Instantie: Commissie gelijke behandeling, 23 augustus 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Het waterschap waar verzoekster werkzaam is, zal per 1 januari 1995
fuseren met een ander waterschap. Voor deze fusie is een Sociaal Statuut
opgesteld. In het Statuut is bij de plaatsingsvolgorde als uitgangspunt
gehanteerd het aantal dienstjaren van een werknemer. Verzoekster komt niet
in aanmerking voor plaatsing in haar oude functie. De Commissie meent dat
het nog te vroeg is er vanuit te gaan dat verzoekster niet voor deze
functie in aanmerking komt, aangezien er nog geen zekerheid bestaat over
de persoon die definitief tot secretaris zal worden benoemd. De Commissie
concludeert dat er (nog) geen sprake van is dat de wederpartij ten nadele
van verzoekster onderscheid naar geslacht maakt. De Commissie is dan ook
van oordeel dat het verzoek niet door haar kan worden ontvangen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 4 mei 1994 verzocht mevrouw te ‘s-Gravenmoer
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of het
algemeen bestuur van het te Made (hierna: de wederpartij) onder- scheid
op grond van geslacht maakt/heeft gemaakt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Het waterschap waar verzoekster werkzaam is, zal per 1 januari 1995
met een ander waterschap (hierna: waterschap B) gaan fuseren. Voor deze
fusie is een Sociaal Statuut (hierna: het Statuut) opgesteld. In het
Statuut is bij de plaatsingsvolgorde als uitgangspunt gehanteerd het
aantal dienstjaren van een werknemer. Verzoekster komt niet in aanmerking
voor plaatsing in haar oude functie. Zij is van mening dat gelet op de
wijze waarop het Statuut tot stand is gekomen met name het hanteren van
het criterium dienstjaren bij de plaatsingsvolgorde, in strijd is met de
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
spoedprocedure toegepast. In eerste instantie is zowel het waterschap waar
verzoekster werkzaam is als waterschap B als wederpartij aangemerkt.
Uiteindelijk heeft de Commissie geconcludeerd dat slechts het waterschap
waar verzoekster thans werkzaam is als wederpartij kan worden aangemerkt
(zie paragraaf 4.3.). Voorafgaand aan de zitting hebben de wederpartij en
waterschap B op verzoek van de Commissie schriftelijk hun standpunten
uiteengezet.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 8 juli 1994.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw (verzoekster) – mw
(regiojuriste AbvaKabo, gemachtigde) – dhr (toehoorder)

van de kant van de wederpartij – dhr (voorzitter Waterschap
de Ham) – dhr (voorzitter Waterschap de Vierlinghpolders) – dhr
(rechtskundig adviseur, gemachtigde)

van de kant van de Commissie – mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter) –
dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer) – dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer)
– mw mr A.K. de Jongh (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is sinds 1 juli 1989 in de functie van secretaris in
dienst bij de wederpartij, een waterschap. De wederpartij zal per 1
januari 1995 met waterschap B gaan fuseren. In het nieuwe waterschap is
er slechts ruimte voor een secretaris. De secretaris van het waterschap
B is door de dagelijkse besturen van de wederpartij en waterschap B
voorlopig benoemd tot secretaris van de geintegreerde organisatie. Hiervan
is verzoekster in kennis gesteld bij besluit van 22 december 1993. Aan
verzoekster is een andere functie binnen het nieuwe waterschap aangeboden.

De keuze voor de secretaris is gebaseerd op de plaatsings- volgorde zoals
opgenomen in het Statuut, dat in het kader van de fusie is opgesteld. Over
het Statuut is overeenstemming bereikt in het Georganiseerd Overleg voor
de waterschappen in. Hieraan namen deel de provincie van , de betreffende
waterschappen en een aantal vak- organisaties. Als model voor het Statuut
heeft een ander Sociaal Statuut gediend.

De rangorde voor plaatsing (geregeld in artikel 7 van het Statuut) komt
erop neer dat indien meer dan een ambtenaar die voor plaatsing in
aanmerking komt, geschikt is voor eenzelfde functie, de werknemer die het
grootste aantal jaren in burgerlijke overheidsdienst werkzaam is, als
eerste voor plaatsing in aanmerking komen. Aangezien de secretaris van het
waterschap B drie jaar langer in overheidsdienst was dan verzoekster (hij
25 jaar, zij 22 jaar), is hij voorlopig tot secretaris van het nieuwe
waterschap benoemd.

Onderaan de plaatsingsvolgorde in het Statuut staat de volgende bepaling
opgenomen: “Bij gelijke geschiktheid en bij gelijke positie, zal na
toepassing van bovenstaande rangorde aan minderheidsgroepen zoals
allochtonen, vrouwen en gehandi- capten voorrang worden gegeven” (artikel
7 lid 1 sub f).

3.2. De definitieve benoeming van de secretaris van het nieuwe waterschap
zal als volgt tot stand komen. Per 1 januari 1995 zullen Gedeputeerde
Staten van Noord-Brabant ten behoeve van het nieuwe waterschap een
voorlopig bestuur en een voorlopig secretaris benoemen. De dagelijkse
besturen van de wederpartij en waterschap B zullen aan Gedeputeerde Staten
voorstellen de door hen voorlopig benoemde secretaris als voorlopig
secretaris te benoemen. Ook wordt aan Gedeputeerde Staten voorgesteld te
bevorderen dat het algemeen bestuur van het nieuwe waterschap wordt
voorgesteld betrokkene definitief als secretaris te benoemen. Zodra het
algemeen bestuur van het nieuwe waterschap is benoemd, zal het voorlopig
bestuur aan deze de te benoemen secretaris voordragen. Deze is vrij om van
de voordracht af te wijken. De definitieve benoeming van de secretaris zal
uiteindelijk door het algemeen bestuur geschieden.

3.3. Pas ter zitting is gebleken dat verzoekster de onderhavige zaak
voordat zij deze bij de Commissie aanhangig had gemaakt ook aan de rechter
had voorgelegd met een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekster
heeft de uitspraak van de President van de Rechtbank Breda d.d. 9 februari
1994 aan de Commissie overhandigd. Hierin wordt het verzoek om een
voorlopige voorziening afgewezen, omdat er naar het oordeel van de rechter
geen sprake is van onverwijlde spoed. Bovendien wordt overwogen dat indien
er wel sprake was geweest van een spoedeisend belang, het verzoek
niet-ontvankelijk verklaard zou zijn. Als motivatie hiervoor wordt gegeven
dat, aangezien er sprake is van een voornemen om aan de bevoegde organen
voor te stellen de secretaris van waterschap B als secretaris van het
nieuwe waterschap te benoemen, er nog geen sprake is van een definitief
op rechtsgevolgen gericht besluit.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster stelt het volgende. In de eerste plaats maakt verzoekster
bezwaar tegen de wijze waarop het Statuut tot stand is gekomen. volgens
haar heeft hierbij het belang van een aantal andere medewerkers
geprevaleerd boven het belang om op een objectieve wijze te bepalen wie
in welke functie herplaatst zou worden. Hierdoor is de zinsnede over de
voorrangspositie van (onder andere) vrouwen onderaan in de
plaatsingsrangorde geplaatst in plaats van bovenaan, zoals in het Statuut
dat als voorbeeld heeft gediend. Verzoekster erkent tegelijkertijd dat het
bij toepassing van de plaatsingsvolgorde voor de uitkomst niet uitmaakt,
of deze zinsnede voor- of achteraan het artikel staat.

In de tweede plaats stelt verzoekster dat door bij de plaatsingsvolgorde
het criterium dienstjaren te hanteren de wederpartij in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld. Aangezien de vrouwelijke
werknemers van de waterschappen ten opzichte van de mannelijke werknemers
een relatief laag aantal dienstjaren hebben, leidt dit criterium ertoe dat
er bij herplaatsing relatief meer vrouwen dan mannen worden benadeeld.
Verzoekster is van mening dat het doel van het opnemen van de
voorkeursbepaling in het Statuut, namelijk het voorkomen van een
achterstelling van minder- heidsgroepen, wordt doorkruisd door als
plaatsingscriterium dienstjaren te hanteren. De benadeling van vrouwen kan
niet worden gerechtvaardigd door het feit dat de Unie van waterschappen
een soortgelijke plaatsingsvolgorde aan de fuserende waterschappen heeft
aanbevolen. Zo’n aanbeveling neemt namelijk niet weg dat bij herplaatsing
de uiterste zorgvuldigheid betracht moet worden. Het had de waterschappen
moeten opvallen dat de plaatsingsvolgorde voor vrouwen een nadelige
uitkomst had en zij hadden daar passende maatregelen voor dienen te
treffen.

3.5. De wederpartij stelt het volgende. Het hanteren van het criterium
diensttijd bij de plaatsingsrangorde leidt niet tot indirecte
discriminatie van vrouwen. Om te voorkomen dat het belang dat aan
diensttijd wordt gehecht, voor vrouwen indirect discriminerend werkt, is
in het Statuut een bepaling opgenomen, krachtens welke voor de berekening
van de diensttijd mede in aanmerking wordt genomen tijd gewijd aan de
verzorging van kleine kinderen. Bovendien wordt diensttijd doorgebracht
in een deeltijd- functie, volledig meegeteld bij de berekening van het
aantal dienstjaren.

Het besluit om de zinsnede over de voorrangspositie van (onder andere)
vrouwen onderaan de plaatsingsvolgorde te plaatsen is genomen op voorstel
van de werknemersvertegen- woordiging die bij de totstandkoming van het
Statuut betrokken was. De Unie van waterschappen heeft de water-
schapsbesturen deze plaatsingsvolgorde aanbevolen. Aan deze aanbeveling
lag ten grondslag de plaatsingsvolgorde in een ander Sociaal Statuut, dat
als voorbeeld heeft gediend. De plaats van de voorkeurszin in de
plaatsingsvolgorde is echter niet van invloed op de positie van vrouwen
bij de plaatsing.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met de WGB handelt
of heeft gehandeld door bij de plaatsingsvolgorde diensttijd als criterium
te hanteren. Voorts is aan de orde de vraag of de wijze waarop het Statuut
tot stand is gekomen tot strijd met de WGB leidt.

4.2. Artikel 1a WGB schrijft voor dat het bevoegd gezag geen onderscheid
mag maken tussen mannen en vrouwen in onder meer de arbeidsvoorwaarden en
bij de beeindiging van het dienstverband. Dit verbod betreft zowel het
maken van direct als indirect onderscheid. Van indirect onderscheid is
sprake wanneer door het hanteren van een op zichzelf sekse-neutraal
criterium in overwegende mate personen van een bepaald geslacht worden
getroffen, zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat
(artikel 1 WGB). Van het in artikel 1a neergelegde verbod mag volgens
artikel 5 lid 1 WGB worden afgeweken, indien het gemaakte onderscheid
beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke
ongelijkheden op te heffen.

4.3. Alvorens de in het geding zijnde vragen beantwoord kunnen worden, zal
de Commissie eerst vaststellen wie in het onderhavige geval als
wederpartij kan worden aangemerkt. Vast staat dat het dagelijks bestuur
van het waterschap waar verzoekster voor werkt en het dagelijks bestuur
van waterschap B een voorlopig secretaris voor de geintegreerde
organisatie hebben aangewezen. De definitieve benoeming van de secretaris
zal door het algemeen bestuur van het nieuwe waterschap geschieden. Dit
bestuur zal echter pas in 1995 aantreden.

De Commissie is van oordeel dat in het onderhavige geval het waterschap
waar verzoekster werkzaam is als wederpartij moet worden aangemerkt. In
relatie tot verzoekster, namelijk als werkgever, is deze immers als het
bevoegd gezag aan te merken.

4.4. Vervolgens komt de vraag aan de orde of verzoekster in haar verzoek
ontvangen kan worden. De Commissie overweegt hierover als volgt.

In het onderhavige geval hebben de dagelijkse besturen van de wederpartij
en waterschap B besloten tot een voorlopige benoeming van de secretaris
van de geintegreerde organisatie van beide waterschappen. De keuze die zij
hebben gemaakt is gebaseerd op dezelfde uitgangspunten als neergeleged in
het Statuut. Voordat de voorlopig benoemde secretaris voor de
geintegreerde organisaties definitief tot secretaris kan worden benoemd,
zal het besluit daartoe achtereenvolgens nog genomen moeten worden door
Gedeputeerde Staten van Noord- Brabant, door het voorlopig bestuur van het
op te richten waterschap en ten slotte door het algemeen bestuur van het
nieuwe waterschap. Het algemeen bestuur is vrij om van de voordracht af
te wijken. Gezien de vele stappen die nog genomen moeten worden, bestaat
er nog geen zekerheid over de persoon die uiteindelijk definitief tot
secretaris zal worden benoemd. Het is daarom nog te vroeg om er vanuit te
gaan dat verzoekster niet voor deze functie in aanmerking komt. De
Commissie concludeert dat er (nog) geen sprake van is dat de wederpartij
ten nadele van verzoekster onderscheid naar geslacht maakt of heeft
gemaakt in de zin van artikel 14 lid 1 WGB. Zij is dan ook van oordeel dat
het verzoek niet door haar ontvangen kan worden.

Nu de Commissie het verzoek niet kan ontvangen, komt zij niet toe aan de
beoordeling van de rechtsvragen die aan haar zijn voorgelegd.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit, dat ingevolge artikel 14 lid
1 WGB mevrouw L.G.J.M. Bias-Strijk te ‘s-Gravenmoer in haar verzoek jegens
het algemeen bestuur van het waterschap de Ham te Made om de toepassing
van een bepaling uit het Sociaal Statuut aan de WGB te toetsen, niet
ontvangen kan worden.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), dhr mr A.W. Heringa (lidKamer), dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer), mw mr A.K. de Jongh(adjunct-secretaris)

Instantie: Rechtbank Zutphen, 18 augustus 1994

Instantie

Rechtbank Zutphen

Samenvatting


Partijen zijn 12 jaar getrouwd geweest en hebben drie minderjarige
kinderen. De vrouw heeft vrijwel te verwaarlozen bijverdienste. Zij
ontvangt aanvullende bijstand. De rechtbank stelt dat gelet op het
vorenstaande en het feit dat zij de zorg heeft voor de drie kinderen, van
wie het jongste kind thans 3 jaar is,de vrouw behoefte heeft aan een
bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en dat er geen termen
aanwezig zijn om die alimentatie te beperken in duur. Alimentatie wordt
ƒ 945,=.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Dit verloop blijkt uit: -het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 29
september 1993; -het exploit van betekening van 12 oktober 1993; -het
verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, ingekomen ter griffie op 19
januari 1994; -het verweerschrift tegen zelfstandig tegenverzoek,
ingekomen ter griffie op 24 februari 1994; -de tussenbeschikking van deze
rechtbank van 4 maart 1994; -de brief met bijlagen van 28 maart 1994 van
mr. Bosma; -het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op
13 april 1994; -de brieven van mr. I.L. Kortenhoff d.d. 15 en 22 juni
1994; -de brief van de Raad voor de Kinderbescherming, ingekomen ter
griffie op 22 juni 1994.

De vaststaande feiten:

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit en zijn op 17 juni 1982 te
Leiden met elkaar gehuwd buiten gemeenschap van goederen.

Uit hun huwelijk zijn geboren de minderjarige kinderen:

* geboren te op * geboren te op * geboren te
op

Het verzoek: De vrouw verzoekt, voorzoveel mogelijk uitvoerbaar bij
voorraad: -tussen partijen de echtscheiding uit te spreken; -haar te
benoemen tot voogdes over de minderjarige kinderen en de man tot toeziend
voogd; -te bepalen dat de man ƒ 300,= per maand per kind zal bijdragen in
de kosten van hun verzorging en opvoeding; -te bepalen dat de man aan haar
ƒ 1.000,= per maand zal betalen voor levensonderhoud.

Zij stelt naast hetgeen hiervoor als vaststaand is weergegeven, dat het
huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, dat zij onvoldoende inkomsten
heeft om in haar levensonderhoud en dat van de kinderen te voorzien, dat
zij die ook niet kan verwerven en dat de man in staat moet worden geacht
de verzochte bijdragen te voldoen.

Het verweer tevens tegenverzoek:

De man voert, na wijziging, uitsluitend verweer tegen de verzochte
bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw.

Hij stelt dat hij geen draagkracht heeft om deze bijdrage te voldoen en
dat de vrouw bovendien geen behoefte heeft aan een ongelimiteerde
alimentatie.

De man verzoekt een omgangsregeling tussen hem en de kinderen te bepalen.

Het verweer op het tegenverzoek:

De vrouw verzoekt de door de man verzochte omgangsregeling te bepalen in
die zin dat voorzover en zolang partijen in dezelfde woonplaats wonen de
kinderen bij de man zullen verblijven elke donderdag van 11.00 uur tot
zondag 16.30 uur.

De beoordeling:

Nu de man niet langer betwist dat het huwelijk met de vrouw duurzaam is
ontwricht, is het verzoek tot echtscheiding voor toewijzing vatbaar.

De Raad voor de Kinderbescherming is in de gelegenheid gesteld zijn mening
met betrekking tot het gezag over de minderjarigen aan de rechtbank
kenbaar te maken.

De man heeft zijn verzoek met betrekking tot het gezag over de
minderjarige ingetrokken. Hij voert niet langer verweer tegen de door de
vrouw voorgestelde gezagsregeling. De rechtbank acht deze regeling in het
belang van de minderjarigen, zodat overeenkomstig het verzoek van de vrouw
wordt beslist.

De man heeft zich bereid en in staat verklaard de door de vrouw verzochte
bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen
te voldoen, zodat de rechtbank als volgt beslist.

De man stemt in met de door de vrouw voorgestelde omgangsregeling tussen
hem en de kinderen. De rechtbank acht deze regeling in het belang van de
minderjarigen en zal overeenkomstig het voorstel van de vrouw beslissen.

Partijen zijn verdeeld over de behoefte van de vrouw aan een bijdrage in
de kosten van haar levensonderhoud en over de draagkracht van de man.

De vrouw is therapeute klassieke homeopathie. Uit de overgelegde bijlage
bij de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekering 1993 blijkt
dat zij in 1993 een omzet heeft gehad van ƒ 1.653,=. Na aftrek van de
kosten resteert een winst van ƒ 884,=. Zij ontvangt voorts aanvullende
bijstand.

Gelet op het vorenstaande en het feit dat zij de zorg heeft voor de drie
kinderen van partijen, van wie het jongste kind thans drie jaar oud is,
is de rechtbank van oordeel dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage
in de kosten van haar levensonderhoud en dat er geen termen aanwezig zijn
om die alimentatie te beperken in duur.

Ter terechtzitting is niet, althans onvoldoende weersproken gesteld dat
de man, die predikant is, inclusief vakantiegeld en premiecompensatie en
na aftrek van de pensioenpremie een bruto jaarinkomen heeft van ƒ 66.100,=
in 1994. De stelling van de vrouw dat de man daarnaast inkomen heeft uit
preekbeurten buiten zijn standplaats, is, mede gelet op het verweer van
de man dat deze preekbeurten praktisch niet meer voorkomen, niet althans
onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. De
rechtbank gaat daarom bij de berekening van de draagkracht van de man uit
van het bedrag van ƒ 66.100,=. De rechtbank houdt voorts rekening met de
overhevelingstoeslag, de bijdrage van de werkgever in de ziektekosten, de
rente uit vermogen van ƒ 3.405,= en het inkomen uit effecten van ƒ 822,=.
Rekeninghoudende verder met het door de belastingdienst geaccepteerde
bedrag van ƒ 12.260,= aan verwervingskosten, een bedrag van ƒ 8.152,= in
verband met waardevrij wonen, de rentevrijstelling van ƒ 1.000,=, de
dividendvrijstelling van ƒ 822,=, de buitengewone lastenaftrek in verband
met de onderhoudsbijdrage voor de kinderen en de belastingvrije som van
ƒ 5.925,= resteert een netto maandinkomen van ƒ 4.588,93.

In mindering hierop strekken: -de ABW_norm voor een alleenstaande van ƒ
1.311,29 per maand; -de ziektekostendekking van ƒ 109,40 per maand,
alsmede het eigen risico van ƒ 8,33 per maand; -de reele verwervingskosten
van ƒ 305,33 per maand; uit de door de man overgelegde bescheiden zijn
deze kosten genoegzaam gebleken; -het niet door de vrouw weersproken
bedrag van ƒ 300,= in verband met de kosten van de omgangsregeling; -en
een bedrag van ƒ 266,= in verband met ambtelijk te rijden kilometers.

Geen rekening houdt de rechtbank met de door de man opgevoerde aflossing
van de studieschuld, nu hij deze schuld had kunnen aflossen van zijn
verschillende spaartegoeden.

Van het resterende is 60% beschikbaar voor alimentatie. Gelet op het
vorenstaande acht de rechtbank de man, na voldoening van de bijdrage ten
behoeve van de kinderen, in staat bij te dragen in de kosten van het
levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van ƒ 945,= per maand. De
rechtbank rekent daarbij het door de man te behalen fiscale voordeel in
verband met de alimentatiebetaling toe aan de vrouw.

De proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te melden wijze, omdat
zij zijn gemaakt tussen echtelieden.

De beslissing:

De rechtbank:

Spreekt uit de echtscheiding tussen de vrouw en de man, op 17 juni 1982
te Leiden met elkaar gehuwd.

Veroordeelt de man om, vanaf de dag waarop deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de desbetreffende registers van de Burgerlijke Stand, aan
de vrouw voor levensonderhoud te betalen de som van ƒ 945,=
(negenhonderdenvijfenveertig gulden) per maand, telkens bij
vooruitbetaling te voldoen.

Verklaart de beschikking voor wat betreft de alimentatieveroordeling
uitvoerbaar bij voorraad.

Benoemt over de minderjarige kinderen: * geboren te op *
geboren te op * geboren te op tot voogdes : de vrouw,
wonende te en tot toeziend voogd: de man, wonende te .
Beveelt dat de minderjarigen, indien zij zich niet reeds bevinden in de
feitelijke macht van de met het gezag beklede ouder, aan deze zullen
worden afgegeven.

Bepaalt dat de man met ingang van de dag waarop de voogdij zal aanvangen,
als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen
aan de vrouw zal betalen ƒ 300,= (driehonderd gulden) per kind per maand,
voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Verklaart deze beschikking voor wat betreft de beslissing over het gezag
over genoemde minderjarigen en de voor die minderjarigen te betalen
alimentatie uitvoerbaar bij voorraad.

Regelt het recht van omgang tussen de man en de minderjarigen in die zin
dat voorzover en zolang partijen in dezelfde woonplaats wonen de kinderen
bij de man zullen verblijven elke donderdag van 11.00 uur tot vrijdag
11.00 uur en eenmaal per veertien dagen van donderdag 11.00 uur tot zondag
16.30 uur.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Compenseert de kosten van dit geding aldus, dat iedere echtgenoot met de
eigen kosten belast blijft, behoudens dat de executiekosten ten laste van
de man komen, indien niet vrijwillig wordt voldaan aan de bij deze
beschikking opgelegde alimentatieplicht.

Veroordeelt mitsdien de man in dat geval te dier zake te betalen
rechtstreeks aan de procureur van de vrouw het onder nakosten vallende
salaris en rechtstreeks aan executerende deurwaarder de nakomende
verschotten.

Rechters

Mr. Keurentjes

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 18 augustus 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was in tijdelijke dienst bij de wederpartij werkzaam in de
functie van schoonmaakster. Op het moment dat de arbeidsovereenkomst
eindigde, wilde de wederpartij deze niet verlengen. Verzoekster is van
mening dat het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst is ingegeven door
het feit dat zij zwanger was. De Commissie komt tot de conclusie dat de
zwangerschap van verzoekster de reden is geweest om haar
arbeidsovereenkomst niet te verlengen. Strijd met de WGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 26 november 1993 verzocht mevrouw te Hardinxveld- Giessendam
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of
te Rotterdam (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid
op grond van geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

1.2. Verzoekster was in tijdelijke dienst bij de wederpartij werkzaam in
de functie van schoonmaakster. Haar contract is niet verlengd. Volgens
verzoekster wilde de wederpartij haar niet behouden omdat zij zwanger was.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun
standpunten schriftelijk weer te geven.

2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen om hun standpunten nader toe te
lichten tijdens een zitting op 5 juli 1994. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw (verzoekster)
– mw mr (gemachtigde) – mw (toehoorder)

van de kant van de wederpartij – dhr (directeur) – mw
(cheffin verzoekster) – mw mr A.W.M. Roozeboom (advocaat)

van de kant van de Commissie – mw mr I.M.C.V.T. Kiebert (plaatsvervangend
Kamervoorzitter) – mw drs A.J. Huber (lid Kamer) – mw mr C.B.
Mol-Bronkhorst (lid Kamer) – mw mr A.K de Jongh (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een schoonmaakbedrijf met circa 650 werkne-mers.
Hiervan is ongeveer 70% vrouw en 30% man. Ten behoeve van het schoonmaken
van een huizencomplex, heeft zij in de loop van 1993 een aantal vrouwen
als huishoudelijke hulp in dienst genomen. Al deze werkneemsters
verrichtten dezelfde werkzaamheden en hadden een contract voor zes
maanden.

Verzoekster is per 11 mei 1993 een arbeidsovereenkomst van zes maanden als
schoonmaakster met de wederpartij aangegaan. Zij had een
deeltijddienstverband van 20 uur per week. Zij werkte vier uur per dag
gedurende vijf dagen per week. Haar werktijden lagen in de ochtenduren.

Eind augustus 1993 hebben de cheffin van verzoekster en de assistente van
de cheffin aan verzoekster verteld dat er een aantal medewerkers
afgestoten moest worden. Degenen met een contract voor een half jaar
kwamen hier het meest voor in aanmerking. Het was nog onzeker of dit
betekende dat het contract met verzoekster niet verlengd zou worden.
Indien dit wel het geval was zouden de cheffin en haar assistente het
jammer vinden, aangezien het werk van verzoekster tot tevredenheid stemde.

In de eerste week van september 1993 kwam de cheffin naar verzoekster toe
en gaf aan dat zij van plan was om haar in dienst te houden. Na afloop van
het tijdelijke contract zou zij een vaste aanstelling krijgen. In de
tweede week van september zijn aan verzoekster twee schorten uitgereikt.
Deze schorten worden alleen door personeel in vaste dienst gedragen.

Op 17 september 1993 heeft verzoekster aan haar cheffin en de assistente
meegedeeld dat zij zwanger was. Zij zou in maart van het volgende jaar van
haar kind bevallen. Zij vroeg of hier bij haar werkzaamheden rekening mee
gehouden kon worden. Met het oog op haar zwangerschap wilde zij
voorzichtig zijn met werkzaamheden waar tillen en klimmen aan te pas kwam.
Ook gaf zij aan bang te zijn dat het inademen van dampen van bepaalde
schoonmaakmiddelen negatieve gevolgen voor haar zwangerschap zou hebben.
Verder heeft zij gevraagd of zij een dag per maand vrij kon krijgen om
naar de gynaecoloog te gaan. De cheffin zou de wensen van verzoekster met
haar directe chef bespreken.

Dezelfde dag nog heeft de cheffin aan verzoekster te kennen gegeven dat
haar contract niet zou worden verlengd. De lezingen van partijen over de
reden waarom het contract niet verlengd zou worden, verschillen (zie
standpunten partijen). Het contract met verzoekster is op 12 november 1993
geeindigd. Voor verzoekster is een andere werkneemster in de plaats
gekomen.

3.2. Verzoekster heeft schriftelijke verklaringen overgelegd van twee
collega’s (hierna: collega A en collega B). In de ene verklaring staat dat
collega A erbij was toen verzoekster te horen kreeg dat zij een vaste
aanstelling zou krijgen, evenals op het moment dat aan verzoekster de
schorten werden uitgereikt.

In de andere verklaring staat dat collega B erbij was toen verzoekster
haar nieuwe schorten kreeg. Voorts staat hierin dat de cheffin op 27
september 1993 aan collega B heeft gevraagd of zij al wist dat verzoekster
zwanger was en of zij niet haar plek wilde innemen, nu verzoekster niet
meer kon blijven. De volgende dag vroeg collega B aan de cheffin of zij
het niet leuk vond voor verzoekster dat zij zwanger was. Hierop antwoordde
de cheffin dat zij blij was voor verzoekster, maar dat ze het dom vond dat
zij van haar zwangerschap had verteld voordat haar contract was afgelopen,
aangezien ze anders in vaste dienst was geweest. De wederpartij heeft ter
zitting erkend dat de inhoud van deze verklaring juist is.

Standpunten van partijen

3.3. Verzoekster meent dat haar zwangerschap de reden was dat haar
contract niet is verlengd en dat de wederpartij hiermee in strijd heeft
gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling.

De cheffin heeft aan verzoekster duidelijk te kennen gegeven dat haar
contract voor onbepaalde tijd zou worden verlengd. Verzoekster heeft op
de mondelinge toezegging gerekend en vertrouwd, temeer daar aan haar de
beroepskleding werd verstrekt die slechts door medewerkers in vaste dienst
gedragen moet worden. Toen verzoekster vertelde dat zij zwanger was, liet
de cheffin blijken dat zij hier niet blij mee was. Zij vroeg waarom
verzoekster bij haar sollicitatie niet vermeld had dat zij kinderen wilde
krijgen. Voorts gaf zij aan dat zij niets had aan zwangere vrouwen en dat
verzoeksters zwangerschap tot gevolg zou hebben dat haar contract niet
verlengd zou worden.

Verzoekster ontkent dat zij bij melding van haar zwangerschap een heel
eisenpakket bij de wederpartij heeft neergelegd. Zij heeft slechts
gevraagd of er bij haar werkzaamheden rekening gehouden kon worden met
haar zwangerschap. Dat zij voorzichtig wilde zijn kan haar niet worden
aangerekend, temeer daar dit haar eerste zwangerschap was. Haar verzoek
om vrij te krijgen om naar de gynaecoloog te gaan was niet meer dan
normaal, aangezien dit bij elke zwangerschap hoort. Dat zij geen afspraak
kon maken op een tijdstip dat zij niet werkte, kwam omdat haar dokter
slechts ’s ochtends spreekuur hield.

Verzoekster geeft aan dat zij, alvorens een verzoek bij de Commissie te
hebben ingediend, mondeling heeft geprotesteerd tegen de gang van zaken.
Verder heeft haar gemachtigde telefonisch contact opgenomen met
personeelszaken om de onderhavige kwestie te bespreken. Tijdens dit
gesprek is gezegd dat aangezien de arbeidsovereenkomst van rechtswege
beeindigd was, verdere discussie hierover geen zin meer had.

3.4. De wederpartij ontkent dat zij direct of indirect onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt. Aangezien op de voormalige werkplek van
verzoekster uitsluitend vrouwen werkzaam waren, kon zij alleen al daarom
geen onderscheid naar geslacht maken.

De wederpartij erkent dat zij mondeling de toezegging heeft gedaan het
arbeidscontract met verzoekster te continueren. Zij is hierop
teruggekomen, omdat verzoekster bij melding van haar zwangerschap als
eisen stelde dat zij een dag per maand vrij zou krijgen en dat zij
gedurende haar zwangerschap bepaalde werkzaamheden niet meer hoefde te
verrichten. De wederpartij heeft als standpunt dat alle medewerkers
volledig moeten meedraaien. Dit geldt ook voor zwangere werknemers.

Ter zitting heeft de wederpartij aangegeven dat het feit dat verzoekster
gedurende een bepaalde periode wegens zwangerschapsverlof afwezig zou
zijn, ook heeft meegespeeld bij haar beslissing om het contract niet te
verlengen. Wat betreft het bezoek aan de gynaecoloog, merkt de wederpartij
op dat verzoekster niet per se hiervoor vrij had hoeven nemen. Zij had
immers ook een afspraak kunnen maken op een tijdstip dat zij niet hoefde
te werken.

Gezien het grote aantal vrouwen dat bij de wederpartij werkt, is er
regelmatig sprake van werkneemsters die zwanger zijn. Dit levert nooit
problemen op. Het is nog nooit voorgekomen dat een zwangere werkneemster
om aanpassing van haar werkzaamheden vroeg vanwege haar zwangerschap. Dit
is ook niet nodig, omdat de wederpartij hier uit zichzelf al rekening mee
houdt. Als de zwangerschap al in een verder gevorderd stadium is, wordt
ernaar gekeken of de werkzaamheden niet aangepast moeten worden.

De wederpartij is van mening dat verzoekster al in een eerder stadium van
haar zwangerschap melding had moeten maken. Mogelijk had dit ertoe geleid
dat er aangepaste werkzaamheden aan haar waren aangeboden.

Tot slot geeft de wederpartij aan dat het naar haar idee meer op zijn
plaats was geweest als verzoekster eerst met haar in overleg was getreden,
alvorens een verzoek bij de Commissie in te dienen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met artikel
7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) en/of artikel 3 Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168) heeft gehandeld door de
arbeidsovereenkomst met verzoekster niet te verlengen.

4.2. In een eerdere uitspraak (Commissie gelijke behandeling van mannen
en vrouwen bij de arbeid, 13 maart 1990, oordeelnummer 134-90-15) heeft
de Commissie bepaald dat het besluit om een tijdelijke arbeidsovereenkomst
niet om te zetten in een vast dienstverband, een besluit betreffende het
aangaan van een arbeidsovereenkomst respectievelijk de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking is. Artikel 7A:1637ij lid 1 BW
respectievelijk artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid
naar geslacht daarbij.

Artikel 7A:1637ij lid 5 BW respectievelijk artikel 1 WGB geeft aan dat
onder onderscheid tussen mannen en vrouwen moet worden verstaan direct en
indirect onderscheid. Onderscheid op grond van zwangerschap is blijkens
deze bepalingen een vorm van direct onderscheid. In eerdere oordelen heeft
de Commissie uitgesproken dat ook als zwangerschap een van de redenen en
niet de enige reden voor het gemaakte onderscheid is, dit strijd met de
Wet oplevert (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, 18 oktober 1989, oordeelnummer 42-89-13, 8 mei 1990, oordeelnummer
172-90-31, 23 juni 1992, oordeelnummer 518-92-37, en 7 april 1994,
oordeelnummer 565-94-36).

De Wet biedt alleen in bepaalde gevallen (artikel 7A:1637ij leden 2-4 en
artikel 5 WGB) ruimte voor het rechtvaardigen van direct onderscheid,
namelijk in geval van geslachtsbepaalde functies, bescherming van de vrouw
en voorkeursbeleid voor vrouwen. Deze uitzonderingen zijn hier echter niet
aan de orde.

4.3. De vraag die voorligt, is of aannemelijk is geworden dat de
zwangerschap van verzoekster (mede) aanleiding voor de wederpartij vormde
om geen nieuwe arbeidsovereenkomst met haar aan te gaan.

Allereerst merkt de Commissie op dat, hoewel zij zich kan voorstellen dat
de wederpartij het niet op prijs stelt dat verzoekster niet eerst met haar
heeft overlegd alvorens een verzoek bij de Commissie in te dienen, dit
voor de beoordeling van het onderhavige geval niet ter zake doet.

Voor de beantwoording van de in het geding zijnde vraag is het volgende
van belang. Onbetwist is dat de wederpartij mondeling de toezegging heeft
gedaan dat de arbeidsovereenkomst zou worden verlengd. Het contract is bij
nader inzien toch niet verlengd, omdat verzoekster had aangegeven in
verband met haar zwangerschap niet meer al haar werkzaamheden te kunnen
verrichten. Verder speelde mee dat verzoekster wegens zwangerschaps- en
bevallingsverlof gedurende een aantal maanden afwezig zou zijn.

De Commissie heeft herhaalde malen uitgesproken (Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, oordeelnummers 42-89-13,
18 oktober 1989, 172-90-31, 8 mei 1990 en 421-92-59, 17 november 1992) dat
verminderde inzetbaarheid als gevolg van zwangerschaps- en
bevallingsverlof op een lijn te stellen is met de zwangerschap zelf.
Afwezigheid in verband met zwangerschap en bevalling is immers een
onlosmakelijk en onvermijdelijk gevolg van de zwangerschap. Onderscheid
op grond van beperkte inzetbaarheid om deze reden levert dus direct
onderscheid op. Alleen al om deze reden moet de Commissie concluderen dat
de wederpartij in strijd met de Wet heeft gehandeld.

4.4. Wat betreft de tijdelijk verminderde inzetbaarheid doordat
verzoekster door haar zwangerschap lichamelijk niet in staat was om al
haar werkzaamheden te verrichten, oordeelt de Commissie dat zwangerschap
met zich kan brengen dat, in verband met de gezondheid van het kind en de
moeder, tijdelijk bepaalde werkzaamheden niet verricht kunnen worden. Het
onvermogen om alle normale functietaken uit te oefenen hangt dan
onlosmakelijk met de zwangerschap samen. Dat de werkgever wat betreft de
werkzaamheden rekening dient te houden met de zwangerschap van
werkneemsters, blijkt onder andere uit de inmiddels van kracht geworden
Europese richtlijn 89/391/EEG inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen
ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op
het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en
tijdens de lactatie. Onderscheid op grond van de in deze paragraaf
genoemde vorm van beperkte inzetbaarheid kan tot direct onderscheid
leiden. Er moet dan wel aannemelijk worden gemaakt dat de taken die
tijdelijk niet meer door de zwangere werkneemster worden uitgevoerd,
zozeer belastend zijn dat dit haar gezondheid en dat van de ongeboren
vrucht nadelig kan beinvloeden.

In het onderhavige geval acht de Commissie aannemelijk dat verzoekster in
verband met haar zwangerschap bepaalde til- en klimwerkzaamheden beter
niet kon uitoefenen. Ook acht zij het vanzelfsprekend dat, zwangere
werkneemsters in staat worden gesteld een bezoek aan de gynaecoloog te
brengen. De Commissie is van oordeel dat het niet verlengen van de
arbeidsovereenkomst wegens eventuele beperktere inzetbaarheid op grond van
deze redenen, ook strijd met de Wet oplevert. Hier komt nog bij dat de
wederpartij heeft erkend dat de inhoud van de verklaring van collega B
juist is. Uit deze verklaring blijkt onomwonden dat de zwangerschap van
verzoekster reden was om haar contract niet te verlengen. Ook het feit dat
bijna meteen nadat verzoekster van haar zwangerschap melding heeft
gemaakt, haar is meegedeeld dat zij niet kon blijven werken, wijst in deze
richting.

Het bovengaande leidt de Commissie tot de slotsom dat de zwangerschap van
verzoekster de reden is geweest om haar arbeidsovereenkomst niet te
verlengen.

Wat betreft het argument van de wederpartij dat zij geen onderscheid naar
geslacht kon maken, omdat er op de voormalige werkplek van verzoekster
uitsluitend vrouwen werkten, oordeelt de Commissie dat dit geen doel
treft. Bij de beoordeling of er direct onderscheid naar geslacht wordt
gemaakt, gaat het er namelijk om of het motief voor het maken van
onderscheid rechtstreeks met het geslacht verband houdt. Dat is bij
onderscheid op grond van zwangerschap zeker het geval, nu zwangerschap
onlosmakelijk met geslacht samenhangt. In dit verband wijst de Commissie
ook op het Dekker-arrest van het Europese Hof van Justitie (Hof van
Justitie EG, Dekker vs. Stichting Vormingscentrum voor Jong Volwassenen,
8 november 1990, zaak C-177-88).

4.5. Wat betreft het bezwaar van de wederpartij dat verzoekster niet
eerder van haar zwangerschap melding heeft gemaakt, merkt de Commissie ten
overvloede het volgende op. Er is geen verplichting om op een zo vroeg
mogelijk tijdstip melding te maken van zwangerschap. Dat verzoekster niet
eerder dan na drie maanden heeft verteld dat zij zwanger was, kan haar
daarom niet worden tegengeworpen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Rotterdam jegens
mevrouw te Hardinxveld-Giessendam onderscheid naar geslacht heeft
gemaakt in strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek of artikel 3
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

mw mr I.M.C.V.T. Kiebert (plaatsvervangend Kamervoorzitter), mw drsA.J. Huber (lid Kamer), mw mr C.B. Mol-Bronkhorst (lid Kamer), mw mr A.K.de Jongh (adjunct- secretaris)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 17 augustus 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Belangenorganisatie dient verzoek om een oordeel in over twee cao’s die
in het bedrijf van de wederpartij worden toegepast. Een cao bevat een
bepaling die onderscheid maakt tussen voltijdwerkers en deeltijdwerkers
op het punt van de overwerktoeslag, de andere (VUT)cao bevat bepalingen
die dit onderscheid maken tussen werknemers die meer en werknemers die
minder dan een bepaald aantal uren werken. De Commissie stelt vast dat
door de toepassing van de betreffende CAO-bepalingen relatief meer vrouwen
dan mannen nadelig getroffen worden en dat daardoor een vermoeden van
indirect onderscheid op grond van geslacht ontstaat. De wederpartij voert
aan dat de urengrens is ingesteld omdat de arbeidsbelasting hoger wordt,
naarmate men meer uren werkt. De Commissie accepteert deze redenering niet
als objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid. De Commissie
concludeert dat de wederpartij noch voor het gemaakte onderscheid bij de
overwerkurentoeslag noch voor het gemaakte onderscheid in de VUT-regeling
er in is geslaagd om een objectieve rechtvaardigingsgrond aan te tonen.
In een overweging ten overvloede tekent de Commissie echter aan dat dit
niet betekent dat elke deeltijder onder alle omstandigheden op dezelfde
wijze als een voltijder moet worden beloond of gecompenseerd. Strijd met
de Wet. Samenhang met oordelen 618-94-65, 619a-94-66 en 619b-94-67.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 3 september 1993 verzocht de te Den Haag, die per 12 oktober 1993
is opgevolgd door de (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of te
Zaandam (hierna: de wederpartij), onderscheid maakt naar geslacht in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster is van mening dat de wederpartij indirect onderscheid
jegens vrouwen maakt door de toepassing van een aantal bepalingen in de
CAO voor Kader-, Administratief- en Technisch personeel (hierna: HK-CAO)
en de CAO met betrekking tot gedeeltelijk vervroegd uittreden (hierna: CAO
deeltijd VUT), waardoor (bepaalde) deeltijdwerkers benadeeld dan wel
uitgesloten worden.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

Verzoekster is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegd- heid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee
voldoet verzoekster aan de eisen die de wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

3.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben de gelegenheid gehad hun standpunten
weer te geven.

De onderhavige zaak is gevoegd behandeld met drie andere zaken (oordelen
618-94-65, 619a-94-66, en 619b-94-67) die verzoekster tezamen met het
onderhavige verzoek aan de Commissie ter beoordeling heeft voorgelegd.

3.2. Partijen zijn opgeroepen om te verschijnen op een zitting van de
Commissie op 5 juli 1994.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw

van de kant van de wederpartij – dhr (hoofd arbeidszaken,
tevens gemachtigde van de wederpartij in oordeel 619b-94-67) – dhr
(tevens gemachtigde van de wederpartij in de oordeel 619b-94-67)

van de kant van de wederpartij in de oordelen 618-94-65 en 619a-94-66 –
dhr (adjunct-directeur personeel en organisatie) – mw

van de kant van de Commissie – mw mr I.M.C.V.T. Kiebert (plv.
Kamervoorzitter) – mw mr C.B. Mol-Bronkhorst (lid Kamer) – mw prof. mr
J.E. Goldschmidt (lid Kamer) – mw mr M.M. Hubner (adjunct-secretaris).

3.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II. In deze Kamer hebben
zitting de leden als genoemd onder paragraaf 3.2.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

4.1. De wederpartij is een holding met diverse dochtervennootschappen. Op
haar werknemers is de CAO deeltijd VUT van toepassing (looptijd van 9
september 1991 tot 12 september 1993; verlenging vindt stilzwijgend plaats
voor de tijd van een jaar). Tevens is voor de centrale diensten van de
wederpartij de CAO voor Kader-, Administratief- en Technisch personeel
(HK-CAO) van toepassing (looptijd van 23 maart 1992 tot 28 maart 1993).

4.2. In artikel 6.2 lid 3 van de HK-CAO is bepaald dat er sprake is van
overwerk indien de dagelijkse c.q. wekelijkse arbeidstijd voor een
werknemer met een volledig dienstverband wordt overschreden. In lid 4 is
bepaald dat werknemers met een onvolledig dienstverband, die langer werken
dan de overeengekomen uren, maar korter dan de voltijdse werkweek of
werkdag, hun normale uurloon ontvangen. Voltijdwerkers hebben volgens lid
5 in principe recht op compensatie in vrije tijd, en anders op een
toeslag. Die toeslag houdt volgens lid 6 het volgende in: a. op maandag
tot en met vrijdag – 25% voor het eerste uur en – 50% voor het tweede en
de volgende uren; b. op zaterdag – 75% voor alle uren; c. op overuren na
0.00 uur en voor 07.00 uur – 100% voor alle uren.

Artikel 6.2 lid 2 geeft aan dat werknemers van 55 jaar en ouder overwerk
uitsluitend op basis van vrijwilligheid hoeven te verrichten.

4.3. De CAO deeltijd VUT geeft werknemers van 57 jaar en ouder het recht
om hun werktijd te bekorten. Afhankelijk van de leeftijd die de werknemer
heeft, bedraagt het deeltijd-VUT- recht waarmee de werktijd per week kan
worden verminderd: – 10% voor de 57-jarige – maximaal 20% voor de
58-jarige – maximaal 40% voor de 59-jarige – maximaal 50% voor de 60- tot
en met 64-jarigen.

De niet-gewerkte uren worden vergoed. Het percentage van de vergoeding
bedraagt: – 60% voor de 57-jarige – 65% voor de 58-jarige – 70% voor de
59-jarige – 75% voor de 60-jarige – 80% voor de 61-jarige – 85% voor de
62-jarige – 90% voor de 63- en 64-jarigen.

Om in aanmerking te komen voor deze regeling moet men aan de volgende
voorwaarden voldoen: De werknemer dient direct voorafgaande aan het moment
waarop hij de arbeidstijd wil verkorten, tenminste 10 aaneengesloten
dienstjaren werkzaam te zijn geweest bij het concern gedurende tenminste
693 uren per jaar (artikel 3.1. onder c). Laatstgenoemde grens komt neer
op ruim 13 uur per week.

4.4. De CAO is van toepassing op alle werknemers in dienst van de holding
of van een van de Nederlandse dochtervennootschappen.

De Commissie heeft, omdat zij destijds alleen de beschikking had over een
oudere CAO waarin VUT-rechten werden toegekend aan werknemers vanaf 58
jaar, bij de wederpartij alleen gegevens opgevraagd betreffende werknemers
vanaf 58 jaar in plaats vanaf 57 jaar. De volgende gegevens zijn
overgelegd met betrekking tot het personeelsbestand van de wederpartij
(peildatum eind 1993):

Met betrekking tot de HK-CAO:

* Van de 969 vrouwen hebben er 568 een onvolledig dienstverband, dat is
58,61%.

* Van de 975 mannen hebben er 53 een onvolledig dienstverband, dat is
5,43%.

Met betrekking tot de CAO deeltijd VUT:

* De CAO is van toepassing op alle werknemers die bij de wederpartij
werkzaam zijn, zijnde 26.161 vrouwen en 23.601 mannen.

* Er zijn 174 vrouwen en 153 mannen in dienst van 58 jaar en ouder.

* Van de hierboven genoemde personen zijn 139 vrouwen en 148 mannen reeds
gedurende 10 jaar bij Albert Heijn werkzaam. Zij hebben gedurende die 10
jaren tenminste 693 uren per jaar gewerkt.

* 35 van de 174 vrouwen voldoen niet aan de eisen, dat is 20,11%.

* 5 van de 153 mannen voldoen niet aan de eisen, dat is 3,26%.

De standpunten van partijen

4.5. Verzoekster stelt het volgende. De CAO-bepaling betreffende overwerk
benadeelt deeltijdwerkers aangezien deze geen toeslag of compensatie in
vrije tijd krijgen. Werknemers van 55 jaar en ouder met een onvolledig
dienstverband kunnen overwerk bovendien niet weigeren (zie artikel 6.2.
lid 2 van de HK-CAO). Deze benadeling levert een niet-toegestaan indirect
onderscheid op, indien hierdoor in overwegende mate personen van een
geslacht uitgesloten worden.

Met betrekking tot de rechtvaardiging van de wederpartij voor de
overwerkbepalingen -dat deeltijdwerkers in feite per overwerkuur meer
ontvangen dan voltijdwerkers, omdat de deeltijdwerkers over hun overuren
“een complete doorwerking in alle andere componenten van hun
arbeidsvoorwaardenpakket” ontvangen- is verzoekster evenmin overtuigd
aangezien een en ander niet is af te leiden uit bepalingen in de CAO of
uit andere arbeidsvoorwaarden. Bovendien is zij van mening dat
onvergelijkbare componenten met elkaar vergeleken worden. De doorwerking
in het loon van een deeltijdwerker behelst immers gedeeltelijk slechts de
kans dat deze in de toekomst een (hogere) WAO- of Ziektewet- uitkering kan
claimen, terwijl een overwerktoeslag hier en nu ontvangen wordt. Overigens
is verzoekster er niet van overtuigd dat bij de dagloonberekening in de
WAO en de ZW uitgegaan wordt van het feitelijke loon, aangezien daarin
staat vermeld dat het contractuele loon bepalend is voor de hoogte van de
uitkering. Beide pakketten mogen bovendien niet met elkaar vergeleken
worden op grond van een arrest van het EG-Hof van Justitie in de
Barber-zaak (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 17 mei 1990,
zaak C-262/88, Barber versus Guardian Royal Exchange Assurance Group,
Nemesis 1990, nr. 116), waarin het Hof heeft uitgesproken dat de
toepassing van het beginsel van gelijke beloning moet worden verzekerd ten
aanzien van elk onderdeel van de beloning en niet slechts door de aan de
werknemers toegekende voordelen in hun totaliteit te bezien.

4.6. Met betrekking tot de CAO deeltijd VUT stelt verzoekster het
volgende. Wederpartij voert als rechtvaardiging voor de 13 uur-grens twee
argumenten aan. Ten eerste zou de werkbelasting groter zijn naarmate men
meer uren werkt. Ten tweede zou een grens nodig zijn omdat anders ook
werknemers met een zeer klein aantal contracturen voor deeltijd VUT in
aanmerking komen. Hierover merkt verzoekster het volgende op: – De
arbeidsbelasting is inderdaad groter naarmate men meer uren per week
werkt, maar de betaalde arbeid bij wederpartijen is niet alleen bepalend
voor de totale belasting van een werknemer. Een deeltijdwerker kan immers
nog een deeltijdbaan ernaast hebben of andere taken, zoals zorgtaken
hebben te verrichten. – Daar komt bij dat de urengrens niet alleen
betrekking heeft op het huidige aantal uren dat men werkt; het gaat om de
afgelopen 10 jaar. Indien men in deze 10 jaren gedurende de eerste twee
jaren 10 uur per week werkt en gedurende de laatste 8 jaren 25 uur per
week werkt, komt men niet in aanmerking voor deeltijd VUT. – De 13
uur-grens is een willekeurige grens, die niet gebaseerd is op gegevens
over de werkelijke belasting van werknemers. – Een grens van 13 uur is
iets anders dan een grens van 3 uur, welk voorbeeld wederpartij aanhaalt,
waarbij het de vraag is of een werkelijk relevant aantal werknemers zo
weinig contractenuren heeft. – De regeling werkt bovendien zo uit, dat
iemand die 14 uren per week werkt, zijn dienstverband mag terugbrengen tot
7 uren per week. Iemand die 13 uren per week werkt, moet echter 13 uren
blijven werken. Dat is niet logisch. – Als men al een grens trekt bij een
bepaald aantal uren, omdat anders een te laag urenaantal overblijft, of
omdat een lichtere werklast niet nodig wordt geacht bij een bepaalde
grens, dan zou het salaris van de kleine deeltijder zodanig aangepast
moeten worden dat deze in ieder geval een gelijk salaris heeft als degeen
die in aanmerking komt voor deeltijd- VUT.

Tot slot brengt verzoekster naar voren dat gebleken is dat de 13 uur-grens
tot stand is gekomen op basis van onderhandelingen en niet op basis van
de werkbelasting.

4.7. De wederpartij stelt het volgende. Met betrekking tot de vermeende
discriminatie van werknemers met een onvolledig dienstverband, is het
volgende van belang. Dat deeltijdwerkers minder rechten zouden ontlenen
aan overwerk dan voltijdwerkers is een misverstand. Deze opvatting wordt
gebaseerd op het feit dat deeltijdwerkers geen overwerktoeslag ontvangen
zolang zij de normale dagelijkse of wekelijkse voltijdarbeid niet
overschrijden. Vergeten wordt echter dat deeltijdwerkers voor elk uur dat
extra wordt gewerkt, een betaling ontvangen van 100% van hun uurloon en
een complete doorwerking in alle andere componenten van hun
arbeidsvoorwaardenpakket, wat niet voor voltijdwerkers geldt. Daarbij moet
gedacht worden aan vakantietoeslag, vakantiedagen, pensioengrondslag,
winstdeling, ziekengeld, WAO-uitkering en suppletie, ziekengeld et cetera,
wat neerkomt op een doorwerking van 51,9%. Dit is niet in een CAO of op
een andere manier vastgelegd. In de praktijk geschiedt het echter op deze
manier. De beloning van elk extra gewerkt uur is voor een deeltijdwerker
daardoor hoger dan die voor een voltijdwerker. Het is niet zo, zoals
verzoekster stelt, dat iedere component van de doorwerking slechts een
kans geeft op een hogere uitkering; een pensioenuitkering, bijvoorbeeld,
wordt in ieder geval uitgekeerd aan de werknemer zelf of aan de partner.

Voorts is het zo dat als een werknemer eenmaal qua aantal uren een grens
overschreden heeft, de lichamelijke belasting groter wordt. Daarnaast is
het zo dat, hoewel er formeel voldaan moet worden aan een verzoek om meer
uren te werken, daarover in de praktijk overleg wordt gevoerd en overuren
derhalve op vrijwillige basis verricht worden. Overwerk wordt met name aan
deeltijdwerkers gevraagd omdat getracht wordt hun baan “voller” te maken.
Overigens worden uren van deeltijdwerkers die uitstijgen boven de
individueel bepaalde werktijden formeel geen overwerk genoemd. Zouden
deeltijdwerkers een toeslag wensen voor deze ‘meeruren’, zoals de
vakbonden in eerste instantie ook gevraagd hebben, dan zouden zij slechts
een toeslag van 25% ontvangen. Het pakket dat deeltijdwerkers thans
ontvangen, is in feite beter dan een overwerktoeslag.

4.8. De CAO deeltijd VUT is tot stand gekomen met de bedoeling om de
arbeidsbelasting van oudere werknemers te verminderen door middel van een
verlaging van het aantal werkuren per week. De arbeidsbelasting is hoger,
naarmate men meer uren werkt. De bedoeling van de regeling is om
werkelijke belasting omlaag te brengen. In dat licht bezien is het nodig
om een grens te stellen. Zonder een dergelijke grens zou zich de situatie
kunnen voordoen dat een werknemer met een zeer laag aantal contracturen
(bijvoorbeeld drie uren per week voor de koopavond), gebruik kan maken van
deze regeling en dit lage aantal uren met 10 a 50% kan bekorten. De
regeling zou in dergelijke gevallen haar doel volkomen voorbij schieten.
De voorbeelden die verzoekster geeft zijn nogal demagogisch, omdat de
praktijk anders uitwijst. Bovendien is er een hardheidsclausule, waardoor
een werknemer die in een dergelijke bijzondere situatie zit toch aanspraak
kan maken op deeltijd-VUT.

Overigens was het de inzet van werkgeverszijde om een deeltijd-VUT af te
spreken waardoor niet minder dan 20 uur per week gewerkt zou worden. Bij
de onderhandelingen met de vakbonden is uiteindelijk de 13 uur-grens
gekozen, waarbij aangesloten is bij bepalingen in andere CAO’s. De eis dat
men 10 jaar in dienst moet zijn geweest om in aanmerking voor deeltijd-VUT
te komen is in de CAO gekomen omdat een algemeen gevoelen is dat de
werknemer dat recht moet verwerven.

Ten aanzien van de overgelegde gegevens stelt de wederpartij dat het niet
zoveel uitmaakt of er uitgegaan wordt van de grens van 57 of van 58 jaar.
Wel wijst zij er op dat het een momentopname is. De werknemers die niet
in aanmerking komen voor deeltijd-VUT hebben over het algemeen genoeg
dienstjaren, maar niet genoeg uren gewerkt.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij indirect onderscheid maakt
naar geslacht in strijd met artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek
(BW) door de toepassing van artikel 6.2. leden 2 en 3 van de HK-CAO en
artikel 3.1 onder c van de CAO deeltijd VUT.

5.2. In artikel 7A:1637ij lid 1 BW is bepaald dat de werkgever geen
onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in -onder andere- de
arbeidsvoorwaarden. Het vijfde lid van artikel 7A:1637ij BW geeft aan wat
in dit verband onder indirect onderscheid wordt verstaan: onderscheid op
grond van andere hoedanigheden dan het geslacht, dat onderscheid op grond
van geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid objectief
gerechtvaardigd is.

5.3. De Commissie stelt met betrekking tot artikel 6.2. lid 2 van de
HK-CAO vast dat de wederpartij aannemelijk heeft gemaakt dat zij deze
bepaling in de praktijk niet toepast, aangezien overwerk op vrijwillige
basis gebeurt. Werknemers in onvolledige dienst ondervinden derhalve geen
nadeel op dit punt, zodat deze CAO-bepaling verder onbesproken blijft.

5.4. Vastgesteld moet worden of door de toepassing van de CAO- bepalingen
in overwegende mate personen van een geslacht nadelig getroffen worden en
of daardoor een vermoeden van indirect onderscheid op grond van geslacht
ontstaat. De Commissie hanteert daarbij relatieve cijfers, aangezien
daardoor rekening wordt gehouden met het aandeel dat mannen
respectievelijk vrouwen hebben in het personeel waarvoor de CAO’s bedoeld
zijn. Bij een bestand waarin mannen en vrouwen niet een ongeveer gelijk
aandeel hebben, zouden absolute aantallen een vertekend beeld geven (Een
voorbeeld: een onderneming waarin 10 vrouwen werken en 1000 mannen. Van
de vrouwen werken er 9 in deeltijd, van de mannen ook. Stel dat
deeltijders een lager uurloon ontvangen dan voltijders. Indien men alleen
kijkt naar de aantallen (dus de absolute getallen) werkt onderscheid ten
nadele van deeltijders gelijk uit naar geslacht; er zijn immers 9 vrouwen
en 9 mannen die benadeeld worden. Toch zal duidelijk zijn dat met name de
vrouwen nadelig getroffen worden: immers 9 van de 10 vrouwen tegenover 9
van de 1000 mannen worden nadelig getroffen). Met betrekking tot de
HK-CAO:

Uit paragraaf 4.4. blijkt dat 58,61 % van het vrouwelijk personeel in
onvolledige dienst werkt tegenover 5,43 % van het mannelijk personeel. Het
effect is dat 10 keer zoveel vrouwen als mannen (58,61:5,43) nadelig
getroffen worden door de toepassing van de bepaling in de HK-CAO waarin
staat dat er pas sprake is van overwerk indien de dagelijkse c.q.
wekelijkse arbeidstijd van een werknemer met een volledig dienstverband
wordt overschreden (artikel 6.2. lid 3).

De Commissie is op grond van bovenstaande gegevens van oordeel dat er een
vermoeden rijst dat de wederpartij indirect onderscheid naar geslacht
maakt door de toepassing van de bewuste CAO-bepaling.

Indien de wederpartij een objectieve rechtvaardigingsgrond heeft voor het
gemaakte onderscheid in die bepaling, wordt daardoor het vermoeden van
indirect onderscheid weerlegd. Onder een objectieve rechtvaardigingsgrond
verstaat de Commissie: (Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid, 5 maart 1990, oordeelnummer 1-90-10; Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen, Bilka- Kaufhaus versus Weber von
Hartz, 13 mei 1986, zaak 170/84; Rinner-Kuhn versus FWW Spezial
Gebaudereinigung GmbH & Co.KG, zaak 171/88, 13 juli 1989.: – dat het
onderscheid gemaakt wordt om een objectief gerechtvaardigd doel te dienen
en – daartoe middelen zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om
dit doel te bereiken, terwijl – dit doel niet is te bereiken op andere
wijze waarbij geen indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

5.5. De wederpartij heeft naar voren gebracht dat deeltijdwerkers voor elk
uur dat extra wordt gewerkt, een betaling ontvangen van 100% van hun
uurloon en een complete doorwerking in alle andere componenten van hun
arbeidsvoorwaardenpakket. De beloning van een deeltijdwerker zou daardoor
hoger zijn dan die van een voltijdwerker.

Hieromtrent overweegt de Commissie als volgt. De Commissie is er van
overtuigd dat de wederpartij op een uiterst zorgvuldige wijze met de
rechtspositie van deeltijdwerkers wenst om te gaan. Vanuit een dergelijk
oogpunt zou men zeer wel kunnen verdedigen dat deeltijdwerkers
arbeidsvoorwaardelijk bezien beter af zijn met de wijze waarop zij door
de wederpartij worden behandeld dan wanneer zij op hun uurloon alleen een
overwerktoeslag zouden ontvangen. Voor de Commissie geldt echter alleen
de vraag of er in strijd met de Wet indirect onderscheid gemaakt wordt
tussen mannen en vrouwen door deeltijdwerkers anders dan voltijdwerkers
geen overwerktoeslag toe te kennen. Aan de overwerkregeling ligt de
gedachte ten grondslag dat na het bereiken van een bepaald aantal werkzame
uren, de werkbelasting groter wordt. De overuren die deeltijdwerkers maken
worden niet gedefinieerd als overwerk en worden ook niet als zodanig
beloond. Daarmee wordt een onderscheid aangebracht waarover de Commissie
reeds verschillende malen heeft uitgesproken (Zie onder andere Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, oordelen *
1-90-10, 5 maart 1990 * 353-91-34, 12 juni 1991 * 525-93-52, 22 december
1993) dat die extra belasting in zijn algemeenheid niet is vast te
stellen, afhankelijk als zij immers is van gestel, persoonlijkheid en
persoonlijke omstandigheden van degene die het overwerk verricht.

Deeltijdwerkers die bij de wederpartij een functie verrichten kunnen
daarnaast nog een andere baan hebben, hun baan met een studie combineren,
vrijwilligerswerk verrichten, of zorgtaken hebben te verrichten. In
dergelijke gevallen zal het moeten verrichten van overwerk eveneens een
extra belasting met zich meebrengen, waarvoor compensatie evenzeer lijkt
gerechtvaardigd. De compensatiegedachte is daarmee van een te zwakke basis
voorzien om als objectieve rechtvaardiging voor de van kracht zijnde
overwerktoeslagregeling te kunnen dienen. Hieraan doet derhalve niet af
dat werknemers in onvolledige dienst wel op andere wijze beloond worden
(Vergelijk ook het Barber-arrest (zie noot 1) van het Hof van Justie van
de Europese Gemeenschappen. In dit arrest spreekt het EG-Hof uit dat de
beoordeling, of er sprake is van gelijke beloning van mannen en vrouwen,
alleen kan geschieden door ieder onderdeel van het beloningspakket op zich
aan het beginsel van gelijke beloning te toetsen en niet door totale
pakketten met elkaar te vergelijken (r.o. 34.)).

Ten overvloede wijst de Commissie er op dat zij over de hoogte van een
overwerktoeslag in oordeel 562-93-37 (Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid, 14 oktober 1993) heeft uitgesproken dat
niet uitgesloten is dat de toeslag voor overwerk kan varieren al naar
gelang de omvang van het deeltijddienstverband, mits een duidelijk beeld
bestaat van de extra belasting voor bijvoorbeeld deeltijders met grote en
kleine dienstverbanden. De Commissie kon zich in genoemd oordeel
voorstellen dat de extra belasting voor kleinere deeltijdwerkers minder
groot zou kunnen zijn dan voor voltijdwerkers of grote deeltijdwerkers.
Een lagere compensatie zou in dit soort gevallen gerechtvaardigd kunnen
zijn, zij het dat ook dan sprake moet zijn van een reele vergoeding. Als
ondergrens is genoemd de helft van de toeslag voor een voltijdwerker. Wel
dient dan van tevoren onderzocht te zijn welke groep als kleine
deeltijdwerkers kan worden aangemerkt, en of de belasting van deze
categorie personeel inderdaad als minder groot is aan te merken ten
opzichte van andere werknemers.

5.6. Met betrekking tot de CAO deeltijd VUT: Vastgesteld moet worden of
door de toepassing van artikel 3.1. onder c van de CAO in overwegende mate
personen van een geslacht nadelig getroffen worden en of daardoor een
vermoeden van indirect onderscheid op grond van geslacht ontstaat. Bij de
berekening van het effect zal uitgegaan worden van de gegevens over het
personeel van 58 jaar en ouder in plaats van 57 jaar en ouder, aangezien
de wederpartij heeft aangegeven dat beide gegevens dezelfde uitkomsten
zullen laten zien. Uit de gegevens uit paragraaf 4.4. blijkt dat 20,11%
van de vrouwen van 58 jaar en ouder niet voldoet aan de eisen om in
aanmerking te komen voor deeltijd-VUT; van de mannen voldoet 3,26% niet
aan de eisen om in aanmerking te komen voor deeltijd-VUT. Dit betekent dat
6 keer zoveel vrouwen als mannen niet aan de eisen voldoen.

De wederpartij heeft aangegeven dat dit effect grotendeels veroorzaakt
wordt door de 13 uren-grens en niet door de 10 jaren-eis uit de CAO. Op
grond van het bovenstaande rijst het vermoeden dat de wederpartij door
toepassing van de uren-grens een indirect onderscheid naar geslacht maakt.

5.7. Het ligt op de weg van de wederpartij om hiervoor een objectieve
rechtvaardigingsgrond aan te voeren.

De wederpartij voert aan dat de CAO deeltijd VUT tot stand gekomen is met
de bedoeling om de arbeidsbelasting van oudere werknemers te verminderen
door middel van een verlaging van het aantal werkuren per week. De
urengrens is ingesteld omdat de arbeidsbelasting hoger wordt, naarmate men
meer uren werkt. Zonder een grens zou zich de situatie kunnen voordoen dat
een werknemer met een zeer laag aantal contracturen gebruik kan maken van
deze regeling, waardoor de regeling haar doel volkomen voorbij zou
schieten.

De Commissie overweegt hieromtrent als volgt. Op zichzelf zou een
objectieve rechtvaardiging voor een verschil in behandeling tussen
voltijd-en ‘grote’ deeltijdwerkers enerzijds en ‘kleine’ deeltijdwerkers
anderzijds in bepaalde gevallen gelegen kunnen zijn in de mogelijk hogere
werkbelasting van voltijdwerkers en ‘grote’ deeltijdwerkers ten opzichte
van ‘kleine’ deeltijdwerkers, afhankelijk van de feiten en omstandigheden
van het geval. Hetgeen de Commissie in zaken betreffende overwerk-
vergoedingen heeft uitgesproken geldt ook hier, namelijk dat de
veronderstelde belasting niet in zijn algemeenheid kan worden vastgesteld
nu een en ander afhankelijk is van gestel, persoonlijkheid en persoonlijke
omstandigheden van de werknemer. Dit betekent ook hier niet dat elke
deeltijder onder alle omstandigheden op dezelfde wijze moet worden beloond
of gecompenseerd, omdat niet uitgesloten is dat een compensatie kan
varieren al naar gelang de omvang van het deeltijddienstverband, mits een
duidelijk beeld bestaat van de extra belasting voor bijvoorbeeld
deeltijders met grote en kleine dienstverbanden (Vergelijk met het oordeel
genoemd in noot 6). In oordeel 467-92-68 sprak de Commissie bijvoorbeeld
uit, dat extra arbeidsduurverkorting ter vermindering van de (aangetoonde)
extra werkbelasting van voltijders geoorloofd is in een geval waarin die
belasting samenhangt met de aard van de werkzaamheden.

Uit hetgeen de wederpartij in de onderhavige zaak naar voren heeft
gebracht, blijkt dat de 13 uren-grens niet zozeer tot stand is gekomen op
basis van gedegen onderzoek naar de werkbelasting van voltijd- en
deeltijdwerknemers die de leeftijd van 57 jaar bereikt hebben, maar op
basis van CAO- onderhandelingen. Gelet op hetgeen de Commissie hierboven
heeft overwogen, staat hiermee vast dat de wederpartij er niet in is
geslaagd om een objectieve rechtvaardigingsgrond aan te tonen voor de 13
uren- grens in de CAO deeltijd VUT.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Zaandam indirect
onderscheid maakt naar geslacht in strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk
Wetboek door – conform artikel 6.3. lid 3 van de CAO voor Kader-,
Administratief- en Technisch personeel aan werknemers in onvolledige
dienst geen overwerktoeslag toe te kennen en – door de urengrens uit
artikel 3.1. onder c van de CAO met betrekking tot gedeeltelijk vervroegd
uittreden toe te passen.

Rechters

mw mr I.M.C.V.T. Kiebert (plv. Kamervoorzitter), mw mr C.B.Mol-Bronkhorst (lid Kamer), mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer), mwmr M.M. Hubner (adjunct- secretaris)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 17 augustus 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Belangenorganisatie dient verzoek om een oordeel in over twee cao’s die
in het bedrijf van de wederpartij worden toegepast. Een cao bevat een
bepaling die onderscheid maakt tussen voltijdwerkers en deeltijdwerkers
op het punt van de overwerktoeslag, de andere (VUT)cao bevat bepalingen
die dit onderscheid maken tussen werknemers die meer en werknemers die
minder dan een bepaald aantal uren werken. De wederpartij past
eerstgenoemde cao echter al enige jaren niet meer toe. De Commissie stelt
vast dat de wederpartij de eerste cao niet meer toepast en concludeert dat
verzoekster voor wat betreft deze cao niet ontvankelijk is in haar
verzoek.

Daarnaast stelt de Commissie vast dat door de toepassing van de
cao-bepalingen met betrekking tot de urengrens in de VUT relatief meer
vrouwen dan mannen nadelig getroffen worden en dat daardoor een vermoeden
van indirect onderscheid op grond van geslacht ontstaat. De wederpartij
voert aan dat de urengrens is ingesteld omdat de arbeidsbelasting hoger
wordt, naarmate men meer uren werkt. De Commissie accepteert deze
redenering niet als objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte
onderscheid. Wel voegt de Commissie hieraan toe dat dit niet betekent dat
elke deeltijder onder alle omstandigheden op dezelfde wijze moet worden
beloond of gecompenseerd. Strijd met de Wet. Samenhang met oordelen
618-94-65, 619a-94-66 en 619c-94-68.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 3 september 1993 verzocht de te Den Haag, die per 12 oktober 1993
is opgevolgd door de (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te
spreken over de vraag of te Zaandam (hierna: de wederpartij), onderscheid
maakt naar geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster is van mening dat de wederpartij indirect onderscheid
jegens vrouwen maakt door de toepassing van een aantal bepalingen in de
CAO voor Kader-, Administratief- en Technisch personeel (hierna: HK-CAO)
en de CAO met betrekking tot gedeeltelijk vervroegd uittreden, waardoor
(bepaalde) deeltijdwerkers benadeeld dan wel uitgesloten worden.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

Verzoekster is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegd- heid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee
voldoet verzoekster aan de eisen die de wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

3.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben de gelegenheid gehad hun standpunten
weer te geven.

De onderhavige zaak is gevoegd behandeld met drie andere zaken (oordelen
618-94-65, 619a-94-66, en 619c-94-68) die verzoekster tezamen met het
onderhavige verzoek aan de Commissie ter beoordeling heeft voorgelegd.

3.2. Partijen zijn opgeroepen om te verschijnen op een zitting van de
Commissie op 5 juli 1994.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw

van de kant van de wederpartij – dhr (hoofd arbeidszaken van
de wederpartij in oordeel 619c-94-68, tevens gemachtigde van de
wederpartij) – dhr (gemachtigde in oordeel 619c-94-68,
tevens gemachtigde van de wederpartij)

van de kant van de wederpartij in oordeel 618-94-65 – dhr
(adjunct-directeur personeel en organisatie) – mw

van de kant van de Commissie – mw mr I.M.C.V.T. Kiebert (plv.
Kamervoorzitter) – mw mr C.B. Mol-Bronkhorst (lid Kamer) – mw prof. mr
J.E. Goldschmidt (lid Kamer) – mw mr M.M. Hubner (adjunct-secretaris).

3.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II. In deze Kamer hebben
zitting de leden als genoemd onder paragraaf 3.2.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

4.1. In het bedrijf van de wederpartij, een dochtervennootschap van een
holding (wederpartij in oordeel 619c-94-68) wordt de CAO met betrekking
tot gedeeltelijk vervroegd uittreden (CAO deeltijd VUT) toegepast. De
looptijd van de voorgelegde CAO is van 9 september 1991 tot 12 september
1993; verlenging vindt stilzwijgend plaats voor de tijd van een jaar. In
het verleden werd ook de CAO voor Kader- , Administratief- en Technisch
personeel (HK-CAO) toegepast. Ter zitting van de Commissie is verklaard
dat de wederpartij sinds 1992 niet meer onder de HK-CAO valt, aangezien
zij sindsdien een eigen CAO heeft, waarin overigens hetzelfde bepaald is
als in de HK-CAO.

4.2. In artikel 6.2 lid 3 van de HK-CAO (met een looptijd van 23 maart
1992 tot 28 maart 1993) is bepaald dat er sprake is van overwerk indien
de dagelijkse c.q. wekelijkse arbeidstijd voor een werknemer met een
volledig dienstverband wordt overschreden. Werknemers met een onvolledig
dienstverband, die langer werken dan de overeengekomen uren, maar korter
dan de voltijdse werkweek of werkdag, ontvangen hun normale uurloon.
Voltijdwerkers hebben volgens lid 5 in principe recht op compensatie in
vrije tijd, en anders op een toeslag. 4.3. De CAO deeltijd VUT geeft
oudere werknemers het recht om hun werktijd te bekorten. Afhankelijk van
de leeftijd die de werknemer heeft, bedraagt het deeltijd-VUT-recht
waarmee de werktijd per week kan worden verminderd: – 10% voor de
57-jarige – maximaal 20% voor de 58-jarige – maximaal 40% voor de
59-jarige – maximaal 50% voor de 60- tot en met 64-jarigen.

De niet-gewerkte uren worden vergoed. Het percentage van de vergoeding
bedraagt: – 60% voor de 57-jarige – 65% voor de 58-jarige – 70% voor de
59-jarige – 75% voor de 60-jarige – 80% voor de 61-jarige – 85% voor de
62-jarige – 90% voor de 63- en 64-jarigen. Om in aanmerking te komen voor
deze regeling moet men aan de volgende voorwaarden voldoen: De werknemer
dient direct voorafgaande aan het moment waarop hij de arbeidstijd wil
verkorten, tenminste 10 aaneengesloten dienstjaren werkzaam te zijn
geweest bij het concern en gedurende tenminste 693 uren per jaar.
Laatstgenoemde grens komt neer op ruim 13 uur per week (artikel 3.1. onder
c).

4.4. De CAO is van toepassing op alle werknemers in dienst van de holding
of van een van de Nederlandse dochtervennootschappen.

De Commissie heeft, omdat zij destijds alleen de beschikking had over een
oudere CAO waarin VUT-rechten werden toegekend aan werknemers vanaf 58
jaar, bij de wederpartij alleen gegevens opgevraagd over werknemers vanaf
58 jaar in plaats vanaf 57 jaar. De volgende gegevens zijn overgelegd met
betrekking tot het personeelsbestand van de wederpartij (peildatum eind
1993):

* Er zijn 1.070 vrouwen en 138 mannen in dienst.

* Er zijn 3 vrouwen en 4 mannen in dienst van 58 jaar en ouder.

* Van de hierboven genoemde personen zijn 1 vrouw en 4 mannen reeds
gedurende 10 jaar werkzaam. Zij hebben gedurende die 10 jaren tenminste
693 uren per jaar gewerkt.

* Er zijn 2 vrouwen en 0 mannen van 58 jaar en ouder die niet aan de eisen
voldoen om in aanmerking te komen voor deeltijd- VUT.

* 2 van de 3 vrouwen voldoen niet aan de eisen= 66,66% 0 van de 4 mannen
voldoen niet aan de eisen= 0%

De standpunten van partijen

4.5. Verzoekster stelt het volgende. Zij verbaast zich er over dat de
wederpartij niet meer onder de HK-CAO valt en is van mening dat de
wederpartij dat in een eerder stadium aan de Commissie had moeten melden.
Voorzover dat nodig is, verzoekt zij daarom om aanhouding van de zaak voor
dit onderdeel van haar verzoekschrift.

Met betrekking tot de in geding zijnde CAO-bepalingen stelt verzoekster
dat deze indirect discriminerend voor vrouwen zijn, aangezien er relatief
meer vrouwen dan mannen in deeltijd werken. Wederpartij voert als
rechtvaardiging voor de 13 uur-grens twee argumenten aan. Ten eerste zou
de werkbelasting groter zijn naarmate men meer uren werkt. Ten tweede zou
een grens nodig zijn omdat anders ook werknemers met een zeer klein aantal
contracturen voor deeltijd VUT in aanmerking komen. Hierover merkt
verzoekster het volgende op: – De arbeidsbelasting is inderdaad groter
naarmate men meer uren per week werkt, maar de betaalde arbeid bij
wederpartijen is niet alleen bepalend voor de totale belasting van een
werknemer. Een deeltijdwerker kan immers nog een deeltijdbaan ernaast
hebben of andere taken, zoals zorgtaken hebben te verrichten. – Daar komt
bij dat de urengrens niet alleen betrekking heeft op het huidige aantal
uren dat men werkt; het gaat om de afgelopen 10 jaar. Indien men in deze
10 jaren gedurende de eerste twee jaren 10 uur per week werkt en gedurende
de laatste 8 jaren 25 uur per week werkt, komt men niet in aanmerking voor
deeltijd VUT. – De 13 uur-grens is een willekeurige grens, die niet
gebaseerd is op gegevens over de werkelijke belasting van werknemers. –
Een grens van 13 uur is iets anders dan een grens van 3 uur, welk
voorbeeld wederpartij aanhaalt, waarbij het de vraag is of een werkelijk
relevant aantal werknemers zo weinig contractenuren heeft. – De regeling
werkt bovendien zo uit, dat iemand die 14 uren per week werkt, zijn
dienstverband mag terugbrengen tot 7 uren per week. Iemand die 13 uren per
week werkt, moet echter 13 uren blijven werken. Dat is niet logisch. – Als
men al een grens trekt bij een bepaald aantal uren, omdat anders een te
laag urenaantal overblijft, of omdat een lichtere werklast niet nodig
wordt geacht bij een bepaalde grens, dan zou het salaris van de kleine
deeltijder zodanig aangepast moeten worden dat deze in ieder geval een
gelijk salaris heeft als degeen die in aanmerking komt voor deeltijd- VUT.

Tot slot brengt verzoekster naar voren dat gebleken is dat de 13 uur-grens
tot stand is gekomen op basis van onderhandelingen en niet op basis van
de werkbelasting.

4.6. De wederpartij stelt het volgende. Het is een misverstand dat
deeltijdwerkers minder rechten zouden ontlenen aan overwerk dan
voltijdwerkers. Deze opvatting wordt gebaseerd op het feit dat
deeltijdwerkers geen overwerktoeslag ontvangen zolang zij de normale
dagelijkse of wekelijkse voltijdarbeid niet overschrijden. Vergeten wordt
echter dat deeltijdwerkers voor elk uur dat extra wordt gewerkt, een
betaling ontvangen van 100% van hun uurloon en een complete doorwerking
in alle andere componenten van hun arbeidsvoorwaardenpakket.

De CAO deeltijd VUT is tot stand gekomen met de bedoeling om de
arbeidsbelasting van oudere werknemers te verminderen door middel van een
verlaging van het aantal werkuren per week. De arbeidsbelasting is hoger,
naarmate men meer uren werkt. De bedoeling van de regeling is om
werkelijke belasting omlaag te brengen. In dat licht bezien is het nodig
om een grens te stellen. Zonder een dergelijke grens zou zich de situatie
kunnen voordoen dat een werknemer met een zeer laag aantal contracturen
(bijvoorbeeld drie uren per week voor de koopavond), gebruik kan maken van
deze regeling en dit lage aantal uren met 10 a 50% kan bekorten. De
regeling zou in dergelijke gevallen haar doel volkomen voorbij schieten.
De voorbeelden die verzoekster geeft zijn nogal demagogisch, omdat de
praktijk anders uitwijst. Bovendien is er een hardheidsclausule, waardoor
een werknemer die in een dergelijke bijzondere situatie zit toch aanspraak
kan maken op deeltijd-VUT.

Overigens was het de inzet van werkgeverszijde om een deeltijd-VUT af te
spreken waardoor niet minder dan 20 uur per week gewerkt zou worden. Bij
de onderhandelingen met de vakbonden is uiteindelijk de 13 uur-grens
gekozen, waarbij aangesloten is bij bepalingen in andere CAO’s. De eis dat
men 10 jaar in dienst moet zijn geweest om in aanmerking voor deeltijd-VUT
te komen is in de CAO gekomen omdat een algemeen gevoelen is dat de
werknemer dat recht moet verwerven.

Ten aanzien van de overgelegde gegevens stelt de wederpartij dat het niet
zoveel uitmaakt of er uitgegaan wordt van de grens van 57 of van 58 jaar.
Wel wijst zij er op dat het een momentopname is. De werknemers die niet
in aanmerking komen voor deeltijd-VUT hebben over het algemeen genoeg
dienstjaren, maar niet genoeg uren gewerkt.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij indirect onderscheid maakt
naar geslacht in strijd met artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek
(BW) door de toepassing van cao-bepalingen waarbij bepaalde categorieen
werknemers benadeeld worden ten opzichte van werknemers in volledige
dienst.

5.2. In artikel 7A:1637ij lid 1 BW is bepaald dat de werkgever geen
onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in -onder andere- de
arbeidsvoorwaarden. Het vijfde lid van artikel 7A:1637ij BW geeft aan wat
in dit verband onder indirect onderscheid wordt verstaan: onderscheid op
grond van andere hoedanigheden dan het geslacht, dat onderscheid op grond
van geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid objectief
gerechtvaardigd is.

5.3. Met betrekking tot de HK-CAO is gebleken dat de wederpartij deze
sinds 1992 niet meer toepast, aangezien zij sindsdien een eigen CAO heeft.
De Commissie concludeert op grond hiervan dat verzoekster niet
ontvankelijk is in haar verzoek, aangezien zij om een oordeel van de
Commissie heeft gevraagd over de toepassing van de HK-CAO door de
wederpartij. De zaak kan niet, zoals verzoekster wenst, aangehouden
worden, omdat een aanhouding slechts zinvol zou zijn indien nadere
gegevens met betrekking de onderhavige CAO opgevraagd zouden moeten
worden, wat niet het geval is.

5.4. Met betrekking tot de CAO deeltijd VUT moet vastgesteld worden of
door de toepassing van de CAO-bepalingen in overwegende mate personen van
een geslacht nadelig getroffen worden en of daardoor een vermoeden van
indirect onderscheid op grond van geslacht ontstaat. De Commissie hanteert
daarbij relatieve cijfers, aangezien daardoor rekening wordt gehouden met
het aandeel dat mannen respectievelijk vrouwen hebben in het personeel
waarvoor de CAO bedoeld is. Bij een bestand waarin mannen en vrouwen niet
een ongeveer gelijk aandeel hebben, zouden absolute aantallen een
vertekend beeld geven (Een voorbeeld: een onderneming waarin 10 vrouwen
werken en 1000 mannen. Van de vrouwen werken er 9 in deeltijd, van de
mannen ook. Stel dat deeltijders een lager uurloon ontvangen dan
voltijders. Indien men alleen kijkt naar de aantallen (dus de absolute
getallen) werkt onderscheid ten nadele van deeltijders gelijk uit naar
geslacht; er zijn immers 9 vrouwen en 9 mannen die benadeeld worden. Toch
zal duidelijk zijn dat met name de vrouwen nadelig getroffen worden:
immers 9 van de 10 vrouwen tegenover 9 van de 1000 mannen worden nadelig
getroffen).

Overigens zal bij de berekening van het effect uitgegaan worden van de
gegevens over het personeel van 58 jaar en ouder in plaats van 57 jaar en
ouder, aangezien de wederpartij heeft aangegeven dat beide gegevens
dezelfde uitkomsten zullen laten zien. Uit de gegevens uit paragraaf 4.4.
blijkt dat 2 van de 3 vrouwen van 58 jaar en ouder niet voldoen aan de
eisen om in aanmerking te komen voor deeltijd-VUT, dat is 66,66%; geen van
de 4 mannen voldoet niet aan de eisen om in aanmerking te komen voor
deeltijd-VUT, dat is 0%.

Dit betekent dat er alleen vrouwen zijn die niet aan de eisen voldoen.

De wederpartij heeft aangegeven dat dit effect grotendeels veroorzaakt
wordt door de 13 uren-grens en niet door de 10 jaren-eis uit de CAO. Op
grond van het bovenstaande rijst het vermoeden dat de wederpartij door
toepassing van de uren-grens een indirect onderscheid naar geslacht maakt.

5.5. Het ligt op de weg van de wederpartij om hiervoor een objectieve
rechtvaardigingsgrond aan te voeren. Onder een objectieve
rechtvaardigingsgrond verstaat de Commissie: (Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 5 maart 1990,
oordeelnummer 1-90-10; Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen,
Bilka- Kaufhaus versus Weber von Hartz, 13 mei 1986, zaak 170/84;
Rinner-Kuhn versus FWW Spezial Gebaudereinigung GmbH & Co.KG, zaak 171/88,
13 juli 1989) – dat het onderscheid gemaakt wordt om een objectief
gerechtvaardigd doel te dienen en – daartoe middelen zijn gekozen die
geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken, terwijl – dit doel
niet is te bereiken op andere wijze waarbij geen indirect onderscheid naar
geslacht wordt gemaakt.

5.6. De wederpartij voert aan dat de CAO deeltijd VUT tot stand gekomen
is met de bedoeling om de arbeidsbelasting van oudere werknemers te
verminderen door middel van een verlaging van het aantal werkuren per
week. De urengrens is ingesteld omdat de arbeidsbelasting hoger wordt,
naarmate men meer uren werkt. Zonder een grens zou zich de situatie kunnen
voordoen dat een werknemer met een zeer laag aantal contracturen gebruik
kan maken van deze regeling, waardoor de regeling haar doel volkomen
voorbij zou schieten.

De Commissie overweegt hieromtrent als volgt. Op zichzelf zou een
objectieve rechtvaardiging voor een verschil in behandeling tussen
voltijd-en ‘grote’ deeltijdwerkers enerzijds en ‘kleine’ deeltijdwerkers
anderzijds in bepaalde gevallen gelegen kunnen zijn in de mogelijk hogere
werkbelasting van voltijdwerkers en ‘grote’ deeltijdwerkers ten opzichte
van ‘kleine’ deeltijdwerkers, afhankelijk van de feiten en omstandigheden
van het geval.

Hetgeen de Commissie meermalen in zaken betreffende overwerkvergoedingen
in CAO’s heeft uitgesproken (Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid, 5 maart 1990, oordeel 1-90-10) geldt ook hier,
namelijk dat de veronderstelde belasting niet in zijn algemeenheid kan
worden vastgesteld nu een en ander afhankelijk is van gestel,
persoonlijkheid en persoonlijke omstandigheden van de werknemer.
Deeltijdwerkers kunnen immers elders nog een andere baan hebben, hun werk
met een studie combineren, vrijwilligerswerk verrichten, of zorgtaken
hebben. Dit betekent niet dat elke deeltijder onder alle omstandigheden
op dezelfde wijze moet worden beloond of gecompenseerd. Het is namelijk
niet uitgesloten dat een compensatie kan varieren al naar gelang de omvang
van het deeltijddienstverband, mits een duidelijk beeld bestaat van de
extra belasting voor bijvoorbeeld deeltijders met grote en kleine
dienstverbanden (Zie ook Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid, 14 oktober 1993, 562-93- 37). De extra belasting
voor ‘kleinere’ deeltijdwerkers kan minder groot zijn dan voor
voltijdwerkers of ‘grote’ deeltijdwerkers. Een lagere compensatie zou in
dit soort gevallen gerechtvaardigd kunnen zijn, zij het dat ook dan sprake
moet zijn van een reele vergoeding. In een zaak aangaande een
overwerkvergoeding (zie noot 4) is als ondergrens genoemd, de helft van
de toeslag voor een voltijdwerker. Wel dient dan van tevoren onderzocht
te zijn welke groep als ‘kleine’ deeltijdwerkers kan worden aangemerkt,
en of de belasting van deze categorie personeel inderdaad als minder groot
is aan te merken ten opzichte van andere werknemers. In een ander oordeel
(467-92-68) sprak de Commissie uit, dat extra arbeidsduurverkorting ter
vermindering van de (aangetoonde) extra werkbelasting van voltijders
geoorloofd is in een geval waarin die belasting samenhangt met de aard van
de werkzaamheden.

Uit hetgeen de wederpartij in de onderhavige zaak naar voren heeft
gebracht, blijkt dat de 13 uren-grens niet zozeer tot stand is gekomen op
basis van gedegen onderzoek naar de werkbelasting van voltijd- en
deeltijdwerknemers die de leeftijd van 57 jaar bereikt hebben, maar op
basis van CAO- onderhandelingen. Gelet op hetgeen de Commissie hierboven
heeft overwogen, staat hiermee vast dat de wederpartij er niet in is
geslaagd om een objectieve rechtvaardigingsgrond aan te tonen voor de 13
uren- grens in de CAO deeltijd VUT.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de niet ontvankelijk is in
haar verzoek jegens te Zaandam betreffende de CAO voor Kader-,
Administratief- en Technisch personeel.

De Commissie spreekt verder als haar oordeel uit dat te Zaandam indirect
onderscheid op grond van geslacht maakt in strijd met artikel 7A: 1637ij
van het Burgerlijk Wetboek door de urengrens uit artikel 3.1. onder c in
de CAO met betrekking tot gedeeltelijk vervroegd uittreden toe te passen.

Rechters

mw mr I.M.C.V.T. Kiebert (plv. Kamervoorzitter), mw mr C.B.Mol-Bronkhorst (lid Kamer), mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer), mwmr M.M. Hubner (adjunct- secretaris)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 17 augustus 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Belangenorganisatie dient verzoek om een oordeel in over twee cao’s die
in het bedrijf van de wederpartij worden toegepast. Een cao bevat een
bepaling die onderscheid maakt tussen voltijdwerkers en deeltijdwerkers
op het punt van de overwerktoeslag, de andere (VUT)cao bevat bepalingen
die onderscheid maken tussen werknemers die meer en werknemers die minder
dan een bepaald aantal uren werken. De Commissie stelt vast dat door de
toepassing van de betreffende CAO-bepalingen relatief meer vrouwen dan
mannen nadelig getroffen worden en dat daardoor een vermoeden van indirect
onderscheid op grond van geslacht ontstaat. De wederpartij voert aan dat
de urengrens is ingesteld omdat de arbeidsbelasting hoger wordt, naarmate
men meer uren werkt. De Commissie accepteert deze redenering niet als
objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid. De Commissie
concludeert dat de wederpartij noch voor het gemaakte onderscheid bij de
overwerkurentoeslag noch voor het gemaakte onderscheid in de VUT-regeling
er in is geslaagd om een objectieve rechtvaardigingsgrond aan te tonen.
In een overweging ten overvloede tekent de Commissie echter aan dat dit
niet betekent dat elke deeltijder onder alle omstandigheden op dezelfde
wijze als een voltijder moet worden beloond of gecompenseerd. Strijd met
de Wet. Samenhang met oordelen 618-94-65, 619b-94-67 en 619c-94-68.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 3 september 1993 verzocht de te Den Haag, die per 12 oktober 1993
is opgevolgd door de (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of
te Zaandam (hierna: de wederpartij), onderscheid maakt naar geslacht in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster is van mening dat de wederpartij indirect onderscheid
jegens vrouwen maakt door de toepassing van een aantal bepalingen in de
CAO voor Kader-, Administratief- en Technisch personeel (hierna: HK-CAO)
en de CAO met betrekking tot gedeeltelijk vervroegd uittreden (hierna: CAO
deeltijd VUT), waardoor (bepaalde) deeltijdwerkers benadeeld dan wel
uitgesloten worden.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

Verzoekster is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegd- heid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee
voldoet verzoekster aan de eisen die de wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

3.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben de gelegenheid gehad hun standpunten
weer te geven.

De onderhavige zaak is gevoegd behandeld met drie andere zaken (oordelen
618-94-65, 619b-94-67, en 619c-94-68) die verzoekster tezamen met het
onderhavige verzoek aan de Commissie ter beoordeling heeft voorgelegd.

3.2. Partijen zijn opgeroepen om te verschijnen op een zitting van de
Commissie op 5 juli 1994.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw

van de kant van de wederpartij – dhr (adjunct-directeur
personeel en organisatie) – mw

van de kant van de wederpartij in oordeel 619c-94-68 – dhr
(hoofd arbeidszaken van de wederpartij in oordeel 619c-94-68, tevens
gemachtigde van de weder- partij in oordeel 619b-94-67) – dhr
(gemachtigde in oordeel 619c-94-68, tevens gemachtigde van de
wederpartij in de oordeel 619b-94-67)

van de kant van de Commissie – mw mr I.M.C.V.T. Kiebert (plv.
Kamervoorzitter) – mw mr C.B. Mol-Bronkhorst (lid Kamer) – mw prof. mr
J.E. Goldschmidt (lid Kamer) – mw mr M.M. Hubner (adjunct-secretaris).

3.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II. In deze Kamer hebben
zitting de leden als genoemd onder paragraaf 3.2.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

4.1. In het bedrijf van de wederpartij, een dochtervennootschap van een
holding (wederpartij in oordeel 619c-94-68) wordt de CAO deeltijd VUT
toegepast (looptijd van 9 september 1991 tot 12 september 1993; verlenging
vindt stilzwijgend plaats voor de tijd van een jaar). Tevens wordt de de
HK-CAO toegepast (looptijd van 23 maart 1992 tot 28 maart 1993).

4.2. In artikel 6.2 lid 3 van de HK-CAO is bepaald dat er sprake is van
overwerk indien de dagelijkse c.q. wekelijkse arbeidstijd voor een
werknemer met een volledig dienstverband wordt overschreden. In lid 4 is
bepaald dat werknemers met een onvolledig dienstverband, die langer werken
dan de overeengekomen uren, maar korter dan de voltijdse werkweek of
werkdag, hun normale uurloon ontvangen. Voltijdwerkers hebben volgens lid
5 in principe recht op compensatie in vrije tijd, en anders op een
toeslag. Die toeslag houdt volgens lid 6 het volgende in: a. op maandag
tot en met vrijdag – 25% voor het eerste uur en – 50% voor het tweede en
de volgende uren; b. op zaterdag – 75% voor alle uren; c. op overuren na
0.00 uur en voor 07.00 uur – 100% voor alle uren.

Artikel 6.2 lid 2 geeft aan dat werknemers van 55 jaar en ouder overwerk
uitsluitend op basis van vrijwilligheid hoeven te verrichten.

4.3. De CAO deeltijd VUT geeft werknemers van 57 jaar en ouder het recht
om hun werktijd te bekorten. Afhankelijk van de leeftijd die de werknemer
heeft, bedraagt het deeltijd-VUT- recht waarmee de werktijd per week kan
worden verminderd: – 10% voor de 57-jarige – maximaal 20% voor de
58-jarige – maximaal 40% voor de 59-jarige – maximaal 50% voor de 60- tot
en met 64-jarigen.

De niet-gewerkte uren worden vergoed. Het percentage van de vergoeding
bedraagt: – 60% voor de 57-jarige – 65% voor de 58-jarige – 70% voor de
59-jarige – 75% voor de 60-jarige – 80% voor de 61-jarige – 85% voor de
62-jarige – 90% voor de 63- en 64-jarigen.

Om in aanmerking te komen voor deze regeling moet men aan de volgende
voorwaarden voldoen: De werknemer dient direct voorafgaande aan het moment
waarop hij de arbeidstijd wil verkorten, tenminste 10 aaneengesloten
dienstjaren werkzaam te zijn geweest bij het concern gedurende tenminste
693 uren per jaar (artikel 3.1. onder c). Laatstgenoemde grens komt neer
op ruim 13 uur per week.

4.4. De CAO is van toepassing op alle werknemers in dienst van de holding
of van een van de Nederlandse dochtervennootschappen.

De Commissie heeft, omdat zij destijds alleen de beschikking had over een
oudere CAO waarin VUT-rechten werden toegekend aan werknemers vanaf 58
jaar, bij de wederpartij alleen gegevens opgevraagd betreffende werknemers
vanaf 58 jaar in plaats vanaf 57 jaar. De volgende gegevens zijn
overgelegd met betrekking tot het personeelsbestand van de wederpartij
(peildatum eind 1994):

Met betrekking tot de HK-CAO:

* Van de 840 vrouwen hebben er 510 een onvolledige dienstverband, dat is
60,71% van de vrouwen.

* Van de 923 mannen hebben er 62 een onvolledig dienstverband, dat is
6,71% van de mannen.

Met betrekking tot de CAO deeltijd VUT:

* De CAO is van toepassing op alle werknemers die bij de wederpartij
werkzaam zijn, zijnde 23.618 vrouwen en 21.572 mannen.

* Er zijn 175 vrouwen en 140 mannen in dienst van 58 jaar en ouder.

* Van de hierboven genoemde personen zijn 104 vrouwen en 132 mannen reeds
gedurende 10 jaar bij de wederpartij werkzaam. Zij hebben gedurende die
10 jaren tenminste 693 uren per jaar gewerkt.

* Er zijn 52 vrouwen en 2 mannen van 58 jaar en ouder die niet aan de
eisen voldoen om in aanmerking te komen voor deeltijd- VUT.

* 52 van de 175 vrouwen voldoen niet aan de eisen (=29,71%).

* 2 van de 140 mannen (=1,42%) voldoet niet aan de eisen.

De standpunten van partijen

4.5. Verzoekster stelt het volgende. De CAO-bepaling betreffende overwerk
benadeelt deeltijd- werkers aangezien deze geen toeslag of compensatie in
vrije tijd krijgen. Werknemers van 55 jaar en ouder met een onvolledig
dienstverband kunnen overwerk bovendien niet weigeren (zie artikel 6.2.
lid 2 van de HK-CAO). Deze benadeling levert een niet-toegestaan indirect
onderscheid op, indien hierdoor in overwegende mate personen van een
geslacht uitgesloten worden.

Met betrekking tot de rechtvaardiging van de wederpartij voor de
overwerkbepalingen -dat deeltijdwerkers in feite per overwerkuur meer
ontvangen dan voltijdwerkers, omdat de deeltijdwerkers over hun overuren
“een complete doorwerking in alle andere componenten van hun
arbeidsvoorwaardenpakket” ontvangen- is verzoekster evenmin overtuigd
aangezien een en ander niet is af te leiden uit bepalingen in de CAO of
het Handboek Personeelszaken. Bovendien is zij van mening dat
onvergelijkbare componenten met elkaar vergeleken worden. De doorwerking
in het loon van een deeltijdwerker behelst immers gedeeltelijk slechts de
kans dat deze in de toekomst een (hogere) WAO- of Ziektewet- uitkering kan
claimen, terwijl een overwerktoeslag hier en nu ontvangen wordt. Overigens
is verzoekster er niet van overtuigd dat bij de dagloonberekening in de
WAO en de ZW uitgegaan wordt van het feitelijke loon, aangezien daarin
staat vermeld dat het contractuele loon bepalend is voor de hoogte van de
uitkering. Beide pakketten mogen bovendien niet met elkaar vergeleken
worden op grond van een arrest van het EG-Hof van Justitie in de
Barber-zaak (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 17 mei 1990,
zaak C-262/88, Barber versus Guardian Royal Exchange Assurance Group,
Nemesis 1990, nr. 116), waarin het Hof heeft uitgesproken dat de
toepassing van het beginsel van gelijke beloning moet worden verzekerd ten
aanzien van elk onderdeel van de beloning en niet slechts door de aan de
werknemers toegekende voordelen in hun totaliteit te bezien.

4.6. Met betrekking tot de CAO deeltijd VUT stelt verzoekster het
volgende. Wederpartij voert als rechtvaardiging voor de 13 uur-grens twee
argumenten aan. Ten eerste zou de werkbelasting groter zijn naarmate men
meer uren werkt. Ten tweede zou een grens nodig zijn omdat anders ook
werknemers met een zeer klein aantal contracturen voor deeltijd VUT in
aanmerking komen. Hierover merkt verzoekster het volgende op: – De
arbeidsbelasting is inderdaad groter naarmate men meer uren per week
werkt, maar de betaalde arbeid bij wederpartijen is niet alleen bepalend
voor de totale belasting van een werknemer. Een deeltijdwerker kan immers
nog een deeltijdbaan ernaast hebben of andere taken, zoals zorgtaken
hebben te verrichten. – Daar komt bij dat de urengrens niet alleen
betrekking heeft op het huidige aantal uren dat men werkt; het gaat om de
afgelopen 10 jaar. Indien men in deze 10 jaren gedurende de eerste twee
jaren 10 uur per week werkt en gedurende de laatste 8 jaren 25 uur per
week werkt, komt men niet in aanmerking voor deeltijd VUT. – De 13
uur-grens is een willekeurige grens, die niet gebaseerd is op gegevens
over de werkelijke belasting van werknemers. – Een grens van 13 uur is
iets anders dan een grens van 3 uur, welk voorbeeld wederpartij aanhaalt,
waarbij het de vraag is of een werkelijk relevant aantal werknemers zo
weinig contractenuren heeft. – De regeling werkt bovendien zo uit, dat
iemand die 14 uren per week werkt, zijn dienstverband mag terugbrengen tot
7 uren per week. Iemand die 13 uren per week werkt, moet echter 13 uren
blijven werken. Dat is niet logisch. – Als men al een grens trekt bij een
bepaald aantal uren, omdat anders een te laag urenaantal overblijft, of
omdat een lichtere werklast niet nodig wordt geacht bij een bepaalde
grens, dan zou het salaris van de kleine deeltijder zodanig aangepast
moeten worden dat deze in ieder geval een gelijk salaris heeft als degeen
die in aanmerking komt voor deeltijd- VUT.

Tot slot brengt verzoekster naar voren dat gebleken is dat de 13 uur-grens
tot stand is gekomen op basis van onderhandelingen en niet op basis van
de werkbelasting.

4.7. De wederpartij stelt het volgende. Met betrekking tot de vermeende
discriminatie van werknemers met een onvolledig dienstverband, is het
volgende van belang. Dat deeltijdwerkers minder rechten zouden ontlenen
aan overwerk dan voltijdwerkers is een misverstand. Deze opvatting wordt
gebaseerd op het feit dat deeltijdwerkers geen overwerktoeslag ontvangen
zolang zij de normale dagelijkse of wekelijkse voltijdarbeid niet
overschrijden. Vergeten wordt echter dat deeltijdwerkers voor elk uur dat
extra wordt gewerkt, een betaling ontvangen van 100% van hun uurloon en
een complete doorwerking in alle andere componen- ten van hun
arbeidsvoorwaardenpakket, wat niet voor voltijd- werkers geldt. Daarbij
moet gedacht worden aan vakantietoe- slag, vakantiedagen,
pensioengrondslag, winstdeling, zieken- geld, WAO-uitkering en suppletie,
ziekengeld etcetera, wat neerkomt op een doorwerking van 51,9%. Dit is
niet vastgelegd in de CAO en mogelijk ook niet in het Handboek Personeels-
zaken. In de praktijk geschiedt het echter op deze manier. De beloning van
elk extra gewerkt uur is voor een deeltijdwerker daardoor hoger dan die
voor een voltijdwerker. Het is niet zo, zoals verzoekster stelt, dat
iedere component van de doorwerking slechts een kans geeft op een hogere
uitkering; een pensioenuitkering, bijvoorbeeld, wordt in ieder geval
uitgekeerd aan de werknemer zelf of aan de partner.

Voorts is het zo dat als een werknemer eenmaal qua aantal uren een grens
overschreden heeft, de lichamelijke belasting groter wordt. Daarnaast is
het zo dat, hoewel er formeel voldaan moet worden aan een verzoek om meer
uren te werken, daarover in de praktijk overleg wordt gevoerd en overuren
derhalve op vrijwillige basis verricht worden. Overwerk wordt met name aan
deeltijdwerkers gevraagd omdat getracht wordt hun baan “voller” te maken.
Overigens worden uren van deeltijdwerkers die uitstijgen boven de
individueel bepaalde werktijden formeel geen overwerk genoemd. Zouden
deeltijdwerkers een toeslag wensen voor deze ‘meeruren’, zoals de
vakbonden in eerste instantie ook gevraagd hebben, dan zouden zij slechts
een toeslag van 25% ontvangen. Het pakket dat deeltijdwerkers thans
ontvangen, is in feite beter dan een overwerktoeslag.

4.8. De CAO deeltijd VUT is tot stand gekomen met de bedoeling om de
arbeidsbelasting van oudere werknemers te verminderen door middel van een
verlaging van het aantal werkuren per week. De arbeidsbelasting is hoger,
naarmate men meer uren werkt. De bedoeling van de regeling is om
werkelijke belasting omlaag te brengen. In dat licht bezien is het nodig
om een grens te stellen. Zonder een dergelijke grens zou zich de situatie
kunnen voordoen dat een werknemer met een zeer laag aantal contracturen
(bijvoorbeeld drie uren per week voor de koopavond), gebruik kan maken van
deze regeling en dit lage aantal uren met 10 a 50% kan bekorten. De
regeling zou in dergelijke gevallen haar doel volkomen voorbij schieten.
De voorbeelden die verzoekster geeft zijn nogal demagogisch, omdat de
praktijk anders uitwijst. Bovendien is er een hardheidsclausule, waardoor
een werknemer die in een dergelijke bijzondere situatie zit toch aanspraak
kan maken op deeltijd-VUT.

Overigens was het de inzet van werkgeverszijde om een deeltijd-VUT af te
spreken waardoor niet minder dan 20 uur per week gewerkt zou worden. Bij
de onderhandelingen met de vakbonden is uiteindelijk de 13 uur-grens
gekozen, waarbij aangesloten is bij bepalingen in andere CAO’s. De eis dat
men 10 jaar in dienst moet zijn geweest om in aanmerking voor deeltijd-VUT
te komen is in de CAO gekomen omdat een algemeen gevoelen is dat de
werknemer dat recht moet verwerven.

Ten aanzien van de overgelegde gegevens stelt de wederpartij dat het niet
zoveel uitmaakt of er uitgegaan wordt van de grens van 57 of van 58 jaar.
Wel wijst zij er op dat het een momentopname is. De werknemers die niet
in aanmerking komen voor deeltijd-VUT hebben over het algemeen genoeg
dienstjaren, maar niet genoeg uren gewerkt.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij indirect onderscheid maakt
naar geslacht in strijd met artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek
(BW) door de toepassing van artikel 6.2. leden 2 en 3 van de HK-CAO en
artikel 3.1 onder c van de CAO deeltijd VUT.

5.2. In artikel 7A:1637ij lid 1 BW is bepaald dat de werkgever geen
onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in -onder andere- de
arbeidsvoorwaarden. Het vijfde lid van artikel 7A:1637ij BW geeft aan wat
in dit verband onder indirect onderscheid wordt verstaan: onderscheid op
grond van andere hoedanigheden dan het geslacht, dat onderscheid op grond
van geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid objectief
gerechtvaardigd is.

5.3. De Commissie stelt met betrekking tot artikel 6.2. lid 2 van de
HK-CAO vast dat de wederpartij aannemelijk heeft gemaakt dat zij deze
bepaling in de praktijk niet toepast, aangezien overwerk op vrijwillige
basis gebeurt. Werknemers in onvolledige dienst ondervinden derhalve geen
nadeel op dit punt, zodat deze CAO-bepaling verder onbesproken blijft.

5.4. Vastgesteld moet worden of door de toepassing van de CAO- bepalingen
in overwegende mate personen van een geslacht nadelig getroffen worden en
of daardoor een vermoeden van indirect onderscheid op grond van geslacht
ontstaat. De Commissie hanteert daarbij relatieve cijfers, aangezien
daardoor rekening wordt gehouden met het aandeel dat mannen
respectievelijk vrouwen hebben in het personeel waarvoor de CAO’s bedoeld
zijn. Bij een bestand waarin mannen en vrouwen niet een ongeveer gelijk
aandeel hebben, zouden absolute aantallen een vertekend beeld geven (Een
voorbeeld: een onderneming waarin 10 vrouwen werken en 1000 mannen. Van
de vrouwen werken er 9 in deeltijd, van de mannen ook. Stel dat
deeltijders een lager uurloon ontvangen dan voltijders. Indien men alleen
kijkt naar de aantallen (dus de absolute getallen) werkt onderscheid ten
nadele van deeltijders gelijk uit naar geslacht; er zijn immers 9 vrouwen
en 9 mannen die benadeeld worden. Toch zal duidelijk zijn dat met name de
vrouwen nadelig getroffen worden: immers 9 van de 10 vrouwen tegenover 9
van de 1000 mannen worden nadelig getroffen). Met betrekking tot de
HK-CAO:

Uit paragraaf 4.4. blijkt dat 60,71 % van het vrouwelijk personeel in
onvolledige dienst werkt tegenover 6,71 % van het mannelijk personeel. Het
effect is dat 9 keer zoveel vrouwen als mannen (60,71:6,71) nadelig
getroffen worden door de toepassing van de bepaling in de HK-CAO waarin
staat dat er pas sprake is van overwerk indien de dagelijkse c.q.
wekelijkse arbeidstijd van een werknemer met een volledig dienstverband
wordt overschreden (artikel 6.2. lid 3).

De Commissie is op grond van bovenstaande gegevens van oordeel dat er een
vermoeden rijst dat de wederpartij indirect onderscheid naar geslacht
maakt door de toepassing van de bewuste CAO-bepaling.

Indien de wederpartij een objectieve rechtvaardigingsgrond heeft voor het
gemaakte onderscheid in die bepaling, wordt daardoor het vermoeden van
indirect onderscheid weerlegd. Onder een objectieve rechtvaardigingsgrond
verstaat de Commissie: (Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid, 5 maart 1990, oordeelnummer 1-90-10; Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen, Bilka- Kaufhaus versus Weber von
Hartz, 13 mei 1986, zaak 170/84; Rinner-Kuhn versus FWW Spezial
Gebaudereinigung GmbH & Co.KG, 13 juli 1989, zaak 171/88): – dat het
onderscheid gemaakt wordt om een objectief gerechtvaardigd doel te dienen
en – daartoe middelen zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om
dit doel te bereiken, terwijl – dit doel niet is te bereiken op andere
wijze waarbij geen indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

5.5. De wederpartij heeft naar voren gebracht dat deeltijdwerkers voor elk
uur dat extra wordt gewerkt, een betaling ontvangen van 100% van hun
uurloon en een complete doorwerking in alle andere componenten van hun
arbeidsvoorwaardenpakket. De beloning van een deeltijdwerker zou daardoor
hoger zijn dan die van een voltijdwerker.

Hieromtrent overweegt de Commissie als volgt. De Commissie is er van
overtuigd dat de wederpartij op een uiterst zorgvuldige wijze met de
rechtspositie van deeltijd- werkers wenst om te gaan. Vanuit een dergelijk
oogpunt zou men zeer wel kunnen verdedigen dat deeltijdwerkers
arbeidsvoorwaardelijk bezien beter af zijn met de wijze waarop zij door
de wederpartij worden behandeld dan wanneer zij op hun uurloon alleen een
overwerktoeslag zouden ontvangen. Voor de Commissie geldt echter alleen
de vraag of er in strijd met de Wet indirect onderscheid gemaakt wordt
tussen mannen en vrouwen door deeltijdwerkers anders dan voltijdwerkers
geen overwerktoeslag toe te kennen. Aan de overwerkregeling ligt de
gedachte ten grondslag dat na het bereiken van een bepaald aantal werkzame
uren, de werkbelasting groter wordt. De overuren die deeltijdwerkers maken
worden niet gedefinieerd als overwerk en worden ook niet als zodanig
beloond. Daarmee wordt een onderscheid aangebracht waarover de Commissie
reeds verschillende malen heeft uitgesproken (Zie onder andere Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, oordelen *
1-90-10, 5 maart 1990 * 353-91-34, 12 juni 1991 * 525-93-52, 22 december
1993) dat die extra belasting in zijn algemeenheid niet is vast te
stellen, afhankelijk als zij immers is van gestel, persoonlijkheid en
persoonlijke omstandigheden van degene die het overwerk verricht.
Deeltijdwerkers die bij de wederpartij een functie verrichten kunnen
daarnaast nog een andere baan hebben, hun baan met een studie combineren,
vrijwilligerswerk verrichten, of zorgtaken hebben te verrichten. In
dergelijke gevallen zal het moeten verrichten van overwerk eveneens een
extra belasting met zich meebrengen, waarvoor compensatie evenzeer lijkt
gerecht- vaardigd. De compensatiegedachte is daarmee van een te zwakke
basis voorzien om als objectieve rechtvaardiging voor de van kracht zijnde
overwerktoeslagregeling te kunnen dienen. Hieraan doet derhalve niet af
dat werknemers in onvolledige dienst wel op andere wijze beloond worden
(Vergelijk ook het Barber-arrest (zie noot 1) van het Hof van Justie van
de Europese Gemeenschappen. In dit arrest spreekt het EG-Hof uit dat de
beoordeling, of er sprake is van gelijke beloning van mannen en vrouwen,
alleen kan geschieden door ieder onderdeel van het beloningspakket op zich
aan het beginsel van gelijke beloning te toetsen en niet door totale
pakketten met elkaar te vergelijken (r.o. 34.)).

Ten overvloede wijst de Commissie er op dat zij over de hoogte van een
overwerktoeslag in oordeel 562-93-37 (Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid, 14 oktober 1993) heeft uitgesproken dat
niet uitgesloten is dat de toeslag voor overwerk kan varieren al naar
gelang de omvang van het deeltijddienstverband, mits een duidelijk beeld
bestaat van de extra belasting voor bijvoorbeeld deeltijders met grote en
kleine dienstverbanden. De Commissie kon zich in genoemd oordeel
voorstellen dat de extra belasting voor kleinere deeltijdwerkers minder
groot zou kunnen zijn dan voor voltijdwerkers of grote deeltijdwerkers.
Een lagere compensatie zou in dit soort gevallen gerechtvaardigd kunnen
zijn, zij het dat ook dan sprake moet zijn van een reele vergoeding. Als
ondergrens is genoemd de helft van de toeslag voor een voltijdwerker. Wel
dient dan van tevoren onderzocht te zijn welke groep als kleine
deeltijdwerkers kan worden aangemerkt, en of de belasting van deze
categorie personeel inderdaad als minder groot is aan te merken ten
opzichte van andere werknemers.

5.6. Met betrekking tot de CAO deeltijd VUT: Vastgesteld moet worden of
door de toepassing van artikel 3.1. onder c van de CAO in overwegende mate
personen van een geslacht nadelig getroffen worden en of daardoor een
vermoeden van indirect onderscheid op grond van geslacht ontstaat. Bij de
berekening van het effect zal uitgegaan worden van de gegevens over het
personeel van 58 jaar en ouder in plaats van 57 jaar en ouder, aangezien
de wederpartij heeft aangegeven dat beide gegevens dezelfde uitkomsten
zullen laten zien. Uit de gegevens uit paragraaf 4.4. blijkt dat 29,71%
van de vrouwen van 58 jaar en ouder niet voldoet aan de eisen om in
aanmerking te komen voor deeltijd-VUT; van de mannen voldoet 1,42% niet
aan de eisen om in aanmerking te komen voor deeltijd-VUT. Dit betekent dat
20 keer zoveel vrouwen als mannen niet aan de eisen voldoen.

De wederpartij heeft aangegeven dat dit effect grotendeels veroorzaakt
wordt door de 13 uren-grens en niet door de 10 jaren-eis uit de CAO. Op
grond van het bovenstaande rijst het vermoeden dat de wederpartij door
toepassing van de uren-grens een indirect onderscheid naar geslacht maakt.

5.7. Het ligt op de weg van de wederpartij om hiervoor een objectieve
rechtvaardigingsgrond aan te voeren.

De wederpartij voert aan dat de CAO deeltijd VUT tot stand gekomen is met
de bedoeling om de arbeidsbelasting van oudere werknemers te verminderen
door middel van een verlaging van het aantal werkuren per week. De
urengrens is ingesteld omdat de arbeidsbelasting hoger wordt, naarmate men
meer uren werkt. Zonder een grens zou zich de situatie kunnen voordoen dat
een werknemer met een zeer laag aantal contracturen gebruik kan maken van
deze regeling, waardoor de regeling haar doel volkomen voorbij zou
schieten.

De Commissie overweegt hieromtrent als volgt. Op zichzelf zou een
objectieve rechtvaardiging voor een verschil in behandeling tussen
voltijd- en ‘grote’ deeltijd- werkers enerzijds en ‘kleine’
deeltijdwerkers anderzijds in bepaalde gevallen gelegen kunnen zijn in de
mogelijk hogere werkbelasting van voltijdwerkers en ‘grote’
deeltijdwerkers ten opzichte van ‘kleine’ deeltijdwerkers, afhankelijk van
de feiten en omstandigheden van het geval. Hetgeen de Commissie in zaken
betreffende overwerk- vergoedingen heeft uitgesproken geldt ook hier,
namelijk dat de veronderstelde belasting niet in zijn algemeenheid kan
worden vastgesteld nu een en ander afhankelijk is van gestel,
persoonlijkheid en persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Dit
betekent ook hier niet dat elke deeltijder onder alle omstandigheden op
dezelfde wijze moet worden beloond of gecompenseerd, omdat niet
uitgesloten is dat een compensatie kan varieren al naar gelang de omvang
van het deeltijddienstverband, mits een duidelijk beeld bestaat van de
extra belasting voor bijvoorbeeld deeltijders met grote en kleine
dienstverbanden (Vergelijk met het oordeel genoemd in noot 6). In oordeel
467-92-68 sprak de Commissie bijvoorbeeld uit, dat extra
arbeidsduurverkorting ter vermindering van de (aangetoonde) extra
werkbelasting van voltijders geoorloofd is in een geval waarin die
belasting samenhangt met de aard van de werkzaamheden.

Uit hetgeen de wederpartij in de onderhavige zaak naar voren heeft
gebracht, blijkt dat de 13 uren-grens niet zozeer tot stand is gekomen op
basis van gedegen onderzoek naar de werkbelasting van voltijd- en
deeltijdwerknemers die de leeftijd van 57 jaar bereikt hebben, maar op
basis van CAO- onderhandelingen. Gelet op hetgeen de Commissie hierboven
heeft overwogen, staat hiermee vast dat de wederpartij er niet in is
geslaagd om een objectieve rechtvaardigingsgrond aan te tonen voor de 13
uren- grens in de CAO deeltijd VUT.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Zaandam indirect
onderscheid maakt naar geslacht in strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk
Wetboek door – conform artikel 6.3. lid 3 van de CAO voor Kader-,
Administratief- en Technisch personeel aan werknemers in onvolledige
dienst geen overwerktoeslag toe te kennen en – door de urengrens uit
artikel 3.1. onder c van de CAO met betrekking tot gedeeltelijk vervroegd
uittreden toe te passen.

Rechters

mw mr I.M.C.V.T. Kiebert (plv. Kamervoorzitter), mw mr C.B.Mol-Bronkhorst (lid Kamer), mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer), mwmr M.M. Hubner (adjunct- secretaris)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 17 augustus 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Belangenorganisatie dient verzoek om een oordeel in over de cao die in het
bedrijf van de wederpartij wordt toegepast.Werknemers in onvolledige
dienst krijgen een andere overwerktoeslag dan werknemers in volledige
dienst. Ook geldt voor hen de ‘bijzondere uren-regeling’ niet. De
Commissie oordeelt dat de bewuste CAO-bepalingen indirect onderscheid naar
geslacht in het nadeel van vrouwen opleveren. De wederpartij voert aan dat
de urengrens is ingesteld omdat de arbeidsbelasting hoger wordt, naarmate
men meer uren werkt. De Commissie accepteert deze redenering niet als
objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid. In een
overweging ten overvloede tekent de Commissie echter aan dat dit niet
betekent dat elke deeltijder onder alle omstandigheden op dezelfde wijze
als een voltijder moet worden beloond of gecompenseerd. Strijd met de Wet.
Samenhang met oordelen 619a-94-66, 619b-94-67 en 619c-94-68.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 3 september 1993 verzocht de te Den Haag, die per 12 oktober 1993
is opgevolgd door de (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of te
Zaandam (hierna: de wederpartij), onderscheid maakt naar geslacht in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster is van mening dat de wederpartij in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling indirect onderscheid jegens vrouwen maakt
door de toepassing van bepalingen in de CAO voor winkelpersoneel van
Grootbedrijven in Levensmiddelen, die bepaalde categorieen benadelen dan
wel uitsluiten. Het betreft deeltijdwerkers, hulpkrachten, oproepkrachten
en werknemers die uitsluitend belast zijn met schoonmaak- en
bewakingswerkzaamheden.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

Verzoekster is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegd- heid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee
voldoet verzoekster aan de eisen die de wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

3.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben de gelegenheid gehad hun standpunten
weer te geven.

De onderhavige zaak is gevoegd behandeld met drie andere zaken (oordelen
619a-94-66, 619b-94-67 en 619c-94-68) die verzoekster tezamen met het
onderhavige verzoek aan de Commissie ter beoordeling heeft voorgelegd.

3.2. Partijen zijn opgeroepen om te verschijnen op een zitting van de
Commissie op 5 juli 1994.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw

van de kant van de wederpartij – dhr (hoofd arbeidszaken van
de wederpartij in oordeel 619c-94-68, tevens gemachtigde van de
weder-partij) – dhr (gemachtigde in oordeel 619c-94-68,
tevens gemachtigde van de wederpartij)

van de kant van de wederpartij in oordeel 618-94-65 – dhr
(adjunct-directeur personeel en organi- satie) – mw

van de kant van de Commissie – mw mr I.M.C.V.T. Kiebert (plv.
Kamervoorzitter) – mw mr C.B. Mol-Bronkhorst (lid Kamer) – mw prof. mr
J.E. Goldschmidt (lid Kamer) – mw mr M.M. Hubner (adjunct-secretaris).

3.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II. In deze Kamer hebben
zitting de leden als genoemd onder paragraaf 3.2.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

4.1. De wederpartij is een dochtervennootschap van een holding
(wederpartij in oordeel 619C-94-68) en heeft verscheidene supermarkten in
Nederland. In haar bedrijf is een CAO van toepassing (looptijd 1 april
1992 tot 1 april 1994). In artikel 1 lid 1 van de CAO 91/92 is bepaald dat
de overeenkomst geldt voor alle werknemers in dienst van een werkgever,
met uitzondering van een aantal categorieen. Een van deze categorieen
betreft personen, uitsluitend belast met schoonmaak- en
bewakingswerkzaamheden. Daarnaast blijkt uit de CAO dat niet alle
bepalingen daarin gelden voor werknemers in onvolledige dienst,
hulpkrachten, oproepkrachten en vakantiewerkers.

In de CAO worden deze categorieen werknemers als volgt gedefinieerd: – Een
werknemer in volledige dienst is een werknemer die in de regel gedurende
4/5 of meer van de normale arbeidstijd werkzaam is (artikel 2 onder d);
– Een werknemer in onvolledige dienst is een werknemer die in de regel
meer dan 12 uur maar minder dan 4/5 van de normale arbeidsduur werkzaam
is (artikel 2 onder e); – Een hulpkracht is een ieder die in de regel niet
meer dan 12 uur per week in de winkel werkzaam is (artikel 2 onder f); –
Een vakantiewerker is iedere scholier of student die tijdens een
aaneengesloten vakantiesluiting van onderwijs-instellingen als werknemer
gedurende ten hoogste acht weken arbeid verricht (artikel 2 onder g); –
Een oproepkracht is een ieder die wegens tijdelijke drukte of andere
redenen op oproep in de winkel werkzaam is (artikel 2 onder h).

De normale arbeidstijd bedraagt volgens artikel 6 lid 2: a. gemiddeld ten
hoogste 40 uur per week, berekend per periode van vier aaneensluitende
weken; b. ten hoogste 9 uur per dag.

Onder de normale arbeidstijd vallen niet de uren waarmee in enige week een
arbeidstijd van 48 uur is overschreden.

4.2. Werknemers in volledige en in onvolledige dienst hebben volgens de
CAO niet dezelfde rechten, wat onder meer blijkt uit de volgende
bepalingen:

* Artikel 6 lid 5 (koopavond oudere werknemers) Werknemers in volledige
dienst van 60 jaar en ouder kunnen – tenzij zij zijn ingedeeld in bepaalde
functiegroepen- niet tot het werken op koopavonden worden verplicht;

* Artikel 8 lid 1a (compensatie voor bijzondere uren) Voor elk op zaterdag
tussen 14.00 uur en 17.00 gewerkt uur wordt een toeslag gegeven van – een
half uur extra vrije tijd voor de werknemer in volledige dienst; – een
kwart uur extra vrije tijd of een toeslag van 25% in geld voor de
werknemer in onvolledige dienst;

* Artikel 8 lid 2 Voor werkzaamheden die verricht worden op zaterdag na
17.00 uur (indien de werkgever gebruik maakt van de verruimde
Winkelsluitingswet dan wel van wettelijk toegestane experimenten met
openingstijden) wordt een toeslag gegeven van – 75% voor de werknemer in
volledige dienst; – 37,5% voor de werknemer in onvolledige dienst;

* Artikel 8 lid 3 Voor elk na 18.00 uur op een wekelijkse koopavond
gewerkt uur wordt een toeslag gegeven van – een half uur extra vrije tijd
of een toeslag van 50% in geld voor de werknemer in volledige dienst; –
een kwart uur extra tijd of een toeslag van 25% in geld voor de werknemer
in onvolledige dienst;

* Artikel 8 lid 4 De in lid 3 vermelde toeslagen worden ook gegeven indien
op een doordeweekse avond na 18.00 uur wordt gewerkt als gevolg van de
verruimde Winkelsluitingswet of van wettelijk toegestane experimenten met
openingstijden.

* Artikel 10 lid 1 (overwerk) Van overwerk is alleen sprake, indien de
werknemer, na overleg tussen de werkgever en werknemer, opdracht heeft
gekregen buiten de voor hem geldende normale arbeidsduur arbeid te
verrichten. Overwerk zal zo min mogelijk worden opgedragen. Werknemers van
55 jaar en ouder kunnen niet tot het verrichten van overwerk worden
verplicht.

* Artikel 10 lid 4 Voor elk uur overwerk wordt het normale uurloon betaald
vermeerderd met een toeslag van a. 25% voor de eerste twee overuren per
dag b. 50% voor de daarop volgende overuren per dag c. 50% voor de uren:
– volgend op het einde van de normale dagelijks arbeidstijd op zaterdag
na 17.00 uur; – na afloop van de wekelijkse koopavond;

* Artikel 10 lid 8 In afwijking van het in het eerste lid bepaalde komt
een werknemer in onvolledige dienst en een hulpkracht voor een
overwerktoeslag in aanmerking indien hij in een week meer dan 40 uur werkt
en indien aan de overige voorwaarden in dit artikel wordt voldaan.

4.3. De arbeidsvoorwaarden van de wederpartij, welke zijn neergelegd in
het Handboek Personeelszaken, wijken op een aantal onderdelen af van de
geldende CAO, in het voordeel van oproep-, hulpkrachten en werknemers in
onvolledige dienst. Werknemers in onvolledige dienst van 60 jaar en ouder
zijn bovendien, hoewel dit nog niet in het Handboek Personeelszaken is
neergelegd, niet verplicht om op koopavonden te werken.

4.4. De wederpartij heeft de volgende gegevens overgelegd over het bij
haar werkzame winkelpersoneel (peildatum januari 1993):

mannen vrouwen
los personeel
175 228
< 12 uur 10.190 10.996
> 12 en < 32 uur 1.225 7.021
> 32 uur 5.102 4.005
totaal 16.692 22.250

Uit de bovenstaande cijfers blijkt het volgende: – Van de 22.250 vrouwen
werken er 228 (=1,02%) als oproepkracht (los personeel); van de 16.692
mannen werken er 175 als oproepkracht (1,04%); – Van de 22.250 vrouwen
werken er 10.996 (49,42%) minder dan 12 uur per week; van de 16.692 mannen
werken er 10.190 (61,04%) minder dan 12 uur per week; – Van de 22.250
vrouwen werken er 7.021 (31,55%) in onvolledige dienst; van de 16.692
mannen werken er 1.225 (7,33%) in onvolledige dienst; – Van de 22.250
vrouwen werken er 4.005 (18%) in volledige dienst; van de 16.692 mannen
werken er 5.102 (30,56%) in volledige dienst.

De standpunten van partijen

4.5. Verzoekster stelt het volgende. In de CAO staan bepalingen die
deeltijdwerkers, hulpkrachten, oproepkrachten en personen uitsluitend
belast met schoonmaak- en bewakingswerkzaamheden benadelen ten opzichte
van werknemers die voltijds werken. Deze benadeling levert een
niet-toegestaan indirect onderscheid op, indien hierdoor in overwegende
mate personen van een geslacht uitgesloten worden.

De cijfers betreffende het winkelpersoneel laten zien dat zulks het geval
is. Ten aanzien van alle gunstige voorwaarden die uitsluitend voor
voltijdwerkers gelden, waar met andere woorden niet-voltijdwerkers zijn
uitgesloten, bestaat er een vermoeden van indirecte discriminatie. Dit
geldt niet voor de categorie hulpkrachten, doch verzoekster zou ook met
betrekking tot deze categorie graag een uitspraak van de Commissie
ontvangen.

4.6. Hoewel de wederpartij met betrekking tot het overwerk op koopavonden
naar voren gebracht heeft dat werknemers van 60 jaar en ouder in
onvolledige dienst in de praktijk evenmin als werknemers van 60 jaar en
ouder in volledige dienst verplicht zijn om over te werken, zou
verzoekster hierover toch graag een uitspraak van de Commissie ontvangen.

4.7. De argumentatie van de wederpartij (zie hieronder) met betrekking tot
de compensatie op bijzondere uren aan werknemers in volledige dienst kan
verzoekster niet volgen. Het werken op koopavond en op zaterdagmiddag zou
voor deeltijdwerkers in mindere mate belastend zijn dan voor
voltijdwerkers. Werk gedurende de avond of het weekend is onprettig omdat
het het sociale leven bemoeilijkt. Dat dit voor deeltijdwerkers in mindere
mate bezwaarlijk zou zijn, valt volgens haar moeilijk in te zien.

4.8. Met betrekking tot de rechtvaardiging van de wederpartij voor de
overwerkbepalingen -dat deeltijdwerkers in feite per overwerkuur meer
ontvangen dan voltijdwerkers, omdat de deeltijdwerkers over hun overuren
“een complete doorwerking in alle andere componenten van hun
arbeidsvoorwaardenpakket” ontvangen- is verzoekster evenmin overtuigd
aangezien een en ander niet is af te leiden uit bepalingen in de CAO of
het Handboek Personeelszaken. Bovendien is zij van mening dat
onvergelijkbare componenten met elkaar vergeleken worden. De doorwerking
in het loon van een deeltijdwerker behelst immers gedeeltelijk slechts de
kans dat deze in de toekomst een (hogere) WAO- of Ziektewet- uitkering kan
claimen, terwijl een overwerktoeslag hier en nu ontvangen wordt. Overigens
is verzoekster er niet van overtuigd dat bij de dagloonberekening in de
WAO en de ZW uitgegaan wordt van het feitelijke loon, aangezien daarin
staat vermeld dat het contractuele loon bepalend is voor de hoogte van de
uitkering. Beide pakketten mogen bovendien niet met elkaar vergeleken
worden op grond van een arrest van het EG-Hof van Justitie in de
Barber-zaak (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 17 mei 1990,
zaak C-262/88, Barber versus Guardian Royal Exchange Assurance Group,
Nemesis 1990, nr. 116), waarin het Hof heeft uitgesproken dat de
toepassing van het beginsel van gelijke beloning moet worden verzekerd ten
aanzien van elk onderdeel van de beloning en niet slechts door de aan de
werknemers toegekende voordelen in hun totaliteit te bezien.

4.9. De wederpartij stelt het volgende. Uit de cijfers blijkt dat vrouwen
alleen relatief zijn oververtegenwoordigd in de categorie deeltijdwerkers
met een dienstverband tussen 12 en 32 uur. Ten opzichte van de categorieen
hulp- en oproepkrachten kan er derhalve niet gesproken worden van
indirecte discriminatie van vrouwen in de zin van de WGB. Overigens is er
geen schoonmaak- en bewakingspersoneel, zodat ten aanzien van deze
categorie in ieder geval geen indirect onderscheid naar geslacht wordt
gemaakt. Voorts is het zo dat haar arbeidsvoorwaarden op een aantal
onderdelen van de CAO afwijken. Zo kent zij voor hulpkrachten wel een
aanvulling van het ziekengeld tot 100% en een vakantietoeslag van 8%.

Met betrekking tot de vermeende discriminatie van werknemers met een
onvolledig dienstverband, is het volgende van belang. 4.10. Evenals de
werknemers van 60 jaar en ouder in volledige dienst kunnen werknemers van
60 jaar en ouder met onvolledige dienst niet worden verplicht tot het
werken op koopavonden. Dit wordt binnenkort neergelegd in het Handboek
Personeels- zaken.

4.11. Voorts is het inderdaad zo dat werknemers in onvolledige dienst op
koopavond en zaterdagmiddag een andere toeslag krijgen dan werknemers in
volledige dienst. Aan dit verschil ligt ten grondslag de gedachte dat het
werken op deze uren voor deeltijdwerkers in mindere mate een belasting
vormt dan voor voltijdwerkers. Een eventuele discussie omtrent de
juistheid van deze overweging, dient niet op dit niveau maar op
bedrijfstakniveau plaats te vinden.

4.12. Dat deeltijdwerkers minder rechten zouden ontlenen aan overwerk dan
voltijdwerkers is een misverstand. Deze opvatting wordt gebaseerd op het
feit dat deeltijdwerkers geen overwerktoeslag ontvangen zolang zij de
normale dagelijkse of wekelijkse voltijdarbeid niet overschrijden.
Vergeten wordt echter dat deeltijdwerkers voor elk uur dat extra wordt
gewerkt, een betaling ontvangen van 100% van hun uurloon en een complete
doorwerking in alle andere componenten van hun arbeidsvoorwaardenpakket,
wat niet voor voltijdwerkers geldt. Daarbij moet gedacht worden aan
vakantietoeslag, vakantiedagen, pensioengrondslag, winst-deling,
ziekengeld, WAO-uitkering en suppletie, ziekengeld etcetera, wat neerkomt
op een doorwerking van 51,9%. Dit is niet vastgelegd in de CAO en mogelijk
ook niet in het Handboek Personeelszaken. In de praktijk geschiedt het
echter op deze manier. De beloning van elk extra gewerkt uur is voor een
deeltijdwerker daardoor hoger dan die voor een voltijdwerker. Het is niet
zo, zoals verzoekster stelt, dat iedere component van de doorwerking
slechts een kans geeft op een hogere uitkering; een pensioenuitkering,
bijvoorbeeld, wordt in ieder geval uitgekeerd aan de werknemer zelf of aan
de partner.

Voorts is het zo dat als een werknemer eenmaal qua aantal uren een grens
overschreden heeft, de lichamelijke belasting groter wordt. Daarnaast is
het zo dat, hoewel er formeel voldaan moet worden aan een verzoek om meer
uren te werken, daarover in de praktijk overleg wordt gevoerd en overuren
derhalve op vrijwillige basis verricht worden. Overwerk wordt met name aan
deeltijdwerkers gevraagd omdat getracht wordt hun baan “voller” te maken.
Overigens worden uren van deeltijdwerkers die uitstijgen boven de
individueel bepaalde werktijden formeel geen overwerk genoemd. Zouden
deeltijdwerkers een toeslag wensen voor deze ‘meeruren’, zoals de
vakbonden in eerste instantie ook gevraagd hebben, dan zouden zij slechts
een toeslag van 25% ontvangen. Het pakket dat deeltijdwerkers thans
ontvangen, is in feite beter dan een overwerktoeslag.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij indirect onderscheid maakt
naar geslacht in strijd met artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek
(BW) door de toepassing van CAO-bepalingen waarbij bepaalde categorieen
werknemers benadeeld worden ten opzichte van werknemers in volledige
dienst.

5.2. In artikel 7A:1637ij lid 1 BW is bepaald dat de werkgever geen
onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in -onder andere- de
arbeidsvoorwaarden. Het vijfde lid van artikel 7A:1637ij BW geeft aan wat
in dit verband onder indirect onderscheid wordt verstaan: onderscheid op
grond van andere hoedanigheden dan het geslacht, dat onderscheid op grond
van geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid objectief
gerechtvaardigd is.

5.3. Vastgesteld moet worden of door de toepassing van de CAO- bepalingen
in overwegende mate personen van een geslacht getroffen worden en of
daardoor een vermoeden van indirect onderscheid op grond van geslacht
ontstaat. De Commissie hanteert daarbij relatieve cijfers, aangezien
daardoor rekening wordt gehouden met het aandeel dat mannen
respectievelijk vrouwen hebben in het personeel waarvoor de CAO bedoeld
is. Bij een bestand waarin mannen en vrouwen niet een ongeveer gelijk
aandeel hebben, zouden absolute aantallen een vertekend beeld geven (Een
voorbeeld: een onderneming waarin 10 vrouwen werken en 1000 mannen. Van
de vrouwen werken er 9 in deeltijd, van de mannen ook. Stel dat
deeltijders een lager uurloon ontvangen dan voltijders. Indien men alleen
kijkt naar de aantallen (dus de absolute getallen) werkt onderscheid ten
nadele van deeltijders gelijk uit naar geslacht; er zijn immers 9 vrouwen
en 9 mannen die benadeeld worden. Toch zal duidelijk zijn dat met name de
vrouwen nadelig getroffen worden: immers 9 van de 10 vrouwen tegenover 9
van de 1000 mannen worden nadelig getroffen).

Tijdens het onderzoek is gebleken dat er geen schoonmaak- en
bewakingspersoneel werkzaam is bij de wederpartij. Verzoekster heeft de
Commissie dan ook niet meer verzocht hierover haar oordeel uit te spreken,
zodat deze categorie buiten beschouwing kan blijven. Uit paragraaf 4.4.
blijkt dat 31,55 % van het vrouwelijk winkelpersoneel in onvolledige
dienst werkt tegenover 7,33% van het mannelijk winkelpersoneel. Het effect
is dat 4,3 keer zoveel vrouwen als mannen (31,55:7,33) nadelig getroffen
worden door CAO-bepalingen waarin deze groep deeltijdwerkers wordt
uitgesloten.

Van het vrouwelijk winkelpersoneel werkt 49,42% minder dan 12 uur per
week, van de mannen 61,04%. Het effect is dat 1,23 keer zoveel mannen als
vrouwen (61,04:49,42) nadelig getroffen worden door CAO-bepalingen waarin
hulpkrachten uitgesloten worden.

Van het vrouwelijk winkelpersoneel werkt 1,02% als oproepkracht, van de
mannen 1,04%. Het effect is dat 1,01 keer zoveel mannen als vrouwen (1,04:
1,02) nadelig getroffen worden door CAO-bepalingen waarin oproepkrachten
uitgesloten worden.

De Commissie is op grond van bovenstaande gegevens van oordeel dat er
alleen ten opzichte van de categorie werknemers in onvolledige dienst een
vermoeden rijst dat de wederpartij indirect onderscheid naar geslacht
maakt door de toepassing van CAO-bepalingen waarbij deze deeltijdwerkers
uitgesloten dan wel benadeeld worden. Ten aanzien van de categorieen
hulpkrachten en oproepkrachten is het effect niet zodanig dat gezegd kan
worden dat in overwegende mate personen van een geslacht nadelig getroffen
zijn.

5.4. De CAO-bepalingen die werknemers in onvolledige dienst uitsluiten dan
wel benadelen ten opzichte van werknemers in volledige dienst zijn: a.
koopavond oudere werknemers (artikel 6 lid 5) b. compensatie voor
bijzondere uren (artikel 8) c. overwerk (artikel 10).

De wederpartij heeft met betrekking tot de koopavond voor oudere
werknemers naar voren gebracht dat, hoewel een en ander nog niet in het
Handboek Personeelszaken is vastgelegd, in de praktijk ook werknemers van
60 jaar en ouder met onvolledige dienst niet worden verplicht tot het
werken op koopavonden. De wederpartij past derhalve in feite de bewuste
CAO-bepaling niet toe voorzover daarin een beperking is aangebracht ten
aanzien van werknemers in onvolledige dienst. Aangezien laatstgenoemde
werknemers hierdoor niet nadelig getroffen worden, oordeelt de Commissie
dat de wederpartij op dit punt geen indirect onderscheid naar geslacht
maakt in strijd met de Wet.

De twee overgebleven bepalingen hebben echter wel degelijk een nadelig
effect voor werknemers in onvolledige dienst die bij de wederpartij
werkzaam zijn. Indien de wederpartij objectieve rechtvaardigingsgronden
heeft voor het gemaakte onderscheid in die bepalingen, wordt daardoor het
vermoeden van indirect onderscheid weerlegd. Onder een objectieve
rechtvaardigingsgrond verstaat de Commissie (Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid, d.d. 5 maart 1990, oordeelnummer
1-90-10; Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, Bilka- Kaufhaus
versus Weber von Hartz, 13 mei 1986, zaak 170/84; Rinner-Kuhn versus FWW
Spezial Gebaudereinigung GmbH & Co.KG, 13 juli 1989, zaak 171/88): – dat
het onderscheid gemaakt wordt om een objectief gerechtvaardigd doel te
dienen en – daartoe middelen zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk
zijn om dit doel te bereiken, terwijl – dit doel niet is te bereiken op
andere wijze waarbij geen indirect onderscheid naar geslacht wordt
gemaakt.

5.5. Met betrekking tot de compensatieregeling voor bijzondere uren brengt
de wederpartij naar voren dat hieraan de gedachte ten grondslag ligt dat
het werken op deze uren voor deeltijdwerkers in mindere mate een belasting
vormt dan voor voltijdwerkers. Zij stelt echter voorop dat deze discussie
zich op bedrijfstakniveau dient af te spelen.

Hieromtrent overweegt de Commissie als volgt. Aangezien verzoekster een
klacht heeft ingediend over een bepaling in een CAO zoals die wordt
toegepast in de eigen onderneming, kan alleen in deze onderneming een
onderzoek naar indirect onderscheid worden gedaan en niet in de gehele
bedrijfstak. De arbeidsvoorwaarden, waaronder de in het geding zijnde
compensatie voor bijzondere uren, zijn een onderdeel van de
arbeidsovereenkomst die tussen werkgever en werknemer wordt afgesloten.
De werkgever heeft dan ook, gelet op de tekst van artikel 7A:1637ij BW,
een eigen verantwoordelijkheid voor de naleving van de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

Overigens is de bewuste CAO-bepaling reeds in een andere procedure voor
de Commissie onderwerp van geschil geweest op bedrijfstakniveau (Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 12 januari 1994,
463a-94-02). In die kwestie had de wederpartij als objectieve
rechtvaardiging aangevoerd dat als achtergrond voor de compensatieregeling
eveneens wordt gezien, de extra inspanning die het werken op deze uren met
zich brengt. Anders dan bij de deeltijdwerker, zou zich de vrije tijd van
de voltijdwerker in de avonden en het weekend concentreren. Moet op deze
tijdstippen worden gewerkt, dan heeft hij minder dan de deeltijdwerker de
mogelijkheid compensatie te zoeken in de ontlasting van de normale
werkweek. De Commissie overwoog hieromtrent dat het uitgangspunt dat de
belasting voor voltijdwerkers in dergelijke situaties groter is dan voor
deeltijdwerkers, in zijn algemeenheid niet juist is. De veronderstelde
extra belasting is namelijk afhankelijk van een aantal factoren, zoals
bijvoorbeeld gestel, persoonlijkheid en persoonlijke omstandigheden van
degene die op deze uren werkzaam is. Deeltijdwerkers kunnen naast hun werk
bijvoorbeeld nog een andere baan hebben, hun werk met een studie
combineren, vrijwilligerswerk verrichten, of zorgtaken hebben te
verrichten. In dergelijke gevallen zal het werken op de bijzondere uren
eveneens een extra belasting met zich meebrengen, waarvoor compensatie
evenzeer gerechtvaardigd is. Hierbij is van belang dat de compensatie voor
het werken op deze uren een reele compensatie moet zijn, dat wil zeggen
dat deze in verhouding staat tot de extra belasting die het werk met zich
meebrengt.

In de onderhavige zaak zijn geen argumenten naar voren gebracht die
aanleiding zouden geven tot een ander dan bovenstaand oordeel, waarmee
vaststaat dat de wederpartij indirect onderscheid naar geslacht maakt door
de toepassing van artikel 8 van de CAO in strijd met de Wet.

5.6. Met betrekking tot de overwerkbepaling stelt de wederpartij dat
deeltijdwerkers voor elk uur dat extra wordt gewerkt, een betaling
ontvangen van 100% van hun uurloon en een complete doorwerking in alle
andere componenten van hun arbeidsvoorwaardenpakket. De beloning van een
deeltijdwerker zou daardoor hoger zijn dan die van een voltijdwerker.

Hieromtrent overweegt de Commissie als volgt. De Commissie is er van
overtuigd dat de wederpartij op een uiterst zorgvuldige wijze met de
rechtspositie van deeltijdwerkers wenst om te gaan. Vanuit een dergelijk
oogpunt zou men zeer wel kunnen verdedigen dat deeltijdwerkers
arbeidsvoorwaardelijk bezien beter af zijn met de wijze waarop zij door
de wederpartij worden behandeld dan wanneer zij op hun uurloon alleen een
overwerktoeslag zouden ontvangen. Voor de Commissie geldt echter alleen
de vraag of er in strijd met de Wet indirect onderscheid gemaakt wordt
tussen mannen en vrouwen door deeltijdwerkers anders dan voltijdwerkers
geen overwerktoeslag toe te kennen. Aan de overwerkregeling ligt de
gedachte ten grondslag dat na het bereiken van een bepaald aantal werkzame
uren, de werkbelasting groter wordt. De overuren die deeltijdwerkers maken
worden niet gedefinieerd als overwerk en worden ook niet als zodanig
beloond. Daarmee wordt een onderscheid aangebracht waarover de Commissie
reeds verschillende malen heeft uitgesproken (Zie onder andere Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, oordelen *
1-90-10, 5 maart 1990 * 353-91-34, 12 juni 1991 * 525-93-52, 22 december
1993) dat die extra belasting in zijn algemeenheid niet is vast te
stellen, afhankelijk als zij immers is van gestel, persoonlijkheid en
persoonlijke omstandigheden van degene die het overwerk verricht.
Deeltijdwerkers die bij de wederpartij een functie verrichten kunnen
daarnaast nog een andere baan hebben, hun baan met een studie combineren,
vrijwilligerswerk verrichten, of zorgtaken hebben te verrichten. In
dergelijke gevallen zal het moeten verrichten van overwerk eveneens een
extra belasting met zich meebrengen, waarvoor compensatie evenzeer lijkt
gerechtvaardigd. De compensatiegedachte is daarmee van een te zwakke basis
voorzien om als objectieve rechtvaardiging voor de van kracht zijnde
overwerktoeslagregeling te kunnen dienen. Hieraan doet derhalve niet af
dat werknemers in onvolledige dienst wel op andere wijze beloond worden
(Vergelijk ook het Barber-arrest (zie noot 1) van het Hof van Justie van
de Europese Gemeenschappen. In dit arrest spreekt het EG-Hof uit dat de
beoordeling, of er sprake is van gelijke beloning van mannen en vrouwen,
alleen kan geschieden door ieder onderdeel van het beloningspakket op zich
aan het beginsel van gelijke beloning te toetsen en niet door totale
pakketten met elkaar te vergelijken (r.o. 34.)).

Ten overvloede wijst de Commissie er op dat zij over de hoogte van een
overwerktoeslag in oordeel 562-93-37 (Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid, 14 oktober 1993) heeft uitgesproken dat
niet uitgesloten is dat de toeslag voor overwerk kan varieren al naar
gelang de omvang van het deeltijddienstverband, mits een duidelijk beeld
bestaat van de extra belasting voor bijvoorbeeld deeltijders met grote en
kleine dienstverbanden. De Commissie kon zich in genoemd oordeel
voorstellen dat de extra belasting voor kleinere deeltijdwerkers minder
groot zou kunnen zijn dan voor voltijdwerkers of grote deeltijdwerkers.
Een lagere compensatie zou in dit soort gevallen gerechtvaardigd kunnen
zijn, zij het dat ook dan sprake moet zijn van een reele vergoeding. Als
ondergrens is genoemd de helft van de toeslag voor een voltijdwerker. Wel
dient dan van tevoren onderzocht te zijn welke groep als kleine
deeltijdwerkers kan worden aangemerkt, en of de belasting van deze
categorie personeel inderdaad als minder groot is aan te merken ten
opzichte van andere werknemers.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Zaandam indirect
onderscheid maakt naar geslacht in strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk
Wetboek door artikel 8 van de CAO voor winkelpersoneel van Grootbedrijven
in Levensmiddelen toe te passen voorzover daardoor werknemers in
onvolledige dienst nadelig getroffen worden.

De Commissie spreekt voorts als haar oordeel uit dat te Zaandam indirect
onderscheid maakt naar geslacht in strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk
Wetboek door de toepassing van artikel 10 van bovengenoemde CAO waardoor
werknemers in onvolledige dienst geen overwerktoeslag toegekend krijgen.

De Commissie spreekt verder als haar oordeel uit dat te Zaandam geen
indirect onderscheid naar geslacht maakt in strijd met artikel 7A:1637ij
Burgerlijk Wetboek door voor hulp- en oproepkrachten andere
arbeidsvoorwaarden te laten gelden dan voor werknemers in volledige
dienst.

De Commissie spreekt tot slot als haar oordeel uit dat niet is komen vast
te staan dat werknemers in onvolledige dienst van 60 jaar en ouder anders
behandeld worden dan werknemers in volledige dienst van 60 jaar en ouder
wat betreft de verplichting tot overwerk op koopavonden (artikel 6 lid 5
van de CAO). Derhalve maakt te Zaandam op dit punt geen
indirect onderscheid naar geslacht in strijd met artikel 7A:1637ij
Burgerlijk Wetboek.

Rechters

mw mr I.M.C.V.T. Kiebert (plv. Kamervoorzitter), mw mr C.B.Mol-Bronkhorst (lid Kamer), mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer), mwmr M.M. Hubner (adjunct-secretaris)

Instantie: Klaagschrift art., 17 augustus 1994

Instantie

Klaagschrift art.

Samenvatting


Klaagster heeft op 5 augustus 1993 aangifte gedaan
van discriminatie door de SGP, gezien het besluit van deze
partij om vrouwen voortaan uit te sluiten van het
lidmaatschap.
De officier van justitie heeft klaagster in een brief van 28
juli 1994 meegedeeld dat zij de zaak seponeert vanwege een
objectieve rechtvaardigingsgrond voor het maken van
onderscheid naar geslacht. Hiertegen heeft klaagster
schriftelijk beklag gedaan bij het gerechtshof.

Volledige tekst

Feiten
Klaagster, hierna ook te noemen F., heeft op 5 augustus 1993
aangifte gedaan van discriminatie door de SGP bij de Officier
van Justitie te Roermond. Deze aangifte is doorgestuurd naar
de Officier van Justitie te Den Haag, alwaar nog klachten van
andere personen waren binnengekomen. De gebeurtenis die naar
het oordeel van klaagster een strafbaar feit opleverde was het
voorstel van het partijbestuur van de SGP om vrouwen voortaan
uit te sluiten van het lidmaatschap van deze partij. Dit
voorstel werd met een beroep op de bijbel gemotiveerd, naar
buiten gebracht en door diverse SGP-leden in de pers besproken
en becommentarieerd. Op de Huishoudelijk Vergadering van de
SGP, gehouden 25 september 1993, is definitief besloten dat
vrouwen geen lid van de SGP kunnen worden. Een en ander is
uitvoerig in de landelijke en plaatselijk epers aan de orde
geweest. Er zijn artikelen gepubliceerd in dag- en weekbladen.
Er zijn radio- en tv-uitzendingen geweest. Naar aanleiding van
de aangiften gaf de Officier van Justitie opdracht tot een
“orienterend feitenonderzoek” door de Rijksrecherche. Op 28
juli 1994 stuurde de Officier van Justitie klaagster een brief
(prod.1) waarin zij haar meedeelde dat zij de zaak geseponeerd
had. Op 1 augustus 1994 verscheen een persverklaring van het
OM (prod.2). Tot zover de feiten.

Kwalificatie

De Officier van Jusitie heeft onderzocht of de artt. 90quater,
429quater, 137d en 137f van het Wetboek van Strafrecht tot
vervolging zouden kunnen leiden. Zij besluit dat dat niet kan.
Niet omdat op zich de handelwijze van de SGP geen ongeoorloofd
onderscheid zou inhouden, maar omdat zij van mening is dat er
een objectieve rechtvaardigingsgrond voor bestaat. Klaagster
is van mening dat het sepot in strijd komt met een redelijke
uitleg van de bovengenoemde artikelen. Klaagster heeft
aangifte gedaan omdat zij zich door het besluit van de SGP
gediscrimineerd voelt als vrouw. Zij kan daarnaast als
belanghebbende/benadeelde in de zin van de strafwet worden
beschouwd. Juist in die tijd was zij zoekende naar een partij
die dezelfde politieke ideeen als zij was toegedaan, met name
op financieel-economisch gebied en op het terrein van de
Europese eenwording. Op het moment dat zij zich wilde
aanmelden als lid kwam het omstreden bestuursvoorstel.
Desondanks heeft zij zich aangemeld, met een tot op heden
negatief resultaat.

Art. 90quater Sr.
Dit artikel geeft een definitie van wat het strafrecht onder
discriminatie verstaat. Art. 90quater Sr luidt:
‘Onder discriminatie of discrimineren wordt verstaan elke vorm
van onderscheid, elke uitsluiting, beperking of voorkeur, die
ten doel heeft of ten gevolge kan hebben dat de erkenning, het
genot of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek,
economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere
terreinen van het maatschappelijk leven wordt tenietgedaan of
aangetast”

De Officier van Justitie schrijft in haar brief d.d. 28 juli
1994:
“Het besluit van de SGP vrouwen uit te sluiten van het
lidmaatschap brengt inderdaad mee dat vrouwen in hun
keuzevrijheid om lid te worden van een politieke partij
beperkt worden’.
Klaagster is van mening dat dit een ongeoorloofd onderscheid
oplevert. Zij is het niet eens met de visie van de Officier
van Justitie dat dit afhangt van de vraag of er
– een objectieve rechtvaardigingsgrond is
– of dat het onnodig inbreuk maakt op rechten van anderen, dan
wel onnodig kwetsend is door de manier waarop een bepaalde
visie naar voren wordt gebracht.

Klaagster is van mening dat aan de volledige definitie van
art. 90quater Sr. is voldaan. Niet alleen worden vrouwen
beperkt in hun keuze vrijheid, de SGP ontzegt vrouwen
eenvoudig het passieve kiesrecht. Dat is in een democratische
samenleving een uiterst essentieel beginsel; een sinds 1918 in
Nederland erkend grondrecht – ook voor vrouwen -; een als
mensenrecht gedefinieerd recht in talloze verdragen en
internationale overeenkomsten. De SGP propageert dit standpunt
door in de pers uit te leggen waarom zij vinden dat de
interpretatie van de bijbel zo dient te zijn, dat vrouwen geen
bestuursambt toekomt. Indien een zo fundamenteel beginsel
wordt besproken alsof daar een zekere redelijkheid in zit, als
stappen in die richting via een bestuursvoorstel op de agenda
van de partijvergadering wordt gezet, als dit vervolgens wordt
aangenomen en breeduit wordt becommentarieerd in de pers, is
eenvoudig voldaan aan de definitie van art. 90quater Sr. De
voorwaarden die het O.M. stelt zijn dan niet meer relevant.
Bij de bespreking van art. 429quater en onder: objectieve
rechtvaardigingsgrond zal klaagster hierop terugkomen.

Onderscheid tussen ‘”openbare leven” en priveleven.
In de M.v.A. zegt de minister (wetsontwerp nr. 20239 pag.18):
“Het antidisciminatiebeginsel kan worden beschouwd als een
middel om de vrijheid van de uitoefening van de grondrechten
te waarborgen. Wie wordt gediscrimineerd kan niet in vrijheid
gebruik maken van zijn grondrechten”.
Op pag 17 van de M.v.A. staat dat de minister art 90quater Sr
weliswaar uitgebreider ziet dan art 14 EVRM, maar dat hij van
mening is dat art 90 quater beperkt dient te blijven tot het
“openbare” leven. Daarmee is duidelijk dat de bedoeling van
dit artikel is discriminatie in het “openbare” leven te
bestrijden en het prive-leven in dit opzicht buiten de
strafwet te houden.

Art. 429quater Sr.
Art 90quater is echter een algemeen artikel. Het definieert
het begrip disciminatie. Het is geen concrete strafbepaling.
In art. 429quater Sr wordt art. 90quater Sr uitgewerkt. Dit
artikel luidt als volgt:
“Hij die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf
personen discrimineert wegens (…) geslacht (…) wordt
gestraft met (…)”
Uit de kamerbehandeling blijkt dat 429quater dezelfde
reiwijdte heeft als 90quater omdat zij daarop voortborduurt.
De bedoeling van beide artikelen is het “openbare” leven te
bestrijken en het priveleven ervan af te zonderen. In
429quater is in ieder geval een gedeelte van het “openbare”
leven afgescheiden van het prive-leven. In dit artikel wordt
expliciet strafbaar gesteld discriminatie in de uitoefening
van ambt, beroep of bedrijf. Terwijl – zoals gezegd – de
bedoeling is discriminatie in het gehele “openbare” leven
strafbaar te stellen en de prive-sfeer ervan uit te zonderen.
Een uitputtende opsomming van al hetgeen het “openbare” leven
inhoudt is ook welhaast ondoenlijk. Uit de M.v.A. blijkt dan
ook dat het de bedoeling van de wetgever niet geweest is om in
art. 429quarter een limitatieve opsomming te geven. Weliswaar
wordt uit de formulering van art. 429 quater het
achterliggende begrip: “openbare” leven weggelaten, zonder dat
echter blijkt dat dit bewust gedaan is om het begrip
“openbaar” leven te verengen tot de genoemde categorieen.
Integendeel. Als dat wel de bedoeling was geweest zou de
minister niet zo omstandig in de M.v.A. hebben uitgelegd dat
het de opzet was om de prive-sfeer buiten dit artikel te
houden en de strafbaarstelling te beperken tot het “openbare”
leven. De Officier van Justitie lijkt bij de verantwoording
van het sepot de redenering te volgen dat alle categorieen die
niet vallen onder ambt, beroep of bedrijf dus in de privesfeer
vallen. Deze redenering is te gemakkelijk en doet geen recht
aan de realiteit. De grenzen tussen prive-sfeer en het
“openbare” leven zijn niet gegeven met de vaststelling of een
rechtspersoon zich als vereniging of stichting of “besloten
club” aandient, dan wel als een firma, bv of nv. Het gaat niet
om het etiket dat er op geplakt wordt door de rechtspersoon in
kwestie. Het gaat om de feitelijk naar buiten blijkende
handelingen. Het gaat om de aard van de activiteiten. Als die
zich in het “openbare” leven afspelen dan is art. 429quater Sr
van toepassing. (Zie: “Met recht rassendiscriminatie
bestrijden”. A.C.Possel (red) LBR Utrecht 1990 (p.96-100). De
vraag die in deze zaak gesteld dient te worden is of de
activiteiten van de SGP zich in de privesfeer afspelen of in
het “openbare” leven. De SGP is een vereniging met het doel
politiek te bedrijven, d.w.z. ze probeert anderen van haar
gelijk te overtuigen en daartoe treedt ze in de openbaarheid.
Ze probeert in overeenstemming met haar ideeeen invloed uit te
oefenen op wet/regelgeving die het gehele maatschappelijke
leven omvat. Daartoe heeft zij leden op alle niveaus van de
volsvertegewoordiging. Daarmee onderneemt zij activiteiten die
bij uitstek op het terrein van het “openbare” leven liggen.
Hier kan geen beroep meer gedaan worden op het naar binnen
gekeerde karakter dat een vereniging ook kan hebben. Deze
activiteiten spelen zich af in het “openbare” leven. Daarop is
art. 429quater van toepassing. met de vaststelling dat hier
sprake is van een ongeoorloofd onderscheid ex art. 90quater,
is de strafbaarheid gegeven. De rechtvaardigingsgrond van het
recht op vrijheid van godsdienst en vrijheid van vereniging
kan hier niet gehanteerd worden. Klaagster is van mening dat
de Officier van Justitie deze vraag onvoldoende heeft getoetst
en zij is van mening dat deze vraag aan de rechter dient te
worden voorgelegd. Het antwoord op deze vraag dient te luiden
dat het besluit van de SGP vrouwen in het algemeen uit sluiten
van het lidmaatschap, wat tot gevolg heeft dat aan potentiele
vrouwelijke leden ook het passieve kiesrecht wordt ontzegd,
niet meer valt binnen de privesfeer. De conclusie is dat de
SGP strafbaar is ex art. 429quater j’ art. 90quater Sr. Zij
maakt zich strafbaar aan directe discriminatie. Mocht de
rechter vaststellen dat hier geen sprake is van directe
discriminatie maar van indirecte discriminatie van wijst
klaagster op de uitspraak van de HR 26-6-1984, RR 68
(niet_Joodverklaringen):
” De wetgever heeft met de wijziging van art. 429quater Sr
beoogd ook indirecte rassendiscriminatie onder de werking van
het artikel te brengen. Dat is bijvoorbeeld het geval indien
het maken van onderscheid wegens godsdienst of wegens
staatkundige overtuiging in werkelijkheid het maken van
onderscheid tussen personen wegens ras beoogd of tot gevolg
heeft:
Zie ook: “Met recht rassendiscriminatie bestrijden: A.C.Possel
(red.) LBR Utrecht 1990 p. 8-12.

Art. 137d Sr.
Dit artikel luidt:
“hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrifte of
afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen
of gewelddadig optreden tegen persooen of goed van mensen
wegens (…) hun geslacht (…) wordt gestraft met (…)”
Op basis van de brief d.d. 28 juli 1994 aan klaagster en het
persbericht d.d. 1 augustus 1994 kan geconstateerd worden dat
het OM van mening is dat art. 137d Sr geen toepassing vindt
“omdat niet bewezen zal kunnen worden dat de SGP (…) in het
openbaar heeft aangezet tot haat en/of discriminatie”, met
name “de opzet om aan te zetten tot haat en/of discriminatie
(…) zal niet bewezen kunnen worden:. Het OM toetst kennelijk
de mogelijke strafbaarheid van de SGP vooral aan de vraag of
er sprake is van opzettelijk handelen door de SGP, althans of
opzettelijk handelen bewezen zal kunnen worden. Het kenmerk
“openbaarheid” wordt door het OM kennelijk als gegeven
beschouwd. In de term “aanzet tot” uit art. 137d Sr ligt opzet
besloten. Het begrip “opzet” houdt alle schakeringen van opzet
in, ook voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet eist van de
dater een “mogelijkheidsbewustzijn” van een bepaald – niet
noodzakelijkerwijs in eerste instantie beoogd – gevolg. De
dader moet dit gevolg “op de koop toe nemen”. Het
partijbestuur en de partijvergadering was zich er wel degelijk
bewust dat hun besluit zowel binnen als buiten de partij, als
discriminatoir zou worden ervaren. Zij hebben in ieder geval
kennelijk dit gevolg “op de koop toegenomen”. Klaagster is van
mening dat ten aanzien van de SGP tenminste van een
voorwaardelijk opzet gesproken kan worden. Dat de SGP zich van
de effecten van haar besluit terdege bewust was blijkt uit de
krantenartikelen en de interviews die zij gaven op radio en
tv. Dat ds Hovius – zoals de Officier van Justitie stelt – “in
de media de standpunten van de SGP desgevraagd op voorzichtige
wijze (heeft) toegelicht en gepoogd heeft de godsdienstige
achtergronden daarvan inzichtelijk te maken” betekent alleen
dat “boos opzet” moeilijker te bewijzen zal zijn. Het OM laat
ten onrechte de bespreking van het “voorwaardelijk opzet”
geheel achterwege. Klaagster is van mening dat voldaan is aan
de eisen van art. 137d Sr. en dat de SGP ook dit artikel
overtreden heeft.

Art. 137f Sr.

Dit artikel luidt:
“hij die deelneemt of geldelijke of andere stoffelijke steun
verleent aan activiteiten gericht op discriminatie van mensen
wegens (…) hun geslacht (…) wordt gestraft met (…)”
Volgens de uitspraak van de HR 24-2-1987, NJ 87, 876 moet
onder “deelnemen aan activiteiten gericht op discriminatie”
verstaan worden “het verrichten van daden die deel uit maken
van een gezamenlijk handelen, gericht op discriminatie”. De
Officier van Justitie stelt dat de “doelstelling van de SGP
gericht moet zijn op discriminatie”. Dat acht zij niet
gebleken of aannemelijk. Klaagster kan daarin de Officier van
Justitie niet volgen. Zij is van mening dat het voorstel van
het partijbestuur tot wijziging van de statuten en verwoord in
de brief d.d. 22 juli 1993 aan de leden van de SGP (prod.3)
wel degelijk de doelstelling tot discriminatie bevat. Zo staat
op pag. 2 onder c.
Voorstel 2.
“Het Hoofdbestuur is van mening dat, overeenkomstig de
gehouden peiling van 16 januari 1993, de Huishoudelijk
Vergadering dient uit te spreken dat, gelet op het daartoe
bepaalde, het lidmaatschap zoals in onze statuten verwoord,
vrouwen niet toekomt. het Hoofdbestuur is tevens van mening
dat de huidige formulering van artikkel 10 van ons Program van
Beginselen op dit punt enige aanscherping verdient en verzoekt
de Huishoudelijke Vergadering zich uit te spreken over de
volgende stellingen:
1. Een vrouw kan geen regeerambt vervullen.
2. Een vrouw kan niet deelnemen aan stemmingen binnen de
partij.
3. Een vrouw kan geen bestuursfunktie vervullen binnen de
partij.
4. Een vrouw kan niet afgevaardigd worden naar bredere
vergaderingen.
5. De kiesverenigingen kunnen, zoland de huidige statuten van
kracht zijn, geen vrouwen als lid toelaten”.

Blijkens deze brief moet voorstel 2 gezien worden in samenhang
met voorstel 1 (pag.5). Onder punt II van pag.5 wordt verband
gelegd met het standpunt van het Hoofdbestuur neergelegd heeft
in de brief d.d. augustus 1991 en met de rechten die de leden
volgens de statuten hebben. Voorstel 1 en 2 zijn aangenomen op
de Huishoudelijke Vergadering van 25 september 1993. Daarmee
staat vast dat de doelstelling van de SGP gericht is op
discriminatie d.w.z. uitsluiting van vrouwen. De SGP geeft
daaraan uitvoering door “daden te verrichten”. Deze daden
zijn:
– het voorstel van het bestuur (brief 22 juli 1993);
– plaatsing van dit voorstel op de agenda van de
partijvergadering;
– het in de openbaarheid treden van het bestuur en leden van
de SGP met dit voorstel via de pers;
– de aanname van dit voorstel;
– het opnieuw te woord staan van de pers.

Deze daden maken deel uit van “een gezamelijk handelen” met
het doel vrouwen uit te sluiten op grond van hun geslacht. Dat
is discriminatie zoals gedefinieerd door art. 90quater Sr.
Daarmee is voldaan aan de delichtsomschrijving van art. 137f
Sr. Indien dit artikel uitgelegd zou worden op de manier
waarop de Officier van Justitie dat doet, namelijk door als
eis te stellen dat de doelstelling met zoveel woorden
geformuleerd moet worden in bijv. de statuten, dan wordt dit
artikel een holle bepaling. Klaagster is van mening dat de
uitleg van het OM te beperkt is.

Objectieve rechtvaardigingsgrond.
Mocht er ondanks de bovenstaande redenering nog ruimte zijn om
te onderzoeken of er reden is voor het hanteren van een
objectieve rechtvaardigingsgrond, dan wil klaagster het
volgende naar voren brengen. De Officier van Justitie stelt
dat het gewraakt onderscheid niet als discriminatie in de zin
van art. 90quater Sr. kan worden aangemerkt als er een
objectieve rechtvaardigingsgrond voor bestaat. Hiermee
introduceert zij een civielrechtelijk begrip in het
strafrechtelijk denken. Het begrip “objectieve
rechtvaardigingsgrond” zoals de Officier van Justitie dat hier
gebruikt, is afkomstig uit het bestuursrecht en werd in de
jurisprudentie ontwikkeld met betrekking tot de sociale
zekerheid. De civielrechtelijke reflexwerking van dit begrip
in het strafrecht is mogelijk, doch dan dient er, net als in
het civiele recht, een belangenafweging aan ten grondslag te
liggen. De Officier van Justitie motiveert onvoldoende waarom
zij in deze zaak het grondrecht van vrijheid van godsdienst en
de vrijheid van vereniging en vergadering voorrang heeft
gegeven boven het grondrecht gevrijwaard te blijven van
discriminatie en waarom met een beroep op de vrijheid van
godsdienst aan SGP-vrouwen het passieve stemrecht (een
gedeelte van een essentieel grondrecht in een democratische
samenleving) ontnomen kan worden. De reden die de Officier van
Justitie wel geeft is dat de wetgever de privesfeer buiten het
strafrecht heeft willen houden, omdat er anders strijd “met
het respect voor de in de samenleving levende wens van
bepaalde groepen om hun eigen identiteit te houden” zou
ontstaan. In de toelichting onder art. 429quater Sr. is
ingegaan op het onderscheid priveleven – openbaar leven. De
wetgever heeft daarin uitdrukkelijk vastgesteld dat, zodra er
sprake is van activiteiten in het openbare leven, er geen
beroep meer gedaan kan worden op godsdienst of
levensovertuiging. Hoe zwaar weegt nu nog het argument dat de
vrijheid van goedsdienst in dit geval dient te gaan boven het
discriminatieverbod. Als niet onbelangrijk gegeven daarbij
dient vermeld te worden dat in ieder geval vanaf 1984 vrouwen
wel lid konden worden van de SGP. Er zijn zelfs vrouwen
expliciet door het partijbestuur daartoe uitgenodigd. Nog
steeds zijn er een twintigtal vrouwen lid van de SGP.
Kennelijk bracht de SGP-uitleg van de bijbel in 1984 niet mee
dat vrouwen geen lid konden worden. Het blijkt dus dat ook
binnen de SGP de bijbel geen rotsvast gegeven is en dat ook
binnen de SGP er een interpretatie van bijbelteksten nodig is.
Mensenwerk dus dat met betrekking tot de vraag of vrouwen
volwaardig lid kunnen worden van politieke partijen met alle
rechten vandien in 1984 op grond van dezelfde bijbel anders
uitgelegd werd dan in 1994. Waarom zou de strafrechter, indien
hij – zoals in deze zaak – zodra hij tot een afweging van
belangen overgaat – het belang van een beroep op de vrijheid
van godsdienst en levensovertuiging, dat zo wankelmoedig en
betwijfelbaar blijkt te zijn – groter achten dan het belang
dat mensen gevrijwaard blijven van discriminatie op grond van
hun geslacht en aan wie op die grond mede het klassieke
grondrecht van het passieve kiesrecht wordt ontzegd. Tenslotte
merkt klaagsteur op dat de rijksrecherche geen onderzoek heeft
gedaan naar de plaats van de vrouwen, die nog steeds
volwaardig lid zijn van de SGP. Klaagster is van mening dat
het onzerzoek dan ook niet volledig is geweest.

DIT ZIJN DE REDENEN waarom klaagster van mening is dat de
Officier van Justitie ten onrechte overgegaan is tot
seponering van de klacht die zij indiende op 5 augustus 1993
tegen de SGP.

Zij verzoekt uw hof de Officier van Justitie de opdracht te
geven een vervolging in te stellen tegen de SGP als
rechtspersoon en haar bestuurders.

Rechters

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 augustus 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is op 1 september 1988 bij de wederpartij in dienst getreden.
Na een reorganisatie bleef zij bij de wederpartij in dienst, in een andere
functie. Verzoekster meent dat zij arbeid van gelijke waarde verrichtte
als een mannelijke collega waarvoor zij echter niet gelijk beloond werden.
De Commissie concludeert dat verzoekster en maatman geen (nagenoeg)
gelijkwaardige arbeid verrichtten. Daardoor komt de Commissie niet toe aan
de vraag of verzoekster en haar collega op grond van gelijkwaardige
maatstaven zijn beloond. Geen strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK Op 21 april 1993 verzocht mevrouw ir
te Den Haag (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag
of de Minister van Defensie te Den Haag (hierna: de wederpartij) jegens
haar onderscheid op grond van geslacht maakt/heeft gemaakt in strijd met
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

Verzoekster is van mening dat zij lager beloond wordt dan een mannelijke
collega (de heer , hierna: maatman) terwijl zij arbeid van
gelijke waarde verrichten. Volgens verzoekster handelt de wederpartij
hiermee in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen. Tegelijkertijd
met bovengenoemd verzoek heeft verzoekster de Commissie gevraagd met spoed
haar oordeel uit te spreken over de vraag of het voornemen van de
wederpartij om de arbeidsverhouding met haar te beeindigen in strijd met
de WGB is. Daarover heeft de Commissie reeds eerder geoordeeld (Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 29 juni 1993,
oordeel 56A-93-23).

De Commissie heeft in de onderhavige zaak een onderzoek ter plaatse
ingesteld. Zij is hierbij ondersteund door ambtenaren van de
Loontechnische Dienst, sinds 1 mei 1994 geheten de Dienst Inspectie en
Informatie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(I-SZW). In het kader van dit onderzoek zijn gesprekken gevoerd met
verzoekster, de wederpartij en de maatman. Van het onderzoek ter plaatse
is een rapport opgemaakt, gedateerd maart 1994.

2.2. Partijen zijn opgeroepen om hun standpunten toe te lichten tijdens
een zitting van de Commissie op 28 juni 1994. Bij deze zitting waren
aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw ir (verzoekster)
– mw mr (toehoorder)

van de kant van de wederpartij – dhr (hoofd afdeling
personeel en organisatie) – dhr , Kapitein ter zee van
administratie (hoofd afdeling Plannen)

– mw (personeels-, organisatie- en formatie- adviseur)

van de kant van I-SZW – dhr ing. – dhr

van de kant van de Commissie – mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter) – mw mr
C.E. van Vleuten (lid Kamer) – mw mr M. de Rooij (lid Kamer) – mw mr M.M.
Hubner (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster (geboren 14 februari 1958) is op 1 september 1988 bij de
wederpartij in dienst getreden in de functie van ‘beleidsmedewerker
management informatievoorziening’ bij de toenmalige afdeling Plannen en
Begroten van het Directoraat Generaal Personeel (DGP), dat ressorteert
onder de Centrale Organisatie (CO). Haar hoofdtaak was om de Directeur-
Generaal Personeel te voorzien van bestuurlijke informatie.

In het kader van een reductiemaatregel zijn binnen het DGP sinds 1989 twee
reorganisaties doorgevoerd. In januari 1989 was de eerste reorganisatie,
waarbij verzoeksters functie vrijwel ongewijzigd bleef. De naam van de
afdeling werd gewijzigd in Stafafdeling Strategisch Beleid. Een tweede
reorganisatie volgde in januari 1991, waarbij verzoekster geplaatst werd
in de functie van beleidsmedewerker algemeen, speciaal belast met
strategisch onderzoek bij de afdeling Plannen van de Directie Plannen en
Beleidsontwikkeling. Haar nieuwe taken omvatten onder andere onderzoek ten
behoeve van strategische beleidsontwikkeling en onderzoek ten behoeve van
beleidsevaluatie. Deze functie vervulde verzoekster tot 1 juli 1993, de
datum waarop de wederpartij de arbeidsverhouding met verzoekster
beeindigde.

3.2. De maatman (geboren 12 maart 1957) is op 8 mei 1979 bij de
wederpartij in dienst getreden. Hij is op 1 augustus 1990 na een interne
sollicitatie op dezelfde afdeling als verzoekster komen te werken in de
functie van senior beleidsmedewerker strategische planvorming. In het
kader van de reorganisatie per 1 januari 1991 werd hij geplaatst in de
functie van senior beleidsmedewerker strategische beleidsontwikkeling en
beleidsevaluatie op de afdeling waar ook verzoekster na de reorganisatie
geplaatst is.

3.3. De wederpartij past het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke
Rijksambtenaren 1984 (hierna: BBRA’84), het beloningssysteem van de
overheid, toe.

De burgerfuncties worden in principe gewaardeerd met het
BIZA-functiewaarderingssysteem van de overheid. Bij de CO, waar de DGP
onder valt, wordt echter sinds begin 1992 voor de burgerfuncties een eigen
functiewaarderingssysteem gehanteerd, het FuwaCO-systeem. Het systeem is
ontwikkeld voor de belangrijkste functiegebieden bij de CO. De
functiegebieden waarvoor het FuwaCo-systeem nog niet ontwikkeld is,
betreffen met name functies die door reduc-tiemaatregelen in de nabije
toekomst niet meer onder de CO zullen ressorteren. Sinds de reorganisatie
per 1 januari 1991 is ca. 60% van de burgerfuncties bij de CO, waaronder
die van verzoekster en maatman, met het FuwaCo-systeem gewaardeerd. Het
systeem is ontwikkeld als een toegankelijk en gebruikersvriendelijk
instrument voor het management. De methode is een afgeleide van het
BIZA-systeem, dat uitgaat van de beredeneerde vergelijking. De
functie-inhoud wordt daarbij vergeleken met de zogenaamde karakteristieken
van hoofdgroepen en daarbinnen van niveaugroepen. Indeling in een groep
geschiedt door te beredeneren welke hoofd- en niveaugroep passend is. Aan
de niveaugroepen zijn de salarisschalen van het BBRA ’84 gekoppeld. Het
FuwaCO-systeem sluit beter aan bij de organisatie waar verzoekster en
maatman werken, omdat het meer is toegesneden op de CO. Bij het waarderen
van de functie wordt gebruik gemaakt van ‘waarderingsstramienen’. Elk
stramien heeft drie ingangen (gezichtspunten), te weten complexiteit,
zelfstandigheid en reikwijdte van beslissingen. Na het vaststellen van de
juiste situatie per gezichtspunt ontstaat een totale waarderingsscore voor
de functie. Met behulp van een tabel wordt vervolgens de waardering van
de functie afgelezen.

3.4. De functies van verzoekster zijn door de wederpartij ingedeeld in
hoofd- en niveaugroep V-b (salarisschaal 11), die van de maatman in hoofd-
en niveaugroep V-c (salarisschaal 12). Bij aanvang van de functie is
maatman echter in een lagere schaal, de aanloopschaal, geplaatst.
Verzoekster ontving bij indiensttreding op 1 september 1988 een salaris
van ƒ 4.907,- (schaal 11 met drie periodieken). Per 30 juni 1993 bedroeg
haar salaris ƒ 6.339,- (schaal 11 met zeven periodieken). Voordat zij
bij de wederpartij in dienst trad, was zij gedurende twee jaren werkzaam
bij het Ministerie van Financien. Zij werd aan het eind van dat
dienstverband beloond volgens schaal 10 met drie periodieken. Nadat zij
bij de wederpartij in dienst was getreden, ontving zij van haar vorige
werkgever het bericht dat haar voormalige functie met terugwerkende kracht
tot 1 juli 1987 in schaal 12 was ingedeeld, waardoor zij over de
achterliggende periode een nabetaling ontving.

Maatmans salaris bedroeg bij aanvang in zijn nieuwe functie (1-8-1990) ƒ
5.789,- (schaal 11 met zeven periodieken). Per 1-6-1991 heeft hij een
extra periodiek ontvangen. Per 1-8-1991 werd hij bevorderd naar schaal 12
en ontving hij een salaris van ƒ 6.330 (schaal 12 met drie periodieken).
Op 1-6-1993, op het moment dat het dienstverband met verzoekster beeindigd
werd, bedroeg zijn salaris ƒ 7.073,- (schaal 12 met vijf periodieken).

3.5. De Commissie heeft een onderzoek ingesteld naar de waarde van de
functies van verzoekster en de maatman alsmede naar het beloningsbeleid
van de wederpartij. De functies van verzoekster zijn gewaardeerd over de
periodes 1 september 1988 tot 1 januari 1991 en 1 januari 1991 tot 1 juli
1993. Die van maatman zijn gewaardeerd over de periodes van 1 augustus
1990 tot 1 januari 1991 en van 1 januari 1991 tot 1 juli 1993. Van de
feitelijk opgedragen werkzaamheden zijn functiebeschrijvingen opgesteld,
die zijn gebaseerd op interviews met verzoekster, de maatman en de
wederpartij.

Verzoekster en maatman gingen akkoord met de opgestelde beschrijvingen van
hun functies. Het hoofd van de afdeling Plannen heeft de functies uit de
tweede onderzoeksperiode voor akkoord getekend, voorzien van een
begeleidend schrijven. Daarin wordt gesteld dat verzoekster de
werkzaam-heden behorende bij de activiteit van secretaris van de Werkgroep
Uitwerking Informatievoorziening en Toetsings-criteria (een onderdeel van
de functiebeschrijving) in de periode augustus 1992 tot 1 juli 1993 niet
heeft verricht. Volgens die verklaring is verzoekster van die
werkzaamheden ontheven omdat zij disfunctioneerde. Voorts zou verzoekster
diverse werkzaamheden en activiteiten in de periode 3 augustus 1992 tot
1 juli 1993 slechts zeer ten dele hebben verricht, wat te wijten zou zijn
aan haar afwijkende opvattingen ten aanzien van de inhoud en invulling van
haar functie en aan haar gebrekkig functioneren. De functies uit de eerste
onderzoeksperiode heeft het hoofd van de afdeling Plannen niet voor
akkoord ondertekend, omdat hij pas sinds augustus 1992 op die afdeling
werkzaam was. Degene die in die periode het bevoegd gezag was, is van
mening dat van hem niet gevergd kan worden om in te stemmen met
functiebeschrijvingen die anders luiden dan de beschrijvingen op grond
waarvan hij -ruim vier jaar geleden- werkzaamheden heeft laten verrichten.
In de tweede plaats staan er, naar zijn mening, evidente onjuistheden in
de nieuwe functiebeschrijving van verzoekster. Uit de hoofdbestanddelen
van de functie is bijvoorbeeld geheel verdwenen dat een en ander
plaatsvindt op aanwijzing van hoofd en plaatsvervangend hoofd en op
aanwijzing van de senior beleidsmedewerkers. Voorts zou een aantal
onderdelen van de functiebeschrijving niet tot de werkzaamheden van
verzoekster behoren.

Naar aanleiding van hierbovengenoemde opmerkingen is er een tweede
beschrijving van de functie van verzoekster in de eerste onderzoeksperiode
gemaakt.

3.6. De Commissie heeft de functies van verzoekster en maatman
gewaardeerd met het FuwaCO-systeem. Van de functie van verzoekster in de
eerste onderzoeksperiode zijn twee beschrijvingen gemaakt, een conform de
visie van verzoekster en een conform de visie van wederpartij, die
vervolgens gewaardeerd zijn.

Deze waardering leidde ertoe dat volgens beide versies de functie van
verzoekster in de eerste onderzoeksperiode wordt ingedeeld in hoofd- en
niveaugroep V-b, schaal 11.

De waardering van de functie van verzoekster in de tweede
onderzoeksperiode leidde eveneens tot dit resultaat. De opmerkingen van
de wederpartij met betrekking tot deze functiebeschrijving van verzoekster
waren daarbij niet van dien aard dat daardoor de waardering lager uitviel.

De functie van maatman wordt in beide onderzoeksperiodes ingedeeld in
hoofd- en niveaugroep V-c, schaal 12.

Het verschil in waardering tussen de functie van verzoekster en de functie
van maatman wordt in beide onderzoeksperioden veroorzaakt door een
verschil in waardering van de factor complexiteit (een van de drie
gezichtspunten). Gebleken is dat er geen relevant verschil ontstaat door
de twee verschillende functiebeschrijvingen van verzoeksters functie in
de eerste onderzoeksperiode. Hieronder is tussen haakjes aangegeven waarin
een eventueel verschil zit. De functie van verzoekster wordt gekenmerkt
door gespecialiseerd onderzoek, analyse van gegevens, alsmede rapportage
(bij de functiebeschrijving conform verzoeksters visie hoort ook nog: het
ontwikkelen van onderzoeksmodellen en informatie-systemen). Bij de functie
van maatman komen soortgelijke activiteiten voor, waarbij de functionaris
de werkzaamheden zelf uitvoert, of laat uitvoeren door anderen. Daarnaast
worden gegevens, verkregen door eigen onderzoek of door onderzoek van
anderen, geinterpreteerd en uitgewerkt in beleidsadviezen voor het
personeelsbeleid op lange termijn. Ook worden deze gegevens gebruikt voor
bijstelling van het vigerend personeelsbeleid. De functie van verzoekster
heeft betrekking op een beleidsterrein dat naar omvang en variatie in
problematiek beperkt is. De functie van maatman betreft een beleidsterrein
met een bredere problematiek en een meer heterogeen karakter. Hierdoor is
in de functie van verzoekster sprake van (enige) specialisatie, terwijl
de functie van maatman zich kenmerkt door een bredere beheersing van het
vakgebied. Daar waar in de functie van verzoekster sprake is van (een
beperkt aantal) raakvlakken met andere beleidsterreinen (waarbij de
aandacht vooral gericht is op het eigen aandachtsgebied), is in de functie
van maatman eerder sprake van invloed van en integratie met andere
beleidsterreinen. Deze verschillen leiden tot een verschil in waardering
voor de factor complexiteit.

De factor zelfstandigheid is bij beide functies gelijk gewaardeerd. Beide
functies kennen een grote mate van zelfstandigheid, waarbij voor een groot
deel naar eigen inzicht wordt gehandeld.

Beide functies worden ook gelijk gewaardeerd voor de factor reikwijdte
beslissingen. De werkzaamheden in beide functies hebben namelijk vooral
betrekking op het ontwikkelen van beleid gericht op de interne
bedrijfsvoering. Daarnaast is in de functie van maatman sprake van overleg
met andere departementen, ook internationaal. Deze contacten leiden binnen
het systeem echter niet tot een hogere waardering.

3.7. Het onderzoek naar de door de wederpartij gehanteerde
beloningsmaatstaven heeft het volgende opgeleverd.

Het aanvangssalaris bij indiensttreding wordt vastgesteld op basis van
vier beloningsmaatstaven, te weten: – functieniveau – opleidingsniveau –
ervaring – (vrijwillige) ervaring in het leger.

Gedurende de diensttijd kunnen nog de volgende belonings- maatstaven
worden toegepast:

– periodieke verhoging – functioneringstoelage (bij zeer goed
functioneren) – bindingspremie (om te voorkomen dat een bepaalde
functionaris de organisatie verlaat) – gratificaties (bij extra inzet
gedurende langere tijd) – kleine cadeaus (bij extra inzet gedurende korte
tijd) – waarnemingsvergoeding (bij waarneming van een hogere functie).

De standpunten van partijen

3.8. Verzoekster stelt dat de arbeid die zij en die de maatman verrichtte
van gelijke waarde was, waarvoor zij echter niet gelijk beloond werden.
Hiermee handelt de wederpartij in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

Zij bestrijdt al hetgeen de wederpartij over de functie- beschrijving die
volgens haar visie is opgesteld, heeft gesteld.

Met betrekking tot het rapport van de Commissie heeft verzoekster de
volgende opmerkingen. Zij is van mening dat de eerste onderzoeksperiode
niet moet beginnen op het moment dat zij zich kan vergelijken met maatman.
Het gaat er juist om dat zij, voordat maatman op de afdeling kwam, zijn
taken erbij deed. Wat betreft de opgestelde functiebeschrijvingen is zij
van mening dat de inhoudelijke kant er te weinig uitkomt. De
functiebeschrijvingen zijn te algemeen gesteld. Op zich gaat zij nog
steeds akkoord met de inhoud van de opgestelde functiebeschrijving, als
daarbij rekening wordt gehouden met afspraken die haar leiding met haar
gemaakt heeft. Haar was namelijk toegezegd dat haar organieke
functiebeschrijving na de reorganisatie aangevuld zou worden. Voorts is
zij van mening dat met betrekking tot het gezichtspunt ‘reikwijdte van
beslissingen’ bij maatman wel en bij haar -ten onrechte- niet vermeld is
dat internationale contacten tot de functie behoren. Bij het gezichtspunt
‘complexiteit’ mist zij feiten waaruit blijkt dat haar functie eenzelfde
complexiteit bezit als die van maatman. Wat ook essentieel is, is dat zij
in een pionierssituatie moest werken. De maatman kwam op afdeling te
werken toen alles al georganiseerd was. Dat moet anders gewaardeerd
worden.

3.9. De wederpartij is van mening dat zij niet in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling van mannen en vrouwen handelde, aangezien verzoekster
en de maatman ongelijkwaardige arbeid verrichtten, waardoor een ongelijke
beloning gerechtvaardigd is.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt bij de beloning van verzoekster in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

4.2. Het onderzoek heeft zich uitgestrekt over de periode 1 september
1988 tot 1 juli 1993. Voor de periode tot 1 juli 1989 wordt getoetst aan
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de burgerlijke
openbare dienst (WGBbod; Stb. 1980, 384). In artikel 1 van deze wet is
bepaald dat het bevoegd gezag geen onderscheid mag maken tussen mannen en
vrouwen in de beloning. In artikel 1a van de huidige WGB, die op 1 juli
1989 in werking is getreden, is bepaald dat het bevoegd gezag geen
onderscheid tussen mannen en vrouwen mag maken in de arbeidsvoorwaarden.
In de WGB is deze bepaling nader uitgewerkt. Artikel 7 WGB bepaalt dat de
arbeider die arbeid van gelijke of nagenoeg gelijke waarde verricht als
een arbeider van de andere kunne, recht heeft op hetzelfde loon als deze
arbeider. Van gelijke beloning is sprake wanneer deze is berekend op
grondslag van gelijkwaardige maatstaven (artikel 9 WGB). Voor de bepaling
van de waarde van de arbeid dient te worden uitgegaan van een deugdelijk
stelsel van functiewaardering, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten
bij het stelsel dat in de organisatie gebruikelijk is (artikel 8 WGB).

4.3. De Commissie zal allereerst nagaan of verzoekster en de maatman
arbeid van gelijke waarde verrichtten.

De Commissie gaat daarbij eerst in op hetgeen verzoekster naar voren heeft
gebracht met betrekking tot het functiewaarderingsonderzoek. De Commissie
vat de opmerkingen van verzoekster aldus samen dat haar voornaamste grief
is dat de kwaliteit van haar werkzaamheden niet gewaardeerd is en verder
dat in het onderzoek geen rekening gehouden is met de afspraken die
gemaakt zijn tussen verzoekster en haar leiding.

4.4. Bij de waardering van functies leidt niet de kwaliteit van de
uitgevoerde werkzaamheden tot een waardeverschil, maar alleen het niveau
van de verschillende functie-onderdelen. Het is wel mogelijk om de
kwaliteit van de werkzaamheden te belonen, maar dit gebeurt dan via het
beloningsbeleid, bijvoorbeeld door een functioneringstoelage toe te kennen
(zie paragraaf 3.7.). De Commissie merkt op dat verzoeksters tweede
bezwaar in het kader van de WGB niet behandeld kan worden. De Commissie
onderzoekt alleen of de functies van verzoekster en maatman van (nagenoeg)
gelijke waarde zijn en zo ja, of daarvoor een beloning op grond van
gelijkwaardige maatstaven wordt gegeven.

4.5. Er zijn twee verschillende versies van de functiebeschrijving van
verzoekster in de eerste onderzoeksperiode. Beide versies leiden tot
eenzelfde waardering, reden waarom de verschilpunten tussen deze
functiebeschrijvingen verder onbesproken kunnen blijven. Dit betekent dat
de Commissie voor de beoordeling van de vraag naar de waarde van de
arbeid, uit zal gaan van de resultaten van het
functiewaarderingsonderzoek. Uit dit onderzoek blijkt dat volgens beide
versies de functie van verzoekster in de eerste onderzoeksperiode wordt
ingedeeld in hoofd- en niveaugroep V-b, schaal 11. De waardering van de
functie in de tweede onderzoeksperiode leidde eveneens tot dit resultaat.
De functie van maatman wordt in beide onderzoeksperiodes ingedeeld in
hoofd- en niveaugroep V-c, schaal 12. De Commissie concludeert hieruit dat
verzoekster en maatman geen (nagenoeg) gelijkwaardige arbeid verrichten.

Dientengevolge komt zij niet meer toe aan de vraag of verzoekster en de
maatman op grondslag van gelijkwaardige maatstaven zijn beloond.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Minister van Defensie te
Den Haag jegens mw ir te Den Haag geen onderscheid
naar geslacht in strijd met artikel 1 Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen in de burgerlijke openbare dienst of de artikelen 1a juncto 7
en volgende van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen heeft
gemaakt.

Rechters

mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter), mw mr C.E. van Vleuten (lidKamer), mw mr M. de Rooij (lid Kamer), mw mr M.M. Hubner(adjunct-secretaris)

Instantie: President Rechtbank Alkmaar, 11 augustus 1994

Instantie

President Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


De minderjarige kinderen van eisers zijn seksueel misbruikt door gedaagde,
waartegen een strafrechtelijke procedure loopt. Eisers vorderen de
verhuizing van gedaagde uit hun woongebied binnen vier weken na betekening
van het vonnis. Tevens eisen zij een voorschot op de geleden schade van
ƒ 2.500,- per persoon. De rechtbank constateert dat een confrontatie
tussen partijen voor eisers hevige emoties teweeg brengt. Gedaagde is
bereid mee te werken aan een straatverbod. Na afweging van de belangen
beslist de rechtbank dat gedaagde moet verhuizen uit het woongebied van
eisers uiterlijk per 1 december 1994. Gedurende de tussenliggende periode
mag gedaagde zich slechts in de wijk ophouden om van en naar zijn woning
te gaan. Het verzoek tot schadevergoeding wordt toegewezen tot een bedrag
van ƒ 1.000,- per persoon.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure

Ter terechtzitting van 2 augustus 1994 hebben eisers gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

Gedaagde heeft de vordering bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van beide zijden
pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

I. De uitgangspunten

1.1. Eisers zijn de ouders van de minderjarige R.T., R.M., B.A. en M.J.
Eind 1993, begin 1994 hebben eisers aangifte gedaan van seksueel misbruik
door gedaagde van voornoemde minderjarigen. Naar aanleiding van deze
aangiften heeft een strafrechtelijke onderzoek plaatsgevonden, hetgeen
uiteindelijk heeft geleid tot een strafzaak bij de meervoudige kamer van
de Rechtbank Alkmaar tegen gedaagde, welke heeft plaatsgevonden op 19 juli
jl waarvan de uitspraak is bepaald op 2 augustus 1994.

1.2. Gedaagde heeft een korte periode in voorlopige hechtenis gezeten en
is medio december 1993 op last van de Officier van Justitie als gevolg van
het cellentekort heengezonden. Aangezien gedaagde in de wijk DE Hoef woont
waar ook eisers met hun gezinnen wonen worden partijen regelmatig met
elkaar geconfronteerd.

1.3. Op 28 januari 1994 is gedaagde door de raadsvrouw van een der eisers
gesommeerd te verhuizen uit de wijk De Hoef. Hierop heeft gedaagde eisers
laten weten in principe akkoord te gaan met een verhuizing en zich te
zullen laten inschrijven bij huisvesting. Deze inschrijving heeft tot op
heden nog geen resultaat gehad.

1.4. Eiseres sub 3 heeft ter zitting haar vordering ingetrokken.

II. De vordering

Eiseres vorderen:

a. gedaagde te gebieden op een termijn van vier weken na betekening van
het vonnis in kort geding te verhuizen uit het gebied bekend staand als
de wijk “De Hoef” op straffe van een dwangsom van ƒ 1.00,= voor iedere dag
dat hiermee in gebreke wordt gebleven, met machtiging aan eisers gedaagde
te verwijderen uit de wijk “De Hoef” met behulp van de sterke arm; b.
gedaagde te veroordelen tot betaling van een bedrag ter grootte van ƒ
2.500,= per persoon aan eisers M. en S., als voor schot op de geleden
schade, te voldoen binnen twee maanden na betekening van het in deze te
wijzen vonnis en dit bedrag te verhogen met de wettelijke rente vanaf het
verstrijken van de betalingstermijn tot aan de dag der algehele
voldoening; c. gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding.

Eisers hebben daartoe het volgende aangevoerd.

2.1. Gedaagde heeft zich toerekenbaar onrechtmatig gedragen jegens eisers
en hun minderjarige kinderen. Dat gedaagde daarvoor strafrechtelijk wordt
veroordeeld is zeer aannemelijk.

2.2. Het uitkomen van het seksueel misbruik heeft tot grote commotie geleid
in de woonomgeving van eisers en hun minderjarige kinderen. Gevolg hiervan
is dat de minderjarige slachtoffers op school en door kinderen uit de
buurt met het seksueel misbruik geconfronteerd en erop aangesproken worden.
vorenstaande maakt de verwerking van het seksueel misbruik door de
minderjarigen nog moeilijker. Doordat de minderjarigen regelmatig met
gedaagde geconfronteerd worden, zij komen hem tegen op straat en in de
supermarkt, worden deze problemen nog groter.

2.3. Door de behandeling van de strafzaak is de zaak weer opgerakeld en
dit heeft tot een verdere belasting en ontwrichting van de gezinnen van
eisers geleid. Bij een belangenafweging dient het belang van eisers en hun
minderjarige kinderen bij het vertrek van gedaagde uit de wijk zwaarder
te wegen dan het belang van gedaagde, die voor werkzaamheden niet gebonden
is aan de wijk.

2.4. De minderjarigen hebben als gevolg van de onrechtmatige gedragingen
van gedaagde geestelijke schade opgelopen. Eisers hebben een spoedeisend
belang bij een voorschot op de schadevergoeding, aangezien toekenning van
schadevergoeding ertoe kan bijdragen dat de gebeurtenissen door de
minderjarigen sneller worden geaccepteerd en kunnen worden verwerkt.

III. Het verweer

Gedaagde heeft als verweer het volgende aangevoerd.

3.1. Eisers zijn niet ontvankelijk in hun vordering aangezien het
spoedeisend belang van eisers is komen te vervallen nu zij 7 maanden
gewacht hebben met het aanhangig maken van dit kort geding.

3.2. Subsidiair voert gedaagde het volgende verweer: het gevorderde
verhuisgebod heeft voor hem zeer ingrijpende gevolgen. Een dergelijk
ingrijpende maatregel is alleen gerechtvaardigd indien er sprake is van
een ernstige en voortdurende inbreuk op de rechtsorde. I.C. is hiervan
geen sprake aangezien gedaagde er alles aan doet om zo spoedig mogelijk
andere woonruimte te verkrijgen en bovendien zoveel mogelijk probeert
contact met eisers en hun gezinnen te vermijden; gedaagde heeft zich reeds
begin maart 1994 als woningzoekende ingeschreven bij de gemeente Alkmaar;
hij is bezig met diverse sollicitatieprocedures, ook buiten Alkmaar;
gedaagde heeft zich vanaf het moment dat de aangiften zijn gedaan tot op
heden altijd zo weinig mogelijk op straat getoond en doet er alles aan om
confrontatie met eisers en hun gezinnen te vermijden. Bovendien is
gedaagde in therapie bij een psychotherapeut.

3.3. De vordering tot schadevergoeding wordt op geen enkele wijze
deugdelijk onderbouwd. De aard en omvang van de eventuele schade zou in
een bodemprocedure moeten worden vastgesteld. Op geen enkele wijze blijkt
dat eisers spoedeisend belang hebben bij uitkering van een voorschot op
een in een bodemprocedure toe te kennen schadevergoeding. Subsidiair
verzoekt gedaagde rekening te houden met het feit dat hij een
RWW-uitkering geniet en derhalve onvermogend is.

IV. De gronden van de beslissing

4.1. Het spoedeisend belang van eisers staat voldoende vast. Aan dit
belang doet niet af het tijdsverloop tussen 28 januari 1994 (het tijdstip
waarop gedaagde voor het eerst is gesommeerd te verhuizen) en de datum van
dagvaarding voor het onderhavige kort geding. Eisers hebben gedaagde in
de tussen gelegen periode de gelegenheid willen bieden overeenkomstig zijn
toezegging eigener beweging te verhuizen. Nu die verhuizing — ook voor
gedaagde onverhoopt — nog niet heeft kunnen plaatsvinden, kan dat
tijdsverloop aan eisers niet met vrucht worden tegengeworpen. Dit klemt
temeer, nu eisers hebben gesteld en gedaagde niet heeft bestreden, dat
confrontatie van partijen tijdens de recente behandeling van de strafzaak
(ook) voor eisers weer hevige emoties heeft opgeroepen, zodat kennelijk
van een verwerking van de door gedaagdes handelen ontstane problemen nog
geen sprake is.

4.2. Ter zitting heeft gedaagde te kennen gegeven mee te willen werken aan
een straatverbod en een supermarktverbod, waarbij gedaagde verboden zou
worden zich op te houden in de wijk waar eisers wonen en hem alleen
toegestaan zou worden zijn woning te bereiken en te verlaten via de kortst
mogelijke weg, namelijk via de … en de … Voor eisers is dit straat-
en supermarktverbod niet aanvaardbaar aangezien zij zekerheid willen op
welke termijn gedaagde daadwerkelijk zal verhuizen.

4.3. Bij een afweging van de belangen van beide partijen acht de
President, gelet op het feit dat gedaagde zich gerede moeite heeft
getroost daadwerkelijk te verhuizen en ook overigens zijn best doet
confrontatie met eisers te vermijden, het niet redelijk het gevorderde
verhuisgebod op een termijn van vier weken na betekening van het vonnis
toe te wijzen. Het belang van eisers dient echter wel zo zwaar te wegen
dat het gerechtvaardigd is het verhuisgebod toe te wijzen per 1 december
1994. Gedurende de periode tot 1 december 1994 zal voor gedaagde een
wijkverbod van kracht zijn in die zin dat hem slechts toegestaan is zich
in de wijk ‘ …’ te bevinden om te gaan van en naar zijn woning gelegen
aan de … en wel via de … en de …

4.3. Eisers sub 1 en 2 hebben ieder een schadevergoeding van ƒ 2.500,-
gevorderd. Gedaagde heeft hiertegen verweer gevoerd. Voldoende vast staat
dat de onrechtmatige gedragingen van gedaagde verband houden met het
gesteld en niet voldoende betwiste geestelijke schade bij de minderjarigen
RT en RM. Een voorschot op de schadevergoeding is derhalve op zijn plaats.
Bij de vaststelling van de hoogte en de termijn van opeisbaarheid van de
schadevergoeding zal de president rekening houden met de financiele
situatie van gedaagde.

De beslissing De president: – gebiedt gedaagde voor 1 december 1994 te
verhuizen uit het gebied bekend staand als de wijk … en begrensd door
… op straffe van een dwangsom van ƒ 1.000,- per dag voor iedere dag
dat hiermee in gebreke wordt gebleven, met machtiging aan eisers sub 1,
2 en 4 gedaagde te verwijderen uit de wijk … met behulp van de sterke
arm; – verbiedt gedaagde vanaf de eerste dag na betekening van dit vonnis
tot het moment dat hij zal verhuizen uit de wijk zich op te houden in de
wijk … zoals voormeld waarbij gedaagde slechts toegestaan is zich naar
en van zijn woning aan de … te begeven over de … en de … –
veroordeelt gedaagde tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan
eisers sub 1 en 2 ƒ 1.000,- per persoon, te voldoen in tien maandelijkse
termijnen van ƒ 100,- per persoon, de eerste termijn te voldoen op 1
september 1994, vermeerderd met de wettelijke rente over ieder van deze
termijnen vanaf de dag van verval van elke termijn tot aan de dag van de
algehele voldoening daarvan; – veroordeelt gedaagde in de kosten van het
geding, tot op heden aan de zijde van eisers sub 1, 2 en 4 begroot op ƒ
511,30 aan verschotten en op ƒ 800,- aan salaris van de procureur; –
verklaart dit vonnis voor zover uitvoerbaar bij voorraad; – wijst af
hetgeen meer of anders is gevorderd.

Rechters

Mr. Croes