Instantie: Commissie gelijke behandeling, 22 juni 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Werkgever van verzoekster heeft een pensioenregeling ondergebracht bij
wederpartij, een pensioenfonds. Verzoekster kan niet deelnemen aan deze
regeling vanwege de aard van haar werk (administratieve functie). De
Commissie acht zich niet bevoegd een uitspraak te doen in deze zaak. Het
verbod in de WGB om onderscheid te maken in de arbeidsvoorwaarden richt
zich immers alleen tot de werkgever. Hieraan doet niet af dat de
uitvoeringswetgeving naar aanleiding van de vierde EG-richtlijn in de
toekomst zal leiden tot wijziging van de WGB in die zin, dat dan ook
anderen dan de werkgever aangesproken kunnen worden. De uit het -hogere-
Europese gemeeschapsrecht voortvloeiende opdracht aan de Commissie tot
verdrag- en richtlijnconforme interpretatie leidt evenmin tot het nu reeds
aannemen van de bevoegdheid van de Commissie.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 23 april 1993 verzocht mevrouw te Katwijk (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of te Amsterdam (hierna: de
wederpartij) jegens haar in strijd handelt met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster werkt vanaf januari 1978 voor haar werkgever. Zij heeft
een administratieve functie. In 1984 heeft haar werkgever zich aangesloten
bij de wederpartij, die onder meer pensioenregelingen beheert. Deze
pensioenregelingen merken als verplichte deelnemer aan diegenen die een
grafische functie of een functie in de zeefdruksector verrichten.
Verzoekster kan vanwege het feit dat zij een administratieve functie
vervult niet deelnemen aan een pensioenregeling. Zij is van mening dat
deze uitsluiting in strijd is met de wetgeving gelijke behandeling omdat
relatief meer vrouwen dan mannen administratieve functies vervullen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Daarbij is aangegeven dat de ontvankelijkheid van de
zaak voorwerp van onderzoek zou zijn. Partijen hebben de gelegenheid gehad
hun standpunten terzake naar voren te brengen. Verzoekster heeft, in een
andere procedure, eveneens haar werkgever als wederpartij aangewezen.

2.2. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 25 mei 1994.
Partijen zijn er van tevoren van op de hoogte gesteld dat alleen de
bevoegdheid van de Commissie/de ontvankelijkheid van het verzoek aan de
orde zou komen. De wederpartij heeft van deze uitnodiging geen gebruik
gemaakt.

Ter zitting waren aanwezig:

van de zijde van verzoekster – mw

van de zijde van de Commissie – mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)
– dhr mr J.A.M.I. Hoens (lid Kamer) – dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid
Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster werkt vanaf januari 1978 voor haar werkgever. Zij vervult
een administratieve functie. In 1984 heeft haar werkgever zich aangesloten
bij de wederpartij, die onder meer pensioenregelingen beheert. De
pensioenregelingen die de wederpartij beheert merken als verplichte
deelnemer aan diegenen die een grafische functie of een functie in de
zeefdruksector verricht. Verzoekster kan vanwege het feit dat zij een
administratieve functie vervult niet deelnemen aan een pensioenregeling.
Weliswaar bestaat de mogelijkheid van vrijwillige toetreding, maar deze
geldt alleen voor groepen personeel en verzoeksters werkgever wil aan een
dergelijke vrijwillige verzekering niet meewerken.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt dat sprake is van ongelijke behandeling nu
personeel in administratieve functies wordt uitgesloten van de
pensioenregeling van de wederpartij. Administratieve functies worden
vooral door vrouwen vervuld. De wederpartij bestrijdt dat sprake is van
ongelijke behandeling van mannen en vrouwen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd heeft gehandeld met
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168)
door verzoekster niet toe te laten tot de geldende pensioenregeling.

4.2. Vooraleer aan beantwoording van deze vraag toe te komen, rijst de
vraag of de Commissie bevoegd is over het verzoek een oordeel uit te
spreken. Aan de orde is namelijk of de wederpartij in een pensioenregeling
onderscheid naar geslacht maakt. Een pensioenregeling wordt gerekend tot
de arbeidsvoorwaarden van werknemers. Het in artikel 7A:1637ij lid 1
Burgelijk Wetboek (BW) neergelegde verbod om in de arbeidsvoorwaarden
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen, is gericht tot de
werkgever. De WGB kent geen bepaling die de aansprakelijkheid van andere
personen of organen dan de werkgever vestigt, wanneer het betreft de
(uitvoering van) arbeidsvoorwaarden. Dit zou leiden tot de conclusie dat
de Commissie niet bevoegd is een oordeel uit te spreken over de
voorliggende vraag, en dat dus een pensioenfonds zoals de wederpartij niet
aangesproken kan worden op handelen in strijd met de WGB.

Hieraan doet niet af het feit dat uitvoeringswetgeving (Wijziging van het
Burgerlijk Wetboek en de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de
bovenwettelijke sociale zekerheid), Kamerstukken 20.890.) naar aanleiding
van de Vierde EG-richtlijn (Richtlijn 86/378/EEG 24 juli 1986, inzake
gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriele
regelingen inzake sociale zekerheid, nr. L 225/40.) in de toekomst zal
leiden tot wijziging van de wetgeving gelijke behandeling in die zin, dat
ook anderen dan de werkgever aangesproken kunnen worden. Overigens had
deze wetgeving, gezien de termijn voor tenuitvoerlegging die de Vierde
richtlijn gaf, uiterlijk per 1 januari 1993 ingevoerd moeten zijn. Het
verstrijken van deze uitvoeringstermijn was voor de Commissie ook reden
om na 1 januari 1993, anders dan voorheen, zaken tegen pensioen- fondsen
niet langer kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren. De Commissie stelt
vast dat de uitvoeringswetgeving op dit moment nog niet in werking is
getreden. Dat leidt dan tot de conclusie dat de wetgeving gelijke
behandeling op dit moment geen bepaling kent op grond waarvan
pensioenfondsen kunnen worden aangesproken.

4.3. Dit zou anders zijn, wanneer het -hogere- Europese gemeen-schapsrecht
tot een andere interpretatie van de bepalingen uit de wetgeving gelijke
behandeling moet leiden. Daarover overweegt de Commissie als volgt.

Zij stelt allereerst vast dat de wetgever met de vroegere en ook de
huidige wetgeving gelijke behandeling mede een volledige uitwerking heeft
willen geven aan artikel 119 EEG- Verdrag. Het EG-Hof is blijkens haar
overwegingen in onder andere de zaak Von Colson/Kamann d.d. 10 april 1984
van mening dat nationale rechters en anderen die met overheidsgezag zijn
bekleed, gehouden zijn om binnen hun bevoegdheden de wetgeving gelijke
behandeling zoveel mogelijk uit te leggen en toe te passen in het licht
van de bewoordingen en objectieve doelstelling van artikel 119 EEG-Verdrag
en de EG-richtlijnen (Hof van Justitie der Europese gemeenschappen, Von
Colson en Kamann versus Deelstaat Nordrhein Westfalen, Jurisprudentie
1984, 1891, zaaknummer 14/83. Zie ook Marleasing SA tegen La Comercial
Internacional de Alimentacion SA, arrest van 13 november 1990, zaaknummer
C-106/89. ). Dit heeft ertoe geleid dat de Commissie de uitdrukkelijke
uitzondering voor aanspraken en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen
als gemaakt in artikel 7A:1637ij BW en artikel 7 lid 2 WGB interpreteert
in het licht van de jurisprudentie van het EG-Hof (Zie onder meer Hof van
Justitie der Europese Gemeenschappen, Barber versus Guardian Royal
Exchange Assurance Group, 17 mei 1990, zaaknummer C 262/88. Nemesis 1990,
nr. 116.) over het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag. Gelet op het
bovenstaande vat de Commissie deze uitzondering namelijk zo op, dat
slechts die pensioenkwesties terzake waarvan volgens het EG-Hof geen
beroep op de rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag kan worden
gedaan, van de wettelijke norm van gelijke behandeling zijn uitgesloten.

De genoemde opdracht tot verdrag- en richtlijnconforme uitleg kan naar het
oordeel van de Commissie evenwel niet leiden tot haar bevoegdheid om een
oordeel uit te spreken over de vraag of een pensioenfonds handelt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling. Anders dan hierboven waar
sprake was van verdragconforme interpretatie van het beloningsbegrip dat
zowel in artikel 119 EEG-Verdrag als de wetgeving gelijke behandeling
voorkomt, biedt de tekst van de Wet in het voorliggende geval voor een
verdragconforme interpretatie geen aanknopingspunt. De tekst van artikel
7A:1637ij BW noemt namelijk expliciet slechts de werkgever als aan te
spreken persoon. Pensioenfondsen, als juridisch zelfstandige
rechtspersonen met eigen bevoegdheden, kunnen niet worden gevat onder het
begrip werkgever. Het uitbreiden van de bevoegdheid ‘ratione materiae’ via
een verdragconforme interpretatie, is iets anders dan het uitbreiden van
de groep van door de wetgever aangewezen wederpartijen. Dat laatste gaat
de wettelijke bevoegdheid van de Commissie te zeer te buiten.

4.4. Bovenstaande neemt overigens niet weg dat pensioenfondsen mogelijk
in rechte aangesproken kunnen worden op handelen in strijd met artikel 119
EEG-Verdrag. Het is evenwel niet de taak van de Commissie om te beoordelen
of wordt gehandeld in strijd met artikel 119 EEG-Verdrag, aangezien het
beoorde- lingskader van de Commissie is beperkt tot de wetgeving gelijke
behandeling. Dit heeft tot gevolg dat de justitiabele voor de rechter wel,
maar voor de Commissie geen rechtstreeks beroep op artikel 119 EEG-Verdrag
kan doen. Bij het Hof van Justitie zijn op dit moment enkele zaken
aanhangig waarin de aansprakelijkheid van pensioenfondsen in het kader van
artikel 119 EEG-Verdrag aan de orde is (Fischer versus Voorhuis Hengelo
B.V., Fischer versus Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de
Detailhandel, zaak C-128/93, Coloroll Pension Trustees LTD versus Russell,
Mangham e.a., zaak C-200/91. Zie voor een uitspraak waarin een
pensioenfonds partij was, de zaak Ten Oever versus Stichting
Bedrijfspensioenfonds voor het Glazenwassers- en Schoonmaakbedrijf 6
oktober 1993, zaaknummer 14/83. ). Nu de Commissie niet bevoegd is
uitspraken te doen louter over dit artikel, acht zij het ook niet zinvol
met het uitspreken van een oordeel te wachten op deze uitspraken van het
Hof van Justitie.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat zij niet bevoegd is in de
onderhavige zaak een oordeel uit te spreken, en dat mevrouw te
Katwijk derhalve niet-ontvankelijk is in haar verzoek.

Aldus vastgesteld op 22 juni 1994 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 25 mei 1994.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis, dhr mr J.A.M.I. Hoens, dhr mr R.A.C.M.Langemeijer, mw mr G.L.M. Lenssen

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 22 juni 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Werkgever van verzoekster heeft een pensioenregeling voor zijn personeel
ondergebracht bij wederpartij, een pensioenfonds. Verzoeksters vielen als
stewardess onder een andere pensioenregeling dan mannelijke collega’s die
volgens verzoeksters hetzelfde werk verrichtten. De Commissie acht zich
niet bevoegd een uitspraak te doen in deze zaak. Het verbod in de WGB om
onderscheid te maken in de arbeidsvoorwaarden richt zich immers alleen tot
de werkgever. Hieraan doet niet af dat de uitvoeringswetgeving naar
aanleiding van de vierde EG-richtlijn in de toekomst zal leiden tot
wijziging van de WGB in die zin, dat dan ook anderen dan de werkgever
aangesproken kunnen worden. De uit het -hogere- Europese gemeeschapsrecht
voortvloeiende opdracht aan de Commissie tot verdrag- en richtlijnconforme
interpretatie leidt evenmin tot het nu reeds aannemen van de bevoegdheid
van de Commissie.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 3 mei 1993 verzochten – mw te Den Haag
– mw te Amsterdam – mw te Leptokaria
(Griekenland) – mw te Zeist – mw
te Schoorl – mw te Amsterdam – mw te
Amsterdam – mw te Hengelo – mw
te Amsterdam – mw te Amsterdam – mw te
Overveen (hierna: verzoeksters) de Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag
of te Luchthaven Schiphol (hierna: de wederpartij) jegens hen in strijd
heeft gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

1.2. Verzoeksters waren allen als stewardess een aantal jaren werkzaam
voor hun werkgever. Deze werkgever heeft zijn pensioenregeling
ondergebracht bij de wederpartij. Verzoeksters vielen gedurende hun
dienstverband onder een andere pensioenregeling dan mannelijke collega’s,
die volgens verzoeksters dezelfde werkzaamheden verrichtten. Volgens
verzoeksters werd voor deze collega’s een gunstiger ouderdomspensioen
opgebouwd dan voor hen. Zij zijn van mening dat deze verschillende opbouw
in strijd is met de wetgeving gelijke behandeling nu daardoor vooral
vrouwen worden getroffen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Daarbij is aangegeven dat de ontvankelijkheid van de
zaak voorwerp van onderzoek zou zijn. Partijen hebben de gelegenheid gehad
hun standpunten terzake naar voren te brengen. Verzoeksters hebben, in een
andere procedure, eveneens hun voormalige werkgever als wederpartij
aangewezen.

2.2. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 25 mei 1994.
Partijen zijn er van tevoren van op de hoogte gesteld dat alleen de
bevoegdheid van de Commissie/de ontvankelijkheid van het verzoek aan de
orde zou komen. Partijen hebben van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.

Ter zitting waren aanwezig:

van de zijde van de Commissie – mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)
– dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer) – dhr mr J.A.M.I. Hoens (lid Kamer) –
mw mr G.L.M. Lenssen (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeksters zijn in de jaren veertig/vijftig bij hun werkgever in
dienst getreden als stewardess. Eind jaren zestig/begin jaren zeventig
zijn zij op non-actief gesteld en ontvingen toen wachtgeld tot hun
pensionering. Op verschillende data in de periode tussen halverwege de
jaren zestig en begin jaren tachtig, zijn zij daadwerkelijk met pensioen
gegaan.

De werkgever van verzoeksters heeft voor verschillende categorieen
personeel verschillende pensioenregelingen in het leven geroepen. Deze
zijn ondergebracht bij de wederpartij. Tot 1977 waren er voor mannelijk
en vrouwelijk vliegend personeel verschillende
ouderdomspensioenregelingen. Met ingang van 1 januari 1977 werd een nieuwe
pensioenregeling van kracht waaronder al het mannelijke en vrouwelijke
cabinepersoneel is gaan vallen. De medewerkers die op dat moment al in
dienst, of inmiddels alweer uit dienst waren, bleven echter onder de oude
regelingen vallen.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoeksters stellen dat pensioenbetalingen niet onder de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168) vallen, maar gaan
ervan uit dat de Commissie ook aan artikel 119 EEG-Verdrag toetst. Zij
stellen dat de wederpartij, die als ondernemingspensioenfonds heel dicht
bij de werkgever staat, wel aangesproken kan worden op handelen in strijd
met artikel 119 EEG-Verdrag. Zij verwijzen voor dit standpunt naar een bij
het Hof van Justitie van de EG aanhangige zaak, de zaak Coloroll (Coloroll
Pension Trustees LTD versus Russell, Mangham e.a. zaak C-200/91.).

3.3. De wederpartij stelt dat de pensioenkwestie onder het beloningsbegrip
van artikel 7A:1637ij Burgelijk Wetboek (BW) valt. Dit artikel richt zich
uitsluitend tot de werkgever, klachten met betrekking tot het handelen van
derden zijn daarom niet-ontvankelijk. Ook al zou uit de zaak Coloroll
blijken dat het pensioenfonds in het kader van artikel 119 EEG-Verdrag kan
worden aangesproken, dan breidt dit nog niet de kring der aan te spreken
personen in het kader van de WGB uit. Daarvoor is volgens de wederpartij
een wetswijziging noodzakelijk. Het pensioenfonds kan niet onder de
definitie van ‘werkgever’ in artikel 7A:1637ij Burgelijk Wetboek (BW)
worden gebracht. Het pensioenfonds is -dwingendrechtelijk- onafhankelijk
van de werkgever, en is een separate rechtspersoon. Het pensioenfonds is
ook geen partij bij het vaststellen van de arbeidsvoorwaarden. Wederpartij
doet de suggestie dat de Commissie wacht op de uitspraak in Coloroll.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd heeft gehandeld met
de wetgeving gelijke behandeling door verzoeksters onder een andere
pensioenregeling te brengen dan een aantal mannelijke collega’s.

4.2. Vooraleer aan beantwoording van deze vraag toe te komen, rijst de
vraag of de Commissie bevoegd is over het verzoek een oordeel uit te
spreken. Aan de orde is namelijk of de wederpartij in een pensioenregeling
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt. Een pensioenregeling wordt
gerekend tot de arbeidsvoorwaarden van werknemers. Het in artikel
7A:1637ij lid 1 BW neergelegde verbod om in de arbeidsvoorwaarden
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen, is gericht tot de
werkgever. De WGB kent geen bepaling die de aansprakelijkheid van andere
personen of organen dan de werkgever vestigt, wanneer het betreft de
(uitvoering van) arbeidsvoorwaarden. Dit zou leiden tot de conclusie dat
de Commissie niet bevoegd is een oordeel uit te spreken over de
voorliggende vraag, en dat dus een pensioenfonds, zoals de wederpartij,
niet aangesproken kan worden op handelen in strijd met de WGB.

Hieraan doet niet af het feit dat uitvoeringswetgeving (Wijziging van het
Burgerlijk Wetboek en de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de
bovenwettelijke sociale zekerheid), Kamerstukken 20.890.) naar aanleiding
van de Vierde EG-richtlijn (Richtlijn 86/378/EEG, 24 juli 1986, inzake
gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriele
regelingen inzake sociale zekerheid, nr. L 225/40.) in de toekomst zal
leiden tot wijziging van de wetgeving gelijke behandeling in die zin, dat
ook anderen dan de werkgever aangesproken kunnen worden. Overigens had
deze wetgeving, gezien de termijn voor tenuitvoerlegging die de Vierde
richtlijn gaf, uiterlijk per 1 januari 1993 ingevoerd moeten zijn. Het
verstrijken van deze uitvoeringstermijn was voor de Commissie ook reden
om na 1 januari 1993, anders dan voorheen, zaken tegen pensioen- fondsen
niet langer kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren. De Commissie stelt
vast dat de uitvoeringswetgeving op dit moment nog niet in werking is
getreden. Dat leidt dan tot de conclusie dat de wetgeving gelijke
behandeling op dit moment geen bepaling kent op grond waarvan
pensioenfondsen kunnen worden aangesproken.

4.3. Verzoeksters hebben zich voor hun standpunt dat het pensioen-fonds
wel kan worden aangesproken in het kader van de huidige wetgeving gelijke
behandeling beroepen op het -hogere- Europese gemeenschapsrecht. De
Commissie zal dan ook onderzoeken of op grond hiervan een andere
interpretatie van bepalingen uit de WGB is geboden. Zij overweegt hierover
als volgt.

Zij stelt allereerst vast dat de wetgever met de vroegere en ook de
huidige wetgeving gelijke behandeling mede een volledige uitwerking heeft
willen geven aan artikel 119 EEG- Verdrag. Het EG-Hof is blijkens haar
overwegingen in onder andere de zaak Von Colson/Kamann d.d. 10 april 1984
van mening dat nationale rechters en anderen die met overheidsgezag zijn
bekleed gehouden zijn om binnen hun bevoegdheden de wetgeving gelijke
behandeling zoveel mogelijk uit te leggen en toe te passen in het licht
van de bewoordingen en objectieve doelstelling van artikel 119 EEG-Verdrag
en de EG-richtlijnen (Hof van Justitie der Europese gemeenschappen, Von
Colson en Kamann versus Deelstaat Nordrhein Westfalen, Jurisprudentie
1984, 1891, zaaknummer 14/83. Zie ook Marleasing SA tegen La Comercial
Internacional de Alimentacion SA, arrest van 13 november 1990, zaaknummer
C-106/89.). Dit heeft ertoe geleid dat de Commissie de uitdrukkelijke
uitzondering voor aanspraken en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen
als gemaakt in artikel 7A:1637ij BW en artikel 7 lid 2 WGB interpreteert
in het licht van de jurisprudentie van het EG-Hof (Zie onder meer Hof van
Justitie der Europese Gemeenschappen, Barber versus Guardian Royal
Exchange Assurance Group, 17 mei 1990, zaaknummer C 262/88. Nemesis 1990,
nr. 116. En zaak Ten Oever versus Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het
Glazenwassers- en Schoonmaakbedrijf 6 oktober 1993, zaaknummer 14/83.)
over het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag. Gelet op het bovenstaande
vat de Commissie deze uitzondering namelijk zo op, dat slechts die
pensioenkwesties terzake waarvan volgens het EG-Hof geen beroep op de
rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag kan worden gedaan, van
de wettelijke norm van gelijke behandeling zijn uitgesloten.

De genoemde opdracht tot verdrag- en richtlijnconforme uitleg kan naar het
oordeel van de Commissie evenwel niet leiden tot haar bevoegdheid om een
oordeel uit te spreken over de vraag of een pensioenfonds handelt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling. Anders dan hierboven waar
sprake was van verdragconforme interpretatie van het beloningsbegrip dat
zowel in artikel 119 EEG-Verdrag als de wetgeving gelijke behandeling
voorkomt, biedt de tekst van de Wet in het voorliggende geval voor een
verdragconforme interpretatie geen aanknopingspunt. De tekst van artikel
7A:1637ij BW noemt namelijk expliciet slechts de werkgever als aan te
spreken persoon. Pensioenfondsen, als juridisch zelfstandige
rechtspersonen met eigen bevoegdheden, kunnen niet worden gevat onder het
begrip werkgever. Het uitbreiden van de bevoegdheid ‘ratione materiae’ via
een verdragconforme interpretatie, is iets anders dan het uitbreiden van
de groep van door de wetgever aangewezen wederpartijen. Dat laatste gaat
de wettelijke bevoegdheid van de Commissie te zeer te buiten. Dit geldt
ook wanneer het, zoals in de onderhavige zaak, een
ondernemingspensioenfonds betreft.

4.4. Bovenstaande neemt overigens niet weg dat pensioenfondsen mogelijk
in rechte aangesproken kunnen worden op handelen in strijd met artikel 119
EEG-Verdrag (Zie de eerder genoemde bij het Hof van Justitie aanhangige
zaak Coloroll, en de eveneens bij het Hof aanhangige zaak C-128/93,
Fischer versus Voorhuis Hengelo B.V., versus Stichting
Bedrijfspensioenfonds voor de Detailhandel.). Het is evenwel, anders dan
verzoeksters wellicht menen, niet de taak van de Commissie om te
beoordelen of wordt gehandeld in strijd met artikel 119 EEG-Verdrag,
aangezien het beoordelingskader van de Commissie is beperkt tot de
wetgeving gelijke behandeling. Dit heeft tot gevolg dat de justitiabele
voor de rechter wel, maar voor de Commissie geen rechtstreeks beroep op
artikel 119 EEG-Verdrag kan doen. De te verwachten uitspraak van het Hof
van Justitie over de aansprakelijkheid van pensioenfondsen waar beide
partijen naar verwezen, behelzen de aansprakelijkheid in het kader van
artikel 119 EEG-Verdrag. Nu de Commissie niet bevoegd is uitspraken te
doen louter over dit artikel, acht zij het ook niet zinvol met het
uitspreken van een oordeel te wachten op deze uitspraken van het Hof van
Justitie.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat zij niet bevoegd is in de
onderhavige zaak een oordeel uit te spreken, en dat – mw te
Den Haag – mw te Amsterdam – mw te Leptokaria
(Griekenland) – mw te Zeist – mw te Schoorl – mw
te Amsterdam – mw te Amsterdam – mw
te Hengelo – mw te Amsterdam – mw te Amsterdam
– mw te Overveen derhalve niet-ontvankelijk zijn in hun
verzoeken.

Aldus vastgesteld op 22 juni 1994 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 25 mei 1994.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis, dhr mr A.W. Heringa, dhr mr J.A.M.I. Hoens,mw mr G.L.M. Lenssen

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 22 juni 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Werkgever van verzoekster heeft een nabestaandenpensioenregeling
ondergebracht bij wederpartij, een pensioenfonds. Bij vrijwillig ontslag
vervalt voor de ongehuwde deelnemer het recht op partnerpensioen, de
gehuwde deelnemer heeft in die situatie recht op een premievrije
uitkering. De Commissie acht zich niet bevoegd een uitspraak te doen in
deze zaak. Het verbod in de WGB om onderscheid te maken in de
arbeidsvoorwaarden, richt zicht immers alleen tot de werkgever. Hieraan
doet niet af dat de uitvoeringswetgeving naar aanleiding van de vierde
EG-richtlijn in de toekomst zal leiden tot wijziging van de WGB in die
zin, dat dan ook anderen dan de werkgever aangesproken kunnen worden. De
uit het -hogere- Europese gemeeschapsrecht voortvloeiende opdracht aan de
Commissie tot verdrag- en richtlijnconforme interpretatie leidt evenmin
tot het nu reeds aannemen van de bevoegdheid van de Commissie.NB.
samenhang met oordeel 605A- 94-42

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 25 mei 1993 verzocht mevrouw te Amsterdam (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of te Amsterdam
(hierna: de wederpartij) indirect onderscheid maakt naar geslacht in de
pensioenregeling, in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

1.2. Verzoeksters werkgever heeft een regeling voor nabestaandenpensioen
voor ongehuwde, samenwonende werknemers. De pensioenregelingen van haar
werkgever zijn ondergebracht bij de wederpartij. Verzoekster stelt dat de
rechten voortvloeiend uit dit nabestaandenpensioen, niet gelijkwaardig
zijn aan die voortvloeiend uit het weduwen/weduwnaarspensioen voor gehuwde
werknemers. Zij is van mening dat de wederpartij hiermee onderscheid maakt
naar geslacht in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Daarbij is aangegeven dat de ontvankelijkheid van de
zaak voorwerp van onderzoek zou zijn. Partijen hebben de gelegenheid gehad
hun standpunten terzake naar voren te brengen. Verzoekster heeft, in een
andere procedure eveneens haar werkgever als wederpartij aangewezen
(oordeelnummer 605A-94- 42).

2.2. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 25 mei 1994.
Partijen zijn er van tevoren van op de hoogte gesteld dat alleen de
bevoegdheid van de Commissie/de ontvankelijkheid van het verzoek aan de
orde zou komen. Verzoekster heeft van deze uitnodiging geen gebruik
gemaakt.

Ter zitting is de zaak gevoegd behandeld met die in dossier 93-605A.

Ter zitting waren aanwezig:

van de zijde van de wederpartij – mw (stafsecretaris)

van de zijde van de wederpartij in dossier 93-605A – dhr
(Centrale Staf Personeel en Organisatie)

van de zijde van de Commissie – mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)
– dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer) – dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid
Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeksters werkgever kent een pensioenregeling voor haar personeel,
die is ondergebracht bij de wederpartij. Verzoeksters klacht betreft
onderscheid dat wordt gemaakt tussen de nabestaandenpensioenregeling voor
gehuwden en die voor ongehuwden. Bij vrijwillig ontslag van een deelnemer
namelijk vervalt het recht op partnerpensioen voor ongehuwden, terwijl in
het weduwen/weduwnaarspensioen voor gehuwden in dit geval een recht op
premievrije uitkering bestaat.

Verzoekster woont ongehuwd samen met haar partner. Deze is aangemerkt als
partner in de zin van het partnerpensioen. Verzoekster heeft de
wederpartij gevraagd het gewraakte verschil tussen het partnerpensioen en
het weduwen- c.q. weduwnaarspensioen te laten vervallen. Het pensioenfonds
reageerde daarop met de mededeling dat wijziging van het partnerpensioen
niet wordt overwogen.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster is van mening dat, gezien de zeggenschap van de
wederpartij over de pensioenregeling, zij als wederpartij moet worden
aangewezen. Zij heeft als pensioenfonds een eigen bestuur, en stelt zelf
de reglementen op.

3.3. De wederpartij stelt dat niet zij maar verzoeksters werkgever
aangesproken moet worden in het kader van de WGB. De werkgever is degene
die aan werknemers pensioentoezeggingen doet, en belast is met het
pensioenbeleid. De wederpartij is slechts verantwoordelijk voor de
uitvoering van het pensioenbeleid. Het feit dat voor bijvoorbeeld
wijziging van een pensioenregeling ook een instemmend bestuursbesluit van
de wederpartij nodig is, doet hier niet aan af. Goedkeuring door de
aangesloten ondernemingen is namelijk het eerste vereiste. Een situatie
waarin het bestuur van de wederpartij het niet eens is met een besluit van
de ondernemingen komt, zo gaf de wederpartij ter zitting aan, niet voor.
Er vindt namelijk altijd vooroverleg tussen de ondernemingen en haarzelf
plaats om een en ander af te stemmen.

Wanneer de Commissie in de onderhavige zaak oordeelt dat de wederpartij
in strijd met de WGB heeft gehandeld, dan zal intern een onderzoek
opgestart worden om te bekijken of wijziging van het pensioenreglement
noodzakelijk is. Ook daarbij zijn de aangesloten werkgevers dan betrokken.
De wederpartij zal niet eenzijdig besluiten om verzoekster extra rechten
toe te kennen.

3.4. Voor het overige beroept de wederpartij zich op het standpunt van
verzoeksters werkgever voor wat betreft de bevoegdheid van de Commissie,
zoals dit is verwoord in dossier 93-605A. Op het punt van de bevoegdheid
van de Commissie houdt dit standpunt het volgende in.

Allereerst wijst de werkgever van verzoekster op lid 7 van artikel
7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW). Dit artikellid bepaalt namelijk dat een
werkgever geen onderscheid mag maken tussen gehuwden en ongehuwden bij het
aangaan en de beeindiging van een arbeidsovereenkomst. In de onderhavige
kwestie zijn de arbeidsvoorwaarden aan de orde, reden waarom de Commissie
volgens de wederpartij niet bevoegd is een oordeel uit te spreken over de
voorgelegde kwestie.

Mocht de Commissie er van uitgaan dat het in casu om indirect onderscheid
op grond van geslacht gaat, dan blijkt volgens de werkgever uit de tekst
van artikel 7A:1637ij lid 1 BW, dat aanspraken en uitkeringen ingevolge
pensioenregelingen van de norm van gelijke behandeling zijn uitgezonderd.
Deze bepaling staat aan de bevoegdheid van de Commissie dus in de weg.

Dat verzoekster in haar verzoek nog vanwege een andere reden
niet-ontvankelijk moet worden geacht blijkt volgens wederpartij uit het
bepaalde in artikel 14 lid 2 WGB. Uit dit artikel blijkt namelijk dat een
verzoek kan worden ingediend door degene die meent dat in zijn of haar
nadeel onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling. In de onderhavige kwestie hebben de nadelige gevolgen geen
betrekking op verzoekster maar op haar partner, reden waarom verzoekster
niet-ontvankelijk moet worden geacht.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd handelt met de
wetgeving gelijke behandeling door aan ongehuwde werknemers een andere
nabestaandenregeling aan te bieden dan aan gehuwde werknemers.

4.2. Vooraleer aan beantwoording van deze vraag toe te komen, rijst de
vraag of de Commissie bevoegd is over het verzoek een oordeel uit te
spreken. Aan de orde is namelijk of de wederpartij in een pensioenregeling
onderscheid naar geslacht maakt. Een pensioenregeling wordt gerekend tot
de arbeidsvoorwaarden van werknemers. De wederpartij merkt terecht op dat
de WGB geen rechtstreeks verbod kent om in de arbeidsvoorwaarden
onderscheid te maken tussen gehuwden en ongehuwden. Lid 7 van artikel
7A:1637ij BW kent wel een dergelijk verbod voor onderscheid gemaakt bij
het aangaan en de beeindiging van een dienstbetrekking. Dit neemt evenwel
niet weg, zo stelt de Commissie vast, dat onderzocht kan worden of de
wederpartij door haar handelwijze indirect een onderscheid naar geslacht
maakt. Alsdan is lid 1 van artikel 7A:1637ij BW van toepassing.

Dit in artikel 7A:1637ij lid 1 BW neergelegde verbod om in de
arbeidsvoorwaarden onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen, is
gericht tot de werkgever. De WGB kent geen bepaling die de
aansprakelijkheid van andere personen of organen dan de werkgever vestigt,
wanneer het betreft de (uitvoering van) arbeidsvoorwaarden. Dit zou leiden
tot de conclusie dat de Commissie niet bevoegd is een oordeel uit te
spreken over de voorliggende vraag, en dat dus een pensioenfonds zoals de
wederpartij niet aangesproken kan worden op handelen in strijd met de WGB.

Hieraan doet niet af het feit dat uitvoeringswetgeving (Wijziging van het
Burgerlijk Wetboek en de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de
bovenwettelijke sociale zekerheid), Kamerstukken 20.890.) naar aanleiding
van de Vierde EG-richtlijn (Richtlijn 86/378/EEG, 24 juli 1986, inzake
gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriele
regelingen inzake sociale zekerheid, nr. L 225/40.) in de toekomst zal
leiden tot wijziging van de wetgeving gelijke behandeling in die zin, dat
ook anderen dan de werkgever aangesproken kunnen worden. Overigens had
deze wetgeving, gezien de termijn voor tenuitvoerlegging die de Vierde
richtlijn gaf, uiterlijk per 1 januari 1993 ingevoerd moeten zijn. Het
verstrijken van deze uitvoeringstermijn was voor de Commissie ook reden
om na 1 januari 1993, anders dan voorheen, zaken tegen pensioen- fondsen
niet langer kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren. De Commissie stelt
vast dat de uitvoeringswetgeving op dit moment nog niet in werking is
getreden. Dat leidt dan tot de conclusie dat de wetgeving gelijke
behandeling op dit moment geen bepaling kent op grond waarvan
pensioenfondsen kunnen worden aangesproken.

4.3. Dit zou anders zijn wanneer op grond van het -hogere- Europese
gemeenschapsrecht een andere interpretatie van bepalingen uit de WGB is
geboden. De Commissie overweegt hierover als volgt.

Zij stelt allereerst vast dat de wetgever met de vroegere en ook de
huidige wetgeving gelijke behandeling mede een volledige uitwerking heeft
willen geven aan artikel 119 EEG- Verdrag. Het EG-Hof is blijkens haar
overwegingen in onder andere de zaak Von Colson/Kamann d.d. 10 april 1984
van mening dat nationale rechters en anderen die met overheidsgezag zijn
bekleed gehouden zijn om binnen hun bevoegdheden de wetgeving gelijke
behandeling zoveel mogelijk uit te leggen en toe te passen in het licht
van de bewoordingen en objectieve doelstelling van artikel 119 EEG-Verdrag
en de EG-richtlijnen (Hof van Justitie der Europese gemeenschappen, Von
Colson en Kamann versus Deelstaat Nordrhein Westfalen, zaaknummer 14/83.
Jurisprudentie 1984, 1891. Zie ook Marleasing SA tegen La Comercial
Internacional de Alimentacion SA, arrest van 13 november 1990, zaaknummer
C-106/89.). Dit heeft ertoe geleid dat de Commissie de uitdrukkelijke
uitzondering voor aanspraken en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen
als gemaakt in artikel 7A:1637ij BW en artikel 7 lid 2 WGB interpreteert
in het licht van de jurisprudentie van het EG-Hof (Zie onder meer Hof van
Justitie der Europese Gemeenschappen, Barber versus Guardian Royal
Exchange Assurance Group, 17 mei 1990, zaaknummer C 262/88. Nemesis 1990,
nr. 116. En zaak Ten Oever versus Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het
Glazenwassers- en Schoonmaakbedrijf, 6 oktober 1993, zaaknummer 14/83.)
over het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag. Gelet op het bovenstaande
vat de Commissie deze uitzondering namelijk zo op, dat slechts die
pensioenkwesties terzake waarvan volgens het EG-Hof geen beroep op de
rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag kan worden gedaan van
de wettelijke norm van gelijke behandeling zijn uitgesloten. Het beroep
van de wederpartij op de onbevoegdheid van de Commissie dat is gebaseerd
op de uitzondering die artikel 7A:1637ij BW kent voor gelijke behandeling
in pensioenrechten, slaagt dan ook niet.

De genoemde opdracht tot verdrag- en richtlijnconforme uitleg kan naar het
oordeel van de Commissie evenwel niet leiden tot haar bevoegdheid om een
oordeel uit te spreken over de vraag of een pensioenfonds handelt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling. Anders dan hierboven waar
sprake was van verdragconforme interpretatie van het beloningsbegrip dat
zowel in artikel 119 EEG-Verdrag als de wetgeving gelijke behandeling
voorkomt, biedt de tekst van de Wet in het voorliggende geval voor een
verdragconforme interpretatie geen aanknopingspunt. De tekst van artikel
7A:1637ij BW noemt namelijk expliciet slechts de werkgever als aan te
spreken persoon. Pensioenfondsen, als juridisch zelfstandige
rechtspersonen met eigen bevoegdheden, kunnen niet worden gevat onder het
begrip werkgever. Het uitbreiden van de bevoegdheid ‘ratione materiae’ via
een verdragconforme interpretatie, is iets anders dan het uitbreiden van
de groep van door de wetgever aangewezen wederpartijen. Dat laatste gaat
de wettelijke bevoegdheid van de Commissie te zeer te buiten.

4.4. Bovenstaande neemt overigens niet weg dat pensioenfondsen mogelijk
in rechte aangesproken kunnen worden op handelen in strijd met artikel 119
EEG-Verdrag. Het is evenwel, anders dan verzoekster wellicht meent, niet
de taak van de Commissie om te beoordelen of wordt gehandeld in strijd met
artikel 119 EEG-Verdrag, aangezien het beoordelingskader van de Commissie
is beperkt tot de wetgeving gelijke behandeling. Dit heeft tot gevolg dat
de justitiabele voor de rechter wel, maar voor de Commissie geen
rechtstreeks beroep op artikel 119 EEG-Verdrag kan doen. Op dit moment
zijn bij het Hof van Justitie twee zaken aanhangig waarin de
aansprakelijkheid van pensioenfondsen in het kader van artikel 119
EEG-Verdrag aan de orde is (Fischer versus Voorhuis Hengelo B. V., zaak
C-128/93, Fischer versus Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de
Detailhandel, en Coloroll Pension Trustees LTD versus Russell, Mangham
e.a. zaak C- 200/91.). Nu de Commissie niet bevoegd is uitspraken te doen
louter over dit artikel, acht zij het evenwel niet zinvol met het
uitspreken van een oordeel te wachten op deze uitspraken van het Hof van
Justitie.

4.5. Gelet op het vorenstaande behoeft de Commissie niet nader in te gaan
op andere verweren van de kant van de wederpartij.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat zij niet bevoegd is in de
onderhavige zaak een oordeel uit te spreken, en dat mevrouw D.I. Hiel te
Amsterdam derhalve niet-ontvankelijk is in haar verzoek.

Aldus vastgesteld op 22 juni 1994 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 25 mei 1994.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis, dhr mr J.A.M.I. Hoens, dhr mr R.A.C.M.Langemeijer, mw mr G.L.M. Lenssen

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 22 juni 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Werkgever van verzoekster heeft een pensioenregeling voor zijn personeel
ondergebracht bij wederpartij, een pensioenfonds. Verzoekster kon niet
deelnemen aan deze pensioenregeling omdat zij minder dan de vereiste 16
uren per week werkte. De Commissie acht zich niet bevoegd een uitspraak
te doen in deze zaak. Het verbod in de WGB om onderscheid te maken in de
arbeidsvoorwaarden richt zich immers alleen tot de werkgever. Hieraan doet
niet af dat de uitvoeringswetgeving naar aanleiding van de vierde EG-
richtlijn in de toekomst zal leiden tot wijziging van de WGB in die zin,
dat dan ook anderen dan de werkgever aangesproken kunnen worden. De uit
het -hogere- Europese gemeeschapsrecht voortvloeiende opdracht aan de
Commissie tot verdrag- en richtlijnconforme interpretatie leidt evenmin
tot het nu reeds aannemen van de bevoegdheid van de Commissie.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 23 april 1993 verzocht mevrouw te Zeist (hierna: verzoekster) de
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of te Zeist (hierna: de wederpartij)
jegens haar in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster werkte in de periode 1986-1988 voor haar werkgever. Haar
werkgever had de pensioenregeling ondergebracht bij de wederpartij. Deze
pensioenregeling merkte alleen die werknemers als deelnemer aan, die
minimaal 40% van de normale werktijd werkten. Verzoekster voldeed niet aan
deze voorwaarde. Zij meent dat deze uitsluiting in strijd is met de
wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Daarbij is aangegeven dat de ontvankelijkheid van de
zaak voorwerp van onderzoek zou zijn. Partijen hebben de gelegenheid gehad
hun standpunten terzake naar voren te brengen. Verzoekster heeft, in een
andere procedure, eveneens haar voormalige werkgever als wederpartij
aangewezen.

2.2. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 25 mei 1994.
Partijen zijn er van tevoren van op de hoogte gesteld dat alleen de
bevoegdheid van de Commissie/de ontvankelijkheid van het verzoek aan de
orde zou komen. Partijen hebben van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.

Ter zitting waren aanwezig van de zijde van de Commissie: – mw mr C.H.S.
Evenhuis (Kamervoorzitter) – dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer) – dhr mr
J.A.M.I. Hoens (lid Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster heeft in de periode 1986-1988 gewerkt voor haar
werkgever. Daarna kwam zij in de WAO terecht. De arbeidsovereenkomst is
op 8 december 1989 beeindigd. Verzoeksters werkgever had de
pensioenregeling ondergebracht bij de wederpartij. Verzoekster kon niet
deelnemen aan deze pensioenregeling omdat zij niet voldeed aan de
voorwaarde dat de deelnemer minimaal 16 uur per week werkt. Verzoekster
werkte minder uren. Overigens is de voorwaarde betreffende de omvang van
het dienstverband met ingang van 1 januari 1991 geschrapt uit het
pensioenreglement.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt dat de wederpartij in een procedure bij de
Commissie aangesproken kan worden op handelen in strijd met de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168). Verzoekster
verwijst voor dit standpunt naar oordeel 143-91-15 (Oordeel van 3 april
1991.), waarin de Commissie, gelet op de verplichting tot
(EG)verdragconforme interpretatie, alleen die pensioen-kwesties uitsluit
van de WGB, die volgens jurisprudentie van het Hof van Justitie EG niet
onder het beloningsbegrip vallen. Verzoekster is van mening dat in de
onderhavige zaak eveneens getoetst moet worden aan de uitleg die het Hof
van Justitie geeft aan artikel 119 EEG-Verdrag.

Volgens verzoekster kan een pensioenfonds aangesproken worden op handelen
in strijd met artikel 119 EEG-Verdrag, omdat deze norm van toepassing moet
worden geacht op iedereen die is belast met de uitvoering van de beloning.
Krachtens artikel 2 van de Pensioen- en Spaarfondsenwet is de weder-partij
belast met het beheer en de uitvoering van de onderhavige
pensioenregeling.

3.3. De wederpartij stelt zich op het standpunt dat de Commissie in de
onderhavige zaak niet bevoegd is een oordeel uit te spreken. De Commissie
heeft namelijk als taak te oordelen over schendingen van de WGB, en niet
over de vraag of artikel 119 EEG-Verdrag geschonden is. De jurisprudentie
van de Commissie waarin zij zich beroept op verdragconforme interpretatie,
beperkt zich tot het loonbegrip in de WGB.

De wederpartij wijst ten slotte op twee zaken die op dit moment bij het
Hof van Justitie aanhangig zijn waarin de aansprakelijkheid van
pensioenfondsen in het kader van artikel 119 EEG-Verdrag aan de orde is
(Fischer versus Voorhuis Hengelo B.V., zaak C-128/93, Fischer versus
Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Detailhandel, en Coloroll Pension
Trustees LTD versus Russell, Mangham e.a., zaak C- 200/91.). Zij
suggereert de Commissie haar uitspraak op te schorten tot dat het Hof in
deze zaken uitspraak heeft gedaan.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd heeft gehandeld met
de wetgeving gelijke behandeling door verzoekster niet toe te laten tot
de geldende pensioenregeling.

4.2. Vooraleer aan beantwoording van deze vraag toe te komen, rijst de
vraag of de Commissie bevoegd is over het verzoek een oordeel uit te
spreken. Aan de orde is namelijk of de wederpartij in een pensioenregeling
onderscheid naar geslacht maakt. Een pensioenregeling wordt gerekend tot
de arbeids- voorwaarden van werknemers. Het in artikel 7A:1637ij lid 1
Burgerlijk Wetboek (BW) neergelegde verbod om in de arbeidsvoorwaarden
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen is gericht tot de werkgever.
De WGB kent geen bepaling die de aansprakelijkheid van andere personen of
organen dan de werkgever vestigt, wanneer het betreft de (uitvoering van)
arbeidsvoorwaarden. Dit zou leiden tot de conclusie dat de Commissie niet
bevoegd is een oordeel uit te spreken over de voorliggende vraag, en dat
dus een pensioenfonds, zoals de wederpartij, niet aangesproken kan worden
op handelen in strijd met de WGB.

Hieraan doet niet af het feit dat uitvoeringswetgeving(Wijziging van het
Burgerlijk Wetboek en de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de
bovenwettelijke sociale zekerheid), Kamerstukken 20.890.) naar aanleiding
van de Vierde EG-richtlijn (Richtlijn 86/378/EEG, 24 juli 1986, inzake
gelijke behan-deling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriele
regelingen inzake sociale zekerheid, nr. L 225/40.) in de toekomst zal
leiden tot wijziging van de wetgeving gelijke behandeling in die zin, dat
ook anderen dan de werkgever aangesproken kunnen worden. Overigens had
deze wetgeving, gezien de termijn voor tenuitvoerlegging die de Vierde
richtlijn gaf, uiterlijk per 1 januari 1993 ingevoerd moeten zijn. Het
verstrijken van deze uitvoeringstermijn was voor de Commissie ook reden
om na 1 januari 1993, anders dan voorheen, zaken tegen pensioenfondsen
niet langer kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren. De Commissie stelt
vast dat de uitvoeringswetgeving op dit moment nog niet in werking is
getreden. Dat leidt dan tot de conclusie dat de wetgeving gelijke
behandeling op dit moment geen bepaling kent op grond waarvan
pensioenfondsen kunnen worden aangesproken.

4.3. Verzoekster heeft zich voor haar standpunt dat het pensioenfonds wel
kan worden aangesproken in het kader van de huidige wetgeving gelijke
behandeling beroepen op het -hogere- Europese gemeenschapsrecht. De
Commissie zal dan ook onderzoeken of op grond hiervan een andere
interpretatie van bepalingen uit de WGB is geboden. Zij overweegt hierover
als volgt.

Zij stelt allereerst vast dat de wetgever met de vroegere en ook de
huidige wetgeving gelijke behandeling mede een volledige uitwerking heeft
willen geven aan artikel 119 EEG- Verdrag. Het EG-Hof is blijkens haar
overwegingen in onder andere de zaak Von Colson/Kamann d.d. 10 april 1984
van mening dat nationale rechters en anderen die met overheidsgezag zijn
bekleed gehouden zijn om binnen hun bevoegdheden de wetgeving gelijke
behandeling zoveel mogelijk uit te leggen en toe te passen in het licht
van de bewoordingen en objectieve doelstelling van artikel 119 EEG-Verdrag
en de EG-richtlijnen (Hof van Justitie der Europese gemeenschappen, Von
Colson en Kamann versus Deelstaat Nordrhein Westfalen, zaaknummer 14/83.
Jurisprudentie 1984, 1891. Zie ook Marleasing SA tegen La Comercial
Internacional de Alimentacion SA, arrest van 13 november 1990, zaaknummer
C-106/89.). Dit heeft ertoe geleid dat de Commissie, zoals verzoekster ook
aangaf, de uitdrukkelijke uitzondering voor aanspraken en uitkeringen
ingevolge pensioenregelingen als gemaakt in artikel 7A:1637ij BW en
artikel 7 lid 2 WGB interpreteert in het licht van de jurisprudentie van
het EG-Hof (Zie onder meer het Hof van Justitie der Europese
Gemeenschappen, Barber versus Guardian Royal Exchange Assurance Group,
zaaknummer C 262/88, 17 mei 1990. Nemesis 1990, nr. 116. En zaak Ten Oever
versus Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Glazenwassers- en
Schoonmaakbedrijf, 6 oktober 1993, zaaknummer 14/83.) over het loonbegrip
van artikel 119 EEG-Verdrag. Gelet op het bovenstaande vat de Commissie
deze uitzondering namelijk zo op, dat slechts die pensioenkwesties terzake
waarvan volgens het EG-Hof geen beroep op de rechtstreekse werking van
artikel 119 EEG-Verdrag kan worden gedaan van de wettelijke norm van
gelijke behandeling zijn uitgesloten.

De genoemde opdracht tot verdrag- en richtlijnconforme uitleg kan naar het
oordeel van de Commissie evenwel niet leiden tot haar bevoegdheid om een
oordeel uit te spreken over de vraag of een pensioenfonds handelt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling. Anders dan hierboven waar
sprake was van verdragconforme interpretatie van het beloningsbegrip dat
zowel in artikel 119 EEG-Verdrag als de wetgeving gelijke behandeling
voorkomt, biedt de tekst van de Wet in het voorliggende geval voor een
verdragconforme interpretatie geen aanknopingspunt. De tekst van artikel
7A:1637ij BW noemt namelijk expliciet slechts de werkgever als aan te
spreken persoon. Pensioenfondsen, als juridisch zelfstandige
rechtspersonen met eigen bevoegdheden, kunnen, niet worden gevat onder het
begrip werkgever. Het uitbreiden van de bevoegdheid ‘ratione materiae’ via
een verdragconforme interpretatie, is iets anders dan het uitbreiden van
de groep van door de wetgever aangewezen wederpartijen. Dat laatste gaat
de wettelijke bevoegdheid van de Commissie te zeer te buiten.

4.4. Bovenstaande neemt overigens niet weg dat pensioenfondsen mogelijk
in rechte aangesproken kunnen worden op handelen in strijd met artikel 119
EEG-Verdrag. Het is evenwel, anders dan verzoekster wellicht meent, niet
de taak van de Commissie om te beoordelen of wordt gehandeld in strijd met
artikel 119 EEG-Verdrag, aangezien het beoordelingskader van de Commissie
is beperkt tot de wetgeving gelijke behandeling. Dit heeft tot gevolg dat
de justitiabele voor de rechter wel, maar voor de Commissie geen
rechtstreeks beroep op artikel 119 EEG-Verdrag kan doen. De te verwachten
uitspraken van het Hof van Justitie over de aansprakelijkheid van
pensioenfondsen waar naar wordt verwezen, behelzen de aansprakelijkheid
in het kader van artikel 119 EEG-Verdrag. Nu de Commissie niet bevoegd is
uitspraken te doen louter over dit artikel, acht zij het ook niet zinvol
met het uitspreken van een oordeel te wachten op deze uitspraken van het
Hof van Justitie.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat zij niet bevoegd is in de
onderhavige zaak een oordeel uit te spreken, en dat mevrouw R.M. Zeijlmans
van Emmichoven-Czopp te Zeist derhalve niet-ontvankelijk is in haar
verzoek.

Aldus vastgesteld op 22 juni 1994 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 25 mei 1994.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis, dhr mr A.W. Heringa, dhr mr J.A.M.I. Hoens,mw mr G.L.M. Lenssen

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 21 juni 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Werkgever van verzoekster heeft een nabestaandenpensioenregeling
ondergebracht bij een pensioenfonds. Bij vrijwillig ontslag vervalt voor
de ongehuwde deelnemer het recht op partnerpensioen, de gehuwde deelnemer
heeft in die situatie recht op een premievrije uitkering. De Commissie
acht zich bevoegd uitspraak te doen over de onderhavige pensioenregeling.
Verweer van wederpartij dat verzoekster geen beroep kan doen op de WGB
omdat niet zij maar haar partner benadeeld wordt, terzijde gesteld met een
beroep op jurisprudentie van het Hof van Justitie. De Commissie toetst of
sprake is van indirect onderscheid naar geslacht. Onderscheid op grond van
huwelijkse staat in de arbeidsvoorwaarden wordt niet bestreken door de
WGB. Een vermoeden van indirect onderscheid is evenwel niet aanwezig
aangezien niet in overwegende mate mannen of vrouwen worden getroffen.
Geen stijd met de Wet. NB. Samenhang met oordeel 605B-94-57

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 25 mei 1993 verzocht mevrouw te Amsterdam (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de
te Amsterdam (hierna: de wederpartij) in de
pensioenregeling indirect onderscheid maakt naar geslacht in strijd met
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. De wederpartij heeft een regeling voor nabestaandenpensioen voor
ongehuwde, samenwonende werknemers. Verzoekster woont ongehuwd samen en
stelt dat de rechten voortvloeiend uit dit pensioen, niet gelijkwaardig
zijn aan die voortvloeiend uit het weduwen/weduwnaarspensioen voor gehuwde
werknemers. Zij is van mening dat de wederpartij hiermee onderscheid maakt
naar geslacht in strijd met de WGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder enkele malen de gelegenheid
gehad hun standpunten toe te lichten.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen te verschijnen
tijdens een zitting op 25 mei 1994. De behandeling van deze zaak ter
zitting is gevoegd met die van dossier 93- 605B. In die zaak vraagt
verzoekster om een oordeel over de handelwijze van het betrokken
pensioenfonds (oordeelnummer 605B-94-57). Verzoekster heeft van de
uitnodiging voor de zitting geen gebruik gemaakt.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de zijde van de wederpartij: – dhr (Centrale Staf
Personeel en Organisatie)

van de zijde van de wederpartij in dossier 93-605B: – mw
(stafsecretaris)

– mw (toehoorder)

van de zijde van de Commissie: – mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)
– dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer) – dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid
Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij kent een pensioenregeling voor haar personeel, die is
ondergebracht bij een pensioenfonds. Het reglement van dit pensioenfonds
bepaalt dat aan de pensioenregeling kunnen deelnemen de werknemers van de
aangesloten ondernemingen (artikel 1 reglement).

Artikel 3 Reglement bepaalt dat het deelnemerschap recht geeft op onder
meer: – weduwen- c.q. weduwnaarspensioen ten behoeve van de (eventueel
gewezen) wettige echtgeno(o)t(e) van de deelnemer of de gewezen deelnemer;
– partnerpensioen ten behoeve van de ongehuwde partner van een ongehuwde
deelnemer of gepensioneerde deelnemer.

Over het weduwen/weduwnaarspensioen bepaalt artikel 9 onder meer: 1. Het
weduwen- c.q. weduwnaarspensioen gaat in op de dag van overlijden van de
deelnemer of gewezen deelnemer en wordt uitgekeerd tot en met de maand van
overlijden van de weduwe c.q. weduwnaar.

Over het partnerpensioen, dat in 1988 is ingevoerd, bepaalt artikel 12
onder meer: 1. Het partnerpensioen gaat in op de dag van overlijden van
de deelnemer of de gepensioneerde deelnemer en wordt uitgekeerd tot en met
de maand van overlijden van de partner. 2. Aanspraak op partnerpensioen
ontstaat als aan de volgende voorwaarden is voldaan: – het partnerschap
dient door de deelnemer schriftelijk bij het bestuur te worden aangemeld:
– bij de aanmelding dient een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst
te worden overgelegd, waaruit ten genoege van het bestuur de
onderhoudsverplichting van de deelnemer jegens zijn partner blijkt: –
de deelnemer dient ten genoegen van het bestuur aan te tonen, dat de
gezamenlijke huishouding op de datum van aanmelding tenminste twee jaren
onafgebroken heeft geduurd: – bij de aanmelding dient een uittreksel uit
het bevolkingsregister te worden overgelegd, waaruit blijkt, dat de
deelnemer en zijn partner op het zelfde adres woonachtig zijn. Na
ontbinding van het partnerschap anders dan door overlijden van de
deelnemer vervalt de aanspraak op partnerpensioen.

Artikel 1 definieert de partner als: ‘de ongehuwde persoon, niet zijnde
een bloed- of aanverwant in rechte lijn, met wie de ongehuwde deelnemer
een gezamenlijke huishouding voert.’

3.2. Over het deelnemerschap is het volgende bepaald.

Artikel 2 lid 8 bepaalt dat het deelnemerschap in beginsel eindigt op het
tijdstip van eindiging van het dienstverband tussen deelnemer en
onderneming zonder dat dit gevolgd wordt door een dienstverband met een
der andere ondernemingen doch uiterlijk op de pensioendatum (artikel 2 lid
8 reglement).

Lid 10 voegt daaraan toe dat het deelnemerschap niet eindigt wanneer
iemand in de VUT gaat; het deelnemerschap eindigt dan op de pensioendatum.
En artikel 13 reglement bepaalt dat de pensioenopbouw van
pensioenaanspraken wordt voortgezet bij arbeidsongeschiktheid, vrijwillig
vervroegd uittreden, of onvrijwillig ontslag.

Artikel 25 regelt de gevolgen van het einde van het deelnemerschap. Lid
3 bepaalt ‘Indien de deelnemer bij de eindiging van het deelnemerschap een
jaar of langer deelnemer is geweest ( …) zal aan de gewezen deelnemer
worden toegekend premievrij ouderdomspensioen, premievrij
ongehuwdenpensioen, premievrij toeslag- pensioen, premievrij weduwen- c.q.
weduwnaarspensioen ten behoeve van de echtgeno(o)t(e) met wie de deelnemer
op dat moment gehuwd is alsmede premievrij wezenpensioen ten behoeve van
de kinderen die op dat moment aanwezig zijn. Bij eindiging van het
deelnemerschap vervalt de aanspraak op partnerpensioen.’

3.3. Zowel het jaarlijkse weduwen/weduwnaarspensioen als het jaarlijkse
partnerpensioen bedraagt 75% van het ouderdomspensioen. Het jaarlijkse
ouderdomspensioen bedraagt per deelnemersjaar een percentage van de
pensioengrondslag (artikel 6 reglement).

Uit de Statuten van het pensioenfonds kan worden afgeleid dat de middelen
en inkomsten van het pensioenfonds onder meer bestaan uit bijdragen van
de aangesloten ondernemingen en bijdragen van deelnemers in de vorm van
premiebetalingen. Het weduwen/weduwnaarspensioen wordt gedeeltelijk op
basis van risicodekking en gedeeltelijk op basis van kapitaaldekking
gefinancierd. Het partnerpensioen wordt gefinancierd op basis van
risicodekking. Bij financiering op basis van risicodekking hoeft het
pensioenfonds geen reservekapitaal aan te houden. Dit zag het
pensioenfonds als een voordeel bij de invoering van het partnerpensioen,
omdat toen onduidelijk was hoeveel werknemers voor een dergelijk pensioen
zouden kiezen. Het pensioenfonds hoefde zich door de keuze voor
financiering op basis van risico-dekking niet te buigen over de vraag naar
de omvang van een aan te houden reserve- kapitaal.

Bij de evaluatie van de invoering van het partnerpensioen, zal ook de
keuze voor de financieringswijze onder de loep worden genomen.

3.6. Verzoekster is op 1 februari 1989 bij de wederpartij in dienst
getreden. Zij klaagt over het uit bovenstaande bepalingen blijkende
verschil dat wordt gemaakt tussen het weduwen/weduwnaarspensioen en het
partnerpensioen. Bij vrijwillig ontslag van een deelnemer namelijk vervalt
het recht op partnerpensioen, terwijl in het weduwen/weduwnaarspensioen
een recht op premievrije uitkering bestaat. Verzoekster woont ongehuwd
samen met haar partner. Haar verzoek van oktober 1992 aan het
pensioenfonds om haar partner als partner in de zin van het
partnerpensioen aan te merken, is in diezelfde maand gehonoreerd.
Verzoekster heeft ook gevraagd het gewraakte verschil tussen het partner-
pensioen en het weduwen- c.q. weduwnaarspensioen te laten vervallen. Het
pensioenfonds reageerde daarop met de mededeling dat wijziging van het
partnerpensioen niet wordt overwogen.

3.5. Op 31 maart 1994 waren bij de wederpartij 12.042 mannen en 8.217
vrouwen in dienst. 3.319 mannen en 3.672 vrouwen waren ongehuwd en 8.723
mannen en 4.545 vrouwen waren gehuwd. Ongehuwd samenwonend waren toen 517
mannen en 592 vrouwen. Onbekend is welke ongehuwd samenwonenden langer dan
twee jaar samenwonen en/of een samenlevingscontract hebben. Wel bekend is
dat 142 mannen en 70 vrouwen hun partner hebben aangemeld voor het
partnerschap in het kader van de nabestaanden- pensioenregeling.

De wederpartij kon geen cijfers overleggen over de mate waarin mannelijk
en vrouwelijk (on)gehuwd personeel vrijwillig ontslag neemt.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoekster is van mening dat de wederpartij onderscheid maakt tussen
gehuwden en ongehuwden in strijd met de WGB, door de rechten voortvloeiend
uit het partnerpensioen niet gelijk te stellen met die voortvloeiend uit
weduwen/weduwnaarspensioen. Zij acht met name het feit dat bij vrijwillig
ontslag haar rechten op partnerpensioen vervallen, terwijl de rechten op
nabestaandenpensioen voor gehuwden in die situatie behouden blijven,
discriminerend.

3.7. Wederpartij beroept zich in de eerste plaats op het ontbreken van de
bevoegdheid van de Commissie uitspraak te doen in de onderhavige kwestie,
dan wel de niet- ontvankelijkheid van het verzoek.

Voor haar stelling dat de Commissie niet bevoegd zou zijn, voert de
wederpartij het volgende aan.

Allereerst wijst zij op lid 7 van artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek
(BW). Dit artikellid bepaalt dat een werkgever geen onderscheid mag maken
tussen gehuwden en ongehuwden bij het aangaan en de beeindiging van een
arbeidsovereenkomst. In casu gaat het om onderscheid in de
arbeidsvoorwaarden, dat niet wordt getroffen door het verbod in lid 7.
Derhalve is de Commissie volgens de wederpartij niet bevoegd een oordeel
uit te spreken over de voorgelegde kwestie.

Mocht de Commissie er van uitgaan dat het in casu om indirect onderscheid
op grond van geslacht gaat, dan blijkt volgens wederpartij uit de tekst
van artikel 7A:1637ij lid 1 BW, dat aanspraken en uitkeringen ingevolge
pensioenregelingen van de norm van gelijke behandeling zijn uitgezonderd.
Deze bepaling staat aan de bevoegdheid van de Commissie dus in de weg.

Dat verzoekster in haar verzoek nog om een andere reden niet- ontvankelijk
moet worden geacht, blijkt volgens wederpartij uit het bepaalde in artikel
14 lid 2 WGB. Uit dit artikel blijkt namelijk dat een verzoek kan worden
ingediend door degene die meent dat in zijn of haar nadeel onderscheid is
of wordt gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling. In deze
kwestie hebben de nadelige gevolgen geen betrekking op verzoekster maar
op haar partner, reden waarom verzoekster niet-ontvankelijk moet worden
geacht.

3.8. Voor het geval de Commissie toch een oordeel zal uitspreken over de
vraag of in de nabestaandenpensioenregeling indirect onderscheid naar
geslacht wordt gemaakt, luidt het standpunt van de wederpartij als volgt.

Zij heeft niet de indruk dat personen van een geslacht onevenredig worden
getroffen door de verschillen tussen partnerpensioen en weduwen- c.q.
weduwnaarspensioen. De wederpartij erkent wel dat de
nabestaandenpensioenregelingen voor gehuwden en ongehuwden inhoudelijk op
een aantal punten van elkaar verschillen. Het door verzoekster aangevoerde
verschil is er daar een van. Voor deze verschillen is volgens wederpartij
een gerechtvaardigde verklaring aanwezig.

Toen het partnerpensioen in 1988 werd ingevoerd betrof het een nagenoeg
nieuw fenomeen. Een definitie van het begrip partner bestond toen niet en
bestaat ook nu nog niet. Verder kleven er ook praktische problemen aan de
gelijkstelling van het partnerpensioen met het weduwen- en
weduwnaarspensioen. In tegenstelling tot het huwelijk vindt geen
registratie plaats van een partnerschap, en is het ook mogelijk meerdere
partnerschappen aan te gaan. De wederpartij kan de informatie die
werknemers over het partnerschap opgeven, niet verifieren bij een
instantie en verwacht dat dit probleem nog meer zal spelen bij
ex-werknemers. Gemelde echtscheidingen controleert zij bij de burgerlijke
stand. Wederpartij wijst in dit verband op de behandeling van het voorstel
voor een Algemene Nabestaandenwet door de Eerste Kamer, dat onder meer is
gestrand op de definiering van het begrip partner en de mogelijkheden tot
controle.

3.9. Verder wijst de wederpartij er op dat het partnerpensioen nog niet
onder de beschermende regeling van de Pensioen- en Spaarfondsenwet valt,
wat wel geldt voor het nabestaandenpensioen van gehuwden. Zo verplicht
deze wet ertoe bij ontbinding van een huwelijk aan de gewezen
echtgeno()ot(e) premievrije rechten toe te kennen. Noch in deze wet noch
in andere wetgeving is sprake van een zelfde regeling voor ongehuwden. Het
zou volgens wederpartij niet terecht zijn haar tot een gelijke behandeling
te dwingen, nu de wetgeving op dit punt nog ontbreekt.

Wederpartij voegde hier wel aan toe dat het partnerpensioen in de toekomst
wel onder de Pensioen- en Spaarfondsenwet (Kamerstukken nummer 23.123.)
wordt gebracht. De bescherming van het partnerpensioen zal evenwel
inhoudelijk niet dezelfde zijn als die van het weduwen- en
weduwnaarspensioen. De verplichting tot uitkering van premievrije rechten
bijvoorbeeld, geldt alleen voor uitkeringen die op basis van
kapitaaldekking worden gefinancierd, en dus niet voor het partnerpensioen
dat op basis van risicodekking wordt gefinancierd. Ook uit het wetsontwerp
van de regering betreffende de verevening pensioenrechten (Kamerstukken
nummer 21.893.) blijkt dat de regering geen volledige gelijkstelling van
ontbindingen van huwelijken en partnerschappen nastreeft.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster in strijd
handelt met de wetgeving gelijke behandeling door bij vrijwillig ontslag
aan gehuwden een premievrij weduwen- c.q. weduwnaarspensioen uit te keren,
en dit recht niet te verbinden aan het nabestaandenpensioen voor ongehuwd
samenwonenden.

4.2. De wederpartij heeft allereerst de bevoegdheid van de Commissie om
een oordeel uit te spreken, alsook de ontvankelijkheid van het verzoek
aangevochten. Daarover overweegt de Commissie als volgt.

Aan de orde is de vraag of de wederpartij in een pensioenregeling
onderscheid naar geslacht maakt. Een pensioenregeling wordt gerekend tot
de arbeidsvoorwaarden van werknemers. De wederpartij merkt terecht op dat
de WGB geen rechtstreeks verbod kent om in de arbeidsvoorwaarden
onderscheid te maken tussen gehuwden en ongehuwden. Lid 7 van artikel
7A:1637ij BW kent wel een dergelijk verbod voor onderscheid, gemaakt bij
het aangaan en de beeindiging van een dienstbetrekking. Dit neemt evenwel
niet weg, zo stelt de Commissie vast, dat onderzocht kan worden of de
wederpartij door haar handelwijze indirect een onderscheid naar geslacht
maakt. Alsdan is lid 1 van artikel 7A:1637ij BW van toepassing.

4.3. Artikel 7A:1637ij lid 1 BW verbiedt een werkgever om in de
arbeidsvoorwaarden onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen. Zoals
de wederpartij al aangaf, zijn van dit verbod uitgezonderd de aanspraken
en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen. Het volgende is evenwel van
belang.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met de eerdere Wet gelijk
loon voor vrouwen en mannen (Stb. 1975, 129) en voorts met artikel
7A:1637ij BW en de artikelen 7 en verder van de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168) mede een volledige uitwerking
heeft willen geven aan artikel 119 EEG-Verdrag. Het EG-Hof is blijkens
haar overwegingen in onder andere de zaak Von Colson/Kamann d.d. 10 april
1984 van mening dat nationale rechters en anderen die met overheidsgezag
zijn bekleed, gehouden zijn om binnen hun bevoegdheden de wetgeving
gelijke behandeling zoveel mogelijk uit te leggen en toe te passen in het
licht van de bewoordingen en objectieve doelstelling van artikel 119
EEG-Verdrag en de EG-richtlijnen (Hof van Justitie der Europese
gemeenschappen, Von Colson en Kamann versus Deelstaat Nordrhein Westfalen,
Jurisprudentie 1984, 1891, zaaknummer 14/83. Zie ook Marleasing SA versus
La Comercial Internacional de Alimentacion SA, 13-11-1990, zaaknummer
C-106/89.). Dit leidt er naar de mening van de Commissie toe dat de
uitdrukkelijke uitzondering voor aanspraken en uitkeringen ingevolge
pensioenregelingen als gemaakt in artikel 7A:1637ij BW en artikel 7 lid
2 WGB moet worden geinterpreteerd in het licht van de jurisprudentie van
het EG-Hof (Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Ten Oever versus
Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Glazenwassers- en
Schoonmaakbedrijf, 6 oktober 1993, zaaknummer 14/83. In deze zaak was
eveneens een nabestaandenpensioenregeling in geding. Zie ook de zaak
Barber versus Guardian Royal Exchange Assurance Group, 17 mei 1990,
zaaknummer C-262/88 Nemesis 1990, nr. 116.) over het loonbegrip van
artikel 119 EEG- Verdrag. Gelet op het bovenstaande vat de Commissie deze
uitzondering namelijk zo op, dat slechts die pensioenkwesties terzake
waarvan volgens het EG-Hof geen beroep op de rechtstreekse werking van
artikel 119 EEG-Verdrag kan worden gedaan van de wettelijke norm van
gelijke behandeling zijn uitgesloten.

Op grond van het bovenstaande acht de Commissie zich in ieder geval
bevoegd om te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de bestreden
pensioenregeling valt binnen het begrip loon, en derhalve binnen de
werkingssfeer van de wetgeving gelijke behandeling.

4.4. Ten aanzien van de onderhavige pensioenregeling overweegt de
Commissie als volgt.

In zowel het Barber-arrest als het arrest Ten Oever stelt het EG-Hof, dat
een pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag valt
indien deze het resultaat is van overeenstemming tussen werknemers of
werkgevers of een eenzijdige beslissing van de werkgever vormt. Voorts
moet het gaan om een regeling die geheel gefinancierd wordt door de
werkgever of door werkgever en werknemers gezamenlijk, zonder dat sprake
is van enige bijdrage van de overheid. De Commissie stelt vast dat de
onderhavige pensioenregeling aan deze eisen voldoet.

Verder gaat het Hof in beide arresten nader in op de vraag in welke
gevallen pensioenregelingen voor werknemers geacht moeten worden onder de
werkingssfeer van artikel 119 EEG- Verdrag te vallen. Daarvan is onder
meer sprake indien de regeling alleen van toepassing is op werknemers van
bepaalde bedrijven of instellingen, zodat gebondenheid aan de regeling
noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de dienstbetrekking met de betrokken
werkgever.

De Commissie stelt vast dat de onderhavige pensioenregeling geen
betrekking heeft op algemene categorieen van werknemers, maar slechts op
werknemers van het bedrijf van wederpartij.

Op grond van het bovenstaande concludeert de Commissie dat de onderhavige
pensioenregeling begrepen moet worden onder artikel 119 EEG-Verdrag, en
dat de wederpartij in deze derhalve gehouden is aan het beginsel van
gelijke beloning. Het beroep van de wederpartij op de onbevoegdheid van
de Commissie, dat is gebaseerd op de uitzondering die artikel 7A:1637ij
BW kent voor gelijke behandeling in pensioenrechten, slaagt dan ook niet.

4.5. Ten slotte het verweer van de wederpartij dat verzoekster
niet-ontvankelijk geacht moet worden omdat niet zijzelf maar haar partner
degene is die nadeel ondervindt van het gemaakte onderscheid.

De Commissie stelt op dit punt vast dat het recht op nabestaandenpensioen
onlosmakelijk verbonden is met het dienstverband van verzoekster en deel
uitmaakt van haar eigen arbeidsvoorwaarden. De dienstbetrekking tussen
verzoekster en haar werkgever is bepalend voor het recht op, de inhoud van
en de beeindiging van de rechten op een nabestaandenpensioen. Dat de
uitkering feitelijk aan een ander wordt uitgekeerd, doet daar niet aan af.
Een eventueel in strijd met de WGB gemaakt onderscheid regardeert
verzoekster, wat betekent dat verzoekster daarover in het kader van de WGB
kan klagen. De Commissie vindt voor dit standpunt steun in de
jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG. In de zaak Ten Oever
(zie noot 4) was eveneens een nabestaandenpensioen aan de orde, en
onderzocht het Hof of het nabestaanden- pensioen onder het beloningsbegrip
van artikel 119 EEG-Verdrag valt. Het Hof stelde eerst vast dat voor de
beantwoording van deze vraag niet relevant is het feit dat bepaalde
uitkeringen na beeindiging van de dienstbetrekking worden betaald
(rechtsoverweging 8). Vervolgens overweegt het Hof in rechtsoverweging 13
‘Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door de omstandigheid, dat een
overlevingspensioen per definitie niet aan de werknemer, doch aan diens
nabestaande wordt betaald. Het recht op een dergelijke uitkering is immers
een voordeel dat voortvloeit uit de aansluiting van de echtgenoot van de
nabestaande bij de regeling, zodat het recht op pensioen door de
nabestaande wordt verworven in het kader van de arbeidsverhouding tussen
werkgever en de echtgenoot en het pensioen hem wordt betaald uit hoofde
van de dienstbetrekking van de echtgenoot.’

De Commissie oordeelt dan ook op dit punt dat het beroep van de
wederpartij op de niet-ontvankelijkheid van het verzoek wegens het
ontbreken van nadeel bij verzoekster, niet kan slagen.

4.6. Dan is vervolgens de vraag aan de orde of de wederpartij jegens
verzoekster in strijd handelt met artikel 7A:1637ij lid 1 BW. Onderzocht
moet dan worden of de wederpartij door het maken van onderscheid tussen
gehuwden en ongehuwden een indirect onderscheid naar geslacht maakt. Het
vijfde lid van artikel 7A:1637ij BW geeft aan wat in dit verband onder
indirect onderscheid wordt verstaan: onderscheid op grond van andere
hoedanigheden dan het geslacht, dat onderscheid op grond van geslacht tot
gevolg heeft, tenzij dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is.

Gehuwden ontvangen bij vrijwillig ontslag een premievrij
weduwen/weduwnaarspensioen; dit recht is niet verbonden aan het
nabestaandenpensioen voor ongehuwd samenwonenden. Er is aldus sprake van
een nadelig effect voor ongehuwde deelnemers aan de
nabestaandenpensioenregeling.

Vervolgens moet worden vastgesteld of deze regeling in overwegende mate
personen van een geslacht treft, en of er derhalve een vermoeden van
indirect onderscheid op grond van geslacht ontstaat. De Commissie hanteert
daarbij relatieve cijfers, aangezien daardoor rekening wordt gehouden met
het aandeel dat mannen respectievelijk vrouwen hebben in het
personeelsbestand. Bij een bestand waarin mannen en vrouwen niet een
ongeveer gelijk aandeel hebben, zouden absolute aantallen een vertekend
beeld kunnen geven (Een voorbeeld: een onderneming waarin 10 vrouwen
werken en 1.000 mannen. Van de vrouwen zijn er 9 ongehuwd, van de mannen
ook. Stel dat een bepaalde regeling nadeliger is voor ongehuwden dan
gehuwden. Indien men alleen kijkt naar de aantallen (dus de absolute
getallen) werkt onderscheid ten nadele van ongehuwden gelijk uit naar
geslacht; er zijn immers 9 vrouwen en 9 mannen die benadeeld worden. Toch
zal duidelijk zijn dat met name de vrouwen nadelig getroffen worden:
immers 9 van de 10 vrouwen tegenover 9 van de 1.000 mannen worden nadelig
getroffen.).

Uit het overzicht dat wederpartij heeft gegeven van het personeelsbestand
kan worden afgeleid dat voor 8.865 mannen (8.723 gehuwde en 142 ongehuwde
mannen) en voor 4.615 vrouwen (4.545 gehuwde en 70 ongehuwde vrouwen) eind
maart 1994 een aanspraak op een nabestaandenpensioen was verzekerd.

Van die 8.865 mannen hebben er 142 (namelijk de ongehuwde deelnemers) bij
vrijwillig ontslag geen recht op een premievrije aanspraak. Dat is
(142/8.865 x 100%) 1,6%. Van de 4.615 vrouwen hebben er 70 (namelijk de
ongehuwde deelneemsters) bij vrijwillig ontslag geen recht op een
premievrije aanspraak. Dat is 1,5%.

Uit deze cijfers blijkt geen duidelijk nadelig effect voor een van beide
geslachten. Dat de (vrijwillig) ontslagfrequentie van de betrokken
mannelijke en vrouwelijke deelnemers wellicht verschilt -cijfers daarover
zijn niet beschikbaar- acht de Commissie gegeven de geringe absolute
aantallen mannen en vrouwen met recht op een nabestaanden- pensioen, niet
relevant. De Commissie concludeert dan ook dat de wederpartij geen
indirect onderscheid naar geslacht maakt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Internationale
Nederlanden Bank te Amsterdam geen indirect onderscheid naar geslacht, in
strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek, maakt jegens mevrouw
te Amsterdam.

Aldus vastgesteld op 21 juni 1994 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 25 mei 1994.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis, dhr mr A.W. Heringa, dhr mr R.A.C.M.Langemeijer, mw mr G.L.M. Lenssen

Instantie: Kantonrechter Leeuwarden, 20 juni 1994

Instantie

Kantonrechter Leeuwarden

Samenvatting


H was sedert 1970 bij Wiersma’s rechtsvoorganger in dienst. Nadat deze in
1992 de zaak heeft overgenomen zijn de arbeidsverhoudingen verstoord. Wiersma
c.s. hebben hun stellingen geheel niet onderbouwd. Het ter zitting gedane
aanbod om de meegekomen twee collegae van H als getuige te doen horen, acht
de kantonrechter tardief. Nu vaststaat dat de arbeidsverhouding onherstelbaar
is verstoord, is ontbinding op zijn plaats. Daarbij komt aan werknemer,
behalve een vergoeding van ƒ 100.000 voor materiële schade en een vergoeding
van ƒ 10.000 aan immateriële schade toe, omdat de werkgever de werknemer
heeft bestookt met niet gefundeerde maar wel zeer grievende beschuldigingen,
waarbij de beschuldiging van seksuele intimidatie er slechts één van de acht
was. Ook heeft zij hem de werkhervattingen na zijn arbeidsongeschiktheid
onmogelijk gemaakt.
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een materiële schadevergoeding van
ƒ 100.000 en een immateriële schadevergoeding van ƒ 10.000 aan de werknemer.

Volledige tekst

(…)
Overwegingen

2. Motivering

2.1. W exploiteert een planten- en tuincentrum te H.
2.2. H, die is geboren op 26 mei 1953, is op 10 augustus 1970 voor onbepaalde
tijd voor de volledige werkweek in dienst getreden van de rechtsvoorganger
van W. W heeft het planten- en tuincentrum op 24 februari 1992 van deze
rechtsvoorganger overgenomen, waardoor H bij W in dienst is gekomen. H heeft
de functie van bedrijfsleider. Zijn loon bedraagt ƒ 3.480,60 bruto per maand.
2.3. Naast de beide vennoten van de vennootschap onder firma en H werken in
het bedrijf twee werkneemsters.
2.4. H is op 10 februari 1993 wegens ziekte uitgevallen van zijn werk. Vanaf
oktober 1993 heeft hij het werk geleidelijk hervat. Vanaf 15 maart 1994 is
hij weer volledig arbeidsgeschikt voor het verrichten van zijn werk. Met
ingang van deze datum is hij op non-actief gesteld.
2.5. Aan zijn verzoek heeft W ten grondslag gelegd dat sprake is van een
verandering in de omstandigheden, die een gewichtige reden oplevert. De
verandering in de omstandigheden is naar het oordeel van W gelegen in slechte
samenwerking tussen H enerzijds en de beide vennoten en de twee werkneemsters
anderzijds, in een weinig coöperatieve opstelling van H, in
handtastelijkheden van H tegenover de twee werkneemsters, in een weigering
van H zogenoemd bloemwerk te verrichten, in onnodig lang praten van H met
klanten en vertegenwoordigers, in het bewerkstelligen dat een goede klant van
W, N T te N, niet langer zaken met W wenste te doen, in het zwart maken van
zijn collegae bij klanten en in zijn slechte financiële positie. Ten bewijze
van laatstgenoemde verandering in de omstandigheden heeft de gemachtigde van
W ter zitting stukken in het geding gebracht, die zijn opgesteld door een
accountant-administratieconsulent.
2.6. H heeft de stellingen van W gemotiveerd weersproken. Hij heeft bij
verweerschrift onder meer overlegd een verklaring van de rechtsvoorganger van
W, een rapport van 8 maart 1994 van de arbeidsdeskundige mevrouw R van de
Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) en een verklaring van het hoofd
tuindienst van N T. Kort voor de zitting heeft H drie verklaringen van
vrouwelijke ex-collegae in het geding gebracht.
2.7. Hoewel (de gemachtigde van) H niet de gelegenheid heeft gehad de pas ter
zitting overgelegde stukken ten aanzien van de financiële positie van W
grondig te bestuderen, acht de kantonrechter het op grond van deze stukken
aannemelijk, dat deze positie niet florissant. Daaruit volgt echter niet
zonder meer dat het aantal personeelsleden moet worden gereduceerd en al
helemaal niet, dat de arbeidsovereenkomst met juist H, die een veel langer
dienstverband dan het overige personeel, dient te worden ontbonden.
2.8. Een aantal van de verwijten die H maakt met betrekking tot zijn
functioneren is terug te voeren tot de stelling dat H, die onder de
rechtsvoorganger van W een grote mate van vrijheid had, zich slecht kon
aanpassen aan de nieuwe situatie, die inhield dat niet hij, maar de beide
vennoten van W in het bedrijf de scepter zwaaiden. De kantonrechter kan in
het midden laten of deze stelling juist is, aangezien uit het rapport van de
arbeidsdeskundige mevrouw R van de GMD, die contact heeft gehad met beide
partijen en zich heeft ingespannen om volledige werkhervatting door H
mogelijk te maken, blijkt dat W niet bereid was zich te houden aan de
afspraak dat beide partijen hun visie op de taken en verantwoordelijkheden
van H op schrift zouden zetten, teneinde te komen tot goede afspraken
daaromtrent. Nu W niet bereid is gebleken mee te werken aan het maken van
goede afspraken, kan hij H op dit punt geen verwijt maken.
2.9. Uit de door H in het geding gebrachte verklaringen van de
rechtsvoorganger van W, van het hoofd tuindienst van N T en van drie
ex-collegae van H komt het beeld naar voren van een werknemer met hart voor
de zaak, die goede contacten onderhoudt met collegae en klanten.
Daartegenover heeft W zijn stellingen in het geheel niet onderbouwd. Het ter
zitting gedane aanbod de beider collegae van H als getuige te doen horen,
acht de kantonrechter tardief. Gelet op het ontbreken van enige onderbouwing
op de met stukken ondersteunde betwisting door H houdt de kantonrechter de
stellingen van W voor onjuist.
2.10. Tussen partijen staat vast dat tussen hen geen samenwerking meer
mogelijk is. De onherstelbare verstoring van de verhouding tussen partijen
levert een verandering in de omstandigheden op, die ontbinding op een
arbeidsovereenkomst rechtvaardigt.
2.11. Uit hetgeen hiervoor reeds is overwogen, volgt dat de kantonrechter van
oordeel is dat in het geheel niet aan H kan worden verweten, dat de
arbeidsovereenkomst ontbonden moet worden. Waar H geen verwijt kan worden
gemaakt, treft W een zwaar verwijt. Hij heeft H door zijn opstelling met
betrekking tot de werkhervatting van H na diens ziekte het goed functioneren
onmogelijk gemaakt en hij heeft H bestookt met volstrekt niet onderbouwde
maar wel zeer grievende beschuldigingen, waarvan die van de
handtastelijkheden tegenover de vrouwelijke collegae de meest grievende is.
2.12. Nu H geen verwijt treft, zou reeds op grond van de lengte van zijn
dienstverband en hoogte van zijn loon een vergoeding van ruim ƒ 80.000,=
bruto, bestemd als aanvulling op de door H te ontvangen uitkeringen terzake
van werkloosheid en/of arbeidsongeschiktheid, althans op elders te verdienen
lager loon, gerechtvaardigd zijn. Gelet op het feit dat W een ernstig verwijt
moet worden gemaakt, is de kantonrechter van oordeel dat de door H gevraagde
vergoeding van ƒ 100.000,= bruto en ƒ 10.000,= netto terzake van vergoeding
van immateriële schade, zelfs wanneer daarbij de niet rooskleurige financiële
positie van W in aanmerking wordt genomen, alleszins redelijk is. Van
immateriële schade is gelet op het grievende karakter van de beschuldigingen
ter sprake.
2.13. Gelet op de hoogte van de vergoeding dient aan W de gelegenheid te
worden geboden het verzoek in te trekken. Voor het geval W intrekt, kan het
zelfstandige verzoek van H worden ingewilligd; aan H behoeft, nu de door hem
gevraagde vergoeding wordt toegekend, niet de gelegenheid te worden gegeven
het verzoek in te trekken.
2.14. Er is aanleiding te bepalen dat elke partij de eigen kosten draagt.

3. Beschikkende

De kantonrechter:
Stelt partijen in kennis van zijn voornemen de arbeidsovereenkomst tussen hen
te ontbinden met ingang van 1 juli 1994 onder toekenning aan H van een
vergoeding van
ƒ 100.000,= bruto en ƒ 10.000,= netto terzake van vergoeding van immateriële
schade;
Stelt W tot 30 juni 1994 in de gelegenheid zijn verzoek in te trekken;
Ontbindt – indien W zijn verzoek niet (tijdig) intrekt op zijn verzoek en in
het geval W zijn verzoek wel intrekt op verzoek van H – de
arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 1994, zulks onder
toekenning van een vergoeding aan H ten laste van W van ineens te betalen
bedragen van ƒ 100.000,= bruto, strekkende tot suppletie van de door H te
ontvangen werkloosheid- dan wel arbeidsongeschiktheidsuitkeringen dan wel het
elders te verdienen lager loon tot het laatstverdiend loon, en ƒ 10.000,=
netto terzake van vergoeding van immateriële schade, en wel aldus, dat,
indien een van verzoekers/verweerders betaalt, de ander daarvan is
vrijgesteld;
Compenseert de kosten van deze procedure aldus, dat iedere partij de eigen
kosten draagt;
Wijst af hetgeen anders of meer is verzocht.

Rechters

Mr. van Houten

Instantie: Schadefonds Geweldsmisdrijven, 20 juni 1994

Instantie

Schadefonds Geweldsmisdrijven

Samenvatting


Toekenning materiele schadevergoeding letselschade onder meer voor
aanschaf hond. Totale uitkering uit Schadefonds ƒ 6.485,=.

Volledige tekst

1. Op 22 augustus 1991 heeft mr. J.H. Schaap, advocaat te Enschede, namens
u de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven verzocht een uitkering uit
het fonds aan u toe te kennen. De door u en uw gemachtigde verstrekte
inlichtingen zijn bevestigd en zo nodig aangevuld door het onderzoek,
namens de Commissie ingesteld. Aldus is voor de Commissie komen vast te
staan dan wel aannemelijk geworden dat jegens u in de periode van 31 juli
1991 tot en met 1 augustus 1991 te Enschede opzettelijk een
geweldsmisdrijf is gepleegd, waardoor aan u zwaar letsel is toegebracht.

2. Materiele letselschade Op grond van de door u geleden materiele
letselschade, zoals deze uit het onderzoek is gebleken, stelt de Commissie
het bedrag van de voor uitkering vatbare schade naar redelijkheid en
billijkheid vast op ƒ 1.485,= wegens kosten van rechtshulp, kleding en
beddegoed, telefoon, aanschaf hond, verblijf elders en vervoer. Voor de
Commissie is niet aannemelijk geworden dat u ten gevolge van het letsel,
u in bovengenoemde periode toegebracht, andere dan de hierboven vermelde
materiele schade hebt geleden, welke voor uitkering uit het Schadefonds
vatbaar zou zijn. De tevens opgegeven schade wegens vernieling van een
gitaar en vervanging van de vloerbedekking is niet veroorzaakt door het
u toegebrachte letsel en komt derhalve op grond van de wet niet voor
uitkering in aanmerking.

3. Immateriele letselschade Een uitkering is ook mogelijk voor andere dan
vermogensschade, te weten voor verlies van levensvreugde. De Commissie
bepaalt naar redelijkheid en billijkheid dat aan u voor de door u geleden
immateriele schade ƒ 5.000,= toekomt. Hierbij is uitgangspunt de
wettelijke maximum-uitkering voor immateriele schade van ƒ 10.000,=.
Voorts is rekening gehouden met de hoogte van de uitkeringen welke aan
andere verzoekers in vergelijkbare omstandigheden zijn toegekend.

4. De Commissie kent derhalve een uitkering uit het Schadefonds
Geweldsmisdrijven toe ten bedrage van ƒ 6.485,= (zesduizend vierhonderd
vijfentachtig gulden), gespecificeerd als volgt:

materiele schade ƒ 1.485,= immateriele schade ƒ 5.000,= totaal ƒ 6.485,=

Rechters

Mevr. mr. M.A.F. Tan-de Sonnaville(voorzitter); drs. G. van Essen;mr. D. Jalink; E.G.W. van der Spek; mr. P.J. Wurzer

Instantie: Schadefonds Geweldsmisdrijven, 20 juni 1994

Instantie

Schadefonds Geweldsmisdrijven

Samenvatting


De Commissie heeft het slachtoffer van opzettelijk gepleegd
geweldsmisdrijf ƒ 25.000,= materiele schadevergoeding en ƒ 6.000,=
immateriele schadevergoeding toegekend.

Volledige tekst

1. Op 1 november 1991 heeft mr. J.M. Legeland, advocaat te Amsterdam,
namens u de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven verzocht een
uitkering uit het fonds aan u toe te kennen. De door u en uw gemachtigde
verstrekte inlichtingen zijn bevestigd en zo nodig aangevuld door het
onderzoek, namens de Commissie ingesteld. Aldus is voor de Commissie
aannemelijk geworden dat jegens u in de periode van februari 1975 tot mei
1976 te Zetten opzettelijk een geweldsmisdrijf is gepleegd, waardoor aan
u zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.

2. Materiele letselschade Op grond van de door u tot heden geleden
materiele letselschade, zoals deze uit het onderzoek is gebleken, stelt
de Commissie het bedrag van de voor uitkering vatbare schade naar
redelijkheid en billijkheid vat op ƒ 25,.000= wegens de vermindering van
uw vermogen tot het verwerven van inkomsten uit arbeid. Dit is het hoogste
bedrag dat ingevolge de Wet wegens materiele schade kan worden toegekend.

3. Immateriele letselschade Een uitkering is ook mogelijk voor andere dan
vermogensschade, te weten voor verlies van levensvreugde. De Commissie
bepaalt naar redelijkheid en billijkheid dat aan u voor de door u gelden
mogelijk nog te lijden immateriele schade ƒ 6.000,= toekomt. Hierbij is
uitgangspunt de wettelijke maximum-uitkering voor immateriele schade van
ƒ 10.000,=. Voorts is rekening gehouden met de hoogte van de uitkeringen
welke aan andere verzoekers in vergelijkbare omstandigheden zijn
toegekend.

4. De Commissie kent u derhalve een uitkering uit het Schadefonds
Geweldsmisdrijven toe teen bedrage van ƒ 31.000,= (eenendertigduizend
gulden),

gespecificeerd als volgt:

materiele schade ƒ 25.000,= immateriele schade ƒ 6.000,= totaal ƒ 31.000,=

Rechters

mr. Tan-de Sonnaville, voorzitter, Van Essen, Jalink, Van der Speken Wurzer, leden

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 juni 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was bij de wederpartij werkzaam op basis van een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Op het moment dat de
arbeidsovereenkomst eindigde, wilde de wederpartij deze niet verlengen.
Verzoekster is van mening dat het niet verlengen van de
arbeidsovereenkomst is ingegeven door het feit dat zij zwanger was. De
Commissie komt tot de conclusie dat de wederpartij niet aannemelijk heeft
gemaakt dat de zwangerschap/het aanstaand moederschap geen rol heeft
gespeeld bij de beslissing om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen.
Het feit dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege
eindigt, betekent niet, dat het geoorloofd is om zo’n overeenkomst niet
te verlengen omdat de betrokkene zwanger is. Strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 7 december 1993 verzocht mevrouw te Posterholt
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of
te Terneuzen (hierna: de wederpartij) jegens haar
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster was bij de wederpartij werkzaam op basis van een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Op het moment dat de
arbeidsovereenkomst eindigde, wilde de wederpartij deze niet verlengen.
Verzoekster is van mening dat haar zwangerschap/aanstaand moederschap
hierbij een rol speelde, wat volgens haar in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling is.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun
standpunten weer te geven.

2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen om hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 19 mei 1994.

Daarbij waren aanwezig:

van de kant van verzoekster: – mw (verzoekster)

van de kant van de wederpartij – dhr (regiomanager) –
mw (vestigingsmanager) – dhr mr M.L. Huisman (advocaat)

van de kant van de Commissie – mw prof. mr J.E. Goldschmidt
(plaatsvervangend Kamervoorzitter) – mw drs A.J. Huber (lid Kamer) – mw
mr A.C. Possel (plaatsvervangend lid Kamer) – mw mr M.M. Hubner
(adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is op 2 november 1992 bij de wederpartij, een
uitzendbureau, in dienst getreden in de functie van intercedente op basis
van een arbeidsovereenkomst voor een jaar. Zij werd te werk gesteld in een
nieuwe vestiging van het uitzendbureau te Roermond, alwaar ook een
vestigings- manager werkzaam was.

3.2. In augustus 1993 heeft verzoekster aan deze meegedeeld dat zij
zwanger was. De vestigingsmanager heeft hierover contact opgenomen met de
regiomanager om over de nieuwe situatie te overleggen.

Op 14 september heeft verzoekster, in verband met haar aanstaand
moederschap, de regiomanager gevraagd welke mogelijkheden er zijn om in
deeltijd te werken. Haar werd meegedeeld dat werken in deeltijd niet
mogelijk was en dat de keus aan haar werd gelaten: of voltijds werken of
ontslag nemen. Verzoekster heeft daarop meteen geantwoord dat zij voltijds
wilde blijven werken, waarover de regiomanager na zou denken.

Op 23 september hebben de regiomanager en de vestigingsmanager verzoekster
in een gesprek meegedeeld dat zij de arbeidsovereenkomst met haar wilden
beeindigen. De regiomanager heeft daarbij tevens aangegeven dat hij
betwijfelde of verzoekster de combinatie van moederschap en een voltijdse
werkweek wel aankon. Over de verdere inhoud van het gesprek hebben
partijen een verschillende lezing (zie paragrafen 3.6. en 3.7.).

3.3. Naar aanleiding van het gesprek op 23 september heeft verzoekster op
13 oktober 1993 een brief geschreven naar de directeur van het
uitzendbureau. Daarin deelt zij hem onder andere mee wat er in genoemd
gesprek gezegd is door haar gesprekspartners. De directeur neemt naar
aanleiding daarvan geen nadere maatregelen. In vervolg daarop, schrijft
verzoekster hem op 29 oktober 1993 dat de reden voor het niet verlengen
van haar contract gebaseerd is op discriminatie van (zwangere) vrouwen,
wat in strijd met de wet is. Zij gaat om die reden niet akkoord met de
beëindiging van haar arbeidsovereenkomst en eist een schadevergoeding ter
hoogte van zes maanden salaris.

De raadsman, welke de wederpartij inmiddels in de arm had genomen,
beantwoordt haar brief op 10 november 1993 als volgt: “[ …] Kennelijk
doet u een beroep op de werking van artikel 1637ij BW, maar dat artikel
is hier niet aan de orde. Uw zwangerschap is niet de reden om de
arbeidsovereenkomst niet te verlengen. De reden is dat de
arbeidsovereenkomst eindigt en cliente deze niet wenst voort te zetten.[
…]”.

3.4. Nadat de termijn van een jaar verstreken was, is er geen nieuwe
arbeidsovereenkomst met verzoekster aangegaan. De opengevallen plek werd
tijdelijk opgevuld door een medewerkster die reeds werkzaam was voor de
wederpartij op een andere vestiging. Daarna, per 1 januari 1994, is weer
een ander aangetrokken voor de bewuste functie.

3.5. Aan verzoekster is een getuigschrift meegegeven, waarin de
wederpartij -kort samengevat- verklaart dat zij verzoekster heeft leren
kennen als een integer en loyaal collega, die zich, binnen welke
organisatie dan ook, zal ontplooien tot een gewaardeerd medewerker.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoekster stelt het volgende. De wederpartij is geen nieuwe
arbeidsovereenkomst met haar aangegaan vanwege het feit dat zij zwanger
was en het moederschap niet zou kunnen combineren met de voltijdse arbeid,
wat in strijd met de wetgeving gelijke behandeling is.

De mededeling omtrent haar zwangerschap is gedaan in het volste vertrouwen
dat dit geen belemmering zou zijn voor het voortzetten van de
arbeidsovereenkomst. Thuis waren reeds alle maatregelen getroffen voor de
opvang van de baby die in maart 1994 verwacht werd. Tot haar verbazing en
teleurstelling is haar -mondeling- door de regiomanager en de
vestigingsmanager meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst beeindigd werd in
verband met haar zwangerschap. Hoewel zij uitdrukkelijk verklaarde
voltijds te willen blijven werken, had men er geen vertrouwen in dat een
vrouw met kind naar behoren zou kunnen functioneren in een voltijdse baan.

Het ligt niet aan haar functioneren dat de arbeidsovereenkomst niet
verlengd werd, aangezien men vol lof was over haar inzet en functioneren.
Het opzetten van een nieuw kantoor brengt veel werk mee, wat zij steeds
met veel plezier en met grote zelfstandigheid heeft verricht. Binnen de
vestiging werden bepaalde werkzaamheden, die normaal door de manager en
intercedent samen worden uitgevoerd, zoals telefonische acquisitie, het
verzorgen van mailingen en het onderhouden van telefonisch contact met
relaties, geheel aan haar toevertrouwd. De wederpartij was, kortom, zeer
tevreden met haar werk, waardoor het in de verwachting lag dat aan haar
een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou worden aangeboden per 1
november 1993. Bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst is haar ook
toegezegd dat deze stilzwijgend verlengd zou worden indien het werk naar
tevredenheid uitgevoerd zou worden. Er zijn ook nooit aanwijzingen geweest
dat men ontevreden zou zijn over haar functioneren. Er is bijvoorbeeld nog
nooit een functioneringsgesprek met haar gevoerd. Wel heeft de
regiomanager aan het GAK, desgevraagd, meegedeeld dat verzoekster, met
betrekking tot haar ontslag, niets te verwijten viel omdat er een
economische noodzaak bestond om de arbeidsovereenkomst te wijzigen. Er
waren echter geen economische redenen die daartoe noodzaakten, wat ook
blijkt uit het feit dat iemand anders de opengevallen functie vervult.

3.7. De wederpartij stelt het volgende. Het functioneren van verzoekster
doet niet ter zake, aangezien hier sprake is van een arbeidsovereenkomst
voor bepaalde tijd en in de overeenkomst van meet af aan de mogelijkheid
vervat is om geen nieuwe overeenkomst aan te gaan na afloop van de
gestelde termijn. Op grond hiervan is de werkgever niet gehouden om de
arbeidsovereenkomst te verlengen. De stellingname van verzoekster, waar
zij kennelijk meent behandeld te zijn in strijd met artikel 7A:1637ij
Burgerlijk Wetboek (BW), is dan ook niet juist. Verzoekster heeft geen
nieuwe arbeidsovereenkomst aangeboden gekregen, omdat de feiten en
omstandigheden binnen het bedrijf daartoe geen aanleiding gaven, terwijl
voorts niet onopgemerkt mag blijven dat er ook enige kritiek was op haar
functioneren. Als men zeer tevreden was geweest over het werk van
verzoekster, zou de arbeidsovereenkomst gewoon verlengd zijn. Het is
overigens de gewoonte om aan het einde van het jaar een
functioneringsgesprek te voeren, wat ook gebeurd is. Verzoekster was in
december 1992 echter nog maar kort in dienst, evenals de
vestigingsmanager, zodat er nog geen zicht was op het functioneren van
verzoekster. Aangezien zij de enige personeelsleden waren op die
vestiging, had de vestigingsmanager in de loop der tijd uiteraard wel een
goede indruk van verzoeksters functioneren. Zij was van mening dat
verzoekster te sociaal was en te weinig commercieel, wat zij ook enkele
keren aan verzoekster gezegd heeft. Omdat de overeenkomst toch zou
eindigen, werd het niet nodig geacht daar verder op in te gaan, aangezien
zij op een vriendschappelijke wijze de arbeidsrelatie wilde beeindigen.
Een en ander vormde ook geen beletsel om een goed getuigschrift af te
geven. Aan het GAK is gemeld dat er economische redenen voor de
beëindiging van de arbeidsovereenkomst waren om te voorkomen dat de
WW-uitkering van verzoekster in gevaar zou komen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met artikel
7A:1637ij BW en/of artikel 3 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB; Stb. 1989, 168) heeft gehandeld door de arbeidsovereenkomst met
verzoekster niet te verlengen.

4.2. In een eerdere uitspraak (Commissie gelijke behandeling van mannen
en vrouwen bij de arbeid, 10 april 1990, oordeelnummer 134-90-15.) heeft
de Commissie bepaald dat het besluit om een tijdelijke arbeidsovereenkomst
niet om te zetten in een vast dienstverband, een besluit betreffende het
aangaan van een arbeidsovereenkomst respectievelijk de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking is. Artikel 7a:1637ij lid 1 BW
respectievelijk artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid
naar geslacht daarbij.

Artikel 7A:1637ij lid 5 BW respectievelijk artikel 1 WGB geeft aan dat
onder onderscheid tussen mannen en vrouwen moet worden verstaan direct en
indirect onderscheid. Onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en
moederschap is blijkens deze bepalingen een vorm van direct onderscheid.
In eerdere oordelen heeft de Commissie uitgesproken dat ook als
zwangerschap een van de redenen en niet de enige reden voor het gemaakte
onderscheid is, dit strijd met de Wet oplevert (Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 18 oktober 1989,
oordeelnummers 42-89-13, 8 mei 1990, 172-90-31 en 23 juni 1992,
518-92-37.).

De wet biedt alleen in bepaalde gevallen (artikel 7A:1637ij leden 2-4 en
artikel 5 WGB) ruimte voor het rechtvaardigen van direct onderscheid,
namelijk in geval van geslachtsbepaalde functies, bescherming van de vrouw
en voorkeursbeleid voor vrouwen. Deze uitzonderingen zijn hier echter niet
aan de orde.

4.3. De vraag die voorligt, is of aannemelijk is geworden dat de
zwangerschap/het aanstaand moederschap van verzoekster mede aanleiding
voor wederpartij vormde om geen nieuwe arbeidsovereenkomst met haar aan
te gaan.

Hieromtrent overweegt de Commissie als volgt. De Commissie zal niet
beoordelen of verzoekster al dan niet voldoende functioneerde. Het behoort
immers niet tot de taak van de Commissie om te beoordelen of een werknemer
al dan niet voldoende functioneert. Zij is, gelet op de Wet, slechts
bevoegd na te gaan of er in casu bij de vervulling van de vacature c.q.
het aangaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst onderscheid op grond van
geslacht is gemaakt. Hierbij kan het oordeel over het functioneren echter
wel betrokken worden, indien aannemelijk kan worden gemaakt dat de
arbeidsovereenkomst met verzoekster niet is verlengd vanwege redenen die
met haar functioneren samenhangen.

4.4. De wederpartij heeft naar voren gebracht dat het functioneren van
verzoekster in feite niet ter zake doet, aangezien we hier te maken hebben
met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die van rechtswege afloopt.
Het feit dat een dergelijke overeenkomst van rechtswege eindigt, betekent
echter nog niet, dat het geoorloofd is om zo’n overeenkomst niet te
verlengen omdat de betrokken werkneemster zwanger is. De Commissie wijst
in dit verband op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen in de zaak Dekker (Hof van Justitie EG, Dekker/Stichting
Vormingscentrum voor Jong Volwassenen (VJV- centrum) PLUS, 8 november
1990, zaak C-177/88.), welke uitspraak bevestigd is door de Hoge Raad
(Hoge Raad, 13 september 1991 in de zaak Dekker/VJV-centrum.). In deze
zaak heeft het Hof uitgemaakt dat een werkgever direct in strijd handelt
met het beginsel van gelijke behandeling, bedoeld in de artikelen 2, lid
1 en 3, lid 1 van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976
(Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de
beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de
arbeidsvoorwaarden.) wanneer hij weigert met een door hem geschikt
bevonden sollicitante een arbeidsovereenkomst aan te gaan op grond van de
mogelijk nadelige gevolgen die voor hem van de aanstelling van een
zwangere vrouw zijn te verwachten.

Eenzelfde redenering geldt voor de proeftijd. Zolang de overeengekomen
proeftijd van niet meer dan twee maanden niet is verstreken, kan ieder der
partijen de dienstbetrekking zonder opzegging doen eindigen. De
beëindiging van een arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd vanwege
zwangerschap van de betrokken werkneemster, is echter in strijd met
artikel 7A:1637ij BW (Zie onder andere Kantonrechter ‘s-Gravenhage, 25
maart 1992, Praktijkgids 1992, nr. 3731.).

4.5. Hieruit volgt dat de vraag, of de reden om de arbeidsovereenkomst
niet te verlengen (mede) gelegen was in de zwangerschap/het aanstaand
moederschap van verzoekster, nog steeds voorligt, ook al is hier sprake
van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De Commissie is van
oordeel dat de wederpartij geen feiten of omstandigheden naar voren heeft
gebracht die aannemelijk maken dat er dusdanige kritiek op het
functioneren van verzoekster was, dat de arbeidsovereenkomst niet verlengd
zou zijn als verzoekster niet zwanger was geweest. Indien immers het
functioneren van verzoekster werkelijk de (enige) reden zou zijn geweest
om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen, ligt het toch in de lijn der
verwachting dat dit aan verzoekster kenbaar was gemaakt. Tijdens het
gesprek op 23 september is echter alleen aan de orde geweest of
verzoekster het moederschap met een voltijdse baan zou kunnen combineren,
wat door de regiomanager in twijfel getrokken werd. Het functioneren van
verzoekster is in het geheel niet besproken. Ook heeft de wederpartij,
desgevraagd door de Commissie, als enige voorbeeld van de bestaande
kritiek gegeven, dat verzoekster te weinig commercieel en te sociaal zou
zijn. Dit zou de vestigingsmanager wel eens gezegd hebben tegen
verzoekster. Hiertegenover staat dat verzoekster naar voren heeft gebracht
dat de wederpartij zeer tevreden over haar werk was en haar ook een
positief luidend getuigschrift heeft meegegeven. Dat de wederpartij het
functioneren niet aan de orde wilde stellen omdat zij vriendschappelijk
afscheid wilde nemen van verzoekster, is niet erg aannemelijk. De feiten
duiden er, integendeel, eerder op dat de zwangerschap en het aanstaand
moederschap (mede) een rol hebben gespeeld bij de beslissing om de
arbeidsovereenkomst niet te verlengen. Nadat verzoekster immers aan haar
vestigingsmanager had meegedeeld dat zij zwanger was, heeft deze contact
opgenomen met de regiomanager om de nieuwe situatie te bespreken. Voor die
tijd heeft geen van beiden verzoekster laten weten ontevreden te zijn over
haar werk, noch heeft de wederpartij gesteld dat de managers de beslissing
over een eventuele nieuwe arbeidsovereenkomst reeds genomen hadden voor
de bewuste mededeling.

Het bovenstaande kan de Commissie niet tot een andere conclusie leiden dan
dat de wederpartij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de zwangerschap/het
aanstaand moederschap geen rol hebben gespeeld bij de beslissing om de
arbeidsovereenkomst niet te verlengen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat Tence uitzendbureau B.V. te
Terneuzen jegens mevrouw te Posterholt onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt in strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek of
artikel 3 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Aldus vastgesteld op 15 juni 1994 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 19 mei 1994.

Rechters

mw prof mr J.E. Goldschmidt, mw drs A.J. Huber, mw mr A.C. Possel,mw mr M.M. Hubner

Instantie: Rechtbank Breda, 14 juni 1994

Instantie

Rechtbank Breda

Samenvatting


Eiseres vordert ƒ 50 000 immateriële en materiële schadevergoeding. Eiseres
is de dochter van gedaagde. Gedaagde heeft tegenover de politie het seksueel
misbruik erkend. In een tussenvonnis is een deskundigenbericht gelast. Zowel
gedaagde als eiseres hebben daarop kunnen reageren.
Gelet op de ernst en de duur van de onrechtmatige handelingen van gedaagde en
op de schadelijke gevolgen die deze handelingen voor eisers met zich mee
hebben gebracht en nog steeds met zich meebrengen, ziet de rechtbank geen
aanleiding om enige matiging te betrachten bij de bepaling van de hoogte van
dit bedrag. De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van ƒ 35 000
immateriële schadevergoeding. (Ook tussenvonnissen van 25 mei 1993 en 21
september 1993 zijn opgenomen)

Volledige tekst

Tussenvonnis rechtbank Breda 25 mei 1993
1. Het verloop van het geding.
Dit blijkt uit de navolgende door partijen overgelegde stukken:
– de inleidende dagvaarding,
– de conclusie van eis,
– de conclusie van antwoord,
– de conclusie van repliek, met producties,
– de conclusie van dupliek, met producties,
2. Het geschil.
Eiseres, hierna te noemen (…), vordert veroordeling van gedaagde, hierna te
noemen (…), tot betaling aan haar van een bedrag van ƒ 50 000 `ten titel
van smartegeld voor de door haar geleden materiële en immateriële schade.’
Gedaagde heeft deze vordering weersproken.
3. De beoordeling.
3.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet danwel onvoldoende gemotiveerd
betwist staat tussen partijen het navolgende vast:
– Eiseres, geboren op 23 april 1958, is de dochter van gedaagde.
– Eiseres heeft op 27 januari 1986 bij de gemeentepolitie te (…) aangifte
gedaan van seksueel misbruik, door gedaagde ten opzichte van haar gepleegd in
de periode van, globaal, 1967 tot en met 1976.
– Volgens de aangifte bestond dit misbruik aanvankelijk uit onzedelijke
betastingen, maar later ook uit geslachtsgemeenschap.
– Nadat gedaagde tegenover de gemeentepolitie te (…) op 17 en 18 juni 1986
had erkend in de periode 1970/1971 t/m 1975 eiseres seksueel te hebben
misbruikt, heeft hij tegenover de rechter-commissaris belast met de
behandeling van de strafzaak in de arrondissementsrechtbank te Breda op 19
juni 1986 de juistheid van zijn verklaringen tegenover de politie bevestigd
en nogmaals uitdrukkelijk erkend in de periode 1970/1971 t/m 1975 het lijf
van eiseres te hebben betast en veelvuldig geslachtsgemeenschap met haar te
hebben gehad.
– het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 2 december 1988
bewezen verklaard, dat gedaagde in ieder geval op een tijdstip in de periode
oktober 1975 tot september 1976 met eiseres ontucht heeft gepleegd, heeft
gedaagde ter zake strafbaar geoordeeld en hem veroordeeld tot een
gevangenschap voor de tijd van 12 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk.
– het inkomen van gedaagde bestaat sinds ongeveer 1980 uit een WAO-uitkering
van ƒ 1389,18 per maand.
– Eiseres heeft jarenlang therapie ondergaan, ondervindt een diep wantrouwen
tegen mensen in het algemeen en mannen in het bijzonder, is angstig, heeft
buikklachten en lichamelijke blokkades in het onderlichaam en grote gevoelens
van eenzaamheid en verlatenheid.
3.2. Gedaagde heeft voor alle weren een beroep gedaan op
niet-ontvankelijkheid van eiseres in haar vordering, omdat hij rauwelijks is
gedagvaard. Dat laatste ontkent eiseres op zich niet, maar zij wijst erop,
dat dagvaarding geboden was, omdat zij had vernomen, dat gedaagde voornemens
was op zeer korte termijn metterwoon uit Nederland te vertrekken.
Wat er zij van het motief om tot dagvaarding over te gaan zonder vooraf op
enigerlei wijze met gedaagde in overleg te treden danwel hem te sommeren,
danwel hem van dagvaarding in kennis te stellen, noch het wetboek van
burgerlijke rechtsvordering, noch ongeschreven beginselen van een goede
procesorde verzetten zich, op straffe van niet-ontvankelijkheid, tegen
rauwelijkse dagvaarding. Nu bovendien niet is gesteld of gebleken, dat
gedaagde door de rauwelijkse dagvaarding in zijn processuele belangen is
geschaad, verwerpt de rechtbank het beroep op niet-ontvankelijkheid.
3.3. Nu gedaagde seksueel misbruik van eiseres gedurende ongeveer 5 jaar heeft
toegegeven staat daarmee vast, dat hij jegens eiseres onrechtmatig heeft
gehandeld. Omtrent de duur van de periode verschillen partijen van mening, in
die zin, dat volgens eiseres het seksueel misbruik al omstreeks 1967 is
begonnen, terwijl gedaagde dit begin in 1970/1971 situeert. Voor het
onrechtmatig karakter van de gedragingen als zodanig is dit verschil in visie
niet van belang.
3.4. Gedaagde heeft bij antwoord gesteld, dat in het kader van het
gerechtelijk vooronderzoek naar zijn geestvermogens een onderzoek is gedaan
door de psychiater J. Huisman en dat de psychiater tot de conclusie is
gekomen, dat gedaagde ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde
feiten, lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens
waardoor het hem ten laste gelegde hem in licht verminderde mate was toe te
rekenen. Bij dupliek heeft gedaagde een afschrift van de conclusie alsmede
het advies van Huisman overgelegd. Voor zover gedaagde met het citeren van
Huisman heeft beoogd de aanwezigheid van schuld aan de onrechtmatigheid te
bestrijden, verwerpt de rechtbank dit verweer.
Nog daargelaten het antwoord op de vraag, of het gerechtshof te
‘s-Hertogenbosch de conclusie van de psychiater tot de zijne heeft gemaakt,
de geconstateerde licht verminderde toerekeningsvatbaarheid houdt geenszins
afwezigheid van civiel-rechtelijke schuld in de zin van verwijtbaarheid en
toerekenbaarheid in.
3.5. Eiseres stelt ernstige lichamelijke en psychische schade te hebben
geleden als gevolg van de gedragingen van gedaagde. Tijdens haar jeugd heeft
zij enorm veel levensvreugde gederfd door de permanente angst voor haar
vader. Jarenlang heeft eiseres therapie ondergaan. Ze ondervindt nog steeds
een diep wantrouwen tegen mensen in het algemeen en mannen in het bijzonder
en heeft angst voor seksualiteit. Ze is depressief en heeft gevoelens van
eenzaamheid en verlatenheid. Eiseres heeft buikklachten en lichamelijke
blokkades in het onderlichaam.
Gedaagde betitelt de klachten van eiseres als erg vaag en onbepaald en acht
de aard, omvang en duur van die schade willekeurig vastgesteld. Voorts
betwist hij het oorzakelijk verband tussen zijn gedragingen en de schade en
stelt, dat deze schade in redelijkheid niet aan hem kan worden toegerekend.
Hij stelt, dat de klachten voor zover aanwezig door meerdere omstandigheden
zijn veroorzaakt waarbij hij gewezen heeft op eigen verklaringen van eiseres
met betrekking tot seksueel misbruik door anderen alsmede moeilijkheden en
spanningen in haar eigen gezin.
Met betrekking tot het seksueel misbruik door anderen heeft eiseres
onweersproken gesteld, dat zij ook door haar oudste broer seksueel is
misbruikt, maar dat het verwijt, dat zij haar broer ter zake maakt in het
niet valt bij het verwijt richting gedaagde omdat haar broer wist, dat zijn
gedrag door gedaagde werd geduld. Zij wijt het gedrag van haar broer aan
gedaagde.
De rechtbank is van oordeel, dat de omstandigheid, dat dit seksueel misbruik
mede is gepleegd door haar broer niet in de weg staat aan een volledige
schadeplichtigheid van gedaagde ten opzichte van eiseres.
Wat betreft de overige onderdelen van het verweer van gedaagde geldt het
volgende. Het is een feit van algemene bekendheid, dat slachtoffers van
incest vaak pas na verloop van vele jaren tot een reëel inzicht komen omtrent
hetgeen hen is overkomen, vaak onder invloed en naar aanleiding van
onbestemde lichamelijke en psychische klachten. Het verwerven van een reëel
inzicht gaat vooraf aan het verwerkingsproces, dat moet leiden tot het teniet
gaan of verminderen van meer genoemde lichamelijke en psychische klachten.
Zowel voor het verwerven van genoemd inzicht als voor het verwerkingsproces
is vaak jarenlange therapie aangewezen.
In dat licht bezien is de rechtbank van oordeel, dat de klachten van eiseres
niet als vaag en onbepaald kunnen worden betiteld terwijl de rechtbank er
voorshands van uit gaat, dat deze klachten in causaal verband staan tot de
gedragingen van gedaagde en aan hem ook kunnen worden toegerekend.
Niettemin behoeft de rechtbank voor de beoordeling van de vordering terzake
immateriële schade meer informatie. Met name wenst de rechtbank meer inzicht
te verkrijgen met betrekking tot:
a. de duur en de intensiteit van de lichamelijke en psychische klachten voor
de aanvang van de therapie;
b. de diagnose, die aan de therapie ten grondslag lag;
c. het doel en resultaat van de therapie;
d. de vraag, in hoeverre de lichamelijke en/of psychische klachten van
eiseres zijn terug te voeren op andere oorzaken dan de incest, b.v.
gezinsproblemen;
e. de verwachting omtrent het voortduren van de ook thans nog aanwezige
lichamelijke en psychische klachten.
De rechtbank zal daartoe een deskundigenbericht bevelen. Wat betreft de
deskundigheid denkt de rechtbank voorshands aan een psychiater die
beroepsmatig slachtoffers van incest behandelt en/of begeleidt. De kosten van
dit deskundigenbericht dienen op grond van de hierboven geformuleerde
ervaringsregels, en naar redelijkheid en billijkheid in beginsel voor
rekening van gedaagde te komen. Nu gedaagde kosteloos procedeert, zal
ingevolge de bepaling in artikel 223 lid 2 Rv geen voorschot worden bepaald.
3.6. Gedaagde heeft nog een beroep gedaan op rechtsverwerking aan de zijde
van eiseres omdat zijn gedragingen in de periode 1974/1975 hebben
plaatsgevonden en omdat eiseres al voor 1985 de lichamelijke en psychische
klachten had, die zij thans aan haar schadevordering ten grondslag legt en
omdat zij na het ondergaan van therapie aangifte heeft gedaan.
De rechtbank verwerpt het beroep op rechtsverwerking. Noch de omstandigheid,
dat de incest reeds lang geleden heeft plaatsgevonden noch de omstandigheid
dat de lichamelijke en psychische klachten van eiseres reeds van jaren her
dateren, noch de omstandigheid, dat eiseres in 1986 bij de gemeente politie
te (…) aangifte van incest heeft gedaan leveren gedragingen van eiseres op,
die bij gedaagde het vertrouwen wekten dan wel konden wekken, dat eiseres
haar recht om uit onrechtmatige daad te ageren niet zou uitoefenen.
3.7. De vordering is niet verder geconcretiseerd ten aanzien van materiële
schade, zodat de rechtbank deze component voorshands buiten beschouwing laat.
4. De beslissing
De rechtbank:
alvorens verder te beslissen;
gelast een deskundigenonderzoek en formuleert – voorlopig – de navolgende
vraagpunten:
– Gedurende welke periode en in welke mate van intensiteit bestonden er
lichamelijke en psychische klachten voor de aanvang van de therapie;
– Welke diagnose lag aan de therapie ten grondslag;
– In hoeverre zijn de lichamelijk en/of psychische klachten van eiseres terug
te voeren op andere oorzaken dan de incest, b.v. gezinsproblemen;
– Wat is de verwachting omtrent het voortduren van de ook thans nog aanwezige
lichamelijke en psychische klachten.
– Welke opmerkingen oordeelt de deskundige overigens nog van belang ten
behoeve van de door de rechtbank te nemen beslissing?
Stelt voor als deskundige(n) te benoemen:
Mevr. Dr. N.J. Nicolai, psychiater,
Rotterdamse Rijweg 190
3042 AV Rotterdam
010 – 4379269
verstaat dat partijen, eiseres als eerste, zich bij conclusie na tussenvonnis
zullen kunnen uitlaten over de voorgestelde vraagpunten, eventuele andere
door hen gewenste vraagpunten, een voer de voorgestelde deskundige(n).
Verwijst de zaak naar de rol van 22 juni 1993 voor het nemen van zodanige
conclusie door eiseres ambtshalve peremptoir.
Houdt iedere verdere beslissing aan.
Tussenvonnis rechtbank Breda 21 september 1993
1. Het verdere verloop van het geding.
Dit blijkt uit de navolgende door partijen overgelegde stukken:
– het tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 25 mei 1993 en de daarin genoemde
stukken,
– de conclusie na tussenvonnis van de zijde van eiseres,
– de conclusie na tussenvonnis van de zijde van gedaagde.
2. De verdere beoordeling.
2.1. De rechtbank volhardt bij hetgeen in voormeld tussenvonnis werd
overwogen en beslist.
2.2. Partijen hebben zich akkoord verklaard met de formulering van 5 van de 6
vraagpunten in voormeld tussenvonnis. Eiseres stelt een aanpassing voor van
het vraagpunt geformuleerd achter het vierde genoemde – door eiseres
kennelijk abusievelijk het vijfde -. Nu gedaagde tegen de voorgestelde
herformulering geen bezwaar heeft ingebracht, en nu deze herformulering ten
opzichte van de oorspronkelijk door de rechtbank voorgestelde tekst een
verfijning en niet een essentiele wijziging betekent, zal de rechtbank het
vierde vraagpunt formuleren als door eiseres aangegeven.
2.3. Eiseres heeft nog voorgesteld een zevende vraagpunt te formuleren, te
weten de vraag, of er een causaal verband bestaat tussen door haar zoon
volgens diens verklaring tegenover de gemeentepolitie (…), gepleegde
ontuchtige handelingen met meisjes van omstreeks 4 jaar oud en, kortgezegd,
haar eigen incestverleden en de spanningen, die dat verleden met zich
meebracht en nog brengt.
Gedaagde heeft zich tegen toevoeging van dit zevende vraagpunt verzet.
Nu eiseres niet stelt, dat de door haar gestelde gedragingen van haar zoon
hebben geleid tot psychische schade bij haar moet de voorgestelde vraag als
niet relevant worden aangemerkt voor de uiteindelijke beoordeling van de
vordering van eiseres.
2.4. Partijen zijn het eens met betrekking tot de persoon van de voorgestelde
deskundige, zodat deze zal worden benoemd.
3. De beslissing.

De rechtbank
Gelast een deskundigenonderzoek omtrent de navolgende vraagpunten:
– Gedurende welke periode en in welke mate van intensiteit bestonden er
lichamelijke en psychische klachten voor de aanvang van de therapie;
– Welke diagnose lag aan de therapie ten grondslag;
– Wat waren/zijn het doel en resultaat van de therapie;
– Zijn er aanwijzingen, dat de lichamelijke en/of psychische klachten van
eiseres zijn terug te voeren op andere oorzaken dan de incest en zoja, wat is
dan het verband tussen die oorzaken en de klachten van eiseres;
– Wat is de verwachting omtrent het voortduren van de ook thans nog aanwezige
lichamelijke en psychische klachten.
– Welke opmerkingen oordeelt de deskundige overigens nog van belang ten
behoeve van de door de rechtbank te nemen beslissing?
Benoemt tot deskundige:
Mevr. Dr. N.J. Nicolai, psychiater,
Rotterdamse Rijweg 190
3042 AV Rotterdam
Verwijst de zaak naar de rolzitting van 11 januari 1994 voor conclusie na
deskundigenbericht van de zijde van gedaagde.
Bepaalt voorts:
– dat de deskundige binnen een maand na heden het onderzoek zal aanvangen en
binnen twee maanden na aanvang daarvan schriftelijk aan de rechtbank zal
rapporteren;
– dat een copie van dit vonnis en de procesdossiers door partijen aan de
deskundige ter beschikking worden gesteld;
– dat de deskundige partijen, indien zij dat wensen, in de gelegenheid zal
stellen zich uit te laten omtrent de vraagpunten en daaromtrent nadere
inlichtingen te verschaffen en dat daarvan melding zal worden gemaakt in het
rapport.
Houdt iedere verdere beslissing aan.
Eindvonnis rechtbank Breda 14 juni 1994
1. Het verdere verloop van het geding.
Dit blijkt uit de volgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde
stukken;
– het tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 21 september 1993 met alle daarin
genoemde stukken,
– de akte van depot d.d. 21 december 1993, waarbij een exemplaar van het
deskundigen-rapport is gedeponeerd onder nummer 145/93,
– de conclusie na deskundigen-rapport van gedaagde,
– de conclusie na deskundigen-rapport van eiseres.
2. De verdere beoordeling.
Bij genoemd tussenvonnis heeft de rechtbank een deskundigen-onderzoek gelast
naar de daarin genoemde vraagpunten en als deskundige benoemd dr. N.J.
Nicolai.
Deze deskundige heeft bij voornoemde akte van depot haar deskundigen-rapport
gedeponeerd.
De eerste vraag, aan de deskundige voorgelegd, luidde als volgt: gedurende
welke periode en in welke mate van intensiteit bestonden er lichamelijke en
psychische klachten voor de aanvang van de therapie.
De deskundige heeft deze vraag aldus beantwoord dat voor de therapie sprake
was van een angst, isolement, schaamte- en schuldgevoelens, dissociatie en
chronische psychosomatische
klachten. Na het stoppen van het misbruik ontwikkelde eiseres volgens de
deskundige, een chronische post-traumatische stress-stoornis, die tot op
heden in sommige aspecten voortduurt.
De intensiteit kan als ernstig worden benoemd, aldus dr. Nicolai.
De tweede vraag luidde: welke diagnose lag aan de therapie ten grondslag?
Deze vraag is aldus beantwoord, dat geen duidelijkheid over de destijds
gehanteerde diagnostiek te verkrijgen is, omdat eiseres hulp zocht buiten het
medisch-psychiatrisch circuit en daar een diagnose niet wordt gesteld. De
deskundige zegt voorts dat eiseres verwezen is door het Algemeen
Maatschappelijk Werk naar een VSK-groep, waardoor aannemelijk is dat haar
klachten destijds eerder in verband gebracht werden met haar incest-verleden
dan met haar toen eveneens spelende verslechterde huwelijks-relatie.
De doelstellingen van de diverse behandelingen waren-zijn, volgens de
deskundige, het verwerken van het incest-verleden, het integreren van
afgesplitste emoties en lichaams-ervaringen en het leren zelfstandig en
weerbaar te worden. Voor wat het laatste betreft heeft eiseres zich, aldus de
deskundige, de laatste jaren positief ontwikkeld. Voor wat betreft de eerste
twee zaken lijkt er volgens de deskundige weliswaar een proces op gang
gekomen te zijn met de verwerking en integratie, maar lijkt er aan de
problematiek van het beschadigde zelfgevoel en de schuldgevoelens nauwelijks
begonnen te zijn.
Naar het oordeel van de deskundige zijn er geen aanwijzingen dat de
lichamelijke en/of psychische klachten van eiseres zijn terug te voeren op
andere oorzaken dan de incest. Tenslotte heeft de deskundige in haar rapport
nog gesteld dat wanneer de klachten niet adequaat behandeld worden, eiseres
zal moeten leren leven met een psychisch functioneren op een lager niveau dan
zij in feite kan en zij de neiging zal blijven houden om met machteloosheid,
schuldgevoel en faalangst te reageren op alle gebeurtenissen in haar leven.
Zij geeft aan dat de coping-strategieën van eiseres haar te veel zullen
kosten en te weinig zullen opleveren.
Gedaagde heeft als zijn mening gegeven dat de deskundige alle vraagpunten
voldoende beantwoord heeft om tot een beoordeling van de vordering terzake
immateriële schade te kunnen komen. Volgens eiseres blijkt uit het
deskundigen-rapport in voldoende mate de duur, de ernst en de intensiteit van
het haar aangedane leed en het causaal verband tussen het gedrag van gedaagde
en de geleden en nog te lijden immateriële schade. Gelet op de inhoud van het
voormeld deskundige rapport en die van de door de deskundige geformuleerde
antwoorden op de door de rechtbank aan haar voorgelegde vragen is de
rechtbank van oordeel dat gedaagde door zijn onrechtmatig handelen jegens
eiseres in de vorm en omvang zoals in voornoemd tussenvonnis van 25 mei 1993
omschreven, ernstige lichamelijke en psychische schade heeft toegebracht. Op
grond van genoemd deskundigen-rapport staat immers vast dat deze ernstige
lichamelijke en psychische problemen zijn veroorzaakt door de gedragingen van
gedaagde, weshalve de klachten terzake door eiseres in causaal verband staan
tot de gedragingen van gedaagde terzake.
Nu eiseres haar vordering tot schade-vergoeding niet heeft gesplitst in een
bedrag terzake van materiële en een apart bedrag terzake van immateriële
schade zal de rechtbank naar redelijkheid en billijkheid een schadebedrag op
grond van immateriële schade vaststellen, gerelateerd aan het door eiseres
gevorderde bedrag.
Gelet op de ernst en de duur van de onrechtmatige handelingen jegens eiseres
door gedaagde op de schadelijke gevolgen die deze handelingen voor eiseres
met zich mee hebben gebracht en nog steeds met zich mee brengen ziet de
rechtbank geen aanleiding om enige matiging te betrachten bij de bepaling van
de hoogte van dit bedrag.
De omstandigheden, door gedaagde daartoe aangevoerd, te weten zijn geringe
financiële draagkracht en het feit dat hij inmiddels hertrouwd is en met zijn
gezin moet rondkomen van een uitkering behoren niet mede bepalend te zijn
voor de hoogte van het aan eiseres toe te wijzen bedrag.
Ook zal de rechtbank geen rekening houden met het gedrag van eiseres sedert
1985, zoals dit door gedaagde is uiteengezet in eerdere conclusies, nu dit
gedrag, zo dat al zou komen vast te staan en zo dit al als onrechtmatig dient
te worden aangemerkt, in het niet valt bij het onrechtmatig handelen van
gedaagde.
Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de
kosten van de procedure.
3. De beslissing.
De rechtbank:
veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen de somma van ƒ 35 000.
verwijst gedaagde in de kosten van de procedure aan de zijde van eiseres
gerezen en veroordeelt hem mitsdien tot betaling van deze kosten aan haar,
worden deze kosten tot op heden begroot op ƒ 3632,80
verklaart dit vonnis tot hiertoe uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mrs. Leijten, Nollen, Wallis