Instantie: Rechtbank Groningen, 10 augustus 1994

Instantie

Rechtbank Groningen

Samenvatting


Vervolg op HvJ EG 24 februari 1994 (Roks), RN 1994, 417, m.nt. L. Senden.
De rechtbank stelt vast dat eiseres tot de personenkring van richtlijn
79/7 behoort nu zij sedert haar ontslag, in 1957, tot de datum van
arbeidsongeschiktheid, in 1972, werkzoekende was. Vervolgens bepaalt de
rechtbank dat het stellen van de inkomenseis in strijd is met genoemde
richtlijn. Budgettaire overwegingen kunnen niet als rechtvaardiging worden
aanvaard en missen in casu bovendien voldoende feitelijke grondslag.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding Eiseres heeft beroep ingesteld tegen
het besluit van verweerder d.d. 26 maart 1991. Bij dit besluit trekt
verweerder de eerder aan eiseres toegekende uitkering op grond van de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) in op grond van het bepaalde in
artikel IV van de Wet van 3 mei 1989, Stb. 126 (de zogeheten Reparatiewet
AAW). Na voltooiing van het schriftelijk onderzoek, is de verdere
behandeling van het beroep aangehouden in afwachting van een uitspraak van
de Centrale Raad van Beroep (CRvB) over de verbindendheid van artikel IV.
Het arrest van het Hof van Justitie d.d. 24 februari 1994 ten name van
mevrouw M.A. Roks e.a. en nadien bij de CRvB ingewonnen informatie, hebben
doen besluiten tot voortzetting van de behandeling.

Dit heeft geleid tot een behandeling van het beroep ter zitting van de
meervoudige kamer, gehouden te Assen op 13 juli 1994.

Eiseres is niet verschenen. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde
mr. H.J. Dijckmeester en mr. E. Kerkhoven, beiden juridisch medewerker van
verweerder.

II. Motivering

De rechtbank, in de huidige samenstelling, oordeelt als volgt.

Ingevolge het bij Wet van 3 juni 1992, Stb. 278, in samenhang met het
Koninklijk Besluit van 17 juni 1992, Stb. 299, met ingang van 1 juli 1992
gewijzigde artikel 1 van de Beroepswet, juncto artikel XXV van de Wet van
3 juni 1992, Stb. 278, behandelt en beslist de Arrondissementsrechtbank
te Groningen het geschil, voorzover dit op en na 1 juli 1992 dient te
geschieden.

Op grond van het bepaalde in artikel I van hoofdstuk 6 van de Wet van 16
december 1993, Stb. 1993/650, zoals gewijzigd bij artikel 8A van de Wet
van 23 december 1993, Stb. 1993/690, is de Wet van 4 juni 1992, Stb.
1992/315 (Algemene wet bestuursrecht), zoals nadien gewijzigd, op 1
januari 1994 van toepassing geworden voor de verdere behandeling van het
ingestelde beroep.

Het bestreden besluit is genomen met toepassing van artikel IV van de
Reparatiewet AAW. Die wet is tot stand gekomen door de wetgever als
reactie op de uitspraken van de CRvB van 5 januari 1988 (zie MvT 20610,
p. 2). Bij die uitspraken werd met ingang van 1 januari 1980 met
toepassing van artikel 26 van het BuPo-verdrag een einde gemaakt aan de
discriminerende uitsluiting van het recht op AAW-uitkering van bepaalde
groepen gehuwde vrouwen en voortvloeide uit het derde lid van artikel IV
en uit artikel VI van de Wet van 20 december 1979, Stb. 708. De CRvB
oordeelde onder meer dat die uitsluiting niet berustte op redelijke en
objectieve gronden, waaraan iedere gedachte van discriminatie vreemd is.

Bij de Reparatiewet AAW werden de door de CRvB discriminatoir geoordeelde
wetsregels geschrapt. De regering wenste hiermee echter niet te volstaan,
aangezien dit tot budgettair onaanvaardbare consequenties zou leiden,
omdat ‘een grote groep gehuwde vrouwen die voor 12 januari 1979
arbeidsongeschikt is geworden en die in het jaar voorafgaande aan het
intreden van de arbeidsongeschiktheid geen inkomen uit of in verband met
het verrichten van arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven heeft
verworven, in beginsel thans alsnog recht op een uitkering kan verkrijgen’
(ibidem). De budgettaire consequenties welke de regering aan het parlement
voorhield beliepen eenmalig 3.1 a 3.3 miljard en structureel 1 a 1.2
miljard. Deze consequenties werden onaanvaardbaar geacht, omdat — kort
gezegd — het beleid ten aanzien van sociale verzekeringsuitkeringen in
de voorliggende jaren was gericht op terugdringing van de daarmee verband
houdende lasten.

De regering verwoordde dat onder meer als volgt:

‘ Onder deze omstandigheden en tegen deze achtergrond acht het kabinet het
bijzonder ongewenst de financiele gevolgen, die bij ongewijzigde wetgeving
uit de rechterlijke uitspraken zouden volgen, zonder meer te accepteren.
Daarmee zou het tot dusverre gevoerde beleid, dat vaak moeizaam en met
grote offers tot stand is gekomen nagenoeg volledig teniet worden gedaan.
Ongewijzigd beleid leidt in de opvatting van het kabinet tot de situatie
dat kort nadat maatregelen zijn getroffen die de houdbaarheid en de
betaalbaarheid van het stelsel van sociale zekerheid voor de lange termijn
zeker stellen, deze zekerstelling ernstig gevaar dreigt te lopen. Er
zullen derhalve maatregelen getroffen moeten worden die zowel de
incidentele als de structurele gevolgen binnen aanvaardbare grenzen zullen
houden. Ten aanzien van de AAW is het kabinet derhalve van mening dat de
hierboven kortgeschetste gevolgen van de uitspraken dermate ernstig zijn
dat daaraan op zeer korte termijn consequenties van wetgevende aard
verbonden dienen te worden. Samenvattend kan gesteld worden dat het
voorliggende voorstel van wet er derhalve op gericht is om, uitgaande van
het karakter van de AAW als inkomensdervingsregeling en de norm van
gelijke behandeling, wijzigingen tot stand te brengen zonder dat de
budgettaire gevolgen de grenzen van het aanvaardbare overschrijden.’

De regering was zodanig overtuigd van het ontstaan van een financiele
catastrofe dat voorgesteld werd terugwerkende kracht aan de
reparatiewetgeving te geven, in die zin dat alsnog een verzwaarde
toekenningsvoorwaarde wordt gesteld. Dienaangaande werd als volgt
geargumenteerd:

‘Het achterwege laten van terugwerkende kracht betekent dat opnieuw
maatregelen zullen moeten worden getroffen als in het recente verleden in
de arbeidsongeschiktheidswetten is geschied. In de inleiding is reeds
gemeld dat de geraamde eenmalige kosten van 3,1 a 3,3 miljard bedragen.
In dit kader zij erop gewezen dat wanneer de potentiele groep
arbeidsongeschikte vrouwen in haar geheel recht op uitkering zou claimen
dit tot gevolg zou hebben dat de eenmalige kosten zouden oplopen tot 30
a 34 miljard. De structurele kosten zouden dan overigens 2 a 2,4 miljard
bedragen. Afgezet tegen deze bedragen kan de in deze memorie van
toelichting opgenomen raming naar het oordeel van het kabinet niet als
overtrokken worden bestempeld.’ (MvT p. 3 en 6.)

Het alsnog stellen van een inkomenseis als toekennings- (artikel III) of
continueringsvoorwaarde (artikel IV) werd hierbij gezien als een middel
om voormelde financiele doelstelling te halen.

Dit middel werd noodzakelijk geacht, gezien de importantie van
evenvermelde doelstelling, en redelijk/geschikt, ook al zou het met name
vrouwen treffen (p. 7 MvT).

Omdat vrijwel alle fracties in de Tweede Kamer kenbaar maakten niet (erg)
overtuigd te zijn van de juistheid van de ramingen van de regeling, en
omdat alle fracties afwijzend stonden tegen het met terugwerkende kracht
doen werken van de inkomenseis, heeft de regering haar ramingen ‘nog eens
kritisch bezien’, doch deze volledig gehandhaafd (MvA, p. 9). Voorts heeft
de regering betoogd dat het alsnog stellen van de inkomenseis niet
betekent dat met terugwerkende kracht zwaardere eisen ten aanzien van het
recht op uitkering worden gesteld.

Het handhaven van de ramingen is voortgezet toen blijkens cijfers van de
SVR het aantal ingekomen aanvragen ver achterbleef bij de raming.

Blijkens het Eindverslag vonden noch de beschouwingen van de regering over
de terugwerkende kracht van de voorgestelde regels, noch de ramingen van
de regering bijval in de Tweede Kamer.

Op 7 februari 1989 bleek van de begrote zestig duizend aanvragen de stand
te zijn dat 2163 aanvragen waren ingediend, waarvan er 67 waren
gehonoreerd. Dit was aanleiding voor de regering enige wijzigingen in de
voorstellen aan te brengen. Een van die wijzigingen beperkte de werking
van artikel III. Een meerderheid van de leden van de Tweede Kamer nam
vervolgens aan dat geen sprake meer was van het met terugwerkende kracht
stellen van de inkomenseis, althans verstond dat niet in die zin (Verslag
algemene beraadslaging op 14 februari 1989), en stemde in met de
gewijzigde voorstellen. Daarna ontstond opschudding over het effect van
de maatregelen, hetgeen leidde tot een wijziging van artikel IV, inhoudend
dat een intrekking eerst met ingang van 1 juli 1991 dient te geschieden.

Na de inwerkingtreding van de Reparatiewet is blijkens de meest recente
gegevens de volgende stand van zaken bereikt: – de uitspraken van de CRvB
hebben geleid tot toekenning van AAW-uitkering aan 4300 gehuwde vrouwen,
waarvan er 2600 ongedaan zijn gemaakt met toepassing van artikel IV van
de Reparatiewet; – voorts heeft artikel IV van de Reparatiewet voor 3300
vrouwen tot een intrekkingsbesluit geleid; – een klein aantal mannen heeft
beroep ingesteld, terwijl geschat was dat 1800 mannen met een
intrekkingsbesluit zouden worden geconfronteerd. Deze discrepantie wordt
door het GAK verklaarbaar geacht op grond van het feit dat voor intrekking
vaak uiteindelijk geen (feitelijke) grondslag bleek te bestaan.

Inhoud bestreden besluit

Bij het door eiseres bestreden besluit wordt de haar eerder toegekende
AAW-uitkering ingetrokken met ingang van 1 juli 1991, omdat zij volgens
verweerder arbeidsongeschikt is geworden op 1 november 1972 en niet
voldoet aan de uit meergenoemd artikel IV voortvloeiende voorwaarde voor
het behoud van haar uitkering, doordat zij in het jaar voorafgaande aan
evenvermelde dag geen inkomen uit of in verband met arbeid heeft genoten.

Standpunt eiseres

Eiseres bestrijdt de feitelijke grondslag van het bestreden besluit niet.
Zij meent echter recht te hebben op continuering van haar uitkering op en
na 1 juli 1991, omdat het bestreden besluit — kort gezegd — berust op
een bepaling van nationaal recht (artikel IV), welke strijdig is met het
in het internationale recht verankerde verbod van discriminatie van
vrouwen, met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

Standpunt verweerder

Verweerder heeft de stellingen van eiseres in hun geheel bestreden. Met
name door te wijzen op de geschiktheid en redelijkheid van de inkomenseis
als vertaling van het karakter dat de AAW sedert 1 januari 1980 heeft als
verzekering tegen inkomensderving.

Richtlijn 79/7

Eiseres heeft de volgende feiten vermeld in haar beroepschrift:

‘1e. wat betreft haar vroegere werkkring: met betrekking tot dit punt
deelt zij u mede, dat zij na haar schoolopleiding in vaste dienst werkzaam
is geweest bij het ministerie van Financien, in casu de rijksbelastingen
te Hoogeveen; op 23 februari 1957 is zij in het huwelijk getreden. Met
ingang van de eerste dag, volgende op die van de huwelijksvoltrekking, te
weten met ingang van 24 februari 1957 is zij als gehuwde vrouw en niet op
eigen verzoek, dus gedwongen ontslagen. zo wie zo een zware domper op haar
verdere toekomstmogelijkheden — een gang van zaken, die heden ten dage
onbestaanbaar is; 2e. wat betreft haar werkloosheid: met ingang van de
datum van ontslag, te weten met ingang van 24 februari 1957 is zij
werkloos en kon dientengevolge uit arbeid geen inkomsten verwerven. Als
gehuwde vrouw heeft zij sedertdien geen nieuwe werkkring kunnen vinden;’

Deze feiten zijn aangevuld bij schrijven van 19 juli 1993 en niet
weersproken door verweerder. Ambtshalve toetsend heeft de rechtbank geen
reden aan de juistheid van voormelde mededeling te twijfelen.

De rechtbank is op grond van de feitelijke gang van zaken met betrekking
tot en na de door eiseres vervulde dienstbetrekking, van oordeel dat
eiseres werkzoekende was totdat zij op 1 november 1972 arbeidsongeschikt
werd. Daardoor behoort zij tot de kring van personen, welke is omschreven
in artikel 2 van de Richtlijn 79/7.

Dit heeft tot gevolg dat zij op 23 december 1984 recht op AAW- uitkering
had op grond van de werking van artikel 4 van de Richtlijn 79/7 in
samenhang met de voor gehuwde mannen tot dan toe geldende bepalingen van
de AAW. Aan dat recht maakt verweerder een einde met toepassing van
artikel IV van de Reparatiewet AAW.

Het Hof van Justitie heeft bij arrest ten name van M.A. Roks e.a. (arrest
C-343/92 d.d. 24 februari 1994), voor zover hier van belang, overwogen
dat:

‘ … het gemeenschapsrecht zich niet ertegen verzet, dat een Lidstaat ter
beheersing van zijn sociale uitgaven maatregelen neemt als gevolg waarvan
bepaalde categorieen van personen het recht op uitkeringen van sociale
zekerheid wordt ontnomen, op voorwaarde dat daarbij het in artikel 4, lid
1 , van richtlijn 79/7 geformuleerde beginsel van gelijke behandeling van
mannen en vrouwen in acht wordt genomen.’ en

‘ … dat volgens vaste rechtspraak artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7
zich verzet tegen de toepassing van een nationale maatregel die, als is
hij op neutrale wijze geformuleerd, in feite een veel groter percentage
vrouwen dan mannen benadeelt, tenzij die maatregel zijn rechtvaardiging
vindt in objectieve factoren, die geen verband houden met discriminatie
op grond van geslacht (zie onder meer arrest van 7 mei 1991,
Commissie/Belgie, reeds aangehaald, r.o. 13).

Dit is het geval, wanneer de gekozen middelen beantwoorden aan een
legitieme doelstelling van het sociaal beleid van de Lidstaat waarvan de
wettelijke regeling in geding is, en zij ter bereiking van dat doel
geschikt en noodzakelijk zijn (zie arrest 19 november 1992, zaak C-226/91,
Molenbroek. Jurispr. 1992, blz. I-5943, r.o. 13).

Ofschoon budgettaire overwegingen aan de basis kunnen liggen van de
sociale beleidskeuzen van een Lidstaat en de aard of de omvang van de
sociale beschermingsmaatregelen die de Lidstaat wenst vast te stellen,
kunnen beinvloeden, vormen zij op zichzelf evenwel niet een doelstelling
van dat beleid en kunnen zij dus ook niet een discriminatie ten nadele van
een der geslachten rechtvaardigen.

Zou overigens worden aanvaard dat budgettaire overwegingen een
rechtvaardiging kunnen vormen voor een verschil in behandeling tussen
mannen en vrouwen, dat anders een door artikel 4, lid 1, van richtlijn
79/7 verboden indirecte discriminatie op grond van geslacht zou opleveren,
dan zou zulks bovendien impliceren, dat de toepassing en de strekking van
een zo fundamenteel gemeenschapsrechtelijk beginsel als dat van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen zowel in de tijd als in de ruimte kunnen
varieren, al naargelang de toestand van de openbare financien van de
Lidstaten.’

Op grond van deze overwegingen dient de rechtbank in de eerste plaats vast
te stellen welke doelstelling met het totstandbrengen van artikel IV
beoogd werd te bereiken. Vervolgens, of die doelstelling legitiem is naar
het nationale sociaal beleid waarvan de betrokken regeling het gevolg is.
En, zo ja, tenslotte of het criterium dat tot een getalsmatig ongelijke
behandeling van mannen en vrouwen leidt, beantwoordt aan die doelstelling
en bovendien noodzakelijk en geschikt is om deze te bereiken.

De rechtbank is op grond van de in de rubriek algemeen in grote lijnen
geschetste aanleiding tot de voorstellen voor de reparatiewet AAW en de
daarop gevolgde behandeling van oordeel dat artikel IV tot stand is
gebracht als reactie op de eerdergenoemde uitspraken van de CRvB van 5
januari 1988. Voordat die uitspraken werden gedaan was er geen sprake van
enig initiatief, noch van enige wilsuiting, gericht op het verder
doorvoeren van de inkomenseis dan reeds was geschied bij de Wet van 20
december 1979, Stb. 708. Met ander woorden: totdat de CRvB een einde
maakte aan een aantal bepalingen van de AAW, welke gehuwde vrouwen
discrimineerden, was en werd er voor gekozen om de inkomenseis niet te
stellen voor arbeidsongeschiktheid, welke voor 1 januari 1979 is
ingetreden.

Niet de (theoretische) onderbouwing van de uitspraken bracht de regering
in beweging, doch zuiver en alleen de vrees voor een omvangrijke inbreuk
op de politiek van beheersing van kosten (uitkeringsvolume/premiedruk)
leidde tot de voorstellen. Eerst toen die vrees tijdens de parlementaire
behandeling van de voorstellen op steeds wankeler gronden (b)leek te
berusten, werd benadrukt dat de inkomenseis alsnog moest worden gesteld
om het inkomensdervingskarakter van de AAW te benadrukken. Bedoeld was dat
dit vooral de groep vrouwen zou treffen waarop voormelde uitspraken van
de CRvB betrekking hadden, waarbij bekend was dat de groep vrouwen
getalsmatig aanzienlijk omvangrijker zou zijn dan de groep mannen die ten
gevolge van de voorstellen geen recht op AAW- uitkering meer zou hebben.
De doelstelling van de Reparatiewet, en dus ook van artikel IV, is dan ook
zuiver budgettair gericht, waarbij de inkomenseis, als uitdrukking van het
inkomensdervingskarakter van de AAW, gehanteerd is als middel om deze
doelstelling te bereiken. Dit middel kan op zichzelf dus niet als grond
ter rechtvaardiging van het daardoor bereikte onderscheid worden
aangemerkt.

Deze overwegingen leiden de rechtbank tot het oordeel dat, nu van
evenvermelde getalsmatige ongelijkheid zonder meer sprake blijkt te zijn,
artikel IV niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie in het
arrest Roks heeft gesteld en mitsdien onverbindend moet worden geacht
wegens strijd met artikel 4 van richtlijn 79/7.

De rechtbank merkt hier bij op dat niet alleen sprake is van een met
artikel IV nagestreefde doelstelling, welke door het Hof op zichzelf al
geen voldoende rechtvaardiging voor ongelijke behandeling wordt geacht,
doch ook dat die doelstelling op een onvoldoende feitelijke grondslag
berust, nu de ramingen welke tot de wetsvoorstellen hebben geleid en deze
hebben gedragen geen realiteitswaarde hebben gehad; ook niet als
schatting. In die zin verstaat de rechtbank de zinsnede ‘ zelfs
(onderstreping rb) wanneer de vaststelling van deze wettelijke regeling
haar rechtvaardiging vindt in budgettaire overwegingen’ in het antwoord
van het Hof op de derde vraag.

Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard en het bestreden
besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om
zelf in de zaak te voorzien of anderszins de in artikel 8:72, vierde,
vijfde en zevende lid Awb gegeven mogelijkheden te benutten.

Rechtszekerheid, vertrouwensbeginsel

Op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad en van de CRvB ten aanzien
van de werking van (ongeschreven) rechtsbeginselen als het
rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel in verband met een regel van
een wet in formele zin als artikel IV van de Reparatiewet, verwerpt de
rechtbank het beroep op die beginselen.

Proceskosten

Voor toepassing van artikel 8:75 Awb ziet de rechtbank geen aanleiding.

III. Uitspraak.

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond; -vernietigt het bestreden besluit; -bepaalt
dat verweerder het griffierecht ad ƒ 25,= dient te vergoeden.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere
belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te
Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van
een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500
DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending
van de uitspraak door de griffier.

Rechters

Mrs Lennaerts, Van den Bosch, De Kwaasteniet

Instantie: Rechtbank Groningen, 10 augustus 1994

Instantie

Rechtbank Groningen

Samenvatting


Ook deze uitspraak is een vervolg op HvJ EG 24 februari 1994 (Roks), RN
1994, 417 en is grotendeels gelijkluidend aan de hiervoor gepubliceerde
uitspraak. Afwijkend zijn de overwegingen ten aanzien van de personenkring
van de richtlijn 79/7; eiseres behoort hier niet toe nu zij geen
werkzoekende was voordat zij arbeidsongeschikt werd. De vraag of art. 26
BuPo-verdrag van toepassing is wordt door de rechtbank bevestigend
beantwoord. De uitleg van het in dit artikel vervatte discriminatieverbod
dient zoveel mogelijk gelijk te zijn aan die van art. 4 EG- richtlijn 79/4
en is in casu dezelfde. Er is geen reden voor een verschil in uitleg zoals
in de zaak CRvB 26 november 1993, RN 1994, 394, m.nt. M. Adema. Hieronder
volgt publikatie van de toepasselijke overwegingen.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding.

Eiseres heeft beroep doen instellen tegen het besluit van verweerder d.d.
26 maart 1991. Bij dit besluit trekt verweerder de eerder aan eiseres
toegekende uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschikheidswet
(AAW) in op grond van het betaalde in artikel IV van de Wet van 3 mei
1989, Stb. 126 (de zogeheten Reparatiewet AAW).

Na voltooiing van het schriftelijk onderzoek, is de verdere behandeling
van het beroep aangehouden in afwachting van een uitspraak van de Centrale
Raad van beroep (CRvB) over de verbindendheid van artikel IV. Het arrest
van het Hof van Justitie d.d. 24 februari 1994 t.n.v. mw. M.A.Roks e.a.
en nadien bij de CRvB ingewonnen informatie, hebben doen besluiten tot
voortzetting van de behandeling.

Dit heeft geleid tot een behandeling van het beroep ter zitting van de
meervoudige kamer, gehouden te Assen op 13 juli 1994.

Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde mr. mr. B.I. Klaassens,
advocate te Groningen. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigen, mr.
H.J. Dijckmeester en mr. E. Kerkhoven, beiden juridisch medewerker van
verweerder.

II Motivering

De rechtbank, in de huidige samenstelling, oordeelt als volgt.

Ingevolge het bij Wet van 3 juni 1992, Stb. 278, in samenhang met het
Koninklijk Besluit van 17 juni 1992, St. 299, met ingang van 1 juli 1992
gewijzigde artikel 1 van de Beroepswet, juncto artikel XXV van de Wet van
3 juni 1992, Stb. 278, behandelt en beslist de Arrondissementsrechtbank
te Groningen het geschil, voorzover dit op en na 1 juli 1992 dient te
geschieden.

Op grond van het bepaalde in artikel I van hoofdstuk 6 van de Wet van 16
december 1993, Stb. 1993/650, zoals gewijzigd in artikel 8 A van de Wet
van 23 december, stb. 1993/690, is de Wet van 4 juni 1992, Stb. 1992/315
(Algemene wet bestuursrecht), zoals nadien gewijzigd, op 1 januari 1994
van toepassing geworden voor verdere behandeling van het ingestelde
beroep.

Het bestreden besluit is genomen met toepassing van artikel IV van de
Reparatiewet AAW. Die wet is tot stand gebracht door de wetgever als
reactie op de uitspraken van de CRvB van 5 januari 1988 (zie MvT 20610,
pagina 2). Bij die uitspraken werd met ingang van 1 januari 1980 met
toepassing van artikel 26 van het IVBPR een einde gemaakt aan de
discriminerende uitsluiting van het recht op AAW-uitkering van bepaalde
groepen gehuwde vrouwen en voortvloeiende uit het derde lid van artikel
IV en uit artikel IV van de Wet van 20 december 1979, Stb. 708. De CRvB
oordeelde onder meer dat die uitsluiting niet berustte op redelijke en
objectieve gronden, waaraan iedere gedachte van discriminatie vreemd is.

Bij die Reparatiewet AAW werden de door de CRvB discriminatoir
geoordeelde wetsregels geschrapt. De regering wenste hiermee echter niet
te volstaan, aangezien dit tot budgettair onaanvaardbare konsekwenties zou
leiden, omdat “een grote groep gehuwde vrouwen die voor 1 januari 1979
arbeidsongeschikt is geworden en die in het haar voorafgaande aan het
intreden van de arbeidsongeschiktheid geen inkomen uit of in verband met
het verrichten van arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven heeft
verworven, in beginsel thans alsnog recht op een uitkering kan
verkrijgen” (ibidem). De budgettaire konsekwenties welke de regering aan
het parlement voorhield beliepen eenmalig 3.1. a 3.3. miljard en
structureel 1 a 1.2 miljard. Deze konsekwenties werden onaanvaardbaar
geacht, omdat -kort gezegd- het beleid ten aanzien van sociale
verzekeringuitkeringen in de voorliggende jaren was gericht op
terugdringing van de daarmee verband houdende lasten.

De regering verwoordde dit onder meer als volgt:

“Onder deze omstandigheden en tegen deze achtergrond acht het kabinet het
bijzonder ongewenst de financiele gevolgen, die bij ongewijzigde
wetgeving uit de rechterlijke uitspraken zouden volgen, zonder meer te
accepteren. Daarmee zou het tot dusverre gevoerde beleid, dat vaak
moeizaam en met grote offers tot stand is gekomen, nagenoeg volledig
teniet worden gedaan. “Ongewijzigd beleid leidt in de opvatting van het
kabinet tot de situatie dat kort nadat maatregelen zijn getroffen die de
houdbaarheid en de betaalbaarheid van het stelsel van sociale zekerheid
voor de lange termijn zeker stellen, deze zekerstelling ernstig gevaar
dreigt te lopen. Er zullen derhalve maatregelen getroffen moeten worden
die zowel de incidentele als de structurele gevolgen binnen aanvaardbare
grezen zullen houden. Ten aanzien van de AAW is het kabinet derhalve van
mening dat de hierboven kortgeschetste gevolgen van de uitspraken dermate
ernstig zijn dat daaraan op zeer korte termijn consequenties van
wetgevende aard verbonden dienen te worden. Samenvattend kan gesteld
worden dat het voorliggende voorstel van wet er derhalve op gericht is om,
uitgaande van het karakter van de AAW als inkomensdervingsregeling en de
norm van gelijke behandeling, wijzigingen tot stand te brengen zonder dat
de budgettaire gevolgen de grenzen van het aanvaardbare overschrijden.”

De regering was zodanig overtuigd van het ontstaan van een financiele
catastrofe dat voorgesteld werd terugwerkende kracht aan de
reparatiewetgeving te geven, in die zin dat alsnog een verzwaarde
toekenningsvoorwaarde wordt gesteld. Dienaangaande werd als volgt
geargumenteerd:

“Het achterwege laten van terugwerkende kracht betekent dat opnieuw
maatregelen zullen moeten worden getroffen als in het recente verleden in
de arbeidsongeschiktheidswetten is geschied. In de inleiding is reeds
gemeld dat de geraamde eenmalige kosten 3,1 a 3,3 miljard bedragen. In dit
kader zij erop gewezen dat wanneer de potentiele groep arbeidsongeschikte
vrouwen in haar geheel het recht op uitkering zou claimen dit tot gevolg
zou hebben dat de eenmalige kosten zouden oplopen tot 30 a 34 mld. De
structurele kosten zouden dan overigens 2 a 2,4 mld. bedragen. Afgezet
tegen deze bedragen kan de in deze memorie van toelichting opgenomen
raming naar het oordeel van het kabinet niet als overtrokken worden
bestempeld.” (MvT, pag. 3 en 6).

Het alsnog stellen van een inkomenseis als toekennings- (artikel III) of
continueringsvoorwaarde (artikel IV) werd hierbij gezien als een middel
om voormelde financiele doelstelling te halen.

Dit middel werd noodzakelijk geacht, gezien de importantie van
evenvermelde doelstelling, en redelijk/geschikt, ook al zou het met name
vrouwen treffen (pagina 7 MvT).

Omdat vrijwel alle fracties in de Tweede Kamer kenbaar maakten niet (erg)
overtuigend te zijn van de juistheid van de ramingen van de regering, en
omdat alle fracties afwijzend stonden tegen het met terugwerkende kracht
doen werken van de inkomenseis, heeft de regering haar ramingen “nog eens
zeer kritisch bezien”, doch deze volledig gehandhaaft (MvA, pagina 9).
Voorts heeft de regering betoogd dat het alsnog stellen van de inkomenseis
niet betekent dat met terugwerkende kracht zwaardere eisen ten aanzien van
het recht op uitkering worden gesteld.

Het handhaven van de ramingen is voortgezet toen blijkens cijfers van de
SVR het aantal ingekomen aanvragen ver achterbleef bij de raming.

Blijkens het Eindverslag vonden noch de beschouwingen van de regering over
de terugwerkende kracht van de voorgestelde regels, noch de ramingen van
de regering bijval in de Tweede Kamer.

Op 7 februari 1989 bleek van de begrote 60.000 aanvragen de stand te zijn
dat 2163 aanvragen waren ingediend, waarvan er 67 waren gehonoreerd. Dit
was aanleiding voor de regering enige wijzigingen in de voorstellen aan
te brengen. Een van die wijzigingen beperkte de werking van artikel III.
Een meerderheid van de leden van de Tweede Kamer nam vervolgens aan dat
geen sprake meer was van het met terugwerkende kracht stellen van de
inkomenseis, althans verstond dat niet in die zin (Verslag algemene
beraadslaging op 14 februari 1989), en stemde in met de gewijzigde
voorstellen. Daarna ontstond opschudding over het effekt van de
maatregelen, hetgeen leidde tot een wijziging van artikel IV, inhoudend
dat een intrekking eerst met ingang van 1 juli 1991 dient te geschieden.

Na de inwerkingtreding van de Reparatiewet is blijkens de meest recente
gegevens de volgende stand van zaken bereikt: -de uitspraken van de CRvB
hebben geleid tot toekenning van AAW-uitkering aan 4300 gehuwde vrouwen,
waarvan er 2600 ongedaan zijn gemaakt met toepassing van artikel IV van
de Reparatiewet; -voorts heeft artikel IV van de Reparatiewet voor 3300
vrouwen tot een intrekkingsbesluit geleid; -een klein aantal mannen heeft
beroep ingesteld, terwijl geschat was dat 1800 mannen met een
intrekkingsbesluit zouden worden geconfronteerd. Deze discrepantie word
door het GAK verklaarbaar geacht op grond van het feit dat voor intrekking
vaak uiteindelijk geen (feitelijke) grondslag bleek te bestaan.

Inhoud bestreden besluit Bij het door eiseres bestreden besluit wordt de
haar eerder toegekende AAW-uitkering ingetrokken met ingang van 1 juli
1991, omdat zij volgens verweerder arbeidsongeschikt is geworden op 1
november 1977 en niet voldoet aan de uit meergenoemd artikel IV
voortvloeiende voorwaarde voor het behoud van haar uitkering, doordat zij
in het jaar voorafgaande aan evenvermelde dag geen inkomen uit of in
verband met arbeid heeft genoten.

Standpunt eiseres Eiseres bestrijdt de feitelijke grondslag van het
bestreden besluit. Zij is van mening dat zij op een vroegere datum
areidsongeschikt is geworden dan bij het bestreden besluit is vastgesteld,
en meent daarmee te voldoen aan de inkomenseis van artikel IV. Voorts
meent zij recht te hebben op continuering van haar uitkering op en na 1
juli 1991, omdat het bestreden besluit – kort gezegd- berust op een
bepaling van nationaal recht (artikel IV), welke strijdig is met het in
het internationale recht verankerde verbod van discriminatie van vrouwen,
met het rechtzekerheidsbeginsel en met het vertrouwensbeginsel.

Standpunt verweerder

Verweerder heeft de stellingen van eiseres in hun geheel bestreden. Met
name door te wijzen op de geschiktheid en redelijkheid van de inkomenseis
als vertaling van het karakter dat de AAW sedert 1 januari 1980 heeft als
verzekering tegen inkomensderving.

Feitelijke grondslag bestreden besluit De rechtbank is van oordeel dat de
aard van artikel IV meebrengt dat een vaststelling van de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag problematisch kan zijn in verband met daaraan
inherente retrospectief over een aanzienlijke tijd. In verband met dit ook
door de wetgever onderkende probleem bij de uit artikel IV voortvloeiende
— mogelijke — aantasting van bestaande rechten, komt de rechtbank tot
het oordeel dat onzekerheid of twijfel in verband met retrospectief ten
voordele van eiseres dient te strekken, in die zin dat de stelling van de
bedrijfsvereniging dat geen sprake is van een vroegere eerste
arbeidsongeschiktheidsdag dan bij het bestreden besluit is vastgesteld,
niet aan enige twijfel onderhevig mag zijn.

Op grond van de voorhanden zijnde medische gegevens welke in samenhang met
het ontbreken van meer dan een opinie van de heer M. de Ruijter, over een
deel van het onderzoek van de deskundige van de rechtbank, naar het
oordeel van de rechtbank voldoende zijn om tot een beslissing te komen,
is de rechtbank van oordeel dat niet voor gerede twijfel vatbaar is dat
eiseres voor de door verweerder vastgestelde dag in staat moest worden
geacht om arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven te verrichten zonder
beperkingen welke uit een ziekte of gebrek voortvloeiden. In het jaar voor
die dag heeft eiseres geen enkel inkomen uit of in verband met arbeid in
het bedrijfs- en beroepsleven genoten. Aldus voldoet eiseres niet aan de
inkomenseis van artikel IV.

Richtlijn 79/7

Gesteld is dat eiseres behoort tot de kring van personen van artikel 2.

De rechtbank is op grond van de feitelijke gang van zaken met betrekking
tot en na de door eiseres vervulde dienstbetrekking, van oordeel dat
eiseres geen werkzoekende was totdat zij op 1 november 1977
arbeidsongeschikt werd. Daardoor behoort zij niet tot de kring van
personen, welke is omschreven in artikel 2 van de Richtlijn 79/7, en kan
zij derhalve de werking van die richtlijn niet inroepen teneinde de
toepassing van artikel IV van de Reparatiewet door de rechtbank te doen
beletten.

Artikel 26 BuPo-verdrag

De rechtbank stelt voorop dat ook blijkens de meest recente uitspraken van
de CRvB door de rechtbank als uitgangspunt voor de toetsing van artikel
IV van de Reparatiewet aan artikel 26 BuPo-verdrag dient te worden
aangehouden dat dit artikel van toepassing is op de AAW. Voorts dat dit
artikel een ongelijke behandeling van mannen en vrouwen verbiedt, ook
indien sprake is van een zogeheten indirect onderscheid. En, tenslotte dat
een ten opzichte van ‘gelijksoortige’ mannen getalsmatig ongelijke en
daarmee nadeliger behandeling van vrouwen een door artikel 26 BuPo-verdrag
verboden discriminatie oplevert, tenzij die ongelijkheid berust op
objectieve en redelijke gronden.

Uit de jurisprudentie van de CRvB blijkt voorts dat de CRvB op het punt
van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de sociale zekerheid
zoveel als mogelijk en/of gewenst eenzelfde uitleg geeft aan het
discriminatieverbod van artikel 26 BuPo- verdrag als het Hof van Justitie
heeft aan artikel 4 van de richtlijn 79/7. In de uitspraken van 26
november 1993, AOW 91/74 en 75 (RSV Aktueel 94 nrs. 2 en 3) geeft de CRvB
dan ook een verklaring voor het verschil in uitleg in die zaken.

Hiermee komt de vraag op of in de onderhavige zaak voor de toepassing van
artikel 26 BuPo-verdrag aangesloten moet worden bij de uitleg, welke het
Hof van Justitie in de zaak van M.A. Roks e.a. heeft gegeven (arrest van
24 februari 1994, C- 343/92).

De rechtbank kan geen feit noch enige omstandigheid aanwijzen, welke
redengevend zou kunnen zijn voor een andere uitkomst van de toetsing aan
artikel 26 BuPo-verdrag dan bij een toetsing aan artikel 4 van de
richtlijn. Er is met name geen sprake van dat de betrokken wetsregel (IV)
een gevolg dan wel residu is van een in het verleden niet-discriminatoir
geachte (werking van een) wetsregel, zoals in evenvermelde AOW-zaken het
geval was. Integendeel, artikel IV is juist de reactie van de wetgever op
rechterlijke uitspraken welke een einde maakten aan een vorm van
sekse-discriminatie binnen de AAW.

De rechtbank is voorts van oordeel dat artikel 26 BuPo-verdrag weliswaar
ruim geformuleerd is, doch ten gevolge van de door de CRvB uitgesproken
toepasselijkheid op de AAW, op sekse-onderscheid en op indirect
onderscheidend werkende wetsregels, het karakter van een algemene
normstelling ten opzichte van eiseres ontbeert, zodat dit geen motivering
kan zijn om tot een andere uitleg dan het Hof van Justitie te komen (vgl.
meergenoemde AOW-zaken).

De rechtbank is om deze redenen van oordeel dat een juiste interpretatie
van de door de CRvB gevormde jurisprudentie leidt tot de conclusie dat het
oordeel van het Hof in de zaak Roks gevolgd dient te worden, voorzover dit
toereikend kan worden geacht.

Daarbij gaat het in casu met name om de vraag of sprake is van
aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond voor ongelijke behandeling.

Het Hof van Justitie heeft bij het arrest t.n.v. M.A. Roks e.a. (arrest
C343/92 d.d. 24 februari 1994), voorzover hier van belang, overwogen dat:
“….het gemeenschapsrecht zich niet ertegen verzet, dat een Lid-Staat ter
beheersing van zijn sociale uitgaven maatregelen neemt als gevolg waarvan
bepaalde categorieen van personen het recht op uitkeringen van sociale
zekerheid wordt ontnomen, op voorwaarde dat daarbij het in artikel 4, lid
1, van richtlijn 79/7 geformuleerde beginsel van gelijke behandeling van
mannen en vrouwen in acht wordt genomen.”

en

” …dat volgens vaste rechtspraak artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7
zich verzet tegen de toepassing van een nationale maatregel die, al is hij
op neutrale wijze geformuleerd, in feite een veel groter percentage
vrouwen dan mannen benadeelt, tenzij die maatregel zijn rechtvaardiging
vindt in objectieve factoren, die geen verband houden met discriminatie
op grond van geslacht (zie onder meer arrest van 7 mei 1991,
Commissie/Belgie, reeds aangehaald, r.o. 13).

Ofschoon budgettaire overwegingen aan de basis kunnen liggen van de
sociale beleidskeuzen van een Lid-Staat en de aard of de omvang van de
sociale beschermingsmaatregelen die de Lid- Staat wenst vast te stellen,
kunnen beinvloeden, vormen zij op zichzelf evenwel niet een doelstelling
van dat beleid en kunnen dus ook niet een disciminatie ten nadele van een
der geslachten rechtvaardigen.

Zou overigens worden aanvaard dat budgettaire overwegingen een
rechtvaardiging kunnen vormen voor een verschil in behandeling tussen
mannen en vrouwen, dat anders een door artikel 4, lid 1, van richtlijn
79/7 verboden indirecte discriminatie op grond van geslacht zou opleveren,
dan zou zulks bovendien impliceren, dat de toepassing en de strekking van
een zo fundamenteel gemeenschapsrechtelijk beginsel als dat van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen zowel in de tijd als in de ruimte kunnen
varieren, al naargelang de toestand van de openbare financien van de
Lid-Staten.”

Op grond van deze overwegingen dient de rechtbank in de eerste plaats vast
te stellen welke doelstelling met het totstandbrengen van artikel IV
beoogd werd te bereiken. Vervolgens, of die doelstelling legitiem is naar
het nationale sociale beleid waarvan de betrokken regeling het gevolg is.
En, zo ja, tenslotte of het criterium dat tot een getalsmatig ongelijke
behandeling van mannen en vrouwen leidt, beantwoordt aan die doelstelling
en bovendien noodzakelijk en geschikt is om deze te bereiken.

De rechtbank is op grond van de in de rubriek algemeen in grote lijnen
geschetste aanleiding tot de voorstellen voor de Reparatiewet AAW en de
daarop gevolgde behandeling van oordeel dat artikel IV tot stand is
gebracht als reactie op de eerdergenoemde uitspraken van de CRvB van 5
januari 1988. Voordat die uitspraken werden gedaan was er sprake van enig
initiatief, noch van enige wilsuiting, gericht op het verder doorvoeren
van de inkomenseis dan reeds was geschied bij de Wet van 20 december 1979,
Stb. 708. Met andere woorden: totdat de CRvB een einde maakte aan een
aantal bepalingen van de AAW, welke gehuwde vrouwen discrimineerden, was
en werd er voor gekozen om de inkomenseis niet te stellen voor
arbeidsongeschiktheid, welke voor 1 januari 1979 is ingetreden.

Niet de (theoretische) onderbouwing van de uitspraken bracht de regering
in beweging, doch zuiver en alleen de vrees voor een omvangrijke inbreuk
op de politiek van beheersing van kosten (uitkeringsvolume/premiedruk)
leidde tot de voorstellen. Eerst toen die vrees tijdens de parlementaire
behandeling van de voorstellen op steeds wankeler gronden (b)leek te
berusten, werd benadrukt dat de inkomenseis alsnog moest worden gesteld
om het inkomensdervingskarakter van de AAW te benadrukken. Bedoeld was dat
dit vooral de groep vrouwen zou treffen waarop voormelde uitspraken van
de CRvB betrekking hadden, waarbij bekend was dat de groep vrouwen
getalsmatig aanzienlijk omvangrijker zou zijn dan de groep mannen die ten
gevolge van de voorstellen geen recht op AAW- uitkering meer zou hebben.
De doelstelling van de Reparatiewet, en dus ook van artikel IV, is dan ook
zuiver budgettair gericht, waarbij de inkomenseis, als uitdrukking van het
inkomensdervingskarakter van de AAW, gehanteerd is als middel om deze
doelstelling te bereiken. Dit middel kan op zichzelf dus niet als grond
ter rechtvaardiging van het daardoor bereikte onderscheid worden
aangemerkt.

Deze overwegingen leiden de rechtbank tot het oordeel dat, nu van
evenvermelde getalsmatige ongelijkheid zonder meer sprake blijkt te zijn,
artikel IV niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie in het
arrest Roks heeft gesteld en mitsdien onverbindend moet worden geacht
wegens strijd met artikel 4 van de Richtlijn 79/7.

De rechtbank merkt hier bij op dat niet alleen sprake is van een met
artikel IV nagestreefde doelstelling, welke door het Hof op zichzelf al
geen voldoende rechtvaardiging voor ongelijke behandeling wordt geacht,
doch ook dat die doelstelling op een onvoldoende feitelijke grondslag
berust, nu de ramingen, welke tot de wetsvoorstellen hebben geleid en deze
hebben gedragen geen realiteitswaarde hebben gehad; ook niet als
schatting. In die zin verstaat de rechtbank de zinsnede “zelfs wanneer de
vaststelling van deze wettelijke regeling haar rechtvaardiging vindt in
budgettaire overwegingen” in het antwoord van het Hof op de derde vraag.

De rechtbank is voorts van oordeel dat ook los van de opvatting van het
Hof van Justitie tot het oordeel moet worden gekomen dat sprake is van een
ook door artikel 26 IVBPR verboden discriminatie van eiseres en dat
artikel IV derhalve ten opzichte van eiseres buiten toepassing moet worden
gelaten. Dit oordeel is gegrond op dezelfde overwegingen als hiervoor
gegeven.

De Rechtbank heeft hier bovendien bij overwogen dat op grond van de
overwegingen van de CRvB in de uitspraken van 5 januari 1988 (RSV 1988/198
t/m 200) niet valt in te zien dat financiele overwegingen, ook al zouden
deze op een in feitelijk opzicht voldoende te achten grondslag berusten,
een objectieve en redelijke grond, waaraan iedere gedachte van
discriminatie vreemd is, kunnen zijn voor het terughalen van een ongelijke
behandeling, welke door de CRvB was beeindigd, met als overeenkomst dat
veel meer vrouwen dan mannen worden getroffen en verschil dat aan het al
dan niet gehuwd zijn geen betekenis meer toekomt. Immers, in dat geval was
de CRvB niet tot evenvermelde uitspraken gekomen, nu bekend was dat
gehuwde vrouwen eerst geheel waren uitgezonderd en later deels geheel
uitgezonderd (artikel van de Wet van 20 december 1979, Stb. 708) en deels
met een extra eis waren geconfronteerd (idem, artikel IV, derde lid),
zodat het buiten toepassing laten van die regels -voor de rechter-
voorzienbaar tot een lastenverhogig zou leiden. Die financiele last was
bij de invoering van de AAW en enige jaren daarna de reden om gehuwde
vrouwen buiten het recht op uitkering te plaatsen, onder de aanname dat
zij doorgaans geen kostwinner zijn, zodat het verstrekken van een
AAW-uitkering aan hen niet alleen tot een extra inkomen binnen het gezin
zou leiden (hetgeen ongewenst werd geacht), doch ook niet noodzakelijk
werd geacht om in een gezinsinkomen op minimumniveau te voorzien.

Deze overwegingen leiden de rechtbank tot het oordeel dat, nu van
evenvermelde getalsmatige ongelijkheid zonder meer sprake blijkt te zijn,
artikel IV strijd met artikel 26 van het IVBPR buiten toepassing moet
worden gelaten ten opzichte van eiseres.

Rechtszekerheid, vertrouwensbeginsel

Op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad en van de CRvB ten aanzien
van de werking van (ongeschreven) rechtsbeginselen als het
rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel in verband met een regel van
een wet in formele zin als artikel IV van de Reparatiewet, verwerpt de
rechtbank het beroep op die beginselen.

Proceskosten; schadevergoeding

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, wordt artikel 8:75 Awb toegepast,
waarbij geen sprake is van samenhangende zaken nu de feitelijke grondslag
per besluit verschilt en aandacht behoeft. Het gewicht van de zaak wordt
zwaar geacht. Een verzoek tot veroordeling van verweerder tot vergoeding
van door eisers geleden schade is niet ingediend. III. Uitspraak

De rechtbank:

– verklaart het beroep gegrond; – vernietigt het bestreden besluit;
veroordeelt verweerder in de kosten van het geding aan de zijde van
eiseres gevallen ten bedrage van ƒ 1579,50 wegens rechtsbijstand en
bepaalt dat de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en
Huisvrouwen deze kosten aan de griffier van de Arrondissementsrechtbank
te Assen dient te voldoen; -bepaalt dat verweerder het betaalde
griffierecht ad ƒ 25,= dient te vergoeden.

Rechters

Mrs. Lennaerts, Van den Bosch, De Kwaasteniet

Instantie: Hof ‘s-Hertogenbosch, 10 augustus 1994

Instantie

Hof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Geintimeerde, fysiotherapeut, is tijdens de behandeling een relatie
aangegaan met appellante, zijn patiente. De fysiotherapeut is hiervoor
tuchtrechtelijk veroordeeld tot twee jaar schorsing. De vordering tot
immateriele en materiele schadevergoeding wordt door de rechtbank
afgewezen omdat onvoldoende is aangetoond dat de vrouw niet in vrijheid
tot deze relatie is gekomen. (RN 1994, nr. 388.) Het hof oordeelt dat er
sprake is van een onrechtmatige daad van de fysiotherapeut ongeacht het
feit dat de vrouw uit eigen vrije wil heeft meegewerkt aan het ontstaan
en gedurende enige tijd voortbestaan van de relatie. De fysiotherapeut
heeft gehandeld in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer
tegenover een patiente betaamt. Het hof kent ƒ 5000 immateriele
schadevergoeding toe en ƒ 85 materiele schadevergoeding.

Volledige tekst

1. De procedure in eerste aanleg

Een fotocopie van het vonnis waarvan beroep is aan dit arrest gehecht.

2. Het verloop van de procedure in hoger beroep

Tijdig bij de hierboven genoemde dagvaarding in hoger beroep gekomen heeft
de vrouw grieven voorgedragen en geconcludeerd:

te vernietigen het vonnis op 5 februari 1993 onder rolnr. 1490/91 door de
Arrondissementsrechtbank te ‘s-Hertogenbosch uitgesproken tussen
appellanten als eiseres en geintimeerde als gedaagde, en opnieuw
rechtdoende, de vorderingen van appellante toe te wijzen met veroordeling
van geintimeerde tot betaling van de proceskosten in beide instanties.

Geintimeerde heeft de grieven bestreden en geconcludeerd de vrouw in haar
appel niet ontvankelijk te verklaren, althans haar dit als ongegrond en
onbewezen te ontzeggen. Nadat partijen vervolgens akten genomen hadden,
hebben zij onder overlegging van de stukken uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven luiden:

Grief I

Ten onrechte beperkt de Arrondissementsrechtbank te ‘s- Hertogenbosch in
haar vonnis d.d. 5 februari 1993 in overweging 2.1, b en c en met name in
overweging 3.2. de in het geding zijnde vragen.

Grief II

De Rechtbank oordeelt in 3.1. in haar vonnis dat: “Niet in het geschil is
dat B in de november/december 1988 toen hij, als fysiotherapeut, A
behandelde, met haar een liefdesrelatie is aangegaan, terwijl hij wist dat
A te kampen had met huwelijkse- en andere persoonlijke problemen. De
opgemelde commissie (….) gerespecteerd.”

Ten onrechte verbindt de Rechtbank hieraan niet het oordeel dat er sprake
is van onrechtmatig handelen zoals verder omschreven in overweging 3.3.

Grief III

De Rechtbank oordeelt ten onrechte dat er geen sprake is van onrechtmatig
handelen door B jegens A terwijl nota bene zelf overweegt op pagina 4 pnt.
3.3. “hoezeer ook juist moge zijn dat, zoals deze Commissie heeft
geoordeeld, B aan zijn optreden als behandelend fysiotherapeut een einde
had moeten maken, hij even bedoeld gevaar had moeten inzien en hij
onvoldoende distantie als behandelaar jegens zijn patiente in acht heeft
genomen.”

Grief IV

Ten onrechte komt de Rechtbank in overweging 3.4. tot het oordeel dat het
gevorderde afgewezen dient te worden en veroordeelt zij A als de in het
ongelijk gestelde partij tot betaling van de proceskosten.

4. De beoordeling van de grieven

4.1. Tegen de feiten, zoals door de rechtbank in r.o. 1.3 van het vonnis
vastgesteld, zijn geen grieven aangevoerd, zodat het hof van de juistheid
daarvan uitgaat.

4.2. Het hof is van oordeel, dat geintimeerde heeft gehandeld in strijd
met hetgeen in het maatschappelijk verkeer tegenover een patiente betaamt
door met haar in het kader van de fysiotherapeutische behandeling,
waarvoor zij zich tot hem gewend had, een affectieve en seksuele relatie
aan te gaan en gedurende enige tijd te onderhouden. Aan de beoefenaar van
een para-medisch beroep, zoals dat van geintimeerde, mag immers de eis
gesteld worden dat hij zich strikt beperkt tot de fysiotherapeutische
behandeling. Toen de behandeling van de vrouw gepaard ging met de
ontwikkeling in de richting van een relatie als zojuist bedoeld, had
geintimeerde hetzij die ontwikkeling tot staan dienen te brengen en de
vrouw duidelijk moeten maken, dat hij daarvoor niet ontvankelijk was,
hetzij de vrouw voor de fysiotherapeutische behandeling dienen te
verwijzen naar een collega. Noch het een noch het ander heeft hij echter
gedaan. Dat geintimeerde geen bezwaar had tegen het ontstaan van een
liefdesrelatie blijkt uit het volgende. In de uitspraak van de Commissie
van Toezicht is onder ‘De feiten’ overwogen dat de afspraken met de vrouw
steeds meer aan het einde van de werkdag plaatsvonden, wanneer er geen
ander patienten in de praktijk aanwezig waren respectievelijk dat de
geslachtsgemeenschap niet slechts plaatsvond in de behandelkamer, doch
tevens in de boven de praktijkruimte gelegen woning van de fysiotherapeut.
Voorts heeft de vrouw onweersproken gesteld, dat geintimeerde condooms
aangeschaft heeft, nadat zij hem medegedeeld had geen voorbehoedsmiddelen
te gebruiken. Bovendien miskent geintimeerde dat de vrouw – mede door
haar ontboezemingen over haar niet goede huwelijk – ten opzichte van hem
in een kwetsbare positie was komen te verkeren, zodat zij gemakkelijk
ontvankelijk was door gevoelens van begrip en genegenheid van anderen. Dat
de vrouw uit eigen vrije wil medegewerkt heeft aan het ontstaan en
gedurende enige tijd voortbestaan van de relatie doet niet af aan het
onrechtmatig gedrag van de fysiotherapeut. Dit kan hoogstens van belang
zijn voor de begroting van het door de vrouw gevorderde smartegeld. De
grieven 1, 2 en 3 zijn mitsdien gegrond.

4.3. Met betrekking tot de gevorderde schade overweegt het hof het
volgende. Alle omstandigheden, waaronder het feit dat de vrouw zich niet
afkerig getoond heeft van de toenaderingen van de zijde van geintimeerde,
in aanmerking genomen acht het hof een smartegeld van ƒ 5000 passend.
Voor wat de gevorderde kosten van rechtskundige bijstand betreft heeft de
vrouw een groot aantal nota’s overgelegd. Mede gelet op de datum van de
dagvaarding, te weten 23 juli 1991 respectievelijk die van de nota’s
hebben die nota’s – de nota van 2 september 1991 uitgezonderd –
kennelijk alle uitsluitend betrekking op werkzaamheden, welke hun oorzaak
vinden in de behandeling van het onderhavige geding. Op vergoeding daarvan
op de wijze als de vrouw wellicht meent kan ingevolge de artikelen 56 en
57 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen aanspraak gemaakt worden.
Voor zover de nota d.d. 2 september 1991 betrekking heeft op de advisering
in de tuchtrechtelijke procedure is het hof van oordeel, dat die
rechtsbijstand niet noodzakelijk was voor de onderhavige procedure. Voor
wat betreft de ongespecificeerde kosten van een vakantie betreft is het
hof van oordeel, dat niet gebleken is, dat die vakantie een aan
geintimeerde toe te rekenen gevolg is van de relatie, welke partijen enige
tijd onderhouden hebben. Met betrekking tot de gevorderd bijdrage voor
psychiatrische hulp – in totaal ƒ 85 – is het hof van oordeel, dat
de vrouw na het verbreken van de relatie, in een situatie is komen te
verkeren, welke enige deskundige begeleiding vergde. Dit onderdeel van de
vordering komt derhalve gegrond voor.

4.4. Op grond van het hierboven overwogene is de vordering van de vrouw
toewijsbaar tot een bedrag van ƒ 5085, vermeerderd met rente vanaf 26
april 1991. Nu partijen over en weeg ten dele in het gelijk gesteld zijn,
zal het hof de kosten van het geding compenseren.

5. Uitspraak Het Hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw
rechtdoende veroordeelt geintimeerde om aan appellante te betalen ƒ
5085, (zegge: vijfduizendvijfentachtig gulden) vermeerderd met de
wettelijke rente vanaf 26 april 1991 tot de dag der voldoening.

Het Hof ontzegt appellante het meer gevorderde, compenseert de kosten van
de procedure aldus, dat iedere partij haar eigen kosten draagt en
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mrs. Wachter, De Wilde, Beekhuis

Instantie: Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing, 3 augustus 1994

Instantie

Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing

Samenvatting


Het beklag betreft het over klaagster uitgebrachte selectieadvies. De
alleensprekende beklagrechter heeft het beklag ongegrond verklaard.
Klaagsters verzoek om overplaatsing van piv Breda naar piv “Ter Peel”. De
beroepscommissie is van oordeel dat de alleensprekende beklagrechter een
juiste beslissing heeft gegeven.

Volledige tekst

Op grond van haar onderzoek overweegt de beroepscommissie als volgt:

1. Inhoud van het beklag en de beslissing van de alleensprekende
beklagrechter: Het beklag betreft het omtrent klaagster uitgebrachte
selectieadvies.

De alleensprekende beklagrechter heeft het beklag ongegrond verklaard op
de gronden als in de aangehechte beschikking weergegeven.

2. Standpunten van klaagster en de directeur: In beroep heeft klaagster
volhard in haar tegenover de alleensprekende beklagrechter ingenomen
standpunt. Daaraan heeft zij toegevoegd dat het negatieve advies kennelijk
is gebaseerd op het oordeel van het team van bewaarders, dat haar niet
geschikt acht voor de structuur van “Ter Peel” te Sevenum. Zij wees in dit
verband op het feit dat zij drie keer een rapport heeft gekregen; twee
betroffen verbale dreiging harerzijds (zij uitte slechts verbaal haar
boosheid, die zij verder wist te beheersen), het andere rapport betrof het
feit dat zij -ter verdediging- een ander had geslagen. Volgens klaagster
is in het advies ten onrechte de omstandigheid niet meegewogen dat zij
circa vijf jaar geleden reeds in “Ter Peel” heeft verbleven, zonder dat
zich toen problemen hebben voorgedaan.

De directeur heeft in beroep volhard in zijn tegenover de alleensprekende
beklagrechter ingenomen standpunt.

3. Beoordeling: De beroepscommissie overweegt dat, zoals de
alleensprekende beklagrechter reeds ten aanzien van het beklag heeft
overwogen, thans in beroep slechts de vraag aan de orde is of het door de
directeur omtrent klaagster uitgebrachte selectieadvies op zorgvuldige
wijze tot stand is gekomen. Een (afzonderlijke) beroep ex artikel 117a
Gevangenismaatregel tegen klaagsters niet-overplaatsing kan worden
ingesteld wanneer en voor zover de selectieadviescommissie op haar verzoek
tot overplaatsing naar de penitentiaire inrichting voor vrouwen “Ter Peel”
te Sevenum een negatieve beslissing heeft genomen. Klaagster is omtrent
deze beroepsprocedure schriftelijk geinformeerd. Een dergelijk beroep is
tot op heden bij het secretariaat van de Raad niet ontvangen. De
beroepscommissie komt voorts, gezien de haar verstrekte gegevens, tot het
oordeel dat door de alleensprekende beklagrechter op goede gronden en met
juistheid op het beklag is beslist. Het beroep is derhalve ongegrond.

4. Beslissing: De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en
bekrachtigt de beschikking van de alleensprekende beklagrechter.

Rechters

mr. J.H. Koeleman, voorzitter, mr. J.P. Balkema en dr. J.P.S.Fiselier, leden, mr. F.H.L. Cusell, secretaris

Instantie: Rechtbank Zutphen, 28 juli 1994

Instantie

Rechtbank Zutphen

Samenvatting


Partijen zijn acht jaren gehuwd en hebben een kind van een jaar. De
rechtbank stelt dat de vrouw thans behoefte heeft omdat zij geen inkomsten
heeft. Zij is paardrij-instructrice en is met dit werk gestopt bij de
geboorte van de zoon van partijen. De man verzoekt de alimentatie te
beperken tot vijf jaar. De rechtbank oordeelt dat van de vrouw verlangd
mag worden dat zij binnen acht jaar in eigen levensonderhoud kan voorzien.
Mocht de vrouw over acht jaar nog niet in eigen levensonderhoud kunnen
voorzien, dan zal zij bij een nieuw alimentatieverzoek moeten bewijzen dat
dit niet aan haar gebrek en inzet is te wijten. Bij de bepaling van de
hoogte van de alimentatie kijkt de rechtbank alleen naar de draagkracht
van de man. Alimentatie wordt ƒ 2.360,=.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Dit verloop blijkt uit: -het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 29
oktober 1993; -het exploit van betekening van 3 november 1993; -het
verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig verzoek, ingekomen ter
griffie op 12 januari 1994; -het verweerschrift op het zelfstandig
verzoek, ingekomen ter griffie op 22 februari 1994; -de brief met bijlagen
van mr. Kloppers van 25 april 1994; -de processen-verbaal van de
behandeling ter terechtzitting op 11 mei 1994 en 15 juni 1994.

De vaststaande feiten:

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit en zijn op 23 mei 1986 te
Vorden gehuwd, in algehele gemeenschap van goederen. Uit hun huwelijk is
op geboren de minderjarige J.

Het verzoek:

De vrouw verzoekt: -tussen partijen de echtscheiding, subsidiair de
scheiding van tafel en bed uit te spreken; -haar te benoemen tot voogdes
en de man tot toeziend voogd over de minderjarige; -te bepalen dat de man
ƒ 250,= per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van de verzorging
en opvoeding van de minderjarige; -de man te veroordelen om aan haar ƒ
3.000,= per maand uit te keren voor haar levensonderhoud; -de verdeling
te bevelen van de huwelijksgoederengemeenschap, met benoeming van een
notaris en onzijdige personen.

Zij stelt naast hetgeen hiervoor reeds als vaststaand is weergegeven, dat
het huwelijk duurzaam is ontwricht en dat de man in staat moet worden
geacht vorenvermelde bijdragen te voldoen.

Het verweer tevens zelfstandig verzoek:

De man voert enkel verweer tegen de door de vrouw verzochte alimentatie
voor haarzelf, voorzover deze een bedrag van ƒ 395,= per maand te boven
gaat.

Hij stelt dat hij niet in staat is de verzochte bijdrage te voldoen.

Hij verzoekt voorts de alimentatie in duur te beperken tot vijf jaar. De
man stelt dat de vrouw gezien haar leeftijd in staat moet worden geacht
in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Zij bezit een paard waarmee zij
zowel voor als tijdens het huwelijk inkomsten heeft genoten. Zij moet in
staat geacht worden haar inkomsten uit te breiden. De man verzoekt
tenslotte tussen hem en de minderjarige een omgangsregeling vast te
stellen van een zondag per twee weken van 9.00 tot 18.00 uur.

Het verweer op het zelfstandig verzoek:

De vrouw voert verweer tegen de door de man verzochte omgangsregeling. Zij
acht het in het belang van de minderjarige dat de man eenmaal per twee
weken een paar uur ten huize van de vrouw omgang heeft met de
minderjarige.

De beoordeling:

Nu de man niet betwist dat het huwelijk met de vrouw duurzaam is
ontwricht, is het verzoek tot echtscheiding voor toewijzing vatbaar.

De met de hoofdvoorziening samenhangende nevenvoorziening tot verdeling
van de huwelijksgoederengemeenschap is eveneens voor toewijzing vatbaar,
nu daartegen geen verweer is gevoerd.

De Raad voor de Kinderbescherming is in de gelegenheid gesteld zijn mening
met betrekking tot het gezag over de minderjarige aan de rechtbank kenbaar
te maken.

De man kan zich verenigen met de door de vrouw verzochte gezagsregeling.
Nu de rechtbank deze regeling in het belang van de minderjarige acht wordt
als volgt beslist.

De man is bereid de verzochte bijdrage in kosten van verzorging en
opvoeding van de minderjarige van ƒ 250,= per maand te voldoen, zodat
aldus wordt beslist.

De rechtbank acht, gelet op de leeftijd van het kind, de door de man
verzochte omgangsregeling tussen hem en de minderjarige, in die zin dat
de minderjarige een zondag per twee weken van 9.00 uur tot 18.00 uur bij
hem zal verblijven, in het belang van de minderjarige, zodat het verzoek
van de man voor toewijzing vatbaar is.

De man bestrijdt de behoefte van de vrouw aan een bijdrage in de kosten
van haar levensonderhoud.

De vrouw heeft de huishoudschool en het intas-onderwijs gevolgd. Voorts
heeft zij een opleiding voor paardrij-instructrice. Bij de echtelijke
woning in Laren had zij mogelijkheden om paardrijles te geven.

In verband met de geboorte van haar zoon is zij daarmee gestopt. Bij haar
huidige woning beschikt zij niet over de accommodatie om les te geven. Zij
heeft thans geen inkomsten.

De rechtbank is van oordeel, gelet op het vorenstaande dat de vrouw thans
behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Van
de vrouw mag echter verlangd en verwacht worden, gelet op alle
omstandigheden, dat zij een zodanige werkkring zoekt dat zij daarmee in
haar levensonderhoud kan voorzien. De rechtbank is van oordeel dat de
vrouw, rekeninghoudende met het feit dat zij nu de zorg heeft voor haar
ruim 1 1/2 jaar oude zoon, binnen een termijn van 8 jaar in kan zijn
geslaagd.

Mocht de verwachting dat de vrouw na afloop van de alimentatietermijn in
haar levensonderhoud kan voorzien, niet uit komen en zou de vrouw op die
grond wederom een alimentatieverzoek doen dan drukt op de vrouw te zijner
tijd de bewijslast, dat zulks niet aan haar gebrek aan inzet is te wijten.

Partijen zijn verdeeld over de draagkracht van de man. Blijkens de
jaaropgaaf 1993 heeft de man een bruto inkomen van 94.824 per jaar.

De rechtbank houdt bij de berekening van de draagkracht van de man
rekening met het huurwaardeforfait van ƒ 4.930,=, de hypotheekrente van
15.504,=, de buitengewone lastenaftrek in verband met de te betalen
kinderbijdrage en de belastingvrije som van ƒ 5.925,=.

De man voert een persoonlijke lening op van ƒ 6.000,= tegen 12% rente. Ter
terechtzitting heeft de vrouw verklaard dat zij bereid is mee te tekenen
voor de verhoging van de hypotheek, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat
de hypotheek met het bedrag van de voorgenomen lening wordt verhoogd en
de rente van die hypotheek ongeveer ƒ 400,= per jaar meer gaat bedragen.

De rechtbank acht het, gelet op hetgeen daaromtrent door de man is
gesteld, redelijk en billijk om te rekenen met een bedrag van ƒ 3.600,=
per jaar aan verwervingskosten.

Rekeninghoudend met het vorenstaande resteert een netto maandinkomen van
ƒ 5.307,95.

In mindering daarop strekken de navolgende lasten: -het ABW-normbedrag
voor een alleenstaande van ƒ 1.304,48 per maand; -de hypotheekrente van
ƒ 1.325,= per maand; hierbij is rekening gehouden met de rente die man
dient te voldoen nadat de hypotheek is verhoogd als bovenbedoeld; -de
overige eigenaarslasten welke de rechtbank, gelet op het daartoe
aangevoerde, stelt op ƒ 260,= per maand; -de ziektekostendekking van ƒ
27,70 per maand; -de verwervingskosten van ƒ 300,= per maand; -de kosten
van de omgangsregeling, welke gelet op de frequentie daarvan worden
gesteld op ƒ 20,= per maand.

De rechtbank houdt geen rekening met de aflossing van de op de woning
rustende hypotheek, nu dat een vermogensvormende werking heeft en er bij
het wel meenemen hiervan geen sprake meer zou zijn van redelijke
woonlasten, gelet op het inkomen van de man.

Evenmin wordt rekening gehouden met de door de man opgevoerde autokosten,
nu is gebleken dat de door hem te rijden zakelijke kilometers door zijn
werkgever worden vergoed.

De kosten van de studieverzekering ten behoeve van de minderjarige worden
eveneens buiten beschouwing gelaten, omdat de rechtbank van oordeel is dat
een dergelijke verzekering niet noodzakelijk is en de kosten daarvan niet
de voor alimentatie beschikbare draagkracht mag beinvloeden.

Van de draagkracht is 60% beschikbaar voor alimentatie. Rekeninghoudend
met het door de man te behalen fiscale voordeel in verband met deze
alimentatie is hij in staat bij te dragen in de kosten van levensonderhoud
van de vrouw met een bedrag van ƒ 2.360,= per maand.

De proceskosten van de echtelieden zullen worden gecompenseerd als hierna
te melden.

De beslissing:

De rechtbank:

Spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op met elkaar gehuwd.

Veroordeelt de man om, vanaf de dag waarop deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de desbetreffende registers van de Burgerlijke Stand, aan
de vrouw voor levensonderhoud te betalen de som van ƒ 2.360,=
(tweeduizenddriehonderdenzestig gulden) per maand, telkens bij
vooruitbetaling te voldoen.

Bepaalt dat deze alimentatie eindigt op 31 juli 2002.

Veroordeelt de echtelieden om, nadat deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand, met elkaar over te
gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

Benoemt, indien de echtelieden niet binnen 14 dagen na inschrijving van
deze beschikking daaromtrent anders zijn overeengekomen, notaris mr. W.A.
van Hoff ter standplaats tot notaris ten overstaan van wie de
werkzaamheden van verdeling zullen plaatshebben op de door de notaris te
bepalen plaats en tijd.

Benoemt als onzijdige personen mr. P.A. Roscam Abbing, advocaat te
Zutphen, om de vrouw en mr. E.H. Tamminga, advocaat te Zutphen om de man
als bewindvoerder op de voet van artikel 3:181 Burgerlijk Wetboek te
vertegenwoordigen indien een van hen in gebreke blijft op de voor die
verdeling bepaalde plaats en tijd te verschijnen, of verschenen zijnde,
mocht weigeren aan de verdeling mee te werken.

Benoemt over het minderjarige kind:

geboren op te , tot voogdes: de vrouw, en tot toeziend voogd: de
man, wonende te . Beveelt dat de minderjarige, indien hij zich niet
reeds bevindt in de feitelijke macht van de met het gezag beklede ouder,
aan deze zal worden afgegeven.

Bepaalt dat de man, met ingang van de dag waarop de voogdij zal aanvangen,
als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige
aan de vrouw zal betalen ƒ 250,= (tweehonderdvijftig gulden) per maand,
voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Regelt het recht van omgang tussen de man en de minderjarige in die zin
dat de minderjarige een zondag per twee weken van 9.00 uur tot 18.00 uur
bij hem zal verblijven.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Compenseert de kosten van dit geding aldus, dat iedere echtgenoot met de
eigen kosten belast blijft, behoudens dat de executiekosten ten laste van
de man komen, indien niet vrijwillig wordt voldaan aan de bij deze
beschikking opgelegde alimentatieplicht.

Veroordeelt mitsdien de man in dat geval te dier zake te betalen
rechtstreeks aan de procureur van de vrouw het onder nakosten vallende
salaris en rechtstreeks aan de executerende deurwaarder de nakomende
verschotten.

Rechters

Mr. R.B.M. Keurentjes

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 28 juli 1994

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


De vrouw is als zijn patiente door de arts seksueel
misbruikt. De strafkamer van de Rechtbank Haarlem veroordeelde
de arts op 20 december 1993 tot een gevangenisstraf voor de
duur van 24 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk.
Bewezen werd verklaard het plegen van ontucht met onder meer
deze vrouw en tevens haar verkrachting. In kort geding ontkent
de arts het seksueel misbruik – de vrouw deed vrijwillig mee -,
beklaagt de arts zich over de rechtsgang in de strafprocedure
en verzet hij zich tegen het voorschot van ƒ 5000,- op de
schadevergoeding, omdat hij het niet kan betalen. Het
‘napleiten’ in de strafzaak levert de arts in het kort geding
niets op.

Ook zijn redenering dat een strafrechtelijke
veroordeling op zichzelf niet voldoende is voor het opleggen
van een aidstest leidt niet tot het door de arts gewenste
resultaat. De Haarlemse president veroordeelt de arts op grond
van onrechtmatige daad tot betaling van een voorschot
schadevergoeding en tot het afnemen van een aidstest, waarvan
de uitslag moet worden bekend gemaakt aan de vrouw. Het hof is
het in algemene zin met de redenering eens, maar in dit geval
geeft de reeel bestaande onzekerheid van de vrouw voldoende
basis. De wisselende contacten van de arts en de verhoogde
kans op besmetting door bijvoorbeeld een prikaccident in zijn
praktijk zijn grond voor de angst voor besmetting met het HIV-
virus.
(…)

Volledige tekst

1. Verloop van de procedure

1.1 Appellant (B) is bij exploit van 22 oktober 1993 in hoger
beroep gekomen van een op 8 oktober 1993 uitgesporken vonnis
van de president van de arrondissementsrechtbank te Haarlem,
onder rolnummer KG 1502/1993 gewezen tussen appellant als
gedaagde en geintimeerde (W) als eiseres.

1.2. Bij memorie heeft B zestien grieven tegen het beroepen
vonnis aangevoerd en geconcludeerd -zakelijk weergegeven- dat
het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw
rechtdoende, de vorderingen van W alsnog zal afwijzen, met
veroordeling van W in de kosten van het geding in beide
instanties. Tevens bracht hij bij akte enige produkties in het
geding.

1.3. Bij memorie van antwoord heeft W de grieven bestreden en
zakelijk geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep
zal bekrachtigen, met veroodeling van B in de kosten -begrijpt
het hof- van het geding in hoger beroep.

1.4. Daarna hebben partijen hun zaak doen bepleiten, B door
zijn advocaat en W door haar procureur. Deze raadslieden
hebben zich daartoe bediend van pleitnotities en tevens nog
enige stukken in het geding gebracht.

1.5. Daarna hebben partijen de stukken van beide instanties,
waaronder ook voormelde pleitnotities, aan het hof overgelegd
voor het wijzen van arrest. De inhoud van deze stukken geldt
als hier ingevoegd.

2. De grieven

De grieven luiden zakelijk als volgt:

Grief I
Ten onrechte heeft de president overwogen dat het seksuele
contact tussen B en W op 27 juni 1992 het gevolg was van
misbruik door B van het vertrouwen van W en causaal verband
aangenomen tussen schending van de desbetreffende gedragregels
en de door W gestelde schade. Eveneens ten onrechte heeft de
president niet subsidiair de omvang van de aansprakelijkheid
van B gematigd.

Grief II
Ten onrechte heeft de president overwogen zoals hij heeft
gedaan onder 3.4.

Grief III
Ten onrechte heeft de president geen overweging gewijd aan de
betekenis van de verklaringen van de door B opgeroepen
getuigen.

Grief IV
Ten onrechte heeft de president overwogen zoals hij heeft
gedaan onder 3.5 (eerste zin).

Grief V
Ten onrechte heeft de president geen overweging gewijd aan het
door B aan de orde gestelde vooroverleg tussen W, de overige
aangeefsters en de poitie te Velsen.

Grief VI
Ten onrechte heeft de president overwogen zoals hij heeft
gedaan onder 3.7 (twwede en derde zin).

Grief VII
Ten onrechte heeft de president overwogen zoals hij heeft
gedaan onder 3.7 (vierde zin).

Grief VIII
Ten onrechte heeft de president overwogen zoals hij heeft
gedaan onder 3.7 (zevende zin).

Grief IX
Ten onrechte heeft de president overwogen dat het seksuele
contact tussen B en W heeft voortgeduurd tot half november
1992.

Grief X
Ten onrechte heeft de president overwogen dat W onbetwist
heeft gesteld een tweede test emotioneel niet aan te kunnen en
acht hij B gehouden zich thans op aanwezigheid van het virus
te laten testen om een nieuwe traumatische ervaring van W te
voorkomen.

Grief XI
Ten onrechte heeft de president niet in zijn overwegingen
betrokken dat indien bij B seropositiviteit zou blijken, niet
vaststaat wanneer de besmetting heeft plaatsgevonden.

Grief XII
Ten onrechte heeft de president niet overwogen wat de
consequenties zijn van het vrijwillig onbeschermde contact
tussen W en B op 27 juni 1992.

Grief XIII
Ten onrechte heeft de president overwogen dat W een
zwaarwegend belang heeft bij een zo snel mogelijke beeindiging
van de onzekerheid over een eventuele besmetting.

Grief XIV
Ten onrechte heeft de president overwogen zoals hij heeft
gedaan onder 3.10 (eerste zin).

Grief XV
Ten onrechte heeft de president niet overwogen welke risico’s
zijn verbonden aan het bekend maken van een eventuele uitslag
van het onderzoek aan W.

Grief XVI
Ten onrechte heeft de president niet alle relevante
omstandigheden van het geval in zijn overwegingen betrokken
die hebben geleid tot het gelasten van een AIDS-test, die een
aantasting van de lichamelijke integriteit en de persoonlijk
levenssfeer van B inhoudt.

3. De vaststaande feiten

3.1 In rechtsoverweging 2.1 van zijn vonnis heeft de president
onder de letters (a) tot en met (h) een aantal feiten als ten
processe vaststaand opgesomd. Tegen deze opsomming zijn geen
grieven gericht, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2 Aan deze feiten valt toe te voegen dat B inmiddels bij
vonnis van de meervoudige kamer van strafzaken van de
arrondissementsrechtbank te Haarlem, uitgesproken op 20
december 1993, tot een gevangenisstraf is veroordeeld voor de
duur van vierentwintig maanden, waarvan acht voorwaardelijk
met een proeftijd van twee jaren. Tevens werd hij ontzet uit
het recht het beroep van arts uit te oefenen voor de tijd van
vier jaren. Tot de bewezen verklaarde feiten behoorde onder
meer het plegen van ontucht met W op 27 juni 1992, terwijl zij
zich als patiente aan zijn hulp had toevertrouwd en terwijl
hij- B – werkzaam was in de gezondheidszorg en voorts het
verkrachten van W op 24 oktober 1992. Tegen dit vonnis is door
B hoger beroep ingesteld, dat op 11 augustus 1994 door dit hof
zal worden behandeld.

3.3 Voorts heeft dit hof bij een op 10 juni 1994 uitgesproken
beschikking de beslissing van het medisch tuchtcollege te
Amsterdam van 17 mei 1993 gehandhaafd. Bij deze laatstbedoelde
beslissing is B naar aanleiding van een door W ingediende
klacht de maatregel opgelegd van schorsing in de uitoefening
van de geneeskunst voor de daarvoor maximaal toegestane
termijn van een jaar. Tegen deze beschikking heeft B inmiddels
beroep in cassatie ingesteld.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 De grieven leggen het geschil in volle omvang aan het hof
voor. Zij zullen gemeenschappelijk worden behandeld.

De gemeenschap op 27 juni 1992

4.2 Op zichzelf staat vast dat B en W op 27 juni 1992 seksueel
contact met elkaar hebben gehad. De omstandigheid dat deze
gemeenschap plaatsvond met instemming van W, kan B niet baten.
In haar boven onder 3.2 aangehaalde vonnis heeft de Haarlemse
rechtbank in weerwil van die instemming geoordeeld dat B zich
heeft schuldig gemaakt aan het in art. 249 Sr. omschreven
delict, voorzover zakelijk inhoudend het in hoedanigheid van
arts ontucht plegen met een aan zijn hulp of zorg
toevertrouwde patiente, omdat B ten tijde van de gemeenschap
de huisarts was van W, zoals laatstgenoemde toen als diens
patiente stond ingeschreven. Wanneer B in dit hoger beroep
aanvoert dat hij tevoren aan W heeft gezegd dat zij een andere
huisarts moest zoeken, neemt zulks niet weg dat evengenoemde
relatie ten tijde van die gemeenschap nog steeds tussen hen
beiden bestond.

4.3 Ook afgezien van dit nog niet onherroepelijk geworden
vonnis moet worden geoordeeld dat B zich jegens W schuldig
heeft gemaakt aan een onrechtmatige daad. Voormelde
strafrechtelijke bepaling brengt mee dat reeds het enkele feit
dat een arts seksuele contacten met zijn patient(e) aangaat,
(in beginsel) als onrechtmatig moet worden aangemerkt.

4.4 Dit klemt in het onderhavige geval temeer gezien de
specifieke omstandigheden daarvan. Het hof verwijst naar
hetgeen in zijn boven onder 3.3 aangehaalde beschikking is
overwogen en beslist, meer in het bijzonder naar de
overwegingen 5.3-5.13. Deze overwegingen gelden hier als
ingevoegd.

4.5 In dit verband is met name van belang dat B wist dat W
psychische problemen had. Hij heeft de in eerste instantie
lichamelijke klachten van W al in vroeg stadium onderkend als
van in hoofdzaak psychische aard. Psychiater J.J.M. Min, naar
wie W door B is doorverwezen, heeft laatstgenoemde bij brief
van 22 mei 1992 onder meer bericht dat W onzeker en onrustig
is, problemen ontwijkt en geen nee durft te zeggen. Met haar
huidige ontwijkende opstelling zou W bijna geen lucht meer
halen. Voorts is W op haar vijftiende jaar seksueel misbruikt,
aldus nog steeds Min.

4.6 Onder deze omstandigheden geldt eens temeer dat W in een
ongelijke positie stond ten opzichte van B, die van zijn kant
op de hoogte was van W kwetsbare geestelijke gesteldheid. Aan
te nemen valt dat deze gesteldheid het W bemoeilijkte in volle
vrijheid te beslissen of zij een contact als het onderhavige
inderdaad wenste. Ook dit had B ervan behoren te weerhouden
dat contact met haar aan te gaan.

Het verdere seksuele misbruik door B van W

4.7 Aan de grieven ligt voorts de stelling ten grondslag dat
na 27 juni 1992 geen gemeenschap tussen beiden meer heeft
plaatsgevonden en al helemaal niet tegen de zin van W Ook in
zoverre stuit het verweer reeds af op het boven aangehaalde
strafvonnis. In dit kort geding is op grond daarvan voldoende
aannemelijk dat W op 24 oktober 1992 door B is verkracht.

4.8 Maar ook hier geldt dat het zelfs afgezien van genoemd
strafvonnis voldoende aannemelijk is dat B in het tijdvak van
27 juni 1992 tot – in elk geval – 24 oktober 1992 vele malen
gemeenschap met W heeft gehad waartegen W zich weliswaar niet
actief heeft verzet, zodat de gemeenschap niet plaatsvond door
(bedreiging met) geweld, maar wel door misbruik te maken van
het psychische overwicht dat hij op W had verkregen.

4.9 Hiertoe zijn niet alleen de door W zelf bij herhaling
tegenover diverse personen en instanties afgelegde
verklaringen redengevend, maar indirekt ook hetgeen door N, I
en K is verklaard. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen onder
5.8 van zijn voormelde beschikking is overwogen en voegt
daaraan toe dat uit bedoelde verklaringen een consistent
patroon naar voren komt van meer gebruikelijke vormen van
seksueel verkeer dan in die overweging bedoeld, dat plaatsvond
hoewel die vrouwen daarvan niet (steeds) waren gediend, maar
niettemin zijn beslag kreeg omdat B zijn zin placht door te
drijven.

4.10 B was daartoe in staat omdat zij zich – als gezegd – op
al deze vrouwen een overwicht had verworven. Allen waren zij
onervaren, voelden zich door B systematisch gekleineerd en
zijn mede daardoor aan zichzelf gaan twijfelen. Allen
verklaren zij dat ze op den duur meestal maar toegaven aan de
aandrang van B tot seksueel verkeer mede omdat de ervaring had
geleerd dat hij anders dagenlang niet te harden was en soms
ook gewelddadig werd. Naar ’s hofs oordeel valt hierin een
steeds terugkerend patroon te herkennen van een geleidelijk
door B opgevoerde druk onder invloed waarvan deze vrouwen hem
seksueel terwille waren. Het kan in het midden blijven of dit
op zichzelf al onrechtmatig is omdat de hieraan ten grondslag
liggende afhankelijkheid in het onderhavige geval is ontstaan
tijdens de arts- patient relatie. Deze laatste relatie is
weliswaar op enig moment verbroken, maar het is niet
aannemelijk dat dit enig verschil maakte in de toen al
ontstane verhouding van fysieke aard.

4.11 Aan B en de door hem geraadpleegde deskundige Wagenaar
kan worden toegegeven dat een zekere afbreuk aan de
bewijskracht van deze verklaringen wordt gedaan doordat alle
genoemde aangeefsters door de politie als getuige zijn gehoord
in aanwezigheid van een van de anderen, terwijl hun later
tegenover de rechter (-commissaris) afgelegde verklaringen
onmiskenbaar voortbouwen op het relaas dat zij aanvankelijk
hebben gedaan. Het hof gaat ervan uit dat die andere vrouw
zich nimmer met het verhoor bemoeide en daarbij slechts
aanwezig was om morele steun te verlenen aan de op dat moment
gehoorde aangeefster. Toch stellen Wagenaar/B op zichzelf
terecht dat van die aanwezigheid een druk op de getuige kan
uitgaan om bij haar aanvankelijke relaas te blijven, dat al
die vrouwen van elkaar kenden en waarover (mogelijk) tevoren
contact tussen hen was geweest.

4.12 Er is echter geen enkele aanwijzing, anders dan de
verklaring van B zelf, dat een van die vrouwen als getuige
iets anders heeft verklaard dan zij zou hebben gedaan als zij
alleen door de politie was gehoord, of in aanwezigheid van een
bij de zaak niet zelf betrokken hulpverleenster. De diverse
bijzonderheden waarop B zich beroept die niet zouden kloppen,
kunnen ook op andere wijze zijn ontstaan dan door aan te nemen
– zoals B betoogt – dat die verklaringen onwaar zijn en
berusten op een afgesproken wraakactie van zijn vroegere
partners. Het is in het onderhavige geval alleszins
aannemelijk dat de kleine inconsistenties en/of
onnauwkeurigheden die in deze verklaringen mogelijk liggen
besloten, zijn veroorzaakt door de traumatische ervaringen die
de getuigen door toedoen van B hebben meegemaakt, waardoor hun
aandacht voor details is verminderd.

4.13 Wat B bedoelt met zijn verwijt, dat ten onrechte geen
aandacht is besteed aan de verklaringen van de aan zijn kant
opgeroepen getuigen, is niet geheel duidelijk. Vermoedelijk
wil hij daarmee verwijzen naar de getuigen die door de
rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken
te Haarlem zijn gehoord. Hij geeft echter niet aan op welke
getuigen hij precies doelt en welke elementen in hun
verklaringen met het voorgaande in strijd zouden zijn. Dit
verweer moet daarom als te vaag worden gepasseerd.

De schade van W

4.14 Wat betreft de door W gevorderde schade voert B aan dat
deze niet aannemelijk is, niet aan zijn handelwijze kan worden
toegerekend en dat zijn financiele positie het betalen van
enige schadevergoeding niet toelaat. Voorts betwist hij dat W
een spoedeisend belang heeft bij dit onderdeel van haar
vordering. Deze weren falen, evenals de grieven waarmee zij
andermaal worden gepresenteerd.

4.15 Het spoedeisend belang van W wordt door B bestreden met
het argument dat zij nog steeds geen bodemprocedure heeft
aangespannen. Dit verweer is niet concludent. Het staat W vrij
met een haar in kort geding toegekend voorschot genoegen te
nemen of om haar beslissing tot voortprocederen afhankelijk te
maken van de uiteindelijke afloop van dit kort geding.

4.16 Gelet op hetgeen de algemene ervaring leert maakt reeds
de aard van het onrechtmatig gedrag van B als vorenomschreven,
zonder meer aannemelijk dat W daardoor psychische schade heeft
geleden tot tenminste voormeld bedrag. Het hof begrijpt dat
dit bedrag is bedoeld als voorschot op de in een eventuele
bodemprocedure aan W toe te wijzen som. Het is niet van belang
of W met dat geld een zomerhuisje wil huren of het op andere
wijze wil besteden; dat gaat B niet aan.

4.17 B heeft voorts aangevoerd dat er geen causaal verband is
tussen het niet-naleven van de gedragsregel dat een arts zich
van seksuele contacten met zijn patiente dient te onthouden.
Gezien de aard en strekking van de geschonden norm – het recht
op fysieke en psychische integriteit – dient deze schade naar
redelijkheid aan B te worden toegerekend. Hetzelfde geldt voor
de stelling dat het feit dat deze gemeenschap met toestemming
van W plaatsvond, tot matiging van aansprakelijkheid zou
moeten leiden. Deze toestemming was immers niet het resultaat
van een vrije wilsvorming, hetgeen voor B kenbaar was.

4.18 De omstandigheid dat B die schade mogelijk niet kan
vergoeden, is geen geldig argument om W haar aanspraak op
vergoeding daarvan te onthouden. Overigens valt op te merken
deze moeilijke financiele positie van B wel wordt gesteld,
maar niet met bewijsstukken is gestaafd, zodat ook de
feitelijke grondslag van dit door W betwiste verweer niet
aannemelijk is geworden. Om dezelfde reden is er evenmin grond
het door de president toegewezen voorschot te matigen.

De AIDS-test

4.19 De president heeft B tevens veroordeeld een AIDS-test te
ondergaan. Ook daartegen maakt B op diverse gronden bezwaar.

4.20 Voorzover B ook hier het spoedeisend belang van W bij
haar vordering betwist, is dit verweer moeilijk te volgen. Dit
belang volgt uit de even aannemelijke als begrijpelijke vrees
van W voor besmetting, die zo spoedig mogelijk dient te worden
opgeheven. Daaraan doet niet af dat zij enige tijd heeft
gewacht met het instellen van deze vordering. Kennelijk en
niet onbegrijpelijk heeft zij eerst de resultaten van de
verhoren door de politie en de rechter-commissaris alsmede de
procedure voor het medisch tuchtcollege willen afwachten
teneinde een bewijspositie te kunnen opbouwen. Dit stond haar
vrij.

4.21 Voorzover B bestrijdt dat het ondergaan van deze test een
passende maatregel is ter beperking van de door hem
teweeggebrachte schade en zich er daartoe op beroept dat
tussen partijen ook vrijwillig seksueel verkeer heeft
plaatsgevonden, verwijst het hof om te beginnen naar zijn
overwegingen 4.4 en 4.5, die hier van overeenkomstige
toepassing zijn. De daar bedoelde vorm van “vrijwilligheid”
pleit B in geen enkel opzicht vrij. Bovendien is voldoende
aannemelijk dat W later door B is verkracht.

4.22 Indien B tevens wil betogen dat een strafrechtelijke
veroordeling wegens verkrachting, zelfs als deze
onherroepelijk is geworden, niet steeds voldoende is om de
dader te verplichten een AIDS-test te ondergaan, heeft hij
daarin op zichzelf gelijk. Er moet tevens sprake zijn van een
dreigende besmetting met het HIV-virus, althans een reeel te
achten onzekerheid dienaangaande, die niet altijd aanwezig
behoeft te zijn. Daarnaast zijn gevallen denkbaar waarin een
afweging van belangen aan het geven van een dergelijk bevel in
de weg zal staan, al zullen deze zich slechts zelden voordoen.

4.23 Wat daarvan verder ook zij, in het onderhavige geval is
dit bevel gerechtvaardigd nu W geen inzicht heeft in het
leefpatroon van B maar wel voldoende is komen vast te staan
dat deze er wisselende seksuele contacten op nahield, waardoor
in het algemeen het risico op een dergelijke besmetting wordt
verhoogd. Bovendien loopt B ook als arts een verhoogde kans op
besmetting, bijvoorbeeld als gevolg van een prikaccident in
zijn praktijk.

4.24 Afweging van belangen leidt niet tot een andere
beslissing nu mede op grond van de door de president onder
2.1(g) geciteerde verklaring van WT°, huisarts Oskam,
voldoende aannemelijk is geworden dat een nieuwe test voor W
bezwarend is. Reeds deze omstandigheid is beslissend omdat,
zoals in de literatuur terecht over een geval als het
onderhavige is opgemerkt, “het beroep van de dader op zijn
grondrecht (van lichamelijke integriteit) in hypocrisie
nauwelijks is te overtreffen”. Daarbij komt dat B er van zijn
kant blijkbaar juist niet tegen opziet een dergelijke test te
ondergaan. Bij pleidooi in hoger beroep heeft B namelijk
verklaard dat hij zo’n test in verband met het onder 4.23
(slot) bedoelde risico, jaarlijks standaard placht te laten
uitvoeren.

4.25 het hof neemt aan dat W de uitslag van dit onderzoek
vertrouwelijk zal behandelen en deze niet in de Velsens-
IJmuidense gemeenschap aan de grote klok zal hangen. Zulks is
bij memorie van antwoord ook toegezegd door W.

4.26 Voorzover B zich erop beroep dat W op 7 december 1992
zelf een AIDS-test heeft ondergaan waarvan het resultaat
negatief was, baat hem dit evenmin. Ook als men ervan uitgaat
dat W door B is verkracht op 24 oktober 1992 en daarna niet
meer, en dat een eventuele besmetting al na drie tot zes weken
in het bloed van het slachtoffer kan worden aangetoond, is de
afbakening van bedoelde periode toch zo ruim omlijnd en de
test zo kort na de verkrachting gevolgd, dat W daardoor nog
niet de zekerheid heeft verkregen waarop zij tegenover B
aanspraak kan maken.

4.27 Daaraan doet niet af dat de mogelijkheid bestaat dat B
ten tijde van de verkrachting nog niet besmet was maar daarna
wel, doch voor de van hem af te nemen test. Het kan immers
niet worden volgehouden dat daardoor elk redelijk belang aan
zo’n test is ontvallen. Onder die omstandigheden staat het aan
W ter beoordeling of zij, ondanks genoemde mogelijkheid, toch
prijs stelt op zo’n testresultaat, hetgeen blijkbaar het geval
is.

De dwangsom

4.28 Er is tenslotte geen reden de door de president aan zijn
vonnis verbonden dwangsom te matigen of tot een lager bedrag
te maximeren dan in het beroepen vonnis is geschied. De omvang
daarvan is juist bepaald en ook hier kan met het gestelde
financiele onvermogen van B reeds geen rekening worden
gehouden omdat dit niet aannemelijk is geworden.
Voor het overige verwijst het hof naar de overwegingen 4.2-4.8
in zijn heden tussen partijen gewezen arrest in het door B
aangespannen executiegeschil (rolnumer 87/94 SKG). Deze
overwegingen gelden als hier ingevoegd.

5. Slotsom

5.1. Nu de grieven falen, dient het beroepen vonnis te worden
bekrachtigd.

5.2. Als de in het ongelijk gestelde partij dient B te worden
veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

6. Beslisssingen

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt B in de kosten van dit hoger beroep, tot op heden
aan de zijde van W begroot op ƒ 4.665,= ingevolge artikel 57b
Rv te betalen aan de griffier van het hof.

Rechters

Mrs. Van den Haak, Beukenhorst, Bakels

Instantie: Rechtbank Zutphen, 28 juli 1994

Instantie

Rechtbank Zutphen

Samenvatting


Partijen zijn 8 jaren gehuwd en hebben een kind van een jaar. De
rechtbank stelt dat de vrouw thans behoefte heeft omdat zij thans geen
inkomsten heeft. Zij is paardrij-instructrice en is met dit werk
gestopt bij de geboorte van de zoon van partijen. De man verzoekt de
alimentatie te beperken tot 5 jaar. De rechtbank oordeelt dat van de
vrouw verlangd mag worden dat zij binnen 8 jaar in eigen
levensonderhoud kan voorzien. Mocht de vrouw over 8 jaar nog niet in
eigen levensonderhoud kunnen voorzien, dan zal zij bij een nieuw
alimentatieverzoek moeten bewijzen dat dit niet aan haar gebrek en
inzet is te wijten. Bij de bepaling van de hoogte van de alimentatie
kijkt de rechtbank alleen naar de draagkracht van de man. Alimentatie
wordt ƒ 2360,=.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Dit verloop blijkt uit: -het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op
29 oktober 1993; -het exploit van betekening van 3 november 1993; -het
verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig verzoek, ingekomen ter
griffie op 12 januari 1994; -het verweerschrift op het zelfstandig
verzoek, ingekomen ter griffie op 22 februari 1994; -de brief met
bijlagen van mr. Kloppers van 25 april 1994; -de processen-verbaal van
de behandeling ter terechtzitting op 11 mei 1994 en 15 juni 1994.

De vaststaande feiten:

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit en zijn op 23 mei 1986 te
Vorden gehuwd, in algehele gemeenschap van goederen. Uit hun huwelijk
is op geboren de minderjarige J.

Het verzoek:

De vrouw verzoekt: -tussen partijen de echtscheiding, subsidiair de
scheiding van tafel en bed uit te spreken; -haar te benoemen tot
voogdes en de man tot toeziend voogd over de minderjarige; -te bepalen
dat de man ƒ 250,= per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van
de verzorging en opvoeding van de minderjarige; -de man te veroordelen
om aan haar ƒ 3.000,= per maand uit te keren voor haar
levensonderhoud; -de verdeling te bevelen van de
huwelijksgoederengemeenschap, met benoeming van een notaris en
onzijdige personen.

Zij stelt naast hetgeen hiervoor reeds als vaststaand is weergegeven,
dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en dat de man in staat moet
worden geacht vorenvermelde bijdragen te voldoen.

Het verweer tevens zelfstandig verzoek:

De man voert enkel verweer tegen de door de vrouw verzochte alimentatie
voor haarzelf, voorzover deze een bedrag van ƒ 395,= per maand te boven
gaat.

Hij stelt dat hij niet in staat is de verzochte bijdrage te voldoen.

Hij verzoekt voorts de alimentatie in duur te beperken tot vijf jaar.
De man stelt dat de vrouw gezien haar leeftijd in staat moet worden
geacht in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Zij bezit een paard
waarmee zij zowel voor als tijdens het huwelijk inkomsten heeft
genoten. Zij moet in staat geacht worden haar inkomsten uit te breiden.
De man verzoekt tenslotte tussen hem en de minderjarige een
omgangsregeling vast te stellen van een zondag per twee weken van 9.00
tot 18.00 uur.

Het verweer op het zelfstandig verzoek:

De vrouw voert verweer tegen de door de man verzochte omgangsregeling.
Zij acht het in het belang van de minderjarige dat de man eenmaal per
twee weken een paar uur ten huize van de vrouw omgang heeft met de
minderjarige.

De beoordeling:

Nu de man niet betwist dat het huwelijk met de vrouw duurzaam is
ontwricht, is het verzoek tot echtscheiding voor toewijzing vatbaar.

De met de hoofdvoorziening samenhangende nevenvoorziening tot verdeling
van de huwelijksgoederengemeenschap is eveneens voor toewijzing
vatbaar, nu daartegen geen verweer is gevoerd.

De Raad voor de Kinderbescherming is in de gelegenheid gesteld zijn
mening met betrekking tot het gezag over de minderjarige aan de
rechtbank kenbaar te maken.

De man kan zich verenigen met de door de vrouw verzochte
gezagsregeling. Nu de rechtbank deze regeling in het belang van de
minderjarige acht wordt als volgt beslist.

De man is bereid de verzochte bijdrage in kosten van verzorging en
opvoeding van de minderjarige van ƒ 250,= per maand te voldoen, zodat
aldus wordt beslist.

De rechtbank acht, gelet op de leeftijd van het kind, de door de man
verzochte omgangsregeling tussen hem en de minderjarige, in die zin dat
de minderjarige een zondag per twee weken van 9.00 uur tot 18.00 uur
bij hem zal verblijven, in het belang van de minderjarige, zodat het
verzoek van de man voor toewijzing vatbaar is.

De man bestrijdt de behoefte van de vrouw aan een bijdrage in de kosten
van haar levensonderhoud.

De vrouw heeft de huishoudschool en het intas-onderwijs gevolgd. Voorts
heeft zij een opleiding voor paardrij-instructrice. Bij de echtelijke
woning in Laren had zij mogelijkheden om paardrijles te geven.

In verband met de geboorte van haar zoon is zij daarmee gestopt. Bij
haar huidige woning beschikt zij niet over de accommodatie om les te
geven. Zij heeft thans geen inkomsten.

De rechtbank is van oordeel, gelet op het vorenstaande dat de vrouw
thans behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar
levensonderhoud. Van de vrouw mag echter verlangd en verwacht worden,
gelet op alle omstandigheden, dat zij een zodanige werkkring zoekt dat
zij daarmee in haar levensonderhoud kan voorzien. De rechtbank is van
oordeel dat de vrouw, rekeninghoudende met het feit dat zij nu de zorg
heeft voor haar ruim 1 1/2 jaar oude zoon, binnen een termijn van 8
jaar in kan zijn geslaagd.

Mocht de verwachting dat de vrouw na afloop van de alimentatietermijn
in haar levensonderhoud kan voorzien, niet uit komen en zou de vrouw op
die grond wederom een alimentatieverzoek doen dan drukt op de vrouw te
zijner tijd de bewijslast, dat zulks niet aan haar gebrek aan inzet is
te wijten.

Partijen zijn verdeeld over de draagkracht van de man. Blijkens de
jaaropgaaf 1993 heeft de man een bruto inkomen van 94.824 per jaar.

De rechtbank houdt bij de berekening van de draagkracht van de man
rekening met het huurwaardeforfait van ƒ 4.930,=, de hypotheekrente van
15.504,=, de buitengewone lastenaftrek in verband met de te betalen
kinderbijdrage en de belastingvrije som van ƒ 5.925,=.

De man voert een persoonlijke lening op van ƒ 6.000,= tegen 12% rente.
Ter terechtzitting heeft de vrouw verklaard dat zij bereid is mee te
tekenen voor de verhoging van de hypotheek, zodat de rechtbank ervan
uit gaat dat de hypotheek met het bedrag van de voorgenomen lening
wordt verhoogd en de rente van die hypotheek ongeveer ƒ 400,= per jaar
meer gaat bedragen.

De rechtbank acht het, gelet op hetgeen daaromtrent door de man is
gesteld, redelijk en billijk om te rekenen met een bedrag van ƒ 3.600,=
per jaar aan verwervingskosten.

Rekeninghoudend met het vorenstaande resteert een netto maandinkomen
van ƒ 5.307,95.

In mindering daarop strekken de navolgende lasten: -het ABW-normbedrag
voor een alleenstaande van ƒ 1.304,48 per maand; -de hypotheekrente van
ƒ 1.325,= per maand; hierbij is rekening gehouden met de rente die man
dient te voldoen nadat de hypotheek is verhoogd als bovenbedoeld; -de
overige eigenaarslasten welke de rechtbank, gelet op het daartoe
aangevoerde, stelt op ƒ 260,= per maand; -de ziektekostendekking van ƒ
27,70 per maand; -de verwervingskosten van ƒ 300,= per maand; -de
kosten van de omgangsregeling, welke gelet op de frequentie daarvan
worden gesteld op ƒ 20,= per maand.

De rechtbank houdt geen rekening met de aflossing van de op de woning
rustende hypotheek, nu dat een vermogensvormende werking heeft en er
bij het wel meenemen hiervan geen sprake meer zou zijn van redelijke
woonlasten, gelet op het inkomen van de man.

Evenmin wordt rekening gehouden met de door de man opgevoerde
autokosten, nu is gebleken dat de door hem te rijden zakelijke
kilometers door zijn werkgever worden vergoed.

De kosten van de studieverzekering ten behoeve van de minderjarige
worden eveneens buiten beschouwing gelaten, omdat de rechtbank van
oordeel is dat een dergelijke verzekering niet noodzakelijk is en de
kosten daarvan niet de voor alimentatie beschikbare draagkracht mag
beinvloeden.

Van de draagkracht is 60% beschikbaar voor alimentatie. Rekeninghoudend
met het door de man te behalen fiscale voordeel in verband met deze
alimentatie is hij in staat bij te dragen in de kosten van
levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van ƒ 2.360,= per maand.

De proceskosten van de echtelieden zullen worden gecompenseerd als
hierna te melden.

De beslissing:

De rechtbank:

Spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op met elkaar gehuwd.

Veroordeelt de man om, vanaf de dag waarop deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de desbetreffende registers van de Burgerlijke Stand,
aan de vrouw voor levensonderhoud te betalen de som van ƒ 2.360,=
(tweeduizenddriehonderdenzestig gulden) per maand, telkens bij
vooruitbetaling te voldoen.

Bepaalt dat deze alimentatie eindigt op 31 juli 2002.

Veroordeelt de echtelieden om, nadat deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand, met elkaar over
te gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

Benoemt, indien de echtelieden niet binnen 14 dagen na inschrijving van
deze beschikking daaromtrent anders zijn overeengekomen, notaris mr.
W.A. van Hoff ter standplaats tot notaris ten overstaan van wie de
werkzaamheden van verdeling zullen plaatshebben op de door de notaris
te bepalen plaats en tijd.

Benoemt als onzijdige personen mr. P.A. Roscam Abbing, advocaat te
Zutphen, om de vrouw en mr. E.H. Tamminga, advocaat te Zutphen om de
man als bewindvoerder op de voet van artikel 3:181 Burgerlijk Wetboek
te vertegenwoordigen indien een van hen in gebreke blijft op de voor
die verdeling bepaalde plaats en tijd te verschijnen, of verschenen
zijnde, mocht weigeren aan de verdeling mee te werken.

Benoemt over het minderjarige kind:

geboren op te , tot voogdes: de vrouw, en tot toeziend voogd:
de man, wonende te . Beveelt dat de minderjarige, indien hij zich
niet reeds bevindt in de feitelijke macht van de met het gezag beklede
ouder, aan deze zal worden afgegeven.

Bepaalt dat de man, met ingang van de dag waarop de voogdij zal
aanvangen, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de
minderjarige aan de vrouw zal betalen ƒ 250,= (tweehonderdvijftig
gulden) per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te
voldoen.

Regelt het recht van omgang tussen de man en de minderjarige in die zin
dat de minderjarige een zondag per twee weken van 9.00 uur tot 18.00
uur bij hem zal verblijven.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Compenseert de kosten van dit geding aldus, dat iedere echtgenoot met
de eigen kosten belast blijft, behoudens dat de executiekosten ten
laste van de man komen, indien niet vrijwillig wordt voldaan aan de bij
deze beschikking opgelegde alimentatieplicht.

Veroordeelt mitsdien de man in dat geval te dier zake te betalen
rechtstreeks aan de procureur van de vrouw het onder nakosten vallende
salaris en rechtstreeks aan de executerende deurwaarder de nakomende
verschotten.

Rechters

Mr. R.B.M. Keurentjes

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 28 juli 1994

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Een man verzoekt een verklaring voor recht dat hij de biologische vader
is van het kind. De rechtbank heeft daartoe een deskundigenonderzoek
gelast naar het bloed van de man, de vrouw en het kind. De vrouw gaat
hiertegen in beroep. Het hof is van oordeel dat voor zover dit een
inbreuk oplevert op een door art. 8 EVRM beschermd recht, deze inbreuk
gerechtvaardigd is op grond van het door art. 8 EVRM beschermde recht
van de vader. De wettelijke basis is gelegen in art. 221 Rv dat de
rechter de mogelijkheid geeft een deskundigenbericht te laten
uitbrengen.

Volledige tekst

( …) 4. De beoordeling

4.1. Op 8 november 1990 is uit appellante een kind geboren, S.
Geintimeerde, stellend dat hij de biologische vader van dit kind is,
wenst de rechter te gelegener tijd om vaststelling van een
omgangsregeling tussen hem en dat kind te verzoeken. In het onderhavige
geding vordert hij evenwel vooralsnog uitsluitend een verklaring voor
recht, dat hij de vader van dat kind is.

4.2. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank bij tussenvonnis
van 15 oktober 1992 terecht geoordeeld, dat geintimeerde ontvankelijk
is in de door hem ingestelde vordering. Nog afgezien van de overige
door geintimeerde gestelde belangen bij de door hem ingestelde
vordering is voor een in de toekomst door geintimeerde in te dienen
verzoek, strekkend tot vaststelling van een omgangsregeling met genoemd
kind voor hem van essentieel belang, dat komt vast te staan, dat hij de
biologische vader van dat kind is. Hij heeft er naar het oordeel van
het Hof ook belang bij, dat zulks zo snel mogelijk komt vast te staan
en in die zin heeft hij een voldoende dadelijk belang bij de door hem
verzochte declaratoire uitspraak.

4.3. Bijkomende omstandigheden naast biologische vaderschap op grond
waarvan family life in de zin van artikel 8 van het E.V.R.M. zou kunnen
worden aangenomen zijn thans nog niet aan de orde; die kunnen door
geintimeerde bij zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling
worden gesteld en aannemelijk gemaakt.

4.4. De stelling van appellante, in dit verband dat partijen nooit de
bedoeling hebben gehad samen een kind te krijgen mist in het
onderhavige geding relevantie. Ook die stelling zal te zijner tijd
moeten worden beoordeeld door de Rechter die zal beslissen op het door
geintimeerde in te dienen verzoek tot vaststelling van een
omgangsregeling.

4.5. De eerste grief faalt op grond van het vorenstaande.

4.6. Appellante wenst niet haar medewerking te verlenen aan een
bloedonderzoek ter beantwoording van de vraag of geintimeerde de
biologische vader van S kan zijn. Daartoe beroept zij zich op het
bepaalde bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 8 van het
E.V.R.M.

4.7. Voor een beoordeling van de tegenstrijdige stellingen van partijen
met betrekking tot het biologisch vaderschap van geintimeerde is de
Rechtbank aangewezen op gerechtelijke danwel buitengerechtelijke
verklaringen van deskundigen aan de hand waarvan zij een gevolgtrekking
over de toewijsbaarheid van de vordering van geintimeerde mede op grond
vanuit het onderzoek gebleken gegevens van zuiver biologische aard, zal
kunnen maken. Naar het oordeel van het hof is het belang van
geintimeerde bij het komen vaststaan van zijn biologisch vaderschap van
S voldoende groot dat van appellante kan worden gevergd dat zij haar
medewerking aan het door de Rechtbank bevolen bloedonderzoek zal
verlenen. Een dergelijk onderzoek is immers niet zeer ingrijpend van
aard en is door de vooruitgang van de wetenschap in toenemende mate een
geschikt instrument om met een hoge graad van waarschijnlijkheid vast
te stellen wie de biologische vader van een kind is.

De rechtbank heeft bij het formuleren van de opdracht aan de deskundige
er terecht rekening mee gehouden dat 100% zekerheid nog niet is te
verkrijgen door het bloedonderzoek. Bij artikel 221 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering is de Rechter de mogelijkheid gegeven
ambtshalve een deskundigenbericht – als hoedanig een bloedonderzoek als
voormeld moet worden aangemerkt – te doen uitbrengen. Aldus is er
sprake van een geoorloofde beperking van de grondwettelijke rechten
waarop appellante zich beroept. De inbreuk op die rechten is immers bij
de wet voorzien. Inmenging van het openbaar gezag in de uitoefening
door appellante van het haar toekomende, in artikel 8 lid 1 van het
E.V.R.M. neergelegde recht is eveneens toelaatbaar en wel op grond van
het bepaalde bij het tweede lid van dat artikel 8; ook die inbreuk, die
in het onderhavige geval voor de bescherming van de rechten die
geintimeerde aan artikel 8 lid 1 van het E.V.R.M. kan ontlenen
noodzakelijk is, is – op grond van voormeld artikel 221 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering – bij de wet voorzien. Terecht heeft de
Rechtbank dus in de omstandigheden van het geval aanleiding gevonden
een bloedonderzoek te bevelen, zodat ook de tweede grief faalt en het
vonnis, waarvan beroep, behoort te worden bekrachtigd.

4.8. Het hof zal appellante als de in het ongelijk te stellen partij
veroordelen in de op het hoger beroep gevallen proceskosten, voorzover
tot op heden aan de zijde van geintimeerde gemaakt te begroten op de in
het dictum van dit arrest aan te geven wijze.

Rechters

Mrs Van der Velden, Wibaut-Schreurs, Koster-Vaags

Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 22 juli 1994

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


Vanwege zwangerschap eiseres is de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
door de werkgever niet verlengd. Eiseres stelt na tweeeneenhalf jaar,
wanneer alle arbeidsrechtelijke vorderingen zijn verjaard, een vordering
in op grond van onrechtmatige daad dan wel strijd met goed werkgeverschap.
Het kantongerecht oordeelt dat de werkgever niet heeft aangetoond of
aannemelijk gemaakt dat in de organisatie geen plaats voor eiseres
beschikbaar zou zijn geweest. Eiseres heeft afdoende aangetoond dat zij
voldoende pogingen in het werk heeft gesteld om ander werk te vinden.
Wegens inkomstenderving wordt ƒ 9000 materiele schadevergoeding
toegekend en ƒ 2500 als immateriele schadevergoeding.

Volledige tekst

Verloop van de procedure

Bij tussenvonnis van 28 mei 1993 -waarvan de inhoud als hier ingelast en
overgenomen geldt- is een comparitie van partijen gelast.

De comparitie heeft plaatsgevonden op 15 september 1993. Gehoord zijn
partijen en hun gemachtigden.

Gedaagde nam een schriftelijke conclusie na comparitie.

Ook eiseres nam een schriftelijke conclusie na comparitie. De eis is
daarbij gewijzigd als in die conclusie omschreven.

Gedaagde heeft afgezien van reactie op laatstgenoemde conclusie. Zij heeft
mondeling gepersisteerd.

Daarna is opnieuw vonnis gevraagd.

Gronden van de beslissing

Eiseres heeft van 1 januari 1989 tot 1 juni 1989 een uitkering Ziektewet
ontvangen ten bedrage van honderd procent van het laatstgenoten salaris.

Over die periode is derhalve geen inkomensschade geleden.

Weliswaar heeft gedaagde aangetoond dat de reorganisatie in het kader
waarvan het tijdelijke dienstverband van eiseres is aangegaan, op 1 juni
1989 was voltooid, maar zij heeft geen concreet inzicht gegeven in het
feitelijke personeelsverloop tijdens en na deze reorganisatie en niet
aangetoond of aannemelijk gemaakt dat in de ‘afgeslankte’ organisatie geen
plaats voor eiseres beschikbaar zou zijn geweest.

Van 1 juni 1989 tot en met 26 augustus 1989 heeft eiseres een
werkloosheidsuitkering ad in totaal ƒ 4.905,60 bruto genoten.

Eiseres heeft genoegzaam aangetoond dat zij voldoende pogingen in het werk
heeft gesteld om ander werk te vinden.

Het vorenstaande in aanmerking genomen zal aan eiseres naar billijkheid
een schadevergoeding ten bedrage van ƒ 9.000,- bruto worden toegekend ter
zake van gederfde inkomsten. Voorts zijn er termen voor toekenning van ƒ
2.500,= als vergoeding van immateriele schade.

Gedaagde dient te worden aangemerkt als in het ongelijk gestelde partij
en te worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Beslissing

Voor recht wordt verklaard dat gedaagde door het niet verlengen van het
dienstverband van eiseres heeft gehandeld in strijd met het in artikel 1a
lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen neergelegde
verbod.

Gedaagde wordt veroordeeld om aan eiseres als schadevergoeding te voldoen
de som van ƒ 9.000,- bruto ter zake van gederfde inkomsten en van ƒ
2.500,- wegens immateriele schade, vermeerderd met wettelijke rente over
deze bedragen vanaf 4 maart 1994 tot de voldoening.

Gedaagde wordt veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van
eiseres tot op deze uitspraak begroot op ƒ 2.029,41 , waarvan te betalen:

ƒ 50,= aan eiseres voor het door deze voldane gedeelte van de
griffierechten; ƒ 115,= aan de griffier van het kantongerecht te
Amsterdam voor het in debet gestelde gedeelte van de griffierechten; ƒ
1.750,= aan de griffier van het kantongerecht te Amsterdam als salaris
voor de gemachtigde van eiseres; ƒ 114,14 aan de griffier van het
kantongerecht te Amsterdam voor het door deurwaarder J. van der
Lubbbe-Luhrs uitgebrachte exploot. Dit vonnis is tot zover uitvoerbaar bij
voorraad.

Het meer of ander gevorderde is afgewezen.

Deze zaak is gegarandeerd door Proefprocessenfonds Rechtenvrouw.

Rechters

Mr. S.G. Ellerbroek

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 19 juli 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Alleenstaande deelnemers enerzijds en al dan niet gehuwde samenwonende
deelnemers anderzijds, zullen volgens een door de wederpartij en
betreffende vakorganisaties afgesloten Convenant, ongelijkwaardige
aanspraken opbouwe n in het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP).
Verzoekster is van mening dat dit in strijd is met de wetgeving gelijke
behandeling. Het betreffende Convenant is getekend op 10 februari 1993 en
strekte tot het indienen van een wetsvoorstel ter wijziging van de Wet
ABP. Aangezien op het moment van indiening van het verzoek (4 februari
1993) de in het (nog formeel te tekenen) Convenant beoogde rechtsgevolgen
eerst op langere termijn en na een formele wetswijziging in werking zouden
treden, concludeert de Commissie dat zij ingevolge artikel 14 lid 1 WGB
verzoekster in haar verzoek jegens de wederpartij niet kan ontvangen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 4 februari 1993 verzocht de te Den Haag (hierna: verzoekster) de
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of het Ministerie van Binnenlandse
Zaken te Den Haag (hierna: de wederpartij) onderscheid naar geslacht heeft
gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

1.2. Alleenstaande deelnemers enerzijds en al dan niet gehuwd samenwonende
deelnemers anderzijds zullen volgens een door de wederpartij en
betreffende vakorganisaties afgesloten Convenant ongelijkwaardige
aanspraken opbouwen in het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds. Verzoekster
is van mening dat dit in strijd is met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen, met de
aantekening dat allereerst de ontvankelijkheid van het verzoek onderzocht
moet worden. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten weer
te geven.

2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen om hun standpunten verder uiteen
te zetten tijdens een zitting op 8 juli 1994.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw drs (verzoekster) – mw
(toehoorder) – mw (toehoorder) – mw
(toehoorder) – dhr (toehoorder) – mw (toehoorder) –
mw (toehoorder) – dhr mr (toehoorder)

van de kant van de wederpartij – dhr mr (gemachtigde) – mw
(toehoorder)

van de kant van de Commissie – mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter) –
dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer) – dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer)
– mw mr A.K. de Jongh (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. Hierin
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Op 10 februari 1993 hebben de Minister van Binnenlandse Zaken, de
Algemene Centrale van Overheidspersoneel (ACOP), de Christelijke Centrale
van Overheids- en Onderwijspersoneel (CCOOP), het Ambtenarencentrum (AC)
en de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid,
Onderwijs, Bedrijven en Instelling (CMHF) een Convenant privatisering
Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) gesloten. In dit Convenant
verbinden partijen zich de totstandkoming van wetgeving inzake de
privatisering van het ABP te bevorderen, alsmede tot de oprichting van de
Stichting ABP.

3.2. In artikel 3 lid 1 en 3 onder a en b van het Convenant is opgenomen
dat partijen zullen streven naar een privaatrechtelijke regeling van het
ouderdoms-, het nabestaanden- en het aanvullend invaliditeitspensioen,
waarin onder meer de franchise voor alle deelnemers, ongeacht burgerlijke
staat, gelijk zal zijn.

In artikel 2 lid 1 van het Convenant staat dat de wetgeving inzake de
privatisering van het ABP zodanig bevorderd zal worden dat deze op 1
januari 1996 in werking zal treden, of zoveel eerder als mogelijk is.

3.3. Op 26 april 1994 heeft de Eerste Kamer wetsvoorstel 23 442 (Wet
financiele voorzieningen privatisering ABP) aangenomen. In dit
wetsvoorstel is voorzien in een wijziging van de Wet op de ABP, in die zin
dat per 1 januari 1995 een uniforme franchise zal gelden voor alle
deelnemers aan het ABP.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster is van mening dat invoering van gelijke franchises voor
alleenstaanden enerzijds en gehuwd of ongehuwd samenwonenden anderzijds
een ongerechtvaardigd indirect onderscheid naar sekse betekent.
Alleenstaanden zullen zich geconfronteerd zien met een lagere
pensioengrondslag dan nu, terwijl gehuwd en ongehuwd samenwonenden een
hogere pensioengrondslag krijgen dan nu. Het uiteindelijk
pensioenresultaat zal voor alleenstaanden dan ook lager uitvallen ten
opzichte van die van samenwonenden. Dit klemt te meer, daar voor
samenwonenden wel en voor alleenstaanden niet is voorzien in een
nabestaandenpensioen. De toch al bestaande ongelijke behandeling van
alleenstaanden ten opzichte van samenwonenden wordt door invoering van de
gelijke franchises nog verder vergroot. Verzoekster heeft nog nadere
gegevens aangedragen, waaruit naar haar mening duidelijk blijkt dat het
grootste deel van de premies van alleenstaanden en ongehuwden is bestemd
voor hun gehuwde collega’s.

Door de invoering van gelijke franchises worden ten tijde van de
pensioenopbouw meer mannen dan vrouwen getroffen. Bij het realiseren van
de pensioenaanspraken worden meer vrouwen dan mannen getroffen. Ter
staving van deze stellingen wijst verzoekster op gegevens in het
Statistisch Jaarboek 1990. In de leeftijdsgroep tussen 20 en 65 jaar zijn
volgens deze gegevens 1.657.000 mannen ongehuwd c.q. gescheiden tegen
1.301.000 vrouwen. In de leeftijdscategorie van 65 jaar en ouder
daarentegen zijn 69.000 ongehuwde c.q. gescheiden mannen en 152.000
ongehuwde c.q. gescheiden vrouwen. De precieze verhouding mannen en
vrouwen bij het ABP is verzoekster niet bekend. Zij acht het echter
aannemelijk dat de verhouding in hoofdlijnen overeenkomt met het algemene
beeld voor Nederland.

3.5. Ten aanzien van de bevoegdheid van de Commissie wijst verzoekster op
het volgende. De Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb.
1989, 168) is een uitwerking van bepalingen en richtlijnen van de Europese
Unie. Het Europese recht gaat voor het recht van de afzonderlijke
lidstaten. Dat houdt in dat het de Nederlandse overheid niet is toegestaan
wetten te realiseren die in strijd zijn met de WGB. Aangezien, zoals ook
het Europese Hof meermalen heeft uitgesproken, pensioen moet worden gezien
als een onderdeel van de beloning, is ook hier de gelijkheidsnorm van
toepassing, en is de Commissie bevoegd de regeling te toetsen aan de WGB.

3.6. De wederpartij is van mening dat de Commissie niet bevoegd is om te
oordelen over aanspraken en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen, en
derhalve ook niet bevoegd is in het onderhavige verzoek. De Commissie
heeft zich weliswaar in eerdere oordelen bevoegd verklaard maar dat is in
strijd met de nationale bevoegdheidstoedeling zoals neergelegd in de WGB.
Deze zondert immers aanspraken en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen
uitdrukkelijk uit van de toepasselijkheid van de gelijkheidsnorm. Zij
wijst in dit verband op de uitspraak van Het EG-Hof in de zaak Von
Colson/Kamann d.d. 10 april 1984. De daarin erkende verplichting aan alle
met overheidsgezag beklede instanties om algemene en bijzondere
maatregelen te treffen om de nakoming van het doel van de Europese
richtlijn nr. 76/207 te verzekeren, wordt immers gerelateerd aan het kader
van bevoegdheden van de betreffende instanties.

De Commissie is overigens ook al daarom niet bevoegd, omdat het verzoek
geen betrekking heeft op onderscheid naar sekse, maar op onderscheid
tussen alleenstaanden en (on)gehuwd samenwonenden. Verzoekster heeft geen
begin van bewijs aangedragen voor de stelling dat een dergelijk
onderscheid een ongerechtvaardigd sekse-onderscheid in strijd met de WGB
zou meebrengen.

Voorts wijst de wederpartij erop dat individuele overheidswerknemers geen
aanspraken kunnen ontlenen aan het Convenant. De uniforme franchise is nog
geen geldende arbeidsvoorwaarde; dat zal eerst per 1 januari 1995 het
geval zijn.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij handelt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling door in het Convenant van 10 februari 1993
met de betrokken vakorganisaties een bepaling op te nemen, dat zij (onder
meer) gelijke franchises zal bevorderen bij de opbouw van
pensioenaanspraken en de premieheffing in het kader van het te
privatiseren ABP.

4.2. De Commissie wil eerst ingaan op de vraag of zij bevoegd is over het
voorliggend verzoek te oordelen.

Verzoekster stelt dat gelet op het Europese recht, in het bijzonder de
betrokken uitspraken van het EG-Hof, pensioen moet worden gezien als
onderdeel van de beloning aan de betrokken ambtenaren. De Commissie is
derhalve bevoegd om pensioenbepalingen te toetsen aan de WGB. De
wederpartij is van mening dat juist de uitdrukkelijke uitzondering in
artikel 1a WGB voor aanspraken en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen
inhoudt, dat de Commissie op dit onderdeel niet bevoegd is. Zij moet zich
immers houden aan de bevoegdheidstoedeling die de wetgever in de wetgeving
gelijke behandeling heeft neergelegd.

De Commissie overweegt hierover als volgt. Al meermalen heeft de Commissie
uitgesproken (Zie onder meer Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid, 3 april 1991, oordeelnummer 143-91-15.) dat zij
onder voorwaarden bevoegd is te oordelen over de vraag of collectieve
werknemerspensioenregelingen al dan niet in strijd zijn met de wetgeving
gelijke behandeling. De genoemde uitzondering in onder meer artikel 1a WGB
moet immers worden begrepen in het licht van de betekenis van artikel 119
EEG- Verdrag en de daarop gebaseerde EG-richtlijnen inzake gelijke
behandeling. Wat betreft het verweer van de wederpartij merkt de Commissie
op dat, gelet op de wetsgeschiedenis van de wetgeving gelijke behandeling,
de genoemde uitzondering niet dient te worden begrepen als een beperking
van de bevoegdheidstoedeling van de Commissie, maar als een materiele
bepaling die de reikwijdte van de gelijke behandelingsnorm beoogde te
conformeren aan de toen heersende opvattingen over de betekenis van
artikel 119 EEG-Verdrag en de beide toen bestaande EG-richtlijnen inzake
gelijke behandeling. Het is destijds de uitdrukkelijke bedoeling van de
wetgever geweest, de Commissie onderzoeks- en oordeelsbevoegdheid toe te
kennen op het gehele terrein van de wetgeving gelijke behandeling als
uitwerking van de EG- verplichtingen terzake en vanaf 1 juli 1989 tevens
als uitwerking van andere internationale verplichtingen zoals onder meer
vastgelegd in het VN-Verdrag ter uitbanning van alle vormen van
discriminatie jegens vrouwen. Het is dan ook niet alleen de bevoegdheid
van de Commissie, maar ook haar plicht om de materiele bepalingen in de
wetgeving gelijke behandeling mede te interpreteren in het licht van
genoemde internationaalrechtelijke bepalingen.

4.3. Vervolgens gaat de Commissie na of het verzoek, dat zich richt op
toetsing van het Convenant van 10 februari 1993, ontvankelijk is. Zij
overweegt als volgt.

De Commissie stelt allereerst vast dat de vraag of het Convenant kan
worden getoetst beoordeeld moet worden naar de situatie op het moment van
indiening van het verzoek, dat wil zeggen 4 februari 1993.

Het betreffende Convenant is getekend op 10 februari 1993 en strekte
feitelijk tot het, door de wederpartij in een andere hoedanigheid dan
contractspartij, indienen van een wetsvoorstel ter wijziging van de Wet
ABP. Eerder heeft de Commissie uitgesproken (Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid, 7 april 1993, oordeelnummer
554-93-13.) dat toetsing aan de WGB van een Convenant dat strekt tot een
wijziging van een materieel- wettelijke regeling niet bij voorbaat
uitgesloten moet worden geacht. In het onderhavige geval is echter sprake
van voorgenomen wijziging van een formeel-wettelijke bepaling. Ofschoon
een concept-Covenant reeds voor de ondertekening ter informatie aan de
Tweede Kamer der Staten-Generaal werd gezonden, kon er niet op voorhand
van worden uitgegaan dat de daarin voorgenomen wijziging van de Wet
ongewijzigd en ongeclausuleerd door beide Kamers der Staten-Generaal zou
worden aanvaard. Dat geldt eveneens voor de datum van inwerkingtreding van
de betreffende wetswijziging. Voorts moet in aanmerking worden genomen dat
het Convenant de bedoeling had eerst op termijn van jaren de beoogde
rechtsgevolgen voor deelnemende ambtenaren in het leven te doen roepen.

Aangezien op het moment van indiening van het verzoek de in het (nog
formeel te tekenen) Convenant beoogde rechtsgevolgen eerst op langere
termijn en na een formele wetswijziging in werking zouden treden, is de
Commissie, gelet op artikel 14 lid 1 WGB m/v, van oordeel dat het
Convenant alleen al om die reden niet voor toetsing in aanmerking komt.
Dat inmiddels vaststaat dat de bestreden bepaling in het Convenant door
beide Kamers der Staten-Generaal is aanvaard en per 1 januari 1995 in
werking treedt, doet daar niet aan af. Immers, niet de wettelijke regeling
maar alleen het Covenant is aan haar voorgelegd.

Daarmee staat vast, dat ingevolge artikel 14 lid 1 WGB de Commissie
verzoekster in haar verzoek niet kan ontvangen.

4.4. De Commissie wil ten overvloede nog enige woorden wijden aan het
betoog van de wederpartij dat de Commissie niet bevoegd zou zijn aangezien
het verzoek geen betrekking heeft op sekse-onderscheid. Verzoekster zou
geen begin van bewijs hebben aangedragen voor de stelling dat het
onderscheid tussen (on)gehuwd samenwonenden en alleenstaanden strijd met
de WGB zou opleveren. Verzoekster heeft een aantal nadere, doch algemene
gegevens genoemd ter staving van haar stelling dat het bewuste onderscheid
een verboden vorm van sekse-onderscheid zou zijn. De Commissie wil op deze
plaats niet ingaan op de merites van deze gegevens. Zij wijst er echter
op dat de beoordeling van de vraag of aan de stelplicht is voldaan van
allerlei omstandigheden afhangt. Daarbij is in ieder geval van belang dat
de wetgever de Commisie uitdrukkelijk heeft bedoeld als actieve
onderzoekscommissie die zelf zonodig nadere gegevens kan opsporen en
opvragen en daartoe ook de nodige bevoegdheden heeft gekregen. Uit het
voorlichtingsmateriaal dat het verantwoordelijke Ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid al sinds vele jaren verspreidt, mag voorts worden
opgemaakt dat althans dit Ministerie zelf geringe eisen stelt aan een
correcte indiening van een verzoek.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit, dat ingevolge atikel 14 lid 1
WGB m/v de te Den Haag in haar verzoek jegens de Minister van Binnenlandse
Zaken te Den Haag om een bepaling uit het Convenant van 10 februari 1993
te toetsen aan de wetgeving gelijke behandeling, niet ontvangen kan
worden.

Aldus vastgesteld op 19 juli 1994 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 8 juli 1994.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis, dhr mr R.A.C.M. Langemeijer, dhr mr A.W.Heringa, mw mr A.K. de Jongh