Instantie: Rechtbank Utrecht, 25 mei 1994

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Eiseres woonde in een kamertrainingscentrum waar gedaagde groepsleider
was. Tijdens haar verblijf daar heeft gedaagde haar seksueel misbruikt.
De rechtbank wijst een bedrag van ƒ 3000,= wegens immateriële schade toe.
In het eindvonnis van 25 mei 1994 wordt ook de materiële schade wegens
reiskosten en kosten therapie opgenomen.

Volledige tekst

Rechtbank Utrecht, 5 februari 1992
Rolnr. 02.20.2793/90

1. Het verloop van het geding

1.1. Eiseres, hierna ook te noemen H heeft bij conclusie van eis overeenkomstig
de aankondiging in de dagvaarding (waaraan één produktie is gehecht) gevorderd:
bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde, hierna
ook te noemen B te veroordelen om aan H te voldoen ƒ 27.757,70 tegen behoorlijk
bewijs van kwijting en met verhoging voor wettelijke interesten vanaf de
dag der dagvaarding, zijnde 1 augustus 1990, tot aan de dag der algehele
voldoening uit hoofde van onrechtmatige daad.
Met veroordeling van B in de kosten van dit geding. Kosten rechtens.

1.2. Bij conclusie van antwoord heeft B verweer gevoerd.

1.3. H heeft een conclusie van repliek genomen en daarbij drie produkties
overgelegd.

1.4. Vervolgens heeft B een conclusie van dupliek genomen en daarbij één
produktie overgelegd.

1.5. Daarop heeft H een akte houdende uitlating produkties genomen.

1.6. Tenslotte hebben partijen de stukken aan de rechtbank overgelegd voor
het wijzen van vonnis. In het procesdossier van B ontbreken de door H bij
repliek overgelegde produkties twee en drie.

2. De vaststaande feiten

2.1. H verbleef omstreeks 1984-1986, toen zij de leeftijd van 19-21 jaar
had, in het trainingscentrum voor kamerbewoning, hierna ook te noemen,
TCK, “De Sonnenhoeck” te Bussum. H verbleef in het TCK omdat zij (nog)
niet zelfstandig kon wonen. In de betreffende periode volgde H een opleiding
tot onderwijzeres.

2.2. B was in die periode op het TCK werkzaam als groepsleider.

2.3. H heeft in juni 1989 aangifte gedaan van door B met haar gepleegde
ontucht gedurende haar verblijf in het TCK.

2.4. B is strafrechtelijk veroordeeld voor het plegen van ontucht met mevrouw
P, die in dezelfde periode als H in het TCK verbleef.

3. De standpunten van partijen

3.1. H vordert van B betaling van een bedrag van ƒ 27.757,70 vermeerderd
met, kortweg, rente en kosten.

3.2. H legt aan haar vordering ten grondslag dat B jegens jaar onrechtmatig
heeft gehandeld. Het onrechtmatig handelen bestond volgens H daaruit dat
B tijdens het verblijf van H in het TCK seksueel contact met haar heeft
gezocht en gehad, onder meer bestaande uit zeer regelmatige geslachtsgemeenschap
aan het einde van haar verblijf in het TCK. H stelt dat B misbruik heeft
gemaakt van de afhankelijke positie waarin zij zich toen bevond en dat
zij niet instemde met het seksueel contact, maar het liet gebeuren uit
angst B te verliezen als ze zou weigeren.

3.3. H stelde dat zij door hetgeen is voorgevallen nog dagelijks hinder
en problemen ondervindt. H stelt dat zij zich ten gevolge van de gepleegde
ontucht in 1987 onder psychiatrische behandeling heeft moeten stellen;
vanaf het najaar van 1990 volgt zij dagtherapie aan centrum “De Enk” te
Amersfoort.

3.4. Door het onrechtmatig handelen van B stelt H schade geleden te hebben,
welke bestaat uit een bedrag van ƒ 2.7557,70 aan materiële schade en een
bedrag van ƒ 25.000,= aan immateriële schade.

3.5. B ontkent dat hij jegens H onrechtmatig heeft gehandeld. B stelt dat
er gedurende het verblijf van H in het TCK na verloop van tijd een bepaalde
affectie tussen partijen is ontstaan, doch deze contacten werden volgens
B door H gezocht. B betwist dat hij in de periode dat H in het TCK verbleef
seksueel contact met haar heeft gehad.

3.6. Voorts betwist B de door H gestelde schade, alsmede het causaal verband
met het door H gestelde onrechtmatig handelen.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. De rechtbank heeft alvorens te kunnen beslissen behoefte aan nadere
schriftelijke informatie van partijen.

4.2 H dient de volgende gegevens te verstrekken:
haar geboortedatum alsmede de exacte periode waarin zij in het TCK verbleef;
wat ten tijde van haar plaatsing de geldende criteria voor plaatsing waren;
wat de structuur van het TCK was (samenstelling en taken van de leiding)
en waaruit het programma van het TCK in het algemeen en in haar geval bestond.

4.3. Voorts dient H bij akte over te leggen een afschrift van de door haar
tegen B gedane afgifte, alsmede zo mogelijk van het tegen B opgemaakte
proces-verbaal naar aanleiding van de door mevrouw P gedane aangifte, nu
H daar kennelijk over beschikt.

4.4. B dient bij akte over te leggen een afschrift van het tegen hem gewezen
strafvonnis naar aanleiding van de door mevrouw P tegen hem gedane aangifte.

4.5. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld op elkaars akten
te reageren.

4.6. Het is de rechtbank uit de conclusie van dupliek niet duidelijk of
B in het bezit is gesteld van de in zijn procesdossier ontbrekende produkties
twee en drie. Voorzover nodig wordt H verzocht die stukken alsnog bij akte
in het geding te brengen, waarna B in de gelegenheid zal worden gesteld
daarop desgewenst bij akte te reageren.

4.7. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. Stelt de stukken weer in handen van partijen om hen de gelegenheid
te geven te voldoen aan hetgeen hiervoor in 4.2. tot en met 4.6. is bepaald.

5.2. Bepaalt dat deze zaak weer zal worden uitgeroepen ter rolle van de
enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken van deze rechtbank
van woensdag 4 maart 1992 te 9.00 uur voor het nemen van een akte aan de
zijde van H.

5.3. Houdt iedere verder beslissing aan.

Rechtbank Utrecht, 31 maart 1993

6. Verder verloop van de procedure 6.1. Ter voldoening aan het in het tussenvonnis
bepaalde heeft H een akte tot uitlating en tot overlegging van produkties
genomen. Daarbij heeft zij acht produkties in het geding gebracht.

6.2. B heeft onder overlegging van twee produkties een antwoord-akte genomen.

6.3. Ten slotte hebben partijen de stukken wederom voor het wijzen van
vonnis aan de rechtbank overgelegd. Ook nu heeft de rechtbank in het procesdossier
van B de produkties twee en drie bij conclusie van repliek niet aangetroffen.
Ook heeft de rechtbank in dat procesdossier van de door H bij akte in het
geding gebracht produkties slechts de eerst produktie en de eerste vijf
pagina’s van de tweede produktie aangetroffen.

7. De vaststaande feiten. 7.1. Het onder 2.1. vastgestelde wordt aldus
aangevuld dat H geboren op 27 augustus 1965, van 20 november 1984 tot 16
juni 1986 in het TCK heeft verbleven. In het evaluatierapport van 15 juni
1985 van W, mentrix van H is onder meer over H vermeld: “De relatie met
haar ouders was absoluut nihil en H voelde zich erg eenzaam. Verder is
het navolgende in deze procedure komen vast te staan.

7.2. Een informatieboekje over het TCK houdt onder meer de volgende informatie
in: Het is een kamertrainingscentrum, waar d.m.v. begeleide kamerbewoning
de bewoner binnen ca. 2 jaar geleerd wordt zo zelfstandig mogelijk te leven.
Voorwaarden om in het TCK te kunnen wonen zijn: gemotiveerd zijn, diverse
zaken willen leren en daarover willen praten, aan de minimale leef-/huisregels
te willen houden, tussen de 16 en 20 jaar zijn, op school zitten en een
externe begeleider hebben, bijv. een maatschappelijk werk(st)er of voogd(es).
Elke bewoner krijgt een mentor of mentrix toegewezen die de bewoner tijdens
het verblijf door middel van onder meer regelmatige gesprekken in het TCK
begeleidt. In principe komen stafleden niet op de kamers van bewoners.
Het TCK kan het echter in sommige gevallen noodzakelijk achten dat dit
toch gebeurd.

7.3. Mevrouw A., tijdens het verblijf van H in het TCK een van de vier
daar werkzame mentoren heeft in een op 23 februari 1992 gedateerde verklaring
onder meer over het TCK vermeld: “Er was een 24-uurs bezetting, de mentoren
bleven om de beurt slapen. (…) Taakomschrijvingen zijn niet bewaard gebleven,
maar de funktie van mentor komt overeen met de funktie van groepsopvoeder
in de CAO Jeugdhulpverlening.”

7.4. Naar aanleiding van de door mevrouw P tegen hem gedane aangifte van
het plegen van ontucht heeft B blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal
op 31 mei 1988 en 1 juni 1988 aan de gemeentepolitie Bussum onder meer
verklaard: “(…) Onze taak is eigenlijk die van een ouder. (…) Wij leren
de jongelui zelf te koken, hun was te doen, hun kamer netjes te houden
enzovoort. (…) Ik weet dat sommige jongens en meisjes mij als een vaderfiguur
zien. (…) Tussen mevrouw P en H ontstond een rivaliteit omdat zij beiden
mijn volledige aandacht wilden hebben, Ik bedoel niet op seksueel gebied,
maar als helper, vaderfiguur. het was voor hen een wedstrijd wie er ‘s
avonds naast mij op de bank mocht zitten. (…) Op bepaalde momenten zoenden
Els en ik elkaar en ik heb ook de borsten en de vagina van Els gestreeld.
Dit alles gebeurde met toestemming van Els. Els was ook al 20 jaar en wist
op dit gebied ook precies wat zij wilde. Kort gezegd kan ik stellen dat
Els een volwassen vrouw was en dat hetgeen tussen ons gebeurde gewoon seksuele
ervaringen waren die tussen een man en een vrouw gebeuren en omdat zij
dat beiden wilden.”

7.5. Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 augustus 1989 is B, geboren
11 mei 1942, voor het plegen van ontucht met een aan zijn zorg en waakzaamheid
toevertrouwde minderjarige, te weten mevrouw P, meermalen gepleegd in de
periode van 13 januari 1984 tot 13 januari 1987 in het TCK, veroordeeld
tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met de bijzondere
voorwaarde van 200 uur dienstverlening en ontzetting van het recht om gedurende
drie jaren als opvoeder en/of verzorger in een jongerentehuis of kamertrainingscentrum
werkzaam te zijn. Aan mevrouw P is als beledigde partij een schadevergoeding
ter zake van immateriële schade van ƒ 1.5000,= toegekend. In de motivering
voor de hoofdstraf heeft de rechtbank onder meer overwogen: “(…) dat
de verdachte werkzaam was in een centrum waar jongeren werden geplaatst
met een problematische jeugd en achtergrond. Dit was ook het geval bij
het slachtoffer in deze zaak. Als gevolg daarvan had de verdachte er rekening
mee te houden dat het slachtoffer nog onvoldoende onderscheidend vermogen
in haar verhouding tot andere mensen bezat, in die zin dat zij gemakkelijk
te beïnvloeden was en, uit angst voor verlies van de van de verdachte te
verwachten genegenheid – te meer daar uit de stukken en ter zitting is
gebleken dat zij in de verdachte een vaderfiguur zag – moeilijk weerstand
kon bieden aan de seksuele handelingen van verdachte. Juist in zo’n situatie
is het van groot belang dat de begeleidende volwassene de grenzen duidelijk
in acht neemt. De verdachte, tot wie het slachtoffer zich in een dergelijke
afhankelijkheidsrelatie bevond, heeft deze grenzen overschreden. ( ..)”

7.6. Bij brief van 12 januari 1990 heeft de officier van justitie te Amsterdam
aan H bericht dat verlaging van de meerderjarigheidsleeftijd op 1 januari
1988 van 21 naar 18 jaar het onmogelijk maakt B te vervolgen voor de ten
aanzien van H gepleegde ontucht tijdens haar verblijf in het TCK.

7.7. Dr. G.H., psychiater, heeft bij brief van 7 augustus 1991 een aantal
vragen van de advocaat van H beantwoord naar aanleiding van een gesprek
dat hij op 23 juli 1991 met H heeft gehad. Deze brief houdt onder meer
in: “a. Over de waarschijnlijkheid van de door cliënte vermelde seksuele
contacten kan en mag ik, uitsluitend afgaande op cliëntes relaas geen uitspraak
doen. De wijze waarop zij mij een en ander vertelde doet mij echter zo
reëel aan, dat ik wel kan stellen dat het mij zeer waarschijnlijk lijkt.
b.1. ik acht het, ervan uitgaande dat het sub a. gestelde inderdaad heeft
plaatsgevonden, zeer waarschijnlijk dat cliënte hierdoor immateriële schade
heeft geleden. (…) b.2. Mede hierdoor zal de problematiek van cliënte
(zie b.4) dusdanig versterkt, dat zij nog moeilijker met die problemen
kon omgaan en psychiatrische behandeling noodzakelijk werd. ( ..). b.4.
Op grond van de anamnese en de klinische indruk tijdens het onderzoek
meen ik te kunnen stellen dat cliënte ten tijde van haar verblijf op Sonnenhoeck
grote problemen had met: 1. accepteren van haar vrouw zijn; 2. vertrouwen
stellen in mannen; 3. vertrouwen stellen in mensen in het algemeen. Uitgerekend
op deze drie punten heeft het gedrag van de heer B aangegrepen. In een
situatie die uitgesproken ongelijkwaardig was, en waarin sprake was van
een afhankelijkssituatie voor cliënte heeft hij haar vertrouwen eerst gewonnen,
om er daarna misbruik van te maken. Het moet iemand in de werksituatie
van de heer B bekend geweest zijn dat de reeds bestaande problematiek daardoor
alleen maar ernstig verslechteren kon. ( ..)”

8. Verdere beoordeling van het geschil. 8.1. De rechtbank begrijpt uit
de inhoud van de door B genomen antwoord-akte dat hij wel in het bezit
is gesteld van de in zijn procesdossier ontbrekende produkties bij conclusie
van repliek en bij de door H genomen akte. De rechtbank zal daarom op de
inhoud van die produkties acht slaan.

8.2. Het door H aan haar vordering ten grondslag gelegde onrechtmatig handelen
van B dateert van voor 1 januari 1992. Ook het ontstaan van de door B gestelde
schade dateert van voor die datum. Mitsdien zijn op de beoordeling van
dit geschil, gelet op het bepaalde in de artikelen 68a en 173 Overgangswet
NBW, in beginsel de desbetreffende bepalingen van het oude BW van toepassing.

8.3. In de hiervoor onder 7.4. weergegeven verklaring van B tegenover de
politie en in de bij de antwoord-akte overgelegde handgeschreven reactie
van B op een overgelegd deel van een concept boek van H erkent B tijdens
het verblijf van H in het TCK seksuele handelingen met haar te hebben gepleegd.
Volgens B heeft hij eerst na afloop van dat verblijf geslachtsgemeenschap
met H gehad. Ook wanneer in deze procedure van de juistheid van het standpunt
het plegen van ontucht met H tijdens haar verblijf in het TCK onrechtmatig
jegens H heeft gehandeld. De rechtbank verwijst daarvoor naar een neemt
hier over hetgeen de rechtbank verwijst daarvoor naar en neemt hier over
hetgeen de rechtbank Amsterdam dienaangaande heeft overwogen in het hiervoor
onder 7.5. gedeeltelijk weergegeven vonnis. Uit de onder 7.4. weergegeven
verklaring van B blijkt dat ook H in B een vaderfiguur zag. Ook H had problemen
in haar thuissituatie (zie hiervoor onder 7.1.) B was van dit alles op
de hoogte. Weliswaar is door de verlaging van de meerderjarigheidsgrens
per 1 januari 1988 naar achteraf moet worden geconstateerd, in het onderhavige
geval geen sprake meer van een strafbaar feit, maar dat doet, gegeven de
hiervoor geschetste omstandigheden, niet af aan het oordeel dat B jegens
H onrechtmatig heeft gehandeld. Deze onrechtmatige daad moet aan B worden
toegerekend. B is dan ook verplicht de schade, die H tengevolge van het
onrechtmatig handelen lijdt, te vergoeden.

8.4. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade ad ƒ 2.757,70 heeft
H bij dagvaarding een specificatie overgelegd. Daarin is onder meer vermeld:
“- kosten therapie 1987 t/m voorjaar 1991 – 1987: ƒ 100,=
1988: ƒ 185,=
1989: ƒ 610,=
1990 (t/m maart) ƒ 65,=
rest 1990 + 1991: ƒ 1250,=
Totaal: ƒ 2210,=

H heeft van deze kosten geen bewijsstukken overgelegd. Zij heeft volstaan
met overlegging van de hiervoor onder 7.7 vermelde brief van dr. H en met
een brief van haar behandelend psychiater mevr. M.M. d.d. 23 september
1990. Uit deze laatste brief blijkt wel dat H bij deze psychiater onder
behandeling is geweest vanaf juli 1987, maar niet van de daaraan verbonden
kosten en van de frequentie. Dit laatste is mede van belang voor de door
H gevorderde reiskostenvergoeding.

8.5. B heeft betwist dat zijn relatie met H heeft geleid tot de problemen
waarvoor H stelt psychiatrisch behandeld te zijn. Alvorens daarop te beslissen
dient H bij akte een kopie over te leggen van de door haar advocaat aan
dr.G.H. gestelde vragen waarnaar dr. H in zijn voormelde brief verwijst.
Tevens dient B bewijsstukken van voormelde therapiekosten over te leggen.
B zal daarop bij antwoordakte kunnen reageren.

8.6. H heeft een bedrag van ƒ 25.000,= aan immateriële schade gevorderd
als smartegeld. De rechtbank is van oordeel dat toewijzing van een bedrag
als vergoeding voor immateriële schade gerechtvaardigd is. Aangezien uit
het voorgaande genoegzaam kan worden afgeleid dat H door de handelingen
van B in haar persoon is aangetast. De hoogte van dit bedrag moet naar
maatstaven redelijkheid en billijkheid worden vastgesteld, hoezeer ook
een schade als deze niet terug te brengen is op alleen een bedrag in geld.
Bij conclusie van repliek heeft H gesteld dat haar belangrijkste reden
om de onderhavige procedure aanhangig te maken is, dat zij B duidelijk
wil maken dat hij verkeerd heeft gehandeld en dat aan B de ernst van zijn
gedrag door deze procedure, al was het maar gedeeltelijk, duidelijk zal
worden. Of zij dit doel heeft bereikt is niet aan de rechtbank ter beoordeling.
Wel leidt de rechtbank er uit af dat H een vergoeding van de immateriële
schade niet als hoofddoel heeft in deze procedure. Deze omstandigheden
leiden er toe dat de rechtbank het bedrag als vergoeding voor immateriële
schade naar billijkheid op ƒ 3.000,= zal vaststellen. Partijen hebben niets
gesteld over de draagkracht van B, hetgeen in dit geval meebrengt dat toetsing
van dit bedrag aan de draagkracht van B niet aan de orde is.

8.7. Iedere verdere beslissing zal thans worden aangehouden.

9. Beslissing.

9.1. De zaak wordt verwezen naar de rol van woensdag 28 april 1993 voor
het nemen van een akte aan de zijde van H met de onder 8.5. vermelde doeleinden;

9.2. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Rechtbank Utrecht, 25 mei 94, eindvonnis;

10. Verder verloop van de procedure

10.1. H heeft een akte tot specificaties van schade en overlegging van
produkties, tevens vermindering van eis genomen. H heeft daarbij de gevorderde
materiële schade met een bedrag van in totaal ƒ 999,70 verminderd.

10.2. B heeft een antwoord-akte genomen.

10.3. Ten slotte hebben de partijen de stukken wederom aan de rechtbank
overgelegd voor het wijzen van het vonnis.

11. Verdere beoordeling van het geschil

11.1. H heeft bij akte een kopie overgelegd van de brief van haar advocaat
d.d. 14 juni 1991, waarin de vraagstelling is vermeld waarop dr. Hellinga
in zijn brief van 7 augustus 1991 heeft geantwoord. voor een uitgebreidere
weergave van het standpunt van H is in de brief van 14 juni 1991 verwezen
naar de bij die brief gevoegde conclusie van repliek in deze zaak.

11.2. B heeft naar aanleiding van de brief van 14 juni 1991 aangevoerd
dat dr. Hellinga zich bij de beantwoording van de vragen grotendeels heeft
laten leiden door het verhaal door het verhaal dat H aan hem heeft verteld
en dat dr. Hellinga hieraan geheel uit eigen beweging conclusies verbindt
die volgens B niet zomaar aangenomen kunnen worden, zeker niet de nogal
gekleurde vraagstelling.

11.3. Aan B moet worden toegegeven dat dr. Hellinga kennelijk alleen kennis
heeft heeft genomen van mededelingen en processtukken van de zijde van
H. De rechtbank onderschrijft echter niet de stelling van B dat de vraagstelling
in de brief van 14 juni 1991 nogal gekleurd is.

11.4. B heeft op zichzelf geen verweer gevoerd tegen de thans door H bij
akte overgelegde specificaties, behoudens de door hem geplaatste vraagtekens
bij de kosten fysiotherapie in produktie 1d. De rechtbank kan dit verweer
van B niet volgen. Blijkens de vermelding op produktie 1d zien de daarin
genoemde kosten op individuele psychotherapie 1989 voor H. Ten aanzien
van het oorzakelijk verband van deze kosten met het onrechtmatige handelen
van B geldt hetgeen voor de overige -psychiatrische- handelingen van H
geldt.

11.5 H heeft haar vordering betreffende reiskosten bij akte vermeerderd
met kosten eigen bijdrage in 1990 en 1991. B heeft tegen deze vermeerdering
op zichzelf geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank recht zal doen op
de vordering zoals deze met inachtneming van de vermeerdering, en rekening
houdend met de onder 10.1 vermelde vermindering, is komen te luiden.

11.6. Mitsdien is toewijsbaar
– kosten therapie van 1987 t/m 27 september 1990 ƒ 1.045,=
– reiskosten van/naar therapie t/m september 1990
40 x ƒ 2,40 ƒ 96,=
– reiskosten van/naar therapie april 1990 t/m
september 1990 17 x ƒ 2,40 ƒ 40,80
– eigen bijdrage reiskosten therapie 1990 en 1991 ƒ 244,50

————
ƒ 1.426,30

11.7. Tegen de overige door H gevorderde kosten van in totaal ƒ 331,70,
als vermeld in de bij dagvaarding overgelegde specificatie, heeft B geen
gemotiveerd verweer gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat voldoende
aannemelijk is geworden dat deze kosten door H zijn gemaakt. Zij zijn niet
als onredelijk aan te merken en dienen als een gevolg van het onrechtmatig
handelen van B aan hem te worden toegerekend. het bedrag van ƒ 331,70 zal
dan ook worden toegewezen.

11.8. B zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten
van de procedure aan de zijde van H worden veroordeeld, echter met dien
verstande dat de kosten van het griffierecht en salaris procureur ten laste
van H blijven voor zover deze kosten zijn veroorzaakt doordat aan immateriële
schade meer dan het thans toegewezen bedrag van ƒ 3.000,= is gevorderd.
Voor het overige worden de kosten van de procedure op de hierna vermelde
wijze gecompenseerd.

12. Beslissing

12.1. B wordt veroordeeld tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan H te
betalen een bedrag van ƒ 4.758,= (vierduizend zevenhonderd achtenvijftig
gulden), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 augustus
1990 tot de dag der voldoening.

12.2. B wordt veroordeeld in een deel van de kosten van deze procedure
aan de zijde van H gevallen, welk deel tot aan deze uitspraak wordt begroot
op ƒ 1.500,= voor salaris procureur en ƒ 301,25 voor verschotten, op de
voet van het bepaalde in art. 57b Rv te voldoen aan de griffier van de
rechtbank. Voor het overige worden de proceskosten tussen partijen gecompenseerd
aldus dat elke partij in zoverre de eigen kosten draagt.

12.3. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Rechters

mrs. de Koning-Veuh, J.C Kranenburg, L.C. Heuveling

Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 24 mei 1994

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


Werkgeefster vraagt ontbinding van de arbeidsovereenkomst omdat werknemer
zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie van twee, tijdelijke,
medewerksters. Een van de medewerksters heeft medegedeeld dat werknemer haar
tegen haar wil op de mond heeft gezoend. De andere medewerkster zou enkele
maanden daarvoor op vervelende wijze door werknemer benaderd zijn, maar heeft
dit niet officieel aan werkgeefster doorgegeven. Werknemer ontkent de hem
verweten gedragingen. Subsidiair stelt hij, onder verwijzing naar het beleid
van werkgeefster, dat de gedragingen, ook al zou hij zich hieraan schuldig
hebben gemaakt, een ontbinding niet rechtvaardigen.
Naar het oordeel van de kantonrechter is er voldoende grond om aan te nemen
dat de gedragingen hebben plaatsgevonden. Ontbinding is echter niet de juiste
oplossing. Werkgeefster heeft gesteld dat het eerste voorval door haar niet
van voldoende gewicht werd geacht om tot ontbinding over te gaan. Het tweede
voorval is haar slechts vertrouwelijk door een derde ad informandum
medegedeeld en kan daarom de ontbinding niet alsnog rechtvaardigen. De
stelling van werkgeefster dat het feit dat werknemer de gedragingen ontkent
het onmogelijk maakt de dienstbetrekking voort te zetten, wordt door de
kantonrechter verworpen. Hoewel erkent moet worden dat het ontkennen van
redelijkerwijs vaststaande feiten het vertrouwen in de betrokkene kunnen doen
verminderen, behoort dit in casu niet tot toepassing van de zwaarste sanctie
te leiden, meent de kantonrechter. Zeker nu de werknemer inziet dat zijn
gedrag laakbaar is.

Volledige tekst

Verloop van de procedure

Het verzoekschrift strekt tot ontbinding van de tussen partijen gesloten
arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, als bedoeld in artikel 1639w
van boek 7A van het Burgerlijke Wetboek.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling heeft op 18 mei 1994 plaatsgevonden. De raadslieden
hebben pleitnotities overgelegd.

Gronden van de beslissing

1. Tussen partijen staat het volgende vast. Verweerder, die 44 jaar oud is,
is op 15 oktober 1985 bij verzoekster rechtsvoorgangster in dienst getreden.
Zijn functie is chef vervoer.
Het salaris bedraagt ƒ 4.293,- bruto per maand.
Plaats van verrichting der werkzaamheden is Amsterdam.

2. Als gewichtige reden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voert
verzoekster aan dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele
intimidatie jegens twee van haar -tijdelijke- personeelsleden, van dien aard
dat de dienstbetrekking redelijkerwijs zo spoedig mogelijk behoort te
eindigen. Daar komt bij dat het vertrouwen in verweerder, doordat hij de hem
verweten gedragingen ontkent, zodanig verstoord is geraakt dat een verdere
vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk is.

3. Op 15 april 1994 deed een twintig jarige -tijdelijke- medewerkster
mededeling aan haar superieuren dat verweerder haar daags tevoren tegen haar
wil op de mond had gezoend. Zij was naar verweerders kamer gegaan om hem iets
te vragen. Verweerder sloot zijn kamerdeur en kuste haar op de mond, waarbij
verweerder haar hoofd vasthield. Daarbij deelde hij haar mee dat hij later op
de dag zou gaan ‘stappen’, omdat zijn echtgenote die dag naar Groningen was.
Betrokkene was hierdoor zeer ontdaan. Zij heeft een medewerkster in
vertrouwen genomen. Op advies van haar ouders heeft zij de volgende dag van
het voorval melding aan verzoekster gedaan, opdat maatregelen kunnen worden
getroffen om herhaling te voorkomen.

Verzoekster heeft het boven omschreven voorval op dezelfde dag -direct nadat
het haar was gemeld- met verweerder besproken. Verweerder reageert met
verbazing.
Het gesprek ontwikkelt zich zodanig dat verweerder de middag van vrijdag 15
april 1994 met wederzijdse instemming naar huis gaat. Op maandag 18 april
1994 hervat verweerder zijn werkzaamheden tot hij op 21 april 1994 op
non-actief wordt gesteld in afwachting van een nader onderzoek. Inmiddels was
namelijk gebleken dat in september 1993 zich een vergelijkbaar voorval had
voorgedaan met een stagiaire.

4. Op zaterdag 18 september 1993 hield verzoekster ‘een open dag’. Verweerder
was daarbij als gastheer aanwezig. Hij nodigde genoemde stagiaire uit de
kelder van het gebouw met hem te bezichtigen. Zij kreeg de fietsenstalling en
de douches te zien. Daarbij werden vervelend insinuerende opmerkingen
geplaatst. Verweerder heeft geprobeerd de betrokken stagiaire te zoenen. Zij
was daar niet van gediend en is naar boven gelopen. De stagiaire heeft geen
melding gemaakt van het voorval. Een klacht heeft zij niet ingediend; zij
meende het incident zelf adequaat te hebben afgehandeld.

Wel vertelde zij het verhaal aan haar moeder, die werkzaam is bij verzoekster
in het district Haarlem. Deze heeft het voorval aan haar bedrijfsarts gemeld,
die op zijn beurt contact heeft gelegd met het bedrijfsmaatschappelijk werk
te Amsterdam.

5. Verzoekster meent dat verweerder zich aldus laakbaar tegenover haar
medewerksters heeft gedragen, dat van haar niet kan worden gevergd het
dienstverband met hem voort te zetten.

6. Verweerder ontkent de hem verweten gedragingen en bestrijdt de juistheid
van verzoeksters stellingen.
Hij stelt gemotiveerd dat de vermeende gedragingen niet met de vereiste
stelligheid zijn komen vast te staan en dat het door verzoekster terzake
ingestelde onderzoek onzorgvuldig is geweest. Subsidiair stelt verweerder
dat, indien en voor zover hij zich aan de gestelde gedragingen schuldig zou
hebben gemaakt, deze gedragingen -hoe afkeurenswaardig ook- niet de gevraagde
ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigen.

7. Verweerder verwijst daarbij -naast naar relevante jurisprudentie- naar het
door X terzake vastgestelde beleid, zoals dat blijkt uit haar brochure ‘de
juiste vrouw op de juiste plaats’. Daarin staat beschreven:

‘Bij wangedrag als seksuele intimidatie wordt eerst geprobeerd in onderling
overleg de verstoorde werkrelatie te herstellen. Lukt dat niet, dan horen
sancties tot de mogelijkheden. Dit kan variëren van overplaatsing van de
dader en ontheffing uit de functie tot ontslag.’

Verzoekster handelt in strijd met dit door haar zelf ontwikkelde en aanvaarde
beleid door onder de geschetste omstandigheden te streven naar ontslag van
verweerder.

8. Verweerder heeft de kantonrechter verzocht voorlopige voorzieningen te
treffen, strekkende tot opheffing van de non-actiefstelling en rehabilitatie.
In dit geding concludeert hij tot afwijzing van het verzoek.

9. Het onderzoek, door verzoekster naar aanleiding van het voorval op 14
april 1994 ingesteld, is -hoewel daarop enige kritiek mogelijk is- gelet op
de belangen van alle betrokkenen voldoende zorgvuldig geweest. De
kantonrechter is voorts van oordeel dat er op basis van de overgelegde
stukken, waaronder de verklaringen van de betrokkenen, die ter zitting
aanwezig waren om desnodig haar verklaringen te bevestigen en toe te lichten,
voldoende grond is om aan te nemen dat gedragingen, zoals door betrokkenen
verklaard, daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.
Voor het vaststellen van de ernst van het intimiderende karakter van die
gedragingen is het noodzakelijk dat betrokkenen worden gehoord. Daartoe zal
echter niet worden overgegaan, omdat zulks niet zal leiden tot een andere
beslissing.

10. De vraag, of de verweerder verweten feiten in het licht van verzoeksters
beleid inzake seksuele intimidatie ontbinding van de arbeidsovereenkomst
rechtvaardigen, wordt namelijk ontkennend beantwoord.

Het behoeft geen betoog dat het verweerder verweten gedrag onaanvaardbaar is.
Dat ziet hij zelf ook in.
Verzoekster heeft bij pleidooi nader toegelicht dat het voorval van 14 april
1994 door haar op zich niet van voldoende gewicht werd geacht om tot
ontbinding van de arbeidsovereenkomst te besluiten; een andere -lichtere-
sanctie zou gelet op verzoeksters meergenoemde beleid terzake op zijn plaats
zijn geweest. De kantonrechter verenigt zich met dat standpunt.

Het voorval van 18 september 1993 is verzoekster niet als klacht of ter
waarschuwing van betrokkene gemeld. Dat feit is haar vertrouwelijk door een
derde ad informandum meegedeeld.
Verweerder is er dan ook nimmer op aangesproken.
Onder die omstandigheden kan aan dat voorval niet een zodanige betekenis
worden toegekend dat het aan het andere voorval, dat op zich ontbinding van
de arbeidsovereenkomst nog niet rechtvaardigde, die rechtvaardiging alsnog
bijbrengt.

11. Verzoekster stelt echter dat het feit dat verweerder de beide voorvallen
ontkent het haar onmogelijk maakt de dienstbetrekking met hem te continueren.

Hoewel erkend kan worden dat het ontkennen van feiten, die redelijkerwijs als
vaststaand moeten worden aangenomen, onder bepaalde omstandigheden het
vertrouwen in de ontkennende kunnen doen afnemen, wordt geoordeeld dat ook
dit feit in het onderhavige geval niet tot de zwaarst mogelijke sanctie
behoort te leiden. Daarbij wordt overwogen dat verweerder de laakbaarbaarheid
van de gedragingen in kwestie volledig onderschrijft.

Niet is gesteld of gebleken dat verweerder is medegedeeld dat het (blijven)
ontkennen van de verweten gedragingen voor verzoekster aanleiding zal zijn
het vertrouwen in hem op te zeggen en dat zulks zal leiden tot het streven
naar ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter is van oordeel dat dat onjuist is.

Bovenal echter dient het in beginsel een ieder vrij te staan, wanneer hem
laakbare -mogelijk zelfs strafbare- feiten als de onderhavige worden
verweten, het begaan daarvan te ontkennen, zonder dat zulks tot zwaardere
repercussies leidt dan de verweten feiten rechtvaardigen.

Het verzoek wordt afgewezen, omdat het feit, dat de aanleiding vormde tot dit
verzoek, de sanctie van ontslag – de zwaarste sanctie, die verzoeksters beleid
inzake seksuele intimidatie kent – niet rechtvaardigt. Er zijn termen de
gedingkosten te compenseren.

Beslissing

Het verzoek wordt afgewezen.
Partijen dragen ieder de eigen proceskosten.

Rechters

Mr Brouwer

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 24 mei 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft naar aanleiding van een raamadvertentie waarin een
vacature werd aangeboden, in de desbetreffende winkel om een
sollicitatieformulier verzocht. Degene aan wie zij hier om vroeg, wilde
haar dit sollicitatieformulier niet verstrekken omdat zijn chef hem
verboden had aan vrouwen een formulier mee te geven. Ook de chef zou
vervolgens tegen verzoekster gezegd hebben dat zij niet in aanmerking kwam
voor de functie omdat zij vrouw is. De Commissie stelt vast dat voldoende
aannemelijk is dat verzoekster van de wederpartij te horen heeft gekregen
dat zij niet in aanmerking zou komen voor een functie als verkoper om
redenen die verband houden met haar geslacht. Naar aanleiding hiervan
concludeert de Commissie dat het geslacht een van de redenen, zoniet de
reden is geweest voor het niet in behandeling nemen van de sollicitatie
van verzoekster. Strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 25 maart 1993 verzocht mevrouw te Rotterdam (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of te
Rotterdam (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt
op grond van geslacht in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoekster heeft naar aanleiding van een raamadvertentie waarin een
vacature werd aangeboden, in de desbetreffende winkel om een
sollicitatieformulier verzocht. Degene aan wie zij hier om vroeg, wilde
haar dit sollicitatieformulier niet verstrekken omdat zijn chef hem
verboden had aan vrouwen een formulier mee te geven. Verzoekster is van
mening dat de wederpartij hiermee in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun
standpunten weer te geven.

2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen om hun standpunten nader toe te
lichten tijdens een zitting op 13 april 1994.

Daarbij waren aanwezig: van de kant van verzoekster – mw
(verzoekster) – mw (toehoorder) – dhr (toehoorder)

van de kant van de wederpartij – dhr (directeur)

van de kant van de Commissie – mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter) –
mw mr A.C. Possel (lid Kamer) – dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer)
– mw mr M.M. Hubner (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een bedrijf dat in een aantal winkels onder andere
legerkleding en -attributen verkoopt. In de winkel waar verzoekster
sollciteerde werken 15 werknemers, waaronder drie vrouwen. Een vrouw werkt
in deeltijd in de verkoop, de andere twee vrouwen doen administratief
werk.

3.2. Verzoekster heeft het volgende gesteld. Zij heeft een raamadvertentie
in een van de winkels van de wederpartij gezien waarin om personeel
gevraagd werd. Omdat zij op zoek was naar een bijbaan in het weekend,
heeft zij bij een van de verkopers in die winkel om een
sollicitatieformulier gevraagd. Deze deelde verzoekster mee dat hij geen
sollicitatieformulieren aan vrouwen mocht verstrekken. Hij had dit al een
keer eerder gedaan en was daarop aangesproken door zijn chef.

Verzoekster heeft de chef van de desbetreffende verkoper vervolgens
gevraagd of deze een verkoper nodig had voor de zaterdag. Deze vertelde
verzoekster dat zij niet voor de functie in aanmerking zou kunnen komen
omdat zij vrouw is. Hij gaf hiervoor als redenen op dat vrouwen anders
gebouwd zijn dan mannen, dat de werksfeer eronder zou lijden als er ook
vrouwen bij de wederpartij zouden komen werken en dat hij verzoekster niet
los durfde te laten tussen al die mannen, omdat zij dan niet meer zouden
werken. Ook veronderstelde hij nog dat verzoekster alleen maar bij de
wederpartij wilde werken, omdat er zulke mooie mannen werkten.

3.3. De bedrijfsleider, waarmee verzoekster destijds heeft gesproken, is
inmiddels werkzaam in een van de andere filialen van het bedrijf. Hij kon
niet aanwezig zijn op de zitting van de Commissie, maar heeft schriftelijk
het volgende verklaard. De conclusie van verzoekster dat er geen vrouwen
bij haar mogen werken, is niet juist. Er werken immers drie vrouwen in de
winkel. Het feit dat er bij haar slechts drie vrouwen werken heeft meer
te maken met het winkelbeeld dan met het personeelsbeleid. Het winkelbeeld
wekt veel meer interesse op bij mannen dan bij vrouwen. Het spijt hem dat
verzoekster, door hun gesprek, een onjuiste indruk heeft gekregen van het
personeelsbeleid. Het is nooit de bedoeling (geweest) om een sollicitant
bij voorbaat alle kans op een mogelijk dienstverband binnen het bedrijf
te ontnemen.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster stelt, dat het feit dat bij de wederpartij geen vrouwen
mogen werken oneerlijk en discriminerend is jegens vrouwen.

3.5. De wederpartij heeft ter zitting verklaard zich niet goed te kunnen
voorstellen, dat de toenmalige bedrijfsleider zich, op de wijze zoals
verzoekster schetst, heeft uitgelaten over haar sollicitatie. Aangezien
zij daarbij niet aanwezig was, kan het echter noch ontkend, noch bevestigd
worden. Zij kan zich wel voorstellen dat de bedrijfsleider iets gezegd
heeft over de ‘bouw’ van verzoekster in verband met het feit dat zij een
fysiek evenwicht wil hebben in de winkels. Vanwege de veel voorkomende
criminaliteit waarmee het winkelpersoneel te maken krijgt, is het van
belang om fysiek stevig gebouwd te zijn.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de behandeling bij de vervulling van
een openstaande betrekking door de sollicitatie van verzoekster niet in
behandeling te nemen.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB schrijft voor dat het niet is toegestaan bij de
aanbieding van een betrekking of bij de behandeling bij de vervulling van
een openstaande betrekking onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen.
Van het verbod in artikel 3 WGB mag slechts worden afgeweken als er sprake
is van een van de wettelijke uitzonderings- gronden genoemd in de
artikelen 5 lid 1 en 2 WGB, namelijk op grond van voorkeursbehandeling
voor vrouwen en om reden dat een bepaalde functie geslachtsbepaald is, dat
wil zeggen alleen door vrouwen of alleen door mannen kan worden
uitgeoefend. De reden voor afwijking moet ingevolge artikel 3 lid 2 WGB
uitdrukkelijk bij de werving worden vermeld.

4.3. Ten aanzien van de feiten overweegt de Commissie als volgt.

Noch gesteld noch bewezen is dat de raamadvertentie al dan niet vermeldde
dat alleen mannen konden solliciteren. De Commissie gaat er derhalve van
uit, dat een zodanige vermelding niet is gedaan.

Ofschoon de toenmalige bedrijfsleider betreurt dat verzoekster een
verkeerde indruk heeft gekregen van het personeelsbeleid van het bedrijf,
heeft hij de lezing die verzoekster gaf van het gebeurde niet
uitdrukkelijk ontkend. De directeur kon niet ontkennen daar hij bij het
gesprek niet aanwezig was, en heeft alleen de geloofwaardigheid van
verzoeksters lezing in twijfel getrokken. De Commissie leidt hieruit af
dat verzoekster te horen heeft gekregen dat zij niet in aanmerking zou
komen voor een functie als verkoper. Mede gelet op de toelichting van de
kant van de wederpartij acht zij het voldoende aannemelijk dat de
bedrijfsleider in dat verband (mede) heeft verwezen naar fysieke aspecten
van verzoekster als vrouw.

4.4. Ten aanzien van de rechtsvraag overweegt de Commissie het volgende.

Voor de onderhavige situatie geldt, dat ingevolge artikel 3 WGB zowel
vrouwen als mannen in aanmerking behoren te komen voor de betreffende
functie van verkoper. De wederpartij heeft bij de werving geen beroep
gedaan op een van beide wettelijke uitzonderingsgronden. Gelet op het feit
dat van de kant van de wederpartij (mede) de fysieke aspecten van
verzoekster als vrouw als motief zijn genoemd, concludeert de Commissie
dat het geslacht een van de redenen, zoniet de reden is geweest voor het
niet in behandeling nemen van de sollicitatie van verzoekster.

Indien en voorzover de wederpartij met haar opmerkingen ter zitting over
het belang van fysiek evenwicht alsnog een beroep heeft willen doen op de
geslachtsbepaaldheid van de functie van verkoper, voegt de Commissie hier
nog het volgende aan toe. Al eerder (Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid, 15 oktober 1990, oordeelnummer
31-90-124.) heeft de Commissie uitgesproken, dat, volgens de
wetsgeschiedenis, een functie slechts in zeer bijzondere gevallen
geslachtsbepaald kan zijn, dat wil zeggen alleen door een man of een vrouw
uitgeoefend kan worden. Voor de onderhavige situatie heeft de wederpartij
geen of onvoldoende aanknopingspunten aangereikt om tot een
geslachtsbepaalde functie te kunnen concluderen. Als een eis dat in deze
(bijzondere) fysieke kracht nodig is om de functie naar behoren te
vervullen al aannemelijk zou zijn, is dat immers op zich onvoldoende. Niet
alle mannen beschikken over een grote lichaamskracht, terwijl sommige
vrouwen juist wel de vereiste fysieke kracht bezitten. Van een
geslachtsbepaalde functie om reden van fysieke kracht kan dan ook alleen
sprake zijn, indien vast staat dat geen enkele vrouw aan de gestelde
fysieke eisen kan voldoen.

Hiermee staat vast dat de wederpartij bij de selectie onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt jegens verzoekster in strijd met artikel 3 lid 1
WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Rotterdam jegens mevrouw
te Rotterdam onderscheid naar geslacht heeft gemaakt bij de
behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking in strijd met
artikel 3 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Aldus vastgesteld op 24 mei 1994 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 1 april 1994.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis, mw mr A.C. Possel, dhr mr R.A.C.M.Langemeijer, mw mr M.M. Hubner

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 24 mei 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij heeft het dienstverband met zeven werknemers (vijf vrouwen,
waaronder verzoekster, en twee mannen) beeindigd. Voor de kostwinners
onder hen, te weten twee mannen en een vrouw, heeft de wederpartij een
afvloeiingsregeling getroffen. Verzoekster is van mening dat het
aangelegde criterium ‘kostwinnerschap’ indirect discriminerend jegens
vrouwen is. Kostwinnersbepalingen zijn, wanneer men deze beziet vanuit het
oogpunt van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, doorgaans verdacht.
De algemene gegevens en die in het onderhavige geval tonen (nog steeds)
aan, dat veel meer mannen dan vrouwen alleenverdienende kostwinner zijn.
Dit levert een vermoeden van indirect onderscheid op. De door de
wederpartij aangevoerde argumenten (niet-kostwinners moeten in eigen
levensonderhoud voorzien en zij ontvangen zelf een WW- uitkering) voldoen
niet als objectieve rechtvaardigings-grond. Strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 21 maart 1994 verzocht mevrouw te
Monnickendam (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel met spoed uit te spreken over
de vraag of het te Driebergen (hierna: de wederpartij) jegens verzoekster
onderscheid naar geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. De wederpartij heeft het dienstverband met zeven werknemers (vijf
vrouwen, waaronder verzoekster, en twee mannen) beeindigd. Voor de
kostwinners onder hen, te weten twee mannen en een vrouw, heeft de
wederpartij een afvloeiingsregeling getroffen. Verzoekster is van mening
dat het aangelegde criterium ‘kostwinnerschap’ indirect discriminerend
jegens vrouwen is.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en, conform het
verzoek, de versnelde behandeling toegepast (artikel 34 e.v. van het
Procedurereglement). Partijen zijn vervolgens opgeroepen voor een zitting
op 26 april 1994. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen de
gelegenheid gehad hun standpunten schriftelijk weer te geven.

2.2. Tijdens de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw (verzoekster) – mw
mr A.M.A. Keulen (gemachtigde, DAS Rechtsbijstand)

van de kant van de wederpartij: – dhr (directeur) – dhr mr
J.C. Debije (advocaat)

van de kant van de Commissie – mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter) – mw
drs. J.A.M. Stolwijk (lid Kamer) – mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer) –
mw mr M. de Rooij (lid Kamer) – dhr mr W.A. van Veen (plaatsvervangend lid
Kamer) – mw mr M.M. Hubner (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK De feiten

3.1. De wederpartij is een onderneming die opleidingen verzorgt bij
bedrijven. Verzoekster is op 6 juni 1988 bij de wederpartij in dienst
getreden als marketingassistente. Vanwege slechte bedrijfseconomische
omstandigheden zijn in 1993 voor vijf vrouwelijke werknemers (waaronder
verzoekster) en twee mannelijke werknemers ontslagvergunningen bij het
arbeidsbureau aangevraagd. Deze zijn verleend, waarna de
arbeidsovereenkomst met verzoekster per 1 september 1993 is beeindigd.

Voor twee mannen en een vrouw is een afvloeiingsregeling getroffen, omdat
zij kostwinners waren. Een (mannelijke) werknemer kon een
outplacement-traject volgen, de twee andere werknemers kregen een bedrag
toegekend, dat gerelateerd was aan het aantal dienstjaren. Verzoekster
heeft geen afvloeiingsregeling ontvangen, omdat zij geen kostwinner is.

3.2. Verzoekster heeft vervolgens een procedure gestart bij de
Kantonrechter op grond van kennelijk onredelijk ontslag. In het kader van
die procedure stelt zij, onder andere, dat de wederpartij zich schuldig
maakt aan handelen in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen door haar geen afvloeiingsregeling toe te kennen. In de
procedure bij de Kantonrechter wil verzoekster bij akte of ter comparitie,
het oordeel van de Commissie in het geding brengen.

De standpunten van partijen

3.3. Verzoekster stelt het volgende. Hier is sprake van ontoelaatbaar
onderscheid als bedoeld in artikel 1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).
Door de wederpartij wordt indirect onderscheid naar geslacht gemaakt. Het
kostwinnerscriterium heeft immers tot effect, dat aan vier vrouwelijke
werknemers (de meerderheid) geen afvloeiingsregeling is toegekend,
ongeacht de lengte van hun dienstverband. De slechte financiele situatie
van het bedrijf van de wederpartij kan niet als objectieve rechtvaardiging
aangemerkt worden. Het bedrag dat thans aan drie werknemers besteed is,
kon immers over zeven personen worden verdeeld.

3.4. De wederpartij stelt het volgende. Als gevolg van de slechte
financiele situatie van het bedrijf bestond niet de mogelijkheid om aan
alle zeven ontslagen medewerkers een passende afvloeiingsregeling aan te
bieden. Met dit gegeven is onderzocht welke van de betrokken medewerkers
het zwaarst zouden worden getroffen door hun ontslag. Uit dit onderzoek
kwam naar voren, dat vier van de medewerkers een verdienende levenspartner
hadden. Deze medewerkers werden daardoor geacht in hun levensonderhoud te
kunnen voorzien, waarbij ook in aanmerking genomen werd dat zij daarnaast
nog een WW-uitkering zouden ontvangen. De andere drie waren evenwel
kostwinner en zouden met hun gezin afhankelijk worden van een
WW-uitkering. Op grond hiervan is besloten om, binnen het zeer beperkte
budget, met deze werknemers een op hun specifieke situatie toegesneden
individuele regeling te treffen.

Uit het bovenstaande blijkt, dat het geslacht van betrokkenen op geen
enkele wijze een rol heeft gespeeld bij het toekennen van een
afvloeiingsregeling. In ieder geval is er een objectieve rechtvaardiging
voor het gemaakte onderscheid, zelfs indien dit een indirect onderscheid
naar geslacht tot gevolg zou hebben gehad.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij indirect onderscheid naar
geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen
en vrouwen door alleen met kostwinners een afvloeiingsregeling te treffen.

Artikel 7A:1637ij lid 1 BW schrijft voor dat een werkgever geen
onderscheid tussen mannen en vrouwen mag maken in, onder andere, de
arbeidsvoorwaarden. In het vijfde lid is bepaald dat dit verbod betrekking
heeft op zowel direct als indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen.
Onder indirect onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van andere
hoedanigheden dan het geslacht, bijvoorbeeld echtelijke staat of
gezinsomstandigheden, dat onderscheid op grond van geslacht tot gevolg
heeft, tenzij dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is.

4.2. Het vermoeden van indirect onderscheid ontstaat wanneer het nadelig
effect van een regeling in overwegende mate personen van een geslacht
treft, of -andersom gesteld- indien een bepaalde regeling hoofdzakelijk
in het voordeel van personen van een geslacht uitvalt. Derhalve moet
onderzocht worden wat het effect naar geslacht is van het door de
wederpartij aangelegde criterium ‘kostwinnerschap’. Kostwinnersbepalingen
zijn, wanneer men deze beziet vanuit het oogpunt van gelijke behandeling
van mannen en vrouwen, doorgaans verdacht (Zie ook oordelen 446-91-79, 4
december 1991, 396-92-19, 27 mei 1992 en 163-91-13, 10 april 1991 van de
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.). De
algemene gegevens tonen immers nog steeds aan dat veel meer mannen dan
vrouwen kostwinner zijn.

Toegespitst op de cijfers in het onderhavige geval blijkt dat deze niet
afwijken van het hiervoor geschetste beeld. Hierbij zij opgemerkt, dat de
Commissie relatieve cijfers hanteert, dat wil zeggen dat rekening gehouden
wordt met het aandeel dat mannen respectievelijk vrouwen hebben in het
aantal ontslagen werknemers. Bij een referentiekader waarin mannen en
vrouwen niet een ongeveer gelijk aandeel hebben, zouden absolute aantallen
namelijk een vertekend beeld geven (Een voorbeeld: een onderneming waarin
10 vrouwen werken en 1000 mannen. Van de vrouwen werken er 9 in deeltijd,
van de mannen ook. In aantallen werkt onderscheid ten nadele van
deeltijders gelijk uit naar geslacht, terwijl duidelijk zal zijn dat toch
met name de vrouwen nadelig worden getroffen (9 van de 10 respectievelijk
9 van de 1000).).

Voor vier van de vijf ontslagen vrouwen (= 80%) is geen
afvloeiingsregeling getroffen, terwijl dit voor geen van de mannelijke
werknemers (=0%) geldt. Een vrouw (=20%) en twee mannen (=100%) komen wel
in aanmerking voor een afvloeiingsregeling. Relatief gezien, ondervinden
vijf keer zoveel mannen als vrouwen voordeel van het kostwinnerscriterium.

4.3. Dit betekent dat vrouwen in vergelijking daarmee in overwegende mate
nadelig getroffen worden. De Commissie stelt dan ook vast dat toepassing
van het onderhavige criterium een vermoeden van indirect onderscheid met
zich brengt. Het ligt dan op de weg van de wederpartij om aan te tonen dat
hiervoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.

Onder objectieve rechtvaardiging verstaat de Commissie (Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 5 maart 1990,
oordeelnummer 1-90-10; zie voorts o.a. Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Bilka Kaufhaus versus Weber von Hartz, 13 mei 1986, zaak
170/84; Rinner-Kuhn versus FWW Spezial Gebaudereinigung GmbH & CO.KG, 13
juli 1989, zaak 171/88.) – dat het onderscheid gemaakt wordt om een
objectief gerechtvaardigd doel te dienen en – daartoe middelen zijn
gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken, terwijl
– dit doel niet is te bereiken op andere wijze waarbij geen indirect
onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

De wederpartij heeft aangevoerd, dat de niet-kostwinners geacht worden in
hun levensonderhoud te kunnen voorzien, aangezien zij een verdienende
levenspartner hebben. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat de
niet-kostwinners zelf nog een WW-uitkering zouden ontvangen. De
kostwinners zouden met hun gezin afhankelijk worden van een WW-uitkering,
wat als onrechtvaardig wordt beschouwd.

De Commissie is van oordeel dat het doel van het gemaakte onderscheid
tussen kostwinners en niet-kostwinners niet als objectief gerechtvaardigd
kan worden aangemerkt. Een WW-uitkering (met eventueel toeslagen) voorziet
immers in een basisinkomen voor een gezin. Het feit dat het ene gezin meer
inkomen heeft dan het andere, komt ook in andere situaties voor, maar is
op zichzelf geen reden om met de ene werknemer wel en met de andere
werknemer niet een financiele regeling te treffen. Ook de regering heeft
een dergelijke rechtvaardiging voor kostwinnersbepalingen bij de
behandeling van het wetsontwerp ter uitvoering van de Tweede EG-richtlijn
(Aanpassing van de Nederlandse wetgeving aan de richtlijn van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 9 februari 1976 inzake de gelijke
behandeling van mannen en vrouwen, Tweede Kamer, zitting 1978- 1979, 15
400, Memorie van Toelichting nrs. 1-4, pagina 10.) als niet-relevant
beschouwd: “[ …] De vraag dient zich aan of hantering van het
kostwinnersbegrip strijd met de richtlijn oplevert. Het terrein dat door
de richtlijn en derhalve door dit wetsontwerp wordt bestreken kan voor wat
deze vraag betreft onderverdeeld worden in enerzijds het gebied dat
aanstelling en ontslag betreft en anderzijds het gebied dat op de primaire
inkomensvorming betrekking heeft. Onder primair inkomen worden de lonen
en andere op geld waardeerbare arbeidsvoorwaarden verstaan. [ …] De
ondergetekenden zijn van mening dat het gebruik van het kostwinnersbegrip
bij aanstelling en ontslag een middellijk onderscheid tussen mannen en
vrouwen inhoudt, daar in het algemeen met name gehuwde vrouwen getroffen
zullen worden door de hantering van dit begrip. Wat het tweede hierboven
genoemde gebied betreft, zijn de ondergetekenden van oordeel dat de hier
bedoelde bepalingen in het algemeen eveneens een middellijk onderscheid
tussen mannen en vrouwen inhouden, daar ze voornamelijk aan mannen
voordelen zullen opleveren. Hier komt bij dat de overweging die ten
grondslag heeft gelegen aan het treffen van de hier bedoelde extra
voorzieningen voor kostwinners, namelijk dat aan het gezin een
basisinkomen gegarandeerd behoort te zijn, thans niet meer relevant is als
gevolg van allerlei maatregelen in de sfeer van de secundaire
inkomensvorming, zoals de sociale verzekeringswetgeving, de Algemene
Bijstandswet, de fiscale wetgeving. [ …]”. (In de oude wetgeving werd
gesproken over ‘middellijk’ onderscheid in plaats van ‘indirect’
onderscheid.)

De Commissie concludeert dat de wederpartij niet het vermoeden weerlegd
heeft, dat het door haar gemaakte onderscheid vanwege kostwinnerschap
onderscheid naar geslacht tot gevolg heeft.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Driebergen jegens mevrouw
te Monnickendam indirect onderscheid naar geslacht heeft gemaakt
in strijd met artikel 7A:1637ij lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Aldus vastgesteld op 24 mei 1994 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 26 april 1994.

Rechters

mw mr Y. Telenga, mw drs J.A.M. Stolwijk, mw mr C.E. van Vleuten,mw mr M. de Rooij, dhr mr W.A. van Veen, mw mr M.M. Hubner

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 24 mei 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft gesolliciteerd naar de functie van bedrijfsjurist. Zij
heeft een aantal gesprekken gevoerd met de wederpartij, waarna verzoekster
ervan uitging dat zij was aangenomen. Verzoekster heeft toen melding
gemaakt van haar zwangerschap en stelt vervolgens vanwege die zwangerschap
te zijn ontslagen. (De wederpartij betwist dat een arbeidsovereenkomst tot
stand is gekomen). De Commissie stelt vast dat de voornaamste reden waarom
de wederpartij verzoekster niet heeft aangenomen, dan wel het
dienstverband heeft beeindigd, lag in het niet beschikbaar zijn gedurende
een aantal maanden in de beginperiode van het dienstverband. In dit
verband overweegt de Commissie dat wanneer de zwangerschap een van de
redenen en niet de enige reden voor het gemaakte onderscheid is, dit
strijd met de Wet oplevert. Verder stelt zij dat afwezigheid in verband
met zwangerschap op een lijn te stellen is met de zwangerschap zelf. De
Strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 15 februari 1994 verzocht mevrouw te Wassenaar
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of
te Leiden (hierna: de wederpartij) onderscheid op grond
van geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster heeft gesolliciteerd naar de functie van bedrijfsjurist.
Zij heeft een aantal gesprekken gevoerd met de wederpartij, waarna
verzoekster ervan uitging dat zij was aangenomen. De wederpartij betwist
dat een arbeidsovereen- komst tot stand is gekomen. Verzoekster heeft toen
melding gemaakt van haar zwangerschap en stelt vervolgens vanwege die
zwangerschap te zijn ontslagen. Volgens haar heeft de wederpartij hiermee
in strijd gehandeld met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB; Stb. 1989, 168).

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
spoedprocedure toegepast. Voorafgaand aan de zitting heeft de wederpartij
op verzoek van de Commissie schriftelijk haar standpunt uiteen gezet.

2.2. Partijen zijn opgeroepen hun standpunten toe te lichten tijdens een
zitting van de Commissie op 26 april 1994.

Bij deze zitting waren aanwezig: van de kant van verzoekster – mw mr drs
(verzoekster) – dhr (toehoorder)

van de kant van de wederpartij – dhr (algemeen directeur)
– dhr (directeur Personeelszaken) – dhr mr R.V.H. Jonker
(advocaat)

van de kant van de Commissie – mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter) – mw mr
M. de Rooij (plaatsvervangend lid Kamer) – mw drs J.A.M. Stolwijk (lid
Kamer) – dhr mr W.A. van Veen (plaatsvervangend lid Kamer) – mw mr C.E.
van Vleuten (lid Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK de feiten 3.1. Verzoekster heeft eind
1993 met tussenkomst van een wervings- en selectiebureau gesolliciteerd
naar de functie van bedrijfsjurist bij de wederpartij. Het eerste
sollicitatiegesprek heeft zij gevoerd met iemand van dat bureau en de
directeur Personeelszaken van de wederpartij. Verzoekster stelt dat in dit
gesprek naar haar opzegtermijn is gevraagd, iets wat de wederpartij
ontkent.

Het is bij de wederpartij gebruik dat alle directeuren stem hebben in de
wervings- en selectieprocedure voor de functie van bedrijfsjurist. In de
periode rond 19 januari 1994 hebben dan ook de algemeen directeur en de
director Professional Services gesprekken gevoerd met een aantal
kandidaten, waaronder verzoekster. Ook een extern directie-adviseur was
daarbij aanwezig. De financieel directeur was in deze periode afwezig. De
sollicitatieprocedure zou daarom zonder hem worden gevoerd.

In het gesprek van verzoekster met de algemeen directeur is aan de orde
geweest of verzoekster kinderen had. Verzoekster heeft toen aangegeven
gelukkig te zijn met haar twee kinderen, maar niet uit te sluiten dat zij
nog een kind zou krijgen.

3.2. Na deze gesprekken heeft het wervings- en selectiebureau verzoekster
gevraagd contact op te nemen met de wederpartij voor een vervolggesprek.
Volgens verzoekster gaf het bureau toen aan dat de keus op haar was
gevallen. Zij was op dat moment de enige kandidaat met wie een dergelijk
gesprek zou worden gevoerd.

Het vervolggesprek vond plaats op 26 januari 1994, tussen verzoekster en
de directeur Personeelszaken. Zij hebben gesproken over de
arbeidsvoorwaarden, waaronder de datum van indiensttreding. Verzoeksters
opzegtermijn bedroeg drie maanden, wat betekent dat zij per 1 mei zou
kunnen beginnen. Verzoekster heeft op dat moment verteld dat zij zwanger
was, en dat haar zwangerschaps- en bevallingsverlof in juni zou ingaan.
Verzoekster heeft in dit gesprek aangegeven te willen zoeken naar
alternatieven. Zo zou zij per direct in deeltijd kunnen beginnen of
bijvoorbeeld kunnen proberen de opzegtermijn te vervroegen. Afgesproken
is tenslotte, dat verzoekster de algemeen directeur persoonlijk zou
inlichten over haar zwangerschap.

Op 26 januari 1994 heeft verzoekster kennis gemaakt met de financieel
directeur, die die dag toevallig wel aanwezig was. Volgens verzoekster is
dit gesprek gevoerd in een sfeer waarin duidelijk was dat zij reeds was
aangenomen. De wederpartij bestrijdt dit laatste.

Op 27 januari 1994 heeft verzoekster de algemeen directeur geinformeerd
over haar zwangerschap. De directeur Personeelszaken had hem hiervan reeds
op de hoogte gesteld. De algemeen directeur heeft in het gesprek
aangegeven dat er geen arbeidsovereenkomst met verzoekster zou worden
aangegaan. Tijdens de zitting is komen vast te staan dat de hoofdreden was
dat verzoekster door haar zwangerschap pas laat feitelijk met haar
werkzaamheden zou kunnen starten. Ook heeft de algemeen directeur
aangegeven het vreemd te vinden dat verzoekster in het eerste gesprek geen
melding had gemaakt van haar zwangerschap, en wel in het tweede gesprek.

De afwijzingsbrief vermeldt als reden voor afwijzing de persoonlijke
karaktereigenschappen van verzoekster, die naar verwachting onvoldoende
zullen aansluiten bij die van sommige van de managers, dan wel de
bedrijfscultuur, waardoor communicatieproblemen zouden kunnen ontstaan.

De standpunten van partijen

3.3. Verzoekster stelt het volgende.

Zij heeft op grond van de uitlatingen van de directeur Personeelszaken,
de financieel directeur en de sfeer van de laatste gesprekken
geconcludeerd, dat er reeds een arbeidsovereenkomst tot stand was gekomen.
Toen zij de wederpartij van haar zwangerschap op de hoogte stelde, is zij
ontslagen. Dit ontslag is in strijd met artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk
Wetboek (BW). Dit artikel verbiedt het maken van direct of indirect
onderscheid op grond van geslacht. Voorzienbare afwezigheid in verband met
zwangerschaps- en bevallingsverlof is een vorm van direct onderscheid,
waarvoor geen objectieve rechtvaardiging kan worden aangevoerd.

Overigens acht zij het ongepast dat de algemeen directeur in het eerste
gesprek naar eventuele kinderen vroeg. Beleefdheidshalve is zij daar toen
wel op ingegaan. In het tweede gesprek met de algemeen directeur is de
zwangerschap aangegeven als reden voor ontslag. Op haar opmerking dat zij
niet vanwege haar zwangerschap kon worden ontslagen, antwoordde de
directeur dat in de afwijzingsbrief wel een andere reden voor afwijzing
zou worden gegeven.

Verzoekster stelt met de wederpartij te hebben besproken dat zij met haar
werkzaamheden zou kunnen beginnen ofwel per 1 mei 1994 dan wel eerder dan
1 mei 1994 zo haar opzegtermijn zou worden verkort, dan wel bij
beeindiging van haar zwangerschaps- en bevallingsverlof rond 1 september
1994.

3.4. De wederpartij bestrijdt dat reeds een arbeidsovereenkomst tot stand
was gekomen. Zolang er nog geen volledige overeenstemming is over de
arbeidsvoorwaarden, kan niet gesproken worden van een arbeidsovereenkomst.
De directie had nog enkele onderdelen van de arbeidsvoorwaarden moeten
bespreken, voordat de arbeidsovereenkomst definitief zou zijn. Wel erkent
zij dat in het gesprek over de arbeidsvoorwaarden bij verzoekster de
indruk kan zijn gewekt, dat de arbeidsovereenkomst tot stand was gekomen.
De directeur Personeelszaken heeft toen namelijk niet aangegeven dat hij
nog met de andere directieleden moest overleggen.

3.5. Het vragen naar kinderen kan niet als ongepast worden aangemerkt.
Immers de kandidaten zijn vrij al dan niet in te gaan op dergelijke
vragen. De algemeen directeur betwist in het tweede gesprek met
verzoekster te hebben gezegd wel een andere reden dan de zwangerschap te
zullen zoeken. Zwangerschap is voor het bedrijf op zichzelf namelijk geen
enkel beletsel. Na het gesprek met verzoekster waarbij over haar kinderen
was gesproken, heeft de wederpartij zich overigens terdege gerealiseerd
dat verzoekster in de toekomst mogelijk nog een kind zou krijgen, en
tijdelijk afwezig zou zijn. Dat zou evenwel geen beletsel zijn om haar in
dienst te nemen.

Onoverkomelijk was dat verzoekster niet meteen doch eerst in november 1993
volledig met haar werkzaamheden zou kunnen beginnen. Juist voor deze baan
was dat van groot belang. In de advertentie was dit ook aangegeven. De
bedrijfsjuriste die men in dienst had, had namelijk vrij plotseling
opgezegd om met haar echtgenoot naar het buitenland te gaan. Er was daarom
reeds een achterstand ontstaan in de werkzaamheden. Zo waren reeds
contractbesprekingen gaande, waarbij de bedrijfsjurist eigenlijk vanaf het
begin betrokken hoort te zijn. De feitelijke datum van indiensttreding is
dan ook de reden geweest voor het niet aannemen van verzoekster en niet
haar zwangerschap. Elke andere kandidaat, die vanwege welke reden dan ook
pas laat in dienst zou kunnen treden, zou zijn afgewezen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking, dan wel bij de beeindiging van
de arbeidsovereenkomst, jegens verzoekster onderscheid naar geslacht heeft
gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

Alvorens de in geding zijnde vraag te beantwoorden stelt de Commissie
vast, dat het niet haar taak is te beoordelen of in casu reeds een
arbeidsovereenkomst was tot stand gekomen. Zij zal zich dan ook niet
uitspreken over de juridische kwalificatie van het handelen van de
wederpartij, doch onderzoeken of in casu in de selectieprocedure dan wel
bij de beeindiging van de arbeidsovereenkomst in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling is gehandeld.

4.2. Artikel 3 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij onder meer de behandeling bij de vervulling van een
openstaande betrekking. Artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW)
bepaalt onder andere dat de werkgever bij het beeindigen van de
arbeidsovereenkomst geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen.

Onderscheid op grond van zwangerschap is blijkens lid 5 van artikel
7A:1637ij BW jo artikel 1 WGB een vorm van direct onderscheid. Voor een
dergelijk onderscheid kunnen alleen de in de Wet genoemde uitzonderingen
als rechtvaardiging gelden (artikel 7A:1637ij leden 2, 3 en 4 jo artikel
5 WGB).

4.3. Vast is komen staan dat de voornaamste reden waarom wederpartij
verzoekster niet heeft aangenomen, dan wel het dienstverband heeft
beeindigd, lag in het niet beschikbaar zijn gedurende een aantal maanden
in de beginperiode van het dienstverband. Verzoekster kon overigens per
1 mei 1994 beginnen met haar werkzaamheden, verder heeft zij alternatieven
aangedragen in die zin dat zij bijvoorbeeld al eerder dan per 1 mei 1994
in dienst zou treden, maar de wederpartij heeft daarin kennelijk geen
oplossing kunnen zien.

In dit verband overweegt de Commissie dat zij al eerder heeft uitgesproken
dat wanneer de zwangerschap een van de redenen en niet de enige reden voor
het gemaakte onderscheid is, dit strijd met de Wet oplevert (Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, onder andere
oordeelnummers: 8 mei 1990, 172-90-31; 23 juni 1992, 518-92-37; 26 juli
1993, 607-93-29 en 16 september 1993, 575-93-33.). Verder heeft zij reeds
herhaalde malen uitgesproken (Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid, oordeelnummers: 21 juni 1993, 449-93-24;17
november 1992, 421- 92-59: 2 oktober 1991, 438-91-68; 17 september 1990,
158-90- 134; 8 mei 1990, 172-90-31.Zie ook de Hoge Raad in de zaak Dekker
vs Stichting Vormingscentrum voor Jong Volwassenen VJV- centrum, arrest13
september 1991, NJ 1992, 855 en in dezelfde zaak Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen, 8 november 1990, zaak C-177/88.) dat afwezigheid
of verminderde inzetbaarheid wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof een
onlosmakelijk en onvermijdelijk gevolg is van de zwangerschap en daardoor
op een lijn te stellen is met de zwangerschap zelf. Onderscheid op grond
van beperkte inzetbaarheid om deze redenen levert dus direct onderscheid
op. Een wettelijke uitzondering, zoals vermeld in paragraaf 4.2., doet
zich hier niet voor.

Hieruit volgt dat de wederpartij ofwel bij de behandeling bij de
vervulling van de openstaande betrekking onderscheid naar geslacht heeft
gemaakt in strijd met artikel 3 lid 1 WGB, dan wel bij de beeindiging van
de arbeidsovereenkomst onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd
met artikel 7A:1637ij BW.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Leiden jegens mevrouw mr
drs te Wassenaar onderscheid naar geslacht heeft gemaakt
in strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek, dan wel artikel 3 lid
1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Aldus vastgesteld op 24 mei 1994 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 26 april 1994.

Rechters

mw mr Y. Telenga, mw mr M. de Rooij, mw drs J.A.M. Stolwijk, dhr mrW.A. van Veen, mw mr C.E. van Vleuten, mw mr G.L.M. Lenssen

Instantie: Ministerie van Justitie, 20 mei 1994

Instantie

Ministerie van Justitie

Samenvatting


Betrokkene heeft een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling en om
een vergunning tot verblijf.
Het enkele beroep op het feit dat betrokkene zich niet kan vinden in de
maatregelen die de Chinese autoriteiten treffen in het kader van de
geboortebeperkingsproblematiek en de gevolgen bij de overtreding daarvan kan,
reeds vanwege het ontbreken van een verband met de gronden genoemd in het
Vluchtelingenverdrag en de Vreemdelingenwet, niet leiden tot erkenning als
vluchteling. Het betreft hier algemeen geldende overheidsmaatregelen, die,
voorzover bekend, zonder onderscheid naar bijvoorbeeld ras, nationaliteit of
het behoren tot een bepaalde sociale groep worden toegepast.
Er worden geen klemmende redenen van humanitaire aard gezien op basis waarvan
een vergunning tot verblijf kan worden verstrekt.
De omstandigheid dat betrokkene, in het kader van een door de Chinese
overheid gevoerde politiek, onderworpen kan worden aan een onvrijwillige
sterilisatie, danwel van maatregelen op maatschappelijk, sociaal en
financieel-economisch gebied, valt buiten de reikwijdte van artikel 3 van het
EVRM. Ter beoordeling ligt slechts voor of de Nederlandse overheid in een
individueel geval aansprakelijk kan worden gehouden voor een gedwongen
terugzending die in het land van herkomst een behandeling in de zin van
artikel 3 EVRM tot gevolg heeft.
Voor zover bovenstaande behandelingen of straffen op zichzelf een inbreuk op
iemands waardigheid en fysieke integriteit vormen is de ernst of hardheid
daarvan relatief in het licht van het effectueren van een politiek die een
bestaansdraagvlak voor alle Chinezen moet verzekeren.
De aanvragen van betrokkene worden afgewezen.

Volledige tekst

Op x-x-1994 heeft de vreemdeling van Chinese nationaliteit, geboren op x-x-x,
aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om een vergunning tot
verblijf.
Betrokkene is, naar zijn zeggen, op x-x-1994 Nederland binnengekomen en heeft
zich op x-x-1994 aangemeld bij de korpschef van X.
Betrokkene is op x-x-1994 te X. met de hulp van een tolk in de Mandarijnse
taal in de gelegenheid gesteld bovenvermelde aanvragen toe te lichten.
Van dat gehoor is een rapport opgesteld.
Het rapport van gehoor en de inhoud van het dossier worden als hier ingelast
beschouwd.
Betrokkene is in de gelegenheid gesteld schriftelijk wijzigingen en/of
aanvullingen op de inhoud van het rapport aan te leveren. Betrokkene heeft
van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Allereerst wordt ten aanzien van de aanvraag om toelating als vluchteling het
volgende overwogen.
Onder een vluchteling wordt verstaan een vreemdeling die voldoet aan de
omschrijving van artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de
status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij
Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) en de omschrijving van artikel
15, eerste lid, van de Vreemdelingenwet.
Het betreft hier vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land, waarin zij
gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige of
politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot
een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.
Een vreemdeling van wie is vastgesteld dat hij aan de criteria van het
Verdrag en Protocol voldoet en die hier te lande een verzoek om toelating als
vluchteling heeft ingediend, kan als vluchteling worden toegelaten.
Ingevolge het bepaalde in artikel 15c, eerste lid, onder a, van de
Vreemdelingenwet, wordt een aanvraag om toelating als vluchteling niet
ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan indien zij is gegrond op
omstandigheden die, hetzij op zich zelf of in verband met andere feiten in
redelijkheid geen enkel vermoeden kunnen wekken dat rechtsgrond voor
toelating bestaat.
Gelet op hetgeen is aangevoerd en hetgeen overigens bekend is, bestaat geen
enkel vermoeden dat betrokkene in het land van herkomst gegronde reden heeft
te vrezen voor vervolging in de zin als hiervoor bedoeld.
Daartoe is het volgende overwogen.
Betrokkene heeft verklaard geen lid te zijn geweest van een partij of
beweging die zich verzet(te) tegen het bewind in het land van herkomst en
geen activiteiten te hebben ontplooid gericht tegen het bewind in China.
Het enkele beroep op het feit dat betrokkene zich niet kan vinden in de
maatregelen die de Chinese autoriteiten treffen in het kader van de
geboortebeperkingsproblematiek en de gevolgen bij overtreding daarvan kan,
reeds vanwege het ontbreken van een verband met de gronden genoemd in het
Vluchtelingenverdrag en de Vreemdelingenwet, niet leiden tot erkenning als
vluchteling. Het betreft hier immers algemeen geldende overheidsmaatregelen,
die, voorzover bekend, zonder onderscheid naar bijvoorbeeld ras,
nationaliteit of het behoren tot een bepaalde sociale groep worden toegepast.
De aanvraag van betrokkene om toelating als vluchteling is gezien het
bovenstaande kennelijk ongegrond.
Vervolgens wordt ten aanzien van de aanvraag om een vergunning tot verblijf
het volgende overwogen.
Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet kan een vergunning
tot verblijf worden geweigerd op aan het algemeen belang ontleende gronden.
Nederland is een dichtbevolkt land en in verband met de daaruit
voortvloeiende problemen, zoals gelegen in de bevolkings- en
werkgelegenheidssituatie, wordt bij de toepassing van voornoemde bepaling een
restrictief toelatingsbeleid gevoerd.
Dat houdt in dat vreemdelingen – afgezien van verplichtingen voortvloeiend
uit internationale overeenkomsten – alleen dan in Nederland kunnen worden
toegelaten op grond van een vergunning tot verblijf, indien met hun verblijf
een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend, of indien er sprake is van
klemmende redenen van humanitaire aard.
Er is niet gebleken dat met het verblijf van betrokkene hier te lande een
wezenlijk belang is gediend.
Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht of gekomen op grond
waarvan betrokkene om andere klemmende redenen van humanitaire aard in het
bezit zou behoren te worden gesteld van een vergunning tot verblijf.
Ten aanzien van de stelling van betrokkene dat hij bij terugkeer naar China
zal worden onderworpen aan een behandeling in de zin van artikel 3 van het
EVRM wordt het volgende in aanmerking genomen.
Van klemmende redenen van humanitaire aard kan onder meer sprake zijn indien
aannemelijk is dat de vreemdeling bij gedwongen terugkeer naar zijn land van
herkomst een reëel gevaar loopt te worden onderworpen aan een – niet met de
definitie van vluchteling in verband te brengen – behandeling of straf in de
zin van artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van
de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Betrokkene heeft in dit geval een dergelijk gevaar niet aannemelijk gemaakt.
Hiertoe wordt overwogen dat de omstandigheid dat betrokkene, in het kader van
een door de Chinese overheid gevoerde politiek, onderworpen kan worden aan
een onvrijwillige sterilisatie, danwel van maatregelen op maatschappelijk,
sociaal en financieel-economisch gebied, valt buiten de reikwijdte van
artikel 3 van het EVRM. Ter beoordeling ligt slechts voor of de Nederlandse
overheid in een individueel geval aansprakelijk kan worden gehouden voor een
gedwongen terugzending die in het land van herkomst een behandeling in de zin
van artikel 3 EVRM tot gevolg heeft.
Voor zover bovenstaande behandelingen of straffen op zichzelf een inbreuk op
iemands waardigheid en fysieke integriteit vormen is de ernst of hardheid
daarvan relatief in het licht van het effectueren van een politiek die een
bestaansdraagvlak voor alle Chinezen moet verzekeren.
Ten overvloede wordt overwogen dat zelfs indien voormelde behandelingen of
straffen zijn aan te merken als vallend onder artikel 3 EVRM, de enkele
mogelijkheid dat in China deze op betrokkene zullen worden toegepast,
onvoldoende grond oplevert om schending van artikel 3 EVRM aan te nemen.
Slechts concrete aanwijzingen dat betrokkene na gedwongen terugzending
daadwerkelijk bovenstaande behandelingen of straffen ten deel zullen vallen,
kunnen leiden tot het oordeel dat een reëel gevaar voor schending van artikel
3 EVRM aanwezig is.
Op grond van het bovenstaande kan een vergunning tot verblijf worden
geweigerd op aan het algemeen belang ontleende gronden.
Nu de asielaanvraag binnen een termijn van vier weken na indiening daarvan
niet wordt ingewilligd en er geen aanleiding bestaat betrokkene in de
gelegenheid te stellen de beslissing op een eventueel in te stellen beroep
hier te lande af te wachten, zal betrokkene Nederland zo spoedig mogelijk
dienen te verlaten.
Gelet hierop is het in het belang van een effectief verwijderingsbeleid het –
al dan niet gedwongen – vertrek van betrokkene veilig te stellen en hiertoe
door middel van het toepassen van een maatregel van toezicht als bedoeld in
artikel 18a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet de beschikbaarheid van
betrokkene zo veel mogelijk te vergroten.
Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan, bij afweging
van alle hierbij aan de orde komende belangen, van toepassing van de
maatregel zou dienen te worden afgezien.
Gelet op het bepaalde bij en krachtens de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40);
Besluit:
1. de door betrokkene ingediende aanvraag om toelating als vluchteling niet
in te willigen wegens kennelijke ongegrondheid.
2. de door betrokkene ingediende aanvraag om een vergunning tot verblijf niet
in te willigen.
3. aan betrokkene op grond van het bepaalde in artikel 18a, eerste lid, van
de Vreemdelingenwet de aanwijzing te geven zich tot het tijdstip van het
vertrek uit Nederland uitsluitend op te houden in het onderzoeks- en
opvangcentrum te Eindhoven, en van naleving van deze verplichting blijk te
geven door tweemaal daags in persoon van zijn aanwezigheid in genoemd
onderzoeks- en opvangcentrum kennis te geven aan een ambtenaar belast met
toezicht op vreemdelingen.

Rechters

onbekend

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 20 mei 1994

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


De aanvraag AAW-uitkering met ingang van een datum (ver) in het verleden
wordt door de bedrijfsvereniging toegekend vanaf 1 jaar voor de datum van
de aanvraag. De bedrijfsvereniging stelt zich op het standpunt dat zich
hier geen bijzondere gevallen voordoen. De CRvB vindt dat er wel sprake
is van bijzondere gevallen en dat de bedrijfsverenigingen hierop beleid
moeten ontwikkelen. De Detam ontwikkelt het volgende beleid: 1) De
verzekerde is om medische en/of psychische redenen kennelijk niet in staat
geweest om een eerdere aanvraag in te dienen, terwijl zij voorts geen
beroep kon doen op personen in de directe omgeving. De terugwerkende
kracht wordt mede bepaald door de mate van financiele hardheid. 2) Het
resterende gezinsinkomen in de periode van 1 januari 1980 tot de datum van
toekenning van de AAW-uitkering lag gedurende een substantiele periode
aantoonbaar beneden het sociale minimum. De CRvB oordeelt dat dit beleid
niet in strijd is met het discriminatieverbod.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding Bij brief van 30 maart 1990 is gedaagde
vanwege eiser in kennis gesteld van een beslissing met de volgende
inhoud:

“U hebt op 12 april 1989 aan onze bedrijfsvereniging gevraagd u een
uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toe te
kennen in verband met arbeidsongeschiktheid welke zou zijn ingetreden op
1 januari 1977. Gelet op de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep
d.d. 5 januari 1988 inzake het recht op uitkering krachtens de AAW voor
gehuwde vrouwen, arbeidsongeschikt geworden voor 1 januari 1979, heeft het
bestuur van onze bedrijfsvereniging besloten u een uitkering krachtens de
AAW toe te kennen. U bent tot 1 januari 1980 gedurende tenminste 52 weken
onafgebroken arbeidsongeschikt geweest. Mede gelet op een van de
Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) ontvangen advies dient de mate
van arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW, welke bij u in aansluiting
op bovenvermelde periode van 52 weken bestaat, gesteld te worden op 80 tot
100%. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 25 lid 2 van de AAW heeft
ons bestuur besloten u met ingang van 12 april 1988 een uitkering
krachtens de AAW toe te kennen. Op grond van het geheel der gegevens heeft
het bestuur namelijk overwogen, dat hier niet van bijzondere
omstandigheden is gebleken, welke aanleiding vormen om in afwijkende zin
ten aanzien van de vastgestelde ingangsdatum te beslissen, te weten een
jaar voor de dag waarop de aanvraag werd ingediend.”

Op 17 maart 1992 heeft eiser aan de voorzitter van de voormalige Raad van
Beroep te Groningen een brief gezonden, onder meer luidend als volgt: “Wij
verzoeken u de bestreden beslissing als volgt gewijzigd te lezen. De
vijfde alinea (“Overeenkomstig ….. ingediend”) als niet geschreven te
beschouwen. In plaats van de vijfde alinea verzoeken wij u de volgende
tekst te lezen. Het bestuur heeft besloten dat in deze zaak sprake is
van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 25 lid 2 AAW, zodat de
bedrijfsvereniging de bevoegdheid heeft met een langere terugwerkende
kracht dan een jaar voor de meldingsdatum uitkering toe te kennen. Het
bestuur heeft beslist slechts van die bevoegdheid gebruik te maken in
geval er sprake is van bijzondere hardheid. In verband daarmee zij gegevens
opgevraagd over de financiele situatie van u (en uw eventuele partner) over
de periode vanaf 1980 tot en met het jaar met ingang waarvan u reeds
AAW-uitkering is toegekend. Uit bedoelde gegevens is gebleken, dat het
inkomen van u (en uw eventuele partner) in bedoelde periode boven het
bijstandsniveau is gebleven, waarbij rekening is gehouden met bijzondere
lasten als gevolg van uw aandoening die onontkoombaar voor eigen rekening
moesten blijven.

Het bestuur is voorts van oordeel dat in uw geval geen sprake is van
overige feiten en omstandigheden die met zich meebrengen dat de
ingangsdatum van uw uitkering dient te worden herzien. Het bestuur van de
bedrijfsvereniging heeft derhalve beslist, dat er in uw geval geen sprake
is van bijzondere hardheid indien geen langere terugwerkende kracht wordt
toegepast. In verband daarmee is beslist geen gebruik te maken van de
bevoegdheid om uw uitkering eerder te doen ingaan dan per 12 april 1988.”

De Arrondissementsrechtbank te Groningen heeft bij uitspraak van 17
december 1992 die (overeenkomstig eisers verzoek gewijzigd gelezen)
beslissing vernietigd, bepaald dat eiser een nieuwe beslissing zal nemen
op gedaagdes aanvraag van 12 april 1989 om een uitkering ingevolge de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet met inachtneming van hetgeen in die
uitspraak is overwogen en gelast dat eiser het door/namens gedaagde
gestorte griffierecht vergoedt.

Op de in een aanvullend beroepschrift vermelde gronden heeft eiser tegen
bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld. Daarbij is verzocht om
vernietiging van de aangevallen uitspraak en bevestiging van de bestreden
(voorzover verzocht gewijzigd gelezen) beslissing.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 8
april 1994, waar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. H.J.
Dijckmeester, werkzaam bij eisers bedrijfsvereniging, en waar gedaagde,
zoals te voren aangekondigd, niet is verschenen.

II. Motivering Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) in werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in
dit kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee
dat op het onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van
het procesrecht zoals dat luidde voor 1 januari 1994, behoudens wat
betreft de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten, als geregeld in
artikel 8:75 van de Awb.

1. De feiten die de Raad als vaststaand aanneemt. Nadat de Raad bij
uitspraken van 5 januari 1988 (gepubliceerd in RSV 1988/104, 198, 199 en
200) had beslist dat gehuwde vrouwen als gedaagde vanaf 1 januari 1980
aan spraak hebben op een uitkering krachtens de AAW, heeft gedaagde,
geboren 7 oktober 1945, zich op 12 april 1989 tot eiser gewend met het
verzoek haar in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de AAW;
daarbij heeft zij gesteld dat zij sedert 1977/1978 arbeidsongeschikt was.

2. Het standpunt van de eiser Op grond van een door de GMD uitgebracht
advies heeft eiser aangenomen dat gedaagde op 1 augustus 1971
arbeidsongeschikt is geworden en nadien arbeidsongeschikt is gebleven en
heeft eiser haar bij de bestreden beslissing met ingang van 12 april 1988
een uitkering krachtens de AAW toegekend. Eiser heeft zich daarbij op het
standpunt gesteld dat is weergegeven in de in rubriek 1 gedeeltelijk
aangehaalde beslissing d.d. 30 maart 1990 en brief d.d. 17 maart 1992, bij
welke brief is verzocht die beslissing gewijzigd te lezen. Dit verzoek is
gebaseerd op de nadere beslissing van eiser om zich te conformeren aan de
uitspraak van de Raad van 30 januari 1991, gepubliceerd in RSV 1991/182,
en om in het verlengde daarvan ook het gevoerde beleid te herzien. Nu deze
wijziging van de bestreden beslissing niet tot een andere materiele
uitkomst leidt dan in de bestreden beslissing niet tot beslissing is
neergelegd, en alleen leidt tot een wijziging van de motivering van die
beslissing. heeft de Rechtbank terecht deze wijziging van de bestreden
beslissing aanvaard en zal ook de Raad uitgaan van de aldus gewijzigde
beslissing. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat gedaagde
hierdoor niet in haar processuele belangen is geschaad.

Eisers standpunt houdt in dat nu gedaagde op 12 april 1989 een uitkering
krachtens de AAW heeft aangevraagd, onder toepassing van artikel 25,
tweede lid, van de AAW gedaagde met ingang van 12 april 1988 uitkering
dient te worden toegekend. Voorts heeft eiser beslist dat toepassing van
artikel 25, tweede lid, laatste volzin, er niet toe leidt dat aan gedaagde
met ingang van een eerdere dan genoemde datum uitkering diende te worden
toegekend. Dienaangaand heeft eiser blijkens de betreffende zogeheten
voorlegger (alsnog) het volgende standpunt ingenomen:

“Gezien de weduwnaarsuitspraken van 30 januari 1991 is het Bestuur tot het
oordeel gekomen, dat het standpunt van onze bedrijfsvereniging, dat ten
aanzien van de betreffende gehuwde vrouwen categoraal geen bijzonder geval
dient te worden aangenomen, niet meer verdedigbaar is. In casu gaat het
om (destijds) gehuwde vrouwen die: -arbeidsongeschikt zijn geworden voor
1 januari 1979 -geen jeugdgehandicapte zijn -niet arbeidsongeschikt zijn
geworden tussen 30 september 1975 en 1 januari 1979 en voldoen aan de
entree-eis. Immers beide laatstgenoemde groepen konden reeds aanspraak
maken op een AAW-uitkering na invoering van de Wet van 20 december 1979,
Stb. 708. Het bestuur heeft besloten dat ten aanzien van de betreffende
vrouwen alsnog categoraal een bijzonder geval in de zin van artikel 25 lid
2 AAW wordt aangenomen en dat er sprake is van bijzondere hardheid indien
een van de navolgende situaties zich voordoet: 1. De verzekerde is om
medische en/of psychische redenen kennelijk niet in staat geweest om
eerder een aanvraag in te dienen, terwijl zij tevens geen beroep kon doen
op personen in de directe omgeving. De terugwerkende kracht wordt mede
bepaald door de mate van financiele hardheid. 2. Het resterende
gezinsinkomen in de periode vanaf 1 januari 1980 tot datum toekenning
AAW-uitkering lag gedurende een substantiele periode aantoonbaar beneden
het sociale minimum. Dit werd veroorzaakt door financiele schade, geleden
in de prive-sfeer die direct werd veroorzaakt door de
arbeidsongeschiktheid. Er wordt uitgegaan van het gezinsinkomen en niet
van het inkomen van verzekerde, aangezien in veel gevallen verzekerde in
de thans van belangzijnde periode vanaf 1 januari 1980, in het geheel geen
inkomen had.”

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter
terechtzitting gaat de Raad ervan uit dat ook in andere bijzondere
gevallen (niet een gehuwde vrouw als gedaagde betreffende) een
overeenkomstige beleidswijziging heeft plaatsgevonden.

3. Beoordeling van het geschil 3.1. De toepassing van artikel 25, tweede
lid, AAW. Vooropgesteld dient te worden dat het bepaalde in artikel 25,
tweede lid, eerste volzin van de AAW naar het oordeel van de Raad niet
strijdig is met de zogeheten derde EG-richtlijn van 19 december 1979, nr
79/7 (verder te noemen: de Richtlijn) in gevallen, waarin deze richtlijn
van toepassing is. De Raad volstaat voor de onderbouwing van dit oordeel
met te verwijzen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen van 27 oktober 1993 in zaak C338/91 (Steenhorst-Neerings).
Evenmin acht de Raad genoemde wetsbepaling in strijd met artikel 26 van
het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten
(hierna: IVBPR) (Trb 1978/77); de Raad heeft zulks reeds eerder
uitgesproken met betrekking tot artikel 25 AWW, welke bepaling overeenkomt
met artikel 25 AAW (CRvB 29 april 1993, AWW/1992/60).

Met eiser gaat de Raad ervan uit dat gedaagde op 12 april 1989 een
aanvraag om uitkering heeft ingediend, welke aanvraag strekt tot
toekenning van een uitkering krachtens de AAW per 1 januari 1980 ter zake
van haar omstreeks 1971 ingetreden arbeidsongeschiktheid. Niet is komen
vast te staan dat gedaagde reeds eerder dan genoemde datum een aanvraag
om een uitkering heeft ingediend dan wel geacht moet worden een dergelijke
aanvraag te hebben ingediend.

Voorts heeft eiser aangenomen dat er in casu sprake is van een bijzonder
geval. Daarbij heeft eiser in navolging van de reeds genoemde uitspraak
van de Raad van 30 januari 1991 in het bijzonder van belang geacht dat in
verband met de toen bestaande onduidelijkheid over het bereik van de
desbetreffende supra- en internationaal rechtelijk normen grote
onzekerheid bestond over het antwoord op de vraag of gehuwde vrouwen als
gedaagde aanspraak konden maken op een uitkering krachtens de AAW. De raad
heeft geen aanleiding gevonden ter zake tot een ander oordeel te komen.
Dit betekent dat eiser op grond van artikel 25, tweede lid, laatste volzin
de bevoegdheid toekomt af te wijken van het bepaalde in de eerst volzin
van dat artikellid, welke volzin inhoudt dat de uitkering niet vroeger kan
ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag werd ingediend.

3.2. Het beleid van eiser Vervolgens dient de Raad te beoordelen wat er
zij van het hierboven weergegeven beleid dat eiser voert ten aanzien van
bijzonder gevallen als het onderhavige.

3.2.1. Het beleid en de discriminatie verboden De Rechtbank heeft in de
aangevallen uitspraak als zijn oordeel uitgesproken dat het beleid van
eiser de discriminatie van gehuwde vrouwen in beginsel doet voortduren en
dat van het bestaan van enige rechtvaardiging voor (de instandhouding van)
deze (indirecte) discriminatie niet is gebleken.

Voorts is in een aantal met het thans voorliggende geschil vergelijkbare
gedingen de vraag opgeworpen of de in bovengenoemd arrest van het Hof van
Justitie inzake Steenhorst-Neerings genoemde doeleinden als eisen van
goede administratie, controle en de noodzaak het financiele evenwicht te
bewaren van het verzkeringstelsel gelet op de aan de orde zijnde
feitelijke situatie van partijen een rechtvaardiging vormen van een
verschil in behandeling van gehuwde vrouwen als gedaagde en gehuwde
mannen.

De Raad onderschrijft niet de zienswijze van de rechtbank dat het beleid
van eiser in strijd is van de Richtlijn of enig ander discriminatieverbod
van nationale of internationale aard.

Uit het hiervoor genoemde arrest inzake Steenhorst-Neerings blijkt dat het
Hof van Justitie artikel 25, tweede lid, eerste volzin, van de AAW,
betreffende de terugewerkende kracht van ten hoogste een jaar voor de
datum aanvraag, niet in strijd acht met de Richtlijn. Naar het oordeel van
de Raad verdraagt eisers beleid om – behoudens in geval van bijzondere
financiele hardheid- in gevallen als het onderhavige geen gebruik te maken
van zijn bevoegdheid om meer dan een jaar terugwerkende kracht te
verbinden aan de toekenning van een uitkering zich evenzeer met die
Richtlijn alsmede met de overige genoemde discriminatieverboden. Uiteraard
mag eisers beleid, voorzover dit ertoe strekt om in gevallen van bijzonder
financiele hardheid wel meer dan een jaar terugwerkende kracht aan de
toekenning van een uitkering te verbinden, geen discriminatoire elementen
bevatten, bijvoorbeeld door de introductie van direct of indirect
discriminatoire onderscheidingen in dit beleid. Van een dergelijk
onderscheid is de Raad niet gebleken. Voorzover gesteld zou kunnen worden
dat het hanteren van het gezinsinkomen ter bepaling van de financiele
hardheid in de praktijk meer vrouwen dan mannen treft, merkt de Raad op
dat eiser met zijn beleid kennelijk heeft beoogd een inkomen ter hoogte
van het bestaansminimum ook aan de betrokken gehuwde vrouwen te
garanderen. Dit oogmerk heeft niets van doen met discriminatie op grond
van geslacht, terwijl in de gegeven omstandigheden eisers beleid inzake
financiele hardheid daartoe als een geschikt en noodzakelijk middel moet
worden beschouwd.

3.2.2. Het beleid en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur De
Rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak onder meer overwogen dat het
door eiser gevoerde beleid een zekere willekeur in zich draagt. In dat
verband heeft de Rechtbank gewezen op de omstandigheid dat bij gehuwde
vrouwen die een voorziening door een zogeheten meldingsformulier AAW
hebben aangevraagd en daarbij de vraag “sedert wanneer bent u ongeschikt”
hebben beantwoord, dit formulier als eerste relevante aanvraag is
aangemerkt; op deze wijze wordt -aldus de rechtbank- aan de betreffende
gehuwde vrouwen in het algemeen een uitkering met verdergaande
terugwerkende kracht toegekend dan aan vrouwen die geen voorziening
behoefden en om die reden ook niet genoemd meldingsformulier AAW hebben
ingediend.

De Rechtbank ziet daarbij echter over het hoofd dat in dergelijke gevallen
de ingangsdatum van de uitkering niet afhangt van eisers beleid in het
kader van de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid, maar van de
uitleg van het wettelijk begrip “aanvraag”. De Raad aanvaard eisers
zienswijze dat een op en na 1 januari 1980 ingediend “meldingsformulier
AAW” als een aanvraag om uitkering moet worden opgevat indien naast het
verzoek om in aanmerking te worden gebracht voor een voorziening op grond
van de AAW is vermeld dat de betrokkene zich arbeidsongeschikt acht.
Eiser, die terzake geen beleidsvrijheid toekomt, heeft derhalve geen
onjuiste uitleg gegeven aan het wettelijke begrip “aanvraag”.

Voorts heeft de Raad noch in hetgeen van de kant van gedaagde is
aangevoerd noch ambtshalve een grond kunnen vinden voor het standpunt dat
eisers beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling heeft
overschreden.

Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat bij de vaststelling van
het aan de orde zijnde beleid eiser een zekere speelruimte toekomt ten
aanzien van de wijze waarop aan het gehanteerde begrip sociaal minimum
inhoud wordt gegeven. In het bijzonder kan daarbij niet van eiser worden
verlang dat op dezelfde wijze toetsing van de behoeftigheid van
betrokkenen plaatsvindt als in het kader van de Algemene Bijstandswet.

3.2.3.Toepassing van het beleid in het onderhavige geval.

Nu derhalve blijkens het vorenstaande het beleid in zijn algemeenheid de
rechterlijk toetsing kan doorstaan, dient de Raad nog te bezien of eiser
in het geval van gedaagde zijn beleid juist heeft toegepast.

Gelet op de inhoud van de gedingstukken -de Raad verwijst in bijzonder
naar de door gedaagde ingevulde formulieren omtrent het (gezins)inkomen
en de voor haar rekening komende kosten- is de Raad van oordeel dat in het
geval van gedaagde eiser een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn
beleid. Zulks is ook van de kant van gedaagde niet bestreden.

Tenslotte merkt de Raad nog op dat er in het onderhavige geval niet van
zodanige omstandigheden is gebleken dat eiser in redelijkheid niet tot
toepassing van het gevoerde beleid had kunnen komen. Eiser heeft derhalve
gezien zijn beleid en uitgaand van gedaagdes gezinsinkomen in redelijkheid
kunnen concluderen dat in het geval van gedaagde geen sprake is van een
bijzondere hardheid.

Gelet op het hiervoor overwogene ziet de Raad geen aanleiding toepassing
te geven aan het bepaalde in art. 8:75 van de Awb.

Derhalve dient te worden beslist als volgt.

III. Beslissing De centrale Raad van Beroep, Rechtdoende: Vernietigt de
aangevallen uitspraak en verklaart het in eerste aanleg ingestelde beroep
alsnog ongegrond.

Rechters

mrs. C.G Kasdorp, H. van Leeuwen, Th.C. Sloten

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 20 mei 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was bij de wederpartij werkzaam op basis van een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Op het moment dat de
arbeidsovereenkomst eindigde, wilde de wederpartij deze niet verlengen.
Verzoekster is van mening dat het niet verlengen van de
arbeidsovereenkomst is ingegeven door het feit dat zij zwanger is. De
Commissie komt tot de conclusie dat de wederpartij aannemelijk heeft
gemaakt dat de beslissing, om geen nieuwe arbeidsovereenkomst aan te gaan,
gelegen is in het functioneren van verzoekster en dat haar zwangerschap
daarbij geen rol heeft gespeeld. Geen strijd met de Wet. Ten overvloede
overweegt de Commissie, onder verwijzing naar de Dekkers-uitspraak van het
EG-Hof, het volgende. Het feit dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde
tijd van rechtswege eindigt, betekent niet, dat het geoorloofd is om zo’n
overeenkomst niet te verlengen omdat de betrokkene zwanger is.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 29 maart 1993 verzocht mevrouw (hierna: verzoekster) de Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit
te spreken over de vraag of te Amsterdam (hierna: de wederpartij) jegens
haar onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster is bij de wederpartij werkzaam op basis van een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Op het moment dat de
arbeidsovereenkomst eindigde, wilde de wederpartij deze niet verlengen.
Verzoekster is van mening dat het niet verlengen van de
arbeidsovereenkomst is ingegeven door het feit dat zij zwanger is. Volgens
verzoekster handelt de wederpartij hiermee in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling.

2.DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun
standpunten weer te geven.

2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen om hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 7 april 1994.

Daarbij waren aanwezig:

van de kant van verzoekster: – mw (verzoekster) –
mw mr M.M. de Boer (advocaat)

van de kant van de wederpartij – dhr (directeur) – dhr
(hoofd buitendienst) – dhr (hoofd schadeverzekering) –
mw (directie-secretaresse) – mw mr A.J. van Wulfften
Palthe-Scholten (advocaat)

van de kant van de Commissie – dhr prof. mr P.F. van der Heijden
(Kamervoorzitter) – mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer) – mw mr
I.M.C.V.T. Kiebert (lid Kamer) – mw mr M.M. Hubner (adjunct-secretaris).

Als getuige is opgeroepen: – mw (consulente wervings- en
selectiebureau).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is op 1 april 1992, via een wervings- en selectiebureau,
bij de wederpartij in dienst getreden als coordinator buitendienst
schadeverzekering voor de duur van een jaar, tot 1 april 1993. Deze
periode gold, volgens de arbeidsovereenkomst, als een proeftijd. Daarna
zou bezien worden of een nieuwe arbeidsovereenkomst (voor onbepaalde tijd)
gesloten zou worden. Voordat verzoekster in dienst trad bij de
wederpartij, heeft tussen verzoekster en de directeur van de wederpartij
een sollicitatiegesprek plaatsgevonden, waarbij de inhoud van de functie
is besproken. Verzoekster heeft daarbij de wens geuit om de functie in
deeltijd (vier dagen) te vervullen. Omdat zij aangaf zich voor het werk
niet uitsluitend tot die vier werkdagen te zullen beperken, heeft de
wederpartij haar verzoek gehonoreerd.

3.2. De functie, welke verzoekster zou gaan uitoefenen, was in april 1992
door de wederpartij gecreeerd om de sector commerciele zaken efficienter
dan daarvoor te organiseren. Deze sector neemt bij de wederpartij een
belangrijke plaats in.

De unit waar verzoekster toe zou behoren, bestond uit haar chef, die in
de buitendienst werkzaam is, en een buitendienstmedewerker.

De functie bevatte de volgende taken: – telefonische en schriftelijke
benadering van bestaande relaties om tot afspraken voor de buitendienst
te komen; – verlenen van technische ondersteuning, verzorgen van
correspondentie, offertes, contacten met maatschappijen en dergelijke; –
bijhouden afspraakagenda en agenda van de lopende dossiers; – voorbereiden
en coordineren van acties en het meten van resultaten; – fungeren als
schakel tussen binnen- en buitendienst.

3.3. Op 29 december 1992 vond een functioneringsgesprek plaats tussen
verzoekster en haar chef, welk gesprek niet in een verslag is vastgelegd.
Het functioneringsgesprek werd gevoerd, omdat dit volgens het, pas
ingevoerde, personeelsbeleid verplicht was. Partijen hebben een
verschillende lezing van de inhoud van dit gesprek. Volgens verzoekster
heeft haar chef geen dan wel nauwelijks kritiek geuit op haar
functioneren; volgens haar chef en de wederpartij was dit wel degelijk het
geval, aangezien de directeur niet tevreden was met de vervulling van de
functie die verzoekster uitoefende (zie verder onder 3.6. en 3.7.).

Op 14 januari 1993 is een vergadering gehouden, waarbij aanwezig waren de
directeur, verzoeksters chef en het hoofd schadeverzekering. Tijdens die
vergadering is, onder andere, blijkens de agenda van die vergadering,
besproken of er een nieuw contract met verzoekster aangegaan moest worden.
Hierop is, volgens genoemde personen, in negatieve zin voor verzoekster
beslist. Op de agenda is door de directeur achter het desbetreffende
agendapunt het woord ‘exit’ toegevoegd.

Omdat verzoekster wegens ziekte afwezig was van 12 januari tot 1 februari
1993, kon de chef van verzoekster haar pas bij haar terugkeer op het werk
hierover informeren. Verzoekster wilde echter ook een mededeling doen aan
haar chef. Meteen bij haar terugkomst, op maandag 1 februari 1993, heeft
verzoekster aan haar chef verteld dat zij zwanger was. Haar chef heeft
haar tijdens dit gesprek niet verteld dat aan haar geen nieuw contract zou
worden aangeboden. Naar zijn zeggen was hij daartoe op dat moment niet in
staat, omdat verzoekster erg geemotioneerd was. In plaats daarvan, heeft
hij haar toegezegd om uit te zoeken welke rechten zij heeft met betrekking
tot zwangerschaps- en bevallingsverlof. Ook zegde hij toe de mededeling
over de zwangerschap vertrouwelijk te behandelen.

Daarna is verzoekster op maandag 8 februari 1993 voor een gesprek
uitgenodigd door de directeur. Daarbij was ook verzoeksters chef aanwezig.
In dit gesprek is aan verzoekster meegedeeld dat haar contract niet
verlengd zou worden. Na het gesprek heeft verzoekster zich ziek gemeld.

Verzoekster heeft vervolgens een brief van de directeur ontvangen,
gedateerd 9 februari 1993/17 februari 1993, waarin onder andere het
volgende is vermeld: ” [ …] dat ik heb moeten concluderen, dat het
concept van een soepel draaiende afdeling buitendienst varia, zoals die
mij voor ogen staat, niet goed wordt ingevuld. Daarin zou de
afdelingsassistente een belangrijke rol moeten spelen, maar met de huidige
bezetting van de stoel is dit niet goed mogelijk gebleken. Het is spijtig
dat het profiel dat jij mij tijdens het sollicitatiegesprek liet zien,
zowel naar kennis als te bieden extra arbeidstijd in de loop der maanden
niet goed door jou ingevuld is. Overigens stel ik vast, dat er in dit
geval niet sprake is van een geheel aan jou toe te rekenen
verantwoordelijkheid voor het falen van een en ander. Ten overvloede wil
ik in dit verband vermelden, dat het gesprek waarin aan jou mededeling zou
worden gedaan van het bovenstaande op een eerder tijdstip was gepland.
Jouw afwezigheid wegens ziekte heeft tot vertraging geleid. Het is voor
alle partijen vervelend, dat de slechte boodschap moest worden gedaan
tegen de achtergrond van de nu bekende feiten over de zwangerschap. [
…]”.

Op 9 februari 1993 heeft verzoekster nog telefonisch contact gehad met een
collega. Deze deelde mee dat de zwangerschap van verzoekster die ochtend
bekend was geworden, evenals het feit dat haar contract per 1 april 1993
niet verlengd zou worden. Ook is toen bekend gemaakt dat een (mannelijke)
collega in haar plaats de werkzaamheden zou gaan verrichten. 3.4. Een
medewerkster van het wervings- en selectiebureau heeft, op verzoek van de
wederpartij, op 16 april 1993 schriftelijk verklaard dat er op 16 december
1992 een evaluatiegesprek heeft plaatsgevonden tussen haar en de directeur
over het functioneren van verzoekster. In dat gesprek gaf de wederpartij
aan niet volledig tevreden te zijn over het functioneren van verzoekster.
De directeur zou daarbij twijfels hebben uitgesproken over de verlenging
van het contract. Tijdens de zitting van de Commissie, heeft deze
medewerkster eenzelfde verklaring afgelegd. Zij heeft daaraan,
desgevraagd, toegevoegd dat de aanleiding voor dat gesprek niet specifiek
was gelegen in het niet goed functioneren van verzoekster, doch plaatsvond
in het kader van een jaarlijks ‘klant-leverancier’-contact.

3.5. Een collega van verzoekster ( ), die werkzaam is bij
de afdeling buitendienst, heeft, eveneens op verzoek van de wederpartij,
schriftelijk verklaard (januari 1994), dat de verwachtingen over
verzoekster hoog gespannen waren, maar dat haar functioneren in de
praktijk tegenviel.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoekster stelt het volgende. Wederpartij is per 1 april 1993 niet
een nieuwe arbeidsovereenkomst met haar aangegaan vanwege het feit, dat
zij zwanger was. De reden daarvoor is niet gelegen in het feit dat zij
onvoldoende zou functioneren. De volgende feiten ondersteunen volgens haar
deze stelling.

Zij heeft haar functie naar alle tevredenheid van de wederpartij vervuld.
Er is nooit sprake geweest van klachten over haar functioneren. Wel beaamt
zij, dat de functie niet goed uit de verf kwam omdat zij teveel tijd aan
administratieve taken besteedde. Dit lag echter aan de omstandigheden
binnen het bedrijf. In het functionerings- gesprek dat op 29 december 1992
tussen haar en haar chef heeft plaatsgevonden, is haar functioneren over
het algemeen positief beoordeeld. Zij hebben voornamelijk gesproken over
de consequenties die de op handen zijnde reorganisatie voor haar mee zou
brengen. Indien er veel kritiek op haar geweest zou zijn, zou dit wel in
een verslag zijn vastgelegd. Van een collega heeft zij vernomen dat een
functioneringsgesprek in een verslag werd vastgelegd als er veel kritiek
was op de functionaris. Dat is bij haar niet gebeurd. In het gesprek werd
er, kortom, volledig van uitgegaan dat haar arbeidsovereenkomst na 1 april
1993 voortgezet zou worden. Deze indruk werd bevestigd in een gesprek op
de nieuwjaarsborrel op 8 januari 1993. De voorzitter van de commissie die
een reorganisatie van het bedrijf begeleidde, vertelde haar namelijk dat
zij na de reorganisatie meer coordinerende taken zou krijgen, alsmede een
brugfunctie zou vervullen tussen de verschillende afdelingen.

Ook uit het feit dat zij op 4 februari 1993 een briefje op haar bureau
vond, waarop zij haar vakantieplanning voor 1993 aan kon geven, blijkt dat
de verwachting bestond dat zij na 1 april 1993 daar nog werkzaam zou zijn.
Hetzelfde kan zij opmaken uit een notitie van de hand van de directeur
(welke verzoekster heeft overgelegd), die gaat over haar inschaling in
1993 en 1994, een periode na de datum waarop haar tijdelijk contract
verstreek.

Voorts is ook in het gesprek van 8 februari 1993 met de directeur en haar
chef, haar onvoldoende functioneren niet als reden opgevoerd om geen
nieuwe arbeidsovereenkomst met haar aan te gaan. In dat gesprek werd
alleen aangegeven dat er vanwege de reorganisatie na 1 april 1993 geen
plaats meer voor haar zou zijn. Nu duidelijk is geworden dat haar functie
door een collega is overgenomen, blijkt dat deze reden niet steekhoudend
is. Pas in de brief van de wederpartij van 9 februari 1993/ 17 februari
1993 is voor het eerst gewag gemaakt van het feit dat zij niet goed zou
functioneren.

Dat haar zwangerschap de reden was voor het niet verlengen van de
arbeidsovereenkomst, kan ook opgemaakt worden uit hetgeen haar chef
opmerkte, toen zij hem meedeelde zwanger te zijn. Hij heeft gezegd dat de
zwangerschap voor het bedrijf een tegenvaller was, maar dat het voor
verzoekster geen probleem zou opleveren.

Tot slot is door de afdelingshoofden aan alle personeelsleden bekend
gemaakt dat zij zwanger was en dat haar contract per 1 april 1993 niet
verlengd zou worden. Daarbij werd de zwangerschap door de wederpartij
gekoppeld aan haar vertrek.

3.7. De wederpartij stelt dat het niet verlengen van de
arbeidsovereenkomst van verzoekster uitsluitend gelegen is in het
functioneren van verzoekster. Deze beslissing is genomen zonder voorkennis
van haar zwangerschap. Om die reden dient het verzoek van verzoekster te
worden afgewezen. De wederpartij voert ter ondersteuning van haar stelling
het volgende aan.

Verzoekster was aangesteld om de buitendienstmedewerkers qua werk te
ontlasten, maar is daarin niet geslaagd. In de loop van het jaar 1992
heeft de wederpartij met verzoekster gesproken over het feit, dat van haar
toezegging om op meer uren te werken dan tijdens de vier werkdagen niet
veel terecht kwam. Ook is tegen verzoekster gezegd dat de buitendienst
taken, die eigenlijk door verzoekster uitgevoerd dienden te worden, nog
steeds zelf moest doen. De directeur heeft verzoekster verteld, dat hij
teleurgesteld was in zijn verwachtingen ten aanzien van het functioneren
van de afdeling waar zij werkzaam was en haar functioneren daarin. Reeds
in het gesprek met de eerdergenoemde consulente van het wervings- en
selectiebureau is expliciet gezegd, dat het arbeidscontract van
verzoekster na 1 april 1993 niet verlengd zou worden. Haar functioneren
is ook in het functioneringsgesprek van 29 december 1992 aan de orde
geweest. Daarin is naar voren gekomen dat de functie van coordinator
buitendienst niet aan de verwachtingen voldeed. Dit was deels te wijten
aan factoren waaraan verzoekster geen schuld had, deels aan het feit dat
zij zich te veel bezig hield met administratieve werkzaamheden.
Verzoekster onderkende en onderschreef dit punt van kritiek. In dit
gesprek was er naast kritiek ook waardering over de wijze waarop zij haar
werk verrichtte. De verlenging van de arbeidsovereenkomst is in dit
gesprek niet aan de orde geweest, aangezien haar chef dit nog met de
overige stafleden wilde bespreken. Aan het gegeven dat er geen
functioneringsverslag was opgesteld, dient weinig belang te worden
gehecht. Er was namelijk weinig ervaring in het schrijven van verslagen,
aangezien het nog niet gebruikelijk was om functioneringsgesprekken te
voeren.

Het besluit dat op 14 januari 1993 met betrekking tot verzoekster is
genomen, was verder mede ingegeven door de verwachting dat zij de werkdruk
die de voorgenomen reorganisatie met zich mee zou brengen, niet aan zou
kunnen.

De wederpartij merkt verder op dat hetgeen tijdens de nieuwjaarsborrel
gezegd is door degene die de reorganisatie begeleidde, voor zijn rekening
genomen dient te worden. Deze medewerker had in het geheel geen
beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het al dan niet verlengen van de
arbeidsovereenkomst met verzoekster.

Het is voorts niet juist dat alle personeelsleden door de afdelingshoofden
van de zwangerschap op de hoogte zijn gesteld. Alleen het hoofd
variaverzekering heeft tijdens een werkbespreking op zijn afdeling
gesproken over het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst van
verzoekster. Daarna is pas de zwangerschap ter sprake gekomen. Het feit,
dat er meteen vermeld is wie de functie van verzoekster vanaf 1 april 1993
zou overnemen, geeft aan dat de beslissing over het niet continueren van
de arbeidsovereenkomst al veel eerder is genomen. Dit soort interne
verschuivingen kan nooit ad hoc geschieden, maar vereist een lange
voorbereidingstijd. Het hoofd schadeverzekering, die op de vergadering van
14 januari 1993 aanwezig was, heeft dan ook, vertrouwelijk, met de chef
van degene die verzoekster uiteindelijk zou moeten vervangen, gesproken
over hetgeen beslist was.

Aan het gegeven dat bij de vakantieplanning rekening is gehouden met de
vakantie van verzoekster, dient in dit verband evenmin betekenis gehecht
te worden; de desbetreffende medewerkster heeft slechts gehandeld zoals
te doen gebruikelijk was. Ook de notitie van de directeur betreffende de
inschaling van verzoekster in 1993 en 1994 duidt er niet op dat het
contract van verzoekster dus verlengd zou worden. Deze notitie was voor
de vergadering van 14 januari 1993 gemaakt. De directeur wilde niet
vooruitlopen op hetgeen tijdens die vergadering nog beslist moest worden.

3.8. In de onderhavige zaak is op zijn hoogst sprake geweest van een
ongelukkige samenloop van omstandigheden. Indien hierdoor bij verzoekster
de schijn zou zijn gewekt dat het niet verlengen van haar
arbeidsovereenkomst door haar zwangerschap is ingegeven, is inmiddels
aangetoond dat deze schijn niets met de werkelijkheid te maken heeft. In
het algemeen wordt in het bedrijf positief omgegaan met zwangerschap en
moederschap.

3.9. Tenslotte merkt de wederpartij nog het volgende op. In artikel 2 van
de destijds tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst staat, dat deze
gesloten is voor bepaalde tijd. Krachtens deze bepaling kon de
arbeidsovereenkomst op 31 maart 1993 van rechtswege eindigen. Een
opzegging van het dienstverband was derhalve niet nodig. Artikel 7A:1639
h lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) maakt het bovendien mogelijk dat het
dienstverband ondanks de zwangerschap van verzoekster automatisch
eindigde. Het ontslagverbod tijdens zwangerschap geldt in de situatie als
de onderhavige niet. Het besluit om verzoeksters arbeidsovereenkomst niet
te verlengen en de situatie rond de mededeling daarvan aan verzoekster,
dienen in het licht hiervan te worden bezien.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met artikel
7A:1637ij BW en/of artikel 3 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB; Stb. 1989, 168) heeft gehandeld door de arbeidsovereenkomst met
verzoekster niet te verlengen.

4.2. In een eerdere uitspraak (Commissie gelijke behandeling van mannen
en vrouwen bij de arbeid, 13 maart 1990, oordeelnummer 134-90-15.) heeft
de Commissie bepaald dat het besluit om een tijdelijke arbeidsovereenkomst
niet om te zetten in een vast dienstverband, een besluit betreffende het
aangaan van een arbeidsovereenkomst respectievelijk de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking is. Artikel 7a:1637ij lid 1 BW
respectievelijk artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid
naar geslacht daarbij.

Artikel 7A:1637ij lid 5 BW respectievelijk artikel 1 WGB geeft aan dat
onder onderscheid tussen mannen en vrouwen moet worden verstaan direct en
indirect onderscheid. Onderscheid op grond van zwangerschap is blijkens
deze bepalingen een vorm van direct onderscheid. In eerdere oordelen heeft
de Commissie uitgesproken dat ook als zwangerschap een van de redenen en
niet de enige reden voor het gemaakte onderscheid is, dit strijd met de
Wet oplevert (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, oordeelnummers 42-89-13, 18 oktober 1989, 172-90-31, 8 mei 1990,
en 518-92-37, 23 juni 1992.).

De wet biedt alleen in bepaalde gevallen (artikel 7A:1637ij leden 2-4 en
artikel 5 WGB) ruimte voor het rechtvaardigen van direct onderscheid,
namelijk in geval van geslachtsbepaalde functies, bescherming van de vrouw
en voorkeursbeleid voor vrouwen. Deze uitzonderingen zijn hier echter niet
aan de orde.

4.3. De vraag die voorligt, is of aannemelijk is geworden dat de
zwangerschap van verzoekster mede aanleiding voor wederpartij vormde om
geen nieuwe arbeidsovereenkomst met haar aan te gaan.

Hieromtrent overweegt de Commissie als volgt. Zij zal niet beoordelen of
verzoekster al dan niet voldoende functioneerde. Het behoort immers niet
tot de taak van de Commissie om te beoordelen of een werknemer al dan niet
voldoende functioneert. Zij is, gelet op de wet, slechts bevoegd na te
gaan of er in casu bij de vervulling van de vacature c.q. het aangaan van
een nieuwe arbeidsovereenkomst onderscheid op grond van geslacht is
gemaakt. Hierbij kan het oordeel over het functioneren echter wel
betrokken worden, indien aannemelijk kan worden gemaakt dat de
arbeidsovereenkomst met verzoekster niet is verlengd vanwege redenen die
met haar functioneren samenhangen.

Hoewel verzoekster betwist, dat zij onvoldoende functioneerde, heeft zij
desalniettemin beaamd dat de functie die zij uitoefende niet goed uit de
verf kwam. Het feit dat nu blijkt dat de directeur en haar chef ontevreden
waren met de invulling van de bewuste functie, is derhalve ook voor
verzoekster niet verrassend. Daarbij doet in dit verband niet ter zake of
dit aan verzoekster dan wel aan de wederpartij te wijten was. Het zou wel
zo kunnen zijn, dat verzoekster nimmer dan wel onvoldoende op de hoogte
is gesteld van de kritiek, die met name bij de directeur leefde. Indien
dit het geval zou zijn, zou dit geen blijk geven van goed
personeelsbeleid, welk beleid thans echter niet aan de orde is. Hier is
van belang of de onvrede die heerste bij de directeur en de chef, de
aanleiding is geweest om geen nieuwe arbeidsovereenkomst aan te gaan.

Het is een gegeven dat de directeur op 16 december 1992, dus geruime tijd
voordat verzoekster op 1 februari 1993 vertelde zwanger te zijn, aan de
consulente van het wervings- en selectiebureau meegedeeld heeft dat het
contract met verzoekster waarschijnlijk niet verlengd zou worden. Verder
staat ook vast, dat er op 14 januari 1993 in een vergadering is besproken
of het contract van verzoekster verlengd zou worden. De beslissing luidde,
volgens verklaringen van de directeur, de chef van verzoekster en het
hoofd schadeverzekeringen, dat de arbeidsovereenkomst van verzoekster niet
verlengd zou worden. Dit speelde zich eveneens af voordat verzoekster aan
haar chef meedeelde dat zij zwanger was. Voorts is niet gebleken dat de
wederpartij op het moment dat zij deze beslissing nam, op een andere wijze
al van de zwangerschap had vernomen, bijvoorbeeld doordat verzoekster met
haar collega’s hierover gesproken had.

Bovengenoemde feiten en verklaringen leiden de Commissie tot de conclusie
dat de wederpartij aannemelijk heeft gemaakt dat de beslissing, om geen
nieuwe arbeidsovereenkomst aan te gaan, gelegen is in het functioneren van
verzoekster en dat haar zwangerschap daarbij geen rol heeft gespeeld.

4.4. Ten overvloede overweegt de Commissie het volgende met betrekking tot
het verweer dat een arbeidsovereenkomst die gesloten is voor bepaalde
tijd, van rechtswege eindigt. Het feit dat een dergelijke overeenkomst van
rechtswege kan eindigen, betekent nog niet, dat het geoorloofd is om zo’n
overeenkomst niet te verlengen omdat de betrokken werkneemster zwanger is.
De Commissie wijst in dit verband op de uitspraak van het Hof van Justitie
van de Europese Gemeenschappen (Hof van Justitie EG, Dekker/Stichting
Vormingscentrum voor Jong Volwassenen (VJV-centrum) PLUS, 8 november 1990,
zaak C- 177/88.), welke uitspraak bevestigd is door de Hoge Raad (Hoge
Raad 13 september 1991 in de zaak Dekker/VJV-centrum.). In deze zaak heeft
het Hof uitgemaakt dat een werkgever direct in strijd handelt met het
beginsel van gelijke behandeling, bedoeld in de artikelen 2, lid 1 en 3,
lid 1 van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 (Richtlijn
van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de
beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de
arbeidsvoorwaarden.), wanneer hij weigert met een door hem geschikt
bevonden sollicitante een arbeidsovereenkomst aan te gaan op grond van de
mogelijk nadelige gevolgen die voor hem van de aanstelling van een
zwangere vrouw zijn te verwachten.

Het bovenstaande geldt ook voor de proeftijd. Zolang de overeengekomen
proeftijd van niet meer dan twee maanden niet is verstreken, kan ieder der
partijen de dienstbetrekking zonder opzegging doen eindigen. De
beeindiging van een arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd vanwege
zwangerschap van de betrokken werkneemster, is echter in strijd met
artikel 7A:1637ij BW (Zie onder andere Kantonrechter ‘s- Gravenhage, 25
maart 1992, Praktijkgids 1992, nr. 3731.).

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Amsterdam geen
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel 7A:1637ij
Burgerlijk Wetboek of artikel 3 Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen jegens mevrouw te Amsterdam.

Aldus vastgesteld op 20 mei 1994 naar aanleiding van de be- handeling in
raadkamer d.d. 7 april 1994.

Rechters

dhr prof mr P.F. van der Heijden, mw prof mr J.E. Goldschmidt, mwmr I.M.C.V.T. Kiebert, mw mr M.M. Hubner

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 19 mei 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Werkgeversorganisatie dient verzoek om een oordeel in over de
bedrijfstakcao met bepalingen die onderscheid maken tussen voltijdwerkers
en deeltijdwerkers op het punt van de overwerktoeslag. Verzoeker is van
mening dat de Commissie, bij de beoordeling van de vraag of er relatief
meer vrouwen dan mannen nadeel ondervinden van de bewuste CAO-bepalingen,
uit kan gaan van feiten van algemene bekendheid dat er relatief meer
vrouwen in deeltijd werken dan mannen en dus door de CAO- bepalingen
benadeeld worden. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat aan de
CAO-bepalingen een objectieve rechtvaardiging ten grondslag ligt. Binnen
de ondernemingen wordt het namelijk als onrechtvaardig ervaren, indien een
deeltijdwerker een hogere vergoeding voor arbeid ontvangt dan een
voltijdwerker die evenveel uren werkt en daarvoor een lager salaris
ontvangt. Daarnaast zouden ook de kosten te hoog worden indien de
overwerkvergoedingen voor deeltijders en voltijders gelijk zouden zijn.
De Commissie overweegt omtrent dit laatste argument dat zij verscheidene
keren heeft uitgesproken dat financiele argumenten op zich niet voldoende
zijn om als zelfstandige en objectieve rechtvaardigingsgrond te fungeren.
Met betrekking tot het eerste argument overweegt de Commissie dat een
dergelijk gevoelen niet als objectieve rechtvaardiging kan worden
aangemerkt, aangezien hier sprake is van een subjectief argument. Strijd
met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 17 september 1993 verzocht het Sociaal Comite van werkgevers in
de groothandel in technische producten, huishoudelijke artikelen en
metalen te Den Haag (hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de
vraag of het onderscheid op grond van geslacht maakt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoeker is CAO-partij van de zijde van de werkgevers bij de CAO
voor de groothandel in technische producten, huishoudelijke artikelen en
metalen, voor de periode van 1 april 1993 tot en met 30 juni 1994. In de
artikelen 11 en 12 van de CAO wordt onderscheid gemaakt tussen voltijd-
en deeltijdwerkenden. Verzoeker vraagt zich af of door een dergelijke
bepaling onderscheid naar geslacht wordt gemaakt, in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Verzoeker heeft de gelegenheid gehad zijn standpunt
weer te geven.

De Commissie heeft tevens de betrokken vakbonden gevraagd om nadere
informatie, op grond van artikel 18 Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

2.2. De Commissie heeft verzoeker vervolgens opgeroepen zijn standpunt
mondeling nader toe te lichten tijdens een zitting op 7 april 1994. Tevens
zijn de betrokken vakbonden uitgeno digd om eveneens hun standpunt ten
aanzien van de aan de Commissie voorgelegde CAO-bepalingen mondeling toe
te lichten.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker – dhr mr (adjunct-secretaris,
gemachtigde)

van de kant van de vakbonden – dhr (dienstenbond FNV)
– dhr drs (dienstenbond CNV)

van de kant van de Commissie – dhr prof. mr P.F. van der Heijden
(Kamervoorzitter) – mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer) – mw mr
I.M.C.V.T. Kiebert (lid Kamer) – mw mr M.M. Hubner (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. In artikel 11 lid 1 van de hier in geding zijnde CAO, staat het
volgende vermeld: “Onder overwerk wordt verstaan door of namens de
werkgever opgedragen arbeid buiten de met de werknemer overeengekomen
arbeidsduur, met dien verstande dat voor deeltijdwerkers de eerste twee
uur overschrijding van de overeengekomen arbeidsduur niet als overwerk zal
worden aangemerkt, voor zover de normale dagelijkse in de onderneming
geldende arbeidsduur met niet meer dan een half uur wordt overschreden.
Onder overwerk wordt niet verstaan arbeid op zaterdagen, zon- en
feestdagen.”

Uit het tweede lid van artikel 11 blijkt, dat overwerk verplicht is, doch
niet meer bedraagt dan 90 uur per half jaar.

In artikel 12 staat vermeld: “Wordt op enige dag overwerk verricht, dat
langer duurt dan een half uur, dan worden de eerste twee overuren betaald
met het uursalaris, vermeerderd met een toeslag van 25%; de meer gewerkte
overuren worden betaald met het uursalaris, vermeerderd met een toeslag
van 50% [ …].”

3.2. Artikel 11 lid 1 bepaalt, met andere woorden, dat deeltijdwerkers die
acht uur op een dag werken, voor hun overuren dezelfde overwerkvergoeding
krijgen als voltijdwerkers. Deeltijdwerkers die minder dan acht uur per
dag werken, ontvangen pas een overwerkvergoeding in de volgende gevallen:
– men werkt twee uur over op een dag, waardoor de totale arbeidsduur meer
dan acht en een half uur is; – men werkt drie of meer uren over op een
dag; voor de eerste twee uren ontvangt men slechts overwerkvergoeding voor
zover daarmee de acht en een half uur per dag wordt overschreden; voor het
derde en het vierde uur ontvangt men een overwerktoeslag van 25%; voor de
overige uren ontvangt men een overwerktoeslag van 50%. 3.3. Verzoeker
vraagt aan de Commissie of de toepassing van deze bepalingen in strijd
zijn met de wetgeving gelijke behandeling. Hij is van mening dat de
Commissie, bij de beoordeling van de vraag of er relatief meer vrouwen dan
mannen nadeel ondervinden van de bewuste CAO-bepalingen, uit kan gaan van
feiten van algemene bekendheid. Dat wil zeggen dat de Commissie er van uit
kan gaan dat er relatief meer vrouwen in deeltijd werken en dus door de
CAO-bepalingen benadeeld worden. Gegevens over het het aantal mannen en
vrouwen dat voltijds dan wel in deeltijd werkt, zijn namelijk zeer
moeilijk te verkrijgen, aangezien deze door middel van een enquete onder
2800 bedrijven verzameld zouden moeten worden. Aan de CAO-bepalingen ligt
echter, volgens verzoeker, een objectieve rechtvaardiging ten grondslag.
Binnen de ondernemingen wordt het namelijk als onrechtvaardig ervaren,
indien een deeltijdwerker een hogere vergoeding voor arbeid ontvangt dan
een voltijdwerker die evenveel uren werkt en daarvoor een lager salaris
ontvangt. Daarnaast zouden ook de kosten te hoog worden indien de
overwerkvergoedingen voor deeltijders en voltijders gelijk zouden zijn.

3.4. De dienstenbond CNV en de dienstenbond FNV zijn van mening dat er
geen sprake is van een objectieve rechtvaardiging. Zij verwijzen ter
onderbouwing van hun standpunt naar een oordeel van de Commissie,
oordeelnummer 353-91-34, bij welk oordeel zij zich volledig aansluiten.
De Commissie heeft daarin geoordeeld: “De extra belasting die overwerk met
zich meebrengt voor voltijders ten opzichte van deeltijders is in zijn
algemeenheid niet vast te stellen, nu een en ander afhankelijk is van
gestel, persoonlijkheid en persoonlijke omstandigheden van degene die het
overwerk verricht. Deeltijders kunnen nog een andere baan hebben, hun werk
met een studie combineren, vrijwilligerswerk verrichten of zorgtaken
hebben. In deze gevallen brengt overwerk ook een extra belasting met zich
mee, waarvoor compensatie gerechtvaardigd is.”

Voorzover verzoeker zich beroept op financiele bezwaren als argument voor
handhaving van de bewuste bepaling, moet dit beroep afgewezen worden. De
jurisprudentie van de Commissie luidt immers dat financiele argumenten op
zich niet voldoende zijn om als zelfstandige en objectieve
rechtvaardigingsgrond te fungeren.

Tot slot brengen de dienstenbonden naar voren dat de centrale werkgevers-
en werknemersorganisaties in de Stichting van de Arbeid unaniem de
‘overwegingen en aanbevelingen ter bevordering van deeltijdarbeid en
differentiatie in arbeidsduurpatronen’ vastgesteld hebben. In paragraaf
4d van deze overwegingen, welke handelt over ‘overwerk en inconveniente
tijdstippen’, staat uitdrukkelijk vermeld dat: “[ …] het inconveniente
karakter van het langer werken dan de individueel gecontracteerde
arbeidsduur voor alle werknemers, ongeacht de arbeidsduur, evenzeer aan
de orde is.” De Stichting van de Arbeid stelt dan ook dat partijen
bestaande overwerk- en inconvenientenregelingen in overeenstemming dienen
te brengen met het uitgangspunt dat werknemers niet verschillend worden
behandeld uitsluitend op grond van een verschil in arbeidsduur of
arbeidspatroon.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. Bij de beoordeling van het verzoek, neemt de Commissie de
voorliggende CAO-tekst als uitgangspunt en gaat zij niet uit van de
concrete toepassing in individuele bedrijven. Dit heeft als gevolg dat het
oordeel van de Commissie over de toepassing van de onderhavige
CAO-artikelen in een individueel bedrijf, anders zal kunnen luiden dan het
oordeel in deze zaak.

De in geding zijnde vraag luidt of de artikelen 11 lid 1 en 12 van de
toepasselijke CAO indirect onderscheid naar geslacht tot gevolg hebben,
dat in strijd is met artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).

Onder indirect onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van andere
hoedanigheden dan het geslacht, dat onderscheid op grond van geslacht tot
gevolg heeft, tenzij dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is (artikel
7A:1637ij lid 5 BW).

4.2. Om de in geding zijnde vraag te kunnen beantwoorden, moet eerst
vastgesteld worden of het bepaalde in bovengenoemde CAO- bepalingen in
overwegende mate personen van een geslacht treffen en derhalve in effect
onderscheid op grond van geslacht tot gevolg hebben. Aan verzoeker is
gevraagd gegevens te overleggen omtrent het aantal mannen en vrouwen dat
voltijds en in deeltijd werkt in de onderhavige bedrijfstak. Verzoeker
heeft aan de Commissie te kennen gegeven, dat deze gegevens niet eenvoudig
te verzamelen zijn, omdat dat door middel van een enquete onder 2800
bedrijven zou moeten gebeuren. Verzoeker is van mening dat de Commissie,
bij de beoordeling van het effect van de CAO-bepalingen, kan uitgaan van
feiten van algemene bekendheid, daar het hier een bedrijfstak van 2800
ondernemingen betreft. Gelet hierop, gaat de Commissie uit van het feit
van algemene bekendheid (Volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de
Statistiek was in 1991 61% van de werkzame vrouwen minder dan 35 uren per
week werkzaam; van de werkzame mannen was 16% van de mannen minder dan 35
uren per week werkzaam.), dat met name vrouwen in deeltijd werken en dat
derhalve vrouwen in overwegende mate nadelig getroffen worden door de
bewuste CAO- bepalingen.

4.3. De vraag die dan overblijft, is of de rechtvaardiging die verzoeker
heeft aangedragen voor het gemaakte onderscheid, als objectieve
rechtvaardiging kan worden aangemerkt. Onder een objectieve
rechtvaardigingsgrond verstaat de Commissie (Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid, 5 maart 1990, oordeelnummer
1-90-10;Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, Bilka- Kaufhaus
versus Weber von Hartz, d.d. 13 mei 1986, zaak 170/84; Rinner- Kuhn versus
FWW Spezial Gebaudereinigung GmbH & Co.KG, 13 juli 1989, zaaknummer
171/88.): – dat het onderscheid gemaakt wordt om een objectief
gerechtvaardigd doel te dienen en – daartoe middelen zijn gekozen die
geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken, terwijl – dit doel
niet is te bereiken op andere wijze waarbij geen indirect onderscheid naar
geslacht wordt gemaakt.

4.4. Verzoeker is van mening dat de objectieve rechtvaardiging ligt in het
feit dat het binnen de ondernemingen als onrechtvaardig wordt ervaren,
indien een deeltijdwerker een hogere vergoeding voor dezelfde arbeid
ontvangt dan een voltijdwerker, die evenveel uren werkt. Daarnaast zouden
ook de kosten te hoog worden indien de overwerkvergoedingen voor
deeltijders en voltijders gelijk zouden zijn.

De Commissie overweegt omtrent het laatstgenoemde argument dat zij
verscheidene keren (Zie onder andere Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid, 18 oktober 1990, oordeelnummer350-90-138
en 12 januari 1994, oordeelnummer 463C-94-04.) heeft uitgesproken dat
financiele argumenten op zich niet voldoende zijn om als zelfstandige en
objectieve rechtvaardigingsgrond te fungeren. Met betrekking tot het
argument waar het hier met name om gaat, overweegt de Commissie dat een
dergelijk gevoelen niet als objectieve rechtvaardiging kan worden
aangemerkt, aangezien hier sprake is van een subjectief argument. Evenzeer
zullen deeltijdwerkers het immers als onrechtvaardig beschouwen, dat hun
‘overuren’ niet op dezelfde wijze vergoed worden als die van de
voltijdwerkers. Overigens is het ook bij de huidige CAO-bepalingen zo, dat
deeltijdwerkers die overuren maken, een hoger uurloon kunnen ontvangen dan
een voltijdwerker op diezelfde tijdstippen. Artikel 11 lid 1 schrijft
immers voor, dat de deeltijdwerker vanaf het derde uur na de
overeengekomen arbeidsduur wel een toeslag ontvangt. Ook in die gevallen
zal een deeltijdwerker dus een hoger uurloon ontvangen dan een
voltijdwerker, terwijl zij op dezelfde tijdstippen werken.

Een objectieve rechtvaardiging voor een verschil in behandeling tussen
voltijd- en deeltijdwerkers zou in bepaalde gevallen wel gelegen kunnen
zijn in de mogelijk hogere werkbelasting van voltijdwerkers ten opzichte
van deeltijdwerkers, afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het
geval. De Commissie heeft in oordeel 1-90-10 uitgesproken, dat de
veronderstelde belasting niet in zijn algemeenheid kan worden vastgesteld,
nu een en ander afhankelijk is van gestel, persoonlijkheid en persoonlijke
omstandigheden van degene die het overwerk verricht. Deeltijdwerkers die
bij de wederpartij werken, kunnen elders nog een andere baan hebben, hun
werk met een studie combineren, vrijwilligerswerk verrichten, of zorgtaken
hebben. In dergelijke gevallen zal, naar het oordeel van de Commissie,
overwerk eveneens een extra belasting met zich brengen, waarvoor
compensatie evenzeer gerechtvaardigd is. In oordeel 353-91-34 (Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 12 juni 1991.),
waarnaar de vakbonden verwijzen, worden bovenstaande overwegingen
herhaald.

In oordeel 525-93-52 (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid, 22 december 1993.) was een CAO- bepaling in geding, welke
inhield dat de voltijder bovenop de normale vergoeding, voor elk uur dat
hij boven zijn normale rooster werkt, een toeslag ontving. De deeltijder
ontving pas een toeslag wanneer deze meer dan 8 uur op een dag werkte.
Daarnaast gold voor de berekening van de hoogte van de toeslag een
percentage van de maandverdienste, wat betekende dat wanneer een voltijder
en deeltijder hetzelfde uurloon verdienden, de toeslag voor de deeltijder
lager was, omdat diens maandverdienste lager is. De stelling van de
wederpartij was, dat wanneer aan de overwerkregeling een redelijke,
functionele grond ten grondslag ligt, zoals in deze regeling de beloning
van de meer dan normale inspanning van voltijders, een objectieve
rechtvaardiging moet worden aangenomen ook al zou een andere regeling,
waarbij geen onderscheid wordt gemaakt, mogelijk zijn.

De Commissie overwoog dat de aangevoerde rechtvaardiging te algemeen van
aard was, daar deze als uitgangspunt heeft dat overuren voor voltijders
automatisch een grotere belasting betekenen dan voor deeltijders. Zij
herinnerde aan haar oordeel 1-90-10, waarin uitgesproken was, dat de
veronderstelde belasting niet in zijn algemeenheid kan worden vastgesteld,
nu een en ander afhankelijk is van gestel, persoonlijkheid en persoonlijke
omstandigheden van degene die het overwerk verricht. Dit betekende
overigens naar het oordeel van de Commissie niet, dat elke deeltijder
onder alle omstandigheden op dezelfde wijze moet worden beloond voor
overuren als voltijders. Conform oordeel 562-93-37 (Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 14 oktober 1993.), sprak
de Commissie uit, dat niet uitgesloten is dat de toeslag voor overwerk kan
varieren al naar gelang de omvang van het deeltijddienstverband, mits een
duidelijk beeld bestaat van de extra belasting voor bijvoorbeeld
deeltijders met grote en kleine dienstverbanden. De Commissie kon zich,
in hiervoor genoemd oordeel, voorstellen dat de extra belasting voor
‘kleinere’ deeltijdwerkers minder groot zou kunnen zijn dan voor
voltijdwerkers of ‘grote’ deeltijdwerkers. Een lagere compensatie zou in
dit soort gevallen gerechtvaardigd kunnen zijn, zij het dat ook dan sprake
moet zijn van een reele vergoeding. Als ondergrens is genoemd, de helft
van de toeslag voor een voltijdwerker. Wel dient dan van tevoren
onderzocht te zijn welke groep als ‘kleine’ deeltijdwerkers kan worden
aangemerkt, en of de belasting van deze categorie personeel inderdaad als
minder groot is aan te merken ten opzichte van andere werknemers.

In een ander oordeel (467-92-68) (Commissie gelijke behandeling van mannen
en vrouwen bij de arbeid, 22 december 1992.) sprak de Commissie uit, dat
extra arbeidsduurverkorting ter vermindering van de (aangetoonde) extra
werkbelasting van voltijders geoorloofd is in een geval waarin die
belasting samenhangt met de aard van de werkzaamheden.

De werkgever wordt dus een zekere vrijheid gelaten bij de vaststelling van
zijn beloningssysteem bij overuren.

In de onderhavige zaak heeft verzoeker echter geen andere
rechtvaardigingsgrond genoemd dan dat het als onrechtvaardig wordt ervaren
dat deeltijdwerkers een hogere beloning ontvangen dan voltijdwerkers voor
dezelfde arbeid op dezelfde tijdstippen. Daarmee staat vast dat de
artikelen 11 en 12 van de CAO indirect onderscheid jegens vrouwen tot
gevolg hebben, welk onderscheid niet objectief gerechtvaardigd is.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat artikelen 11 en 12 van de
CAO voor de groothandel in technische producten, huishoudelijke artikelen
en metalen (looptijd 1 april 1993 tot en met 30 juni 1994), bij toetsing
op het niveau van het bereik van de CAO, indirect onderscheid naar
geslacht tot gevolg hebben, dat in strijd is met artikel 7A:1637ij
Burgerlijk Wetboek.

Aldus vastgesteld op 19 mei 1994 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 7 april 1994.

Rechters

dhr prof mr P.F. van der Heijden, mw prof mr J.E. Goldschmidt, mwmr I.M.C.V.T. Kiebert, mw mr M.M. Hubner

Instantie: Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing, 19 mei 1994

Instantie

Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing

Samenvatting


Het beklag -voorzover in beroep van belang- betreft: a) een disciplinaire
straf van 14 dagen opsluiting in een strafcel, wegens het ernstige
lichamelijke dreiging met agressie naar en gijzeling van een personeelslid
(A 94/165); b) het niet binnen 24 uur uitreiken van de schriftelijke
mededeling van de disciplinaire straf genoemd onder a) (A 94/173); c) de
beslissing tot plaatsing op het veiligheidsbed wegens agressie naar het
personeel en het niet aanspreekbaar zijn (A 94/174); d) de bejegening van
klaagster tijdens haar verblijf op het veiligheidsbed door haar geen steek
uit te reiken voor het doen van haar natuurlijke behoeften en het niet elk
half uur controleren van klaagsters toestand (A 94/175). De
beklagcommissie heeft het beklag onder a) gegrond verklaard voor wat
betreft de duur van de disciplinaire straf en het beklag onder b), c) en
d) ongegrond verklaard. De beroepscommissie heeft bij haar onderzoek
ondermeer getoetst aan de voorschriften zoals die zijn neergelegd in het
reglement plaatsing op het veiligheidsbed. Zij komt op grond van deze
toetsing tot het oordeel dat de beklagcommissie op goede gronden en met
juistheid op het beklag heeft beslist.

Volledige tekst

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als
volgt:

1. Inhoud van het beklag en de beslissing van de beklagcommissie: Het
beklag -voorzover in beroep van belang- betreft: a) een disciplinaire
straf van 14 dagen opsluiting in een strafcel, wegens het ernstige
lichamelijke dreiging met agressie naar en gijzeling van een personeelslid
(A 94/165); b) het niet binnen 24 uur uitreiken van de schriftelijke
mededeling van de disciplinaire straf genoemd onder a) (A 94/173); c) de
beslissing tot plaatsing op het veiligheidsbed wegens agressie naar het
personeel en het niet aanspreekbaar zijn (A 94/174); d) de bejegening van
klaagster tijdens haar verblijf op het veiligheidsbed door haar geen steek
uit te reiken voor het doen van haar natuurlijke behoeften en het niet elk
half uur controleren van klaagsters toestand (A 94/175).

De beklagcommissie heeft het beklag onder a) gegrond verklaard voor wat
betreft de duur van de disciplinaire straf en het beklag onder b), c) en
d) ongegrond verklaard, op de gronden als in de aangehechte beschikking
weergegeven.

2. Standpunten van klager en de directeur: Door en namens klaagster is in
beroep volhard in het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt.
Betoogd is dat de combinatie van de disciplinaire straf en maatregel die
klaagster is opgelegd niet in verhouding staat tot de aanleiding daarvan,
te weten het incident over de gemorste koffie. Weliswaar heeft klaagster
krachtige taal geuit door te spreken over een gijzeling, doch zij heeft
dit geenszins agressief bedoeld. Aangevoerd is dat klaagster toen zij
reeds verbleef in de strafcel boos is geworden vanwege de haar opgelegde
straf en dat zij daarom het blad met eten uit de handen van een
p.i.w.-ster heeft geslagen. Zij hoopte van de verwarring die daar het
gevolg van zou zijn gebruik te kunnen maken om de isoleercel uit te lopen.
Ontkend is dat klaagster tijdens de worsteling die is ontstaan geweld
heeft gebruikt tegen het personeel. Zij weet dat zij in woede overmatig
veel kracht ontwikkelt. Aangevoerd is dat klaagster van de 8 maanden dat
zij in “Overmaze” heeft verbleven er 6 in afzondering heeft doorgebracht.
Toen het koffieincident plaatsvond verbleef zij nog maar 2 dagen wederom
in gemeenschap. De directeur had gelet op deze situatie en klaagsters
onevenwichtige psychische gesteldheid niet de bestreden straf en maatregel
mogen opleggen. Vanwege het ontbreken van het journaal is het niet
mogelijk de verklaringen van klaagster over hetgeen is voorgevallen
tijdens haar verblijf op het veiligheidsbed te toetsen. Klaagsters
uitlatingen hierover zijn echter consistent. Aangegeven is dat er aan het
begin van klaagsters plaatsing op het bed geen halfuurlijkse controle
heeft plaatsgevonden en dat zij niet dagelijks gewassen is. Haar behoeften
heeft zij zonder ondersteek moeten doen, op het bed. De schriftelijke
mededeling van de haar opgelegde straf heeft klaagster eerst op 2 november
1993, derhalve niet tijdig ontvangen.

De directeur heeft eveneens volhard in het tegenover de beklagcommissie
ingenomen standpunt. Betoogd is dat alle voorschriften die gelden voor het
opleggen van een disciplinaire straf en plaatsing op een veiligheidsbed
zijn nageleefd. Klaagsters bestraffing werd gerechtvaardigd door haar
uitlatingen. Een bedreiging met gijzeling ligt zeer gevoelig en wordt
daarom ernstig opgevat. Tijdens de worsteling die na het uit handen slaan
van het blad met eten is ontstaan was klaagster zeer wild en agressief.
Zij was buiten zinnen en onbereikbaar voor de buitenwereld. Klaagster
heeft tijdens deze worsteling tevens ernstige bedreigingen geuit.
Daarnaast heeft zij gezegd dood te willen. Gelet op deze gemoedstoestand
achtte de directeur het niet verantwoord haar op de normale wijze in de
strafcel te laten verblijven. De directeur was zelf ter plaatse en heeft
een en ander waargenomen. Tevens heeft hij persoonlijk eraan deelgenomen
en leiding gegeven om klaagsters geweld te beheersen. Tijdens haar
verblijf op het veiligheidsbed is klaagster met goede zorg omgeven, ook
vanuit de medische discipline. Aangegeven is dat klaagster elke dag is
gewassen en dat het kraammatras, als alternatief voor de door klaagster
geweigerde steek, dagelijks is verschoond. Klaagsters toestand is elk half
uur gecontroleerd, waarbij telkens is beoordeeld of er sprake was van een
positieve verandering daarin. Bedoelde controles zijn ondermeer uitgevoerd
door een directielid, het afdelingshoofd en de inrichtingsarts. Op vragen
van gedetineerden om van het bed af te mogen wordt altijd gereageerd. Door
het stellen van vragen hierover wordt geprobeerd een indruk te krijgen of
er daadwerkelijk sprake is van een verbetering van de toestand. Dit is ook
in het geval van klaagster uitgangspunt geweest. De directeur heeft
betreurd niet meer te beschikken over het een en ander bijgehouden
journaal.

3. Beoordeling: In het door de beroepscommissie ingestelde uitgebreide
onderzoek naar de feitelijke toedracht rondom de bestraffing van klaagster
en haar plaatsing op het veiligheidsbed is niet gebleken van nieuwe feiten
en/of omstandigheden die zouden moeten leiden tot een andere beslissing
op het beklag dan die door de beklagcommissie is gegeven. De
beroepscommissie heeft bij haar onderzoek ondermeer getoetst aan de
voorschriften zoals die zijn neergelegd in het reglement plaatsing op het
veiligheidsbed. Zij komt op grond van deze toetsing tot het oordeel dat
de beklagcommissie op goede gronden en met juistheid op het beklag heeft
beslist. Het beroep is derhalve ongegrond.

4. Beslissing: De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en
bekrachtigd de beschikking van de beklagcommissie.

Rechters

Mr. J.H. Koeleman, voorzitter, mr. C.J.G. Bleichrodt en mr. M.J.F.A.Mutsaers, leden, S.A.A.J. Beumer, secretaris