidsongeschikt waren geworden; – artikel IV van de Wet van 3 mei 1989
beoogt laatstvermeld onderscheid ingedaan te maken, in die zin dat voor
een ieder die voor 1 januari 1979 arbeidsongeschikt is geworden en de
uitkering vanaf 1 juli 1991 (zie artikel IV, lid 3, van de wet) wenst
voort te zetten, alsnog een inkomensvoorwaarde geldt, evenals dat reeds
het geval was voor degenen die vanaf 1 januari 1979 arbeidsongeschikt zijn
geworden. – de eventuele ongelijke behandeling van mannen en vrouwen,
teweeggebracht door de hoogte van de inkomensvoorwaarde als neergelegd in
artikel 6, lid 2, van de AAW (als gewijzigd bij de Wet van 20 december
1979), kan geacht worden te zijn weggenomen door de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep van 23 juni 1992, vermeld in het arrest Roks
e.a., rechtsoverweging 8.

Uit het bovenstaande kan worden afgeleid dat door het buiten toepassing
maten van artikel IV van de Wet van 3 mei 1989, op het punt van de gelding
van een inkomensvoorwaarde als voorheen een onderscheid zou bestaan tussen
personen, zowel mannen als vrouwen, die voor 1 januari 1979
arbeidsongeschikt zijn geworden. In dit verband merkt de Raad nog op, dat
hij uit de overwegingen van het Hof in het arrest Roks e.a. meent te mogen
afleiden dat een uit de toepassing van het gemeenschapsrecht
voortspruitende handhaving van de aanspraak op
arbeidsongeschiktheidsuitkering zonder toetsing aan een inkomensvoorwaarde
voor personen die voor 1 januari 1979 arbeidsongeschikt zijn geworden,
niet wordt gefundeerd in hetgeen de verwijzende rechter heeft omschreven
als het communautaire rechtszekerheidsbeginsel. Niettemin kan de vraag
worden opgeworpen of de rechtszekerheid zich niet verzet tegen het alsnog
stellen van een voorwaarde betreffende de verwerving van inkomen
voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid nadat de
aanspraak op uitkering reeds is ingegaan, ervan uitgaande dat in het
algemeen een specifiek kenmerk van een dergelijke voorwaarde is dat zij
enkel bij de toekenning van een aanspraak een rol speelt. Ingeval echter
— in de zienswijze van het Hof — uitsluitend het verbod van
discriminatie tussen mannen en vrouwen op het gebied van de sociale
zekerheid, als neergelegd in artikel 4, lid 1, van de richtlijn 79/7/EEG
moet leiden tot het behoud van de aanspraak op uitkering van voor 1
januari 1979 arbeidsongeschikt geworden personen, uit hoofde van de
onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de ingevolge artikel IV
van de Wet van 3 mei 1989 aan het behoud van die aanspraak te stellen
inkomensvoorwaarde, rijst de vraag hoe doe voorwaarde zich op het punt van
de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht verhoudt tot het
dervingsbeginsel in algemene zin, zoals dat tot uitdrukking komt niet
alleen in de AAW sedert de wijziging bij de Wet van 20 december 1979, maar
in vele andere wettelijke regelingen betreffende de verzekering tegen
arbeidsongeschiktheid binnen de Europese Unie.

Vorenstaande overwegingen leiden, onder schorsing van de verdere
behandeling van beide gedingen, tot de navolgende vraagstelling van de
Centrale Raad van Beroep aan het Hof van Justitie.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep:

– bepaalt dat aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen ter
prejudiciele beslissing de volgende vragen worden voorgelegd: Indien
vaststaat dat door het stellen van een inkomensvoorwaarde in een
wettelijke regeling betreffende arbeidsongeschiktheid meer vrouwen dan
mannen worden getroffen: 1. (met betrekking tot zaak 1:) Moet het geldende
gemeenschapsrecht zo worden uitgelegd, dat dit zich verzet tegen de
beeindiging van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de AAW,
verkregen uit hoofde van een voor 1 januari 1979 ingetreden
arbeidsongeschiktheid, als gevolg van de toepassing van artikel IV van de
Wet van 3 mei 1989, op grond van welke bepaling met betrekking tot het
behoud van de aanspraak op uitkering vanaf 1 juli 1991 de voorwaarde wordt
gesteld, dat voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid
inkomen uit of in verband met arbeid is verworven?

2. (met betrekking tot zaak 2:) Moet het geldende gemeenschapsrecht zo
worden uitgelegd, dat dit zich verzet tegen de weigering van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de AAW als gevolg van de
toepassing van artikel 6 van de AAW (zoals deze luidt sedert de
inwerkingtreding van de Wet van 20 december 1979, en met inachtneming van
de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 juni 1992), op grond
van welke uitkering de voorwaarde geldt dat in het jaar voorafgaande aan
het intreden van de arbeidsongeschiktheid, in casu te stellen op 1 april
1989, inkomen uit of in verband met arbeid is verworven?

– schorst in verband met de toepassing van artikel 177 EEG- verdrag de
verdere behandeling van de gedingen totdat door het Hof van Justitie
arrest zal zijn gewezen.

Rechters

Mrs. Haverkamp, Grendel, Zwart

Instantie: Rechtbank Alkmaar, 6 oktober 1994

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


In het tussenvonnis is een deskundigenbericht gelast. Eiseres is gedurende
drie jaar door een kennis van haar ouders seksueel misbruikt. Gedaagde heeft
regelmatig seksuele gemeenschap met eiseres gehad. De psychoseksuele
ontwikkeling van eiseres is hierdoor ernstig gestoord. Zij heeft op school
last gehad van concentratieproblemen.
De rechtbank stelt dat een immateriële schadevergoeding van ƒ 20 000 redelijk
en billijk is.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Bij tussenvonnis van 13 mei 1993 heeft de rechtbank een deskundigenbericht
gelast, ingevolge welke beslissing blijkens de daarvan opgemaakte akte op 28
juli 1993 onder nummer 96/1993 een deskundigenrapport ter griffie van de
rechtbank is gedeponeerd, dat door de deskundige is ondertekend op 26 juli
1993.
Vervolgens hebben beide partijen geconcludeerd.
Tenslotte hebben partijen hun procesdossiers wederom aan de rechtbank
overgelegd en vonnis gevraagd. De inhoud van alle stukken, waaronder thans
ook de hiervoor genoemde, geldt als hier ingelast.
De behandeling van de zaak:
1. Bij voormeld tussenvonnis zijn aan de benoemde deskundige de volgende
vragen ter beantwoording voorgelegd:
a. In welke psychische toestand bevindt eiseres zich thans?
b. In hoeverre heeft eiseres psychische schade geleden door de handelingen
van gedaagde als in de processtukken omschreven?
c. Bestaat er uitzicht op volledig herstel van die schade en zo ja, op welke
termijn?
d. Heeft u overigens nog op- of aanmerkingen die voor de beoordeling van de
zaak van belang zijn?
2. De conclusie die de deskundige in zijn rapport heeft neergelegd luidt –
kort samengevat – dat eiseres voldoende tot zelfs goed kan functioneren,
zolang zij voldoende afleiding en structuur in haar leven heeft.
Is zij meer op zichzelf, dan komen er onrustige gedachten en raakt zij
gespannen met slaapstoornissen als gevolg. Confrontatie met het traumatisch
verleden leidt tot schuldgevoelens, schaamte en forse spanningsreacties. Ook
rugklachten keren terug.
Eiseres is niet in staat tot een normale `volwassen’ lustbeleving van het
huwelijksleven. Haar relatie met haar partner, haar ouders en haar broers
staat onder druk omdat belangrijke emotionele belevenissen niet met hen
kunnen worden gedeeld.
De normale psychoseksuele ontwikkeling van eiseres is ernstig belemmerd door
de premature seksuele contacten in het begin van de puberteit. Eiseres is
geïsoleerd geraakt van haar leeftijdsgenoten en is niet aan een normale
seksuele beleving van haar relatie(s) met mannen toegekomen. In de
adolescentie had eiseres last van concentratieproblemen op school, het niet
van zich kunnen afzetten van wat er is gebeurd en regelmatig terugkerende
depressieve en `gespannen periodes’ met lichamelijke klachten. Een eerder
therapeutisch contact is mislukt.
Er bestaat geen uitzicht op volledig herstel: de traumatische herinneringen
zullen steeds terugkomen wanneer daar aanleiding voor is. Na
psychotherapeutische behandeling is een weliswaar beschadigd maar toch zinvol
leven mogelijk.
3. Gedaagde heeft zich ten aanzien van het deskundigenbericht gerefereerd aan
het oordeel van de rechtbank. De rechtbank neemt de bevindingen en de
conclusie van de deskundige over.
4. Gedaagde heeft de hoogte van het gevorderde bedrag betwist en stelt
daartoe dat de huidige toestand van eiseres toewijzing van dit bedrag niet
rechtvaardigt.
5. De omvang van de schadevergoeding moet worden bepaald aan de hand van de
feiten en de conclusies van de deskundige zoals hierboven weergegeven. Bij de
begroting van de schade heeft de rechtbank de volgende factoren laten
meewegen:
– eiseres was elf jaar toen het seksueel misbruik begon;
– gedaagde, die een goede kennis was van de ouders van eiseres, is daarmee
gedurende ongeveer drie jaar doorgegaan;
– in 1979/1980 heeft gedaagde zeer regelmatig seksuele gemeenschap met eiseres
gehad;
– gedaagde heeft een videofilm gemaakt van ontuchtige handelingen die hij
verrichtte met eiseres en heeft die film daarna aan eiseres getoond;
– het contact met haar familie is gedeeltelijk geblokkeerd omdat eiseres met
hen niet over de gebeurtenissen kan praten;
– de premature seksuele contacten in het begin van de puberteit hebben de
normale psychoseksuele ontwikkeling van eiseres ernstig belemmerd; zij is
daardoor geïsoleerd geraakt van haar leeftijdsgenoten en is uiteindelijk niet
aan een normale seksuele beleving van haar relaties met mannen kunnen
toekomen;
– de traumatische herinneringen uit het verleden beïnvloeden de verhouding
tot haar partner en haar zoontje ook nu nog op een negatieve manier;
– eiseres heeft door toedoen van gedaagde ernstige psychische schade geleden
en lijdt daaraan, nu zij (bijna) 28 jaar oud is, nog steeds;
– er bestaat thans geen reëel uitzicht op volledig herstel.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de schade naar redelijkheid en
billijkheid vast op een bedrag van
ƒ 20 000.
Gedaagde heeft zijn verweer dat hij een WAO-uitkering heeft van circa ƒ 1125
netto per maand niet met bewijsstukken gestaafd. Afgezien daarvan heeft de
rechtbank, gegeven de ernst en de gevolgen van het misbruik, geen
doorslaggevende waarde toegekend aan de inkomenspositie van gedaagde.
6. Gedaagde is de in belangrijke mate in het ongelijk gestelde partij en
dient derhalve in de proceskosten en de kosten van de deskundige te worden
veroordeeld.
De beslissing:
De Rechtbank:
Veroordeelt gedaagde tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te
betalen een bedrag van ƒ 20 000 (twintig duizend gulden) wegens immateriële
schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag sinds de dag der
dagvaarding, zijnde 18 februari 1991, tot aan de voldoening.
Verwijst gedaagde in de kosten van dit geding, die van de deskundige ten
bedrage van ƒ 845 daaronder begrepen, en tot op deze uitspraak aan de zijde
van eiseres derhalve begroot op ƒ 6302,77, en veroordeelt gedaagde mitsdien
om te voldoen:
a. aan de griffier van deze rechtbank:
1. ƒ 1050 voor in debet gesteld griffierecht;
2. ƒ 57,77 voor kosten dagvaarding;
3. ƒ 4200 voor salaris van de procureur;
4. ƒ 845 voor loon van de deskundige;
derhalve in totaal ƒ 6152,77, met welk bedrag zal dienen te worden gehandeld
overeenkomstig het bepaalde bij artikel 57b van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering;
b. aan eiseres:
ƒ 150 voor niet in debet gesteld griffierecht.
Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mrs. C.W.T. Vriezen (vz), K.D. van Ringen, N.J. Out

Instantie: Rechtbank Alkmaar, 6 oktober 1994

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


In het tussenvonnis is een deskundigenbericht gelast. Eiseres is gedurende
twee jaar door een kennis van haar ouders seksueel misbruikt. De
psychoseksuele
ontwikkeling van eiseres is hierdoor ernstig gestoord. Zij heeft op school
onder haar mogelijkheden gepresteerd.
De rechtbank stelt dat een immateriële schadevergoeding van ƒ 15 000 redelijk
en billijk is. Tevens wordt een materiële schadevergoeding van ƒ 348
toegekend.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:
Bij tussenvonnis van 13 mei 1993 heeft de rechtbank een deskundigenbericht
gelast, ingevolge welke beslissing blijkens de daarvan opgemaakte akte op 28
juli 1993 onder nummer 95/1993 een deskundigenrapport ter griffie van de
rechtbank is gedeponeerd, dat door de deskundige is ondertekend op 26 juli
1993.
Vervolgens hebben beide partijen geconcludeerd.
Tenslotte hebben partijen hun procesdossiers wederom aan de rechtbank
overgelegd en vonnis gevraagd. De inhoud van alle stukken, waaronder thans
ook de hiervoor genoemde, geldt als hier ingelast.
De behandeling van de zaak:
1. Bij voormeld tussenvonnis zijn aan de benoemde deskundige de volgende
vragen ter beantwoording voorgelegd:
a. In welke psychische toestand bevindt eiseres zich thans?
b. In hoeverre heeft eiseres psychische schade geleden door de handelingen
van gedaagde als in de processtukken omschreven?
c. Bestaat er uitzicht op volledig herstel van die schade en zo ja, op welke
termijn?
d. Heeft u overigens nog op- of aanmerkingen die voor de beoordeling van de
zaak van belang zijn?
2. De conclusie die de deskundige in zijn rapport heeft neergelegd luidt:
`Door de traumatische seksuele ervaringen is de psychoseksuele ontwikkeling
vanaf het begin van de puberteit vrij ernstig gestoord geraakt. Dit heeft
geleid tot depressies, schaamte- en schuldgevoel en sociaal isolement.
… pas in de psychotherapie heeft zij geleerd haar gevoelens te bespreken en
de traumatische ervaringen te verwerken …’.
Verder verklaart de deskundige -kort samengevat- dat eiseres er in is
geslaagd haar leven een meer positieve wending te geven. Zij blijft wel een
zekere mate van gespannenheid en alertheid houden alsmede een moeizame
seksuele relatie met haar partner.
Er is een blijvende emotionele verwijdering tussen haar en haar ouders omdat
het onderwerp onbespreekbaar is.
Eiseres is na het seksueel misbruik erg in zichzelf gekeerd geraakt en heel
onzeker en depressief geworden. Zij heeft op school duidelijk onder haar
niveau gefunctioneerd en kon sociaal niet goed meer meedoen. De ontwikkeling
van de normale seksualiteit is in die periode gestagneerd geraakt.
Voor volledig herstel kan eigenlijk niet gesproken worden: de gebeurtenissen
hebben een te diepgaande invloed op haar psychoseksuele ontwikkeling en
persoonlijkheidsvorming gehad. De pijnlijke herinneringen zullen blijven
bestaan ook al kunnen schaamte, de angst en de depressies deels worden
overwonnen.
3. Gedaagde heeft zich ten aanzien van het deskundigenbericht gerefereerd aan
het oordeel van de rechtbank. De rechtbank neemt de bevindingen en de
conclusie van de deskundige over.
4. Gedaagde heeft de hoogte van het gevorderde bedrag betwist en stelt
daartoe dat de huidige toestand van eiseres toewijzing van dit bedrag niet
rechtvaardigt.
5. De omvang van de schadevergoeding moet worden bepaald aan de hand van de
feiten en de conclusies van de deskundige zoals hierboven weergegeven. Bij de
begroting van de schade heeft de rechtbank de volgende factoren zwaar laten
meewegen:
– eiseres was negen jaar toen het seksueel misbruik begon;
– gedaagde, die een kennis was van de ouders van eiseres, is daarmee
gedurende ongeveer twee jaar doorgegaan;
– in totaal heeft gedaagde eiseres vijftien keer, op verschillende wijzen,
misbruikt;
– dit gebeurde wanneer eiseres bij gedaagde en zijn echtgenote logeerde;
– eiseres heeft zich op eigen kracht aan het misbruik onttrokken door, zonder
opgaaf van redenen, verdere logeerpartijen te weigeren;
– zij heeft tot op heden niet met haar ouders over het seksueel misbruik
kunnen praten;
– door de traumatische seksuele ervaringen met gedaagde is de psychoseksuele
ontwikkeling van eiseres, die voordien een vrolijk meisje was, vanaf het
begin van haar puberteit vrij ernstig gestoord geraakt; dit heeft geleid tot
depressies, schaamte- en schuldgevoel en sociaal isolement.
– de gebeurtenissen hebben een te diepgaande invloed op haar seksuele
ontwikkeling en haar persoonlijkheidsvorming gehad om van volledig herstel te
kunnen spreken;
– eiseres heeft door toedoen van gedaagde ernstige psychische schade geleden
en lijdt daaraan, nu zij 26 jaar oud is, nog steeds.
Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank de schade naar redelijkheid en
billijkheid vast op een bedrag van
ƒ 15 000.
Gedaagde heeft zijn verweer dat hij een WAO-uitkering heeft van circa ƒ 1125
per maand niet met bewijsstukken gestaafd. Afgezien daarvan heeft de
rechtbank, gegeven de ernst en de gevolgen van het misbruik, geen
doorslaggevende waarde toegekend aan de inkomenspositie van gedaagde.
6. Zoals reeds is overwogen in het vonnis van 1 oktober 1992 wordt de
vordering ten bedrage van ƒ 348 wegens materiële schade toegewezen.
7. Gedaagde is de in belangrijke mate in het ongelijk gestelde partij en
dient derhalve in de proceskosten en de kosten van de deskundige te worden
veroordeeld.
De beslissing:
De rechtbank:
Veroordeelt gedaagde tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te
betalen een bedrag van ƒ 15 000 (vijftien duizend gulden) wegens immateriële
schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag sinds de dag der
dagvaarding, zijnde 18 februari 1991, tot aan de voldoening.
Veroordeelt gedaagde tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te
betalen een bedrag van ƒ 348 (drie honderd acht en veertig gulden) wegens
materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag sinds
de dag der dagvaarding, zijnde 18 februari 1991, tot aan de voldoening.
Verwijst gedaagde in de kosten van dit geding, die van de deskundige ten
bedrage van ƒ 845 daaronder begrepen, en tot op deze uitspraak aan de zijde
van eiseres begroot op
ƒ 6302,77 en veroordeelt gedaagde mitsdien om te voldoen:
a. aan de griffier van deze rechtbank:
1. ƒ 1050 voor in debet gesteld griffierecht;
2. ƒ 57,77 voor kosten dagvaarding;
3. ƒ 4200 voor salaris procureur;
4. ƒ 845 voor kosten van de deskundige;
derhalve in totaal ƒ 6152,77, welk bedrag zal dienen te worden gehandhaafd
overeenkomstig het bepaalde bij artikel 57b van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering;
b. aan eiseres:
ƒ 150 voor niet in debet gesteld griffierecht.
Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mrs. C.W.T. Vriezen (vz), K.D. van Ringen, N.J. Out

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 5 oktober 1994

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Partijen zijn vier jaar getrouwd geweest en hebben een kind van vier jaar.
De man stelt dat de vrouw meer uren kan gaan werken en zo in eigen
levensonderhoud kan voorzien. De vrouw werkt als oproepkracht. De vrouw
stelt dat het haar niet lukt een vaste baan te vinden. Voorts zal zij
oppaskosten moeten maken als zij meer uren zou kunnen werken. De rechtbank
acht het voldoende aannemelijk gemaakt dat de vrouw niet in staat is
volledig in haar eigen onderhoud te voorzien, zodat zij behoefte heeft aan
een aanvullende uitkering. Alimentatie wordt ƒ 700,-.

Volledige tekst

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: -het op 28
januari 1994 ter griffie van deze rechtbank ingediende verzoekschrift;
-het tijdig daartegen ingediende verweerschrift tevens verzoekschrift;
-het tijdig ingediende verweerschrift van de vrouw.

De vrouw heeft onder andere primair verzocht dat op grond van duurzame
ontwrichting van hun huwelijk tussen partijen -Nederlanders- echtscheiding
zal worden uitgesproken met bepaling dat de man tot het levensonderhoud
van de vrouw ƒ 850,- per maand zal betalen. Tevens heeft de vrouw verzocht
haar te benoemen tot voogdes en de man tot toeziend voogd over het
minderjarige kind van partijen met bepaling dat de man als bijdrage in de
kosten van verzorging en opvoeding van dat minderjarige kind ƒ 250,- per
maand zal betalen.

De man heeft erkend althans niet betwist hetgeen is gesteld omtrent de
huwelijkssluiting, het huwelijksgoederenregime, de geboorte van hun
minderjarige kind, de nationaliteit van partijen en de duurzame
ontwrichting van hun huwelijk en tegen het verzoek tot echtscheiding en
de voorgestelde gezagsvoorziening en kinderbijdrage geen verweer gevoerd.

Hij heeft echter het verzoek met betrekking tot de bijdrage in het
levensonderhoud van de vrouw -althans het bedrag- bestreden. Zijnerzijds
heeft hij verzocht een omgangsregeling te bepalen.

De vrouw heeft het in het verzoekschrift gestelde gehandhaafd en de
verzochte omgangsregeling niet bestreden.

Daarop is de zaak behandeld op de terechtzitting van 21 september 1994.

De rechtbank overweegt als volgt:

1. Ten processe staat vast, mede door het overgelegde bewijsstuk, dat
partijen zijn gehuwd op 30 januari 1990 te Diemen.

2. Tussen partijen staat voorts vast dat het huwelijk duurzaam is
ontwricht, zodat het primaire verzoek tot echtscheiding als niet bestreden
toewijsbaar is.

3. Hetzelfde geldt voor het niet bestreden nevenverzoek tot verdeling van
de huwelijksgoederengemeenschap van partijen, het nevenverzoek te bepalen
dat de vrouw huurster van de echtelijke woning zal zijn en de voorgestelde
gezags- en omgangsregeling.

4. Met betrekking tot het alimentatieverzoek gaat de rechtbank op grond
van hetgeen uit de stukken en ter terechtzitting is gebleken uit van de
navolgende situatie:

ten aanzien van de vrouw: Zij bewoont met het kind van partijen de
echtelijke woning waarvan de huur ƒ 817,63 per maand bedraagt. Zij
ontvangt ƒ 325,- huursubsidie per maand. Zij werkt als oproepkracht in een
ziekenhuis. Haar salaris varieert tussen ongeveer ƒ 750,- en ƒ 900,- netto
per maand, inclusief compensatie vakantie- en adv/uren. Zij ontvangt
aanvullende bijstand voor een alleenstaande ouder.

ten aanzien van de man: Hij bewoont een woning waarvan de huur ƒ 996,26
per maand bedraagt, inclusief ƒ 104,95 service- en stookkosten. Zijn
inkomen bedraagt ƒ 4.665,- per maand, exclusief vakantietoeslag. De
bijdrage van zijn werkgever voor een ziektekostenverzekering bedraagt ƒ
85,- per maand. Voorts ontvangt de man een onbelaste reiskostenvergoeding
van ƒ 25,- per maand. Op zijn salaris wordt in het kader van een
spaarregeling ƒ 85,58 per maand ingehouden. Op een lening bij zijn
werkgever lost de man ƒ 100,- per maand af. Op een lening bij zijn ouders
vanwege herinrichtingskosten lost de man ƒ 225,- per maand af. Hij stelt
ƒ 50,- per maand werkelijke wervingskosten te hebben. Aangezien de
werkgever van de man geen pensioenregeling heeft wil de man een
pensioenverzekering afsluiten waarvan de premie ongeveer ƒ 150,- per maand
zal bedragen.

De man heeft gesteld dat de vrouw meer uren zou kunnen gaan werken om
aldus in haar eigen behoefte te voorzien. De vrouw, die werkzaam is als
doktersassistente in een ziekenhuis en als oproepkracht invalt bij ziekte
van collega’s, heeft hiertegen aangevoerd dat zij afhankelijk is van het
aantal uren dat het ziekenhuis haar nodig heeft. Voorts lukt het haar niet
een vaste baan te vinden vanwege bezuinigingen in de gezondheidssector.
Zij heeft tevens aangevoerd dat zelfs al zou zij meer uren kunnen werken,
zij oppaskosten zal hebben.

De rechtbank acht het voldoende aannemelijk gemaakt dat de vrouw niet in
staat is volledig in haar eigen onderhoud te voorzien, zodat zij behoefte
heeft aan een aanvullende uitkering tot levensonderhoud.

De vrouw heeft de pensioenverzekering van de man bestreden en hiertoe
aangevoerd dat de man de spaarregeling bij zijn werkgever, die een premie
geeft boven op het gespaarde bedrag, zou kunnen aanwenden als
pensioenvoorziening. De rechtbank is van oordeel dat een eventuele
pensioenverzekering niet ten koste mag gaan van de vrouw nu de man deze
verzekering tijdens het huwelijk ook nimmer heeft afgesloten. De rechtbank
zal wel rekening houden met de spaarregeling.

Voorts houdt de rechtbank rekening met ƒ 45,- omgangskosten per maand en
de verwervingskosten nu deze laatste onvoldoende zijn betwist.

Met betrekking tot de leningen van de man zal slechts rekening worden
gehouden met een totale aflossing van ƒ 250,- per maand, nu de lening bij
zijn werkgever over enige maanden zal zijn afgelost.

Lettende op deze feiten en omstandigheden, op de daaruit blijkende
behoefte onderscheidenlijk draagkracht van partijen en op de duur van hun
huwelijk en rekening houdende met de omstandigheid dat de man ook een
onderhoudsplicht heeft jegens het kind van partijen, voor wie hij na te
noemen bedrag moet betalen alsook met de omstandigheid dat de door de man
tot het levensonderhoud van de vrouw te betalen uitkeringen voor hem
fiscaal aftrekbaar zijn terwijl zij voor de vrouw in beginsel belastbaar
en aan premieheffing onderworpen inkomen opleveren, is de rechtbank van
oordeel dat na te melden bijdrage redelijk en billijk en met te dezen aan
te leggen maatstaven in overeenstemming is.

Beslissing:

De rechtbank:

-spreekt echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 30 januari 1990 te
Diemen; -benoemt de vrouw tot voogdes en de man tot toeziend voogd over
der partijen kind:

geboren op 12 juli 1990 te Diemen; en beveelt de afgifte, voorzover nodig
en voorzover niet door een eerdere rechterlijke beslissing uitgesloten,
aan de benoemde voogdes;

-bepaalt dat de man ƒ 250,- (TWEEHONDERD EN VIJFTIG GULDEN) per maand zal
betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van
voornoemde minderjarige, bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw, en
te verhogen met het bedrag van iedere uitkering die hem op grond van
geldende wetten of regelingen ten behoeve van die minderjarige kan of zal
worden verleend;

-bepaalt in het kader van een omgangsregeling dat de man voornoemde
minderjarige eenmaal per twee weken van zaterdag 10.00 uur tot zondagavond
voor het eten alsmede de helft van alle vakanties bij zich mag hebben;

-bepaalt dat de man ƒ 700,- (ZEVENHONDERD GULDEN) per maand zal betalen
aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud vanaf de dag van
inschrijving van de uitspraak der echtscheiding, bij vooruitbetaling te
voldoen;

-bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de echtelijke woning aan de
. -verklaart voormelde nevenvoorzieningen uitvoerbaar bij voorraad;
-beveelt partijen met elkaar over te gaan tot verdeling van de tussen hen
bestaande gemeenschap van goederen en benoemt voor het geval van geschil
daaromtrent notaris mr. N.M.G. Nyst te Diemen danwel de ambtelijke
bewaarder van diens protocol teneinde de verdeling op door hem te bepalen
plaats en tijd te bewerkstelligen en voor het geval van weigerachtigheid
of nalatigheid tot medewerking de advocaten mr. R.J. Kwakkel te Diemen en
mr. L.C. van der Tas te Diemen ter vertegenwoordiging van de man
onderscheidenlijk de vrouw;

Rechters

Mr. S.B.M. Voorhoeve

Instantie: Hof van Justitie EG, 5 oktober 1994

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Van Munster, van Nederlandse nationaliteit, heeft in Nederland gedurende
37 jaar en in Belgie gedurende 8 jaar arbeid in loondienst verricht, en
heeft in beide Lid-Staten een rustpensioen verkregen dat uitsluitend is
vastgesteld op basis van de regeling van de betrokken staat. De echtgenote
van betrokkene heeft tijdens deze twee periodes nooit arbeid in loondienst
verricht. De Nederlandse Sociale Verzekeringsbank heeft aan Van Munster
een ouderdomspensioen toegekend dat gelijk is aan 100% van het
netto-minimumloon, 50% omdat hij gehuwd is, en 50% omdat zijn echtgenote
op de datum van het besluit jonger was dan 65 jaar. Nu mevrouw Van Munster
zelf geen enkele uitkering ontving, werd het bedrag van het Belgisch
pensioen van Van Munster berekend op basis van de regels voor het
“gezinspensioen”, op basis van zijn 8 jaar arbeid in loondienst in Belgie.

Op 10 oktober 1987 bereikte mevrouw Van Munster de leeftijd van 65 jaar,
waarop de Nederlandse Sociale Verzekeringsbank haar overeenkomst de
bepalingen van de AOW een eigen ouderdomspensioen toekende, dat gelijk was
aan 50% van het netto-minimumloon. Tegelijkertijd ontnam de Sociale
Verzekeringsbank Van Munster het extra pensioenbedrag dat hem tot die
datum was toegekend. De toekenning van een pensioen aan mevrouw Van
Munster bracht dus geen stijging van het totale gezinsinkomen mee. Toen
de Belgische Rijksdienst voor pensioenen evenwel vernam, dat de
Nederlandse Sociale Verzekeringsbank mevrouw Van Munster een eigen
ouderdomspensioen had toegekend verlaagde hij bij besluit van 2 februari
1988 per 1 oktober 1987 het pensioen van haar echtgenoot, dat dus van een
“gezinspensioen” in een “alleenstaandenpensioen” werd omgezet, op grond
dat, in de termen van de Belgische wettelijke regeling, mevrouw Van
Munster een “rustpensioen of als zodanig geldend voordeel” ontving.

Het Hof verklaart voor recht:

“1) Het gemeenschapsrecht, inzonderheid de artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag
en artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 EEG van de Raad van 19 december
1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van
gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale
zekerheid, verzet zich niet tegen een nationale wettelijke regeling die
een “gezinspensioen” toekent aan een werknemer wiens echtgenoot elke
beroepsarbeid heeft gestaakt en geen rustpensioen of als zodanig geldend
voordele geniet, doch hem een minder voordelig “alleenstaandenpensioen”
toekent wanneer zijn echtgenoot een pensioen of als zodanig geldend
voordeel geniet, zoals het pensioen dat krachtens de Algemene Ouderdomswet
aan mevrouw Van Munster is toegekend.

2) De nationale rechter, die met het oog op de toepassing van een bepaling
van zijn nationale recht een sociale- zekerheidsuitkering kwalificeert die
onder de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat is toegekend, moet
zijn nationale wetgeving uitleggen in het licht van de doelstellingen van
de artikelen 48 tot en met 51 EEG-Verdrag en moet zoveel mogelijk
voorkomen, dat zijn uitlegging de migrerend werknemer ervan weerhoudt
daadwerkelijk zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen.”

Volledige tekst

Arrest

1 Bij arrest van 19 juni 1991, ingekomen ten Hove op 26 juni
daaraanvolgend, heeft het Arbeidshof te Antwerpen krachtens artikel 177
EEG-Verdrag twee prejudiciele vragen gesteld over de uitlegging van de
artikelen 3, sub c, 48 en 51 EEG-Verdrag, van artikel 4, lid 1 van
richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de
geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling
van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L6,
blz. 24), en van alle andere bepalingen die het Hof in de onderhavige zaak
van toepassing zou achten.

2. Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen S. van Munster en de
Rijksdienst voor pensioenen, een Belgisch sociale-zekerheidsorgaan,
betreffende de vaststelling van zijn rustpensioen.

3. Van Munster, van Nederlandse nationaliteit, heeft in Nederland
gedurende 37 jaar en in Belgie gedurende 8 jaar arbeid in loondienst
verricht, en heeft in beide Lid-Staten een rustpensioen verkregen dat
uitsluitend is vastgesteld op basis van de regeling van de betrokken
staat. De echtgenote van betrokkene heeft tijdens deze twee periodes nooit
arbeid in loondienst verricht.

4 In Nederland kende de Sociale Vezekeringsbank Van Munster per 1 oktober
1985 een ouderdomspensioen toe overeenkomstig de regels van de Algemene
Ouderdomswet (hierna: “AOW”).

5 Ingevolge de AOW, in de versie die op 1 april 1985 in werking is
getreden, heeft elke gehuwde bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar
recht op een persoonlijk pensioen, dat gelijk is aan 50% van het
netto-minimumloon. Heeft zijn echtgenoot geen beroepswerkzaamheden en is
deze jonger dan 65 jaar, dan ontvangt de pensioengerechtigde een extra
bedrag dat maximum 50% bedraagt van het netto-minimumloon. Heeft de
pensioengerechtigde geen echtgenoot, dan bedraagt zijn pensioen 70% van
het netto-minimumloon. De begunstigde kan geen afstand doen van deze
uitkeringen.

6 De Nederlandse Sociale Verzekeringsbank heeft op grond van deze regeling
aan Van Munster een ouderdomspensioen toegekend dat gelijk is aan 100% van
het netto-minimumloon, 50% omdat hij gehuwd is, en 50% omdat zijn
echtgenote op de datum van het besluit jonger was dan 65 jaar.

7 In Belgie kende de Rijksdienst voor pensioenen Van Munster per 1
november 1985 eveneens een rustpensioen toe.

8 Volgens artikel 10, paragraaf 1, van het Belgisch Koninklijk Besluit nr.
50 van 24 oktober 1967, zoals gewijzigd, wordt het recht op het
rustpensioen per kalenderjaar verkregen naar rata van een breuk van de
werkelijke, fictieve en forfaitaire brutolonen, in aanmerking genomen ten
belope van 75%, indien de echtgenoot van de werknemer elke beroepsarbeid
heeft gestaakt en geen rustpensioen of als zodanig geldend voordeel geniet
(“gezinspensioen”). In het kader van deze regeling kan de niet-werkende
echtgenoot afstand doen van elk “rustpensioen of als zodanig geldend
voordeel”, zodat de gepensioneerde werknemer in aanmerking komt voor het
“gezinspensioen” en van 60% in de andere gevallen
(“alleenstaandenpensioen”).

9 Nu mevrouw Van Munster zelf geen enkele uitkering ontving, werd het
bedrag van het Belgische pensioen van Van Munster berekend op basis van
de regels voor het “gezinspensioen” op basis van zijn 8 jaar arbeid in
loondienst in Belgie.

10 Op 10 oktober 1987 bereikte mevrouw Van Munster de leeftijd van 65
jaar, waarop de Nederlandse Sociale Verzekeringsbank haar overeenkomstig
de bepalingen van de AOW een eigen ouderdomspensioen toekende, dat gelijk
was aan 50% van het netto-minimumloon. Tegelijkertijd ontnam de Sociale
Verzekeringsbank Van Munster het extra pensioenbedrag dat hem tot die
datum was toegekend. De toekenning van een pensioen aan mevrouw Van
Munster bracht dus geen stijging van het totale gezinsinkomen mee.

11 Toen de Belgische Rijksdienst voor pensioenen evenwel vernam, dat de
Nederlandse Sociale Verzekeringsbank mevrouw Van Munster een eigen
ouderdomspensioen had toegekend, verlaagde hij bij besluit van 2 februari
1988 per 1 oktober 1987 het pensioen van haar echtgenoot, dat dus van een
“gezinspensioen” in een “alleenstaandenpensioen” werd omgezet, op grond
dat, in de termen van de Belgische wettelijke regeling, mevrouw Van
Munster een “rustpensioen of als zodanig geldend voordeel” ontving.

12 Van Munster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Belgische
Rijksdienst voor pensioenen om het bedrag van zijn rustpensioen te
verminderen. Het Arbeidshof te Antwerpen, dat zich over de zaak had uit
te spreken, heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het
Hof van Justitie om een antwoord te verzoeken op de volgende prejudiciele
vragen:

“1. Is verenigbaar met het gemeenschapsrecht, met name het Verdrag tot
oprichting van de Europese Economische Gemeenschap van 25 maart 1957, het
beginsel van vrij verkeer van werknemers, in het bijzonder artikel 3, sub
c, artikel 48, lid 1, en volgende, en artikel 51 van het Verdrag, het
beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, meer bepaald de
richtlijn 79/7 van de Raad van 19 december 1978 betreffende de
geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling
van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, in het
bijzonder artikel 4, lid 1, een nationale bepaling (zoals artikel 10, par.
1, van het KB nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en
overlevingspensioen voor werknemers), die aan een pensioenuitkering die
verband houdt met de situatie van de niet-werkende echtgenoot
verschillende gevolgen verbindt naargelang deze uitkering wordt verleend
in de vorm van een verhoging van het pensioen van de actieve echtgenoot,
of in de vorm van een eigen pensioen toegekend aan de niet-actieve
echtgenoot (zoals door de Nederlandse Algemene Ouderdomswet sedert 1 april
1985 toegekend aan de gehuwde vrouw)?

2. Vertoont een pensioen, toegekend aan de niet-actieve echtgenoot (zoals
dit het geval is in de Nederlandse Algemene Ouderdomswet, meer bepaald
sedert 1 april 1985), zodanige specifieke kenmerken dat het in het licht
van het gemeenschapsrecht, meer bepaald de onder vraag 1 aangehaalde
regels, gerechtvaardigd is het anders te behandelen dan de uitkering
toegekend onder de vorm van een verhoging van het pensioen wegens
echtgenoot ten laste (gezinspensioen, zoals voorzien in het Belgische
pensioenwetgeving voor werknemers)?”

13 Met deze twee vragen verzoekt de verwijzende rechter het Hof om een
uitspraak over de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van een
nationale wettelijke bepaling zoals artikel 10, paragraaf 1, van het
Belgisch Koninklijk Besluit nr. 50, en bovendien over de concrete
toepassing ervan op een situatie zoals die van de echtgenoten Van Munster.

De eerste vraag

14 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te
vernemen, of het gemeenschapsrecht, inzonderheid de artikelen 48 en 51 van
het Verdrag en artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7, zich ertegen verzet,
dat een nationale wettelijke regeling een recht op een “gezinspensioen”
toekent wanneer de echtgenoot van de werknemer elke beroepsactiviteit
heeft gestaakt en geen rustpensioen of een als zodanig geldend voordeel
geniet, doch enkel een minder voordelig “alleenstaandenpensioen” toekent
wanneer de echtgenoot van de werknemer een pensioen of een als zodanig
geldend voordeel geniet.

15 In de eerste plaats zij erop gewezen, dat artikel 4, lid 1, van
richtlijn 79/7 het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen
als norm stelt bij de berekening van sociale-zekerheidsuitkeringen, met
inbegrip van verhogingen voor een echtgenoot. De AOW is gewijzigd om ze
in overeenstemming te brengen met deze bepaling en om aan het
gelijkheidsbeginsel een zo ruim mogelijke toepassing te geven. De
Belgische wetgeving daarentegen is op dit punt ongewijzigd gebleven.

16 Er zij evenwel op gewezen, dat de aanpassing van de AOW niet door
richtlijn 79/7 was opgelegd. Uit de tekst van artikel 7, lid 1, sub c,
volgt namelijk dat de Lid-Staten het verlenen van rechten op prestaties
inzake ouderdom uit hoofde van de afgeleide rechten van de echtgenote
mogen uitsluiten van de werkingssfeer van de richtlijn.

17 Hieruit volgt, dat het in richtlijn 79/7 neergelegde beginsel van
gelijke behandeling van mannen en vrouwen zich er niet tegen verzet, dat
een Lid-Staat het “gezinspensioen” waarin zijn wetgeving voorziet ten
behoeve van personen met een echtgenoot ten laste, niet toekent wanneer
de echtgenoot van de betrokkene recht heeft op een eigen rustpensioen.

18 Wat het vrij verkeer van werknemers betreft, zij eraan herinnerd, dat
artikel 51 van het Verdrag verschillen laat bestaan tussen de
sociale-zekerheidsregelingen van de Lid- Staten en bijgevolge ook in de
rechten van de personen die er werkzaam zijn. Artikel 51 raakt derhalve
niet aan de materiele en formele verschillen tussen de
sociale-zekerheidsregelingen van de Lid- Staten (arrest van 7 februari
1991, zaak C-227/89, Ronfeldt, Jurispr. 1991, blz. I-323, r.o. 12).

19 De thans in geding zijnde bepaling van de Belgische wettelijke regeling
is zonder onderscheid van toepassing op eigen onderdanen en op onderdanen
van de andere Lid-Staten. Op zich is zij dus niet te beschouwen als een
belemmering van het vrij verkeer van werknemers.

20 Hieruit volgt dat noch de gemeenschapsbepalingen inzake het vrije
verkeer van werknemers, inzonderheid de artikelen 48 en 51 van het Verdrag
noch artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 zich verzet tegen een nationale
wettelijke regeling die een “gezinspensioen” toekent aan een werknemer
wiens echtgenoot elke beroepsarbeid had gestaakt en geen rustpensioen of
als zodanig geldend voordeel geniet, doch hem een minder voordelig
“alleenstaandenpensioen” toekent wanneer zijn echtgenoot een pensioen of
als zodanig geldend voordeel geniet.

De tweede vraag

21 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te
vernemen, of en hoe de nationale rechter, die met het oog op de toepassing
van een bepaling van zijn nationaal recht, zoals artikel 10, par. 1 van
Koninklijk Besluit nr. 50, een sociale-zekerheidsuitkering kwalificeert
die onder de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat is toegekend,
zoals de uitkering van mevrouw Van Munster, zijn nationale wetgeving moet
uitleggen in het licht van de regels van gemeenschapsrecht waar hij naar
verwijst.

22 Voor een beter begrip van het probleem dat met deze tweede vraag aan
de orde wordt gesteld, moeten verschillende specifieke aspecten van de
betrokken situatie in het licht worden gesteld.

23 In de eerste plaats heeft de betrokken gemeenschapsonderdaan een
pensioenrecht verkregen in twee Lid- Staten, na het grootste deel
(nagenoeg 37/45) van zijn beroepsloopbaan in een van deze twee staten te
hebben vervuld. De echtgenote van deze werknemer heeft evenwel nooit een
beroepsactiviteit uitgeoefend, en heeft dus geen pensioenaanspraken als
werknemer.

24 In de tweede plaats wordt in een van de twee betrokken Lid- Staten het
pensioen van de werknemer berekend op basis van een hoger percentage van
de werkelijke, fictieve of forfaitaire lonen, wanneer zijn echtgenoot geen
beroepswerkzaamheden uitoefent en geen recht heeft op een eigen
“rustpensioen of als zodanig geldend voordeel.”

25 In de derde plaats is in rechtsoverweging 15 van het onderhavige arrest
reeds uiteengezet, dat de andere betrokken Lid-Staat, getrouw aan de geest
van richtlijn 79/7, de wijze van betaling van zijn pensioenen in dier
voege heeft gewijzigd, dat beide echtgenoten bij het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd een pensioen ontvangen waarvan het bedrag
gelijk is. Voorwaarde voor de toekenning van dit pensioen is, dat de
betrokkene in deze staat heeft gewoond, doch niet dat hij er een
beroepswerkzaamheid heeft uitgeoefend. De betrokkene kan geen afstand doen
van dit pensioen.

26 In de vierde plaats brengt de toekenning in deze tweede staat van een
eigen pensioen aan elk van de twee echtgenoten die de leeftijd van 65 jaar
hebben bereikt, geen wijziging mee van het totale inkomen van de
echtgenoten ten opzichte van het inkomen dat de twee echtgenoten ouder dan
65 jaar ontvingen voor de herziening op 1 april 1985 van het AOW-stelsel.

27 Hoewel, zoals gezegd in rechtsoverweging 18, artikel 51 van het Verdrag
verschillen laat bestaan tussen de sociale- zekerheidsregelingen van de
Lid-Staten, en dus ook tussen de rechten van de personen die er werkzaam
zijn, staat niettemin vast, dat het doel van de artikelen 48 tot en met
51 van het Verdrag niet zou worden bereikt, indien migrerende werknemers,
tengevolge van de uitoefening van hun recht van vrij verkeer, voordelen
op het gebied van de sociale zekerheid zouden verliezen die hun door de
wettelijke regeling van een Lid- Staat zijn gewaarborgd. Een dergelijk
gevolg zou een werknemer in de Gemeenschap er immers van kunnen weerhouden
zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen, en daarmee een belemmering
voor dit vrije verkeer kunnen opleveren (arrest van 4 oktober 1991, zaak
C-349/87, Paraschi, Jurispr. 1991, blz. I-4501, r.o. 22).

28 Wat rustpensioenen zoals in het hoofdgeding bedoelde betreft, zij erop
gewezen, dat zowel de migrerend werknemer als de werknemer die zijn
volledige beroepsloopbaan in een en dezelfde Lid-Staat heeft vervuld, hun
pensioenrechten geleidelijk verwerven, naarmate hun loopbaan vordert.

29 Het enige verschil tussen de twee werknemers bestaat hierin, dat de
werknemer die steeds hetzelfde land is gebleven, zijn volledige
pensioenrechten verkrijgt krachtens een enkele wettelijke regeling,
terwijl bij de migrerend werknemer telkens een gedeelte van zijn
pensioenaanspraken overeenkomt met elk van de opeenvolgende tijdvakken van
arbeid die hij in de verschillende Lid-Staten onder verschillende
wettelijke regelingen heeft vervuld. In dergelijke situaties strekt
artikel 51 van het Verdrag ertoe, via coordinatie veeleer dan via
harmonisatie de eenheid van de sociale- zekerheidsloopbaan van de
migrerend werknemer te verwezenlijken.

30 In casu blijkt, dat de toepassing van een nationale wettelijke regeling
op een migrerend werknemer, op dezelfde wijze als op een werknemer die
steeds in hetzelfde land is gebleven, onverwachte gevolgen teweegbrengt
die moeilijk te verenigen zijn met het doel van de artikelen 48 tot en met
51 van het Verdrag en die zijn terug te voeren op de omstandigheid, dat
de pensioenaanspraken van de migrerend werknemer onder twee verschillende
wettelijke regelingen vallen.

31 Deze verschillen hebben hiermee te maken, dat een van de twee
pensioenregelingen een hoger pensioen toekent aan de werknemer waarvan de
echtgenoot geen rustpensioen of als zodanig geldend voordeel geniet,
waarbij moet worden aangetekend, dat een dergelijk pensioen of voordeel
het totale gezinsinkomen doet stijgen en dat van dit pensioen of voordeel
steeds afstand kan worden gedaan, terwijl onder de andere regeling in
dezelfde situatie elk van beide echtgenoten bij het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd een pensioen van gelijke hoogte ontvangt,
waarvan geen afstand kan worden gedaan en waardoor het totale
gezinsinkomen niet stijgt.

32 Gelet op het aanzienlijke verschil tussen deze twee wettelijke
regelingen, verlangt het in artikel 5 EEG-Verdrag neergelegde beginsel van
loyale samenwerking van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten, dat
zij alle hun ter beschikking staande middelen aanwenden ter
verwezenlijking van het doel van artikel 48 van het Verdrag.

33 Deze verplichting houdt in, dat deze autoriteiten nagaan of hun
wettelijke regeling op de migrerend werknemer kan worden toegepast naar
de letter, en op dezelfde wijze als op de werknemer die steeds in
hetzelfde land is gebleven, zonder dat deze toepassing voor de migrerend
werknemer het verlies van een sociale-zekerheidsvoordeel meebrengt en dus
tot gevolg heeft, dat hij ervan wordt weerhouden zijn recht van vrij
verkeer uit te oefenen.

34 In dit verband zij eraan herinnerd, dat het aan de nationale rechter
staat om de nationale bepalingen die hij moet toepassen, zoveel mogelijk
in overeenstemming met de eisen van het gemeenschapsrecht uit te leggen
(arrest van 4 februari 1988, zaak 157/88, Murphy e.a., Jurispr. 1988, blz.
673, r.o. 11; in dezelfde zin, arresten van 13 november 1990, zaak
C-106/89, Marleasing, Jurispr. 1990, blz. I-4135, r.o. 8, en 14 juli 1994,
zaak C-91/92, Faccini Dori, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie,
r.o. 26).

35 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat de nationale
rechter, die met het oog op de toepassing van een bepaling van zijn
nationaal recht een sociale- zekerheidsuitkering kwalificeert die onder
de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat is toegekend, zijn
nationale wetgeving moet uitleggen in het licht van de doelstellingen van
de artikelen 48 tot en met 51 van het Verdrag en zoveel mogelijk moet
voorkomen, dat zijn uitlegging de migrerend werknemer ervan weerhoudt
daadwerkelijk zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen.

Kosten

36 De kosten door de Belgische, de Duitse, de Nederlandse en de Britse
regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening
van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in
aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de
procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de
nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Het hof van justitie,

uitspraak doende op de door het Arbeidshof te Antwerpen bij arrest van 19
juni 1991 gestelde vraag, verklaart voor recht:

“1) Het gemeenschapsrecht, inzonderheid de artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag
en artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 EEG van de Raad van 19 december
1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van
gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale
zekerheid, verzet zich niet tegen een nationale wettelijke regeling die
een “gezinspensioen” toekent aan een werknemer wiens echtgenoot elke
beroepsarbeid heeft gestaakt en geen rustpensioen of als zodanig geldend
voordeel geniet, doch hem een minder vordering “alleenstaandenpensioen”
toekent wanneer zijn echtgenoot een pensioen of als zodanig geldend
voordeel geniet, zoals het pensioen dat krachtens de Algemene Ouderdomswet
aan mevrouw Van Munster is toegekend.

2) De nationale rechter, die met het oog op de toepassing van een bepaling
van zijn nationale recht een sociale- zekerheidsuitkering kwalificeert die
onder de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat is toegekend, moet
zijn nationale wetgeving uitleggen in het licht van de doelstellingen van
de artikelen 48 tot en met 51 EEG-Verdrag en moet zoveel mogelijk
voorkomen, dat zijn uitlegging de migrerend werknemer ervan weerhoudt
daadwerkelijk zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen.

Rechters

Due, Mancine, Moitinho de Almeida, Diez de Velasco, Edward,Kakouris, Joliet, Schockweiler, Rodriguez Iglesias, Grevisse, Zuleeg,Kapteyn, Murray

Instantie: Rechtbank Haarlem, 4 oktober 1994

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


De vrouw stelt dat zij het kind niet volledig aan de zorgen van een derde
wil overdragen om te trachten door middel van arbeid in eigen
levensonderhoud te voorzien. Zij kiest ervoor het kind zelf op te voeden,
overigens overeenkomstig de afspraak van partijen tijdens het huwelijk.
De vrouw werkt parttime als zelfstandige en heeft nauwelijks inkomsten.
De rechtbank oordeelt dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen, de
vrouw behoefte heeft. Alimentatie wordt ƒ 400,=.

Volledige tekst

Overwegingen Ten aanzien van de feiten:

Bij verzoekschrift is een verzoek tot echtscheiding ingesteld, alsmede een
verzoek tot verdeling en een verzoek met betrekking tot de echtelijke
woning.

De vrouw heeft zich gerefereerd ten aanzien van het verzoek tot
echtscheiding en het verzoek tot verdeling.

De vrouw heeft verweer gevoerd ten aanzien van het verzoek met betrekking
tot de echtelijke woning en heeft tevens een verzoek tot een uitkering tot
levensonderhoud en een verzoek met betrekking tot de echtelijke woning
ingesteld.

De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek tot een uitkering tot
levensonderhoud en het verzoek met betrekking tot de echtelijke woning.

Hierna is de zitting bepaald, deze heeft plaatsgehad.

Ten aanzien van het recht:

De rechtbank komt rechtsmacht toe.

Het verzoek tot echtscheiding is op de wet gegrond en, nu daartegen geen
verweer wordt gevoerd, toewijsbaar.

Uit de stukken is gebleken dat het verzoek tot verdeling, welke op de wet
is gegrond, niet is tegengesproken, zodat dit kan worden toegewezen.

Nu het door de vrouw ingestelde verzoek met betrekking tot de echtelijke
woning is ingetrokken en de vrouw geen verweer heeft gevoerd ten aanzien
van het verzoek van de man in dezen, kan het verzoek van de man met
betrekking tot de echtelijke woning worden toegewezen.

De vrouw heeft een verzoek gedaan tot een uitkering tot haar
levensonderhoud, waartegen de man verweer heeft gevoerd.

Uit de processtukken en het verhoor ter zitting is omtrent de financiele
omstandigheden van partijen het volgende gebleken:

aan de zijde van de vrouw:

-zij is geboren op 17 februari 1962 en vormt een eenoudergezin met de
dochter van partijen, die een jaar oud is; -zij heeft een redactiebureau
en literair impresariaat, waaruit zij nauwelijks inkomen heeft; -zij
betaalt ƒ 600,= per maand aan huur voor haar woning;

aan de zijde van de man:

-de man geboren op 10 september 1958 en is alleenstaand; -hij heeft een
bruto-inkomen van circa ƒ 60.000,= per jaar, exclusief vakantiegeld. -hij
betaalt ƒ 400,= per maand in de verzorging en opvoeding van de dochter van
partijen; -hij betaalt maandelijks aan rente en aflossing hypotheek ƒ
477,= respectievelijk ƒ 179,=, naast een aflossing van ƒ 200,= per maand
aan een tweede hypothecaire lening; -hij lost ƒ 230,= per maand af op een
doorlopend krediet, waarvan de looptijd 58 maanden bedraagt; -hij heeft
een renteloze lening via zijn werkgever afgesloten voor een auto, waarop
hij maandelijks ƒ 525,= aflost, welke lening thans nog ƒ 17.000,=
bedraagt; -hij ontvangt ƒ 250,= per maand van zijn werkgever aan
(onbelaste) reiskostenvergoeding en bovendien ƒ 0,57 per zakelijke
kilometer die hij aflegt; -hij betaalt ƒ 148,53 per maand aan premie
ziektekostenverzekering, waarvan zijn werkgever de helft (bruto) vergoedt.

De man verblijft thans in de echtelijke woning. Rekeninghoudend met het
fiscale voordeel inzake de hypotheekrente, is de rechtbank van oordeel dat
de woonlasten van de man niet veel lager zullen uitvallen als hij zou gaan
huren.

De rechtbank houdt slechts gedeeltelijk rekening met de aflossing van de
lening voor de auto van de man, nu hij -naast een vergoeding
woon-werkverkeer- een aanzienlijke vergoeding van zijn werkgever ontvangt
voor de zakelijke kilometers die hij maakt.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat
de man, naast de bijdrage in de verzorging en opvoeding van de
minderjarige, in staat moet worden geacht tot betaling van na te melden
uitkering, aan welke uitkering de vrouw ook behoefte heeft, waarbij de
rechtbank rekening heeft gehouden met het fiscaal voordeel dat de man
hieromtrent zal genieten.

Tengevolge van de echtscheiding dienen voorzieningen met betrekking tot
de minderjarige te worden gegeven.

Tussen de ouders bestaat overeenstemming over de voogdij en de toeziende
voogdij. Nu niet is gebleken dat dit tegen het belang van de minderjarige
indruist, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.

Tussen de ouders bestaat overeenstemming over de bijdrage. De rechtbank
zal dienovereenkomstig beslissen.

De vrouw heeft verzocht een omgangsregeling vast te stellen. Bij
voorlopige voorzieningen is een regeling vastgesteld die thans nog van
kracht is. Ter terechtzitting is gebleken dat deze regeling -behoudens een
aantal incidenten- redelijk goed verloopt zodat deze zal worden
vastgesteld als hierna volgend.

De vrouw heeft tevens verzocht de huidige omgangsregeling met ingang van
30 juni 1995 te wijzigen. De man heeft hiertegen verweer gevoerd. De
rechtbank ziet geen aanleiding om reeds thans een regeling vast te stellen
voor de periode vanaf 30 juni 1995 en zal het verzoek van de vrouw
derhalve afwijzen.

Beslissingen: De rechtbank:

Spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op in de gemeente met
elkaar gehuwd.

Beveelt partijen met elkaar over te gaan tot verdeling van de tussen hen
bestaande gemeenschap van goederen.

Benoemt, tenzij partijen binnen veertien dagen na de inschrijving van deze
beschikking in de registers van de burgerlijke stand anders overeenkomen,
notaris mr. R.A. Westen te Beverwijk of diens waarnemer of opvolger om de
verdeling op een door hem te bepalen plaats en tijd te bewerkstelligen.

Benoemt mr. M.Chr. Kelderman, advocaat te Beverwijk, tot onzijdig persoon
om de man en mr. H.M.J. van Mens, advocaat te Beverwijk, om de vrouw te
vertegenwoordigen bij de verdeling indien de verwerende partij,
respectievelijk de verzoekende partij daartoe niet verschijnt of weigert
daaraan mede te werken.

Benoemt de moeder, per heden wonende aan het adres te tot voogdes
over de uit het huwelijk van partijen geboren minderjarige , geboren
in de gemeente op .

Benoemt de vader, per heden wonende aan het adres te tot toeziend
voogd.

Beveelt voorzoveel nodig de afgifte van de minderjarige aan de met het
gezag beklede ouder.

Bepaalt; dat partij A met ingang van de datum dat de beschikking zal zijn
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan partij B als
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige
telkens bij vooruitbetaling zal voldoen ƒ 400,= per maand, vermeerderd met
het bedrag van iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of
regelingen ten behoeve van deze minderjarige eventueel kan of zal worden
verleend.

Stelt de volgende regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht
vast: De minderjarige en de man zijn gerechtigd omgang met elkaar te
hebben een dag in het weekend op zaterdag of zondag van 12.00 uur tot
19.00 uur alsmede iedere dinsdagmiddag van 16.30 uur tot 18.00 uur.

Bepaalt dat partij A een uitkering tot levensonderhoud van partij B zal
betalen van ƒ 400,= (vierhonderd gulden per maand, bij vooruitbetaling te
voldoen met ingang van de dag dat deze beschikking zal zijn ingeschreven
in de registers van de burgerlijke stand.

Bepaalt dat de wettelijke indexering niet eerder van rechtswege zal worden
toegepast dan met ingang van 1 januari 1996 met het ingaande dat jaar
geldende wettelijke indexeringspercentage.

Bepaalt, dat partij B indien deze op het ogenblik van de inschrijving van
deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de woning aan
de nog bewoont, jegens partij A bevoegd is de bewoning en het gebruik
van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende
zes maanden na die inschrijving voort te zetten.

Verklaart deze beschikking, met uitzondering van de echtscheiding
uitvoerbaar bij voorraad.

Ontzegt het meer of anders verzochte.

Rechters

Mr. W.C.J. Robert

Instantie: Rechtbank Haarlem, 4 oktober 1994

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Gedaagde heeft erkend incest te hebben, gepleegd met zijn 3 destijds
minderjarige dochters. Eiseressen vorderen immateriele schadevergoeding
ad in totaal ƒ 222.604 en materiele schadevergoeding ad ƒ 1.000,=.
Toewijzing immateriele schadevergoeding ad in totaalƒ 30.000,= en
materiele schadevergoeding als gevorderd. In kort geding was reeds
voorschot toegekend ad in totaal ƒ 9.000,=.

Volledige tekst

1. Verloop van de procedure

Voor de loop van het geding verwijst de rechtbank naar de volgende
partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken waarvan de inhoud als hier
ingevoegd is te beschouwen; -de dagvaarding d.d. 24 september 1992 alsmede
de stukken m.b.t. de ten laste van Bu en B gelegde conservatoire (derden)
beslagen, -de conclusie van eis tevens inhoudende wijziging van eis, met
produkties, -de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van
eis in reconventie, met produkties, -de conclusie van repliek in conventie
tevens conclusie van antwoord in reconventie, met produkties, -de
conclusie van dupliek, in conventie, tevens van repliek in reconventie,
met een produkties, -de akte houdende uitlating produkties en overlegging
produkties, met een produktie.

2. De vaststaande feiten

In conventie en reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende
bewtist en/of op grond van de onweersproken inhoud van de overgelegde
produkties, staat tussen partijen het volgende vast:

a. Eiseressen in conventie/verweersters in reconventie zijn dochters van
B en B-de F.

b. W. is geboren op 22 september 1955. I.V. is geboren in 1956. M.V. is
geboren op 13 december 1958.

c. In september 1973 is het huwelijk van B en B-de F. door echtscheiding
ontbonden

d. B en Bu zijn 1974 met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen.

e. Eiseressen hebben B gedagvaard in kort geding voor de president van
deze rechtbank. Bij vonnis van 16 oktober 1992 heeft de fungerend
president B veroordeeld tot betaling van een voorschot op de door
eiseressen geleden en te lijden immateriele schade ten bedrage van ƒ
3.000,= aan ieder van hen en is het meer of anders gevorderde afgewezen.

f. Eiseressen hebben op 15 september 1992 conservatoir beslag doen leggen
op de auto van B, op de inboedel van de woning van B en B alsmede onder
de ING Bank NV.

g. Op 1 oktober 1992 hebben eiseressen conservatoir beslag doen leggen
onder de werkgever van B.

3. De vordering in conventie

3.1. Eiseressen vorderen dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij
voorraad:

1. B zal veroordelen tot vergoeding van de schade ten bedrag van ƒ
230.00,=;

2. B zal veroordelen aan hen te betalen de wettelijke rente over het onder
1 genoemde bedrag vanaf de dagvaarding tot die der algehele voldoening;

3. zal bepalen dat Bu dient te gedogen dat verhaal in rechte ook zal
kunnen plaatsvinden op goederen en geldswaarden op haar naam staande,
vallend binnen de huwelijkse gemeenschap van goederen.

Kosten rechtens, waaronder die met betrekking tot het conservatoir beslag,
advokaats- en procureurssalaris.

3.2. Voormelde schade wordt aldus gespecificeerd: a. buitengerechtelijke
kosten ƒ 6.396,= b. materiele schade ƒ 1.000,= c. immateriele schade ƒ
222.604,= totaal ƒ 230.000,=

3.3. De gevorderde schadevergoeding wordt procentueel aldus verdeeld: -W
52% ƒ 119.600,= -I.V. 26% ƒ 59.800,= -M.V. 22% ƒ 50.600,=

3.4. Eiseressen leggen de volgende feiten aan hun vordering ten grondslag.

3.4.1. W. stelt dat B vanaf haar zesde tot zestiende jaar (1966 tot 1971)
onder toepassing van dwang en (dreiging) met geweld met haar ontucht heeft
gepleegd en haar regelmatig heeft mishandeld en verkracht.

3.4.2. I.V. stelt dat B vanaf haar tiende tot veertiende jaar (1966 tot
1970) onder toepassing van dwang en (dreiging met geweld) met haar ontucht
heeft gepleegd.

3.4.3. M.V. stelt dat B vanaf haar achtste tot tiende jaar (1966-1968)
onder toepassing van dwang en (dreiging) met geweld met haar ontucht heeft
gepleegd.

3.5. Eiseressen stellen dat door deze feiten zeer ernstige inbreuk is
gemaakt op hun lichamelijke integriteit, als gevolg van deze feiten hebben
zij zowel materiele als immateriele schade geleden en is nog meer leed te
verwachten. Tot op heden ervaren zij psychische en lichamelijke klachten,
waarvoor zij onder behandeling zijn (geweest).

3.6. Eiseressen stellen voorts dat B bij brief van 31 maart 1992 aan hen
allen heeft erkend schuld te hebben an wat in het verleden is gebeurd.

3.7. Volgens eiseressen valt in dit verband aan Bu niets te verwijten. Bu
is slechts in rechte betrokken omdat ook te haren laste conservatoir
beslag is gelegd.

4. Het verweer in conventie

4.1. Primair betwist B de onder 3.4. genoemde daden te hebben verricht,
behalve voor zover hij deze -als na te melden- erkent. De in 3.6. genoemde
brief levert geen bewijs op van de door eiseressen gestelde feiten.

4.1.1. B erkent dat hij met W tussen haar dertiende en zestiende jaar
geslachtsgemeenschap heeft gehad, omdat er tussen hen een wederzijdse
liefdesrelatie bestond, waarbij W. B niet als vader maar als vriend
beschouwde.

4.1.2. B erkent dat hij I.V. drie tot vier maal heeft betast in een
periode van zeven dagen in 1967 of 1968, toen W op een kamp was.

4.1.3. B erkent dat hij M.V. eenmaal in voormelde periode heeft betast.

4.2. Subsidiair voert B aan dat eiseressen het verband tussen de door hen
gestelde feiten en schade niet hebben aangetoond.

4.3. Meer subsidiair stelt B zich op het standpunt dat eiseressen op geen
enkele wijze hebben aangetoond wat hun schade in geld uitgedrukt zou zijn.
bovendien hebben eiseressen hun eventueel recht op schadevergoeding door
hun onrechtmatig handelen ten opzichte van B en Bu -namelijk door alles
in het werk te hebben gesteld om de buitenwereld tegen hen op te zetten-
verspeeld.

4.4. Nog meer subsidiair voert B aan dat eerst dient te worden onderzocht
in hoeverre hij ten tijde van het plegen van de gestelde onrechtmatige
gedragingen toerekeningsvatbaar was dan wel in staat van psychische
onmacht verkeerde. Indien van het een of ander sprake zou zijn, is B niet
tot vergoeding van enige schade gehouden.

4.5. Uiterst subsidiair verzoekt B om matiging van de eventuele toe te
wijzen schadevergoeding op grond van zijn financiele positie. Voorts is
volgens B sprake van willekeur bij de gevorderde vergoeding voor
immateriele schade en is de gevorderde materiele schade niet aangetoond.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn evenmin aangetoond, althans
niet voor vergoeding vatbaar.

4.6. Nu de vordering tegen B dient te worden afgewezen, geldt hetzelfde
voor de vordering tegen Bu.

5. De vordering in reconventie

5.1. B en Bu vorderen dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij
voorraad:

primair: -zal opheffen de te hunnen laste gelegde beslagen, dan wel WI,
MV zal bevelen om binnen 24 uur na het ten deze te wijzen vonnis, dan wel
binnen 24 uur na betekening daarvan, deze beslagen op te heffen;

subsidiair: -zal opheffen de te hunnen laste gelegde beslagen voor het
door de rechtbank in goede justitie te bepalen gedeelte, dan wel W, IV en
MV zal bevelen om binnen 24 uur na het te deze te wijzen vonnis, dan wel
binnen 24 uur na betekening daarvan, deze beslagen voor het door de
rechtbank in goede justitie te bepalen gedeelte op te heffen;

primair en subsidiair; -met veroordeling van W, IV en MV in de
proceskosten.

5.2. B en Bu leggen primair aan hun vordering ten grondslag hetgeen zij
als verweer in conventie hebben gevoerd.

5.3. Subsidiair voeren zij aan dat B niet over een groot vermogen beschikt
en geen grond is om te vrezen voor verduistering.

5.4. Meer subsidiair stellen zij dat de beslagen onrechtmatig zijn gelegd
c.q. dat het beslag op de bankrekeningen van B niet kleeft c.q. de op de
auto van B en de roerende zaken van B en Bu gelegde beslagen zinloos zijn.
Voorts maken de beslagen het aan B en Bu onmogelijk om hun vaste
maandelijkse lasten en kosten van levensonderhoud te voldoen.

6. Het verweer in reconventie

W, IV en MV betwisten de stellingen van B en Bu.

7. Beoordeling van het geschil

In conventie

7.1. Aangezien de gestelde schadeveroorzakende feiten in deze zaak voor
1 januari 1992 hebben plaatsgevonden moeten de aansprakelijkheid uit
onrechtmatige daad en de schadevergoeding, ook voor zover sprake is van
doorlopende schade, ingevolge artikel 173 van de Overgangswet naar het
oude recht worden beoordeeld.

Omvang van het onrechtmatige handelen van B

7.2. Gelet op de erkenning daarvan door B staat ten minste vast dat hij
met W tussen haar dertiende en zestiende jaar geslachtsgemeenschap heeft
gehad, dat hij IV op elf/twaalfjarige leeftijd drie tot vier maal
onzedelijk heeft betast en dat hij zich aldus ook eenmaal heeft vergrepen
aan de negen/tienjarige MV.

7.3. Tegenover B’s betwistingen van hetgeen hem verder door eiseressen
wordt verweten hebben eiseressen zich beroepen op eigen verklaringen en
op hetgeen door hen aan hulpverleners is meegedeeld. Nu voorts aan B moet
worden toegegeven dat aan zijn brief van 31 maart 1992 (die hij schreef
nadat zijn dochters hem voor het eerst zijn gedragingen hadden durven
verwijten) op dit punt geen nader bewijs valt te ontlenen en eiseressen
zelf bij conclusie van repliek en conventie aangeven het geheel overbodig
te vinden om aanvullend bewijs te leveren c.q. een nader (deskundigen)
onderzoek naar de feiten onwenselijk te achten (hetgeen de rechtbank
overigens onderschrijft), dient daaraan de gevolgtrekking te worden
verbonden dat anders dan de in 7.2. vermelde onrechtmatige gedragingen van
B in deze procedure niet zijn komen vast te staan.

7.4. In de vaststaande incestueuze feiten ligt reeds besloten dat B
ongeoorloofde dwang heeft uitgeoefend, voor zover geloof moet worden
gehecht aan de stelling van B dat het geslachtelijk verkeer tussen hem en
W is voortgesproten uit een wederzijdse liefdesrelatie, leidt dit ten
aanzien van deze relatie geenszins tot een andere conclusie, aangezien
alsdan moet worden geoordeeld dat B jegens zijn minderjarige dochter
misbruikt heeft gemaakt van het overwicht dat hij op haar had. Een en
ander brengt tevens met zich dat in het midden kan blijven of B zijn
dochters heeft bedreigd of geweld heeft gebruikt om zijn doel te bereken.

De door eiseressen gestelde gevolgen en het causaal verband.

7.5. Eiseressen hebben gesteld dat de onrechtmatige gedragingen van B hun
als kind ernstige schade hebben toegebracht, nu als volwassene nog steeds
toebrengen alsmede dat nog meer leed te verwachten is.

7.6. W heeft onder meer aangevoerd dat zij voor haar zestiende jaar
angstdromen kende, in haar bed plaste, buikklachten ondervond, een
miskraam had en hyperventileerde. Zij heeft twee maal gepoogd zelfmoord
te plegen. Voorts heeft zij als kind belemmeringen in de omgang met
vrienden, vriendinnen en schoolgenoten ervaren. Nadat zij volwassen was
geworden duurden, afgezien van klachten van vooral gynaecologische aard,
haar psychische problemen voort en vertoonde haar relatie met echtgenoot
en kinderen stoornissen. Sedert het moment dat zij met haar traumatische
ervaringen voor de dag durfde te komen (als gevolg waarvan haar zuster ook
hun jarenlange stilzwijgen hebben doorbroken) is W onder geneeskundige en
psychiatrische behandeling en ontvangt zij tevens hulp van een huisarts
een maatschappelijk werker.

7.7. IV heeft onder meer melding gemaakt van veel pijn in de onderbuik,
angst, in zich zelf gekeerdheid en concentratiestoornisen op school. Deze
klachten dateren van voor haar veertiende jaar. Als volwassene ervaart zij
onder meer gynaecologische problemen en stoornissen in de seksuele relatie
met haar echtgenoot; daarnaast is sprake van sterk gewichtsverlies. Thans
is zij onder behandeling van een gynaecoloog en een psychiater en neemt
zij voorts deel aan een gespreksgroep voor misbruikte vrouwen.

7.8. MV heeft onder meer aangegeven dat zij als kind regelmatig last had
van buikpijn, angsten heeft ervaren, epilepsieaanvallen heeft gehad,
ziekhuisopnames heeft moeten ondergaan en op school niet goed presteerde,
terwijl als volwassene haar angsten voortduurden, slechte zwangerschappen
haar ten deel vielen en het contact met echtgenoot en dochtertje storingen
vertoonde. Nadat zij hulp had ontvangen van de Stichting Home Video wordt
zij thans begeleid door een gezinstherapeute.

7.9. B heeft niet, althans onvoldoende bestreden dat eiseressen voornoemde
klachten van fysieke en psychosociale aard hebben moeten ondergaan en dat
deze klachten nog niet ten einde zijn. Voorts is reeds op grond van de
vaststaande feiten onder 7.2. alleszins aannemelijk dat eiseressen smart
hebben ondervonden in de mate als door hen gesteld.

7.10. B zet slechts vraagtekens bij het causaal verband tussen zijn
handelen en de gevolgen daarvan.

7.11. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de ernst en de aard
van de niet bestreden klachten van eiseressen, als vaststaand worden
aangenomen dat een substantieel deel daarvan verband houdt met de
traumatische ervaringen die zij als kind hebben moeten ondergaan. Immers,
niet valt te loochenen dat de gedragingen die B -vooral jegens W – zich
heeft veroorloofd op zichzelf geschikt zijn om de verschijnselen die door
eiseressen zijn gesteld te veroorzaken. Dit klemt temeer nu B onvoldoende
heeft aangegeven welke andere oorzaken daaraan ten grondslag zouden kunnen
liggen. In zoverre faalt het verweer van B en staat het causale verband
dus vast.

7.12. Reeds omdat hij ter zake geen reconventie vordering heeft ingesteld,
kan het verweer zoals weergegeven in de tweede volzin van 4.3. B niet
baten.

Toerekening

7.13. B heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan dat
kan worden geconcludeerd dat hij ten tijde van zijn onrechtmatig handelen
ontoerekeningsvatbaar was dan wel in een staat van psychische onmacht
verkeerde. Voorts brengen deze omstandigheden niet per se mee dat geen
sprake zou zijn van schuld in de zin van artikel 1401 BW (oud). Dus ook
dit verweer faalt.

Schade-omvang en draagkracht

7.14. Gelet op de omvang van het onrechtmatig handelen en de gevolgen
daarvan voor de onderscheiden eiseressen stelt de rechtbank de immateriele
schade naar billijkheid vast op een bedrag van:

– ƒ 20.000,= voor W; – ƒ 5.000,= IV; – ƒ 5.000,= voor MV.

7.15. De gevorderde materiele schade ad ƒ 1.000,= ligt, nu deze door
eiseressen voldoende is gespecificeerd, voor toewijzing gereed.

7.16. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden afgewezen,
aangezien deze kosten, blijkens de door eiseressen verschafte specificatie
daarvan, moeten worden geacht te zijn begrepen in de onder artikel 57 RV
bedoelde vergoedingen.

7.17. Uit het voorgaande vloeit voort dat de vordering sub s tot een
totaalbedrag van ƒ 31.000,= vermeerderd met de sub 2 gevorderde rente, zal
worden toegewezen.

7.18. De draagkracht van B is in evengenoemd bedrag verdisconteerd, en
geeft geen aanleiding tot verdergaande matiging.

7.19. De vordering sub 3 is eveneens toewijsbaar, nu B en Bu in
gemeenschap van goederen zijn gehuwd.

In reconventie

7.20. Gelet op de uitslag van het geding in conventie, dient de gevorderde
opheffing der beslagen te worden afgewezen en behoeven de stellingen
onder 5.2., 5.3. en 5.4., eerste volzin, geen bespreking meer. Ten
overvloede zij nog overwogen dat de juistheid van de in de tweede volzin
van 5.4. weergegeven stelling niet is gebleken, nu op grond van
overgelegde produkties aannemelijk is dat Bu voor de voldoening van
bedoelde lasten en kosten genoegzaam inkomen geniet.

In conventie en reconventie

Proceskosten

7.21. Gezien de bestaande familierelatie van B, W, IV en MV zullen de
proceskosten worden gecompenseerd.

8. Beslissing

De rechtbank:

In conventie

8.1. Veroordeelt B te betalen aan W, IV en MV een bedrag van ƒ 31.000,=
(eenendertig duizend gulden), te vermeerderen met de wettelijke rente
vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening.

8.2. Bepaalt dat Bu dient te gedogen dat verhaal in rechte ook zal kunnen
plaatsvinden op goederen en geldswaarden op haar naam staande, vallend
binnen de gemeenschap van goederen.

8.3. Compenseert de proceskosten in dier voege dat iedere partij de eigen
kosten draagt.

8.4. Wijst af het meer of anders gevorderde.

8.5. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

In reconventie

8.6. Wijst de vordering af.

8.7. Compenseert de proceskosten in dier voege dat iedere partij de eigen
kosten draagt.

Rechters

mr. Verwoerd

Instantie: Hof Arnhem, 4 oktober 1994

Instantie

Hof Arnhem

Samenvatting


Verzoeker stelt dat hij van 1952 tot 1960 seksueel is misbruikt door zijn
broer. Hij vordert materiele en immateriele schadevergoeding. De rechtbank
concludeert dat het feit in ieder geval is verjaard omdat de termijn van
twintig jaar is verlopen. Deze termijn vangt aan op het moment dat de
gebeurtenis die de schade veroorzaakte plaatsvond. Deze termijn kan
terzijde worden gesteld met een beroep op de redelijkheid en de
billijkheid. De rechtbank is van mening dat dan aan zware eisen moet
worden voldaan. In hoger beroep is ook het hof van mening dat het feit is
verjaard. De feiten die verzoeker naar voren brengt zijn dermate ernstig
dat besloten kan worden dat het beroep van de broer op verjaring naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden
geacht. Het verzoek van verzoeker tot het vaststellen van een datum voor
het voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen.

Volledige tekst

Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de inhoud van de tussen de partijen gegeven
beschikking van de rechtbank te Arnhem van 17 mei 1994, die in fotokopie
aan deze beschikking is gehecht.

Het geding in hoger beroep

Bij verzoekschrift, op 14 juli 1994 ter griffie van het hof ingekomen, is
verzoeker -hierna ook W te noemen- in hoger beroep gekomen van de hiervoor
genoemde beschikking.

W heeft bij zijn beroepschrift verzocht, dat het hof de beschikking zal
vernietigen en alsnog aan de rechtbank opdracht zal geven een datum voor
het voorlopige getuigenverhoor vast te stellen.

Bij zijn op 18 augustus 1994 ter griffie ingekomen verweerschrift tevens
incidenteel appelschrift heeft verweerder- hierna ook G te noemen-
verzocht, dat het hof het appel ongegrond zal verklaren en de beschikking
van de rechtbank met verbetering van de gronden zal bekrachtigen.

Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een brief
met bijlagen van de procureur van W van 23 augustus 1994.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 augustus 1994. De
procureur van W is namens hem opgetreden. G is in persoon verschenen,
bijgestaan door mr. C.G.m. Van Rossum, advocaat te Huissen.

De vaststaande feiten

a. Na in 1992 enige tijd wegens ernstige hoofdpijn in een ziekenhuis te
zijn opgenomen, is W, geboren op 12 maart 1945, op 17 februari 1994
opgenomen op de afdeling psychiatrie van het Academisch Ziekenhuis
Nijmegen St. Radboud.

b. In een brief van 1 juli 1994 hebben H.H.J. Fennema, psychiater, en J.J.
Stolker, arts-assistent, die beiden werkzaam zijn op de hiervoor genoemde
afdeling, onder meer het volgende aan de procureur van W geschreven: ‘De
heer W is vanaf 17 februari 1994 bij ons op de afdeling psychiatrie
opgenomen in verband met zelfmoordneigingen en depressie in het kader van
posttraumatische stressstoornis. Een posttraumatische stressstoornis is
een angstreactie als gevolg van een gebeurtenis die buiten het patroon van
de gebruikelijke menselijke ervaringen ligt en die duidelijk leed zou
veroorzaken bij iedereen. Uw client geeft aan dat hij gedurende zijn jeugd
jarenlang door zijn broer seksueel is misbruikt. De reden dat client
zelfmoordneigingen heeft gekregen en depressief is geworden is het feit
dat hij last heeft van bij (de) zijn ziekte behorende klachten als
terugkerende en opdringerige onaangename herinneringen, nachtmerries, etc.
De reden dat het uw client niet mogelijk was eerder met dit verhaal naar
buiten te komen en de schade zich nu zo heeft gemanifesteerd is het
volgende. Uw client is gedurende zijn leven iemand geweest die, mede op
basis van de traumatische ervaringen in zijn jeugd, nooit over zijn
gevoelens heeft kunnen praten. Dat de psychische schade zich nu pas heeft
gemanifesteerd heeft onder meer te maken met veranderde omstandigheden op
zijn werk en veranderde gezins- en familieomstandigheden waardoor het
vermogen van uw client om zijn herinneringen te verdringen verminderde.
Uw client heeft een langdurige psychotherapeutische- en medicamenteuze
behandeling nodig. ( …)’

c. In augustus 1994 is W opgenomen in het Psychiatrisch Ziekenhuis
Wolfheze. Ten tijde van de mondelinge behandeling van zijn beroepschrift
verbleef hij op een gesloten afdeling van dat ziekenhuis.

d. Tegenover de politie heeft G op 26 juli 1993 toegegeven dat hij
ontuchtige handelingen heeft gepleegd met twee zusters en twee broers,
onder wie W.

De beoordeling

van het principaal en het incidenteel appel

1. W stelt dat hij aanmerkelijke psychische problemen ondervindt, die,
naar hem eerst in 1992 is gebleken, zouden zijn veroorzaakt door de
ontuchtige handelingen — waaronder feiten, zoals strafbaar gesteld bij
de artikelen 242, 244 en 245 van het Wetboek van Strafrecht –, die zijn
oudere, op 22 september 1938 geboren broer G in de periode van 1952 tot
1960 jegens hem heeft gepleegd. Ter zake van die feiten heeft hij op 30
juni 1993 aangifte gedaan bij de politie. Bij brief van 16 augustus 1993
heeft hij zijn broer G van een en ander op de hoogte gesteld.

2. W is voornemens tegen G een rechtsvordering in te stellen ter
verkrijging van materiele en immateriele schadevergoeding. In verband
daarmee heeft hij de rechtbank verzocht te bevelen dat omtrent de hiervoor
bedoelde feiten een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden, welk
verzoek door de rechtbank is afgewezen bij beschikking waarvan beroep.

3. Het betoog van G dat het verzoek niet toewijsbaar is omdat de
rechtsvordering, die W tegen hem wil instellen, is verjaard, komt er op
neer dat W geen belang zou hebben bij zijn verzoek.

4. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is ingevolge artikel 73 van
de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek met ingang van 1 januari 1993 het
nieuwe recht van toepassing geworden en moet de vraag, of de vordering van
W verjaard is, geheel naar het thans geldende recht, in het bijzonder
artikel 3:310 BW, worden beoordeeld.

5. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het slot van artikel
3:310 lid 1 BW een eind maakt aan alle onzekerheden die kunnen bestaan
over de aanvang van een verjaringstermijn. De daar genoemde termijn van
twintig jaren begint te lopen op de dag na de gebeurtenis waardoor de
schade is veroorzaakt. Krachtens deze bepaling zijn de gestelde feiten dus
verjaard.

6. De incidentele grief van G — welke inhoudt, dat de rechtbank ten
onrechte heeft overwogen dat het op zichzelf denkbaar is dat een beroep
op het verstrijken van de termijn van twintig jaren in strijd met de
redelijkheid en billijkheid — faalt. Volgens artikel 6:2 lid 2 BW is het
immers mogelijk dat een tussen schuldeiser en schuldenaar geldende
wettelijke regel niet van toepassing is, voor zover dat in de gegeven
omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar zou zijn.

7. Bij de beoordeling van de stellingen van W (volgens de rechtbank
onvoldoende om het beroep op verjaring van G op grond van strijd met de
redelijkheid en billijkheid terzijde te stellen) heeft het hof in het
bijzonder acht geslagen op de bijzondere ernst van de gestelde feiten —
onder meer verkrachtingen, meerdere keren per week, gedurende een periode
van ongeveer acht jaren –, de familierelatie tussen W en G en het
verschil in leeftijd tussen hen beiden, alsmede de huidige zeer slechte
psychische gesteldheid van W.

8. Aangenomen, dat de gestelde feiten, alsmede het causaal verband tussen
die feiten en de huidige psychische gesteldheid van W komen vast te staan,
acht het hof het niet uitgesloten, dat de rechter, die de vordering van
W te zijner tijd zal beoordelen, van oordeel zal zijn dat het beroep van
G is aangevoerd omtrent zijn eigen persoonlijke omstandigheden — naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, en dat aan
de in dat verband te stellen zware eisen is voldaan. Aangezien het eerste
aan die rechter is om op dat punt een definitief oordeel te geven, terwijl
onvoldoende zekerheid bestaat hoe dit oordeel zal uitvallen, zou het
onjuist zijn om in dit stadium de weg naar een voorlopig getuigenverhoor
ter vaststelling van de gestelde feiten af te snijden.

9. Ten overvloede wordt overwogen dat het betoog van G, dat de gestelde
feiten ook onder de vigeur van het oude recht zouden zijn verjaard, niet
juist is. De verjaringstermijn van dertig jaar volgens het tot 1 januari
1992 geldende recht is immers pas gaan lopen op 12 maart 1966, de dag
waarop W volgens het toen geldende recht meerderjarig is geworden.

10. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat W voldoende belang
heeft bij zijn verzoek, zodat dat verzoek met vernietiging van de
bestreden beschikking alsnog zal worden toegewezen. De proceskosten in
eerste aanleg en in hoger beroep zullen tussen de partijen, broers van
elkaar, worden gecompenseerd.

De beslissing

het hof:

in het principaal en in het incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 17 mei 1994 en
opnieuw beschikkende:

laat W toe om in een voorlopig getuigenverhoor bewijs te leveren van de
feiten, in zijn inleidend verzoekschrift omschreven, zulks door middel van
getuigen, vermeld in dat verzoekschrift;

verwijst de zaak naar de rechtbank te Arnhem teneinde dat verhoor te doen
plaatsvinden voor een door die rechtbank te benoemen rechter-commissaris
alsmede de verdere voorzieningen te geven als bedoeld in artikel 216 lid
1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep tussen de
partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Van Raalte, Fokker en Katz-Soeterbeek