Instantie: Rechtbank Haarlem, 4 oktober 1994

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


In kort geding is de vader veroordeeld tot het betalen van ƒ
3.000,= aan ieder der eiseressen (16 oktober 1992).

Eiseressen vorderen nu een vergoeding van ƒ 230.000,= wegens
materiele en immateriele schade o.g.v. onrechtmatige daad wegens het
plegen van seksueel geweld.

Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad en schadevergoeding moet
worden beoordeeld naar het oude recht.

De rechtbank stelt de immateriele schade naar billijkheid vast op ƒ
20.000,= voor W; op ƒ 5.000,= voor I.V. en op fl.

5.000,= voor M.V.

Ook de schadevergoeding van ƒ 1.000,= voor materiele schade wordt
gehonoreerd.

Volledige tekst

1. Verloop van de procedure Voor de loop van het geding verwijst
de rechtbank naar de volgende door partijen ter vonniswijzing
overgelegde stukken waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te
beschouwen: -de dagvaarding d.d. 24 september 1992 alsmede de stukken
m.b.t. de ten laste van L en A gelegde conservatoire (derden)beslagen.

-de conclusie van eis tevens inhoudende wijziging van eis, met
produkties, -de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie
van eis in reconventie, met produkties, -de conclusie van repliek in
conventie tevens de conclusie van antwoord in reconventie, met
produkties, -de conclusie van dupliek in conventie, tevens van repliek
in reconventie met een produktie, -de conclusie van dupliek in
reconventie, met produkties, -de akte houdende uitlating produkties en
overlegging produktie, met een produktie.

2. De vaststaande feiten In conventie en reconventie Als enerzijds
gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist
en/of op grond van de onweersproken inhoud van de overgelegde
produkties, staat tussen partijen het volgende vast: a. Eiseressen in
conventie/verweersters in reconventie zijn dochters van L en F.

b. W is geboren op 22 september 1955.

I.V. is geboren in 1956.

M.V. is geboren op 13 december 1958.

c. In september 1973 is het huwelijk van L en F. door echtscheiding
ontbonden.

d. L en A zijn in 1974 met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen.

e. Eiseressen hebben L gedagvaard in kort geding voor de president van
deze rechtbank. Bij vonnis van 16 oktober 1992 heeft de fungerend
president L veroordeeld tot betaling van een voorschot op de door de
eiseressen geleden en te lijden immateriele schade ten bedrage van ƒ
3.000,= aan ieder van hen en is het meer of anders gevorderde
afgewezen.

f. Eiseressen hebben op 15 september 1992 conservatoir beslag doen
leggen op de auto van L, op de inboedel van de woning van L en A,
alsmede onder de ING Bank NV.

g. Op 1 oktober 1992 hebben eiseressen conservatoir beslag doen leggen
onder de werkgever van L.

3. De vordering in conventie

3.1. Eiseressen vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij
voorraad: 1. L zal veroordelen tot vergoeding van de schade ten
bedrage van ƒ 230.000,=; 2. L zal veroordelen aan hen te betalen de
wettelijke rente over het onder 1 genoemde bedrag vanaf de dagvaarding
tot die der algehele voldoening; 3. zal bepalen dat A dient te gedogen
dat verhaal in rechte ook zal kunnen plaatsvinden op goederen en
geldswaarden op haar naam staande, vallend binnen de huwelijkse
gemeenschap van goederen.

Kosten rechtens, waaronder die met betrekking tot het conservatoir
beslag, advocaats- en procureurssalaris.

3.2. Voormelde schade wordt aldus gespecificeerd:
a. buitengerechtelijke kosten ƒ 6.396,=
b. materiele schade ƒ 1.000,=
c. immateriele schade ƒ 222.604,=
+++++++++++
totaal ƒ 230.000,=

3.3. De gevorderde schadevergoeding wordt procentueel aldus verdeeld:
-W 52% = ƒ 119.600,= -I.V. 26% = ƒ 59.800,= -M.V. 22 % = ƒ
50.600,= 3.4. Eiseressen leggen de volgende feiten aan hun vordering
ten grondslag.

3.4.1. W stelt dat L vanaf haar zesde tot zestien jaar (1961- 1971)
onder toepassing van dwang en (dreiging) met geweld met haar ontucht
heeft gepleegd en haar regelmatig heeft mishandeld en verkracht.

3.4.2. I.V. stelt dat L vanaf haar tiende tot veertiende jaar (1966
tot 1970) onder toepassing van dwang en (dreiging) met geweld met haar
ontucht heeft gepleegd.

3.4.3. M.V. stelt dat L vanaf haar achtste tot tiende jaar (1966 tot
1968) onder toepassing van dwang en (dreiging) met geweld met haar
ontucht heeft gepleegd.

3.5. Eiseressen stellen dat door deze feiten zeer ernstige inbreuk is
gemaakt op hun lichamelijke integriteit. Als gevolg van deze feiten
hebben zij zowel materiele als immateriele schade geleden en is nog
meer leed te verwachten. Tot op heden ervaren zij psychische en
lichamelijke klachten, waarvoor zij onder behandeling zijn (geweest).

3.6. Eiseressen stellen voorts dat L bij brief van 31 maart 1992 aan
hen allen heeft erkend schuld te hebben aan wat in het verleden is
gebeurd.

3.7. Volgens eiseressen valt in dit verband aan A niets te verwijten.
A is slechts in rechte betrokken omdat ook te haren laste conservatoir
beslag is gelegd.

4. Het verweer in conventie

4.1. Primair betwist L de onder 3.4. genoemde daden te hebben
verricht, behalve voor zover hij deze -als na te melden- erkend. De in
3.6. genoemde brief levert geen bewijs op van de door eiseressen
gestelde feiten.

4.1.1. L erkent dat hij W tussen haar dertiende en zestiende jaar
geslachtsgemeenschap heeft gehad, omdat er tussen hen een wederzijdse
liefdesrelatie bestond, waarbij W, L niet als vader maar als vriend
beschouwde.

4.1.2. L erkent dat hij I.V. drie tot vier maal heeft betast in een
periode van zeven dagen in 1967 of 1968, toen W op een kamp was.

4.1.3. L erkent dat hij M.V. eenmaal in voormelde periode heeft
betast.

4.2. Subsidiair voert L aan dat eiseressen het verband tussen de door
hen gestelde feiten en schade niet hebben aangetoond.

4.3. Meer subsidiair stelt L zich op het standpunt dat eiseressen op
geen enkele wijze hebben aangetoond wat hun schade in geld uitgedrukt
zou zijn. Bovendien hebben eiseressen hun eventueel recht op
schadevergoeding door onrechtmatig handelen ten opzichte van L en A
-namelijk door alles in het werk te hebben gesteld om de buitenwereld
tegen hen op te zetten- verspeeld.

4.4. Nog meer subsidiair voert L aan dat eerst dient te worden
onderzocht in hoeverre hij ten tijde van het plegen van de gestelde
onrechtmatige gedragingen toerekeningsvatbaar was dan wel in staat van
psychische onmacht verkeerde. Indien van het een of ander sprake zou
zijn, is L niet tot vergoeding van enige schade gehouden.

4.5. Uiterst subsidiair verzoekt L om matiging van de eventueel toe te
wijzen schadevergoeding op grond van zijn financiele positie. Voorts
is volgens L sprake van willekeur bij de gevorderde vergoeding voor
immateriele schade en is de gevorderde materiele schade niet
aangetoond. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn evenmin
aangetoond, althans niet voor vergoeding vatbaar.

4.6. Nu de vordering tegen L dient te worden afgewezen, geldt
hetzelfde voor de vordering tegen A.

5. De vordering in reconventie

5.1. L en A vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoer bij
voorraad:

primair: -zal opheffen de te hunnen laste gelegde beslagen, dan wel W,
I.V. en M.V. zal bevelen om binnen 24 uur na het ten deze te wijzen
vonnis, dan wel binnen 24 uur na betekening daarvan, deze beslagen op
te heffen;

subsidiair: -zal opheffen de te hunnen laste gelegde beslagen voor het
door de rechtbank in goede justitie te bepalen gedeelte, dan wel W,
I.V. en M.V. zal bevelen om binnen 24 uur na het ten deze te wijzen
vonnis, dan wel binnen 24 uur na het ten deze te wijzen vonnis, dan
wel binnen 24 uur na betekening daarvan, deze beslagen voor het door
de rechtbank in goede justitie te bepalen gedeelte op te heffen;

primair en subsidiair: -met veroordeling van W. I.V. en m.V. in de
proceskosten.

5.2. L en A leggen primair aan hun vordering ten grondslag hetgeen zij
als verweer in conventie hebben gevoerd.

5.3. Subsidiair voeren zij aan dat L niet over een groot vermogen
beschikt en geen grond is om te vrezen voor verduistering.

5.4. Meer subsidiair stellen zij dat de beslagen onrechtmatig zijn
gelegd c.q. dat het beslag op de bankrekeningen van L niet kleeft c.q.
op de auto van L en de roerende zaken van L en A gelegde beslagen
zinloos zijn. Voorts maken de beslagen het aan L en A onmogelijk om
hun vaste maandelijkse lasten en kosten van levensonderhoud te
voldoen.

6. Het verweer in reconventie

W, I.V., M.V. betwisten de stellingen van L en A.

7. Beoordeling van het geschil

In conventie

7.1. Aangezien de gestelde schadeveroorzakende feiten in deze zaak
voor 1 januari 1992 hebben plaatsgevonden moeten de aansprakelijkheid
uit onrechtmatige daad en de schadevergoeding, ook voor zover sprake
is van doorlopende schade, ingevolge artikel 173 van de Overgangswet
naar het oude recht worden beoordeeld.

Omvang van het onrechtmatige handelen van L

7.2. Gelet op de erkenning door L staat tenminste vast dat hij met W
tussen haar dertiende en zestiende jaar geslachtsgemeenschap heeft
gehad, dat hij I.V. op elf/twaalfjarige leeftijd drie tot vier maal
onzedelijk heeft betast en dat hij zich aldus ook eenmaal heeft
vergrepen aan de negen/tienjarige M.V.

7.3. Tegenover L’s betwistingen van hetgeen hem verder door eiseressen
wordt verweten hebben eiseressen zich beroepen op eigen verklaringen
en op hetgeen door hen aan hulpverleners is meegedeeld. Nu voorts aan
L moet worden toegegeven dat aan zijn brief van 31 maart 1992 (die hij
schreef nadat zijn dochters hem voor het eerst zijn gedragingen hadden
durven verwijten) op dit punt geen nader bewijs valt te ontlenen en
eiseressen zelf bij conclusie van repliek in conventie aangegeven het
geheel overbodig te vinden om aanvullend bewijs te leveren c.q. een
ander (deskundigen)onderzoek naar de feiten onwenselijk te achten
(hetgeen de rechtbank overigens onderschrijft), dient daaraan de
gevolgtrekking te worden verbonden dat andere dan de in 7.2. vermelde
onrechtmatige gedragingen van L in deze procedure niet zijn komen vast
te staan.

7.4. In de vaststaande incestueuze feiten ligt reeds besloten dat L
ongeoorloofde dwang heeft uitgeoefend.

Voor zover geloof moet worden gehecht aan de stelling van L dat het
geslachtelijk verkeer tussen hem en W is voortgesproten uit een
wederzijdse liefdesrelatie, leidt dit ten aanzien van deze relatie
geenszins tot een andere conclusie, aangezien alsdan moet worden
geoordeeld dat L jegens zijn minderjarige dochter misbruik heeft
gemaakt van het overwicht dat hij op haar had. Een en ander brengt
tevens met zich dat in het midden kan blijven of L zijn dochters heeft
bedreigd of geweld heeft gebruikt om zijn doel te bereiken.

De door eiseressen gestelde gevolgen en het causaal verband

7.5. Eiseressen hebben gesteld dat de onrechtmatige gedragingen van L
hun als kind ernstige schade hebben toegebracht, nu als volwassene nog
steeds toebrengen alsmede dat nog meer leed te verwachten is.

7.6. W heeft onder meer aangevoerd dat zij voor haar zestiende jaar
angstdromen kende, in haar bed plaste, buikklachten ondervond, een
miskraam had en hyperventileerde. Zij heeft tweemaal gepoogd zelfmoord
te plegen. Voorts heeft zij als kind belemmeringen in de omgang met
vrienden, vriendinnen en schoolgenoten ervaren. Nadat zij volwassen
was geworden duurden afgezien van klachten van vooral gynaecologische
aard, haar psychische problemen voort en vertoonde haar relatie met
echtgenoot en kinderen stoornissen. Sedert het moment dat zij met haar
traumatische ervaringen voor de dag durfde te komen (als gevolg
waarvan haar zusters ook hun jarenlange stilzwijgen hebben doorbroken)
is W onder geneeskundige en psychiatrische behandeling en ontvangt zij
tevens hulp van een huisarts en een maatschappelijk werker.

7.7. I.V. heeft onder meer melding gemaakt van veel pijn in de
onderbuik, angst, in zichzelf gekeerdheid en concentratiestoornissen
op school. Deze klachten dateren van voor haar veertiende jaar. Als
volwassene ervaart zij onder meer gynaecologische problemen en
stoornissen in de seksuele relatie met haar echtgenoot; daarnaast is
sprake van sterk gewichtsverlies. Thans is zij onder behandeling van
een gynaecoloog en een psychiater en neemt zij voorts deel aan een
gespreksgroep voor misbruikte vrouwen.

7.8. M.V. heeft onder meer aangegeven dat zij als kind regelmatig last
had van buikpijn, angsten heeft ervaren, epilepsie-aanvallen heeft
gehad, ziekenhuisopnames heeft moeten ondergaan en op school niet goed
presteerde, terwijl zij als volwassene haar angsten voortduurden,
slechte zwangerschappen haar ten deel vielen en het contact met
echtgenoot en dochtertje storingen vertoonde. Nadat zij hulp had
ontvangen van de Stichting Home Video wordt zij thans begeleid door
een gezinstherapeute.

7.9. L heeft niet, althans onvoldoende bestreden dat eiseressen
voornoemde klachten van fysieke en psycho-sociale aard hebben moeten
ondergaan en dat deze klachten nog niet ten einde zijn. Voorts is
reeds op grond van de vaststaande feiten onder 7.2. alleszins
aannemelijk dat eiseressen smart hebben ondervonden in de mate als
door hen gesteld.

7.10. L zet slechts vraagtekens bij het causaal verband tussen zijn
handelen en de gevolgen daarvan.

7.11. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de ernst en de
aard van de niet bestreden klachten van eiseressen, als vaststaand
worden aangenomen dat een substantieel deel daarvan verband houdt met
de traumatische incestervaringen die zij als kind hebben ondergaan.
Immers niet valt te loochenen dat de gedragingen die l -vooral jegens
W- zich heeft veroorloofd op zichzelf geschikt zijn om de
verschijnselen die door eiseressen zijn gesteld te veroorzaken. Dit
klemt temeer nu L onvoldoende heeft aangegeven welke andere oorzaken
daaraan ten grondslag zouden kunnen liggen. In zoverre faalt het
verweer van L en staat het causale verband dus vast.

7.12. Reeds omdat hij ter zake geen reconventionele vordering heeft
ingesteld, kan het verweer zoals weergegeven in de tweede volzin van
4.3. L niet baten.

Toerekening

7.13. L heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan
dat kan worden geconcludeerd dat hij ten tijde van zijn onrechtmatige
handelen ontoerekeningsvatbaar was dan wel in een staat van psychische
onmacht verkeerde. Voorts brengen deze omstandigheden niet per se mee
dat geen sprake zou zijn van schuld in de zin van artikel 1401 BW
(oud). Dus ook dit verweer faalt.

Schade-opvang en draagkracht

7.14. Gelet op de omvang van het onrechtmatige handelen en de gevolgen
daarvan voor de onderscheiden eiseressen stelt de rechtbank de
immateriele schade naar billijkheid vast op een bedrag van:

– ƒ 20.000,= voor W; – ƒ 5.000,= voor I.V.; – ƒ 5.000,= voor M.V.

7.15. De gevorderde materiele schade ad ƒ 1.000,= ligt, nu deze door
eiseressen voldoende is gespecificeerd, voor toewijzing gereed.

7.16. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden
afgewezen, aangezien deze kosten, blijkens de door eiseressen
verschafte specificatie daarvan, moeten worden geacht te zijn begrepen
in de onder artikel 57 Rv bedoelde vergoedingen.

7.17. Uit het voorgaande vloeit voort dat de vordering sub 1 tot een
totaalbedrag van ƒ 31.000,= vermeerderd met de sub 2 gevorderde
rente, zal worden toegewezen.

7.18. De draagkracht van L is in evengenoemd bedrag verdisconteerd, en
geeft geen aanleiding tot verdergaande matiging.

7.19. De vordering sub 3 is eveneens toewijsbaar, nu L en A in
gemeenschap van goederen zijn gehuwd.

In reconventie

7.20. Gelet op de uitslag van het geding in conventie, dient de
gevorderde opheffing der beslagen te worden afgewezen en behoeven de
stellingen onder 5.2., 5.3 en 5.4, eerste volzin, geen bespreking
meer. Ten overvloede zij nog overwogen dat de juistheid van de in de
tweede volzin van 5.4. weergegeven stelling niet is gebleken, nu op
grond van overgelegde produkties aannemelijk is dat A een voor de
voldoening van bedoelde lasten en kosten genoegzaam inkomen geniet.

In conventie en reconventie

Proceskosten

7.21. Gezien de bestaande familierelatie van L, W, I.V. en M.V. zullen
de proceskosten worden gecompenseerd.

8. Beslissing

De rechtbank:

In conventie

8.1. Veroordeelt L te betalen aan W, I.V. en M.V. een bedrag van ƒ
31.000,= (eenendertig duizend gulden), te vermeerderen met de
wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele
voldoening.

8.2. Bepaalt dat A dient te gedogen dat verhaal in rechte ook zal
kunnen plaatsvinden op goederen en geldswaarden op haar naam staande,
vallend binnen de gemeenschap van goederen.

8.3. Compenseert de proceskosten in dier voege dat iedere partij de
eigen kosten draagt.

8.4. Wijst af het meer of anders gevorderde.

8.5. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

In reconventie

8.6. Wijst de vordering af.

8.7. Compenseert de proceskosten in dier voege dat iedere partij de
eigen kosten draagt.

Rechters

Mr. J.R.A. Verwoerd

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 30 september 1994

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Verweersters in cassatie zijn als verpleegsters in dienst bij
eiseres en hebben hun werkgever aangesproken op een verschil in
salariering tussen gehuwd en ongehuwd personeel.

In een uitspraak van de Hoge Raad van 7 mei 1993 kwam de
onrechtmatigheid van het gemaakte verschil vast te staan, ook voor de
onderhavige arbeidsverhouding. De vraag is dan vanaf welke datum de
salarissen aangevuld dienen te worden. Het Hof had als hoofdregel
geformuleerd dat met ingang van 7 mei 1993, de datum van het arrest,
het gewraakte onderscheid niet meer gemaakt mocht worden.

Voor die datum zouden partijen bij arbeidsovereenkomsten geen rekening
hebben kunnen houden met mogelijke discriminatie. Er zijn echter
uitzonderingen mogelijk, namelijk wanneer werknemers al eerder hun
aanspraken kenbaar gemaakt hebben, wat in casu het geval is. Het Hof
wijst dan ook een eerder tijdstip aan, 1 januari 1990, het begin van
de looptijd van de CAO. De Hoge Raad laat deze beslissing in stand.

Volledige tekst


Hier kan men zich niet van afmaken met de redenering dat de overweging
ten overvloede onjuist is maar ook geen kwaad kan doen. Deze
overweging tast de andere overwegingen aan, ondermijnt ze en maakt de
bewezenverklaring onbegrijpelijk.

Immers ook de overweging ten overvloede staat in het vonnis, drukt een
oordeel van de rechter uit.

B. De tweede soort van overwegingen ten overvloede staat buiten de
ondersteuning van het besliste, maar geeft een beslissing of de
aanwijzing voor een beslissing voor gevallen die niet onder de in de
voorliggende zaak wel toegepaste regel vallen. Het zijn
afgrenzings-overwegingen. Dikwijls komen zij voor in deze model-vorm:
Het zou anders (kunnen) zijn als …, maar daarvan is in dit geval
niet gebleken.

Nu doet het er in zaak A niet werkelijk toe dat het rechtens anders
gesteld zou zijn in zaak B, die zich niet voordoet. In feite is er
sprake van een obiter dictum. De “beslissing”: dat het anders zou zijn
als …, is niet voor cassatie vatbaar omdat die beslissing in deze
zaak niet van belang kan zijn.

Wel zou in cassatie kunnen worden opgeworpen: daarvan is in dit geval
wel degelijk gebleken. Met andere woorden: de toegepaste regel gaat
niet op. U moet de regel toepassen van het obiter dictum, dat daardoor
ook meteen die hoedanigheid verliest.

Op het eerste gezicht nu heeft de overweging ten overvloede in deze
zaak betrekking op de B-groep: er wordt aangegeven in welke gevallen
een aanspraak op suppletie van loon niet meer geldend kan worden
gemaakt en dat moeten andere gevallen zijn dan het geval dat hier
voorligt want daarin wordt een dergelijke aanspraak wel gehonoreerd.

Wat is dan het verschil, wat is het andere dat zich in de voorliggende
zaak niet voordoet? Ik citeer letterlijk (met eigen cursivering) ” …
dat aanspraken als waarvan in deze zaak sprake, in beginsel
krachteloos zijn en dus niet meer geldend gemaakt kunnen worden
voorzover deze betrekking hebben op de periode van voor 7 mei 1993″.

Echter: duidelijk is dat het gevorderde in de onderhavige zaak niet
anders ligt dan een vordering als die welke in de overweging ten
overvloede wordt bedoeld, tenminste voor zover de aanspraak geldend
wordt gemaakt en vervolgens werd gehonoreerd voor de periode van 1
januari 1990 tot 7 mei 1993.

En in zoverre ondersteunt deze overweging niet alleen niet die welke
aan de toewijzing van het gevorderde ten grondslag liggen, maar
ondermijnt zij deze zelfs. Er is echter nog een tweede
afgrenzingscriterium dat in de overweging ten overvloede wordt
aangebracht. De andere gevallen, waarin derhalve de aanspraken niet
(meer) geldend kunnen worden gemaakt moeten een bepaald kenmerk
missen. En ik citeer weer: “Slechts bij uitzondering, zoals
bijvoorbeeld het geval waarin de werknemer zijn aanspraken reeds aan
de werkgever kenbaar heeft gemaakt of geacht moet worden dat te hebben
gedaan, zal het voorgaande anders kunnen zijn”.

Anders gezegd: in die uitzonderingsgevallen geldt de andere regel niet
en geldt weer wel de in deze zaak toegepaste regel.

En ja, het is duidelijk dat die uitzonderingssituatie zich in ons
geval voordoet. De aanspraak is in elk geval aan de werkgever kenbaar
gemaakt voor 7 mei 1993 te weten op 11 of 14 oktober 1991 toen de
vorderingen bij het Gerecht in Eerste Aanleg werden ingediend.

Het obiter dictum, vervat in de overweging ten overvloede, houdt, naar
ik meen het volgende in: Zo vaak een vordering van een werknemer als
de onderhavige strekkende tot aanvulling van het salaris, (ook)
betrekking heeft op een periode gelegen voor 7 mei 1993 en niet
voordien aan de werkgever is kenbaar gemaakt kan zij over de periode
gelegen voor 7 mei 1993 niet meer geldend gemaakt worden.

Daarmee is, naar ik meen, de zaak echter niet af. We moeten ook nagaan
waarom zulke vorderingen niet meer geldend gemaakt kunnen worden. Want
nu rijst de vraag: als de aanspraak wel voor 7 mei 1993 aan de
werkgever kenbaar is gemaakt, kan aan haar dan en daarom onbeperkt
terugwerkende kracht worden verleend, althans tot op de dag dat zij op
grond van de andere omstandigheden van de zaak zou gelden. In casu is
dat: tot aan de dag van in werking treden van de nieuwe CAO te weten 1
januari 1990. (Ook al heeft het kenbaar maken later dan 1 januari 1990
plaatsgevonden.) Dat heeft het Hof immers gedaan.

In het vonnis van het Hof lezen we in de tweede alinea van overweging
8: Het Hof kan niet inzien waarom Sehos in dit geval niet met
terugwerkende kracht tot betaling zou kunnen worden veroordeeld.

Dat wordt voor wat betreft terugwerkende kracht tot 7 mei 1993 uit het
vonnis zelf duidelijk. Maar dat de veroordeling ook verder zou
terugwerken en wel tot 1 januari 1990 zou alleen maar duidelijk kunnen
worden als daartoe aanleiding gaf de combinatie van de twee passages
uit overweging 10 die ik hiervoor afzonderlijk heb aangehaald. Die
passages en met name de tweede daarvan maken echter niet duidelijk
waarom de terugwerkende kracht verder zou kunnen werken dan tot op de
datum dat de aanspraak kenbaar wordt gemaakt aan de werkgever.

En voor het overige is de overweging ten overvloede er als het ware op
gericht die terugwerkende kracht tot een datum voor 7 mei 1993 te
beperken tot de dag van kenbaarmaking. Immers de redenen waarom
aanspraken in beginsel niet verder kunnen terugwerken dan tot 7 mei
1993, liggen besloten in de navolgende, derde passage uit
rechtsoverweging 10: Met aanspraken betrekking hebbend op eerdere
perioden zullen werkgevers en werknemers, gezien de toenmalige stand
van de rechtsontwikkeling en toen geldende maatschappelijke inzichten
destijds in de meeste gevallen ook in financiele zin geen rekening
hebben gehouden. Daartoe strekkende vorderingen zullen werkgevers
daarom thans in redelijkheid niet meer hoeven te verwachten.

Maar daarin ligt ook besloten, dunkt mij, dat de uitzonderingen niet
betrekking kunnen hebben op periodes voor het kenbaar maken van de
aanspraak. Want wat die “voortijd” betreft, verzetten de toenmalige
stand van de rechtsontwikkeling en de toen geldende maatschappelijke
inzichten zich evenzeer tegen verder terugwerkende kracht, dan
veroorzaakt door de omstandigheid dat de werkgever op de hoogte was
gebracht van de claim.

Het Hof overweegt in rechtsoverweging tien: Slechts bij uitzondering
zoals bijvoorbeeld …

Dit zou er op kunnen duiden dat er nog meer soorten van uitzondering
zijn en dat die andere soorten wel eens tot terugwerkende kracht tot
zelfs 1 januari 1990 zouden kunnen leiden. Maar dan had het Hof
daarvoor de redenen moeten opgeven en dan had het niet kunnen volstaan
met de summiere vaststelling in de tweede alinea van zijn achtste
rechtsoverweging.

Ik meen dat het middel ten dele gegrond is. Of de Hoge Raad de zaak
zelf kan afdoen betwijfel ik enigszins op grond van hetgeen ik juist
hiervoor aan het slot van mijn conclusie heb opgemerkt. Maar
economisch en efficient zou het wel zijn.

Daarom concludeer ik als volgt: Primair: dat de Hoge Raad het vonnis
van het Hof zal vernietigen voor zover daarbij de verzoekster tot
aanvullende salarisbetalingen is veroordeeld “vanaf 1 januari 1990” en
haar zal veroordelen tot het doen van die betalingen vanaf 11 of 14
oktober 1991 met verwerping van het beroep voor het overige;
Subsidiair: dat de Hoge Raad het vonnis van het Hof zal vernietigen en
de zaak zal terugwijzen naar het Hof teneinde haar opnieuw te
berechten en af te doen.

Rechters

Mr. Martens, Korthals Altes, Neleman, Nieuwenhuis, Swens-Donner;A-G Leijten

Instantie: Hof van Justitie EG, 28 september 1994

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Uitleg van Barber-arrest. Hof van Justitie antwoordt op prejudiciele
vragen van Kantongerecht Utrecht over terugwerkende kracht van gelijke
behandeling in pensioenopbouw. Het Hof houdt vast aan het Bilka-arrest van
13 mei 1986. Mevrouw Vroege was tot 1991 uitgesloten van deelname aan de
pensioenregeling omdat zij in deeltijd werkte. Indirecte discriminatie.
Er kan alsnog recht op aansluiting bij de bedrijfspensioenregeling
geclaimd worden vanaf 8 april 1976 (Defrenne). Het Protocol nr. 2 (Verdrag
van Maastricht, protocol bij artikel 119 EEG-verdrag) heeft hierop geen
invloed.

Volledige tekst

Arrest

1. Bij vonnis van 17 februari 1993, ingekomen bij het Hof op 2 maart
daaraanvolgend, heeft het Kantongerecht te Utrecht krachtens artikel 177
EEG-verdrag vier prejudiciele vragen gesteld over de uitlegging van
artikel 119 EEG-Verdrag, in verband met het recht op aansluiting bij
bedrijfspensioenen, van ’s Hofs arrest van 17 mei 1990 (zaak C-262/88,
Barber, Jurispr. 1990, blz. 1-1889, hierna: “arrest Barber”) en van het
protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Gemeenschap dat als tweede protocol is gehecht aan het Verdrag betreffende
de Europese Unie van 7 februari 1992 (hierna: “protocol nr. 2”).

2. Die vragen zijn gesteld in een geding tussen mevrouw Vroege enerzijds
en NCIV Instituut voor Volkshuisvesting BV en Stichting Pensioenfonds NCIV
anderzijds over de aansluiting van Vroege bij dit pensioenfonds.

3. Vroege werkt sinds 1 mei 1975 in deeltijd (25,9 uur per week) bij NCIV
Instituut voor Volkshuisvesting BV (hierna: “NCIV).

4. Volgens artikel 20 van de binnen NCIV toepasselijke collectieve
arbeidsovereenkomst zijn de werknemers in dienst van deze instelling
aangesloten bij een bedrijfspensioenregeling, de Stichting Pensioenfonds
NCIV, waardoor zij recht hebben op een ouderdoms-, een invaliditeits- en
een weduwen- en wezenpensioen.

5. Voor 1 januari 1991 bepaalde het pensioenreglement van NCIV, dat de
pensioenregeling enkel openstond voor mannelijke en ongehuwde werknemers,
die voor onbepaalde tijd in dienst waren en voor ten minste 80% een
volledige dagtaak vervulden.

6. Aangezien Vroege altijd minder dan 80% van de volledige dagtaak heeft
gewerkt werd zij niet tot de regeling toegelaten en kon zij dus geen
pensioenrechten opbouwen.

7. Op 1 januari 1991 is een nieuw pensioenreglement in werking getreden,
op grond waarvan zowel mannelijke als vrouwelijke werknemers die de
leeftijd van 25 jaar hebben bereikt en minimaal 25% van de normale
arbeidstijd werkzaam zijn, zich bij de regeling kunnen aansluiten.

8. Artikel 23, lid 5, van het reglement bepaalt bovendien, dat vrouwelijke
werknemers die voor 1 januari 1991 niet waren aangesloten, extra
aansluitingsjaren kunnen inkopen, mits zij op 31 december 1990 50 jaar of
ouder waren. Het aantal in te kopen jaren is beperkt tot de jaren die zijn
gelegen tussen de datum waarop da aangeslotene de leeftijd van 50 jaar
heeft bereikt en 1 januari 1991.

9. Daar Vroege op 31 december 1990 nog geen 50 jaar was, kon zij zich niet
op die overgangsbepaling beroepen en heeft zij dus pas vanaf 1 januari
1991 pensioenrechten kunnen opbouwen. Zij heeft het nieuwe
pensioenreglement dan ook aangevochten met het argument, dat het een met
artikel 119 van het Verdrag onverenigbare discriminatie behelst, omdat het
haar niet het recht verleent, zich voor de tijdvakken van arbeid voor 1
januari 1991 bij de pensioenregeling aan te sluiten. Zij vordert derhalve
aansluiting met terugwerkende kracht vanaf 8 april 1976, de datum van het
arrest Defrenne (zaak 43/75, Jurispr. 1976, blz. 455), waarin het Hof voor
het eerst de rechtstreekse werking van artikel 119 heeft erkend.

10. Het Kanton gerecht te Utrecht, waarbij Vroege haar vordering aanhangig
heeft gemaakt, heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en
het Hof de volgende prejudiciele vragen te stellen:

“1) Valt onder het recht op (gelijke) beloning als bedoeld in artikel 119
EEG-Verdrag ook het recht op een aanspraak op deelname in een
bedrijfspensioenregeling?

2) Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, geldt de beperking
in die tijd die het Hof heeft aangelegd in de Barber-zaak voor ee
pensioenvoorziening als waarvan sprake was in de Barber-zaak
(‘contracted-out schemes’), ook voor een aanspraak op deelname in een
bedrijfspensioenregeling zoals in de onderhavige zaak?

3) Is er reden om aan de eventuele toepasselijkheid van het beginsel van
gelijke beloning, vervat in artikel 119 EEG- Verdrag een beperking in tijd
te verbinden voor aanspraken op deelname in een bedrijfspensioenregeling,
waarvan in deze zaak sprake is, en zo ja, tot welke datum?

4) Hebben het bij het Verdrag van Maastricht behorend protocol ad artikel
119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap
(Barber-protocol’), alsmede (het wetsvoorstel tot wijziging van) het
overgangsartikel III van het wetsvoorstel 20890, dat beoogt uitvoering te
geven aan de vierde richtlijn gevolgen voor de beoordeling van de
onderhavige zaak die bij verzoekschrift ter griffie van dit kantongerecht
is ingekomen d.d. 11 november 1991, mede gezien het tijdstip waarop deze
zaak aanhangig is gemaakt?”

De eerste vraag

11. Met de eerste vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of het
recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling binnen de
werkingssfeer van artikel 119 van het Verdrag valt en dus wordt bestreken
door het in dat artikel geformuleerde discriminatieverbod.

12. In het arrest van 13 mei 1986 (zaak 170/84, Bilka, Jurispr. 1986, blz.
1607) heeft het Hof reeds erkend, dat een bedrijfspensioenregeling die,
ofschoon ingevoerd in overeenstemming met de door de nationale werkgever
vastgestelde bepalingen, haar oorsprong vindt in een akkoord met de
werknemers of hun vertegenwoordigers en zonder enige bijdrage van de
overheid wordt gefinancierd, geen rechtstreekse bij wet geregeld en als
zodanig buiten de werkingssfeer van artikel 119 vallend stelsel van
sociale zekerheid is, en dat de uitkeringen aan de werknemers uit hoofde
van die regeling als een door de werkgever aan de werknemer uit hoofde van
diens dienstbetrekking betaald voordeel in de zin van artikel 119, tweede
alinea, zijn aan te merken (r.o. 20 en 22).

13. Deze beginselen zijn bevestigd in het arrest Barber, waarin het ging
om vervangende (“contracted-out”) bedrijfspensioenregelingen naar Brits
recht, en in het arrest van 6 oktober 1993 (zaak C-109/91, Ten Oever,
Jurispr. 1993, blz. 1-4879).

14. In laatstgenoemd arrest verklaarde het Hof artikel 119 van toepassing
op uitkeringen uit hoofde van een met de thans in geding zijnde regeling
vergelijkbare bedrijfsregeling naar Nederlands recht. Daarbij hechtte het
in het bijzonder belang aan het feit, dat de regels van die regeling niet
rechtstreeks bij wet zijn vastgesteld, doch het resultaat zijn van overleg
tussen de sociale partners, terwijl de overheid niet meer heeft gedaan
dan, op verzoek van de als representatief te beschouwen werkgevers- en
werknemersorganisaties, de regeling voor de gehele bedrijfstak verbindend
verklaren (r.o. 10).

15. Verder volgt uit het arrest Bilka (reeds aangehaald), dat niet alleen
het recht op uitkeringen uit hoofde van een bedrijspensioenregeling binnen
de werkingssfeer van artikel 119 valt, maar ook het recht op aansluiting
bij die regeling.

16. Die beslissing is ingegeven door de overwegingen dat, indien zoals uit
het arrest van 31 maart 1981 (zaak 96/80, Jenkins, Jurispr. 1981, blz.
911) blijkt, een loonpraktijk waarbij voor deeltijdarbeid een lager
uurloon wordt vastgesteld dan voor voltijdarbeid, in bepaalde gevallen
discriminatie tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers oplevert,
hetzelfde geldt voor de weigering om deeltijdwerknemers recht op een
bedrijspensioen te verlenen. Immers, aangezien een dergelijk pensioen
onder het begrip beloning in de zin van artikel 119, tweede alinea valt,
is de totale beloning die de werkgever aan voltijdwerknemers betaalt, bij
een gelijk aantal arbeidsuren hoger dan die welke hij aan
deeltijdwerknemers betaalt (r.o. 27).

17. Hieruit volgt, dat een bedrijfspensioenregeling die de aansluiting van
gehuwde vrouwen uitsluit een rechtstreeks op het geslacht gebaseerde
discriminatie oplevert, die in strijd is met artikel 119 van het Verdrag.
Wanneer de uitsluiting deeltijdwerknemers betreft, wordt deze bepaling
slechts geschonden wanneer die maatregel een veel groter aantal vrouwen
dan mannen treft, tenzij de werkgever aantoont dat bedoelde maatregel haar
verklaring vindt in factoren die objectief gerechtvaardigd zijn en niets
van doen hebben met discriminatie op grond van het geslacht (zie arrest
Bilka, reeds aangehaald).

18. Gelet op het voorgaande moet op de eerste prejudiciele vraag worden
geantwoord, dat het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling
binnen de werkingssfeer van artikel 119 van het Verdrag valt en dus wordt
bestreken door het in dat artikel geformuleerde discriminatieverbod.

De tweede en derde vraag

19. Met deze vragen wenst de nationale rechter in de eerste plaats te
vernemen, of de beperking in de tijd van de werking van het arrest Barber
ook geldt voor het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling
als in het hoofdgeding aan de orde is, en in de tweede plaats, of het hoe
dan ook niet aangewezen zou zijn, in casu een soortgelijke beperking te
voorzien.

20. Om deze vragen te kunnen beantwoorden, moet worden herinnerd aan de
context waarin werd besloten de werking van het arrest Barber in de tijd
te beperken.

21. Overeenkomstig vaste rechtspraak, volgens welke het Hof, met
toepassing van een aan de communautaire rechtsorde inherent algemeen
beginsel van rechtszekerheid, bij wijze van uitzondering en gelet op de
ernstige verstoringen die zijn arrest zou kunnen meebrengen voor
rechtsbetrekkingen die in het verleden te goeder trouw tot stand zijn
gekomen, voor alle betrokkenen de mogelijkheid kan beperken om met een
beroep op een door het Hof uitgelegde bepaling die rechtsbetrekkingen weer
in geding te brengen (zie arrest Defrenne, reeds aangehaald), onderzocht
het Hof of was voldaan aan de twee criteria die essentieel zijn om tot een
dergelijke beperking te kunnen besluiten, te weten de goede trouw van de
belanghebbende kringen en het gevaar van ernstige verstoringen.

22. Wat het eerste criterium betreft, stelde het om te beginnen vast (r.o.
42), dat artikel 9, aanhef en sub a, van richtlijn 86/378/EEG van de Raad
van 24 juli 1986 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van
gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriele
regelingen inzake sociale zekerheid (PB 1986, L 225, p. 40) voorzag in de
mogelijkheid, de voorgeschreven tenuitvoerlegging van het beginsel van
gelijke behandeling uit te stellen ten aanzien van de vaststelling van de
pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van
ouderdomspensioenen, zulks in navolging van de uitzondering die is
voorzien in artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad
van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het
beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van
de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, p. 24).

23. In het licht van deze bepalingen, zo vervolgde het Hof, mochten de
Lidstaten en de belanghebbende kringen redelijkerwijze aannemen, dat
artikel 119 niet van toepassing was op pensioenen uit hoofde van een
vervangende regeling en dat uitzonderingen op het beginsel van gelijkheid
van mannelijke en vrouwelijke werknemers op dit gebied geoorloofd bleven
(r.o. 43).

24. In het arrest van 14 december 1993 (zaak C-110/93, Moroni, Jurispr.
1993, blz. 1-6591) heeft het Hof, dat daarin de in de arresten Defrenne,
Bilka en Barber geformuleerde beginselen in herinnering bracht en
bevestigde, opgemerkt, dat in laatstgenoemd arrest voor het eerst de vraag
werd behandeld, hoe de ongelijke behandeling die voortvloeit uit de
vaststelling van een naar geslacht verschillende pensioenleeftijd, in het
licht van artikel 119 moet worden beoordeeld (r.o. 16).

25. Wat het criterium van de ernstige verstoringen betreft, overwoog het
Hof in het arrest Barber, dat indien alle belanghebbende mannelijke
werknemers evenals Barber de mogelijkheid zouden hebben, in het geval van
discriminatie die tot die tijd op basis van de in richtlijn 86/378
voorziene uitzonderingen als geoorloofd mochten worden beschouwd, hun
recht op gelijke behandeling met terugwerkende kracht te doen gelden, het
financiele evenwicht van tal van bedrijfsregelingen met terugwerkende
kracht verstoord zou kunnen worden (r.o. 44).

26. In die omstandigheden besliste het Hof, dat op de rechtstreekse
werking van artikel 119 van het Verdrag slechts een beroep kan worden
gedaan ten einde gelijkheid van behandeling op het gebied van
bedrijfspensioenen te eisen, wanneer het gaat om uitkeringen die
verschuldigd zijn uit hoofde van na 17 mei 1990 vervulde tijdvakken van
arbeid, behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die
voor die datum een rechtsvordering hebben ingesteld of een naar geldend
nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend (r.o.
45 van arrest Barber, zoals gepreciseerd in het arrest Ten Oever, reeds
aangehaald).

27. Uit het voorgaande volgt in het bijzonder, dat de beperking in de tijd
van de werking van het arrest Barber slechts geldt voor de soorten van
discriminatie waarvan de werkgevers en de pensioenregelingen, op grond van
de tijdelijke uitzonderingen die waren voorzien in het gemeenschapsrecht
dat op het gebied van bedrijfspensioenen van toepassing kan zijn,
redelijkerwijze mochten aannemen, dat zij getolereerd werden.

28. Met betrekking tot het recht op aansluiting bij bedrijfsregelingen
moet evenwel worden vastgesteld, dat uit niets kan worden opgemaakt, dat
de betrokken beroepskringen zich hebben kunnen vergissen met betrekking
tot de toepasselijkheid van artikel 119.

29. Sedert het arrest Bilka (reeds aangehaald) is het immers duidelijk,
dat een schending van de gelijkheidsregel bij de toekenning van dat recht
onder artikel 119 valt.

30. Daar in het arrest Bilka geen enkele beperking in de tijd is voorzien,
kan de rechtstreekse werking van artikel 119 bovendien worden ingeroepen
ten einde met terugwerkende kracht gelijkheid van behandeling met
betrekking tot het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling
te eisen, en wel vanaf 8 april 1976, de datum van het arrest Defrenne
(reeds aangehaald), waarin het Hof voor het eerst de rechtstreekse werking
van dat artikel heeft erkend.

31. Wat ten slotte specifiek het laatste onderdeel van de vraag betreft,
zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof een
eventuele beperking in de tijd van de werking van een prejudicieel
uitleggingsarrest slechts mogelijk is in het arrest waarin de gevraagde
uitlegging wordt gegeven (zie onder meer arrest van 16 juli 1992, zaak C-
163/90, Legros e.a., Jurispr. 1992, p. I-4625, r.o. 30). Indien het Hof
het noodzakelijk had geoordeeld, de werking van de regel volgens welke het
recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling onder artikel 119
valt, in de tijd te beperken, had het dit dus in het arrest Bilka moeten
doen.

32. Mitsdien moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord, dat
de beperking in de tijd van de werking van het arrest Barber niet geldt
voor het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling en dat het
niet mogelijk is, met betrekking tot dat recht een vergelijkbare beperking
te voorzien.

De vierde vraag

33. Met de vierde vraag wenst de nationale rechter te vernemen, welke
invloed het nationale wetsvoorstel ter uitvoering van richtlijn 86/378 en
protocol nr. 2 in de context van de onderhavige zaak zou kunnen hebben.

34. Met betrekking tot het nationale wetsvoorstel kan worden volstaan met
eraan te herinneren dat het volgens vaste rechtspraak niet aan het Hof
staat om in het kader van de procedure van artikel 177 het nationale recht
uit te leggen en zich over de gevolgen daarvan uit te spreken (zie onder
meer arrest van 3 februari 1977, zaak 52/76, Benedetti, Jurispr. 1977,
blz. 163, r.o.25).

35. Protocol nr. 2, dat ingevolge artikel 239 van het Verdrag een
integrerend deel daarvan uitmaakt, luidt als volgt: ‘Voor de toepassing
van artikel 119 van het Verdrag worden uitkeringen uit hoofde van een
ondernemings- of sectoriele regeling inzake sociale zekerheid niet als
beloning beschouwd indien en voor zover zij kunnen worden toegerekend aan
tijdvakken van arbeid voor 17 mei 1990, behalve in het geval van
werknemers of hun rechtverkrijgenden die voor die datum een
rechtsvordering of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te
stellen vordering hebben ingesteld.’

36. Blijkens het dossier en de pleidooien voor het Hof is de vraag die
moet worden beslecht in wezen, of dit protocol enkel beperking in de tijd
van de werking van het arrest Barber, zoals deze hiervoor in herinnering
is gebracht, wil preciseren, dan wel of het een ruimere strekking heeft.

37. Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk wijst de ruime
formulering van het protocol erop, dat dit van toepassing is op alle op
het geslacht gebaseerde discriminaties die zich in het kader van
bedrijfspensioenregelingen kunnen voordoen, daaronder begrepen die welke
betrekking hebben op het recht op aansluiting bij die regelingen.

38. Verzoekster in het hoofdgeding, de Duitse regering en de Commissie
betogen daarentegen, dat het protocol, in weerwil van de zeer algemene
bewoordingen waarin het is gesteld, moet worden gelezen in samenhang met
het arrest Barber en geen ruimere strekking kan hebben dan de werking van
dat arrest in de tijd te beperken.

39. Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat het protocol door zijn
algemene bewoordingen van toepassing is op de uitkeringen uit hoofde van
een bedrijfspensioenregeling.

40. Hierbij moet echter wel een kanttekening worden gemaakt: deze
vaststelling betreft de uitkeringen — die overigens als enige in protocol
nr. 2 worden genoemd — en niet het recht op aansluiting bij een
ondernemings- of sectoriele regeling inzake sociale zekerheid.

41. Er bestaat immers een duidelijk verband tussen het protocol en het
arrest Barber, omdat het verwijst naar 17 mei 1990, de datum van het
arrest. In dit arrest werd een discriminatie tussen mannen en vrouwen, die
het gevolg was van een naar geslacht verschillende leeftijdsvoorwaarde
voor de aanspraak op een pensioen bij gedwongen ontslag, veroordeeld. Het
arrest Barber, waarin de werking van de daarin aan artikel 119 van het
Verdrag gegeven uitlegging wordt beperkt vanaf de datum van het arrest,
te weten 17 mei 1990, is op uiteenlopende wijzen geinterpreteerd. Het
arrest Ten Oever (reeds aangehaald), dat dateert van voor de
inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie, heeft op
dit punt duidelijkheid geschapen. Ofschoon in protocol nr. 2 de uitlegging
die in het arrest Barber aan artikel 119 is gegeven, wordt uitgebreid tot
alle uitkeringen uit hoofde van een ondernemings- en sectoriele regeling
inzake sociale zekerheid en in het Verdrag wordt geincorporeerd, heeft het
protocol in hoofdzaak dezelfde uitlegging aan het arrest Barber gegeven
als het arrest Ten Oever, en heeft evenmin als het arrest Barber de
voorwaarden voor aansluiting bij dergelijke bedrijfsregelingen aangeroerd
en deze dus ook niet geregeld.

42. De aansluiting blijft dus beheerst door het arrest Bilka (reeds
aangehaald). Volgens dat arrest wordt artikel 119 van het Verdrag door een
onderneming die zonder objectieve rechtvaardiging, die niets van doen
heeft met discriminatie op grond van het geslacht, mannen en vrouwen
verschillend behandelt door een categorie van werknemers van een
bedrijfspensioenregeling uit te sluiten. In het arrest Bilka is de werking
van de in dat arrest aan artikel 119 Verdrag gegeven uitlegging overigens
niet in de tijd beperkt.

43. Mitsdien moet op de vierde vraag worden geantwoord, dat protocol nr.
2 geen enkele invloed heeft op het recht op aansluiting bij een
bedrijfspensioenregeling, dat beheerst blijft door het arrest Bilka.

Rechters

Mrs. Due, Mancini, Moitinho de Almeida, Diez de Velasco, Edward,Kakouris, Joliet, Schockweiler, Rodriguez Iglesias, Grevisse, ZuleegKapteyn, Murray

Instantie: Hof van Justitie EG, 28 september 1994

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Uitleg van Barber-arrest. Zie Vroege. (Bij Vroege ging het om indirecte discriminatie, bij Fisscher om directe discriminatie; uitsluiting van gehuwde vrouwen tot en met 1990). De werkneemster kan zich niet alleen tot de werkgever wenden met haar claim, maar ook tot de beheerders van de pensioenregeling die belast zijn met de uitvoering van de verplichtingen van de werkgever. Deze moeten alles doen wat binnen hun bevoegdheden valt, om naleving van gelijke behandeling te verzekeren. De werkneemster kan zich niet op grond van het feit dat zij met terugwerkende kracht aanspraak kan maken op aansluiting bij de regeling, onttrekken aan de verplichting tot premiebetaling over de bedoelde periode. De nationale verjaringsregels zijn van toepassing (mits deze niet ongunstiger zijn dan voor soortgelijke nationale vorderingen, en zij het in praktijk niet onmogelijk maken om het recht op gelijke behandeling uit te oefenen).

Volledige tekst

Arrest

1. Bij vonnis van 18 maart 1993 ingekomen bij het Hof op 26 maart daaraanvolgend, heeft het Kantongerecht te Utrecht krachtens artikel 177 EEG-Verdrag prejudiciele vragen gesteld over de uitlegging van artikel 119 EEG-Verdrag, in verband met het recht op aansluiting bij bedrijfspensioenregelingen van ’s Hofs arrest van 17 mei 1990 (zaak C-262/88, Barber, Jurispr. 1990, blz. 1-1889; hierna: ‘arrest Barber’) en van het protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat als tweede protocol is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie van 7 februari 1992 (hierna: ‘protocol nr. 2’).

2. Die vragen zijn gesteld in een geding tussen mevrouw Fisscher enerzijds en Voorhuis Hengelo BV en Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Detailhandel anderzijds over de aansluiting van Fisscher bij de bedrijfspensioenregeling.

3. Van 1 januari 1987 tot 10 april 1992 was Fisscher voor 30 uur per week in dienst bij Voorhuis Hengelo BV (hierna: “Voorhuis”).

4. De werknemers van Voorhuis zijn aangesloten bij de bedrijfspensioenregeling van de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Detailhandel. tot en met 31 december 1990 werd Fisscher echter niet tot die regeling toegelaten, omdat het desbetreffende reglement gehuwde vrouwen van deelneming uitsloot.

5. Op 1 januari 1991 werd de regeling ook opengesteld voor gehuwde vrouwen, zodat Fisscher zich erbij kon aansluiten, en wel vanaf 1 januari 1988.

6. Fisscher heeft het oude reglement aangevochten wegens onverenigbaarheid met artikel 119 van het Verdrag. Zij is namelijk van mening dat de pensioenregeling sedert 8 april 1976, de datum van het arrest Defrenne (zaak 43/75, Jurispr. 1976, blz. 455), waarin het Hof voor het eerst de rechtstreekse werking van artikel 119 heeft erkend, ook had moeten openstaan voor gehuwde vrouwen. Zij vordert dan ook aansluiting met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1987 de datum van haar indiensttreding.

7. Het Kantongerecht te Utrecht, waarbij Fisscher haar vordering aanhangig heeft gemaakt, heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciele vragen te stellen:

“1) Valt onder het recht op (gelijke) beloning als bedoeld in artikel 119 EEG-Verdrag ook de aanspraak op deelname in een bedrijfspensioenregeling als de onderhavige die van hogerhand is opgelegd?

2) Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, geldt de beperking in tijd die het Hof heeft aangelegd in de Barber- zaak voor een pensioenvoorziening als waarvan sprake was in de Barber-zaak (‘contracted-out schemes’ ook voor een aanspraak op deelname in een bedrijfspensioenregeling als de onderhavige, waarvan eiseres als gehuwde vrouw was uitgesloten?

3) Is in gevallen waarin de in een onderneming gehanteerde pensioenregeling verplicht is gesteld op grond van de wet, de uitvoerder en beheerder van die regeling (het bedrijfspensioenfonds) gehouden het in artikel 119 EEG-Verdrag vervatte beginsel van gelijke behandeling toe te passen en kan de werknemer die benadeeld wordt door de niet naleving van die norm het pensioenfonds rechtstreeks aanspreken alsof het de werkgever betreft? Ter toelichting van deze vraag kan dienen dat de kantonrechter niet bevoegd is om een vordering op grond van een onrechtmatige daad te beoordelen omdat het belang van de vordering de compententiegrens overschrijdt. In deze procedure is dus van belang of eiseres op grond van haar arbeidsovereenkomst het pensioenfonds (de gedaagde sub 2) kan aanspreken.

4) Indien eiseres op grond van artikel 119 EEG-Verdrag een aanspraak heeft op deelname in het bedrijfspensioenfonds vanaf een tijdstip dat ligt voor 1 januari 1991, wil dat dan ook zeggen dat zij niet verplicht is de premie te betalen die zij had moeten betalen als zij eerder was toegelaten tot het pensioenfonds?

6) Hebben het bij het Verdrag van Maastricht behorende protocol bij artikel 119 van het EEG-Verdrag (het Barber- protocol) alsmede (het wetsvoorstel tot wijziging van) het overgangsartikel III van het wetsvoorstel 20890, dat beoogt uitvoering te geven aan de vierde richtlijn, gevolgen voor de beoordeling van de onderhavige zaak die bij dagvaarding uitgebracht op 16 juli 1992 bij het kantongerecht aanhangig is gemaakt?’

De eerste vraag

8. Met de eerste vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling binnen de werkingssfeer van artikel 119 van het Verdrag valt en dus wordt bestreken door het in dat artikel geformuleerde discriminatieverbod.

9. In het arrest van 13 mei 1986 (zaak 170/84, Bilka, Jurispr. 1986, blz. 1607) heeft het Hof reeds erkend, dat een bedrijfspensioenregeling die, ofschoon ingevoerd in overeenstemming met de door de nationale werkgever vastgestelde bepalingen, haar oorsprong vindt in een akkoord met de werknemers of hun vertegenwoordigers en zonder enige bijdrage van de overheid wordt gefinancierd, geen rechtstreeks bij wet geregeld en als zodanig buiten de werkingssfeer van artikel 119 vallend stelsel van sociale zekerheid is, en dat de uitkeringen aan de werknemers uit hoofde van die regeling als een door de werkgever aan de werknemer uit hoofde van diens dienstbetrekking betaald voordeel in de zin van artikel 119, tweede alinea, zijn aan te merken (r.o. 20 en 22).

10. Deze beginselen zijn bevestigd in het arrest Barber, waarin het ging om vervangende (“contracted-out”) bedrijfspensioenregelingen naar Brits recht, en in het arrest van 6 oktober 1993 (zaak C0109/91), Ten Oever, Jurispr. 1993, blz. 1-3879).

11. In laatstgenoemd arrest verklaarde het Hof artikel 119 van toepassing op uitkeringen uit hoofde van een met de thans in geding zijnde regeling vergelijkbare bedrijfspensioenregeling naar Nederlands recht. Daarbij hechtte het in het bijzonder belang aan het feit, dat de regels van die regeling niet rechtstreeks bij wet zijn vastgesteld, doch het resultaat zijn van overleg tussen de sociale partners, terwijl de overheid niet meer heeft gedaan dan, op verzoek van de als representatief te beschouwen werkgevers-, en werknemersorganisaties, de regeling voor de gehele bedrijfstak verklaren (r.o. 10).

12. Verder volgt uit het arrest Bilka (reeds aangehaald), dat niet alleen het recht op uitkeringen uit hoofde van een bedrijfspensioenregeling binnen de werkingssfeer van artikel 119 valt, maar ook het recht op aansluiting bij die regeling.

13. Die beslissing is ingegeven door de overweging dat, indien, zoals uit het arrest van 31 maart 1981 (zaak 96/80, Jenkins, Jurispr. 1981, blz. 911) blijkt, een loonpraktijk waarbij voor deeltijdarbeid een lager uurloon wordt vastgesteld dan voor voltijdarbeid, in bepaalde gevallen discriminatie tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers oplevert, hetzelfde geldt voor de weigering om deeltijdwerknemers recht op een bedrijfspensioen te verlenen. Immers, aangezien een dergelijk pensioen onder het begrip beloning in de zin van artikel 119, tweede alinea, valt is de totale beloning die de werkgever aan voltijdwerknemers betaalt, bij een gelijk aantal arbeidsuren hoger dan die welke hij aan deeltijdwerknemers betaalt (r.o. 27).

14. Hieruit volgt, dat een bedrijfspensioenregeling die aansluiting van gehuwde vrouwen uitsluit, een rechtstreeks op het geslacht gebaseerde discriminatie oplevert, die in strijd is met artikel 119 van het Verdrag.

15. Gelet op het voorgaande moet op de eerste prejudiciele vraag worden geantwoord, dat het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling binnen de werkingssfeer van artikel 119 van het Verdrag valt en dus wordt bestreken door het in artikel geformuleerde discriminatieverbod.

De twee vraag

16. Met de tweede vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of de beperking in de tijd van de werking van het arrest Barber ook geldt voor het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling als in het hoofdgeding aan de orde is.

17. Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet worden herinnerd aan de context waarin werd besloten de werking van het arrest Barber in de tijd te beperken.

18. Overeenkomstig vaste rechtspraak, volgens welke het Hof, met toepassing van een aan de communautaire rechtsorde inherent algemeen beginsel van rechtszekerheid, bij wijze van uitzondering en gelet op de ernstige verstoringen die zijn arrest zou kunnen meebrengen voor rechtsbetrekkingen die in het verleden te goeder trouw tot stand zijn gekomen, voor alle betrokkene de mogelijkheid kan beperken om met een beroep op een door het Hof uitgelegde bepaling die rechtsbetrekkingen weer in het geding te brengen (zie arrest Defrenne, reeds aangehaald), onderzocht het Hof of was voldaan aan de twee criteria die essentieel zijn om tot een dergelijke beperking te kunnen besluiten, te weten de goede trouw van de belanghebbende kringen en het gevaar van ernstige verstoringen.

19. Wat het eerste criterium betreft, stelt het om te beginnen vast (r.o. 42), dat artikel 9, aanhef en sub a, van richtlijn 86/378/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriele regelingen inzake sociale zekerheid (PB 1986, L225, blz. 40) voorzag in de mogelijkheid, de voorgeschreven tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling uit te stellen ten aanzien van de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdomspensioenen, zulks in navolging van de uitzondering die is voorzien in artikel 7, lid 1 sub 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24).

20. In het licht van deze bepalingen, zo vervolgde het Hof, mochten de Lid-Staten en de belanghebbende kringen redelijkerwijze aannemen, dat artikel 119 niet van toepassing was op pensioenen uit hoofde van een vervangende regeling en dat uitzonderingen op het beginsel van gelijkheid van mannelijke en vrouwelijke werknemers op dit gebied geoorloofd bleven (r.o. 43).

21. In het arrest van 14 december 1993 (zaak C-110/93, Moroni, Jurispr. 1993, blz. 1-6591), heeft het Hof, dat daarin de arresten Defrenne, Bilka en Barber geformuleerde beginselen in herinnering bracht en bevestigde, opgemerkt dat in laatstgenoemd arrest voor het eerst de vraag werd behandeld, hoe de ongelijke behandeling die voortvloeit uit de vaststelling van een naar geslacht verschillende pensioenleeftijd, in het licht van artikel 119 moet worden beoordeeld (r.o.16).

22. Wat het criterium van de ernstige verstoringen betreft, overwoog het Hof in het arrest Barber, dat indien alle belanghebbende mannelijke werknemers evenals Barber de mogelijkheid zouden hebben, in het geval van discriminaties die tot die tijd op basis van de in richtlijn 86/378 voorziene uitzonderingen als geoorloofd mochten worden geschouwd, hun recht op gelijke behandeling met terugwerkende kracht te doen gelden, het financiele evenwicht van tal van bedrijfsregelingen met terugwerkende kracht verstoord zou kunnen worden (r.o.44).

23. In die omstandigheden besliste het Hof, dat op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag slechts een beroep kan worden gedaan ten einde gelijkheid van behandeling op het gebied van bedrijfspensioenen te eisen, wanneer het gaat om uitkeringen die verschuldigd zijn uit hoofde van na 17 mei 1990 vervulde tijdvakken van arbeid, behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die voor die datum een rechtsvordering hebben ingesteld of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend (r.o. 45 van het arrest Barber, zoals gepreciseerd in het arrest Ten Oever, reeds aangehaald).

24. Uit het voorgaande volgt in het bijzonder, dat de beperking in de tijd van de werking van het arrest Barber slechts geldt voor de soorten van discriminatie waarvan de werkgever en de pensioenregelingen, op grond van de tijdelijke uitzonderingen die waren voorzien in het gemeenschapsrecht dat op het gebied van bedrijfspenioenen van toepassing kan zijn, redelijkerwijze mochten aannemen, dat zij getolereerd werden.

25. Met betrekking tot het recht op aansluiting bij bedrijfsregelingen moet evenwel worden vastgesteld, dat uit niets kan worden opgemaakt, dat de betrokken beroepskringen zich hebben kunnen vergissen met betrekking tot de toepasselijkheid van artikel 119.

26. Sedert het arrest Bilka (reeds aangehaald) is het immers duidelijk, dat een schending van de gelijkheidsregel bij de toekenning van dat recht onder artikel 119 valt.

27. Daar in het arrest Bilka geen enkele beperking in de tijd is voorzien, kan de rechtstreekse werking van artikel 119 bovendien worden ingeroepen ten einde met terugwerkende kracht gelijkheid van behandeling met betrekking tot het recht op aansluiting bij een bedrijspensioenregeling te eisen, en wel vanaf 8 april 1976, de datum van het arrest Defrenne (reeds aangehaald), waarin het Hof voor het eerst de rechtstreekse werking van dat artikel heeft erkend.

28. Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat de beperking in de tijd van de werking van het arrest Barber niet geldt voor het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling.

De derde vraag

29. Met de derde vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of de beheerders van een bedrijfspensioenregeling evenals de werkgever gehouden zijn het bepaalde in artikel 119 van het Verdrag na te leven, en of de gediscrimineerde werknemer zijn rechten rechtstreeks tegenover die beheerders kan doen gelden.

30. Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het Hof in het arrest Barber, na te hebben vastgesteld dat krachtens vervangende bedrijfsregelingen betaalde pensioenen binnen de werkingssfeer van artikel 119 vallen, overwoog, dat deze conclusie ook geldt indien de regeling is opgezet in de vorm van een trust en wordt beheerd door trustees die formeel onafhankelijk zijn van de werkgever, daar artikel 119 ook van toepassing is op voordelen die de werkgever indirect betaalt (r.o. 28 en 29).

31. Aangezien de beheerders van een pensioenregeling, ofschoon zij buiten de arbeidsverhouding staan, uitkeringen moeten betalen die een beloning in de zin van artikel 119 vormen, dienen zij deze bepaling na te leven door alles te doen wat binnen hun bevoegdheden valt, om ter zake de naleving van het beginsel van gelijkheid van behandeling te verzekeren, en moeten de bij de pensioenregeling aangesloten personen zich tegenover hen op deze bepaling kunnen beroepen. Aan het nuttig effect van artikel 119 zou in aanzienlijke mate afbreuk worden gedaan en de rechtsbescherming, die een daadwerkelijke gelijkheid vereist, zou ernstig worden aangetast, indien een werknemer deze bepaling enkel tegenover zijn werkgever kon inroepen en niet tegenover de beheerders van de regeling, die uitdrukkelijk zijn belast met de uitvoering van de verplichtingen van de werkgever.

32. Mitsdien moet op de derde vraag worden geantwoord, dat de beheerders van een bedrijfspensioenregeling evenals de werkgever gehouden zijn het bepaalde in artikel 119 na te leven en dat de gediscrimineerde werknemer zijn rechten rechtstreeks tegenover die beheerders kan doen gelden.

De vierde vraag

33. De vierde vraag strekt ertoe te vernemen, of een werknemer zich op grond van het feit dat hij met terugwerkende kracht aanspraak kan maken op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling, kan onttrekken aan de betaling van de op de betrokken periode van aansluiting betrekking hebbende premie.

34. Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling, dat artikel 119 met betrekking tot het recht op aansluiting bij een bedrijfsregeling verlangt, dat de werknemer niet het slachtoffer wordt van een op het geslacht gebaseerde discriminatie doordat hij van een dergelijke regeling wordt uitgesloten.

35. Dit betekent, dat wanneer een dergelijke discriminatie zich heeft voorgedaan, gelijkheid van behandeling tot stand moet worden gebracht en de gediscrimineerde werknemer in dezelfde situatie moet worden geplaatst als de werknemers van het andere geslacht.

36. Die werknemer kan derhalve niet verlangen, dat hij, in het bijzonder op het financiele vlak, gunstiger wordt behandeld dan wanneer hij regelmatig bij de regeling aangesloten was geweest.

37. Mitsdien moet op de vierde vraag worden geantwoord, dat een werknemer zich niet op grond van het feit dat hij met terugwerkende kracht aanspraak kan maken op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling, kan onttrekken aan de betaling van de op de betrokken periode van aansluiting betrekking hebbende premie.

De vijfde vraag

38. Met de vijfde vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of de nationale regels betreffende de in het nationale recht geldende beroepstermijnen kunnen worden tegengeworpen aan werknemers die hun recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling doen gelden.

39. Dienaangaande kan worden volstaan met eraan te herinneren, dat volgens vaste rechtspraak, bij ontbreken van een gemeenschapsregeling ter zake, de nationale regels betreffende beroepstermijnen ook van toepassing zijn op vorderingen die op het gemeenschapsrecht zijn gebaseerd, mits deze regels voor die vorderingen niet ongunstiger zijn dan voor soortgelijke nationale vorderingen en zij het in de praktijk niet onmogelijk maken om het aan het gemeenschapsrecht ontleende recht uit te oefenen (zie onder meer arrest van 16 december 1976, zaak 33/76, Rewe, Jurispr. 1976, p. 1989, r.o. 5 en 6).

40. Mitsdien moet op de vijfde vraag worden geantwoord, dat de nationale regels betreffende de in het nationale recht geldende beroepstermijnen kunnen worden tegengeworpen aan werknemers die hun recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling doen gelden, mits deze regels voor dit soort vorderingen niet ongunstiger zijn dan voor soortgelijke nationale vorderingen en zij het in de praktijk niet onmogelijk maken om het aan het gemeenschapsrecht ontleende recht uit te oefenen.

De zesde vraag

41. Met de zesde vraag wenst de nationale rechter te vernemen, welke invloed het nationale wetsvoorstel ter uitvoering van richtlijn 86/378 en protocol nr. 2 in de context van de onderhavige zaak zouden kunnen hebben.

42. Met betrekking tot het nationale wetsvoorstel kan worden volstaan met eraan te herinneren, dat het volgens vaste rechtspraak niet aan het Hof staat om in het kader van de procedure van artikel 177 van het Verdrag het nationale recht uit te leggen en zich over de gevolgen daarvan uit te spreken (zie onder meer arrest van 3 februari 1977, zaak 52/76, Benedetti, Jurispr. 1977, blz. 163, r.o. 25).

43. Protocol nr. 2, dat ingevolge artikel 239 van het Verdrag een integrerend deel daarvan uitmaakt, luidt als volgt: “Voor de toepassing van artikel 119 van het Verdrag worden uitkeringen uit hoofde van een ondernemings- of sectoriele regeling inzake sociale zekerheid niet als beloning beschouwd indien en voor zover zij kunnen worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid voor 17 mei 1990, behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die voor die datum een rechtsvordering of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingesteld.”

44. Blijkens het dossier en de voor het Hof gehouden pleidooien is de vraag die moet worden beslecht in wezen, of dit protocol enkel de beperking in de tijd van de werking van het arrest Barber, zoals deze hiervoor in herinnering is gebracht, wil preciseren, dan wel of het een ruimere strekking heeft.

45. Volgens Voorhuis, de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Detailhandel en de regering van het Verenigd Koninkrijk wijst de ruime formulering van het protocol erop, dat dit van toepassing is op alle op het geslacht gebaseerde discriminaties die zich in het kader van bedrijfspensioenregelingen kunnen voordoen, daaronder begrepen die welke betrekking hebben op het recht op aansluiting bij die regelingen.

46. Verzoekster in het hoofdgeding, de Duitse regering en de Commissie betogen daarentegen, dat het protocol, in weerwil van de zeer algemene bewoordingen waarin het is gesteld, moet worden gelezen in samenhang met het arrest Barber en geen ruimere strekking kan hebben dan de werking van dat arrest in de tijd te beperken.

47. Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat het protocol door zijn algemene bewoordingen van toepassing is op de uitkeringen uit hoofde van een bedrijfspensioenregeling.

48. Hierbij moet echter wel een kanttekening worden gemaakt; deze vaststelling betreft de uitkeringen -die overigens als enige in protocol nr. 2 worden genoemd- en niet het recht op aansluiting bij een ondernemings- of sectoriele regeling inzake sociale zekerheid.

49. Er bestaat immers een duidelijk verband tussen het protocol en het arrest Barber, omdat het verwijst naar 17 mei 1990, de datum van het arrest.In dit arrest werd een discriminatie tussen mannen en vrouwen, die het gevolg was van een naar geslacht verschillende leeftijdsvoorwaarde voor de aanspraak op een pensioen bij gedwongen ontslag, veroordeeld. Het arrest Barber, waarin de werking van de daarin aan artikel 119 van het Verdrag gegeven uitlegging wordt beperkt van af de datum van het arrest, te weten 17 mei 1990, is op uiteenlopende wijzen geinterpreteerd. Het arrest Ten Oever (reeds aangehaald), dat dateert van voor de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie, heeft op dit punt duidelijkheid geschapen. Ofschoon in protocol nr. 2 de uitlegging die in het arrest Barber aan artikel 119 is gegeven, wordt uitgebreid tot alle uitkeringen uit hoofde van een ondernemings- of sectoriele regeling inzake sociale zekerheid en in het Verdrag wordt geincorporeerd, heeft het protocol in hoofdzaak dezelfde uitlegging aan het arrest Barber gegeven als het arrest Ten Oever, en heeft het evenmin als het arrest Barber de voorwaarden voor aansluiting bij dergelijke bedrijfsregelingen aangeroerd en deze dus ook niet geregeld.

50. De aansluiting blijft dus beheerst door het arrest Bilka (reeds aangehaald). Volgens dat arrest wordt artikel 119 van het Verdrag geschonden door een onderneming die zonder objectieve rechtvaardiging, die niets van doen heeft met discriminatie op grond van het geslacht, mannen en vrouwen verschillend behandelt door een categorie van werknemers van een bedrijfspensioenregeling uit te sluiten. In het arrest Bilka is de werking van de in dat arrest aan artikel 119 Verdrag gegeven uitlegging overigens niet in de tijd beperkt.

51. Mitsdien moet op de zesde vraag worden geantwoord, dat protocol nr. 2 geen enkele invloed heeft op het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling, dat beheerst blijft door het arrest Bilka.

Kosten

52. De kosten door de Duitse en Britse regering alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

uitspraak doende op de door het Kantongerecht te Utrecht bij vonnis van 18 maart 1993 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1) Het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling valt binnen de werkingssfeer van artikel 119 van het Verdrag en wordt dus bestreken door het in dat artikel geformuleerde discriminatieverbod.

2) De beperking in de tijd van de werking van het arrest van 17 mei 1990 (zaak C-262/88) geldt niet voor het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling.

3) De beheerders van een bedrijfspensioenregeling zijn evenals de werkgever gebonden het bepaalde in artikel 119 na te leven en de gediscrimineerde werknemer kan zijn rechten rechtstreeks tegenover die beheerders doen gelden.

4) Een werknemer kan zich niet op grond van het feit dat hij met terugwerkende kracht aanspraak kan maken op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling, onttrekken aan de betaling van de op de betrokken periode van aansluiting, betrekking hebbende premie.

5) De nationale regels betreffende de in het nationale recht geldende beroepstermijnen kunnen worden tegengeworpen aan werknemers die hun recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling doen gelden, mits deze regels voor dit soort vorderingen niet ongunstiger zijn dan voor soortgelijke nationale vorderingen en zij het in de praktijk niet onmogelijk maken om het aan het gemeenschaprecht ontleende recht uit te oefenen.

6) Het protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat als tweede protocol is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, heeft geen enkele invloed op het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling, dat beheerst blijft door het arrest van 13 mei 1986 (zaak 170/84, Bilka).

Rechters

Mrs.Due, Mancini, Moitinho de Almeida, Diez de Velasco, Edward, Kakouris, Joliet, Schockweiler, Rodriguez Iglesias, Grevisse, Zuleeg Kapteyn, Murray

Instantie: Hof van Justitie EG, 28 september 1994

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Uitleg van artikel 119 in verband met de noodzaak pensioenleeftijden voor
mannen en vrouwen gelijk te schakelen (naar aanleiding van Barber). Op de
periode voor de uitspraak in de Barber-zaak is artikel 119 niet van
toepassing. Tot artikel 119 correct is uitgevoerd (in casu 1 juni 1991)
is de regeling die geldt voor de bevoordeelde groep (in casu vrouwen met
lagere pensioenleeftijd) het enige bruikbare referentiekader. Na 1 juni
1991 verzet artikel 119 zich er niet tegen dat gelijkheid tot stand wordt
gebracht door de voordelen van de bevoordeelde groep te verminderen.
Hierbij ging het tevens om de toelaatbaarheid van overgangsrecht.

Volledige tekst

Arrest

1. Bij vonnis van 12 januari 1993, ingekomen bij het Hof op 1 februari
daaraanvolgend, heeft het kantongerecht te ‘s- Gravenhage krachtens
artikel 177 EEG-Verdrag Twee prejudiciele vragen gesteld over de
uitlegging van artikel 119 van dat verdrag in verband met de noodzaak om,
naar aanleiding van het arrest van 17 mei 1990 (zaak C-262/88, Barber,
Jurispr. 1990, blz. I-1889; hierna: “arrest Barber”), de
pensioengerechtigde leeftijd voor mannelijke en vrouwelijke werknemers in
bedrijfspensioenregelingen gelijk te schakelen.

3. Verzoekster in het hoofdgeding zijn allen in dienst van rechtspersonen
die deel uitmaken van de Koninklijke Shell Groep. Uit dien hoofde zijn zij
aangesloten bij de door Stichting Shell Pensioenfonds uitgevoerde
bedrijfspensioenregeling.

4. Tot en met 31 december 1984 maakte het reglement van die regeling
onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers, in die zin dat
hun pensioengerechtigde leeftijd

was vastgesteld op zestig respectievelijk 55 jaar.

5. Met ingang van 1 januari 1985 werd dat onderscheid ongedaan gemaakt
doordat de pensioengerechtigde leeftijd voor alle aangeslotenen op zestig
jaar werd gesteld.

6. In het kader van die wijziging werd een overgangsregeling getroffen.
De vrouwelijke werknemers die op 1 januari 1985 reeds bij de regeling
waren aangesloten, hadden de keuze ofwel instemming met de verhoging van
hun pensioengerechtigde leeftijd van 55 tot zestig jaar, ofwel handhaving
van die leeftijd op 55 jaar. Die keuze moest uiterlijk op 31 december 1986
worden gemaakt, met dien verstande dat bij gebreke van een expliciete
verklaring voor verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd tot zestig
jaar, de betrokkene werd geacht te hebben gekozen voor handhaving van die
leeftijd op 55 jaar.

7. Verzoekster in het hoofdgeding hebben allen expliciet of impliciet
gekozen voor handhaving van de pensioengerechtigde leeftijd op 55 jaar.

8. Naar aanleiding van het arrest Barber, waarin het Hof de vaststelling
van een naar geslacht verschillende leeftijdsvoorwaarde voor de aanspraak
op pensioen in het kader van een bedrijfsregeling in strijd verklaarde met
artikel 119 van het Verdrag, achtte het pensioenfonds het noodzakelijk
zijn reglement aldus te wijzigen, dat de aan vrouwen geboden mogelijkheid
om hun pensioengerechtigde leeftijd te handhaven op 55 jaar, met ingang
van 1 juni 1991 werd opgeheven.

9. Verzoeksters in het hoofdgeding hebben deze maatregel aangevochten. zij
betwisten de stelling van het pensioenfonds, dat de opheffing van deze
mogelijkheid een noodzakelijk gevolg was van het arrest Barber.

10. Het Kantongerecht te ‘s-Gravenhage, waarbij verzoekster hun vordering
aanhangig hebben gemaakt, heeft besloten de behandeling van de zaak te
schorsen en het Hof de volgende prejudiciele vragen te stellen:

“A. Is het in strijd met artikel 119 om in een in het kader van een
arbeidsovereenkomst getroffen pensioenregeling waarin de
pensioengerechtigde leeftijd sedert 1 januari 1985 voor zowel mannelijke
als vrouwelijke deelnemers op 60 jaar is gesteld, de pensioengerechtigde
leeftijd voor een beperkte groep vrouwelijke deelnemers na 17 mei 1990 op
55 jaar te blijven stellen, indien dit laatste

a) voortvloeit uit een per 1 januari 1985 (toen bij reglementswijziging
de pensioengerechtigde leeftijd welke voorheen voor mannelijke deelnemers
op 60 jaar en voor vrouwelijke deelnemers op 55 jaar was gesteld, werd
gelijkgetrokken en op 60 jaar werd gesteld) getroffen overgangsregeling
(‘de overgangsregeling’), en

b) de overgangsregeling uitsluitend van toepassing is voor die vrouwelijke
(aspirant) deelnemers die zowel op 31 december 1984 alsmede op 1 januari
1985 bij een tot gedaagde toegetreden werkgever in dienst waren (‘de
gedupeerden’), en

c) de overgangsregeling tevens inhield dat de gedupeerden konden kiezen
tussen een pensioengerechtigde leeftijd van 55 dan wel 60 jaar, welke
keuze diende te worden gemaakt tijdens een periode welke reeds (uiterlijk)
op 31 december 1986 is geexpireerd?

B. Maakt het voor het antwoord op vraag A verschil of de overgangsregeling
voor gevallen waarin niet tijdig een expliciete keuze is kenbaar gemaakt,
inhoudt dat alsdan de oorspronkelijke pensioengerechtigde leeftijd van 55
jaar van toepassing is, dan wel dat alsdan de algemene pensioengerechtigde
leeftijd van 60 jaar van toepassing is?”

De eerste vraag

11. Met de eerste vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen,
of artikel 119 van het Verdrag zich ertegen verzet, dat in een
bedrijfspensioenregeling na 17 mei 1990, de datum van het arrest Barber,
een naar geslacht verschillende leeftijdsvoorwaarde wordt gehandhaafd,
wanneer dit verschil een gevolg is van het feit dat het voor vrouwelijke
werknemers mogelijk bleef om, nadat de pensioengerechtigde leeftijd reeds
voor het arrest Barber voor beide geslachten was gelijkgetrokken en op
zestig jaar was gesteld, die leeftijd te handhaven op 55 jaar.

12. Zoals het Hof heeft gepreciseerd in, onder meer, het arrest van 6
oktober 1993 (zaak C-109/91, Ten Oever, Jurispr. 1993, blz. I-4879), kan
ingevolge het arrest Barber op de rechtstreekse werking van artikel 119
slechts een beroep worden gedaan ten einde gelijkheid van behandeling op
het gebied van bedrijfspensioenen te eisen, wanneer het gaat om
uitkeringen die verschuldigd zijn uit hoofde van na 17 mei 1990, de datum
van het arrest, vervulde tijdvakken van arbeid, behoudens de uitzondering
ten gunste van werknemers of hun rechtverkrijgenden die voor die datum een
rechtsvordering hebben ingesteld of een naar geldend nationaal recht
daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend.

13. Daarmee erkende het Hof, dat een toepassing met terugwerkende kracht
van het beginsel van gelijkheid van beloning op het gebied van
bedrijfspensioenen, waartoe de door het Hof in zijn arrest van 8 april
1976 (zaak 43/75, Defrenne, Jurispr. 1976, blz 455) bevestigde
rechtstreekse werking van artikel 119 in beginsel verplicht, voor de
pensioenregelingen kosten zou kunnen meebrengen, waardoor hun financiele
evenwicht zou worden verstoord. Daarbij preciseerde het echter wel, dat
met betrekking tot tijdvakken van arbeid na 17 mei 1990 de werking van de
in het arrest gegeven uitlegging op geen enkele wijze kon worden beperkt.

14. Hieruit volgt, dat de bedrijfspensioenregelingen vanaf 17 mei 1990 een
gelijkheid van behandeling tot stand dienden te brengen.

15. Met betrekking tot de vraag, op welke wijze dat doel moet worden
bereikt, zij opgemerkt dat het Hof in het arrest Defrenne (reeds
aangehaald, r.o. 15), in het kader van een in het hoofdgeding gevorderde
schadeloosstelling wegens discriminatie op het gebied van de beloning,
heeft verklaard, dat wanneer artikel 119 in verband wordt gebracht met de
onderlinge aanpassing van de arbeidsvoorwaarden op de weg van de
vooruitgang, de tegenwerping dat deze bepaling ook op andere wijze dan
door verhoging van de laagste lonen kan worden nageleefd, van de hand moet
worden gewezen.

16. Bovendien heeft het Hof in het arrest van 7 februari 1991 (zaak
C-184/89, Nimz, Jurispr. 1991, blz. I-297, r.o. 18-20) gepreciseerd, dat
de nationale rechter elke discriminerende nationale bepaling buiten
toepassing dient te laten zonder dat hij de voorafgaande opheffing ervan
via collectieve onderhandelingen of een constitutionele procedure heeft
te vragen of af te wachten, en op de leden van de benadeelde groep
dezelfde regeling dient toe te passen als op de andere werknemers, waarbij
die regeling, zolang artikel 119 van het Verdrag niet naar behoren in
nationaal recht is omgezet, het enige bruikbare referentiekader blijft.

17. Hieruit volgt, dat zodra het Hof een discriminatie op het gebied van
de beloning heeft vastgesteld en zolang in het kader van de regeling geen
maatregelen zijn getroffen om de gelijkheid van behandeling tot stand te
brengen, de naleving van artikel 119 slechts kan worden verzekerd, door
de leden van de benadeelde groep dezelfde voordelen toe te kennen als de
leden van de bevoordeelde groep genieten.

18. Toepassing van dit beginsel op het onderhavige geval betekent, dat
voor de periode tussen 17 mei 1990, de datum van het arrest Barber, en 1
juni 1991, de datum waarop in de in geding zijnde regeling de
pensioengerechtigde leeftijd voor alle werknemers dwingend is vastgesteld
op zestig jaar, de pensioenrechten van de mannelijke werknemers moeten
worden berekend op basis van dezelfde pensioengerechtigde leeftijd als die
welke voor de vrouwelijke werknemers gold.

19. Ten aanzien van na 1 juni 1991 vervulde tijdvakken van arbeid verzet
artikel 119 van het Verdrag zich daarentegen niet tegen maatregelen die
een gelijkheid van behandeling tot stand brengen door de voordelen van de
voordien bevoordeelde personen te verminderen. Artikel 119 vereist immers
enkel, dat mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid een
gelijke beloning ontvangen, doch het schrijft niet een bepaald niveau
voor.

20. Aan deze conclusies wordt niet afgedaan door het feit dat, zoals in
casu, het verschil in behandeling het gevolg is van overgangsmaatregelen
die zijn getroffen in het kader van een pensioenregeling die reeds voor
het arrest Barber de pensioengerechtigde leeftijd voor beide geslachten
had gelijkgetrokken, doch vrouwen de mogelijkheid bood voor handhaving van
die leeftijd beneden het voor mannen geldende niveau te kiezen.

21. Immers, zoals het Hof in het arrest Defrenne (reeds aangehaald)
verklaarde, is het beginsel van gelijke beloning een der grondslagen van
de Gemeenschap (r.o. 12) en heeft artikel 119 rechtstreekse werking, in
die zin dat het rechten in het leven roept die de nationale rechterlijke
instanties dienen te handhaven (r.o. 24). Uit het dwingende karakter van
artikel 119 volgt, dat het verbod van discriminatie tussen mannelijke en
vrouwelijke werknemers niet enkel geldt voor overheidshandelingen, doch
eveneens van toepassing is op de betrekkingen tussen particulieren en op
alle overeenkomsten die een collectieve regeling van arbeid in loondienst
inhouden (r.o. 29).

22. Mitsdien moet op de eerste prejudiciele vraag worden geantwoord, dat
artikel 119 van het Verdrag zich ertegen verzet, dat in een
bedrijfspensioenregeling waarin naar aanleiding van het arrest Barber voor
alle aangeslotenen een en dezelfde pensioengerechtigde leeftijd is
vastgesteld, met betrekking tot uitkeringen die verschuldigd zijn uit
hoofde van na de inwerkingtreding van de nieuwe regel vervulde tijdvakken
van arbeid, voor vrouwen een pensioengerechtigde leeftijd wordt
gehandhaafd, die lager is dan die voor mannen, ook indien een dergelijk
verschil het gevolg is van een keuze die de vrouwen reeds voor het arrest
Barber hebben gemaakt. Ten aanzien van tijdvakken van arbeid die zijn
vervuld tussen 17 mei 1990, de datum van het arrest Barber, en de datum
van inwerkingtreding van de regel waarbij in het kader van de regeling
voor beide geslachten een en dezelfde pensioengerechtigde leeftijd wordt
voorgeschreven, verzet artikel 119 zich ertegen, dat de gelijkheid van
behandeling op andere wijze wordt verwezenlijkt dan door op de mannelijke
werknemers dezelfde regeling toe te passen als die welke voor de
vrouwelijke werknemers geldt.

De tweede vraag

23. Met de tweede vraag wordt in wezen beoogd te vernemen, of het antwoord
op de eerste vraag anders zou luiden, indien, zoals in casu, de
pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen niet op 55 jaar is gehandhaafd
op grond van een expliciete keuze van die vrouwen, maar op grond van het
feit dat bij de gelijktrekking van de pensioengerechtigde leeftijd van de
aangeslotenen, voorafgaande aan het arrest Barber, de vrouwen die niet
hadden verzocht dat hun pensioengerechtigde leeftijd werd opgetrokken tot
de voor mannen geldende leeftijd van zestig jaar, werden geacht, voor
handhaving van die leeftijd op 55 jaar te hebben gekozen.

24. Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling, dat de in
artikel 119 neergelegde verplichting om het beginsel van gelijkheid op het
gebied van de beloning te eerbiedigen, een dwingend karakter heeft, zodat
een bedrijfsregeling zich niet aan die verplichting kan onttrekken op de
enkele grond, dat een discriminerende situatie het gevolg is van een
expliciete of impliciete keuze van de werknemer aan wie een dergelijke
keuzemogelijkheid is geboden.

25. Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat het voor het
antwoord op de eerste vraag geen verschil maakt, dat in een geval als het
onderhavige de betrokken vrouwelijke werknemer, bij gebreke van een
expliciete keuze, werd geacht voor handhaving van de pensioengerechtigde
leeftijd op het niveau van voor de gelijkschakeling te hebben gekozen.

Kosten

26. De kosten door de Duitse, de Nederlandse en de Britse regering alsmede
door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun
opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking
komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als
een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke
instantie over de kosten heeft te beslissen.

Het Hof van Justitie,

uitspraak doende op de door het Kantongerecht te ‘s-Gravenhage bij vonnis
van 12 januari 1993 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1) Artikel 119 van het Verdrag verzet zich ertegen, dat in een
bedrijfspensioenregeling waarin naar aanleiding van het arrest van 17 mei
1990 (zaak C-262/88, Barber) voor alle aangeslotenen een en dezelfde
pensioengerechtigde leeftijd is vastgesteld, met betrekking tot
uitkeringen die verschuldigd zijn uit hoofde van na de inwerkingtreding
van de nieuwe regel vervulde tijdvakken van arbeid, voor vrouwen een
pensioengerechtigde leeftijd wordt gehandhaafd, die lager is dan die voor
mannen, ook indien een dergelijk verschil het gevolg is van een keuze die
de vrouwen reeds voor het arrest Barber hebben gemaakt. Ten aanzien van
tijdvakken van arbeid die zijn vervuld tussen 17 mei 1990 en de datum van
inwerkingtreding van de regel waarbij in het kader van de regeling voor
beide geslachten een en dezelfde pensioengerechtigde leeftijd wordt
voorgeschreven, verzet artikel 119 zich ertegen, dat de gelijkheid van
behandeling op andere wijze wordt verwezenlijkt dan door op de mannelijke
werknemers dezelfde regeling toe te passen als die welke voor de
vrouwelijke werknemers geldt.

2) Het maakt voor het antwoord op de eerste vraag geen verschil, dat in
een geval als het onderhavige de betrokken vrouwelijke werknemer, bij
gebreke van een expliciete keuze, werd geacht voor handhaving van de
pensioengerechtigde leeftijd op het niveau van voor de gelijkschakeling
te hebben gekozen.

Rechters

Mrs. Due, Mancini, Moitinho de Almeida, Diez de Velasco, Joliet,Schockweiler, Rodriguez Iglesias, Grevisse, Zuleeg, Kapteyn, Murray

Instantie: Hof van Justitie EG, 28 september 1994

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Het Hof komt in de zaak Smith tot dezelfde conclusies als in de zaak Van
den Akker (RN 1994, nr. 437). Bovendien kan de verhoging van de
pensioenleeftijd voor vrouwen niet gepaard gaan met tijdelijke maatregelen
ter beperking van de ongunstige gevolgen daarvan. De aangevoerde
overwegingen kunnen een dergelijke verhoging niet objectief rechtvaardigen
tijdens de periode die ligt tussen het Barber arrest en de opheffing van
de verschillende pensioenleeftijden (in casu 1 juli 1991). Dit betreft dus
de objectieve rechtvaardiging van directe discriminatie.

Volledige tekst

Arrest

1. Bij vonnis van 2 november 1992, ingekomen bij het Hof op 6 december
daaraanvolgend, heeft het Bedford Industrial Tribunal krachtens artikel
177 EEG-Verdrag drie prejudiciele vragen gesteld over de uitlegging van
artikel 119 van dit Verdrag, in verband met de verschillende manieren
waarop de pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen in de
bedrijfspensioenregelingen kan worden gelijkgeschakeld.

2. Die vragen zijn gesteld in een geding tussen mevrouw Smith en vier
andere vrouwen enerzijds en Avdel Systems Ltd anderzijds over de
gelijkschakeling van de pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en
vrouwen.

3. Verzoekster in het hoofdgeding zijn aangesloten geweest of nog steeds
aangesloten bij de Avdel Pension & Life Assurance Plan, de door hun
werkgever, Avdel Systems Ltd., uitgevoerde bedrijfspensioenregeling.

4. Deze regeling, een zogenoemde “contracted-out” regeling (d.w.z. een
vervangende regeling ten opzichte van het inkomensgebonden
staatspensioen), wordt door bijdragen van zowel de werkgever als de
werknemers gefinancierd. Zij geeft de aangeslotenen onder meer recht op
een bedrijfspensioen bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

5. Tot en met 30 juni 1991 was de pensioengerechtigde leeftijd vastgesteld
op 65 jaar voor mannen en op zestig jaar voor vrouwen. Met ingang van 1
juli 1991 is de pensioengerechtigde leeftijd voor beide geslachten op 65
jaar vastgesteld. Volgens de verwijzende rechter geldt deze wijziging
zowel voor uitkeringen die verschuldigd zijn uit hoofde van tijdvakken van
arbeid na 1 juli 1991, als voor uitkeringen die verschuldigd zijn uit
hoofde van tijdvakken van arbeid voor die datum.

6. De verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen heeft tot
gevolg dat met ingang van 1 juli 1991:

a) indien een vrouw op 60-jarige leeftijd met pensioen gaat, op haar
pensioen een actuariele korting van 4% wordt toegepast voor elk jaar dar
haar pensionering plaatsvindt voor haar 65e verjaardag, terwijl zij onder
de oude regeling een niet gekort pensioen zou hebben ontvangen;

b) indien een vrouw voor het bereiken van de 65-jarige leeftijd uit de
regeling treedt, de reeds opgebouwde pensioenaanspraken die naar een
andere regeling kunnen worden overgedragen of kunnen worden gebruikt voor
de aankoop van een verzekeringspolis, worden berekend op basis van een
pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar;

c) indien een vrouw op 60-jarige leeftijd met pensioen gaat, de
pensioenaanspraken die zij eerder bij een andere werkgever heeft opgebouwd
op basis van een pensioengerechtigde leeftijd van 60 jaar en die naar haar
huidige regeling zijn overgedragen, worden gekort op de wijze als voorzien
onder a, met dien verstande dat het totale bedrag van het op basis van die
aanspraken uitgekeerde pensioen niet lager mag uitvallen dan het bedrag
dat werd gegarandeerd toen de betrokken aanspraken naar de regeling werden
overgedragen.

7. Bij het Bedford Industrial Tribunal zijn 78 zaken aanhangig gemaakt
door vrouwen die, als gevolg van de verhoging van hun pensioengerechtigde
leeftijd tot de voor mannen geldende leeftijd, financieel slechter af zijn
dan zij op basis van de oude regeling hadden mogen verwachten.

8. De vijf verzoeksters in het hoofdgeding zijn geselecteerd als zijnde
representatief voor verschillende soorten van situaties:

a) vrouwelijke werknemers die na 1 juli 1991 tussen de leeftijd van zestig
en 65 jaar met pensioen zijn gegaan. Op grond van de nieuwe regeling is
hun pensioen gekort met een percentage dat kan oplopen tot twintig
procent;

b) vrouwelijke werknemers die nog in dienst zijn, doch niet meer bij de
regeling zijn aangesloten. Zij kunnen aanspraak maken op een uitgesteld
pensioen uit hoofde van de rechten die zij hebben opgebouwd in de periode
waarin zij bij de regeling waren aangesloten, ofschoon de waarde van dat
pensioen wordt berekend op basis van een normale pensioengerechtigde
leeftijd van 65 jaar;

c) vrouwelijke werknemers die nog in dienst zijn en die de bij een vorige
werkgever opgebouwde pensioenaanspraken maar de regeling hebben
overgedragen. Indien zij op een leeftijd tussen zestig en 65 jaar met
pensioen gaan, wordt op hun pensioenaanspraken de eerdergenoemde
actuariele korting toegepast (vier procent tot hun 65e verjaardag).

9. Een en ander vormde voor het Bedford Industrial Tribunal aanleiding om
de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciele
vragen te stellen:

“1) Indien een bedrijfspensioenregeling een naar geslacht verschillende
normale pensioengerechtigde leeftijd voorziet (65 jaar voor mannen en 60
jaar voor vrouwen) en een werkgever dat onderscheid, gezien de uitspraak
in de zaak Barber, wil opheffen, is het dan in strijd met artikel 119
EEG-Verdrag, wanneer de werkgever de pensioengerechtigde leeftijd voor
zowel mannen als vrouwen op 65 jaar vaststelt

(i) met betrekking tot pensioenuitkeringen die de werknemers ontvangen
uit hoofde van diensttijd na 1 juli 1991, de datum waarop de
pensioengerechtigde leeftijd voor beide geslachten is gelijkgeschakeld;

(ii) met betrekking tot pensioenuitkeringen die de werknemers ontvangen
uit hoofde van diensttijd tussen 17 mei 1990 en 1 juli 1991, de datum
waarop de pensioengerechtigde leeftijd voor beide geslachten is
gelijkgeschakeld;

(iii) met betrekking tot pensioenuitkeringen die de werknemers ontvangen
uit hoofde van diensttijd voor 17 mei 1990, in aanmerking genomen dat op
1 juli 1991 de pensioengerechtigde leeftijd voor beide geslachten is
gelijkgeschakeld?

2) Indien het antwoord op vraag 1 geheel of gedeeltelijk ontkennend luidt,
verplicht artikel 119 de werkgever dan om de negatieve gevolgen voor
vrouwen wier uitkeringen worden beinvloed door het besluit van de
werkgever om het verschil in pensioengerechtigde leeftijd op te heffen,
zoveel mogelijk te beperken?

3) Indien het antwoord op vraag 1 geheel of gedeeltelijk bevestigend
luidt, staat artikel 119 de werkgever dan toe, aan te voeren dat de
verlaging van de aan vrouwen betaalde uitkeringen objectief
gerechtvaardigd is door de behoeften van de onderneming of van de
bedrijfspensioenregeling, en zo ja, aan de hand van welke factoren moet
dan worden vastgesteld, of een dergelijke objectieve rechtvaardiging
bestaat?”

De eerste vraag

10. Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, welke
handelingsvrijheid er bestaat om in het kader van een
bedrijfspensioenregeling naar aanleiding van de uitspraak, dat de
vaststelling van een verschillende pensioengerechtigde leeftijd voor
mannen en vrouwen onverenigbaar is met artikel 119 van het Verdrag,
maatregelen te treffen om voor zowel het verleden als de toekomst een
gelijkheid tot stand te brengen.

11. Naar het Hof in zijn arrest van 17 mei 1990 (zaak C- 262/88, Barber,
Jurispr. 1990, blz. I-1889; hierna: ‘arrest Barber’) heeft verklaard,
vallen de krachtens een vervangende bedrijfspensioenregeling betaalde
pensioenen binnen de werkingssfeer van artikel 119 van het Verdrag (r.o.
28), dat elke discriminatie tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers
op het gebied van de beloning verbiedt, ongeacht het stelsel waarvan deze
ongelijkheid het gevolg is. Derhalve is de vaststelling van een naar
geslacht verschillende leeftijdsvoorwaarde in strijd met artikel 119,
zelfs indien het verschil in pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en
vrouwen is gebaseerd op het in de nationale wettelijke regeling voorziene
verschil (r.o. 32).

12. Op grond van dwingende overwegingen van rechtszekerheid heeft het Hof
evenwel beslist, dat op de rechtstreekse werking van artikel 119 slechts
een beroep kan worden gedaan ten einde gelijkheid van behandeling op het
gebied van bedrijfspensioenen te eisen, wanneer het gaat om uitkeringen
die verschuldigd zijn uit hoofde van na 17 mei 1990, de datum van het
arrest Barber, vervulde tijdvakken van arbeid, behalve in het geval van
werknemers of hun rechtverkrijgenden die voor die datum een
rechtsvordering hebben ingesteld of een naar geldend nationaal recht
daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend (punt 5 van het
dictum van het arrest Barber, zoals door het Hof gepreciseerd in, onder
meer, het arrest van 6 oktober 1993, zaak C-109/91, Ten Oever, Jurispr.
1993, blz. I-4879).

13. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde maatregel is vastgesteld om
aan het arrest Barber te voldoen. Hiertoe is in de betrokken
bedrijfspensioenregeling gekozen voor een van de twee manieren waarop een
gelijkheid van behandeling tot stand kan worden gebracht: in het kader van
de pensioenregeling is niet aan mannen hetzelfde voordeel toegekend als
vrouwen genoten, en hun pensioengerechtigde leeftijd is dus niet verlaagd
tot de voor vrouwen geldende leeftijd, doch in plaats daarvan is de
pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen, ook voor het verleden —
waaronder de periode voor het arrest Barber –, opgetrokken tot de voor
mannen geldende leeftijd waardoor vrouwen hun situatie hebben zien
verslechteren.

14. In deze omstandigheden moet de eerste prejudiciele vraag aldus worden
opgevat, dat zij ertoe strekt te vernemen, of het is toegestaan om, ten
einde een gelijkheid tot stand te brengen, de leden van de bevoordeelde
groep (in casu vrouwen) voor zowel het verleden als de toekomst het door
hen genoten voordeel te ontnemen en wel in relatie tot zowel de datum van
inwerkingtreding van een dergelijke maatregel (in casu 1 juli 1991) als
de datum van het arrest Barber (17 mei 1990), waarin de op te heffen
discriminatie werd vastgesteld.

15. Dienaangaande zij opgemerkt, dat het Hof in het arrest van 8 april
1976 (zaak 43/75, Defrenne, Jurispr. 1976, blz. 455, r.o. 15), in het
kader van een in het hoofdgeding gevorderde schadeloosstelling wegens
discriminatie op het gebied van de beloning, heeft verklaard, dat wanneer
artikel 119 in verband wordt gebracht met de onderlinge aanpassing van de
arbeidsvoorwaarden op de weg van de vooruitgang, de tegenwerping dat deze
bepaling ook op andere wijze dan door verhoging van de laagste lonen kan
worden nageleefd, van de hand moet worden gewezen.

16. Bovendien heeft het Hof in het arrest van 7 februari 1991 (zaak
C-184/89, Nimz, Jurispr. 1991, blz. I-297, r.o. 18-20) gepreciseerd, dat
de nationale rechter elke discriminerende nationale bepaling buiten
toepassing dient te laten zonder dat hij de voorafgaande opheffing ervan
via collectieve onderhandelingen of een constitutionele procedure heeft
te vragen of af te wachten, en op de leden van de benadeelde groep
dezelfde regeling dient toe te passen als op de andere werknemers, waarbij
die regeling, zolang artikel 119 van het Verdrag niet naar behoren in
nationaal recht is omgezet, het enige bruikbare referentiekader blijft.

17. Hieruit volgt, dat zodra het Hof een discriminatie op het gebied van
de beloning heeft vastgesteld en zolang in het kader van de regeling geen
maatregelen zijn getroffen om de gelijkheid van behandeling tot stand te
brengen, de naleving van artikel 119 slechts kan worden verzekerd, door
de leden van de benadeelde groep dezelfde voordelen toe te kennen als de
leden van de bevoordeelde groep genieten.

18. Toepassing van dit beginsel op het onderhavige geval betekent, dat
voor de periode tussen 17 mei 1990 (de datum van het arrest Barber) en 1
juli 1991 (de datum waarop in het kader van de regeling maatregelen zijn
getroffen om een gelijkheid tot stand te brengen) de pensioenrechten van
mannen moeten worden berekend op basis van dezelfde pensioengerechtigde
leeftijd als die welke voor vrouwen gold.

19. Met betrekking tot voor 17 mei 1990 vervulde tijdvakken van arbeid kan
worden volstaan met de opmerking, dat het arrest Barber de
toepasselijkheid van artikel 119 op uit hoofde van die tijdvakken
verschuldigde pensioenuitkeringen heeft uitgesloten, zodat werkgevers en
trustees niet gehouden zijn, ten aanzien van die uitkeringen gelijkheid
van behandeling te verzekeren.

20. Hieruit volgt, dat het gemeenschapsrecht ten aanzien van deze
tijdvakken geen enkele verplichting oplegde die een grond kan zijn voor
maatregelen waarbij de door vrouwen genoten voordelen achteraf worden
verminderd.

21. Ten aanzien van tijdvakken van arbeid na de datum waarop de regels die
de discriminatie dienen op te heffen, in werking zijn getreden, in casu
1 juli 1991, verzet artikel 119 van het Verdrag zich niet tegen
maatregelen die de gelijkheid van behandeling tot stand brengen door de
voordelen van de voordien bevoordeelde personen te verminderen. Artikel
119 vereist immers enkel, dat mannen en vrouwen voor gelijke arbeid een
gelijke beloning ontvangen, doch het schrijft niet een bepaald niveau van
beloning voor.

22. Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 119
van het Verdrag zich ertegen verzet, dat een werkgever die de nodige
maatregelen neemt om aan het arrest Barber te voldoen, voor tijdvakken van
arbeid tussen 17 mei 1990, de datum van dat arrest, en de datum van
inwerkingtreding van die maatregelen, de pensioengerechtigde leeftijd voor
vrouwen oprekt tot de voor mannen geldende leeftijd. Ten aanzien van na
laatstgenoemde datum vervulde tijdvakken van arbeid staat artikel 119
daarentegen niet in de weg aan een dergelijk optreden. Ten aanzien van
voor 17 mei 1990 vervulde tijdvakken van arbeid legde het
gemeenschapsrecht geen enkele verplichting op, die een grond kan zijn voor
maatregelen waarbij de door vrouwen genoten voordelen achteraf worden
verminderd.

De tweede vraag

23. Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of
ingeval een verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen tot
de door mannen geldende leeftijd ingevolge artikel 119 is toegestaan, in
het kader van de bedrijfspensioenregelingen waarin die gelijkschakeling
plaatsvindt, de ongunstige gevolgen van deze wijziging voor vrouwen zoveel
mogelijk dienen te worden beperkt.

24. Gelet op het antwoord op de eerste vraag, rijst deze tweede vraag
enkel met betrekking tot tijdvakken van arbeid na inwerkingtreding van de
maatregelen die de gelijkheid tot stand brengen door een verhoging van de
pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen.

25. Dienaangaande kan worden volstaan met de opmerking, dat gelijkheid van
behandeling tussen mannen en vrouwen op het gebied van de beloning een
fundamenteel beginsel van het gemeenschapsrecht is en dat artikel 119,
gezien zijn rechtstreekse werking, door de werkgevers onmiddellijk en
volledig moet worden toegepast.

26. Dit betekent, dat wanneer een discriminatie is vastgesteld en een
werkgever maatregelen neemt om voor de toekomst een gelijkheid tot stand
te brengen door de voordelen van de bevoordeelde groep te verminderen,
deze gelijkschakeling niet geleidelijk tot stand kan worden gebracht, in
dier voege dat de discriminatie, zij het ook tijdelijk, gehandhaafd
blijft.

27. Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat de verhoging
van de pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen tot de voor mannen
geldende leeftijd, waartoe een werkgever heeft besloten om ten aanzien van
uit hoofde van toekomstige tijdvakken van arbeid verschuldigde uitkeringen
een discriminatie op het gebied van bedrijfspensioenen op te heffen, niet
vergezeld kan gaan van maatregelen, zij het ook tijdelijke, die bedoeld
zijn om de ongunstige gevolgen die vrouwen van een dergelijke verhoging
kunnen ondervinden, te beperken.

De derde vraag

28. Met de derde vraag wordt in wezen beoogd te vernemen, of in de
gevallen waarin artikel 119 eraan in de weg staat, dat in het kader van
een bedrijfspensioenregeling de gelijkheid van behandeling tot stand wordt
gebracht door een verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd voor
vrouwen, een dergelijke maatregel toch kan worden getroffen op grond van
objectief te rechtvaardigen overwegingen die verband houden met de
behoeften van de onderneming of van de bedrijfspensioenregeling zelf.

29. Deze vraag heeft betrekking op pensioenuitkeringen die verschuldigd
zijn uit hoofde van tijdvakken van arbeid tussen 17 mei 1990, de datum van
het arrest Barber, en de datum van inwerkingtreding van de maatregelen die
de gelijkheid van behandeling tot stand brengen door een verhoging van de
pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen. Zoals hiervoor is uiteengezet,
is een dergelijk optreden namelijk enkel ten aanzien van die tijdvakken
niet toelaatbaar.

30. gesteld al dat in deze context objectief te rechtvaardigen
overwegingen die verband houden met de behoeften van de onderneming of van
de betrokken bedrijfspensioenregeling, in aanmerking kunnen worden
genomen, het zou volstrekt onjuist zijn indien de uitvoerders van de
bedrijfsregeling ter rechtvaardiging van de verhoging van de
pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen gedurende die periode zouden
aanvoeren dat de financiele problemen even groot zijn als die welke door
het Hof in het arrest Barber in aanmerking zijn genomen. De periode waarom
het hier gaat, is immers betrekkelijk kort en moet hoe dan ook worden
toegeschreven aan het gedrag van de uitvoerders van de regeling zelf.

31. Mitsdien moet op de derde vraag worden geantwoord, dat artikel 119 van
het Verdrag zich ertegen verzet, dat in het kader van een
bedrijfspensioenregeling met een beroep op de moeilijkheden voor die
regeling zelf of voor de betrokken onderneming, de pensioengerechtigde
leeftijd voor vrouwen achteraf wordt verhoogd ten aanzien van de
tijdvakken van arbeid tussen 17 mei 1990 en de inwerkingtreding van de
maatregelen waarbij in de betrokken regeling de gelijkheid tot stand is
gebracht.

Kosten

32. De kosten door de Duitse, de Nederlandse en de Britse regering alsmede
door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun
opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking
komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als
een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke
instantie over de kosten heeft te beslissen

Het Hof van Justitie,

uitspraak doende op de door het Bedford Industrial Tribunal bij vonnis van
2 november 1992 gestelde vragen, verklaart voor recht: 1) Artikel 119 van
het Verdrag verzet zich ertegen, dat een werkgever die de nodige
maatregelen neemt om aan het arrest van 17 mei 1990 (zaak C-262/88,
Barber), te voldoen, voor tijdvakken van arbeid tussen 17 mei 1990, de
datum van dat arrest, en de datum van inwerkingtreding van die
maatregelen, de pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen optrekt tot de
voor mannen geldende leeftijd. Ten aanzien van na laatstgenoemde datum
vervulde tijdvakken van arbeid staat artikel 119 daarentegen niet in de
weg aan een dergelijk optreden. Ten aanzien van voor 17 mei 1990 vervulde
tijdvakken van arbeid legde het gemeenschapsrecht geen enkele verplichting
op, die een grond kan zijn voor maatregelen waarbij de door vrouwen
genoten voordelen achteraf worden verminderd.

2) De verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen tot de
voor mannen geldende leeftijd, waartoe een werkgever heeft besloten om ten
aanzien van uit hoofde van toekomstige tijdvakken van arbeid verschuldigde
uitkeringen een discriminatie op het gebied van bedrijfspensioenen op te
heffen, kan niet vergezeld gaan van maatregelen, zij het ook tijdelijke,
die bedoeld zijn om de ongunstige gevolgen die vrouwen van een dergelijke
verhoging kunnen ondervinden, te beperken.

3) Artikel 119 van het Verdrag verzet zich ertegen, dat in het kader van
een bedrijfspensioenregeling met een beroep op de moeilijkheden voor die
regeling zelf of voor de betrokken onderneming, de pensioengerechtigde
leeftijd voor vrouwen achteraf wordt verhoogd ten aanzien van de
tijdvakken van arbeid tussen 17 mei 1990 en de inwerkingtreding van de
maatregelen waarbij in de betrokken regeling de gelijkheid tot stand is
gebracht.

Rechters

Mrs. Due, Mancini, Moitinho de Almeida, Diez de Velasco, Joliet,Schockweiler, Rodriguez Iglesias, Grevisse, Zuleeg, Kapteyn, Murray

Instantie: Hof van Justitie EG, 28 september 1994

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Bij gebrek aan AOW werd tot 1986 voor gehuwde vrouwelijke ambtenaren een
lager bedrag ‘ingebouwd’ dan voor mannen. Na herziening van de AOW is de
pensioenberekening vanaf 1986 voor mannen en vrouwen gelijkgesteld. De
oude regeling blijft gelden over de tijdvakken voor 1986. Omdat vrouwen
achteraf wel AOW krijgen is hun pensioen over deze tijdvakken hoger. Het
ABP-pensioen valt onder artikel 119 EEG-Verdrag, ondanks het feit dat het
hier een wettelijke regeling betreft. Het verschil tussen mannen en
vrouwen in AOW-inbouw voor 1986 is in strijd met artikel 119. Daarom
hebben gehuwde mannen recht op hetzelfde voordeel als gehuwde vrouwen. Op
grond van het protocol kan echter geen beroep op artikel 119 EEG-Verdrag
worden gedaan voor tijdvakken van arbeid voor 17 mei 1990, tenzij het
geding op deze datum reeds aanhangig was.

Volledige tekst


50. Op dit punt kan worden volstaan met eraan te herinneren, dat artikel
119 elke discriminatie tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers op het
gebied van de beloning verbiedt, ongeacht het stelsel waarvan deze
ongelijkheid het gevolg is (arrest Barber, reeds aangehaald, r.o. 32).

51. Blijkens het in rechtsoverweging 10 van dit arrest samengevatte
dossier van de zaak in het hoofdgeding worden mannen door de in geding
zijnde wettelijke regeling rechtstreeks gediscrimineerd. Zoals de
Commissie opmerkt, doet aan deze conclusie niet af, dat enkel gehuwde
mannen door deze regeling worden benadeeld, doch ongehuwde mannen niet.

52. Bovendien is het sedert het arrest Defrenne II (reeds aangehaald)
vaste rechtspraak, dat het in artikel 119 neergelegde beginsel van gelijke
beloning rechtstreeks door de nationale rechter kan worden ingeroepen.
Overigens heeft het Hof erop gewezen, dat het verbod van discriminatie
tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers een algemene strekking heeft
en zowel geldt voor overheidshandelingen als voor alle overeenkomsten die
de arbeid in loondienst collectief regelen (arrest van 27 juni 1990, zaak
C-33/89, Kowalska, Jurispr. 1990, blz. I-2591, r.o. 12).

53. Hieruit volgt, dat in het onderhavige geval de door de discriminatie
benadeelde gehuwde mannen gelijk moeten worden behandeld als gehuwde
vrouwen en op hen dezelfde regeling moet worden toegepast als op gehuwde
vrouwen, welke regeling zolang artikel 119 niet naar behoren in nationaal
recht is omgezet, het enige bruikbare referentiekader blijft (zie onder
meer arresten Barber en Kowalska, reeds aangehaald r.o. 39 resp. r.o. 19,
en arrest van 7 februari 1991, zaak C-184/89, Nimz, Jurispr. 1991, blz.
I-297, r.o. 18, en, met betrekking tot een discriminatie ten nadele van
mannen bij de berekening van een wettelijk rustpensioen, arrest van 1 juli
1993, zaak C-154/92, Van Cant, Jurispr. 1992, blz. I-3811, r.o. 20 en 21).

54. Mitsdien moet op de zesde vraag worden geantwoord, dat artikel 119
zich verzet tegen een wettelijke regeling als de ABPW, die met betrekking
tot aanspraken over diensttijd voor 1986 voor gehuwde mannelijke gewezen
ambtenaren een andere regel voor de berekening van het bedrag van het
ambtelijk pensioen voorziet dan die welke geldt door gehuwde vrouwelijke
gewezen ambtenaren, en dat dit artikel rechtstreeks voor de nationale
rechter kan worden ingeroepen. de door de discriminatie benadeelde gehuwde
mannen moeten gelijk worden behandeld als gehuwde vrouwen en op hen moet
dezelfde regeling worden toegepast als op gehuwde vrouwen.

De zevende vraag

55. De nationale rechter wenst voorts te vernemen, of het mogelijk is de
werking van het onderhavige arrest in de tijd te beperken.

56. Het protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap, dat als tweede protocol aan dat Verdrag is gehecht,
bepaalt: ‘Voor de toepassing van artikel 119 van het Verdrag worden
uitkeringen uit hoofde van een ondernemings- of sectoriele regeling inzake
sociale zekerheid niet als beloning beschouwd indien en voor zover zij
kunnen worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid voor 17 mei 1990,
behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die voor die
datum een rechtsvordering of een naar geldend nationaal recht daarmee
gelijk te stellen vordering hebben ingesteld’. Ingevolge artikel 239 van
het Verdrag maakt het protocol een integrerend deel daarvan uit.

57. Uit het antwoord op de eerste en de vijfde vraag, en in het bijzonder
uit rechtsoverweging 42 van dit arrest volgt, dat het ABPW-pensioen moet
worden beschouwd als een uitkering uit hoofde van een ondernemings- of
sectoriele regeling, in de zin van bovenaangehaald protocol. Ofschoon die
uitkering bij wet wordt geregeld, biedt zij de ambtenaar immers
bescherming tegen de eventualiteit van ouderdom en is zij aan te merken
als een door de werkgever in de openbare sector aan de werknemer uit
hoofde van dies dienstbetrekking betaald voordeel, dat vergelijkbaar is
met het voordeel dat door een werkgever in de particuliere sector uit
hoofde van een bedrijfsregeling wordt betaald.

58. De uitkeringen waarom het in het hoofdgeding gaat, hebben bovendien
betrekking op tijdvakken van arbeid voor 17 mei 1990. Het zijn immers de
bepalingen die de pensioenaanspraken over diensttijd voor 1 januari 1986
bepalen, die discriminerend zijn.

59. Door de algemene bewoordingen is het betrokken protocol dus van
toepassing op de uitkeringen uit hoofde van een regeling als hier in
geding is.

60. Hierbij moet echter wel een kanttekening worden gemaakt: deze
vaststelling betreft de uitkeringen -die overigens als enige in protocol
nr. 2 worden genoemd- en niet het recht op aansluiting bij een
ondernemings- of sectoriele regeling inzake sociale zekerheid.

61. Er bestaat immers duidelijk verband tussen het protocol en het arrest
Barber, omdat het verwijst naar 17 mei 1990, de datum van het arrest. In
dit arrest werd een discriminatie tussen mannen en vrouwen, die het gevolg
was van een naar geslacht verschillende leeftijdsvoorwaarde voor de
aanspraak op een pensioen bij gedwongen ontslag, veroordeeld. Het arrest
Barber, waarin de werking van de daarin aan artikel 119 van het Verdrag
gegeven uitlegging wordt beperkt vanaf de datum van het arrest, te weten
17 mei 1990, is op uiteenlopende wijze geinterpreteerd. Het arrest Ten
Oever (reeds aangehaald), dat dateert van voor de inwerkingtreding van het
Verdrag betreffende de Europese Unie, heeft op dit punt duidelijkheid
geschapen. Ofschoon in protocol nr. 2 de uitlegging die in het arrest
Barber aan artikel 119 is gegeven, wordt uitgebreid tot alle uitkeringen
uit hoofde van een ondernemings- of sectoriele regeling inzake sociale
zekerheid en in het Verdrag wordt geincorporeerd, heeft het protocol in
hoofdzaak dezelfde uitlegging aan het arrest gegeven als het arrest Ten
Oever, en heeft het evenmin als het arrest Barber de voorwaarden voor
aansluiting bij dergelijke bedrijfsregelingen aangeroerd en deze dus niet
geregeld.

62. De aansluiting blijft dus beheerst door het arrest Bilka (reeds
aangehaald). Volgens dat arrest wordt artikel 119 van het Verdrag
geschonden door een onderneming die zonder objectieve rechtvaardiging, die
niets van doen heeft met discriminatie op grond van geslacht, mannen en
vrouwen verschillend behandelt, door een categorie van werknemers van een
bedrijfspensioenregeling uit te sluiten. In het arrest Bilka is de werking
van de in dat arrest aan artikel 119 Verdrag gegeven uitlegging overigens
niet in de tijd beperkt.

63. Ten betoge dat artikel 119 niet van toepassing is op uitkeringen uit
hoofde van de ABPW, die kunnen worden toegerekend aan tijdvakken van
arbeid voor 17 mei 1990, voert de Nederlandse regering evenwel aan, dat
een pensioenregeling als die van de ABPW wordt bestreken door richtlijn
86/378. Zij beroept zich op het rechtszekerheidsbeginsel, dat is
geformuleerd in artikel 8, lid 2, van die richtlijn, welke bepaling onder
meer de mogelijkheid biedt met het beginsel van gelijke behandeling
strijdige bepalingen van een pensioenregeling, die voor 1 januari 1993 van
toepassing waren, tot die datum van kracht te laten blijven.

64. Gesteld dat richtlijn 86/378 van toepassing is, volstaan kan worden
eraan te herinneren dat, gelijk het Hof in zijn arrest van 14 december 193
(zaak C-110/91, Moroni, Jurispr. 1993, blz. I-6591, r.o. 24) met
betrekking tot artikel 8, lid 1 van de richtlijn heeft verklaard, de
werking van de richtlijn buiten beschouwing kan blijven wanneer aan de
hand van de bestanddelen van de beloning en de in artikel 119 genoemde
criteria rechtstreeks kan worden vastgesteld, dat de vaststelling van een
naar geslacht verschillende pensioenleeftijd voor bedrijfspensioenen een
discriminatie oplevert.

65. Dezelfde uitlegging moet gelden voor artikel 8, lid 2, dat niet de
draagwijdte van artikel 119 kan beperken ten aanzien van
pensioenaanspraken die verband houden met perioden van aansluiting voor
de herziening van de in geding zijnde regeling.

66. Waar het protocol ad artikel 119 van toepassing is op een regeling als
die van de ABPW, en een ambtelijk pensioen als in het hoofdgeding aan de
orde op niet-discriminerende wijze wordt vastgesteld wat de aanspraken die
verband houden met diensttijd na 1 januari 1986 betreft, kunnen volgens
de bewoordingen van dat protocol zelf enkel ambtenaren die aanspraak
kunnen maken op een ABPW-pensioen, of hun rechtverkrijgenden die voor 17
mei 1990 een rechtsvordering of een naar geldend nationaal recht daarmee
gelijk te stellen vordering hebben ingesteld, met een beroep op artikel
119 gelijkheid van behandeling in het kader van die regeling eisen met
betrekking tot aanspraken die verband houden met diensttijd voor 1 januari
1986.

67. Artikel 119 kan door die laatste categorie van belanghebbenden evenwel
niet worden ingeroepen met betrekking tot de aanspraken over diensttijd
voor 8 april 1976, omdat het Hof pas op de datum waarop het arrest
Defrenne II (reeds aangehaald) heeft gewezen, heeft erkend, dat artikel
119 rechtstreeks kon worden ingeroepen, zij het dat dit slechts gold voor
loon over toekomstige tijdvakken.

68. Mitsdien moet op de zevende vraag worden geantwoord, dat ingevolge het
protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Gemeenschap (protocol nr. 2) enkel ambtenaren of hun rechtverkrijgenden
die voor 17 mei 1990 een rechtsvordering of een naar geldend nationaal
recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingesteld, op de
rechtstreekse werking van artikel 119 een beroep kunnen dien ten einde
gelijkheid van behandeling te eisen met betrekking tot de betaling van
uitkeringen die verschuldigd zijn uit hoofde van een pensioenregeling als
die van de ABPW en worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid tussen 8
april 1976 en 17 mei 1990.

Kosten

69. De kosten door de Nederlandse regering, de regering van het Verenigd
Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening
van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in
aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de
procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de
nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Het Hof van Justitie, uitspraak doende op de door de Centrale Raad van
Beroep bij ongedagtekende, op 12 januari 1993 bij het Hof ingekomen
uitspraak gestelde vragen, verklaart voor recht:

1) Een pensioen als waarin de Algemene Burgerlijke Pensioenwet (ABPW)
voorziet valt binnen de werkingssfeer van artikel 119 van het Verdrag.

2) Artikel 119 verzet zich tegen een wettelijke regeling als de ABPW, die
met betrekking tot aanspraken op ouderdomspensioen over diensttijd voor
1986 voor gehuwde mannelijke gewezen ambtenaren een andere regel voor de
berekening van het bedrag van het ambtelijk pensioen voorziet dan die
welke geldt voor gehuwde vrouwelijke gewezen ambtenaren; dit artikel kan
rechtstreeks voor de nationale rechter worden ingeroepen: de door de
discriminatie benadeelde gehuwde mannen moeten gelijk worden behandeld als
gehuwde vrouwen en op hen moet dezelfde regeling worden toegepast als op
gehuwde vrouwe.

3) Ingevolge het protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting
van de Europese Gemeenschap (protocol nr. 2) kunnen enkel ambtenaren of
hun rechtverkrijgenden die voor 17 mei 1990 een rechtsvordering of een
naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben
ingesteld, op de rechtstreekse werking van artikel 119 een beroep doen ten
einde gelijkheid van behandeling te eisen met betrekking tot de betaling
van uitkeringen die verschuldigd zijn uit hoofde van een pensioenregeling
als die van de ABPW en worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid tussen
8 april 1976 en 17 mei 1990.

Rechters

Mrs. Due, Kakouris, Edward, Kapteyn e.a. AG Jacobs

Instantie: Hof van Justitie EG, 28 september 1994

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Coloroll Pension Trustees Ltd. beheert als trustee het vermogen van de
bedrijfspensioenregelingen die de Coloroll groep voor haar werknemers
heeft opgezet. Het doel hiervan is pensioenen en andere uitkeringen te
betalen. Door de financiele instorting van de groep in 1990 moeten de
pensioenregelingen worden geliquideerd. Alle verplichtingen van die
regelingen moeten nu definitief worden vastgesteld. Een aantal van de
gerezen prejudiciele vragen moet tegen deze ‘specifiek Engelse’
achtergrond worden beschouwd. Een aantal andere vragen is reeds beoordeeld
in de context van de uitspraak in de zaak Ten Oever (C-109/91, RN 1993,
360), Moroni en Neath (C-110/91 respectievelijk C-152/91, RN 1994, 384 en
385, m.nt. M. van den Brink). Deze betreffen de uitleg van de temporele
beperking in het Barber-arrest, de geldigheid van de in het Barber-arrest
geformuleerde beginselen ook voor niet-vervangende
bedrijfspensioenregelingen, het gebruik van naar geslacht verschillende
actuariele berekeningselementen en de gelijke behandeling ten aanzien van
overlevingspensioenen. Wat dit aangaat, is de Coloroll uitspraak dus
slechts een bevestiging van eerdere jurisprudentie. Een ander punt stond
centraal in de Van den Akker en Smith zaken (RN 1994, 437 en 438) en
betreft de wijze van tenuitvoerlegging van het gelijke
behandelingsbeginsel. Andere vragen die het Hof heeft moeten beantwoorden
gaan met name om de verhouding tussen de aansprakelijkheid van een
pensioenregeling en van de werkgever met betrekking tot schendingen van
artikel 119 EEG-verdrag, de toepasselijkheid van dit artikel op regelingen
waarbij altijd slechts personen van een geslacht waren aangesloten en de
overdracht van pensioenrechten van de ene naar de andere
bedrijfspensioenregeling wegens verandering van werk.

Volledige tekst


103. Hieruit volgt, dat een werknemer niet met een beroep op artikel 119
de beloning kan eisen waarop hij recht zou kunnen hebben indien hij tot
het andere geslacht behoorde, wanneer in de betrokken onderneming, op dat
moment of in het verleden, geen enkele werknemer van het andere geslacht
werkzaam is die vergelijkbaar werk verricht of heeft verricht. In een
dergelijk geval kan het voornaamste criterium ter verificatie van de
gelijkheid van behandeling op het gebied van beloning, namelijk de
vervulling van gelijke arbeid en de verkrijging van een gelijke beloning,
immers niet worden toegepast.

104. Op de zes vraag moet derhalve worden geantwoord, dat artikel 119
EEG-verdrag niet van toepassing is op regelingen waarbij altijd slechts
personen van een geslacht aangesloten zijn geweest.

De kosten

105. De kosten door de Duitse, de Deense, de Ierse, de Nederlandse en de
Britse regering alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen
wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor
vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het
hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen,
zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te
beslissen.

Het Hof van Justitie,

uitspraak doende op de door de High Court bij beschikking van 23 juli 1991
gestelde vragen, verklaart voor recht,

1) De rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-verdrag kan zowel door
werknemers als door hun rechtverkrijgenden worden ingeroepen tegenover de
trustees van een bedrijfspensioenregeling, die in het kader van hun
bevoegdheden en verplichtingen, zoals neergelegd in de oprichtingsakte van
de trust, gehouden zijn het beginsel van gelijke behandeling te
eerbiedigen.

2) Indien het nationale recht werkgevers en trustees verbiedt om buiten
het kader van hun respectieve bevoegdheden of in strijd met de bepalingen
van de oprichtingsakte van de trust te handelen, zijn zij gehouden alle
door het nationale recht geboden middelen, zoals een beroep voor de
nationale rechter, te gebruiken om elke discriminatie op het gebied van
beloning op te heffen.

3) Voor tijdvakken van arbeid die zijn vervuld na de vaststelling van de
discriminatie door het Hof doch voor de inwerkingtreding van maatregelen
die deze discriminatie dienen op te heffen, vereist de correcte uitvoering
van het beginsel van gelijke beloning, dat aan de benadeelde werknemers
dezelfde voordelen worden toegekend als de andere werknemers genoten. Voor
tijdvakken van arbeid na de inwerkingtreding van die maatregelen verzet
artikel 119 zich er echter niet tegen, dat de gelijkheid tot stand wordt
gebracht door de voordelen die de bevoordeelde werknemers genoten, te
verminderen. Wat ten slotte de tijdvakken van arbeid voor 17 mei 1990, de
datum van het arrest Barber (zaak C-262/88), betreft, legde hert
gemeenschapsrecht geen enkele verplichting op die een grond kan zijn voor
maatregelen waarbij de voordelen van de bevoordeelde werknemers achteraf
worden verminderd.

4) De nationale rechter moet de correcte toepassing van artikel 119
verzekeren, zulks met inachtneming van de aansprakelijkheden van
werkgevers en trustees op grond van de nationale rechtsvoorschriften.

5) Eventuele problemen als gevolg van het feit dat de financiele middelen
waarover de trustees beschikken, ontoereikend zijn om de uitkeringen
gelijk te trekken, moeten met inachtneming van het beginsel van gelijke
beloning op basis van het nationale recht worden opgelost en kunnen de
antwoorden op de voorgaande vragen niet beinvloeden.

6) Ingevolge het eerder genoemde arrest Barber kan op de rechtstreekse
werking van artikel 119 EEG-verdrag slechts een beroep worden gedaan ten
einde gelijkheid van behandeling op het gebied van bedrijfspensioenen te
eisen, wanneer het gaat om uitkeringen die verschuldigd zijn uit hoofde
van na 17 mei 1990 vervulde tijdvakken van arbeid, behoudens de
uitzondering ten gunste van werknemers of hun rechtverkrijgenden die voor
die datum een rechtsvordering hebben ingesteld of een naar geldend
nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend.

7) De beperking in de tijd van de werking van het arrest Barber geldt ook
voor overlevingspensioenen, en derhalve kan op dit gebied slechts
gelijkheid van behandeling worden geeist ten aanzien van tijdvakken van
arbeid na 17 mei 1990.

8) Voor uitkeringen die geen verband houden met de duur van het
daadwerkelijke tijdvak van arbeid, geldt de beperking in de tijd van de
werking van het arrest Barber slechts, indien het verzekerde feit zich
voor 17 mei 1990 heeft voorgedaan.

9) De in het arrest Barber geformuleerde beginselen, en meer in het
bijzonder de beperking in de tijd van de werking van dit arrest, gelden
niet alleen voor vervangende bedrijfspensioenregelingen, doch eveneens
voor niet- vervangende.

10) Het gebruik van naar geslacht verschillende actuariele gegevens in het
kader van een via een stelsel van kapitaaldekking gefinancierde
bedrijfspensioenregeling valt niet binnen de werkingssfeer van artikel 119
van het Verdrag. De omstandigheid dat de bedragen van de uitkeringen
ineens of de vervangende uitkeringen, waarvan de hoogte slechts kan worden
bepaald op basis van de financieringsmodaliteiten van de regeling, niet
gelijk zijn, kan derhalve evenmin in het licht van artikel 119 worden
beoordeeld.

11) Het in artikel 119 neergelegde beginsel van gelijke behandeling geldt
voor alle door bedrijfspensioenregelingen betaalde pensioenuitkeringen,
zonder dat een onderscheid moet worden gemaakt op grond van het soort
bijdragen die de bron zijn van deze uitkeringen, te weten bijdragen van
werkgever of van werknemers. Voor zover een bedrijfspensioenregeling niet
meer doet dan ten behoeve van de aangeslotenen de noodzakelijke
voorzieningen voor het beheer te treffen, vallen de aanvullende
uitkeringen die voortvloeien uit bijdragen die de werknemers zuiver
vrijwillig hebben betaald, niet binnen de werkingssfeer van artikel 119.

12) In geval van overdracht van pensioenrechten van de ene naar de andere
bedrijfspensioenregeling wegens verandering van werk van de werknemers,
is de tweede regeling op het moment dat de werknemer de
pensioengerechtigde leeftijd bereikt verplicht, de hem door het aanvaarden
van die overdracht toegezegde uitkeringen te verhogen, ten einde de met
artikel 119 strijdige gevolgen op te heffen die voor de werknemer
voortvloeien uit het feit dat het overgedragen kapitaal als gevolg van een
discriminerende behandeling in de eerste regeling ontoereikend was, en wel
voor uitkeringen verschuldigd uit hoofde van tijdvakken van arbeid na 17
mei 1990.

13) Artikel 119 EEG-verdrag is niet van toepassing op regelingen waarbij
altijd slechts personen van een geslacht aangesloten zijn geweest.

Rechters

Mrs. Due, Mancini, Moitinho de Almeida, Diez de Velasco, Joliet,Schockweiler, Rodriguez Iglesias, Grevisse, Zuleeg, Kapteyn, Murray

Instantie: Rechtbank Utrecht, 28 september 1994

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Partijen zijn gehuwd geweest en hebben 2 minderjarige kinderen van 10
en 14 jaar. Zij willen scheiden. De man stelt dat de vrouw geen
behoefte heeft. De vrouw kan als cassiere gaan werken gezien de
leeftijd van de kinderen. De rechtbank ziet geen reden geen
onderhoudsbijdrage vast te stellen gezien de volgende omstandigheden:
de vrouw heeft tijdens het huwelijk slechts enige jaren een kleine
part-time baan gehad; zij is voornemens een eigen toekomst op te bouwen
als horeca-onderneemster en bereid zich door studie daarop voor; zij
moet daartoe de gelegenheid hebben, zodat niet van haar gevergd behoeft
te worden dat zij reeds thans volledig in haar levensonderhoud gaat
voorzien door te werken als cassiere en daarnaast nog ’s avonds te
studeren, naast de zorg die zij heeft voor de kinderen en het
huishouden. Aangenomen wordt dat het nastreven van een zelfstandig
ondernemerschap een gunstiger perspectief voor haar is dan het werkzaam
zijn als cassiere. De rechtbank wijst limitering af nu nog onzeker is
op welk tijdstip de vrouw op de hierboven aangegeven wijze in haar
onderhoud zal kunnen voorzien. Alimentatie onbekend.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure

Hiervoor wordt verwezen naar het tussenvonnis van 27 januari 1993 dat
tussen partijen in deze zaak is gewezen.

De persoonlijke verschijning van partijen, zoals in het tussenvonnis
bepaald, heeft plaatsgehad op 5 maart 1993.

Daarna hebben beide partijen de stukken weer aan de rechtbank
overgelegde en vonnis gevraagd.

2. Het tussenvonnis.

De rechtbank blijft bij de inhoud van het tussenvonnis.

3. De geschilpunten en de beoordeling daarvan.

3.1. Tussen partijen is nog in geschil of de vrouw behoefte heeft aan
een bijdrage in haar levensonderhoud van de man.

3.2. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw gezien de leeftijd
van de kinderen (14 en 10 jaar oud) thans in staat is als cassiere of
in de horeca te gaan werken en zo in haar levensonderhoud te voorzien.
Hij voert aan dat er een groot tekort is aan cassieres. De vrouw kan
volgens hem in de avonduren studeren voor haar middenstandsdiploma. De
vrouw is van mening dat zij nog niet hele dagen kan gaan werken in
verband met de zorg voor haar kinderen. Zij heeft tijdens het huwelijk
van partijen enige jaren voor anderhalve dag per week als cassiere in
de zaak van de man gewerkt. Zij voert aan dat zij thans moet studeren
omdat zij in juni 1993 examen moet doen voor haar middenstandsdiploma,
waarmee zij als zelfstandig onderneemster in de horeca wil gaan werken.
Zij is van plan na het behalen van dit diploma te gaan werken, maar kan
nog niet aangeven wanneer zij precies in staat zal zijn in haar
levensonderhoud te voorzien.

3.3. De rechtbank is van oordeel, nu als niet weersproken vaststaat dat
de vrouw tijdens het huwelijk van partijen slechts enige jaren een
kleine parttime-baan als cassiere heeft gehad, en nu zij voornemens is
een eigen toekomst op te bouwen als horeca-onderneemster en zich daarop
door studie reeds aan het voorbereiden is, zij daartoe de gelegenheid
moet hebben, zodat niet van haar gevergd behoeft te worden, dat zij
reeds thans volledig in haar levensonderhoud gaat voorzien door te
werken als cassiere en daarnaast nog ’s avonds studeert, naast de zorg
die zij heeft voor de kinderen en het huishouden. Aangenomen wordt dat
het nastreven van een zelfstandig ondernemerschap een gunstiger
perspectief voor haar is dan het werkzaam zijn als cassiere. Dit houdt
niet in dat wanneer dit niet binnen een redelijke termijn gelukt, de
vrouw niet alsnog op andere wijze zal moeten trachten in haar levenson-
derhoud te voorzien, ook gezien het feit dat zij, gezien de leeftijd
van kinderen, daartoe steeds gemakkelijker in de gelegenheid zal zijn.
Er is derhalve thans geen reden de vrouw geen onderhoudsbijdrage toe te
kennen en evenmin om een bijdrage voor een beperkte periode vast te
stellen, nu nog onzeker is op welk tijdstip de vrouw op de hierboven
aangegeven wijze in haar onderhoud zal kunnen voorzien. Gegeven verder
het feit dat de vrouw geen inkomsten heeft staat vast dat zij een
rechtens relevante behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de
man.

3.4. Partijen verschillen verder van mening over de hoogte van het
bedrag dat de man zou kunnen betalen voor het levensonderhoud van de
vrouw.

3.5. Met betrekking tot de financiele omstandigheden van partijen is
het volgende vast komen te staan.

3.6. Ten aanzien van de vrouw (geboren op 3 november 1957) (……….)

Rechters

onbekend

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 26 september 1994

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Vrouw krijgt geen AWW-uitkering omdat zij geen “weduwe” in de zin van de
AWW is. Zij heeft tot aan de datum van het overlijden van haar partner
een gezamenlijke huishouding gevoerd, waarvan 15 jaar gehuwd en de laatste
12 jaar ongehuwd.
In beroep wordt het bezwaar van eiseres eveneens ongegrond verklaard. De
stelling van eiseres dat de beperking tot gehuwden in de AWW in strijd
is met art. 26 BuPo-verdrag wijst de rechtbank af, overwegende dat uit
vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt dat een ongelijk
rechtsregime voor ongehuwd samenwonenden in vergelijking met gehuwden geen
verboden discriminatie in de zin van art. 26 BuPo-verdrag inhoudt. Ook
is er volgens de rechtbank geen aanleiding om in dit geding al rekening
te houden met het ANW-wetsvoorstel.

Volledige tekst

1. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT
Besluit van verweerder van 26 september 1994,
nr. AS 1.0089/940145.

2. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 4 maart 1994 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat
aan haar met ingang van 1 januari 1994 voor de duur van 17 maanden een
tijdelijke weduwenuitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet
(AWW) wordt toegekend.

Bij brief van 14 maart 1994 heeft eiserers bzwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij besluit van 25 mei 1994 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat
de aan haar toegekende tijdelijke weduwenuitkering met ingang van 1 augustus
1994 zal worden ingetrokken. Hierbij is aan eiseres medegedeeld dat het
bezwaar tegen het besluit van 4 maart 1994 geacht wordt mede te zijn gericht
tegen het nieuwe besluit. Bij brief van 29 juni 1994 heeft mevrouw mr E.Y.
Happel, advocaat te Amsterdam, zich als gemachtigde van eiseres gesteld
en het bezwaar aangvuld met gronden, gericht tegen het besluit van 25 mei
1994.

Bij brieven van 2 en 13 september 1994 zijn eiseres en haar gemachtigde
uitgenodigd de bezwaren tegen het besluit van 25 mei 1994 mondeling toe
te lichten tijdens een hoorzitting op 15 september 1994.

Vervolgens heeft de verweerder het thans bestreden besluit genomen waarbij
de bezwaren van eiseres ongegrond zijn verklaard.

Bij brief van 3 november 1994 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank
tegen dit besluit.

Bij brief van 8 december 1994 zijn de aanvullende gronden bij het beroep
ingezonden.

Bij brief van 8 februari 1995 heeft verweerder de op de zaak betrekking
hebbende stukken ingezonden, alsmede een verweerschrift.

Het geding is behandeld ter openbare terechtzitting van 21 september 1995.
Eiseres is daar niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen
door mr S.I. Schinkel en mr M.A.C. van de Pas, juridisch medewerksters
bij de Sociale Verzekeringsbank.

3. MOTIVERING
In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het besluit
van verweerder van 28 september 1994 in rechte kan standhouden. De rechtbank
ontleent aan de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting de
volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft sedert 28 januari 1982 samengewoond met de heer L. Ates.
Eerder was zij sedert 1967 met deze gehuwd. Eiseres is om principiele redenen
gescheiden, maar bleef wel met voornoemde heer samenwonen. De ex-echtgenoot
is op 31 januari 1994 overleden. In verband met dit overlijden heeft eisers
op 11 februari 1994 een aanvraag ingediend om pensioen of tijdelijk pensioen
op grond van de Algemen Weduwen- en Wezenwet.

In bezwaar is namens eiseres aangevoerd dat het onderscheid in de huidige
AWW gemaakt wordt tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden maatschappelijk
gezien als een ongerchtvaardigd onderscheid is aan te merken en een verboden
onderscheid oplevert in de zin van artikel 26 van het Internationaal Verdrag
inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR).
Daarnaast heeft eiseres zich beroepen op het feit dat zij na de inwerkingtreding
van de Algemene Nabestaandenwet (ANW) zonder meer aanspraak zal kunnen
maken op een nabestaandenuitkering.
Daarbij heeft eiseres verwezen naar een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank
‘s-Gravenhage van 29 juli 1993, nr AWW 92/1674.

Naar aanleiding van hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd en de mondelinge
toelichting tijdens de hoorzitting heeft verweerder bij het thans bestreden
besluit het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.
Verweerder heeft daarbij onder andere overwogen dat niet bestreden wordt
dat het besluit van verweerder conform de AWW genomen is, zodat de werking
van de AWW verder buiten beschouwing kan worden gelaten.
Ten aanzien van de argumenten dat de beperking tot gehuwden in de AWW in
strijd is met artikel 26 IVBPR en dat eiseres in het kader van de ANW wel
aanspraak zal kunnen maken op een nabestaandenuitkering heeft de Centrale
Raad van Beroep (de Raad) inmiddels vaste jurisprudentie ontwikkeld. De
Raad is van oordeel dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten
gaat om de lacune in de AWW op te vullen.
Het beroep op de ANW treft geen grond. Verweerder kan niet anticiperen
op de inwerkingtreding van de ANW, aangezien dit wetsvoorstel geen kracht
van wet heeft.

In beroep heeft eiseres zich wederom beroepen op de uitspraak van de Arrondisementsrechtbank
‘s-Gravenhage. Zij heeft daarbij verzocht de in de uitspraak opgenomen
gronden en motivering als hier herhaald en ingelast te beschouwen, aangezien
haar omstandigheden vrijwel gelijk zijn aan die waarover de Rechtbank te
‘s-Gravenhage heeft geoordeeld.

In het verweerschrift heeft verweerder meegedeeld dat in het beropeschrift
geen andere argumenten worden aangedrgen dan in het aanvullend bezwaarschrift.

Verweerder verwijst wat betreft de beoordeling van de individuele omstandigheden
naar het bestreden besluit van 28 september 1994.
Met betrekking tot de uitspraak van de Arrondismentsrechtbank
‘s-Gravenhage van 29 juli 1993 merkt verweerder op dat hij zich daar niet
mee kan verenigen en hoger beroep heeft ingesteld bij de Centrale Raad
van Beroep.
De omstandigheden van eiseres in casu vershcillen op een essentieel punt
van die waarover de Arrondissementsrechtbank ‘s-Gravenhage besliste en
wel in die zin dat eiseres en haar overleden partner geen samenlevingscontract
hadden afgesloten.

De rechtbank heeft het volgende overwogen.

De AWW bepaalt dat, indien aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, een
recht op weduwenpensioen of een tijdelijke weduwenuitkering bestaat voor
de weduwe van een verzekerde, waaronder is te verstaan de vrouw met wie
de verzekerde ten tijde van zijn overlijden was gehuwd.

Voor zover eiseres een beroep heeft willen doen op het bepaalde in artikel
26 van het Internationaal Verdrag Inzake Burgerrechten en Politieke Rechten
(IVBPR), overweegt de rechtbank dat uit vaste jurisprudentie van de Centrale
Raad van Beroep volgt dat een ongelijk rechtsregime voor ongehuwd samenwonenden
(al dan niet op grond van een vrije keuze) in vergleijking met gehuwden
geen verboden discriminatie in de zin van artikel 26 IVBPR inhoudt.

Voorts heeft de Centrale Raad van Beroep als zijn oordeel uitgesproken
dat het aan de wetgever is te omlijnen welke categorieen van samenwonenden
evenals gehuwden na het overlijden van de partner aanspraak op
weduwenpensioen of tijdelijke weduwenuitkering zullen hebben.

De rechtbank is van oordeel dat er zich geen zodanige rechtsontwikkelingen
hebben voltrokken dat de hiervoor vermelde jurisprudentie van de Centrale
Raad van Beroep niet langer als maatgevend zou kunnen worden aangemerkt
voor de beoordeling van een geschil als onderhavige.

Met verweerder is de rechtbank voorts van mening dat er geen aanleiding
is om vooruitlopend op de totstandkoming van de ANW in het onderhavige
geding met de (vermoedelijke) bepalingen daarvan rekening te houden, nu
thans nog meer dan ten tijde van de uitspraak van 29 juli 1993 van de Arrondisementsrechtbank
‘s-Gravenhage onzeker is welke inhoud die wettelijke bepalingen uiteindleijk
zullen krijgen.

Hieruit volgt dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

Beslist wordt als volgt.

4. BESLISSING
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Rechters

mr Banda