Instantie: Commissie gelijke behandeling, 14 april 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft vanaf 1 september 1956 tot 1 april 1971 diverse
werkzaamheden verricht voor de wederpartij. Anders dan haar echtgenoot,
die in dezelfde periode ook bij de wederpartij werkte, kon zij niet
deelnemen aan de geldende pensioenregeling. De Commissie concludeert dat
de jurisprudentie van het EG-Hof tot dusver geen definitief uitsluitsel
geeft over de vraag of het recht op gelijke behandeling in de voorwaarden
tot deelname aan een pensioenregeling voor 17 mei 1990 (de zaak Barber)
kan worden opgeeist. Echter, zelfs indien het EG-Hof zou oordelen dat dit
recht rechtens wel opeisbaar is, dan zou dit, gelet op eerdere
jurisprudentie (de zaak Defrenne II), slechts inroepbaar zijn vanaf 8
april 1976. De periode waarin verzoekster bij de wederpartij werkzaam was,
valt echter voor 8 april 1976. Geen strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 28 januari 1992 verzocht mevrouw te Woudenberg
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de
Stichting Het Weeshuis te Buren jegens haar in strijd heeft gehandeld met
de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster heeft vanaf 1 september 1956 tot 1 april 1971 diverse
werkzaamheden verricht voor de wederpartij. Anders dan haar echtgenoot,
die in dezelfde periode ook bij de wederpartij werkte, kon zij niet
deelnemen aan de geldende pensioenregeling. Verzoekster is van mening dat
deze uitsluiting in strijd is met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Verzoekster heeft verzocht om toepassing van de
versnelde prcedure. De voorzitter heeft dit verzoek afgewezen daar de
voorgelegde zaak zich daar om reden van te grote complexiteit niet voor
leende. De wederpartij heeft eenmaal de gelegenheid gehad haar standpunt
terzake uiteen te zetten.

2.2. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 23 februari
1994. Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

Ter zitting waren aanwezig van de zijde van de Commissie: – mw mr C.H.S.
Evenhuis (Kamervoorzitter) – dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer) – mw mr J.D.
Onnen (lid Kamer) – mw mr M.M. Hubner (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster verrichtte vanaf 1 september 1956 tot 1 april 1971
diverse werkzaamheden voor de wederpartij. Over sommige tijdvakken zijn
bewijsstukken overgelegd van betaling voor dit werk.

3.2. De echtgenoot van verzoekster was vanaf zijn indiensttreding per 1
september 1956 deelnemer aan de geldende pensioenregeling voor kerkelijke
medewerkers. Deze pensioenregeling is inmiddels overgenomen door een ander
pensioenfonds. Verzoekster was geen deelnemer aan de pensioenregeling, ook
niet in de periode dat zij voor haar werkzaamheden bij de wederpartij
direct zelf betaald werd.

3.3. Een medewerkster van de wederpartij heeft in een brief d.d. 31 juli
1984 erkend dat verzoekster vanaf 1956 werkzaamheden heeft verricht, maar
kan alleen betalingsstaten overleggen vanaf 1964. Degene die in 1956
directrice was van de organisatie waar verzoekster werkte, heeft in een
schriftelijke verklaring d.d. 11 februari 1985 aangegeven dat destijds met
de echtgenoot van verzoekster was afgesproken dat zij zich volledig zou
inzetten en conform deze afspraak nader genoemde werkzaamheden heeft
verricht.

3.4. Verzoekster trad per 1 augustus 1977 toe tot de pensioenregeling in
de gezondheidszorg. Haar is daarbij een back-service toegekend op basis
van 25% van de volledige werktijd over de periode 1 januari 1969 tot 1
april 1971.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster is van mening dat haar werkzaamheden voor de wederpartij
voor de volle periode meegerekend moeten worden bij de berekening van de
back-service, en in ieder geval voor die periode waarover
betalingsbewijzen zijn overgelegd. Indien en voorzover deze periodes niet
worden meegerekend acht zij de wederpartij hiervoor aansprakelijk.

3.6. De wederpartij heeft aangegeven niet op de hoogte te zijn van de
werkzaamheden van verzoekster in de bewuste periode. De toenmalige
administrateur is inmiddels zeer oud en gehospitaliseerd.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd heeft gehandeld met
de wetgeving gelijke behandeling door verzoekster in de werkperiode 1
september 1956 tot 1 april 1971 niet toe te laten tot de geldende
pensioenregeling.

4.2. De eerste vraag die voorligt, is of de Commissie bevoegd is over het
verzoek een oordeel uit te spreken. Zij overweegt hieromtrent het
volgende.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met de eerdere Wet gelijk
loon voor vrouwen en mannen (Stb. 1975, 129) en voorts met artikel
7A:1637ij BW en de artikelen 7 en verder van de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168) mede een volledige uitwerking
heeft willen geven aan artikel 119 EEG-Verdrag.

Het EG-Hof is blijkens haar overwegingen in de zaak Von Colson/Kamann d.d.
10 april 1984 (Hof van Justitie der Europese gemeenschappen, Von Colson
en Kamann vs. Deelstaat Nordrhein Westfalen, zaaknummer 14/83.
Jurisprudentie 1984, 1891.) van mening dat nationale rechters en anderen
die met overheidsgezag zijn bekleed gehouden zijn om binnen hun
bevoegdheden de wetgeving gelijke behandeling uit te leggen en toe te
passen in het licht van de bewoordingen en objectieve doelstelling van -in
dit geval- artikel 119 EEG-Verdrag.

Naar de mening van de Commissie betekent dit dat zij de uitdrukkelijke
uitzondering voor aanspraken en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen
als gemaakt in artikel 7A:1637ij BW en artikel 7 lid 2 WGB moet
interpreteren in het licht van de jurisprudentie van het EG-Hof (Hof van
Justitie der Europese Gemeenschappen, Barber vs. Guardian Royal Exchange
Assurance Group, zaaknummer C 262/88, 17 mei 1990. Nemesis 1990, nr. 116.)
over het loonbegrip van artikel 119 EEG- Verdrag en over de werking in de
tijd van dat artikel.

Gelet op het bovenstaande vat de Commissie deze uitzondering zo op, dat
slechts die pensioenkwesties terzake waarvan volgens het EG-Hof geen
beroep op de rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag kan worden
gedaan van de wettelijke norm van gelijke behandeling zijn uitgesloten.

Op grond van het bovenstaande acht de Commissie zich in ieder geval
bevoegd om te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de bestreden
pensioenregeling valt binnen het begrip loon, en derhalve binnen de
werkingssfeer van de wetgeving gelijke behandeling.

4.3. Ten aanzien van de onderhavige pensioenregeling overweegt de
Commissie als volgt.

In zijn overweging 25 in het eerder genoemde Barber-arrest (zie noot 2)
stelt het EG-Hof, dat een pensioenregeling onder het loonbegrip van
artikel 119 EEG-Verdrag valt indien deze het resultaat is van
overeenstemming tussen werknemers of werkgevers of een eenzijdige
beslissing van de werkgever vormt. Voorts moet het gaan om een regeling
die geheel gefinancierd wordt door de werkgever of door werkgever en
werknemers gezamenlijk, zonder dat sprake is van enige bijdrage van de
overheid. De Commissie stelt vast dat de onderhavige pensioenregeling aan
deze eisen voldoet.

In overweging 26 van hetzelfde arrest gaat het Hof nader in op de vraag
in welke gevallen pensioenregelingen voor werknemers geacht moeten worden
onder de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag te vallen. Daarvan is
onder meer sprake indien de regeling alleen van toepassing is op
werknemers van bepaalde bedrijven of instellingen, zodat gebondenheid aan
de regeling noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de dienstbetrekking met de
betrokken werkgever.

De Commissie stelt vast dat de onderhavige pensioenregeling geen
betrekking heeft op algemene categorieen van werknemers, maar slechts op
werknemers van het bedrijf van wederpartij.

4.4. Partijen verschillen van mening over de vraag of de eis van gelijke
beloning als neergelegd in artikel 7A:1637ij BW en in artikel 7 WGB op de
onderhavige pensioenregeling ook al voor de uitspraak van het EG-Hof op
17 mei 1990 van toepassing moet worden geacht.

Hierover overweegt de Commissie het volgende. Het EG-Hof heeft in de zaak
Ten Oever d.d. 6 oktober 1993 (Ten Oever versus Stichting
Bedrijfspensioenfonds voor het Glazenwassers- en Schoonmaakbedrijf,
zaaknummer 14/83.) uitgesproken dat op de rechtstreekse werking van
artikel 119 EEG-Verdrag slechts een beroep kan worden gedaan teneinde
gelijkheid van behandeling op het gebied van bedrijfspensioenen te eisen,
wanneer het gaat om uitkeringen die verschuldigd zijn uit hoofde van na
17 mei 1990 vervulde tijdvakken van arbeid, behoudens de uitzondering ten
gunste van werknemers of hun rechtverkrijgenden die voor die datum een
rechtsvordering hebben ingesteld of een naar geldend nationaal recht
daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend.

De Commissie concludeert hieruit dat de jurisprudentie van het EG-Hof tot
dusver echter geen definitief uitsluitsel geeft over de vraag of het recht
op gelijke behandeling in de voorwaarden tot deelname aan een
pensioenregeling binnen het kader van de aangebrachte beperking in de
terugwerkende kracht valt, of dat dit recht eveneens niet voor de periode
van 17 mei 1990 kan worden opgeeist. Echter, zelfs indien het EG-Hof zou
oordelen dat dit recht rechtens wel opeisbaar is, zou dit gelet op eerdere
jurisprudentie slechts inroepbaar zijn vanaf 8 april 1976 (Hof van
Justitie der Europese Gemeenschappen, Defrenne vs. Belgische
luchtvaartmaatschappij NV Sabena (II). Jurisprudentie 1976, 455.Hof van
Justitie der Europese Gemeenschappen, Defrenne vs. Belgische
luchtvaartmaatschappij NV Sabena (II). Jurisprudentie 1976, 455.) De
periode waarin verzoekster bij de wederpartij werkzaam was gaat aan deze
periode vooraf.

De Commissie concludeert derhalve dat de wederpartij door verzoekster
destijds niet toe te laten tot haar pensioenregeling niet heeft gehandeld
in strijd met artikel 1637ij BW of artikel 7 WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Stichting Het Weeshuis
te Buren jegens mevrouw te Woudenberg geen onderscheid heeft
gemaakt in strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek of artikel 7
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen door haar in de periode
vanaf 1 september 1956 niet aan de geldende pensioenregeling deel te laten
nemen.

Aldus vastgesteld op 14 april 1994 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 23 februari 1994.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis, dhr mr A.W. Heringa, mw mr J.D. Onnen, mw mrM.M. Hubner

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 14 april 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft gesolliciteerd naar drie functies bij de wederpartij.
Zij is psychologisch getest. Bij enkele onderdelen van het onderzoek wordt
de score van een kandidaat vergeleken met die van een gemiddelde
HTS-groep. Verzoekster stelt dat zij qua persoonskenmerken afweek van deze
gemiddelde score. Volgens verzoekster bestond de functienormgroep naar
alle waarschijnlijkheid grotendeels uit mannen. Uit het onderzoek van de
Commissie blijkt dat inzichtelijke, controleerbare en systematisch
uitgevoerde procedures ontbreken. Deze zouden kunnen voorkomen dat bewust
of onbewust onderscheid naar geslacht plaatsvindt. De wederpartij heeft
wel aangetoond dat met de vergelijking met de HTS- functienormgroep een
objectief gerechtvaardigd doel wordt gediend. De Commissie is echter niet
overtuigd dat het gekozen middel geschikt en noodzakelijk is. De Commissie
acht op zich voldoende gronden aanwezig om bij de toepassing in een
concreet geval een vermoeden van onderscheid aan te nemen. Het is dan aan
de wederpartij om dit vermoeden te weerleggen. Wat betreft het onderhavige
geval is de Commissie echter van mening dat een dergelijke omkering van
de bewijslast een te zware sanctie is. Het dossier van verzoeksters
psychologische test was al vernietigd. Daardoor zijn onvoldoende gegevens
voorhanden om tot een oordeel te komen. De testresultaten van verzoekster
zelf zijn niet bekend, evenmin is het duidelijk of in haar geval andere
normgroepen bij de beoordeling zijn betrokken en ook ontbreekt de
beoordeling van verzoeksters functioneren in het groepsgesprek. Geen
strijd met de Wet.

Volledige tekst


Allereerst de kritiek die de wederpartij heeft geuit op het onderzoek.
Kort samengevat komt deze erop neer dat pas met het verschijnen van het
rapport duidelijk is geworden wat de achtergrond van de gestelde vragen
was, dat het onderzoek te breed is opgezet, dat de vragen te globaal waren
en dat daardoor de conclusie van onderzoekers dat bepaalde informatie niet
voorhanden was, niet betekent dat deze er ook niet is. De Commissie merkt
hierover op dat de opzet van het onderzoek aan beide partijen is
voorgelegd, en dat een uitvoerige correspondentie met wederpartij heeft
plaatsgevonden naar aanleiding van de gestelde vragen. Verder is expliciet
gevraagd om stukken te overleggen, waaronder de profielschets. De
Commissie ziet aldus geen aanleiding om vanwege het door wederpartij
gestelde, af te dingen op de resultaten van het onderzoek door de externe
deskundigen.

Verder hebben beide partijen opmerkingen gemaakt over het feit dat het
dossier van verzoekster is vernietigd. Verzoekster is van mening dat dit
voor risico van de wederpartij komt, in die zin dat dit zou leiden tot een
omkering van de bewijslast. De wederpartij daarentegen vraagt zich af of
de Commissie wel een uitspraak kan doen over het individuele geval van
verzoekster, nu het dossier niet meer voorhanden is. De Commissie stelt
op dit punt vast dat het dossier van verzoekster volgens de bij
wederpartij geldende richtlijnen is vernietigd, nadat aan verzoekster was
gevraagd of zij een klacht zou indienen. Eerst na negen maanden heeft
verzoekster daarop gereageerd, zodat de Commissie in de vernietiging van
het dossier op zichzelf geen aanleiding ziet het verzoek niet te
behandelen. Op de bewijslast komt zij nader terug.

4.3. De Commissie vat de feiten als volgt samen.

Verzoekster is psychologisch getest voor de aanvangfuncties en op haar
doorgroeicapaciteiten voor management- en specialistische staffuncties.
Alleen voor de doorgroei voor managementfuncties was de uitslag van de
test voor verzoekster negatief, dat wil zeggen de psycholoog gaf een
’twijfeladvies’. Dit was vervolgens reden om de sollicitatieprocedure met
verzoekster stop te zetten. Het ’twijfeladvies’ was gebaseerd op dat deel
van het psychologisch onderzoek dat het gedrag test. Uit het rapport en
hetgeen ter zitting is gesteld, leidt de Commissie af dat de uitslag van
deze test wordt bepaald door de groeps- discussie, in combinatie met de
persoonlijkheidsvragenlijsten en het interview.

Gezien de nadruk die verzoeksters klacht legt op de psychologische test
zelf, zal de Commissie zich in haar beoordeling ook met name op deze test
richten. Twee klachten van verzoekster die slechts zijdelings betrekking
hebben op het psychologisch onderzoek zelf, zullen daarom terzijde worden
gelaten. Het betreft het verschil van mening over de vraag of verzoekster
ervan op de hoogte was dat zij ook getest zou worden voor de doorgroei
naar een managementfunctie, en verzoeksters klacht dat zij pas in het
gesprek met het hoofd van de sector bedrijfspsychologie ervan op de hoogte
is gesteld dat alleen dit onderdeel van de test oorzaak was van haar
afwijzing. Hoewel de feitelijke toedracht van beide gebeurtenissen niet
meer te achterhalen is, constateert de Commissie wel dat zich op deze
punten klaarblijkelijk communicatieproblemen hebben voorgedaan.
Onvoldoende is echter aangetoond, noch is uit andere feiten en
omstandigheden gebleken dat verzoekster hierdoor op grond van haar
geslacht ongelijk behandeld is.

4.4. Vervolgens gaat de Commissie over tot beantwoording van de vraag of
de wederpartij bij het psychologisch testen van verzoekster onderscheid
op grond van geslacht heeft gemaakt. Daartoe zal zij nagaan of er in het
psychologisch onderzoek verschillen optreden tussen mannen en vrouwen, en
zo ja, of de verklaringen die daarvoor worden aangevoerd toereikend zijn
in het licht van de WGB. Daarbij zal zij in het bijzonder aandacht
schenken aan het bestaan van inzichtelijke, controleerbare en systematisch
uitgevoerde procedures. Reeds in eerdere oordelen heeft de Commissie
gewezen op de noodzaak van dergelijke procedures, die immers kunnen
voorkomen dat bewust of onbewust een verboden onderscheid naar geslacht
plaatsvindt en die rechterlijke controle mogelijk maken (Zie onder andere
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid,
oordeelnummer 380-91-74 d.d. 29 oktober 1991 en oordeelnummer 38-92-16
d.d. 22 april 1992.). Ook het Hof van Justitie van de EG heeft meermalen
gewezen op de noodzaak van doorzichtig- heid van procedures teneinde
ongelijke behandeling te voorkomen (Zie de arresten van: 30-6- 1988 in
zaak 318/86 (jurisprudentie 1988, 3559); Commissie EG/Frankrijk;
17-10-1989 in zaak 109/88 (jurisprudentie 1989, 3199); Handels-og
Kontorfunktionaerernes Forbund i Danmark /Dansk Arbejdsgiverforening,
optredend voor Danfoss; 17-5-1990 in zaak C-262/88; Barber/Guardian Royal
Exchange Assurance Group.). Het is evident dat het bestaan van dergelijke
inzichtelijke, controleerbare en systematisch uitgevoerde procedures van
belang is gedurende alle stappen die tijdens het psychologisch onderzoek
worden gezet.

4.5. Voor wat betreft de opdrachtformulering van het psychologisch
onderzoek stelt de Commissie allereerst vast dat de externe onderzoekers
alleen konden uitgaan van de advertentie. Tijdens de zitting gaf
wederpartij aan dat de testende psycholoog niet alleen beschikt over de
advertentie maar ook altijd over het functieprofiel. Dit profiel is
evenwel, hoewel daar wel naar is gevraagd, niet overgelegd. Dit betekent
dat onduidelijk is gebleven hoe de opdrachtformulering precies in zijn
werk gaat, en welke nadere functie-eisen de psycholoog als uitgangspunt
voor de psychologische test heeft genomen. Uit het wel overgelegde
materiaal blijkt een weinig expliciete opdrachtformulering, die de
psycholoog en opdrachtgever ruimte laat voor individuele
verbijzonderingen, wat een risico tot ongelijke behandeling kan inhouden.
Of het risico van onderscheid op grond van geslacht zich in zijn
algemeenheid voordoet, en of het zich in het geval van verzoekster heeft
voorgedaan, kan niet worden vastgesteld noch uitgesloten. Daarvoor is de
gehanteerde procedure bij het formuleren van de opdracht te weinig
inzichtelijk, en dus niet controleerbaar, gemaakt. De Commissie voegt hier
nog aan toe dat de onderzoekers constateerden dat het rapportageformulier
het geslacht van de kandidaten onvermeld laat. Daardoor vervalt de
mogelijkheid om achteraf op eventueel onderscheid naar geslacht te
controleren.

4.6. Ten aanzien van de inrichting van het psychologisch onderzoek zal de
Commissie het interview, de groepsdiscussie en de uitslag van de
persoonlijkheidsvragenlijsten in hun samenhang beoordelen.

De scores van verzoekster uit de persoonlijkheidsvragenlijsten zijn
vergeleken met die van de HTS-functienormgroep. De externe deskundigen
ondersteunen de wederpartij in hun visie dat een dergelijke vergelijking
op zichzelf zinvol is. Specifieke, voor die functie(groep) vereiste
eigenschappen komen op deze wijze tot hun recht. Aan de andere kant wijzen
de onderzoekers nadrukkelijk op de kwestie van de validiteit van tests.
Duidelijk is namelijk dat de HTS-functienormgroep in overwegende mate uit
mannen bestaat, waardoor vrouwen eerder afwijkend zullen scoren. Een
afwijkende score van een vrouwelijke kandidaat, hoeft evenwel niet
automatisch te betekenen dat zij in de praktijk ook anders zal
functioneren dan de gemiddelde HTS-er. De wederpartij heeft overigens wel
aangegeven dat zij rekening houdt met verschillende scores van mannen en
vrouwen, maar zij heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe zij daar mee omgaat.
Zo gaf wederpartij aan dat alleen grote afwijkingen van de gemiddelde
score als afwijkend worden beschouwd, maar doordat de individuele
afwegingen in dit opzicht bepalend zijn, is inzichtelijk noch
controleerbaar of en hoe gecompenseerd kan worden. Verder zet de
wederpartij de scores van kandidaten af tegen die van landelijke
normgroepen en een mannen- of vrouwengroep. Maar ook hier is onduidelijk
gebleven hoe deze controle in zijn werk gaat. Zo rijst de vraag of een van
de HTS-functienormgroep afwijkende score kan worden gecompenseerd door een
met bijvoorbeeld de vrouwennormgroep overeenkomende score, of dat
andersoortige correcties bestaan. Ten slotte corrigeert de wederpartij de
scores uit het persoonlijkheidsonderzoek met behulp van de uitkomsten van
de groepsdiscussie. Maar ook hier is niet duidelijk geworden op welke
wijze en in welke mate correcties plaats vinden. De Commissie kan daarom
niet anders dan vaststellen dat de wederpartij er niet in is geslaagd,
inzichtelijk te maken hoe zij omgaat met eventuele verschillende scores
van vrouwen op onderdelen van de test. Door dit gebrek aan
inzichtelijkheid, heeft de Commissie ook niet kunnen nagaan of de
gehanteerde procedures controleerbaar zijn en systematisch zijn toegepast.

Daarbij komt dat de wederpartij in het validiteitsonderzoek dat zij
uitvoert ook geen aandacht besteed aan de verschillen in validiteit voor
mannen en vrouwen. Wanneer zij nagaat of kandidaten na een jaar voor een
vast dienstverband in aanmerking komen, wordt een vergelijking gemaakt
tussen de psychologische test en het daadwerkelijke functioneren. Daarbij
maakt de wederpartij echter geen onderscheid in groepen personeel, dus ook
niet tussen mannen en vrouwen. De Commissie constateert dat op deze wijze
een van de mogelijkheden om ongelijke behandeling in de test te ontdekken,
niet wordt benut.

4.7. Concluderend stelt de Commissie vast dat op grond van het gebrek aan
inzichtelijkheid en systematische controleerbaarheid in de procedures het
testsysteem als zodanig in strijd kan komen met artikel 3 lid 1 WGB. Het
is dan aan de wederpartij om nader aannemelijk te maken en te verhelderen
hoe het gevaar van ongelijke behandeling wordt vermeden, en wanneer het
indirect onderscheid betreft, met name inzicht te verschaffen in
objectieve rechtvaardigingsgronden, dat wil zeggen dat: – het onderscheid
gemaakt wordt om een objectief gerechtvaardigd doel te dienen en – daartoe
middelen zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te
bereiken, terwijl – dit doel niet is te bereiken op andere wijze waarbij
geen indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

Wederpartij heeft naar het oordeel van de Commissie wel aangetoond dat met
de vergelijking met de HTS-functienormgroep een objectief gerechtvaardigd
doel wordt gediend. Deze vergelijking selecteert namelijk juist die
eigenschappen uit die wederpartij relevant vindt voor de groep HTS-ers.
De Commissie is er echter niet van overtuigd dat het gekozen middel
geschikt en noodzakelijk is, en dat het doel niet op een andere manier kan
worden bereikt. Zo is niet duidelijk geworden hoe eventuele correcties
plaats vinden en waarom slechts een zeer globaal validiteitsonderzoek
wordt uitgevoerd. Verder is ook niet aangegeven waarom niet, zoals bij
andersoortige vragenlijsten wel schijnt te gebeuren, verschillende
vragenlijsten worden ontworpen voor mannen en vrouwen.

4.8. De vraag ligt echter niet voor, hoe het testsysteem in abstracto zich
verhoudt tot de WGB; voorgelegd is, of wederpartij zich in de concrete
situatie jegens klaagster in strijd met artikel 3 lid 1 WGB heeft
gehandeld. Dat betekent dat op grond van concrete feiten en omstandigheden
beoordeeld moet worden of de toepassing van het testsysteem in het
voorliggende geval niet aan de wettelijke eisen voldoet.

4.9. De Commissie overweegt hieromtrent als volgt. Gelet op de eerdere
beoordeling van het testsysteem van de wederpartij in abstracto, acht de
Commissie op zich voldoende gronden aanwezig om bij de toepassing in een
concreet geval een vermoeden van onderscheid aan te nemen. Het is dan aan
de wederpartij om met nadere feiten en omstandigheden dit vermoeden te
weerleggen. Wat betreft het onderhavige geval is de Commissie echter van
mening, dat een dergelijke omkering van de bewijslast een te zware sanctie
is. Verweerder heeft immers het dossier waarmee zij haar bewijsopdracht
zou kunnen vervullen, om zwaarwichtige redenen vernietigd na verzoekster
uitdrukkelijk te hebben gevraagd of zij voornemens was nadere procedurele
stappen te ondernemen. Verzoekster heeft niet tijdig bezwaar gemaakt tegen
vernietiging, hetzij in een interne procedure hetzij bij de Commissie
hetzij op andere wijze. Op grond hiervan ziet de Commissie af van een
nadere bewijsopdracht aan verweerder.

4.10. Het geheel overziende is de Commissie van mening dat in het concrete
geval van verzoekster onvoldoende gegevens voorhanden zijn om tot een
oordeel te komen. Immers, de testresultaten van verzoekster zelf zijn niet
bekend; evenmin is duidelijk of in haar geval andere normgroepen bij de
beoordeling zijn betrokken; en ook ontbreekt de beoordeling van
verzoeksters functioneren in het groepsgesprek. Met name het laatste weegt
zwaar, aangezien het groepsgesprek een belangrijk element is geweest in
de uiteindelijke afweging.

De Commissie concludeert dan ook, dat niet is vast komen te staan dat de
wederpartij bij het psychologisch testen van verzoekster jegens haar
onderscheid heeft gemaakt naar geslacht.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat niet is komen vast te staan
dat de Nederlandse Spoorwegen NV te Utrecht onderscheid heeft gemaakt naar
geslacht bij het psychologisch testen van mevrouw te Amsterdam in
strijd met artikel 3 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Aldus vastgesteld op 14 april 1994 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer op 23 februari 1994.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis, dhr mr A.W. Heringa, dhr mr R.A.M.C.Langemeijer, mw mr J.D. Onnen, mw mr A.C. Possel, mw mr G.L.M. Lenssen

Instantie: Rechtbank Groningen, 11 april 1994

Instantie

Rechtbank Groningen

Samenvatting


Klaagster is in 1982 werkloos geworden. Zij heeft op 23 augustus 1991 een
WWV-aanvraag ingediend. Deze is afgewezen omdat zij op die datum reeds de
zestigjarige leeftijd had bereikt. Uit het arrest Steenhorst-Neerings van
het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen blijkt dat de
hoofdregel van artikel 18 WWV van toepassing blijft. Een nationale
regeling, welke zich verzet tegen het geldend maken van een
uitkeringsrecht met terugwerkende kracht, is niet strijdig met het
gemeenschapsrecht, indien die bepaling de mogelijkheid onverlet laat om
met gebruikmaking van nationale rechtsmiddelen de bescherming van het
gemeenschapsrecht in te roepen. Klaagster heeft recht op WWV en de
verweerder moet gebruik maken van de mogelijkheid de uitkering op een
eerdere datum te laten ingaan.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding.

Klaagsters gemachtigde, mr. J.H.W. Jannink, heeft beroep ingesteld tegen
de beslissing van verweerder d.d. 4 maart 1992. Hij heeft een afschrift
gekregen van de door verweerder ingezonden stukken.

Het beroep is mondeling behandeld ter terechtzitting van een enkelvoudige
kamer, gehouden te Assen op 22 november 1993. Klaagster en haar
gemachtigde zijn verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door de heer
M. Tuin, medewerker van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Rolde.

Partijen hebben hun standpunt toegelicht.

De rechtbank heeft vervolgens een bevel ex artikel 125 van de Beroepswet
gegeven. Op grond van dit bevel is de schriftelijke behandeling
voortgezet. Partijen hebben een afschrift gekregen van het arrest van het
Hof van Justitie der EG d.d. 27 oktober 1993 in de zaak ten name van mw.
H. Steenhorst-Neerings.

De president heeft de schriftelijke behandeling gesloten en de mondelinge
behandeling van het beroep verwezen naar de meervoudige kamer. Deze heeft
zitting gehouden te Assen op 2 maart 1994. Klaagster is in persoon
verschenen, daartoe ambtshalve opgeroepen, en bijgestaan door mr. Jannink.
Verweerder is niet verschenen. Klaagsters gemachtigde heeft het standpunt
van klaagster toegelicht.

II. Motivering.

Ingevolge het bij de Wet van 3 juni 1992, Stb. 278, in samenhang met het
Koninklijk Besluit van 17 juni 1992, Stb. 299, met ingang van 1 juli 1992
gewijzigd artikel 1 van de Beroepswet, juncto artikel XXV van de Wet van
3 juni 1992, Stb. 278, behandelt en beslist de Arrondissementsrechtbank
te Groningen het geschil, voorzover dit op en na 1 juli 1992 dient te
geschieden.

Op grond van het bepaalde in het zesde juncto zevende lid van artikel I
van hoofdstuk 6 van de Wet van 16 december 1993, Stb. 1993/650, zoals
gewijzigd bij artikel 8A van de Wet van 23 december 1993, Stb. 1993/690,
zijn de bepalingen van de Beroepswet, zoals deze luidden voor 1 januari
1994, voor de verder behandeling van het onderhavige beroep van toepassing
gebleven; artikel 8:75 (proceskostenveroordeling) van de Wet van 4 juni
1992, Stb. 1992/315 (Algemene wet bestuursrecht), zoals nadien gewijzigd,
is wel reeds per 1 januari 1994 van toepassing geworden.

De rechtbank legt de volgende feiten aan haar oordeel ten grondslag.

Klaagster heeft van 20 oktober 1969 tot 19 april 1982 in loondienst
gewerkt bij Coveco te Assen. Zij is op 19 april 1982 werkloos geworden ten
gevolge van een massa-ontslag. Van 19 april 1982 tot 2 november 1982 heeft
klaagster een WW- uitkering gekregen van de Bedrijfsvereniging ‘De
Samenwerking.

Klaagster is voor het ontslag voorgelicht over de mogelijkheid om een
uitkering te krijgen op grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV),
zoals deze toen luidde, door een medewerker van de Gemeentelijke Sociale
Dienst van Assen (zie schrijven Coveco d.d. 5 oktober 1981). Deze
medewerker heeft klaagster, na bestudering van haar loongegevens en die
van haar echtgenoot, medegedeeld dat zij geen recht op WWV- uitkering had,
omdat zij als gehuwde vrouw als niet-kostwinner beschouwd moest worden.
Klaagster heeft zich hierbij neergelegd. Zou zij een gehuwde man zijn
geweest, dan was haar zonder enige inkomensvergelijking met ingang van 2
november 1982 een WWV-uitkering toegekend.

Klaagster was destijds niet op de hoogte van het bestaan van de zogeheten
derde EG-richtlijn (79/7), noch van enige andere wettelijke bepaling met
betrekking tot gelijke behandeling van vrouwen en mannen. Jaren later is
zij hier wel van op de hoogte geraakt door perspublicaties, doch eerst op
23 augustus 1991 heeft klaagster verweerder verzocht haar een WWV-
uitkering toe te kennen in verband met de op 19 april 1982 ingetreden
werkloosheid, aangezien klaagster had begrepen dat dit pas op dat moment
zinvol was.

Verweerder heeft vervolgens — kort gezegd — geweigerd dit verzoek te
honoreren, omdat klaagster op 23 augustus 1991 de zestigjarige leeftijd
reeds had bereikt. Klaagster heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing,
welk bezwaar bij de bestreden beslissing ongegrond is verklaard.
Verweerder grondt dit besluit op overwegingen welke zijn ontleend aan de
circulaire van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
d.d. 26 september 1991, nr. SZ/HSV/WR/91-4433a luidend onder meer als
volgt:

‘Uit artikel 13 van het Besluit overgangsregels werkloosheidswetten
stelselherziening sociale zekerheid d.d. 30 juni 1987, nr. 87/4259, Stcrt.
1987, 130, blijkt, dat het de bedoeling is dat op personen die de leeftijd
van zestig jaar hebben bereikt niet (langer) de WWV van toepassing is,
maar in de plaats daarvan de NWW. Niettemin weigerden de
bedrijfsverenigingen de uitkeringsaanvragen over te nemen, dan wel wezen
zij de aanvragen af. Gevolg hiervan was, dat de betrokken personen niet
in aanmerking kwamen voor WWV- uitkering (bovengenoemd artikel 13 staat
hier immers aan in de weg) en evenmin werd hen dus NWW-uitkering
verstrekt. Deze situatie was uiteraard zeer ongewenst. Om de betrokken
personen tegemoet te komen, ging u er in sommige gevallen toe over om toch
WWV-uitkering te verstrekken. Ik wijs u erop dat deze uitkeringen geen
wettelijke basis hebben en derhalve zal er ook geen rijksvergoeding voor
deze uitkeringen kunnen worden gegeven. Thans kan ik u melden, dat de
bedrijfsverenigingen alsnog de aanvragen van de betrokken personen in
behandeling zullen nemen en zo mogelijk zullen honoreren.’

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank acht de door verweerder (en de staatssecretaris) gevolge
benadering niet juist. Deze ziet over het hoofd dat de hoofdregel van
artikel 18 WWV welke inhoudt dat de uitkering ingaat op de dag van de
aanvraag, een uitzonderingsmogelijkheid kent. In samenhang met het gegeven
dat het recht op WWV-uitkering ontstaat, indien aan de
ontstaansvoorwaarden wordt voldaan, ook al wordt geen aanvraag ingediend,
betekent dit dat het rechtens juist is om niet alleen niet zonder meer te
stellen dat het zijn van zestig jaar of ouder op de dag van de aanvraag
in de weg staat aan het hebben van een recht op uitkering, doch dat het
rechtens mogelijk is dat het recht op uitkering kan worden geeffectueerd
met ingang van een dag gelegen voor het bereiken van de zestigjarige
leeftijd.

Nu klaagsters werkloosheid bovendien voor 1 januari 1987 is aangevangen
en het ontstaan van het recht op WWV-uitkering derhalve voor die dag ligt,
is het voorts onjuist om, zoals verweerder (in navolging van de
staatssecretaris) doet, uitsluitend het bij en krachtens de Invoeringswet
Stelselherziening (IWS) gegeven overgangsrecht beslissend te doen zijn
voor de vraag of klaagster nog rechten aan de WWV kan ontlenen. De
rechtbank verwijst in dit verband naar de benadering van de Centrale Raad
van Beroep, zoals gevolgd in de uitspraak van 8 december 1992, WWV
1989/22, RSV 1993/148. De rechtbank merkt hier bij op dat artikel 18 WWV
ook in geval van het laat aanvragen van een WWV-uitkering geen invloed
heeft op het beslissend moment voor het ontstaan van het uitkeringsrecht
en daarmee evenmin op het toepasselijke recht.

De rechtbank overweegt voorts als volgt.

Hoewel klaagster onder de werking van de derde Richtlijn, alsmede onder
de werking van artikel 26 BuPo-verdrag valt, ziet de rechtbank in de over
deze artikelen gegeven uitspraken geen aanknopingspunt om te oordelen dat
artikel 18 WWV ten aanzien van klaagster buiten toepassing zou moeten
blijven, in die zin dat de late aanvraagdatum rechtens geen rol zou mogen
spelen.

Hoewel geoordeeld moet worden dat klaagster reeds op 23 december 1984
recht op WWV-uitkering had, omdat zij zich heeft beroepen op voormelde
richtlijn en zij daardoor aan die richtlijn met ingang van die datum een
recht op WWV-uitkering kan ontlenen (immers: gelijk op die datum gehuwde
mannen dat konden), blijkt met name uit het arrest Steenhorst-Neerings dat
de hoofdregel van artikel 18 WWV ook op klaagster van toepassing is. De
rechtbank leidt uit dit arrest namelijk af dat een nationale bepaling,
welke zich verzet tegen het geldend maken van een uitkeringsrecht met
terugwerkende kracht, ook voor zover die terugwerkende kracht betrekking
heeft op een tijdvak, waarin een discriminerende bepaling van nationaal
recht (nog) niet in overeenstemming was gebracht met het
gemeenschapsrecht, niet strijdig is met dat gemeenschapsrecht, indien die
bepaling de mogelijkheid onverlet laat om met gebruikmaking van nationale
rechtsmiddelen de bescherming van het gemeenschapsrecht in te roepen. Dat
laatste was voor klaagster met betrekking tot de derde Richtlijn in ieder
geval op 23 december 1984 mogelijk. Andere gehuwde vrouwen,
niet-WWV-kostwinners, hebben dit dan ook gedaan. Klaagster wist echter
niet van het bestaan van die mogelijkheid, doch dat kan geen voldoende
reden worden geacht om op grond van het EG-recht voormelde hoofdregel niet
op klaagster van toepassing te achten.

Ook het bepaalde in artikel 26 BuPo-verdrag kan klaagster met name om
dezelfde reden niet baten. De rechtbank verwijst in dit verband bovendien
naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 april 1993, AWW
1992/29, RSV 1994/11.

Een en ander geldt te meer nu op de hoofdregel van artikel 18 WWV een
uitzondering kan worden gemaakt.

De rechtbank heeft reeds aangeduid dat klaagster recht op WWV- uitkering
heeft op grond van de bepalingen van de WWV, zoals deze tot 1 januari 1987
golden, in samenhang met het bepaalde in het eerste lid van artikel 4 van
de derde Richtlijn, alsmede artikel 26 BuPo-verdrag; welk recht betrekking
heeft op het tijdvak aanvangend op 23 december 1984. Indien hiertoe termen
aanwezig zijn, kan volgens artikel 18 WWV dat recht eerder dan op de
aanvraagdatum geldend worden gemaakt. Deze mogelijkheid is soortgelijk aan
de in het vijfde lid van artikel 25 AWW opgenomen mogelijkheid om een —
kort gezegd — in verband met discriminatie en onbekendheid laat
aangevraagd weduwnaarspensioen met terugwerkende kracht geldend te doen
maken c.q. te doen ingaan.

Aan deze mogelijkheid heeft verweerder geen aandacht besteed. Dit dient
verweerder alsnog te doen. De rechtbank wijst in dit verband op
evenvermelde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Daaruit blijkt dat
in geval van een seksediscriminerende nationale bepaling met betrekking tot
een uitkeringsrecht voorop staat dat er een bevoegdheid is om de uitkering
eerder te doen ingaan dan op de in de wet genoemde datum, doch dat van die
bevoegdheid slechts gebruik hoeft te worden gemaakt indien het nalaten
daarvan leidt tot een voor het rechtsgevoel onbevredigend resultaat (een
bijzondere hardheid).

Verweerder dient ten minste deze maatstaf aan te houden bij de nieuw te
nemen beslissing.

Voorgaande overwegingen leiden met toepassing van artikel 8:75 Algemene
wet bestuursrecht, waarbij de wegingsfactor 1.5 geldt, tot de navolgende
uitspraak. De rechtbank merkt hier naar aanleiding van de vordering van
klaagsters gemachtigde bij op dat artikel 8:73 Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing is.

III. Uitspraak.

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing;
-bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing dient te nemen over
klaagsters recht op WWV-uitkering, met inachtneming van hetgeen in deze
uitspraak is overwogen; -veroordeelt verweerder in de proceskosten ten
bedrage van ten eerste ƒ 3.727,50 en ten tweede ƒ 8,76 en bepaalt dat de
gemeente Rolde de ƒ 3.727,50 alsmede het gestorte griffierecht van ƒ 25,=
aan klaagsters gemachtigde dient te vergoeden en de ƒ 8,67 aan klaagster.

Rechters

Mrs. Lennaerts, Van der Leleie, Wentholt

Instantie: VN Comite rechten van de mens, 7 april 1994

Instantie

VN Comite rechten van de mens

Samenvatting


Klaagster was werkloos van 1 augustus 1983 tot 18 augustus 1985. Zij vroeg
op 1 april 1985 een WWV-uitkering aan en die werd haar alsnog toegekend
vanaf 23 december 1984. Klaagster eist ook een WWV-uitkering voor de
periode 1 februari 1984 tot 23 december 1984. Zij heeft echter niet kunnen
aantonen dat de WWV-regeling niet gelijkelijk op haar is toegepast.
Bovendien heeft zij voor 23 december 1984 geen WWV aangevraagd en kan zij
dus geen slachtoffer zijn van een schending van art. 26 BuPo-verdrag. De
klacht is daarom niet- ontvankelijk. De rechtstreekse werking van het
BuPo-verdrag is een zaak van nationaal recht.

Volledige tekst

Decision on admissiblility

1. The author of the communication is Mrs. R., a citizen of the
Netherlands, residing in De lier, the Netherlands. She claims to be a
victim of a violation by the Netherlands of article 26 of the
International Covenant on Civil and Political Rights. She is represented
by counsil.

The facts as submitted by the author:

2.1. The author, who is married, was employed as a schoolteacher from
August 1982 to August 1983. As of 1 August 1983, she was unemployed. She
claimed, and received, unemployment benefits by virtue of the WWV
(Unemployment Act). Pursuant to the provisions of that Act, the benefits
were granted for a maximum period of six months, i.e. until 1 February
1984. The author subsequently found new employment as of 18 August 1985.

2.2. Having received WW benefits for the maximum period ending on 1
February 1984, the author contends, that she was entitled, thereafter, to
a benefit under the then WWV (Unemployment Provision Act), for a period
of up two years. Those benefits would have amount to 75 per cent of the
last salary, whereas the WW benefits amounted to 80 per cent of the last
salary.

2.3. In 1 April 1985, the author applied for WWV benefits; her application
was, however, rejected by the Municipality of De Lier on 23 May 1985, on
the grounds that, as a married woman who did not qualify as a breadwinner,
she did not meet the requirements of the Act. The rejection was based on
article 13, paragraph 1, subsection 1, of WWV, which did not apply to
married man.

2.4. On 26 February 1987, the municipality confirmed its earlier decision.
On 26 April 1989, however, it partly revoked its decision and granted the
author WWV benefits for the period of 23 December 1984 to 18 August 1985.
It still refused benefits for the period of 1 February to 23 December 1984
(see paragraph 2.5. below). The author appealed the decision to the Board
of Appeal in The Hague which, on 15 November 19890, declared her appeal
unfounded. The author subsequently appealed to the Central Board of Appeal
which, by judgment of 5 July 1991, confirmed the Board of Appeal’s
decision.

2.5. In its judgment of 5 July 1991, the Central Board of Appeal refers
to its judgment of 10 May 1989 in the case of Mrs. R in which it noted
that article 26 in conjunction with article 2 of the International
Covenant on Civil and Political Rights applies also to the granting of
social security benefits and similar entitlements. The Central Board
further observed that the explicit exclusion of married women unless they
met specific requirements that are not applicable to married men, implied
direct discrimination on the ground of sex in relation to marital status.
The Central Board, having made reference to article 26 of the Covenant,
indicated that it was to have direct applicability as of 23 December 1984.

2.6. On 24 April 1985, the State party abolished the requirement of
article 13, paragraph 1, subsection 1, limiting the retroactive effect,
however, to persons who had become unemployed on or after 23 December
1984. In 1991, further amendments to the WWV resulted in the abolition of
this limitation as a consequence of which women can claim benefits also
when they became unemployed before 23 December 1984, provided they satisfy
the other requrements of the Act. One of the other requirements is that
the applicant must be unemployed on the date of application.

The complaint:

3.1. In the author’s opinion, the denial of WWV benefits amounts to
discrimination within the meaning of article 26 of the Covenant. In this
context, she refers tot the Committee’s Views in respect of communications
No. 172/1984 (Broeks v. the Netherlands) and No. 182/1984 (Zwaan-de Vries
v. the Netherlands).

3.2. The author notes that the Covenant entered into force for the
Netherlands on 11 March 1979, and that, accordingly, article 26 was
directly applicable as of that date. She contends that the date of 23
December 1984 was chosen arbitrarly, as there is no formal link between
the Covenant and the Third EEC Directive. The Central Board had not, in
earlier, judgments, taken a consistent view with regard to the direct
applicability of article 26. In a case relating to the General Disablement
Act (AAW), for instance, the Central Board decided that article 26 could
not be denied direct applicability after 1 January 1980.

3.3. The author submits that the Netherlands had, upon ratifying the
Covenant, accepted the direct applicability of its provisions, in
accordance with articles 93 and 94 of the Constitution. She further argues
that, even if the possiblility of gradual elimination of discrimination
were permissible under the Covenant, the transitional period of almost 13
years between the adoption of the Covenant in 1966 and its entry into
force for the Netherlands in 1979 was sufficient to enable it to adapt
its legislation accordingly.

3.4. The author contends that the changes recently introduced in the
legislation do not provide her with a remedy for the discrimination
suffered under article 13, paragraph 1, subsection 1, of the old law. In
this contect, she points out that, although she applied for benefits while
she was still unemployed, the new law still does not entitle her to
benefits for the period of 1 February to 23 December 1984. According to
the current interpretation of the law, based on the jurisprudence of the
Central Board of Appeal, WWV benefits can be granted to women who had a
claim originating in unemployment that began before 23 December 1984, but
these benefits can only be granted as from 23 December 1984. For the
unemployment period before that date, benefits are still not being
granted. In a memorandum from the Deputy Minister of Social Affairs, dated
14 May 11990, in which the proposed amendments to the WWV were explained,
it is clearly stated that the starting dat of the benefits is either 23
December 1984 of a later date.

3.5. The author claims that she suffered financial damage as a result of
the application of the discriminatory WWV provisions, in the sense that
benefits were denied to her for the period of 1 February tot 23 December
1984. She requests the Human Rights Committee to find that article 26
acquired direct effect as from the date on which the Covenant entered into
force for the Netherlands, i.e., 11 March 1979, and that the denial of
benefits on the basis of article 13, paragraph 1, subsection 1, of WWV is
discriminatory within the meaning of article 26 of the Covenant. She
claims that WWV benefits should be granted to women on an equal footing
with men as of 11 March 1979, and in her case as of 1 February 1984.

The State party’s aobservations:

4. By submission of 18 February 1993, the State party confirms that the
author has exhausted domestic remedies and states that it is no aware of
any other abstacles to admissibility of the communication.

Issues and proceedings before the Committee:

5.1. Before considering any claim contained in a communication, the Human
Rights Committee must decide, in accordance with rule 87 of its rules of
procedure, whether of nor it is admissible under the Optional Protocol to
the Covenant.

5.2. The Committee notes that the State party does not object to the
admissibility of the communication. Nevertheless, it is in the Committee’s
duty to ascertain whether all the admissibility criteria laid down in the
Optional Protocol have been met.

5.3. The Committee notes that the author contends that she is entitled
without discrimination to benefits for the period of 1 February to 23
December 1984 and that the amendments in the law do not provide her with
a remedy. The Committee notes that the author applied for benefits under
the WWV on 1 April 1985, and that benefits were granted retroactively as
from 23 December 1984. With reference to its constant jurisprudence( See
inter alia the Committee’s Views with regard to communications No.
172/1984 (Broeks v. the Netherlands) and No. 182/1984 (Zwaan-de Vries v.
the Netherlands), adopted on 9 April 1987, and No. 415/1990 (Pauger v.
Austria), adopted on 26 March 1992). , the Committee recalls that, while
article 26 requires that discrimination be prohibited by law and that all
persons be guaranteed equal protection against discrimination, it does not
concern itself with which matters mat be regulated by law. Thus, article
26 does not of itself require States parties either to provide social
security benefits or to provide them retroactively, in respect of the date
of application. However, when such benefits are regulated by law, then
such a law must comply with article 26 of the Covenant.

5.4. The Committee notes that the law in question grants to men and women
alike benefits ad from the day of application, unless there are sufficient
reasons to grant benefits as from an earlier date. The Committee also
notes the view expressed by the Central Board of Appeal that benefits for
those women who did not qualify for benefits under the old law should be
granted retroactively as from 23 December 1984 but not earlier. The author
has failed to substantiate, for purposes of admissibility, that these
provisions were not equally applied to her, in particular that men who
belatedly apply are granted wider retroactive benefits, as from the date
in which they have become eligible for benefits, whereas she, as a woman,
was denied such benefits. Accordingly, the Committee finds that the author
has failed to substantiate her claim under article 2 of the Optional
Protocol in this regard.

5.5. As regards the author’s claim that the discriminatory nature of the
law from 1 February to 23 december 1984, and the application of the law
at that time, made her a victim of a violation of the right to equality
before the law, the Committee notes that the author, in the period between
1 February and 23 December 1984, did not apply for benefits under the WWV.
Therefore, she cannot claim to be a victim of a violation of article 26
by the application of the law in force during that period, even if the law
in question were found to be discriminatory in respect of some of those
applying under it. This aspect of the communication is thus inadmissible
under article 1 of the Optional Protocol.

5.6. As to the issue raised by the author whether article 26 of the
Covenant acquired direct effect in the Netherlands as from 11 March 1979,
the date on which the Covenant entered into force for the State party, or
in any event as from 1 February 1984, the Committee notes that the
Covenant applies for the Netherlands as from its date of entry into force.
The question of whether the Covenant can be invoked directly before the
Courts of the Netherlands is however a matter of domestic law. This part
of the communication is therefore inadmissible under article 3 of the
Optional Protocol.

6. The Human Rights Committee therefore decides: (a) That the
communication is inadmissible under articles 1, 2 and 3 of the Optional
Protocol; (b) That this decision shall be communicated to the State party,
to the author and to her counsel.

Rechters

Instantie: Europese Commissie voor de rechten van de mens, 6 april 1994

Instantie

Europese Commissie voor de rechten van de mens

Samenvatting


Een ongehuwde man heeft een relatie met een gehuwde vrouw en uit deze
relatie wordt een kind geboren. Na verloop van tijd scheidt de vrouw en
de echtgenoot ontkent zijn vaderschap. De biologische vader wil omgang
met het kind. De Commissie oordeelt dat het twijfelachtig is of de
biologische vader altijd recht heeft op omgang met het kind. In ieder
geval kan het recht op omgang op basis van art. 8 lid 2 EVRM worden
ontzegd, gezien het gewelddadig karakter van de man en het belang van
het kind buiten de conflicten van de ouders te blijven. De man is niet
ontvankelijk.

Volledige tekst

The facts

a. Particular circumstances of the case

The applicant is a British citizen born in 1947 and resident in
Ashford. The facts as submitted by the applicant may be summarised as
follows.

The applicant is unmarried. In July 1990, he began a sexual
relationship with a married woman Mrs. F. Mrs. F. told him that she had
been married for 15 years and that she had never become pregnant though
she had undergone treatment to promote fertility.

Towards the end of 1990, the applicant believed that Mrs. F was
thinking of separating from her husband and coming to live with him.
When early in 1991, Mrs F informed the applicant that she was pregnant,
it seemed to him that they had agreed that the applicant was the father
and they would look after the child together.

Mrs. F informed her husband of the affair and the pregnancy. Shortly
after, she told the applicant that she would continue live with her
husband and that she and her husband would bring up the child.

The applicant did not wish to be deprived of his future relationship
with the child and sought legal advice.

On 14 November 1991, Mrs. F gave birth to a daughter E.

Mrs. F refused to enter into a parental responsibility agreement with
the applicant and denied that he was the father. On 31 March 1992, the
applicant applied to the courts for an order of parental responsibility
and contact with E under the Children Act 1989 (the 1989 Act) stating
that he believed that he was the natural father of E.

Following a directions hearing before the magistrates’ court on 11 May
1992, the magistrate transferred the applications to the High Court. He
referred, interalia, to the fact that at the time of conception Mrs. F
was having sexual relations with both her husband and the applicant and
that Mrs. F opposed any application for DNA tests which might disturb
the presumption of legitimacy which E enjoyed.

On 17 June 1992, following a hearing at which the applicant was
represented by counsel, the High court decided that no order or tests
determining paternity should be made.

On 6 July 1992, following a hearing at which the applicant was
represented by counsel, the High Court decided that no order for tests
determining paternity should be made.

The High Court judge stated the applicant had never seen the child and
that it had been accepted by the parties that the relationship between
the applicant and Mrs. F had ended the moment that she discovered that
she was pregnant. He held:

“Where a child is conceived and brought up in an existing marriage as a
child of the family, and the association of the mother with the man who
claims to be the putative father has terminated well before the birth
of the child, and such association co-existed with sexual relations
with the husband, a court should decline to exercise its discretion to
order a blood test for DNA profiling under section 20 of the Law Reform
Act 1969 ….”

The judge noted that any successful application by the applicant for a
parental rights order or a contact order was a remote and unlikely
prospect. He considered it unfair to expose E to the risk of losing the
presumption of legitimacy that she had hitherto enjoyed. He also stated
that the court would not order a test to be carried out against the
will of the parent who has sole parental responsibility and residence
of the child at the behest of a stranger to the marriage during which
the child was conceived to satisfy that stranger’s own desire to know
the truth about the consequences of a relationship with the mother that
terminated well before birth. Even if the object of the application for
a test was to regulate the putative father’s conduct as to whether to
seek parental responsibility of or contact with the child, he stated
that this would be counterbalanced by the interests of the child not to
be disturbed in its present status and position as child in the family
of Mrs. F and her husband.

The applicant appealed to the Court of Appeal. He could no longer
afford to pay for his own counsel. The Legal Aid Board refused to
provide legal aid for the purpose of the appeal.

On 18 December 1992, after a hearing at which the applicant represented
himself, the Court of Appeal rejected the applicant’s appeal. In its
written judgment delivered on 5 February 1993, the Court found the
following principles established in the relevant domestic case-law:

1. the presumption of legitimacy merely determines the onus of proof;

2. public policy no longer requires that special protection be given by
law to the status of legitimacy;

3. the interests of justice will normally require that available
evidence be not suppressed and that the truth be ascertained where
possible; in many cases the interests of the child are also served if
the truth is known;

4. the interests of justice may conflict with the interests of the
child. In general the court ought to permit a blood test to be taken
unless it is satisfied that it would be against the child’s interest:
it does not need to be satisfied that the outcome of the test will be
of benefit to the child;

5. it is not protecting a child to ban a blood test on vague or shadow
conjecture that it may turn out to its disadvantage;

6. a blood sample may not be taken from person under 16 years without
the consent of the person having his or her care and control. Without
such consent it may not be proper for the court to order a test.

The Court of Appeal agreed with the High Court judge that it was
relevant to take into account the applicant’s prospects of obtaining
orders for parental responsibility and contact and commented that it
could not see how such orders could possibly have benefited E. While it
found that the judge might have given more weight than was proper to
the presumption in favour of legitimacy, this did not detract from the
main thrust of his judgment. It found that the risks of E marrying
someone with the prohibited degrees of relationship or of being
ignorant of a factor vital to her health were infinitesimal when
brought into the balance against the harm that might be caused to her
if the applicant’s applications proceeded.

The Court of Appeal concluded:

” …E’s welfare depends for the foreseeable future primarily upon her
relationship with her mother
.. Anything which may disturb that relationship of the stability of the
family unit within which E has lived since her birth is likely to be
determined to E’s welfare, and unless that detriment is shown to be
counterbalanced by other positive advantages to her which an order for
the taking of blood tests could confer, then the judge’s refusal was
not merely an exercise of his discretion with which we cannot
interfere, but one which in the circumstances of this case we agree.

made a number of other points by way of criticism of
the judgment below, including the point that the public interests, as
well as E’s own personal interest, requires that the truth of her
paternity be ascertained if possible. However, in the last resort it is
clear that E’s interests must be the decisive factor; where, as here,
the judge was satisfied that it would be against E’s interests to order
blood tests to be taken -a decision with which we agree- then it was
his duty and his right to refuse the application. It was for these
reasons that we dismissed the appeal.”

The applicant’s petition for leave to appeal to the House of Lords was
refused on 30 March 1993.

b Relevant domestic law and practice

Welfare of the child

Section 1 of the Children Act 1989 provides, inter alia;

(1) When a court determines any question with respect to (a) the
upbringing of a child; … the child’s welfare shall be the court’s
paramount consideration.

Acquisition of parental responsibility by an unmarried father

Section 4 of the Children Act 1989 provides as relevant:

“1. Where a child’s father and mother were not married to each other at
the time of his birth-

(a) the court may, on the application of the father, order that he
shall have parental responsibility for the child; or

(b) the father and mother may by agreement (“a parental responsibility
agreement”) provide for the father to have parental responsibility for
the child
..”

Discretion of the courts to order blood tests

Section 20 (1) of the Family Law Reform Act 1969 provides:

“In any civil proceedings in which the paternity of any person falls to
be determined by the court hearing the proceedings, the court may, on
an application by any party to the proceedings, give a direction for
the use of blood tests to ascertain whether such tests show that a
party to the proceedings is or is not thereby excluded from being the
father of that person and for the taking, within a period to be
specified in the direction, of blood samples from the person, the
mother of that person and any person alleged to be the father of that
person or from any, or any two, of those persons …”

Complaints

The applicant submits that he has been deprived of a fair hearing
contrary to Article 6 of the Convention. Under the 1989 Act, only an
unmarried father can make an application for parental responsibility.
Since the courts have refused to order the tests which would establish
if he was the biological father of E, the applicant is unable to have
determined before the courts the issue as to whether he should enjoy
parental responsibility in respect of E.

The applicant also invokes Article 8 of the Convention. He submits that
knowledge of family and blood relationships is a right of family and
private life and the courts violate that right if they deliberately
prevent the truth about this aspect of personal identity being
discovered. The decisions of the courts have denied the applicant the
possibility of any future paternal relationship with the child. He
complains that this also constitutes a violation of the rights of E. In
addition, E has been prejudiced in that the decisions of the court deny
her the possibility of enjoying the legal right to inherit from him and
deprive her of the knowledge which enable her to avoid marrying within
the prohibited degrees of relationship and of the correct knowledge of
her genetic origins which might be relevant to her health.

The applicant claims further that he has been subject to discrimination
contrary to Article 14 of the Convention. There is no legal obstacle
preventing a natural mother from having her parenthood recognised and
registered in respect of her child. Where scientific methods exist
which can resolve doubts as to parenthood, it is unjust discrimination,
he submits, to deny a man the possibility of having his paternity
established. In addition, where a woman wishes to prove a man is het
biological father of her child for example, with regard to child
support provisions, the courts are generally required to determine the
issue.

The law

1. The applicant complains that he has been deprived of a fair hearing
in his applications for paternal responsibility and contact in respect
of E. He invokes Article 6 of the Convention which provides as relevant
in its first paragraph:

“1. In the determination of his civil rights and obligations …,
everyone is entitled to a fair and public hearing within a reasonable
time by an independent and impartial tribunal established by law….”

The applicant submits that since the courts refuse to order a blood
test he is unable to obtain a proper determination of his claims as
natural father to paternal responsibility of and contact with E.

The Commission considers that the fact that an applicant’s case stand
poor prospects of success due to evidential difficulties in
establishing his right to make a particular claim does not constitute a
denial of effective access to court. Insofar as the applicant complains
that the court decisions with regard to the blood test deprived him of
the necessary evidence, the Commission notes that in respect of this
issue the applicant had the opportunity of arguing his case for an
order of testing in the High court and on appeal to the Court of
Appeal. Both courts gave full reasoned judgments for refusing to make
an order after hearing the parties. The Commission recalls that the
applicant was represented by counsel at first instance. While the
refusal of legal aid for his appeal resulted in the applicant
presenting his own appeal, it does not appear that he was prevented
thereby from placing his arguments before the court in an effective and
cogent manner.

In these circumstances, the Commission finds no indication of a
violation of Article 6 para. 1 of the Convention.

It follows that this complaint must be rejected as manifestly
ill-founded within the meaning of Article 27 para. 2 of the Convention.

2. The applicant complains that the refusal of the courts to order a
blood test violates his right to respect for family and private life.
He also submits that the rights of E have been violated. The Commission
notes that the applicant is not under domestic law E’s guardian or
legal representative. The Commission does not find that the applicant
has any standing to represent E in these proceedings and therefore
limits its examination of these complaints relating to the applicant.
Article 8 of the Convention provides as relevant:

“1. Everyone has the right to respect for his private and family life
…

2. There shall be no interference by a public authority with the
exercise of this right except such as is in accordance with the law and
is necessary in a democratic society in the interests of national
security, public safety or the economic well-being of the country, for
the prevention of disorder or crime, for the protection of health or
morals, or for the protection of the rights and freedoms of others.”

a. The Commission has first examined wether the applicant’s claimed
relationship with E falls within the scope of ‘family life’ as
protected by the above provision.

The Commission recalls that the existence or not of a ‘family life’
falling within the scope of Article 8 of the Convention will depend on
a number of factors, of which co-habitation is only one, and on the
circumstances of each particular case (see eg. No. 12402/86, Dec.
4.3.88, D.R. 55 p. 224). The application of this principle has been
found by the Commission to extend equally to the relationship between
natural fathers and their children born out of wedlock (No. 18280/91,
Dec. 9,4,92 to be published in DR). Further, the Commission considers
that Article 8 cannot be interpreted as only protecting ‘family life’
which has already been established but, where the circumstances warrant
it, must extend to the potential relationship which may develop between
a natural father and a child born out of wedlock. Relevant factors in
this regard include the nature of het relationship between the natural
parents and the demonstrable interest in and commitment by the natural
father to the child both before and after the birth (see eg. No.
16969/90, Keegan v. Ireland, Comm. Rep. 17.2.93).

In the present case, the Commission recalls that the applicant did not
cohabit with the mother and that his relationship with her lasted
approximately 6-7 months. Unlike in the case of Keegan (see above)
where the Commission found the relationship of a natural father and his
child fell within the scope of Article 8 para. 1 of the Convention, the
pregnancy was not planned and the applicant in this case did not see
the child or form any emotional bond with her. Further, the mother of
the child asserts that the father of the child is her husband, not the
applicant.

The Commission finds that in the circumstances of this case the
applicant’s link with the child has insufficient basis in law and fact
to bring the alleged relationship within the scope of Article 8 para. 1
of the Convention.

b. The applicant has also submitted that the refusal to allow him to
uncover the truth about an important aspect of his personal identity,
namely, the nature of his relationship with E, affects his private
life. The Commission recalls that in the Rasmussen case (Eur. Court
H.R., Rasmussen judgment of 28 November 1984, Series A no. 87 p. 13
para. 33) the Court found that the determination of the applicant’s
legal relations with his putative daughter undoubtedly concerned his
private life.

The Commission has therefore considered wether the courts’ refusal to
order a blood test which might disclose the applicant’s paternity of E
reveals a lack of respect for his private life.

The Commission considers that the applicant is arguing in effect not
that the State should refrain from acting but rather that it should
take steps to ensure adequate recognition of his potential relationship
as biological father of a child being brought up as the child of a
married couple. Although the essential object of article 8 is to
protect the individual against arbitrary interference by public
authorities, there may in addition be positive obligations inherent in
an effective ‘respect’ for family life (see eg. Eur. Court H.R., Marckx
judgment of 13 June 1979, series A no. 31 p. 31 para. 31). In this
context, the notion of ‘respect’ is not clear-cut and its requirements
will vary considerably from case tot case according to the practices
followed and the situations obtaining in Contracting States.

In determining whether or not such an obligation exists, regard must be
had to the fair balance which has to be struck between the general
interest and the interests of the individual (see eg. eur. Court H.R.
Abdulaziz judgment of 28 May 1985, Series A no. 94 p. para. 67 and the
B. v. France judgment of 25 March 1992, Series A no. 232-C para 44). In
striking this balance the aims mentioned in the second paragraph may be
of a certain relevance, although this provision refers in terms only to
‘interferences’ with the right protected in the first paragraph ie
regarding the negative obligations imposed (Eur. Court H.R. Rees
judgment of 17 October 1986, Series A no. 106 p. para. 37)

In this case, the Commission recalls that the courts refused to order a
blood test since in their view it would not be in the interests of the
child. They relied on the consideration that the child’s welfare was
bound up and the risk of disturbing the stability of that family by a
blood test would be to her detriment.

The Commission finds nothing arbitrary or unreasonable in this
assessment of the child’s interests, given that the applicant was
making no claim for custody. As the Commission found in a previous
case, there are sound reasons of legal certainty and security of family
relationships for States to apply a general presumption according to
which a married man is regarded as the father of his wife’s children
and to require good cause before allowing the presumption to be
disturbed (see No. 18535/91, Comm. Rep. 7.4.93) On the same basis, it
is justifiable for domestic courts to give greater weight to the
interests of the child and the family in which it lives than to the
interest of an applicant in obtaining verification or otherwise of a
biological fact.

In conclusion, the Commission finds that the facts of this case fail to
disclose any lack of respect for the applicant’s family or private life
contrary to Article 8 of the Convention.

It follows that this part of the application is manifestly illfounded
within the meaning of Article 27 para. 2 of the Convention.

3. The applicant further submits that he has been the subject of
discrimination contrary to Article 14 of the convention which provides:
“The enjoyment of the rights and freedoms set forth in this Convention
shall be secured without discrimination on any ground such as sex,
race, colour, language, religion, political or other opinion, national
or social origin, association with a national minority, property, birth
or other status.”

The applicant appears to complain of discrimination in that he suffers
from a number of disadvantages as a natural father which he alleges do
not apply to a natural mother. The applicant alleges that it is unjust
discrimination not to permit a man to use scientific methods to
establish his paternity. While it is true that natural mothers rarely
find themselves in a position where their relationship with a child is
factually in doubt, this is a consequence of the biological process
involved and cannot found an allegation of difference in treatment of
any natural father by the courts.

Insofar as the applicant alleges that natural mothers are generally
successful in obtaining blood tests when they wish to prove paternity
eg. In the context of seeking child support, the Commission finds that
he has not substantiated this claim. In matters relating to children,
the courts are bound to give paramount consideration to the welfare of
the child. There is no indication in the file that a practice of
assessing the interests of the child differently depending on the sex
of the person seeking the order has been followed in this case.

The applicant also complains that natural mothers have no requirement
of seeking legal recognition and registration of their parenthood of a
child. Insofar as the applicant is referring to the requirement that a
natural father must obtain a parental responsibility agreement with the
mother or a parental responsibility order from a court, whereas a
natural mother enjoys parental responsibility has objective and
reasonable justification. The relationship between a natural father and
a child may differ widely in nature and degree from, for example,
circumstances where a child is conceived casually, unintentionally or
perhaps even violently to the situation where a child is born into a
stable and established relationship between an unmarried man and woman.
The requirement that a natural father obtain an agreement or court
order permits a flexibility of response to the differing situations.
In deciding an application for parental responsibility, the courts are
required to have regard to the paramount principle of the child’s
welfare. The commission finds that this procedure pursues a legitimate
aim of securing or reconciling the rights of children and their natural
parents and that the means employed to this end are not
disproportionate.

In light of the above, the commission finds that the applicant is not a
victim of discrimination contrary to Article 14 of the Convention.

It follows that this part of the application must be rejected as
manifestly ill-founded within the meaning of Article 27 para. 2 of the
Convention.

For these reasons, the Commission by a majority declares the
application inadmissible.

Rechters

Mrs Weitzel, Rozakis, Busuttil, Gozubuyuk, Liddy, Pellonpaa,Marxer, Reffi, Conforti, Bratza, Bekes, Konstantinov

Instantie: Kantonrechter Alphen aan den Rijn, 22 maart 1994

Instantie

Kantonrechter Alphen aan den Rijn

Samenvatting


Nu het dragen van een hoofddoek als uiting van geloof, op het werk niet bij
de wet en niet uitdrukkelijk in de arbeidsovereenkomst is verboden en de te
verwachten schade miniem is, wordt het verzoek tot ontbinding van de
arbeidsovereenkomst afgewezen.

Volledige tekst

strekkende tot ontbinding van de tussen partijen bestaande
arbeidsovereenkomst, op grond van een gewichtige reden;
Gezien het op 7 maart 1994 ter griffie ingekomen verweerschrift van
verweerster; Gelet op de mondelinge behandeling van het verzoek ter
terechtzitting van 15 maart 1994;
De beoordeling
Bij op 10 februari 1994 ter griffie ontvangen verzoekschrift heeft de
vennootschap onder firma (v.o.f.) Kapsalon B. de Kantonrechter verzocht de
arbeidsovereenkomst met A. te ontbinden op grond van een dringende reden,
subsidiair de gewijzigde omstandigheid, hierin bestaande dat A., die het
islamitische geloof is toegedaan, haar werkgeefster te kennen heeft gegeven
voortaan tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden als kapster in de
salon van B. een hoofddoek te willen dragen omdat haar geloofsovertuiging
zulks gebiedt.
B. acht zulks onverenigbaar met de functie van A., waarin de representatieve
haardracht van de kapster een essentieel wervend element vormt, terwijl ook
de vaste klanten van de kapsalon in een plattelandsgemeente als C. het dragen
van zulk een hoofddoek niet zouden accepteren en zouden wegblijven, waardoor
B. ernstig vreest voor het bedrijfsdebiet van de salon.
A. heeft het verzoek gemotiveerd bestreden met een beroep op haar
grondwettelijk gegarandeerde geloofsvrijheid. Zij ervaart het verbod om de
hoofddoek tijdens het werk te dragen als ongeoorloofde discriminatie op grond
van geloof, afkomst of geslacht en wijst er voorts op, dat bij haar
indiensttreding niets bedongen is omtrent een representatieve haardracht,
noch over het dragen van enige hoofdbedekking.
Vast staat tussen partijen, dat A., destijds 16 jaar oud, op 5 oktober 1987
bij B. in dienst is getreden als leerling kapster en sedertdien naar
tevredenheid heeft gefunctioneerd; zij is thans tweede kapster. Zij werkt 4
dagen per week tegen een bruto salaris van laatstelijk ƒ 1956,58 per maand.
Bij indiensttreding is rekening gehouden met haar Turkse afkomst voor wat
betreft bijzonder verlof in de vastenmaand en bij tweejaarlijks bezoek aan
haar geboorteland. Andere bijzondere afspraken zijn niet gemaakt. A. woont
sedert 15 jaar in Nederland en spreekt vloeiend Nederlands. In 1989 is zij
gehuwd met een Turkse man. Haar geloofsontwikkeling heeft zich sedertdien
ontwikkeld en verdiept. Vanaf 1990 is zij buitenshuis een hoofddoek gaan
dragen en op 14 september 1993 heeft zij aan B. medegedeeld voortaan ook op
het werk een hoofddoek te willen dragen. Tot die tijd had zij een kapsel
gedragen dat zich in geen enkel opzicht onderscheidde van hetgeen in een
`modische’ kapsalon als gebruikelijk en representatief geldt.
Als gevolg van het over dit voornemen ontstane conflict met B. heeft zij zich
enige tijd ziekgemeld. Na hersteldverklaring heeft zij B. uitdrukkelijk haar
diensten aangeboden met ingang van 21 december 1993 onder aankondiging dat
zij alsdan een hoofddoek zou dragen, die haar haar volledig bedekt. B. heeft
dit aanbod aangemerkt als niet strekkend tot het verrichten van de
overeengekomen arbeid en weigert haar op die basis tot het werk toe te laten
en loon door te betalen.
De toepasselijke CAO voor het kappersbedrijf bepaalt niets omtrent kleding of
haardracht; er is geen schriftelijke arbeidsovereenkomst.
De Kantonrechter merkt allereerst op, dat het onderhavige conflict niet
typisch voor de Nederlandse situatie is. Ook bijvoorbeeld in Turkije is een
felle strijd gevoerd voor het dragen van hoofddoekjes op onder andere
openbare scholen, hetgeen de Turkse overheid aanvankelijk streng verbood
teneinde het `openbare’ karakter van de school te waarborgen. Uiteindelijk
heeft men geen weerstand kunnen bieden aan de wereldwijde stroming om terug
te grijpen naar traditionele normen en waarden, waarvan de hoofddoek of
sluier als symbool wordt aanvaard. Tegenstanders van het toelaten van
dergelijke symbolen voeren aan dat het niet aangaat de wereldlijke wetten van
de staat te negeren met een beroep op `hogere’ religieuze wetten. Zij ervaren
het symbool van de hoofddoek daarom als bedreigend voor de gevestigde
wereldse orde.
Nu voorts vaststaat, dat het dragen van zo’n hoofddoek – door A. ook
nadrukkelijk als symbolische geloofsdaad bedoeld – noch bij enige wettelijke
bepaling, noch uitdrukkelijk in de arbeidsovereenkomst is verboden, dient te
worden onderzocht of B. er voldoende belang bij heeft om A. te houden aan de
bestaande gewoonte dan wel stilzwijgende overeenkomst om met verzorgd en
representatief kapsel in de kapsalon te werken.
Daarbij acht de Kantonrechter van belang, dat A. bij indiensttreding nog
minderjarig was en zeer jong, waar het om zulke principiële zaken gaat. In
redelijkheid kan zij eenmaal volwassen, niet gehouden worden aan haar
opvattingen als zestienjarige. Aan de bestaande gewoonte in de afgelopen zes
jaren hecht de Kantonrechter daarom weinig betekenis.
Derhalve moet worden afgewogen enerzijds het belang van B. bij een
representatieve haardracht van de in haar kapsalon werkzame kapster(s) en
kappers (zijnde een wijder strekkend meer principieel dilemma zoals hierboven
geschetst niet door haar aangevoerd) tegen anderzijds het belang van A. om
zich te voegen naar de voorschriften van haar geloof, zoals die door haar en
in haar omgeving juist worden geacht en geïnterpreteerd.
In dit opzicht heeft B. niets concreets aangevoerd; haar stellingname berust
slechts op de niet nader met feiten onderbouwde vrees dat ten eerste een
`reclame-effect’ van het representatieve kapsel van de aanwezige kapster(s)
vervalt, en dat ten tweede bepaalde klanten zullen wegblijven die niet
gediend zijn van islamitische symbolen als het dragen van een hoofddoek.
Beide effecten zouden de omzet kunnen schaden, aldus B. Als ondernemer wil B.
in vrijheid kunnen beslissen of zulke risico’s moeten worden aanvaard.
Het belang van A. is evident: niet goed denkbaar is dat zij zich als eenling
en als jonge vrouw teweer kan stellen tegen een wereldwijde tendens als
hierboven aangeduid (de Kantonrechter vermijdt hier de in de media gangbare
term `fundamentalisme’, omdat die term, naar het oordeel van de Kantonrechter
ten onrechte, meestal wordt geassocieerd met negatieve uitwassen; immers op
zichzelf steekt er niets kwaads in het teruggrijpen naar oude normen en
waarden.) Zij is slechts een `druppel in de oceaan’ en kan de bestaande
golfbeweging niet beïnvloeden vanuit haar toevallige positie. Aan de
oprechtheid van haar overtuiging bestaat ook bij B. geen enkele twijfel.
De uitkomst van deze belangenafweging kan dan ook geen andere zijn dan dat B.
A. met hoofddoek moet toelaten tot haar werk.
Het laat zich aanzien dat de daarvan te verwachten schade miniem zal zijn en
dat wij allen in Nederland, dus ook de klantenkring van B. in X., binnen de
kortste keren volkomen gewend zullen zijn geraakt aan dit attribuut. B. kan
het wervende element van het kapsel van het personeel zonodig vervangen door
andere reclame-uitingen: een andere opvatting zou tot de onaanvaardbare
gevolgtrekking leiden dat met minder uiterlijk schoon gezegenden het
kappersberoep nooit zouden kunnen uitoefenen. In feite doet zich dat naar de
indruk van de Kantonrechter niet voor.
De vrees voor het wegblijven van klanten is niet met feiten onderbouwd;
bovendien is het aan de meeste ondernemingen eigen dat het klantenbestand
fluctueert en evolueert, mede als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen,
waarop de ondernemer geen invloed kan uitoefenen. Anderen zullen zich
wellicht juist aangetrokken voelen door de, uiterst verzorgde, verschijning
van A.
Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat er geen sprake is van een
dringende reden, noch van gewijzigde omstandigheden welke van dien aard zijn
dat de dienstbetrekking dadelijk of op korte termijn behoort te eindigen, en
dat het verzoek moet worden afgewezen.
In de omstandigheden van het geval vindt de Kantonrechter aanleiding om de
proceskosten te compenseren.
De beslissing
De Kantonrechter: wijst het verzoek af;
Bepaalt dat partijen ieder de eigen kosten dragen.

Rechters

Mr. R. Th. van Leeuwen

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 18 maart 1994

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Vrouw vraagt bij echtscheiding als nevenvordering onder meer verdeling van de
door partijen opgebouwde pensioenrechten. In de huwelijkse voorwaarden is een
verrekeningsbeding met betrekking tot het onverteerde arbeidsinkomen
opgenomen. De rechtbank verwerpt de stelling van de vrouw dat de opgebouwde
pensioenen zijn betaald uit de inkomens van partijen en dat hierop het
verrekeningsbeding van toepassing is omdat het bespaarde inkomsten zijn.
Volgens de rechtbank (18 januari 1993, rolnr. 92/454) zijn de betaalde
pensioenpremies normale uitgaven, die geen onverteerd inkomen vormen.
In hoger beroep wordt dit vonnis vernietigd voor zover daarbij de vordering
van de vrouw tot verdeling van de opgebouwde pensioenaanspraken is afgewezen.
Het hof beveelt de verdeling door middel van verrekening van de door de man
vanaf de huwelijkssluiting opgebouwde pensioenaanspraken welke op het
tijdstip van ontbinding van het huwelijk zijn opgebouwd.

Volledige tekst

Het geding
Bij exploit van 31 maart 1993 is de vrouw in hoger beroep gekomen van het
vonnis van 18 januari 1993, door de rechtbank te ‘s-Gravenhage tussen
partijen gewezen.
Voor de loop van het geding in eerste instantie verwijst het hof naar hetgeen
de rechtbank daaromtrent in het aangevallen vonnis heeft vermeld.
Bij memorie van grieven heeft de vrouw acht grieven aangevoerd, welke door de
man bij memorie van grieven zijn bestreden.
Vervolgens hebben partijen, onder overlegging van hun procesdossiers, arrest
gevraagd.
Beoordeling van het hoger beroep
1. Partijen zijn op 18 september 1976 gehuwd. Uit hun huwelijk zijn twee
kinderen geboren die thans 13 en 11 jaar zijn.
2. Bij notariële akte op 17 september 1976 verleden zijn partijen
huwelijksvoorwaarden overeengekomen waarbij behalve de gemeenschap van
inboedel elke goederengemeenschap is uitgesloten. Voorts is toen, voor zover
thans van belang, overeengekomen:
artikel 2
Alle kosten van de gemeenschappelijke huishouding, waaronder begrepen de
kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, benevens alle gewone
lasten en belastingen, zullen door de man worden gedragen.
De verschuldigde inkomsten- en vermogensbelasting komt evenwel ten laste van
het inkomen respectievelijk vermogen van iedere echtgenoot naar
evenredigheid.
artikel 3
Na afloop van elk kalenderjaar zijn de echtgenoten gehouden hetgeen van hun
arbeids- en/of beroepsinkomsten (verminderd met de in artikel 2 bedoelde
kosten, lasten en belastingen) onverteerd is, bij helfte te verdelen.
Heeft de verdeling niet binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar
plaats gehad en heeft geen der echtgenoten binnen zeven maanden na afloop van
het kalenderjaar de verdeling schriftelijk gevorderd, dan vervalt het recht
tot het vorderen van deze verdeling. Wanneer een echtgenoot zonder redelijke
grond de samenwoning heeft verbroken of de andere echtgenoot heeft genoopt de
samenwoning te verbreken, alsmede wanneer hij in staat van faillissement
verkeert, surséance van betaling heeft of onder curatele staat, kan hij geen
aanspraak op vorenomschreven verdeling maken.
3. De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis onder meer de echtscheiding
uitgesproken, de alimentatie ten behoeve van de vrouw gedurende de periode
dat zij het voortgezet gebruik van de echtelijke woning zal hebben
vastgesteld op ƒ 575 per maand, geen alimentatie bepaald voor de situatie
welke zal ontstaan na verkoop van de (aan partijen gemeenschappelijk in
eigendom toebehorende) echtelijke woning, en de vordering van de vrouw tot
verdeling van de opgebouwde pensioenaanspraken afgewezen.
4.1. De vrouw beklaagt zich in de grieven I en II over het ontbreken van een
beslissing omtrent haar alimentatievordering (waarbij het hof de vermelding
van het bedrag van ƒ 1800 in de dagvaarding in hoger beroep en in het petitum
van de memorie van grieven als een verschrijving opvat van het bedrag van ƒ
1.600 zoals blijkt uit het petitum van de conclusie van repliek en ook uit
grief II blijkt) voor wat betreft de periode na beëindiging van het
voortgezet gebruik van de echtelijke woning.
4.2. De grieven zijn ongegrond. Voor de rechtbank bleken er zoveel
onzekerheden te zijn met betrekking tot de inkomens en uitgaven van beide
partijen in de toekomst dat zij terecht slechts de alimentatie heeft
vastgesteld op grond van de toen bekende gegevens. Van die door de rechtbank
ook opgesomde onzekerheden, te weten de WW-uitkering van de vrouw, haar
woonlasten, de verwachting van de man inzake een nalatenschap, de verkoop van
de echtelijke woning, wordt in hoger beroep noch door de vrouw noch door de
man enige aanvullende informatie verstrekt. Het hof kan dan ook niet anders
dan deze beslissing van de rechtbank bekrachtigen.
5.1. De grieven III tot en met VIII bestrijden de afwijzing van de vordering
van de vrouw tot verdeling van de opgebouwde pensioenafspraken.
5.2. De vraag moet worden beantwoord of bij beëindiging van een huwelijk
waarbij behalve de gemeenschap van inboedel elke goederengemeenschap is
uitgesloten maar waarbij daarnaast is overeengekomen een jaarlijkse verdeling
van hetgeen van de arbeids- en/of beroepsinkomsten (verminderd met de kosten
van de gemeenschappelijke huishouding, lasten en belastingen) van de
echtgenoten onverteerd is, een recht op verrekening van de vanaf de datum van
de huwelijkssluiting tot de ontbinding van het huwelijk opgebouwde
pensioenaanspraken bestaat.
5.3. Artikel 11, lid 3, van de Wet op de loonbelasting 1964 verstaat onder
pensioenregeling een regeling die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten
doel heeft de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij
invaliditeit en ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en van hun
(pleeg)kinderen. Een zodanige regeling komt tot stand in verband met het
verrichten van arbeid. Pensioeninkomsten zijn dan ook inkomsten uit vroegere
arbeid, ook wel aangeduid als uitgesteld loon.
5.4. Ter zake van de onderhavige uit de dienstbetrekking van de man
voortvloeiende pensioenaanspraken bestaat weliswaar verknochtheid met de
persoon van de man, maar ook een niet te verwaarlozen band met de vrouw. Voor
wat betreft het ouderdomspensioen bestaat deze band hierin dat het
pensioenrecht uit maatschappelijk oogpunt bestemd is te voorzien in de
behoefte van beide echtgenoten, terwijl niet gesteld of gebleken is dat de
opbouw van het pensioen niet kan worden gezien als het resultaat van de
gemeenschappelijke inspanning van beide echtgenoten. Voor wat betreft de
opbouw van het weduwen- c.q. wezenpensioen is dit grosso modo niet anders.
5.5. De opbouw van het pensioen is gefinancierd uit het arbeidsinkomen van de
man, waarvan het onverteerde gedeelte bij helfte verdeeld moet worden tussen
partijen. Als er geen pensioen zou zijn opgebouwd zou er ook geen premie
opgeofferd zijn en zou er meer van het arbeidsinkomen voor verdeling in
aanmerking hebben kunnen komen. Als afgesproken is arbeidsinkomsten voor
zover onverteerd, bij helfte te verdelen dan is er alleen geen aanleiding tot
verrekening van dat uitgesteld loon indien hetgeen voor het einde van het
huwelijk voor veiligstelling van dat uitgesteld loon is opgeofferd, als
verteerd moet worden aangemerkt.
5.6. Nu het betalen van pensioenpremie onlosmakelijk verbonden is met het
opbouwen van pensioenaanspraken en derhalve (in wezen slechts) bewerkstelligt
dat de uitbetaling van een deel van het arbeidsinkomen naar een later
tijdstip wordt verschoven, kan zodanige betaling niet als vertering van
arbeidsinkomen in de zin van voormelde huwelijksvoorwaarden worden
aangemerkt. Tevens brengt dit mede dat van verval van het recht tot het
vorderen van de verdeling in zoverre geen sprake kan zijn: er is geen andere
mogelijkheid dan verdeling bij gelegenheid van het einde van het huwelijk
door afkoop of anderszins.
5.7. Naar geldend recht bestaat er dus in het onderhavige geval een recht op
verrekening van de vanaf de huwelijkssluiting tot aan de ontbinding van het
huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken. Opmerking verdient dat te dezen de
maatschappelijke ontwikkelingen intussen nog verder gaan. Immers, de
werkingssfeer van het wetsvoorstel Verevening pensioenrechten bij scheiding
(kamerstuk 21.893), die al zeer ruim was en ook bij `koude uitsluiting’
pensioenverevening voorschreef, is bij de behandeling in de Tweede Kamer nog
verder uitgebreid door aanvaarding van een amendement van de kamerleden
Kalsbeek-Jasperse en Soutendijk-Van Appeldoorn, zodat ingevolge de
toekomstige wet verevening van pensioenrechten altijd zal plaatsvinden,
tenzij de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift
gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding uitdrukkelijk anders hebben
bepaald.
5.8. De beslissing van de rechtbank kan dus niet in stand blijven; de grieven
III tot en met VIII behoeven geen afzonderlijke bespreking meer; beslist moet
worden als volgt.
Beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 18 januari 1993
voor zover daarbij de vordering van de vrouw tot verdeling van de opgebouwde
pensioenaanspraken is afgewezen en in zoverre opnieuw rechtdoende:
beveelt de verdeling door middel van verrekening van de door de man vanaf de
huwelijkssluiting opgebouwde pensioenaanspraken welke op het tijdstip van
ontbinding van het huwelijk zijn opgebouwd;
bekrachtigt dit vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen
voor het overige;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, partijen echtgenoten zijnde,
aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Pieters, Von Brucken-Fock, Borgesius

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 maart 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft vanaf 1990 steeds de tijdelijke uren voor de
balletlessen ingevuld. Hoewel zij voor de tijdelijke uren voor de
balletlessen in de eerste helft van 1993 als eerste in aanmerking kwam,
heeft verzoekster in deze periode geen contractuele uitbreiding gekregen.
De reden hiervoor is dat zij in verband met bevallings- en
zwangerschapsverlof het grootste deel van de periode afwezig zou zijn. In
de periode na juni 1993 heeft verzoekster opnieuw een tijdelijke
arbeidsovereenkomst gekregen voor het geven van balletlessen. De Commissie
overweegt dat afwezigheid of verminderde inzetbaarheid wegens
zwangerschaps- en bevallingsverlof een onlosmakelijk en onvermijdelijk
gevolg is van de zwangerschap zelf en daardoor op een lijn te stellen is
met de zwangerschap zelf. Onderscheid op grond van beperkte inzetbaarheid
om hiergenoemde reden levert dus direct onderscheid op. Strijd met de Wet.
Geen buitenwettelijke rechtvaardigingsgronden mogelijk.

Volledige tekst

1.HET VERZOEK

1.1. Op 9 september 1993 verzocht mevrouw (hierna: verzoekster) de
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of het te Amsterdam (hierna: de
wederpartij) onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster is bij de wederpartij werkzaam op basis van een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor 8,48 uur per week. Naast
deze uren kreeg verzoekster vanaf 1990 telkens op basis van een tijdelijke
uitbreiding een aantal klok-uren toegewezen. In de periode januari 1993
– juni 1993 heeft verzoekster deze klok-uren niet toebedeeld gekregen.
Verzoekster stelt dat de reden hiervoor was het feit dat zij zwanger was
en in de genoemde periode door zwangerschaps- en bevallingsverlof afwezig
zou zijn. Volgens verzoekster heeft de wederpartij hiermee in strijd met
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168)
gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun
standpunten weer te geven.

2.2. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd om hun standpunten nader
mondeling toe te lichten tijdens een hoorzitting op 10 februari 1994.
Daarbij waren aanwezig: van de kant van verzoekster – mw – mw mr M.J. de
Groot (advocaat)

van de kant van de wederpartij – dhr (hoofd dienst
Personeelszaken) – dhr

van de kant van de Commissie – dhr prof. mr P.F. van der Heijden
(Kamervoorzitter) – mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer) – mw drs A.J.
Huber (lid Kamer) – mw mr I.M.C.V.T. Kiebert (lid Kamer) – mw mr C.B.
Mol-Bronkhorst (lid Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een instelling op het gebied van het
kunstonderwijs. Verzoekster is vanaf 1985 als docente werkzaam bij de
wederpartij op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor
8.48 uur per week. Vanaf 1990 kreeg zij naast deze uren telkens een
tijdelijk contract voor een aantal uren balletonderwijs. Het aantal
klok-uren varieerde van 0.9 tot 2.1 per week. Ook in de periode januari
– juni 1993 was het geven van balletlessen aan de afdeling toneel en de
afdeling kleinkunst onderdeel van het programma van de wederpartij. Deze
uren zijn toen niet aan verzoekster toebedeeld in verband met haar
voorzienbare afwezigheid vanwege zwangerschap en bevalling. In de
daaropvolgende periode heeft verzoekster wel weer op tijdelijke basis
balletlessen gegeven.

3.2. Het balletonderwijs dat verzoekster verzorgt, is een van de
onderdelen van het onderwijsprogramma dat door tijdelijk personeel wordt
ingevuld. Vergeleken met andersoortige onderwijsinstellingen is bij
wederpartij een relatief groot deel van het personeelsbestand op
tijdelijke basis werkzaam. Dit heeft enerzijds te maken met de wens van
de wederpartij om flexibel te zijn in haar onderwijsaanbod. Met tijdelijk
personeel kan deze flexibiliteit makkelijker bereikt worden dan met vast
personeel. Daar komt bij dat de wederpartij een gesubsidieerde instelling
is, waardoor haar financiele basis niet zo stevig is. Ook vanwege deze
reden is een relatief groot deel van het personeelsbestand op tijdelijke
basis werkzaam. Overigens ambieren docenten vaak zelf tijdelijke
contracten, omdat zij het les geven als een nevenactiviteit zien, naast
het werken in de beroepspraktijk.

Een docent zoals verzoekster die op tijdelijke basis lessen geeft, mag er
bij de continuering van de lessen op vertrouwen dat hij of zij als eerste
in aanmerking komt voor een nieuwe tijdelijke uitbreiding. Wanneer echter
van tevoren vaststaat dat de beoogde prestatie niet geleverd kan worden
in de vastgestelde periode, en partijen zich ook nog niet expliciet jegens
elkaar gebonden hebben, wordt evenwel geen nieuwe tijdelijke
taakuitbreiding toegedeeld.

3.3. Eind 1992 hebben verzoekster en wederpartij gesproken over de
invulling van de balletlessen in de eerste helft van 1993. Verzoekster was
de eerste die voor invulling van deze lessen in aanmerking kwam. De lessen
bij de afdeling kleinkunst zouden doorlopen tot half mei, die bij de
afdeling toneel tot half juni. Verzoekster zou gedurende een groot deel
van deze periode afwezig zijn in verband met zwangerschaps- en
bevallingsverlof. Na afloop van het verlof zou zij nog enkele weken les
kunnen geven aan de afdeling toneel. Partijen waren het er echter over
eens dat het niet werkbaar zou zijn als verzoekster voor die korte periode
de lessen zou overnemen, en kwamen overeen dat een andere docent alle
lessen zou geven. Partijen verschillen van mening over de vraag of deze
afspraak ook inhield dat aan verzoekster geen contract zou worden
aangeboden.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster stelt wel overeengekomen te zijn met de wederpartij dat
een andere docent alle balletlessen zou geven in de periode januari – juni
1993. Dit zou echter niet betekenen dat zij voor deze periode geen
tijdelijk contract zou krijgen. Haar uitgangspunt was destijds dat zij wel
dit contract zou krijgen, maar dat zij feitelijk de lessen niet zou geven.
Zij is na afloop van haar zwangerschaps- en bevallingsverlof ook op school
geweest en heeft toen andere werkzaamheden uitgevoerd. Het feit dat de
wederpartij in dezelfde periode twee mensen onder contract zou hebben voor
dezelfde werkzaamheden, is volgens verzoekster niet zo bijzonder dat
daarom van een contract met haar moest worden afgezien. Immers, in geval
van zwangerschap is het onvermijdelijk dat de zwangere medewerkster
vervangen moet worden, en dat er dus twee personen zijn aangenomen voor
dezelfde werkzaamheden.

Het feit dat zij vanwege voorzienbare afwezigheid in verband met
zwangerschap en bevalling in het geheel geen contract heeft gekregen, acht
verzoekster in strijd met de WGB. Een wettelijke rechtvaardigingsgrond
voor het gemaakte onderscheid is er niet. Verzoekster wijst in dit verband
op de jurisprudentie van de Commissie, waarin de Commissie onderzocht of
er reden was voor het aannemen van een buitenwettelijke
rechtvaardigingsgrond. Verzoekster acht daarvan in dit geval geen sprake,
ook niet vanwege het feit dat de wederpartij eigen risico-drager is. De
kosten van een tijdelijk contract voor verzoekster zouden slechts ongeveer
ƒ 100,- per maand hebben bedragen, omdat het ging om een gering aantal
uren.

Voor verzoekster is het les geven bij de wederpartij overigens haar
hoofdbron van inkomsten.

3.5. De wederpartij stelt met verzoekster overeen te zijn gekomen dat een
ander de balletlessen zou geven in de periode januari-juni 1993. Voor de
wederpartij had deze afspraak tot logisch gevolg dat met verzoekster geen
overeenkomst zou worden aangegaan voor die periode. Anders zou dit ertoe
leiden dat zwangerschap tijdens een tijdelijke taakuitbreiding een
rechtspositie creeert, die overeenkomt met die van medewerkers met een
vast dienstverband.

De wederpartij stelt niet in strijd met de WGB te hebben gehandeld. De
situatie van de voorzienbare afwezigheid in verband met zwangerschaps- en
bevallingsverlof, vertoont overeenkomsten met een verhindering tot het
geven van lessen wegens ziekte. Ook bij verhindering wegens ziekte wordt
er, als er niet al bindende afspraken zijn gemaakt, voor een andere
invulling van de klok-uren gekozen. Indien verzoekster in december 1992
wegens ziekte verhinderd zou zijn geweest, zou de tijdelijke uitbreiding
niet aan haar toegewezen hoeven worden, en zou ook dan niet in strijd met
de WGB zijn gehandeld.

Tenslotte merkt de wederpartij nog op dat het wel aangaan van een
tijdelijk dienstverband met verzoekster in deze situatie, zou leiden tot
een ondoelmatige besteding van onderwijsgelden. De wederpartij is eigen
risico-drager, en dient de vervangende docent uit haar eigen budget te
betalen. Daarmee zouden onder omstandigheden grote financiele belangen
gemoeid kunnen zijn. In de onderhavige situatie ging het overigens om een
relatief gering bedrag. Dit financiele argument speelde in deze situatie,
zo gaf de wederpartij ter zitting aan, dan ook geen rol.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking, door in de periode januari 1993
– juni 1993 een tijdelijke uitbreiding van het aantal uren balletlessen
niet aan haar toe te wijzen.

Voor de beantwoording van deze vraag zijn de volgende wetsartikelen van
belang. Artikel 3 lid 1 WGB bepaalt onder meer dat het verboden is bij de
behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking onderscheid
te maken tussen mannen en vrouwen. Onderscheid op grond van zwangerschap
is blijkens artikel 1 WGB een vorm van direct onderscheid. De Wet maakt
het niet mogelijk rechtvaardigingsgronden aan te voeren voor direct
onderscheid, anders dan de in de Wet (artikel 5 WGB) opgenomen
uitzonderingen. Deze uitzonderingen zijn hier niet van toepassing.

4.2. De Commissie beantwoordt de in geding zijnde vraag als volgt. Zij
stelt in de eerste plaats vast dat verzoekster vanaf 1990 steeds de
tijdelijke uren voor de balletlessen heeft ingevuld. Eind 1992 hebben
partijen gesproken over de invulling van deze uren in de eerste helft van
1993. Vast staat dat verzoekster daarvoor als eerste in aanmerking kwam,
en dat zij enkel en alleen vanwege het feit dat zij in verband met
zwangerschaps- en bevallingsverlof het grootste deel van de periode tot
juni 1993 afwezig zou zijn, deze contractuele uitbreiding niet heeft
gekregen. Partijen kwamen weliswaar overeen dat de lessen zouden worden
gegeven door een andere docent, maar verzoekster bestrijdt dat zij daarmee
ook niet in aanmerking wenste te komen voor de contractuele uitbreiding
van haar uren. Ten slotte is vast komen staan dat verzoekster in de
periode na juni 1993 opnieuw een tijdelijke arbeidsovereenkomst is
aangegaan voor het geven van balletlessen.

In dit verband overweegt de Commissie dat zij herhaalde malen heeft
uitgesproken (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, oordeelnummers 449-93-24 d.d. 21 juni 1993; 421-92-59 d.d. 17
november 1992; 438-91-68 d.d. 02 oktober 1991; 158-90-134 d.d. 17
september 1990; 172-90-31 d.d. 8 mei 1990.) dat afwezigheid of verminderde
inzetbaarheid wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof een onlosmakelijk
en onvermijdelijk gevolg is van de zwangerschap zelf en daardoor op een
lijn te stellen is met de zwangerschap zelf. Onderscheid op grond van
beperkte inzetbaarheid om hiergenoemde reden levert dus direct onderscheid
op. Zoals gezegd kent het systeem van de Wet niet de mogelijkheid direct
onderscheid naar geslacht door verwijzing naar (afwezigheid ten gevolge
van) zwangerschap te rechtvaardigen. De Hoge Raad heeft zich hierover in
genoemde zin uitgesproken in de zaak Dekker (Dekker vs Stichting
Vormingscentrum voor Jong Volwassenen VJV-centrum, arrest d.d. 13
september 1991, NJ 1992, 855. Zie in dezelfde zaak Hof van Justitie van
de Europese Gemeenschappen, d.d. 8 november 1990, zaak C- 177/88.).

Hieruit volgt dat de wederpartij bij de behandeling bij de vervulling van
de openstaande betrekking onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in
strijd met artikel 3 lid 1 WGB.

De Commissie voegt hier aan toe dat het financiele argument van
wederpartij geen bespreking behoeft, nu dit -blijkens mededelingen van de
wederpartij ter zitting- in de onderhavige zaak geen rol heeft gespeeld
bij de afwijzing van verzoekster. Ten overvloede wijst de Commissie er op
dat ook op dit punt de Wet en de jurisprudentie van de Hoge Raad (zie noot
2) duidelijk zijn en geen mogelijkheid bieden tot het creeren van een
buitenwettelijke rechtvaardigingsgrond (Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid, oordeelnummer 423-92-41 d.d. 17 juli
1992.).

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de te Amsterdam jegens
mevrouw te Amsterdam bij de behandeling bij de vervulling van
een openstaande betrekking onderscheid naar geslacht heeft gemaakt, in
strijd met artikel 3 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Aldus vastgesteld op 15 maart 1994 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 10 februari 1994.

Rechters

dhr prof mr P.F. van der Heijden, mw prof mr J.E. Goldschmidt, mwdrs A.J. Huber, mw mr I.M.C.V.T. Kiebert, mw mr C.B. Mol-Bronkhorst, mwmr G.L.M. Lenssen

Instantie: Kantonrechter Heerlen, 11 maart 1994

Instantie

Kantonrechter Heerlen

Samenvatting


Deze uitspraak is het vervolg op die van de Commissie gelijke behandeling
1 juli 1991, oordeel 167A-91-41. De verzoeksters vergelijken zich met een
mannelijke collega, eveneens als leidinggevende in de gezinszorg werkzaam.
De regeling in de CAO heeft tot gevolg dat de maatman op grond van zijn
diploma een hoger salaris ontvangt dan verzoeksters op grond van hun
diploma. De rechter bepaalt dat discriminerende bepalingen in CAO of
subsidieregeling geen grondslag mogen vormen voor de vaststelling van het
salaris.

Volledige tekst

Ten aanzien van het recht.

Ten processe staat vast dat eiseres sedert 1 juni 1979 in loondienst is
bij de gedaagde als leidinggevend gezinsverzorgster en dat zij in het
bezit is van de Nijverheidsakte 20 (N20);

Eiseres stelt dat zij wat haar beloning betreft ten onrechte na 1 januari
1988 ingeschaald is gebleven in salarisschaal 27, terwijl dit volgens haar
had behoren te zijn over 1990 schaal 28 en over 1991 schaal 29.

Volgens verzoekster heeft gedaagde gediscrimineerd naar geslacht door een
groep vrouwen met een (gelijkwaardige) typische vrouwenopleiding uit te
sluiten van de doorstroming in salariering en daarmee heeft gehandeld in
strijd met artikel 2 Wet gelijk loon voor mannen en vrouwen
respectievelijk artikel 7A:1637ij BW, alsmede artt. 7 e.v. Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen en zij vordert over 1990 en 1991 een
bedrag van ƒ 2583,02, te vermeerderen met rente over ƒ 2223,57 vanaf 1
december 1991, alsmede verklaring voor recht dat gedaagde aan eiseres in
1992 een salaris verschuldigd is overeenkomstig schaal 30 en elk verder
jaar overeenkomstig schaal 30 en elk verder jaar overeenkomstig de eerst
daarop volgende salarisschaal, een en ander zoals gespecificeerd in het
inleidend request;

Als door gedaagde niet weersproken staat vast dat eiseres hetzelfde werk
deed als werknemers in dezelfde functie met als opleiding de Sociale
Academie. Gedaagde stelt dat zij heeft gehandeld conform het gestelde in
artikel 12 van de ten deze van toepassing zijnde CAO op grond waarvan de
doorstroommogelijkheden ten aanzien van leidinggevenden die in het bezit
zijn van de akte N20 wordt beperkt tot schaalnummer 27.

Gedaagde betwist dat mannen voor het volgen van de opleiding N20
uitgesloten waren en stelt dat haar bekend is dat een man deze opleiding
heeft gevolgd en voert verder aan dat overigens mannen niets in de weg
stond om die opleiding te volgen. Gedaagde heeft deze stelling echter
onvoldoende gemotiveerd onderbouwd en nu gedaagde ook geen bewijs van haar
posita heeft aangeboden gaan wij uit van de juistheid van eiseresses
stelling;

Gedaagde heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 8 juni
1993 overgelegd een schrijven met bijlagen van de Landelijke Vereniging
voor Thuiszorg d.d. 22 april 1993 gericht aan haar leden met als
onderwerp: salariering gezinszorg, welk schrijven kennelijk als
uitgangspunt wordt genomen voor het in de toekomst toe te passen
salarieringsbeleid. Op de laatste produktiebijlage bij dit schrijven wordt
gesteld dat: ‘Als algemeen uitgangspunt geldt dat de werkzaamheden die de
werknemer verricht bepalend zijn voor de van toepassing zijnde functie en
het daarbij behorende salaris. Het bezit van een diploma is geen
voorwaarde om in een functie te worden benoemd.’ Voorts: ‘Bij diverse
functies staat als opleidingsindicatie vermeld “een afgeronde HBO
opleiding gericht op de zorgsector”. Als zodanig dienen ook de diploma’s
K en O en HBO-J, alsmede de akten N12, N19 en N20 te worden aangemerkt.’

Gedaagde heeft gesteld dat zij als werkgever een hogere beloning niet kon
verstrekken aan werkneemsters met een akte N20 aangezien zulks financieel
niet op te brengen was en overigens op grond van de CAO niet mogelijk was.

Wij zijn van oordeel dat de onderhavige CAO bepalingen bevat welke
indirect onderscheid opleveren op grond waarvan de desbetreffende
bepalingen van de CAO nietig zijn. Ook een subsidieregeling waaruit een
verschil van salariering ontstaat tussen werknemers die gelijkwaardige
arbeid verrichten, doch waarvan een bepaalde groep werknemers in een
andere (lagere) salarisschaal worden ingedeeld, bevat bepalingen welke
indirect onderscheid opleveren en deze regeling mag dan ook geen grondslag
vormen voor de vaststelling van het salaris van de werknemers die op basis
van die regeling salaris krijgen betaald.

Nu de bedragen verbonden aan de door eiseres gevorderde respectievelijke
inschaling niet door gedaagde worden betwist, dient -gelet op het
vorenoverwogene- de vordering van eiseres te worden toegewezen in voege
hierna vermeld;

Rechtdoende:

Veroordelen gedaagde om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting
te betalen de som van ƒ 11.393,88 (zegge elfduizend driehonderd
drieennegentig gulden en achtentachtig centen), vermeerderd met de
wettelijke rente over ƒ 9938,39 vanaf 1 december 1991 tot de dag der
algehele voldoening;

Veroordelen gedaagde in de kosten van het geding, deze aan de zijde van
eiseres gevallen en tot op heden begroot op ƒ 1728,40, waaronder ƒ
1500 salaris voor gemachtigden van eiseres;

Kosten v.r. ƒ 215 afr.
ƒ 13,40 sal.
ƒ 1500
++++++++++++++
ƒ 1728,40

Verklaren dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Rechters

Mr. Tacken

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 10 maart 1994

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Vanaf september 1993 is de inkomenseis voor gezinshereniging/gezinsvorming
verscherpt. Het begrip onverwijtbare werkloosheid is vervallen. Een ieder
moet nu aan de inkomenseisen voldoen. In onderhavige zaak is aangevoerd
dat deze inkomenseis indirect discriminerend is voor vrouwen, gezien het
feit dat veel minder vrouwen (dertig procent) dan mannen (zeventig
procent) als economisch zelfstandig beschouwd kunnen worden en dus aan
deze inkomenseis kunnen voldoen. Met als gevolg dat het voornamelijk
vrouwen zijn voor wie het onmogelijk wordt hun gezinsleven in Nederland
vorm te geven. De rechter gaat aan dit betoog voorbij, uitzetting is niet
onrechtmatig. De zaak dient in hoger beroep.

Volledige tekst

Verloop van de procedure

Ter terechtzitting van 22 februari 1994 heeft eiser gesteld en gevorderd
overeenkomstig de dagvaarding met conclusie dat de Staat wordt bevolen
zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting van
hem tot op het ingediende herzieningsverzoek en het eventueel bij de Raad
van State na een afwijzing in te dienen beroepschrift zal zijn beslist,
met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

De Staat heeft de vorderingen bestreden en geconcludeerd tot afwijzing van
het gevorderde, kosten rechtens.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van weerszijden
pleitnotities en producties, overgelegd voor vonniswijzing.

Uitgangspunt Eiser, geboren in 1951, bezit de Marokkaanse nationaliteit
en verblijft als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet in
Nederland. Hij is op 7 mei 1992 in het bezit van een visum voor
familiebezoek, geldig voor de duur van 45 dagen, Nederland binnengekomen.
Op 2 december 1993 heeft hij een verzoek om verlening van een vergunning
tot verblijf ingediend met als doel verblijf bij echtgenote en het
verrichten van arbeid al dan niet in loondienst gedurende dat verblijf.
de echtgenote van eiser, met wie hij op 25 november 1993 in het huwelijk
is getreden, verblijft sinds 5 juli 1979 in Nederland en is in het bezit
van een vestigingsvergunning. Bij beschikking van 10 december 1992 heeft
het hoofd van de politie van Nijmegen afwijzend op het ingediende verzoek
beslist. Deze beschikking is op 13 december 1993 aan eiser uitgereikt. Aan
het ingediende herzieningsverzoek is schorsende werking onthouden. Eiser
dient er dan ook rekening mee te houden binnenkort uit Nederland te worden
verwijderd.

Beoordeling van de vordering 1. Indien terzake van een afwijzende
beschikking op een verzoek om vergunning tot verblijf, een verzoek om
herziening wordt ingediend, beslist de staatssecretaris van Justitie of
het de vreemdeling is toegestaan de beslissing op het herzieningsverzoek
in Nederland af te wachten.

2. Aan de orde is de vraag of de staatssecretaris van Justitie
onrechtmatig heeft gehandeld door, na het inleidende verzoek van de
vreemdeling te hebben afgewezen, te beslissen dat deze uit Nederland dient
te worden verwijderd.

3. In dit geval doet zich geen geval voor als genoemd in artikel 32 lid
1 van de Vreemdelingenwet. Het is daarom in beginsel aan het beleid van
de staatssecretaris van Justitie overgelaten of een vreemdeling, in
afwachting van de beslissing op het verzoek om herziening, zal worden
verwijderd. Verwijdering kan desondanks een onrechtmatige daad opleveren.
Dit zal met name het geval zijn, indien de staatssecretaris van Justitie
in de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet tot de maatregel van
verwijdering heeft kunnen komen, waarbij mede van belang is of
verwijdering in strijd is met rechtsregels, waaronder de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur.

4. Ingevolge artikel 11 lid 5 van de Vreemdelingenwet kan het verlenen van
een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op
gronden aan het algemeen belang ontleend.

5. De staatssecretaris voert met het oog op de bevolkings- en
werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit
artikellid een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen — behoudens
verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten — slechts
voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien
met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is
gediend of indien er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

6. In dit geval is niet gebleken van een met de aanwezigheid van eiser
hier te lande gediend wezenlijk Nederlands belang.

7. Als uitwerking van het algemeen uitgangspunt dat vreemdelingen kunnen
worden toegelaten op grond van klemmende redenen van humanitaire aard zijn
voor een aantal categorieen vreemdelingen bijzondere criteria ontwikkeld,
die onder andere zijn neergelegd in hoofdstuk B 1 onder 1.2 van de
Vreemdelingencirculaire’94. De daar opgenomen criteria luiden — voor
zover hier van belang en zakelijk weergegeven – – als volgt: – voor
verlening van een vergunning tot verblijf kan onder meer de echtgenoot van
een persoon met een verblijfsvergunning in aanmerking komen, indien aan
de daarvoor gestelde vereisten is voldaan. Een van die vereisten is dat
degene, bij wie toelating als echtgenoot wordt beoogd, duurzaam moet
beschikken over voldoende middelen van bestaan.

8. Vast is komen te staan dat de echtgenote van eiser een uitkering
ontvangst krachtens de Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers. Gelet op
het bepaalde in hoofdstuk B1 onder 1.2.3 van de Vreemdelingencirculaire
1994 wordt een dergelijke uitkering uit de openbare kas, waarvoor geen
premie is afgedragen, niet aangemerkt als voldoende middelen van bestaan
in de zin van de Vreemdelingenwet.

9. Eiser heeft aangevoerd dat ten onrechte wordt gesteld dat zijn
echtgenote niet aan het inkomensvereiste voldoet. Zij is op 13 september
1993 bij de Nijmeegse Vreemdelingendienst geweest om over de
verblijfsvergunning van haar echtgenoot te spreken. Zij stelt dat men haar
daar gezegd heeft dat hij hiervoor niet in aanmerking zou komen omdat zij
nog maar kort van haar vorige echtgenoot gescheiden was. Een en ander is
aan de raadsvrouwe van eiser bevestigd. Eiser stelt dat hij door de
Vreemdelingendienst op het verkeerde been is gezet. Hij is daarom van
mening dat op zijn aanvraag het beleid van voor 17 september 1993 van
toepassing is, zoals gepubliceerd in het IND-bulletin.

10. Eiser kan hierin niet worden gevolgd. Zijn aanvraag zou slechts dan
voor toetsing aan het oude beleid in aanmerking komen indien deze voor 17
september 1993 zou zijn ingediend of indien hij voor die datum een
afspraak zou hebben gemaakt met de Vreemdelingendienst voor het indienen
van een aanvraag. Dit geding zou in dat geval echter niet tot een andere
uitkomst leiden. Ook dan wordt niet aan het inkomensvereiste voldaan en
niet kan worden gesteld dat de echtgenote van eiser niet kan worden
verweten dat zij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Bovendien is eiser steeds bijgestaan door een deskundig adviseur, en had
hij voor 17 september 1993 een verblijfsvergunning op basis van de
partnerrelatie met zijn huidige echtgenote kunnen aanvragen.

11. Eiser stelt dat zijn echtgenote gediscrimineerd wordt omdat zij als
allochtone vrouw met een achterstand in opleiding en kennis van de
Nederlandse taal veel moeilijker werk kan krijgen dan Nederlandse vrouwen
in een vergelijkbare situatie.

12. Eiser kan hierin niet worden gevolgd. De categorie eenoudergezinnen
met een kind of kinderen jonger dan zes jaar worden vrijgesteld van het
inkomensvereiste. De jongste dochter van de echtgenote van eiser is reeds
veertien, zodat van een dergelijke vrijstelling geen sprake kan zijn. De
positie van de echtgenote van eiser verschilt hierin niet van die van
andere vrouwen.

13. De bestreden beslissing vormt geen inmenging in het tussen eiser en
zijn echtgenote bestaande gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. De
bestreden beslissing strekt er immers niet toe hem een verblijfstitel te
ontnemen die hem tot de uitoefening van het gezinsleven in staat stelt.

14. Doch zelfs al zou sprake zijn van inmenging in de zin van artikel 8
EVRM, dan nog is die inbreuk gerechtvaardigd in het kader van het tweede
lid van bedoeld artikel. Het betreft immers een eerste verblijfsaanvraag
en eiser zal bij toelating aanspraak kunnen maken op van overheidswege
verstrekte voorzieningen. Onder deze omstandigheden dienen de belangen van
de Staat te prevaleren boven het belang van eiser bij toelating in
Nederland.

15. Evenmin kan — gelet op het bovenstaande — worden geoordeeld dat op
de Staat onder de gegeven omstandigheden de verplichting rustte om eiser
door middel van het verstrekken van een vergunning tot verblijf het
uitoefenen van het familie- en gezinsleven in Nederland mogelijk te maken.

16. Concluderend moet worden geoordeeld dat het herzieningsverzoek geen
redelijke kans van slagen heeft. Nu evenmin is gebleken van strijd met
rechtsregels, moet worden geoordeeld dat de Staatssecretaris van Justitie
in redelijkheid schorsende werking aan het herzienigsverzoek heeft kunnen
onthouden, zodat de gevraagde voorziening dient te worden geweigerd met
veroordeling van eiser in de kosten van de procedure.

BESLISSING

1. Weigert de gevraagde voorziening. 2. Veroordeelt eiser in de kosten van
het geding, tot heden van de zijde van de Staat begroot op ƒ 275,= aan
vast recht en op ƒ 800,= aan salaris procureur. 3. Verklaart dit vonnis
uitvoerbaar bij voorraad.

Noot

In deze zaak wordt de nieuwe inkomenseis bij gezinshereniging
aangevochten, omdat het voor veel vrouwen, en met name voor
migrantenvrouwen, onmogelijk zal zijn er aan te voldoen. Helaas is de
vraag, of hier wel sprake is van onrechtmatige indirecte discriminatie,
aan de rechter geheel voorbij gegaan.

Volgens hoofdstuk B1.2.3 Vc, januari 1994, Aanvulling 8 van de
vreemdelingencirculaire, moet degene bij wie toelating als partner wordt
beoogd, ‘duurzaam en zelfstandig beschikken over voldoende middelen van
bestaan’. Hij of zij moet economisch zelfstandig zijn op het moment van
gezinshereniging, en voor de duur van het daarop volgende jaar. Voor
september 1993 gold deze regel in principe ook maar werd die alleen
stringent gehanteerd als de in Nederland wonende partner slechts een
verblijfsvergunning had. Nederlanders, vluchtelingen en houders van een
vestigingsvergunning werd een eventueel beroep op de ‘openbare kas’ niet
tegengeworpen als duidelijk was dat zij buiten eigen schuld werkloos
waren. Bij het bepalen of iemand wel of niet ‘verwijtbaar werkloos’ was,
moest natuurlijk ook rekening worden gehouden met de reele mogelijkheden
om vast werk te vinden dat voldoende zou betalen. Zowel de situatie op de
arbeidsmarkt als de thuissituatie van de betrokkene speelden mee bij de
beoordeling. Het nieuwe criterium, economische zelfstandigheid, dwingt
niet tot zo’n afweging. De vreemdelingenpolitie houdt in principe de
vrijheid om wel tot zo’n afweging te komen, maar in een Tweede Kamer debat
over deze kwestie gaf Staatssecretaris Kosto duidelijk te kennen dat de
inspanningen van betrokkene om aan werk te komen wel mee zouden wegen,
maar geen doorslaggevende betekenis mochten hebben (TK 95, 16-09-93,
95-6939-6947).

Een paar statistieken zullen duidelijk maken dat vrouwen, en met name
allochtone vrouwen, veel vaker dan mannen op negatieve wijze zullen worden
getroffen door een strenge toepassing van de inkomenseis. De Sociale Atlas
van de Vrouw deel 2, 1993, van het Sociaal Cultureel Planbureau geeft aan
dat in 1989 slechts dertig procent van de vrouwelijke beroepsbevolking in
Nederland financieel zelfstandig was op grond van inkomen uit arbeid.
Onder de mannelijke beroepsbevolking was het percentage economische
zelfstandigen 71 procent. Uit onderzoek blijkt dat flexibilisering in
belangrijke mate werk in lagere functies treft, dus functies die merendeel
worden uitgevoerd door vrouwen en jongeren (J. Arends en M. van der
Most-van Spijk: Allochtone vrouwen op de Nederlandse arbeidsmarkt, in:
Dubbel gediscrimineerd? Allochtone vrouwen op de Europese arbeidsmarkt.
Onder redactie van B. Gademann et al, Open universiteit, Heerlen, 1992).
Ook de eis dat men over een vaste baan moet beschikken zal vrouwen naar
verhouding harder treffen dan mannen.

Terwijl de werkloosheidspercentage onder Nederlandse mannen en vrouwen
respectievelijk twaalf procent en zestien procent is, is die bij Turkse
en Marokkaanse vrouwen respectievelijk veertig procent en 52 procent.
(cijfers ontleend aan het STEO Trendrapport Arbeidsvraagstukken en Sekse,
1990). Vergeleken met Nederlandse vrouwen met een zelfde opleidingsniveau,
zijn Turkse en Marokkaanse vrouwen twee tot drie maal zo vaak werkloos.
Er is nog weinig blijk van opwaarts mobiliteit bij de tweede generatie
allochtone vrouwen. De oorzaken van de hoge werkloosheid onder allochtone
vrouwen kunnen maar voor een deel verklaard worden uit factoren als
leeftijd of achterstand in opleiding/taal. Onderzoek geeft aan dat er een
naar etniciteit gesegregeerde arbeidsmarkt bestaat. Hieraan gekoppeld is
er ook een beloningsverschil tussen Nederlandse en migrantenvrouwen, dat
nadelig is voor de buitenlandse werkneemsters. Het inkomen van Turkse en
Marokkaanse vrouwen ligt vaak rond het minimumloon, en onderbetaling is
geen uitzondering (J. Arends en M. van der Mast-van Speijk). Het
percentage economisch zelfstandigen onder Turkse en Marokkaanse vrouwen
van tussen de vijftien en 65 jaar is dan wel schokkend — maar niet
verrassend — laag: dertien procent (Bron:SCP).

Uit boven weergegeven cijfers volgt dat weinig vrouwen in Nederland, en
zeker weinig allochtone vrouwen, een partner uit het buitenland naar
Nederland kunnen laten overkomen bij een ongedifferentieerd uitvoeren van
de inkomenseis. Zij zullen dus of moeten verhuizen naar het land van
domicilie van hun partner (samen met hun eventuele minderjarige kinderen),
of zich moeten neerleggen bij een langdurige zo niet permanente scheiding.
De meeste mannen in Nederland daarentegen kunnen wel aan de inkomenseis
voldoen en dus een partner uit het buitenland naar Nederland laten komen.
Zo bereikt de Nederlandse regering met een op het oog sekse-neutrale
regeling dezelfde resultaat als de Britse overheid met de discriminerende
immigratieregelingen die met succes zijn bestreden in de zaak Abdulaziz,
Cabales en Balkandali (28 mei 1985, Serie A, nr. 94, voortaan de zaak
Abdulaziz, RVR 1992, 179, m.nt. Sarah van Walsum). In de zaak Abdulaziz
ging het om beleid dat het Engelse mannen wel maar bepaalde Engelse
vrouwen niet mogelijk maakte in Engeland een gezin te stichten met een
buitenlandse partner. Het Europese Hof bepaalde dat artikel 8 EVRM niet
tot gevolg kon hebben dat een staat verplicht was aan zijn inwoners het
recht te geven om binnen zijn grenzen een gezin te stichten met een
buitenlandse partner. Maar als een staat zijn inwoners eenmaal zo’n recht
gaf, dan mocht geen onderscheid worden gemaakt tussen mannen en vrouwen.
Het verbod op onderscheid (artikel 14 EVRM) is niet absoluut. Een staat
mag zich beroepen op een ‘legitimate aim’. Wanneer er sprake is van
vrouwendiscriminatie, dan moet er sprake zijn van ‘very weighty reasons’
omdat ’the advancement of the equality of the sexes is today a major goal
in the member States of the Council of Europe’ (Nogmaals de zaak
Abdulaziz). Deze stelling herhaalt het Hof in de zaak Schuler-Zgraggen vs.
Switserland (24 juni 1993, Serie A, nr. 263, RN 1994, 409). Welnu, mag een
directe onderscheid dit slechts op ‘very weighty reasons’ kon worden
gerechtvaardigd, alsnog via indirecte weg worden bereikt?

De Europese commissie rechten van de mens heeft zich op 12 oktober 1992
voor het eerst ondubbelzinnig uitgesproken over de vraag of artikel 14
EVRM ook indirecte discriminatie dekt, in de zaak Kruger tegen Nederland
(Nemesis 1993, 302). In die zaak stelt de Commissie dat die van mening is
dat een regel ‘die formeel niet discrimineert, toch discriminerend kan
zijn in zijn praktische toepassing.’ Het Europese Hof voor de Rechten van
de Mens heeft zich nog niet zo duidelijk uitgesproken. Wel heeft het ooit
een uitvoerige uiteenzetting gegeven over de algemene betekenis van
artikel 14 EVRM in de zaak betreffende bepaalde aspecten van de wetten op
het gebruik van talen in het Belgisch onderwijs (23-07-1968, Serie A, nr.
6). In deze uiteenzetting, stelt het Hof dat artikel 14 niet alleen de
formele, maar ook de materiele gelijkheid voorstaat. ‘No distinctions
should be made in this respect according to the nature of these rights and
freedoms and of their correlative obligations, and for instance as to
whether the respect due to the right concerned implies positive action or
mere abstention. This is, moreover, clearly shown by the very general
nature of the terms employed in Article 14 ’the enjoyment of the rights
and freedoms set forth in this Convention shall be secured.” (mijn
cursivering, SvW). Verder stelt het Hof ‘moreover, certain legal
inequalities tend only to correct factual inequalities’, en: ‘In
attempting to find out in a given case, whether or not there has been an
arbitrary distinction, the Court cannot disregard those legal and factual
features which characterise the life of the society in the State …’.
Ook zoekt het Hof telkens aansluiting bij juridische ontwikkelingen binnen
Europa (zie zaak Inze 28-10-1987, Serie A, nr. 126). Het feit dat
indirecte discriminatie van vrouwen een aanvaarde juridisch figuur is
binnen het Europees recht zou dus ook een argument kunnen zijn om die
onder de strekking van artikel 14 te brengen.

Er pleit dus veel voor de stelling dat ook indirecte discriminatie onder
de werking van artikel 14 van het EVRM valt. In dat geval, kan een
parallel worden getrokken tussen deze zaak en de zaak Abdulaziz. In
tegenstelling tot wat de rechtbank beweert in rechtsoverweging 13, is
artikel 8 EVRM dan wel in het geding, omdat er sprake is van een
discriminerende uitvoering van regels die relevant zijn voor het recht op
gezinsleven. En in tegenstelling tot wat de rechtbank beweert in
rechtsoverweging 14, kan de Nederlandse staat niet zonder meer stellen dat
haar belangen prevaleren boven die van betrokkenen, maar zal ze duidelijk
moeten maken dat er zeer zwaarwegende redenen zijn om de discriminerende
inkomenseis te handhaven. Verder zal er volgens vaste jurisprudentie van
het Europese Hof voor de rechten van de mens ook sprake moeten zijn van
‘a reasonable relationship of proportionality between the means employed
and the aim sought to be realised’ (voor het eerst geformuleerd in de zaak
Abdulaziz).

Het lijkt me niet moeilijk om hard te maken dat een ongedifferentieerde
inkomenseis geen redelijke middel is tot het treffen van het beoogde doel,
het inschakelen van ‘de eigen verantwoordelijkheid van de persoon die zijn
of haar gezin of partner naar Nederland wil laten overkomen’. De regering
geeft namelijk zelf aan dat zij de randvoorwaarden moet scheppen (Brief
aan de Tweede Kamer, 12-01-1993, kenmerk 298498/93/DVZ). Zo lang er nog
sprake is van wachtlijsten om Nederlandse les te kunnen volgen en om een
kind op een kinderdagverblijf te kunnen plaatsen en zo lang er nog sprake
is van een gesegregeerde arbeidsmarkt, veel voorkomende onderbetaling van
en een structurele hoge werkloosheid onder allochtonen en met name
allochtone vrouwen, lijkt het duidelijk dat er nog geen sprake is van de
‘nodige randvoorwaarden’ voor het tonen van eigen verantwoordelijkheid via
het verrichten van betaalde arbeid.

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft o.a. in de zaak Inze
bepaald dat het bestaan van alternatieve, niet- discriminerende
beoordelingscriteria, een argument kan zijn tegen de gewraakte regels. De
oude inkomenseis bij gezinshereniging, ‘onverwijtbaar werkloosheid’, bood
voldoende mogelijkheden om mensen op hun ‘eigen verantwoordelijkheid’ aan
te spreken terwijl rekening werd gehouden met hun maatschappelijke
mogelijkheden. In tegenstelling tot wat de politici hebben beweerd, werd
vroeger de verwijtbaarheid wel degelijk streng getoetst. Zo werd een vrouw
die haar werk had opgezegd omdat zij in verwachting was, als ‘onvrijwillig
werkloos’ beschouwd, en kreeg haar man, in eerste instantie, geen
toestemming voor verblijf. In een ander geval draaide het om de vraag in
hoeverre het vrouwen met jonge kinderen verweten mocht worden dat zij zich
niet beschikbaar stelden voor de arbeidsmarkt. (RVR 1992, 180 en 181). Ook
de stelling van het ministerie van Justitie dat de oude regeling te
onduidelijk was is aanvechtbaar. Zo heeft de waarnemend Chef Sectie
Verblijfsregeling van de Vreemdelingendienst te Utrecht beweerd dat het
oude beleid zeer goed uit te voeren is, mits alle betrokken instanties —
vreemdelingenpolitie, Sociale Dienst en de Regionale Bureau’s
Arbeidsvoorziening — helder beleid voeren, en tot goede onderlinge
afspraken komen. (Marcel Kappenberg: Voorstel hanteren
verwijtbaarheidscriterium een lege huls? in: MR 93/8, p. 161- 162) Het
nieuwe beleid is dus niet nodig om de beoogde doel te bereiken.

Behalve het EVRM, is ook het vrouwenverdrag relevant voor deze zaak.
Artikel 16 lid 1 van dit verdrag stelt: de ‘Staten die partij zijn bij dit
Verdrag, nemen alle passende maatregelen om discriminatie jegens de vrouw
in alle aangelegenheden betreffende huwelijk en familiebetrekkingen uit
te bannen, …’. Verder stelt artikel 15 lid 4 van het vrouwenverdrag dat
Staten aan mannen en vrouwen ‘dezelfde rechten met betrekking tot de
wetgeving inzake de bewegingsvrijheid van personen en de vrijheid hun
woon- en verblijfplaats te kiezen’ moeten verlenen. Het mag dus niet zo
zijn dat wanneer mannen wel in staat worden gesteld de domicilie van hun
gezin te bepalen, vrouwen dat niet kunnen. Tot slot artikel 9 van het
vrouwenverdrag: ‘De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, verlenen
vrouwen gelijke rechten als mannen om een nationaliteit te verkrijgen, van
nationaliteit te veranderen of deze te behouden. Zij waarborgen in het
bijzonder dat noch een huwelijk met een buitenlander, noch een wijziging
van nationaliteit van de echtgenoot staande huwelijk, automatisch de
nationaliteit van de echtgenote verandert, haar staatloos maakt of haar
dwingt de nationaliteit van haar echtgenoot aan te nemen.’. Het
internationaal privaatrecht kent het begrip ‘effectieve nationaliteit’.
Dat is de nationaliteit van het land waar iemand woont, werkt en leeft.
Binnen het internationaal privaatrecht wordt deze effectieve nationaliteit
vaak meer significant gevonden dan de formele nationaliteit die in het
paspoort staat. Met de wijziging van de Nederlandse wet op het
Nederlanderschap is op het eerste gezicht elk verschil tussen mannen en
vrouwen verdwenen, en heeft het huwelijk geen gevolgen meer voor de
formele nationaliteit van de vrouw. Maar de inkomenseis bij
gezinshereniging, zoals die nu wordt uitgevoerd, gegeven de huidige
constellatie op de Nederlandse arbeidsmarkt, zal wel tot gevolg hebben dat
huwelijk met een partner uit het buitenland veel Nederlandse of in
Nederland gevestigde vrouwen zal dwingen tot verandering van hun
effectieve nationaliteit. Dit lijkt mij in strijd met de geest zo niet met
de letter van artikel 9 van het vrouwenverdrag.

Over de praktische betekenis van dit verdrag is nog niet veel bekend. In
haar bijdrage aan een bundel over het Vrouwenverdrag, dat door de
Projectgroep Vrouw en Recht van de Rijksuniversiteit Limburg zal worden
uitgebracht in november van dit jaar, verdedigt Titia Loenen de stelling
dat het vrouwenverdrag ook tegen indirecte discriminatie beschermt, omdat
onder ‘discriminatie van vrouwen’ wordt verstaan ‘elke vorm van
onderscheid, uitsluiting of beperking op grond van geslacht, die tot
gevolg of tot doel heeft de erkenning, het genot of de uitoefening door
vrouwen van de rechten van de mens etc. aan te tasten of teniet te doen.’
(cursivering T.L.) Omdat het vrouwenverdrag geinspireerd is door het
rassenverdrag ligt het volgens Loenen voor de hand om net als in dat
verdrag, indirecte discriminatie onder het discriminatieconcept te
brengen. Ook citeert zij de memorie van antwoord van de Nederlandse
regering bij het wetsvoorstel tot goedkeuring van het vrouwenverdrag, dat
de woorden in artikel 1 ‘qua strekking overeen[stemmen] met de
omschrijving van indirect en direct onderscheid respectievelijk indirecte
en directe discriminatie’ (Tweede Kamer 1986/87, 18 950 (R 1281) nr. 6,
20).

In hoeverre zou de regering zich mogen beroepen op een
rechtvaardigingsgrond voor het gemaakte indirecte onderscheid? Het
vrouwenverdrag biedt geen expliciete beperkingsmogelijkheden, en voorziet
dus niet in rechtvaardigingsgronden. De Nederlandse regering is van
oordeel dat het vrouwenverdrag niet gericht is op de beoordeling van het
al dan niet gerechtvaardigd zijn van een verschil in behandeling, maar op
‘een positief gestelde norm van behandeling op gelijke voet’. Volgens
Titia Loenen, Projektgroep Vrouw en Recht, Rijksuniversiteit Limburg, moet
het verdrag zo worden gelezen dat ieder onderscheid, uitsluiting of
beperking die vrouwen treft zeer strikt getoetst dient te worden. Het
verdrag benadrukt immers het grote belang van het tegengaan van
achterstelling van vrouwen.

In hoeverre kunnen vrouwen in Nederland een beroep doen op het
vrouwenverdrag? In haar artikel, wijst Titia Loenen op een interessant
punt, namelijk dat de specifieke omschrijving en uitwerking van
vrouwendiscriminatie in het vrouwenverdrag gezien kan worden als een
nadere invulling van het discriminatieconcept van artikel 26 Bupo-verdrag.
Als dit zo is, dan staat de individuele klachtprocedure van het Bupo-
verdrag open aan vrouwen die zich op het vrouwenverdrag willen beroepen.

Al met al kunnen we stellen dat de rechtbank in dit geval wat langer had
mogen stilstaan bij een zinsdeel uit de standaardzin in rechtsoverweging
nr. 5. De Nederlandse overheid mag een restrictief beleid voeren,
behoudens verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten.

Sarah van Walsum

Rechters

Mr. De Vries