Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 juli 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster werkt vanaf 1979 voor de wederpartij (een landelijk dagblad).
Zij heeft verzocht om als servicedame te kunnen deelnemen aan een van de
pensioenregelingen die de wederpartij hanteert. De wederpartij laat
verzoekster niet toe tot de geldende pensioenregeling voor agenten, en
kent evenmin een aparte, vergelijkbare pensioenregeling voor
service-dames. De Commissie stelt dat de contractuele relatie tussen
verzoekster als service-dame en de wederpartij, als een relatie zoals
bedoeld in artikel 1b WGB kan worden beschouwd. Zij haakt hiervoor aan bij
het begrip werknemerschap uit de sociale zekerheid (rariteitenbesluit).
Commissie besluit haar oordeel over de vraag of verzoekster op grond van
geslacht ongelijk is behandeld in de periode voor 17 mei 1990 (de zaak
Barber) aan te houden, gezien de onduidelijkheid in de jurisprudentie van
het EG-Hof. Over de periode vanaf 17 mei 1990 concludeert de Commissie dat
voor het gemaakte indirecte onderscheid geen objectieve rechtvaardiging
bestaat, en dat de wederpartij in strijd handelt met artikel 1b WGB, door
verzoekster niet toe te laten tot de pensioenregeling voor agenten, of op
andere wijze in een pensioenregeling te voorzien.

Volledige tekst


De Commissie voegt hier aan toe dat wanneer verzoekster in beginsel wel
in aanmerking zou komen voor de pensioenregeling voor agenten of een
soortgelijke regeling voor service-dames, zij niet aan de voorwaarden voor
toelating zal voldoen vanwege de gestelde inkomenseis. De Commissie wijst
er op dat ook hier dan weer een vermoeden van indirect onderscheid rijst
omdat het gevaar dreigt dat opnieuw vooral vrouwen niet zullen voldoen aan
deze eis. Van een objectieve rechtvaardiging voor dit vermoeden van
indirect onderscheid, is in dit onderzoek niet gebleken.

5. DE BESLISSING EN HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De periode voor 17 mei 1990 De Commissie besluit haar oordeel over de
vraag of te Amsterdam jegens mevrouw te Nuenen in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld in de periode
voor 17 mei 1990, aan te houden tot het Hof van Justitie uitspraak heeft
gedaan in de in paragraaf 4.5. genoemde zaken.

De periode na 17 mei 1990 De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat
te Amsterdam jegens mevrouw te Nuenen in strijd
handelt met artikel 1b Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen jo
7A:1637ij Burgerlijk Wetboek door haar niet toe te laten tot de
pensioenregeling voor agenten c.q. in andere wijze in een pensioenregeling
te voorzien.

Aldus vastgesteld op 15 juli 1994.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis, dhr mr R.A.C.M. Langemeijer, dhr mr A.W.Heringa, mw mr J.E. Onnen, mw mr A.S. Possel, mw mr G.L.M. Lenssen

Instantie: Rechtbank Alkmaar, 14 juli 1994

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Partijen zijn 22 jaar getrouwd geweest en hebben een minderjarig kind van
zeventien jaar. De man heeft verzocht de alimentatie af te wijzen, althans
niet toe te wijzen dan tot een bedrag van ƒ 432,= per maand met bepaling
dat de alimentatie dan slechts verschuldigd zal zijn tot twee jaar na
datum van de echtscheiding. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten
en omstandigheden: huwelijksdatum van partijen; minderjarig kind van
partijen; vrouw vormt met het kind een eenoudergezin; vrouw heeft geen
inkomen uit arbeid; vrouw heeft opleiding voetreflexelogie en cursus
magnetiseren gevolgd; vrouw heeft tijdens het huwelijk als verkoopster
gewerkt in het bedrijf van de man; financiele lasten vrouw; man vormt met
oudste kind van partijen een eenoudergezin; inkomen en fianciele lasten
man. Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat de vrouw
behoefte heeft. Het verzoek tot limitering wijst de rechtbank af. Gelet
op de duur van het huwelijk, de leeftijd van de vrouw, de situatie op de
arbeidsmarkt, is niet te voorzien dat de vrouw over twee jaar geheel in
eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien. Alimentatie wordt ƒ 1.000,=.

Volledige tekst

Gezien de overgelegde en als hier ingevoegd geldende stukken, waaronder:
het inleidend verzoekschrift met de daarbij behorende bescheiden als
bedoeld in art. 815 lid 2 a tot en met d van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering, ingekomen ter griffie op 20 september 1993;

Het verweerschrift tevens verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 9
november 1993;

Het verweerschrift van de man, ingekomen ter griffie op 13 april 1994;

Gelet op de mondelinge behandeling gehouden op 13 juni 1994 blijkens het
daarvan opgemaakte proces-verbaal.

Overweegt ten aanzien van de feiten:

De man heeft bij bovengenoemd verzoekschrift onder meer verzocht
echtscheiding tussen partijen, Nederlanders uit te spreken.

De vrouw heeft bij verweerschrift, tevens verzoekschrift, zich ten aanzien
van de echtscheiding, de gezagsvoorziening, en de omgangsregeling met
betrekking tot het minderjarig kind van partijen gerefereerd aan het
oordeel van de rechtbank en de rechtbank verzocht om te bepalen dat de man
voor het levensonderhoud van de vrouw ƒ 2.500,= per maand en voor de
verzorging en opvoeding van het minderjarig kind van partijen ƒ 500,= per
maand aan de vrouw zal betalen, uitvoerbaar bij voorraad en bij
vooruitbetaling te voldoen.

De man heeft bij verweerschrift de rechtbank verzocht het
alimentatieverzoek van de vrouw af te wijzen, althans niet toe te wijzen
dan tot een bedrag van ƒ 432,= per maand met bepaling dat de alimentatie
dan slechts verschuldigd zal zijn tot twee jaar na datum van de
echtscheiding en het verzoek met betrekking tot de bijdrage in de kosten
van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen niet
toe te wijzen dan tot een bedrag van ƒ 250,= per maand.

Het minderjarige kind heeft bij verklaring d.d. 18 mei 1994 zich
uitgelaten over de gezagsvoorziening.

Overweegt ten aanzien van het recht:

De man heeft voldaan aan het voorschrift van art. 815 lid 2 a tot en met
d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De rechtbank heeft de in deze beschikking vermelde voornamen en
geslachtsnamen van partijen en de datum en plaats van de
huwelijksvoltrekking, alsmede de voornamen, geboortedatum en -plaats van
hun minderjarige kind, overgenomen uit de desbetreffende bescheiden, voor
zover nodig met dienovereenkomstige rectificatie van het bovengenoemd
verzoekschrift.

Het gestelde omtrent de huwelijkssluiting, het huwelijksgoederenregime,
het minderjarige kind en de nationaliteit van partijen staat als niet
weersproken en gedeeltelijk gestaafd door de overgelegde bescheiden vast.

Voorts is als gesteld en erkend komen vast te staan dat het huwelijk
duurzaam is ontwricht, zodat het verzoek tot echtscheiding, nu daartegen
geen verweer wordt gevoerd, kan worden toegewezen.

De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot de voorziening in het
gezag ten aanzien van het oudste kind van partijen afwijzen, nu dit kind
inmiddels meerderjarig is geworden.

De rechtbank acht na te melden voorziening in het gezag en de hierna vast
te stellen regeling inzake de omgang tussen de minderjarige en de niet met
het gezag beklede ouder het meest in het belang van de betrokken
minderjarige.

Tussen partijen is in geschil de door de vrouw verzochte bijdrage in haar
levensonderhoud en in de kosten van verzorging en opvoeding van het nog
minderjarige kind van partijen.

Hieromtrent is uit de stukken en uit de door partijen ter zitting
verstrekte inlichtingen het volgende gebleken: a. Partijen zijn op 20
november 1972 in het huwelijk getreden. Uit hun huwelijk is een thans nog
minderjarig kind geboren. b. De vrouw vormt met voormeld kind een
eenoudergezin. Zij heeft geen inkomen uit arbeid. Zij heeft een opleiding
voetreflexologie en een cursus magnetiseren gevolgd. Zij heeft gedurende
haar huwelijk met de man als verkoopster gewerkt in de slagerij en heeft
de boekhouding gevoerd. Zij heeft inkomsten uit een verhuurde woning te
S, te weten F 500,= per maand. zij bewoont een woning die geheel haar
eigendom is, waarop een hypothecaire lening van ƒ 40.000,= rust en waarop
zij ƒ 250,= per maand aan rente betaalt. Op een redementsrekening heeft
zij per 10 januari 1994 ongeveer ƒ 11.700,= staan en bij de Postbank ƒ
5.470,=. Voorts ontvangt zij thans ƒ 1.000,= alimentatie per maand ten
behoeve van het minderjarige kind ƒ 250,= per maand. Aan
ziektekostenverzekering betaalt zij ƒ 200,= per maand. Aan eigen risico
gemiddeld ƒ 100,= per maand, en aan onderhoud huizen ƒ 300,= per maand.
c. De man vormt met het oudste kind van partijen een eenoudergezin. Hij
heeft inkomen uit een slagerij. De gemiddelde winst uit zijn onderneming
bedroeg over de laatste vijf jaar ongeveer ƒ 74.980,= per jaar. Zijn netto
maandinkomen bedraagt ongeveer ƒ 5.100,=. Op de op het onroerend goed
rustende hypotheek van ƒ 175.000,= (1984) betaalt hij -met een
aflossingstermijn van dertig jaar- ƒ 486,16 per maand aflossing. De
ziektekostenverzekering bedraagt ƒ 256,55 per maand met een gemiddeld
eigen risico van ƒ 150,= per maand. De huur van de man van het
woongedeelte van de woning kan op ƒ 345,= per maand worden gesteld. Aan
premie AOW betaalt de man ƒ 669,= per maand, aan pensioenverzekering ƒ
415,67 per maand en aan risico levensverzekering ƒ 59,58 per maand. De man
voert aan dat het resultaat van zijn onderneming over 1993 extreem hoog
ligt. Volgens hem heeft dit een incidenteel karakter samenhangend met de
in dat jaar buitengewoon lage prijzen van het varkensvlees. De omzet is
volgens de man immers sedert 1988 gestaag gedaald.

Uit het bovenstaande komt voldoende naar voren dat de vrouw behoefte heeft
aan een bijdrage in haar levensonderhoud.

Gelet op het gemiddeld inkomen van de laatste vijf jaar, waarbij de
rechtbank heeft meegewogen dat met name 1993 een goed
ondernemingsresultaat heeft opgeleverd en 1988 een uitzonderlijk mager
resultaat, hetgeen derhalve reeds geruime tijd gelden is, en rekening
houdend met een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het
minderjarige kind van partijen van ƒ 500,= per maand, is de rechtbank van
oordeel dat na te melden bijdrage ten behoeve van het levensonderhoud van
de vrouw in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.

De rechtbank zal het verzoek van de man tot limitering van de alimentatie
ten behoeve van de vrouw voor de duur van twee jaar na datum van de
echtscheiding afwijzen. Gelet op de duur van het huwelijk van partijen,
de leeftijd van de vrouw en de situatie op de arbeidsmarkt, is het niet
te verwachten dat zij over twee jaar geheel in haar eigen levensonderhoud
zal kunnen voorzien.

Beschikt als volgt:

Spreekt tussen partijen op te gehuwd, echtscheiding uit.

Benoemt over de minderjarige: geboren te op tot voogdes de vrouw
en tot toeziend voogd de man.

Beveelt voor zover nodig de afgifte van de minderjarige aan de met het
gezag belaste ouder.

Bepaalt dat de omgangsregeling tussen de minderjarige en de niet met het
gezag belaste ouder in onderling overleg zal worden geregeld.

Bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding
van voornoemde minderjarige aan de vrouw telkens bij vooruitbetaling zal
betalen ƒ 500,= per maand, te vermeerderen met het bedrag van iedere
uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve
van deze minderjarige kan of zal worden verleend, een en ander met ingang
van de dag waarop de voogdij aanvangt, met dien verstande dat de kosten
van niet vrijwillige nakoming voor rekening van de bijdrageplichtige
komen.

Bepaalt dat de man aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud zal
betalen van ƒ 1.000,= per maand (zegge: een duizend gulden), telkens bij
vooruitbetaling te voldoen met ingang van de dag van inschrijving van deze
beschikking, met dien verstande dat de kosten van niet vrijwillige
nakoming voor rekening van de bijdrageplichtige komen.

Verklaart deze beschikking wat voorafgaande bepalingen met betrekking tot
de alimentatie en de bijdrage betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Compenseert de proceskosten tussen partijen, echtelieden, in dier voege,
dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Rechters

mr. A.S. van Leeuwen

Instantie: Hof van Justitie EG, 14 juli 1994

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Ontslag wegens zwangerschap is directe discriminatie en kan niet
worden gerechtvaardigd met een beroep op het feit dat de werkneemster niet
beschikbaar is tijdens de periode waarvoor zij (in eerste instantie) is
aangenomen en dat een man die dat om medische of andere redenen evenmin
is, op dezelfde manier zou zijn behandeld. Er is sprake van een
arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur.

Volledige tekst


Deze aanwijzingen ten spijt, dient men naar mijn mening
voorzichtigheid te betrachten ten aanzien van het doen van al te harde
toekomstvoorspellingen. Het Hof heeft nu eenmaal niet gesteld dat het
ontslag gerechtvaardigd is ingeval van een tijdelijk contract. De Europese
Commissie heeft tijdens de procedure wel de vraag naar voren gebracht wat
het oordeel van het Hof in een dergelijk geval zou zijn, maar het Hof
heeft evenals de AG de beantwoording daarvan vermeden. Voorts is het niet
ondenkbeeldig dat het Hof, gezien de ad-hoc basis waarop het bekijkt of
er sprake is van discriminatie op grond van zwangerschap, in de toekomst
tot de conclusie zou kunnen komen dat ingeval van een tijdelijk contract
de ongelijke behandeling op de onbeschikbaarheid is gebaseerd en niet op
de zwangerschap. Daarnaast lijkt ook nog een andere interpretatie van de
uitspraak van het Hof mogelijk dan dat de werkgever in geval van een
tijdelijk contract ontslagbevoegd is, namelijk dat hij het contract niet
hoeft te vernieuwen wanneer dat afloopt. Toegepast op de Webb casus, zou
dit betekenen dat Webb ontslagen zou kunnen worden na afloop van het
zwangerschapsverlof van degene die ze vervangt (zie Brian Napier, Webb in
Europe, New Law Journal, 22 juli 1994, p. 1020). In aansluiting hierop is
het ook van belang hoe het Hof het ontslagverbod van artikel 10 van
richtlijn 92/85 zal gaan interpreteren. Zoals het reeds in Webb heeft
gezegd, staat dit artikel geen enkele uitzondering op of afwijking van het
ontslagverbod toe, behalve in uitzonderingsgevallen die geen verband
houden met de toestand van de betrokkene.

Ontslag op grond van het feit dat een vrouw wegens zwangerschap niet de
werkzaamheden in het kader van een tijdelijk contract kan vervullen, kan
toch moeilijk geacht worden niks met de toestand van de betrokkene te
maken te hebben. Wel rijst in dit verband een andere complicatie, namelijk
dat het voorgaande speciaal ziet op ontslag en niet van toepassing is op
niet-aanstelling van een zwangere sollicitante. Gezien de jurisprudentie
van het Hof, is het onwaarschijnlijk en moeilijk verdedigbaar dat het Hof
een verschillende benadering ten aanzien van ontslag en niet-aanstelling
op grond van zwangerschap zal ontwikkelen.

Het is jammer dat het Hof geen definitief uitsluitsel heeft gegeven,
vooral gezien de onduidelijkheid die omtrent deze materie in de lidstaten
bestaat. Ervan uitgaande dat er in Webb vooraleerst sprake was van een
tijdelijk contract ter vervanging, hebben de Britse rechters zich
voornamelijk laten leiden door de onrechtvaardigheid van elk ander
resultaat, hetgeen dus kan resulteren in de onwenselijke constatering dat
er helemaal geen sprake is van discriminatie (zie onder andere Anthony
Tanney, o.c., p. 1023). Deze onrechtvaardigheid van het alternatief heeft
men in de Nederlandse literatuur met name proberen te ondervangen door aan
te voeren dat ingeval van een tijdelijke arbeidsovereenkomst, een ontslag
of niet- aanstelling op grond van zwangerschap gerechtvaardigd zou moeten
kunnen worden met een beroep op de redelijkheid en billijkheid (zie in die
zin K. Wentholt, o.c., p. 346 e.v.). In de Nederlandse rechtspraak heeft
het probleem zich strikt genomen nog niet in deze vorm gesteld, maar wel
hebben zich situaties voorgedaan waarin de werkgever met een beroep op de
onbeschikbaarheid van de zwangere sollicitantes weigerde hen aan te
stellen. Evenals het Hof in Webb, heeft de Commissie gelijke behandeling
het probleem kunnen omzeilen door te stellen dat er geen sprake was van
zuivere tijdelijke aanstellingen (CGB 17.9.1990, oordeel 158-90-134 en CGB
2.10.1991, oordeel 438-91-68 zoals aangehaald in K. Wentholt, o.c., p.
343-346). Het lijkt echter onvermijdelijk dat het probleem zich in de
toekomst wel in ‘zuivere’ vorm zal stellen en dat het Hof zich daarover
uiteindelijk zal moeten uitspreken. Zou het dan tot de conclusie komen dat
ingeval van een tijdelijk contract ontslag dan wel niet-aanstelling is
gerechtvaardigd, dan zijn de problemen daarmee nog niet de wereld uit.
Vragen die zich onmiddellijk opdringen zijn bijvoorbeeld of de
rechtvaardiging voor alle tijdelijke contracten geldt of alleen voor
contracten ter vervanging van andere werknemers. En wat moet de duur zijn
van een tijdelijk contract, wil een ongelijke behandeling nog
gerechtvaardigd zijn en wie bepaalt dat? Is dat de nationale rechter, dan
zijn onderlinge verschillen tussen de lidstaten niet uit te sluiten (zie
voor een rechtsvergelijkende benadering van de rechtvaardiging van direct
onderscheid op grond van zwangerschap: Tamara Hervey, Justifications for
Sex Discrimination in Employment, Butterworths, 1993, p. 155-171).

Linda Senden

Rechters

Mrs. Moitinho de Almeida, Joliet, Rodriguez Iglesias, Grevisse,Zuleeg

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 14 juli 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster werkte bij de wederpartij in de functie van selecteur. Zij
heeft gesolliciteerd op een tweetal leidinggevende functies. Zij is voor
deze functies afgewezen. Een mannelijke kandidaat is in de functies
benoemd. Hoewel er bij de wederpartij een voorkeursbeleid gold en
verzoekster aan de opleidingseisen voldeed, is zij niet voor een
sollicitatiegesprek uitgenodigd. Het hanteren van een voorkeursbeleid
brengt met zich mee dat de selectie van kandidaten op een extra
zorgvuldige wijze moet plaatsvinden. Door verzoekster niet voor een
gesprek uit te nodigen, is niet voldaan aan de zorgvuldigheidseisen die
uit de WGB voortvloeien. Strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 16 april 1993 verzocht mevrouw te Zoetermeer
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de
Minister van Defensie te Den Haag (hierna: de wederpartij) jegens haar
onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster was bij de wederpartij werkzaam in de functie van
selecteur. Zij heeft gesolliciteerd op een tweetal leidinggevende
functies. Zij is voor deze functies afgewezen. Een mannelijke kandidaat
is in de functies benoemd. Verzoekster is van mening dat de wederpartij
hiermee, mede gelet op het geldende voorkeursbeleid, in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun
standpunten schriftelijk weer te geven.

2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen om hun standpunten nader toe te
lichten tijdens een zitting op 19 mei 1994. Daarbij waren aanwezig: van
de kant van verzoekster – mw (verzoekster) – dhr
(gemachtigde)

van de kant van de wederpartij – dhr (hoofd
) – dhr (hoofd afdeling personeelszaken)

van de kant van de Commissie – mw mr C.H.S. Evenhuis (plaatsvervangend
Kamervoorzitter) – mw drs A.J. Huber (lid Kamer) – mw mr A.C. Possel (lid
Kamer) – mw mr A.K. de Jongh (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster was van 1 juli 1990 tot oktober 1993 bij de wederpartij
werkzaam als selecteur bij het bureau onderofficieren (hierna: bureau
o.o.). Tevens was zij secretaris van de Aanstellingsadviescommissie van
de Koninklijke Militaire School. Verzoekster werd betaald volgens schaal
6 BBRA. Zij heeft in 1992 haar opleiding MBO AP/PB afgerond en was aan de
studie HBO P&A begonnen. Deze studie hoopt zij in 1994 af te sluiten.

Het bureau o.o. valt onder de van de afdeling
Personeelsvoorziening van de Directie Personeel Koninklijke Landmacht. De
bestaat uit zes bureaus. Elk bureau heeft een hoofd en een
plaatsvervangend hoofd. De hoofden van de bureaus zijn allen mannen. Vijf
bureaus hebben mannelijke plaatsvervangende hoofden, een bureau heeft
sinds enige jaren een vrouwelijk plaatsvervangend hoofd. In totaal zijn
bij deze sectie zeven vrouwen werkzaam. Een van deze vrouwen werkt in
schaal 7 BBRA, de andere vrouwen werken in lagere rangen.

3.2. Op 8 mei 1992 heeft de wederpartij middels het periodieke blad
“interne vacatures” een vacature voor plaatsvervangend hoofd van het
bureau o.o. bekend gemaakt. In de vacaturemelding stond bij de
functie-eisen: – diploma HAVO; – diploma MBO-AP/PB danwel studerend
hiervoor; – goede contactuele eigenschappen alsmede een goede mondelinge
en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid; – bij voorkeur enige praktische
ervaring m.b.t. personeelswerkzaamheden. Het was de bedoeling om eerst
intern te werven. Indien dit geen geschikte kandidaat zou opleveren, zou
er extern geworven worden.

Op de vacature is door twaalf interne kandidaten gereageerd, waarvan acht
mannen en vier vrouwen, onder wie verzoekster. Er is in eerste instantie
met vier mannelijke kandidaten een gesprek gevoerd. Aangezien de
wederpartij hier geen geschikte kandidaten tussen vond, heeft zij
vervolgens nog met drie van de andere mannelijke kandidaten een
sollicitatiegesprek gevoerd. Deze laatste drie kandidaten waren in eerste
instantie niet geselecteerd, omdat zij niet aan de gestelde
opleidingseisen voldeden. Een van deze mannen is in de betreffende functie
benoemd.

De sollicitatiecommissie bestond uit het hoofd van de , het hoofd van het
bureau o.o., het plaatsvervangend hoofd van de afdeling
Personeelsvoorziening en het hoofd van het bureau officieren.

3.3. In mei 1992 heeft verzoekster naar de betreffende functie
gesolliciteerd. Zij voldeed aan de in de vacaturemelding genoemde
functie-eisen. Het toenmalig hoofd bureau o.o. heeft nadat hij had gehoord
dat zij zou solliciteren, tegen verzoekster gezegd dat hij ten aanzien van
haar sollicitatie positief zou adviseren. Op 11 juni 1992 werd verzoekster
voor een sollicitatiegesprek uitgenodigd. Later heeft het plaatsvervangend
hoofd van de afdeling Personeelsvoorziening het gesprek afgezegd. Hij gaf
daarvoor als reden dat het niet noodzakelijk was met verzoekster een
gesprek te voeren, omdat de sollicitatie- commissie verzoekster al kende.
Aan verzoekster werd tegelijkertijd gezegd dat als zij per se wilde, er
wel een gesprek met haar gevoerd zou worden.

Eind juni 1992 had verzoekster nog niets over haar sollicitatie gehoord.
Zij heeft het hoofd bureau o.o. gevraagd waarom de procedure zoveel tijd
in beslag nam. Hij antwoordde dat de vier kandidaten die voor een gesprek
waren uitgenodigd niet geschikt voor de functie waren bevonden en dat er
daarom nog andere kandidaten werden uitgenodigd. Haar kandidatuur zou ook
de in tweede ronde worden meegenomen. Van deze procedure was verzoekster
niet eerder op de hoogte gesteld.

Toen verzoekster vernam dat een man voor de functie was aangenomen die
niet aan de opleidingseisen voldeed, heeft zij een gesprek gehad met het
plaatsvervangend hoofd van de afdeling Personeelsvoorziening. In dit
gesprek heeft zij hem gevraagd hoe het mogelijk was dat een kandidaat, die
op het desbetreffende bureau werkzaam was, een goede beoordeling had en
aan de vereiste opleidingseisen voldeed, voor de functie is afgewezen,
terwijl iemand die niet over de vereiste voor- opleiding beschikte en geen
ervaring had, wel is aangenomen. Het plaatsvervangend hoofd heeft hierop
geantwoord dat hij het niet wist, dat de beslissing tijdens zijn vakantie
was genomen en dat hij de beslissing niet meer kon terugdraaien.

3.4. In de tweede helft van juli 1992 heeft er een gesprek plaatsgevonden
tussen het hoofd van de , het hoofd van het bureau o.o.
en verzoekster. Volgens de wederpartij zijn in dit gesprek aan verzoekster
de redenen voor haar afwijzing meegedeeld. Dit wordt door verzoekster
ontkend. Zij stelt dat de afwijzingsgronden haar eerst tijdens de
procedure bij de Commissie duidelijk zijn geworden.

Tijdens de procedure bij de Commissie heeft de wederpartij de volgende
redenen voor de afwijzing gegeven. Bij de beoordeling van de kandidaten
hebben niet alleen vooropleiding en ervaring een rol gespeeld, maar ook
persoonlijke eigenschappen van de verschillende kandidaten. Van het
plaatsvervangend hoofd werd een meer inhoudelijke bijdrage aan het proces
verwacht dan van een selecteur (de functie van verzoekster). Van het
plaatsvervangend hoofd werd tevens verwacht dat deze met de
wervingsproblematiek bij Defensie inventief kon omgaan en dat deze
initiatieven ontplooide die positieve effecten zouden hebben op het gebied
van de werving. Een selecteur is daarentegen voornamelijk individueel
gericht en zijn werkzaamheden zijn in hoofdzaak uitvoerend.

Verder heeft de wederpartij aangevoerd dat verzoekster in de functie van
selecteur weliswaar voldoende functioneerde, maar nog geen aanleiding gaf
te veronderstellen dat aanzetten tot veranderingen in de werving van haar
konden worden verwacht. Daarvoor heeft zij te weinig blijk van
realiteitszin en flexibiliteit gegeven. Daarnaast waren haar
communicatieve vaardigheden voor de functie van plaatsvervangend hoofd
onvoldoende. Verzoekster was daardoor beduidend minder geschikt dan de
kandidaat die uiteindelijk in de functie is benoemd.

3.5. Eind december 1992 werd de functie van hoofd bureau o.o. vacant. Ook
deze vacature is via het blad “interne vacatures” bekend gemaakt. De
functie-eisen voor deze functie waren: – diploma HAVO en diploma MBO-AP/PB
dan wel een gelijkwaardige combinatie van opleiding en ervaring; –
leidinggevende capaciteit; – goede contactuele eigenschappen; – goede
mondelinge en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid; – praktische ervaring
m.b.t. personeelswerk. De samenstelling van de sollicitatiecommissie was
hetzelfde als voor de functie van plaatsvervangend hoofd.

Op deze vacature hebben zeven personen gesolliciteerd, waaronder twee
vrouwen en vijf mannen. De mannelijke kandidaat die eerder in de functie
van plaatsvervangend hoofd was benoemd, is in de functie van hoofd
benoemd. Er heeft hiervoor geen sollicitatiegesprek met hem
plaatsgevonden. De openvallende functie van plaatsvervangend hoofd is
ingevuld door een mannelijke herplaatsingskandidaat.

Verzoekster heeft op de functie van bureauhoofd gesolliciteerd. Gezien
haar opleiding en ervaring meende zij voor deze functie in aanmerking te
komen. Verzoekster is ook voor deze functie afgewezen. De wederpartij
heeft als reden voor de afwijzing gegeven, dat de afwijzingsgronden voor
de functie van plaatsvervangend hoofd nog steeds geldig waren.

Op 19 februari 1993 vond er een beoordelingsgesprek plaats tussen
verzoekster en het hoofd . In dit gesprek kwam
verzoeksters sollicitatie naar de functie van bureauhoofd ter sprake.
Hiervoor had zij hier nog niets over gehoord. Tijdens dit gesprek heeft
het hoofd aangegeven dat de keuze niet op verzoekster was gevallen, omdat
haar persoon niet bij de functie paste. In het gesprek heeft verzoekster
duidelijk gemaakt dat zij zich hier niet mee kon verenigen. Verzoekster
kreeg overigens een voldoende beoordeling.

3.6. Bij de wederpartij geldt een voorkeursbeleid voor vrouwen. Dit beleid
is gericht op de bevordering van de doorstroming van vrouwen naar hogere
functies. In het interne vacatureblad staat standaard vermeld dat het
Ministerie van Defensie vrouwen aanmoedigt te solliciteren wanneer zij
denken voor een functie in aanmerking te komen en dat bij gelijke
geschiktheid van kandidaten vrouwen de voorkeur genieten. Uit een brief
van de Staatssecretaris van Defensie d.d. 20 juni 1988 blijkt dat het
percentage vrouwen onder het burgerpersoneel 17 is, terwijl het
overeenkomstige percentage op de arbeidsmarkt ongeveer 35 bedraagt.
Blijkens een overzicht bij deze brief dient in 1990 het streefcijfer van
35% vrouwen onder burgerpersoneel gerealiseerd te zijn.

Standpunten van partijen

3.7. Verzoekster is van mening dat de wederpartij bij de selectie jegens
haar in strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld. Zij
is ervan overtuigd dat de reden waarom niet zij, maar een man in de
desbetreffende functies is benoemd, gelegen is in het feit dat zij vrouw
is. Hiervoor draagt zij het volgende aan.

De mannelijke kandidaat die voor de functies is benoemd bezat noch de
vereiste vooropleiding noch de gewenste werkervaring. Dit, terwijl van het
plaatsvervangend hoofd een inhoudelijke bijdrage op het gebied van de
werving werd verwacht. Bovendien werd ook nog van hem verwacht dat hij
inventief met de wervingsproblematiek omging en initiatieven op dit gebied
zou ontplooien. Verzoekster beschikte wel over de vereiste vooropleiding
en ervaring. Zij werkte reeds zelfstandig in haar huidige functie.
Bovendien heeft zij verscheidene malen de werkzaamheden van het toenmalige
plaatsvervangend hoofd bureau o.o. waargenomen, toen deze langdurig
afwezig was. Verzoekster heeft geen signalen ontvangen dat zij tijdens
deze waarneming niet goed gefunctioneerd zou hebben. Het aannemen van de
mannelijke kandidaat is te meer onbegrijpelijk, gezien het voorkeursbeleid
voor vrouwen dat bij de wederpartij geldt.

Verzoekster stelt dat tijdens het beoordelingsgesprek op 19 februari 1993
het hoofd van de het volgende heeft gezegd over haar
sollicitatie naar de functie van bureauhoofd. Wat betreft de
opleidingseisen merkte hij op dat “wij zoveel schrijven”. Ten aanzien van
de functie-eisen kennis en ervaring zei hij dat hij dit niet zo belangrijk
vond, omdat je die al lerende kon opdoen. De persoon daarentegen was wel
belangrijk en verzoekster paste wat dit betreft niet bij de functie.
Verzoeksters constatering dat zij dus kon leren wat ze wilde, maar bij de
nooit verder zou komen, werd door het hoofd bevestigd.

Tot slot stelt verzoekster dat zij tijdens de sollicitatieprocedure niet
op de hoogte is gesteld van de afwijzingsgronden voor de functie van
plaatsvervangend hoofd. Zij heeft wel naar de redenen voor de afwijzing
gevraagd, maar hierop kreeg zij geen bevredigend antwoord. Op haar vragen
werd gereageerd in de trant van “Je moet het je maar niet aantrekken” en
“Zie maar dat je zo snel mogelijk ergens anders een baan krijgt”.
Aangezien zij van de afwijzingsgronden niet op de hoogte was meende zij
een reele kans te hebben om voor de functie van hoofd in aanmerking te
komen. Het was naar haar idee namelijk mogelijk dat ze voor de functie van
plaatsvervangend hoofd overgekwalificeerd was en daarom niet was
aangenomen. Als verzoekster wel op de hoogte was geweest van de
afwijzingsgronden voor de eerste functie, had zij niet naar de functie van
hoofd gesolliciteerd. Wellicht had zij dan cursussen gevolgd om haar
kansen te vergroten.

3.8. De wederpartij brengt het volgende naar voren. Verzoekster is niet
in de functies aangenomen, omdat de mannelijke kandidaat die uiteindelijk
gekozen is, geschikter was. Aangezien er geen sprake van was van gelijke
geschiktheid is de wederpartij niet toegekomen aan toepassing van haar
voorkeursbeleid.

Het is juist dat de aangestelde mannelijke kandidaat voor de functie van
plaatsvervangend hoofd niet voldeed aan de opleidingseisen zoals in de
vacaturemelding genoemd (hij was in het bezit van de diploma’s MAVO-4,
Horeca Vakschool en Middelbaar Dienstverlenend en Gezondheidsonderwijs),
maar dit manco werd gecompenseerd door zijn eerder opgedane werkervaring
in combinatie met zijn opleidingen. Hij had namelijk anderhalf jaar
ervaring met het houden van veiligheidsonderzoeken en twee jaar ervaring
als medewerker rechtspositie bij de afdeling Individuele Rechtspositie.
Overigens stond in de vacaturemelding bij de opleidingseisen voor hoofd
vermeld diploma HAVO en diploma MBO-AP/PB, dan wel een gelijkwaardige
opleiding en ervaring. Deze toevoeging had als gevolg dat er ten aanzien
van deze opleidingseis geen sprake was van een keiharde functie-eis.

Wat betreft de vervanging van het toenmalige plaatsvervangend hoofd door
verzoekster, voert de wederpartij aan dat verzoekster bij deze vervanging
niet het hele takenpakket van hem had overgenomen. Het hoofd deed namelijk
ook een deel van de werkzaamheden van het plaatsvervangend hoofd.

Ten aanzien van de wijze waarop de sollicitatieprocedure is gevoerd, merkt
de wederpartij het volgende op. Zij benadrukt dat verzoekster het ermee
eens was, dat een sollicitatiegesprek voor de functie van plaatsvervangend
hoofd achterwege kon blijven. De wederpartij blijft erbij dat een
sollicitatiegesprek met verzoekster geen toegevoegde waarde zou hebben
gehad. Het feit dat verzoekster niet op gesprek is geweest, betekent niet
dat zij voor de functie van plaatsvervangend hoofd niet meer in de
sollicitatieprocedure is betrokken. Zowel in de eerste als in de tweede
ronde is verzoekster meegenomen in de beoordeling van de kandidaten. Zij
is vanaf het begin van de solliciatieprocedure een serieuze kandidaat
geweest. Overigens constateert de wederpartij dat verzoekster tijdens de
sollicitatieprocedure niet heeft aangegeven dat zij zich door de
wederpartij gediscrimineerd voelde.

Tot slot stelt de wederpartij dat de redenen voor de afwijzing voor de
functie van plaatsvervangend hoofd wel degelijk aan verzoekster zijn
meegedeeld, en wel in het gesprek in de tweede helft van juli 1992.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de selectie voor de
functies van plaatsvervangend hoofd en hoofd bureau o.o. jegens
verzoekster onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in strijd met
artikel 3 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb.
1989, 168).

Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt onderscheid te maken bij de behandeling bij
de vervulling van een openstaande betrekking. Van dit verbod mag volgens
artikel 5 lid 1 WGB worden afgeweken indien het gemaakte onderscheid
beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke
ongelijkheden op te heffen. In dit geval moet, voor zover het een
openlijke aanbieding van een betrekking betreft, de grond daarvoor
uitdrukkelijk worden vermeld (artikel 3 lid 2 WGB).

4.2. Alvorens de in geding zijnde vraag te beantwoorden, het volgende. De
Commissie heeft in eerdere zaken opgemerkt dat het niet tot haar taak
behoort om te beoordelen in hoeverre een kandidaat geschikt is c.q. het
meest geschikt is voor een functie (Zie onder andere de oordelen van de
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 17 mei
1990, oordeelnummer 315-90-32 en 9 januari 1991, oordeelnummer 136-
91-3.). Zij is, gelet op de Wet, slechts bevoegd om na te gaan of bij de
beoordeling van de (mate van) geschiktheid onderscheid is gemaakt op grond
van geslacht.

4.3. Ten aanzien van selectieprocedures heeft de Commissie verschillende
malen benadrukt (Zie onder andere de oordelen van de Commissie gelijke
behandeling 27 mei 1991, 345-91-32, 9 januari 1991, 164-91-4, 29 oktober
1991, 380-91-74 en 22 april 1992, 38-92-16.) dat selectieprocedures
voldoende inzichtelijk, controleerbaar en systematisch dienen te zijn, om
te voorkomen dat (ongewild) onderscheid naar geslacht wordt gemaakt. Ook
het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft meermalen
gewezen op de noodzaak van doorzichtigheid va n procedures, teneinde
ongelijke behandeling tussen mannen en vrouwen te voorkomen (Zie onder
andere de arresten inzake: de Commissie van de Europese Gemeenschap versus
Frankrijk, 30 juni 1988, zaak 318/86 (jurisprudentie 1988, 3559);
Handels-og Kontorfunktionaerernes Forbund i Danmark versus Dansk
Arbejdsgiverforening, optredend voor Danfoss, 17 oktober 1989, zaak 109/88
(jurisprudentie 1988, 3199)). Dit betekent in concreto dat kandidaten
beoordeeld moeten worden aan de hand van tevoren vastgestelde, nauwkeurig
omschreven criteria, hetgeen als een (rand)voorwaarde gezien moet worden
voor een zo objectief mogelijke selectieprocedure. Op deze wijze kan recht
gedaan worden aan de kwaliteiten van kandidaten, ongeacht hun geslacht.
Neemt men deze maatregelen niet, dan neemt men het risico op zich om
onderscheid naar geslacht te maken.

Bij beide advertenties was, ter uitvoering van het bij de wederpartij
geldend voorkeursbeleid voor onder andere vrouwen, aangegeven dat vrouwen
uitdrukkelijk werden uitgenodigd te solliciteren. Bij gelijke geschiktheid
zou de voorkeur worden gegeven aan een vrouwelijke kandidaat. Zoals de
Commissie eerder heeft uitgesproken (Zie Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid, 27 mei 1991, oordeelnummer 345-91-32.)
brengt een dergelijk voorkeursbehandeling mee dat de selectiecommissie
zorgvuldig na moet gaan of sprake is van gelijke danwel ongelijke
geschiktheid. Een dergelijke zorgvuldigheid dient zeker ook te worden
toegepast bij het selecteren van kandidaten voor een nader mondeling
sollicitatiegesprek waarin zij hun kwaliteiten nader kunnen toelichten.
De schriftelijke en mondelinge presentatie bieden gezamenlijk het kader
om te beoordelen of al dan niet sprake is van gelijke geschiktheid.

4.4. Wat betreft de vacature voor de functie van plaatsvervangend hoofd
bureau o.o. overweegt de Commissie als volgt.

In de vacaturemelding is als opleidingseis gesteld o.a. diploma MBO-AP/PB
danwel studerend hiervoor. Verzoekster voldeed aan de opleidingseisen, de
uiteindelijke benoemde man niet. Hij was om die reden aanvankelijk dan ook
niet uitgenodigd voor een gesprek. De wederpartij heeft verklaard dat
totaal zeven van de acht mannelijke kandidaten zijn opgeroepen voor een
gesprek en geen van de vier vrouwelijke kandidaten. Partijen zijn het er
evenwel over eens dat op enigerlei wijze verzoekster voor een gesprek is
uitgenodigd. Dat gesprek heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden, en wel
op initiatief van de wederpartij. De wederpartij heeft als reden daarvoor
aangevoerd dat een gesprek weinig zin zou hebben omdat de
sollicitatiecommissie haar kende. Verzoekster werd weliswaar gezegd dat,
als zij dat echt wilde, een gesprek gevoerd zou worden, maar verzoekster
mocht er in deze situatie vanuit gaan dat het niet-voeren van een gesprek
haar kansen niet negatief zou beinvloeden.

Ofschoon de Commissie, zoals eerder gezegd, niet bevoegd is te beoordelen
in hoeverre het houden van een gesprek geleid zou kunnen hebben tot
benoeming van verzoekster in de onderhavige functie, is zij, mede gelet
op het geldende voorkeursbeleid, van mening dat de wederpartij verzoekster
onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld om haar sollicitatie te
motiveren en toe te lichten. Verzoekster heeft evenmin kunnen reageren op
de kennelijk bij de sollicitatiecommissie levende twijfels over haar
kandidatuur. Verzoekster is derhalve, in ieder geval gelet op het geldende
voorkeursbeleid en de daaruit voortvloeiende zorgvuldigheidseisen, door
de wederpartij verwijtbaar beperkt in haar kansen om voor de vacature in
aanmerking te komen.

Op grond van het bovenstaande concludeert de Commissie dat de wederpartij
niet heeft gehandeld conform de zorvuldigheids- eisen die bij de selectie
van kandidaten, mede gelet op het toepasselijke voorkeursbeleid, uit de
WGB m/v voortvloeien. Daarmee staat vast dat de wederpartij door geen
gesprek met verzoekster te voeren in strijd heeft gehandeld met artikel
3 lid 1 van de WGB m/v.

4.5. Wat betreft de vacature voor de functie van hoofd bureau o.o.
overweegt de Commissie als volgt.

In de vacaturemelding voor deze functie is als opleidingseis genoemd onder
meer het bezitten van het diploma MBO-AP/PB, met de toevoeging “danwel een
gelijkwaardige combinatie van opleiding en ervaring”. Verzoekster voldeed
aan de opleidingseisen. De man die in deze functie is benoemd niet. De
wederpartij heeft hem benoemd op grond van zijn eerder opgedane ervaring.
De samenstelling van de sollicitatie- commissie was identiek aan die bij
de vervulling van plaatsvervangend hoofd. Op de vacaturemelding hebben
twee vrouwen en vijf mannen gereflecteerd. Met de benoemde kandidaat, de
man die eerder in de functie van plaatsvervangend hoofd was benoemd, heeft
geen sollicitatiegesprek plaatsgevonden. Bij de selectie van kandidaten
voor deze functie is verzoekster in het geheel niet voor een gesprek
uitgenodigd. Volgens de wederpartij golden voor deze functie dezelfde
afwijzingsgronden als voor de eerdere vacature. Aangezien de wederpartij
verzoekster bij de vervulling van de functie van plaatsvervangend hoofd
in strijd met de WGB m/v niet in de gelegenheid heeft gesteld om zich te
presenteren en op kennelijk levende twijfels te reageren, moet de
Commissie, mede gelet op het feit dat de samenstelling van de
sollicitatiecommissie gelijk was gebleven, concluderen dat dit er mede toe
heeft geleid dat de wederpartij haar ook niet heeft uitgenodigd voor een
gesprek voor de vervulling van de functie van hoofd.

Ook hier benadrukt de Commissie dat zij niet kan beoordelen of een
sollicitatiegesprek tot een benoeming had geleid. Zij is op grond van het
bovenstaande echter wel van mening dat ook hier de zorgvuldigheidseisen,
die bij de selectie van kandidaten, mede gelet op het toepasselijke
voorkeursbeleid, uit de WGB m/v voortvloeien, overtreden zijn. Daarmee
staat vast dat de wederpartij door verzoekster niet voor een gesprek uit
te nodigen in strijd heeft gehandeld met artikel 3 lid 1 van de WGB m/v.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Minister van Defensie te
Den Haag jegens mevrouw te Zoetermeer door geen gesprek met
haar te voeren bij de selectie van kandidaten voor de vacatures hoofd en
plaatsvervangend hoofd bureau onderofficieren onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt in strijd met artikel 3 van de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

Aldus vastgesteld op 14 juli 1994 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 19 mei 1994.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis, mw drs A.J. Huber, mw mr A.C. Possel, mw mrA.K. de Jongh

Instantie: Rechtbank Zutphen, 14 juli 1994

Instantie

Rechtbank Zutphen

Samenvatting


Partijen zijn 22 jaar gehuwd en verzoeken om echtscheiding. Op grond
van de volgende omstandigheden oordeelt de rechtbank dat de vrouw
behoefte heeft aan een bijdrage van de man: leeftijd vrouw (47), duur
van het huwelijk, uit het huwelijk zijn 3 kinderen, geboren, vrouw
heeft voor het huwelijk gewerkt, tijdens het huwelijk werkte vrouw mee
op boerenbedrijf. De rechtbank laat zich niet uit over de hoogte van de
behoefte. Wel overweegt de rechtbank dat -gezien de situatie op de
arbeidsmarkt- het niet aannemelijk is dat de vrouw op korte termijn
uitzicht heeft op een betaalde baan. Alimentatie wordt op ƒ 1.255,=
vastgesteld.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Dit verloop blijkt uit: -het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 9
november 1993; -het exploit van betekening van 16 november 1993; -het
verweerschrift, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek, ingekomen
ter griffie op 21 januari 1994; -het verweerschrift op het zelfstandig
verzoek, ingekomen ter griffie op 4 maart 1994; -de tussenbeschikking
van deze rechtbank van 11 maart 1994; -het rapport van de Raad voor de
Kinderbescherming te Zutphen, hierna te noemen de Raad, van 28 april
1994; -de brief van mr. Onland van 9 mei 1994; -de brief met bijlagen
van mr. Wolters van 23 mei 1994; -het proces-verbaal van de behandeling
ter terechtzitting op 25 mei 1994.

De vaststaande feiten:

Partijen, Nederlanders, zijn op 26 mei 1972 te Winterswijk met elkaar
gehuwd, in algehele gemeenschap van goederen.

Uit hun huwelijk is geboren de minderjarige: U. De zoon is op
meerderjarig geworden, zodat niet meer in zijn gezag behoeft te worden
voorzien.

Het verzoek:

De vrouw verzoekt: -tussen partijen de echtscheiding, subsidiair de
scheiding van tafel en bed, uit te spreken, -te bepalen dat de man als
bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw ƒ 3.000,= per
maand bij vooruitbetaling zal voldoen, -haar te benoemen tot voogdes
en de man tot toeziend voogd over het minderjarige kind en te bepalen
dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van
deze minderjarige ƒ 300,= per maand te voldoen, -de verdeling van de
huwelijksgoederengemeenschap te bevelen, met benoeming van een notaris
en onzijdige personen, -deze beschikking voorzoveel mogelijk
uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Zij stelt naast hetgeen hiervoor als vaststaand is weergegeven dat het
huwelijk duurzaam is ontwricht, dat zij behoefte heeft aan een bijdrage
in haar levensonderhoud en dat de draagkracht van de man de gevraagde
bijdrage toelaat.

Het verweer tevens zelfstandig verzoek:

De man verweert zich tegen het verzoek tot echtscheiding en concludeert
tot afwijzing van dit verzoek.

De man betwist dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. In
dat verband wijst hij er op, zakelijk weergegeven, dat de vrouw in een
overspannen situatie beslissingen heeft genomen, welke niet terecht
zijn, en welke teruggedraaid zouden moeten worden. Hij is nog steeds
bereid samen met zijn vrouw verder te gaan.

De man verzoekt subsidiair, ingeval de rechtbank het verzoek tot
echtscheiding toewijst: -hem te benoemen tot voogd over de minderjarige
dochter van partijen, -de beslissing op het verzoek van de vrouw tot
veroordeling van hem om een bijdrage in haar levensonderhoud aan te
houden totdat de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is
geeffectueerd.

Meer subsidiair verzoekt de man: -te bepalen dat de minderjarige in het
kader van de omgangsregeling iedere woensdagmiddag en ieder tweede
weekeinde bij hem zal verblijven.

Het verweer op het zelfstandig verzoek:

De vrouw verweert zich tegen de verzoeken van de man en concludeert tot
afwijzing van deze verzoeken, hetzij de man in deze verzoeken niet
ontvankelijk te verklaren.

De beoordeling:

De essentie van het huwelijk ligt in de bereidheid van beide
huwelijkspartners om op een voor elk van beiden bevredigende wijze aan
het samenleven inhoud te geven. Indien deze bereidheid bij een van
beide huwelijkspartners komt te ontbreken moet het ervoor gehouden
worden dat het huwelijk is ontwricht.

Gebleken is dat de vrouw reeds vanaf september 1993 van de man
gescheiden leeft en zij heeft ter zitting verklaard dat zij nu en in de
toekomst niet meer met de man wil samenwonen. De vrouw heeft het door
de man gestelde dat zij in een overspannen situatie beslissingen heeft
genomen, gemotiveerd betwist en zij geeft aan dat de oorzaak van de
duurzame ontwrichting zuiver is gelegen in de relatie tussen de
echtelieden zelf. Aldus kan op kortere of langere termijn tussen
partijen geen normale huwelijksrelatie worden verwacht en is er dus
sprake van duurzame ontwrichting, zodat het verzoek tot echtscheiding
kan worden toegewezen.

Nu partijen ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoe-
derengemeenschap niet tot overeenstemming zijn gekomen, gelast de
rechtbank hen met elkaar over te gaan tot verdeling van de
goederengemeenschap waarin partijen met elkaar zijn gehuwd, met
benoeming van een notaris en onzijdige personen als volgens de wet. Ten
aanzien van de gezagsvoorziening over de minderjarige heeft de Raad
blijkens bovenvermeld rapport geadviseerd de vrouw te benoemen tot
voogdes en de man tot toeziend voogd.

De minderjarige is in de gelegenheid om haar mening over de
gezagsvoorziening en omgangsregeling aan de rechtbank kenbaar te maken.

De man heeft zijn verweer om de vrouw tot voogdes te benoemen niet
langer gehandhaafd. De rechtbank acht de door de vrouw verzochte
gezagsvoorziening in het belang van de minderjarige, zodat deze
voorziening wordt toegewezen.

Nu partijen het ter zitting eens zijn geworden over de door de vrouw
verzochte bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de
minderjarige van ƒ 300,= per maand is dit verzoek voor toewijzing
vatbaar.

Ten aanzien van de door de man verzochte omgangsregeling tussen hem en
de minderjarige stelt de rechtbank op grond van de inhoud van het
rapport van de Raad vast dat voor een dergelijke regeling thans geen
basis is. De rechtbank hoopt dat door de onderlinge contacten van de
kinderen van partijen de contacten tussen de man en de minderjarige
hersteld worden.

Partijen zijn verdeeld over alimentatie voor de vrouw.

Ten aanzien van de behoefte van de vrouw overweegt de rechtbank het
volgende:

De vrouw is thans 47 jaar. Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren,
waaronder de thans nog minderjarige dochter van partijen. Totdat
partijen uit elkaar gingen waren zij ruim 21 jaar met elkaar gehuwd.
Tijdens de samenwoning met de man verrichtte de vrouw een belangrijk
deel van de werkzaamheden in het akkerbouwbedrijf van partijen. Zij
neemt nu deel -als tegenprestatie voor haar opvang- aan de dagelijkse
werkzaamheden op de boerderij waar zij met de dochter verblijft. Voor
haar huwelijk is de vrouw werkzaam geweest als verkoopster en als
gezinsverzorgster. Ook heeft zij in de voorhuwelijkse periode bij een
tandarts gewerkt.

De rechtbank is van oordeel, dat gelet op de voormelde omstandigheden
van de vrouw, haar behoefte aan een bijdrage van de man vaststaat en
tevens dat het niet aannemelijk is de vrouw gelet op de situatie op de
arbeidsmarkt op korte termijn geen uitzicht heeft op een betaalde
dienstbetrekking.

Aan de inkomenszijde van de man gaat de rechtbank uit van het
brutomaandsalaris van de man bij het Bedrijfslabaratorium voor grond-
en gewasonderzoek van ƒ 4.442,= te vermeerderen met ƒ 25,= per maand
voor telefoonabonnement en een vast voorschot provisie van ƒ 883,= per
maand, zodat het totale bruto maandinkomen ƒ 5.350,= bedraagt en ƒ
64.200,= per jaar te vermeerderen met vakantiegeld.

Uit het akkerbouwbedrijf van partijen is over 1991 een winst behaald
van ƒ 16.802,85 en over 1992 een verlies van ƒ 27.230,36. De
jaarcijfers over 1993 zijn nog gereed, doch volgens de prognose van de
man wordt er over dat jaar wederom een verlies geleden. De vrouw heeft
erkend dat 1993 voor het bedrijf een nat jaar is geweest en dat er veel
kosten zijn gemaakt door het inschakelen van een loonbedrijf.

Gelet op het voorgaande laat de rechtbank de bedrijfsinkomsten buiten
beschouwing en gaat uit van het inkomen van de man uit dienstbetrekking
te vermeerderen met de huurontvangsten van de man die de rechtbank na
aftrek van energielasten in redelijkheid stelt op ƒ 400,= per maand.

Rekeninghoudend met premies werknemersverzekeringen, bijtelling
werkgeversaandeel in de ZFW-premie, arbeidskostenforfait,
overhevelingstoeslag, inkomsten uit verhuur, bijzondere aftrek in
verband met de door de man te betalen bijdrage voor de minderjarige,
belastingvrije som, premies volksverzekeringen en inkomstenbelasting
bedraagt het besteedbaar maandinkomen van de man ƒ 3.743,=.

Aan de lastenzijde staat tussen partijen vast dat met de bijstandsnorm
voor een een- oudergezin gerekend moet worden; bij de man woont de zoon
van partijen B.

Van de draagkracht is 45%, ƒ 927,= per maand voor alimentatie
beschikbaar. Rekeninghoudend met de bijdrage voor de minderjarige van ƒ
300,= per maand resteert voor de vrouw een bijdrage van ƒ 1.255,= per
maand, waarbij het door de man te behalen belasting- en premievoordeel
aan de vrouw is toegerekend.

De proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te melden wijze,
omdat zij zijn gemaakt tussen echtelieden.

De beslissing:

De rechtbank:

Spreekt uit de echtscheiding tussen de vrouw en de man op met
elkaar gehuwd.

Veroordeelt de man om, vanaf de dag waarop deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de desbetreffende registers van de Burgerlijke Stand,
aan de vrouw voor levensonderhoud te betalen de som van ƒ 1.255,=
(eenduizendtweehonderdenvijfenvijftig gulden) per maand, telkens bij
vooruitbetaling te voldoen.

Verklaart de beschikking voor wat betreft de alimentatieveroordeling
uitvoerbaar bij voorraad.

Veroordeelt de echtelieden om, nadat deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand, met elkaar over
te gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

Benoemt, indien de echtelieden niet binnen 14 dagen na inschrijving van
deze beschikking daaromtrent anders zijn overeengekomen, notaris mr.
G.J. Hobbelink ter standplaats tot de notaris ten overstaan van
wie de werkzaamheden van verdeling zullen plaatshebben op de door de
notaris te bepalen plaats en tijd.

Benoemt als onzijdige personen mr. P.F.M. Hartman, advocaat te
Lichtenvoorde, om de vrouw en mr. C.G.M.J. van Kreij, advocaat te
Groenlo om de man als bewindvoerder op de voet van artikel 3:181
Burgerlijk Wetboek te vertegenwoordigen indien een van hen in gebreke
blijft op de voor die verdeling bepaalde plaats en tijd te verschijnen,
of verschenen zijnde, mocht weigeren aan de verdeling mee te werken.

Benoemt over het minderjarig kind: geboren te op tot
voogdes: de vrouw, verblijvende te en tot toeziend voogd: de man,
.

Beveelt dat de minderjarige, indien zij zich niet reeds bevindt in de
feitelijke macht van de met het gezag beklede ouder, aan deze zal
worden afgegeven.

Bepaalt dat de man, met ingang van de dag waarop de voogdij begint, als
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige
aan de vrouw zal betalen ƒ 300,= (driehonderd gulden) per maand, voor
de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Verklaart deze beschikking voor wat betreft de beslissing over het
gezag over genoemde minderjarige en de voor die minderjarige te betalen
alimentatie uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Compenseert de kosten van dit geding aldus, dat iedere echtgenoot met
de eigen kosten belast blijft, behoudens dat de executiekosten ten
laste van de man komen, indien niet vrijwillig wordt voldaan aan de bij
deze beschikking opgelegde alimentatieplicht.

Veroordeelt mitsdien de man in dat geval te dier zake te betalen
rechtstreeks aan de procureur van de vrouw het onder nakosten vallende
salaris en rechtstreeks aan de executerende deurwaarder de nakomende
verschotten.

Rechters

mr. H.E. de Boer

Instantie: Rechtbank Dordrecht, 13 juli 1994

Instantie

Rechtbank Dordrecht

Samenvatting


Partijen zijn 20 jaar getrouwd geweest en hebben twee minderjarige
kinderen. Zij willen gaan scheiden. De alimentatie moet worden vastge-
steld. De man verzoekt om limitering van de alimentatieduur. In deze
zaak waarin de man de hoogte van de gevorderde alimentatie betwist (fl.
6500,=) stelt de rechtbank dat, gezien de omstandigheden, de vrouw wel
degelijk behoefte heeft aan een alimentatie van ƒ 6500,=. Deze
omstandigheden zijn: een huwelijk van bijna 20 jaar en de vrouw heeft
naast haar huishouden en zorg voor de kinderen de man geassisteerd bij
het opbouwen van zijn huisartsenpraktijk. Limitering wordt afgewezen:
de vrouw heeft de zorg voor de kinderen en is bezig zich om te scholen.
De alimentatie op ƒ 3.946,= bepaald.

Volledige tekst

Het procesverloop. De vrouw heeft bij met de dagvaarding
overeenstemmende conclusie van eis gevorderd echtscheiding, althans
scheiding van tafel en bed, en verder alimentatie en scheiding en
deling van de huwelijksgoederengemeenschap.

De man heeft bij conclusie van antwoord in conventie de ali-
mentatievordering van de vrouw bestreden en subsidiair limitering
gevorderd. Bij conclusie van eis in reconventie vordert de man zijner-
zijds scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap en het
voortgezet gebruik van de echtelijke woning.

De vrouw heeft een conclusie van repliek in conventie en van antwoord
in reconventie genomen en daarbij haar alimentatievordering verhoogd.
De man heeft een conclusie van dupliek in conventie en van repliek in
reconventie genomen. Vervolgens heeft de man een akte in conventie
genomen. De vrouw heeft een akte in conventie, tevens conclusie van
dupliek in reconventie genomen. Daarna heeft de man in conventie
wederom een akte genomen en de vrouw een antwoord- akte.

Hierna hebben partijen de processtukken overgelegd en gevraagd vonnis
te wijzen.

De beoordeling van de vorderingen. In conventie Uit de stukken blijkt
dat partijen op te R met elkaar zijn gehuwd. Uit de stukken
blijkt tevens dat uit hun huwelijk zijn geboren de minderjarigen L op
en B op beiden te D.

Als gesteld en niet weersproken staat in dit proces tussen partijen
vast dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. De vordering van de vrouw
tot echtscheiding is derhalve toewijsbaar.

In conventie en in reconventie Hetzelfde is het geval met de over en
weer niet weersproken vordering tot echtscheiding en deling van de
huwelijksgoederengemeenschap.

In conventie voorts De door de vrouw gevorderde alimentatie houdt
partijen verdeeld. Dienaangaande bestrijdt de man allereerst dat de
vrouw behoefte heeft aan een alimentatie als door haar gevorderd.
Verder vordert de man een eventueel verplichting te limiteren tot
maximaal 5 jaren.

M.b.t.de behoefte Partijen zijn bijna 20 jaar gehuwd. De vrouw heeft in
de loop der jaren de huisartsenpraktijk van de man helpen opbouwen.
Daarnaast heeft zij naast haar huishoudelijke taken hem bij zijn
werkzaamheden geassisteerd. Onder dergelijke omstandigheden is de
rechtbank van oordeel dat de vrouw wel degelijk behoefte heeft aan een
alimentatie van ƒ 6.500,=, zoals door haar na vermeerdering van eis
gevorderd. Daarbij dient niet vergeten te worden dat het voor de vrouw
een bruto bedrag betreft.

Wel kan de rechtbank de man volgen in zijn stelling dat eventuele
inkomsten uit loondienst van de vrouw op een bijdrage van een
dergelijke hoogte in mindering dienen te worden gebracht. Gebleken is
echter dat de vrouw gedurende de procedure enige tijd in loondienst
werkzaam is geweest, doch thans werkloos.

M.b.t. de limitering De vrouw heeft voorts de zorg over de twee
kinderen van partijen en is zich aan het omscholen. Gezien
vorenoverwogene omtrent de behoefte is de rechtbank van oordeel dat
geen termen aanwezig zijn een eventuele alimentatie voor maximaal 5
jaren op te leggen. Daarbij dient niet uit het oog te worden verloren
dat, nu dit vonnis na 1 juli 1994 wordt uitgesproken, door
wetswijziging de alimentatie reeds bij wet gelimiteerd zal worden.

M.b.t. de draagkracht Dienaangaande is de rechtbank het navolgende
gebleken. Uit het ambtshalve geraadpleegde dossier voorlopige voorzie-
ningen is gebleken dat de man in dat kader een alimentatieverplichting
is opgelegd van ƒ 3.850,= per maand, ingaande 1 januari 1993. In hoger
beroep heeft het gerechtshof ‘s-Gravenhage bij beschikking van 5
november 1993, rekening houdend met de meest recente omstandigheden,
waaronder de verkoop van de echtelijke woning, deze
alimentatieverplichting bekrachtigd.

Niet gebleken is dat de relevante omstandigheden van de man sindsdien
wezenlijk zijn gewijzigd. Hij moet derhalve naar wettelijke maatstaven
ook in dit kader in staat worden geacht een dergelijke bijdrage te
voldoen. De rechtbank zal derhalve dat bedrag thans definitief vast-
stellen. Nu het inmiddels 1994 is zal met de indexering rekening worden
gehouden.

In reconventie voorts De vordering van de man tot het voortgezet
gebruik van de echtelijke woning behoeft geen verdere bespreking. De
woning is immers per 1 februari 1994 verkocht.

Spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op te R.

Partijen kunnen zich door tussenkomst van de procureur over de
voorziening in het gezag over hun minderjarige kinderen schriftelijk
uitlaten ter rolzitting familiezaken van 19 augustus 1994.

Bepaalt dat de man met ingang van de dag, waarop dit vonnis zal zijn
ingeschreven in de register van de burgerlijke stand aan de vrouw een
alimentatie dient te voldoen van ƒ 3.946,25 (Drieduizend
negenhonderdzesenveertig gulden en 25 cent) per maand, maandelijks bij
vooruitbetaling te voldoen.

In conventie en in reconventie Beveelt partijen na inschrijving van dit
vonnis in de registers van de burgerlijke stand met elkaar over te gaan
tot scheiding en deling van de tussen hen bestaande
huwelijksgoederengemeenschap.

Benoemt, indien partijen niet binnen veertien dagen na voormelde
inschrijving een andere notaris kiezen, notaris mr. B te Z, danwel
diens opvolger of plaatsvervanger als de notaris voor wie de
werkzaamheden van de scheiding en deling zullen plaatsvinden op de door
die notaris te bepalen tijd en plaats.

Benoemt de advocaat mr. P.J.A. H. te Z. tot onzijdig persoon om de man
danwel de vrouw te vertegenwoordigen indien een van hen in gebreke
blijft op de door benoemde of gekozen notaris bepaalde tijd en plaats
te verschijnen of verschenen zijnde, weigeren mocht aan de
boedelscheiding mee te werken.

Bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

onbekend

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 11 juli 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft gesolliciteerd naar de functie van bijzonder hoogleraar
forensische psychiatrie. Verzoekster is niet in de gelegenheid gesteld
haar sollicitatie mondeling toe te lichten. Zowel in de advertentie als
in de profielschets stond vermeld dat de voorkeur uitging naar een
psychiater(-jurist). Gelet op het vakgebied van de wederpartij vindt de
Commissie dit een redelijke functie-eis. Aangezien verzoekster als
sociologe niet viel binnen de voorkeursgroep van psychiater(-jurist), acht
de Commissie een beoordeling van het toepassen van het voorkeursbeleid
jegens haar niet aan de orde. De Commissie merkt ten aanzien van
selectieprocedures op dat deze voldoende inzichtelijk, controleerbaar en
systematisch dienen te zijn, om te voorkomen dat (ongewild) onderscheid
naar geslacht wordt gemaakt. De Commissie concludeert dat de wijze waarop
de wederpartij de informatieverstrekking en selectieprocedure heeft
gehanteerd ‘rommelig’ is. Dit punt behoort echter tot het kader van
algemene zorgvuldigheidseisen in werving en selectieprocedures en leidt
op zich niet tot vragen naar mogelijke strijd met de wetgeving gelijke
behandeling. De Commissie acht de omschrijving “voorkeur voor een
psychiater-jurist” op zich voldoende nauwkeurig om een zo objectief
mogelijke selectieprocedure mogelijk te maken. Daarnaast heeft zij geen
nadere feitelijke aanknopingspunten om te twijfelen aan de
inzichtelijkheid, controleerbaarheid en stelselmatigheid van de gevolgde
selectie. Geen strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 16 april 1993 verzocht mevrouw te Heemstede (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of het College van
Bestuur van de Katholieke Universiteit Brabant te Tilburg (hierna: de
wederpartij) onderscheid heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

1.2. Verzoekster heeft gesolliciteerd naar de functie van bijzonder
hoogleraar forensische psychiatrie. Zij is niet in de gelegenheid gesteld
haar sollicitatie mondeling toe te lichten. Verzoekster is van mening dat
de wederpartij hierdoor in strijd met de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168) heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun
standpunten toe te lichten.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 19 mei 1994.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw (verzoekster) – dhr
(toehoorder)

van de kant van de wederpartij – dhr (gemachtigde)

van de kant van de Commissie – mw mr C.H.S. Evenhuis (plaatsvervangend
Kamervoorzitter) – mw drs A.J. Huber (lid Kamer) – mw mr A.C. Possel (lid
Kamer) – mw mr A.K. de Jongh (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een universiteit. Aan de faculteit der
rechtsgeleerdheid (vakgroep strafrechtswetenschappen) van de wederpartij
is door de Stichting Koningsheide (hierna: de Stichting) een bijzonder
leerstoel forensische psychiatrie verbonden. In het licht hiervan ontstond
er een vacature voor een bijzonder hoogleraar forensische psychiatrie voor
0,2 van de volle werktijd. Van deze vacature is in juli 1992 melding
gemaakt in een juridisch tijdschrift. De personeelsadvertentie was
voorzien van het logo van de wederpartij.

3.2. In deze advertentie stond onder andere vermeld dat: – de wederpartij
plaats had voor een bijzonder hoogleraar forensische psychiatrie; – de
leerstoel door de Stichting aan de universiteit verbonden was; – het doel
van de Stichting was “het stimuleren van initiatieven op het terrein van
de geestelijkegezondheidszorg en in het bijzonder van de psychiatrie en
haar randgebieden”; – de wederpartij een positief actiebeleid voor vrouwen
voerde, waarvan het streven meer vrouwelijke medewerkers te werven deel
uitmaakte.

Bij de functie-eisen stond vermeld: – de voorkeur gaat uit naar een
psychiater-jurist, dan wel een psychiater met aantoonbare belangstelling
voor strafrechtelijke aansprakelijkheid bij psychische afwijkingen. Deze
belangstelling moet blijken uit een proefschrift en andere publikaties;
– didactische kwaliteiten en zo mogelijk onderwijservaring. Deze
functie-eisen stonden ook in de profielschets voor deze functie vermeld.

3.3. De benoemingsprocedure voor de functie van bijzonder hoogleraar is
als volgt. Er wordt een benoemingsadviescommissie (hierna: b.a.commissie)
benoemd. Deze selecteert de kandidaten en doet een voordracht aan de
Stichting. Het bestuur van de Stichting bespreekt de voordracht met het
College van Bestuur van de wederpartij, waarna de raad van de
desbetreffende faculteit wordt gehoord. Hierna wordt de bijzonder
hoogleraar door de Stichting benoemd. De Stichting financiert de leerstoel
van de bijzonder hoogleraar. De bijzonder hoogleraar treedt bij de
Stichting en niet bij de wederpartij in dienst en maakt dus geen deel uit
van de wetenschappelijke staf van de wederpartij.

3.4 In het onderhavige geval bestond de b.a.commissie uit de decaan van
de juridische faculteit, de voorzitter van de betrokken vakgroep en een
bestuurslid van de Stichting. De b.a.commissie heeft uit de sollicitanten
drie personen gekozen en opgeroepen voor een sollicitatiegesprek. Twee van
de kandidaten waren psychiater. De derde kandidaat was een forensisch
psycholoog, die twee jaar lang bij de wederpartij als gastdocent de
functie van bijzonder hoogleraar forensische psychiatrie had waargenomen.
Uiteindelijk is een van de psychiaters, een man, in de betreffende functie
benoemd.

3.5. Verzoekster heeft op 30 juli 1992 naar de betreffende functie
gesolliciteerd. Uit de sollicitatiebrief van verzoekster blijkt dat zij
als sociologe ruim twintig jaar werkzaam was in onderzoek, beleid en
wetenschap op het terrein van de (geestelijke) gezondheidszorg, recht,
psychiatrie en criminologie, waarvan de laatste jaren ook in
internationaal verband. Vanuit haar werk binnen de reclassering was zij
op de hoogte van de huidige ontwikkelingen in de ambulante forensische
psychiatrie en de intramurale forensische psychiatrie. Dit gold zowel voor
de organisatorische en inhoudelijke aspecten, c.q. de behandeling, als de
juridische aspecten van beide vormen van forensische psychiatrie.

Verzoekster is niet voor een sollicitatiegesprek uitgenodigd. De reden die
de wederpartij hiervoor heeft opgegeven, was dat zij bij voorkeur een
psychiater op de onderhavige functie wilde benoemen en verzoekster aan die
functie-eis niet voldeed. Dit is aan verzoekster meegedeeld in een door
haar geinitieerd telefoongesprek d.d. 19 februari 1993 met de voorzitter
van de b.a.commissie. In twee telefoongesprekken die daaraan voorafgingen
(in september 1992 en januari 1993) heeft de voorzitter niet aan
verzoekster meegedeeld dat haar discipline (sociologie) een belemmering
zou vormen voor het vervullen van de functie.

Naar aanleiding van het derde telefoongesprek heeft verzoekster de
b.a.commissie een brief d.d. 21 februari 1993 gestuurd waarin zij verzoekt
haar sollicitatie mondeling nader toe te lichten. In het schriftelijke
antwoord d.d. 3 maart 1993 van de b.a.commissie staat dat, gezien de
doelstelling van de Stichting (het bevorderen van de beoefening van de
psychiatrie in Nederland), het voor de hand ligt dat aan de functie-eis
van psychiater-jurist een groter gewicht wordt toegekend dan aan sommige
van de andere eisen. Per brief d.d. 8 maart 1993 maakte verzoekster er
bezwaar tegen dat haar geen gelegenheid is geboden haar sollicitatie
mondeling toe te lichten. Tevens verzocht zij de wederpartij de
definitieve benoeming van de bijzonder hoogleraar op te schorten. In
reactie hierop berichtte de wederpartij dat zij verzoeksters kritiek op
de onderhavige selectieprocedure niet deelde. Wel erkende zij dat de
communicatie met verzoekster te wensen overgelaten heeft.

3.6. De wederpartij voert een positief actiebeleid voor vrouwen. Dit
beleid is vastgelegd in de nota Emancipatiebeleid 1984, waarin
aanbevelingen zijn opgenomen. Een van deze aanbevelingen luidt dat bij de
selectie ingeval van gelijke geschiktheid aan vrouwelijke kandidaten de
voorkeur moet worden gegeven. Ook bestaat er een notitie Werving en
Selectie. Hierin worden richtlijnen gegeven met betrekking tot de werving
en selectie van vrouwelijke hoogleraren en van vrouwelijke universitaire
hoofddocenten, met als doel deze aantallen te vergroten. Binnen de
faculteit der rechtsgeleerdheid wordt veelal in de geest van bovengenoemde
nota en notitie gehandeld.

Bij de wederpartij waren, in december 1992, in totaal 98 mannelijke
hoogleraren en 3 vrouwelijke hoogleraren in dienst. Bij de faculteit der
rechtsgeleerdheid waren op dat moment 23 mannelijke hoogleraren en was
geen enkele vrouwelijke hoogleraar in dienst.

De standpunten van partijen

3.7. Verzoekster brengt het volgende naar voren. Zij heeft bezwaar tegen
de wijze waarop de selectieprocedure door de wederpartij is gevoerd. De
selectieprocedure is onzorgvuldig uitgevoerd en voldoet niet aan de eis
dat zij inzichtelijk, controleerbaar en systematisch moet zijn. Hierdoor
is verzoekster, ondanks dat zij aan de functie-eisen voldeed, niet in de
gelegenheid gesteld haar sollicitatie mondeling toe te lichten en heeft
de wederpartij in strijd met de Wet gehandeld.

Verzoekster heeft het volgende aan te merken op de selectieprocedure. –
In de profielschets en in de personeelsadvertentie wordt gesproken van een
voorkeur voor een psychiater-jurist, er wordt niet vermeld dat uitsluitend
psychiaters voor de functie in aanmerking komen. Volgens verzoekster is
deze voorkeur in de loop van de selectieprocedure veranderd in een
voorrang van psychiater-juristen. Hierdoor is er in een later stadium van
de sollicitatieprocedure een primaire en subsidiaire groep van
sollicitanten geintroduceerd, waarover in eerdere contacten van
verzoekster met de voorzitter van de b.a.commissie niet gesproken is. –
In de brief d.d. 3 maart 1993 van de b.a.commissie wordt als doel van de
Stichting genoemd het bevorderen van beoefening van de psychiatrie in
Nederland. De advertentie echter spreekt van het stimuleren van
initiatieven op het terrein van de geestelijke gezondheidszorg. Hieruit
blijkt dat de advertentietekst niet is aangehouden bij de
selectieprocedure, terwijl verzoekster naar aanleiding van de
advertentietekst heeft gesolliciteerd. – De wederpartij heeft in haar
brief d.d. 3 maart 1993 niet aangegeven welke criteria zij wel en welke
zij niet heeft meegewogen bij de selectie. Verzoekster is van mening dat
het met name in het wetenschappelijk onderwijs van belang is te weten hoe
de criteria promotie, publicaties, onderwijs- en onderzoekservaring van
de kandidaten zijn gewaardeerd en in de besluitvorming voor de voordracht
van een hoogleraar zijn betrokken. Deze criteria zijn extra van belang,
aangezien er geen objectieve selectiecriteria zijn voor de functie van
forensisch psychiater. Deze objectieve selectiecriteria ontbreken, omdat
forensische psychiatrie geen erkend specialisme is in de psychiatrie in
de zin dat het eigen opleidingseisen en registratie kent. – Voorts is
verzoekster van mening dat de selectieprocedure niet in overeenstemming
is met het positief actiebeleid van de wederpartij. Zij wijst hierbij met
name op de richtlijnen voor het werven van vrouwelijke hoogleraren. Ook
in dit opzicht heeft de wederpartij in strijd met de Wet gehandeld. In het
licht hiervan wijst zij op twee oordelen van de Commissie, de oordelen
420-92-50 en 414-92-53. Volgens verzoekster werd in deze oordelen beslist
dat de wederpartijen in stijd met de Wet hadden gehandeld door
gekwalificeerde vrouwelijke kandidaten niet in de gelegenheid stellen hun
sollicitatie mondeling toe te lichten. – Tot slot vindt verzoekster het
onzorgvuldig dat zij in de acht maanden die haar sollicitatie in beslag
hebben genomen, van de wederpartij geen enkel schriftelijk bericht heeft
ontvangen over de voortgang van haar sollicitatieprocedure. Bovendien is
zij niet schriftelijk in kennis gesteld van haar afwijzing.

3.8. De wederpartij brengt het volgende naar voren. Zij stelt in de eerste
plaats dat verzoekster haar ten onrechte als wederpartij heeft aangewezen.
Aangezien de Stichting verantwoordelijk was voor de selectie en benoeming
van de bijzonder hoogleraar, dient de Stichting als wederpartij te worden
aangemerkt.

Voorzover de Commissie de betrokken universiteit toch als wederpartij
aanmerkt, voert de wederpartij het volgende aan. Er is geen sprake van een
onzorgvuldige benoemingsprocedure. Uit de personeelsadvertentie bleek
duidelijk dat de voorkeur uitging naar psychiater-juristen. Kandidaten van
andere disciplines kwamen echter in aanmerking in het geval er geen
psychiater-juristen beschikbaar bleken te zijn. Deze prioriteit bracht een
gelaagdheid in de kandidaten- portefeuille met zich mee. Pas als de eerste
laag geen geschikte kandidaat kon leveren, kwam de tweede laag aan bod.
Dat uiteindelijk een psychiater is aangenomen, impliceert niet dat het de
bedoeling was om uitsluitend psychiaters in de sollicitatieprocedure te
betrekken.

De wederpartij acht het onjuist om te stellen dat de voorkeur voor een
psychiater-jurist in de loop van de sollicitatieprocedure is veranderd in
voorrang van deze categorie kandidaten. Een voorkeur voor psychiaters
heeft immers voorrang van psychiaters tot gevolg, mits deze kandidaten ook
voor het overige voor de functie gekwalificeerd zijn. Evenmin heeft de
wederpartij in een later stadium van de sollicitatieprocedure een
subsidiaire categorie van kandidaten geintroduceerd. De verhouding van
psychiaters tot overige kandidaten als primaire tot subsidiaire doelgroep
lag reeds in de advertentie besloten. Het valt niet in te zien waarom de
voorzitter van de b.a.commissie verzoekster hierop had moeten attenderen
in de telefonische contacten die hebben plaatsgevonden.

Wat betreft de opmerking van verzoekster dat er geen objectieve
selectiecriteria zijn voor de functie van forensisch psychiater, waardoor
de andere criteria van extra belang zijn, merkt de wederpartij op dat de
selectiecriteria en de zwaarte daarvan ter bepaling van de exploitant
zijn. Overigens was een beoordeling van de overige relevante functie-eisen
bij verzoekster nog niet aan de orde, aangezien zij geen psychiater was,
terwijl er wel andere kandidaten met deze kwaliteit waren.

Ten aanzien van het positief actiebeleid stelt de wederpartij dat een
dergelijk beleid uitsluitend doel zou kunnen treffen binnen een groep
vergelijkbare kandidaten. Aangezien verzoekster niet viel binnen de
categorie van psychiaters, waarbinnen in eerste instantie werd
geselecteerd, kwam de wederpartij niet toe aan toepassing van het positief
actiebeleid.

Overigens is de tekst over het positief actiebeleid abusievelijk in de
personeelsadvertentie terecht gekomen. Hoewel de selectie en benoeming
voor de betreffende functie plaatsvond onder de verantwoordelijkheid van
de Stichting, heeft het secretariaat van de wederpartij de advertentie
geplaatst. Deze dienst publiceerde de tekst per abuis in het
standaard-kader van de universiteit, waarin onder meer wordt gewezen op
het positief actiebeleid voor vrouwen. De Stichting zelf voert geen
positief actiebeleid voor vrouwen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster bij de
behandeling bij de vervulling van de openstaande betrekking onderscheid
heeft gemaakt op grond van geslacht in strijd met de WGB, door verzoekster
niet voor een sollicitatiegesprek uit te nodigen.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid tussen mannen
en vrouwen bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking. Artikel 3 lid 2 WGB bepaalt dat alleen in geval van een
wettelijk toegelaten uitzonderingsgrond van dit verbod mag worden
afgeweken. Artikel 5 lid 1 WGB bepaalt dat van het verbod in artikel 3 lid
1 WGB mag worden afgeweken, indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen
in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden
op te heffen.

4.3. De eerste vraag die voorligt is of de wederpartij zoals zij stelt wel
als zodanig kan worden aangemerkt. Immers, het is de Stichting die voor
de te benoemen functionaris als werkgever optreedt en ook voor de selectie
daarvan verantwoordelijk is.

De Commissie overweegt hieromtrent als volgt. Blijkens de tekst van
artikel 3 WGB en de Memorie van Toelichting op dit artikel, richt dit
artikel zich zowel tot de werkgever als tot alle anderen die bij de
wervings- en selectieprocedure betrokken zijn. Vast staat dat het de
universiteit was die de werving heeft uitgevoerd. De b.a.commissie bestond
voorts uit drie personen, van wie twee die in dienst zijn van de
universiteit. Deze commissie selecteerde de kandidaten en deed een
voordracht voor benoeming. De benoemingsprocedure voorziet daarnaast in
een bespreking van de Stichting en het College van Bestuur alsmede de
faculteitsraad over de voordracht. Gelet op het bovenstaande concludeert
de Commissie dat de wederpartij een eigen bevoegdheid en
verantwoordelijkheid had bij de werving, selectie en benoeming van
kandidaten. Bij de uitoefening daarvan is zij gehouden aan de naleving van
artikel 3 WGB.

Op grond van het bovenstaande gaat de Commissie ervan uit dat de
universiteit als wederpartij kan worden aangemerkt voor zover zij bij de
werving, selectie en benoeming van de kandidaat betrokken was.

4.4. Wat betreft de in het geding zijnde vraag oordeelt de Commissie als
volgt. Allereerst merkt zij op dat zij reeds eerder (Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 17 mei 1990,
oordeelnummer 315-90-32, 2 september 1992, 420-92-50 en 15 september 1992,
414-92-53.) heeft uitgesproken dat het niet tot haar taak behoort om te
beoordelen of een kandidaat geschikter dan wel gelijk geschikt is voor een
functie. Zij is, gelet op de Wet, slechts bevoegd om na te gaan of er bij
de beoordeling van de (mate van) geschiktheid onderscheid is gemaakt op
grond van geslacht.

Verzoekster stelt in de eerste plaats dat zij aan alle in de
personeelsadvertentie genoemde functie-eisen voldeed en daarom, mede gelet
op het voorkeursbeleid voor vrouwen, voor een sollicitatiegesprek had
moeten worden uitgenodigd. De wederpartij is daarentegen van mening dat
verzoekster gezien de genoemde voorkeur voor een psychiater(-jurist), in
eerste instantie niet voor een gesprek in aanmerking kwam. De Commissie
overweegt hierover als volgt.

Zowel in de advertentie als in de profielschets stond duidelijk vermeld
dat de voorkeur uitging naar een psychiater(-jurist). Gelet op het
vakgebied komt het de Commissie redelijk voor dat dit als functie-eis is
gehanteerd. Aangezien deze voorkeur in de advertentie was genoemd, was
geen sprake van aanscherping van selectie-criteria. Op grond hiervan mocht
eerst binnen de groep kandidaten worden geselecteerd die aan de
voorkeurseisen voldeden.

Aangezien verzoekster als sociologe niet viel binnen de voorkeursgroep van
psychiater(-jurist), is beoordeling van de al dan niet juiste toepassing
van het voorkeursbeleid jegens haar niet aan de orde. Als het
voorkeursbeleid van de wederpartij al op de onderhavige situatie van
toepasssing zou zijn -de benoemende Stichting kende immers geen vorm van
voorkeursbeleid- dan zou dit alleen in beeld komen indien verzoekster niet
voor een gesprek was uitgenodigd en andere niet-psychiaters(-juristen)
wel. Dat een van de geselecteerde kandidaten psycholoog was doet hier niet
aan af, nu gebleken is dat het hier een geval apart betrof. Deze kandidaat
was immers al twee jaar als vervanger in de betreffende functie werkzaam
geweest.

Verzoekster stelt voorts dat de selectieprocedure onzorgvuldig is
uitgevoerd en niet voldoet aan de eis dat zij inzichtelijk, controleerbaar
en systematisch moet zijn. De Commissie overweegt hieromtrent als volgt.

Ten aanzien van selectieprocedures heeft de Commissie verschillende malen
benadrukt (Zie onder andere oordeelnummers 345-91-32, 164-91-4, 380-91-74
en 38-92-16.) dat deze voldoende inzichtelijk, controleerbaar en
systematisch dienen te zijn, om te voorkomen dat (ongewild) onderscheid
naar geslacht wordt gemaakt. Ook het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen heeft meermalen gewezen op de noodzaak van doorzichtigheid
van procedures teneinde ongelijke behandeling tussen mannen en vrouwen te
voorkomen (Zie onder andere de arresten inzake, de Commissie van de
Europese Gemeenschap versus Frankrijk, 30 juni 1988, zaak 318/86
(jurisprudentie 1988, 3559) en Handels-og Kontorfunktionaerernes Forbund
i Danmark versus Dansk Arbejdsgiverforening, optredend voor Danfoss, 17
oktober 1989, zaak 109/88 (jurisprudentie 1988, 3199).). Dit betekent in
concreto dat kandidaten beoordeeld moeten worden aan de hand van tevoren
vastgestelde, nauwkeurig omschreven criteria, hetgeen als een
(rand)voorwaarde gezien moet worden voor een zo objectief mogelijke
selectieprocedure. Op deze wijze kan recht worden gedaan aan de
kwaliteiten van kandidaten, ongeacht hun geslacht. Neemt men deze
maatregelen niet, dan neemt men het risico op zich om onderscheid naar
geslacht te maken.

In de onderhavige situatie kan de Commissie zich voorstellen dat
verzoekster de indruk heeft gekregen van een rommelige
informatieverstrekking en selectieprocedure. Zo lijken inhoud en
vormgeving van de personeelsadvertentie er op te wijzen dat de bijzonder
hoogleraar bij de wederpartij en niet bij de Stichting in dienst treedt.
Ook rijzen vragen over de toepasselijkheid van het voorkeursbeleid, dat
immers wel expliciet het beleid bij de wederpartij is, maar niet op
voorhand ook bij de benoemende Stichting. Voorts heeft de wederpartij
verzoekster op gebrekkige wijze geinformeerd over de stand van zaken van
haar sollicitatie. Deze en dergelijke punten echter behoren tot het kader
van de algemene zorgvuldigheidseisen in werving en selectieprocedures en
leiden op zich nog niet tot vragen naar mogelijke strijd met de wetgeving
gelijke behandeling. Voor het overige acht de Commissie de omschrijving
“voorkeur voor een psychiater-jurist” op zich voldoende nauwkeurig om een
zo objectief mogelijke selectieprocedure mogelijk te maken. Daarnaast
heeft zij geen nadere feitelijke aanknopingspunten om te twijfelen aan de
inzichtelijkheid, controleerbaarheid en stelstelmatigheid van de gevolgde
selectie.

Gelet op het bovenstaande heeft de Commissie niet kunnen vaststellen dat
bij de werving en selectie voor de onderhavige functie gehandeld is in
strijd met de wetgeving geljke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het College van Bestuur van
de Katholieke Universiteit Brabant te Tilburg jegens mevrouw te
Heemstede geen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt dat in strijd is
met artikel 3 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Aldus vastgesteld op 11 juli 1994 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 19 mei 1994.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis, mw drs A.J. Huber, mw mr A.C. Possel, mw mrA.K. de Jongh

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 11 juli 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De inspecteur der belastingdienst wenste verzoekster niet in aanmerking
te laten komen voor zelfstandigenaftrek omdat zij naar zijn standpunt
ondermeer niet het door de wet vereiste aantal uren aan de onderneming
besteedde. Daarbij hield de inspecteur onder andere rekening met de
gezinsomstandigheden van verzoekster (zij had drie kinderen en een zieke
man). Verzoekster betwist zijn standpunt en is van mening dat de
inspecteur discriminatoir handelt door haar gezinsomstandigheden mee te
laten wegen. De Commissieoverweegt dat mogelijk de urengrens op zich een
indirectonderscheid ten nadele van vrouwen oplevert, wat echter verder
niet onderzocht is. Voorts overweegt de Commissie dat meer vrouwen dan
mannen naast hun beroepsuitoefening met gezins- en zorgtaken worden
geconfronteerd zodat de handelwijze van de inspecteur een vermoeden van
indirect onderscheid oplevert. De Commissie is van oordeel dat de
wederpartij op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat een
dergelijke verwijzing noodzakelijk is om op deugdelijke en objectieve
wijze te controleren of een belastingplichtige aan de ureneis voldoet.
Strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 15 september 1993 verzocht mevrouw te Voorburg (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de Staatssecretaris
van Financien (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoekster, die sinds 1986 als zelfstandige werkzaam is, kwam in
1986 niet in aanmerking voor een fiscale faciliteit (de
zelfstandigenaftrek), omdat zij, volgens de belasting- inspecteur, niet
het vereiste aantal uren aan de onderneming had besteed. De
belastinginspecteur heeft bij die beslissing mee laten wegen dat
verzoekster de zorg had voor drie kinderen. Verzoekster is van mening dat
de wederpartij hiermee jegens haar onderscheid op grond van geslacht heeft
gemaakt.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad om hun
standpunt weer te geven.

2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen om te verschijnen op de zitting
van 26 april 1994 om hun standpunt mondeling toe te lichten.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – dhr (gemachtigde verzoekster)
van de kant van de wederpartij – mw mr (gemachtigde) –
dhr mr (Inspecteur der Belastingdienst, gemachtigde)

van de kant van de Commissie – mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter) – mw mr
C.E. van Vleuten (lid Kamer) – mw mr M. de Rooij (lid Kamer) – mw drs
J.A.M. Stolwijk (lid Kamer) – dhr mr W.A. van Veen (plaatsvervangend lid
Kamer) – mw mr M.M. Hubner (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is in 1986 een bedrijf gestart, dat zij in 1992 heeft
opgeheven. De activiteiten bestonden uit de verkoop van
phytotherapeutische, homeopathische en minerale natuur- producten, welke
producten zij betrok van een leverancier (bedrijf B). Daarnaast verrichtte
zij nog andere werkzaamheden voor bedrijf B.

3.2. De opbrengst van de activiteiten in het bedrijf van verzoekster
bedroeg in het jaar 1986 ƒ 13.005,64, welk bedrag geheel van bedrijf B
ontvangen was. Dit bedrag bestond uit ƒ 8.780,96 gedeclareerde uren (352
uren a ƒ 25,- per uur) plus ƒ 4.224,- doorberekende kosten.

In 1990 heeft zij over de jaren 1986, 1987 en 1988 aangifte
inkomstenbelasting gedaan bij de belastingdienst. Eind 1991 heeft de
belastingdienst die aangiften behandeld. Verzoekster ontving vervolgens
een navorderingsaanslag over het jaar 1986. Dit hield verband met het feit
dat de inspecteur in dat jaar geen toestemming verleende om de
zelfstandigenaftrek toe te passen, omdat haar bedrijf in 1986 niet als een
zelfstandige onderneming beschouwd werd in de zin van artikel 6 van de Wet
op de inkomstenbelasting (Wet IB), aangezien haar bedrijf voor rekening
en risico van bedrijf B gedreven werd. Ook zou niet voldaan zijn aan de
ureneis van artikel 44m Wet IB, waarin staat dat minimaal 1250 uren per
jaar aan de onderneming besteed dienen te worden, wil er sprake zijn van
een onderneming in de zin van dat artikel. De inspecteur achtte het
ongeloofwaardig dat verzoekster 1250 uren aan de onderneming besteed zou
hebben, omdat de door haar opgestelde urenstaat een verhouding van drie
niet- gedeclareerde uren tegenover een gedeclareerd uur betekende. De
inspecteur achtte dit niet waarschijnlijk. Daarbij nam hij ook in
aanmerking dat verzoekster tevens in het bedrijf van haar echtgenoot
werkzaam was en de zorg voor drie jonge kinderen had. Haar echtgenoot was
destijds gedeeltelijk arbeidsongeschikt, waardoor zij genoodzaakt was om
regelmatig in zijn (twee) bedrijven bij te springen.

3.3. Verzoekster is van deze beslissing in beroep gegaan bij het
gerechtshof te ‘s-Gravenhage. Het hof besliste op 18 december 1992 dat
verzoekster in 1986 niet als ondernemer in fiscale zin kan worden
aangemerkt, omdat zij in dat jaar de vereiste zelfstandigheid en
onafhankelijkheid ten opzichte van bedrijf B ontbeerde. Ook deelde het
hof, in een overweging ten overvloede, de opvatting van de inspecteur dat
verzoekster niet voldaan heeft aan het urencriterium van artikel 44m van
de Wet.

3.4. De beleidslijn van de belastingdienst ten aanzien van de vraag in
welke gevallen de zelfstandige de uren moet aantonen, wilde de
wederpartij, ondanks verzoek daartoe van de Commissie, niet nader uiteen
zetten. Het enige dat met betrekking tot dit beleid naar voren werd
gebracht, is dat de omzet alleen niet bepalend is voor de vraag of sprake
is van een twijfelgeval, maar ook afhangt van feiten van algemene
bekendheid. Een tuinder, bijvoorbeeld, heeft weinig omzet, maar het is
algemeen bekend dat een tuinder wel aan de ureneis voldoet.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster. Zij is van mening dat de inspecteur zich jegens haar
discriminerend heeft opgesteld, aangezien hij er vanuit ging dat zij, als
vrouw, de zorg voor haar drie kinderen zou dragen. Haar echtgenoot werd
immers wel als ondernemer aangemerkt, terwijl hij eveneens drie kinderen
heeft. Gelet op zijn arbeidsongeschiktheid, zou hij toch evenmin aan het
urencriterium voldoen. Verzoekster is van mening dat de wederpartij
hiermee onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met de Wet,
waardoor zij belemmerd werd in de ontplooiing binnen de arbeid.

3.6. De wederpartij. Primair is zij van mening dat de opstelling van de
inspecteur op zich geen invloed heeft op de mogelijkheden van verzoekster
om arbeid te verrichten. Voor zover de uit het standpunt van de inspecteur
voortvloeiende belastingaanslagen haar in haar beroepsuitoefening
hinderen, kan zij een geschil daarover voorleggen aan de belastingrechter,
die de feitelijke juistheid van de stelling van de inspecteur zal toetsen
en zonodig corrigeren. De bejegening van verzoekster door de inspecteur
is geen handeling die valt onder de competentie van de Commissie, omdat
er geen sprake is van een arbeidsverhouding tussen verzoekster en de
belastingdienst.

Subsidiair voert zij aan dat de inspecteur verzoekster niet discriminerend
heeft behandeld, aangezien zijn standpunt niet is ingegeven door
vooringenomenheid over de rol van de vrouw in de maatschappij, maar louter
gebaseerd is op feiten en de daaraan verbonden fiscale consequenties. Het
urencriterium van de zelfstandigenaftrek is een, bewust in de Wet aan die
ondernemersfaciliteit gestelde, eis. De zelfstandigenaftrek is een fiscale
faciliteit die de ondernemer de mogelijkheid biedt reserves te vormen om
de onderneming in tijden van tijdelijke terugval van de ondernemingswinst,
in stand te houden. Gelet op het doel van die faciliteit, is de aftrek
alleen bestemd voor diegenen van wie de voor werkzaamheden beschikbare
tijd hoofdzakelijk in beslag wordt genomen door het drijven van een
onderneming. De urennorm maakt op objectieve wijze onderscheid tussen de
belastingplichtigen voor wie de regeling wel en niet bedoeld is. Diegenen
die niet dit aantal uren besteden, of dit nu het gevolg is van de
gezinsomstandigheden of van andere werkzaamheden, komen, gelet op het
hiervoor uiteengezette doel van de regeling, niet voor de faciliteit in
aanmerking. Ook bij mannen zal door de inspecteur gekeken worden naar de
gezinssituatie en de overige omstandigheden. Dat de inspecteur dit niet
heeft gesteld ten aanzien van de echtgenoot van verzoekster, komt voort
uit het feit dat bij hem geen twijfel bestond over zijn ondernemerschap.
Zijn onderneming was namelijk al enkele jaren goed voor enkele tonnen
omzet en winst. Indien de echtgenoot van verzoekster gemeld heeft dat hij
voor een groot deel arbeidsongeschikt was, zou ook bij hem controle van
de uren plaatsgevonden moeten hebben.

Geconcludeerd moet worden dat de inspecteur jegens verzoekster geen
(indirect) onderscheid naar geslacht in strijd met de Wet heeft gemaakt.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster
onderscheid heeft gemaakt naar geslacht in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen door te veronderstellen dat verzoekster
niet aan het urencriterium van artikel 44m Wet IB voldeed, onder andere
omdat zij de zorg voor drie kinderen had.

4.2. Alvorens de in geding zijnde vraag te behandelen, zal, gelet op het
verweer van de wederpartij, eerst worden nagegaan of over het verzoek kan
worden geoordeeld. Voorzover de wederpartij heeft bedoeld dat de
beroepsgang naar de belastingrechter, die is uitgemond in het arrest van
het hof d.d. 18 december 1992 aan een beoordeling van de Commissie in de
weg staat, wijst de Commissie er op dat zij op grond van artikel 14 WGB
een eigen taak heeft om te oordelen over de schending van de WGB. De
Commissie concludeert dan ook dat zij bevoegd is haar oordeel uit te
spreken over de voorliggende zaak.

4.3. Artikel 2 WGB bepaalt dat het niet is toegelaten onderscheid te maken
tussen mannen en vrouwen met betrekking tot de voorwaarden voor de toegang
tot en de mogelijkheden tot uitoefening van en ontplooiing binnen het
vrije beroep.

De niet-toekenning van de zelfstandigenaftrek heeft financiele gevolgen
voor een onderneming. Een dergelijke beslissing is derhalve aan te merken
als een voorwaarde tot uitoefening van en tot ontplooiing binnen het vrije
beroep. Bij de vaststelling of een belastingplichtige in aanmerking komt
voor zelfstandigenaftrek kan de belastingdienst derhalve in strijd met
artikel 2 WGB handelen. Of verzoekster als ondernemer aangemerkt kon
worden, staat niet ter beoordeling van de Commissie. Wel komt aan de orde
of de wederpartij, door bij de beoordeling van de vraag of verzoekster aan
de ureneis van artikel 44m Wet IB voldeed haar gezinsomstandigheden te
betrekken, in strijd met de WGB heeft gehandeld.

4.4. Met betrekking tot de in geding zijnde vraag overweegt de Commissie
als volgt. In artikel 1 WGB is bepaald dat onder indirect onderscheid
wordt verstaan onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan het
geslacht, bijvoorbeeld echtelijke staat of gezinsomstandigheden, dat
onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid
objectief gerechtvaardigd is. Onderscheid op grond van geslacht kan zich
dus ook voordoen, doordat wordt verwezen naar een bepaalde hoedanigheid
die op zichzelf geen enkel verband houdt met het geslacht van een persoon,
maar die in de praktijk in het bijzonder mannen of vrouwen nadelig
treffen. In navolging van de zogenoemde Tweede EG-Richtlijn (Richtlijn van
de Raad van de Europese Gemeenschappen (76/207/EEG) van 9 februari 1976
inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de
toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen
en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden. Publikatieblad van de Europese
Gemeenschappen, nr. L 39/40.), welke richtlijn als geintegreerd moet
worden beschouwd in de Nederlandse wetgeving (Wetsvoorstel 15 400.), zijn
in artikel 1 WGB als voorbeelden van indirect onderscheid de echtelijke
staat en de gezinsomstandigheden genoemd.

Bij de Commissie is twijfel gerezen of de urengrens van artikel 44m Wet
IB op zich een indirect onderscheid ten nadele van vrouwen oplevert. Er
zijn aanwijzingen dat beduidend meer vrouwen dan mannen niet aan deze
ureneis kunnen voldoen. Of deze urengrens berust op gronden die iedere
discriminatie naar geslacht uitsluiten en ook geschikt en noodzakelijk is
om het met deze urengrens gestelde doel te bereiken is een vraag die kan
worden opgeworpen (Vergelijk de onverenigbaarheid van de inkomensgrens
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet met het internationale recht vanwege
de schending van de gelijke behandelingsnorm. Centrale Raad van Beroep,
23 juni 1992 AAW 1991/463, RSV 1992/317.). De Commissie zal in de
onderhavige zaak de verenigbaarheid van de ureneis van artikel 44m Wet IB
met de gelijke behandelingsnorm echter niet nader onderzoeken. In de
eerste plaats heeft de Commissie daarbij overwogen dat het arrest van het
gerechtshof d.d. 18 december 1992 -waarbij onder de overweging dat
verzoekster niet aan de ureneis voldeed, de belasting over het jaar 1986
is vastgesteldkracht van gewijsde heeft. In de tweede plaats heeft
verzoekster de urengrens op zich niet ter discussie gesteld en heeft de
wederpartij derhalve geen gelegenheid gehad om op dit punt verweer te
voeren.

De Commissie is echter van oordeel dat de wijze waarop de inspecteur de
ureneis in casu heeft gehanteerd en heeft gecontroleerd -waarbij de
afwijzende beslissing is gemotiveerd met een beroep op de gezinssituatie
van verzoekster- het vermoeden oplevert dat de wederpartij hiermee
indirect onderscheid naar geslacht maakt. Het is immers zo dat meer
vrouwen dan mannen naast hun beroepsuitoefening met gezins- en zorgtaken
geconfronteerd worden. Het verweer van de wederpartij dat hij ook bij
mannen bij de controle van de urengrens naar gezinsomstandigheden vraagt
of zou kunnen vragen, doet derhalve niet ter zake. De wederpartij heeft
voorts op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat verwijzing naar de
gezinsomstandigheden in dit geval een objectief gerechtvaardigd doel
dient. Geenszins aannemelijk is immers dat een dergelijke verwijzing
noodzakelijk is om op deugdelijke en objectieve wijze te controleren of
een belastingplichtige aan de ureneis voldoet.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Staatssecretaris van
Financien te Den Haag jegens mevrouw Baars-Beckers te Voorburg indirect
onderscheid heeft gemaakt naar geslacht in strijd met artikel 2 Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Aldus vastgesteld op 11 juli 1994 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 26 april 1994

Rechters

mw mr Y. Telenga, mw mr C.E. van Vleuten, mw mr M. de Rooij, mw drsJ.A.M. Stolwijk, dhr mr W.A. van Veen, mw mr M.M. Hubner

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 7 juli 1994

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


De rechtbank wijst gevorderde materiele en immateriele schadevergoeding
ad in totaal ƒ 22.650,= toe. Gedaagde is strafrechterlijk veroordeeld. In
hoger beroep stelt dader dat aan verklaringen van deskundigen geen
volledige bewijskracht toekomt. Het Hof verwerpt deze stelling. Dader
slaagt er niet in tegen bewijs te leveren.

Volledige tekst

1. Verder verloop van het geding in hoger beroep

Het Hof volhardt bij het in deze zaak gewezen tussenarrest van 22 april
1993. Ter uitvoering van dit arrest zijn in enquete en contra- enquete
telkens vier getuigen gehoord. Bovendien zijn partijen als getuige
gehoord. Van deze verhoren zijn proces-verbaal opgemaakt die zich in
afschrift bij de stukken bevinden. Vervolgens hebben partijen andermaal
de stukken, die van eerste aanleg daaronder begrepen, overlegd en arrest
gevraagd.

2. Nadere beoordeling van het geschil

2.1. Bij eerder vermeld tussenarrest is appellant toegelaten tot het
leveren van tegenbewijs tegen de bewezenverklaring, die is opgenomen in
het in kracht van gewijsde gegaan op tegenspraak gewezen strafvonnis van
de rechtbank te Utrecht van 8 mei 1990. Deze bewezenverklaring houdt in,
voor zover thans van belang, dat appellant op diverse tijdstippen in de
periode van 18 januari 1977 tot het jaar 1979 telkens te Kamerik en te
Amsterdam met geintimeerde, geboren op 12 juli 1964, ontuchtige
handelingen heeft gepleegd.

2.2. Appellant is in deze bewijslevering niet geslaagd. Uit de
verklaringen van de op verzoek van appellant gehoorde getuigen, in
onderling verband en samenhang beschouwd, kunnen geen feiten en/of
omstandigheden worden afgeleid, waaruit blijkt, dat hij, appellant, in de
periode van 18 januari 1977 tot 1979 telkens te Kamerik en Amsterdam geen
ontuchtige handelingen met geintimeerde heeft gepleegd. Deze getuigen
verklaren immers slechts nooit iets van het plegen van ontucht door
appellant met geintimeerde te hebben gemerkt respectievelijk dat zij zich
niet kunnen voorstellen dat appellant met geintimeerde te hebben gemerkt
respectievelijk dat zij zich niet kunnen voorstellen dat appellant
dergelijke handelingen zou plegen. Dit betekent echter geenszins dat deze
handelingen ook niet door appellant gepleegd zijn. Bovendien bevestigen
de verklaringen van de in contra-enquete gehoorde getuigen juist veeleer
de bewezenverklaring in bovengenoemd vonnis.

2.3. Appellant heeft voorts nog bewijs aangeboden aangaande de
betrouwbaarheid van de door hem in het kader van het strafrechtelijk
onderzoek afgelegde verklaringen. Dit bewijsaanbod wordt als niet ter zake
dienend gepasseerd. Ook ziet het Hof geen aanleiding de betrouwbaarheid
van de door geintimeerde afgelegde verklaringen nogmaals te laten
onderzoeken.

2.4. Een en ander brengt mee dat er thans van moet worden uitgegaan dat
appellant meermalen met geintimeerde ontucht heeft gepleegd, hetgeen moet
worden aangemerkt als het plegen van een onrechtmatige daad.

Grief 1 treft dus geen doel.

2.5. Grieven 2 en 3 strekken ten betoge dat niet bewezen is dat de
onrechtmatige daad van appellant de in het strafvonnis omschreven gevolgen
heeft gehad alsmede dat aan het rapport van prof. J. Frenken en de
verklaringen van G. Boland en de huisarts van geintimeerde, mevrouw J.
Dieleman, geen volledige bewijskracht mag worden toegekend.

2.6. In het ten processe bedoelde strafvonnis worden de gevolgen die het
in dat vonnis bewezenverklaarde misdrijf kan hebben, omschreven als
“ernstige met name psychische gevolgen.”

2.7. Prof. J. Frenken, hoogleraar seksuologie aan het Academisch Ziekenhuis
te Leiden, heeft zijn rapport van 20 september 1989 uitgebracht na
kennisname van het strafdossier van appellant en een gesprek van vier uren
met geintimeerde. G. Boland, klinisch psychologe en werkzaam als
stafmedewerkster deskundigheidsbevordering bij de Stichting Tegen Seksueel
Geweld te Utrecht, was een van de begeleidsters van de verwerkingsgroep
van de Stichting Hulp na incest, waaraan geintimeerde in de periode maart
tot en met juni 1989 heft deelgenomen. Prof. J. Frenken, G. Boland en J.
Dieleman hebben dus beroepshalve contact gehad met geintimeerde en vanuit
hun respectieve deskundigheid hun bevindingen met geintimeerde op schrift
gesteld.

2.8. Het ontgaat het Hof waarom aan deze verklaringen geen volledige
bewijskracht mag worden toegekend. Die stelling van appellant wordt dan
ook verworpen.

2.9. Uit het rapport van prof. J. Frenken en de verklaringen van G.
Bopland en J. Dieleman, in onderling verband en samenhang beschouwd, kan
worden afgeleid dat de door appellant jegens geintimeerde gepleegde
onrechtmatige daad ernstige met name psychische gevolgen voor geintimeerde
heeft gehad.

2.10. Het betoog van appellant dat de klachten van geintimeerde hun
oorzaak vinden in haar eigen problemen wordt als onvoldoende gemotiveerd
en/of onderbouwd verworpen.

2.11. De rechtbank heeft dan ook terecht en op goede gronden als in rechte
vaststaand aangenomen dat de onrechtmatige daad van appellant voor
geintimeerde ernstige met name psychische gevolgen heeft gehad.

Grieven 2 en 3 falen dus.

2.12. Met grief 4 betoogt appellant primair dat de kosten waarvan
geintimeerde vergoeding vordert niet door haar zijn betaald en subsidiair
dat deze kosten niet noodzakelijk zijn geworden door de onrechtmatige
daad.

2.13. Appellant heeft zijn stelling dat geintimeerde deze kosten niet
heeft betaald niet onderbouwd of geadstrueerd, zodat deze stelling
tegenover de betwisting van geintimeerde wordt verworpen.

2.14. De subsidiaire stelling van appellant is gegrond, voor zover deze
betrekking heeft op de kosten samenhangend met de twee uitstapjes van
geintimeerde naar Duitsland (f 315,=) en de parkeerbon (f 35,=). Niet
aannemelijk is immers dat deze kosten veroorzaak zijn door de
onrechtmatige daad van appellant. Voor het overige moet de stelling van
appellant worden verworpen. Vast staat immers, gelet op het hierboven
onder 2.11. overwogene, dat de onrechtmatige daad van appellant inbreuk
heeft gemaakt op de integriteit van geintimeerde en dat geintimeerde
daardoor klachten van psychische aard heeft gekregen. De kosten, verbonden
aan het verhelpen van deze klachten, dienen voor rekening van appellant
te komen. Uit de door geintimeerde in eerste aanleg bij “konklusie van eis
tevens akte tot het in geding brengen van produkties” van 27 februari 1991
overgelegde bescheiden, kan worden afgeleid dat geintimeerde in verband
met deze klachten aan praatgroepen heeft deelgenomen en individuele
gesprekken bij de Stichting Hulp na incest heeft gevoerd. De daarmee
samenhangende kosten dienen voor rekening van appellant te komen, ook die
betreffende de reunie praatgroep Utrecht februari 1990, nu deze alleszins
redelijk zijn.

Dit betekent dat de in het bij “konklusie van eis tevens akte tot het in
geding brengen van produkteis” overgelegde overzicht van materiele schade
onder 1, 2, 5a, 5b, 5c, 6, 8 en 9 opgevoerde kosten als in redelijkheid
kunnen worden toegewezen. De in dit overzicht onder 4, 7 en 10 tot en met
15 opgenomen posten zijn door appellant voor het overige niet althans niet
gemotiveerd betwist, zodat ook deze kunne worden toegewezen.

Grief 4 treft dus ten dele doe.

2.15. Met grief 5 komt appellant op tegen het oordeel van de rechtbank dat
een vergoeding van immateriele schade kan worden toegekend.

2.16. Deze grief faalt.

De inbreuk die appellant door zijn onrechtmatige daad op de lichamelijke
en geestelijke integriteit heeft gemaakt, rechtvaardigt het toekennen van
een vergoeding voor immateriele schade.

2.17. Met grief 6 bestrijdt appellant de hoogte van de door de rechtbank
toegekende vergoeding voor immateriele schade.

2.18. het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van de door appellant
veroorzaakte inbreuk op de integriteit van geintimeerde, de door de
rechtbank toegekende vergoeding terzake van immateriele schade alleszins
redelijk is.

Grief 6 treft geen doel.

2.19. Nu de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering is
ingesteld, niet in vervulling is gegaan, heeft de rechtbank terecht de
reconventionele vordering niet behandeld.

Grief 7 faalt dus eveneens.

3. Slotsom

Nu grief 4 gedeeltelijk doel treft, moet het vonnis worden vernietigd en
kan de vordering van geintimeerde tot een bedrag van ƒ 22.300,= worden
toegewezen. Appellant dient als de grotendeels in het ongelijk gestelde
partij in de kosten van beide instanties te worden veroordeeld.

4.Beslissing

Het Hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt appellant tot betaling van een bedrag van ƒ 22.300,= te
vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot die
der algehele voldoening;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt appellant in de kosten van het onderhavige geding in beide
instanties, tot aan deze uitspraak in eerste aanleg aan de zijde van
geintimeerde begroot op ƒ 1.863,= op de voet van artikel 57b van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te voldoen aan de griffier van de
rechtbank te Utrecht, en in hoger beroep op ƒ 4.615, op de voet van
artikel 57b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te voldoen aan
de griffier van dit hof;

wijst het meer gevorderde af.

Rechters

mrs. Ter Haar, Chorus en Boumans

Instantie: Hof van Justitie EG, 7 juli 1994

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Het doel van richtlijn 79/7 is onverenigbaar met een zodanige uitleg van
artikel 7(1)d van deze richtlijn dat een lidstaat die verhogingen van
ouderdomspensioenen voor de ten laste komende echtgenoot uitsluitend aan
mannen toekende, dit verschil in behandeling niet enkel mag opheffen ten
aanzien van vrouwen die aan bepaalde voorwaarden voldoen. Een dergelijke
uitleg zou ertoe leiden dat een lidstaat zich niet langer op deze
uitzonderingsbepaling kan beroepen teneinde een maatregel te nemen, zoals
in casu, die de draagwijdte van een ongelijke behandeling op grond van
geslacht verkleint.

Volledige tekst

Arrest

1. Bij beschikking van 27 november 1992, ingekomen ten Hove op 18 december
daaraanvolgend, heeft de Sociale Security Commissioner krachtens artikel
177 EEG-Verdrag drie prejudiciele vragen gesteld over de uitlegging van
artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van
19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het
beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van
de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24; hierna: “richtlijn”).

2. Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen E. Bramhill, verzoekster
in het hoofdgeding, en de Chief Adjudication Officer naar aanleiding van
diens weigering om haar een verhoging van haar ouderdomspensioen voor haar
ten laste komende echtgenoot toe te kennen.

3. Blijkens de wijzigingsbeschikking is verzoekster in het hoofdgeding,
die de Britse nationaliteit bezit, met ingang van 1 juli 1990 opgehouden
te werken, nadat zij de leeftijd van zestig jaar had bereikt. Enkele
maanden eerder had zij eerst een ouderdomspensioen met ingang van haar
zestigste verjaardag aangevraagd en later een verhoging hiervoor voor haar
ten laste komende echtgenoot.

4. Haar werd met ingang van 4 juni 1990 een ouderdomspensioen toegekend,
doch het verzoek om een verhoging werd afgewezen op grond dat zij niet
voldeed aan de voorwaarden voor een dergelijke verhoging. Deze voorwaarden
zijn vastgelegd in Section 45 A van de Social Security Act 1975, ingevoerd
bij de Health and Social Security Act 1984.

5. Voor de wetswijziging van 1984 hadden alleen gepensioneerde mannen
recht op verhoging van het ouderdomspensioen voor hun ten laste komende
echtgenote.

6. Section 45 A (1) (a) stelt voor toekenning van de in geding zijnde
verhoging met name als voorwaarde dat het ouderdomspensioen van de vrouw
is ingegaan onmiddellijk na afloop van een periode waarvoor zij, uit
hoofde van een echtgenoot ten laste, recht had op verhoging van een
uitkering wegens werkloosheid, ziekte of invaliditeit.

7. Volgens de door de Britse regering verstrekte toelichting is de
mogelijkheid dat vrouwen in de hiervoor beschreven omstandigheden een
verhoging van hun ouderdomspensioen voor hun ten laste komende echtgenoot
krijgen, ingevoerd om te voorkomen, dat zij bij het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd een aanzienlijk inkomensverlies lijden
wanneer zij, sedert de wetswijziging van 1984, voor hun pensionering recht
hadden op een verhoging van hun uitkering wegens ziekte, invaliditeit of
werkloosheid voor een ten laste komende persoon.

8. Verzoekster in het hoofdgeding bevond zich echter niet in een
dergelijke situatie.

9. Voor het Social Security Appeal tribunal, waar verzoekster beroep had
ingesteld tegen het besluit van de Adjudication Officer, werd niet betwist
dat Section 45 A van de Social Security Act 1975 gehuwde vrouwen
verschillend behandelt, aangezien volgens Section 45 van diezelfde wet een
gehuwde man die een verhoging van zijn ouderdomspensioen voor zijn ten
laste komende echtgenote aanvraagt, niet aan een dergelijke voorwaarde
behoeft te voldoen.

10. Daar echter evenmin werd betwist dat het Social Security Appeal
Tribunal gebonden was aan eerdere rechtspraak van de Social Security
Commissioner, volgens welke de in geding zijnde regeling verenigbaar is
met de richtlijn wegens de in artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, van de
richtlijn aan de Lid-Staten geboden mogelijkheid om op bepaalde punten van
het in artikel 4, lid 1, van de richtlijn gestelde beginsel van gelijke
behandeling af te wijken, bevestigde genoemde rechterlijke instantie het
afwijzende besluit van de Adjudication Officer. Zij stond evenwel beroep
op de Social Security Commissionar toe.

11. Artikel 4, lid 1, van de richtlijn luidt als volgt:

“1. Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van
discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door
verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is
uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot:

( …)

– de berekening van de prestatie, waaronder begrepen verhogingen
verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende
personen, alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op
prestaties.”

12. Artikel 7, lid 1, van de richtlijn luidt:

“1. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Lid-Staten
om van haar werkingssfeer uit te sluiten:

( …)

d) de toekenning van verhogingen van prestaties op lange termijn inzake
invaliditeit, ouderdom, arbeidsongevallen of beroepsziekten voor de ten
last komende echtgenote;

( …)”

( …)

13. Volgens de Social Security Commissioner rijst in de onderhavige zaak
de vraag, of de verschillende behandeling van mannen en vrouwen met
betrekking tot het recht op verhoging van het ouderdomspensioen voor de
ten laste komende echtgenoot al dan niet wordt gedekt door de
afwijkingsbepaling van artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, van de
richtlijn.

14. Gelet op de uiteenlopende opvattingen van partijen over het op deze
vraag te geven antwoord, heeft de Social Security Commissioner besloten
de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de navolgende
prejudiciele vragen te stellen:

“1) Indien een Lid-Staat verschillende regelingen heeft vastgesteld voor,
enerzijds, een gepensioneerde man die een recht doet gelden uit hoofde van
een ten laste komende echtgenote, en, anderzijds, voor een gepensioneerde
vrouw die een recht doet gelden uit hoofde van een ten last komende
echtgenoot, moet de afwijkingsbepaling van artikel 7, lid 1, aanhef en sub
d, van richtlijn 79/7 dan aldus worden uitgelegd, dat deze Lid-Staat ten
aanzien van de gepensioneerde vrouw strengere voorwaarden mag stellen dan
ten aanzien van de gepensioneerde man?

2) Mag een Lid-Staat inzonderheid een voorwaarde opleggen als vervat in
Section 45 A van de Social Security Act 1975, volgens welke de
gepensioneerde vrouw onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop zij
recht kreeg op een ouderdomspensioen, voor die echtgenoot recht moet
hebben gehad op een verhoging van een uitkering wegens werkloosheid,
ziekte of invaliditeit, indien deze voorwaarden niet geldt voor de man die
voor zijn ten laste komende echtgenote een verhoging van het
ouderdomspensioen aanvraagt?

3) Indien de nationale rechter, in het licht van de antwoorden op de
vragen 1 en 2, moet bepalen of een nationale wettelijke regeling voldoet
aan het evenredigheidsvereiste in de zin van het gemeenschapsrecht, en dus
kan vallen onder de afwijkingsbepaling van artikel 7, lid 1, aanhef en sub
d, van de richtlijn 79/7, welke specifieke criteria dient hij dan toe te
passen?”

15. Met deze vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of
artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, van richtlijn 79/7 zich ertegen verzet,
dat een lidstaat die de verhogingen van prestaties op lange termijn inzake
ouderdom voor de ten laste komende echtgenoot uitsluitend aan mannen
toekende, dit verschil in behandeling enkel opheft ten aanzien van vrouwen
die aan bepaalde voorwaarden voldoen.

16. Volgens verzoekster in het hoofdgeding volgt uit de bewoordingen van
artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, van de richtlijn, dat de lidstaten
enkel de toekenning van verhogingen van prestaties voor ‘de ten laste
komende echtgenote’ kunnen uitsluiten, zodat regelingen die, zoals de
regeling die sedert 1984 in het Verenigd Koninkrijk geldt, voor de beide
echtgenoten in verhogingen voorzien, maar op verschillende voorwaarden,
een discriminatie inhouden die niet door de afwijkingsbepaling van artikel
7 van de richtlijn wordt gedekt.

17. Verzoekster voegt hieraan toe, dat deze uitlegging wordt bevestigd
door het feit dat, anders dan in laatstgenoemde bepaling, in artikel 4,
lid 1, aanhef en derde streepje, van de richtlijn het algemene beginsel
is neergelegd, dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht is
verboden, in het bijzonder met betrekking tot de berekening van de
prestaties, waaronder begrepen verhogingen verschuldigd uit hoofde van de
‘echtgenoot’ en voor ten laste komende personen.

18. Dit betoog faalt.

19. Zoals de Britse regering terecht heeft opgemerkt, viel een regeling
zoals dier welke in het Verenigd Koninkrijk gold voor de wetswijziging bij
de Health and Social Security Act 1984, waarbij het recht op de in geding
zijnde verhoging aan bepaalde categorieen gehuwde vrouwen is toegekend,
ontegenzeglijk binnen de werkingssfeer van deze afwijking, aangezien
verhoging van de ouderdomspensioenen destijds slechts mogelijk was voor
de ’ten laste komende echtgenote’.

20. Zoals de titel van de richtlijn aangeeft en in artikel 1 wordt
gepreciseerd, beoogt de richtlijn de geleidelijke tenuitvoerlegging van
het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied
van de sociale zekerheid (zie met name arresten van 24 februari 1994, zaak
C-343/92, Roks e.a., Jurispr. 1994, blz. I-571, en 7 juli 1992, zaak
C-9/91, Equal Opportunities Commission, Jurispr. 1992, blz. I-4297).

21. Een uitlegging van de richtlijn zoals door verzoekster in het
hoofdgeding bepleit, zou derhalve onverenigbaar zijn met dit doel en de
uitvoering van genoemd beginsel in gevaar dreigen te brengen, daar zij
ertoe zou leiden, dat een lidstaat zich met betrekking tot prestaties die
hij krachtens artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, van de werkingssfeer van
de richtlijn heeft uitgesloten, niet meer op deze afwijkingsbepaling kan
baseren ingeval hij een maatregel zou nemen die, zoals de maatregel in
geding, tot gevolg heeft, dat de draagwijdte van een ongelijke behandeling
op grond van geslacht wordt verkleind.

22. Hieruit volgt, dat het verschil in redactie tussen artikel 4, lid 1,
aanhef en derde streepje, en artikel 7, aanhef en sub d, van de richtlijn
niet kan worden uitgelegd zoals verzoekster in het hoofdgeding wil, en dat
het in geding zijnde verschil in behandeling derhalve binnen het kader van
genoemde afwijkingsbepaling valt.

23. Het evenredigheidsbeginsel ten slotte, waarnaar de nationale rechter
ook verwijst, kan geen toepassing vinden in een geval als het onderhavige,
waarin, zoals in de voorgaande rechtsoverweging is vastgesteld, het in
geding gebrachte verschil in behandeling ingevolge de afwijkingsbepaling
van artikel 76, lid 1, aanhef en sub d, van de richtlijn is toegestaan.

24. Mitsdien moet op de prejudiciele vragen worden geantwoord, dat artikel
7, lid 1, aanhef en sub d, van richtlijn 79/7 zich er niet tegen verzet,
dat een lidstaat die de verhogingen van prestaties op lange termijn inzake
ouderdom voor de ten laste komende echtgenoot uitsluitend aan mannen
toekende, dit verschil in behandeling enkel opheft ten aanzien van vrouwen
die aan bepaalde voorwaarden voldoen.

Kosten

25. De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie
van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij
het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten
aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar
gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie
over de kosten heeft te beslissen.

Het Hof van Justitie (vijfde kamer),

uitspraak doende op de door Social Security Commissioner bij beschikking
van 27 november 1992 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van
19 december 1979 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het
beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van
de sociale zekerheid, verzet zich er niet tegen, dat een lidstaat die de
verhogingen van prestaties op lange termijn inzake ouderdom voor de ten
laste komende echtgenoot uitsluitend aan mannen toekende, dit verschil in
behandeling enkel opheft ten aanzien van vrouwen die aan bepaalde
voorwaarden voldoen.

Rechters

Mrs. Moitinho de Almeida, Joliet, Rodriguez Iglesias, Grevisse,Zuleeg