Instantie: Hoge Raad, 23 september 1994

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Verzoekster tot cassatie, de vrouw, vordert na echtscheiding van
de verweerder, de man, alimentatie. De rechtbank veroordeelt de man
tot betaling, het Hof vernietigt deze beschikking op grond van
onvoldoende draagkracht van de man. Bij de vaststelling van de
draagkracht is het Hof uitgegaan van het gegeven dat de man een
AAW/WAO-uitkering heeft en de uitkerende instantie deze niet heeft
ingetrokken na controle door de man verstrekte gegevens over door hem
behaalde bedrijfsresultaten. De Hoge Raad vernietigt deze beschikking
en stelt dat de rechter de inkomsten uit het bedrijf zelfstandig heeft
vast te stellen, zonder de door een uitkerende instantie uitgeoefende
controle en al of niet genomen beslissingen tot uitgangspunt te nemen.

Volledige tekst


( …) 5. In het eerste ( …) lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid
verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de werknemer met
zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

( …) Art. 44. 1. Indien degene, die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomsten uit arbeid geniet, wordt,
zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel
18, vijfde lid, kan worden aangemerkt, de
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch
wordt die uitkering: a. niet uitbetaald indien de inkomsten uit arbeid
zodanig zijn, dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid,
bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 15% of b. indien het bepaalde
onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn
vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid,
bedoelde arbeid zou zijn. ( …) Art. 57. 1. De bedrijfsvereniging is
bevoegd hetgeen op grond van deze wet onverschuldigd is betaald,
geheel of gedeeltelijk terug te vorderen ( …) Art. 80. Degene, die (
…) in het genot is van arbeidsongeschiktheidsuitkering ( …), (is)
verplicht aan de bedrijfsvereniging ( …) onverwijld eigener beweging
mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden, waarvan het
(hem) redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op
het recht of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het
bedrag, dat daarvan wordt uitbetaald. ( …)”

4.1.2. Bij de voorbereiding van de wijzigingswet werd betoogd (Memorie
van toelichting, Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1992-1993 – 22
824, nr. 3, onder 6.1): “(blz. 40, laatste al.) ( …) wanneer ( …)
iemand gedurende langere tijd (dus duurzaam) algemeen geaccepteerde
arbeid kan verrichten, op grond van zijn krachten en bekwaamheden, dan
(is) er sprake ( …) van arbeid zoals ( …) moet worden betrokken
bij het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid. Dit zal dan
vervolgens leiden tot herziening of intrekking van de uitkering. (blz.
41, 1e al.) Wanneer er twijfel bestaat over de vraag of iemand de
(algemeen geaccepteerde) arbeid gedurende langere tijd kan verrichten,
is er op dat moment nog geen sprake van arbeid in de zin van het (
…) arbeidsongeschiktheidscriterium. Iemand kan op dat moment op de
betreffende arbeid nog niet beoordeeld worden. Er kan derhalve op dat
moment nog geen herziening of intrekking van de uitkering
plaatsvinden. Toch is er alle aanleiding, vanwege het positieve effect
op de arbeidsparticipatie, dat betrokkene het werk wel gaat proberen.
(2e al.) Het inkomen dat hiermee verdiend wordt, dient in mindering te
worden gebracht op de arbeidsongeschiktheidsuitkering. ( …)”

5. Bijstandsverhaal

5.1. Hoofdstuk IV A, U 2, van de Algemene Bijstandswet (ABW), tekst
zoals gewijzigd bij Wet van 15 april 1992, Stb. 193, houdt in: “( …)
Artikel 62

1. Kosten van bijstand worden door de gemeente verhaald in de gevallen
en naar de regels aangegeven in deze paragraaf.

2. De gemeente kan van verhaal geheel of gedeeltelijk afzien indien
daarvoor, gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt
gezocht ( …), dringende redenen aanwezig zijn. ( …) Artikel 63
Kosten van bijstand worden tot de grens van de onderhoudsplicht als
bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek verhaald: ( …) b. op
degene die zijn onderhoudsplicht na echtscheiding ( …) niet of niet
behoorlijk nakomt ( …) Artikel 64 Bij de beoordeling van het
verhaalsrecht als bedoeld in (artikel) 63 ( …) en de omvang van het
te verhalen bedrag wordt rekening gehouden met de maatstaven die
gelden en de omstandigheden die van belang zijn in het geval dat de
rechter dient te beslissen over de vraag of, en zo ja, tot welk bedrag
een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding ( …) zou moeten
worden toegekend. Artikel 64a 1. Indien een rechterlijke uitspraak
betreffende levensonderhoud verschuldigd krachtens Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek die uitvoerbaar is, niet wordt nagekomen, wordt
verhaald in overeenstemming met deze uitspraak.”

5.2. Ter toelichting werd betoogd (Memorie van toelichting, 1987-1988
– 20 598, nr. 3), “(blz. 6) ( …) 4.1. (1e al.) ( …) dat de
gemeenten in principe tot verhaal gehouden zijn. (3e al.) ( …) Aan
deze plicht kan niet een absoluut karakter worden toegekend ( …)
Verhaal moet niet worden doorgezet, indien dit voor de betrokkene tot
onaanvaardbare consequenties zou leiden. De gemeente behoort daarom de
vrijheid te behouden om in incidentele gevallen geheel of gedeeltelijk
van verhaal af te zien. Er zullen echter wel dringende redenen moeten
zijn om een uitzondering op de algemene regel te rechtvaardigen. (
…) (blz. 7) ( …) 4.4. (1e al.) ( …) Heeft de alimentatierechter
reeds een uitspraak gedaan, dan is de gemeente in beginsel bij verhaal
aan die uitspraak gebonden. In dit verband wordt het wenselijk geacht
dat bij een lopende (echt)scheidingsprocedure tegelijk aan de rechter
wordt verzocht om de alimentatie vast te stellen. ( …) Is over de
verplichting tot levensonderhoud geen rechterlijke uitspraak gedaan,
dan zal de gemeente in eerste instantie zelf tot het bepalen van een
verhaalsbijdrage moeten overgaan. ( …) (2e al.) ( …) In het
voorstel is ( …) bepaald dat voor het verhaalsrecht op (blz. 8)
onderhoudsplichtigen de maatstaven en omstandigheden, die de rechter
in alimentatiezaken hanteert, in acht worden genomen.

De gemeente zal zich bij het verhaal hierop moeten richten.

( …) (blz. 12, Artikel 55, 2e al.) ( …) De ( …) bedoelde
dringende redenen kunnen moeilijk nader worden aangeduid.

Steeds zal van geval tot geval aan de hand van alle omstandigheden de
situatie van de betrokkene moeten worden beoordeeld en een beslissing
moeten worden genomen. ( …) (blz. 17, Artikel 62, 2e al.) De
verhaalsverplichting gaat ingevolge het tweede lid niet zover dat
onder alle omstandigheden en tot de uiterste grens moet worden
verhaald.

Heeft de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsplicht
dergelijke bijzondere omstandigheden reeds meegewogen, dan zal er in
het algemeen voor de gemeente geen grond zijn het tweede lid toe te
passen. (blz. 18, Artikel 64, 1e al.) Niet altijd is met betrekking
tot de onderhoudsverplichtingen door de rechter een uitspraak gedaan.
Wordt in die gevallen een bestaande onderhoudsverplichting in de zin
van het Burgerlijk Wetboek niet nagekomen, dan zal de gemeente verhaal
moeten uitoefenen en onder meer van de (gewezen) echtgenoot een
bijdrage naar draagkracht verlangen” .

6. Het middel en de beoordeling ervan 6.1. Ik lees in het middel twee
klachten, die ik met kleine letters aanduid en in mijn eigen woorden
weergeef: (a) de beslissing is onbegrijpelijk, nu het Hof enerzijds de
bedenkingen van de vrouw inzake de gegevens met betrekking tot de
onderneming van de man grotendeels gegrond bevindt en anderzijds toch
de draagkracht van de man beoordeelt enkel naar de hoogte van zijn
uitkering; (b) het Hof laat ten onrechte de toetsing van de
draagkracht van de man voor rekening van de bedrijfsvereniging.

6.2. Ik stel voorop, dat de bedrijfsvereniging, zelfs indien voor haar
geheel dezelfde maatstaven zouden gelden als voor de burgerlijke
rechter in een procedure over levensonderhoud, zich mede moet houden
aan in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk
bestuur.

6.3. Reeds op deze grond kan de toepassing van de “anticumulatie” door
de bedrijfsvereniging anders uitvallen dan de beoordeling van de
draagkracht door de burgerlijke rechter.

6.4. Daarom zal de burgerlijke rechter in het geding over de
(eventuele) onderhoudsverplichting tussen enerzijds de vrouw en
anderzijds de man, van wie zij gescheiden is, niet, althans niet
zonder een desbetreffende motivering, mogen aannemen, dat, waar de
bedrijfsvereniging stil zit, er wel geen inkomsten uit arbeid zullen
zijn.

6.5. Dat geldt a fortiori, indien de burgerlijke rechter zelf
feitelijke aanwijzingen constateert dat er wel degelijk inkomsten uit
arbeid zijn, en dan bevindt dat deze aanwijzingen niet afdoende
weerlegd zijn.

6.6. Nu heeft het Hof aan zijn gegispte overweging nog toegevoegd, dat
ook de instantie die aan de vrouw bijstand verleent (dus de betrokken
gemeente), daarop toe zal zien.

6.7. Maar in dit opzicht volgt al uit de vaste jurisprudentie, alsmede
uit de Algemene Bijstandswet (ABW), zoals die in 1992 is komen te
luiden, dat de burgerlijke rechter, oordelend in zaken van
levensonderhoud, zo mogelijk voorop loopt: aangezien de bijstand een
aanvullend karakter heeft, moet bij voorkeur de alimentatierechter,
indien de partijen hem daartoe roepen, de omvang van de
onderhoudsplicht vaststellen.

6.8. Ik meen dan ook, dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende
gemotiveerd, de beoordeling van de verplichtingen van de man aan de
bedrijfsvereniging, subsidiair de gemeente, overgelaten heeft.

7. Conclusie Het middel gegrond bevindende, concludeer ik tot
vernietiging van de aangevallen beschikking, tot verwijzing van het
geding naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en
beslissing en tot compensatie van de kosten, op de voorziening in
cassatie gevallen, in die zin dat elke partij haar eigen kosten
draagt.

Rechters

Mrs. Snijders, Mijnssen, Korthals Altes, Heemskerk, Swen-Donner;A-G van Soest

Instantie: Rechtbank Roermond, 22 september 1994

Instantie

Rechtbank Roermond

Samenvatting


Partijen zijn vierentwintig jaar getrouwd geweest en hebben een
minderjarig kind van zestien jaar. De man stelt dat de vrouw geen behoefte
heeft. Zij kan haar werkzaamheden uitbreiden. Daarnaast stelt hij dat de
vrouw ook een deel van de kosten van verzorging en opvoeding van het kind
voor haar rekening dient te nemen. De rechtbank overweegt dat de man zijn
stelling met betrekking tot het aantal arbeidsuren op geen enkele wijze
heeft onderbouwd terwijl uit een door de vrouw overgelegde verklaring van
haar werkgever blijkt dat zij thans een arbeidscontract heeft voor twintig
uur per week alsmede dat in de toekomst het aantal uren wellicht naar
beneden wordt bijgesteld, zodat de rechtbank het verweer van de man
passeert.

Ten aanzien van het verweer met betrekking tot het ‘eigen aandeel’ van de
vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind van partijen
overweegt de rechtbank dat, nu uit de overgelegde salarisstroken blijkt
dat het inkomen van de vrouw onder het op haar van toepassing zijnde
ABW-normbedrag blijft, dit verweer eveneens gepasseerd dient te worden.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de alimentatie in tijd te limiteren,
nu thans nog niet aangenomen kan worden dat de vrouw over twee jaar in
staat zal zijn volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien.
Alimentatie wordt ƒ 400,=.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Bij exploit d.d. 24 juni 1994 is het verzoekschrift aan B betekend A
verzocht (kort samengevat): -echtscheiding althans scheiding van tafel en
bed; -benoeming van A tot voogdes en B tot toeziend voogd over het
minderjarige kind van de echtgenoten; -bepaling van een bijdrage in de
kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van de
echtgenoten van ƒ 530,= per maand; -bepaling dat de omgangsregeling in
goed onderling overleg zal plaatsvinden; -betaling van een uitkering voor
levensonderhoud van ƒ 1.500,= per maand; -verdeling van de
gemeenschappelijke goederen; -het voortgezet gebruik van de echtelijke
woning met wat daarbij hoort;

B heeft op 28 juli een verweerschrift bij de rechtbank ingediend en
verzocht af te wijzen de verzoeken met betrekking tot de bijdrage in de
kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen,
de uitkering tot levensonderhoud, de verdeling van de gemeenschappelijke
goederen en het voorgezet gebruik van de echtelijke woning met wat daarbij
hoort. Voorts verzocht B het gebruik van de echtelijke woning met wat
daarbij hoort en heeft hij zich ten aanzien van de overige verzoeken van
A gerefereerd.

Blijkens zijn verklaring heeft de griffier op 2 augustus 1994 op de bij
de wet voorgeschreven wijze een afschrift van het verweerschrift aan A
gezonden.

Op 22 augustus 1994 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De
griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden. Bij deze
behandeling zijn verschenen:

-de echtgenoten, bijgestaan door hun advocaten;

Tijdens de mondelinge behandeling heeft A haar verzoek met betrekking tot
het voortgezet gebruik van de echtelijke woning met wat daarbij hoort
ingetrokken.

De minderjarige van twaalf jaar of ouder heeft een mening kenbaar gemaakt
omtrent de gezagsvoorziening.

De echtgenoten hebben in de loop van de procedure een aantal produkties
overgelegd.

Vaststelling en overwegingen:

Uit de overgelegde bescheiden blijkt hetgeen bij verzoekschrift is gesteld
over: het huwelijk van de echtgenoten; het thans nog minderjarige kind;
de Nederlandse nationaliteit van de echtgenoten.

B heeft de door A gestelde duurzame ontwrichting erkend en zich ten
aanzien van het verzoek tot echtscheiding en het nevenverzoek met
betrekking tot de benoeming van A tot voogdes en B tot toeziend voogd over
het minderjarige kind van partijen aan het oordeel van de rechtbank
gerefereerd, zodat deze verzoeken voor toewijzing vatbaar zijn.

Met betrekking tot het verzoek van A tot de bepaling van de
omgangsregeling overweegt de rechtbank het navolgende.

Naar aanleiding van hetgeen omtrent de omgangsregeling bij gelegenheid van
de mondelinge behandeling ter sprake is gekomen, is de rechtbank, gelet
op de leeftijd van de minderjarige, de toezegging van A de omgang te
zullen stimuleren en de mededeling van de minderjarige dat zij in beginsel
omgang met haar vader wenst, van oordeel dat geen omgangsregeling dient
te worden vastgesteld maar aan het overleg tussen B en de minderjarige
zelf dient te worden overgelaten.

Met betrekking tot het verzoek van A tot verdeling van de
gemeenschappelijke goederen en het verweer van B daartegen is de rechtbank
van oordeel dat, nu B heeft weersproken dat de echtgenoten ten aanzien van
die verdeling reeds overeenstemming hebben bereikt, het verzoek dient te
worden toegewezen.

Nu A haar verzoek met betrekking tot het voortgezet gebruik van de
echtelijke woning heeft ingetrokken, verzet geen belang van A meer tegen
de toewijzing van het verzoek van B met betrekking tot het voortgezet
gebruik van die woning. De rechtbank zal derhalve beslissen als na te
melden.

Met betrekking tot de verzoeken van A tot de kinderbijdrage en de
uitkering tot levensonderhoud overweegt de rechtbank het navolgende.

B voert tegen de alimentatieverzoeken verweer. B stelt ten eerste dat A
geen behoefte heeft aan een uitkering tot levensonderhoud nu zij door haar
werkgever een keuzemogelijkheid aangereikt heeft gekregen voor wat betreft
het aantal door haar te werken uren. Daarnaast stelt B dat A ook een deel
van de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van
de echtgenoten voor haar rekening dient te nemen.

Ten aanzien van het verweer met betrekking tot het aantal arbeidsuren
overweegt de rechtbank dat, nu A deze stelling op geen enkele wijze heeft
onderbouwd terwijl uit een door A overgelegde verklaring van haar
werkgever blijkt dat zij thans een arbeidscontract heeft voor 20 uur per
week alsmede dat in de toekomst wellicht het aantal uren naar beneden
wordt bijgesteld, dit verweer gepasseerd dient te worden.

Ten aanzien van het verweer met betrekking tot het “eigen aandeel” van A
in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige dochter van
partijen overweegt de rechtbank dat, nu uit de overgelegde salarisstroken
blijkt dat A een netto-inkomen van ƒ 1.284,= ontvangt, zij onder de op
haar van toepassing zijnde ABW-normbedrag voor een een-oudergezin blijft,
dit verweer eveneens gepasseerd dient te worden.

Tussen partijen staat vast dat het bruto-jaarinkomen van B inclusief
vakantiegeld ƒ 81.110,= bedraagt.

A heeft gesteld dat B een 13de maand uitkering ontvangt, hetgeen door B
niet is weersproken. Nu B niet heeft aangegeven hoeveel deze uitkering
bedraagt stelt de rechtbank in alle redelijkheid deze uitkering op circa
een half maandsalaris, zodat het uitgangspunt bij de beoordeling van de
draagkracht van B een bruto-jaarinkomen van ƒ 84.000,= zal zijn.

Nu B als een alleenstaande is te beschouwen, is op hem tariefgroep 2 van
toepassing.

Terzake het huurwaardeforfait houdt de rechtbank rekening met een bedrag
van ƒ 3.380,=, als door B gesteld, nu bij gelegenheid van de mondelinge
behandeling B heeft erkend dat de waarde van de woning ƒ 250.000,=
bedraagt.

Met betrekking tot de door B opgevoerde studiekosten overweegt de
rechtbank dat, nu B reeds gedurende het huwelijk de studie is aangevangen
en een positie-verbetering na afronding van de studie niet
onwaarschijnlijk is, de studiekosten in aanmerking kunnen worden genomen.
De rechtbank houdt terzake rekening met een onkostenbedrag van ƒ 175,= per
maand. De rechtbank acht het niet aannemelijk geworden dat de werkelijke
kosten hoger zijn.

De rechtbank houdt terzake kosten huishoudelijke hulp rekening met een
bedrag van ƒ 100,= per maand, welke bedrag de rechtbank, gelet op alle
omstandigheden van het geval, redelijk voorkomt.

A heeft een door B ten behoeve van de studerende dochter van 22 jaar
opgevoerde onderhoudsbijdrage erkend, met dien verstande dat deze bijdrage
in mindering wordt gebracht op het netto-inkomen van B en niet op zijn
voor alimentatie beschikbare draagkracht. Gezien het feit dat B geen
wettelijke onderhoudsplicht voor zijn oudste dochter heeft acht de
rechtbank het door B gestelde redelijk en zal zij voornoemde bijdrage in
mindering brengen op het netto-inkomen van B.

De rechtbank zal de door B gestelde woonlast van bruto circa ƒ 2.000,= per
maand niet geheel in aanmerking nemen, enerzijds omdat deze last in
relatie tot de inkomsten en lasten (waaronder de onderhoudsverplichting)
van B tamelijk hoog is, anderzijds omdat deze hoge woonlast voortvloeit
uit de noodzaak voor B om A haar aandeel in de huwelijksgemeenschap uit
te keren en B aldus, indirect, deze uitkering in aanzienlijke mate zou
mee-financieren. De rechtbank zal bij de beoordeling van de draagkracht
een bruto woonlast (hypotheekrente, huurwaardeforfait, premie
levensverzekering en zakelijke) van circa ƒ 1.350,= per maand in
aanmerking nemen, hetgeen neerkomt op een netto-woonlast van circa ƒ
1.000,= per maand.

De rechtbank houdt voorts rekening met een bedrag van ƒ 200,= per maand
terzake ziektekosten, alsmede met het op de ABW gebaseerde normbedrag voor
een alleenstaande.

Gelet op bovenstaande gegevens en rekening houdend met de relevante
fiscale aspecten van de zaak, acht de rechtbank B in staat een bijdrage
in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van de
echtgenoten te voldoen van ƒ 530,= per maand, alsmede een uitkering tot
levensonderhoud aan A te voldoen van ƒ 400,= per maand.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de uitkering tot levensonderhoud in
tijdsduur te limiteren, nu thans nog niet aangenomen kan worden dat A over
twee jaar in staat zal zijn volledig in haar eigen levensonderhoud te
voorzien.

De hierna te treffen voorzieningen moeten het meest in het belang van de
minderjarige worden geacht.

De rechtbank acht termen aanwezig de proceskosten tussen de echtgenoten
te compenseren.

Beslissing:

De rechtbank: spreekt uit de echtscheiding tussen de echtgenoten, gehuwd
op 2 februari 1970 te Maasbracht;

benoemt over het thans nog minderjarige kind van de echtgenoten: geboren
te op tot voogdes: de moeder: en tot toeziend voogd: de vader:

beveelt de afgifte van voornoemd kind aan de met de voogdij belaste ouder;

bepaalt dat de vader, ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de
minderjarige, te beginnen met de dag dat deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij
vooruitbetaling aan de ouder die het gezag over de minderjarige uitoefent
heeft te betalen een bedrag van ƒ 530,= (vijfhonderd dertig gulden) per
maand, telkens vermeerderd met het bedrag van iedere uitkering die
krachtens geldende wetten of regelingen ten behoeve van die minderjarige
kan of zal worden verleend;

bepaalt dat B met ingang van de dag, waarop de beschikking tot
echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke
stand aan A voor levensonderhoud heeft te betalen de somma van ƒ 400,=
(vierhonderd gulden) per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

beveelt de echtgenoten over te gaan tot verdeling van de goederen tussen
de echtgenoten gemeen;

benoemt, tenzij de echtgenoten binnen acht dagen na de inschrijving dezer
echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand anders
overeenkomen, notaris J. Houben ter standplaats Roermond, of diens
waarnemer of opvolger om op de door deze te bepalen tijd en plaats en
onder zijn leiding de verdeling te bewerkstelligen;

benoemt, voor het geval een echtgenoot weigert of nalatig blijft aan de
verdeling mede te werken, tot onzijdig persoon volgens de wet voor A, mr.
E. Ter Meulen-Mouwen, advocaat en procureur te Roermond, voor B, mr. R.
Weishoff-Vogelzang, advocaat en procureur te Roermond;

bepaalt dat B als deze op het ogenblik van de inschrijving van deze
beschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning
aan de nog bewoont, jegens A bevoegd is de bewoning en het gebruik van
de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes
maanden na die inschrijving voort te zetten;

wijst af het meer of anders verzochte;

verklaart de beslissing over de gezagsvoorziening en die over de
kinderbijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

verklaart de beslissing tot toekenning van een uitkering tot
levensonderhoud voor A uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten tussen de echtgenoten zodanig dat ieder van
hen de eigen kosten draagt.

Rechters

mr W.P.C.M. Bruinsma

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 21 september 1994

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Negen jaar na de sterilisatie is de vrouw zwanger
geworden. Zij verwijt de gynaecoloog onbekwaam te hebben
gehandeld en haar niet geinformeerd te hebben over de risico’s
bij sterilisatie. De stelling dat de vrouw niet op de hoogte
was van het feit dat er een gering percentage sterilisaties
mislukken, acht de rechtbank niet geloofwaardig, mede gezien
het feit dat er regelmatig over wordt gepubliceerd in
‘allerhande damesbladen’. Op grond van het feit dat de vrouw
negen jaar na de ingreep zwanger is geworden gaat de rechtbank
ervan uit dat de sterilisatie op een juiste wijze is
uitgevoerd. Op de vrouw rust de last te bewijzen, door middel
van een laparoscopisch onderzoek, dat het tegendeel het geval
is.

Volledige tekst

(…)
3. Beoordeling
3.1. A heeft de stelling van gedaagden dat er tussen hen geen
gezagsverhouding bestond maar dat X zijn praktijk geheel voor
eigen rekening en risico uitoefende niet weersproken. Met
betrekking tot het handelen van X is derhalve niet gebleken
van een contractuele band tussen A en Y terwijl evenmin is
gesteld of gebleken dat Y op enigerlei wijze bij de
sterilisatie-ingrepen betrokken is geweest. A kan daarom noch
op grond van wanprestatie noch op grond van onrechtmatige daad
van Y schadevergoeding vorderen. Haar vordering tegen Y wordt
dan ook afgewezen.
3.2. Op grond van de artikelen 182 en 173 Overgangswet NBW
zijn de wettelijke bepalingen, welke golden voor 1 januari
1992 op het geschil van toepassing, aangezien de gestelde
wanprestatie voor laatstgenoemde datum heeft plaatsgevonden en
de gestelde onrechtmatige daad geheel en de schade die daarvan
het gevolg zou zijn deels voor laatstgenoemde datum heeft
plaatsgevonden.
3.3. De rechtbank gaat er vanuit dat de sterilisatie-ingreep
uitgevoerd werd op grond van een contractuele relatie daartoe
tussen A en Z. A baseert immers haar vordering jegens X (mede)
op wanprestatie, hetgeen een zodanige relatie veronderstelt en
A heeft de stelling van X dat zij met hem had afgesproken dat
deze de sterilisatie-ingreep zou uitvoeren onweersproken
gelaten.
3.4. A baseert haar vordering mede op het door haar gestelde
verzuim van X om haar te wijzen op het risico van het
mislukken van de ingreep.
Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.
Voorop dient te worden gesteld dat de arts binnen het kader
van een contractuele verhouding tussen hem en zijn patient in
principe verplicht is de patient in te lichten over een
eventuele risico van een mislukking van een beoogde ingreep.
Dat er voorafgaand aan de sterilisatie-ingreep een intake-
gesprek tussen X en A heeft plaatsgevonden, wordt door de
laatste niet ontkend. Partijen verschillen echter van mening
over de vraag of X A in dat gesprek heeft gewezen op het
geringe risico (van 0,5% of minder volgens X zelf en ook
volgens een door A overgelegde publicatie) van het mislukken
van de ingreep.
3.5. De rechtbank ziet geen reden voor bewijslevering op dit
punt. Immers, ook al zou er vanuit gegaan moeten worden dat X
in voormeld gesprek heeft nagelaten A op dit geringe risico te
wijzen, dan nog betekent dit niet dat de vordering van A reeds
daarom toegewezen kan worden. De rechtbank is namelijk van
oordeel dat er geen causaal verband bestaat tussen dit
eventuele nalaten van X in 1983 en de door A gestelde schade,
die pas eind 1991 zou zijn ontstaan door het feit dat zij toen
zwanger werd. De rechtbank verwerpt het betoog van A dat X
door zijn verzuim haar de mogelijkheid heeft ontnomen tot het
bepalen van een gedragslijn tegenover het rest-risico. Voor
zover er al vanuit gegaan zou moeten worden dat dit rest-
risico in 1983 nog niet algemeen bekend was, dan gold dit toch
zeker voor de jaren daarna. Landelijk werd en wordt er (onder
meer door publicaties in allerhande damesbladen) met een
zekere regelmaat op gewezen dat er een (overigens zeer)
geringe kans op mislukking van een dergelijke sterilisatie-
ingreep bestaat. A stelt nu wel dat zij daarvan niet op de
hoogte was, doch de rechtbank acht deze stelling
ongeloofwaardig. A komt uit de stukken naar voren als een
normale, algemeen ontwikkelde vrouw, die scholing heeft
genoten. Voor zover A van dit geringe rest-risico omstreeks
het uitvoeren van de ingreep nog niet op de hoogte was, dan
mag er toch vanuit gegaan worden dat zij in de jaren na de
ingreep en in ieder geval sedert het eind van de tachtiger
jaren hiervan wel op de hoogte was. Dit geldt temeer nu zij
zelf deze ingreep had ondergaan en er daarom vanuit gegaan mag
worden dat zij van publicaties op dit gebied met extra
aandacht kennis heeft genomen. Dat zij en haar echtgenoot in
1991 geen andere maatregelen ter voorkoming van zwangerschap
hebben genomen, kan daarom slechts aan hen zelf worden
toegerekend en niet aan het hiervoor genoemde eventuele
verzuim van X haar in 1983 op dit risico te wijzen.
3.6. A legt aan haar vordering eveneens ten grondslag dat X de
ingreep indertijd foutief heeft uitgevoerd. Dit zou volgens A
blijken uit het feit dat zij eind 1991 zwanger is geraakt.
Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het enkele feit dat
A acht en een half jaar na de ingreep zwanger is geraakt niet
zonder meer afgeleid worden dat deze zwangerschap het gevolg
is van een foutief uitgevoerde ingreep. Het is bekend (zie
bijv. NJ 1986, nr. 334) dat ook na een goed uitgevoerde
sterilisatie door middel van coagulatie er een geringe kans
blijft bestaan op het ontstaan van zwangerschap. De rechtbank
stelt voorop dat uit het medische dossier niet van
onregelmatigheden tijdens de beide ingrepen is gebleken en dat
er acht en een half jaar zijn verstreken voordat de
zwangerschap ontstond. Uitgaande van een normale frequentie
van geslachtelijk verkeer tussen A en haar echtgenoot had het
voor de hand gelegen dat de zwangerschap zich in een veel
eerder stadium had voorgedaan, indien de sterilisatie niet
juist zou zijn verricht. Dit zou weer anders kunnen zijn,
indien A in het verleden (heel) moeilijk zwanger zou zijn
geworden, maar daaromtrent is niets gesteld noch is daarvan
gebleken. Een en ander schept het vermoeden dat de
sterilisatie-ingrepen op juiste wijze zijn uitgevoerd.
3.7. A heeft zich bereid verklaard zich aan laparoscopisch
onderzoek te onderwerpen. Gelet op hetgeen hiervoor is
overwogen dienen de kosten van zo’n onderzoek in eerste
instantie door A te worden gedragen. De rechtbank vraagt zich
echter af of A een dergelijk onderzoek ook wenst te ondergaan
indien mocht blijken dat, gezien het tijdsverloop en de
laatste zwangerschap van A, de kans gering is dat door middel
van laparoscopisch onderzoek kan worden vastgesteld of X de
sterilisatie-ingrepen in 1983 volgens de toenmalige stand der
wetenschap al dan niet juist heeft uitgevoerd. Mocht A deze
vraag positief beantwoorden, dan komt de rechtbank een
onderzoek door een of meer deskundigen voorshands het meest
geraden voor. Mocht A deze vraag negatief beantwoorden dan
lijkt het de rechtbank voorshands geraden (allereerst) een
deskundigenonderzoek te gelasten naar de vraag hoe groot de
kans is dat een laparoscopisch onderzoek antwoord kan geven op
de vraag of X de sterilisatie-ingrepen in 1983 volgens de
toenmalige stand der wetenschap al dan niet juist heeft
uitgevoerd. De rechtbank zal daarom een comparitie van
partijen gelasten teneinde deze punten met partijen te
bespreken. Partijen kunnen zich dan ook uitlaten over het
aantal te benoemen deskundigen, de perso(o)n(en) van de
deskundige(n), de aan de deskundige(n) te stellen vragen en
het aan de deskundige(n) te betalen voorschot. De rechtbank
geeft partijen in overweging reeds voorafgaande aan de
comparitie omtrent deze aspecten met elkaar van gedachten te
wisselen.
Ter comparitie zal verder ter sprake komen op welk bedrag A de
omvang van haar vordering schat.
(…)

Rechters

Mrs Von Maltzahn, Fockema Andreae-Harsuiker, Davids

Instantie: Rechtbank Roermond, 13 september 1994

Instantie

Rechtbank Roermond

Samenvatting


Vanaf 1961 ontving eiseres een AWW-uitkering en een uitkering ingevolge
de Invaliditeitswet, de voorloper van de WAO. Bij de inwerkingtreding van
de WAO in juni 1967, bevatte de overgangsregeling een
anti-cumulatiebepaling op grond waarvan de WAO-uitkering slechts wordt
uitbetaald voorzover deze de AWW-uitkering overtreft. De rechtbank stelt
vast dat onderhavige anti-cumulatiebepaling alleen voor vrouwen heeft
kunnen gelden, waarmee de ongelijke behandeling een gegeven is. Vanaf 23
december 1984, de datum waarop art. 26 BuPo-verdrag rechtstreekse werking
kreeg, zijn er geen rechtvaardigingsgronden voor deze ongelijke
behandeling aan te wijzen.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder geweigerd terug te komen op het
in rechte onaantastbaar geworden besluit van 4 maart 1970. Daartoe is
overwogen:

“Het bestuur van de bedrijfsvereniging is van oordeel dat zich geen nieuwe
feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die aanleiding zouden kunnen
geven om terug te komen op de beslissing van 4 maart 1970.

Ook zijn er naar het oordeel van het bestuur geen argumenten aangevoerd
die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de beslissing van 4 maart
1970. Het bestuur heeft daarom besloten het verzoek om terug te komen op
de beslissing van 4 maart 1970 af te wijzen.”.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld. De door verweerder terzake van dit
beroep ingezonden stukken zijn op 7 april 1992 in afschrift aan de
gemachtigde van eiseres gezonden. Verweerder heeft op 15 juli 1992 een
contra-memorie ingezonden. De tijdens de loop van dit geding aan het
dossier toegevoegde stukken zijn aan partijen gezonden.

Het beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van de rechtbank op
24 augustus 11994. Eiseres is in persoon verschenen bijgestaan door mw.
mr. A. Lemmens, medewerkster van het Buro voor rechtshulp Zuid-Limburg,
als haar raadsvrouwe, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen
door S. Maas, medewerker Administratiekantoor (GAK) te Maastricht.

II. Overwegingen.

Het onderhavige geding is bij de Raad van Beroep te Roermond aanhangig
gemaakt. Op 1 juli 1992 is in werking getreden de wet van 3 juni 1992,
Stb. 278, strekkende tot integratie van de raden van
beroep/ambtenarengerechten en de arrondissementsrechtbanken. Ingevolge
deze wet is de rechtbank met de behandeling van het geding belast.
Vervolgens is op 1 januari 1994 in werking getreden hoofdstuk 8 van de
Algemene Wet bestuursrecht (AWB) alsmede, in verband daarmee, een wet tot
aanpassing van een groot aantal wetten. Ingevolge artikel I, lid 6 van de
bij de AWB behorende overgangsbepalingen is ten aanzien van de verdere
behandeling van het beroep vanaf 1 januari 1994 het procesrecht volgens
de AWB van toepassing.

Eiseres is vanaf 1 september 1961 in aanmerking gebracht voor een
uitkering ingevolge de Invaliditeitswet (IW). Vanaf 1 juli 1961 ontvangt
eiseres een weduwenpensioen ingevolge de Algemene weduwen- en wezenwet
(AWW). Sedert 1 januari 1963 werd aan eiseres op haar uitkering ingevolge
de IW een toeslag verleend op grond van de Interimwet
invaliditeitsrentetrekkers (IWI). Ingevolge het bepaalde in artikel 20 van
de IWI werd de toeslag slechts uitbetaald indien en voorzover deze het
bedrag van het weduwenpensioen overtrof. Bij de inwerkingtreding van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op 1 juli 1967 werd de
uitkering ingevolge de IW en IWI omgezet in een uitkering ingevolge de
WAO. Ingevolge het bepaalde in artikel 7 van de Wet overgangsregeling
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WOA) wordt indien degene aan wie een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, tevens recht heeft op een
voor de dag van ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingegaan
weduwenpensioen ingevolge de Algemene weduwen- en wezenwet, de
arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald indien en voorzover
deze het bedrag van het weduwenpensioen overtreft.

Van de toekenning van een uitkering ingevolge de WAO en de toepassing van
artikel 7 van de WOA ingaande 1 juli 1967 werd eiseres op 4 maart 1970 in
voor beroep vatbare vorm kennis gegeven. Tegen die beslissing werd geen
beroep ingesteld. Naar aanleiding van een wijziging in de uitbetaling van
de AWW-uitkering per 1 januari 1990 en de daarmee verband houdende
wijziging van uitbetaling van de WAO-uitkering is namens eiseres op 5
februari 1991 aan verweerder gevraagd terug te komen op de beslissing van
4 maart 1970 alsmede, subsidiair, de per 1 januari 1991 doorgevoerde
verlaging van de WAO-uitkering ongedaan te maken. Bij het bestreden
besluit is het primaire verzoek van eiseres, overeenkomstig de beslissing
van verweerders zogeheten Kleine Commissie, afgewezen. Aan het subsidiair
door eiseres gevraagde is verweerder alsnog bij afzonderlijk schrijven
(deels) tegemoet gekomen.

Reeds ten tijde van het aanhangig maken van onderhavige procedure als ook
gedurende de uitvoerige schriftelijke voorbereiding en het verhandelde ter
zitting is duidelijk geworden dat het verzoek van eiseres van 5 februari
1991 aldus moet worden verstaan dat zij verzoekt om terug te komen op de
beslissing van 4 maart 1970 dan wel herziening van de gevolgen van de
beslissing op enig tijdstip daarna. Het vorenstaande heeft verweerders
gemachtigde ter zitting aanleiding gegeven op te merken dat onderhavige
beslissing zich weliswaar beperkt tot een beslissing zich weliswaar
beperkt tot een beslissing op het verzoek van eiseres ‘in enge zin’, doch
dat hij er, eveneens gelet op de gewisselde stukken en het daarin
verwoorde standpunt van verweerder, geen moeite mee heeft de inhoud van
de beslissing mede vast te stellen aan de hand van de kennelijke strekking
die eiseres met haar verzoek heeft geoogd. Gezien het vorenstaande alsmede
op gronden van proceseconomische aard wenst de rechtbank de inhoud van de
beslissing aldus te lezen dat daarin niet alleen geweigerd wordt om terug
te komen op de beslissing van 4 maart 1970, maar ook om ingaande een later
tijdstip de korting van het weduwenpensioen op de WAO-uitkering van
eiseres ongedaan te maken.

In dit geding is de vraag aan de orde of verweerders weigering, – om terug
te komen op zijn besluit van 4 maart 1970 dan wel – de effecten van dat
besluit op enig tijdstip daarna (tot en met 22 april 1991) te herzien, de
rechterlijke toets kan doorstaan.

De rechtbank beantwoord de eerste hiervoor geformuleerde vraag
bevestigend. Een bedrijfsvereniging is in beginsel bevoegd, indien dit in
het voordeel is van de daarbij betrokkene, op een vroeger besluit, welk
formele rechtskracht bezit, terug te komen, dit in te trekken en een nieuw
besluit te geven. Bij afwijzing van zulk een verzoek kan het
desbetreffende besluit niet meer en niet anders inhoudende dan een
weigering om op het reeds eerder genomen besluit terug te komen en dit te
herzien in de door belanghebbende beoogde zin.

Gelet op de aard van een in het kader van zojuist bedoelde bevoegdheid
genomen weigeringsbesluit, dient de rechter in het oog te houden dat hij
niet te werk mag gaan alsof rechtstreeks beroep openstaat tegen het
besluit waarvan herziening geweigerd is. Hij zal zich daartegen, wat de
toetsing van dat besluit betreft, terughoudend dienen op te stellen en
zich met name moeten beperken tot het beantwoorden van de vraag of op
grond van gegevens, die na het oorspronkelijke besluit berust op een
zodanig onjuiste feitelijke of juridische grondslag dat niet in
redelijkheid geweigerd kon worden van dat besluit terug te komen. Ook zou
er ruimte zijn voor aantasting van het aan de rechter voorgelegde nadere
besluit, indien geconstateerd zou moeten worden dat bij de voorbereiding
van dat laatste besluit (andere) algemene beginselen van behoorlijk
bestuur of algemene rechtsbeginselen geschonden zijn. Naar het oordeel van
de rechtbank dient ook bij een terughoudende toetsing geoordeeld te worden
dat verweerder in redelijkheid niet gehouden was op het besluit van 4
maart 1970 terug te komen omdat zich geen nieuwe feiten hebben voorgedaan
ten aanzien van het recht van eiseres op uitkering ingevolge de WOA.

Op de tweede hiervoor geformuleerde rechtsvraag met betrekking tot
verweerders weigering om ingaande een latere datum de korting van het
weduwenpensioen op de WAO-uitkering ongedaan te maken, komt de rechtbank
tot de conclusie dat het bestreden besluit op dat onderdeel de
rechterlijke toets niet kan doorstaan. Dienaangaande overweegt de
rechtbank als volgt. In de periode van het einde van de jaren 1960 tot aan
de datum van het verzoek van eiseres in 1991 hebben zich een groot aantal
ontwikkelingen voorgedaan welke hebben geleid tot opname van
discriminatieverboden in nationaal wettelijke regelingen en zijn
internationale en supra-nationale wettelijke regelingen tot stand gekomen
die discriminatie beogen uit te bannen, te weten de richtlijn van de Raad
van de Europese Gemeenschappen (EG) van 19 december 1978 (de derde
richtlijn) en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake
Burgerrechten en Politieke Rechten, Trb. 1978/177 (BuPo- verdrag).

Omtrent de vraag of de derde richtlijn ten aanzien van eiseres gelding
heeft blijft onduidelijk om welke redenen eiseres in november 1950 en
november 1951 haar werkzaamheden staakte. Dat betrokkene die werkzaamheden
staakte in verband met een van de in artikel 3 lid 1 sub a van de derde
richtlijn genoemde oorzaken, acht de rechtbank niet aangetoond of
aannemelijk gemaakt. Met name de vermelding dat betrokkene vanaf haar
dertiende jaar (1948) bekend is met reuma en sedert 1949 onder
specialistische behandeling staat hoeft nog niet te betekenen dat zij
(laatstelijk) op 26 november 1951 haar werkzaamheden wegens ziekte heeft
gestaakt. Bij gebrek aan voldoende bewijs moet het er derhalve voor worden
gehouden dat eiseres niet valt onder de personele werkingssfeer van de
derde richtlijn, zodat het standpunt van verweerder getoetst moet worden
aan artikel 26 BuPo-verdrag.

Zoals in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep reeds meermalen
tot uitdrukking is gebracht, betreft het hier een ieder verbindende
bepaling van internationaal recht, waarvan de werking zich mede uitstrekt
tot het gebied van de sociale zekerheid en welke door justitiabelen in het
algemeen met ingang van 23 december 1984 rechtstreeks kan worden
ingeroepen. In bredere zin is voorts in de jurisprudentie aanvaard dat
artikel 26 BuPo-verdrag mede omvat een gebod aan de verdragspartijen om
wettelijke regels te vrijwaren van ieder vorm van door die bepaling
verboden discriminatie; hiervan is geen sprake, indien kan worden
vastgesteld dat een door een regelgeving ten aanzien van rechtssubjecten
teweeggebracht onderscheid berust op objectieve en redelijke gronden.

Door verweerder wordt niet tegengesproken dat er sprake is van ongelijke
behandeling. Door verweerder wordt evenwel aangevoerd dat door die
ongelijke behandeling rechtvaardigingsgronden zijn aan te voeren die
zouden liggen in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7 WOA
en liquidatie van de invaliditeitswetten.

Ook voor de rechtbank staat vast dat er sprake is van ongelijke
behandeling. Immers vanaf 23 december 1984 kan een man die in
vergelijkbare omstandigheden verkeert als eiseres aanspraak maken op zowel
een uitkering ingevolge de WAO als een uitkering ingevolge de AWW, zonder
dat er sprake is van korting van de ene uitkering op de andere. Die
korting wordt slechts toegepast bij degene aan wie een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op basis van de WOA is verleend per 1 juli
1967 terwijl reeds voor de ingang van die arbeidsongeschiktheidsuitkering
een pensioen op basis van de AWW is toegekend. Nu aan gehuwde mannen niet
eerder dan ingaande 23 december 1984 een AWW-pensioen kan worden toegekend
kan deze anticumulatiebepaling nimmer voor mannen gelden. Anders dan
verweerder echter is de rechtbank van oordeel dat voor de geconstateerde
discriminatie geen rechtvaardigingsgronden zijn aan te wijzen. Immers het
mag zo zijn dat er voor de wetgever goede redenen waren om bij de
samenloop van een uitkering op basis van de IW (en later de IWI en WAO)
met een uitkering ingevolge de AWW een anticumulatiebepaling op te nemen,
en de toepassing van artikel 26 BuPo-verdrag verplicht dan ook niet tot
ongedaanmaking van een rechtsregel die tot stand is gekomen in een periode
dat justitiabelen nog geen rechtstreeks beroep konden doen op die
bepaling, maar niet valt in te zien dat er vanaf het moment dat artikel
26 BuPo-verdrag rechtstreekse werking heeft, een rechtvaardigingsgrond is
aan te wijzen voor de vanaf dat moment optredende ongelijke behandeling.
Derhalve is de rechtbank van oordeel dat vanaf 23 december 1984, op grond
van de rechtstreeks werkende bepaling van artikel 26 BuPo-verdrag, eiseres
recht had op toepassing van dezelfde regeling als de man die in gelijke
omstandigheden verkeert, hetgeen betekent dat ook ten aanzien van haar
geen korting op de WAO-uitkering mag worden toegepast. Het vorenstaande
brengt met zich mee dat het bestreden besluit niet in stand kan worden
gelaten en derhalve dient te worden vernietigd. Verweerder zal op verzoek
van eiseres dienen te beslissen en daarbij dienen na te gaan vanaf welke
datum zij haar aanspraken te gelde kan maken.

Ten aanzien van de vraag of op basis van het arrest van de Hoge Raad van
1 december 1993, nr. 243, inzake Snijders-Simons reeds eerder dan 23
december 1984 van onverbindendheid van artikel 7 WOA kan worden gesproken
merkt de rechtbank op dat het in het genoemde arrest van de Hoge Raad
handelde om de toetsing van een algemene maatregel van bestuur. In het
onderhavige geval is de door eiseres aangevochten regeling neergelegd in
een wet in formele zin, zodat de rechtbank niet aan toetsing van deze
bepaling aan de Grondwet of de ongeschreven beginselen van het Nederlandse
recht toekomt.

Tenslotte overweegt de rechtbank dat het tweede lid van artikel I van de
hierboven reeds genoemde overgangsbepalingen aangeeft dat op het
onderhavige geding het bij en krachtens de AWB bepaalde omtrent vergoeding
van proceskosten van toepassing is. Nu de rechtbank termen aanwezig ziet
om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 lid 1 van de AWB.
juncto het Besluit proceskosten bestuursrecht (BPB), beslist zij in dat
opzicht als in rubriek II aangegeven.

Al het vorenoverwogene leidt tot de volgende beslissing

Beslissing

De arrondissementsrechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht; verklaart het beroep gegrond en vernietigt het
bestreden besluit voor zover het betreft de weigering om de korting op de
aan eiseres toekomende WAO-uitkering ongedaan te maken; bepaalt dat
verweerder op dat punt een nieuw besluit neemt met inachtneming van het
in deze uitspraak overwogene;

verklaart het beroep voor het overige ongegrond; veroordeelt verweerders
bedrijfsvereniging in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank,
aan de zijde van eiseres begroot op ƒ 2130,= (zijnde de kosten van
rechtsbijstand) te vergoeden door verweerders bedrijfsvereniging; bepaalt
dat verweerders bedrijfsvereniging aan eiseres het door deze gestorte
griffierecht volledig vergoedt.

Rechters

Mrs. Brants, Schelfhout, De Jong

Instantie: Rechtbank Middelburg, 7 september 1994

Instantie

Rechtbank Middelburg

Samenvatting


Gevraagd immateriële schadevergoeding ƒ 40.000,- en materiële
schadevergoeding ƒ 10.000,-. Ook al zou het doubleren en het niet
afmaken van de HAVO mede een gevolg zijn van het handelen van gedaagde
dan nog staat niet vast dat zonder dit handelen het anders was gelopen.
Toekenning materiële schadevergoeding ƒ 2.500,- en immateriële
schadevergoeding ƒ 25.000,-.

Volledige tekst

1. Het procesverloop.

Bij dagvaarding en daarbij overeenstemmende conclusie van eis heeft
eiseres, nader te noemen R. gevorderd dat de rechtbank bij vonnis
voorzover toegestaan uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde, nader te
noemen B zal veroordelen aan R te voldoen ten titel van
schadevergoeding een bedrag van ƒ 50.000,= en wel zodanig(e) bedrag(en)
als de rechtbank en goede justitie zal menen te behoren danwel
zodanige(e) bedrag(en) nader op te maken bij staat en te vereffenen,
volgens de wet alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1
maart 1993, subsidiair met de wettelijke rente vanaf de dag van de
dagvaarding tot de dag van algehele voldoening en met veroordeling van
B in de kosten van het geding.

Bij conclusie van antwoord heeft B geconcludeerd tot niet-
ontvankelijkverklaring van R in haar vordering, althans tot ontzegging
aan haar van haar vorderingen met veroordeling van R in de kosten van
het geding.

Bij conclusie van repliek heeft R gepersisteerd.

Bij conclusie van dupliek heeft B gepersisteerd.

Beide partijen hebben produkties overgelegd.

2. De feiten.

2.1. R is geboren in 1974. B, geboren in 1915, heeft in de periode
1980-1984 ontuchtige handelingen gepleegd met R en is bij vonnis van
de rechtbank Middelburg d.d. 2 augustus 1991 daarvoor veroordeeld tot
een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk met een geldboete van
ƒ 5.000,= onvoorwaardelijk.

2.2. R is thans onder psychiatrische behandeling van dr. De Smet te
Oostburg. Blijkens mededeling van deze psychiater lijdt betrokkene aan
“een posttraumatische stressstoornis t.g.v. seksueel misbruik in haar
jeugd. Hierdoor heeft ze terugkerende opdringende onaangename
herinneringen aan de gebeurtenissen, met intens psychisch lijden bij
blootstelling aan gebeurtenissen die aspecten van de traumatische
gebeurtenissen symboliseren of erop lijken. Daarnaast flash-back
episodes, akelige dromen over de gebeurtenissen, met pogingen deze
prikkels te vermijden o.a. door gedachten of gevoelens horende bij het
trauma te vermijden. Daarnaast vertoont ze periodes van verminderde
belangstelling voor belangrijke activiteiten, periodes van
concentratiestoornissen, prikkelbaarheid, slaapstoornissen. E.e.a. zou
natuurlijk invloed kunnen hebben op het vermogen om haar
schoolopleiding met goed gevolg te beeindigen. Ook haar stemming is
periodes vaak gestoord geweest (depressief) n.a.v. het gebeuren in het
verleden.”

3. Het geschil.

3.1. R stelt, dat B door het plegen van genoemde ontuchtige handelingen
onrechtmatig heeft gehandeld jegens R en dat zij als gevolg daarvan
zowel materiële als immateriële schade heeft geleden, waarvoor B
aansprakelijk is. R begroot de door haar geleden en nog te lijden
immateriële schade op ƒ 40.000,=. De materiële schade, bestaande uit
het tweemaal doubleren op de middelbare school en het uiteindelijk
staken van de schoolopleiding, alsmede uit de wekelijkse reiskosten van
het bezoek aan haar psychiater te Oostburg, wordt door haar begroot op
ƒ 10.000,=.

3.2. B betwist dat D schade heeft geleden en stelt dat de problemen van
R ook andere oorzaken hebben dan de -door hem erkende- ontuchtige
handelingen. Seksueel getinte relaties tussen een oudere en een jonger
persoon zijn niet per definitie schadelijk, in welk verband B wijst op
het feit dat ontucht met jongeren in de leeftijd van 12 tot 16 jaar
thans een klachtdelict is. In dat verband wijst hij erop dat R steeds
vrijwillig bij hem is gekomen en dat hij nooit druk op haar heeft
uitgeoefend. Wat de schade betreft acht B de gestelde immateriële
schade exorbitant hoog; de immateriële acht hij onvoldoende
gespecificeerd en geenszins aangetoond. Tenslotte stelt B dat terzake
van materiële schade hij rauwelijks is gedagvaard, zodat het vorderen
van rente wat dat betreft ongegrond is.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Toepasselijk recht De door R gestelde schade heeft zich in ieder
geval ten dele voorgedaan voor het inwerkingtreden van het thans
geldende BW. De vordering moet dus naar oud recht (art. 140 1 ev OBW)
worden beoordeeld.

4.2. Onrechtmatigheid Vast staat, dat B gedurende en reeks van jaren
ontucht heeft gepleegd met R, dit terwijl laatstgenoemde toen 6 tot 10
jaar oud was. Op grond van het – door B onvoldoende bestreden –
deskundig oordeel van S acht de rechtbank bewezen dat de – niet
bestreden – psychische problemen van R veroorzaakt zijn door het
handelen van B. Het beroep dat B doet op vrijwilligheid aan de kant van
R wordt door de rechtbank verworpen. Gelet op de toenmalige jeugdige
leeftijd van R en op het feit dat B ook door de ouders van R werd
ingeschakeld voor oppaswerkzaamheden kan geenszins gezegd worden dat er
bij R in relevante zin van vrijwilligheid sprake is geweest. Het beroep
dat B in dit verband doet op het feit dat ontucht thans een
klachtdelict is gaat alleen al niet op omdat dat betrekking heeft op
jeugdigen van 12 tot 16 jaar, terwijl R toen aanmerkelijk jonger was.
Ook de grens van 12 jaar duidt er naar het oordeel van de rechtbank op
dat de wetgever bij kinderen jonger dan 12 jaar niet van vrijwilligheid
heeft willen spreken.

4.3. Materiële schade Vast staat dat R, wonende te H, onder wekelijkse
psychiatrische behandeling is bij dr. S te Oostburg. Dat dit reiskosten
met zich meebrengt is duidelijk. De rechtbank zal deze in redelijkheid
stellen op ƒ 2.500,-. Ook als de rechtbank ervan uit gaat dat het
doubleren en niet afmaken van de HAVO mede een gevolg is van het
handelen van B, dan nog staat niet vast dat zonder dit handelen R de
HAVO wel zou hebben afgemaakt, terwijl dit naar het oordeel van de
rechtbank ook niet meer vast te stellen is. Voor het overige gaat het
hier om immateriële schade, die de rechtbank onder 4.4. zal bespreken.

4.4. Immateriële schade In het onderhavige geval is sprake van een
gedurende een reeks van jaren plegen van ontucht door een toen
omstreeks 65-jarige man met zijn 6 tot 10 jarig buurmeisje, dit terwijl
er een vertrouwensrelatie bestond tussen B en de familie R. Gelet op de
ernst van deze inbreuk op de integriteit van R en rekening houdend met
beslissingen in vergelijkbare zaken, zoals die blijken uit het
smartegeldnummer Verkeersrecht (12e druk 1994), stelt de rechtbank de
immateriële schade in redelijkheid op ƒ 25.000,-

4.5. Rente en kosten Wat betreft de immateriële schade zal de rechtbank
rente toewijzen als gevorderd; ten aanzien van de immateriële (red.
materiële) schade slechts vanaf de datum van dagvaarding nu deze niet
eerder is aangezegd. De rechtbank zal B veroordelen in de kosten van
het geding, nu hij grotendeels in het ongelijk is gesteld.

5. De beslissing.

De rechtbank:

Veroordeelt B aan R tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de
somma van ƒ 27.500,= te vermeerderen met de wettelijke rente over ƒ
25.000,= vanaf 1 maart 1993 en voor wat betreft de overige ƒ 2.500,=
vanaf de dag der dagvaarding, in beide gevallen tot aan de dag der
algehele voldoening.

Veroordeelt B in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan
de zijde van R begroot op ƒ 884,53 voor verschotten en ƒ 1.820,= voor
salaris procureur, te betalen aan de griffier van deze rechtbank.

Verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad. Wijst af het
meer of anders is gevorderd.

Rechters

Mr Begheyn

Instantie: Rechtbank Assen, 2 september 1994

Instantie

Rechtbank Assen

Samenvatting


Afwijzing van verzoek tot voortzetting bijstandsuitkering gedurende
kennismakingsperiode. Hier geen sprake van het in meer dan gebruikelijke
mate ontbreken van de zekerheid dat samenwoning zal leiden tot een
situatie die niet wezenlijk verschilt van een gezinssituatie.

Volledige tekst

1. Ontstaan en loop van het geding De door verweerder ter griffie
ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres
toegezonden. Het beroep is behandeld ter zitting van de zesde enkelvoudige
kamer op 18 augustus 1994. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde.
Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde de heer C.P.A. de Vette,
juridisch medewerker bij de hoofdafdeling Sociale zaken van de gemeente
Emmen.

2. Motivering De rechtbank heeft de volgende feiten en omstandigheden aan
haar beslissing ten grondslag gelegd. Eiseres geniet sedert 10 januari
1991 een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW) tot de norm
van een-oudergezin. Sedert april 1993 verzorgt zij, tegen vergoeding, de
kinderen van de heer S. De kinderen van de heer S verbleven destijds bij
eiseres van zondagavond tot vrijdagavond. De heer S kwam vrijwel dagelijks
enige tijd bij eiseres op bezoek, mede om zijn kinderen naar bed te
brengen.

Op 19 november 1993 heeft eiseres verweerder toestemming gevraagd te mogen
gaan samenwonen voor nadere kennismaking met de heer S met behoud van
bijstand gedurende drie maanden. Zij heeft dit verzoek besproken met mw.
L, ambtenaar in dienst van verweerder. Bij brief van 13 december 1993 is
door het Hoofd van de hoofdafdeling Sociale Zaken van verweerders gemeente
aan eiseres medegedeeld dat haar verzoek werd afgewezen. Voorts is eiseres
medegedeeld dat haar uitkering ingevolge de ABW ingaande 1 december 1993
zou worden stopgezet. Eiseres is met ingang van 1 december 1993 met de
heer S gaan samenwonen. Tegen dat besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder een nadere motivering gegeven
en het bezwaar ongegrond verklaard. In het beroepsschrift heeft eiseres
doen aanvoeren dat het besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel,
nu de ambtenaar met wie zij gesproken heeft bij haar de verwachting heeft
gewekt dat haar aanvraag gehonoreerd zou worden. Voorts is aangevoerd dat
er, gezien onder meer de korte periode van affectie, geen sprake was van
zekerheid dat het samenwonen uiteindelijk zou resulteren in een voor een
gezin vergelijkbare situatie. Verweerder stelt zich op het standpunt dat
er in casu geen sprake is van meer dan gebruikelijke onzekerheid dat het
samenwonen leidt tot een met een gezin vergelijkbare situatie en dat
terecht geen gebruik is gemaakt van de discretionaire bevoegdheid om een
zogenaamde kennismakingsperiode toe te staan. Voorts meent verweerder dat
er geen sprake is van een rechtens te honoreren verwachting, omdat slechts
een mededeling van een beslissingsbevoegde ambtenaar kan leiden tot een
gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel.

De rechtbank overweegt als volgt.

De Circulaire van de Staatssecretaris van CRM van 5 mei 1976, inzake
kennismakingsperiode bij samenwonen c.q. samenleven, biedt ruimte om, in
afwijking van het bepaalde in de Algemene Bijstandswet (ABW), in bepaalde
gevallen de bijstand gedurende een beperkte periode ongewijzigd voort te
zetten. De behoefte aan een kennismakingsperiode waarin nog geen
wederzijdse financiele verantwoordelijkheid wordt aanvaard kan slechts dan
aanwezig worden geacht, indien de zekerheid dat het samenwonen tot een
situatie die niet wezenlijk verschilt van een gezinssituatie zal leiden
in meer dan gebruikelijk mate ontbreekt. Of die zekerheid al dan niet
aanwezig is dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden
van het geval.

Volgens constante jurisprudentie van de Raad van State, Afdeling
Geschillen van Bestuur, wordt het bovenomschreven beleid niet strijdig
geacht met enige rechtsregel. De rechtbank onderschrijft dat oordeel.
Thans dient daarom beoordeeld te worden of verweerder in het onderhavige
geval in redelijkheid heeft kunnen komen tot het bestreden besluit.

Van de zijde van eiseres is aangevoerd dat eiseres en de heer S pas sinds
augustus 1993 een affectieve relatie hebben. Die relatie bestond derhalve
ten tijde van de aanvraag pas ongeveer 4 maanden, doch beide partners
kenden elkaar reeds geruime tijd. De kinderen van de heer S verbleven ten
tijde van de aanvraag al ongeveer 8 maanden vrijwel de gehele week, met
uitzondering van het weekend, in het gezin van eiseres.

Uit die omstandigheden leidt de rechtbank met verweerder af dat in het
onderhavig geval de in de Circulaire bedoelde zekerheid niet in meer dan
gebruikelijke mate heeft onderbroken. Verweerder heeft zich, zo oordeelt
de rechtbank, mitsdien in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat
er geen aanleiding bestond de verzochte kennismakingsperiode met behoud
van bijstand toe te staan. Namens eiseres is voorts aangevoerd dat het
besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel, nu de ambtenaar met wie
zij gesproken heeft bij haar de verwachting heeft gewekt dat haar aanvraag
gehonoreerd zou worden.

Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

Anders dan verweerder meent is niet in alle gevallen doorslaggevend dat
een behandelend ambtenaar niet bevoegd was rechtens bindende toezeggingen
te doen. Het ontbreken van zodanige bevoegdheid sluit naar het oordeel van
de rechtbank op zichzelf nog niet uit dat bij degeen die bijstand
aanvraagt door de mededelingen en/of het optreden van de ambtenaar de
schijn van bevoegdheid gewekt kan zijn.

Van doorslaggevend gewicht is daarbij echter niet of de aanvrager bepaalde
mededelingen of handelingen als een toezegging ervaart, maar of een in
objectieve zin als toezegging op te vatten mededeling is gedaan, waaraan
een in rechte te honoreren verwachting kan worden verbonden. Daarbij rust
op de aanvrager de plicht zich te vergewissen van de zekerheid van de
gedane mededelingen, te meer indien deze voor hem of haar van materieel
gewicht zijn.

Eiseres heeft gesteld dat haar een toezegging is gedaan en dat zij om die
reden per 1 december 1993 al is gaan samenwonen met de heer S.

Voorzover moet worden aangenomen dat de betrokken ambtenaar tegenover
eiseres zich in positieve zin heeft uitgelaten over het door eiseres
gedane verzoek, kan, uit hetgeen daaromtrent door eiser is gesteld, naar
het oordeel van de rechtbank, niet worden afgeleid dat de betrokken
ambtenaar bij eiseres het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat haar
bijstandsuitkering na 1 december 1993 zou worden doorbetaald als zij
daadwerkelijk zou gaan samenwonen. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank
de inhoud van het advies van de betrokken ambtenaar (gedingstuk 2) alsmede
hetgeen de gemachtigde van verweerder terzitting op overtuigende wijze
heeft uiteengezet omtrent aan de ambtenaren gegeven instructies.

Op grond van vorenstaande overweging is de rechtbank van oordeel dat het
bestreden besluit niet in strijd is met het vertrouwensbeginsel.

Met betrekking tot de datum waarmee verweerder de bijstandsuitkering van
eiseres heeft beeindigd overweegt de rechtbank het volgende.

In het algemeen behoort uit oogpunt van rechtszekerheid beeindiging of
verlaging van een uitkering niet eerder in te gaan dan op de datum waarop
betrokkene van de daartoe strekkende beslissing heeft kunnen kennisnemen
of zoveel eerder als beeindiging of verlaging aan betrokkene is
meegedeeld.

Dit houdt echter niet in dat beeindiging of verlaging met ingang van een
eerder tijdstip onder alle omstandigheden strijdig met de rechtszekerheid
moet worden geacht.

Met name is naar het oordeel van de rechtbank van strijdigheid met dit
rechtsbegingsel geen sprake, indien betrokkene niet een gerechtvaardigd
vertrouwen kon hebben dat de bijstandverlening zou worden voortgezet.

Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel
dat eiseres er niet gerechtvaardigd op kon vertrouwen dat de
bijstandsverlening zou worden voortgezet als zij daadwerkelijk zou gaan
samenwonen, temeer daar het besluit op haar verzoek om in aanmerking te
komen voor een kennismakingsperiode haar nog niet schriftelijk was
medegedeeld. Door al voor dat het besluit aan haar bekend was gemaakt te
gaan samenwonen heeft eiseres bewust het risico aanvaard dat dit mogelijk
gevolgen zou hebben voor haar bijstandsuitkering. Van strijd met het
rechtszekerheidsbeginsel is daarom evenmin sprake.

De rechtbank is op grond van het vorenoverwogene van oordeel dat
verweerder in redelijkheid heeft kunnen komen tot afwijzing van de
gevraagde kennismakingsperiode. Op grond van deze overwegingen doet de
rechtbank uitspraak als hierna opgenomen.

3. De uitspraak. De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond. Tegen deze
uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger
beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger
beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepsschrift
bij de Centrale Raad van Beroep. Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen
zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak
door de griffier.

Rechters

mr. M.W. de Jonge

Instantie: Commissie Gelijke Behandeling, 31 augustus 1994

Instantie

Commissie Gelijke Behandeling

Samenvatting


Verzoekster was als fysiotherapeut bij de wederpartij werkzaam in
opeenvolgende tijdelijke contracten. De wederpartij heeft een advertentie
gezet om voor dezelfde functie een medewerker in vaste dienst te werven.
Verzoekster heeft gesolliciteerd naar deze functie, maar is hiervoor
afgewezen. Zij stelt dat de reden hiervoor was dat de wederpartij een
voorkeur voor een man had. De Commissie concludeert dat de wederpartij bij
de beoordeling van de mate van geschiktheid van verzoekster voor de
onderhavige functie en de afwijzing daarvoor, haar impliciete of
expliciete voorkeur voor een man een rol van betekenis heeft toegekend.
De Wet verbiedt het geven van voorkeur aan mannelijke kandidaten. De
Commissie oordeelt dan ook dat de wederpartij bij de beoordeling van de
mate van geschiktheid een verboden selectiecriterium heeft gehanteerd.
Strijd met de Wet.

Volledige tekst

HET VERZOEK

1.1. Op 2 juni 1993 verzocht mevrouw te Egmond aan de Hoef
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of het
te Alkmaar (hierna: de wederpartij) onderscheid
heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster was als fysiotherapeut bij de wederpartij werkzaam in
opeenvolgende tijdelijke contracten. De wederpartij heeft een advertentie
gezet om voor dezelfde functie een medewerker in vaste dienst te werven.
Verzoekster heeft gesolliciteerd naar deze functie, maar is hiervoor
afgewezen. Zij stelt dat de reden hiervoor was dat de wederpartij een
voorkeur voor een man had. Verzoekster is van mening dat de wederpartij
hiermee in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB; Stb. 1989, 168) heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun
standpunten toe te lichten.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 8 juli 1994.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw (verzoekster) – dhr
(toehoorder)

van de kant van de wederpartij – dhr (hoofd rechtspositie en
personeels administratie) – dhr (teamleider) – mw
(verpleegkundige)

van de kant van de Commissie – mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter) –
dhr mr A.W.H. Heringa (lid Kamer) – mw mr A.C. Possel (lid Kamer) – mw mr
A.K de Jongh (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een algemeen ziekenhuis. Verzoekster werkte als
fysiotherapeut in een nevenvestiging van dit ziekenhuis. Zij heeft hier
in de periode van 16 december 1992 tot 1 september 1993 op basis van
opeenvolgende tijdelijke contracten gewerkt. Gedurende tweeeneenhalve
maand, namelijk van 16 december 1992 tot 1 maart 1993, was zij werkzaam
op de afdeling Revalidatie. Een half jaar, namelijk van 1 maart 1993 tot
1 september 1993, verrichtte zij waarnemingen op de afdeling
Hartrevalidatie. Binnen deze periode heeft zij twee tijdelijke contracten
gehad, namelijk van 1 maart 1993 tot 1 mei 1993 en van 1 mei 1993 tot 1
september 1993. Eerder heeft zij vijf weken als uitzendkracht bij de
wederpartij gewerkt.

3.2. Op 17 april 1993 heeft de wederpartij in een aantal dagbladen een
advertentie geplaatst, waarin zij vraagt om een fysiotherapeut m/v voor
de afdeling Hartrevalidatie voor 20 uur per week. Het behandelteam waar
deze fusiotherapeut deel van uit zou gaan maken bestond uit twee
fysiotherapeuten, een verpleegkundige, een arts en een administratief
medewerker. In dezelfde advertentie vroeg de wederpartij om meerdere
fysiotherapeuten als vaste oproepkracht voor de Algemene Revalidatie en
Hartrevalidatie. Op 13 april 1993 was de vacature voor deze functies
intern bekend gemaakt via het publicatiebord in het ziekenhuis. In de
nevenvestiging waar verzoekster werkte is van deze vacatures geen melding
gemaakt.

De wederpartij hanteert de volgende wervings- en selectieprocedure. Eerst
wordt intern geworven. Indien dit geen geschikte kandidaten oplevert,
wordt extern geworven. Als wordt verwacht dat geen of onvoldoende
geschikte interne kandidaten zich zullen aanmelden, wordt gelijktijdig
intern en extern geworven.

3.3. De wederpartij ontving 49 reacties op de advertentie voor
fysiotherapeut, waarvan 31 van vrouwen afkomstig waren en 18 van mannen.
Er zijn vijf kandidaten opgeroepen voor een gesprek, namelijk vier externe
mannelijke kandidaten en een interne vrouwelijke kandidaat, te weten
verzoekster. De sollicitatiegesprekken hebben plaatsgevonden op 19 mei
1993. De sollicitatiecommissie bestond uit het hoofd van de afdeling
Revalidatie, de teamleider, de andere fysiotherapeute in het behandelteam
en een verpleegkundige. Op 25 mei 1993 hebben vier van de vijf kandidaten,
onder wie verzoekster, een schriftelijke afwijzing ontvangen. Op 8 juni
1993 heeft een arbeidsvoorwaardengesprek plaatsgevonden tussen de
overgebleven kandidaat, het hoofd van de afdeling Revalidatie en een
personeelsconsulent. De benoemde fysiotherapeut is een man.

3.4. Over de gebeurtenissen voorafgaande aan de interne vacature-melding
en tijdens en na het sollicitatiegesprek lopen de lezingen van partijen
uiteen.

Verzoekster stelt dat zij voorafgaand aan de interne werving aan de
teamleider haar interesse voor een vaste aanstelling in de functie die zij
vervulde aan de teamleider heeft gemeld. De officiele interne
vacaturemelding is niet bekend gemaakt in de nevenvestiging waar zij
werkte en haar directe chefs hebben haar niet op andere wijze van de
vacaturemelding op de hoogte gesteld. Toen de advertentie verschenen was,
heeft zij nogmaals aan de teamleider meegedeeld voor de functie van
fysiotherapeut bij de afdeling Hartrevalidatie in aanmerking te willen
komen. Tevens vroeg zij of het nodig was dat zij schriftelijk
solliciteerde. De teamleider antwoordde dat dit niet nodig was, aangezien
hij reeds in het bezit was van haar curriculum vitae. Voorts deelde hij
haar mee dat zij zou meedoen aan de sollicitatieprocedure en te zijner
tijd voor een sollicitatiegesprek zou worden opgeroepen. Verzoekster heeft
later aan de teamleider gevraagd wanneer het sollicitatiegesprek met haar
zou plaatsvinden. In eerste instantie antwoordde hij dat zij niet voor een
gesprek werd uitgenodigd omdat zij niet schriftelijk had gesolliciteerd.
Later is haar te kennen gegeven dat zij op dezelfde dag als de andere
kandidaten op sollicitatiegesprek kon komen. Tijdens het
sollicitatiegesprek heeft het hoofd van de afdeling Revalidatie gezegd dat
een voorkeur bestond voor een man. Het patientenbestand bestond overwegend
uit mannen en de nieuwe fysiotherapeut moest over mannelijke zaken zoals
voetbal kunnen meepraten. Verzoekster is vervolgens meegedeeld dat zij,
gelet op de voorkeur voor een man, niet voor de functie in aanmerking kwam
en dat de keuze op een andere kandidaat was gevallen. Na het
sollicitatiegesprek is geen mondelinge toelichting meer op haar afwijzing
gegeven. Er is nadien geen gesprek met de sollicitatiecommissie geweest,
ook geen informeel gesprek tussen haar en het hoofd van de afdeling
Revalidatie.

De wederpartij deelt het volgende mede. Uit een intern onderzoek dat naar
aanleiding van de klacht is ingesteld door het hoofd rechtspositie en
administratie en een personeelsconsulent, is gebleken dat verzoekster
voorafgaand aan de vacaturemelding had laten weten niet op de functie bij
Hartrevalidatie te willen solliciteren. Omdat niet verwacht werd dat
andere interne kandidaten zich zouden aanmelden, besloot de wederpartij
om vlak na de interne bekendmaking ook extern te gaan werven. Verzoekster
heeft haar interesse alleen mondeling kenbaar gemaakt, en dan nog in een
laat stadium, en niet de moeite genomen om schriftelijk te solliciteren.
In principe had verzoekster, op basis van haar tijdelijke aanstelling, de
status van interne kandidaat. Indien zij schriftelijk had gesolliciteerd,
dan was zij op basis van deze sollicitatie uitgenodigd voor een
sollicitatiegesprek. In dat geval waren geen externe kandidaten
uitgenodigd voor een gesprek, voordat een beslissing over verzoekster was
genomen. Overigens is zij, gezien haar status van interne kandidate,
zonder meer voor een sollicitatiegesprek uitgenodigd. Tijdens het
sollicitatiegesprek zijn aan verzoekster geen mededelingen gedaan over
afwijzing. Pas later, in een informeel gesprek tussen verzoekster en het
hoofd van de afdeling Revalidatie, is de afwijzing mondeling toegelicht.
Daarbij zijn uiterst ongelukkige bewoordingen gebruikt. Getracht is de
gedragskenmerken op basis waarvan de afwijzing had plaatsgevonden te
illustreren aan de hand van begrippen als ‘mannelijke kwaliteiten’ die
verzoekster zou ontberen en die noodzakelijk waren, aangezien het
wenselijk was om met de vooral uit mannen bestaande clientele over
‘mannelijke zaken’ mee te kunnen praten en jegens hen met gezag en dus
effectief opdrachten te geven. De werkelijke redenen voor de afwijzing van
verzoekster waren gelegen in het ontbreken van bepaalde gedragskenmerken
en onvoldoende motivatie. Van het interne onderzoek is geen verslag
opgemaakt.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster is van mening dat de wederpartij jegens haar in strijd
met de WGB heeft gehandeld. Deze had een duidelijke voorkeur voor een man,
en dat was ook de werkelijke reden voor haar afwijzing. Deze voorkeur voor
een man blijkt onder andere uit het feit dat er naast verzoekster geen
enkele andere vrouw voor een sollicitatiegesprek is uitgenodigd. Dit
terwijl een van de andere vrouwelijke sollicitanten een aantal jaren
ervaring op het terrein van de functie had en zelfs in het bezit was van
een speciale cursus hartrevalidatie. Ook collega’s hebben bevestigd, dat
de wederpartij een voorkeur voor een man had en dat deze voorkeur reeds
bestond voordat de sollicitatieprocedure begon. Een collega, die deel
uitmaakte van de sollicitatiecommissie, heeft tegen haar gezegd dat indien
mocht blijken dat de vier mannelijke kandidaten zeer ongeschikt waren, de
keuze alsnog op verzoekster was gevallen. Verzoekster heeft de indruk
gekregen dat zij slechts voor spek en bonen aan de sollicitatieprocedure
heeft meegedaan. Volgens haar stond reeds voor het sollicitatiegesprek
vast dat de keuze niet op haar zou vallen. Dit blijkt ook uit het feit dat
de wederpartij al tijdens het sollicitatiegesprek vertelde dat de keuze
op een andere kandidaat gevallen was. Verzoekster is op grond van het
voorgaande dan ook van mening dat van een echt sollicitatiegesprek met
haar geen sprake was. In dit verband merkt verzoekster op dat ondanks het
feit dat zij al voor de interne werving heeft laten blijken dat zij
belangstelling had voor de functie van fysiotherapeut, de wederpartij
niettemin heeft besloten om toch al een externe werving te starten.

Verzoekster wijst voorts op onjuistheden in het verweer van de
wederpartij. Noch tijdens het sollicitatiegesprek, noch in de periode dat
zij als fysiotherapeut werkzaam was bij de afdeling Hartrevalidatie is zij
aangesproken op het ontbreken van genoemde gedragskenmerken. Ook al omdat
de wederpartij niet kan aangeven om exact welke gedragskenmerken het gaat,
wijst verzoekster het bovengenoemde argument af. Ook wijst zij het
argument van de wederpartij van de hand dat zij onvoldoende gemotiveerd
voor de functie zou zijn.

3.6. De wederpartij is van mening dat bij de afwijzing van verzoekster
voor de functie van fysiotherapeute, geen sprake is geweest van
onderscheid in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en
vrouwen. Dat er behalve verzoekster alleen mannen voor een
sollicitatiegesprek zijn uitgenodigd is toevallig.

Verzoekster kwam niet in aanmerking voor een vaste aanstelling als
fysiotherapeut wegens het ontbreken van een combinatie van een aantal
gedragskenmerken. Het betreft de gedragskenmerken overtuigingskracht,
sociabiliteit, onafhankelijkheid, besluitvaardigheid, stressbestendigheid
en vasthoudendheid. Deze gedragskenmerken zijn als selectie- criteria
gehanteerd, na interne discussie binnen de afdeling Hartrevalidatie. Deze
discussie is gehouden naar aanleiding van problemen bij de begeleiding van
een patientengroep.

Een andere reden waarom verzoekster is afgewezen, is dat de wederpartij
er niet van overtuigd was dat verzoekster voldoende motivatie had voor de
onderhavige functie. Zij voldeed weliswaar vaktechnisch aan de gestelde
eisen, maar het ontbrak haar aan zaken als het nemen van initiatieven,
inbreng in het werkoverleg en aanleg/voorkeur voor het werken met groepen.
Ook tijdens het sollicitatiegesprek heeft verzoekster haar motivatie voor
het specialisme en/of het werken met groepen onvoldoende onderbouwd. Ter
zitting heeft de wederpartij aangegeven dat verzoekster weliswaar op
papier een geschikte kandidaat was, maar dat zij alle selectie-criteria
in beschouwing nemend een ongeschikte kandidaat was.

Wat betreft het feit dat verzoekster wel tijdelijk de functie van
fysiotherapeut vervulde, maar niet voor een vaste aanstelling in
aanmerking kwam, stelt de wederpartij dat het ten behoeve van de voortgang
van de patientenzorg soms wenselijk of zelfs noodzakelijk is mensen in
tijdelijke dienst aan te stellen, die niet in aanmerking komen voor een
vaste aanstelling. Daarom stelt zij ten aanzien van tijdelijke medewerkers
soms minder hoge eisen dan ten aanzien van vaste medewerkers.

Tot slot wijst de wederpartij erop dat als vaste oproepkracht voor de
functie van fysiotherapeut twee vrouwen zijn aangenomen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij door verzoekster af te wijzen
voor de functie van fysiotherapeut jegens haar onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt in strijd met de WGB.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt onderscheid te maken tussen mannen en
vrouwen bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking. Artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek lid 1 (BW) verbiedt
onderscheid te maken bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst. Blijkens
artikel 3 lid 2 WGB mag alleen van deze verboden worden afgeweken als er
sprake is van een wettelijke uitzonderingsgrond, dat wil zeggen als er
sprake is van een voorkeursbeleid voor vrouwen, een geslachtsbepaalde
functie of bescherming van de vrouw (artikel 5 lid 1 en 2 WGB en artikel
7A:1637ij lid 2, 3 en 4 BW). De wederpartij heeft geen beroep gedaan op
een mogelijke geslachtsbepaaldheid van de betreffende functie. Ook de
andere uitzonderingsgronden zijn in deze zaak niet van toepassing.

4.3. Allereerst merkt de Commissie op dat zij herhaaldelijk heeft
uitgesproken dat het niet tot haar taak behoort om de geschiktheid van een
kandidaat voor een functie te beoordelen. Zij is, gelet op de Wet, slechts
bevoegd na te gaan of er bij de beoordeling van de (mate van) geschiktheid
onderscheid op grond van geslacht is gemaakt (Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 17 mei 1990,
oordeelnummer 315-90-32, 2 september 1992, oordeelnummer 420- 92-50 en 15
september 1992, oordeelnummer 414-92-53).

4.4. Wat betreft de in het geding zijnde vraag, overweegt de Commissie als
volgt.

Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over de vraag op welk
moment verzoekster haar belangstelling voor de vacature bekend heeft
gemaakt. Verzoekster stelt dat zij dit reeds in een vroeg stadium aan de
teamleider heeft gemeld, ruim voordat de vacature intern bekend werd
gemaakt, en dat zij haar belangstelling twee maal heeft moeten herhalen
alvorens zij voor een sollicitatiegesprek werd opgeroepen. De wederpartij
stelt daarentegen dat verzoekster juist had gemeld geen belangstelling te
hebben. Een en ander heeft aanzienlijke gevolgen gehad voor de gevolgde
procedure, in de zin dat verzoekster tegelijkertijd met externe kandidaten
en ook in vergelijking met hen is beoordeeld.

De Commissie heeft niet kunnen vaststellen welke lezing juist is. Zij kan
zich echter niet aan de indruk onttrekken dat de wederpartij weinig
zorgvuldig is geweest in de communicatie met verzoekster, die immers,
zijnde tijdelijk werkzaam op de betreffende afdeling, geacht had kunnen
worden zich voor de functie als interne kandidaat beschikbaar te stellen.

4.5. Partijen verschillen voorts van mening over het tijdstip waarop de
afwijzing aan verzoekster is meegedeeld en over de vraag wie deze
mededeling heeft gedaan. Vast staat dat daarbij bewoordingen zijn gebruikt
in de zin dat verzoekster niet over de noodzakelijke ‘mannelijke’
kwaliteiten zou beschikken in de omgang met en de bejegening van de vooral
uit mannen bestaande clientele. De wederpartij heeft de opmerking van
verzoekster dat geen negatieve opmerkingen over haar functioneren zijn
gemaakt in de periode dat zij reeds op de betreffende afdeling werkte,
niet tegengesproken. De Commissie neemt voorts in aanmerking dat
verzoekster nog tot 1 september 1993 in dezelfde functie heeft gewerkt.

Gelet op het bovenstaande acht de Commissie het niet aannemelijk dat
verzoekster zodanig ongeschikt was voor de functie als de wederpartij in
haar verweer heeft gesteld.

4.6. De bewoordingen waarin verzoekster haar afwijzing te horen heeft
gekregen en de expliciete verwijzing daarbij naar de vooral uit mannen
bestaande clientele, duiden naar de mening van de Commissie eerder in de
richting dat de wederpartij zich bij de sollicitatieprocedure (mede) heeft
laten leiden door een voorkeur voor een mannelijke functionaris die wegens
zijn geslacht geschikter zou zijn voor de uitoefening van de functie dan
een vrouw. Dit vermoeden wordt versterkt door het feit dat er naast
verzoekster als interne kandidaat met wie volgens de procedure in ieder
geval een gesprek moest worden gevoerd, alleen mannelijke kandidaten voor
een sollicitatie- gesprek zijn uitgenodigd, terwijl er een groot aantal
vrouwen hadden gesolliciteerd van wie in elk geval een op papier
gekwalificeerd leek te zijn.

4.7. Op grond van het bovenstaande is de Commissie tot de overtuiging
gekomen dat de wederpartij bij de beoordeling van de mate van geschiktheid
van verzoekster voor de onderhavige functie en de afwijzing daarvoor haar
impliciete of expliciete voorkeur voor een man een rol van betekenis heeft
toegekend. De Wet verbiedt het geven van voorkeur aan mannelijke
kandidaten. De Commissie concludeert dan ook dat de wederpartij bij de
beoordeling van de mate van geschiktheid een verboden selectiecriterium
heeft gehanteerd.

Daarmee staat vast dat de wederpartij bij de behandeling van de vervulling
van de onderhavige vacature in strijd heeft gehandeld met de artikel 3
WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid
spreekt als haar oordeel uit dat het Medisch Centrum Alkmaar te Alkmaar
bij de behandeling van de vervulling van de onderhavige vacature jegens
mevrouw te Egmond aan de Hoef onderscheid naar geslacht heeft gemaakt
in strijd met artikel 3 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), dhr mr A.W.H. Heringa (lidKamer), mw mr A.C. Possel (lid Kamer), mw mr A.K de Jongh(adjunct-secretaris)

Instantie: Rechtbank Groningen, 29 augustus 1994

Instantie

Rechtbank Groningen

Samenvatting


De inkomenseis in het zogenaamde ‘rariteiten-KB’ is in strijd met de derde
EG-richtlijn. Om de verzekeringsplicht ingevolge de WAO (en overigens ook
Ziektewet en Werkloosheidswet) vast te stellen, wordt bij aan een
dienstbetrekking gelijkgestelde arbeidsverhoudingen een inkomenseis van
veertig procent van het minimumloon gesteld. Eiseres, bezorgster van
kranten en reclamefolders voldeed hier niet aan. Beduidend minder vrouwen
dan mannen kunnen aan deze inkomenseis voldoen. Nu er geen
rechtvaardigingsgrond voor een dergelijk onderscheid naar geslacht is aan
te geven, oordeelt de rechtbank dat in casu sprake is van indirecte
discriminatie en daarmee strijd met de derde EG-richtlijn. Ten overvloede
wordt overwogen dat het hanteren van enig inkomenscriterium
gerechtvaardigd wordt geacht.

Volledige tekst

1. Procesverloop.

Verweerder heeft bij besluit van 6 januari 1993, nr. 844318727, geweigerd
aan eiseres een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder de overweging
dat eiseres op de eerste dag van haar arbeidsongeschiktheid niet verzekerd
was voor deze wet.

Eiseres heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 18 januari 1993, op
nader in een aanvullend beroepschrift van 19 februari 1994 aangegeven
gronden beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 18 maart 1993 de op de zaak betrekking hebbende
stukken aan de rechtbank toegezonden.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend,
door de griffier aan partijen toegezonden.

Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de
rechtbank van 11 februari 1994. De rechtbank heeft bij uitspraak van 11
februari 1994 – verzonden op 25 februari 1994- het onderzoek heropend en
de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

Het geschil is vervolgens behandeld ter zitting van de meervoudige kamer
van de rechtbank van 9 augustus 1994.

Namens eiseres is aldaar verschenen mr. E.C.M. Roelvink, advocaat en
procureur te Winschoten.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. W.M.M.
Hoogendorp, juridisch medewerker bij de afdeling bezwaar en beroep van het
districtskantoor Winschoten, van het Gemeenschappelijk
Administratiekantoor (GAK).

2. Rechtsoverwegingen

Het van toepassing zijnde recht.

Op 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (zoals geplaatst in
Stb. 1994 nr. 1 en verder aan te duiden als Awb) in werking getreden. Op
grond van onderdeel 6, artikel I, zesde lid, eerste volzin, van de wet
voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie (Wet van 16
december 1993, Stb. 1993, Stb. 1993, 650, zoals gewijzigd bij Wet van 23
december 1993, Stb. 1993, 690, Aanpassingswet Awb III), is ten aanzien van
de verdere behandeling van een beroep dat voor de datum van
inwerkingtreding van de Awb bij de rechtbank is ingesteld, het recht van
toepassing zoals het geldt vanaf dat tijdstip. Dit betekent dat het thans
voorliggende beroep verder dient te worden behandeld aan de hand van de
bepalingen van de Awb.

Voor wat betreft de vaststelling van het recht op uitkering moet dit
geschil beoordeeld worden op grond van bepalingen van de WAO (en de van
toepassing zijnde uitvoeringsregelingen), zoals deze luiden op het
tijdstip waarop het bestreden besluit betrekking heeft.

De feiten

Eiseres heeft sedert 1972 de ‘Winschoter Courant’ bezorgd. Sinds een
latere datum, heeft zij ook de verspreiding op zich genomen van bladen als
‘Huis aan Huis’ en het ‘Streekblad’ alsmede reclamemateriaal (folders en
dergelijke) in opdracht van reclamebureau Actief.

Op 26 september 1986 heeft zij verweerder verzocht haar in aanmerking te
brengen voor een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(AAW), wegens bij haar sedert 1 april 1985 ontstane arbeidsongeschiktheid
ten gevolge van rug- heup- en beenklachten. Verweerder heeft aan eiseres
bij besluit van 30 juni 1987 met ingang van 1 april 1986 een AAW-
uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
tachtig tot honderd procent. Deze uitkering heeft verweerder bij besluit
van 13 mei 1992 ingetrokken, vanwege het feit dat aan eiseres met ingang
van 1 februari 1992 een pensioen op grond van de Algemene weduwen en
wezenwet (AWW) is toegekend. Bij brief van 15 juli 1992 heeft de
gemachtigde van eiseres aan verweerder verzocht te beslissen dat eiseres
alsnog in aanmerking wordt gebracht voor een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de WAO per 1 april 1986, althans
per de vroegst mogelijke datum, althans wordt verzocht terug te komen op
het eerder besluit van 30 juni 1987, nu daarin niets werd vermeld omtrent
de rechten van eiseres op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge
de WAO. Zoals gemeld heeft verweerder bij het bestreden besluit de
toekenning van deze uitkering geweigerd.

Ten aanzien van het geschil

Verweerder heeft het bestreden besluit gegrond op de overweging dat
eiseres op de eerste dag van haar arbeidsongeschiktheid niet verzekerd is
voor de WAO, daar zij niet als werknemer in de zin van die wet aangemerkt
kan worden. Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder aangevoerd dat geen
van beide arbeidsverhoudingen waarbinnen eiseres werkzaamheden verrichtte
voor de eerste dag van haar arbeidsongeschiktheid dienstbetrekkingen zijn,
noch als zodanig te beschouwen zijn op grond van een wettelijke
gelijkstelling nu eiseres in geen van beide arbeidsverhoudingen veertig
procent van het minimumloon verdiende. Verweerder acht aldus eiseres noch
verzekerd op grond van artikel 16 WAO juncto artikel 3 lid 1 WAO, noch op
grond van artikel 16 jo. artikel 5 sub d WAO en artikel 2 lid 1 van het
op dit laatste artikel gebaseerde KB van 14 december 1973, Stb. nr. 627
(hierna te noemen: het KB).

De tekst van deze artikelen luidt als volgt.

Artikel 16 WAO: ‘De werknemers in de zin van deze wet zijn verzekerd’;

Artikel 3 lid 1 WAO: ‘werknemer is de natuurlijke persoon, jonger dan 65
jaar die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking
staat’;

Artikel 5 sub d WAO: ‘bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
kunnen regelen worden gesteld, ingevolge welke eveneens als
dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van degene, die
tegen beloning persoonlijk arbeid verricht en wiens arbeidsverhouding niet
reeds ingevolge de voorgaande bepalingen als dienstbetrekking wordt
beschouwd, doch hiermede maatschappelijk gelijk kan worden gesteld’;

Artikel 2 lid 1 van het KB: ‘als dienstbetrekking wordt beschouwd de
arbeidsverhouding van degene, die persoonlijk arbeid verricht op doorgaans
tenminste twee dagen per week tegen een bruto-inkomen dat doorgaans over
een week tenminste zal bedragen 2/5 maal het bedrag als genoemd in artikel
8, eerste lid, onder b, van de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag,
dan wel voor degene, die de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt
en wiens bruto-inkomen uitsluitend in verband met zijn leeftijd op een
lager bedrag is vastgesteld, 2/5 maal het krachtens genoemde wet voor een
werknemer van dezelfde leeftijd geldende minimumloon-bedrag per week’.

Namens eiseres is primair bestreden dat de arbeidsverhouding met
reclamebureau Actief, althans deels, geen dienstbetrekking in de zin van
de WAO is. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Uit de jurisprudentie
blijkt dat om een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van
artikel 3 WAO aan te nemen, aan de criteria die in het privaatrecht worden
gehanteerd om een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht aanwezig te
achten feitelijk moet zijn voldaan. De arbeidsverhouding van eiseres met
Actief voldoet hier niet aan vanwege de afwezigheid van de vereiste
gezagsverhouding. Immers, de feiten in ogenschouw genomen kan niet
geconcludeerd worden dat eiseres haar werkzaamheden ‘in dienst van’ Actief
verrichtte, nu zij — behoudens de verplichting om schriftelijk materiaal
voor een bepaald tijdstip bezorgd te hebben — geheel vrij was haar
werk(tijden) in te delen, per bezorgd exemplaar betaald werd, haar
opbrengsten kon beinvloeden doordat het vrij stond het materiaal zelf te
bezorgen dan wel de bezorging uit te besteden, er geen regeling was
getroffen bij ziekte of vakantie en de omvang van het aangeleverde werk
wisselde. De rechtbank ziet daarbij het zijn van inzamelpunt voor het
schriftelijk materiaal en het coordineren van de bezorging niet als een
te onderscheiden doch als een integraal onderdeel van de te verrichten
diensten zodat ten aanzien van dit deel, anders dan de raadsman van
eiseres heeft betoogd, een aparte benadering vanuit bedoelde criteria niet
aan de orde is.

De rechtbank stelt vast dat niet bestreden is dat eiseres zelf de
werkzaamheden ten behoeve van Actief verrichtte.

Ten aanzien van de arbeidsverhouding met eiseres met de Winschoter Courant
zijn partijen het erover eens dat dit geen dienstverband betreft. Gelet
op de terzake constante jurisprudentie van de Hoge Raad (en zie ook de
uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 december 1993, RSV 1994,
170) kan ook de rechtbank zich hiermee verenigen.

Nu geconcludeerd moet worden dat geen van de dienstverbanden van eiseres
dienstbetrekkingen zijn in de zin van artikel 3 WAO komt vervolgens de
vraag aan de orde of verweerder terecht heeft geoordeeld dat ze ook niet
als zodanig beschouwd kunnen worden op grond van artikel 5 WAO.

Verweerder heeft dit oordeel gebaseerd op het feit dat in de onderhavige
gevallen niet voldaan is aan de inkomenseis die in een situatie als zich
voordeed gesteld wordt in het KB ingevolge dat artikel 5, inhoudende het
doorgaans per week verdiend moeten hebben van veertig procent van het
minimumloon. Namens eiseres is gesteld dat eiseres niet aan deze
inkomenseis hoefde te voldoen omdat deze eis indirect discriminerend werkt
voor vrouwen en deswege daaraan niet mag worden getoetst, gelet op artikel
4, eerste lid van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 19 december 1979, nr. 79/7/EEG (hierna te noemen: de derde richtlijn),
artikel 26 van het VN-verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
van 19 december 1966, Trb. 1978, 177 (hierna te noemen: BuPo) en artikel
1 van de Grondwet.

De rechtbank zal, nu eiseres op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag
behoorde tot de beroepsbevolking en deswege valt onder de werkingssfeer
van de derde richtlijn, eerst de strijdigheid van bedoelde inkomenseis met
het in artikel 4 van deze richtlijn neergelegde verbod tot indirecte
discriminatie beoordelen. Dit artikel heeft rechtstreekse werking vanaf
23 december 1984.

Gelet op de zojuist vermelde bepaling van de derde richtlijn en de daarop
gevormde jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese
gemeenschappen (de rechtbank noemt in dit verband de arresten van 11 juni
1987, Teulings-Worms, RSV 1988/172 en van 13 december 1989,
Ruzius-Wilbrink, RSV 1990/313) zou er sprake zijn van door de richtlijn
verboden discriminatie, indien een veel groter aantal vrouwen dan mannen
door de inkomenseis nadelig zou worden getroffen, terwijl de regeling geen
rechtvaardiging zou vinden in gronden die iedere discriminatie naar
geslacht uitsluiten. Voor de beoordeling van dit laatste is van belang
welk doel de regeling heeft en of de gekozen middelen geschikt en
noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken.

Partijen hebben aangegeven (verweerder bij gemachtigde ter zitting van 9
augustus 1994) ervan uit te gaan dat de inkomenseis een groter aantal
vrouwen dan mannen nadelig treft. Uit de zich onder de gedingstukken
bevindende statistische gegevens, aangeleverd door het CBS, blijkt dat,
althans in 1991, van de personen in loondienst die minder dan veertig
procent van het minimumloon verdienen 77 procent vrouw zijn en 23 procent
man. De rechtbank neemt aan dat een soortgelijke procentuele verdeling ook
geldt voor werkende vrouwen die zonder arbeidsovereenkomst persoonlijk
arbeid verrichten aangezien het al dan niet werken onder vigeur van een
arbeidsovereenkomst haars inziens geen onderscheidend criterium vormt ten
aanzien van de hoogte van de met arbeid verworven inkomsten in onze
samenleving voor vrouwen of mannen. Ook wordt er hier van uitgegaan dat
het jaar 1991 geen zich onderscheidend jaar vormt ten aanzien van de
onderhavige materie ten opzichte van de jaren tachtig. Tevens gaat de
rechtbank er van uit, als een feit van algemene bekendheid, dat zeker niet
meer vrouwen dan mannen in Nederland deel uitma(a)k(t)en van de
beroepsbevolking. Voorts is uit verschillende bronnen bekend dat
deeltijdarbeid bij vrouwen veel vaker voorkomt dan bij mannen (de
rechtbank noemt in dit verband de gegevens, kenbaar uit het eerder
genoemde arrest van het Hof van Justitie van 13 december 1989, Ruzius-
Wilbrink, alsmede verschillende zinsneden uit de Memorie van Toelichting
op het ontwerp dat heeft geleid tot de Wet van 20 december 1979, Stb. 708,
inzake invoering gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen, Tweede
Kamer 1979- 1980, 15706, nr. 3). Uit deze gegevens, in samenhang bezien,
is de conclusie te trekken dat de inkomenseis vrouwen verhoudingsgewijs
veel vaker treft dan mannen. Ook het in de diverse bij de Centrale Raad
van Beroep (CRvB) gevoerde procedures omtrent de inkomenseis die artikel
6 AAW stelt (o.a. CRvB 23 juni 1992, AAW 1991/463) overgelegde
cijfermateriaal ondersteunt deze conclusie.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of er voor de regeling met een effect
als zojuist omschreven rechtvaardigingsgronden bestaan die iedere
discriminatie naar geslacht uitsluiten. Daarvan is sprake indien het
onderhoud op redelijke en objectieve criteria berust, welke noodzakelijk
zijn in verband met de betreffende regeling en welke geschikt zijn om het
met die regeling beoogde doel te bereiken.

Voor een beantwoording van de hiervoor gestelde vraag zijn de motieven van
de wetgever van belang die ten grondslag hebben gelegen aan de
totstandkoming van artikel 5 WAO en de in het daarop gebaseerde KB
neergelegde inkomenseis. Als zodanig komt uit de parlementaire behandeling
van een aantal sociale verzekerings- en fiscale wetten waarbij de aan de
orde zijnde gelijkstelling van hen die persoonlijk arbeid verrichten met
werknemers medio jaren zestig is ingevoerd (WAO, Ziektewet,
Kinderbijslagwet voor loontrekkenden en de Wet op de Loonbelasting 1964
e.d.), en de daaraan voorafgaande advisering door de Sociale
Verzekeringsraad (advies van 10 mei 1967), het volgende naar voren. De
wetgever heeft binnen de sociale verzekeringswetgeving in bepaalde
gevallen gekozen voor werknemersverzekeringen (zo ook bij de WAO) omdat
hij de sociaal-economische positie van personen die hun arbeidskracht
uitsluitend aanwendden ten behoeve van de onderneming van een ander en hun
bestaan vinden in de inkomsten daaruit, en zich aldus in een economisch
afhankelijke positie bevinden ten opzichte van een werkgever, wilde
beschermen bij bepaalde evenementen waardoor inkomsten werden gedorven
door het wegvallen van die arbeidskracht. Van den beginne af is daarbij
aansluiting gezocht bij het begrip arbeidsovereenkomst dat in het civiele
recht werd gehanteerd, omdat in de daarbij toegepaste criteria goed de
afhankelijkheidsrelatie tussen een werknemer en zijn werkgever werd
weergegeven.

Omdat via deze definiering echter niet alle tot de hiervoor bedoelde groep
behorende personen onder de werknemersverzekeringen kwamen te vallen (die
de wetgever daar onder zou willen laten vallen kijkend naar de sociaal-
economisch afhankelijke positie van de totale groep wiens positie niet
sterker was dan de gemiddelde handarbeider) heeft de wetgever ervoor
gekozen om via de systematiek van artikel 5 WAO en het daarop gebaseerde
KB de kring van verzekerden (die onder de werknemersverzekeringen vallen)
uit te breiden. Het motief om, naast een aantal andere voorwaarden, een
inkomenseis te stellen (bij de eerste KB in 1967: 35 procent van het
minimumloon per maand en in het nu te toetsen KB uit 1973: 2/5 van het
minimumloon per week), was naar stellig blijkt uit schriftelijke bronnen
uit die periode gelegen in de wens van de wetgever om slechts hem
verzekerd te laten zijn die de sociale verzekering ook daadwerkelijk nodig
hadden omdat bij arbeidsongeschiktheid (of een ander evenement) hun gehele
inkomen of een belangrijk deel daarvan kwam weg te vallen. Daarbij moet
in ogenschouw worden genomen dat in het tijdsbestek (1967 c.q. 1973)
part-time arbeid verricht binnen het kader van een dienstbetrekking
nauwelijks voorkwam en van de veronderstelling uitgegaan kon worden dat
bij het wegvallen van de arbeidskracht als hiervoor bedoeld de betrokkene
in zijn bestaanszekerheid werd getroffen.

Uitgaande van de vooromschreven doelstellingen van de
werknemersverzekeringen en de toenmalige omstandigheden waarbinnen die
doelstellingen werden gekozen acht de rechtbank het stellen van een
inkomenseis van 35 c.q. veertig procent van het minimumloon bij een
gelijkstellingsbepaling als hier aan de orde, toentertijd vanuit de opzet
van de wet gerechtvaardigd.

Vervolgens komt evenwel de vraag aan de orde of eenzelfde conclusie nog
steeds getrokken moet/kan worden anno 1985. De rechtbank beantwoordt deze
vraag, die verweerder zich blijkens het verhandelde ter zitting van 9
augustus 1994 niet gesteld heeft, negatief. Sinds 1967 c.q. 1973 hebben
zich in onze maatschappij op het gebied van de arbeidsovereenkomst en
andere ‘afhankelijke’ arbeidsverhoudingen grote ontwikkelingen voorgedaan,
waarbij in ieder geval gezegd moet worden dat de part-time
arbeidsverhouding ook voor een zeer gering aantal uren een veel voorkomend
verschijnsel is geworden, en dat ook medio jaren tachtig al was. De
sociaal verzekeringswetgever heeft hierin echter geen aanleiding gezien
werknemers met een (geringe) part-time dienstbetrekking uit te sluiten van
verzekering, ook al wordt bij het wegvallen van de arbeidskracht in een
zodanig dienstverband degene die door een verzekerd evenement getroffen
is niet aangetast in de bestaanszekerheid. Ook degene die arbeid verricht
binnen een arbeidsovereenkomst voor slechts een paar uur per week is
sociaal verzekerd. Wel heeft de wetgever aanleiding gezien om in bepaalde
sociale verzekeringswetten, bijvoorbeeld de Werkloosheidswet,
inkomenseisen te stellen om zogenaamde snipperuitkeringen te vermijden,
om te voorkomen dat uitkeringen zouden moeten worden gedaan die van zo
geringe omvang zijn dat zij niet in een redelijke verhouding staan tot de
uitvoeringskosten. Een dergelijk motief is echter bij de onderhavige
inkomenseis niet aan de orde.

De werknemersverzekering heeft zich aldus ontwikkeld tot een sociale
verzekering voor hen die loon derven in een afhankelijke
arbeidsverhouding, waarbij niet zozeer van belang is of door het wegvallen
van het gedorven inkomen ook de bestaanszekerheid wordt aangetast. Hierbij
wil de rechtbank er nog op wijzen dat ook in 1967 c.q. 1973 de Algemene
Bijstandswet al bestond als ‘vangnetvoorziening’. De rechtbank is van
oordeel dat de wetgever, lettend op de hiervoor geschetste
maatschappelijke ontwikkelingen op het gebied van de arbeidsverhouding,
op zijn minst medio jaren tachtig de gelijkstellingscriteria van het aan
de orde zijnde KB had moeten herzien, waarbij de rechtbank oordeelt dat
een inkomenseis van veertig procent van het minimuminkomen bij een
gelijkstellingsbepaling als de onderhavige op dat moment niet meer
gerechtvaardigd zou zijn geweest/is vanuit de doelstelling van de
werknemersverzekeringen, in casu de WAO. Aldus ontbreekt een
rechtvaardigingsgrond voor hantering van bedoeld inkomenscriterium op het
in de procedure relevante tijdstip. Omdat vervolgens moet worden
geoordeeld dat de in artikel 2 lid 1 van het KB van 14 december 1973 Stb.
nr. 627 gestelde inkomenseis een bij artikel 4 eerste lid van de richtlijn
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1979, nr.
79/7/EEG verboden discriminatie inhoudt, kan het niet voldoen aan deze
inkomenseis niet als weigeringsgrond gehanteerd worden zoals bij het
bestreden besluit is gebeurd. Daarom kan het bestreden besluit niet in
stand worden gelaten, nu de enige weigeringsgrond steunt op een bepaling
die buiten toepassing moet blijven.

Het beroep van eiseres dient derhalve gegrond te worden verklaard en het
bestreden besluit wordt vernietigd.

Nu de rechtbank reeds om de vooromschreven reden tot gegrondverklaring van
het beroep en vernietiging van het bestreden besluit concludeert behoeft
het overigens nog door/namens eiseres daartegen aangevoerde geen verdere
bespreking.

De rechtbank merkt op dat het vorenstaande niet uitsluit dat in het kader
van een wet als de WAO die gericht is op de verzekering van de derving van
eerder verworven inkomen, als voorwaarde voor de uitkering wordt gesteld
dat er van althans enig eerder inkomen sprake is geweest. De rechtbank
acht derhalve het hanteren van enig inkomenscriterium vanuit de opzet van
de wet gerechtvaardigd. Evenzeer gerechtvaardigd acht de rechtbank het
uitgangspunt dat de derving een zekere omvang moet hebben om van een reele
derving te kunnen spreken. Ook kan aldus worden bereikt dat
‘snipperuitkeringen’ — dat wil zeggen uitkeringen van een zo geringe
omvang dat zij niet in een redelijke verhouding staan tot de
uitvoeringskosten — worden vermeden.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel 8:74,
eerste lid, Awb, tevens te worden bepaald, dit het door eiseres betaald
griffierecht door de Grafische Bedrijfsvereniging aan eiseres wordt
vergoed.

De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerder op de voet van artikel
8:75, eerste lid, Awb, te veroordelen in de kosten die eiseres in verband
met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft
moeten maken en wijst het bestuur van de Grafische Bedrijfsvereniging aan
als de rechtspersoon die de kosten moet betalen. Met inachtneming van het
Besluit proceskosten bestuursrecht, Stb. 1993, nr 763, bepaalt de
rechtbank deze kosten op ƒ 2.662,50, zoals nader aangegeven in een bij de
uitspraak gevoegde bijlage.

3. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht,
meervoudige kamer,

Rechtdoende,

-verklaart het beroep gegrond; -vernietigt het bestreden besluit van
verweerder van 6 januari 1993; -bepaalt dat de Grafische
Bedrijfsvereniging eiseres het betaalde griffierecht dient te vergoeden;
-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres, welke zijn
vastgesteld op ƒ 2.662,50 en bepaalt dat de Grafische Bedrijfsvereniging
eiseres deze kosten dient te betalen.

Rechters

Mrs. Duursma, Van der Veen, Holsink

Instantie: Rechtbank Alkmaar, 25 augustus 1994

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Het zoontje van eiseres is op zevenjarige leeftijd gedurende 2,5 jaar seksueel
misbruikt door gedaagde op diens boerderij. Gedaagde is hiervoor veroordeeld
tot het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 160 uren. Gedaagde
bestrijdt het causaal verband tussen de veronderstelde feiten en het bij het
zoontje geconstateerde psychische leed.
De rechtbank gelast een deskundigen-bericht waarbij een antwoord zal moeten
worden gegeven op de vragen welke de aard is van de door het zoontje geleden
en wellicht nog te lijden psychische schade en in hoeverre deze schade moet
worden toegeschreven aan de in ieder geval meermalen door gedaagde gepleegde
ontuchtige handelingen.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure
Van B. heeft bij conclusie van eis, op gronden als in de dagvaarding
ontwikkeld, gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
Van S zal veroordelen aan Van B tegen kwijting te betalen een bedrag van ƒ 50
000, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, vanaf de dag der
dagvaarding, zijnde 8 april 1992, tot aan de dag der voldoening wegens
immateriële schade, te vermeerderen met een bedrag van ƒ 7500 exclusief BTW,
terzake van kosten van rechtsbijstand, alsmede gedaagde zal veroordelen in de
kosten van dit geding. Bij akte overlegging producties heeft Van B stukken in
het geding gebracht.
Bij conclusie van antwoord heeft Van S de vordering bestreden en, onder
aanbieding van bewijs, geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van Van
B in haar vorderingen, althans tot ontzegging daarvan, kosten rechtens.
Van B heeft bij conclusie van repliek haar stellingen nader toegelicht,
stukken overgelegd, een bewijsaanbod gedaan en volhard bij het gevorderde.
Bij conclusie van dupliek heeft Van S zijn standpunt nader uiteengezet en
onder herhaling van zijn bewijsaanbod volhard bij het verweer.
Tenslotte hebben partijen hun procesdossiers aan de rechtbank overgelegd en
vonnis gevraagd.
De behandeling van de zaak:
1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende gemotiveerd
weersproken en deels gestaafd door de overgelegde bescheiden – waaronder een
kopie van een door de gemeentepolitie te Heerhugowaard onder nummer 2347/90
op ambtseed c.q. ambtsgelofte opgemaakt proces-verbaal en de daarin
opgenomen, op 21 februari 1990 door Van S tegenover verbalisant Van der Werf
afgelegde, verklaring- is ten processe het navolgende komen vast te staan:
a. De zoon van eiseres, M., was zeven jaar oud toen hij in 1986 in contact
kwam met Van S, die toen 53 jaar oud was. M. is van maart 1986 tot september
1988 iedere woensdagmiddag en zaterdag bij Van S op de boerderij geweest.
Tijdens deze bezoeken heeft Van S verschillende keren met M. ontuchtige
handelingen gepleegd, bestaande uit het knuffelen en strelen van M. en het
betasten van en trekken aan diens penis. Voorts heeft Van S, terwijl hij een
stijve penis had, M. tegen zich aangedrukt en wel eens het broekje van M.
naar beneden gedaan om zijn kontje te aaien en de hand van M. tegen zijn, Van
S, stijve penis gedrukt.
b. Bij vonnis van deze rechtbank, uitgesproken op 28 mei 1991, is Van S
wegens het plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd
van zestien jaren (M.), meermalen gepleegd, veroordeeld tot het verrichten
van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 160 uren, alsmede
tot 8 maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren,
met (onder andere) de bijzondere voorwaarde dat Van S zich onder behandeling
diende te stellen van de Rutgerstichting.
2. Van B stelt, dat Van S door het plegen van de ontucht onrechtmatig heeft
gehandeld jegens M. en dat M. tengevolge van deze onrechtmatige gedragingen
grote psychische schade heeft opgelopen. Van B verwijst in dit verband onder
andere naar de bij akte in het geding gebrachte bevindingen van psycholoog
mw. drs. G. Boswinkel-Budding. Van B vordert als wettelijk
vertegenwoordigster van M. onder andere een bedrag van ƒ 50 000 als
vergoeding van geleden en nog te lijden immateriële schade.
3. Van S verweert zich tegen deze vordering en stelt daartoe het volgende.
Hij betwist allereerst de door Van B aan haar vordering ten grondslag gelegde
feiten, met name de aard en de omvang van de door hem, Van S, gepleegde
ontucht. Voorts betoogt hij, dat zowel Van B als mw. Boswinkel-Budding ten
onrechte een causaal verband leggen tussen de door hen veronderstelde
ernstige feiten en het bij M. geconstateerde psychische leed. Van S stelt dat
ook andere factoren een vergelijkbaar psychisch leed bij M. hebben kunnen
veroorzaken, zoals bijvoorbeeld M’s disharmonieuze thuissituatie. De door Van
B in het geding gebrachte rapporten missen volgens Van S de noodzakelijke
objectiviteit en deskundigheid.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
a. Vaststaat, dat Van S in de periode van maart 1986 tot en met september
1988 meermalen ontuchtige handelingen, als weergegeven onder de vaststaande
feiten, heeft gepleegd met M. geboren op 28 oktober 1978. Door zich aldus te
gedragen heeft Van S zich jegens M. schuldig gemaakt aan een onrechtmatige
daad. Van S dient op die grond de schade – in casu de immateriële schade –
welke M. heeft geleden te vergoeden.
b. Van S heeft ook niet ontkend, dat kinderen, en dus ook M., tengevolge van
seksueel misbruik, in de vorm van ontuchtige handelingen als in casu gepleegd,
worden beschadigd. Hij stelt zich evenwel op het standpunt, dat de mate van
beschadiging eerst kan worden vastgesteld nadat Van B haar stellingen met
betrekking tot de aard en de omvang van het misbruik zal hebben bewezen.
De rechtbank verwerpt dit standpunt van Van S. Naar het oordeel van de
rechtbank dient een deskundigen-bericht te worden gelast, waarbij een
antwoord zal moeten worden gegeven op de vragen welke de aard is van de door
M. geleden en wellicht nog te lijden psychische schade en in hoeverre deze
schade moet worden toegeschreven aan de in ieder geval meermalen door Van S
gepleegde ontuchtige handelingen. Doorslaggevend is het leed zoals door M.
ondervonden. Exacte aard en omvang van het misbruik behoeven daarbij niet
vast te staan. De deskundige(n) zal (zullen) in het kader van hun onderzoek
rekening kunnen houden met andere factoren, zoals de thuissituatie van M.
5. Uit het hiervoor overwogene blijkt reeds dat de rechtbank het noodzakelijk
acht inzicht te krijgen in het psychische leed van M. De rechtbank is van
oordeel, dat de door Van B overgelegde diagnose van mw. Boswinkel-Budding te
summier is om dat inzicht te kunnen verschaffen. Daar komt nog bij dat dit
rapport inmiddels gedateerd is en dientengevolge geen informatie geeft
omtrent de huidige psychische gesteldheid van M. Gezien het bovenstaande is
de rechtbank van oordeel dat Van B nader bewijs zal dienen te leveren van de
ernst van de psychische schade zoals M. die heeft geleden en nog zou lijden.
Bewijslevering door middel van een deskundigenbericht van een psychiater
lijkt in casu het meest aangewezen.
De rechtbank stelt zich voor de volgende vragen aan de deskundige(n) te
stellen:
1. In welke psychische toestand bevindt M. zich thans?
2. Welke psychische schade heeft M. opgelopen tengevolge van de door Van S
met hem gepleegde ontuchtige handelingen?
3. Hebben andere factoren bij het ontstaan van deze schade een rol gespeeld
en zo ja, welke?
4. Bestaat er uitzicht op volledig herstel van het psychisch letsel en zo ja,
op welke termijn?
5. Heeft u overigens nog op- of aanmerkingen die voor de beoordeling van de
zaak van belang zijn?
6. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen teneinde partijen in de
gelegenheid te stellen zich uit te laten over:
a. het aantal en de perso(o)n(en) van de te benoemen deskundige(n) en
b. eventuele aan de hiervoor geformuleerde toe te voegen vragen aan de
deskundige(n).
De beslissing
De Rechtbank:
Verwijst de zaak naar de rol van donderdag 22 september 1994, voor akte aan
de zijde van eiseres.

Rechters

Mr. C.W.T. Vriezen

Instantie: Rechtbank Breda, 25 augustus 1994

Instantie

Rechtbank Breda

Samenvatting


Partijen zijn 19 jaar gehuwd geweest. Ze hebben twee minderjarige kinderen
van 14 en 16 jaar. De man stelt dat de vrouw in staat moet worden geacht
zodanig inkomen uit arbeid te verwerven dat zij in eigen levensonderhoud
kan voorzien. De rechtbank stelt het volgende vast: inkomen van de vrouw;
zij werkt 16 uur per week; op grond van een verklaring van de werkgever
is aannemelijk geworden dat de vrouw haar werktijd niet kan uitbreiden,
de maandelijkse lasten en uitgaven van de vrouw. Vervolgens concludeert
de rechtbank dat op grond van deze financiele omstandigheden, de duur van
het huwelijk en de stand en staat die partijen tijdens het huwelijk hebben
kunnen voeren de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de
zijde van de man. Alimentatie wordt nihil (geen draagkracht).

Volledige tekst

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

-het op 27 september 1993 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen; -het op
5 oktober 1993 uitgebrachte betekeningsexploit; -het op 10 november 1993
ontvangen verweerschrift, met bijlagen; -de op 16 december 1993 ontvangen
repliek, met bijlagen; -de op 28 januari 1994 ontvangen dupliek met
bijlage; -de stukken in het geding gebracht door de man bij brieven van
zijn advocaat, respectievelijk gedateerd 11 mei 1994 en 26 mei 1994; -de
stukken in het geding gebracht door de vrouw bij brieven van haar
procureur, respectievelijk gedateerd 11 mei 1994 en 9 juni 1994; -het
proces-verbaal van de op 24 mei 1994 gehouden mondelinge behandeling; -de
op 27 december 1993 gegeven beschikking voorlopige voorzieningen.

Verder behoren tot de stukken:

-de uittreksels uit het voogdijregisters betreffende na te noemen
minderjarigen; -het proces-verbaal van het op 17 maart 1994 gehouden
minderjarigenverhoor.

De inhoud van deze stukken dient als hier overgenomen te worden beschouwd.

2. Het verzoek

De vrouw verzoekt thans, samengevat:

-echtscheiding; -bevel tot verdeling van de gemeenschappelijke goederen;
-toekennen van een alimentatie van ƒ 3.000,= per maand; -voorziening in
de voogdij en toeziende voogdij over de minderjarige kinderen van partijen
op de door haar aangegegeven wijze, met vaststelling van een bijdrage in
de kosten van verzorging en opvoeding van ƒ 500,= per maand per kind.

3. De beoordeling

3.1. Tussen partijen staat blijkens de stellingen en overgelegde stukken
vast: -dat zij op in de gemeente met elkaar zijn gehuwd op
huwelijkse voorwaarden; -dat zij uit dit huwelijk 2 minderjarige kinderen
hebben; -dat zij de Nederlandse nationaliteit bezitten; -dat hun huwelijk
duurzaam is ontwricht.

3.2. Het verzoek van de vrouw tot:

-echtscheiding; -verdeling van de gemeenschappelijke goederen;
-voorziening in de voogdij en de toeziende voogdij op de door haar
aangegeven wijze,

ligt als op de wet gegrond en niet weersproken voor toewijzing gereed.

3.3. Partijen zijn verdeeld gebleven over de door de vrouw verzochte
onderhoudsbijdragen ten behoeve van de minderjarige kinderen van partijen
en haarzelf.

3.4. De behoefte van de minderjarigen aan de door de vrouw verzochte
bijdrage is niet bestreden en staat daarmee vast.

3.5. De man heeft de behoefte van de vrouw aan de door haar verzochte
bijdrage voor haar levensonderhoud bestreden, stellende dat zij in staat
moet worden geacht zodanige inkomsten uit arbeid te verwerven dat zij in
haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

Naar de opvatting van de vrouw dient aan dit verweer van de man te worden
voorbijgegaan, daar de man na het feitelijk uiteengaan van partijen haar
behoefte aan de door haar verzochte bijdrage heeft erkend, doordat hij
haar maandelijks ƒ 3.000,= betaalde.

Nu evenwel onduidelijk is gebleven of deze betalingen uitsluitend waren
bedoeld voor het levensonderhoud van de vrouw of ook voor de verzorging
en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen en evenzeer
onduidelijk is gebleven of op dit bedrag niet de eigen inkomsten van de
vrouw in mindering dienden te worden gebracht, verwerpt de rechtbank de
stelling van de vrouw.

Vast is komen te staan dat de vrouw op grond van haar dienstbetrekking van
16 uur per week een inkomen heeft van ƒ 1.294,= netto per maand, te
vermeerderen met vakantietoeslag. Gelet op de overgelegde verklaring van
de werkgever van de vrouw d.d. 25 mei 1994 zijn op dit inkomen
loonbelasting en premies volksverzekeringen gehouden naar tariefgroep 4.

Voor de kosten van woon-werk-verkeer ontvangt de vrouw van haar werkgever
een onbelaste vergoeding van ƒ 72,= per maand.

In aanmerking genomen de verklaring van de werkgever van de vrouw d.d. 10
mei 1994, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk
geworden dat de vrouw haar huidige arbeidstijd kan uitbreiden tot het
niveau van een full-time betrekking. Evenmin is gebleken dat de vrouw
ondanks van haar in redelijkheid te vergen inspanning anderszins erin had
kunnen slagen een volledige betrekking te aanvaarden. Weliswaar is de
vrouw recent naast voormelde betrekking nog een ander dienstverband
aangegaan en wel voor 12 uur per week, maar voldoende staat vast dat dit
dienstverband van kortstondige duur is, zodat de rechtbank met dit
dienstverband -en het inkomen dat daaruit voortvloeit- geen rekening
houdt.

Voor wat betreft de maandelijkse lasten en uitgaven van de vrouw gaat de
rechtbank uit van het op de Algemene Bijstandswet gebaseerde normbedrag
voor een eenoudergezin, exclusief de woonkostencomponent.

Naast de in voormelde normbedrag begrepen noodzakelijke kosten van
levensonderhoud houdt de rechtbank in het bijzonder rekening met de
volgende lasten, per maand:

-f 357,= netto woonlast, te weten ƒ 652,= huur verminderd met ƒ 295,=
huursubsidie; -f 54,= premie motorrijtuigenbelasting; -f 42,= premie
autoverzekering.

Niet is gebleken van andere lasten waarmee in het bijzonder rekening moet
worden gehouden. Met name houdt de rechtbank geen rekening met de volgende
door de vrouw opgevoerde lasten:

-f 90,= per jaar contributie ANWB; -f 57,= per maand nominale premies ZFW
en AWBZ en premie aanvullende ZFW- verzekering.

Deze kosten moet worden geacht uit voormeld normbedrag te kunnen worden
bestreden.

3.6. Op grond van voormelde financiele omstandigheden en in aanmerking
genomen de duur van het huwelijk van partijen alsmede de staat en stand
die partijen tijdens hun huwelijk hebben kunnen voeren, is de rechtbank
van oordeel dat de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van
de zijde van de man.

3.7. De man heeft voorts bestreden draagkracht te bezitten om de door de
vrouw verzochte bijdragen te voldoen.

Voor het vaststellen van de financiele draagkracht van de man gaat de
rechtbank, voor wat betreft de inkomsten van de man, uit van een
WW-uitkering van ƒ 3.718,= bruto per 4 weken, te vermeerderen met
vakantietoeslag.

Partijen zijn verdeeld gebleven over de besteding van de vergoeding die
de man van de werkgever heeft ontvangen nadat op 1 augustus 1993 de
arbeidsovereenkomst van de man is ontbonden.

Nu ten aanzien van die vergoeding door de voormalige werkgever van de man
loonbelasting en premies werknemersverzekeringen zijn ingehouden en
overhevelings- en vakantietoeslag is bijgeteld, kwalificeert de rechtbank
de vergoeding als aanvullend inkomen uit arbeid, waarmee in beginsel bij
de vaststelling van de draagkracht van de man rekening moet worden
gehouden.

Voormelde fiscale aspecten in aanmerking genomen bedraagt de door de man
ontvangen vergoeding -na aftrek van een pensioenvoorziening van ƒ
25.000,=, waartegen de vrouw zich niet heeft verzet- ƒ 64.295,= netto.

Naar het oordeel van de rechtbank strekken op laatstgemeld bedrag de
volgende door de man opgevoerde lasten in mindering:

-f 44.097,= afbetaling schulden Rabobank. De man stelt aan de Rabobank te
Oudenbosch een schuld van ƒ 11.096,= te hebben voldaan en aan de Rabobank
te Elvoirt een schuld van ƒ 48.417,=, tezamen derhalve ƒ 59.513,=.
Gebleken is dat hiervan in het kader van de verdeling van de
gemeenschappelijke goederen van partijen een bedrag van ƒ 8.000,= voor
rekening van de vrouw komt, zodat dit bedrag op genoemde totaalschuld aan
de Rabobank in mindering dient te worden gebracht. Voorts acht de
rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat, gelet op de hoge prioriteit
die aan de alimentatieverplichting van de man ten opzichte van de vrouw
toekomt, de premie levensverzekering na de verkoop van de echtelijke
woning niet meer bij de vaststelling van de draagkracht van de man in
aanmerking behoort te worden genomen.

Derhalve komt op de totaalschuld aan de Rabobank evenzeer een bedrag van
ƒ 1.916,= in mindering, zijnde de premies levensverzekering over de
maanden januari tot en met maart 1994. Tenslotte acht de rechtbank
onvoldoende aannemelijk geworden dat de man na de ontbinding van zijn
arbeidsovereenkomst is genoodzaakt over een auto te beschikken en voor een
auto kosten te maken. Derhalve reduceert de rechtbank de totaalschuld aan
de Rabobank nog met een bedrag van ƒ 5.500,=, zijnde de vanwege de auto
van de man van augustus tot en met december 1993 verschenen termijnen; -f
10.000,= herinrichtingskosten. De rechtbank acht het redelijk met dit
-forfaitaire bedrag rekening te houden, nu de noodzaak tot het maken van
deze kosten niet is bestreden. De rechtbank ziet geen aanleiding een hoger
bedrag zoals door de man gesteld in aanmerking te nemen; -f 7.989,= kosten
van rechtsbijstand; -f 2.670,= hypothecaire last echtelijke woning
augustus 1993; -f 2.431,= premie ziektekostenverzekering augustus tot en
met december 1993; -f 640,= premie levensverzekering augustus 1993.

Geconstateerd moet worden dat reeds door de betaling van bovengenoemde
lasten de door de man ontvangen beeindigingsvergoeding goeddeels is
besteed, zodat deze voor wat betreft de inkomsten van de man verder buiten
beschouwing kan blijven. Anders dan de vrouw is de rechtbank daarbij van
oordeel dat niet kan worden gezegd dat de wijze van besteding van
voormelde vergoeding niet de toets der kritiek zou kunnen doorstaan. Wel
verdient aantekening dat een aanzienlijke schuld van de man aan zijn
familie, gelijk ook de man nadrukkelijk heeft gesteld, bij de vaststelling
van zijn draagkracht buiten beschouwing behoort te worden gelaten, nu de
noodzaak voor het aangaan van die schuld – mede in het licht van de
ontvangen vergoeding- onvoldoende is onderbouwd.

Aangezien niet aannemelijk is geworden dat de man samenwoont met een nieuw
partner, gaat de rechtbank, voor wat betreft de maandelijkse lasten en
uitgaven van de man, uit van het op de Algemene Bijstandswet gebaseerde
normbedrag voor een zelfstandig wonende alleenstaande, exclusief de
woonkostencomponent.

Naast de in voormeld normbedrag begrepen noodzakelijke kosten van
levensonderhoud houdt de rechtbank in het bijzonder rekening met de
volgende lasten, per maand: -f 931,= woonlasten (huur); -f 178,= premie
ziektekostenverzekering; -f 110,= kosten omgangsregeling.

Niet is gebleken van andere lasten waarmee in het bijzonder rekening moet
worden gehouden.

3.8. Op grond van voormelde financiele omstandigheden van de man en
rekening houdend met alle relevante fiscale aspecten, acht de rechtbank
bij de man slechts de draagkracht aanwezig na te melden bijdrage te
voldoen. Overeenkomstig het ter terechtzitting gedane verzoek van de vrouw
zal de rechtbank deze draagkracht ten gunste van de minderjarige kinderen
van partijen laten komen. De rechtbank acht de bijdrage voor de
minderjarigen in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

3.9. Aangezien partijen echtgenoten zijn, zal de rechtbank bepalen dat
iedere partij de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op 27 september 1975 in de
gemeente Vught met elkaar gehuwd;

beveelt de verdeling ten overstaan van een notaris van de
gemeenschappelijke goederen van partijen;

benoemt tot notaris mr. P.J. van der Loo te Etten-Leur, zijn opvolger,
waarnemer of plaatsvervanger, voor wie, zo partijen niet een andere
notaris kiezen, de werkzaamheden van die verdeling zullen plaatshebben,
op de door deze te bepalen tijd en plaats;

benoemt tot onzijdig persoon mr. M. de Koeijer-van Zinnen, tot
vertegenwoordiging van diegene van partijen die niet medewerkt tot de
verdeling;

benoemt, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw tot voogdes over de
minderjarigen: 1. geboren te . 2. geboren te
en de man tot toeziend voogd;

beveelt de afgifte van genoemde minderjarigen aan de vrouw;

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man ten behoeve van de
verzorging en opvoeding van deze minderjarigen een bijdrage van ƒ 300,=
(driehonderd gulden) per maand per kind bij vooruitbetaling zal voldoen
aan de vrouw met ingang van de dag dat de voorziening in de voogdij
ingaat;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Rechters

mr. Poeth