Instantie: Rechtbank Almelo, 18 mei 1994

Instantie

Rechtbank Almelo

Samenvatting


Verstekvonnis. Immateriele schadevergoeding na ontucht. Rechtbank is niet
bekend met de financiele omstandigheden van partijen. Het bedrag van ƒ
10.000,= immateriele schadevergoeding is gerechtvaardigd, zelfs wanneer
gedaagde slechts over inkomsten op bijstandsniveau zou beschikken.

Volledige tekst

Ten aanzien van de feiten:

Gedaagde is te dienende dage niet in rechte verschenen waarna tegen hem
verstek is verleend.

Eisers hebben onder overlegging van een 13-tal producties geconcludeerd
voor eis overeenkomstig de dagvaarding en vorderen uit hoofde van door
gedaagde jegens eisers gepleegd onrechtmatig handelen veroordeling van
gedaagde tot betaling aan eiser sub 1. van een bedrag groot ƒ 9.730,05
terzake noodzakelijk door hem gemaakte kosten en aan eiseres sub 2. van
een bedrag groot ƒ 10.000,= aan immateriele schadevergoeding te
vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens vordert eiseres sub 2.
veroordeling van gedaagde tot betaling van de mogelijk in de toekomst nog
door haar te maken kosten, nader op te maken bij staat.

Hierop hebben eisers onder overlegging van de stukken vonnis verzocht.

De inhoud van die stukken geldt als hier ingelast.

Ten aanzien van het recht:

1. Bij de dagvaarding zijn de wettelijke termijnen en formaliteiten in
acht genomen.

2. De feiten en omstandigheden door eisers aan hun vordering ten grondslag
gelegd zijn onweersproken gebleven.

3. Mitsdien kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.
Gedaagde, een neef van eiseres sub 2., heeft haar op 31 oktober 1990 -zij
was toen 14 jaar- opgesloten in een kamer, onzedelijk betast, verkracht
c.q. gepoogd te verkrachten en geslagen met een riem en zijn handen. Ook
heeft hij haar gedreigd met geweld indien zij iemand zou vertellen wat er
was gebeurd. Door de officier van justitie is een strafvervolging
ingesteld. Op 26 februari 1992 heeft de politierechter te Utrecht zich
onbevoegd verklaard, daar de kinderrechter in deze bevoegd was. Gelet op
reeds verstreken tijd heeft het openbaar ministerie vervolgens besloten
om de strafzaak tegen gedaagde te seponeren. Door dit onrechtmatig
handelen van gedaagde is het gezinsleven van eisers sterk ontwricht
geraakt en heeft eiseres sub 2. ernstige psychische schade geleden en zal
zij deze mogelijk in de toekomst lijden, zich ondermeer uitende in
perioden van flauwvallen, nachtmerries, huilbuien, angst om alleen te zijn
in huis of op straat, depressiegevoelens, schaamtegevoelens en angst voor
lichamelijke aanrakingen, angst om in afgesloten ruimtes te zijn en een
negatief toekomstperspectief met betrekking tot het wensen en krijgen van
kinderen. Verder heeft zij door een sterke vermindering van de
schoolresultaten haar schoolkeuze bij moeten stellen van VWO naar MAVO en
is zij alleen en met haar ouders in behandeling geweest bij de RIAGG te
Utrecht.

4. Ingevolge het bepaalde in artikel 173 Overgangswet Nieuw Burgerlijk
Wetboek dient omtrent aansprakelijkheid en schadevergoeding het voor 1
januari 1992 geldende recht te worden toegepast.

5. Het hiervoor overwogene is voldoende om aan te nemen dat gedaagde
toerekenbaar onrechtmatig gehandeld heeft jegens eisers. Voorts wordt het
oorzakelijk verband tussen de gepleegde onrechtmatige daad door gedaagde
en door de eisers sub 2. geleden psychische schade inclusief gevolgen niet
betwist, zodat de aansprakelijkheid van gedaagde en diens verplichting tot
schadevergoeding, mede gelet op het ernstige karakter van de onrechtmatige
gedraging, in voldoende mate is komen vast te staan.

6. De door eiser sub 1. gestelde materiele schade is niet weersproken en
kan mitsdien worden toegewezen.

7. Krachtens wettelijke bepaling (artikel 1407 lid 2 jo lid 3 van het
Burgerlijk Wetboek (oud)) behoort de immateriele schade te worden
gewaardeerd naar gelang de wederzijdse stand en de fortuin van betrokkenen
en naar de omstandigheden van het geval.

Uit de processtukken blijkt omtrent de financiele omstandigheden van
partijen niets.

8. Alles tegen elkaar afwegend en daarbij voorts in overweging nemend dat
ook al zou gedaagde slechts over inkomsten gelijk het bijstandsniveau
beschikken, dit een toewijzing van de gevorderde schadevergoeding van ƒ
10.000,= rechtvaardigt.

9. De vordering komt ook overigens onrechtmatig noch ongegrond voor.

10. Gedaagde dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van
dit geding te worden veroordeeld.

Rechtdoende:

Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijke kwijting aan eiser sub 1. te
betalen de som van ƒ 9.730,05 (negenduizend zeven honderddertig 05/100
gulden) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van
dagvaarding -16 maart 1994- tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijke kwijting aan eisers sub 2. te
betalen een bedrag van ƒ 10.000,= (tienduizend gulden) aan immateriele
schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van
dagvaarding -16 maart 1994- tot aan die der algehele voldoening.

Veroordeelt gedaagde tot het betalen van de mogelijkheid nog in de
toekomst te maken kosten van eiseres sub 2. ten gevolge van zijn
onrechtmatig handelen jegens haar, nader op te maken bij staat.

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de
zijde van eisers begroot op ƒ 1.142,48 waarvan te voldoen: a. aan de
griffier van de arrondissementsrechtbank te Almelo: -f.262,50 wegens in
debet gesteld griffierecht, -f.710,= wegens salaris van de procureur, en
-ƒ 82,48 wegens exploitkosten; b. aan de procureur van eisers: -ƒ 87,50
wegens niet in debet gesteld griffierecht.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

mr. Drewes

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 18 mei 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekers waren van mening dat vijf vrouwelijke werknemers van Turkse
afkomst in de arbeidsvoorwaarden (doktersbezoek en het opnemen van
snipperdagen) op grond van hun geslacht door de wederpartij werden
benadeeld. Bovendien werden zij, in tegenstelling tot hun mannelijke
collega’s, niet conform de van kracht zijnde CAO beloond. Ten aanzien van
de arbeidsvoorwaarden oordeelt de Commissie dat niet is komen vast te
staan dat er onderscheid op grond van geslacht is gemaakt. Geen strijd met
de Wet. Ten aanzien van de beloning is de Commissie van oordeel dat
verzoekers geen belang (meer) hebben bij een oordeel van de Commissie,
aangezien de beloning van belanghebbenden ook al aan een arbiter ter
beoordeling is voorgelegd. De Commissie oordeelt dit onderdeel van het
verzoek dan ook niet- ontvankelijk.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 18 juni 1993 verzochten de Bouw- en Houtbond FNV te Eindhoven
(hierna: verzoeker 1) en de te Eindhoven (hierna:
verzoeker 2) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of te Oss
(hierna: de wederpartij) onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekers stellen dat vijf vrouwelijke werknemers (hierna:
belanghebbenden) in de arbeidsvoorwaarden op grond van hun geslacht door
de wederpartij zijn benadeeld. Bovendien werden zij, in tegenstelling tot
hun mannelijke collega’s, niet conform de van kracht zijnde CAO beloond.
Verzoekers zijn van mening dat de wederpartij hiermee in strijd handelt
met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoekers zijn rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e van de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168). Hiermee
voldoen verzoekers aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

3.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben enkele malen de gelegenheid gehad hun
standpunten schriftelijk toe te lichten.

3.2. Conform artikel 14 lid 3 WGB heeft de Commissie belanghebbenden in
de loop van het onderzoek op de hoogte gesteld van het feit dat zij in het
verzoek zijn genoemd. Zij hadden er geen bezwaar tegen bij het onderzoek
betrokken te worden.

3.3. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 7 april 1994.

Bij deze zitting waren aanwezig: van de kant van verzoekers – dhr
(districtsbestuurder van verzoeker 1) – dhr R. van de Water
(advocaat) – mw (belanghebbende) – mw
(belanghebbende) – mw (belanghebbende) – mw
(belanghebbende) – dhr (tolk)

van de kant van de wederpartij – dhr (directeur) – dhr mr
(administrateur) – dhr mr J. de Haan (advocaat)

van de kant van de Commissie – dhr prof. mr P.F. van der Heijden
(Kamervoorzitter) – mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer) – mw mr
I.M.C.V.T. Kiebert (lid Kamer) – mw mr A.K. de Jongh (adjunct-secretaris).

3.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 3.3.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK De feiten

4.1. De wederpartij is een meubelfabrikant. Het bedrijf bestaat uit een
kantoor en de afdelingen verkoop, snijden, inpakken en stikken. In het
bedrijf werken 20 mensen; negen mannelijke en elf vrouwelijke medewerkers.
Van de vrouwen werken er drie op het kantoor. De andere acht werken op de
naai-afdeling. Deze afdeling staat onder leiding van een cheffin. Vijf van
de acht naaisters zijn van Turkse afkomst. Deze vijf naaisters zijn
belanghebbenden in de onderhavige zaak.

4.2. In april 1993 hebben belanghebbenden bij verzoeker 1 klachten over
de arbeidsomstandigheden geuit. Een deel van deze klachten richt zich
tegen de cheffin van de naai- afdeling. Intern konden de vrouwen dit niet
oplossen, omdat de directie zich achter de cheffin opstelde en de vrouwen
weer naar haar terug verwees. Van de Nederlandse werkneemsters heeft
verzoeker 1 geen klachten over de arbeidsomstandigheden ontvangen. De
klachten hielden het volgende in: – verbaal geweld door de cheffin jegens
hen; – zij konden met moeite vrij krijgen om naar de dokter te gaan; – het
opnemen van snipperdagen was problematisch; – zij moesten achter de
naaimachine eten in plaats van in de kantine; – hun werk was extra zwaar;
– zij mochten geen werk uitvoeren;

In 1991 zijn er soortgelijke klachten geweest. Ook is toen aan de orde
gesteld dat een aantal vrouwen niet conform de CAO is betaald. Een aantal
van deze problemen is opgelost. Er zijn loonvorderingen ingesteld, waarvan
de laatste vordering in 1993 is afgewikkeld.

4.3. Naar aanleiding van de klachten heeft verzoeker 1 in mei 1993 een
telefonisch onderhoud gehad met de directeur van de wederpartij. In dit
telefoongesprek heeft de wederpartij de klachten ontkend en verder
afwijzend gereageerd. Belanghebbenden hebben een aantal pogingen gedaan
om met de wederpartij in gesprek te komen, teneinde gezamenlijk tot een
oplossing van de problemen te komen. Op 15 september 1993 heeft een
gesprek plaatsgevonden tussen verzoekers en de raadsman van de
wederpartij. Op 16 september 1993 is door de raadsman meegedeeld dat de
wederpartij bereid was een gesprek aan te gaan met belanghebbenden.

Op 17 september 1993 hebben belanghebbenden een afschrift ontvangen van
een verzoek tot beeindiging van hun arbeidsovereenkomst, dat de
wederpartij bij de arbiter had ingediend. Deze was reeds op 15 september
1993 verzonden. Belanghebbenden hebben als tegenvordering verzocht om
betaling van achterstallig loon. Dit omdat zij meenden dat zij ten
onrechte waren ingedeeld in salarisgroep A in plaats van in groep B,
waardoor zij te weinig loon hadden ontvangen. Voor belanghebbenden is een
onwerkbare situatie ontstaan, waardoor zij zich ziek hebben moeten melden.
Tussen de wederpartij en de werkneemsters hebben geen gesprekken meer
plaatsgevonden.

4.4. De klachten van belanghebbenden zijn door verzoeker 1 aan de media
doorgegeven. De wederpartij heeft naar aanleiding hiervan een kort geding
tegen verzoeker 1 aangespannen wegens smaad. De wederpartij heeft in het
kort geding gevorderd: – voor recht te verklaren dat de bond onrechtmatig
had gehandeld; – verzoeker 1 te verbieden verdere beschuldigingen jegens
de wederpartij via de media te uiten; – verzoeker 1 te veroordelen tot
medewerking aan rectificatie van de beschuldigingen.

De president van de rechtbank Utrecht heeft in een vonnis d.d. 7 oktober
1993 de door de wederpartij gevraagde voorzieningen niet toegewezen. Wel
heeft de president geoordeeld dat verzoeker 1 heeft nagelaten een serieus
onderzoek in te stellen naar de gegrondheid van de klachten. Deze
nalatigheid leidde tot het oordeel dat verzoeker 1 te snel en te
lichtvaardig de media heeft benaderd en voorts het beginsel van hoor en
wederhoor niet heeft toegepast.

4.5. In november 1993 zijn de arbeidsovereenkomsten met belanghebbenden
ontbonden. Tevens heeft de arbiter geoordeeld dat belanghebbenden
inderdaad in salarisgroep B ingedeeld hadden moeten worden. De
loonvorderingen zijn daarom (gedeeltelijk) toegekend.

De standpunten van partijen

4.6. In eerste instantie hebben verzoekers gesteld dat er sprake was van
ongelijke behandeling voor wat betreft de arbeidsomstandigheden, de
beloning en het ontslag van belanghebbenden. Ter zitting hebben zij echter
aangegeven dat een deel van de klachten niet is toe te schrijven aan
ongelijke behandeling op grond van geslacht maar het gevolg zijn van
andere factoren, waaronder afkomst. Dit geldt voor het ontslag en voor een
aantal klachten over de arbeidsomstandigheden. Ter beoordeling van de
Commissie blijven de volgende klachten over: – de beloning; – het
doktersbezoek; – het opnemen van snipperdagen.

Wat betreft de beloning stellen verzoekers dat belanghebbenden, in
tegenstelling tot de mannelijke werknemers, niet werden betaald conform
de CAO Meubelindustrie en Meubileringsbedrijven. Zij kwamen gemiddeld een
bedrag van ƒ 234,32 bruto per maand te kort. Aangezien verzoekers geen
klachten van mannelijke werknemers hebben ontvangen over te lage beloning,
is er hier sprake van ongelijke beloning op grond van geslacht. Ter
zitting gaven verzoekers aan dat er bij de wederpartij geen andere vrouwen
werkzaam zijn die niet conform de CAO worden betaald.

Ten aanzien van het doktersbezoek stellen verzoekers dat belanghebbenden
met moeite vrij konden krijgen als zij naar de dokter wilden. Ook moesten
zij de werkuren die zij wegens bezoek aan de dokter of een specialist
misten later inhalen. Bovendien mochten zij niet naar een specialist
zonder dat zij hieraan voorafgaand een verwijzing van de dokter aan de
wederpartij toonden. De mannelijke werknemers stuitten niet op deze
problemen.

Voorts brengen verzoekers naar voren dat belanghebbenden vaak geen
snipperdagen konden opnemen wanneer zij dat wilden, terwijl zij hier
krachtens de CAO wel recht op hadden. Bij de mannelijke werknemers en
Nederlandse vrouwelijke werknemers was dit niet het geval. De Nederlandse
vrouwen konden bijvoorbeeld makkelijk op dezelfde dag nog vrij krijgen om
naar de kapper te gaan. Verder is het voorgekomen dat bij belanghebbenden
voor het opnemen van een snipperdag als voorwaarde is gesteld dat deze dag
later zou worden ingehaald.

Wat betreft de arbeidsomstandigheden in het algemeen merken verzoekers op
dat er bij de wederpartij sprake is van een werksfeer die vijandigheid en
neerbuigendheid uitstraalt. Als belanghebbenden ergens over klaagden, werd
hen te verstaan gegeven dat ze maar ontslag moesten nemen of naar Turkije
moesten gaan als het ze niet beviel. Er heerst een cultuur die de geest
van discriminatie uitademt.

4.7. De wederpartij wijst alle door verzoekers geuite beschuldigingen van
de hand. Er wordt door haar in geen enkel opzicht onderscheid gemaakt
tussen vrouwelijke en mannelijke werknemers.

De wederpartij stelt dat belanghebbenden wel conform de CAO werden
betaald. Er is dan ook geen sprake van ongelijke beloning op grond van
geslacht. Dit blijkt ook uit het feit dat de twee hoogst betaalde
werknemers binnen het bedrijf vrouwen zijn, terwijl de twee laagst
betaalden mannen zijn. De salarisverschillen die er bestaan binnen het
bedrijf worden slechts veroorzaakt door verschillen in functieinhoud.

De regeling die voor het doktersbezoek geldt, is voor alle werknemers
gelijk. Deze houdt in dat iedereen die naar de dokter moet hiervoor een
uur vrij krijgt. Voor een bezoek aan een specialist, krijgen werknemers
twee uur vrij. De werknemer dient in dit geval wel een verwijzing van de
dokter te laten zien. Het is onjuist dat deze uren later ingehaald moeten
worden.

Ook de regeling die geldt voor het opnemen van snipperdagen wordt op alle
werknemers gelijkelijk toegepast. Deze regeling houdt in dat er in
principe een snipperdag kan worden opgenomen indien deze drie dagen van
te voren wordt aangevraagd. Als er op een korter termijn wordt verzocht
om een snipperdag op te nemen, kan het wel eens voorkomen dat dit in
verband met de produktie niet mogelijk is. De wederpartij kan aan de hand
van de verlofkaarten aantonen dat belanghebbenden wel snipperdagen hebben
kunnen opnemen.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij in de arbeidsvoorwaarden en
bij de beloning onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling.

5.2. Lid 1 van artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) verbiedt
werkgevers om onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen, onder meer
op het punt van de arbeidsvoorwaarden.

Artikel 7 en volgende van de WGB bepalen dat een werkgever bij de beloning
geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen.

5.3. Gebleken is dat de beloning van belanghebbenden ook al aan de arbiter
ter beoordeling is voorgelegd. Deze heeft uitgesproken dat belanghebbenden
ten onrechte niet conform de CAO werden beloond en heeft de
loonvorderingen (gedeeltelijk) toegekend. Ter zitting hebben verzoekers
aangegeven dat er bij de wederpartij geen andere vrouwen werkzaam zijn die
niet conform de CAO worden betaald.

Dit in beschouwing nemend, is de Commissie van oordeel dat verzoekers geen
belang (meer) hebben bij een oordeel van de Commissie over de beloning.
De Commissie oordeelt derhalve dat verzoekers wat betreft dit onderdeel
van het verzoek niet- ontvankelijk zijn.

5.4. Partijen verschillen erover van mening of de vrouwelijke werknemers
moeilijker vrij krijgen dan de mannelijke als zij naar de dokter moeten.
Verzoekers hebben geen vergelijkingsmateriaal aangevoerd waaruit blijkt
dat mannen en vrouwen in dit opzicht verschillend worden behandeld.
Bovendien sluit de Commissie niet uit dat de problemen rond het
doktersbezoek het gevolg waren van de slechte arbeidsverhouding tussen de
cheffin en belanghebbenden. Aangezien de cheffin slechts vrouwen onder
zich had, kon zij bij de behandeling van haar werknemers geen onderscheid
naar geslacht maken. De Commissie acht derhalve niet aannemelijk gemaakt
dat er in dit opzicht onderscheid op grond van geslacht is gemaakt.

Wat betreft het opnemen van snipperdagen hebben verzoekers aangevoerd dat
de regeling die hiervoor geldt voor de Nederlandse werkneemsters veel
soepeler werd gehanteerd dan voor belanghebbenden. Dit wekt bij de
Commissie de indruk dat, voor zover er in dit opzicht sprake was van
ongelijke behandeling, dit niet zozeer door het geslacht als wel door de
afkomst van belanghebbenden werd veroorzaakt. Het beoordelen van
onderscheid op grond van afkomst valt echter buiten de bevoegdheid van
deze Commissie.

Op grond van het bovenstaande oordeelt de Commissie dat niet is komen vast
te staan dat er in de arbeidsvoorwaarden onderscheid op grond van geslacht
is gemaakt.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat Sitwood BV te Oss jegens de
Bouw- en Houtbond FNV te Eindhoven en de Stichting Balans te Eindhoven
geen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel
7A:1637ij Burgerlijk Wetboek.

Aldus vastgesteld op 18 mei 1994, naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 7 april 1994.

Rechters

dhr prof mr P.F. van der Heijden, mw prof mr J.E. Goldschmidt, mwmr I.M.C.V.T.Kiebert, mw mr A.K. de Jongh

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 18 mei 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is fysiotherapeute en was tot 1991 werkzaam bij een
praktijkhouder. In 1991 werd zij zelfstandig. In verband met bezuinigingen
in de gezondheidszorg, mochten fysiotherapeuten met ingang van 1991
slechts een beperkt aantal zittingen declareren bij de ziekenfondsen. Om
dit maximum aantal zittingen te bepalen werd 1990 als meetjaar gekozen.
In dat jaar was verzoekster zwanger, waardoor het aantal
patientenbehandelingen beduidend minder was dan normaal. De Commissie is
van oordeel dat er voor verzoekster nadelige gevolgen verbonden waren aan
haar afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling. Deze nadelige gevolgen
zijn ten eerste onstaan doordat de wederpartij geen rekening heeft
gehouden met de uren of verrichtingen die tijdens de afwezigheid van
verzoeksters ten gevolge van haar zwangerschaps- en bevallingsverlof zijn
waargenomen binnen de “parapluconstructie”. Ten tweede zijn de nadelige
gevolgen ontstaan doordat de wederpartij geen bijzondere regeling
getroffen heeft voor de afwezigheid van verzoekster ten gevolge van haar
zwangerschap en bevalling bij het aanwijzen van 1990 als meetjaar. Strijd
met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 16 juni 1992 verzocht mevrouw te Oldenzaal (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of te Hengelo (hierna: de
wederpartij) jegens haar onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt
in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb.
1989, 168).

1.2. In de tijd dat verzoekster werkzaam was bij een praktijkhouder,
declareerde zij ongeveer 2000 zittingen per jaar bij de wederpartij, een
zorgverzekeraar. In 1991, toen zij haar eigen fysiotherapiepraktijk
startte, werden haar door de wederpartij slechts 496 zittingen per jaar
toegewezen. Dit aantal was gebaseerd op het aantal behandelingen dat in
1990 verricht was. Verzoekster was in dat jaar zwanger, waardoor het
aantal patientenbehandelingen beduidend minder was dan normaal. Zij is van
mening dat de wederpartij onderscheid naar geslacht maakt in strijd met
de WGB, door hiermee geen rekening te houden.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Verzoekster heeft op 2 februari 1993 tevens de heer
, de praktijkhouder, als wederpartij aangewezen (zie
oordeelnummer 520B-94-34). Partijen hebben verscheidene malen de
gelegenheid gehad hun standpunten naar voren te brengen.

2.2. De Commissie heeft beide zaken gevoegd behandeld tijdens een zitting
op 25 januari 1994. Partijen zijn opgeroepen om hun standpunten mondeling
nader toe te lichten.

Bij de zitting waren aanwezig: van de kant van verzoekster – mw
(verzoekster) – dhr ing. (gemachtigde) – dhr
(getuige)

van de kant van de wederpartij – mw mr (juridisch
medewerkster, gemachtigde)

van de kant van de praktijkhouder – dhr (praktijkhouder)
– mw (getuige)

van de kant van de Commissie – mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter) – dhr
ing. J. van Hemert (lid Kamer) – mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer) – mw
mr M.M. Hubner (adjunct-secretaris).

2.3. Naar aanleiding van hetgeen tijdens die zitting naar voren is
gekomen, heeft de Commissie partijen in de gelegenheid gesteld om na te
gaan of zij tot een schikking konden komen.

2.4. Aangezien partijen geen schikking hebben kunnen treffen, heeft de
Commissie op 15 maart 1994 wederom een zitting in de zaak gehouden,
waarvoor partijen uitgenodigd waren. Van de zijde van de wederpartij en
de praktijkhouder is niemand verschenen.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de zijde van verzoekster – mw (verzoekster)
– dhr ing. (gemachtigde)

van de zijde van de Commissie – mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter) – mw
mr C.E. van Vleuten (lid Kamer) – mw mr M. de Rooij (lid Kamer) – dhr ing.
J. van Hemert (lid Kamer) – dhr mr W.A. van Veen (plaatsvervangend lid
Kamer) – mw mr M.M. Hubner (adjunct-secretaris).

2.5. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder paragraaf 2.4.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De organisatie van de wederpartij is door een fusie van een
ziekenfonds en een ziektekostenverzekeraar tot stand gekomen. Verzoekster
was van februari 1987 tot eind 1991 werkzaam als fysiotherapeute bij een
zelfstandig gevestigd fysiotherapeut (praktijkhouder).

Tussen deze praktijkhouder en de wederpartij bestond een overeenkomst
(model-overeenkomst 1979) op grond waarvan de fysiotherapeut onder eigen
verantwoordelijkheid en voor eigen rekening fysiotherapeutische hulp
verleent aan ziekenfondsverzekerden. De kosten van deze hulp komen ten
laste van de wederpartij op grond van de Ziekenfondswet. De
praktijkmedewerkers werkten op zogenaamde ‘notabasis’, onder aftrek van
een vergoeding voor het gebruik van de praktijkruimte, de inventaris, gas
en licht. Praktijkmedewerkers, zoals verzoekster, hadden geen enkele
binding met het ziekenfonds. De praktijkhouder was verantwoordelijk jegens
het ziekenfonds en declareerde de prestaties van verzoekster op eigen
naam.

3.2. Eind jaren 70 werd geconstateerd dat de kosten te hoog opliepen voor
de ziekenfondsen en is op landelijk niveau getracht de bestaande
modelovereenkomst te vervangen door een nieuwe, waarbij gestreefd werd
naar: – een nieuwe tariefstructuur (van honorering van verrichting tot
honorering van zittingen) – het laten verdwijnen van het verschijnsel
‘praktijkmedewerker op notabasis’ in die zin dat de ziekenfondsen een
rechtstreekse relatie met de praktijkmedewerker wensten.

Dit streven leidde er toe dat met ingang van 1 april 1991 een nieuwe
modelovereenkomst van kracht is geworden. Door de representatieve
organisaties in de fysiotherapie zijn toen afspraken gemaakt over de
beperking van het aantal te declareren patientenverrichtingen (zogenaamde
‘volume- afspraken’). Het aantal declaraties dat ingediend kan worden,
wordt in deze modelovereenkomst beperkt tot het aantal patientencontacten
in 1990.

Voor deze nieuwe modelovereenkomst was het zo, dat indien een
praktijkhouder en een praktijkmedewerker hun relatie wilden beeindigen,
de uren bij de praktijkhouder bleven, die dan een nieuwe
praktijkmedewerker kon aanstellen. Indien naar het oordeel van een daartoe
ingestelde geschillencommissie de relatie ten onrechte werd verbroken of
de relatie, wegens omstandigheden gelegen bij de praktijkhouder, niet
langer kon voortduren, kon de praktijkmedewerker deze uren ‘meenemen’.
Voor deze uren kreeg de praktijkmedewerker dan een eigen
ziekenfondsmedewerkerscontract.

3.3. Inmiddels hadden ook de bedrijfsverenigingen hun beleid gewijzigd.
Voorheen hadden deze de praktijkmedewerkers ‘op notabasis’ als niet
onderworpen aan premieheffing gezien, doch thans zagen zij de verhouding
tussen praktijkmedewerker en praktijkhouder als een premieplichtige
arbeidsverhouding. Dit leidde tot het heffen van sociale premies bij de
praktijkhouders, die op hun beurt de premies afwentelden op de
praktijkmedewerkers danwel overgingen op een loondienstconstructie of een
maatschapsconstructie.

De praktijkhouder bij wie verzoekster werkzaam was, heeft sinds 27 januari
1970 een fysiotherapiepraktijk. In een laat stadium van de procedure bij
de Commissie, heeft verzoekster een schriftelijke arbeidsovereenkomst
tussen haar en de praktijkhouder overgelegd. Dit contract is slechts met
het oog om een hypotheek te krijgen ten behoeve van verzoekster opgesteld.

De praktijkhouder is nimmer tot een loondienst- of maatschapsconstructie
overgegaan met de praktijkmedewerkers.

3.4. In 1991 heeft de wederpartij de nieuwe modelovereenkomst aangeboden
aan de bij haar aangesloten fysiotherapeuten. Op 1 april 1991 heeft de
praktijkhouder deze getekend. Na 1 april 1991 zijn de praktijkmedewerkers
in rap tempo zelfstandig geworden en hebben een eigen contract met het
ziekenfonds gesloten voor het geregistreerde aantal zittingen. Zo ook
verzoekster. Toen haar bekend werd dat deze nieuwe modelovereenkomst voor
de fysiotherapie van kracht zou worden, heeft zij de praktijkhouder laten
weten dat zij gebruik wilde maken van de mogelijkheid om zich zelfstandig
te vestigen. Zij is formeel tot 1 april 1991 in de praktijk werkzaam
gebleven. Na 1 april is zij op notabasis blijven werken tot
zelfstandigheid volgde.

Op grond van de nieuwe overeenkomst kregen de praktijkhouder en zijn tien
praktijkmedewerkers door de wederpartij het aantal zittingen toegewezen
dat zij in 1990 hadden. Verzoekster kreeg slechts 496 zittingen
toegewezen, omdat zij in het meetjaar 1990 gedeeltelijk afwezig was
vanwege zwangerschaps- en bevallingsverlof. Tevens was zij in dat jaar
ziek ten gevolge van de zwangerschap. In de jaren ’87, ’88 en ’89 werden
vanwege haar werkzaamheden ongeveer 2000 zittingen per jaar gedeclareerd
bij een werkweek van gemiddeld 20 uur.

Afwijking van het eenmaal vastgestelde zittingenmaximum is in beginsel
mogelijk. Op zich is er geen regel die verhindert dat een ziekenfonds meer
of minder zittingen uitgeeft dan in het jaar 1990 het geval was. Wel kan
een ziekenfonds daardoor in budgettaire problemen raken of te maken
krijgen met een volumekorting, indien en voor zover mocht blijken dat de
van overheidswege opgelegde bezuinigingen niet of niet voldoende zijn
gerealiseerd (bepaald in artikel 3 van de modelovereenkomst 1991). Om
ziekenfondsen een richtlijn te geven ten aanzien van een aantal te
verwachten problemen met betrekking tot het volumebeleid, is een
gezamenlijke circulaire van de representatieve organisaties in de
fysiotherapie uitgegaan. Daarin staat onder andere en voor zover hier van
belang vermeld: Basis van de afspraken in de modelovereenkomst over het
volume 1991 is dat het aantal patientencontacten in 1991 maximaal gelijk
is aan het aantal patientencontacten in 1990. Van de algemene regel kan
onder andere worden afgeweken als het aantal patientencontacten hoger is
dan op grond van de volume-afspraak 1990 zou mogen worden verwacht.

De Commissie van Overleg heeft het beleid uitgewerkt in september 1992 met
betrekking tot verzoeken van fysiotherapeuten om meer volume te krijgen
dan op grond van het peiljaar 1990 was vastgesteld. Bepaalde persoons- en
omgevingsgebonden factoren konden leiden tot een verhoging of een
verlaging van het volume. De hieraan verbonden kosten zouden uit de
zogenaamde knelpuntenpot vergoed worden. Zwangerschap en ziekte behoorden,
vanwege de mogelijkheid om voor waarneming te zorgen, niet tot de genoemde
factoren.

3.5. Verzoekster heeft de Commissie van Overleg in een brief d.d. 27
december 1991 om een herziening van de beslissing van de wederpartij
gevraagd. Zij stelt hierin dat zij van de praktijkhouder een overeenkomst
ter ondertekening voorgelegd kreeg betreffende het toegekende volume van
496 zittingen. Die heeft zij ondertekend, echter met de kanttekening dat
zij niet akkoord ging met dit toegekende volume, omdat zij in 1990 wegens
zwangerschaps- en ziekteverlof niet in staat is geweest om het normale
aantal behandelingen uit te voeren. De Commissie van Overleg heeft hierop
nog niet beslist.

3.6. De wederpartij heeft verzoekster bij brief van 7 april 1992
meegedeeld dat het voorbehoud dat verzoekster bij ondertekening van de
overeenkomst heeft gemaakt, jegens haar geen rechtswaarde heeft op grond
van het volgende. Het aantal zittingen binnen de praktijk van de
praktijkhouder wordt samen met hem door de wederpartij vastgesteld op
basis van het ziekenfondscontract tussen het ziekenfonds en de
praktijkhouder. Indien een praktijkmedewerker het niet eens is met het
aantal geregistreerde zittingen op zijn naam, dan kan hij alleen ageren
jegens zijn praktijkhouder. Vervolgens kan een praktijkhouder het aantal
zittingen, geregistreerd voor een praktijkmedewerker, vervreemden en
overdragen. Daarop volgend kan het ziekenfonds met de voormalige
praktijkmedewerker een medewerkersovereenkomst sluiten voor het aantal
geregistreerde zittingen. Indien verzoekster een waarnemer had tijdens
haar zwangerschaps- en bevallingsverlof, zou zij hetzelfde aantal
zittingen als in andere jaren moeten ontvangen. Op grond van artikel 7 van
de oude modelovereenkomst 1979 en artikel 10 van de modelovereenkomst 1991
dient de fysiotherapeut bij afwezigheid of ziekte zorg te dragen voor een
behoorlijke waarneming door een fysiotherapeut. De uren die zijn
waargenomen in 1990 worden beschouwd als uren van degeen voor wie is
waargenomen.

3.7. In de praktijk waar verzoekster werkzaam was, werd bij waarneming de
zogenoemde “parapluconstructie” gehanteerd. Zorgverzekeraars hebben deze
constructie ingesteld omdat daarmee gemakkelijk te werken was. Een
parapluconstructie wil zeggen dat de praktijkhouder het totaal aantal
gedeclareerde uren aan de wederpartij moet melden. Het enige waar de
praktijkhouder verder voor moet zorgen, is dat het totaal aantal uren het
toegekende volume niet overschrijdt. Bij een dergelijke parapluconstructie
is het voor de wederpartij niet mogelijk te achterhalen welke waarnemingen
voor verzoekster zijn verricht, omdat deze niet apart vermeld zijn.

Uit een overzicht dat de wederpartij heeft overgelegd, blijkt dan ook niet
dat voor verzoekster, gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof in
de periode 19 december 1989 tot en met 4 september 1990, is waargenomen.

3.8. Verzoekster heeft op 4 mei 1992 het contract met de wederpartij
ondertekend. Op 1 juni 1992 heeft zij een nieuwe overeenkomst ondertekend,
omdat zij inmiddels 314 zittingen van een andere fysiotherapeut had
gekocht. Dit contract liep op 1 januari 1994 af.

De standpunten van partijen

3.9. Verzoekster stelt, in geval wordt aangenomen dat de relatie tussen
haar en de praktijkhouder als een arbeidsovereenkomst is aan te merken,
dat de wederpartij en de praktijkhouder eenzijdig inbreuk hebben gepleegd
op haar toen nog geldende arbeidsovereenkomst door het aantal zittingen
waarop krachtens die overeenkomst aanspraak gemaakt kon worden, drastisch
te verlagen. Voor het geval de relatie tussen haar en de praktijkhouder
niet als een arbeidsovereenkomst is aan te merken, is er geen rekening
gehouden met het feit dat volgens de WGB een vrouw door zwangerschap geen
nadelige gevolgen mag ondervinden in de arbeidssituatie.
Arbeidsongeschiktheid wegens zwangerschap kan alleen vrouwen treffen.

Als gevolg hiervan zal het inkomen, na aftrek van de financiele
verplichtingen, nagenoeg nihil zijn. Daarnaast wordt zij in ernstige mate
belemmerd zich in haar beroep te ontplooien.

Verzoekster merkt op, dat de overgelegde arbeidsovereenkomst is opgemaakt
om haar de mogelijkheid te geven een hypotheek te verkrijgen. In de door
de wederpartij en de praktijkhouder aangegane overeenkomst, staat zij
geregistreerd voor 20 uren per week. Dat wil zeggen dat dit aantal
geregistreerde uren ook uitgangspunt had moeten zijn voor de vaststelling
van het volume. Het is voorts onjuist dat er geen waarneming voor haar
geregeld was in de tijd dat zij zwangerschaps- en bevallingsverlof had.
De praktijkhouder heeft, voor de bij de wederpartij op haar naam
geregistreerde uren, een waarnemer de behandelingen laten uitvoeren die
zij zelf niet kon uitvoeren vanwege haar zwangerschap. Het feit dat er
geen waarneming was aangemeld, betekent nog niet dat er geen waarneming
heeft plaatsgevonden. Er waren algemene waarnemers in de praktijk
werkzaam, zals mevrouw Krijnsen-Zegger en later de heer Van der Velde.

Daarbij was het gebruikelijk dat men voor elkaars patienten klaar stond
zonder dat dit als waarneming bij de wederpartij werd aangemeld. De
praktijkhouder ondernam pas aktie om een waarnemer aan te trekken als hij
voorzag dat de patientenomzet niet gehaald zou worden. Door derhalve het
totale aantal patientencontacten te vergelijken met het totaal waarvoor
de wederpartij contractueel toestemming heeft verleend, kan worden
nagegaan of ook voor haar in feite waarneming heeft plaatsgevonden.

Gesteld wordt dat in feite alles draait om de vraag of er wel of niet een
waarneming voor verzoekster was aangemeld. Als praktijkmedewerker had
verzoekster echter niet de positie om een waarneming te regelen. Zij heeft
in goed vertrouwen aangenomen dat de praktijkhouder hiervoor zou
zorgdragen. Het was ook niet bekend dat de modelovereenkomst 1979 een
bepaling bevatte, inhoudende dat zij de gecontracteerde uren zou verliezen
indien er bij zwangerschap niet een formele waarneming geregeld was. Toen
zij in 1989 zwanger was, was ook niet bekend dat er een nieuwe
modelovereenkomst zou komen. De berichten daarover circuleerden eerst in
de loop van 1990.

3.10. De wederpartij stelt het volgende. In de eerste plaats is er geen
sprake van een gezagsverhouding tussen haar en verzoekster. Die is er wel
tussen verzoekster en de praktijkhouder, aangezien verzoekster op
‘notabasis’ werkzaam was bij de praktijkhouder. Mogelijk is er zelfs een
arbeidsovereenkomst tussen hen. In ieder geval is in die relatie artikel
7A:1637ij BW van toepassing, ofwel rechtstreeks, danwel ingevolge artikel
1b WGB. Gezien het vorenstaande trekt zij in twijfel of de Commissie
bevoegd is om een oordeel uit te spreken naar aanleiding van het verzoek.
De Commissie kan zich alleen bevoegd verklaren met toepassing van artikel
2 WGB inzake de toegang tot en de mogelijkheden tot uitoefening van en
ontplooiing binnen het vrije beroep. Van onderscheid als hier bedoeld is
geen sprake.

Immers het sluiten van de medewerkersovereenkomst met verzoekster op 6
april 1992 is gebaseerd op 496 zittingen, ook al waren die geregistreerd
in het contract met de praktijkhouder op 1 april 1992. Bij deze bepaling
werd uitgegaan van het aantal gerealiseerde patientencontacten over het
jaar 1990. Op dit punt is door de landelijke partijen bij de
totstandkoming van de modelovereenkomst geen verbijzondering gegeven,
zodat bij de vaststelling van het volume niet gekeken wordt of men ziek
of zwanger was, een cursus, volgde tijdelijk ander werk had of anderszins
afwezig was. De reden hiervoor is gelegen in de mogelijkheid die de
fysiotherapeut of praktijkhouder op basis van artikel 7 lid 1 oude
overeenkomst was gegeven om zich of zijn praktijkmedewerker te laten
waarnemen. Indien de waarneming duidelijk aan het ziekenfonds is gemeld,
worden deze waarnemingen meegeteld in de volumebepaling van de zittingen
over 1990. In de periode 19 december 1989 tot en met 4 september 1990,
toen verzoekster afwezig was wegens ziekte en zwangerschapsverlof, heeft
volgens de overzichten geen waarneming voor verzoekster plaatsgevonden.
Perioden van afwezigheid om welke reden dan ook, treffen mannen en vrouwen
gelijkelijk. In de gevolgde gedragslijn bij de volumebepaling is geen
onderscheid als bedoeld in artikel 2 WGB te ontdekken.

Overigens zou nimmer een medewerkerscontract met verzoekster gesloten
zijn, indien bekend was -voorzover dit al juist is- dat er een
arbeidsovereenkomst tussen verzoekster en de praktijkhouder bestond.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster
onderscheid naar geslacht maakt in strijd met de WGB door haar een
zittingenmaximum toe te kennen dat is gebaseerd op het aantal
verrichtingen in 1990, het jaar waarin zij afwezig was vanwege ziekte,
zwangerschaps- en bevallingsverlof.

4.2. Alvorens hierop in te gaan, zal eerst worden nagegaan of het verzoek
van verzoekster ontvankelijk is, nu de wederpartij stelt dat zij geen
partij is in deze zaak omdat de relatie tussen haar en verzoekster niet
gekenmerkt kan worden als een gezagsverhouding zoals omschreven in artikel
7A:1637ij BW of in artikel 1b WGB.

De Commissie is van oordeel dat van een gezagsverhouding tussen partijen
inderdaad niet kan worden gesproken. Tussen verzoekster en de wederpartij
bestaat echter wel een relatie zoals bedoeld in artikel 2 WGB.

Artikel 2 WGB bepaalt dat het niet is toegelaten onderscheid te maken
tussen mannen en vrouwen met betrekking tot de voorwaarden voor de toegang
tot en de mogelijkheden tot uitoefening van en ontplooiing binnen het
vrije beroep. In de tekst van artikel 2 WGB is niet bepaald tot wie het
verbod om onderscheid naar geslacht te maken zich richt. De Commissie
heeft reeds eerder uitgesproken (Commissie gelijke behandeling van mannen
en vrouwen bij de arbeid, d.d. 23 september 1992, oordeelnummer
335A-91-71.) dat het verbod zich richt tot een ieder die (mede)
verantwoordelijk is voor de totstandkoming, handhaving en uitvoering van
een regeling, voorzover ieders bevoegdheid reikt.

Het gaat hier om een regeling met betrekking tot het zelfstandig worden
van praktijkmedewerkers die de wederpartij tezamen met verschillende
(representatieve) verenigingen van fysiotherapeuten tot stand heeft
gebracht. Het staat vast dat deze regeling gevolgen heeft voor de
mogelijkheden tot uitoefening van en ontplooiing binnen het beroep van
fysiotherapeut. Daarbij komt dat de wederpartij een monopoliepositie heeft
wat betreft de ziekenfondsverzekerden. Zij kan immers bepalen hoeveel
patientenverrichtingen er bij haar gedeclareerd mogen worden door
fysiotherapeuten.

Gelet op de zeggenschap van de wederpartij over de inhoud en de uitvoering
van de hier omstreden regeling, kan de wederpartij, naar het oordeel van
de Commissie, op grond van artikel 2 WGB als wederpartij aangesproken
worden. 4.3. Thans komt de Commissie toe aan de -in feite- tussen partijen
in geding zijnde vraag. De stelling van de wederpartij komt er op neer dat
het hanteren van een peiljaar geheel sekseneutraal is, temeer daar
afwezigheid, op welke grond dan ook, niet tot een geringere volumebepaling
leidt, daar men dan voor waarneming moet zorgen en de werkzaamheden van
de waarnemer meetellen voor de volumebepaling.

De Commissie kan deze zienswijze niet onderschrijven. Met afwezigheid
wegens zwangerschap, bevalling en moederschap hebben immers alleen vrouwen
te maken en deze omstandigheden kunnen derhalve niet zonder meer
gelijkgesteld worden met afwezigheid wegens ziekte. Door nadelige gevolgen
verbonden aan afwezigheid wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof en
moederschap, worden alleen vrouwen getroffen. Daarbij doet niet ter zake
of men in geval van ziekte ook nadelig getroffen wordt. Dit geldt immers
zowel voor vrouwen als voor mannen. Indien er nadelige consequenties
verbonden zijn aan afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling, maakt de
wederpartij direct onderscheid op grond van geslacht (artikel 1 WGB),
waarvoor geen andere rechtvaardigingsgronden mogelijk zijn dan die in de
wet zelf, in artikel 5 WGB, zijn opgenomen.

4.4. Ten aanzien van de stelling van de wederpartij dat er aan de
omstreden regeling geen nadelige gevolgen zijn verbonden ingeval van
afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling, mits verzoekster conform de
waarnemingsregeling had gehandeld, overweegt de Commissie als volgt.

Bij de beoordeling van deze stelling speelt een rol dat verrichtingen door
een waarnemer gedaan in 1990, worden meegeteld voor het bepalen van het
toe te kennen zittingenmaximum. Deze bepaling uit de modelovereenkomst
(art. 7 lid 1 oude overeenkomst) is gericht tot de fysiotherapeut met wie
de wederpartij een overeenkomst heeft gesloten. Het geldt dus wel voor de
praktijkhouder, maar niet voor verzoekster, aangezien zij geen
contractspartij was. De door de wederpartij toegestane parapluconstructie
hield in, dat een praktijkhouder alleen het totale aantal declaraties
hoefde te melden. Van belang was slechts, dat het voor die praktijk
vastgestelde volume niet werd overschreden. Een gevolg daarvan was, dat
de praktijkhouder niet geregistreerd heeft voor wie werd waargenomen,
aangezien dat niet nodig was. Pas nadat het jaar 1990 als meetjaar werd
aangewezen 2voor het zittingenmaximum, werd de vraag wie voor wie en voor
hoeveel uren (of verrichtingen) had waargenomen van belang. De wederpartij
is mede verantwoordelijk voor de daarna ontstane situatie, aangezien zij
de regeling tot stand heeft gebracht en zich had moeten realiseren dat
door de toegestane parapluconstructie de waarnemingen bij zwangerschap
niet te achterhalen zouden zijn. Door geen rekening te houden met de uren
of verrichtingen die tijdens de afwezigheid van verzoekster ten gevolge
van haar zwangerschaps- en bevallingsverlof zijn waargenomen binnen de
parapluconstructie en door geen bijzondere regeling te treffen voor
afwezigheid ten gevolge van zwangerschap, bevalling en moederschap bij het
aanwijzen van 1990 als meetjaar, zijn er nadelige gevolgen verbonden
ingeval van afwezigheid ten gevolge van zwangerschap en bevalling.

Dit leidt tot de conclusie dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt
naar geslacht in strijd met artikel 2 WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Hengelo jegens mevrouw
te Oldenzaal onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel
2 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Aldus vastgesteld op 18 mei 1994 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 15 maart 1994.

Rechters

mw mr Y. Telenga, mw mr C.E. van Vleuten, mw mr M. de Rooij, dhring. J. van Hemert, dhr mr W.A. van Veen, mw mr M.M. Hubner

Instantie: Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 18 mei 1994

Instantie

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Verdachte wordt veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en TBS voor
verkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Verder wijst de
rechtbank de vordering van de benadeelde partij toe voor een bedrag van
ƒ 16.235,- waarvan ƒ 1235,- terzake van materiele schade en ƒ 15.000,-
als voorschot voor immateriele schade, op grond van een verzoek om
splitsing van de vordering in een door de strafrechter toewijsbaar
voorschot en het overige bij de burgerlijke rechter aan te brengen
deel. De toegewezen materiele schadevergoeding betreft de door het
slachtoffer op de bewuste avond gedragen kleding, waarvan de rechtbank
het begrijpelijk acht dat het slachtoffer deze niet meer terugwil. Ten
aanzien van de immateriele schade acht de rechtbank het aannemelijk dat
deze minstens ƒ 15.000,- zal bedragen, zodat dit bedrag ook wordt
toegewezen als voorschot.

Volledige tekst

De beslissing. De rechtbank:

Verklaart het tenlastegelegde onder 1 en 2 bewezen, zoals hiervoor
omschreven.

Verstaat, dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de misdrijven:

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde: Verkrachting.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde: Opzettelijk iemand
wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

een gevangenisstraf voor de tijd van drie jaren.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van
deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht,
in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de hem
opgelegde gevangenisstraf.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld, met bevel dat
de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Verklaart niet bewezen, hetgeen verdachte onder 1 en 2 meer of anders
is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem
daarvan vrij.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij: Wijst de vordering
van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en
veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij
van een bedrag van ƒ 1235,- terzake materiele schade (de kleding) en
een bedrag van ƒ 15.000,- als voorschot terzake immateriele schade, in
totaal derhalve ƒ 16235,- (zestienduizendtweehonderdvijfendertig
gulden), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de
benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de
tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot
op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij af voor wat betreft de
gevraagde vergoeding voor kosten rechtsbijstand.

bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering
niet ontvankelijk is en dat zij dat deel van haar vordering slechts bij
de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

Motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Naar het oordeel van de rechtbank is het deel van de vordering van de
benadeelde partij terzake de materiele schade ten aanzien van de posten
schoolgeld ad ƒ 1365,- en schoolgeld voor boeken en dergelijke ad ƒ
400,- en de post verhuiskosten ad ƒ 15.000,- niet van zo eenvoudige
aard dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding.

De rechtbank heeft overwogen dat ten aanzien van de posten schoolgeld
ad in totaal ƒ 1765,- nog moet blijken of de benadeelde partij dit
schooljaar moet overdoen en dat de kosten voor verhuizing nog door de
benadeelde partij gemaakt moeten worden en derhalve thans ook nog niet
vaststaan; Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde
partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat zij die
vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts gebleken dat het overige
deel van de vordering van de benadeelde partij, voorzover die hierna
zal worden toegewezen, van eenvoudige aard is zodat deze zich leent
voor behandeling in deze strafzaak.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking: dat begrijpelijk is dat de
benadeelde partij de kleding, die zij droeg op de bewuste avond, niet
meer terugwil. Hierdoor lijdt de benadeelde partij een -wat de hoogte
betreft niet betwiste – schade ad ƒ 1235,-, welke gelet op de aard van
verdachtes aansprakelijkheid, als gevolg van de gebeurtenis aan
verdachte kan worden toegerekend; dat de benadeelde partij een
aanmerkelijk immateriele schade heeft geleden, gezien de wijze waarop
en de omstandigheden waaronder zij het slachtoffer is geworden van
verkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving. De vaststelling van
de precieze omvang van deze schade acht de rechtbank echter niet van
zodanige eenvoudige aard, dat zij dit kan doen in het kader van een
strafvervolging tegen verdachte. Niettemin acht de rechtbank
aannemelijk dat de immateriele schade tenminste ƒ 15.000,- bedraagt en
zij zal dit bedrag dan ook toewijzen, terwijl de benadeelde partij
desgewenst het meerdere van haar vordering bij de burgerlijke rechter
kan aanbrengen. Dit is in overeenstemming met het – subsidiair gedane –
verzoek van de raadsvrouwe van de benadeelde partij om de vordering te
splitsen in een thans door de strafrechter toewijsbaar voorschot en het
overige bij de burgerlijke rechter aan te brengen deel. In totaal zal
de rechtbank toewijzen een bedrag van ƒ 16.235,-.

De rechtbank wijst de gevraagde vergoeding voor kosten rechtsbijstand
af, omdat de benadeelde partij in aanmerking kwam voor een toegevoegde
raadsman/raadsvrouwe, en de benadeelde partij en haar raadsvrouwe
verzuimd hebben om deze toevoeging aan te vragen.

De rechtbank wijst het verzoek van de benadeelde partij om
schadevergoeding als maatregel ex artikel 36 f van het Wetboek van
Strafrecht aan verdachte op te leggen af, omdat deze maatregel in
verband met de gerede kans dat dan vervangende hechtenis moet worden
toegepast, die dan in conflict komt met de op te leggen maatregel van
terbeschikkingstelling en verpleging als na te melden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond, behalve op voormelde
artikel, op de artikelen: 10, 27, 37a, 37b en 57 van het Wetboek van
Strafrecht.

Rechters

Mrs Gelderman, Dijkshoorn, Claasens

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 10 mei 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is fysiotherapeute en was tot 1991 werkzaam bij een
praktijkhouder. In 1991 werd zij zelfstandig. In verband met bezuinigingen
in de gezondheidszorg mochten fysiotherapeuten met ingang van 1991 slechts
een beperkt aantal zittingen declareren bij de ziekenfondsen. Om dit
maximum aantal zittingen te bepalen werd 1990 als meetjaar gekozen. In dat
jaar was verzoekster zwanger, waardoor het aantal patientenbehandelingen
beduidend minder was dan normaal. De Commissie is van oordeel dat alleen
vrouwen getroffen worden door nadelige gevolgen verbonden aan
zwangerschaps- en bevallingsverlof en moederschap. Het ligt op de weg van
de werkgever om er zorg voor te dragen dat er in de sfeer van
arbeidsvoorwaarden geen (toekomstig) nadelige gevolgen verzonden zijn aan
afwezigheid van een praktijkmedewerkster wegens zwangerschaps- en
bevallingsverlof. De wederpartij heeft er niet (alsnog) voor gezorgd dat
aanverzoekster het aantal zittingen toekwam, die zij voor haar
zwangerschaps- en bevallingsverlof reeds verrichtte. Strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 2 februari 1993 verzocht mevrouw te Oldenzaal (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de heer
te Enschede (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid op
grond van geslacht heeft gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. In de tijd dat verzoekster werkzaam was bij de wederpartij,
declareerde zij ongeveer 2000 zittingen per jaar bij een zorgverzekeraar.
In 1991, toen zij haar eigen fysiotherapiepraktijk startte, werden haar
door de zorgverzekeraar slechts 496 zittingen per jaar toegewezen. Dit
aantal was gebaseerd op het aantal behandelingen dat in 1990 verricht was.
Verzoekster was in dat jaar zwanger, waardoor het aantal
patientenbehandelingen beduidend minder was dan normaal. Verzoekster stelt
dat de wederpartij mede verantwoordelijk is voor het lage aantal zittingen
dat haar is toegewezen, en dientengevolge jegens haar onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt in strijd met de WGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Verzoekster heeft eerder, op 16 juni 1992, tevens de
, als wederpartij aangewezen (zie
oordeelnummer 520A-94-33). Partijen hebben verscheidene malen de
gelegenheid gehad hun standpunten naar voren te brengen.

2.2. De Commissie heeft beide zaken gevoegd behandeld tijdens een zitting
op 25 januari 1994. Partijen zijn opgeroepen om hun standpunten mondeling
nader toe te lichten.

Bij de zitting waren aanwezig: van de kant van verzoekster – mw
(verzoekster) – dhr ing. (gemachtigde) –
dhr (getuige)

van de kant van de wederpartij – dhr (praktijkhouder)
– mw (getuige)

van de kant van de zorgverzekeraar – mw mr (juridisch
medewerkster, gemachtigde)

van de kant van de Commissie – mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter) – dhr
ing. J. van Hemert (lid Kamer) – mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer) – mw
mr M.M. Hubner (adjunct-secretaris).

2.3. Naar aanleiding van hetgeen tijdens die zitting naar voren is
gekomen, heeft de Commissie partijen in de gelegenheid gesteld om na te
gaan of zij tot een schikking konden komen.

2.4. Aangezien partijen geen schikking hebben kunnen treffen, heeft de
Commissie op 15 maart 1994 wederom een zitting in de zaak gehouden,
waarvoor partijen uitgenodigd waren. Van de zijde van de wederpartij en
de zorgverzekeraar is niemand verschenen.

Bij de zitting waren aanwezig: van de zijde van verzoekster – mw
(verzoekster) – dhr ing. (gemachtigde)

van de zijde van de Commissie – mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter) – mw
mr C.E. van Vleuten (lid Kamer) – mw mr M. de Rooij (lid Kamer) – dhr ing.
J. van Hemert (lid Kamer) – dhr mr W.A. van Veen (plaatsvervangend lid
Kamer) – mw mr M.M. Hubner (adjunct-secretaris).

2.5. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder paragraaf 2.4.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster was van februari 1987 tot eind 1991 werkzaam als
fysiotherapeute bij de wederpartij, een zelfstandig gevestigd
fysiotherapeut.

De wederpartij was verantwoordelijk jegens de zorgverzekeraar en
declareerde ook de prestaties van verzoekster op eigen naam. Tussen de
zorgverzekeraar en de wederpartij bestond namelijk een overeenkomst
(model-overeenkomst 1979) op grond waarvan de fysiotherapeut onder eigen
verantwoordelijkheid en voor eigen rekening fysiotherapeutische hulp
verleent aan ziekenfondsverzekerden. De kosten van deze hulp komen ten
laste van de zorgverzekeraar op grond van de Ziekenfondswet.

De praktijkmedewerkers werkten op zogenaamde ‘notabasis’, onder aftrek van
een vergoeding voor het gebruik van de praktijkruimte, de inventaris, gas
en licht. Praktijkmedewerkers, zoals verzoekster, hadden geen enkele
binding met het ziekenfonds.

3.2. Eind jaren 70 werd geconstateerd dat de kosten te hoog opliepen voor
de ziekenfondsen en is op landelijk niveau getracht de bestaande
modelovereenkomst te vervangen door een nieuwe, waarbij gestreefd werd
naar – een nieuwe tariefstructuur (van honorering van verrichting tot
honorering van zittingen) – het laten verdwijnen van het verschijnsel
‘praktijk- medewerker op notabasis’ in die zin dat de ziekenfondsen een
rechtstreekse relatie met de praktijkmedewerker wensten.

Dit streven leidde er toe dat met ingang van 1 april 1991 een nieuwe
modelovereenkomst van kracht is geworden. Door de representatieve
organisaties in de fysiotherapie zijn toen afspraken gemaakt over de
beperking van het aantal te declareren patientenverrichtingen (zogenaamde
‘volume- afspraken’). Het aantal declaraties dat ingediend kan worden,
wordt in deze modelovereenkomst beperkt tot het aantal patientencontacten
in 1990.

Voor deze nieuwe modelovereenkomst was het zo, dat indien een
praktijkhouder en een praktijkmedewerker hun relatie wilden beeindigen,
de uren bij de praktijkhouder bleven, die dan een nieuwe
praktijkmedewerker kon aanstellen. Indien naar het oordeel van een daartoe
ingestelde geschillencommissie de relatie ten onrechte werd verbroken of
de relatie, wegens omstandigheden gelegen bij de praktijkhouder, niet
langer kon voortduren, kon de praktijkmedewerker deze uren ‘meenemen’.
Voor deze uren kreeg de praktijkmedewerker dan een eigen
ziekenfondsmedewerkerscontract.

3.3. Inmiddels hadden ook de bedrijfsverenigingen hun beleid gewijzigd.
Voorheen hadden deze de praktijkmedewerkers ‘op notabasis’ als niet
onderworpen aan premieheffing gezien, doch thans zagen zij de verhouding
tussen praktijkmedewerker en praktijkhouder als een premieplichtige
arbeidsverhouding. Dit leidde tot het heffen van sociale premies bij de
praktijkhouders, die op hun beurt de premies afwentelden op de
praktijkmedewerkers danwel overgingen op een loondienst- constructie of
een maatschapsconstructie.

De wederpartij heeft sinds 27 januari 1970 een fysiotherapie- praktijk.
In een laat stadium van de procedure bij de Commissie, heeft verzoekster
een schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen haar en de wederpartij
overgelegd. Dit contract is slechts met het oog om een hypotheek te
krijgen ten behoeve van verzoekster opgesteld.

De wederpartij is nimmer tot een loondienst- of maatschapsconstructie
overgegaan met de praktijkmedewerkers.

3.4. In 1991 heeft de zorgverzekeraar de nieuwe modelovereenkomst
aangeboden aan de bij haar aangesloten fysiotherapeuten. Op 1 april 1991
heeft de wederpartij deze getekend. Na 1 april 1991 zijn de
praktijkmedewerkers in rap tempo zelfstandig geworden en hebben een eigen
contract met het ziekenfonds gesloten voor het geregistreerde aantal
zittingen. Zo ook verzoekster. Toen haar bekend werd dat deze nieuwe
modelovereenkomst voor de fysiotherapie van kracht zou worden, heeft zij
de wederpartij laten weten dat zij gebruik wilde maken van de mogelijkheid
om zich zelfstandig te vestigen. Zij is formeel tot 1 april 1991 in de
praktijk werkzaam gebleven. Na 1 april is zij op notabasis blijven werken
tot zelfstandigheid volgde.

Op grond van de nieuwe overeenkomst kregen de wederpartij en zijn tien
praktijkmedewerkers door de zorgverzekeraar het aantal zittingen
toegewezen dat zij in 1990 hadden. Verzoekster kreeg slechts 496 zittingen
toegewezen, omdat zij in het meetjaar 1990 gedeeltelijk afwezig was
vanwege zwangerschaps- en bevallingsverlof. Tevens was zij in dat jaar
ziek ten gevolge van de zwangerschap. In de jaren ’87, ’88 en ’89 werden
vanwege haar werkzaamheden ongeveer 2000 zittingen per jaar gedeclareerd
bij een werkweek van gemiddeld 20 uur.

Afwijking van het eenmaal vastgestelde zittingenmaximum is in beginsel
mogelijk. Op zich is er geen regel die verhindert dat een ziekenfonds meer
of minder zittingen uitgeeft dan in het jaar 1990 het geval was. Wel kan
een ziekenfonds daardoor in budgettaire problemen raken of te maken
krijgen met een volumekorting, indien en voor zover mocht blijken dat de
van overheidswege opgelegde bezuinigingen niet of niet voldoende zijn
gerealiseerd (bepaald in artikel 3 van de modelovereenkomst 1991). Om
ziekenfondsen een richtlijn te geven ten aanzien van een aantal te
verwachten problemen met betrekking tot het volumebeleid, is een
gezamenlijke circulaire van de representatieve organisaties in de
fysiotherapie uitgegaan. Daarin staat onder andere en voor zover hier van
belang vermeld: Basis van de afspraken in de modelovereenkomst over het
volume 1991 is dat het aantal patientencontacten in 1991 maximaal gelijk
is aan het aantal patientencontacten in 1990. Van de algemene regel kan
onder andere worden afgeweken als het aantal patientencontacten hoger is
dan op grond van de volume-afspraak 1990 zou mogen worden verwacht.

De Commissie van Overleg heeft het beleid uitgewerkt in september 1992 met
betrekking tot verzoeken van fysiotherapeuten om meer volume te krijgen
dan op grond van het peiljaar 1990 was vastgesteld. Bepaalde persoons- en
omgevingsgebonden factoren konden leiden tot een verhoging of een
verlaging van het volume. De hieraan verbonden kosten zouden uit de
zogenaamde knelpuntenpot vergoed worden. Zwangerschap en ziekte behoorden,
vanwege de mogelijkheid om voor waarneming te zorgen, niet tot de genoemde
factoren.

3.5. Verzoekster heeft de Commissie van Overleg in een brief d.d. 27
december 1991 om een herziening van de beslissing van de zorgverzekeraar
gevraagd. Zij stelt hierin dat zij van de zorgverzekeraar een overeenkomst
ter ondertekening voorgelegd kreeg betreffende het toegekende volume van
496 zittingen. Die heeft zij ondertekend, echter met de kanttekening dat
zij niet akkoord ging met dit toegekende volume, omdat zij in 1990 wegens
zwangerschaps-en ziekteverlof niet in staat is geweest om het normale
aantal behandelingen uit te voeren. De Commissie van Overleg heeft hierop
nog niet beslist.

3.6. De zorgverzekeraar heeft verzoekster bij brief van 7 april 1992
meegedeeld dat het voorbehoud dat verzoekster bij ondertekening van de
overeenkomst heeft gemaakt, jegens haar geen rechtswaarde heeft op grond
van het volgende. Het aantal zittingen binnen de praktijk van de
wederpartij wordt samen met deze door de zorgverzekeraar vastgesteld op
basis van het ziekenfondscontract tussen het ziekenfonds en de
wederpartij. Indien een praktijkmedewerker het niet eens is met het aantal
geregistreerde zittingen op zijn naam, kan hij alleen ageren jegens zijn
praktijkhouder. Vervolgens kan een praktijkhouder het aantal zittingen,
geregistreerd voor een praktijkmedewerker, vervreemden en overdragen.
Daarop volgend kan het ziekenfonds met de voormalige praktijkmedewerker
een mede-werkersovereenkomst sluiten voor het aantal geregistreerde
zittingen. Indien verzoekster een waarnemer had tijdens haar
zwangerschaps- en bevallingsverlof, zou zij hetzelfde aantal zittingen als
in andere jaren moeten ontvangen. Op grond van artikel 7 van de oude
modelovereenkomst 1979 en artikel 10 van de modelovereenkomst 1991 dient
de fysiotherapeut bij afwezigheid of ziekte zorg te dragen voor een
behoorlijke waarneming door een fysiotherapeut. De uren die zijn
waargenomen in 1990 worden beschouwd als uren van degene voor wie is
waargenomen.

3.7. In de praktijk waar verzoekster werkzaam was, werd bij waarneming de
zogenoemde “parapluconstructie” gehanteerd. Zorgverzekeraars hebben deze
constructie ingesteld omdat daarmee gemakkelijk te werken was. Een
parapluconstructie wil zeggen dat de praktijkhouder het totaal aantal
gedeclareerde uren aan de zorgverzekeraar moet melden. Het enige waar de
praktijkhouder verder voor moet zorgen, is dat het totaal aantal uren het
toegekende volume niet overschrijdt. Bij een dergelijke parapluconstructie
is het voor de zorgverzekeraar niet mogelijk te achterhalen welke
waarnemingen voor verzoekster zijn verricht, omdat deze niet apart vermeld
zijn.

Uit een overzicht dat de zorgverzekeraar heeft overgelegd, blijkt dan ook
niet dat voor verzoekster, gedurende het zwangerschaps- en
bevallingsverlof in de periode 19 december 1989 tot en met 4 september
1990, is waargenomen.

3.8. Verzoekster heeft op 4 mei 1992 het contract met de zorgverzekeraar
ondertekend. Op 1 juni 1992 heeft zij een nieuwe overeenkomst ondertekend,
omdat zij inmiddels 314 zittingen van een andere fysiotherapeut had
gekocht. Dit contract liep op 1 januari 1994 af.

De standpunten van partijen

3.9. Verzoekster stelt, in geval wordt aangenomen dat de relatie tussen
haar en de wederpartij als een arbeidsovereenkomst is aan te merken, dat
de wederpartij en de zorgverzekeraar eenzijdig inbreuk hebben gepleegd op
haar toen nog geldende arbeidsovereenkomst door het aantal zittingen
waarop krachtens die overeenkomst aanspraak gemaakt kon worden, drastisch
te verlagen. Voor het geval de relatie tussen haar en de wederpartij niet
als een arbeidsovereenkomst is aan te merken, is er geen rekening gehouden
met het feit dat volgens de WGB een vrouw door zwangerschap geen nadelige
gevolgen mag ondervinden in de arbeidssituatie. Arbeidsongeschiktheid
wegens zwangerschap kan alleen vrouwen treffen.

Als gevolg hiervan zal het inkomen, na aftrek van de financiele
verplichtingen, nagenoeg nihil zijn. Daarnaast wordt zij in ernstige mate
belemmerd zich in haar beroep te ontplooien.

Verzoekster merkt op, dat de overgelegde arbeidsovereenkomst is opgemaakt
om haar de mogelijkheid te geven een hypotheek te verkrijgen.

In de door de wederpartij en de zorgverzekeraar aangegane overeenkomst,
staat zij geregistreerd voor 20 uren per week. Dat wil zeggen dat dit
aantal geregistreerde uren ook uitgangspunt had moeten zijn voor de
vaststelling van het volume. Het is voorts onjuist dat er geen waarneming
voor haar geregeld was in de tijd dat zij zwangerschaps- en
bevallingsverlof had. De wederpartij heeft, voor de bij de zorgverzekeraar
op haar naam geregistreerde uren, een waarnemer de behandelingen laten
uitvoeren die zij zelf niet kon uitvoeren vanwege haar zwangerschap. Het
feit dat er geen waarneming was aangemeld, betekent nog niet dat er geen
waarneming heeft plaatsgevonden. Er waren algemene waarnemers in de
praktijk werkzaam, zoals mevrouw Krijnsen-Zegger en later de heer Van der
Velde.

Daarbij was het gebruikelijk dat men voor elkaars patienten klaar stond
zonder dat dit als waarneming werd aangemeld. De wederpartij ondernam pas
aktie om een waarnemer aan te trekken als hij voorzag dat de
patientenomzet niet gehaald zou worden. Door derhalve het totale aantal
patientencontacten te vergelijken met het totaal waarvoor de
zorgverzekeraar contractueel toestemming heeft verleend, kan worden
nagegaan of ook voor haar in feite waarneming heeft plaatsgevonden.

Door de zorgverzekeraar is gesteld dat in feite alles draait om de vraag
of er wel of niet een waarneming voor verzoekster was aangemeld. Als
praktijkmedewerker had verzoekster echter niet de positie om een
waarneming te regelen. Zij heeft in goed vertrouwen aangenomen dat de
wederpartij hiervoor zou zorgdragen. Het was ook niet bekend dat de
modelovereenkomst 1979 een bepaling bevatte, inhoudende dat zij de
gecontracteerde uren zou verliezen indien er bij zwangerschap niet een
formele waarneming geregeld was. Toen zij in 1989 zwanger was, was ook
niet bekend dat er een nieuwe modelovereenkomst zou komen. De berichten
daarover circuleerden eerst in de loop van 1990.

3.10. De wederpartij stelt het volgende. Zij kan in deze procedure niet
als partij beschouwd worden. Verzoekster stelde zich namelijk op het
standpunt dat zij op zelfstandige basis werkzaam was. In geval van
afwezigheid wegens ziekte, zwangerschap en vakantie, gaf ze haar patienten
altijd over aan haar goedgezinde collega’s. Daardoor bestond er geen enkel
inzicht in de hoeveelheid behandelingen die door haar werden verricht.
Mocht verzoekster menen dat zij recht heeft op extra verrichtingen, dan
moet zij deze claimen bij haar tegenwoordige collega’s. Zij heeft zelf
echter nimmer enige behandeling van verzoekster overgenomen, noch
gedeclareerd.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen, gelet op het feit dat aan
laatstgenoemde een zittingenmaximum toegekend is, welke gebaseerd is op
het aantal verrichtingen in 1990, het jaar waarin zij afwezig was vanwege
zwangerschaps- en bevallingsverlof.

4.2. Alvorens hierop in te gaan, zal eerst worden nagegaan of het verzoek
van verzoekster ontvankelijk is, nu de wederpartij stelt dat zij geen
partij is in deze zaak omdat verzoekster op zelfstandige basis werkzaam
was.

Eerst ter zitting van 25 januari 1994 heeft verzoekster een tussen
partijen gesloten arbeidsovereenkomst overgelegd. Met deze overeenkomst
dienden partijen, zo is gebleken, andere doeleinden dan het aangaan van
een arbeidsovereenkomst. De Commissie gaat er daarom van uit, dat er geen
arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. De Commissie is van oordeel dat
het verzoek ontvankelijk is aangezien de werkrelatie tussen partijen er
een is in de zin van artikel 1b WGB. Artikel 1b WGB bepaalt dat ingeval
een natuurlijk persoon, een rechtspersoon of bevoegd gezag een ander onder
zijn gezag arbeid laat verrichten, anders dan krachtens
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of ambtelijke aanstelling,
artikel 7A:1637ij van het Burgerlijk Wetboek (BW) van overeenkomstige
toepassing is.

4.3. Thans komt de Commissie toe aan de tussen partijen in geding zijnde
vraag of de wederpartij een onderscheid naar geslacht heeft gemaakt jegens
verzoekster.

Het hier van toepassing zijnde artikel 7A:1637ij lid 1 BW bepaalt dat het
de werkgever verboden is om onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen
in -onder andere- de arbeidsvoorwaarden.

De regel dat 1990 meetjaar is, geldt voor alle situaties, waarbij niet ter
zake doet of men in dat jaar ziek of zwanger is, of dat men om andere
redenen minder patienten heeft behandeld. Zwangerschap, bevalling en
moederschap zijn echter omstandigheden waarmee alleen vrouwen te maken
hebben en deze omstandigheden kunnen derhalve niet zonder meer
gelijkgesteld worden met ziekte. Door nadelige gevolgen verbonden aan
afwezigheid wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof en moederschap,
worden alleen vrouwen getroffen. Daarbij doet niet ter zake of men in
geval van afwezigheid wegens ziekte ook nadelig getroffen wordt. Dit geldt
immers zowel voor vrouwen als voor mannen. Het ligt op de weg van de
“werkgever” om ervoor zorg te dra- gen dat er in de sfeer van de
arbeidsvoorwaarden geen (toekomstig) nadelige consequenties verbonden zijn
aan de afwezigheid van een praktijkmedewerkster wegens zwanger- schaps-
en bevallingsverlof. De wederpartij heeft er niet (alsnog) voor gezorgd
dat aan verzoekster het aantal zittingen toekwam, die zij voor haar
zwangerschaps- en bevallingsverlof reeds verrichtte. Hiermee is niet
gezegd dat de wederpartij schuldig is aan de gang van zaken, aangezien zij
net zo min als verzoekster wist dat een juiste registratie van de
waarneming zeer belangrijk zou blijken. Het risico dat verbonden is aan
een onjuiste registratie ligt echter bij de wederpartij, aangezien deze
werkgever is in de zin van artikel 1b WGB en contractspartij bij de
overeenkomst met de zorgverzekeraar.

De maatregel waar het hier om gaat heeft direct onderscheid naar geslacht
tot gevolg.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de heer te Enschede jegens
mevrouw te Oldenzaal onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met
artikel 1b Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen juncto artikel
7A:1637ij lid 1 BW.

Aldus vastgesteld op 10 mei 1994 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 15 maart 1994.

Rechters

Mw mr Y. Telenga, dhr ing J. van Hemert, mw mr C.E. van Vleuten, mwmr M.M. Hubner

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 9 mei 1994

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


In uitspraken van 5 januari 1988 bepaalde de Centrale Raad van Beroep dat
gehuwde vrouwen aanspraak hebben op AAW-uitkering. Gedaagde heeft daarna
een AAW-uitkering aangevraagd. Deze is met een jaar terugwerkende kracht
toegekend. De Rechtbank Groningen was van mening dat deze beperkte
terugwerkende kracht discriminatie van vrouwen laat voortduren. De
Centrale Raad is een andere mening toegedaan. Voorts toetst de Raad het
beleid van de bedrijfsvereniging dat het mogelijk maakt om in gevallen van
bijzondere financiele hardheid meer dan een jaar terugwerkende kracht toe
te kennen. De Raad meent dat dit beleid de marginale toets kan doorstaan.
De omstandigheid dat gedaagde bij eiser bekend was in verband met eerder
toegekende voorzieningen brengt geen eerdere toekenningsdatum met zich
mee.

Volledige tekst

I. Onstaan en loop van het geding

Bij brief van 8 maart 1990 is wijlen H.S. -G. (verder te noemen:
verzekerde) vanwege eiser in kennis gesteld van een beslissing met onder
meer de volgende inhoud: “u hebt op 26 april 1989 aan onze
bedrijfsvereniging gevraagd u een uitkering krachtens de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toe te kennen in verband met de
arbeidsongeschiktheid welke zou zijn ingetreden in 1984. Gelet op de
uitspraken van de Centrale Raad van Beroep d.d. 5 januari 1988 inzake het
recht op uitkering krachtens de AAW voor gehuwde vrouwen,
arbeidsongeschikt geworden voor 1 januari 1979, heeft het bestuur van onze
bedrijfsvereniging besloten u een uitkering krachtens de AAW toe te
kennen. U bent tot 1 januari 1980 gedurende tenminste 52 weken
onafgebroken arbeidsongeschikt geweest. Mede gelet op een van de
Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) ontvangen advies dient de mate
van arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW, welke bij u in aansluiting
op bovenvermelde periode van 52 weken bestaat, gesteld te worden op 80 tot
100 %. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 25 lid 2 van de AAW heeft
ons bestuur besloten u met ingang van 26 april 1988 een uitkering
krachtens de AAW toe te kennen. Op grond van het geheel der gegevens heeft
het bestuur namelijk overwogen, dat hier niet van bijzondere
omstandigheden is gebleken, welke aanleiding vormen om in afwijkende zin
ten aanzien van de vastgesteld ingangsdatum te beslissen, te weten een
jaar voor de dag waarop de aanvraag werd ingediend.”

Op 25 februari 1992 heeft eiser aan de voorzitter van de voormalige Raad
van Beroep te Groningen een brief gezonden, onder meer luidende als volgt:
“Wij verzoeken u de bestreden beslissing als volgt gewijzigd te lezen. De
vijfde alinea (“Overeenkomstig
… … … … ingediend”) als niet
geschreven te beschouwen. In plaats van de vijfde
alinea verzoeken wij u de volgende tekst te lezen. Het bestuur heeft
besloten dat in deze zaak sprake is van een bijzonder geval als bedoeld
in artikel 25 lid 2 AAW, zodat de bedrijfsvereniging de bevoegdheid heeft
met een langere terugwerkende kracht dan een jaar voor de meldingsdatum
uitkering toe te kennen. Het bestuur heeft beslist slechts van die
bevoegdheid gebruik te maken in geval er sprake is van bijzondere
hardheid. In verband daarmee zijn gegevens opgevraagd over de financiele
situatie van u (en uw eventuele partner) over de periode vanaf 1980 tot
en met het jaar met ingang waarvan u reeds AAW- uitkering is toegekend.
Uit bedoelde gegevens is gebleken, dat het inkomen van u (en uw eventuele
partner) in bedoelde periode boven het bijstandsniveau is gebleven,
waarbij rekening is gehouden met bijzondere lasten als gevolg van uw
aandoening die onontkoombaar voor eigen rekening moesten blijven. Het
bestuur is voorts van oordeel dat in uw geval geen sprake is van overige
feiten en omstandigheden die met zich meebrengen dat de ingangsdatum van
uw uitkering dient te worden herzien. Het bestuur van de
bedrijfsvereniging heeft derhalve beslist, dat er in uw geval geen sprake
is van bijzondere hardheid indien geen langere terugwerkende kracht wordt
toegepast. In verband daarmee is beslist geen gebruik te maken van de
bevoegdheid om uw uitkering eerder te doen ingaan dan per 26 april 1988.”.

Verzekerde is op 31 augustus 1992 overleden.

De Arrondissementsrechtbank te Groningen heeft bij uitspraak van 17
december 1992 die (overeenkomstig eisers verzoek gewijzigd gelezen)
beslissing vernietigd, bepaald dat eiser een nieuwe beslissing zal nemen
op verzekerdes aanvraag van 26 april 1989 om een uitkering ingevolge de
AAW met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen en gelast
dat eiser het door/namens verzekerde gestorte griffierecht vergoedt.

Op de in een aanvulllend beroepschrift vermelde gronden heeft eiser tegen
bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld. Daarbij is verzocht om
vernietiging van de aangevallen uitspraak en bevestiging van de bestreden
(voor zover verzocht gewijzigd gelezen) beslissing.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 25
maart 1994, waar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. H.J.
Dijckmeester, werkzaam bij eisers bedrijfsvereniging, en waar gedaagde is
verschenen bij gemachtigde mr. M.C.M. van Laar, advocaat te Utrecht.

II. Motivering

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (hierna:
Awb) in werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader
gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het
onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het
procesrecht, zoals dat luidde voor 1 januari 1994, behoudens wat betreft
de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten, als geregeld in artikel
8:75 van de Awb.

1. Feiten die de Raad als vaststaand aanneemt. Nadat de Raad bij
uitspraken van 5 januari 1988 (gepubliceerd in RSV 1988/104, 198, 199 en
200) had beslist dat gehuwde vrouwen als verzekerde vanaf 1 januari 1980
aanspraak hebben op een uitkering krachtens de AAW, heeft verzekerde,
geboren 21 september 1924, zich op 26 april 1989 tot eiser gewend met het
verzoek haar in aanmerking te brengen voor een uitkering krachtens de AAW;
daarbij vulde zij op het zogeheten meldingsformulier AAW bij vraag B 10
in dat zij sedert 8 september 1964 arbeidsongeschikt was.

2. Het standpunt van eiser

Op grond van een door de GMD uitgebracht advies heeft eiser aangenomen dat
verzekerde op 8 september 1964 arbeidsongeschikt is geworden en nadien
arbeidsongeschikt is gebleven en heeft eiser haar bij de bestreden
beslissing met ingang van 26 april 1988 een uitkering krachtens de AAW
toegekend. Eiser heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat is
weergegeven in de in rubriek I gedeeltelijk aangehaalde beslissing d.d.
8 maart 1990 en brief d.d. 25 februari 1992, bij welke brief is verzocht
die beslissing gewijzigd te lezen. Dit verzoek is gebaseerd op de nadere
beslissing van eiser om zich te conformeren aan de uitspraak van de Raad
van 39 januari 1991, gepubliceerd in RSV 1991/182, en om in het verlengde
daarvan ook het gevoerde beleid te herzien.

Nu deze wijziging van de bestreden beslissing niet tot een andere
materiele uitkomst leidt dan in de bestreden beslissing is neergelegd, en
alleen leidt tot een wijziging van de motivering van die beslissing, heeft
de Rechtbank terecht deze wijziging van de bestreden beslissing aanvaard
en zal ook de Raad uitgaan van de aldus gewijzigde beslissing. Daarbij
heeft de Raad om aanmerking genomen dat verzekerde hierdoor niet in haar
processuele belangen is geschaad.

Eisers standpunt houdt in dat verzekerde op 26 april 1989 een uitkering
krachtens de AAW heeft aangevraagd, zodat onder toepassing van artikel 25,
tweede lid, van de AAW verzekerde met ingang van 26 april 1988 uitkering
dient te worden toegekend. Voorts heeft eiser beslist dat toepassing van
artikel 25, tweede lid, laatste volzin, er niet toe leidt dat aan
verzekerde met ingang van een eerdere dan genoemde datum uitkering diende
te worden toegekend. Dienaangaand heeft eiser blijkens de betreffende
zogeheten voorlegger (alsnog) het volgende standpunt ingenomen: ‘Gezien
de weduwnaarsuitspraken van 30 januari 1991 is het Bestuur tot het oordeel
gekomen, dat het standpunt van onze bedrijfsvereniging, dat ten aanzien
van de betreffende gehuwde vrouwen categoraal geen bijzonder geval dient
te worden aangenomen, niet meer verdedigbaar is. In casu gaat het om
(destijds) gehuwde vrouwen die: – arbeidsongeschikt zijn geworden voor 1
januari 1979 – geen jeugdgehandicapte zijn – niet arbeidsongeschikt zijn
geworden tussen 30 september 1975 en 1 januari 1979 en voldoen aan de
entree-eis. Immers, beide laatstgenoemde groepen konden reeds aanspraak
maken op een AAW-uitkering na invoering van de Wet van 20 december 1979,
Stb. 708. Het Bestuur heeft besloten dat ten aanzien van de betreffende
vrouwen alsnog categoraal een bijzonder geval in de zin van artikel 25 lid
2 AAW wordt aangenomen en dat er sprake is van bijzondere hardheid indien
een van de navolgend situaties zich voordoet: 1. De verzekerde is om
medische en/of psychische redenen kennelijk niet in staat geweest om
eerder een aanvraag in te dienen, terwijl zij tevens geen beroep kon doen
op personen in de directe omgeving. De terugwerkende kracht wordt mede
bepaald door de mate van financiele hardheid. 2. Het resterende
gezinsinkomen in de periode vanaf 1 januari 1980 tot datum toekenning
AAW-uitkering lag gedurende een substantiele periode aantoonbaar beneden
het sociale minimum. Dit werd veroorzaakt door financiele schade, geleden
in de prive-sfeer die direct werd veroorzaakt door de
arbeidsongeschiktheid. Er wordt uitgegaan van het gezinsinkomen en niet
van het inkomen van verzekerde, aangezien in veel gevallen verzekerde, in
de thans van belang zijnde periode vanaf 1 januari 1980, in het geheel
geen inkomen had.’

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter
terechtzitting gaat de Raad ervan uit dat ook in andere bijzondere
gevallen (niet een gehuwde vrouw als verzekerde betreffende) een
overeenkomstige beleidswijziging heeft plaatsgevonden.

3. Beoordeling van het geschil

3.1. De toepassing van artikel 25, tweede lid, AAW.

Vooropgesteld dient te worden dat het bepaalde in artikel 25, tweede lid,
eerste volzin van de AAW naar het oordeel van de Raad niet strijdig is met
de zogeheten derde EG-richtlijn van 19 december 1979, nr. 79/7 (verder te
noemen: de richtlijn) in gevallen, waarin deze richtlijn van toepassing
is. De Raad volstaat voor de onderbouwing van dit oordeel met te verwijzen
naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen
van 27 oktober 1993 in de zaak C-338/91 (Steenhorst-Neerings). Evenmin
acht de Raad genoemde wetsbepaling in strijd met artikel 26 van het
Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna:
BuPo-verdrag) (Trb. 1978/77); de Raad heeft zulks reeds eerder
uitgesproken met betrekking tot artikel 25 AWW, welke bepaling
overeenkomst met artikel 25 AAW (CRvB 29 april 1993, AWW/1992/60).

Tussen partijen is niet in geschil dat verzekerde eerst op 26 april 1989
een aanvraag om uitkering heeft ingediend, welke aanvraag strekt tot
toekenning van een uitkering krachtens de AAW per 1 januari 1980 ter zake
van haar omstreeks 1964 ingetreden arbeidsongeschiktheid.

Voorts heeft eiser aangenomen dat er in casu sprake is van een bijzonder
geval. Daarbij heeft eiser in navolging van de reeds genoemde uitspraak
van de Raad van 30 januari 1991 in het bijzonder van belang geacht dat in
verband met de toen bestaande onduidelijkheid over het bereik van de
desbetreffende supra- en internationaalrechtelijke normen grote
onzekerheid bestond over het antwoord op de vraag of gehuwde vrouwen als
verzekerde aanspraak konden maken op een uitkering krachtens de AAW. de
Raad heeft geen aanleiding gevonden ter zake tot een ander oordeel te
komen. Dit betekent dat eiser op grond van artikel 25, tweede lid, laatste
volzin, de bevoegdheid toekomt af te wijken van het bepaalde in de eerste
volzin van dat artikellid, welke volzin inhoudt dat de uitkering niet
vroeger kan ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag werd
ingediend.

3.2. Het beleid van eiser.

Vervolgens dient de Raad te beoordelen wat er zij van het hierboven
weergegeven beleid dat eiser voert ten aanzien van bijzondere gevallen als
het onderhavige.

3.2.1. Het beleid en de discriminatieverboden.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak als zijn oordeel
uitgesproken dat het beleid van eiser de discriminatie van gehuwde vrouwen
in beginsel doet voortduren en dat van het bestaan van enige
rechtvaardiging voor (de instandhouding van) deze (indirecte)
discriminatie niet is gebleken.

Voorts is van de kant van gedaagde betoogd dat het beleid van eiser in
strijd is met de reeds genoemde richtlijn, artikel 26 van het BuPo-verdrag
en artikel 1 van de grondwet, althans dat dit beleid zich niet verdraagt
met een richtlijnconforme of grondwetsconforme uitleg van de laatste
volzin van artikel 25, tweede lid, van de AAW. In dat verband is onder
meer — kort en zakelijk weergegeven — aangevoerd dat eiser zijn
bevoegdheid ten volle op zodanige manier dient te benutten dat gehuwde
vrouwen als verzekerde vanaf 1 januari 1980 op dezelfde wijze worden
behandeld als gehuwde mannen en dat de rechter zijn beoordelingsruimte
zodanig dient te hanteren dat gehuwde vrouwen vanaf genoemde datum op
dezelfde wijze worden behandeld als gehuwde mannen. Daarbij kunnen volgens
de in het bovengenoemde arrest van het Hof van Justitie inzake
Steenhorst-Neerings genoemde doeleinden als eisen van goede administratie,
controle en de noodzaak het financiele evenwicht te bewaren van het
verzekeringsstelsel gelet op de aan de orde zijnde feitelijke situatie van
partijen geen rechtvaardiging vormen van een verschil in behandeling
tussen gehuwde vrouwen als verzekerde en gehuwde mannen.

De Raad onderschrijft niet de zienswijze van de rechtbank en het standpunt
van gedaagde verzekerde. Uit het hiervoor genoemde arrest inzake
Steenhorst-Neerings blijkt dat het Hof van Justitie artikel 25, tweede
lid, eerste volzin, van de AAW, betreffende de terugwerkende kracht van
ten hoogste een jaar voor de datum aanvraag, niet in strijd acht met de
richtlijn. Naar het oordeel van de Raad verdraagt eisers beleid om —
behoudens in geval van bijzondere financiele hardheid — in gevallen als
het onderhavige geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid om meer dan een
jaar terugwerkende kracht te verbinden aan de toekenning van een uitkering
zich evenzeer met die richtlijn alsmede met de overige genoemde
discriminatieverboden.

Uiteraard mag eisers beleid, voorzover dit ertoe strekt om in gevallen van
bijzondere financiele hardheid wel meer dan een jaar terugwerkende kracht
aan de toekenning van een uitkering te verbinden, geen discriminatoire
elementen bevatten, bijvoorbeeld door de introductie van direct of
indirect discriminatoire onderscheidingen in dit beleid. In dat verband
is ter terechtzitting van de kant van verzekerde opgeworpen dat door bij
de bepaling van de financiele hardheid uit te gaan van het gezinsinkomen
eiser een onderscheid maakt dat (door de verwijzing naar de
gezinsomstandigheden) in strijd is met meergenoemde discriminatieverboden.

Ook die opvatting van de gemachtigde van gedaagde kan de Raad niet
onderschrijven. De Raad stelt voorop dat een onderscheid als hiervoor
bedoeld niet aanwezig is. Voorzover met het naar vorengebrachte beoogd is
te stellen dat het hanteren van het gezinsinkomen ter bepaling van de
financiele hardheid in de praktijk meer vrouwen dan mannen treft, merkt
de Raad op dat eiser met zijn beleid kennelijk heeft beoogd een inkomen
ter hoogte van het bestaansminimum ook aan de betrokken gehuwde vrouwen
te garanderen. Dit oogmerk heeft niets van doen met discriminatie op grond
van geslacht, terwijl in de gegeven omstandigheden eisers beleid inzake
financiele hardheid daartoe als een geschikt en noodzakelijk middel moet
worden beschouwd. Ook overigens is de Raad niet gebleken van
discriminatoire elementen in het door eiser gevoerde beleid.

3.2.2. Het beleid en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak onder meer overwogen dat
het door eiser gevoerde beleid een zekere willekeur in zich draagt. In dat
verband heeft de rechtbank gewezen op de omstandigheid dat bij gehuwde
vrouwen die een voorziening door een zogeheten meldingsformulier AAW
hebben aangevraagd en daarbij de vraag ‘sedert wanneer bent u ongeschikt’
hebben beantwoord, dit formulier als eerste relevante aanvraag is
aangemerkt; op deze wijze wordt — aldus de rechtbank — aan de
betreffende gehuwde vrouwen in het algemeen een uitkering met verdergaande
terugwerkende kracht toegekend dan aan vrouwen die geen voorziening
behoefden en om die reden ook niet genoemd meldingsformulier AAW hebben
ingediend.

De rechtbank ziet daarbij echter over het hoofd dat in dergelijke gevallen
de ingangsdatum van de uitkering niet afhangt van eisers beleid in het
kader van de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid, maar van de
uitleg van het wettelijk begrip ‘aanvraag’. De Raad aanvaardt eisers
zienswijze dat een op of na 1 januari 1980 ingediend ‘meldingsformulier
AAW’ waarbij een verzoek van een voorziening ingevolge de AAW is gedaan
en waarbij tevens is aangegeven sedert wanneer de betrokkene zich
arbeidsongeschikt acht als een aanvraag om uitkering moet worden opgevat
en dat dus eiser, die ter zake geen beleidsvrijheid toekomt, een juiste
uitleg heeft gegeven aan het wettelijke begrip ‘aanvraag’.

Voorts heeft de Raad noch in hetgeen van de kant van gedaagde is
aangevoerd noch ambtshalve een grond kunnen vinden voor het standpunt dat
eisers beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling heeft
overschreden. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat bij de
vaststelling van het aan de orde zijnde beleid eiser een zekere
speelruimte toekomt ten aanzien van de wijze waarop aan het gehanteerde
begrip sociaal minimum inhoud wordt gegeven. In het bijzonder kan daarbij
niet van eiser worden verlangd dat op dezelfde wijze toetsing van de
behoeftigheid van betrokkenen plaatsvindt als in het kader van de ABW.

3.2.3. Toepassing van het beleid in het onderhavige geval.

Nu derhalve blijkens het vorenstaande het beleid in zijn algemeenheid de
rechterlijke toetsing kan doorstaan, dient de Raad nog te bezien of eiser
in het geval van verzekerde zijn beleid juist heeft toegepast.

Gelet op de inhoud van de gedingstukken — de Raad verwijst in het
bijzonder naar de door de verzekerde ingevulde formulieren omtrent het
(gezins) inkomen en de door haar rekening komende kosten — is de Raad van
oordeel dat in het geval van verzekerde eiser een juiste toepassing heeft
gegeven aan zijn beleid.

In dit verband is nog van de kant van gedaagde naar voren gebracht dat het
beleid ten aanzien van (de hoogte van) de in aanmerking te nemen kosten
niet consistent lijkt te zijn. De gemachtigde van eiser heeft hiervoor als
verklaring aangevoerd dat bij de voorbereiding van de betreffende
beslissingen eerst dan de door een betrokkene opgegeven kosten aan een
kritisch onderzoek werden onderworpen, als door deze kosten in aanmerking
te nemen het gezinsinkomen beneden het sociaal minimum zou komen. De Raad
ziet geen aanleiding deze werkwijze van eiser niet te aanvaarden.

Voorts kan de Raad de gemachtigde van gedaagde niet volgen in de opvatting
dat — gelet op de voor haar bestaande aftrekposten — het gezinsinkomen
van verzekerde in het jaar 1985 onder het sociaal minimum lag. Naar het
oordeel van de Raad kon eiser redelijkerwijs de dieetkosten niet als
aftrekpost aanvaarden, nu deze kosten — zo medisch geindiceerd — in
beginsel op grond van de AAW vergoed konden worden.

De enkele omstandigheid dat verzekerde bij eiser en/of de GMD bekend was
in verband met eerder toegekende voorzieningen krachtens de AAW, betekent
naar het oordeel van de Raad niet dat eiser gehouden was tot toekenning
van de uitkering met ingang van een andere datum.

Tenslotte merkt de Raad nog op dat er in het onderhavige geval niet van
zodanige omstandigheden is gebleken dat eiser in redelijkheid niet tot
toepassing van het gevoerde beleid had kunnen komen. Eiser heeft derhalve
gezien zijn beleid en uitgaande van verzekerdes gezinsinkomen in
redelijkheid kunnen concluderen dat in het geval van verzekerde geen
sprake is van een bijzondere hardheid.

Gelet op het hiervoor overwogene ziet de Raad geen aanleiding toepassing
te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht.

Derhalve dient te worden beslist als volgt.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak en verklaart het in eerste aanleg
ingesteld beroep alsnog ongegrond.

Rechters

Mrs. Kasdorp, Van Leeuwen, Van Sloten

Instantie: Hof van Justitie EG, 5 mei 1994

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Ontslag wegens zwangerschap van een voor nachtarbeid aangestelde
werkneemster is directe discriminatie. Hoewel het nationaal verbod van
nachtarbeid voor zwangere vrouwen verenigbaar is met art. 2(3) van
richtlijn 76/207, vermag het in casu niet het ontslag te rechtvaardigen.
Er is sprake van een arbeidscontract van onbepaalde duur.

Volledige tekst

Arrest

1. Bij beschikking van 24 november 1992, ingekomen ter griffie van het Hof
op 18 december daaraanvolgend, heeft het Arbeitsgericht Regensburg, Kammer
Landshut, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciele vragen
gesteld over de uitlegging van richtlijn 76/207 EEG van de Raad van 9
februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van
gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot
het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien
van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40; hierna: de
,,richtlijn”).

2. Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen G. Habermann- Beltermann
(verzoekster in het hoofdgeding, hierna: ,,verzoekster”) en de
Arbeitwohlfahrt, Bezierksverband Ndb./Obf. e.V. (verweerster in het
hoofdgeding, hierna: ,,verweerster”).

3. Verzoekster, die gediplomeerd bejaardenverzorgster is, solliciteerde
naar een betrekking als nachtzuster in een bejaardentehuis. Wegens
gezinsomstandigheden kon zij uitsluitend ’s nachts werken. Op 23 maart
1992 ondertekenden verzoekster en verweerster een arbeidsovereenkomst die
op 1 april daaraanvolgend in werking trad. In deze overeenkomst was
bedongen, dat verzoekster uitsluitend nachtdienst zou verrichten. Tussen
29 april en 12 juni 1992, heeft zij wegens ziekte niet gewerkt. Uit een
doktersverklaring van 29 mei bleek, dat zij zwanger was. De zwangerschap
zou op 11 maart 1992 zijn begonnen.

Bij brief van 4 juni 1992 deed verweerster een beroep op par. 8, lid 1,
van het Mutterschutzgesetz (wet ter bescherming van moeders) ten einde de
arbeidsoveenkomst te beeindigen. Deze paragraaf luidt als volgt:

Paragraaf 8-Overwerk, nachtarbeid en zondagsarbeid

1) Zwangere en voedende vrouwen mogen geen overwerk verrichten en niet ‘s
nachts tussen 20 uur en 6 uur, of op zon- en feestdagen werken. Het verbod
om op zon- en feestdagen te werken is niet van toepassing op zwangere en
voedende vrouwen die huishoudelijk werk in een gezin verrichten.

(…)”

5. In zijn verwijzingsbeschikking zet de nationale rechter uiteen, dat
schending van een arbeidsverbod volgens de heersende mening in de
rechtspraak en de literatuur krachtens par. 134 van het Burgerliche
Gesetzbuch (hierna: ,, BGB”) in Duitsland in beginsel de nietigheid van
de overeenkomst meebrengt. Deze bepaling luidt:

,,Een rechtshandeling die in strijd is met een wettelijk verbod is nietig,
tenzij de wet anders bepaalt.”

6. Volgens dezelfde heersende mening kan de werkgever ook de onder de
hiergenoemde omstandigheden gesloten overeenkomst opzeggen op grond van
dwaling omtrent de wezenlijke eigenschappen van zijn medecontractant. Deze
opzegging steunt op par. 119, lid 2, van het BGB, dat luidt als volgt:

,,1) Degene die bij het afleggen van een wilsverklaring dwaalde omtrent
de inhoud ervan (…) kan de nietigheid van die verklaring inroepen,
wanneer moet worden aangenomen, dat hij haar niet zou hebben afgelegd
wanneer hij de feitelijke situatie had gekend en welberaden had
beoordeeld.

2) Als dwaling omtrent de inhoud van de verklaring geldt ook dwaling
omtrent de eigenschappen van de persoon (…) die in het verkeer
wezenlijk worden geacht.”

7. De verwijzende rechter vraagt zich evenwel af of het beginsel van
gelijke behandeling zoals neergelegd in de artikelen 2, lid 1, 3, lid 1,
en 5 , lid 1, van de richtlijn, zich niet tegen een dergelijke toepassing
van de nationale regels verzet. Daarom heeft hij besloten de behandeling
van de zaak te schorsen en het Hof de volgende vragen voor te leggen:

‘1) Moeten de beginselen in het arrest van 8 november 1990 (zaak C-177/88,
Dekker, Jurispr. 1990, blz. I-3941) betreffende de uitlegging van
richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 (PB 1976, L 39, blz.
40) en het beginsel van gelijke behandeling van artikel 2, lid 1, van
richtlijn 76/207 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van
gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot
het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien
van de arbeidsvoorwaarden, aldus worden uitgelegd,

dat een arbeidsovereenkomst die is gesloten tussen een werkgever en een
zwangere werkneemster, die geen van beide op de hoogte waren van deze
zwangerschap, niet ongeldig is wegens een op grond van deze zwangerschap
bestaand arbeidsverbod (nachtarbeid)?

2) Is het in het bijzonder in strijd met het beginsel van gelijke
behandeling van de artikelen 3, lid 1, en 5, lid 1, van richtlijn 76/207,

a. indien de met een zwangere werkneemster gesloten arbeidsovereenkomst
nietig moet worden geacht wegens strijd met het ter bescherming van de
zwangere werkneemster gedurende de zwangerschap geldende arbeidsverbod
(nachtarbeid);

b. indien de werkgever deze arbeidsovereenkomst kan opzeggen (anfechten)
en dus kan laten beeindigen op grond dat hij bij de sluiting van de
overeenkomst heeft gedwaald omtrent het bestaan van een zwangerschap?’

8. Om te beginnen heeft verweerster aangevoerd, dat de richtlijn geen
rechtstreekse werking kan hebben, omdat het gaat om een geschil tussen
particulieren en het Hof de horizontale rechtstreekse werking van
richtlijnen nog niet heeft erkend.

9. Dit betoog kan niet slagen. Uit het dossier blijkt, dat de verwijzende
rechter het Hof verzoekt om uitlegging van een reeds in nationaal recht
omgezette richtlijn, die voor hem van nut kan zijn voor de uitlegging en
de toepassing van twee bepalingen van het Duitse BGB. Deze bepalingen
betreffen in de eerste plaats het recht van een partij bij een
overeenkomst om de nietigheid van de overeenkomst in te roepen, indien
deze in strijd is met een wettelijk verbod, en in de tweede plaats het
recht om die overeenkomst op te zeggen (anfechten) wegens dwaling omtrent
de wezenlijk geachte eigenschappen van degene met wie hij de overeenkomst
heeft gesloten.

10. Bij de toepassing van het nationale recht, ongeacht of het daarbij
gaat om bepalingen die dateren van eerdere of van latere datum dan de
richtlijn, moet de nationale rechter dit namelijk zoveel mogelijk
uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn,
teneinde het door deze richtlijn beoogde resultaat te bereiken en aldus
aan artikel 189, derde alinea, van het Verdrag te voldoen (arrest Hof van
13 november 1990, zaak C-106/89, Marleasing, Jurispr. 1990, blz. I-4135,
r.o. 8).

11. De prejudiciele vragen hebben betrekking op een arbeidsovereenkomst
van onbepaalde duur betreffende een arbeidsprestatie die ’s nachts moet
worden verricht, die is gesloten tussen een werkgever en een zwangere
werkneemster, die geen van beide van de zwangerschap op de hoogte waren.
Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of
artikel 2, lid 1, gelezen in samenhang met de artikelen 3, lid 1, en 5,
lid 1, van die richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het zich ertegen
verzet, dat een dergelijke overeenkomst nietig wordt verklaard wegens het
krachtens nationaal recht geldende verbod van nachtarbeid tijdens de
zwangerschap en de lactatie en dat deze overeenkomst door de werkgever
wordt opgezegd wegens dwaling omtrent de wezenlijke eigenschappen van zijn
medecontractant bij de sluiting van de overeenkomst.

12. Volgens artikel 1, lid 1, beoogt de richtlijn de tenuitvoerlegging van
de Lidstaten van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de
beroepsopleiding en de promotiekansen, alsmede ten aanzien van de
arbeidsvoorwaarden.

13. Dit beginsel wordt nader uitgewerkt in de artikelen 2, 3 en 5 van de
richtlijn. Artikel 2, lid 1 bepaalt: ‘Het beginsel van gelijke behandeling
(…) houdt in dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond
van geslacht, hetzij direct hetzij indirect door verwijzing naar met name
de echtelijke staat of de gezinssituatie’. Krachtens artikel 3, lid 1,
houdt ‘de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling (…) in
dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van geslacht
voor wat betreft de toegangsvoorwaarden, met inbegrip van de
selectiecriteria, tot beroepen of functies …’. Verder bepaalt artikel
5, lid 1: “De toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met
betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de
ontslagvoorwaarden, houdt in dat voor mannen en vrouwen dezelfde
voorwaarden gelden, zonder discriminatie op grond van geslacht’.

14. Allereerst moet worden nagegaan of de nietigverklaring dan wel de
opzegging (Anfechtung) van een arbeidsovereenkomst in een geval als in het
hoofdgeding een rechtstreekse discriminatie op grond van geslacht in de
zin van de richtlijn vormt. Daartoe moet worden vastgesteld of de
voornaamste grond voor de nietigheid of de opzegging van de overeenkomst
een grond is die zonder onderscheid voor werknemers van beide geslachten
geldt, dan wel uitsluitend voor een van beide geslachten.

15. Het is duidelijk, dat de beeindiging van een arbeidsovereenkomst
wegens zwangerschap van de werkneemster, hetzij door nietigverklaring dan
wel door opzegging, slechts vrouwen betreft en dus een rechtstreekse
discriminatie op grond van geslacht oplevert, zoals het Hof oordeelde met
betrekking tot de weigering om een zwangere vrouw aan te stellen en met
betrekking tot het ontslag van een zwangere vrouw (zie arresten van 8
november 1990, zaak C-177/88, Dekker, Jurispr. 1990, blz. I-3941, en zaak
C-179/88, Handels- og Kontorfunktionaerernes Forbund i Danmark, Jurispr.
1990, blz. I-3979).

16. Opgemerkt zij evenwel, dat anders dan in de door de verwijzende
rechter genoemde zaak Dekker de ongelijke behandeling in een geval als het
onderhavige niet rechtstreeks op de zwangerschap van de werkneemster is
gebaseerd, maar het gevolg is van een met de zwangerschap samenhangend
wettelijk verbod op nachtarbeid.

17. Dit in paragraaf 8, lid 1, van het Mutterschutzgesetz opgelegde verbod
berust op artikel 2, lid 3, van de richtlijn, volgens hetwelk de richtlijn
geen afbreuk doet aan de bepalingen betreffende de bescherming van de
vrouw, met name voor wat zwangerschap en moederschap betreft.

18. Onderzocht moet dus worden, of de richtlijn zich ertegen verzet dat
de naleving van het verbod van nachtarbeid voor zwangere vrouwen, dat
zonder enige twijfel verenigbaar is met artikel 2, lid 3, de nietigheid
van een arbeidsovereenkomst kan meebrengen of de opzegging van een
dergelijke overeenkomst toestaat, op grond dat dit verbod de werkneemster
belet de nachtarbeid te verrichten, waarvoor zij is aangesteld.

19. Volgens verweerster beschikken de Lidstaten over een ruime en
zelfstandige bevoegdheid bij de beoordeling van de belangen van zowel
mannelijke en vrouwelijke werknemers als werkgevers en de samenleving. Een
overdreven bescherming van de moeder zou aanleiding kunnen geven tot
misbruik van de kant van vrouwen alsook tot discriminatie ten nadele van
mannen die niet over dezelfde mogelijkheid beschikken om loon te krijgen
zonder als tegenprestatie arbeid te moeten verrichten.

20. Deze redenering moet worden verworpen.

21. Met betrekking tot het doel van artikel 2, lid 3, van de richtlijn
moet allereerst worden opgemerkt, dat deze bepaling door de Lidstaten het
recht voor te behouden om bepalingen betreffende de bescherming van de
vrouw met name wat ‘zwangerschap en moederschap’ betreft, in stand te
houden of in te voeren, ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel de
wettigheid erkent van de bescherming van de biologische gesteldheid van
de vrouw tijdens en na de zwangerschap, alsmede van de bescherming van de
bijzondere relatie tussen moeder en kind tijdens de periode na de
zwangerschap en de bevalling (zie arrest Hof van 12 juli 1984, zaak
184/83, Hofmann, Jurispr. 1984, blz. 3047, r.o. 25).

22. Zoals het Hof in het arrest Hofmann (reeds aangehaald, r.o. 27) reeds
oordeelde, ruimt de richtlijn voor de Lidstaten een discretionaire
bevoegdheid in ten aanzien van de sociale maatregelen welke moeten worden
genomen om, in het door de ,richtlijn getrokken kader, in verband met
zwangerschap en moederschap voor bescherming van de vrouw te zorgen en
compensatie te bieden voor de feitelijke nadelen waarvoor de vrouw zich,
vergeleken met mannen, gesteld ziet ten aanzien van het behoud van haar
betrekking.

23. In casu is het van belang erop te wijzen, dat de prejudiciele vragen
betrekking hebben op een overeenkomst van onbepaalde duur en dat het
verbod van nachtarbeid voor zwangere vrouwen, vergeleken met de totale
duur van de overeenkomst, dus slechts voor een beperkte periode geldt.

24. Onder die omstandigheden zou het in strijd zijn met de in artikel 2,
lid 3, van de richtlijn beoogde bescherming en zou deze bepaling haar
nuttige werking verliezen, wanneer zou worden aanvaard dat de overeenkomst
nietig kan worden verklaard of kan worden opgezegd, op grond dat de
zwangere werkneemster de nachtarbeid waarvoor zij is aangesteld, tijdelijk
niet kan verrichten.

25. De beeindiging van een overeenkomst van onbepaalde duur wegens
zwangerschap van de werkneemster, ongeacht of deze beeindiging het gevolg
is van nietigheid of opzegging, kan dus niet worden gerechtvaardigd door
het feit dat een wettig verbod is opgelegd wegens de zwangerschap, de
werkneemster tijdelijk belet nachtarbeid te verrichten.

26. Op de vragen van de verwijzende rechter moet dus worden geantwoord,
dat artikel 2, lid 1, gelezen in samenhang met de artikelen 3 lid 1 en 5
lid 1 van richtlijn 76/207 zich ertegen verzet, dat een
arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur betreffende ’s nachts te
verrichten arbeid, die is gesloten tussen een werkgever en een zwangere
werkneemster, die geen van beiden op de hoogte waren van de zwangerschap,
wordt nietig verklaard wegens het krachtens nationaal recht geldende
wettelijke verbod van nachtarbeid tijdens de zwangerschap en de lactatie,
en dat deze overeenkomst door de werkgever wordt opgezegd wegens dwaling
omtrent de wezenlijke eigenschappen van de werkneemster bij de sluiting
van de overeenkomst.

Kosten

27. De kosten door de Duitse regering, de Italiaanse regering van het
Verenigd Koninkrijk en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen
wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor
vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het
hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen,
zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te
beslissen.

Het Hof van Justitie (zesde kamer)

uitspraak doende op de door het Arbeitsgericht Regensburg, Kammer
Landshut, bij beschikking van 24 november 1992 gestelde vragen, verklaart
voor recht:

Artikel 2, lid 1, gelezen in samenhang met de artikelen 3, lid 1, en 5,
lid 1, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976
betreffende tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van
mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de
beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de
arbeidsvoorwaarden, verzet zich ertegen, dat een arbeidsovereenkomst van
onbeperkte duur betreffende ’s nachts te verrichten arbeid, die is
gesloten tussen een werkgever en een zwangere werkneemster, die geen van
beide op de hoogte waren van de zwangerschap, nietig wordt verklaard
wegens het krachtens nationaal recht geldende wettelijke verbod van
nachtarbeid tijdens de zwangerschap en de lactatie, en dat deze
overeenkomst door de werkgever wordt opgezegd wegens dwaling omtrent de
wezenlijke eigenschappen van de werkneemster bij de sluiting van de
overeenkomst.

Rechters

Mrs. Mancini, Kakouris, Schockweiler, Kapteyn, Murray

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 4 mei 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was als magazijnmedewerkster werkzaam bij de wederpartij. Zij
meent dat zij arbeid van gelijke waarde verrichte als twee mannelijke
collega’s (magazijnmedewerkers en een van hen is tevens assistent
magazijnchef) terwijl zij een lagere beloning ontving. De Commissie
oordeelt dat verzoekster geen arbeid van gelijke danwel nagenoeg gelijke
waarde verrichte als de maatmannen. Verzoekster kan dan ook geen aanspraak
maken op een beloning die gelijk is aan die van de maatman. Geen strijd
met de Wet. De Commissie voegt hier in een overweging ten overvloede aan
toe dat de wederpartij niet consequent dezelfde beloningsmaatstaven
hanteert. De Commissie is van mening dat op deze wijze de inzichtelijkheid
van het beloningssysteem wordt ondergraven, hetgeen een risico van
ongelijke behandeling tot gevolg kan hebben.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 9 juli 1993 verzocht mevrouw te Tiel (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of
te IJsselsteijn (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid
heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen
en vrouwen.

1.2. Verzoekster was als magazijnmedewerkster werkzaam bij de wederpartij.
Zij is van mening dat zij ongelijk werd beloond ten opzichte van twee
mannelijke magazijnmedewerkers, de heer en de heer (hierna
maatman 1 respectievelijk maatman 2). Verzoekster stelt dat deze collega’s
en zijzelf arbeid van gelijke dan wel nagenoeg gelijke waarde verrichtten,
terwijl deze collega’s hoger werden beloond. Daarmee handelde de werkgever
volgens haar in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben enkele malen de gelegenheid gehad hun
standpunten toe te lichten. De Commissie heeft een onderzoek ter plaatse
ingesteld. Zij is hierbij ondersteund door de Loontechnische Dienst (LTD)
van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In het kader van
dit onderzoek zijn gesprekken gevoerd met verzoekster, de wederpartij en
de beide maatmannen. Van het onderzoek ter plaatse is een rapport
opgemaakt, gedateerd januari 1994.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd te verschijnen
tijdens een zitting op 15 maart 1994.

Bij deze zitting waren aanwezig: van de kant van verzoekster – mw mr J.A.
Pieters (advocaat)

van de kant van de wederpartij – dhr (administrateur) –
mw mr D.M. Fernhout (advocaat)

van de kant van de LTD – dhr S. Bisschop (bedrijfskundige) – dhr M. van
’t Laar (bedrijfskundige)

van de kant van de Commissie – mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter) – dhr
ing J. van Hemert (lid Kamer) – dhr mr W.A. van Veen (plaatsvervangend lid
Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een groothandel in automaterialen en
gespecialiseerd in remonderdelen. De organisatie is onderverdeeld in onder
meer de directie, boekhouding, het magazijn en de afdelingen inkoop en
verkoop. In totaal zijn er 31 werknemers, 22 mannen en negen vrouwen.

Er is geen CAO en geen functiewaarderingssysteem van toepassing. Wel
worden op schrift gestelde ‘algemene arbeidsvoorwaarden’ gehanteerd,
waarin onder andere is vastgelegd hoe de beloning van het personeel wordt
bepaald.

3.2. Verzoekster (geboren in 1965) was in de periode van 1 juli 1992 tot
1 juli 1993 als magazijnmedewerkster werkzaam bij de wederpartij. Daarvoor
verrichtte zij dit werk enige tijd als uitzendkracht. Het werk in het
magazijn is in tweeen gesplitst. Verzoekster werkte op de in- en
ompakafdeling waar zij in het bulkmagazijn aan een paktafel uitgaande
goederen verpakte aan de hand van orderbonnen. De twee maatmannen (geboren
in 1965 respectievelijk 1961) werken in het magazijn op de orderafdeling.
Maatman 1 is vanaf juli 1990 in dienst, maatman 2 al vanaf juni 1982.
Maatman 2 is tevens assistent- magazijnchef. Beiden zijn belast met het
lossen van binnenkomende goederen, het plaatsen van deze goederen in de
magazijnstellingen, het verzamelen van orders uit de magazijnstellingen,
en het inpakken van deze orders. Maatman 2 maakt verder de
(douane)formulieren gereed voor zendingen naar het buitenland en verzorgt
spoedorders. Hij vervangt de magazijnchef bij afwezigheid. Hij is dan
onder meer verantwoordelijk voor de werkverdeling en het afhandelen van
klachten van afnemers. Wanneer maatman 2 de magazijnchef vervangt,
vervangt maatman 1 maatman 2 voor een deel van diens werkzaamheden. Zo
maakt hij dan de formulieren voor zendingen naar het buitenland gereed.

Alle drie de betrokkenen verricht(t)en hun werkzaamheden veelal
(verzoekster altijd) staand of lopend, terwijl bukken regelmatig voorkomt.
Ook komen tilwerkzaamheden voor bij onder meer het verpakken van
onderdelen.

Het salaris van verzoekster bedroeg in januari 1993 ƒ 2.263,20 bruto per
maand. Het salaris van maatman 1 was toen ƒ 3.100,-, dat van maatman 2
ƒ 3.200,- bruto per maand.

3.3. De Commissie heeft een onderzoek ingesteld naar de waarde van de
functies van verzoekster en de maatmannen alsmede naar het beloningsbeleid
van de wederpartij.

De betreffende functies zijn gewaardeerd over de periode juli 1992-juli
1993. Alle drie de betrokkenen waren in deze periode werkzaam bij de
wederpartij. Van de functies zijn functiebeschrijvingen opgesteld, die
zijn gebaseerd op interviews met verzoekster, de maatmannen en de
wederpartij. Wederpartij en de beide maatmannen gingen accoord met de
beschrijving van de functies van de maatmannen. Verzoekster en wederpartij
hadden niet dezelfde visie op de inhoud van verzoeksters functie.
Verzoekster stelt enkele malen per week ook orders te hebben verzameld in
het onderdelenmagazijn, hetgeen de wederpartij ontkent. Van verzoeksters
functie zijn daarom twee beschrijvingen gemaakt, de ene ondertekend door
verzoekster, de andere door de wederpartij. Beide beschrijvingen scoorden
overigens hetzelfde aantal punten.

3.4. Zoals gezegd, hanteert de wederpartij geen functiewaarderingssysteem.
Gekozen is voor toepassing van het USB-systeem (Universeel Systeem
Berenschot), dat in de groothandelssector op relatief ruime schaal wordt
toegepast. De functie van verzoekster scoorde 61,5 punten, die van maatman
1 74 punten en die van maatman 2 92 punten.

Maatman 1 en 2 scoren beiden op de volgende gezichtspunten hoger dan
verzoekster, waarbij maatman 2 soms hoger scoort dan maatman 1: – kennis
en complexiteit (vanwege het vervangen van de naasthogere in lijn); –
communicatie en overleg (vanwege contacten met chauffeurs, maatman 2
onderhoudt ook contacten met de expediteurs, douane, Kamer van
Koophandel); – speciale vaardigheden (vanwege het besturen van een
vorkheftruck); – persoonlijk risico (eveneens vanwege het besturen van een
vorkheftruck). Verzoekster scoort op het gezichtspunt werkomstandigheden
hoger dan beide maatmannen, wat vooral wordt veroorzaakt door het
kortcyclisch werk, monotonie, werken bij kunstlicht en plaatsgebonden
staand werk.

Verder scoort maatman 2 ook op de onderdelen probleemoplossing en
verantwoordelijkheidsbereik hoger dan verzoekster. Deze laatste hogere
score wordt met name veroorzaakt door het vervaardigen van de
exportdocumenten. De wederpartij eist dat maatman 1 hiervoor ook wel de
kennis bezit (als tweede man), maar hij hoeft deze nauwelijks actief te
gebruiken. Vandaar dat maatman 1 op dit punt niet (bij kennis wel) extra
scoort vergeleken met verzoekster.

3.5. Het onderzoek naar de door de wederpartij gehanteerde
beloningsmaatstaven heeft het volgende opgeleverd.

In de op schrift gestelde algemene arbeidsvoorwaarden noemt de wederpartij
als beloningsmaatstaven opleiding, ervaring, wijze van uitvoering van de
taak, toetsing aan het in Nederland gangbare beloningsniveau (vergelijking
met collega-bedrijven) en wettelijke voorschriften (bijvoorbeeld
minimumloon). In de loop van de procedure vermeldde de wederpartij
eveneens opleiding, ervaring, leeftijd, verantwoordelijkheden, aard van
de werkzaamheden, laatstgenoten salaris en lichamelijke inspanning.

De salariering wordt in de praktijk als volgt vastgesteld. Primair
bepalend zijn de aard van de werkzaamheden en de verantwoordelijkheden in
een functie. Voor zover van belang voor een bepaalde functie gelden ook
de maatstaven opleiding en ervaring, bijvoorbeeld wanneer een medewerker
een cursus volgt die relevant is voor het werk. Voor de functies van
verzoekster en de maatmannen acht de wederpartij de opleiding niet
relevant, wel de ervaring (voor de maatmannen meer dan voor verzoekster).
Voor salarisverhogingen na indiensttreding wordt voor de binnendienst
onder meer gekeken naar eventuele wijzigingen in het takenpakket.
Salarisverhogingen worden jaarlijks in januari, doorgaans na een
beoordelingsgesprek, vastgesteld. Voor de functie van verzoekster is een
aanvangssalaris op het niveau van het minimumloon gebruikelijk. Na enkele
maanden volgt een salarisverhoging van ƒ 100,-. Verzoekster ontving dit
bedrag al bij indiensttreding, omdat zij ervaring had opgedaan in de tijd
dat zij als uitzendkracht bij de wederpartij werkte.

3.6. Verzoeksters salaris is vergelijkbaar met dat van de andere vrouwen
op de in- en ompakafdeling. Voor de werknemers op de orderafdeling zijn
de leeftijd, ervaring en verantwoordelijkheid van belang. Maatman 1 is op
een hoger salaris dan gebruikelijk aangenomen (namelijk ƒ 2.935,- bruto
per maand). Dit is afgestemd op zijn laatstgenoten salaris in zijn vorige
functie, waarin hij relevante ervaring had opgedaan. De wederpartij heeft
bij de vorige werkgever geinformeerd naar het functioneren van maatman 1
en daarop besloten het hoge aanvangssalaris te betalen. Wel is dit hoge
aanvangssalaris daarna tot 1 januari 1993 bevroren. Op die datum werd het
verhoogd tot ƒ 3.100,- vanwege goed functioneren en het
prijsindexcijfer.

Maatman 2 is in 1982 begonnen met een salaris van ƒ 1.800,- bruto.
Jaarlijks kreeg hij een salarisverhoging van ƒ 50,- a ƒ 150,- bruto
vanwege zijn diensttijd/ervaring, functioneren en het prijsindexcijfer.
Per 1 januari 1990 steeg zijn salaris van ruim ƒ 2.400,- naar ƒ
2.850,-, omdat hij toen assistent-magazijnchef werd. Daarna volgde
jaarlijks een loonsverhoging van ongeveer ƒ 100,- tot een salaris van
ƒ 3.200,- bruto per maand op 1 januari 1993. Deze laatste verhoging was
gebaseerd op zijn functioneren en de stijging van het prijsindexcijfer.

Verder keerde de wederpartij in 1992 een oudejaarsuitkering uit, die
afhankelijk was van het aantal maanden dat men in dat jaar in dienst was
geweest. Tenslotte werkt wederpartij aan een winstdelingsregeling. Die
medewerkers die voldoende presteren ontvangen een uitkering. Vooruitlopend
op die regeling is in 1992 een gratificatie uitgekeerd. Vijf medewerkers,
waaronder verzoekster, kwamen hiervoor niet in aanmerking.

De standpunten van partijen

3.7. Verzoekster stelt het volgende.

Zij is van mening dat zij in vergelijking met de beide maatmannen te
weinig verdient. Het feit dat de maatmannen voor een deel andere
werkzaamheden verrichten dan zij, zoals het lossen en laden van
vrachtwagens en het invullen van formulieren, kan volgens haar niet tot
de aanwezige beloningsverschillen leiden. De vertaalslag van de feitelijke
functies naar de score in het functiewaarderingssysteem is voor haar niet
inzichtelijk gemaakt. Zo verbaast haar het aantal punten, nog eens
vermenigvuldigd met een afweegfactor, dat de maatmannen in het
functiewaarderingssysteem krijgen voor de genoemde extra werkzaamheden.

Verder stelt verzoekster dat, mocht de Commissie toch uitgaan van de
vastgestelde puntenaantallen, de salarissen volgens dezelfde verhoudingen
moeten worden vastgesteld. Met andere woorden, als zij 61,5 punten scoort
en maatman 1 74, dan moet haar salaris worden vastgesteld op 61,5/74 x het
salaris van maatman 1, dus ongeveer ƒ 2.500,-.

Zij blijft ten slotte bij haar standpunt dat de wederpartij haar een hoger
salaris had toegezegd dan zij bij indiensttreding kreeg. Met de
magazijnchef is zij een salaris van ƒ 1.800,- netto per maand
overeengekomen, hetzelfde bedrag dat zij verdiende voordat zij bij de
wederpartij ging werken. Dat de magazijnchef mogelijk niet bevoegd was tot
het doen van dergelijke toezeggingen, kan niet aan haar worden
tegengeworpen.

3.8. De wederpartij is van mening dat de klacht van verzoekster ongegrond
is en voert hiertoe het volgende aan.

In het magazijn zijn zes mannelijke en vier vrouwelijke medewerkers
werkzaam. Alle vier de vrouwen werken op de in- en ompakafdeling. Dat hier
alleen vrouwen werken vindt zijn oorzaak in het feit dat de uitbreiding
van personeel via relaties van de reeds werkzame vrouwen tot stand is
gebracht. Deze vrouwen kozen zelf vrouwen als collega’s. Op de
orderafdeling werken alleen mannen, omdat daar dozen moeten worden
versjouwd met een gewicht van 30 a 40 kilo. Gevreesd wordt dat tegen het
aannemen van vrouwen geprotesteerd zou worden. Het werk op deze afdeling
kan niet zodanig georganiseerd worden, dat het zware werk bij enkele
personen (mannen) wordt geconcentreerd.

3.9. De wederpartij acht met het onderzoek van de Commissie afdoende
aangetoond, dat de functies van beide maatmannen zwaarder zijn dan die van
verzoekster. Verzoekster verricht eenvoudige werkzaamheden, beide
maatmannen vervullen functies met meer verantwoordelijkheid voor de
inkomende en uitgaande orders, de voorraad van materialen en de indeling
van het pick- en bulkmagazijn. Maatman 2 is bovendien assistent-
magazijnchef. Dit leidt tot de conclusie dat het beloningsverschil tussen
verzoekster en de maatmannen gerechtvaardigd is.

De berekening van verzoeksters salaris op de wijze zoals verzoekster die
voorstaat, namelijk aan de hand van de puntenscore, acht de wederpartij
niet correct. Verzoekster houdt daarbij namelijk geen rekening met
bandbreedten en salarisgroepen binnen een organisatie.

Tenslotte wordt bestreden dat verzoekster een hoger salaris is toegezegd
bij indiensttreding. Zij is aangenomen voor een salaris dat vergelijkbaar
is met dat van de andere vrouwen in het magazijn, die hetzelfde werk doen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid heeft gemaakt in
strijd met de Wet gelijke behandeling, nu verzoekster lager werd beloond
dan de twee aangewezen mannelijke collega’s.

Het functiewaarderingsonderzoek heeft zich uitgestrekt over de periode
juli 1992-juli 1993. Getoetst moet dan worden aan artikel 7A:1637ij
Burgerlijk Wetboek (BW) en de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen. Artikel 7A:1637ij BW lid 1 en de artikelen 7 e.v. WGB bepalen dat
een werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen op het
punt van de beloning wanneer zij arbeid van gelijke of nagenoeg gelijke
waarde verrichten. Van gelijke beloning is sprake wanneer deze is berekend
op grondslag van gelijkwaardige maatstaven (artikel 9 WGB). Voor de
bepaling van de waarde van de arbeid dient te worden uitgegaan van een
deugdelijk stelsel van functiewaardering, waarbij zoveel mogelijk wordt
aangesloten bij het stelsel dat in de organisatie gebruikelijk is (artikel
8 WGB).

4.2. De Commissie zal allereerst de vraag beantwoorden of verzoekster en
de beide maatmannen arbeid van gelijke waarde verrichtten.

Zij gaat daarbij eerst in op de opmerkingen van verzoekster over de
uitkomsten van het functiewaarderingsonderzoek.

De Commissie vat de kritiek van verzoekster aldus samen dat zij niet goed
ziet hoe functies die zoveel op elkaar lijken, zo verschillend kunnen
scoren. 4.3. De waardering van de in geding zijnde functies, beoordeelt
de Commissie als volgt. Bij functiewaardering leidt niet zozeer de
hoeveelheid van -al dan niet verschillende taken tot een waardeverschil,
maar het niveau van de verschillende functie-onderdelen. Dit heeft tot
gevolg dat in beginsel een enkel extra element in een functie oorzaak kan
zijn van een veel hogere score dan die van op het oog vergelijkbare
functies. In de onderhavige zaak kan aldus het omgaan met vorkheftrucks
en het verwerken van diverse formulieren, door het niveau van deze
werkzaamheden, al snel tot een puntenverschil leiden.

Verzoeksters functie scoorde 61,5 punten, die van maatman 1 74 punten en
die van maatman 2 92 punten. Voor de beantwoording van de vraag of
functies (nagenoeg) gelijkwaardig zijn, is van belang na te gaan of de
functies in dezelfde functie- of salarisgroepen worden ingedeeld. Indeling
in eenzelfde functiegroep leidt doorgaans tot de conclusie dat er sprake
is van (nagenoeg) gelijkwaardige arbeid.

Het indelingssysteem van de wederpartij heeft geen vaste grenzen om te
kunnen vaststellen of functies binnen een zelfde niveaugroep vallen. Het
bij het onderzoek toegepaste functiewaarderingssysteem werkt over het
algemeen met functieklassen die 20 punten overbruggen. De grenzen van deze
niveaugroepen liggen evenwel niet vast en worden doorgaans door
werkgevers(organisaties) en werknemersorganisaties vastgesteld. De grenzen
kunnen liggen bij 20, 40, 60, maar ook bij 30, 50, 70 punten.

Bij het ontbreken van dergelijke vastgestelde grenzen hanteert de
Commissie het uitgangspunt, dat functies maximaal een halve bandbreedte
mogen verschillen om nog als arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde te
kunnen gelden. De kans op indeling in dezelfde functiegroep moet dus
groter dan of gelijk zijn aan 50%. Gezien de bandbreedte van 20 punten in
het onderhavige functiewaarderingssysteem, betekent dit dat functies van
verzoekster en de beide maatmannen maximaal 10 punten mogen verschillen
om nog als (nagenoeg) gelijkwaardig te worden aangemerkt.

Een puntenverschil zoals tussen verzoekster en maatman van 12,5 punten met
een kans op indeling in dezelfde functiegroep van 37,5% ({20-12,5}/20 x
100%) levert geen arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde op.

De conclusie voor de vergelijking van verzoeksters functie met die van
maatman 2 is nog duidelijker. Het puntenverschil tussen beide functies
bedraagt hier 30,5. Hier is de kans op indeling in dezelfde functiegroep
nihil en derhalve geen sprake van arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde.

Nu de conclusie van de Commissie luidt dat verzoekster en de beide
maatmannen geen arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde verrichtten, komt zij
niet toe aan de vraag of verzoekster en de maatmannen op grondslag van
gelijkwaardige maatstaven zijn beloond.

4.4. De Commissie wil hieraan overigens het volgende toevoegen. Zij heeft
moeten vaststellen dat de wederpartij op de verschillende momenten dat
naar haar beloningsbeleid is gevraagd, niet steeds consequent dezelfde
beloningsmaatstaven noemde (zie paragraaf 3.5). Zo blijkt in de praktijk
voor de beloning bijvoorbeeld de factor laatstgenoten salaris relevant te
kunnen zijn, terwijl deze niet is vermeld in de algemene
arbeidsvoorwaarden.

De Commissie hecht eraan op te merken dat op deze wijze de
inzichtelijkheid van een beloningssysteem, zoals dat in de algemene
arbeidsvoorwaarden op papier is gesteld, wordt ondergraven en aldus een
risico van ongelijke behandeling op grond van geslacht met zich kan
brengen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat niet is komen vast te staan
dat te IJsselsteijn onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt jegens mevrouw te Tiel, in strijd met artikel 7A:1637ij lid
1 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 7 en volgende Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

Aldus vastgesteld op 4 mei 1994 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer op 15 maart 1994.

Rechters

mw mr Y. Telenga, dhr ing J. van Hemert, dhr mr W.A. van Veen, mwmr G.L.M. Lenssen

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 29 april 1994

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


De vrouw heeft, na beeindiging van het huwelijk, haar recht verwerkt om
afdracht te vorderen van hetgeen zij gedurende het huwelijk onverplicht
heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding. Aangenomen mag worden
dat de onderlinge afrekening periodiek plaatsvindt na het verstrijken van
ieder kalenderjaar.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie -verder te
noemen: de vrouw- heeft bij exploit van 9 april 1990 verweerder in
cassatie -verder te noemen: de man- gedagvaard voor de Rechtbank te
‘s-Gravenhage en gevorderd de man -met een beroep op de huwelijkse
voorwaarden- te veroordelen om aan de vrouw aan achterstallig salaris en
vakantiegeld te betalen een bedrag van ƒ 17.166,87 met rente en kosten.
Nadat de man tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank
bij vonnis van 27 maart 1991 de vordering afgewezen. Tegen dit vonnis
heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te
‘s-Gravenhage. Bij arrest van 8 juni 1993 heeft het Hof het bestreden
vonnis bekrachtigd. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het Hof heeft de vrouw
beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest
gehecht en maakt daarvan deel uit. Tegen de man is verstek verleend De
conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch- Kostense strekt tot
verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan worden uitgegaan van
het volgende. Partijen zijn in 1955 met elkaar gehuwd. In de tussen hen
geldende huwelijksvoorwaarden is onder meer het volgende bepaald: – tussen
de echtgenoten bestaat geen gemeenschap van goederen, hoe ook genaamd; –
de vrouw heeft het vrije genot van haar inkomsten; – de kosten van de
huishouding, de opvoeding van de uit het huwelijk geboren kinderen en alle
verdere uit het huwelijk voortvloeiende kosten zullen door de man worden
gedragen. De man is reumatoloog en heeft zijn praktijk in 1974 ingebracht
in een BV. De vrouw is van april 1974 tot 1 mei 1988 als
medisch-administratief medewerkster in dienst geweest van de BV. Zij heeft
de bedongen arbeid verricht maar zij heeft tot 1 juli 1983 nooit enig
salaris ontvangen. In juni 1985 hebben partijen de samenwoning beeindigd.
De vrouw had jegens de BV recht op salaris. Het aan de vrouw toekomende
salaris is aan de man betaald althans te zijner dispositie gesteld. De BV
heeft ter zake geen schuld meer aan haar. de Kantonrechter te
‘s-Gravenhage heeft een vordering van de vrouw tegen B.V., strekkende tot
betaling van salaris over de periode van 1 januari 1985 tot en met 30 juni
1985 en het -in 1985 tot uitkering komende- vakantiegeld over de periode
van 1 juni 1984 tot en met 31 mei 1985 in totaal ƒ 17.166,87, afgewezen.

3.2. In dit geding heeft de vrouw afdracht door de man gevorderd van
voormeld bedrag van ƒ 17.166,87. De rechtbank heeft die vordering
afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof
heeft uit de hiervoor weergegeven bepalingen van de huwelijksvoorwaarden
afgeleid dat de vrouw, in afwijking van hetgeen is bepaald in art. 1:84
lid 1 BW, niet behoeft bij te dragen in de kosten van de huishouding. Het
hof heeft vastgesteld dat de kosten van het gezin mede uit het salaris van
de vrouw zijn betaald en geoordeeld dat de vrouw daarom in beginsel
terecht aanspraak maakt op afdracht — door de man — van het bedrag van
haar salaris en vakantiegeld. Het hof heeft echter die aanspraak in strijd
met de eisen van redelijkheid en billijkheid geoordeeld. Hetgeen het hof
daarbij in aanmerking heeft genomen kan als volgt worden samengevat: – de
vrouw heeft zelf de financiele administratie verzorgd en alle bij- en
afboekingen verricht zodat zij wist dat zij geen salaris uitgekeerd kreeg,
daartegen heeft zij nooit geprotesteerd; – de vrouw heeft zelf, hoewel
daartoe gerechtigd, geen overmakingen gedaan naar haar eigen prive
rekeningen; – de vrouw moet hebben geweten dat voor haar geen salaris
apart werd gezet en dat zij aldus zelf bijdroeg in de — kosten van — de
huishouding; – de man heeft als gevolg van de houding van de vrouw niet
de gelegenheid gehad voor zover mogelijk extra gelden aan de BV te
onttrekken; – de man mocht erop vertrouwen dat de vrouw instemde met de
zoals voorheen gevolgde financiele gang van zaken. In zijn r.o. 15 heeft
het hof vervolgens geoordeeld dat de aanspraken van de vrouw naar eisen
van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn, gezien haar daarmee
onverenigbare voor haar eigen risico komende eerdere gedragingen. Daarin
ligt besloten dat de vrouw haar vorderingsrecht ter zake van vergoeding
van hetgeen zij in de kosten van de huishouding heeft bijgedragen, heeft
verwerkt, ook voor zover het betreft salaris en vakantiegeld in de eerste
helft van 1985. Daartegen is het middel gericht.

3.3. De Hoge Raad vindt aanleiding eerst onderdeel 9 van het middel te
bespreken. In dat onderdeel wordt het hof verweten, kort samengevat, dat
het hof in strijd met het recht althans zonder genoegzame motivering,
heeft geoordeeld dat de houding en de gedragingen van de vrouw met
betrekking tot het haar in de aan 1985 voorafgaande perioden toekomende
salaris, dat zij niet heeft ontvangen, tot het oordeel leidt dat de vrouw
ook het recht heeft verwerkt om afdracht te vorderen van het bedrag van
haar salaris in de eerste zes maanden van 1985 en van het in die periode
tot uitkering komende vakantiegeld. Bij beoordeling van dit oordeel moet
worden vooropgesteld dat in een geval waarin de kosten van de huishouding
ten laste zijn gekomen van het inkomen van een echtgenoot die niet in die
kosten behoefde bij te dragen, of in een geval waarin die kosten voor een
groter bedrag ten laste van het inkomen van een echtgenoot zijn gekomen
dan waartoe hij in die kosten moet bijdragen, aanleiding bestaat tot
vergoeding door de andere echtgenoot. Afrekening ter zake zal in het
algemeen niet plaatsvinden na iedere uitgave afzonderlijk. Tegen
afrekening bij het einde van het huwelijk bestaat echter het praktische
bezwaar dat de voor rekening van de over en weer verschuldigde bedragen
benodigde gegevens veelal niet meer aanwezig zullen zijn. Het ligt daarom
voor de hand aan te nemen dat de onderlinge afrekening periodiek plaats
dient te vinden na het verstrijken van ieder kalenderjaar. Dit laatste ook
omdat over die periode veelal de gegevens zullen moeten worden verzameld
die nodig zijn voor het dien van aangifte voor de inkomstenbelasting.

3.4. Uit de omstandigheden waarop het hof zijn oordeel heeft gebaseerd dat
de vrouw haar recht heeft verwerkt om afrekening te verlangen van hetgeen
zij in de jaren voorafgaande aan 1985, in afwijking van hetgeen in de
huwelijksvoorwaarden is bepaald, heeft bijgedragen in de bestrijding van
de kosten van de huishouding, te weten de vermelde gedragingen van de
vrouw en hetgeen de man op grond daarvan mocht verwachten, heeft het hof
zonder nadere motivering ook afgeleid dat de vrouw haar recht heeft
verwerkt om afdracht te vorderen van het bedrag van haar salaris over de
eerste maanden van 1985 en het in dat tijdvak tot uitkering gekomen
vakantiegeld. Uit het voorgaande volgt dat een dergelijke afdracht in
beginsel pas na 31 december 1985 aan de orde zou komen. Het hof heeft er
geen blijk van gegeven deze omstandigheid, in onderling verband beschouwd
met de omstandigheid dat partijen in dat jaar uit elkaar zijn gegaan, in
zijn oordeel te hebben betrokken. Voor de vraag of het naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht dat de vrouw
afdracht van de haar toekomende over de eerste maanden van 1985 verlangde,
konden deze omstandigheden evenwel niet buiten beschouwing blijven. Ook
kan niet zonder meer worden aangenomen dat de man na 1985 geen rekening
ermee behoefde te houden dat de vrouw haar rechten over die maanden alsnog
geldend zou maken, de vrouw heeft immers over die maanden — zij het
tevergeefs — in rechte betaling van haar salaris en vakantietoeslag van
de BV gevorderd. Door te oordelen als hiervoor is weergegeven heeft het
hof derhalve hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting hetzij
zijn oordeel niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het onderdeel
is derhalve gegrond hetgeen meebrengt dat in de overige onderdelen
vervatte klachten geen behandeling meer behoeven.

4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt het arrest van het Gerechtshof te
‘s-Gravenhage van 8 juni 1993 en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te
Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing; compenseert de kosten van
het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Noot

Dit geval wijkt in zoverre af van de klassieke casus van de meewerkende
echtgenote, dat de vrouw als medisch- administratief medewerkster van de
B.V. van de man zelf de overboekingen van haar ‘salaris’ op de
prive-rekeningen van de man heeft verricht en dat zij, hoewel voor haar
als gemachtigde tot deze rekeningen de gelegenheid daartoe geboden werd,
geen overboekingen naar haar eigen rekeningen heeft verricht. Aldus had
zij volledig inzicht in de financiele situatie van zichzelf en van haar
man en kon zij weten dat haar ‘salaris’ geheel werd besteed aan de kosten
van de huishouding. Het Hof is op grond daarvan van oordeel dat de man,
nu de vrouw tegen deze gang van zaken nooit heeft geprotesteerd, erop
mocht vertrouwen dat de vrouw hiermee instemde. De Hoge Raad billijkt deze
redenering voorzover het betreft de verdiensten van de vrouw tot 1 januari
1985, en passant een soort standaard voor het verrekenen van kosten van
de huishouding introducerend. Heel realistisch constateert de Hoge Raad
dat het verrekenen van huishoudelijke kosten — waar de vrouw ingevolge
de draagplichtregeling in de huwelijksvoorwaarden in beginsel recht op had
— niet na iedere uitgave zal gebeuren, maar vermoedelijk eerst na het
verstrijken van een kalenderjaar. Tot zover kan ik met dit oordeel
meegaan.

Daarna laat de nieuwe maatstaf van de Hoge Raad ons echter in het
ongewisse. Op welk moment zou de vrouw dan haar aanspraken op verrekening
met betrekking tot de huishoudelijke kosten over 1984 (in deze procedure:
in de vorm van vakantiegeld over dat jaar) hebben moeten geldend maken?
Op 1 januari 1985 of per 1 april 1985, een datum die voor veel Nederlandse
justitiabelen voor de hand ligt omdat op dat moment het aangiftebiljet
inkomstenbelasting particulieren moet worden ingeleverd en men voorafgaand
aan die datum doorgaans het nodige cijferwerk verricht? Positief is dat
de Hoge Raad dit arrest afstand lijkt te nemen van zijn veel gekritiseerde
arrest van HR 22 mei 1987, NJ 1988, 231 waarin de verrekeningsvordering
van de man ten aanzien van onverplichte bijdragen aan de huishouding
wegens rechtsverwerking werd afgewezen. De vereisten voor rechtsverwerking
van een verrekeningsvordering lijken nu aanvaardbare vormen aan te nemen:
– kennis van zaken; – gelegenheid om zelfstandig de verrekening tot stand
te brengen, waarvan geen gebruik werd gemaakt; – gelegenheid om tegen de
afwijking van de huwelijksvoorwaarden te protesteren, waarvan geen gebruik
werd gemaakt; – de andere echtgenoot heeft geen voorzieningen voor
uitbetaling van de alsnog gevorderde bedragen kunnen treffen en heeft er
op mogen vertrouwen dat de financiele gang van zaken niet zou veranderen.
Met name de eerste twee voorwaarden kunnen veel meewerkende echtgenotes
behoeden tegen een beroep op rechtsverwerking door de man als zij
redelijkerwijs geen mogelijkheid hebben gehad de financiele gang van zaken
in het bedrijf van de man te beinvloeden in haar eigen voordeel.

In dit kader is het nuttig te wijzen op recente ontwikkelingen ten aanzien
van de verwante problematiek van verjaring en verval van
verrekeningsvorderingen tussen echtgenoten. In HR 18 februari 1994, nr
15.295, RvdW 62 werd onder meer beslist dat een in de huwelijkse
voorwaarden opgenomen vervalbeding niet nietig is wegens strijd met het
recht. Hiermee is een oude controverse in de literatuur tot een beslissing
gebracht. Sommigen (Van der Burght, Van Mourik) achtten een vervaltermijn
niet geldig nu de wetgever in art. 3:321 lid 1 sub a BW de verjaring
tussen echtgenoten tijdens het huwelijk heeft uitgesloten, om de
huiselijke vrede te beschermen. Anderen, zoals Luijten, Kraan en
Moltmaker, meenden dat een vervaltermijn geldig kan worden overeengekomen
nu zij van rechtswege loopt en echtgenoten daar (anders dan bij een
verjaringstermijn) geen invloed op kunnen uitoefenen waardoor de
verstandhouding tussen de echtgenoten niet op de proef wordt gesteld. Zij
hebben nu dus de Hoge Raad aan hun zijde. Voorzover verrekeningsaanspraken
door een vervaltermijn worden beperkt kunnen de kwalijke gevolgen daarvan
voor de verrekeningsgerechtigde (doorgaans de financieel minst
draagkrachtige echtgenoot) slechts met een beroep op redelijkheid en
billijkheid buiten toepassing worden gelaten.

Wendelien Elzinga

Rechters

Mrs. Snijders, Mijnssen, Neleman, Heemskerk, Swens- Donner

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 29 april 1994

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Tegen de beschikking van het Hof Leeuwarden van 27 oktober 1993 (RN 1994,
nr. 403) heeft de man cassatie ingesteld. Het hof oordeelde dat artikel
1:160 BW niet van toepassing is wanneer het gaat om homoseksuele relaties.
De Hoge Raad is op 3 november 1978 (NJ 1979, 121) tot dezelfde conclusie
gekomen. In het onderhavige arrest blijft de Hoge Raad op dit standpunt
staan en verwerpt het beroep. Zie verder Hof Amsterdam 8 november 1993,
RN 1994, 402 m.nt. Jet Tigchelaar.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties met een op 30 maart 1992 gedateerd
verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie -verder te noemen de man- zich
gewend tot de Rechtbank te Assen met het verzoek de door hem te betalen
bijdragen in het levensonderhoud van verweerster in cassatie -verder te
noemen de vrouw- met ingang van 30 maart 1992 te bepalen op nihil. Bij
aanvullend verzoekschrift van 27 mei 1992 heeft hij op subsidiaire
grondslag nihilstelling daarvan verzocht. Nadat de vrouw tegen de
verzoeken verweer had gevoerd, heeft de rechtbank bij tussenbeschikking
van 29 september 1992 de man tot bewijslevering toegelaten. Na enquete
heeft de Rechtbank bij tussenbeschikking van 15 december 1991 de man in
de gelegenheid gesteld bescheiden over te leggen. Bij eindbeschikking van
15 juni 1993 heeft de Rechtbank haar beschikking van 22 mei 1989 in dier
voege gewijzigd dat de daarbij door de man te betalen bijdrage in het
levensonderhoud van de vrouw met ingang van 31 maart 1992 wordt
vastgesteld op ƒ 363,= per maand, vanaf 1 januari 1994 wordt vastgesteld
op ƒ 397,= per maand, en het meer of anders verzochte ontzegd. Beide
partijen hebben hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden.
Bij beschikking van 27 oktober 1993 heeft het Hof in beide appellen de
beschiking van de Rechtbank van 29 september 1992, behoudens de verwijzing
van de zaak naar de enkelvoudige kamer ter verdere afdoening, vernietigd,
en deze beschikking, voor wat betreft deze verwijzing, alsmede de
beschikkingen van 15 december 1992 en 15 juni 1993 bekrachtigd. De
beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het Hof heeft de man
beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking
gehecht en maakt daarvan deel uit. De vrouw heeft verzocht het beroep te
verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal Leijten strekt tot
vernietiging van de beschikking van het Gerechtshof te Leeuwarden met
verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof om deze op het bestaande
hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

3. Beoordeling van het middel 3.1. In deze zaak is de vraag aan de orde
of art. 1:160 BW aldus moet worden uitgelegd dat ‘de verplichting van de
gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te
verschaffen aan de wederpartij’, tevens eindigt wanneer deze is gaan
samenleven met een ander van hetzelfde geslacht ‘als waren zij gehuwd’.
In een tussenbeschikking heeft de Rechtbank deze vraag bevestigend
beantwoord en dienovereenkomstig aan de man bewijs opgedragen van zijn
stelling dat de vrouw was gaan samenleven met een andere vrouw als waren
zij gehuwd. In haar eindbeschikking heeft de Rechtbank geoordeeld dat de
man in dit bewijs niet was geslaagd. Het Hof heeft, met vernietiging in
zoverre van voormelde tussenbeschikking van de Rechtbank — samengevat —
geoordeeld dat art. 1:160 restrictief moet worden uitgelegd en niet van
toepassing is in een situatie als hier door de man gesteld. Hiertegen
richt zich het middel.

3.2. Het middel beoogt blijkens de toelichting de Hoge Raad te doen
terugkomen van zijn beschikking van 3 november 1978, NJ 1979, 121, waarin
is geoordeeld dat art. 160 niet van toepassing is op een homofiele
relatie.

3.3. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat het
aanvankelijk voorgestelde art. 159 BW — het huidige art. 1:160 —
uitsluitend de bepaling inhield dat de alimentatieplicht van de gewezen
echtgenoot eindigt, indien de wederpartij opnieuw in het huwelijk treedt,
dat de ratio van die regel blijkens de wetsgeschiedenis hierin is gelegen
dat die wederpartij en zijn of haar nieuwe echtgenoot verplicht zijn
elkaar het nodige te verschaffen, en dat, aldus de memorie van
toelichting, ‘de plicht van de (nieuwe) echtgenoot om aan de andere
echtgenoot “het nodige” te verschaffen (…) voor die van de gewezen
echtgenoot tot het verschaffen van levensonderhoud aan zijn gewezen
echtgenoot (gaat)’ (Bijlage Hand. II 1968-1969, 10.213 nr. 3, blz. 24).
In dit verband is voorts van belang dat de Minister bij het mondeling
overleg op 28 januari 1971 heeft bevestigd dat ingevolge de voorgestelde
wetsbepaling het recht op alimentatie na de beeindiging van het tweede
huwelijk niet herleeft, doch na het beeindigen van een concubinaat wel.

3.4. De slotwoorden van het huidige art. 1:160 (‘dan wel is gaan
samenleven met een ander als waren zij gehuwd’) zijn eerst bij amendement
aan deze bepaling toegevoegd. Dit amendement beoogde blijkens de
toelichting ’te vermijden dat ongelijke gevolgen worden verbonden aan
materieel voor de onderhavige regeling als gelijk te waarderen, doch
formeel verschillende situaties en (…) te voorkomen dat terwille van
die rechtsgevolgen aan een concubinaat de voorkeur zal worden gegeven
boven een tweede huwelijk (…).’ (Bijlage Hand. II 1970-1971, 10.213 nr.
16). Dit amendement is aanvaard, ofschoon de grondslag voor de regel dat
de alimentatieplicht van de gewezen echtgenoot eindigt wanneer de jegens
hem alimentatiegerechtigde een nieuw huwelijk aangaat, ontbreekt wanneer
die alimentatiegerechtigde een concubinaatsverhouding aangaat, nu de wet
aan zulk een verhouding generlei aanspraak op levensonderhoud verbindt;
in zoverre kan een dergelijke verhouding derhalve niet op een lijn worden
gesteld met een huwelijk. Opmerking verdient tenslotte dat de Minister bij
de behandeling van het wetsontwerp in de Eerste Kamer onweersproken heeft
verklaard dat onder het begrip ‘als waren zij gehuwd’ in het toenmalige
art. 159 een homofiele relatie niet viel.

3.5. Gelet op het vorenoverwogene bestaat geen grond om, in weerwil van
hetgeen de wetgever voor ogen heeft gestaan, de regel van art. 1:160 mede
van toepassing te oordelen op homofiele concubinaatsverhoudingen. Ten
aanzien van zulke verhoudingen doet zich niet de voor de uitbreiding van
de aanvankelijk voorgestelde regel tot concubinaatsverhoudingen aangegeven
grond voor dat vermeden moest worden dat de betrokkenen zulks een
samenlevingsverband zouden verkiezen boven een huwelijk uitsluitend om te
voorkomen dat een aanspraak op levensonderhoud jegens de gewezen
echtgenoot zou vervallen: bij homofiele concubinaatsverhoudingen kan
daarvan immers geen sprake zijn. De omstandigheid dat, naar het middel
stelt, de maatschappelijke opvattingen en ontwikkelingen ter zake sedert
1978 een aanzienlijke wijziging hebben ondergaan, hetgeen — aldus het
middel — heeft geleid tot wijziging van een aantal wetten op het gebied
van de sociale zekerheid in die zin dat thans — onder zekere voorwaarden
en behoudens een uitzondering voor bloedverwanten in de eerste of tweede
graad — voor de toepassing van die wetten ook twee personen van hetzelfde
geslacht, die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, met gehuwden
worden gelijkgesteld, levert geen grond op om anders te oordelen dan in
HR 3 november 1978 geschiedde. De hier bedoelde gelijkstelling is immers
in belangrijke mate ingegeven door de overweging dat het redelijk is om
bij de vaststelling van de omvang van een uitkering krachtens deze wetten
ervan uit te gaan dat het behoeftenpatroon van twee personen die duurzaam
een gezamenlijke huishouding voeren, gelijk is aan dat van echtgenoten die
niet duurzaam gescheiden leven, en heeft voorts slechts betekenis voor de
duur van het bestaan van een dergelijke gezamenlijke huishouding. Een
gelijkstelling als het middel verlangt zou echter het — zeer ingrijpende
— gevolg hebben dat een in beginsel bestaande aanspraak van de gewezen
echtgenoot op levensonderhoud niet slechts vervalt voor de duur van het
homofiele concubinaat, doch voorgoed. Het middel faalt derhalve.

4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; compenseert de kosten van
het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Martens, Mijnssen, Korthals Altes, Heemskerk, Swens-Donner, AGLeyten