Instantie: Rechtbank Zutphen, 1 juli 1994

Instantie

Rechtbank Zutphen

Samenvatting


Vader van eiseres heeft haar jarenlang sexueel misbruikt. Toen zij
zeventien was heeft zij een kind van hem gekregen. Zij eist ƒ 80.000,-
immateriele schadevergoeding en ƒ 20.000,- materiele schadevergoeding
voor het gederfde inkomen. De materiele schadevergoeding is het verschil
tussen het genoten inkomen (ABW) en het minimum-jeugdloon. De rechtbank
kent ƒ 35.000,- immateriele schadevergoeding toe en wijst de materiele
schadevergoeding met een ontoereikende motivering af.
In hoger beroep wordt bepaalt het Hof in een tussenvonnis dat er een comparitie
van partijen moet plaatsvinden. Daarna is de procedure geroyeerd omdat er een
schikking heeft plaatsgevonden.

Volledige tekst

Hof Arnhem, 31 oktober 1995 (rolnummer 94/584)

1. Het verloop van de procedure

1.1 Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de
vonnissen van 16 december 1993 en van 30 juni 1994 die de arrondissementsrechtbank
te Zutphen tussen partijen – hierna “de dochter” respectievelijk “de vader” te
noemen – heeft gewezen; van die vonnissen is een fotocopie aan dit arrest gehecht.

1.2 De vader is bij exploit van 30 september 1994 van die vonnissen in hoger
beroep gekomen, met gelijktijdige dagvaarding van de dochter voor dit hof.

1.3 Bij memorie van grieven heeft hij drie grieven aangevoerd en toegelicht,
en heeft hij geconcludeerd dat het hof het vonnis van 30 juni 1994 zal
vernietigen en opnieuw rechtdoende, met aanpassing van gronden, de vordering
vande dochter zal afwijzen, althans tot een veel lager bedrag zal toewijzen
(dan de rechtbank deed). met compensatie van kosten.

1.4 De memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel
heeft de dochter de grieven in het principaal appel bestreden, en heeft zij in
incidenteel appel drie grieven tegen de twee hogergenoemde vonnissen aangevoerd en
toegelicht. Zij heeft bewijs aangeboden en zij heeft geconcludeerd dat het hof
ertoe zal overgaan om het vonnis van 30 juni 1994 te vernietigen voor zover daarin
de vordering terzake materiele schadevergoeding is afgewezen en opnieuw
rechtdoende voormelde vordering alsnog toe zal wijzen en voor het overige het
vonnis zal bevestigen, met veroordeling van de vader in de kosten van beide
instanties.

1.5 Bij memorie vanantwoord in het incidenteel appel heeft de vader de grieven
van de dochter bestreden, met condlusie dat het hof zal beslissen om haar
niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar vordering zal ontzeggen en de
vonnissen van 16 december 1993 en 30 juni 1994 voorzover betrekking hebbende
op de gevorderde en afgewezen materiele schadevergoeding zal bekrachtigen, met
veroordeling van de dochter in de kosten van beide instanties.

1.6 Daarna hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof
overgelegd.

2. De vaststaande feiten

Op grond van hetgeen is gesteld en niet of onvoldoende is weersproken dan wel
blijkt uit de onbetwiste inhoud van de overgelegde bescheiden, staat in hoger
beroep het volgende vast:

a) De dochter is geboren op 14 maart 1968. Zij is een zogenaamd voorkind van
de vrouw van de vader, die niet haar biologische vader is. Zij is opgevoed
in het gezin van de vader en de moeder, die op 12 september 1969 met elkaar
zijn getrouwd (door welk huwelijk de dochter is gewettigd).

b) Sedert de dochter 12 of 13 jaar oud is tot in juni 1987 heeft de vader
herhaaldelijk ontucht met haar gepleegd, waarbij hij in ieder geval sinds eind
1984 (toen zij dus 16 jaar oud was) geregeld geslachtsgemeenschap met haar
heeft gehad.

c) Op 24 september 1985 is de dochter bevallen van een zoon E. De vader
heeft – met name ook in na te noemen strafrechteijke procedure tegen hem – te
kennen gegeven aan te nemen dat hij de verwekker van E. is. Later is hij dat
gaan ontkennen.

d) Bij op tegenspraak gewezen en in kracht van gewijsde gegane arresten van
dit hof van 22 juli 1988 en 12 januari 1990 is bewezen verklaard dat de vader
in de periode gelegen tussen 14 maart 1981 en 14 maart 1984 op meerdere
tijdstipppen ontucht heeft gepleegd met de dochter, welke ontucht telkens
heeft bestaan uit het opzettelijk bevoelen van haar vrouwelijkheid,
respectievelijk dat hij in de periode gelegen tussen 14 maart 1984 en medio
juni 1987 op meerdere tijdstippen ontucht met haar heeft gepleegd, telkens
daaruit bestaande dat hij met haar vleselijke gemeenschap heeft gehad.

e) Voor zover het bewezene is gepleegd tijdens de minderjarigheid van de
dochter (dus tot 14 maart 1986) is de vader bij het laatstgenoemde arrest van
het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden,
waarvan een gedeelte groot drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van
twee jaar.

f) Het hof overwoog daarbij in het bijzonder tot de keuze van die deels
onvoorwaardelijke gevangenisstraf te zijn gekomen wegens “de ernst van de
door verdachte gepleegde feiten, mede bepaald door de lange periode gedurende
welke verdachte veelvuldig en ernstig inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke
integriteit van zijn dochter en waarbij zelfs de zwangerschap van zijn
dochter hem er niet van weerhield om na de bevalling met zijn handelingen
door te gaan” en het hof voegde daaraan toe dat het “verdachte de ernstige
emotionele gevolgen van de feiten voor zijn dochter zwaar aanrekent”.

g) Nadat de dochter van voormelde feiten bij de politie aangifte had gedaan,
is zijn op 29 juni 1987 tezamen met E. opgenomen in het opvanghuis De Paula
te Oosterbeek. Zij is toen ook van school gegaan. In november 1987 is E.
tijdelijk bij een pleeggezin geplaatst.

h) Begin april 1988 is de dochter in een fasehuis van de vereniging “Neerbosch”
te Nijmegen gaan wonen, sedert 1 december definitief samen met E.

i) In maart 1989 is de dochter met E. verhuisd naar Enschede, waar zij met
haar vriend is gaan samenwonen. Zij is thans gtrouwd en uit dit huwelijk zijn
inmiddels twee kinderen geboren. Zij verricht geen werkzaamheden buitenshuis.
Haar echtgenoot verdient een salaris dat blijkens een overgelegde specificatie
over de maand december 1993 inclusief overwerk bijna ƒ 3.450 netto bedroeg.

j) De vader, die op 24 maart 1946 is geboren en vanberoep service monteur
koeltechniek is, is inmiddels arbeidsongeschikt verklaard. Hij ontvangt voor
zich en zijn gezin, waartoe behalve zijn vrouw nog een kind van thans zes jaar
oud behoort, een uitkering ingevolge de WAO van omstreeks ƒ 2.200,= netto per
maand.

k) Bij brief van 26 november 1990 is de vader gesommeerd om aan de dochter een
schadevergoeding van ƒ 100.000,= te betalen, bestaande uit een bedrag van
ƒ 20.000,= ter zake van materiele schade en een bedrag van ƒ 80.000 ter zake
van immateriele schade; in de brief is aanspraak op vergoeding van de wettelijke
rente over dat bedrag gemaakt met ingang van 1 december 1990. De vader heeft
aan die sommatie niet voldaan.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Naar de rechtbank met juistheid heeft vooropgesteld, moet de in dit geding
door de dochter tegen de vader aanhangig gemaakte vordering, strekkende tot
betaling van genoemd bedrag ad ƒ 100.000,= worden beoordeeld naar het
vermogensrecht zoals dit tot 1 januari 1992 heeft gegolden.

3.2 Het hof verenigt zich voorts met het – in hoger beroep niet aangevochten –
oordeel van de rechtbank (in punt 5.3 van het vonnis van 16 december 1993)
met betrekking tot de onrechtmatigheid van voormelde gedragingen van de vader
ten opzichte van de dochter, de verwijtbaarheid daarvan en zijn gehoudenheid om
de dientengevolge door de dochter geleden en te lijden schade aan haar te
vergoeden. In de appelprocedure aanvaardt de vader trouwens op zichzelf dat
hij de dochter een financiele genoegdoening te dier zake heeft te verschaffen.

3.3 Wel zijn in hoger beroep in geschil de hoogte van het toe te kennen bedrag
voor immateriele schade en het antwoord op de vragen of en in hoeverre aan de
dochter materiele schade is berokkend.

3.4 Ten aanzien van de immateriele schade stelt de vader dat de dochter niet
heeft aangetoond dat zij de door haar aangevoerde (ernstige) psychische
klachten ten gevolge van het gebeurde heeft opgelopen. Naar aanleiding hiervan
zal een comparitie van partijen worden belegd om daarover van de dochter
nadere inlichtingen te verkrijgen. Enerzijds toch ligt alleszins voor de hand
dat zij diepgaand is getroffen, anderzijds zijn de tot nog toe verstrekte
gegevens te dier zake niet erg concreet.

3.5.1 Met betrekking tot de materiele schade stelt de dochter dat deze in het
bijzonder hierdoor is veroorzaakt dat zij wegens de zorg voor E. niet op haar
negentiende jaar aan het arbeidsproes is kunnen gaan deelnemen en aldus
gedurende ruim vier jaar inkomsten uit arbeid heeft moeten missen. Zij wijst
ook op de gevolgen van haar psychische toestand.

3.5.2 In verband hiermee is allereerst de vraag aan de orde of de vader al
dan niet de verwekker van E. is. Ter comparitie zal worden besproken of een
nader onderzoek op dit punt noodzakelijk is, mede in het licht van de
aanwijzingen welllke de dochter daartoe heeft genoemd. De dochter heeft zich
bovendien bereid verklaard mede te werken aan een (bloed- en/of DNA-)onderzoek.

3.5.3 In de tweede plaats zijn inlichtingen nodig over de schoolopleiding van
de dochter en over de vragen of al dan niet mag worden aangenomen dat zij,
indien zij de zorg voor E. niet zou hebben gehad, inderdaad een baan zou
hebben kunnen vinden en daaruit inkomsten zou hebben ontvangen alsmede
gedurende hoe lang dat dan het geval zou zijn geweest.

3.6 Verder zal ter comparitie aandacht worden besteed aan de relevantie van
enige andere door partijen genoemde kwesties – zoals het door de vader ingestelde
beroep in cassatie tegen het eerste strafarrest van het hof en de bedreigingen
e.d. welke hij naar zijn zeggen heeft ondervonden – en zullen partijen zo
nodig nog kunnen ingaan op ieders financiele situatie.

3.7 De comparitie zal tevens worden gebruikt om te onderzoeken of partijen
het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

3.8 Een persoonlijke verschijning van ieder van partijen wordt door het hof
hoe dan ook noodzakeljk geacht. Mocht het op bezwaren stuiten dat partijen
gezamenlijk aan de comparitie deelnemen, dan zal dat in de periode
voorafgaande aan de dag der comparitie met de raadsheer-commissaris kunnen
worden overlegd over de mogelijkheid om partijen buiten elkaars aanwezigheid
te horen.

3.9 Voor het overige wordt iedere beslissing aangehouden.

4. De beslissing in hoger beroep

Het hof, rechtdoende:

4.1 Bepaalt dat partijen tezamen met hun advocaten zullen verschijnen voor het
te dezen tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. N. van Raalte,
die daartoe zitting zal houden in een der vertrekken van het gebouw van het
hof aan de Walburgstraat 2 te Arnhem op een door heem te bepalen vrijdagmorgen
in de maanden december 1995 of januari 1996, zulks tot het geven van
inlichtingen als boven aangegeven en opdat kan worden onderzocht of partijen
het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

4.2 Bepaalt dat de verhinderdagen van partijen en hun advocaten zullen worden
opgegeven ter rolle van het hof van 21 november 1995 ambtshalve permptoir,
waarna dag en uur der comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer
partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld
en in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend.

4.3 Bepaalt dat partijen de bescheiden waarop zij ter comparitie een beroep
willen doen, zullen overleggen door deze uiterlijk twee weken voor de dag der
comparitie in copie aan de wederpartij en aan de raadsheer-commissaris toe
te zende.

4.4 Houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs Hammerstein, Van Raalte en Rijken en in
tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting
van 31 oktober 1995

Rechtbank Zutphen, 30 juni 1994

1. Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit: -het tussenvonnis van 16 december 1993 -de akte
van eiseres -de akte van gedaagde

2. De verdere behandeling van het geschil

2.1. Ingevolge voornoemd tussenvonnis is eiseres in de gelegenheid gesteld
de door haar gestelde materiele schade bij akte nader uiteen te zetten en
te onderbouwen en de gestelde omvang van haar immateriele schade nader toe
te lichten. Tevens is zij in de gelegenheid gesteld informatie te
verschaffen omtrent haar vermogen en inkomsten. Ter toelichting en
onderbouwing van de gestelde materiele schade heeft eiseres aangevoerd dat
zij vanwege haar geestelijke en emotionele toestand tevergeefs getracht
heeft een opleiding te voltooien en dat zij vanwege de zorg voor haar kind
niet in staat is geweest om gedurende de periode juni 1987 t/m september
1991 betaald werk te verrichten. Zo zij die zorg niet zou hebben gehad,
zo begrijpt de rechtbank haar betoog, zou zij gedurende genoemde periode
hebben kunnen werken en daarmede in elk geval het wettelijk minimum
jeugdloon hebben kunnen verdienen. Eiseres heeft evenwel nagelaten aan te
geven welke vooruitzichten zij zou hebben gehad op een full-time baan. De
rechtbank acht de gestelde materiele schade dan ook onvoldoende gesteld
en aannemelijk gemaakt, en zal dit onderdeel van de vordering daarom
afwijzen.

2.2. Ter nadere toelichting van de gestelde omvang van de immateriele
schade volstaat eiseres met een verwijzing naar rechtspraak van de
Rechtbanken Haarlem en Maastricht. Daarmede heeft eiseres de rechtbank
niet veel verder gebracht dan tot hetgeen bij vonnis van 16 december 1993
reeds kon worden overwogen. Slechts met betrekking tot de inkomens- en
vermogenssituatie van eiseres is bij akte nadere informatie verschaft.

2.3. Bij de vaststelling van de omvang van de immateriele schade zal de
rechtbank uiteindelijk in aanmerking nemen de door eiseres gestelde en
door gedaagde op zichzelf niet betwiste — hij stelt slechts dat hij
daarvan niets heeft gemerkt — klachten als depressiviteit, neiging tot
suicide, concentratiestoornissen, het ontbreken van sexuele lustgevoelens,
relatiestoornissen en nachtmerries welke geacht kunnen worden te zijn
veroorzaakt door de door gedaagde gepleegde onrechtmatige daden jegens
eiseres.

2.4. de rechtbank neemt voorts in aanmerking de wederzijdse stand en het
fortuin van partijen. Dienaangaande heeft gedaagde onweersproken gesteld
dat hij voor het onderhoud van zichzelf en zijn gezin is aangewezen op een
WAO-uitkering van ƒ 2.200,- (netto) per maand en dat hij niet over
vermogen van enige omvang beschikt. Eiseres beschikt met haar echtgenoot
en twee kinderen over een netto maandinkomen van ruim ƒ 3.400,- en niet
over aanzienlijk vermogen.

2.5. Gelet op alle relevante omstandigheden, in het bijzonder de door de
rechtbank aangenomen ernst en de omvang van gedaagdes onrechtmatig
handelen, de gevolgen daarvan voor eiseres en de wederzijdse stand van het
inkomen en het vermogen van beide partijen, waaronder begrepen hetgeen
omtrent gedaagdes draagkracht is komen vast te staan, stelt de rechtbank
de immateriele schade naar billijkheid op een bedrag van ƒ 35.000,-.

2.6. De proceskosten zullen worden gecompenseerd omdat partijen over en
weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld.

2.7.De proceskosten zullen worden gecompenseerd omdat partijen over en
weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld.

Beslissing

De rechtbank,

1. veroordeelt gedaagde om aan eiseres tegen kwijting te betalen een
bedrag van ƒ 35.000,= (vijfendertig duizend gulden) te vermeerderen met
de wettelijke rente daarover vanaf 1 december 1990 tot aan de dag der
algehele voldoening;

2. compenseert de proceskosten aldus dat beide partijen hun eigen kosten
dragen;

3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mrs. Huizinga, Van der Kallen

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 1 juli 1994

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Een vijftigjarige vrouw dient na een huwelijk van 28 jaar een vordering
tot echtscheiding en alimentatie in. Tijdens een bespreking tussen de
vrouw en de man, in tegenwoordigheid van de respectievelijke advocaten,
wordt overeengekomen de alimentatieduur tot tien jaar te beperken. De
vrouw neemt aan dat zij gedurende de vijf jaar na het vervallen van de
alimentatie en de aanvang van haar AOW- uitkering in haar levensonderhoud
zal kunnen voorzien. Zij realiseert zich al snel dat deze aanname weinig
realistisch is: zij heeft door de zorg voor man en zes kinderen geen
behoorlijke opleiding met adequate arbeidskansen kunnen volgen. Dat die
kansen zich nog zullen voordoen in de periode tot haar vijfenzestigste
ligt niet voor de hand. De vrouw vecht dan ook haar gebondenheid aan deze
overeenkomst aan en de Hoge Raad honoreert haar betoog. De Hoge Raad neemt
aan dat in haar betoog een verzoek tot wijziging of intrekking van de
overeenkomst besloten ligt op grond van gewijzigde omstandigheden ex art.
1:401 lid 1 BW. Vervolgens stelt de Hoge Raad vast dat in casu sprake is
van gewijzigde omstandigheden en vernietigt het arrest van het Hof.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie -verder te
noemen: de vrouw- heeft bij exploit van 31 oktober 1988 verweerder in
cassatie -verder te noemen: de man- gedagvaard voor de Rechtbank te Arnhem
en gevorderd de echtscheiding tussen partijen uit te spreken met
nevenvorderingen, en, voor zover in cassatie nog van belang, de man te
veroordelen om aan de vrouw een alimentatie van ƒ 2.000,= per maand te
betalen. Vervolgens heeft de vrouw voor wat betreft de hoogte van de
alimentatie haar eis gewijzigd en gevorderd deze vast te stellen op ƒ
3.000,= per maand voor een periode van 15 jaar, subsidiair 2.500,= voor
een periode van 15 jaar, meer subsidiair op ƒ 3.000,= voor een periode van
10 jaar met een door de Rechtbank nader vast te stellen afbouw voor de
resterende 5 jaar. Nadat de man tegen de gevorderde alimentatie zowel wat
de duur als wat de hoogte betreft verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank
bij tussenvonnis van 2 november 1989 de echtscheiding tussen partijen
uitgesproken en de beslissing omtrent de vaststelling van de alimentatie
aangehouden. Na comparitie van partijen heeft de Rechtbank bij eindvonnis
van 21 juni 1990 de man veroordeeld om aan de vrouw voor haar
levensonderhoud te betalen ƒ 3.000,= per maand vanaf 2 november 1989 tot
de dag waarop de vrouw 65 jaar zal worden en een AOW-uitkering zal gaan
ontvangen. Tegen laatstgenoemde vonnis heeft de man hoger beroep ingesteld
bij het Gerechtshof te Arnhem. Na comparitie van partijen, bevolen bij
tussenarrest van 7 april 1992, heeft het Hof bij arrest van 5 januari 1993
het bestreden eindvonnis vernietigd behoudens de daarbij uitgesproken en
hierbij bekrachtigde beslissing omtrent de proceskosten. Voorts heeft het
Hof de man veroordeeld om aan de vrouw voor haar levensonderhoud te
betalen een bedrag van ƒ 2.000,= per maand vanaf 30 november 1989 en vanaf
1 januari 1993 ƒ 2.400,= per maand tot 30 november 1999. Het eindarrest
van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen het eindarrest van het Hof heeft de vrouw
beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest
gehecht en maakt daarvan deel uit. Tegen de man is verstek verleend. De
vrouw heeft haar zaak doen toelichten door haar advocaat. De
Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het
beroep.

3. Beoordeling van het middel 3.1 Het gaat in deze zaak om het volgend.
(i) Partijen zijn in 1961 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Uit
het huwelijk zijn zes kinderen geboren. (ii) Bij dagvaarding van 31
oktober 1988 heeft de vrouw echtscheiding gevorderd alsmede veroordeling
van de man tot betaling van een bijdrage in haar levensonderhoud. (iii)
OP 9 november heeft tussen partijen en hun advocaten een bespreking
plaatsgevonden, waarbij onder meer is afgesproken dat de alimentatie aan
de hand van de Trema-normen zou worden bepaald en dat de man de aldus te
berekenen alimentatie slechts gedurende een periode van tien jaar zou
behoeven te betalen. Bij conclusie van repliek heeft de vrouw aangevoerd
dat zij onmiddellijk na voormelde bespreking tot het inzicht was gekomen
dat een limitering van de alimentatie tot tien jaar niet rechtvaardig was
en haar in grote financiele problemen zou brengen. Zij was immers, aldus
de vrouw, ten tijde van die conclusie (18 mei 1989) 50 jaar oud en 28 jaar
met de man gehuwd, had in dat huwelijk zes kinderen grootgebracht, en was
dientengevolge niet in de gelegenheid geweest een behoorlijke opleiding
met adequate arbeidskansen te volgen, terwijl het niet voor de hand lag
dat in de periode tot haar 65ste jaar die kansen alsnog aanwezig zouden
zijn. Limitering van haar recht op alimentatie tot een periode van tien
jaar zou derhalve impliceren dat zij gedurende het tijdvak van vijf jaren
tussen haar 60ste jaar (1999) en het tijdstip waarop zij AOW-gerechtigd
zou worden, geheel zonder inkomen zou zitten. Met het oog hierop had zij
laten weten slechts akkoord te gaan met een limitering tot vijftien jaar.
(iv) De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw aan de
afspraak omtrent de limitering van de alimentatie gebonden was. (v) De
Rechtbank heeft geoordeeld dat er weliswaar tussen partijen in
aanwezigheid van hun raadslieden op 9 november 1988 afspraken met
betrekking tot de uitgangspunten voor een alimentatieberekening en
limitering in tijdsduur waren gemaakt, maar dat deze door de opstelling
van partijen tijdens de procedure als vervallen konden worden beschouwd,
zodat de Rechtbank de behoeften en de draagkracht opnieuw in volle omvang
zou bezien. Mede op deze grond heeft de Rechtbank de door de man te
betalen onderhoudsbijdrage bepaald op ƒ 3.000,- per maand tot aan de dag
waarop de vrouw 65 jaar zal worden en een AOW-uitkering zal gaan
ontvangen. (vi) Op het beroep van de man heeft het Hof bij eindarrest
geoordeeld – samengevat weergegeven – dat er geen reden is om de vrouw,
die tijdens de bijeenkomst van 9 november 1989 werd bijgestaan door een
advocaat, niet te houden aan de toen getroffen overeenkomst, ook voor
zover de limitering van de alimentatie betreffende, dat de vrouw blijkbaar
haar kansen op het verwerven van inkomsten naderhand minder gunstig heeft
geschat, maar dat de man erop heeft mogen vertrouwen dat de vrouw het eens
was met de gemaakte afspraken, waarvan de limitering een onlosmakelijk
onderdeel vormt. Hieraan heeft het Hof nog toegevoegd dat de vrouw geen
wijziging of intrekking had gevraagd van de overeenkomst betreffende
levensonderhoud op een der art. 1:401 BW bedoelde gronden. Daarvan
uitgaande heeft het Hof de door de man voor het levensonderhoud van de
vrouw te betalen bijdrage bepaald op een bedrag van ƒ 2.000,– per maand
voor de periode van 30 november 1989 tot 1 januari 1993 en op een bedrag
van ƒ 2.400,– per maand voor het tijdvak van 1 januari 1993 tot 30
november 1999. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag liggende
overwegingen keert zich het middel.

3.2 De Hoge Raad zal eerst de onderdelen 2b en 2c van het middel
behandelen.

3.3 Eerstgenoemd onderdeel betoogt dat het Hof ten onrechte heeft
geoordeeld dat er geen reden is de vrouw niet te houden aan de op 9
november 1989 getroffen overeenkomst, ook voor zover de limitering van de
alimentatie betreffende. Onderdeel 2c klaagt dat ’s Hofs overweging dat
de vrouw geen wijziging of intrekking van die overeenkomst op een der in
art. 1:401 BW bedoelde gronden heeft gevraagd, blijk geeft van een
onjuiste rechtsopvatting, voor zover het Hof ervan is uitgegaan dat, in
gevallen als het onderhavige, de alimentatierechter een beroep van de
alimentatieplichtige op een voor de ontbinding van het huwelijk gemaakte
afspraak tot limitering in de tijd van een (nog vast te stellen)
alimentatie slechts ter zijde zou kunnen stellen, indien de
alimentatiegerechtigde met zoveel woorden wijziging of intrekking van de
desbetreffende afspraak vraagt. Deze klacht is gegrond. Indien de
alimentatiegerechtigde, zoals in het onderhavige geval de vrouw heeft
gedaan, betoogt dat zij aan een destijds getroffen overeenkomst tot
limitering van de alimentatie in tijd niet mag worden gehouden omdat
partijen die overeenkomst hebben gesloten in de veronderstelling dat zij
na afloop van die aldus gelimiteerde periode in staat zou zijn om zich (in
voldoende mate) inkomsten uit arbeid te verwerven, maar dat inmiddels die
veronderstelling onjuist is gebleken, dan ligt daarin besloten een verzoek
tot wijziging of intrekking van die overeenkomst op grond van gewijzigde
omstandigheden. het Hof had vorenbedoeld betoog van de vrouw derhalve niet
terzijde mogen stellen op grond dat zij niet met zoveel woorden wijziging
of intrekking van de overeenkomst op een der gronden van art. 1:401 had
gevraagd.

3.4 Uit het vorenoverwogenen, in samenhang met ’s Hofs overweging dat van
de vrouw, gelet op haar beperkte werkervaring en haar leeftijd, niet kan
worden gevergd dat zij door arbeid in haar eigen levensonderhoud voorziet,
vloeit voort dat onderdeel 2b eveneens gegrond is, nu in die overweging
besloten ligt dat zulks van de vrouw evenmin kan worden gevergd – en dat
ook niet te verwachten valt dat zij daartoe in staat zal zijn – nadat zij
de leeftijd van zestig jaar zal hebben bereikt. Voor wijziging van een
overeenkomst betreffende levensonderhoud is immers niet meer vereist dan
dat zij ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen als gevolg van een
wijziging van aan de overeenkomst ten grondslag liggende omstandigheden,
met welke wijziging partijen ten tijde van het aangaan van de overeenkomst
geen rekening hadden gehouden, ook al was de mogelijkheid van die
wijziging toen te voorzien (vgl. HR 17 maart 1989, NJ 1989, 855).

3.5 Het voorgaande brengt mede dat ’s Hofs arrest niet in stand kan
blijven en onderdeel 2a geen behandeling behoeft. Nu de rechter na
verwijzing de door de man te betalen onderhoudsbijdrage dient vast te
stellen met inachtneming van de omstandigheden ten tijde van zijn
uitspraak, behoeven de onderdelen 3a en 3b evenmin behandeling.

4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt het arrest van het Gerechtshof te
Arnhem van 5 januari 1993; verwijst het geding naar het Gerechtshof te
‘s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing; compenseert de
kosten van het geding in cassatie in dier voege dat iedere partij de eigen
kosten draagt.

Rechters

Mrs Royer, Roelvink, Korthals Altes, Neleman, Nieuwenhuis

Instantie: Hof Amsterdam, 30 juni 1994

Instantie

Hof Amsterdam

Samenvatting


De vrouw is in 1977-1978 in therapie; er ontstaat een seksuele relatie met de
therapeut, waarna deze de therapie beëindigd. De relatie duurt drie jaar. De
vrouw stelt dat gedaagde de relatie slechts heeft kunnen aangaan door zijn
overwicht op haar als therapeut. In kort geding vordert zij een bedrag van ƒ
45 817,20 als voorschot op de door haar begrote materiële en immateriële
schade ad ƒ 229 086. De rechtbank wijst de vordering af. Het hof wijst in
hoger beroep een bedrag van ƒ 3000 als voorschot op de immateriële schade
toe. De overwegingen van het hof bij de bepaling van de hoogte van het
voorschot zijn op een aantal punten onbegrijpelijk en onvoldoende
gemotiveerd. Het hof vindt dat gedaagde slechts een gering verwijt kan worden
gemaakt omdat in de tijd dat de relatie werd aangegaan veel minder afkeurend
werd gedacht over het overgaan van een therapeutische in een liefdesrelatie.
Het hof vindt dat het toegebrachte psychisch letsel moet worden geabstraheerd
van alle behandelingen en therapieën die de vrouw in de loop van de tijd
heeft ondergaan en dus van die uiterlijke omstandigheden die mogelijk een
aanwijzing kunnen zijn voor de mate waarin haar psychisch letsel is
toegebracht. (Ook vonnis rechtbank Amsterdam van 29 oktober 1992 is
opgenomen).

Volledige tekst

Vonnis rechtbank Amsterdam 29 oktober 1992, rolnummer KG 92/2613D. Mr.
J.C. van Dijk.

Verloop van de procedure:
Ter terechtzitting van 20 oktober 1992 heeft eiseres in conventie gesteld en
gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.
Gedaagde heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde
voorziening, en vervolgens in reconventie gevorderd eiseres te verbieden om
buiten de geëigende klacht- en/of civiele procedures om klachten in te dienen
en/of ongevraagde kennisgevingen te doen aan werk- en/of opdrachtgevers van
gedaagde, op straffe van een dwangsom van ƒ 1000 per keer.
Eiseres heeft de vordering in reconventie bestreden. Na verder debat hebben
partijen stukken, waaronder van weerszijden producties en pleitnotities,
overgelegd voor vonniswijzing.
Gronden van de beslissing:
In conventie en reconventie:
1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten:
a. Gedaagde is psycholoog/psychotherapeut. Eiser is van 3 juni 1977 tot 17
juli 1978 bij hem onder behandeling geweest voor met name slaapproblemen en
depressies.
b. Op 12 september 1978 heeft gedaagde een `eindrapport’ opgemaakt, waarin
hij vermeldt dat de behandeling op 17 juli 1978 is beëindigd. Gedaagde
schrijft in dat rapport onder meer:
`Onze relatie ontwikkelde zich dusdanig dat het mij tenslotte juister leek om
deze op een wat minder formeel-therapeutische wijze voort te zetten. We zien
elkaar regelmatig en in die zin is het therapeutisch contact niet beëindigd.
Eiseres blijft overigens wel in groepstherapie (M.S. de Hoog-Vogel, B.
Filet), waar ze zich in de groep steeds veiliger is gaan voelen en ook daar
meer en meer initiatieven ontwikkelt en haar stem laat horen’.
c. Partijen hebben na de therapie-sessie van 17 juli 1978 gedurende ruim drie
jaar, tot november 1981, een affectieve (LAT) relatie gehad. Na de
beëindiging daarvan hebben zij op initiatief van eiseres in de periode daarop
volgend, tot juni 1989 nog regelmatig (meestal eenmaal per een, twee of drie
maanden) contact met elkaar gehad.
d. Eiseres heeft tegen gedaagde klachten ingediend, zowel bij de huidige
werkgever van gedaagde, Riagg Amsterdam Centrum/Oud West, als bij de
Commissie van Toezicht van de Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie
(NVP) en het college van Toezicht van het Nederlands Instituut van
Psychologen (NIP).
e. Riagg heeft gedaagde op 7 februari 1992 meegedeeld van mening te zijn dat
van haar zijde geen nadere maatregelen noodzakelijk zijn. De eerstgenoemde
instanties hebben eiseres op respectievelijk 15 juni 1992 en 25 juni 1992 in
haar klacht niet-ontvankelijk verklaard, NVP omdat de klacht betrekking heeft
op feiten die lang voor de instelling van de overheidsregistratie (1986)
hebben plaatsgevonden en NIP omdat eiseres eerst met ingang van 21 mei 1980
lid van NIP is geworden.
f. Eiseres is van 2 oktober tot en met 3 november 1991 arbeidsongeschikt
geweest. Vanaf 14 mei 1992 is zij opnieuw arbeidsongeschikt verklaard,
evenals in de eerdergenoemde periode om psychische redenen.
In conventie voorts:
2. Eiseres stelt dat gedaagde haar grote psychische schade heeft berokkend
door een seksuele relatie met haar aan te gaan terwijl zij bij hem in
therapie was. Het ging destijds zo slecht met haar, dat zij tweemaal per week
therapeutische gesprekken met gedaagde had. Gedaagde heeft de relatie slechts
kunnen aangaan door zijn overwicht op haar als therapeut. Gedurende die
relatie werden haar psychische problemen niet langer behandeld; gedaagde
verzuimde haar naar een derde therapeut door te sturen. Bovendien raakte
eiseres door deze ongelijkwaardige relatie in nog grotere problemen. Niet
alleen leed zij aan depressies en slapeloosheid, maar zij raakte door de
spotternij, geestelijke mishandeling en vernedering die gedaagde haar
jarenlang liet ondergaan tevens het vertrouwen in anderen kwijt, met name in
hulpverleners en andere mannen. Zij durfde geen vertrouwensrelaties meer met
anderen aan te gaan, kreeg een slecht zelfbeeld, werd steeds meer onzeker en
raakte in een sociaal isolement. Door haar afhankelijkheid van gedaagde heeft
zij pas in mei 1989 kans gezien definitief een einde te maken aan de relatie,
waarvan zij stelt ook thans nog grote materiële en immateriële schade te
ondervinden. Het gaat zo slecht met haar dat zij zich genoodzaakt ziet zich
voor langere tijd op te laten nemen in een psychiatrische kliniek, aldus
eiseres.
3. Eiseres begroot haar materiële en immateriële schade op een bedrag van ƒ
229 086 als nader gespecificeerd onder 8 van de dagvaarding. In dit geding
vordert zij daarop een voorschot van ƒ 45 817,20.
4. Gedaagde heeft daartegen aangevoerd dat hij zijn houding van weleer,
gegeven de inzichten die bij hem in de afgelopen tien jaar zijn gerijpt,
alsmede tegen de achtergrond van de aanscherping van de geldende
gedragsregels in zijn beroepsgroep in de loop van de tachtiger jaren, als
onprofessioneel ziet. Dit neemt volgens gedaagde niet weg dat hij oprecht van
eiseres hield. Hij betwist dat de relatie eiseres schade heeft berokkend.
Bovendien ontkent gedaagde enig oorzakelijk verband tussen de gebeurtenissen
in 1977 en de materiële en immateriële schade die eiseres thans stelt te
lijden. Aan haar stellingen wordt afbreuk gedaan door het feit dat zij in de
acht jaren na het einde van hun verhouding diverse malen toenadering tot hem
heeft gezocht, aldus gedaagde. Eiseres schrijft in haar – overgelegde – brief
van 28 juni 1989 expliciet dat zij dat zelf zo heeft gewild. Gedaagde vindt
dat moet worden nagegaan in hoeverre eiseres lijdt aan
ontwikkelingsstoornissen en/of karakterneurosen met een min of meer permanent
karakter, waaraan de omgang met hem weinig toe- of af heeft gedaan.
5. De vordering wordt afgewezen. Uitgangspunt is dat een geldvordering in
kort geding alleen dan kan worden toegewezen, indien buiten redelijke twijfel
is dat ook de bodemrechter de vordering zal toewijzen.
6. Vast staat dat eiseres zich in een uitermate betreurenswaardige positie
bevindt. De vraag is of, en zo ja, in hoeverre, de relatie met gedaagde en
het ongelukkige verloop daarvan heeft bijgedragen aan de problemen die zij op
dit moment ondervindt.
7. Aangenomen moet worden dat gedaagde de relatie met eiseres destijds is
aangegaan vanuit zijn overwicht als therapeut, hetgeen volgens de huidige
inzichten onaanvaardbaar is en in strijd met de gedragsregels die inmiddels
zijn gaan gelden voor de beroepsgroep waartoe hij behoort. In het licht van
alle omstandigheden van dit geval kan echter niet zonder uitgebreid nader
onderzoek worden vastgesteld of de psychische gesteldheid van eiseres
tengevolge van haar verhouding met gedaagde dermate is verslechterd, dat de
bodemrechter gedaagde te zijner tijd met aan zekerheid grenzende
waarschijnlijkheid zal veroordelen tot het betalen van schadevergoeding aan
eiseres. Een dergelijk onderzoek gaat het kader van het kort geding te buiten
en zal daarom in een bodemprocedure moeten worden verricht.
In reconventie voorts:
8. De gevraagde voorziening wordt geweigerd. Eiseres heeft te kennen gegeven
dat zij geen behoefte heeft om buiten de geëigende instanties om tegen
gedaagde te ageren. Gedaagde heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit anders
is.
In conventie en in reconventie voorts:
9. Bij deze uitslag bestaat aanleiding de proceskosten tussen partijen te
compenseren.
Beslissing:
In conventie en in reconventie:
1. Weigert de gevraagde voorzieningen.
2. Compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten
draagt.
3. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Vonnis Gerechtshof te Amsterdam van 30 juni 1994
1. Het verloop van het geding in hoger beroep.
Bij exploit van 11 november 1992 is H., nader te noemen appellante, bij het
hof in hoger beroep gekomen van het vonnis van de president van de
Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, dat onder rolnummer KG 92/2613D is
gewezen tussen H., eiseres in conventie en verweerster in reconventie en V.,
nader te noemen geïntimeerde, als gedaagde in conventie en eiser in
reconventie en is uitgesproken op 29 oktober 1992.
Bij memorie van grieven, met producties, heeft appellante twee grieven tegen
het vonnis, waarvan beroep, aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van
het vonnis in conventie en tot veroordeling van geïntimeerde tot betaling aan
appellante van een bedrag wegens voorschot op de materiële en immateriële
schadevergoeding ad ƒ 45 817,20, te verhogen met de wettelijke rente over dit
bedrag vanaf 7 juli 1992, met compensatie van de proceskosten, in die zin dat
elke partij haar eigen kosten draagt.
Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde de juistheid van de grieven
bestreden, met conclusie tot – kort gezegd – bekrachtiging van het vonnis,
kosten rechtens.
Beide partijen hebben vervolgens door haar procureurs haar standpunten doen
bepleiten aan de hand van nadien overgelegde pleitnotities ter terechtzitting
van het hof van 19 mei 1994. Bij die gelegenheid is van de zijde van
geïntimeerde een akte genomen, waarbij stukken betreffende het voorlopig
deskundigenonderzoek, waaronder het eindverslag van de deskundigen van 9
maart 1994, in het geding zijn gebracht.
Ten slotte hebben beide partijen de stukken, waaronder die van de eerste
aanleg en de pleitnotities in hoger beroep, aan het hof overgelegd voor het
wijzen van arrest.
2. De grieven.
De grieven houden het volgende in:
Grief 1
Ten onrechte heeft de president de vordering in conventie afgewezen, nu hij
klaarblijkelijk, zoals valt op te maken uit rechtsoverweging 5. van het
vonnis, van mening is dat niet buiten gerede twijfel is vast komen te staan,
dat ook de bodemrechter deze vordering zal toewijzen. De afwijzing van de
vordering is temeer vreemd, nu de president wel in rechtsoverweging 7. stelt,
dat een relatie welke is aangegaan vanuit `zijn overwicht als therapeut’
volgens de huidige inzichten onaanvaardbaar is en in strijd is met de
gedragsregels die inmiddels zijn gaan gelden.
Grief 2
Ten onrechte stelt de president in rechtsoverweging 7. van het vonnis: `in
het licht van alle omstandigheden van dit geval kan echter niet zonder
uitgebreid nader onderzoek worden vastgesteld of de psychische gesteldheid
van appellante tengevolge van haar verhouding met geïntimeerde dermate is
verslechterd, dat de bodemrechter geïntimeerde te zijner tijd met aan
zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal veroordelen tot het betalen van
schadevergoeding aan appellante’.
3. Vaststaande feiten.
De president heeft in rechtsoverweging 1. van het vonnis onder a. tot en met
f een aantal feiten als tussen partijen vaststaand aangenomen.
De juistheid van die feiten is niet in geding, zodat ook het hof van die
feiten zal uitgaan.
4. Beoordeling van het geschil.
4.1. Appellante verwijt geïntimeerde onrechtmatig handelen en stelt daartoe
dat geïntimeerde haar grote psychische schade heeft berokkend door een
seksuele relatie met haar aan te gaan, terwijl zij bij hem in therapie was.
Zij vordert deswege een voorschot op de geleden materiële en immateriële
schade.
4.2. Voor de beoordeling van een en ander beschikt het hof thans over het
verslag van de deskundigen, dat ter uitvoering van het – hangende de
onderhavige procedure bevolen – voorlopig deskundigenbericht is uitgebracht.
De deskundigen hebben de gestelde vragen beantwoord en van commentaar
voorzien.
Het hof neemt het oordeel van de deskundigen over en maakt dit tot het zijne.
De kanttekeningen die van de zijde van appellante bij onderdelen van dit
rapport zijn gemaakt acht het hof van onvoldoende gewicht om het oordeel van
de deskundigen niet te kunnen onderschrijven. Zij berusten, voor zover zij
ertoe strekken dat de deskundigen de mening van geïntimeerde `klakkeloos’
zouden hebben gedeeld, op een onjuiste lezing van het rapport en kennen
voorts aan opmerkingen van de deskundigen een juridische betekenis toe, die
de deskundigen klaarblijkelijk niet hebben beoogd. Voor het overige gaan zij
uit van een andere opvatting of van een ander oordeel dan nu juist door de
deskundigen in antwoord op de gestelde vragen is gegeven.
4.3. De vraag of er in dit kort geding van uitgegaan moet worden dat
geïntimeerde onrechtmatig heeft gehandeld jegens appellante en in beginsel
gehouden is tot het vergoeden van de daardoor veroorzaakte schade moet
bevestigend worden beantwoord. Het verslag van de deskundigen maakt dit
voorshands voldoende aannemelijk.
Geïntimeerde heeft bovendien in deze procedure ondubbelzinnig erkend dat zijn
handelwijze onprofessioneel en fout was en dat het aangaan van een (seksuele)
relatie met degene die bij een therapeut onder behandeling staat van dien
aard is dat dit psychische schade toebrengt.
Voor zover appellante de overtuiging is toegedaan dat geïntimeerde weigert de
(potentiële) schadelijkheid van zijn handelwijze te erkennen, kan die
overtuiging niet berusten op hetgeen in deze procedure is gebleken.
4.4. Geïntimeerde heeft gesteld dat de psychische toestand waarin appellante
zich thans bevindt niet met zodanige mate van waarschijnlijkheid als gevolg
van zijn handelwijze valt aan te merken, dat hij gehouden is (een voorschot
op de) schadevergoeding als door appellante gevorderd te voldoen.
4.5. Uit het deskundigenverslag leidt het hof af dat de psychische schade,
welke appellante thans ondervindt, deels is veroorzaakt of verergerd door de
relatie met geïntimeerde.
Dat betekent dat hoogst waarschijnlijk is dat de bodemrechter voldoende
causaal verband tussen de fout van geïntimeerde en psychisch letsel van
appellante aanwezig zal achten en een bedrag aan schadevergoeding wegens
immateriële schade in beginsel toewijsbaar zal oordelen.
Appellante heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang
heeft bij toekenning van een voorschot op deze schadevergoeding.
4.6. Bij de bepaling van de hoogte van het gevorderde voorschot op die
schadevergoeding zijn in dit kort geding de volgende factoren van belang.
i) Blijkens het deskundigenrapport wordt de psychische toestand waarin
appellante zich thans bevindt gekenmerkt door ernstige twijfels over haar
seksualiteit, ernstige minderwaardigheidsgevoelens en een negatief zelfbeeld,
onvermogen tot het aangaan van een serieuze intieme relatie, algeheel
sociaal-fobische klachten, grote onzekerheid en suggestibiliteit, een
ernstige autonomie-stoornis en een mogelijk mede neurotisch bepaalde
conflictsituatie op het werk, die tot de Ziektewet leidde. Naar het oordeel
van de deskundigen bestond er door de combinatie van de overdrachtsrelatie en
de seksuele relatie een ongelijke relatie, waardoor zich `psychische schade’
kon voordoen en was er sprake van een verstrengeling van rollen, hetgeen tot
de schade bijgedragen heeft.
ii) Uit het rapport van de deskundigen volgt dat de mate waarin de relatie
met geïntimeerde psychische schade heeft toegebracht onmogelijk valt vast te
stellen, omdat deze relatie een episode vormt in het door negatieve
jeugdherinneringen, chronische neurotische klachten, seksuele
functiestoornissen, mislukkende relaties en traumatische verliezen
gekenmerkte levensverhaal van appellante. Volgens de deskundigen zijn in het
algemeen de gevolgen ernstiger als de (ex-)therapeut de relatie beëindigt,
hetgeen hier niet het geval was.
Uit het voorgaande trekt het hof geenszins de conclusie dat het causaal
verband tussen de fout van geïntimeerde en de, mede gelet op de aard van de
overschreden norm, alleszins voorzienbare schade wordt doorbroken door de
omstandigheid dat de mate van psychische schade niet nauwkeurig valt vast te
stellen. Wel is het zo dat het toegebrachte psychisch letsel moet worden
geabstraheerd van alle behandelingen en therapieën die appellante in de loop
der tijd heeft ondergaan en dus van die uiterlijke omstandigheden die
mogelijk een aanwijzing kunnen zijn voor de mate waarin haar psychisch letsel
is toegebracht.
iii) Naar het oordeel van de deskundigen werd in de tijd dat de relatie werd
aangegaan, zowel in kringen van psychotherapeuten, als daarbuiten, veel
minder afkeurend gedacht over het overgaan van een therapeutische in een
liefdesrelatie.
Daaraan verbindt het hof de gevolgtrekking dat de mate waarin geïntimeerde
van zijn handelwijze een verwijt gemaakt kan worden betrekkelijk gering is te
noemen, zonder dat dit betekent dat hem in het geheel geen schuld zou treffen
of hem zijn fout niet zou kunnen worden toegerekend.
iv) Uit psychologisch oogpunt achten de deskundigen het niet waarschijnlijk
dat een eventuele schadevergoeding tot een bevredigende afronding van de
onderhavige relatie leidt.
De hoogte van het voorschot als schadebeperkende maatregel wordt daardoor dus
niet nader bepaald.
v) Appellante heeft in deze procedure te kennen gegeven dat zij, ook om
redenen van psychische belasting, geen heil ziet in een bodemprocedure.
Het toe te kennen voorschot heeft dan ook in feite een definitief karakter.
vi) Gedaagde heeft in de procedures ten overstaan van het hof aangeboden een
bedrag aan schadevergoeding aan appellante te willen voldoen, als een
materieel gebaar ter erkenning van het foutieve van zijn handelwijze.
4.7. Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht het hof een bedrag van ƒ
3000 als voorschot op de immateriële schadevergoeding op zijn plaats.
4.8. Voor een voorschot op materiële schadevergoeding is geen grond aanwezig.
Appellante heeft vooreerst aangevoerd dat zij wegens verlies aan
verdiencapaciteit schade ten bedrage van ƒ 135 000 heeft geleden. Daartoe
heeft zij gesteld dat zij als gevolg van haar relatie met geïntimeerde drie
jaar later aan de universiteit is afgestudeerd en aldus pas drie jaar later
betaalde arbeid kon verrichten.
In dit kort geding heeft zij echter, tegenover de betwisting door
geïntimeerde, niet aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van de handelwijze
van geïntimeerde deze schade heeft geleden.
In het bijzonder valt ook aan het deskundigenrapport geen concreet
aanknopingspunt te ontlenen om vooralsnog te kunnen aannemen dat deze schade
met voldoende mate van waarschijnlijkheid het gevolg is van de fout van
geïntimeerde.
Datzelfde geldt voor de door haar gevorderde schade ad ƒ 19 056 ter zake van
niet vergoede therapie-kosten, reiskosten naar de therapie, advocaatkosten
ten behoeve van klachten bij de beroepsverenigingen voor therapeuten, alsmede
in verband met de therapie gemaakte literatuurkosten. Mede in het licht van
het deskundigenrapport (waaruit lijkt te volgen dat appellante ook zonder de
fout van geïntimeerde therapie nodig zou hebben gehad) heeft appellante niet
aannemelijk gemaakt dat (en welke) therapie het gevolg is van de fout van
geïntimeerde, terwijl zonder toelichting, welke ontbreekt, niet duidelijk is
waarom de advocaatkosten ter zake van klachtenprocedures (die, naar is
gebleken, niet tot een negatief oordeel over geïntimeerde hebben geleid) als
gevolg van diens foutieve handelwijze voor rekening komen van geïntimeerde.
4.9. Het vorenstaande brengt mee dat de beide grieven, die zich voor
gezamenlijke behandeling lenen, slagen en dat geïntimeerde alsnog dient te
worden veroordeeld tot betaling aan appellante van een bedrag van ƒ 3000 als
voorschot op de immateriële schadevergoeding.
5. Slotsom.
5.1. De grieven slagen. Het vonnis, waarvan beroep, moet, voor zover aan het
oordeel van het hof onderworpen, worden vernietigd en in conventie moet
geïntimeerde worden veroordeeld tot betaling van ƒ 3000 bij wege van
voorschot op de door appellante geleden immateriële schade.
Geïntimeerde heeft zich niet verzet tegen toewijzing van de gevorderde
wettelijke rente.
5.2. De kosten van het geding in conventie zullen, zoals appellante ook heeft
gevorderd, zo in eerste aanleg als in hoger beroep worden gecompenseerd, in
dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt. De oorspronkelijke
vordering van appellante, die ook in hoger beroep ten volle is gehandhaafd,
is immers slechts voor een zeer beperkt deel toegewezen. Beide partijen
dienen tevens, ieder voor de helft, de uiteindelijke kosten van het
deskundigenonderzoek te dragen.
Beslissing.

Het hof vernietigt, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, het
vonnis van de president van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, waarvan
beroep.
Het hof, opnieuw rechtdoende:
in conventie:
veroordeelt geïntimeerde bij wege van voorschot op de immateriële
schadevergoeding aan appellante te voldoen een bedrag groot ƒ 3000
(drieduizend gulden), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli
1992 tot de dag der algehele voldoening;
verklaart dit arrest voor zover het vorenstaande veroordeling betreft
uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep, in
dier voege dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt en dat beide
partijen, ieder voor de helft, de kosten van het voorlopig
deskundigenonderzoek dragen.

Rechters

Mrs. Van Schendel, Westermann-van Rooyen, Koopmann

Instantie: Arrondissementsrechtbank Amsterdam, 30 juni 1994

Instantie

Arrondissementsrechtbank Amsterdam

Samenvatting


Vrouw wordt door huisvriend, priester van beroep, van haar achtste tot
haar zestiende jaar seksueel misbruikt. De strafzaak loopt; er moet nog een
gerechtelijk vooronderzoek plaatsvinden. In kort geding heeft vrouw ƒ
50.000,= voorschot gevorderd; de schade heeft zij begroot op ƒ 150.000,=.
Omdat de dader ontkent wijst de kort gedingrechter wegens onvoldoende
bewijs de vordering af, stellende dat een vordering slechts toewijsbaar
is wanneer met grote mate van waarschijnlijkheid vaststaat dat die
vordering ook in de bodemprocedure zal slagen. In hoger beroep wordt
deskundigenverhoor afgewezen en vonnis kort geding bekrachtigd.

Volledige tekst

Verloop van de procedure:

Ter terechtzitting van 20 juni 1994 heeft eiseres (hierna: V) gesteld en
gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte
dagvaarding. Gedaagde (hierna: A) heeft verweer gevoerd met conclusie tot
weigering van de gevraagde voorziening. Na verder debat hebben partijen
stukken, waaronder van weerszijden produkties en pleitnotities, overgelegd
voor vonniswijzing.

Gronden van de beslissing:

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten: a. A, priester
van beroep, is gedurende jaren een huisvriend geweest van het gezin
waartoe V behoort.

b. Op 15 november 1993 heeft V bij de gemeentepolitie te Amsterdam
aangifte gedaan van het plegen van ontuchtige handelingen en van
verkrachting van haar achtste tot haar zestiende jaar, derhalve van
ongeveer 1976 tot 1984, door A.

c. A, door de politie op 24 januari 1994 aangehouden en op de aangifte
gehoord, ontkent de hem door V verweten feiten.

d. In een -ongedateerde- verklaring van V die is getiteld “Hoe heeft het
mijn leven veranderd” wordt een opsomming van de hulpverleningscontacten
van V gegeven met als eerste melding begeleiding door maatschappelijk werk
in november 1988. Van december 1990 tot oktober 1992 is V met ernstige
psychische klachten in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen geweest.

e. Bij brief van 6 april 1994 heeft de advocaat van V, A aansprakelijk
gesteld voor de door V geleden schade, welke zij begrootte op ƒ 150.000,=
en A gesommeerd dit bedrag te betalen. A heeft aan die sommatie geen
gevolg gegeven.

f. De officier van Justitie te Amsterdam die het onderzoek in de strafzaak
leidt, zal binnenkort een gerechtelijk vooronderzoek vorderen en daarbij
met name verzoeken naast partijen, ook de moeder en zuster van V te horen
en een deskundigenverklaring omtrent V en A op te (doen) stellen.

2. V vordert betaling van ƒ 50.000,= als voorschot op materiele en
immateriele schadevergoeding. Zij baseert die vordering op de stelling dat
A jegens haar een onrechtmatige daad heeft gepleegd door haar in haar
jeugd seksueel te misbruiken, waardoor zij een ernstig psychisch trauma
heeft opgelopen en voor behandeling daarvan kosten heeft moeten maken.

3. A betwist de vordering van V. Als meest verstrekkend verweer voert hij
aan dat de vordering van V verjaard is nu zij blijkens haar eigen
verklaring (1.d) reeds voor 1 januari 1988 kennis droeg van de schade die
zij beweert te lijden.

4. Dit verweer van A wordt verworpen. De verjaringstermijn inzake een
rechtsvordering tot vergoeding van schade als de onderhavige bedraagt 5
jaar. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van seksueel
misbruik dat in hun jeugd heeft plaatsgehad, vaak lange tijd niet in staat
zijn over hun gevoelens te praten en deze (eventueel met behulp van
deskundigen) te analyseren. Hierdoor is het zeer goed denkbaar dat V eerst
op een later tijdstip van haar behandeling het besef heeft gekregen dat
haar door het seksueel misbruik schade is aangedaan. Derhalve is voorshands
niet onaannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de
verjaringstermijn op een later tijdstip dan door A genoemd, is begonnen
te lopen, met als gevolg dat de vordering van V thans nog niet is
verjaard.

5. A voert voorts aan dat de hem verweten strafbare feiten niet heeft
gepleegd, zodat hij ook daarom niet schadeplichtig is. De strafzaak die
tegen hem loopt is niet in een voldoende gevorderd stadium dat daaruit
enige conclusie omtrent zijn strafbaarheid is te trekken, aldus A.

6. Dit verweer treft doel. Een geldvordering in kort geding is slechts
toewijsbaar wanneer met grote mate van waarschijnlijkheid vaststaat dat
die vordering ook in de bodemprocedure zal slagen. Van de onderhavige
vordering kan dit, gelet op de ontkenning van de hem verweten feiten door
A en in deze stand van het strafrechtelijke onderzoek, niet worden gezegd.
De rechter- commissaris in strafzaken zal, indien hij overgaat tot opening
van een gerechtelijk vooronderzoek, middels verhoren en het opdragen van
deskundigenonderzoek meer klaarheid in de feiten trachten te brengen.
Hoewel geenszins valt uit te sluiten dat de strafrechter, indien de zaak
aan hem wordt voorgelegd, tot veroordeling van A zal komen, kan op de
uitslag van het gerechtelijk vooronderzoeken de verdere strafrechtelijke
vervolging van A onder deze omstandigheden niet worden vooruitgelopen. Nu
bovendien de door V in deze procedure overgelegde verklaringen voorshands
niet als voldoende bewijs van haar stellingen kunnen gelden, zal de
gevraagde voorziening worden geweigerd.

7. Als de in het ongelijk gestelde partij dient V te worden veroordeeld
in de kosten van dit geding.

Beslissing: 1. Weigert de gevraagde voorziening. 2. Veroordeelt V in de
kosten van dit geding tot heden aan de zijde van A begroot op ƒ 330,=
wegens vastrecht en op ƒ 800,= aan salaris procureur. 3. Verklaart dit
vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

mr. Poelmann

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 30 juni 1994

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Wanneer aan zwangere stand-by stewardessen geen werk als stewardess wordt
aangeboden is dit in strijd met de Wet gelijke behandeling en artikel
7A:1637ij BW omdat deze handelwijze uiteindelijk neerkomt op ontslag. De
eis dat stand-by stewardessen hun zwangerschap direct moeten melden is
onrechtmatig.

Volledige tekst

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep De bij het
tussenarrest van 24 februari 1994 bevolen comparitie van partijen is
gehouden op 30 maart 1994. Bij die gelegenheid heeft KLM met instemming
van Freelance Cabine- personeel cs een akte -met bewijsstukken- opgenomen.
Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens heeft Freelance
Cabinepersoneel cs een akte genomen.

Tenslotte hebben partijen andermaal de stukken in beide instanties
overgelegd ter verkrijging van arrest.

2. De verdere beoordeling van het geding in hoger beroep

2.1. Freelance Cabinepersoneel c.s. hebben gevorderd dat het hof a. voor
recht zal; verklaren dat KLM onrechtmatig handelt, c.q. in strijd met de
Wet gelijke behandeling en met artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek
(BW), door zwangere stand- by stewardessen geen werk als stewardess aan
te bieden; b. voor recht zal verklaren dat KLM onrechtmatig handelt door
van stand-by stewardessen te eisen dat zij haar zwangerschap onverwijld
aan KLM melden; c. subsidiair voor recht zal verklaren dat KLM
onrechtmatig handelt, althans in strijd met artikel 7A:1638z BW, door te
weigeren aan zwangere stand-by stewardessen vervangend werk aan de grond
aan te bieden, voorzover het hof van mening is dat KLM terecht zwangere
stewardessen verbiedt te vliegen.

Ad a Het per 1 augustus 1990 ingestelde verbod is onrechtmatig en maakt
— ontoelaatbaar — onderscheid tussen mannen en vrouwen. Het hof
motiveert dit als volgt.

KLM kreeg in de loop van 1990 de beschikking over rapporten die blijk
gaven van nieuwe inzichten over de gevolgen van kosmische straling en die
in het bijzonder wezen op het gevaar van die — door veelvuldig vliegen
accumulerende — straling voor zwangere vrouwen en voor de foetus. In
verband daarmee zou het in beginsel niet onredelijk of in strijd met de
door Freelance Cabinepersoneel c.s. ingeroepen bepalingen zijn geweest om
– het vliegen door zwangere stewardessen gedurende een beperkte tijd te
verbieden met het doel — mede in het licht van andere beschikbare
gegevens — voortvarend voldoende zekerheid omtrent de omvang van het
gevaar te verkrijgen, en voorts – nadat die zekerheid zou zijn verkregen,
het vliegen door de zwangere stewardessen te beperken voorzover dat nodig
was om het gevaar te vermijden. Het per 1 augustus 1990 ingevoerde
vliegverbod was echter in tijd onbeperkt en algeheel.

Niet gesteld of gebleken is dat KLM het verbod heeft ingesteld in
afwachting van nader onderzoek en er naar gestreefd heeft het verbod zo
snel mogelijk te nuanceren tot een niveau dat in verband met het
stralingsgevaar noodzakelijk was.

Het verbod hield er geen rekening mee of en in hoeverre de straling in het
concrete geval beperking van het vliegen vergde. Daarbij moet in
aanmerking genomen worden dat — vrijwel — alle stand-by stewardessen
onregelmatig en in deeltijd werken, zodat de accumulatie van de straling
voor elk van hen sterk uiteen kan lopen. In de eerste periode — tot 1
juni 1991 — ging de regeling zelfs zo ver dat de betrokken stewardessen
— zonder dat het doel, bestrijding van het stralingsgevaar, dat
rechtvaardigde — hun registratie verloren ten gevolge waarvan hun relatie
met KLM geheel werd verbroken.

In augustus 1993 — of eerder — is KLM ” op grond van recente
ontwikkelingen en daarop gebaseerd onderzoek tot de conclusie gekomen dat
het bedoelde vliegverbod in de huidige strikte vorm niet behoeft te worden
gehandhaafd en dus kan worden ingetrokken.” Het had — onverminderd
hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen — op de weg van KLM gelegen om
het verbod vervolgens zo snel mogelijk in te trekken of te vervangen door
een wel aanvaardbare regeling. Ook nadien heeft het echter te lang,
namelijk nog tot 1 maart 1994, geduurd voordat KLM de zwangere stand-by
stewardessen in kennis stelde van een blijkbaar toen ten aanzien van hen
getroffen nieuwe regeling. KLM heeft weliswaar ter rechtvaardiging
aangevoerd dat zij eerst het overleg op dit punt met de
belangenorganisatie van de vaste stewardessen diende af te ronden, doch
die omstandigheid regardeert Freelance Cabinepersoneel c.s. niet, reeds
omdat KLM — zoals zij zelf heeft gesteld — niet bereid was de stand-by
stewardessen of hun belangenorganisatie (appellante sub 1) in dat overleg
te betrekken.

Op grond van dit alles oordeelt het hof — onder (gedeeltelijke)
gegrondbevinding van de grieven 1 en 2 — dat onderdeel a van de vordering
dient te worden toegewezen. Freelance Cabinepersoneel c.s. hebben in dit
licht geen belang bij afzonderlijke behandeling van de grieven 6 en 7.

In het midden kan blijven of de nieuwe sinds omstreeks 1 maart 1994
geldende regeling toelaatbaar is, omdat de vordering daarop geen
betrekking heeft.

2.3. Ad b Of en op welk tijdstip een zwangere vrouw het feit van haar
zwangerschap aan een derde, daaronder begrepen haar werkgever, openbaart,
berust op afwegingen van zeer persoonlijke aard. Daarin kan die derde niet
treden zonder ontoelaatbaar in de privesfeer in te breken. In hoeverre
daarop bij voortschrijding van de zwangerschap op grond van andere
zwaarwegende belangen een uitzondering moet worden aanvaard, kan hier in
het midden blijven. De aan zwangere stand-by stewardessen gestelde eis
haar zwangerschap onverwijld aan KLM te melden, gaat in ieder geval te ver
en is daarom onrechtmatig. Grief 3 is derhalve gegrond en ook onderdeel
b van de vordering behoort te worden toegewezen.

2.4. Ad c Nu de onderdelen a en b van de vordering toewijsbaar zijn, komen
dit — subsidiaire — onderdeel en de daarop blijkens de toelichting
betrekking hebbende grieven 4 en 5 niet aan de orde.

Slotsom Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en de onderdelen
a en b van de vordering toewijzen. Het zal KLM als de in het ongelijk
gestelde partij veroordelen in de kosten van het geding in beide
instanties.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

verklaart voor recht – dat KLM onrechtmatig, in strijd met de Wet gelijke
behandeling en in strijd met artikel 7A:1637ij lid 1 BW handelt door
zwangere stand-by stewardessen geen werk als stewardess aan te bieden; –
dat KLM onrechtmatig handelt door van stand-by stewardessen te eisen dat
zij haar zwangerschap onverwijld aan KLM melden;

verwijst KLM in de kosten van het geding in beide instanties, aan de zijde
van Freelance Cabinepersoneel cs in eerste aanleg begroot op ƒ 2.846,41
en in hoger beroep tot op heden begroot op ƒ 3.907,69, en als volgt te
voldoen: de kosten in eerste aanleg: -aan Freelance Cabinepersoneel cs:
ƒ 62,50 als vergoeding voor bij hen gevallen kosten aan vast recht; -en
aan de griffier van het hof: ƒ 2.485,= aan salaris procureur; ƒ 187,50 aan
overig vast recht; ƒ 111,41 aan overige kosten; de kosten in hoger beroep:
-aan Freelance Cabinepersoneel cs: ƒ 75,= als vergoeding voor bij hen
gevallen kosten aan vast recht; -en aan de griffier van het hof: ƒ 3.500,=
aan salaris procureur; ƒ 225,= aan overig vast recht; ƒ 107,69 aan overige
kosten;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze zaak is gegarandeerd door het Proefprocessenfonds Rechtenvrouw.

Rechters

Mrs. Cremers, Ingelse, Visser

Instantie: Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillenen Aruba, 28 juni 1994

Instantie

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillenen Aruba

Samenvatting


Door de huidige stand van de technologie kan vaderschap zeer
nauwgezet vastgesteld worden. Om deze reden vervalt de rechtvaardiging
voor het maken van onderscheid tussen enerzijds alimentatievorderingen
ten behoeve van onwettige, niet-erkende kinderen -onderworpen aan een
verjaring van vijf jaar- en anderzijds alimentatievorderingen ten
behoeve van andere categorieen kinderen, waarvoor een dergelijke
verjaring niet geldt. Zonder deze rechtvaardiging moet art. 479 lid 2
strijdig geacht worden met art. 26 BuPo- verdrag.

Volledige tekst

Het procesverloop

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de
procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het
Gerecht in Eerste Aanleg, wordt verwezen naar voormelde beschikkingen,
die in fotokopie aan deze beschikking zijn gehecht en waarvan de
inhoud als hier ingelast geldt.

P is in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking door indiening
van een beroepschrift, waarbij hij het Hof verzoekt de bestreden
beschikkingen te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de Voogdijraad
niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek dan wel zijn verzoek af
te wijzen.

De Voogdijraad heeft een verweerschrift ingediend, waarin hij het
beroep heeft bestreden en het Hof heeft verzocht de beslissingen van
de eerst rechter te bevestigen.

Bij vervolgens gehouden behandeling van de zaak in Raadkamer, hebben
partijen hun respectieve standpunten nader toegelicht en hebben zij
daarbij volhard. Zijdens P zijn pleitnotities overgelegd.

Tenslotte is partijen aangezegd dat het Hof in deze beschikking zal
geven.

De uitspraak daarvan is bepaald op heden.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep

P is tijdig en op juiste wijze in beroep gekomen, zodat hij daarin kan
worden ontvangen.

De gronden van het hoger beroep

P legt aan zijn beroep ten grondslag dat de eerste rechter ten
onrecht: a. heeft aangenomen dat P de biologische vader is van het
litigieuze kind; b. zijn beroep op de in artikel 479, lid 2, BWNA
geregelde verjaring heeft verworpen; c. zijn beroep op de exceptio
plurium concubentium niet heeft gehonoreerd.

Beoordeling

1. In deze zaak heeft een bloed(groepen)onderzoek plaats gehad ter
bepaling van de vaderschapwaarschijnlijkheid van P. De statistische
evaluatie van de uitkomsten van het bloedonderzoek leidt tot een
vaderschapswaarschijnlijkheid van meer dan 99,999%, hetgeen inhoudt
dat de kans dat P de werkelijke vader is van het litigieuze kind meer
dan 99,999% bedraagt, tegen een kans van minder dan 0,001% dat het
litigieuze kind een andere man als vader heeft. De verbale
interpretatie van een en ander is dat P met een aan zekerheid
grenzende waarschijnlijkheid de vader is van het litigieuze kind. Op
grond van het voorgaande, en mede op grond van hetgeen in
rechtsoverweging 3 wordt overwogen, komt ook het Hof tot de conclusie
dat P heeft te gelden als de biologische vader van de minderjarige G.

2. Het Hof is van oordeel dat de eerste Rechter het beroep van P op
verjaring ex artikel 479, lid 2 BWNA op juiste gronden heeft
verworpen. Ook het Hof is van oordeel dat genoemde bepaling voor de
categorie onwettige, niet erkende kinderen, vergeleken met overige
categorieen kinderen, een niet meer te rechtvaardigen ongelijkheid
oplevert en om die reden buiten toepassing moet blijven.

3. De moeder van de minderjarige heeft steeds nadrukkelijk ontkend dat
zij in het conceptietijdvak met andere mannen dan met P gemeenschap
heeft gehad. P heeft zijn stellingen dienaangaande niet nader
uitgewerkt en daar geen specifiek bewijs van aangeboden. Derhalve
verwerpt ook het Hof P’s beroep op de exceptio plurium concubentium.

4. Hetgeen P in dit hoger beroep aanvoert kan niet leiden tot
vernietiging van de aangevallen beschikkingen. Waar voorts P geen
bezwaar heeft aangevoerd tegen de hoogte van het alimentatiebedrag en
die hoogte het Hof juist voorkomt, zullen de beroepen beschikkingen
worden bevestigd.

Beslissing

Het Hof:

Bevestigt de beschikkingen waarvan beroep.

Rechters

Mr. de Lannoy, President, mrs. Loth en Mezas, leden

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 24 juni 1994

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Niet-ontvankelijk verklaring van beklag tegen weigering van de Officier
van Justitie om strafvervolging in te stellen terzake van verkrachting.
Ne bis in idem beginsel; kennisgeving niet verdere vervolging was
uitgegaan nadat het klaagschrift bij het Hof was binnengekomen

Volledige tekst

1. Het beklag. Het klaagschrift is op 12 juli 1993 ter griffie van het hof
ingekomen. Het beklag richt zich tegen de weigering van de officier van
justitie te Alkmaar ee strafvervolging in te stellen tegen P, wonende te
Egmond aan Zee, ter zake verkrachting.

2. Het verslag van de procureur-generaal In zijn verslag, ingekomen ter
griffie van het hof op 6 juni 1994, heeft de procureur-generaal het hof
in overweging gegeven klaagster in het door haar gedaan beklag niet-
ontvankelijk te verklaren.

3. De ontvankelijkheid van klaagster Op 25 november 1993 is aan P in
persoon te kennen gegeven dat de officier van justitie te Alkmaar hem voor
het onderhavige feiten niet verder zal vervolgen en gesteld noch gebleken
is dat nadien nieuwe feiten of omstandigheden ten bezware van P bekend
zijn geworden. Dat betekend dat klaagster thans kennelijk
niet-ontvankelijk is in het door haar gedaan beklag.

4. Nadere overwegingen 4.1. Hier doet zich het geval voor dat de
kennisgeving van niet verdere vervolging is uitgegaan nadat het
klaagschrift reeds bij het hof was ingekomen.

Voor dat geval bepaalt artikel 246 lid 3 van het Wetboek van
Strafvordering dat een kennisgeving van niet verdere vervolging achterwege
blijft tenzij in de kennisgeving is bewilligd door het hof

De vraag rijst of door zonder voorafgaande bewilliging een kennisgeving
van niet verdere vervolging te laten uitgaan, de officier van justitie de
bevoegdheden van het hof vermag te doorkruisen.

Het hof beantwoord deze vraag bevestigend. Het belang van de verdachte bij
eerbiediging van het rechtsbegingsel “ne bis in idem” prevaleert hier
boven het belang van klaagster, hoe gerechtvaardigd ook.

4.2. Het vorenstaande laat onverlet dat het openbaar ministerie moet
voorkomen dat, indien aan het hof is gevraagd een bevel krachtens artikel
12 van het Wetboek van Strafvordering te geven, zonder voorafgaande
bewilliging een kennisgeving van niet verdere vervolging uitgaat. Het zal
zodanige voorzieningen moeten treffen dat de behandelend officier van
justitie en zijn staf op de hoogte zijn van een ingediend beklag.
Onvoldoende waakzaamheid op het parket van de officier van justitie te
Alkmaar heeft er toe geleid dat een medewerker een kennisgeving van niet
verdere vervolging heeft kunnen laten uitgaan.

In het onderhavige geval is het doorkruisen van de bevoegdheden van het
hof wel bijzonder schrijnend aangezien het beklag een ernstig strafbaar
feit betreft en de procureur- generaal blijkens zijn verslag na een
gesprek met klaagster overwoog het hof te adviseren het gevraagde bevel
tot strafvervolging te verlenen. Uit het dit verslag volgt voorts dat de
officier van justitie te Alkmaar met klaagster en haar raadsvrouw de wel
zeer onbevredigende gang van zaken zal bespreken en voornemens is
klaagster een financiele tegemoetkoming aan te bieden.

5. De beslissing Het hof verklaart klaagster in het door haar gedaan
beklag niet-ontvankelijk.

Rechters

mrs. Frijda, Kop, Visser

Instantie: Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing, 24 juni 1994

Instantie

Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing

Samenvatting


Een gedetineerde vrouw was een zwangerschapsuitkering toegekend ter hoogte
van het dagloon zonder toeslag op basis van de experimentele loonregeling
voor langgestraften van 17 september 1977. In deze regeling wordt de
hoogte van de uitkering bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of
invaliditeit bepaald. Nu er geen sprake is van ziekte of invaliditeit maar
van een normale gezonde zwangerschap dient de hoogte van de uitkering in
casu net zoals in de vrije maatschappij te worden vastgesteld op tachtig
procent van het grondloon met toeslag.

Volledige tekst

De beroepscommissie uit de sectie gevangeniswezen van de Centrale Raad,
bedoeld in artikel 58 lid 1 van de Beginselenwet gevangeniswezen, heeft
kennis genomen van een op 2 maart 1994 bij het secretariaat van de Raad
ingekomen beroepschrift van de directeur van de penitiaire inrichtingen
“Overmaze” te Maastricht,

gericht tegen een beschikking d.d. 2 februari 1994 van de beklagcommissie
uit de commissie van toezicht bij voornoemde inrichtingen, gegeven op een
klacht van D., verder te noemen klaagster.

alsmede van de overige stukken, waaronder de beschikking waarvan beroep,
welke in afschrift aan deze beslissing is gehecht.

De beroepscommissie heeft klaagster, inmiddels in vrijheid was gesteld en
op het door haar opgegeven adres niet bereikbaar bleek te zijn, niet in
de gelegenheid kunnen stellen te reageren op het beroep. Wel heeft zij de
directeur de gelegenheid gegeven zijn beroep schriftelijk toe te lichten.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als
volgt:

1. Inhoud van het beklag en de beslissing van de beklagcommissie: Het
beklag betreft de hoogte van het loon tijdens klaagsters
zwangerschapsverlof.

De beklagcommissie heeft het beklag gegrond verklaard op de gronden als
in de aangehechte beschikking weergegeven.

2. Standpunt van de directeur: In beroep heeft de directeur uiteengezet
dat de beklagcommissie ten onrechte op het standpunt stond dat de in
beklag naar voren gekomen experimentele loonregeling voor langgestraften
niet van toepassing zou zijn, weshalve zij heeft geoordeeld op basis van
de — op het desbetreffende punt achterhaalde — loonregeling
gedetineerden van 1948. Verwezen werd daartoe zowel naar de desbetreffende
brief d.d. 10 juli 1989 van de staatssecretaris van Justitie als naar de
van toepassing zijnde bepaling uit eerstgenoemde loonregeling.

3. Beoordeling: De beroepscommissie overweegt dat klaagster door de aan
de inrichting verbonden arts wegens haar gevorderde zwangerschap niet tot
werken in staat is verklaard. Voor de bepaling van de hoogte van de haar
toe te kennen uitkering is — naar voor de beroepscommissie aannemelijk
is geworden — de zogenaamde experimentele loonregeling voor
langgestraften d.d. 19 september 1977 van toepassing. Blijkens de
desbetreffende bepaling ontvangt de gedetineerde in geval van
arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of invaliditeit een uitkering die
gelijk is aan het dagloon zonder toeslag. Dit laatste is ten aanzien van
klaagster ook geschied. Arbeidsongeschiktheid samenhangend met een
normale, gezonde zwangerschap leidt in de vrije maatschappij tot
toekenning van zwangerschapsverlof van enige weken voor en na de
bevalling. Gebruikelijk is dat gedurende dit verlof ten minste tachtig
procent van het normale loon wordt genoten. Nu de voormelde loonregeling
van 1977 zich niet uitlaat over het loon tijdens het zwangerschapsverlof,
dient aanknoping te worden gevonden bij wat in de vrije maatschappij
gebruikelijk is. Onder het normale loon dient hier te worden verstaan het
loon dat onder normale omstandigheden binnen de inrichting pleegt te
worden verdiend. Indien dit het grondloon met toeslag is geweest, dient
het loon tijdens het zwangerschapsverlof ten minste tachtig procent
hiervan te bedragen. In zoverre heeft de beklagcommissie een juiste
beslissing genomen, zij het dat de gronden dienen te worden aangevuld als
hiervoor overwogen.

4. Beslissing: De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en
bevestigt de beschikking van de beklagcommissie onder aanvulling van
gronden.

Rechters

Mrs. Koeleman, Balkema, dr. Fiselier

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 23 juni 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Werkgever van verzoekster heeft een pensioenregeling ondergebracht bij
wederpartij, een pensioenfonds. Verzoekster kon niet deelnemen aan deze
regeling omdat zij minder dan de vereiste 16 uren per week werkte. De
Commissie acht zich niet bevoegd een uitspraak te doen in deze zaak. Het
verbod in de WGB om onderscheid te maken in de arbeidsvoorwaarden, richt
zich immers alleen tot de werkgever. Hieraan doet niet af dat de
uitvoeringswetgeving naar aanleiding van de vierde EG-richtlijn in de
toekomst zal leiden tot wijziging van de WGB in die zin, dat dan ook
anderen dan de werkgever aangesproken kunnen worden. De uit het -hogere-
Europese gemeeschapsrecht voortvloeiende opdracht aan de Commissie tot
verdrag- en richtlijnconforme interpretatie leidt evenmin tot het nu reeds
aannemen van de bevoegdheid van de Commissie.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1. Op 13 april 1993 verzocht mevrouw te Amsterdam
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of te
Zeist (hierna: de wederpartij) jegens haar in strijd heeft gehandeld met
de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.1. Verzoekster heeft in de periode 1 januari 1978 tot 5 mei 1987 voor
haar werkgever gewerkt. Vanaf 1983 neemt haar werkgever deel aan een
pensioenregeling die wordt beheerd door de wederpartij. Verzoekster was
echter uitgesloten van deelname omdat zij minder dan de vereiste 16 uur
per week werkte. Verzoekster is van mening dat deze uitsluiting in strijd
is met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Daarbij is aangegeven dat de ontvankelijkheid van de
zaak voorwerp van onderzoek zou zijn. Partijen hebben de gelegenheid gehad
hun standpunten terzake naar voren te brengen. Verzoekster heeft, in een
andere procedure, eveneens haar voormalige werkgever als wederpartij
aangewezen.

2.2. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 25 mei 1994.
Partijen zijn er van tevoren van op de hoogte gesteld dat alleen de
bevoegdheid van de Commissie/de ontvankelijkheid van het verzoek aan de
orde zou komen. Partijen hebben van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.

Ter zitting waren aanwezig:

van de zijde van de Commissie – mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)
– dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer) – dhr mr J.A.M.I. Hoens (lid Kamer) –
mw mr G.L.M. Lenssen (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster heeft in de periode 1 januari 1978 tot 5 mei 1987 gewerkt
voor haar werkgever. Vanaf laatstgenoemde datum is zij arbeidsongeschikt
en met ingang van 22 juli 1989 is haar arbeidsovereenkomst beeindigd. Haar
werkgever valt vanaf november 1983 onder de CAO welzijn. Werknemers onder
deze CAO vallen onder de pensioenregeling van de wederpartij. Verzoekster
kon niet deelnemen aan deze pensioenregeling omdat zij niet voldeed aan
de voorwaarde dat de deelnemer minimaal 16 uur per week werkt. Verzoekster
werkte minder uren. Overigens is de voorwaarde betreffende de omvang van
het dienstverband met ingang van 1 januari 1991 geschrapt uit het
pensioenreglement.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt dat de wederpartij in een procedure bij de
Commissie aangesproken kan worden op handelen in strijd met de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168). Zij baseert zich
op het volgende.

Vaststaat dat de wetgever met de WGB volledige uitwerking heeft willen
geven aan artikel 119 EEG-Verdrag. Uit de jurisprudentie van het Hof van
Justitie (Ten Oever versus Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het
Glazenwassers- en Schoonmaakbedrijf, 6 oktober 1993, zaaknummer 14/83) is
vervolgens gebleken dat ook een pensioenfonds is gebonden aan de norm van
artikel 119 EEG-Verdrag. Verzoekster is daarom van mening dat de WGB
zodanig geinterpreteerd moet worden dat ook het pensioenfonds als
wederpartij kan worden aangesproken. Zij wijst in dit verband op oordeel
335B-91-72 (Oordeel van 23 september 1991.) van de Commissie, waarin een
pensioenfonds als wederpartij werd aangemerkt. Verzoekster voegt hieraan
toe dat pensioenfondsen vaak aanzienlijke, zelfstandige
beslissingsbevoegdheden bezitten ten aanzien van de pensioenregelingen die
zij beheren. Het is dan effectiever om deze pensioenfondsen aansprakelijk
te stellen, dan allerlei kleine werkgevers die bij de pensioenfondsen zijn
aangesloten.

Verzoekster wijst er ten slotte op dat op dit moment bij het Hof van
Justitie twee zaken aanhangig zijn waarin de aansprakelijkheid van
pensioenfondsen in het kader van artikel 119 EEG-Verdrag aan de orde is
(Fischer versus Voorhuis Hengelo B.V., Fischer versus Stichting
Bedrijfspensioenfonds voor de Detailhandel, zaaknummer C-128/93 en
Coloroll Pension Trustees LTD versus Russell, Mangham e.a., zaaknummer C-
200/91.). Zij suggereert de Commissie haar uitspraak op te schorten tot
het Hof in deze zaken uitspraak heeft gedaan.

3.3. De wederpartij stelt zich op het standpunt dat de Commissie in de
onderhavige zaak niet bevoegd is een oordeel uit te spreken. De Commissie
heeft namelijk als taak te oordelen over schendingen van de WGB, en niet
over de vraag of artikel 119 EEG-Verdrag geschonden is. De jurisprudentie
van de Commissie waarin zij zich beroept op verdragconforme interpretatie,
beperkt zich tot het loonbegrip in de WGB. Het door verzoekster genoemde
oordeel 335B-91-72 is voor de onderhavige zaak niet relevant, aangezien
daar niet de relatie werkgever/werknemer aan de orde was maar gelijke
behandeling binnen het vrije beroep. Daarom werd ook aan een ander
artikel, met een andere inhoud dan het hier toepasselijke 7A:1637ij
Burgerlijk Wetboek (BW) getoetst.

De wederpartij wijst er op dat nationale uitvoeringswetgeving (Wijziging
van het Burgerlijk Wetboek en de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de
bovenwettelijke sociale zekerheid), Kamerstukken 20.890.) naar aanleiding
van de Vierde EG-richtlijn (Richtlijn 86/378/EEG, 24 juli 1986, inzake
gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriele
regelingen inzake sociale zekerheid, nr. L 225/40.) in de toekomst in de
WGB de aansprakelijkheid van pensioenfondsen voor hun handelen zal
vastleggen. Ten slotte suggereert ook de wederpartij de Commissie met haar
oordeel te wachten op de uitspraken van het Hof van Justitie.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd heeft gehandeld met
de wetgeving gelijke behandeling door verzoekster niet toe te laten tot
de geldende pensioenregeling.

4.2. Vooraleer aan beantwoording van deze vraag toe te komen, rijst de
vraag of de Commissie bevoegd is over het verzoek een oordeel uit te
spreken. Aan de orde is namelijk of de wederpartij in een pensioenregeling
onderscheid naar geslacht maakt. Een pensioenregeling wordt gerekend tot
de arbeidsvoorwaarden van werknemers. Het in artikel 7A:1637ij lid 1 BW
neergelegde verbod om in de arbeidsvoorwaarden onderscheid te maken tussen
mannen en vrouwen, is gericht tot de werkgever. De WGB kent geen bepaling
die de aansprakelijkheid van andere personen of organen dan de werkgever
vestigt, wanneer het betreft de (uitvoering van) arbeidsvoorwaarden. Dit
zou leiden tot de conclusie dat de Commissie niet bevoegd is een oordeel
uit te spreken over de voorliggende vraag, en dat dus een pensioenfonds
zoals de wederpartij niet aangesproken kan worden op handelen in strijd
met de WGB.

Hieraan doet niet af, dat zoals de wederpartij al aangaf, de
uitvoeringswetgeving naar aanleiding van de Vierde EG-richtlijn in de
toekomst zal leiden tot wijziging van de wetgeving gelijke behandeling in
die zin, dat ook anderen dan de werkgever aangesproken kunnen worden.
Overigens had deze wetgeving, gezien de termijn voor tenuitvoerlegging die
de Vierde richtlijn gaf, uiterlijk per 1 januari 1993 ingevoerd moeten
zijn. Het verstrijken van deze uitvoeringstermijn was voor de Commissie
ook reden om na 1 januari 1993, anders dan voorheen, zaken tegen
pensioenfondsen niet langer kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren. De
Commissie stelt vast dat de uitvoeringswetgeving op dit moment nog niet
in werking is getreden. Dat leidt dan tot de conclusie dat de wetgeving
gelijke behandeling op dit moment geen bepaling kent op grond waarvan
pensioenfondsen kunnen worden aangesproken.

4.3. Verzoekster heeft zich voor haar standpunt dat het pensioen- fonds
wel kan worden aangesproken in het kader van de huidige wetgeving gelijke
behandeling, beroepen op het – hogere-Europese gemeenschapsrecht. De
Commissie zal dan ook onderzoeken of op grond hiervan een andere
interpretatie van bepalingen uit de WGB is geboden. Zij overweegt hierover
als volgt.

Verzoekster stelt terecht dat de wetgever met de vroegere en ook de
huidige wetgeving gelijke behandeling mede een volledige uitwerking heeft
willen geven aan artikel 119 EEG- Verdrag. Het EG-Hof is blijkens haar
overwegingen in onder andere de zaak Von Colson/Kamann d.d. 10 april 1984
van mening dat nationale rechters en anderen die met overheidsgezag zijn
bekleed gehouden zijn om binnen hun bevoegdheden de wetgeving gelijke
behandeling zoveel mogelijk uit te leggen en toe te passen in het licht
van de bewoordingen en objectieve doelstelling van artikel 119 EEG-Verdrag
en de EG-richtlijnen (Hof van Justitie der Europese gemeenschappen, Von
Colson en Kamann versus Deelstaat Nordrhein Westfalen, jurisprudentie
1984, 1891, zaaknummer 14/83. Zie ook Marleasing SA tegen La Comercial
Internacional de Alimentacion SA, arrest van 13 november 1990, zaaknummer
C-106/89.). Dit heeft ertoe geleid dat de Commissie de uitdrukkelijke
uitzondering voor aanspraken en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen
als gemaakt in artikel 7A:1637ij BW en artikel 7 lid 2 WGB interpreteert
in het licht van de jurisprudentie van het EG-Hof (Zie onder meer Hof van
Justitie der Europese Gemeenschappen, Barber versus Guardian Royal
Exchange Assurance Group, 17 mei 1990, zaaknummer C-262/88. Nemesis 1990,
nr. 116.) over het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag. Gelet op het
bovenstaande vat de Commissie deze uitzondering namelijk zo op, dat
slechts die pensioenkwesties terzake waarvan volgens het EG-Hof geen
beroep op de rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag kan worden
gedaan, van de wettelijke norm van gelijke behandeling zijn uitgesloten.

De genoemde opdracht tot verdrag- en richtlijnconforme uitleg kan naar het
oordeel van de Commissie evenwel niet leiden tot haar bevoegdheid om een
oordeel uit te spreken over de vraag of een pensioenfonds handelt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling. Anders dan hierboven waar
sprake was van verdragconforme interpretatie van het beloningsbegrip dat
zowel in artikel 119 EEG-Verdrag als de wetgeving gelijke behandeling
voorkomt, biedt de tekst van de Wet in het voorliggende geval voor een
verdragconforme interpretatie geen aanknopingspunt. De tekst van artikel
7A:1637ij BW noemt namelijk expliciet slechts de werkgever als aan te
spreken persoon. Pensioenfondsen, als juridisch zelfstandige
rechtspersonen met eigen bevoegdheden, kunnen niet worden gevat onder het
begrip werkgever. Het uitbreiden van de bevoegdheid ‘ratione materiae’ via
een verdragconforme interpretatie, is iets anders dan het uitbreiden van
de groep van door de wetgever aangewezen wederpartijen. Dat laatste gaat
de wettelijke bevoegdheid van de Commissie te zeer te buiten.

4.4. Bovenstaande neemt overigens niet weg dat pensioenfondsen mogelijk
in rechte aangesproken kunnen worden op handelen in strijd met artikel 119
EEG-Verdrag (Zie de uitspraak van het Hof van Justitie in de hiervoor
reeds genoemde zaak Ten Oever, en de reeds genoemde bij het Hof aanhangige
zaken Coloroll en Fischer. ). Het is, zoals wederpartij terecht stelt,
evenwel niet de taak van de Commissie om te beoordelen of wordt gehandeld
in strijd met artikel 119 EEG-Verdrag, aangezien het beoordelingskader van
de Commissie is beperkt tot de wetgeving gelijke behandeling. Dit heeft
tot gevolg dat de justitiabele voor de rechter wel, maar voor de Commissie
geen rechtstreeks beroep op artikel 119 EEG-Verdrag kan doen. De te
verwachten uitspraken van het Hof van Justitie over de aansprakelijkheid
van pensioenfondsen waar beide partijen naar verwezen, behelzen de
aansprakelijkheid in het kader van artikel 119 EEG-Verdrag. Nu de
Commissie niet bevoegd is uitspraken te doen louter over dit artikel, acht
zij het ook niet zinvol met het uitspreken van een oordeel te wachten op
deze uitspraken van het Hof van Justitie.

Voor wat betreft de verwijzing van verzoekster naar oordeel 335B-91-72 ten
slotte, stelt de Commissie vast dat dit oordeel voor de onderhavige zaak
niet relevant is. Daarin werd namelijk getoetst aan artikel 2 WGB, dat de
gelijke behandeling in het vrije beroep voorschrijft. Artikel 2 bepaalt
niet expliciet tot wie de norm van gelijke behandeling zich richt,
waardoor er meer aanknopingspunten zijn voor een ruimere interpretatie van
dit artikel.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat zij niet bevoegd is in de
onderhavige zaak een oordeel uit te spreken, en dat mevrouw M.
Abbate-Sijmons te Amsterdam derhalve niet- ontvankelijk is in haar
verzoek.

Aldus vastgesteld op 23 juni 1994 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 25 mei 1994.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis, dhr mr A.W. Heringa, dhr mr J.A.M.I. Hoens,mw mr G.L.M. Lenssen

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 22 juni 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Werkgever van verzoekster heeft een pensioenregeling ondergebracht bij
wederpartij, een pensioenfonds. Gehuwde vrouwen waren uitgesloten van
deelname aan deze regeling. De Commissie acht zich niet bevoegd een
uitspraak te doen in deze zaak. Het verbod in de WGB om onderscheid te
maken in de arbeidsvoorwaarden richt zich immers alleen tot de werkgever.
Hieraan doet niet af dat de uitvoeringswetgeving naar aanleiding van de
vierde EG- richtlijn in de toekomst zal leiden tot wijziging van de WGB
in die zin, dat dan ook anderen dan de werkgever aangesproken kunnen
worden. De uit het -hogere- Europese gemeeschapsrecht voortvloeiende
opdracht aan de Commissie tot verdrag- en richtlijnconforme interpretatie
leidt evenmin tot het nu reeds aannemen van de bevoegdheid van de
Commissie.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 13 april 1993 verzocht mevrouw te Amsterdam (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of de te Amsterdam (hierna: de
wederpartij) jegens haar in strijd heeft gehandeld met de wetgeving
gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster heeft in de periode februari 1970 tot januari 1990 voor
haar werkgever gewerkt. Haar werkgever neemt deel aan een pensioenregeling
die wordt beheerd door de wederpartij. Verzoekster was echter uitgesloten
van deelname omdat zij gehuwd is. Deelnemers aan de pensioenregeling zijn
(gehuwde en ongehuwde) mannen en ongehuwde vrouwen. Verzoekster is van
mening dat deze uitsluiting in strijd is met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Daarbij is aangegeven dat de ontvankelijkheid van de
zaak voorwerp van onderzoek zou zijn. Partijen hebben de gelegenheid gehad
hun standpunten terzake naar voren te brengen. Verzoekster heeft, in een
andere procedure, eveneens haar voormalige werkgever als wederpartij
aangewezen.

2.2. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 25 mei 1994.
Partijen zijn er van tevoren van op de hoogte gesteld dat alleen de
bevoegdheid van de Commissie/de ontvankelijkheid van het verzoek aan de
orde zou komen. Verzoekster heeft van deze uitnodiging geen gebruik
gemaakt.

Ter zitting waren aanwezig:

van de zijde van de wederpartij – mw
gemachtigde)

van de zijde van de Commissie – mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)
– dhr mr J.A.M.I. Hoens (lid Kamer) – dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid
Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster heeft in de periode februari 1970 tot januari 1990
gewerkt voor haar werkgever. Daarna is zij in de VUT gegaan en per 21
januari 1993 is zij gepensioneerd. Haar werkgever heeft een
pensioenregeling in het leven geroepen, die wordt beheerd door de
wederpartij. Verzoekster was evenwel uitgesloten van deelname aan deze
regeling. Als deelnemers werden alleen toegelaten gehuwde en ongehuwde
mannen en ongehuwde vrouwen. Verzoekster is gehuwd.

Vanaf 1989 is er bij verzoeksters werkgever over gesproken om ook gehuwde
vrouwen toe te laten tot de pensioenregeling. De werkgever heeft evenwel
geweigerd een eventuele toelating van gehuwde vrouwen met terugwerkende
kracht ook voor verzoekster te laten gelden.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt dat de wederpartij in een procedure bij de
Commissie aangesproken kan worden op handelen in strijd met de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168). Zij baseert zich
op het volgende.

Vaststaat dat de wetgever met de WGB volledige uitwerking heeft willen
geven aan artikel 119 EEG-Verdrag. Uit de jurisprudentie van het Hof van
Justitie (Ten Oever versus Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het
Glazenwassers- en Schoonmaakbedrijf, 6 oktober 1993, zaaknummer 14/83.)
is vervolgens gebleken dat ook een pensioenfonds is gebonden aan de norm
van artikel 119 EEG-Verdrag. Verzoekster is daarom van mening dat de WGB
zodanig geinterpreteerd moet worden dat ook het pensioenfonds als
wederpartij kan worden aangesproken. Zij wijst in dit verband op oordeel
335B-91-72 (Oordeel van 23 september 1991.) van de Commissie, waarin een
pensioenfonds als wederpartij werd aangemerkt. Verzoekster voegt hieraan
toe dat pensioenfondsen vaak aanzienlijke, zelfstandige
beslissingsbevoegdheden bezitten ten aanzien van de pensioenregelingen die
zij beheren. Het is dan effectiever om deze pensioenfondsen aansprakelijk
te stellen, dan allerlei kleine werkgevers die bij de pensioenfondsen zijn
aangesloten.

Verzoekster wijst er ten slotte op dat op dit moment bij het Hof van
Justitie twee zaken aanhangig zijn waarin de aansprakelijkheid van
pensioenfondsen in het kader van artikel 119 EEG-Verdrag aan de orde is
(Fischer versus Voorhuis Hengelo B.V., Fischer versus Stichting
Bedrijfspensioenfonds voor de Detailhandel, zaaknummer C-128/93 en
Coloroll Pension Trustees LTD versus Russell, Mangham e.a., zaaknummer C-
200/91.). Zij suggereert de Commissie haar uitspraak op te schorten tot
het Hof in deze zaken uitspraak heeft gedaan.

3.3. De wederpartij stelt dat de Commissie ingevolge artikel 14 WGB
bevoegd is te beoordelen of in strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk
Wetboek (BW) is gehandeld. Ondanks de in dit artikel opgenomen
uitzondering voor uitkeringen en aanspraken ingevolge pensioenuitkeringen,
acht de Commissie zich bevoegd uitspraak te doen in pensioenkwesties. De
werkgever is in dergelijke kwesties de eerst aangewezene om aan te
spreken, en wordt ook expliciet genoemd in artikel 7A:1637ij BW. Een
beroep op artikel 119 EEG-Verdrag brengt hierin volgens de wederpartij
geen verandering. Uit het arrest van het Hof van Justitie in de zaak
Barber (Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Barber versus
Guardian Royal Exchange Assurance Group, 17 mei 1990, zaaknummer C-262/88.
Nemesis 1990, nr. 116.) leidt zij indirect af dat de horizontale werking
van artikel 119 EEG-Verdrag zich beperkt tot werkgevers. Het Hof ziet
pensioen namelijk als een van de werkgever, zij het indirect, verkregen
voordeel voor de werknemer in verband met diens dienstbetrekking. Het
indirecte karakter van het pensioen belet niet, zo interpreteert de
wederpartij de jurisprudentie van het Hof van Justitie, dat toch de
werkgever aangesproken kan worden in het kader van artikel 119
EEG-Verdrag. Op de werkgever rust de plicht tot gelijke behandeling.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd heeft gehandeld met
de wetgeving gelijke behandeling door verzoekster niet toe te laten tot
de geldende pensioenregeling.

4.2. Vooraleer aan beantwoording van deze vraag toe te komen, rijst de
vraag of de Commissie bevoegd is over het verzoek een oordeel uit te
spreken. Aan de orde is namelijk of de wederpartij in een pensioenregeling
onderscheid naar geslacht maakt. Een pensioenregeling wordt gerekend tot
de arbeidsvoorwaarden van werknemers. Het in artikel 7A:1637ij lid 1 BW
neergelegde verbod om in de arbeidsvoorwaarden onderscheid te maken tussen
mannen en vrouwen, is gericht tot de werkgever. De WGB kent geen bepaling
die de aansprakelijkheid van andere personen of organen dan de werkgever
vestigt, wanneer het betreft de (uitvoering van) arbeidsvoorwaarden. Dit
zou leiden tot de conclusie dat de Commissie niet bevoegd is een oordeel
uit te spreken over de voorliggende vraag, en dat dus een pensioenfonds
zoals de wederpartij niet aangesproken kan worden op handelen in strijd
met de WGB.

Hieraan doet niet af dat de nationale uitvoeringswetgeving (Wijziging van
het Burgerlijk Wetboek en de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de
bovenwettelijke sociale zekerheid), Kamerstukken 20.890.) naar aanleiding
van de Vierde EG-richtlijn (Richtlijn 86/378/EEG, 24 juli 1986, inzake
gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriele
regelingen inzake sociale zekerheid, nr. L 225/40.) in de toekomst zal
leiden tot wijziging van de wetgeving gelijke behandeling in die zin, dat
ook anderen dan de werkgever aangesproken kunnen worden. Overigens had
deze wetgeving, gezien de termijn voor tenuitvoerlegging die de Vierde
richtlijn gaf, uiterlijk per 1 januari 1993 ingevoerd moeten zijn. Het
verstrijken van deze uitvoeringstermijn was voor de Commissie ook reden
om na 1 januari 1993, anders dan voorheen, zaken tegen pensioenfondsen
niet langer kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren. De Commissie stelt
vast dat de uitvoeringswetgeving op dit moment nog niet in werking is
getreden. Dat leidt dan tot de conclusie dat de wetgeving gelijke
behandeling op dit moment geen bepaling kent op grond waarvan
pensioenfondsen kunnen worden aangesproken.

4.3. Verzoekster heeft zich voor haar standpunt dat het pensioenfonds wel
kan worden aangesproken in het kader van de huidige wetgeving gelijke
behandeling, beroepen op het – hogere- Europese gemeenschapsrecht. De
Commissie zal dan ook onderzoeken of op grond hiervan een andere
interpretatie van bepalingen uit de WGB is geboden. Zij overweegt hierover
als volgt.

Verzoekster stelt terecht dat de wetgever met de vroegere en ook de
huidige wetgeving gelijke behandeling mede een volledige uitwerking heeft
willen geven aan artikel 119 EEG- Verdrag. Het EG-Hof is blijkens haar
overwegingen in onder andere de zaak Von Colson/Kamann d.d. 10 april 1984
van mening dat nationale rechters en anderen die met overheidsgezag zijn
bekleed gehouden zijn om binnen hun bevoegdheden de wetgeving gelijke
behandeling zoveel mogelijk uit te leggen en toe te passen in het licht
van de bewoordingen en objectieve doelstelling van artikel 119 EEG-Verdrag
en de EG-richtlijnen (Hof van Justitie der Europese gemeenschappen, Von
Colson en Kamann versus Deelstaat Nordrhein Westfalen, jurisprudentie
1984, 1891, zaaknummer 14/83. Zie ook Marleasing SA tegen La Comercial
Internacional de Alimentacion SA, arrest van 13 november 1990, zaaknummer
C-106/89. ). Dit heeft ertoe geleid dat de Commissie de uitdrukkelijke
uitzondering voor aanspraken en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen
als gemaakt in artikel 7A:1637ij BW en artikel 7 lid 2 WGB interpreteert
in het licht van de jurisprudentie van het EG-Hof (Zie onder meer het
hiervoor reeds genoemde arrest Barber van het Hof van Justitie.) over het
loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag. Gelet op het bovenstaande vat de
Commissie deze uitzondering namelijk zo op, dat slechts die
pensioenkwesties terzake waarvan volgens het EG-Hof geen beroep op de
rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag kan worden gedaan van
de wettelijke norm van gelijke behandeling zijn uitgesloten.

De genoemde opdracht tot verdrag- en richtlijnconforme uitleg kan naar het
oordeel van de Commissie evenwel niet leiden tot haar bevoegdheid om een
oordeel uit te spreken over de vraag of een pensioenfonds handelt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling. Anders dan hierboven waar
sprake was van verdragconforme interpretatie van het beloningsbegrip dat
zowel in artikel 119 EEG-Verdrag als de wetgeving gelijke behandeling
voorkomt, biedt de tekst van de Wet in het voorliggende geval voor een
verdragconforme interpretatie geen aanknopingspunt. De tekst van artikel
7A:1637ij BW noemt namelijk expliciet slechts de werkgever als aan te
spreken persoon. Pensioenfondsen, als juridisch zelfstandige
rechtspersonen met eigen bevoegdheden, kunnen niet worden gevat onder het
begrip werkgever. Het uitbreiden van de bevoegdheid ‘ratione materiae’ via
een verdragconforme interpretatie, is iets anders dan het uitbreiden van
de groep van door de wetgever aangewezen wederpartijen. Dat laatste gaat
de wettelijke bevoegdheid van de Commissie te zeer te buiten.

4.4. Bovenstaande neemt overigens niet weg dat pensioenfondsen mogelijk
in rechte aangesproken kunnen worden op handelen in strijd met artikel 119
EEG-Verdrag (Zie de uitspraak van het Hof van Justitie in de hiervoor
reeds genoemde zaak Ten Oever, en de reeds genoemde bij het Hof aanhangig
gemaakte zaken Coloroll en Fischer.). Het is evenwel niet de taak van de
Commissie om te beoordelen of wordt gehandeld in strijd met artikel 119
EEG-Verdrag, aangezien het beoordelingskader van de Commissie is beperkt
tot de wetgeving gelijke behandeling. Dit heeft tot gevolg dat de
justitiabele voor de rechter wel, maar voor de Commissie geen rechtstreeks
beroep op artikel 119 EEG-Verdrag kan doen. De te verwachten uitspraken
van het Hof van Justitie over de aansprakelijkheid van pensioenfondsen
waar verzoekster naar verwees, behelzen de aansprakelijkheid in het kader
van artikel 119 EEG-Verdrag. Nu de Commissie niet bevoegd is uitspraken
te doen louter over dit artikel, acht zij het ook niet zinvol met het
uitspreken van een oordeel te wachten op deze uitspraken van het Hof van
Justitie.

Voor wat betreft de verwijzing van verzoekster naar oordeel 335B-91-72 ten
slotte, stelt de Commissie vast dat dit oordeel voor de onderhavige zaak
niet relevant is. Daarin werd namelijk getoetst aan artikel 2 WGB, dat de
gelijke behandeling in het vrije beroep voorschrijft. Artikel 2 bepaalt
niet expliciet tot wie de norm van gelijke behandeling zich richt,
waardoor er meer aanknopingspunten zijn voor een ruimere interpretatie van
dit artikel.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat zij niet bevoegd is in de
onderhavige zaak een oordeel uit te spreken, en dat mevrouw
te Amsterdam derhalve niet- ontvankelijk is in haar verzoek.

Aldus vastgesteld op 22 juni 1994 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 25 mei 1994.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis, dhr mr J.A.M.I. Hoens, dhr mr R.A.C.M.Langemeijer, mw mr G.L.M. Lenssen