Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 10 juni 1994

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Hof oordeelt dat slechts ƒ 25.000,= van de ƒ 75.000,= smartegeld als
onbelaste schadevergoeding wordt aangemerkt.

Volledige tekst

1. Loop van het geding Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift
ontvangen op 30 september 1992, ingediend door mr. A als zijn gemachtigde
en gericht tegen de uitspraak van de inspecteur met dagtekening 7 augustus
1992 betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de
inkomstenbelasting voor het jaar 1988. Het beroepschrift is aangevuld bij
schrijven van 26 februari 1993. De aanslag is berekend naar een belastbaar
inkomen van ƒ 187.679,= waarvan ƒ 125.000,= belast naar het hoge
bijzondere tarief en is bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van
de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 112.679,=
waarvan ƒ 50.000,= belast naar het hoge bijzonder tarief De inspecteur
heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de
uitspraak.

Met toestemming van de Voorzitter heeft de gemachtigde van belanghebbende
een conclusie van repliek ingezonden. De inspecteur heeft gereageerd met
een conclusie van dupliek.

Ter zitting van 18 maart 1994 zijn verschenen belanghebbende, de
gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur B vergezeld van C.

Belanghebbende heeft ter zitting een verklaring van 27 september 1993 van
D en het bezwaarschrift overgelegd. De inspecteur heeft van deze stukken
kennis kunnen nemen en zich erover kunnen uitlaten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten. Belanghebbende, geboren 3 maart
1939, was sedert 1981 en tot 1 september 1988 in loondienst werkzaam bij
D.

Op 1 september 1988 heeft belanghebbende ontslag genomen, nadat
overeenstemming was bereikt dat door D aan hem een bedrag van ƒ 125.000,=
zou worden uitgekeerd en dat zijn pensioenregeling met ƒ 50.000,= zou
worden verbeterd.

3. Geschil Het geschil betreft de vraag of van het vermelde bedrag van ƒ
125.000,= een deel groot ƒ 75.000,= onbelast is, omdat dit bedrag
ontvangen zou zijn tot betering van in eer en goede naam gelden schade.
De inspecteur is van mening dat het bedrag van ƒ 125.000,= in zijn geheel
is genoten uit de dienstbetrekking en daarom belast is.

4. Standpunten van partijen Voor de standpunten van partijen wordt
verwezen naar de stukken van het geding. Ter zitting zijn partijen bij hun
standpunten gebleven. De gemachtigde van belanghebbende heeft nog
opgemerkt dat hij een aanbod tot getuigenbewijs doet voor het geval aan
de juistheid van de brief van D van 27 september 1993 mocht worden
getwijfeld.

5. Beoordeling van het geschil 5.1. Belanghebbende stelt dat een vrouw die
even als hijzelf bij D in dienstbetrekking was hem heeft belasterd door
te zeggen dat zij zich door hem lichamelijk en geestelijk bedreigd voelde.
De klachten van deze vrouw raakten binnen en buiten D bekend en
belanghebbende kreeg onaangename opmerkingen te horen van collega’s en
relaties. Belanghebbende stelt eveneens dat de klachten van de vrouw tegen
hem ongefundeerd waren, maar dat de directie van D niets heeft gedaan om
de geruchten te ontzenuwen. Belanghebbende heeft bij de afdeling
personeelszaken gevraagd om een gesprek met de veroorzaakster van de
geruchten maar dat bleek niet mogelijk. De vrouw werd wel overgeplaatst
naar een andere afdeling.

5.2. Belanghebbende heeft ter zitting in persoon de gebeurtenissen en de
omstandigheden toegelicht en daarbij aannemelijk gemaakt dat zijn verslag
van de gebeurtenissen correct is.

Nu de inspecteur de gebeurtenissen op zichzelf onvoldoende heeft betwist
houdt het Hof deze feitelijke stellingen van belanghebbende voor juist.

5.3. Uit het vorenoverwogene leidt het Hof af dat D op toerekenbare wijze
heeft verzuimd om belanghebbende te beschermen tegen de aantasting van
zijn eer en goede naam. Een deel van de door belanghebbende ontvangen
vergoeding kan derhalve worden aangemerkt als een vergoeding wegens de in
eer en goede naam geleden schade. Dit deel is onbelast, omdat daarvan moet
worden gezegd dat het geen althans onvoldoende verband houdt met de door
belanghebbende vervulde dienstbetrekking.

5.4. De feitelijke gebeurtenissen waarop belanghebbende zich heeft
beroepen rechtvaardigen echter geen toekenning van een smartegeld van ƒ
75.000,= Het Hof is in goede justitie van oordeel dat de vergoeding wegens
in eer en goede naam gelden schade moet worden gesteld op ƒ 25.000,= in
die zin dat van het totale door belanghebbende ontvangen bedrag dit deel
aan deze schade- oorzaak moet worden toegerekend. Voor het andere deel
geldt dat de uitkering is genoten uit de dienstbetrekking.

5.5. Nu het gelijk gedeeltelijk aan belanghebbende is, veroordeelt het
Hof, gelet op de bepaalde in artikel 5a van de Wet administratieve
rechtspraak belastingzaken, de inspecteur tot vergoeding van de door
belanghebbende gemaakte proceskosten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder de letters a en c, van
het Besluit proceskosten fiscale procedures (het Besluit) stelt het Hof
het bedrag van de kosten inzake de verleende rechtsbijstand overeenkomstig
het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 2,5
(beroepsschrift, repliek en verschijnen mondelinge behandeling) x ƒ 710,=
x 1 (wegingsfactor) = ƒ 1.775,=.

6. Beslissing Het Hof – vernietigt de uitspraak van de inspecteur; –
vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 162.679,=
waarvan ƒ 100.000 belast naar het hoge bijzondere tarief; – gelast de
inspecteur het griffierecht van ƒ 75,= aan belanghebbende te vergoeden;
– veroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte kosten van
het geding tot een bedrag van ƒ 1.775,= en gelast de Staat dit bedrag aan
belanghebbende te vergoeden.

Rechters

mrs. Rensema, Wiegel en Onnes

Instantie: Hof van Justitie EG, 7 juni 1994

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


De AG concludeert dat het Barber-arrest (RN 1990, 116) en het zgn.
‘Barber-protocol’ (Nemesis 1992, nr 1, Katern p. 36) geen gevolgen hebben
voor de toepasselijkheid van artikel 119 EEG-verdrag op deelname aan een
bedrijfspensioenregeling, of die door de overheid verplicht is gesteld of
niet. Noch de derde EG-richtlijn, nog de vierde EG- richtlijn hebben bij
werkgevers en pensioenfondsen de indruk kunnen wekken dat gehuwde vrouwen
of deeltijdwerkers van pensioenstelsels mochten worden uitgesloten. De AG
concludeert tot geen beperking in de tijd a la Barber. Het komt aan de
nationale rechter toe bij indirecte discriminatie vast te stellen of er
een objectieve rechtvaardigingsgrond is. De interpretatie die het
Barber-protocol aan het Barber-arrest meegeeft, is slechts van toepassing
op die vormen van onderscheid die vallen onder de uitzonderingen van de
vierde EG-richtlijn. Voor uitsluiting van gehuwde vrouwen of
deeltijdwerkers bevat deze richtlijn geen uitzonderingsmogelijkheid. De
AG concludeert dat het in de arresten Defrenne-I en Bilka besloten acquis
communautaire in stand blijft. Een bedrijfspensioenfonds kan volgens de
AG rechtstreeks aangesproken worden ex artikel 119 EEG-verdrag.
Rechtsherstel van discriminatie bestaande uit een uitkering zonder dat
daar tegenover premiebetaling staat zou strijdig zijn met het beginsel van
gelijke beloning. De nationale rechter dient de werknemer een doeltreffend
rechtsherstel te verlenen. Verjaringstermijnen en rechtsverwerking kunnen
niet worden tegengeworpen indien zij ongunstiger zijn voor op het
gemeenschapsrecht gebaseerde vorderingen en indien de uitoefening van
communautaire rechten praktisch onmogelijk zouden worden gemaakt. Zie ook:
Ktg 17 februari 1993, RN 1993, 323, m.nt. Margriet Adema; Tijd is geld,
Vervolg in pensioenzaken: Advocaat generaal concludeert, Janny Dierx,
Nemesis 1993, p. 105-107; HvJ EG 14 december 1993 (Moroni), RN 1994, 383
en HvJ EG 22 december 1993 (Neath), RN 1994, 384, m.nt. Marjolein van den
Brink; Eur. Cie EG, schriftelijke opmerkingen 25 juni 1993 (Vroege), RN
1994, 401. Hierna volgt een sterk bekorte weergave van de conclusie.

Volledige tekst


In zaak C-128/93, Fisscher:

1. Artikel 119 EEG-Verdrag kan door de werknemer worden ingeroepen tegen
de beheerder van een bedrijfspensioenregeling.

2. Het gemeenschapsrecht verzet zich er niet tegen dat de nationale
rechter er overeenkomstig zijn nationale rechtsorde over waakt dat het
rechtsherstel dat aan werknemers wordt verleend op grond van artikel 119
EEG-Verdrag, niet uitloopt op een ongerechtvaardigde verrijking van de
betrokken werknemer; het verzet er zich wel tegen dat zulk rechtsherstel
zou leiden tot een nieuwe, met het beginsel van gelijke beloning voor
mannen en vrouwen strijdige discriminatie.

3. Het gemeenschapsrecht laat de toepassing van nationale verjaringsregels
of regels omtrent rechtsverwerking in gedingen tussen particulieren
onverlet, voor zover deze regels niet ongunstiger zijn voor op het
gemeenschapsrecht gebaseerde vorderingen dan voor soortgelijke nationale
vorderingen en de uitoefening van communautaire rechten door die regels
niet praktisch onmogelijk wordt gemaakt.

Zes verdachten stonden in de Eper-incestzaak terecht. De vader, de moeder
en de ex-man van aangeefster Jolanda in de tweede Eper-zaak wegens
babymoorden, gewelddadige abortussen, gepleegd tijdens of na
zwangerschappen van Jolanda en haar zusje Evelien. De drie andere
verdachten, de broers RvZ en GvZ en de 56-jarige AH stonden terecht wegens
hun aandeel in de abortussen en het doen verdwijnen van de baby’s, en
wegens seksueel geweld tegen Jolanda. De twee broers staan tevens terecht
wegens seksueel misbruik van de toen zeer jonge kinderen van Jolanda en
Evelien. Al direct bij de aanvang van de zitting van de Rechtbank Zutphen
verklaarde de officier van justitie onvoldoende bewijs te hebben voor de
babymoorden. Voor de broers was het de eerste Eper-zaak. In juli staan zij
terecht in hun tweede Eper-zaak wegens seksueel misbruik van andere
kinderen, onder wie die van AH, die dan ook weer terechtstaat. Hieronder
zijn opgenomen de vonnissen van de Rechtbank Zutphen in de zaak van DW (de
moeder) en RvZ, het algemeen deel van het requisitoir van de PG in Arnhem
en het arrest van het Hof Arnhem in de zaak tegen vader AvB. De officier
van justitie, de rechtbank, de PG en het hof kwamen ieder tot andere
feitencomplexen en bewezenverklaringen. Vandaar dat aan het arrest de
samenvatting voorafgaat die het hof nog heeft opgesteld.

Rechters

onbekend

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 6 juni 1994

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Betrokkene wil toegelaten worden tot de diakenopleiding van de
Rooms Katholieke kerk. De vordering bij de rechtbank is afgewezen. Het
Hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. Het Hof verwerpt het
beroep op art. 3 jo art. 14 EVRM. Het niet toelaten van eiseres tot de
diakenopleiding omdat zij een vrouw is acht het Hof geen vernederende
behandeling in de zin van art. 3 EVRM. Volgens het Hof biedt de Wet
gelijke behandeling kerkgenootschappen de vrijheid onderscheid te
maken tussen mannen en vrouwen op grond van hun levensbeschouwing.
Art. 5 lid 3 WGB geeft deze mogelijkheid en naar het oordeel van het
Hof is er geen geschreven of ongeschreven rechtsregel die er aan in de
weg staat om de botsing van grondrechten aldus op te lossen.

Volledige tekst

1. De eerste aanleg Bij dat vonnis heeft de Rechtbank overwogen
en beslist als weergegeven in de aangehechte fotokopie van dat vonnis.

2. Het geding in hoger beroep Van dat vonnis bij eerder genoemd
exploit in hoger beroep gekomen, hebben appellanten negen grieven,
waarvan sommige onderverdeeld in sub-grieven, voorgedragen, zonder
bezwaar van de tegenpartij hun vorderingen vermeerderd, en
geconcludeerd om: het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te
‘s-Hertogenbosch d.d. 11 december 1992 te vernietigen en alsnog
rechtdoende: primair: – thans geintimeerde te veroordelen tot
toelating van mevrouw L tot de diakenopleiding van het Bisdom
‘s-Hertogenbosch met uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het aan
het Hof verzocht arrest; – thans geintimeerde te veroordelen tot
betaling van een dwangsom van ƒ 10.000,- voor iedere
scholingsbijeenkomst, waarbij aan thans appellante sub 1 feitelijk de
toegang tot die opleiding wordt ontzegd, ingaande zeven dagen nadat
het vonnis is betekend.

subsidiair: – thans geintimeerde te veroordelen de vraag of
overeenkomstig de hedendaagse theologische opvattingen en de huidige
pastorale situatie, vrouwen tot de diakenwijding kunnen worden
toegelaten, voor te leggen aan de eerstvolgende
Bisschoppenconferentie, zodat hierover een breder standpunt bepaald
kan worden dat in overeenstemming is met de maatschappelijke
opvattingen van deze tijd; – thans geintimeerde te veroordelen de
schriftelijke bewijzen van de voorlegging van deze vraag, zoals
hierboven bedoeld, binnen 3 maanden na betekening van het arrest, over
te leggen, op straffe van een dwangsom ter hoogte van ƒ 10.000,- voor
iedere dag dat geintimeerde in gebreke blijft;

primair en subsidiair: – dit arrest uitvoerbaar bij voorraad te
verklaren; – geintimeerde te veroordelen in de kosten van dit en het
vorig geding.

Hierna hebben appellanten een akte ter rolle genomen.

Vervolgens heeft geintimeerde bij memorie van antwoord de grieven
bestreden en geconcludeerd: het vonnis van de arrondissementsrechtbank
te ‘s-Hertogenbosch op 11 december 1992 tussen partijen gewezen te
bevestigen, voor zover nodig met verbetering c.q. aanvulling van de
gronden waarop het rust, met veroordeling van appellanten in de kosten
van deze appelprocedure alsmede van de procedure in eerste aanleg.

Tenslotte hebben partijen om uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep De grieven luiden als volgt:

Grief 1 Ten onrechte heeft de Rechtbank in haar vonnis d.d. 11
december 1992 overwogen, als geformuleerd in rechtsoverweging 3.1.,
dat de vordering van eiseres sub 2, hierna te noemen de Stichting
Vrouwmens, niet ontvankelijk is.

Grief 2. Ten onrechte overweegt de Rechtbank als overwogen in
rechtsoverweging 3.4.4. dat slechts degenen die volledig bekwaam zijn
voor de diakenwijding toegelaten kunnen worden toe de diakenopleiding
ex canon 241 paragraaf 1 Codex.

Grief 2b. Ten onrechte overweegt de Rechtbank als overwogen in
rechtsoverweging 3.4.4. dat de opleiding tot diaken en de wijding tot
diaken niet los van elkaar gezien kunnen worden.

Grief 3. Ten onrechte herleidt de Rechtbank de rechtsvraag van
eiseressen in eerste aanleg tot de vraag of het binnen de Nederlandse
Rechtsorde ontoelaatbaar is dat vrouwen door de kerk van geestelijke
(althans gewijde) ambten (inzonderheid het diakonaat) worden
uitgesloten. Rechtsoverweging 3.4.5. laatste alinea.

Grief 4a. Ten onrechte verwerpt de Rechtbank in rechtsoverweging
3.4.6. het beroep van eiseressen in eerste aanleg op art. 3 van het
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden.

Grief 4b. Ten onrechte overweegt de Rechtbank als overwogen in
rechtsoverweging 3.4.6. dat in het midden kan blijven of mevrouw L
rechtstreeks tegenover de Bisschop een beroep heeft op het E.V.R.M.

Grief 4c. Ten onrechte overweegt de Rechtbank als overwogen in
rechtsoverweging 3.4.7. dat het E.V.R.M. geen algemene anti-
discriminatiebepaling bevat.

Grief 5. Ten onrechte verwerpt de Rechtbank het beroep op de
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, zoals ze doet in
rechtsoverweging 3.4.7.

Grief 6a. Ten onrechte overweegt de Rechtbank in rechtsoverweging
3.4.8. dat de Wet Gelijke behandeling (WGB) waardoor de EEG-Richtlijn
76/207 in het Nederlands Recht geimplementeerd is het gewraakte
onderscheid niet verbiedt.

Grief 6b. Ten onrechte overweegt de Rechtbank in rechtsoverweging
3.4.8. dat eiseressen in eerste aanleg hun stelling, dat de WGB het
gewraakt onderscheid verbiedt, niet gemotiveerd hebben en er voor deze
stelling nergens een aanknopingspunt is te vinden.

Grief 7. Ten onrechte overweegt de Rechtbank in rechtsoverweging
3.4.11. dat weliswaar het BUPO-Verdrag, het Internationale Verdrag
inzake economische, sociale en culturele rechten het Internationale
Verdrag inzake uitbanning van alle vormen van discriminatie van
vrouwen, de fundamentele gelijkheid van mannen en vrouwen en het
verbod tot discriminatie tot uitdrukking brengen, maar dat dit niet
van een hogere orde is dan de vrijheid van godsdienst en het daaruit
afgeleide recht van vrijheid van kerken om zich naar eigen inzicht te
organiseren.

De onrechtmatigheid van het handelen van de Bisschop kan volgens de
Rechtbank in rechtsoverweging 3.4.10 evenmin afgeleid worden uit art.
1 GW, omdat er geen rangorde zou bestaan tussen dit artikel en art. 6
GW, dat de vrijheid van godsdienst waarborgt.

Grief 8. Ten onrechte formuleert de Rechtbank in rechtsoverweging
3.4.11. de vraag naar wat aan de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm
getoetst moet worden, de vraag is of de maatschappelijke opvattingen
(ook) inhouden, dat de Bisschop als ambtsdragers van de kerk voormeld
onderscheid rechtens mag maken. Ten onrechte baseert de Rechtbank haar
antwoord op art. 5 lid 3 aanhef en sub a WGB.

Grief 9. Ten onrechte overweegt de Rechtbank in rechtsoverweging 3.6.
als obiter dictum dat de Bisschop zich nog niet gebogen heeft over de
vraag of mevrouw L in alle (andere) relevante opzichten geschikt is om
tot de opleiding te worden toegelaten.

4. Beoordeling 4.1. In hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende
feiten: a. L heeft in 1990 als vrouw van toen 55 jaar toelating
verzocht tot de diakenopleiding van het Bisdom ‘s- Hertogenbosch en
daarbij de wens kenbaar gemaakt om na de voltooiing van die opleiding
gewijd te worden tot diaken in het Bisdom.

b. Deze opleiding wordt gegeven binnen het St. Janscentrum, priester-
en diakenopleiding, zijnde het Seminarie van het Bisdom
‘s-Hertogenbosch. Het betreft een vier-jarige opleiding, waarvan de
eerste drie jaar een theoretisch karakter hebben en het vierde jaar
bestemd is voor het lopen van stage onder supervisie.

c. L is niet tot de diakenopleiding toegelaten, omdat in de
Rooms-Katholieke alleen mannen tot diaken kunnen worden gewijd.

d. L heeft vanwege deze niet-toelating een klacht ingediend bij de
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid,
welke Commissie op 2 juli 1992 heeft beslist dat de Bisschop jegens L
geen onderscheid naar geslacht in strijd met de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen heeft gemaakt door haar de toegang
tot de diakenopleiding te weigeren.

e. De Stichting heeft blijkens artikel 2 lid 1 van haar Statuten tot
doel “het aanmoedigen, bewerkstelligen en bewaken van de gelijkheid en
gelijkwaardigheid van het aandeel van vrouwen en mannen op alle
werkterreinen van en bij alle functies binnen de Rooms-Katholieke Kerk
en het opkomen voor personen die zich inzetten voor de emancipatie en
gelijkheid van de vrouw op alle werkterreinen van en bij alle functies
binnen de Rooms-Katholieke Kerk, en voorts al hetgeen met een en ander
rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan
zijn, alles in de ruimste zin des woords”. Ingevolge lid 2 van dat
artikel beoogt de Stichting haar doel o.m. te verwezenlijken door:

“-het bevorderen van activiteiten en het bijstaan bij het ontplooien
van initiatieven, welke gericht zijn op het bereiken van de hiervoor
geformuleerde doelstellingen; – het initieren van bezigheden en het
schrijven van stukken, welke de meningsvorming op het onderhavige
gebied in progressieve zin beinvloeden; – het op alle mogelijke
sociale, politieke en juridische manieren reageren op tegen het
streven van de stichting gekante acties, activiteiten of publikaties
en hiertegen-zo- nodig-in rechte op te treden.

4.2. L en de Stichting vorderen – kort gezegd – primair de Bisschop te
veroordelen om L op straffe van een dwangsom toe te laten tot de
diakenopleiding en – na hun eis in hoger beroep te hebben uitgebreid –
subsidiair de Bisschop te veroordelen om op straffe van een dwangsom
de vraag of overeenkomstig de hedendaagse theologische opvattingen en
de huidige pastorale situatie, vrouwen tot de diakenwijding kunnen
worden toegelaten, voor te leggen aan de eerstkomende Nederlandse
Bisschoppenconferentie. In eerste aanleg werd uitsluitend gevorderd
hetgeen thans primair wordt gevorderd. Toen werd de Stichting niet
ontvankelijk verklaard in haar vorderingen en werden de vorderingen
aan L ontzegd.

4.3. Grief 1 houdt in dat de Rechtbank ten onrechte de Stichting
niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar thans primaire vorderingen.
Deze grief faalt.

4.3.1. De Stichting heeft niet zelf rechtstreeks belang bij de
vordering tot toelating van L tot de diakenopleiding. Er is evenmin
sprake van een bundeling van bij die vordering betrokken belangen,
waarbij die bundeling geacht kan worden een efficiente en/of
effectieve rechtsbescherming van die belangen te bevorderen.

4.3.2. Dit laatste is anders met betrekking tot de subsidiaire
vorderingen.

4.3.3. In dit verband wordt daarom reeds thans te kennen gegeven dat
voor toewijzing van deze subsidiaire vorderingen geen grondslag is
aangevoerd of gebleken. Het is niet aan appellanten om de agenda van
de Bisschoppenconferentie te bepalen en appellanten hebben niet
duidelijk gemaakt waarom de Bisschop verplicht zou zijn om hun vraag
aan de Bisschoppenconferentie voor te leggen. De subsidiaire
vorderingen zullen daarom ten opzichte van beide appellanten worden
afgewezen. Hierna zijn nog slechts de primaire vorderingen van L aan
de orde.

4.4. De grieven 2a, 2b, en 3 hebben betrekking op de door de Rechtbank
gelegde relatie tussen de opleiding tot diaken en de wijding tot
diaken.

4.4.1. De te dezen relevante bepalingen zijn canon 241 par. 1 en canon
1024 van de Codex Iuris Canonici, hierna de Codex. Deze bepalingen
luiden: canon 241 par. 1: Tot het grootseminarie mogen door de
diocesane Bisschop alleen degenen toegelaten worden die, rekening
houdend met hun menselijke en morele, geestelijke en intellectuele
gaven, met hun fysieke en psychische gezondheidstoestand alsmede hun
juiste gezindheid, bekwaam geacht worden zich voor het leven te wijden
aan de gewijde bedieningen.

canon 1024: Alleen een gedoopte man ontvangt geldig de heilige
wijding.

4.4.2. Voormelde canon 241 par. 1 brengt tot uitdrukking dat tot de
diakenopleiding slechts mogen worden toegelaten degenen die bekwaam
geacht worden om tot diaken te worden gewijd. De ratio van deze
bepaling is kennelijk dat de opleidingsplaatsen voor diaken slechts
bestemd zijn voor degenen, van wie verwacht mag worden dat zij ook
daadwerkelijk diaken zullen worden. Voorzover al niet rechtstreeks,
brengt daarom in elk geval de ratio van deze bepaling met zich, dat L,
omdat zij als vrouw ingevolge voormelde canon 1024 niet voor de
diakenwijding in aanmerking komt, volgens canoniek recht eveneens
uitgesloten is van de opleiding tot diaken.

4.4.3. De door de Rechtbank gelegde relatie tussen de opleiding van en
wijding tot diaken is dus juist. De hier besproken grieven falen
derhalve.

4.5. De grieven 4a, 4b, en 4c houden verband met het door L gedaan
beroep op art. 3 jo. artikel 14 van het Europees verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,
hierna het EVRM. Deze grieven kunnen om de na te noemen reden geen
doel treffen.

4.5.1. Artikel 3 van het EVRM luidt: niemand mag worden onderworpen
aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandeling of
bestraffingen. Artikel 14 van dat verdrag luidt: Het genot van de
rechten en vrijheden, die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden
verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht,
ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of
maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid,
vermogen, geboorte of andere status.

4.5.2. Zoals uit de tekst van voormeld artikel 14 blijkt, bevat dit
artikel geen algemeen gelijkheids- en antidiscriminatieverbod, maar
biedt het slechts bescherming met betrekking tot de rechten en
vrijheden in het verdrag genoemd. Alleen in enige samenhang met een
ander artikel van het EVRM of een Protocol kan het worden ingeroepen.
Het door L op artikel 3 jo. artikel 14 van het EVRM gedaan beroep kan
echter niet slagen, aangezien de niet-toelating van L tot de
diakenopleiding omdat zij een vrouw is geen vernederende behandeling
is in de zin van voormeld artikel 3 van het Verdrag. Ook het Hof zal
daarom in het midden laten in hoeverre L ten opzichte van de Bisschop
rechtstreeks een beroep op voormelde bepalingen van het EVRM toekomt.

4.6. Grief 5. klaagt er over dat de Rechtbank het door L gedaan beroep
op de Universele verklaring van de rechten van de mens heeft
verworpen. Met name beroept L zich op de artikelen 2 lid 1, 23 lid 1,
en 26 lid 1 van die verklaring. Zij bestrijdt niet dat de verklaring
geen “een ieder verbindende bepalingen bevat” in de zin van artikel 93
Grondwet, maar vraagt om een uitleg van het nationale recht
overeenkomstig het in die verklaring bepaalde.

4.6.1. Het Hof stelt voorop dat indien het nationale recht
overeenkomstig het in de Universele verklaring bepaalde moet worden
uitgelegd, daarbij dan wel mede in aanmerking dient te worden genomen
dat artikel 18 van die verklaring ook zegt dat een ieder recht heeft
op vrijheid van godsdienst. Over de verhouding tussen dit beginsel en
dat, waarop L zich beroept en de gevolgen daarvan voor de onderhavige
zaak, zal hieronder bij de bespreking van de grieven 7 en 8 worden
teruggekomen.

4.7. Blijkens de toelichting op de grieven 6a, en 6b. gaan deze
grieven over de uitleg van artikel 5 lid 3 van de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen, hierna de WGB. L is wel – anders
dan de Rechtbank heeft overwogen – van mening dat de tekst van deze
wet in overeenstemming is met de betreffende EEG-Richtlijn.

4.7.1. Voorzover van belang luidt artikel 5 lid 3 WGB: “3. Als
beroepsactiviteiten en hiervoor noodzakelijke opleidingen waarvoor
vanwege hun aard of de voorwaarden voor de uitoefening ervan het
geslacht bepalend kan zijn, worden slechts beschouwd die welke behoren
tot respectievelijke opleiden voor een of meer van de volgen de
categorieen: a. geestelijke ambten …. “

4.7.2. Volgens L volgt uit het gebruik van het woord “kan” dat in elk
concreet geval dient te worden bepaald of de aard en de voorwaarden
voor de uitoefening van het beroep of de opleiding daartoe, het
geslacht bepalend is. In het onderhavige geval zou de Bisschop behoren
te motiveren waarom het geslacht bepalend is, waarna, zoals het Hof
begrijpt, de rechter daarover zou moeten beslissen.

4.7.3. In overeenstemming met de hierboven vermelde beslissing van de
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen van 2 juli 1992 is
het Hof van oordeel dat de vrijheid om het geestelijk ambt slechts
open te stellen voor een van beide geslachten (de kanbepaling van art.
5 lid 3 WGB) voorbehouden is aan de desbetreffende kerkgenootschappen.
De “aard of voorwaarden voor de uitoefening” als bedoeld in artikel 5
lid 3 dienen zo opgevat te worden, dat de vrijheid van godsdienst en
de daarmee samenhangende vrijheid van inrichting zo zwaar wegen, dat
het aan degene die een beroepsopleiding voor en geestelijk ambt in
stand houdt, krachtens de bewoordingen van de WGB vrijstaat
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen op grond van zijn
levensbeschouwing.

4.7.4. Deze interpretatie komt ook niet in strijd met de betreffende
EEG-Richtlijn, nu artikel 2 lid 2 van die richtlijn op dit punt
slechts inhoudt dat deze richtlijn geen belemmering vormt voor de
bevoegdheid van de lid-staten om beroepsactiviteiten van de toepassing
hiervan uit te sluiten en, in voorkomend geval, de hiervoor
noodzakelijke opleidingen, waarvoor vanwege hun aard of de voorwaarden
voor de uitoefening ervan, het geslacht een bepalende factor is.

4.7.5. De grieven 6a en 6b treffen dus geen doel.

4.8. De grieven 7 en 8 hebben betrekking op de rechtsoverweging 3.4.9.
t/m 3.4.11 van de Rechtbank. Deze grieven lenen zich voor een
gezamenlijke behandeling.

4.8.1. Blijkens de toelichting op grief 7 gaat het er L om dat bij
strijd tussen grondrechten niet alleen gekeken moet worden naar
hetgeen volgens de regels van ongeschreven recht in het
maatschappelijk verkeer betaamt, maar ook op het geschreven recht en
wel op artikel 5 lid 3 WGB, artikel 26 van het Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO-Verdrag) en artikel 3
jo.art 14 van het EVRM.

Deze bepalingen en alle andere door haar ingeroepen verdragen
(Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele
rechten, Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen
van discriminatie van vrouwen) geven volgens L invulling van de
zorgvuldigheidsnorm van art. 6. 162 B.W. en de zorgvuldigheidsnorm zou
in dat licht geinterpreteerd moeten worden. Volgens de toelichting op
grief 8 wordt artikel 5 lid 3 WGB door de Rechtbank (en de Commissie
gelijke behandeling) fout geinterpreteerd. Deze interpretatie zou geen
steun vinden in de tekst van de wet en evenmin in de betreffende EEG-
Richtlijn. Bovendien zou de interpretatie in strijd zijn met artikel 1
van de Grondwet. Voorts is L van mening dat door de feitelijke
voorrang die de Rechtbank aan art. 6 van de Grondwet geeft, er geen
recht wordt gedaan het gelijkheidsbeginsel.

4.8.2. Voor wat betreft de interpretatie van artikel 5 lid 3 WGB
verwijst het Hof naar hetgeen te dien aanzien hierboven is overwogen.
Anders dan L heeft betoogd is deze interpretatie noch in strijd met de
tekst van de wet en evenmin met die van de betreffende EEG-Richtlijn.
Bedoelde bepaling laat dus toe dat er bij geestelijke ambten en de
daarvoor noodzakelijk opleidingen onderscheid wordt gemaakt tussen
mannen en vrouwen.

4.8.3. Naast de door L genoemde wets- en verdragsbepalingen over het
anti-discriminatiebeginsel zijn er echter bepalingen over het bestaan
van vrijheid van godsdienst, waaronder de vrijheid van kerken om zich
naar eigen inzicht te organiseren, op welke bepalingen de Bisschop
zich heeft beroepen. De door L voorgestane interpretatie van het
nationale recht in het licht van de door haar genoemde bepalingen over
anti- discriminatie, geeft geen antwoord op de vraag, waarover het in
het onderhavige geval gaat, te weten of de vrijheid van godsdienst
meebrengt dat voor de bekleding van geestelijke ambten en de opleiding
daarvoor onderscheid tussen mannen en vrouwen mag worden gemaakt.

Deze vraag dient gelet op meerbedoeld artikel 5 lid 3 WGB bevestigend
te worden beantwoord en naar het oordeel van het Hof is er geen
geschreven of ongeschreven rechtsregel die er aan in de weg staat om
deze botsing van grondrechten aldus op te lossen. Ook naar het oordeel
van het Hof kan daarom niet worden aanvaard dat de Bisschop een
verboden onderscheid tussen mannen en vrouwen heeft gemaakt.

4.8.4. De grieven 7 en 8 falen derhalve.

4.9. Nu om voormelde redenen de vorderingen van L niet kunnen slagen,
heeft zij geen belang meer bij haar grief 9 en deze zal daarom buit
bespreking blijven.

4.10 Het bovenstaande brengt met zich dat het beroepen vonnis moet
worden bekrachtigd en dat de subsidiaire vorderingen behoren te worden
afgewezen. Appellanten zullen als de in het ongelijke gestelde partij
in de kosten van dit hoger beroep worden veroordeeld.

5. De beslissing Het Hof: Bekrachtigt het tussen partijen door de
Rechtbank te ‘s- Hertogenbosch gewezen vonnis d.d. 11 december 1992,
waarvan beroep. Wijst de subsidiaire vorderingen van appellanten af.
Veroordeelt appellanten in de kosten van deze instantie en begroot
deze kosten tot deze uitspraak aan de zijde van geintimeerde op ƒ
350,- aan verschotten en ƒ 1400,- aan salaris.

Rechters

Mouton, Zwitser-Schouten, Van den Elzen

Instantie: Requisitoir procureur-generaal mr. Van Kuijck, 3 juni 1994

Instantie

Requisitoir procureur-generaal mr. Van Kuijck

Samenvatting


Zes verdachten stonden in de Eper-incestzaak terecht. De vader, de moeder
en de ex-man van aangeefster Jolanda in de tweede Eper-zaak wegens
babymoorden, gewelddadige abortussen, gepleegd tijdens of na
zwangerschappen van Jolanda en haar zusje Evelien. De drie andere
verdachten, de broers RvZ en GvZ en de 56-jarige AH stonden terecht wegens
hun aandeel in de abortussen en het doen verdwijnen van de baby’s, en
wegens seksueel geweld tegen Jolanda. De twee broers staan tevens terecht
wegens seksueel misbruik van de toen zeer jonge kinderen van Jolanda en
Evelien. Al direct bij de aanvang van de zitting van de Rechtbank Zutphen
verklaarde de officier van justitie onvoldoende bewijs te hebben voor de
babymoorden. Voor de broers was het de eerste Eper-zaak. In juli staan zij
terecht in hun tweede Eper-zaak wegens seksueel misbruik van andere
kinderen, onder wie die van AH, die dan ook weer terechtstaat.

Volledige tekst

I. Inleiding Na de behandeling in eerste aanleg van deze zaak is de
publiciteit er om heen zeker niet minder geworden. Daaraan zal zeker
hebben bijgedragen de verschijning van het boek ‘Yolanda, mijn verhaal’
en de vierdelige televisiedocumentaire over Jolanda. Ook soortgelijke
zaken, die inmiddels opgedoken zijn in Den Helder en Augustinusga, doen
wat in de volksmond is gaan heten de Eper-incestzaak in de belangstelling
blijven staan. De ongeschreven regel in onze samenleving dat zolang een
zaak ‘onder de rechter is’ de media zich onthouden van alles, wat lijkt
op beinvloeding van de rechter, lijkt op de tocht te staan. Zoals de
officier van justitie in haar requisitoir ook al heeft opgemerkt moet de
beinvloeding van de rechter in de rechtszaal en niet daarbuiten gebeuren.

Niet dat we bang zouden hoeven te zijn dat de rechter door alle
publiciteit niet meer tot een onafhankelijk oordeel zou kunnen komen. Nee,
veel eerder gaat het om het voorkomen van een schending van het fair
trial-beginsel. Krachtens dit beginsel heeft de verdachte recht op een
openbaar onderzoek op tegenspraak voor een onafhankelijke en onpartijdige
rechter, waarbij de verdachte steeds zijn eigen visie naar voren moet
kunnen brengen. Aan dat beginsel kan afbreuk worden gedaan indien als het
ware buiten de rechter om via de media verder wordt geprocedeerd over de
hoofden van de procespartijen heen. Op zich is de toegenomen aandacht voor
de slachtoffers van incest en seksueel geweld een goede zaak. De discussie
daarover kan echter heel goed gevoerd worden in algemene termen zonder dat
op de merites wordt ingegaan van een zaak, die nog onder de rechter is.
Wat heeft het OM nu bij de behandeling van deze hoger beroepen tot stand
willen brengen: een gedegen onderzoek in de openbaarheid onder het
gevleugelde gezegde: ‘Justice must be seen to be done’, waarbij
waarheidsvinding voorop staat en waarbij, ter beoordeling van de feiten
en de omstandigheden, ook de algemene achtergronden van dit soort zaken
aan de orde komt. Deze strafzaak wordt gekenschetst als in groepsverband
uitgevoerd seksueel misbruik jegens kinderen/jonge meisjes, in combinatie
met extreme vormen van fysiek geweld en bedreiging. Dit doel is meen ik
bereikt.

Het is goed ons te realiseren dat iedere waarheid, ook de juridische een
gereconstrueerde waarheid is. Wat werkelijk gebeurd is, is slechts bij
benadering te achterhalen: All memory contains a degree of falsehood! Dat
het menselijk geheugen in hoge mate feilbaar is kan iedere psycholoog
bevestigen en weet ook iedereen uit eigen ervaring. Deskundigen kunnen wel
inzicht verschaffen in de factoren, die een rol kunnen spelen bij de
verwerking van traumatische gebeurtenissen en de herinnering daaraan, maar
ook met deze deskundigen kan de volledige waarheid niet worden
achterhaald. Justitie moet zich niet laten verleiden tot een stellingname
binnen de methodenstrijd tussen psychologen. Het gaat er niet om partij
te kiezen door de zogenaamde ‘believers’ of ‘non- believers’. Uitgangspunt
moet zijn een serieuze benadering van aangeefster en hun verklaringen. Dat
de verklaringen van aangeefsters fantastisch klinken, wil nog niet zeggen
dat deze verklaringen geheel op fantasie berusten en hierin toch niet op
zijn minst een kern van waarheid kan liggen. Ook al zou er deels sprake
zijn van ‘fantasie’, dan moet niet meteen gedacht worden aan kwader trouw
en opzettelijke leugens. Een vertekening van de werkelijkheid als symptoom
van post-traumatische stress is ook mogelijk.

Een soortgelijke conclusie is ook getrokken door de Werkgroep Ritueel
Misbruik: ‘De kans dat de verhalen die slachtoffers vertellen over ritueel
misbruik in volle omvang waar zijn is zeer gering. Dat betekent nog niet
dat deze verhalen geheel onjuist zijn. Vermeende slachtoffers van ritueel
misbruik zijn vaak aantoonbaar slachtoffer van “gewoon” seksueel misbruik’.
Dat dit soort fantastische verklaringen in eerste instantie ongeloof
oproept, heeft te maken met het feit dat datgene waarover verklaard wordt
mijlenver buiten de ervaringswereld van de meeste mensen ligt, zodat
hiervoor geen enkele empathie kan worden opgebracht. Er zijn twee
valkuilen waartegen wij ons moeten wapenen. Wagenaar en Soppe wijzen
hierop in hun rapport. Allereerst moeten wij in ons oordeel over de
betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen niet primair afgaan op wat
wij weten over de personen die de verklaringen hebben afgelegd. Onze
inspanningen moeten zich vooral richten op een analyse van de verklaringen
zelf, op de wijze waarop ze zich ontwikkeld hebben en op de omstandigheden
waaronder zij tot stand kwamen.

Kortom, het gaat om de vaststelling of de verklaring geloofwaardig is,
niet of de persoon die haar heeft afgelegd, dat is. Wagenaar en Soppe
noemen als consequentie van deze benaderingswijze dat in gevallen waarin
een deel van de verklaring onjuist of uitermate onwaarschijnlijk moet
worden geacht niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat de rest van
de verklaringen dus ook onbetrouwbaar is. Het omgekeerde geldt evenzeer:
wanneer mensen in een bepaald geval aantoonbaar de waarheid hebben
gesproken, volgt daaruit niet dat zij dat in een ander geval ook doen. De
andere valkuil is dat Justitie naar mate de delicten waarvan iemand
beschuldigd wordt, ernstiger zijn — en het gaat hier om zeer ernstige
delicten –, met minder bewijs genoegen neemt dan nodig is voor een
veroordeling ‘beyond any reasonable doubt’ ofwel zonder dat dit bewijs
voldoende verankerd is in de werkelijkheid. Peter Burger formuleerde het
op een meer populaire manier in de Volkskrant van 3 maart 1994: ‘Sterke
verhalen vragen om sterke bewijzen’. Ik wil thans overgaan tot de
bespreking van de afzonderlijke feiten die aan de verdachten ten laste
zijn gelegd. Niet echter dan na eerst nog een preliminaire kwestie aan de
orde te hebben gesteld.

(…)

Waardering verhoren/onderzoek

1. De ‘Deelman’-fase van het onderzoek Aan de orde is allereerst gekomen
de vraag hoe men moet aankijken tegen de staat van dit deel van het
onderzoek in de Eper zedenzaak, Epe 2 om het zo te zeggen. Daaromtrent
heeft de heer Deelman verklaard op 2 juni jl. Naar mijn oordeel heeft de
heer Deelman op zeer consistente en begrijpelijke wijze gehandeld. Bij hem
komt een hem onbekende jonge vrouw die aangifte doet van verkrachting.
Deze zaak leidt tot een gesprek over de achtergronden van het feit. Dit
is zoals het hoort en is goede slachtofferzorg. Wij willen graag dat de
Nederlandse politie dat zo doet.

Daarna volgen ontboezemingen over andere dingen. Deelman checkt dit alles,
voor zover mogelijk. Hij is zich — zo blijkt uit zijn verhoor — bewust
van zijn positie als steunverlener, luisterend oor en politieman die een
slachtoffer helpt bij het doen van een eventuele aangifte. Er is een
vermoeden van zeer ernstige strafbare feiten. Ik denk dat deze politieman
— die zijn houding moest zoeken, elke keer in het spanningsveld tussen
het behoud van de vertrouwensband met het slachtoffer en de noodzaak
afstand te houden; zijn taak goed vervuld heeft. Ik vind het dan ook geen
bezwaar dat Jolanda via deze weg is gekomen tot de aangifte, ook al weten
wij niet precies wat de inhoud is van deze gesprekken met de heer Deelman.

2. De aangifte

Dan de aangifte. Ik moet zeggen dat ik mij verbaasd heb over de commotie
die door de verdediging op dit punt is veroorzaakt en de indruk die
vervolgens in de pers is gewekt dat men wel ‘erg gemakkelijk’ wijzigingen
aanbracht in processen verbaal en deze aanpaste als dat voor Jolanda’s
verhaal nodig was. Het enige was nu gebeurd blijkt te zijn is dat Jolanda
in haar eigen aangifte wijzigingen heeft aangebracht. Mag dat niet? Zou
iemand zich niet eens mogen vergissen in een datum of een leeftijd bij
zo’n ingewikkelde en emotionele aangifte?

Het is natuurlijk niet handig van de politie om een tweede proces- verbaal
van aangifte te vervaardigen van een gewijzigde inhoud, maar met
vermelding van het tijdstip en de datum van opmaken en sluiten van het
eerst proces-verbaal van aangifte. Zoiets roept natuurlijk vragen op, maar
de suggesties die nu zijn opgeroepen in de pers zijn gratuit en
onbehoorlijk. Er is naar mijn oordeel geen reden om te twijfelen aan de
betrouwbaarheid van de aangifte van JvB. De heer Deelman is overigens na
deze aangifte zo verstandig geweest zich te beperken tot de functie van
stut en steun van Jolanda.

3. De verklaringen van Jolanda

De verklaring van Jolanda, neergelegd in haar aangifte en later in
aanvullende verklaringen, hebben Nederland geschokt en zijn wekenlang
vulling geweest voor krantenkolommen, TV- uitzendingen en columns. Ook
hebben zij in Nederland iets teweeg gebracht dat uitstijgt boven het
niveau van een normale discussie over een grote strafzaak: een gevoel dat
je iets moet vinden van Jolanda en haar standpunten, dat je je houding
moet bepalen ten opzichte van wat zij ons brengt en niet onverschillig
kunt blijven ten opzichte van haar leed. Sommigen zeggen zelfs dat Jolanda
het virus van de massahysterie in Nederland heeft binnengebracht.

Terugkijkend in globale zin op mijn eigen oordeel over de bewijsmiddelen
en de schets daarvan wil ik nog het volgende opmerken: Wat heel erg jammer
en nadelig is voor het juiste kader van deze strafzaak, is dat het proces
tegen de hoofdverdachten A en JvB en WS in feite in twee delen wordt
gevoerd, van elkaar in de tijd gescheiden door ongeveer twee jaar. De
oorzaak daarvan is dat de kroongetuige in deze zaak, JvB, haar verklaring
in twee hoofdonderdelen heeft afgelegd. Weliswaar zegt zijzelf, afgelopen
week nog, dat zij in eerste instantie ook al heeft verklaard over
babymoorden, maar dit heeft toen niet geleid tot een formele aangifte.

Het is niet mijn bedoeling om JvB hierover verwijten te maken, het is nu
eenmaal zo gelopen. Nu ik toch spreek over JvB is het misschien de tijd
en de plaats om een oordeel te geven over haar verklaringen en de
waardering die ik daaraan geef in het kader van dit strafproces. JvB heeft
het ons moeilijk gemaakt. Dat mag op zichzelf, want zijzelf heeft het in
haar leven ook heel moeilijk gehad, daarvoor bestaat veel begrip. Maar
haar standpunt over bijvoorbeeld de afgifte van haar dagboeken staat
daarvan los mijns inziens en dat standpunt is onbegrijpelijk. Als je
zoveel waarde hecht aan de waarheidsvinding en zo bereid bent daarvoor je
privacy op te geven als zij, zoals blijkt uit een reeks TV-optredens en
haar geruchtmakende boek, waarom dan die belangrijke boeken niet
afgegeven? Al was het maar een onderdeeltje? Als daarin dingen zouden
staan, bijvoorbeeld geschreven in 1983/1984, over babymoorden en
dergelijke, zou deze zaak er — wat het bewijs betreft — heel anders
voorstaan. Als de echtheid van dat dagboek zou blijken, zo er een zeer
belangrijk bewijsmiddel zijn en zou haar verklaring ook veel winnen aan
waarde voor de rechter. Maar zij doet het niet, zij weigert. Een waarom?

Vanwege haar privacy, zei ze in Zutphen. ‘Omdat dan de zaak van hoger hand
zou worden “stopgezet”‘ zei ze deze week tegen het hof. Ik moet u eerlijk
zeggen dat deze motivering mij geenszins overtuigt en ik het ook niet goed
begrijp. Ik blijf hier moeite mee hebben. Laten we het er maar op houden
dat deze dagboeken niet bestaan, maar dat Jolanda heel graag zou willen
dat ze wel zouden bestaan. U hebt deze week de getuige-deskundigen Draijer
en Eurelings-Bontekoe horen verklaren dat dit in het patroon past van
mensen met een ernstige persoonlijkheidsstoornis als gevolg van het
chronisch blootgesteld geweest zijn aan ingrijpende, overweldigende
traumatische ervaringen. Deze mensen kunnen in de tijd gebeurtenissen niet
meer goed scheiden en evenmin datgene wat hun eigen beleving is van wat
werkelijk gebeurd is of nu gebeurt. Bij dit alles komt dat JvB wel een
sterke persoonlijkheid lijkt, iemand die dwingt. U hebt gehoord hier in
de zaal dat zij de door haarzelf veronderstelde kwaliteit van haar
verklaring afhankelijk stelt van de vraag of de mensen ten opzichte van
wie deze verklaring wordt afgelegd haar in beginsel vertrouwen, dat wil
zeggen geloven. Zij introduceert daarmee het in mijn ogen rampzalige
beginsel van de ‘believers/non-believers’. Wie niet voor mij is, is tegen
mij.

De mensheid wordt verdeeld in mensen die Jolanda’s verklaring in volle
omvang moeten geloven (de believers) en alle anderen, en deze laatsten
worden bestempeld tot ‘non- believers’. Daarmee wordt het type
waarheidsvinding, zo als dat in het strafrecht van onze moderne
rechtsstaat wordt toegepast, in beginsel terzijde geschoven en keren wij
terug naar de duistere middeleeuwen. Deze geloofsbenadering — hoe terecht
ook gehanteerd als het gaat om geloofsvraagstukken of levensbeschouwing
en eventueel binnen persoonlijke vertrouwensrelaties — heeft een
tirannieke werking die mij met schrik vervult. In deze benadering zijn
feiten (plaats, tijd, omstandigheden) niet belangrijk meer en worden
gegevens aangepast aan een eenmaal gekozen geloofsartikel. Ik verwijs
bijvoorbeeld naar de manier waarop JvB deze week de vraag van het hof
beantwoordde over de huisarts. Moest die huisarts dan niet iets gemerkt
hebben van de verwondingen/bloedingen ten gevolge van de opgewekte
abortussen?

Voor de Eper-periode wordt dit afgedekt door de door haar al geruime tijd
beweerde betrokkenheid van haar toenmalige huisarts bij de samenspanning.
Toen haar werd gevraagd hoe dit dan in haar Elburgse tijd verliep,
antwoordde zij — in mijn ogen achteloos en ook met een zekere minachting
voor zo’n domme vraag — dat de huisartsen aldaar ook wel in het complot
zullen zitten. Als dit model staat voor de wijze waarop vele van haar
onthullingen, met name over de betrokkenheid van autoriteiten, tot stand
komen, behoeft daaraan niet veel tijd te worden besteed. Ik zeg dit alles
niet met vreugde, want ik zie deze verklaringen uitdrukkelijk tegen de
achtergrond van haar stoornis die een gevolg is/lijkt te zijn van het
enorme onrecht dat haar als kind en jong meisje is aangedaan door diegenen
die haar moesten beschermen. Wat de algemene geloofwaardigheid van
Jolanda’s verklaring betreft tenslotte, sluit ik mij graag aan bij het
oordeel van de deskundige Wagenaar.

Dat brengt mij terug naar de feiten van deze strafzaak, die eigenlijk een
cluster vormen met de feiten die reeds in de jaren 1990-1991 aan de
rechter zijn voorgelegd. In het gezin vB heeft zich in de jaren 1978 tot
circa 1986 een onvoorstelbare reeks gewelddaden tegen EvB en JvB
voltrokken. Ernstig, pervers, sadistisch seksueel geweld tegen deze
meisjes, mishandeling, verkrachting, ontucht, verwaarlozing en wat al
niet. Deze feiten zijn ook, alles op basis van de aangiften van Evelien
en Jolanda, in de vorm van tenlasteleggingen van strafbare feiten bewezen
verklaard. De hoofdverdachten, AvB en DvB en WS, zijn daarvoor
veroordeeld.

Ik releveer dit nog eens even: Overzicht afdoening Eper-zaken

I P 849-91 AvB, de vader Arrest Hof Arnhem d.d. 24-06-1991: terzake van
verschillende zedenmisdrijven (verkrachtingen, gemeenschap met meisjes
beneden de twaalf jaar, feitelijke aanranding, en dat alles meermalen
gepleegd), veroordeeld tot gevangenisstraf zeven jaar OV m.a.

P 1279-91 WS, de ex-echtgenoot Arrest Hof Arnhem d.d. 10-09-1991: terzake
van feitelijke aanranding van JvB veroordeeld tot gevangenisstraf van 1
jaar OV. Onherroepelijk

P 851-91 WS, de ex-echtgenoot Arrest Hof Arnhem d.d. 10-09-1991: terzake
van 1) medeplegen van verkrachting van JvB, meermalen gepleegd en 2)
medeplegen van feitelijke aanranding van JvB, meermalen gepleegd,
veroordeeld tot gevangenisstraf van drie jaar waarvan een jaar
voorwaardelijk. Pt. twee jaar. Cassatieberoep verdediging verworpen op
09-06-1992.

GW, de moeder Vonnis rechtbank d.d. 16-01-1991: gevangenisstraf van drie
jaar en zes maanden met aftrek. Ook toen stond de verklaring van JvB niet
op zich, maar werd deze ondersteund door die van haar zus Evelien.

Opvallend is dat haar moeder evenals haar broer toentertijd hebben berust
in het vonnis van de Rechtbank Zutphen. Wanneer men deze veroordelingen,
in ieder geval de feiten waarop zij berusten, ziet als in feite deel
uitmakend van deze zaak, komt deze zaak in een ander, meer helder
perspectief te staan.

De verklaringen van EvB en JvB hebben geleid tot strafrechtelijke
vervolging en veroordeling van de daders, kennelijk zolang deze
verklaringen niet bepaalde grenzen overschrijden en zij ook door andere
bronnen gevalideerd worden. Waar echter de verklaringen van Jolanda (en
alleen van Jolanda) zich bewegen op het terrein van rituelen, mythen,
samenspanning op grote schaal, moord op baby’s en dergelijke, komen er
grote problemen met de waarheidsvinding en met de validering. De
geloofwaardigheid van haar verklaringen neemt hiermee af. Hiervoor is
daarover al een oordeel gegeven. Het hoeft dus niet te verwonderen dat de
conclusie ten aanzien van het bewijs in de zaken van AvB en DvB en WS in
de nu voorliggende zaak met ernstigere beschuldigingen dan in 1990-1991
bepaald mager is: er is niet veel bewijs.

Met betrekking tot de verdachten H en de gebroeders vZ ligt dit echter
heel anders. In die zaken is dan ook geen voorgeschiedenis. Zij kunnen nu
in hun volle omvang worden beoordeeld. Als dus op basis van de uitvoerige
en grondige behandeling van deze zaak door uw Hof met betrekking tot de
hoofdverdachten weinig bewijs op tafel komt, en dus vrijspraken of
beperkte veroordelingen, betekent dat dus absoluut niet dat de
slachtoffers in het geheel niet geloofd worden. Het betekent alleen dat
er grenzen zijn aan wat op grond van de huidige kennis en ervaring wordt
aanvaard als strafrechtelijk bewijs.

Ik keer terug naar de functie van de verklaring van Jolanda in de
strafzaak zelf. De vraag wat mijn oordeel is over de verklaring van JvB
berust, in navolging van het op zich uitstekende rapport Wagenaar, op een
analyse van de verklaring zelf. In dat opzicht ben ik het met prof.
Wagenaar volkomen eens. Het is overigens de in het strafrecht
gebruikelijke manier — ik zou haast zeggen de onder juristen al
eeuwenlang gehanteerde manier — om verklaringen te analyseren. Wagenaar
heeft drie bladzijden nodig om tot dat uitgangspunt te komen (p. 9-13 van
zijn rapport).

Wat dan de conclusies van Wagenaar en Soppe betreft: Ik meen dat Wagenaar
en Soppe te weinig rekening houden met het door Draijer en anderen
gesignaleerde probleem dat slachtoffers als Jolanda en Evelien hebben met
herinneringen en tijdsbepaling, dit als gevolg van ernstige traumatische
gebeurtenissen. In dat licht wordt het nog begrijpelijker dan bij anderen
al het geval zou zijn geweest, dat zij zich wel eens vergissen en op zich
moeite hebben met de tijdsbepaling van een en ander. Dit doet in het
algemeen geen afbreuk aan de betrouwbaarheid. Verder is er mijns inziens
geen sprake van de aannemelijkheid van inductie van informatie door
Deelman, door mevrouw King of andere ons bekende hulpverleners.

Hypnose is enkele malen na de aangifte toegepast. Ook met de beweerdelijke
verderfelijke invloed van het contact tussen Jolanda en Evelien en de
invloed van mevrouw Frouws valt het nogal mee. Het Hof heeft de
verklaringen daaromtrent van Frouws en Brinkhuis gehoord. Mijns inziens
is de kwaliteit van het onderzoek hier — in tegenstelling tot Wagenaar’s
beweringen — zo goed als dat kan onder deze omstandigheden. Over de
invloed van de heer Deelman heb ik al het nodige gezegd. Dan de door
Wagenaar vermelde tegenspraak en inconsistenties in Jolanda’s
verklaringen. Ik geloof dat hij met zijn constateringen op een aantal
punten grotendeels gelijk heeft, ikzelf heb er ook al op gewezen. De
verklaringen rammelen op veel punten. Over het waarom daarvan kunnen we
speculeren. Wagenaar geeft een aantal mogelijke oorzaken: het
Othello-effect: Iemand ziet als slachtoffer van ernstige misdrijven in dat
het bewijs niet geleverd zal worden en besluit het te produceren.

Wraakgevoelens en de wens om in de aandacht te staan kunnen een rol
spelen. Wie zal het zeggen. Het rapport Ritueel misbruik (p. 33) geeft nog
een andere, meer algemene, verklaring. De verhalen over ritueel misbruik
(en Jolanda’s verhaal past in die categorie, min of meer) zouden een
vervanger zijn voor andere traumata, een soort defensiemechanisme waarmee
andere minder extreme traumata kunnen worden verwerkt. Het is een
verklaring die natuurlijk heel goed past bij het verhaal van Jolanda,
omdat wij vrijwel zeker weten uit de strafzaak Epe, dat zij andere
traumata (seksueel misbruik vanaf haar achtste jaar, mishandelingen,
bedreigingen, verwaarlozingen, ontucht etc.) heeft moeten verwerken. Ik
ben geneigd de zaak op deze wijze te zien.

In dat licht bezien hebben haar verklaringen over de
zwangerschapsonderbrekingen een grote mate van geloofwaardigheid (feit 4
primair), deze feiten liggen immers vlak ‘naast’ de feiten uit Epe, die
verdrongen moeten worden. Ook zeer belangrijk acht ik het dat Evelien’s
verklaring, hier ter zitting afgelegd, daarmee volstrekt spoort. Evelien
heeft verklaard dat zij al deze handelingen, gericht op
zwangerschapsonderbreking, ook heeft moeten doorstaan, zij het jaren
eerder. Evelien’s verklaringen worden vervolgens veel betrouwbaarder als
men niet zo negatief denkt over mevrouw Frouws als Wagenaar doet (p. 32).

Ik zie daar eerlijk gezegd geen reden toe. Mevrouw Frouws heeft ter
zitting volkomen openhartig en duidelijk verklaard over haar rol als
‘notulist’ van Evelien. Mijns inziens zet Wagenaar de mogelijke inductie
van gegevens door haar bij Evelien veel te zwaar aan. Als dat element niet
speelt, valt een belangrijk deel weg van de negatieve beoordeling door
Wagenaar.

Ook de negatieve aandacht die Wagenaar geeft aan de samenkomst van Jolanda
en Evelien lijkt mij sterk overdreven, u hebt daarover gisteren de
verklaring van de heer Brinkhuis gehoord. Men heeft dit georganiseerd, na
zekere tijd, omdat het een wens was van met name Jolanda en niet meer de
vermijden viel. Wat is er, als al zoveel verklaringen zijn afgelegd, zo
ruineus aan ten opzichte van het onderzoek? Tenslotte spoort met deze
visie op Jolanda’s verklaring ook de aanpak van het team, zoals die
opnieuw in augustus 1993 werd gekozen onder leiding van de heer Groenouwe.
Uitgangspunt werden de zwangerschapsonderbrekingen en uiteraard bleef men
zoeken naar sporen, technisch bewijs, van andere feiten, met name van de
babymoorden.

4. Het politieonderzoek in het algemeen

Dat brengt mij terug bij het politieonderzoek in het algemeen. Daarover
is deze dagen al zeer veel gesproken en zijn uitlatingen gedaan, met name
door de heren Wagenaar, Soppe, Schippers en V.d. Eshof, die de
krantekoppen hebben gehaald. Laat ik om te beginnen eens zeggen, dat het
op de allereerste plaats de politie zelf is geweest die zich deze kritiek
op de hals heeft gehaald. Het team in Epe heeft zelf de CRI opgezocht, het
is zelf naar de rechercheschool gegaan, het heeft zelf nog veel
deskundigheid opgezocht. En waarom? Omdat ook de politie wel wist en weet
dat hier een heel gecompliceerde en moeilijke materie ligt met
verklaringen van aangevers die het verdienen tot op de bodem te worden
uitgezocht. Dat wil de overheid, dat wil de justitie, dat willen de
burgers en vooral de media! Ik wil hier eens een compliment uitdelen aan
de zeer openhartige grondhouding van de politie ten opzichte van het eigen
werk: ik zie niet dagelijks instituties in dit land die zich zo open
durven te stellen voor de expertise van anderen. Maar goed, wat is het
gevolg?

Stank voor dank, zegt de volksmond. Een zeer van zichzelf overtuigde heer
als Schippers van de CRI komt hier vertellen dat er niet naar hem
geluisterd is en dat dus alles verkeerd is met het onderzoek, Van de Eshof
sluit daarbij aan. Wagenaar en Soppe zien zwakke schakels in het onderzoek
en moeten keer op keer haast gedwongen worden om de zaak in proporties te
blijven zien, dat wil zeggen zich te verplaatsen in de stuurhut op het
schip en het onderzoek te bezien vanuit het perspectief van eind
1992-begin 1993.

Ik zal de verschillende punten van kritiek behandelen:
a) De dagboeken Ik heb hierover al gezegd wat ik vind van Jolanda’s
houding op dit punt. Zij heeft een moeilijk te begrijpen standpunt. Maar
overigens zie ik niet goed wat de politie nu zo verkeerd heeft gedaan en
wat de zwakke schakel in het onderzoek moet zijn. Wagenaar stelt dat de
niet-beschikbaarheid van de oorspronkelijke dagboeken aanzienlijke
problemen oplevert voor de ontdekking dat haar dagboeken geen echte
dagboeken zijn, dat wil zeggen niet stammen uit de periode waarin zij te
lijden had onder de feiten, zal voor iedereen duidelijk zijn. Maar dit
alles is geen manco van het onderzoek.

Ik had de indruk dat Wagenaar eigenlijk zegt: ‘Als de politie zo slordig
omspringt met de pseudo-dagboeken, wat zal dan wel in de rest van het
onderzoek allemaal verkeerd zijn’. Maar zo mag je absoluut niet redeneren,
ook niet volgens hemzelf.

b) Suggestieve verhoormethoden Laat ik hier eens beginnen te zeggen dat
op dit punt weer heel veel uitstekende stuurlieden op de wal werden
aangetroffen. De verhoren hadden natuurlijk opgenomen moeten worden,
liefst op video en in kleur, alle verhoren, dat wil zeggen woordelijk
uitgewerkt, graag etc.. Kan iemand mij vertellen waar dit bij de politie
in Nederland of waar ter wereld gebeurt?

Ja, wij hebben gelukkig sinds enkele jaren de verhoorstudio’s voor
kinder-slachtoffers, maar alle verhoren integraal opnemen, is een eis
stellen die absurd is. Wie zal dat betalen? Het is natuurlijk ook achteraf
redeneren en instinctief. Ik denk zelf eerlijk gezegd in veel strafzaken,
vooral bijvoorbeeld bij ernstige verkeers-ongelukken: ‘Hadden we maar een
video- opname!’ De moderne mens is verwend. Maar goed, deze eisen
integraal doorvoeren is overdreven.

Zijn er veel suggestieve verhoormethoden gebruikt? Ik vermag het niet te
zien. U hebt de belangrijkste verbalisanten gehoord: men is redelijk tot
goed opgeleid, men kent het vak, men heeft in het algemeen open vragen
gesteld, men heeft met name ook mevrouw EvB zeer goed verhoord en men (de
heer Brinkhuis) heeft — op 12 en 13 augustus 1993 — bij AvB een soort
geleide-verhoor-techniek toegepast. De resultaten daarvan hebben tot niets
geleid en ik gebruik ze niet als bewijsmiddel. Ja, de verdachten zijn
gevoelig voor suggestie, behalve wellicht WS. Maar is dat een manco van
het onderzoek? Mijns inziens niet, de politie is in het algemeen ook
voorzichtig opgetreden omdat dit aspect al snel duidelijk was. Voor dit
probleem is geen algemene oplossing. c) De kritiek van de heer Schippers
U hoort dat ik dan niet zeg: de kritiek van de CRI, want ik kan mij niet
voorstellen dat de CRI erg blij is met het optreden van de heer Schippers.

De divisie CRI van het korps Landelijke Politiediensten (KLPD) heeft een
ondersteunende en coordinerende taak in politieland. De regiokorpsen
worden verwacht van de diensten van de CRI gebruik te maken, vooral ook
als er bij de CRI specialisten zijn. Nu is bekend dat dat (nog) niet zo
soepel loopt. Zo heeft bijvoorbeeld ook de heer Deelman, hoe lovend ik ook
over hem sprak, verzuimd het advies van de heer Schippers in te winnen,
hoewel dat voor de hand lag. Ik kan mij op dat punt enige ergernis bij de
CRI en de heer Schippers wel voorstellen. Maar de CRI is geen
inspectieteam van de politie en op dat punt vind ik het verloop van de
zaken onbegrijpelijk. Als de heer Schippers kritiek heeft is dat best,
maar dat moet of uitgepraat worden met het team zelf of naar de leiding
worden gebracht, maar niet over het hoofd van een strafzaak worden
uitgevochten. (…)

Rechters

Instantie: President rechtbank ‘s-Gravenhage, 2 juni 1994

Instantie

President rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Op 6 oktober 1993 heeft eiser verzocht om afgifte van een vergunning tot
verblijf met als doel verblijf bij zijn Nederlandse echtgenote M.E.W., welk
verzoek op 23 december 1993 is afgewezen omdat niet werd voldaan aan het
inkomensvereiste.
Eiser voert aan dat de Staat ten onrechte de jaren waarvoor M.W. geacht moet
worden een vrijstelling te hebben gehad, heeft meegeteld bij de berekening
van het vereiste aantal jaren dat zij inkomen uit arbeid moet hebben gehad.
M.W. was van de zestien jaren die zij na haar achttiende jaar in Nederland
heeft gewoond gedurende acht jaar als alleenstaande ouder belast met de zorg
voor kinderen onder de zes jaar.
De Staatssecretaris heeft volgens de president niet kunnen besluiten zijn
standpunt te handhaven, zodat de gevraagde voorziening dient te worden
toegewezen.

Volledige tekst

1. Eiser is Nederland op 4 oktober 1992 ingereisd. Hij is op (…). Op 6
oktober 1993 heeft eiser verzocht om afgifte van een vergunning tot verblijf
met als doel verblijf bij Nederlandse echtgenote M.E.W., welk verzoek op 23
december 1993 is afgewezen. Aan het hiertegen op 1 februari 1994 ingediende
bezwaarschrift is schorsende werking onthouden. Eiser moet er dan ook
rekening mee houden binnenkort uit Nederland te worden verwijderd.
Beoordeling van de vordering:
2. Eiser legt aan zijn vordering in dit geding ten grondslag dat hij in
aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf met als doel verblijf bij
Nederlandse echtgenote M.E.W.
3. Aan de orde is de vraag of de Staatssecretaris onrechtmatig heeft
gehandeld door, na het inleidende verzoek van de vreemdeling te hebben
afgewezen, te beslissen dat deze uit Nederland dient te worden verwijderd.
4. In dit geding doet zich het geval voor van artikel 32, lid 1 aanhef en
onder b van de Vw. Daarin is bepaald dat gedurende de periode dat het bezwaar
of het administratief beroep aanhangig is, uitzetting achterwege blijft
indien er aanleiding bestaat aan te nemen dat het bezwaar of het
administratief beroep, dat gericht is tegen de beschikking die strekt tot
weigering van toelating, een redelijke kans van slagen heeft. Verwijdering
kan derhalve een onrechtmatige daad van de Staat opleveren indien het bezwaar
of administratief beroep een redelijke kans van slagen heeft.
5. Verwijdering kan eveneens een onrechtmatige daad van de Staat opleveren
indien verwijdering in strijd is met rechtsregels, waaronder de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur.
6. Ingevolge artikel 11 lid 5 van de Vw kan het verlenen van een vergunning
tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen
belang ontleend.
7. De Staatssecretaris van Justitie voert met het oog op de bevolkings- en
werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid
een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen – behoudens verplichting
voorvloeiende uit internationale overeenkomsten – slechts voor verlening van
een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid
hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake
is van klemmende redenen van humanitaire aard.
8. Ingevolge Hoofdstuk B1 1.2.3. van de Vreemdelingen-circulaire (Vc) is als
voorwaarde gesteld dat degene bij wie toelating als gezinslid wordt beoogd
duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. Voor
het geval dat deze echtgenoot of echtgenote (onder meer) van Nederlandse
nationaliteit en 23 jaar en ouder (zoals in dit geval) is, geldt – voorzover
hier van belang, als voldoende inkomen een uitkering krachtens de
Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers (RWW), indien op het moment van de
aanvraag om gezinshereniging of gezinsvorming betrokkene gedurende drievijfde
deel, met een minimum van drie jaar, van de periode dat deze vanaf diens
achttiende levensjaar in Nederland heeft gewoond inkomen uit arbeid heeft
gehad. Een eenoudergezin met een kind/kinderen jonger dan zes jaar is
vrijgesteld van dit middelenvereiste.
9. De gevraagde vergunning tot verblijf is geweigerd omdat niet werd voldaan
aan het inkomensvereiste. In de bestreden beschikking werd dit gegrond op de
overweging, dat M.E.W. een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW)
geniet, welke niet kan worden aangemerkt als een inkomen als omschreven in
het beleid met betrekking tot het inkomensvereiste (Hoofdstuk B1 1.2.3. Vc).
10. De Staat heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat de ABW-uitkering
wordt gelijk gesteld met een RWW-uitkering. De Staat heeft gesteld dat
niettemin niet is voldaan aan het inkomensvereiste omdat M.E.W. niet over het
vereiste aantal jaren arbeid uit inkomen heeft verkregen.
11. Eiser heeft dit bestreden. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de Staat ten
onrechte de jaren waarvoor M.E.W. geacht moet worden een vrijstelling te
hebben gehad, heeft meegeteld bij de berekening van het vereiste aantal jaren
dat zij inkomen uit arbeid moet hebben gehad. In dit verband heeft hij
gesteld dat M.E.W. heeft verkeerd in de situatie van een eenoudergezin met
kinderen van jonger dan zes jaar.
12. Het standpunt van eiser kan worden gedeeld. Tussen partijen is niet in
geschil dat de echtgenote van eiser sedert haar 18e jaar bij voortduring in
Nederland heeft gewoond. Gedurende deze 16 jaar was zij gedurende acht jaar
als alleenstaande ouder belast met de zorg voor kinderen onder de zes en gold
in beginsel een vrijstelling van het middelenvereiste.
Het in de Vc neergelegde beleid houdt echter bij de bepaling van de periode
waarin arbeidsinkomen moet zijn verworven op geen enkele wijze rekening met
deze omstandigheden. Dit kan tot uitgesproken onevenwichtige resultaten,
zoals in casu, leiden. Het beleid op dit punt kan dan ook niet als redelijk
worden aangemerkt.
13. De Staatssecretaris heeft derhalve in redelijkheid niet kunnen besluiten
zijn standpunt, schorsende werking aan het bezwaarschrift te onthouden, te
handhaven, zodat de gevraagde voorziening dient te worden toegewezen met
veroordeling van gedaagde in de kosten van de procedure.
Beslissing
1. Verbiedt de Staat eiser uit Nederland te doen verwijderen totdat op het
bezwaarschrift is beslist op de door eiser ingediende verzoek om een
vergunning tot verblijf.
2. Veroordeelt de Staat in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde
van eiser begroot op en te voldoen als volgt:
– aan eiser:
ƒ 72,50 wegens de bij hen gevallen kosten aan vastrecht
en
– aan de griffier van deze rechtbank:
ƒ 217,50 aan overig vastrecht, ƒ 62,33 aan exploitkosten, en
ƒ 800 aan salaris procureur.
3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
4. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr. S.J. Bosma

Instantie: Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing, 1 juni 1994

Instantie

Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing

Samenvatting


Een gedetineerde vrouw, geplaatst in de gevangenis Maastricht, verzocht
overplaatsing naar de gevangenis Zwolle gezien de reisafstand voor haar
kinderen. Wegens plaatsgebrek werd dit verzoek afgewezen, een beslissing
die in beroep standhield.

Volledige tekst

Bevindingen en overwegingen:

1. De stukken De beroepscommissie heeft kennis genomen van de navolgende
stukken: het beroepschrift van appellant d.d. 28 maart 1994, waarbij zij
in beroep komt tegen haar overplaatsing vanuit de half open inrichting
(hoi) “Ter Peel” te Sevenum, via de penitentiaire inrichting voor vrouwen
(p.i.v.) te Breda, naar de gevangenis voor vrouwen van de penitentiaire
inrichtingen (p.i.en) “Overmaze” te Maastricht, welk beroepschrift is
ingekomen op het secretariaat op 30 maart 1994; de op de
herselectiebeslissing gegeven toelichtingen d.d. 22 april 1994 en 18 mei
1994 van de voorzitter van de selectiecommissie (s.a.c.) voor vrouwen met
bijlagen, waaronder het herselectieadvies d.d. 1 maart 1994 van de
directeur van de p.i. “Ter Peel” te Sevenum.

2. De feiten Na verblijf in de penitentiaire inrichting ‘Overmaze’ te
Maastricht en de p.i.v. te Breda werd appellante in het kader van het
project ‘moeder en kind’ op 15 juli 1993 geplaatst in de half open
inrichting (h.o.i.) ‘Ter Peel’ te Sevenum. Haar kind dat vanaf 12 juli
1993 aldaar verbleef liet zij na haar weekendverlof op 23 oktober 1993 bij
familie thuis achter. Op 25 februari 1994 werd appellante, na een
positieve uitslag van een urinecontrole, ter herselectie overgebracht naar
de p.i.v. te Breda, van waaruit zij op 22 maart 1994 werd overgeplaatst
naar de gevangenis voor vrouwen te Maastricht. Appellante ondergaat een
gevangenisstraf van twee jaar en negen maanden met aftrek, welke is
ingegaan op 9 juli 1993 en zal eindigen op 9 juli 1995. De wettelijk
vroegst mogelijke v.i.-datum valt op of omstreeks 9 augustus 1994.

3. De standpunten 3.1. In haar beroepschrift geeft appellante te kennen
dat zij zich niet kan verenigen met haar overplaatsing naar de gevangenis
te Maastricht, aangezien haar kinderen, woonachtig te Nijmegen, haar
vanwege de te grote reisafstand daar niet kunnen bezoeken. Bij voorkeur
zag zij zich geplaatst in de gevangenis te Zwolle, waartoe het B.S.D.
evenwel geen medewerking wilde verlenen.

3.2. De voorzitter van de Selectieadviescommissie (s.a.c.) voor vrouwen
brengt in zijn toelichting naar voren dat appellante wegens het gebruik
van cocaine ter herselectie is weggeplaatst uit de h.o.i. ‘Ter Peel’.
Gelet op het terzake uitgebrachte herselectieadvies en gegeven de
omstandigheid dat in de gevangenis te Maastricht juist enige cellen
vrijkwamen, terwijl voor de andere gevangenissen een wachtlijst bestond,
is appellante overgeplaatst naar Maastricht. Een verzoek van haar om op
sociale indicatie te worden overgeplaatst naar de gevangenis te Zwolle is
in de vergadering van de s.a.c. d.d. 7 april 1994 besproken. Op grond van
het feit dat appellante nu in een gevangenis zit en anders op een
wachtlijst (voor plaatsing in Zwolle) zou komen te staan is in voor haar
negatieve zin beslist.

3.3. In het over appellante uitgebrachte herselectieadvies wordt vermeld
dat zij reeds eerder (in 1991) in de h.o.i. te Sevenum heeft verbleven en
dat dit ook toen tot terugplaatsing in het gesloten circuit heeft geleid.
Haar gedrag in ‘Ter Peel’ wordt grensverleggend in negatieve zin genoemd;
zij heeft diverse rapporten gehad. Haar deelname aan arbeid en
vormingsactiviteiten waren matig. Geconcludeerd wordt dat appellante
ongeschikt is voor het regime van ‘Ter Peel’. Geadviseerd wordt haar te
plaatsen in een (gesloten) gevangenis voor langgestraften.

4. Ontvankelijkheid Het beroep is tijdig ingesteld zodat appellante hierin
kan worden ontvangen.

5. Inhoudelijke beoordeling 5.1. Gelet op haar leeftijd en werkelijke
strafduur behoort appellante tot de categorie langgestrafte vrouwen, voor
opneming van wie zijn bestemd de gevangenis voor vrouwen paviljoen B te
Maastricht, de gevangenis voor vrouwen te Zwolle en de gevangenis
‘Amerswiel’ II te Heerhugowaard, alle met een regime van algehele
gemeenschap.

5.2. Het feit dat appellante niet is geselecteerd voor de gevangenis te
Zwolle is het gevolg van plaatsgebrek in (onder andere) deze inrichting.
Deze omstandigheid treft haar in gelijke mate als andere langgestrafte
vrouwen.

5.3. De beslissing haar te herselecteren voor de (gesloten) gevangenis
voor vrouwen paviljoen B te Maastricht kan, nu zij voldoet aan de voor die
inrichting geldende criteria, niet onredelijk of onbillijk worden geacht.
Bovendien is de reisafstand naar Maastricht voor haar bezoek vanuit
Nijmegen niet veel langer dan wanneer zij in de gevangenis te Zwolle zou
zijn geplaatst.

Op grond van het bovenstaande komt de beroepscommissie tot de volgende
beslissing:

zij verklaart het beroep ongegrond.

Rechters

Mrs. Meijeringh, Nijborg, Vegter

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 31 mei 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker is als mentor werkzaam bij de wederpartij. De wederpartij heeft
op 1 december 1992 in een formatieplan vastgesteld dat (sommige onderdelen
van) de hulpverlening alleen door vrouwelijke medewerkers kan worden
gegeven. Verzoeker mag daarom een aantal functie-onderdelen niet meer
vervullen. De Commissie stelt vast dat een goede uitoefening van de
mentorfunctie binnen de instelling van de wederpartij er toe kan noodzaken
een aanzienlijk percentage van de mentorfuncties door vrouwen te laten
vervullen. Er is echter onvoldoende noodzaak gebleken om alle
mentorfuncties door vrouwen te laten uitoefenen. Het is niet aan de
Commissie om precies te bepalen hoeveel vrouwelijke en hoeveel mannelijke
mentoren nodig zullen zijn. De Commissie concludeert dan ook dat in het
geval van verzoeker een beroep op geslachtsbepaaldheid van onderdelen van
zijn functie niet kan slagen. Strijd met de Wet. Verzoeker stelde door het
gewijzigde beleid belemmerd te worden in zijn promotiemogelijkheden voor
de functie van teamleider. Gebleken is evenwel dat de wederpartij deze
functie niet als geslachtsbepaald aanmerkt, en deze functie dus zowel door
vrouwen als door mannen kan worden vervuld. Geen strijd met de Wet op dit
punt.

Volledige tekst


Verzoeker doelt in zijn stellingen tevens op het feit dat alleen ervaren
mentoren coordinator kunnen worden en hij die ervaring, althans bij de
wederpartij, niet of onvoldoende kan opdoen. De Commissie wijst er op,
dat dit bezwaar verzoeker zelf niet of nauwelijks treft omdat hij reeds
vele jaren mentor-ervaring bij de wederpartij heeft opgedaan, en dat hij
daarnaast, evenals andere kandidaten, ook bij andere werkgevers
vergelijkebare ervaring kan opdoen.

Concluderend stelt de Commissie vast dat de functie van teamleider niet
geslachtsbepaald is, en derhalve ook voor verzoeker openstaat. Daarmee
staat vast dat de wederpartij op dit punt jegens verzoeker geen
onderscheid heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het te Utrecht jegens de
heer te Landsmeer:

a. in strijd heeft gehandeld met artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek,
door (onderdelen van) zijn functie met een beroep op geslachtsbepaaldheid
niet meer door hem te doen vervullen; b. niet in strijd gehandeld heeft
met artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek wat betreft mogelijke toelating
tot een hogere functie.

Aldus vastgesteld op 31 mei 1994 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer op 13 april 1994.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis, dhr mr R.A.C.M. Langemeijer, mw mr A.C.Possel

Instantie: President Rechtbank Utrecht, 31 mei 1994

Instantie

President Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Eiseres stelt dat zij in de periode oktober/november 1991 tweemaal door
haar huisarts is verkracht. Hierdoor heeft zij psychische problemen
gekregen. Zij eist ƒ 100.000,- schadevergoeding voor de geleden
materiele en immateriele schade. De rechtbank oordeelt dat een arts zich
te allen tijde dient te onthouden van seksuele contacten met zijn patient.
Verkrachting kan volgens de rechtbank niet vastgesteld worden aangezien
de lezingen van partijen uiteenlopen. Gedaagde heeft echter wel
onrechtmatig tegenover eiseres gehandeld en daarom kent de rechtbank een
schadevergoeding toe van ƒ 40.000,- , grotendeels als immateriele
schadevergoeding.

Volledige tekst

1. Het verloop van het geding

1.1. Eiseres heeft de gedaagde in kort geding doen dagvaarden en op de
dienende dag, 18 mei 1994, van eis geconcludeerd overeenkomstig de inhoud
van het exploot van dagvaarding, waarvan een fotokopie aan dit vonnis is
gehecht.

1.2. Eiseres heeft haar vordering bij monde van haar advocaat toegelicht
mede aan de hand van op voorhand toegezonden produkties en een overgelegde
pleitnota.

1.3. Gedaagde heeft daarop bij monde van zijn procureur verweer gevoerd,
mede aan de hand van op voorhand toegezonden produkties en een overgelegde
pleitnota.

1.4. Na voortgezet debat hebben partijen, nadat de president de
behandeling korte tijd had geschorst teneinde hen in de gelegenheid te
stellen de zaak in der minne te regelen, de stukken overgelegd en vonnis
gevraagd.

2. De vaststaande feiten

2.1. Gedaagde heeft als huisarts praktijk gevoerd te Nieuwerburg, Waarder
en omgeving vanaf 1972 tot begin 1994.

2.2. Eiseres, die gehuwd is, is in mei 1988 als patient ingeschreven bij
gedaagde. Na de geboorte van haar eerste kind, in maart 1991 is zij bij
gedaagde onder behandeling geweest. Deze behandeling is voortgezet na de
geboorte van haar tweede kind, in februari 1989. De aan deze geboorte
voorafgegane zwangerschap is niet zonder problemen verlopen; zo is eiseres
in december 1989 wegens uitdrogingsverschijnselen opgenomen geweest in een
ziekenhuis.

2.3. In oktober en november 1991 heeft gedaagde in zijn behandelkamer in
totaal tweemaal seksuele gemeenschap met eiseres gehad.

2.4. In mei 1992 is eiseres voor de eerste maal opgenomen in een
psychiatrisch ziekenhuis. In juni 1992 is zij van huisarts veranderd. In
het najaar van 1992 heeft zij voor het eerst met een derde, te weten een
behandelende psychiater, gesproken over de seksuele gemeenschap met
gedaagde. Zij heeft het gebeurde beschreven als (gevallen van)
verkrachting.

2.5. Eiseres heeft in juni 1993 bij de politie aangifte gedaan tegen
gedaagde ter zake van verkrachting. Dit heeft geleid tot de aanhouding van
gedaagde op 13 juni 1993 en vervolgens tot diens inverzekeringstelling.
De rechter-commissaris heeft de daarop gevolgde vordering tot
inbewaringstelling van gedaagde afgewezen. De officier van justitie heeft
in een wat later stadium de strafzaak tegen gedaagde geseponeerd.

2.6. Eveneens in juni 1993 heeft eiseres tegen gedaagde een klacht
ingediend bij het Medisch Tuchtcollege te ‘s- Gravenhage. In zijn
-onherroepelijk geworden- uitspraak van 3 november 1993 heeft dit college
aan gedaagde de maatregel opgelegd van schorsing in de uitoefening van de
geneeskunst voor de duur van zes maanden. Het college heeft daarbij
overwogen dat de maatregel mede gezien de kleine dorpsgemeenschap waarin
gedaagde zijn praktijk uitoefende, voor hem ingrijpende gevolgen zal
hebben.

2.7. Eiseres is nog steeds onder psychiatrische behandeling. Haar
vooruitzichten zijn niet gunstig.

3. het geschil

3.1. Eiseres stelt dat gedaagde, ondanks het feit dat zij naast haar
lichamelijke klachten steeds meer psychische problemen kreeg, nimmer tot
adequate behandeling of doorverwijzing naar specialisten is overgaan.
Daardoor is haar gezondheid sterk achteruitgegaan en is zij steeds
afhankelijker van gedaagde geworden. Gedaagde heeft daarbij misbruik
gemaakt van zijn positie als arts door haar in de periode oktober/november
1991 tweemaal te verkrachten. Eiseres stelt dat haar psychische problemen
als gevolg van het handelen van gedaagde zijn toegenomen. Daardoor hebben
zij en haar gezin aanzienlijke schade geleden.

3.2. Op grond hiervan vordert eiseres van gedaagde een voorschot van ƒ
100.000,= op de vergoeding van geleden en nog te lijden materiele en
immateriele schade.

3.3. Op het verweer van gedaagde zal voor zoveel nodig hierna worden
ingegaan.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. de vordering betreft de schade die eiseres stelt te hebben geleden
als gevolg van onrechtmatige gedragingen van gedaagde. Deze schade is, in
elk geval voor een deel, reeds voor 1 januari 1992 ontstaan en aan haar,
eiseres, bekend geworden. Op grond van de artikelen 69 en 173 Overgangswet
nieuw BW dienen de aansprakelijkheid en de omvang van de eventuele schade
derhalve te worden beoordeeld naar het voordien geldende recht, in het
bijzonder de regel van artikel 1401 (oud) BW.

4.2. Eiseres heeft twee grondslagen aangevoerd voor haar stelling dat
gedaagde zich jegens haar onrechtmatig heeft gedragen: allereerst de
inadequate medische behandeling en het niet tijdig verwijzen naar
specialisten, en voorts de verkrachtingen.

4.3. Er is reden om in de eerste plaats deze tweede grondslag te
bespreken. Daarbij wordt vooropgesteld dat een arts zich te allen tijde
dient te onthouden van seksuele contacten met een aan zijn zorg
toevertrouwde patient. In dit opzicht is het dus niet van belang of de
seksuele gemeenschap zich (een van) beide keren tegen de wil van eiseres
heeft afgespeeld, dan wel met haar volle instemming is geschied. Tussen
een arts en zijn patiente bestaat nu eenmaal een principieel ongelijke
situatie, waarbij laatstgenoemde afhankelijk is van de ander.

4.4. In dit kort geding kan niet worden aangenomen dat er sprake was van
verkrachting, dat wil zeggen van seksuele gemeenschap tegen de wil van
eiseres. De lezingen van partijen over de toedracht lopen op dat punt
sterk uiteen, en er zijn onvoldoende bijkomende omstandigheden op grond
waarvan de lezing van eiseres voorshands veel waarschijnlijker is dan die
van gedaagde.

4.5. Door het gebeurde in oktober en november 1991 heeft gedaagde zich
jegens eiseres onrechtmatig gedragen. Deze onrechtmatigheid is te sterker,
nu eiseres zich om meer dan een reden niet kon losmaken van gedaagde. Uit
de processtukken wordt aannemelijk dat — vooral door toedoen van gedaagde
zelf — tussen de beide gezinnen een min of meer vriendschappelijke
relatie was ontstaan. Mede daardoor zou het verbreken van de
arts-patientverhouding door eiseres, veel vragen in haar directe omgeving
hebben opgeroepen. Gedaagde wist dit, want diezelfde omstandigheid heeft
ook hem, naar hij heeft verklaard, ervan weerhouden eiseres niet langer
als patient te behandelen. Gedaagde wist ook, en behoorde in elk geval te
weten, dat het gebeurde ernstige schuldgevoelens bij eiseres opriep, mede
door haar geloofsovertuiging. Deze beide omstandigheden worden versterkt
door het feit dat partijen in een kleine dorpsgemeenschap woonden. Van
belang is voorts dat gedaagde ermee bekend was, althans had behoren te
begrijpen, dat eiseres psychisch niet stabiel was. Aldus is ook door het
Medisch Tuchtcollege geoordeeld. 4.6. Ten aanzien van de eerste door
eiseres aangevoerde grond van onrechtmatigheid past in dit kort geding
terughoudendheid. Tussen partijen staat niet vast met welke (psychische)
klachten eiseres zich na de geboorte van haar eerste kind tot gedaagde
heeft gewend. Ook overigens hebben partijen uiteenlopende lezingen over
de aard en de intensiteit van de klachten die eiseres destijds tegenover
gedaagde heeft geuit. Op basis van de thans beschikbare gegevens kan niet
met een voldoende mate van waarschijnlijkheid worden uitgemaakt wie van
partijen hier gelijk heeft. Een nader onderzoek hiernaar valt buiten de
grenzen van dit kort geding.

4.7. Gedaagde heeft overigens wel gesteld dat eiseres zich na de geboorte
van haar tweede kind ‘geregeld enigszins terneergeslagen’ toonde en blijk
gaf van aanhoudende ‘onlustgevoelens’. Mede hierdoor is de conclusie
gewettigd dat hij in elk geval toen de psychische problemen van eiseres
heeft onderschat. Zo heeft het Medisch Tuchtcollege ook geoordeeld, en
gedaagde heeft geen feiten gesteld die het onverantwoord maken dat oordeel
hier over te nemen. Ditzelfde geldt voor het oordeel van de tuchtrechter
dat gedaagde eiseres had dienen te verwijzen voor nader onderzoek en de
door hem uitgevoerde behandelingen (met verdovingsinjecties) niet zo lang
had behoren uit te voeren.

4.8. Van belang is in dit verband ook nog het volgende. Gedaagde was zich,
naar ook uit zijn verklaring ter zitting valt af te leiden, er terdege van
bewust dat het gebeurde in oktober en november 1991 hem als arts en — in
zijn naaste omgeving ook — als persoon ernstig zou worden aangerekend.
Hem was er daarom veel aan gelegen dat die feiten aan niemand anders dan
aan eiseres bekend zouden worden. In zijn professionele relatie tot
eiseres speelde dus een element mee dat hem kan hebben beinvloed in zijn
verdere functioneren. Vermeldenswaard is hierbij dat zij kort na haar
opneming in een psychiatrisch ziekenhuis van huisarts is veranderd en pas
daarna met een derde over de bedoelde gebeurtenissen heeft durven spreken.

4.9. Op grond van dit een en ander is het, ondanks hetgeen onder 4.6. is
vermeld, aannemelijk dat gedaagde ook in de eigenlijke medische
behandeling van eiseres verwijtbaar is te kort geschoten jegens haar, in
elk geval in de periode na de geboorte van haar tweede kind. In zoverre
treft ook de eerste grondslag van de vordering van eiseres doel.

4.10. Het lijdt redelijkerwijs geen twijfel dat eiseres aanzienlijke
psychische schade heeft ondervonden — en nog ondervindt — van het
gebeurde in oktober en november 1991. In haar psychisch al niet stabiele
toestand heeft zij grote schuldgevoelens te verwerken gekregen en is haar
vertrouwen in haar arts, van wie zij in meer dan een opzicht afhankelijk
was, ernstig beschaamd. Gedaagde is hiervoor verantwoordelijk. De hier
bedoelde schade is naar ervaringsregelen vergroot doordat eiseres — zoals
hier overwogen — vermoedelijk langer onder behandeling van alleen
gedaagde is gebleven dan in medisch opzicht verantwoord was. Ook die
meerdere schade dient aan gedaagde te worden toegerekend.

4.11. Het is overigens niet verantwoord de huidige, nog steeds zeer
zorgelijke, psychische toestand van eiseres geheel toe te schrijven aan
het hier besproken handelen of nalaten van gedaagde. De psychiatrische
gegevens betreffende eiseres waarvan melding wordt gemaakt in de in het
geding gebrachte rapportage van maart 1993 van het Academisch Ziekenhuis
Utrecht, maken het verre van onaannemelijk dat de huidige problemen van
eiseres in belangrijke mate zijn toe te schrijven aan haar
persoonlijkheidsstructuur, in zoverre dus onafhankelijk van hetgeen
gedaagde haar heeft aangedaan. Het ligt echter voor de hand om aan te
nemen dat de gewraakte gebeurtenissen haar extra kwetsbaar hebben gemaakt
en haar mogelijkheden tot genezing of zelfs maar behandeling zeer nadelig
hebben beinvloed.

4.12. Op grond van het voorgaande valt met een voldoende mate van
waarschijnlijkheid te verwachten dat in een bodemprocedure zal worden
geoordeeld dat gedaagde jegens eiseres een onrechtmatige daad heeft
gepleegd (en jegens haar toerekenbaar is te kort geschoten in de nakoming
van zin contractuele verplichtingen) en gehouden is de daardoor
veroorzaakte schade te vergoeden.

4.13. Niet valt te verwachten dat de schade die aan gedaagde dient te
worden toegerekend, op een lager bedrag zal worden begroot dan op ƒ
40.000,-. Dit betreft dan voor het overgrote deel immateriele schade. Ten
aanzien van de door eiseres opgevoerde materiele schade, die vooral
betrekking heeft op gemiste arbeidscapaciteit, kosten van vervanging van
haar thuis en in het bedrijf van haar echtgenoot en kosten verband
houdende met haar opnemingen in ziekenhuizen, is het causale verband met
de hier besproken gedragingen van gedaagde voorshands onvoldoende
waarschijnlijk.

4.14. Eiseres heeft bij toekenning van een voorschot ten bedrage van ƒ
40.000,- een spoedeisend belang, zodat de vordering tot dat beloop
toewijsbaar is.

4.15. De gevorderde uitvoerbaarverklaring op de minuut zal worden
afgewezen, nu eiseres, voor wie terstond na deze uitspraak een grosse
beschikbaar zal zijn, daarbij geen belang heeft.

4.16. Gedaagde zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij,
in de kosten van dit geding worden veroordeeld.

5. De beslissing

De president:

5.1. veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van een bedrag van ƒ
40.000,= (veertigduizend gulden);

5.2. veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding aan de zijde van
eiseres gevallen en begroot deze kosten tot aan de uitspraak van dit
vonnis op ƒ 1.500,= voor salaris van haar procureur en op ƒ 1.655,95 voor
verschotten;

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Rechters

Mr. Hofhuis

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 26 mei 1994

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Een universiteithandelt in strijd met het voorkeursbeleid door een vrouw
niet te benoemen als hoogleraar. De Commissie Gelijke Behandeling (CGB)
heeft betrokkene in het gelijk gesteld. Zij gaat in beroep bij het
ambtenarengerecht tegen de beslissing van de universiteit om haar geen
schadevergoeding toe te kennen. Het ambtenarengerecht wijst de vordering
af. De vrouw gaat in beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

De CRvB bevestigt de aangevallen uitspraak; geen toekenning
schadevergoeding ter compensatie van de gevolgen haar in strijd met het
voorkeursbeleid niet tot hoogleraar te benoemen. Volgens de CRvB is
schadevergoeding slechts mogelijk indien het niet-benoemen flagrante
strijd zou opleveren met geschreven of ongeschreven rechtsregels of
anderszins volstrekt onhoudbaar zou zijn.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 29 maart 1989 heeft gedaagde aan eiseres meegedeeld geen
aanleiding te zien om haar genoegdoening te verschaffen voor ondergaan
onrecht en geleden schade, zoals door eiseres bij brief van 20 februari
1989 was verzocht.

Het voormalige Ambtenarengerecht te Amsterdam heeft bij uitspraak van 3
december 1991, nr. AW 89/504, het namens eiseres ingestelde beroep
ongegrond verklaard.

Mr. A.W.M. Willems, advocaat te Amsterdam heeft namens eiseres hoger
beroep ingesteld tegen die uitspraak. Namens gedaagde is van
contra-memorie gediend.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad van 7 april 1994.
Eiseres is daar in persoon verschenen bijgestaan door mr. Willems
voornoemd, als haar raadsman. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen
door mr. M. Zaanen, werkzaam bij de Universiteit van Amsterdam.

II. Motivering

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in
werking getreden en de Ambtenarenwet 1929 -sindsdien geheten:
ambtenarenwet- gewijzigd. De in dit kader gegeven wettelijke regels van
overgangsrecht brengen echter mee dat op het onderhavige hoger beroep moet
worden beslist met toepassing van het procesrecht zoals dat luidde voor
1 januari 1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding van
proceskosten als bedoeld in art. 8:75 van de Awb.

De Raad verwijst voor een uitvoerig overzicht van de feiten en
omstandigheden van het onderhavige geding naar hetgeen in de aangevallen
uitspraak is vermeld en volstaat met de volgende samenvatting.

Eiseres is sedert 1975 werkzaam bij de Universiteit van Amsterdam; vanaf
1 september 1984 is zij aangesteld in vaste dienst als universitair docent
bij de vakgroep Slavische taal- en letterkunde. Zij heeft -met anderen-
gesolliciteerd naar de vacature hoogleraar Slavische en Baltische
Taalkunde. Uiteindelijk bleven twee kandidaten over, te weten eiseres als
interne kandidaat en een hoogleraar uit Nijmegen. Bij brief van 14 juni
1988 heeft gedaagde eiseres in kennis gesteld van het op 9 juni 1988
genomen besluit om niet haar, doch de andere kandidaat te benoemen.

Eiseres heeft tegen die weigering om haar te benoemen eerst bij brief van
28 april 1989 beroep ingesteld. Dit beroep is door de voorzitter van het
Ambtenarengerecht bij beschikking van 18 december 1989 niet-ontvankelijk
verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn. Tegen die
beschikking is geen verzet ingesteld, zodat het besluit van 9 juni 1988
in rechte onaantastbaar geworden is.

Inmiddels had eiseres op 6 juli 1988 bij de Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid in de burgerlijke openbare dienst
(verder te noemen: de Commissie) een klacht ingediend over de gang van
zaken tijdens de benoemingsprocedure. In haar advies van 12 december 1988
heeft de Commissie overwogen dat gedaagde ten nadele van eiseres is
afgeweken van het oorspronkelijke profiel en van het voor
hoogleraarsbenoemingen geldende voorkeursbeleid voor vrouwen. Dit heeft
geleid tot het oordeel van de Commissie dat gedaagde heeft gehandeld in
strijd met artikel 3, lid 1, van de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

Op het door eiseres naar aanleiding van dit advies ingediende verzoek om
genoegdoening heeft gedaagde bij het bestreden besluit van 29 maart 1989
afwijzend beslist.

Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen is een administratief orgaan
in beginsel gehouden de aan een ambtenaar toegebrachte schade te
vergoeden; dit houdt niet in dat elke schade welke door toedoen van een
administratief orgaan aan een ambtenaar is toegebracht voor vergoeding
door dat orgaan in aanmerking moet komen. Voor het ontstaan van een op het
administratief orgaan rustende schadevergoedingsplicht jegens de ambtenaar
is vereist dat sprake is van een aan dat orgaan toe te rekenen optreden
waardoor de Ambtenaar (im)materiele schade heeft geleden en dat dat
optreden en die schade van zodanige aard zijn dat de schade in
redelijkheid voor vergoeding door dat orgaan in aanmerking dient te komen;
dat niet elk leed voor vergoeding in aanmerking komt; dat deelname aan het
maatschappelijk verkeer een zekere mate van ongerief of zelfs leed
meebrengt, waar tegenover niet steeds een compensatieplicht van de zijde
van het orgaan kan worden gesteld. Van het ontstaan van een
schadevergoedingsplicht van het administratief orgaan mag daarnaast van
de ambtenaar gevergd worden dat hij/zij binnen het redelijke alles heeft
gedaan om de schade te beperken en de oorzaken ervan te bestrijden.
Hiertoe behoort onder meer dat de ambtenaar, die vergoeding wenst van de
schade, welke door een appellabel besluit zou zijn veroorzaakt, gebruik
maakt van de normale beroepsmogelijkheden. De ambtenaar, die zulks nalaat,
is in een beroep inzake een schadevergoedingsactie wel ontvankelijk doch
zal dienen te aanvaarden dat de rechter zich terughoudender opstelt en dat
voor het aanwezig achten van een schadevergoedingsverplichting van een
administratief orgaan zwaardere eisen worden gesteld.

Door en namens eisers is in eerste aanleg en in hoger beroep uitvoering
en gedetailleerd ingegaan op de gang van zaken tijdens de
benoemingsprocedure. Onder verwijzing naar het advies van de Commissie
is gesteld dat gedaagde daarbij onrechtmatig heeft gehandeld ten aanzien
eiseres. Eiseres is van mening dat gedaagde gehouden is de (im)materiele
schade (gevolg van het niet benoemden tot hoogleraar) te vergoeden.

Eiseres heeft echter, door niet (tijdig) beroep in te stellen tegen het
besluit van 9 juni 1988, inhoudende dat niet zij doch een ander tot
hoogleraar werd benoemd, de normale beroepsmogelijkheden tegen dat besluit
onbenut gelaten. De door eisers in het thans aan de orde zijnde geding
betreffende de weigering van schadevergoeding geuite bezwaren hebben in
feite de strekking dat alsnog dat eerdere -in recht onaantastbaar
geworden- besluit van 9 juni 1988 wordt onderworpen aan volledige toetsing
door de ambtenarenrechter.

Gelet op het vorenstaande is de Raad dan ook -anders dan de eerste
rechter- van oordeel dat de weigering van gedaagde om eiseres
schadevergoeding toe te kennen ter compensatie van de gevolgen van het
eerdere besluit van 9 juni 1988 slechts zeer terughoudend kan worden
getoetst; dit houdt in dat het thans bestreden besluit slechts dan niet
in stand kan blijven indien het niet benoemen van eiseres tot hoogleraar
Slavische en Baltische Taalkunde flagrante strijd zou opleveren met
geschreven of ongeschreven rechtsregels of anderszins volstrekt
onhoudbaar zou zijn.

Daarvan is de Raad niet gebleken. In de uitvoerige gedingstukken
betreffende de benoemingsprocedure kan de Raad – anders dan de Commissie
blijkens haar advies- onvoldoende aanknopingspunten vinden voor de
stelling van eisers, dat bij de betreffende hoogleraarsbenoeming een met
art. 3, lid 1, van de Wet gelijke behandeling volstrekt strijdig
onderscheid tussen mannen en vrouwen is gemaakt, dan wel dat is gehandeld
in flagrante strijd met het door gedaagde gehanteerde voorkeursbeleid dat
bij gelijke kandidaten de vrouwelijke kandidaat wordt benoemd.

Het vorenstaande leidt ertoe dat naar ’s Raads oordeel voor gedaagde geen
schadevergoedingsverplichting als eerderomschreven aanwezig kan worden
geacht, zodat gedaagde op goede gronden tot zijn in het bestreden besluit
vervatte weigering heeft kunnen komen.

Nu ook overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit strijd
oplevert met enig algemeen rechtsbeginsel of algemeen beginsel van
behoorlijk bestuur, dient dat besluit in stand te blijven.

De Raad ziet op grond van het hiervoor overwogene geen aanleiding om
toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 Awb.

Beslist moet worden als volgt:

III. Beslissing De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de
aangevallen uitspraak.

Rechters

Mr. j. Boesjes als voorzitter; mrs. H.A.A.G. Vermeulen en Ch. deVrey als leden

Instantie: Europees Hof voor de rechten van de mens, 26 mei 1994

Instantie

Europees Hof voor de rechten van de mens

Samenvatting


Er bestaat ‘family life’ tussen de verwekker en zijn
kind, ook al is de relatie met de moeder reeds voor de
geboorte verbroken. Deze vaststelling wordt gebaseerd op het
gegeven van de relatie tussen de verwekker en de moeder in het
verleden en het feit dat het kind het resultaat is van een
bewuste keuze van hen beiden.
Na de geboorte heeft de moeder het kind bij pleegouders
geplaatst voor adoptie. De vader had het kind slechts eenmaal
gezien. Zijn verzoek om met het gezag te worden belast,
waardoor hij in staat zou zijn de adoptie aan te vechten,
wordt afgewezen aangezien dit niet in het belang voor het kind
wordt geacht.
De Ierse wet maakt adoptie mogelijk zonder medeweten of
toestemming van de verwekker. Dit betekent, volgens het Hof,
een ongeoorloofde inbreuk op het ‘family life’.

Volledige tekst

(…)
Proceedings before the Commission

31. Mr Keegan applied to the Commission on 1 May 1990. He
complained that there had been a violation of his right to
‘respect’ for ‘family life’ (Article 8 of the Convention) in
that his child had been placed for adoption without his
knowledge or consent and that national law did not afford him
even a defeasible right to be appointed guardian. He further
complained of a denial of his right of access to court
(Article 6 1) in that he had no locus standi in the
proceedings before the Adoption Board. He also alleged that,
as the natural father, he had been discriminated against in
the exercise of the above-mentioned rights (Article 14 taken
in conjunction with Article 6 and/or Article 8) when his
position was compared to that of a married father.
32. The application (no. 16969/90) was declared admissible on
13 February 1992. In its report of 17 February 1993 (Article
31), the Commission expressed the opinion that there had been
a violation of Article 8 and of Article 6 1 (unanimously)
and that it was nog necessary to examine whether there had
been a violation of Article 14 taken in conjunction with
Article 6 and/or Article 8 (by eleven votes to one).
(…)

II Alleged violation of Article 8

41. The applicant alleged a violation of his right to
‘respect’ for ‘family life’ contrary to Article 8 of the
Convention which provides: ‘1. Everyone has the right to
respect for his private and family life, his home and his
correspondence. 2. There shall be no interference by a public
authority with the exercise of this right except such as is in
accordance with the law and is necessary in a democratic
society in the interests of national security, public safety
or the economic well-being of the country, for the prevention
of disorder or crime, for the protection of health or morals,
or for the protection of the rights and freedoms of others.’

A. Applicability of Article 8

42. The Government maintained that the sporadic and unstable
relationship between the applicant and the mother had come to
an end before the birth of the child and did not have the
minimal levels of seriousness, depth and commitment to cross
the threshold into ‘family life’ within the meaning of Article
8. Moreover, there was no period during the life of the child
in which a recognised ‘family life’ involving her had been in
existence. In their view neither a mere blood link nor a
sincere and heartfelt desire for ‘family life’ were enough to
create it.
43. For both the applicant and the Commission, on the other
hand, his links with the child were sufficient to establish
‘family life’. They stressed that his daughter was the fruit
of a planned decision taken in the context of a loving
relationship.
44. The Court recalls that the notion of the ‘family’ in this
provision is not confined solely to marriage-based
relationships and may encompass other de facto ‘family’ ties
where the parties are living together outside of marriage
(see, inter alia, the Johnston and Others v. Ireland judgment
of 18 December 1986, Series A no. 112, p. 25, 55). A child
born out of such a relationship is ipso iure part of that
‘family’ unit from the moment of his birth and by the very
fact of it. There thus exists between the child and his
parents a bond amounting to ‘family life’ even if at the time
of his or her birth the parents are no longer co-habiting or
if their relationship has then ended (see, mutatis mutandis,
the Berrehab v. the Netherlands judgment of 21 June 1988,
Series A no. 138, p. 14, 21).
45. In the present case, the relationship between the
applicant and the child’s mother lasted for two years during
one of which they co-habited. Moreover, the conception of
their child was the result of a deliberate decision and they
had also planned to get married (see paragraph 6 above). Their
relationship at this time had thus the hallmark of ‘family
life’ for the purposes of Article 8. The fact that it
subsequently broke down does not alter this conclusion any
more than it would for a couple who were lawfully married and
in a similar situation. It follows that from the moment of the
child’s birth there existed between the applicant and his
daughter a bond amounting to ‘family life’.

B. Compliance with Article 8

1. Paragraph 1 of Article 8
46. The applicant maintained that the State failed to
‘respect’ his ‘family life’ by facilitating the secret
placement of his daughter for adoption without his knowlegde
or consent and by failing to create a legal nexus between
himself and his daughter from the moment of birth. Moreover,
the test applied by the Supreme Court to determine the
question of custody placed him at a considerable disadvantage
vis-a-vis the adoptive parents by requiring him to show that
any advantages that they had to offer the child were not
important for her welfare. In his submission, to be consistent
with Article 8 the law ought to have conferred on him a
defeasible right to guardianship and, in any competition for
custody with strangers, there ought to have existed a
rebuttable legal presumption that the child’s welfare was best
served by being in his care and custody. He stressed, however,
that he was not seeking to overturn the adoption order that
had been made in respect of his child.
47. For the Government, Contracting States enjoy a wide margin
of appreciation in the area of adoption. The right to
‘respect’ for ‘family life’ cannot be interpreted so broadly
as to embrace a right to impose the wishes of the natural
father over the interests of the child in disregard of the
findings of fact made by the courts. The applicant, as the
Supreme Court had held, had a right to apply to be made a
guardian, which right he had exercised. Furthermore, the
Supreme Court took into account the blood link between him and
his daughter as one of the factors to be weighed in the
balance in assessing the child’s welfare. In addition, the
applicant had every opportunity to present his case and to
have his interests considered by the courts. However, in this
process the rights and interests of the mother, who had wanted
her child to be adopted, had also to be taken into account. In
particular, the Government emphasised that to grant a natural
father a defeasible right to guardianship could rise to
complications, anguish and hardship in other cases and
concerned a matter of social policy on which the European
Court should be reluctant to intervene.
48. In the Commission’s view the obstacles under Irish law to
the applicant establishing a relationship with his daughter
constituted a lack of respect for his ‘family life’ in breach
of a positive obligation imposed by Article 8.
49. The Court recalls that the essential object of Article 8
is to protect the individual against arbitrary action by the
public authorities. There may in addition be positive
obligations inherent in an effective ‘respect’ for ‘family
life’. However, the boundaries between the State’s positive
and negative obligations under this provision do not lend
themselves to precise definition. The applicable principles
are, nonetheless, similar. In both contexts regard must be had
to the fair balance that has to be struck between the
competing interests of the individual and of the community as
a whole; and in both contexts the State enjoys a certain
margin of appreciation (see, for example, the Powell and
Rayner v. United Kingdom judgment of 21 February 1990, Series
A no. 172, p. 18, 41 and the above-mentioned Johnston and
Others v. Ireland judgment, p. 25, 55).
50. According to the principles set out by the Court in its
case-law, where the existence of a family tie with a child has
been establised, the State must act in a manner calculated to
enable that tie to be developed and legal safeguards must be
created that render possible as frommoment of birth the
child’s integration in his family (see, mutatis mutandis, the
Marckx v. Belgium judgment of 13 June 1979, Series A, no. 31,
p. 15, 31 and the above-mentioned Johnston and Others v.
Ireland judgment, p. 29, 72). In this context reference may
be made to the principle laid down in Article 7 of the United
Nations Convention on the rights of the child of 20 November
1989 that a child has, as far as possible, the right to be
cared for by his or her parents. It is, moreover, appropriate
to recall that the mutual enjoyment by parent and child of
each other’s company constitutes a fundamental element of
‘family life’ even when the relationship between the parents
has been broken down (see, inter alia, the Eriksson v. Sweden
judgment of 22 June 1989, Series A no. 156, p.24, 58).
51. In the present case the obligations inherent in Article 8
are closely intertwined, bearing in mind State’s involvement
in the adoption process. The fact that Irish law permitted the
secret placement of the child for adoption without the
applicant’s knowledge or consent, leading to the bonding of
the child with the proposed adopters anto the subsequent
making of an adoption order, amounted to an interference with
his right to respect for ‘family life’. Such interference is
permissible only if the conditions set out in paragraph 2 of
Article 8 are satisfied.
52. In view of this finding, it is not necessary to examine
whether Article 8 imposed a positive obligation on Ireland to
confer an automatic but defeasible right to guardianship on
natural fathers such as the applicant.

2. Paragraph 2 of Article 8

(a) ‘In accordance with the law’ and legitimate aim
53. It is clear that the decision to place the child for
adoption without the father’s knowlegde or consent was in
accordance with Irish law as were the decisions taken by the
courts concerning the welfare of the child. That they pursued
legitimate aim of protecting the rights and freedoms of the
child is evident from the judgments of the High Court and the
Supreme Court in this case (see paragraphs 10-14 above).

(b) Necessity in a democratic society
54. For the Government, the interference was proportionate to
the protection of the child’s health as well as of her rights
and freedoms. The interpretation of Irish law by the Supreme
Court took proper account of the paramount interests of the
child. It remained open to the natural father to apply to the
courts to be appointed, where appropriate, the guardian and/or
custodian of the child. They contended that it was fair and
wholly consistent with the Convention that special regulations
be enforced to protect the interests of a child born out of
wedlock. Indeed it would be impractical and potentially
harmful to the interests of such a child to grant the natural
father rights that extended beyond a right to apply for
guardianship. In any event the Adoption Board may, in its
discretion, decide to hear the natural father.
55. The Court notes that the applicant was afforded an
opportunity under Irish law to claim the guardianship and
custody of his daughter and that his interests were fairly
weighed in the balance by the High Court in its evaluation of
her welfare. However, the essential problem in the present
case is not with this assessment but rather with the fact that
Irish law permitted the applicant’s child to have been placed
for adoption shortly after her birth without his knowledge or
consent. As has been observed in a similar context, where a
child is placed with alternative carers he or she may in the
course of time establish with them new bonds which it might
not be in his or her interests to disturb or interrupt by
reversing a previous decision as to care (see, inter alia, the
W. v. United Kingdom judgment of 8 July 1987, Series A no.
121, p. 28, 62). Such a state of affairs not only
jeopardised the proper development of the applicant’s ties
with the child but also set in motion a process which was
likely to prove to be irreversible, thereby putting the
applicant at a significant disadvantage in his contest with
the prospective adopters for the custody of the child. The
Government have advanced no reasons relevant to the welfare of
the applicant’s daughter to justify such a departure from the
principles that govern ‘respect’ for family ties. That being
so, the Court cannot consider that the interference which it
has found with the apllicant’s right to ‘respect’ for ‘family
life’, encompassing the fulle scope of the State’s
obligations, was necessary in a democratic society. There has
thus been a violation of Article 8.
(…)

Rechters

Mrs Ryssdal, De Meyer, Martens, Palm, Pekkanen, Loizou,Morenilla, Makarczyk, Blayney