Instantie: Kantonrechter Rotterdam, 8 maart 1994

Instantie

Kantonrechter Rotterdam

Samenvatting


Vrouw wil na bevalling in deeltijd werken. Werkgeefster weigert dit om
bedrijfseconomische redenen. De commissie Gelijke Behandeling oordeelt dat
er sprake is van indirect onderscheid. Op verzoek van de werkgever
ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter stelt
dat er geen sprake is van indirecte discriminatie en dat het ILO-verdrag
niet verplicht tot honorering van een verzoek tot deeltijd werk. Werkgever
mag het verzoek afwijzen op grond van zwaarwegende bedrijfsbelangen. Dat
is hier het geval, aldus de kantonrechter. Omdat het werkgeversbelang
voortzetting van het dienstverband in de weg staat, wijst Kantonrechter
een schadevergoeding van circa ƒ 40.000,= toe aan de vrouw.

Volledige tekst

De feiten 1. Mevrouw H is sinds 1 april 1972 als medewerkster general
sales werkzaam op de afdeling Ferry-agenturen bij verzoekster. De afdeling
Ferry-agenturen verzorgt de boekingen bij ongeveer 7 buitenlandse
rederijen, met de reisbureaus in Nederland als klantenbestand.

2. Het inkomen van mevrouw H bedroeg op basis van een 4 daagse werkweek
laatstelijk ƒ 3.600,= bruto per maand (inclusief vakantietoeslag en 13e
maand). Ze is 42 jaar oud.

3. Op 20 januari 1993 werd mevrouw H moeder. In verband daarmee was ze
vanaf 4 december 1992 tot 15 oktober 1993 (gedeeltelijk) afwezig wegens
zwangerschaps-, bevallings- en ouderschapsverlof Tijdens het
ouderschapsverlof werkte ze gedurende twee dagen per week en werd ze voor
de tijd die ze niet werkte vervangen door een uitzendkracht en/of een
stagiaire. Mevrouw H hield zich toen slechts bezig met de ‘groepsreizen’.

4. Vanwege de verzorging van haar kind verzocht ze reeds tijdens de
zwangerschap aan haar werkgeefster om na afloop van het ouderschapsverlof
vanaf 15 oktober 1993 twee dagen per week te mogen werken. B.I.T.G. ging
hier niet mee akkoord, omdat ze meende dat de functie van mevrouw H niet
in minder dan vier dagen per week kon worden uitgeoefend. Ook het voorstel
van H om twee dagen per week op andere afdelingen te werk gesteld te mogen
worden, achtte de werkgeefster om bedrijfs-economische redenen niet
aanvaardbaar.

5. Na van haar collega’s afscheid te hebben genomen is mevrouw H van 15
oktober 1993 niet meer op haar werk verschenen. Zij heeft vanaf die datum
niet meer gewerkt en evenmin loon ontvangen.

6. Mevrouw H heeft als eerste verzocht de arbeidsovereenkomst te
ontbinden. Bij beschikking van 12 november 1993 is haar verzoek
toegewezen, zij het zonder toekenning van de gevraagde vergoeding. Daarop
heeft ze het verzoek ingetrokken, waar B.I.T.G. het thans aan de orde
zijnde verzoek heeft ingediend.

7. Het eerder vermelde oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling van
Mannen en Vrouwen bij de arbeid houdt zakelijk in: B.I.T.G. maakt in
strijd met artikel 7A:1637ij lid 1 van het BW indirect onderscheid jegens
mevrouw H door te eisen dat ze de functie van medewerkster general sales
voor minimaal 32 uren per week vervult. Werkgeefster wordt met name
verweten dat zij onvoldoende heeft aangetoond dat zij andere mogelijke
oplossingen, zoals bijv. een duobaan, genoegzaam heeft onderzocht en ook
niet aannemelijk heeft gemaakt dat er onoverkomelijke problemen zouden
ontstaan indien twee (goed ingewerkte) personen de bewuste functie zouden
uitoefenen, of dat er binnen de organisatie niemand te vinden zou zijn
die de resterende uren zou willen en kunnen opvullen. Bovendien zou
B.I.T.G. naar het oordeel van de commissie niet hebben aangegeven welke
onoverkomelijke problemen er zouden indien iemand van buiten de
organisatie aangetrokken (en ingewerkt) zou moeten worden. Hoewel van
direct onderscheid naar geslacht niet is gebleken, meent de commissie dat
wel gesproken moet worden van indirect onderscheid nu het nadelig effect
van een maatregel als de onderhavige in overwegende mate personen van een
geslacht treft.

Standpunt van de partijen 8. Voor zover thans van belang heeft B.I.T.G.
aan haar verzoek het volgende ten grondslag gelegd: Het is niet mogelijk
om mevrouw H voor slechts twee dagen in dienst te hebben. Binnen het
bedrijf zijn er geen mensen die haar functie gedurende de tijd dat ze
afwezig is kunnen vervullen. Een duo-baan zoals bij twee collega’s wel
mogelijk was, zit er dus niet in. De enige oplossing is dat we iemand van
buiten aantrekken voor twee dagen. Daar gelaten dat dat moeilijk is, zoals
we uit informaties bij een uitzendbureau weten, kost dat extra geld. Naar
onze mening zijn we als werkgever wettelijk ook niet verplicht om een
dergelijk vergaande oplossing te zoeken. De verhindering komt van de
zijde van mevrouw H. Zij moet proberen voor haar gezinsproblemen een
oplossing te vinden, bijv. door haar kind tijdens werktijd in een creche
onder te brengen.

9. Namens H is -voor zover van belang- het volgende verweer gevoerd: Der
verzorging van een kind maakt het haar onmogelijk meer dan twee dagen te
werken. Haar echtgenoot kan die zorg niet op zich nemen. Een plaats in een
creche is er niet, nog daargelaten dat zoiets erg duur is. Mee omdat ze
meer dan 21 jaar in dienst is en dit in het verleden tijdens het
ouderschapsverlof wel mogelijk bleek, dient B.I.T.G. H in de gelegenheid
te stellen haar werkzaamheden gedurende twee(of hooguit drie) dagen per
week te verrichten. H is bovendien op meer plaatsen in het bedrijf
inzetbaar. De Commissie Gelijke Behandeling M/V heeft in de lijn van een
eerdere uitspraak (van 19 september 1993, JAR 1993,249) ook in deze zaak
uitgemaakt dat het weigeren van een verzoek om wegens zwangerschapsverlof
of de zorg voor een kind in deeltijd te mogen werken, discriminerend is.
Het recht op deeltijdarbeid vloeit voort uit de verplichtingen uit een
goed werkgeverschap en internationale verdragen. Zie de artikelen 3,7,9
en 18 van het ILO-verdrag en de daarop gebaseerde aanbevelingen. Van het
bestaan van een dringende reden, noch van wijziging van omstandigheden is
sprake, nu H zich beschikbaar blijft houden haar arbeid gedurende twee
dagen te verrichten en haar onder de gebleken omstandigheden niets te
verwijten valt.

Beoordeling 10. Bij de behandeling van het verzoek is genoegzaam gebleken
dat als gevolg van de diametraal tegenover elkaar staande standpunten van
partijen geen verder samenwerking mogelijk is, zodat er sprake is van een
verandering van omstandigheden die de ontbinding van de overeenkomst
wettigt.

11. Het standpunt van H dat het verzoek moet worden afgewezen, omdat de
werkgever wettelijk verplicht is het onderhavige verzoek tot permanente
halvering van de overeengekomen werktijd te honoreren, wordt verworpen,
daar een recht op deeltijdarbeid onder alle omstandigheden niet bestaat.
Het ILO-verdrag, dat overigens geen rechtstreekse werking heeft, verplicht
daar ook niet toe. Een werkgever mag een verzoek van een werknemer om de
overeengekomen arbeidstijd te verminderen dan ook om zwaarwegende
bedrijfsbelangen afwijzen. Zwaarwegende belangen zullen er voor een
werkgever bestaan wanneer hij genoodzaakt wordt voor onbepaalde tijd een
uitzendkracht of ander persoon als deeltijdwerknemer in dienst te nemen
en dit voor hem bezwaarlijk is. Uit de door B.I.T.G. verschafte gegevens
betreffende haar organisatie wordt duidelijk dat er voor H geen andere
functie op basis van een werkweek van twee dagen voorhanden is en dat een
andere interne oplossing niet mogelijk is, zodat zij gedwongen is voor
onbepaalde tijd een externe oplossing te zoeken. Ook al is niet gebleken
dat dit geheel onmogelijk is, toch moet het voor onbepaalde tijd
aantrekken van een deeltijdwerker niet alleen gelet op de aard van de
functie die enigszins gespecialiseerd is, maar ook op alle aan het in
dienst nemen van een derde verbonden financiele en organisatorische
risico’s als een in redelijkheid van haar niet te vergen oplossing worden
beschouwd.

12. Van ‘indirecte discriminatie’, zoals de Commissie Gelijke Behandeling
van Mannen en Vrouwen bij de arbeid oordeelt, is onder de gebleken
omstandigheden dan ook geen sprake, nog daargelaten dat het verzorgen van
een of meer kinderen een verantwoordelijkheid is van beide echtgenoten
gezamenlijk. Zij hebben doorgaans de mogelijkheid te kiezen wie van beiden
de meest gerede partij is om -indien nodig en gewenst- terwille van de
verzorging van de kinderen en/of de huishouding minder extern te gaan
werken.

13. Het gegeven van het ouderschap met de daaraan verbonden
zorgverplichting en onmoglijkheid om nog vier dagen per week beschikbaar
te zijn, brengt op zich zelf nog niet mee dat de beeindiging van de
dienstbetrekking geheel of in overwegende mate aan mevrouw H moet worden
verweten, waardoor er geen grond meer zou bestaan haar een vergoeding toe
te kennen ten laste van de werkgever. Immers, ook het werkgeversbelang
staat voortzetting in de weg. Wel zal bij het bepalen van de vergoeding
worden uitgegaan van een arbeidstijd van twee dagen per week.

14. Gelet op de duur van de overeenkomst, de hoogte van het genoten loon
en de omstandigheid dat H -naar redelijkerwijze gezien haar leeftijd en
mogelijkheden mag worden aangenomen- niet gemakkelijk meer een
vergelijkbare en/of gelijkwaardige betrekking zal kunnen vinden, wordt het
billijk geacht haar terzake van de vermoedelijke inkomstenderving en
pensioenschade een vergoeding toe te kennen van ƒ 39.600,= bruto.

15. Nu in bovengenoemde zin zal worden beslist behoort volgens de wet een
termijn te worden bepaald binnen welke B.I.T.G. bevoegd is het verzoek in
te trekken.

16. Gelet op de aard van het geschil en de gebleken omstandigheden zullen
de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder van de partijen
haar eigen kosten draagt.

Beslissing De Kantonrechter geeft B.I.T.G. de gelegenheid tot uiterlijk
op 22 maart 1994 het verzoek in te trekken ; ontbindt de tussen partijen
bestaande arbeidsovereenkomst – indien het verzoek niet of niet tijdig
wordt ingetrokken- met ingang van 1 april 1994; kent aan H ten laste van
B.I.T.G. als vergoeding toe: het bedrag van ƒ 39.600,=
(negenendertigduizend en zeshonderd gulden bruto), bedoeld als suppletie
op de door haar te ontvangen WW-uitkering c.q. op een elders te verdienen
lager loon; compenseert de proceskosten.

Rechters

mr. Bos

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 8 maart 1994

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om ‘gastvrouwen’ wordt gevraagd. In de
advertentie is naast de vrouwelijke functiebenaming niet ook een
mannelijke functiebenaming genoemd. Dit levert strijd met de Wet op. De
advertentietekst vraagt verder nog uitdrukkelijk naar gastvrouwen met
bepaalde en duidelijk naar vrouwen verwijzende confectiematen. In haar
verweer stelt de wederpartij dat ten gevolge van een communicatiefout is
afgeweken van de normale werving. De Commissie is er vanwege de verlangde
‘vrouwelijke’ confectiematen niet van overtuigd, dat de afwijking van de
normale werving alleen terug te voeren is op een communicatiefout. Ook een
communicatiefout biedt geen rechtvaardiging voor een inbreuk op het
wettelijke verbod om direct onderscheid te maken.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 21 januari 1994 verzocht de stichting Haags Meld- en
Registratiepunt Discriminatiezaken te Den Haag (hierna: verzoekster) de
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door de directie van
te Den Haag (hierna: wederpartij) onderscheid is gemaakt bij
de aanbieding van een betrekking in strijd met de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoekster heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd, waarin ‘gastvrouwen’ worden gevraagd. Verzoekster is van
mening dat deze vacaturemelding in strijd is met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoekster is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee
voldoet verzoekster aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in behandeling
genomen en op grond van artikel 36 van het Procedurereglement besloten om
in deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen. De wederpartij
is in de gelegenheid gesteld tegen deze beslissing bezwaar aan te tekenen.
De wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt. De wederpartij
is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt van verzoeker te
reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in de ‘Haagsche Courant’ van 11 januari 1994. In deze
advertentie vraagt de wederpartij om ‘Part-time gastvrouwen’. Verder wordt
van de gastvrouwen (onder andere) nog gevraagd dat zij representatief
zijn, een leeftijd hebben van 21 tot 40 jaar en over een confectiemaat
beschikken van maat 36 tot 42. In de advertentie staat noch een mannelijke
functiebenaming vermeld, noch vermeld dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen voor de aangeboden functies.

4.2. Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekkingen onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en
vrouwen en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij heeft aangegeven dat zij in de wervingsadvertenties
voor parttime ambulant personeel altijd aangeeft, dat de advertentie zowel
voor mannen als voor vrouwen bedoeld is. Bij haar verweerschrift heeft de
wederpartij twee advertenties meegezonden, waaruit dit blijkt. Door een
communicatiefout is in de onderhavige advertentie niet opgenomen, dat de
wederpartij zowel mannelijke als vrouwelijke sollicitanten voor de
vacatures werft. Zij biedt hiervoor haar verontschuldigingen aan en
beschouwt dit als een incident.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee
in strijd heeft gehandeld met de WGB, door in de onderhavige advertentie
om ‘Part-time gastvrouwen’ te vragen, terwijl zij niet uitdrukkelijk
vermeld heeft dat zowel mannen als vrouwen voor de functies in aanmerking
komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Alleen in geval van een
wettelijke uitzondering, bijvoorbeeld als de werkgever een voorkeursbeleid
voor vrouwen wil voeren, mag van dit verbod worden afgeweken. De reden van
deze afwijking moet in de advertentie worden vermeld.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Dit artikel schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat
of zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet
worden, of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als vrouwen
in aanmerking komen.

5.4. In de onderhavige advertentie wordt voor de functies slechts een
functiebenaming vermeld, namelijk ‘gastvrouwen’. In dat geval stelt de Wet
de eis dat uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen
voor de betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke vermelding
ontbreekt in de advertentie.

5.5. De wederpartij voert aan, dat de onderhavige advertentie door een
communicatiefout afwijkt van de normale werving, die zich steeds tot zowel
mannen als vrouwen richt. De Commissie onderkent dat de twee voorbeelden
die de wederpartij heeft aangedragen, zowel de mannelijke als de
vrouwelijke functiebenaming vermelden. Zij waardeert het kennelijke
streven van de wederpartij om artikel 3 WGB na te leven. Dat neemt echter
niet weg, dat alleen de onderhavige advertentie aan haar is voorgelegd en
beoordeeld moet worden. Daarin is opmerkelijk, dat de tekst uitdrukkelijk
vraagt naar gastvrouwen met bepaalde en duidelijke naar vrouwen
verwijzende confectiematen. De Commissie is dan ook niet overtuigd, dat
de afwijking van de normale werving alleen terug te voeren is op een
communicatiefout. Wat daar ook van zij, ook een communicatiefout biedt
geen rechtvaardiging voor een inbreuk op het wettelijke verbod om direct
onderscheid te maken.

5.6. Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op
grond van geslacht in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in
strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 WGB.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de directie van te Den Haag
bij de aanbieding van de betrekkingen onderscheid heeft gemaakt in strijd
met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid
1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen heeft gehandeld.

Aldus vastgesteld op 8 maart 1994.

Rechters

mr C.H.S. Evenhuis, mr M.J.M.G. van Drosten

Instantie: Hof van Justitie EG, 24 februari 1994

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Prejudiciele vragen (wederom) gesteld door de Raad van Beroep ‘s
Hertogenbosch, 30 juni 1992. Het Hof concludeert dat de eis dat enig
inkomen uit arbeid moet zijn genoten in het jaar voorafgaande aan de
arbeidsongeschiktheid, onverenigbaar is met art. 4 lid 1 van richtlijn
79/7. In casu is er sprake van indirecte discriminatie die niet objectief
gerechtvaardigd kan worden, zelfs niet door budgettaire overwegingen. In
tegenstelling tot Advocaat-Generaal Darmon en de Centrale Raad van Beroep
in het verwijzingsvonnis van de onderhavige zaak, gaat het Hof bij de
beoordeling of de inkomenseis objectief gerechtvaardigd kan worden niet
in op de aard van de AAW.

Volledige tekst


Ten aanzien van de eerste en tweede prejudiciele vraag, volsta ik met op
te merken dat het Hof de lijn van voorgaande jurisprudentie consequent
heeft door getrokken. De beantwoording van de derde vraag daarentegen,
geeft aardig wat stof tot nadenken. Aangezien de vraag of de inkomenseis
als onderscheidend criterium verenigbaar is met richtlijn 79/7 aan de kern
van de AAW raakt, zal hij in deze noot centraal staan. Een saillant
gegeven is daarbij dat het Hof tot een andere conclusie is gekomen dan de
AG, de CRvB in het verwijzingsvonnis van de onderhavige zaak (CRvB, 23
juni 1992, AAW 1991/463, RN 1992, 294, m.n. Mireille Steinmetz. Hierna:
CRvB (1992)) en de eerste rechter (Raad van Beroep Arnhem, 25 juli 1991;
zie tevens RvB Arnhem, 13 september 1990, RN 1991, 143). Wat de vierde
vraag betreffende de personele werkingssfeer van de richtlijn aangaat, wil
ik slechts stellen dat het Hof eveneens een ander standpunt heeft
ingenomen dan de AG. De AG beperkt de personele werkingssfeer tot enkel
die personen waarop artikel 2 van de richtlijn betrekking heeft, terwijl
het Hof van mening is dat de bepalingen van de richtlijn ook kunnen worden
ingeroepen door justitiabelen die de gevolgen ondervinden van een
nationale bepaling waardoor een andere persoon, die wel onder de
werkingssfeer valt, wordt gediscrimineerd. Opmerkelijk is dat beiden zich,
ter ondersteuning van hun stelling, op de Verholen uitspraak beroepen
(Gev. zaken 87/90, 88/90, 89/90, RVR 1992, 151).

De inkomenseis Het Hof heeft de vraag beantwoord of artikel 4(1) van
richtlijn 79/7 zich verzet tegen de toepassing van het vereiste enig
inkomen te hebben genoten in het jaar voorafgaande aan de
arbeidsongeschiktheid teneinde in aanmerking te komen voor AAW, welke eis,
ofschoon zij geen onderscheid maakt naar geslacht, een veel groter aantal
vrouwen dan mannen treft, zelfs wanneer de vaststelling van deze eis haar
rechtvaardiging vindt in budgettaire overwegingen. De eis van ‘enig
inkomen’ is voor het eerst door de CRvB (1992) geformuleerd. In de
uitspraak die voor de Raad van Beroep ’s Hertogenbosch de aanleiding
vormde deze prejudiciele vraag te stellen, concludeerde de CRvB namelijk
dat de inkomenseis zoals vervat in de AAW niet geschikt en noodzakelijk
is om de doeleinden van de wet te verwezenlijken, maar dat de eis van enig
inkomen wel gerechtvaardigd is. Hierover later meer. De aan het Hof
voorgelegde vraag betreft in wezen het indirect discriminerend karakter
van de inkomenseis en de objectieve rechtvaardiging daarvan. Dat er sprake
is van indirecte discriminatie wordt door partijen niet betwist; 5900
vrouwen tegenover 1800 mannen krijgen door toepassing van artikel IV met
ingang van 1 juli 1991 geen AAW-uitkering meer (punt 48 conclusie AG). Op
grond van eerdere jurisprudentie concludeert het Hof dat artikel 4(1) zich
verzet tegen de toepassing van een regeling met een dergelijk effect,
tenzij deze beantwoordt aan een legitieme doelstelling van sociaal beleid
en ter bereiking van dat doel geschikt en noodzakelijk is. Budgettaire
overwegingen acht het Hof op zichzelf niet een doelstelling van dat beleid
en aldus komt het tot de conclusie dat de eis dat enig inkomen moet zijn
genoten in het jaar voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid, in strijd
is met artikel 4(1). Met andere woorden, er is sprake van indirecte
discriminatie die niet objectief gerechtvaardigd kan worden. Terzijde zij
opgemerkt dat het voor het Hof gemakkelijker was deze uitspraak te doen,
nu de hoogste nationale rechter op het gebied van de sociale zekerheid (de
CRvB) de inkomenseis al gedeeltelijk als ontoelaatbaar had gekwalificeerd.
Aldus kan men een interessante onderlinge corrigerende werking van
rechterlijke instanties waarnemen; de Raad van Beroep ’s Hertogenbosch
heeft zijn bedenkingen ten aanzien van de uitspraak van de CRvB en legt
daarom de vraag voor aan het Hof, die op zijn beurt de uitspraak van de
CRvB corrigeert. AG Darmon heeft eveneens geconcludeerd dat er sprake is
van indirecte discriminatie, maar hij is van mening dat deze wel
gerechtvaardigd kan worden. Volgens de AG is de inkomenseis niet in strijd
met artikel 4(1), mits zij budgettair noodzakelijk is en in
overeenstemming met de aard van de betrokken regeling. Deze twee
rechtvaardigingsgronden behoeven verdere uitwerking.

Budgettair noodzakelijk De motieven die aan de inkomenseis ten grondslag
liggen, worden door de CRvB (1992) en de RvB Arnhem van belang geacht voor
de beoordeling van de rechtvaardigingsgronden voor de inkomenseis. Het
voorkomen van snipperuitkeringen is een van die motieven. Derhalve hebben
beiden geconcludeerd dat budgettaire overwegingen de inkomenseis kunnen
rechtvaardigen, voor zover ze tot doel hebben snipperuitkeringen te
voorkomen, dit wil zeggen uitkeringen van een zo geringe omvang dat zij
niet in een redelijke verhouding staan tot de uitvoeringskosten. Het Hof
gaat niet in op de doeleinden die in de AAW met de inkomenseis worden
nagestreefd (deze zijn ook niet als rechtvaardigingsgrond aangevoerd). Ten
aanzien van budgettaire overwegingen heeft het echter verder overwogen dat
wanneer deze een rechtvaardiging zouden kunnen vormen voor een verschil
in behandeling, dat anders indirecte discriminatie zou opleveren, dat zou
impliceren dat een fundamenteel beginsel als gelijke behandeling van
mannen en vrouwen in tijd en ruimte zou kunnen varieren, al naargelang de
toestand van de openbare financien van de lidstaten. Met deze overweging
lijkt het Hof terug te keren in de schoot van het derde Defrenne arrest,
waarin het gelijke behandeling van mannen en vrouwen als een fundamenteel
recht bestempelde. Men hoede zich echter voor al te veel optimisme, niet
in de laatste plaats vanwege de zeer recente uitspraak van het Hof in de
Ten Oever zaak, die ongelijke behandeling tot ver in de volgende eeuw
toestaat en waaraan financiele overwegingen in grote mate debet zijn.

Het Hof zegt vervolgens dat de lidstaten wel rekening mogen houden met
financiele beperkingen en het behoud van het recht op sociale uitkeringen
afhankelijk mogen stellen van voorwaarden waardoor sommige categorieen van
personen het recht op uitkering wordt ontnomen, zolang zij maar het
gelijke behandelingsbeginsel in acht nemen. In casu acht het de eis van
enig inkomen blijkbaar te zwaar. De vraag die zich hier echter opdringt,
is of in voorkomend geval het Hof op grond van deze overweging de
doelstelling van de inkomenseis om snipperuitkeringen te voorkomen, niet
als legitieme doelstelling van sociaal beleid zou accepteren. De
inkomenseis zou dan als een soort drempel geformuleerd moeten worden, ter
voorkoming van hogere uitvoeringskosten dan de hoogte van de uitkering
zelf. Een ander motief dat ten grondslag ligt aan de inkomenseis vloeit
voort uit de aard van de regeling en wordt, behalve door het Hof, niet
geheel los gezien van budgettaire overwegingen. Zo stelt de AG dat indien
de aard van de betrokken regeling in aanmerking wordt genomen, budgettaire
redenen maatregelen kunnen rechtvaardigen die op het eerste gezicht
discriminerend zijn. Naast budgettaire overwegingen dient derhalve ook de
aard van de regeling in ogenschouw te worden genomen. De vraag die hierbij
rijst, is in hoeverre de aard van de regeling, impliciet, een rol heeft
gespeeld in de gedachtengang van het Hof.

De aard van de regeling

Evenals het Hof stelt de AG dat budgettaire redenen niet volstaan tegen
een beroep op onverenigbaarheid. Vanaf hier gaan het Hof en de AG echter
ieder zijns weegs. Terwijl het Hof niet ingaat op de aard van de regeling
als rechtvaardigingsgrond, zegt de AG dat ‘indien een regeling tot doel
heeft een inkomensachteruitgang te compenseren die een tot de
beroepsbevolking behorend persoon lijdt wanneer hij arbeidsongeschikt
wordt, mag een Lid-Staat derhalve, wanneer de budgettaire middelen bestemd
voor de daarbij behorende uitkeringen ontoereikend zijn of dreigen te
worden, het recht op uitkering voorbehouden aan personen die, blijkens hun
voor het intreden van het risico genoten beroepsinkomen, beroepsarbeid van
enige betekenis verrichtten’ (punt 55). Hoewel de AG niet uitdrukkelijk
stelt dat de AAW daadwerkelijk een inkomensdervingsverzekering is, zegt
hij dat wanneer dat het geval is, de inkomenseis kan worden
gerechtvaardigd wanneer deze budgettair noodzakelijk is. Hiermee zijn we
bij de crux van de zaak beland: wat is het karakter van de AAW nu precies
en in hoeverre is dat van belang voor de toelaatbaarheid van de
inkomenseis? Toen de AAW in 1976 tot stand kwam, was het duidelijk een
volksverzekering die tot doel had een sociaal minimum voor
arbeidsongeschikten te garanderen en die diende ter aanvulling van de WAO,
die alleen voor werknemers gold. Met de opname van gehuwde vrouwen in de
wet van 1979 leek de AAW op het eerste gezicht een echte volksverzekering
te worden. Door de verschillende wijzigingen in de wet, onder andere de
invoering van de inkomenseis, is het karakter echter steeds meer
verschoven in de richting van een inkomensdervingsverzekering (zie ook
Joke Bol, AAW als volksverzekering ter ziele, Nemesis, 1993, nr. 5).

Tekenend in dit verband is ook de uitspraak van het Hof in de
Ruzius-Wilbrink zaak (102/88, RN 1990, 84) en de nationale follow-up
daarvan (CRvB, 6 juni 1991, AAW 1990/169, RVR 1992, 105, m.n. Len
Andringa). Het Hof stelde in die zaak dat de AAW een nationale wettelijke
regeling is, die aan arbeidsongeschikt geworden verzekerden een sociaal
minimum garandeert. Daarbij legde het de nadruk op de uitzonderingsgroepen
in de AAW (zoals zelfstandigen, studerenden en in de huishouding van
verwanten werkzame ongehuwden), die ondanks het feit dat ze (bijna) geen
inkomen hadden in het jaar voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid,
eveneens recht op dat sociaal minimum hadden. Er was dus niet echt sprake
van een inkomensdervingsverzekering. Het alleen aan deeltijdwerkers
verstrekken van uitkeringen op individuele grondslag werd derhalve
ongeoorloofd geacht. Deze zaak toont veel gelijkenis met de Roks zaak.
Zowel van de individuele grondslag als van de inkomenseis ondervinden met
name vrouwen nadeel. Daarnaast behoeven de uitzonderingsgroepen ook nu nog
steeds niet aan de inkomenseis te voldoen.

In de follow-up zaak heeft de CRvB de Ruzius uitspraak handig weten te
omzeilen, door te stellen dat dit ‘volksverzekeringselement’ nog maar een
nevendoelstelling van de AAW is en dat het ‘dervingselement’ inmiddels tot
hoofddoelstelling is verworden. In het verwijzingsvonnis van de
onderhavige zaak heeft de CRvB (1992) hierop voortgeborduurd. De Raad gaat
er van uit dat de AAW een inkomensdervingsverzekering is en stelt dat bij
een wet die inkomensderving verzekert, er sprake moet zijn van reele
inkomensderving, dit wil zeggen inkomensderving van een zekere omvang.
Derhalve acht het de eis gerechtvaardigd dat enig inkomen moet zijn
genoten. Bovenstaande redenering van de AG lijkt hier naadloos bij aan te
sluiten. De eerste rechter (Raad van Beroep Arnhem) is tot een andere
conclusie gekomen. Deze is van mening dat de eis dat een bepaald inkomen
uit arbeid moet zijn genoten geen uitwerking, maar juist een inbreuk op
het dervingsbeginsel is en dat dit beginsel derhalve niet als
rechtvaardigingsgrond kan worden aangevoerd.

Nu de AG zo uitgebreid op de aard van de regeling ter rechtvaardiging van
de inkomenseis is ingegaan, is het op zijn zachts gezegd opmerkelijk dat
het Hof elke overweging ten aanzien daarvan achterwege heeft gelaten.
Ongeacht de aard van de AAW, lijkt het elke inkomenseis van welke omvang
dan ook af te wijzen. Kan men hieruit de conclusie trekken dat volgens het
Hof het karakter van de AAW totaal irrelevant is voor de vraag of de
inkomenseis als onderscheidend criterium gebruikt mag worden? Meer in het
algemeen zal dan de vraag beantwoord moeten worden of de uitspraak van het
Hof alleen ziet op rechtvaardiging op grond van budgettaire overwegingen,
of dat de inkomenseis ook op andere gronden niet gerechtvaardigd kan
worden in de opinie van het Hof. Alvorens hier een uitspraak over te doen,
is het zinnig eerst nog eens naar de conclusie van de AG te kijken.
Volgens de AG heeft het Hof zich tot op heden nog niet behoeven te buigen
over ‘een verschil in behandeling waarvoor ter rechtvaardiging enkel
(curs. LS) budgettaire gronden werden aangevoerd’.

Moet de uitspraak van het Hof in het licht van deze overweging bekeken
worden? De prejudiciele vraag zoals gesteld door de Raad van Beroep ‘s
Hertogenbosch zou aanleiding kunnen geven tot een bevestigend antwoord op
deze vraag. Kort samengevat luidt deze of de artikelen III en IV van de
AAW ‘objectief gerechtvaardigd worden door budgettaire overwegingen’. De
verwijzende rechter heeft dus alleen ten aanzien van deze
rechtvaardigingsgrond uitsluitsel gevraagd aan het Hof. In de
herformulering van deze vraag en in het dictum heeft het Hof echter het
woordje ‘zelfs’ toegevoegd, hetgeen naar mijn mening van cruciale
betekenis is. Hoewel het Hof slechts expliciet naar budgettaire
overwegingen ter rechtvaardiging van de inkomenseis verwijst, kan men uit
deze toevoeging afleiden dat het deze grond naast andere gronden overwogen
heeft. De formulering van het Hof lijkt er daarnaast op te duiden dat aan
andere rechtvaardigingsgronden minder gewicht wordt toegekend dan aan
budgettaire overwegingen. Wellicht heeft het Hof zich niet uitdrukkelijk
over andere rechtvaardigingsgronden willen uitlaten, omdat er geen andere
gronden zijn aangevoerd. Hoewel het dus niet geheel onaannemelijk is dat
het Hof naar de aard van de regeling als rechtvaardigingsgrond heeft
gekeken, kan men daarover geen harde uitspraken doen. Het blijft echter
een mysterie waarom het Hof hier niet bij eerdere rechtspraak heeft
aangeknoopt. Niet alleen in de Ruzius zaak heeft het Hof zijn uitspraak
voor een groot deel opgehangen aan het karakter van de regeling, in de
recentere Molenbroek zaak (C-226/91, RN 1993, 329, m.nt. Marlies Vegter)
heeft het dit zo mogelijk nog duidelijker gedaan.

In deze zaak stelde het Hof onder meer dat de toeslagenregeling in kwestie
onmisbaar was om het karakter van de AOW-uitkering als bodemvoorziening
te behouden en om echtgenoten een inkomen te garanderen ter grootte van
het sociaal minimum. Nu het Hof in Roks niet bij deze jurisprudentie
aansluit, blijft men in het duister tasten omtrent het antwoord op de
vraag wanneer de aard van de regeling ter rechtvaardiging kan dienen van
indirect discriminerende maatregelen. Deze vraag wint aan betekenis, nu
het meest recente wijzigingsvoorstel van de AAW (24 december 1992) op
onmiskenbare wijze duidelijk maakt dat de wetgever van plan is de AAW
definitief in een inkomensdervingsverzekering te veranderen. Het voorstel
tot wijziging voorziet onder andere in de meest strikte toepassing van het
inkomensvereiste: geen inkomen, geen uitkering. Dit houdt in dat de eerder
genoemde uitzonderingsgroepen komen te vervallen en dat daarmee het
volksverzekeringskarakter van de AAW ten dode is op geschreven. Daarnaast
lijkt de wetgever de rechtspraak van de CRvB dat er sprake moet zijn van
‘enig inkomen’, te hebben verdisconteerd in haar voorstel. Hoewel hij geen
concrete invulling aan dit vereiste geeft, betekent de omzetting van de
inkomenseis in het vereiste dat in het refertejaar minimaal 22 dagen moet
zijn gewerkt, een versoepeling. Naar mijn mening blijft dit echter een
entree-eis die zeer vergelijkbaar is met de inkomenseis. Op grond van de
onderhavige uitspraak is het nog maar de vraag in hoeverre het Hof dit
vereiste objectief te rechtvaardigen zal achten.

Conclusie Uit het bovenstaande kunnen drie interpretaties ten aanzien van
de rechtvaardiging van de inkomenseis gedistilleerd worden. De inkomenseis
kan noch door het dervingsbeginsel, noch door budgettaire overwegingen
objectief gerechtvaardigd worden (meest strikte interpretatie van de
uitspraak van het Hof), de inkomenseis kan slechts door budgettaire
overwegingen objectief gerechtvaardigd worden (conform de uitspraak van
de eerste rechter), de inkomenseis kan zowel door budgettaire overwegingen
als door het dervingsbeginsel objectief gerechtvaardigd worden (conform
de visie van de CRvB en de AG). Het is moeilijk om ook maar een van deze
interpretaties definitief uit te sluiten voor de toekomst, aangezien de
overwegingen van het Hof daar te weinig aanknopingspunten voor bieden. Zo
zou het Hof mijns inziens op grond van haar uitspraak budgettaire
overwegingen wel kunnen aanvaarden, indien de inkomenseis aldus
geformuleerd zou worden dat het gaat om een drempel die moet voorkomen dat
de uitvoeringskosten hoger zijn dan de uit te betalen uitkering. Daarnaast
is het nog maar de vraag of het Hof het inkomensdervingsbeginsel van de
AAW als een rechtvaardigingsgrond voor de inkomenseis zal accepteren. In
die afweging heeft het immers de ‘keus’ de inkomenseis als een uitwerking
dan wel als inbreuk op het dervingsbeginsel te zien. Samenvattende kan men
slechts stellen dat het Hof niet makkelijk lijkt aan te nemen dat de
inkomenseis objectief te rechtvaardigen is. Het is jammer dat het Hof geen
duidelijker uitsluitsel heeft gegeven ten aanzien van het belang dat in
deze aan de aard van de regeling gehecht mag worden. Daardoor roept zijn
uitspraak meer vragen op dan hij beantwoordt. Nieuwe prejudiciele vragen
naar aanleiding van deze uitspraak zullen dan ook wel niet uitblijven!

Linda Senden

Rechters

Mrs. Mancini, Diez de Velasco, Kakouris, Schockweiler, Kapteyn

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 23 februari 1994

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Uitzetting van een vrouw die aangifte heeft gedaan van vrouwenhandel, nog
voor zijzelf over haar aangifte is gehoord, en zonder dat op haar aanvrage
om een verblijfsvergunning in de zin van hoofdstuk B 17 van de
Vreemdelingencirculaire is beslist, moet als onrechtmatig worden
aangemerkt.

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

Ter terechtzitting van 15 februari 1994 heeft eiseres gesteld en gevorderd
overeenkomstig de dagvaarding met dien verstande dat zij, zonder bezwaar
van de Staat, haar eis heeft vermeerderd in die zin dat zij thans vordert
a. de Staat te verbieden haar uit Nederland te (doen) verwijderen, totdat
op haar herzieningsverzoek is beslist; b. de Staat te bevelen haar in het
bezit te stellen van een vergunning tot verblijf voor de duur van het
opsporings- en vervolgingsonderzoek in feitelijke aanleg van de feiten,
waarvan zij middels haar gemachtigde bij brief van 31 januari 1994
aangifte heeft gedaan bij de gemeentepolitie in Arnhem; c. de Staat te
verbieden gedurende het opsporings- en vervolgingsonderzoek over te gaan
tot uitzetting van eiseres; d. de Staat te bevelen de
vreemdelingenbewaring, waarin eiseres sedert 7 december 1993 onafgebroken
verblijft, onmiddellijk op te heffen. De Staat heeft de vordering, zoals
gewijzigd, bestreden en geconcludeerd tot weigering van de gevraagde
voorziening. Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van
weerszijden produkties en pleitaantekeningen overgelegd voor
vonniswijziging.

UITGANGSPUNT:

1. Eiseres, volgens haar verklaring geboren op 30 juni 1961, bezit de
Dominicaanse nationaliteit en verblijft als vreemdeling in de zin van de
Vreemdelingenwet in Nederland. Op 8 december 1993 heeft zij verzocht om
afgifte van een vergunning tot verblijf, voor verblijf bij haar
Nederlandse partner K., welk verzoek op 14 december 1993 is afgewezen. Aan
het hiertegen ingediende herzieningsverzoek is schorsende werking
onthouden. Eiseres is op 7 december 1993 in vreemdelingenbewaring
geplaatst, op die dag is tevens een last tot uiteenzetting verstrekt.
Eiseres moet er dan ook rekening mee houden binnenkort uit Nederland te
worden verwijderd.

BEOORDELING VAN DE VORDERING:

2. Eiseres legt aan haar vordering in dit geding ten grondslag dat zij in
aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf bij partner omdat door
haar en haar partner aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan. Zij stelt
tevens dat zij in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf voor
de duur van het opsporings- en vervolgingsonderzoek als bedoeld in
hoofdstuk B 17.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc).

3. Aan de orde is de vraag of de Staatssecretaris onrechtmatig heeft
gehandeld door, na het inleidende verzoek van de vreemdeling te hebben
afgewezen, te beslissen dat deze uit Nederland dient te worden verwijderd.

4. In dit geding doet zich het geval voor van artikel 32; lid 2 van de
Vreemdelingenwet (oud). In zodanige gevallen is het in beginsel aan het
beleid van de Staatssecretaris van Justitie overgelaten of de vreemdeling,
in afwachting van de beslissing op het verzoek om herziening, zal worden
verwijderd. Verwijdering kan desondanks een onrechtmatige daad opleveren.
Dit zal met name het geval zijn, indien de Staatssecretaris in de gegeven
omstandigheden in redelijkheid niet tot de maatregel van verwijdering
heeft kunnen komen, waarbij mede van belang is of het herzieningsverzoek
een redelijke kans van slagen heeft en of verwijdering in strijd is met
rechtsregels, waaronder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

5. Ingevolge artikel 11 lid 5 van de Vreemdelingenwet kan het verlenen van
een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op
gronden aan het algemeen belang ontleend.

6. De Staatssecretaris van Justitie voert met het oog op de bevolkings-
en werkgelegenheid hier te lande bij de toepassing van dit artikellid een
beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen -behoudens verplichtingen
voortvloeiende uit internationale overeenkomsten- slechts voor verlening
van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun
aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of
indien er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

7. Als uitwerking van genoemde uitgangspunten hanteert de Staat ten
aanzien van vreemdelingen die hier te lande verblijf beogen bij een
Nederlandse partner de criteria neergelegd in hoofdstuk B 19.3 van de
Vreemdelingencirculaire 1982 (vc). Toelating wordt slechts verleend indien
ondermeer is voldaan aan de volgende vereisten: a. er is sprake van een
vaste relatie; deze moet met name blijken uit het feit dat de partners
samenleven en een gemeenschappelijke huishouding voeren; b. beide partners
zijn ongehuwd; c. de Nederlandse partner is in staat en bereid de kosten
van levensonderhoud alsmede de eventuele kosten van terugkeer naar het
land van herkomst op zich te nemen, hij moet daartoe duurzaam beschikken
over voldoende middelen van bestaan; in bepaalde gevallen wordt genoegen
genomen met een garantstelling door een andere daartoe solvabel te achten
persoon, die met een van de partners een speciale band heeft; d. de
Nederlandse partner beschikt over passende huisvesting; daarbij gaat het
vooral om de verhouding tussen de grootte van de woning, het aantal kamers
en het aantal betrokken personen (Vc B 19.2.2.4.).

8. In casu is niet aannemelijk geworden dat er tussen eiseres en K. een
zodanige vaste relatie bestaat dat eiseres daaraan een titel tot verblijf
zou kunnen ontlenen. Daartoe is blijkens bovenstaande immers vereiste dat
de betreffende partners samenleven en een gemeenschappelijke huishouding
voeren. Blijkens het bevolkingsregister van de gemeente Arnhem staan
eiseres en K. niet op een gemeenschappelijk woonadres ingeschreven.
Eiseres stelt dat dit bezwaar haar onmogelijk kan worden tegengeworpen,
omdat zij zich feitelijk niet op dit adres heeft kunnen laten registreren.
Wat van deze stelling ook zij, anderszins is evenmin aangetoond dan wel
aannemelijk gemaakt dat eiseres en haar partner op het moment dat eiseres
in vreemdelingenbewaring is gesteld samenwoonden en een gemeenschappelijke
huishouding voerden. Daarbij moet worden aangetekend dat, aannemende dat
eiseres sedert haar terugkeer in Nederland op 13 november 1993 al bij haar
partner zou hebben verbleven, dit verblijf van een dermate korte duur
geweest is dat ernstig moet worden betwijfeld of sprake is geweest van het
voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Aan de door eiseres in het
geding gebrachte verklaringen kan in dit kader geen betekenis worden
toegekend, aangezien door betrokkenen alleen wordt verklaard dat zij
eiseres kennen als vriendin van K.

9. Dit betekent dat in casu alleen al vanwege het hiervoor overwogene niet
wordt voldaan aan de gestelde vereisten voor verblijf bij partner. Eiseres
komt derhalve in dit kader niet in aanmerking voor een vergunning tot
verblijf. Haar verzoek om herziening heeft dan ook geen redelijke kans
van slagen.

10. Voorafgaande leidt echter zonder meer niet tot de conclusie dat
verwijdering van eiseres derhalve thans niet onrechtmatig is. Eiseres
heeft aan de onderhavige vordering tevens een beroep op hoofdstuk B 17 Vc,
getiteld Slachtoffers van vrouwenhandel, ten grondslag gelegd.

11. Blijkens hoofdstuk B 17.1 Vc is het Nederlands beleid ten aanzien van
de bestrijding van vrouwenhandel erop gericht de opsporing en vervolging
van diegenen die zich aan overtreding van artikel 250bis en/of 250ter Sr.
schuldig maken, zoveel mogelijk te bevorderen. Dit beleid is ondermeer
uitgewerkt in de in hoofdstuk B 17 onder 3.1 opgenomen regel dat een
slachtoffer van vrouwenhandel voor een vergunning tot verblijf onder
beperkingen in aanmerking komt indien zij aangifte heeft gedaan ter zake
van artikel 250ter Sr. De verblijfstitel wordt slechts verleend voor de
duur van het opsporings- en vervolgingsonderzoek en de berechting in
feitelijke aanleg van de verdachte(n) van het plegen van het strafbare
feit, waarvan aangifte is gedaan en indien hij/zij noodzakelijk wordt
geacht voor dat onderzoek. Het hoofd van de plaatselijke politie, de
korpschef, is bevoegd tot weigering van een dergelijke vergunning tot
verblijf, maar dient daartoe eerst een bijzondere aanwijzing te vragen aan
de minister van Justitie. Daarmee dient niet te worden gewacht totdat het
Openbaar Ministerie een beslissing heeft genomen omtrent het al dan niet
instellen van vervolging.

12. Eiseres heeft gesteld dat zij als prostituee het slachtoffer is
geworden van vrouwenhandel. Namens haar is aangifte gedaan ter zake van
het begaan van het misdrijf als bedoeld in artikel 250ter Sr. Daarbij is
ondermeer verzocht een onderzoek te starten naar aanleiding van deze
aangifte, te beginnen met het horen van eiseres. Aan dit verzoek is geen
gevolg gegeven. Eiseres heeft inmiddels bovendien verzocht om een
vergunning tot verblijf met als doel ‘afwachten van opsporings- en
vervolgingsonderzoek en de berechting in feitelijke aanleg van de
verdachte(n) van het strafbare feit, waarvan namens ondergetekende door
haar advocaat, mr. H.F.J.L. van Pelt te Arnhem aangifte is gedaan bij
brief van 31 januari 1994, gericht aan de politie in Arnhem, afdeling
Zedenmisdrijven’. Op deze aanvraag is nog niet beslist. Evenmin is
verzocht om een bijzondere aanwijzing in verband met een eventuele
weigering van de onderhavige vergunning tot verblijf.

13. Door de Staat is niet weersproken dat eiseres afkomstig is uit de
Dominicaanse Republiek en meerdere jaren als prostituee werkzaam is
geweest. De Staat heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat
er zelfs niet de geringste aanwijzingen zijn dat eiseres het slachtoffer
is geweest van vrouwenhandel. Daarbij is ondermeer als argument
aangevoerde dat de omstandigheid dat eiseres eerst aangifte doet nadat zij
zich al twee maanden in vreemdelingenbewaring bevindt bepaald te denken
geeft. Erkend moet worden dat dit argument, mede in het licht van de
omstandigheid dat eiseres in november 1993 vrijwillig naar Nederland is
teruggekeerd en tijdens haar eerdere verblijf hier te lande niet over
vermeende onvrijwillige prostitutie heeft gerept, niet geheel
onbegrijpelijk is. Echter, tot het horen van eiseres, een van de meest
essentiele onderdelen van een opsporingsonderzoek om de benodigde
duidelijkheid te verkrijgen omtrent de vraag of eiseres, zoals zij stelt,
daadwerkelijk slachtoffer is geworden van vrouwenhandel, is niet
overgegaan. Dit terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat
ondermeer ten aanzien van diverse in Europa verblijvende Dominicaanse
vrouwen is komen vast te staan dat zij, tot prostitutie gedwongen, het
slachtoffer van vrouwenhandel zijn geworden. Zoals hierboven onder 12.
reeds overwogen, is door de korpschef van Arnhem evenmin verzocht om een
bijzondere aanwijzing, vereist om tot weigering van door eiseres gewenste
verblijfstitel over te kunnen gaan. Een en ander betekent dat thans niet
met zekerheid kan worden vastgesteld of eiseres op basis van hoofdstuk B
17 Vc al dan niet in aanmerking komt voor een verblijfstitel. Voorgaande
leidt tot de conclusie dat het besluit om eiseres uit Nederland te
verwijderen, zonder dat op haar aanvraag om een verblijfsvergunning in de
zin van B 17.3.1 Vc is beslist niet met de vereiste zorgvuldigheid is
voorbereid, zodat de beslissing om thans tot uitzetting over te gaan als
onrechtmatig jegens eiseres moet worden aangemerkt.

14. Naar aanleiding van hetgeen eiseres bij akte houdende vermeerdering
van eis onder b en c heeft gevorderd dient te worden opgemerkt dat, mede
gelet op het bepaalde bij en krachtens de Vreemdelingenwet en op de
beleidsregels neergelegd in hoofdstuk B 17 Vc in het bijzonder, er geen
aanleiding bestaat de Staat de bevoegdheid te ontnemen, om op basis van
een met de benodigde zorgvuldigheid voorbereide beslissing, zelfstandig
een besluit te nemen op het betreffende verzoek om een verblijfstitel.

15. Aan het bij genoemde akte onder d. gevorderde dient te worden
voorbijgegaan aangezien artikel 40 van de Vreemdelingenwet voor de
opheffing van de vreemdelingenbewaring ex artikel 26 Vw een afzonderlijke,
met voldoende rechtswaarborgen omklede en snelle rechtsgang biedt en het
verzoek van eiseres om opheffing als bedoeld in artikel 40 voornoemd door
de betreffende raadkamer wordt behandeld op de datum waarop in de
onderhavige zaak uitspraak wordt gedaan.

16. Uit bovenstaande moet worden geconcludeerd dat de gevraagde
voorziening dient te worden toegewezen in die zin dat de Staat wordt
verboden eiseres uit Nederland te verwijderen zolang niet is beslist op
haar verzoek om een vergunning tot verblijf van 4 februari 1994 met als
doel een verblijf in de zin van hoofdstuk B 17.3.1. Vc en dat de Staat
wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.

Beslissing: 1. Verbiedt de Staat eiseres uit Nederland te verwijderen
totdat is beslist op haar verzoek om vergunning tot verblijf van 4
februari 1994.

2. Veroordeelt de Staat in de kosten van dit geding, tot heden aan de
zijde van eiseres begroot op en te voldoen als volgt: -aan eiseres: ƒ
72,50 aan de bij haar gevallen kosten van vastrecht -en aan de griffier
van deze rechtbank: ƒ 217,50 aan overig vastrecht, ƒ 53,05 aan
exploitkosten en ƒ 800,= aan salaris procureur. 3. Verklaart dit vonnis
uitvoerbaar bij voorraad. 4. Wijst het meer of anders gevorderde af.

Noot

Deze zaak draait om een Dominicaanse vrouw die enige tijd in Nederland als
prostituee heeft gewerkt. Voor zover uit het vonnis valt af te leiden
keert zij na verblijf buitenlands in november 1993 (vrijwillig) terug naar
Nederland. Kennelijk wordt zij kort daarop aangehouden en in
vreemdelingenbewaring genomen. Na bijna twee maanden vastgezeten te
hebben, doet zij eind januari dit jaar aangifte als slachtoffer van
vrouwenhandel. Vier dagen later verzoekt zij om een vergunning tot
verblijf in Nederland op grond van hoofdstuk B17 van de
Vreemdelingencirculaire 1982. Nog voor op deze aanvraag is beslist dreigt
zij uitgezet te worden. Daarop vordert zij in kort geding de staat te
verbieden haar uit Nederland te verwijderen totdat is beslist op haar
verzoek om vergunning tot verblijf.

Hoofdstuk B17 (voorheen B22) handelt over slachtoffers en getuigen van
vrouwenhandel die zonder verblijfstitel in Nederland verblijven, met de
politie in aanraking komen en uitgezet dreigen te worden. B17 biedt twee
mogelijkheden: – opschorting van de verwijdering met drie maanden; – een
vergunning tot verblijf onder beperking voor de duur van het opsporings-
en vervolgingsonderzoek in feitelijke aanleg (dus niet gedurende de
behandeling van de zaak in cassatie).

Opschorting van de verwijdering is aan de orde zodra er geringe
aanwijzingen bestaan dat er sprake zou kunnen zijn van een slachtoffer van
vrouwenhandel. De betrokken vrouw wordt daarmee in de gelegenheid gesteld
om in alle rust te besluiten of zij al dan niet aangifte wil doen. ‘In de
regel kunnen vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van vrouwenhandel
en mogelijk ook van seksuele gewelddaden zich immers pas na langere tijd
over deze ervaringen uiten’, aldus B17. De drie maanden waarin de
verwijdering wordt opgeschort kan desgewenst worden gebruikt voor medisch
onderzoek en voor het instellen van civiele acties tegen de verdachten
(ten onrechte spreekt B17 van daders). Bovendien moet de vrouw in de
gelegenheid worden gesteld aangifte te doen. Opschorting van de
verwijdering komt bovendien ter sprake als de vrouw beklag aantekent tegen
een sepotbeslissing in ‘haar’ zaak (art 12 Sv-procedure). De uitslag van
die procedure mag zij hier te lande afwachten. Voor opschorting van de
verwijdering komt sinds april 1993 behalve het slachtoffer van
vrouwenhandel ook de vreemdeling in aanmerking die zelf geen slachtoffer
is van vrouwenhandel maar wel daarvan aangifte heeft gedaan. Zij wordt in
ieder geval niet uitgezet voor de tijd dat de politie nagaat of haar
verblijf in Nederland noodzakelijk is voor het opsporings- en
vervolgingsonderzoek (Stcrt 74; zie over de zaak die direct tot deze
wijziging leidde: Het B22-dilemma, in Keerzijde, het informatieblad van
de Stichting tegen Vrouwenhandel, 1993/2). De vergunning tot verblijf
onder beperking komt aan de orde zodra het slachtoffer daadwerkelijk
aangifte heeft gedaan van vrouwenhandel. Ten onrechte wordt in het vonnis
gesteld dat daarvoor tevens is vereist dat aangeefster noodzakelijk wordt
geacht voor het opsporings- en vervolgingsonderzoek. Die laatste eis
betreft alleen de getuige-aangeefster die zelf geen slachtoffer is. Voor
slachtoffers volstaat de enkele aangifte. Overigens is het MVV-vereiste
op slachtoffers van vrouwenhandel niet van toepassing.

In deze zaak is sprake van een slachtoffer van vrouwenhandel dat daarvan,
via haar advocaat, aangifte doet, en vervolgens een vergunning tot
verblijf op grond van B17 aanvraagt, in afwachting van het
opsporingsonderzoek. Dat opsporingsonderzoek komt er echter niet. De
aangeefster zelf wordt niet gehoord. Sterker nog: nog voor beslist is op
het B17-verzoek, en zonder dat daartoe een bijzondere aanwijzing van de
minister is verkregen, wil men haar het land uitzetten. Op dat moment
spant aangeefster dit kort geding aan teneinde uitzetting te voorkomen.

De staat voert nu aan dat er zelfs niet de geringste aanwijzingen zijn dat
aangeefster het slachtoffer van vrouwenhandel is geweest. Politie en
openbaar ministerie twijfelen duidelijk in hoge mate aan het
waarheidsgehalte van de aangifte. De rechter in kort geding oordeelt mild
dat, gezien de omstandigheden van het geval, dit standpunt ‘niet geheel
onbegrijpelijk’ is. Maar dat milde ‘niet geheel onbegrijpelijk’ krijgt een
wat sarcastische ondertoon wanneer de rechter vervolgens vaststelt dat
niet tot het horen van de aangeefster is overgegaan: ‘een van de meest
essentiele onderdelen van een opsporingsonderzoek om de benodigde
duidelijkheid te verkrijgen omtrent de vraag of eiseres (…)
daadwerkelijk slachtoffer is geworden van vrouwenhandel’. Om er als
finishing touch nog aan toe te voegen dat het ‘een feit van algemene
bekendheid is’ dat nogal wat Dominicaanse vrouwen in Europa slachtoffer
van vrouwenhandel zijn geworden. Materieel schort er dus nogal wat aan het
uitzettingsbesluit. Maar ook formeel is niet aan de vereisten voldaan: aan
de minister is geen bijzondere aanwijzing tot weigering van de vergunning
tot verblijf gevraagd.

De rechter had nog wel wat verder kunnen gaan. Ze had erop kunnen wijzen
dat B17 zelf meldt dat ‘in de regel’ slachtoffers van vrouwenhandel ‘zich
immers pas na langere tijd over deze ervaringen (kunnen) uiten’. En dat
het dus misschien helemaal niet zo ‘geeft te denken’ dat de vrouw pas na
twee maanden vreemdelingenbewaring aangifte doet, zoals de staat aanvoert.
De rechter had de staat nog kunnen vragen eens nader toe te lichten wat
eigenlijk geringste aanwijzingen zijn. Als een aangifte dat niet is, wat
dan wel? En ze had er nog op kunnen wijzen dat de handelwijze van de
politie neerkomt op een sepot, waartegen een artikel 12-beklag openstaat,
gedurende welke procedure in ieder geval de verwijdering opgeschort moet
worden. De rechter laat het maar bij de constatering dat in ieder geval
aangeefster gehoord, en de minister om een bijzondere aanwijzing gevraagd
had moeten worden. Nu dat niet is gedaan, is het besluit tot verwijdering
niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. In helder Nederlands
worden de politie en het openbaar ministerie er op deze manier nog eens
op gewezen dat de Vreemdelingencirculaire geen vrijblijvend gebabbel is,
maar regels bevat die simpelweg opgevolgd moeten worden, in ieder geval
wanneer afwijking van die regels nadelig is voor betrokken burgers.

Dit is geen vreemde uitspraak wanneer men bedenkt dat uitzetting van
illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen in wezen een dwangmiddel
is, waarvan de uitoefening aan strikte regels is gebonden, dit alleen al
om misbruik tegen te gaan. Die regels bepalen voor de politie de grens van
haar bevoegdheid, van haar beslissingsvrijheid. Binnen die grens dient zij
zorgvuldig met haar bevoegdheid om te gaan, bijvoorbeeld door op zijn
minst degene die aangifte doet zelf te horen. Op een bepaald moment mag
zij een beslissing niet meer zelf nemen maar moet zij dat aan een andere
(hogere) instantie overlaten. Onvermijdelijk loopt zij bij de uitoefening
van haar taak tegen die grens op. Ongetwijfeld is dat in een aantal
gevallen frustrerend, en is het verleidelijk even over de grens heen te
stappen. Het oordeel hierover van de rechter in deze zaak is duidelijk:
een dergelijke grensoverschrijding is illegaal en kan niet tot uitzetting
leiden.

Roelof Haveman

Rechters

Mr. De Vries

Instantie: Europees Hof voor de rechten van de mens, 22 februari 1994

Instantie

Europees Hof voor de rechten van de mens

Samenvatting


Klagers, Zwitserse onderdanen, wonen sinds 1975 in Basel. In 1984 trouwden
zij in Duitsland. Mevrouw Burghartz heeft ook de Duitse nationaliteit.
Overeenkomstig de Duitse wet (art. 1355 Burgerlijke Wetboek) kozen zij de
achternaam van de vrouw ‘Burghartz’ als hun gemeenschappelijke achternaam.
De echtgenoot maakte van zijn recht gebruik om zijn eigen achternaam te
voeren voorafgaand aan de gezamenlijke naam. Hij noemde zich zodoende
‘Schnyder Burghartz’. Aangezien de Zwitserse burgerlijke stand hen onder
de naam ‘Schnyder’ had geregistreerd, verzochten klagers om wijziging naar
‘Burghartz’ als gezamenlijke naam en ‘Schnyder Burghartz’ als achternaam
van de echtgenoot.

Op 6 november 1984 wees de regering van het kanton Basil dit verzoek af.
Vanwege de persoonlijke identificatie en de link met prive en gezinsleven
heeft de naam van een persoon niettemin betrekking op zijn of haar
gezinsleven. Aangaande de vraag of de Staat in overeenstemming heeft
gehandeld met art. 8 jo. 14 EVRM brengt het Hof in herinnering dat het
streven naar gelijkheid tussen de geslachten een van de voornaamste doelen
is van de lidstaten van de Raad van Europa. Dit betekent dat zeer
gewichtige redenen moeten worden aangedragen wil een ongelijke behandeling
enkel op grond van geslacht als in overeenstemming met de Conventie kunnen
worden beschouwd. De eenheid van het gezin wordt niet minder tot
uitdrukking gebracht wanneer de echtgenoot zijn achternaam aan die van de
-gezamelijk gevoerde- achternaam van zijn vrouw zou toevoegen dan via de
door het Zwitsers burgerlijk recht toegestane regel die precies het
omgekeerde bepaalt.

Voor het onderscheid in behandeling waarover geklaagd wordt ontbreekt
gezien het voorgaande een objectieve en redelijke rechtvaardiging en het
is daarom in strijd met art. 8 jo. art. 14 EVRM. Gezien deze conclusie
acht het Hof het niet nodig na te gaan of ook een schending van art. 8
EVRM afzonderlijk plaats heeft gehad.

Volledige tekst

A. De feiten Klagers, Zwitserse onderdanen, wonen sinds 1975 in Basel. In
1984 trouwden zij in Duitsland. Mevrouw Burghartz heeft ook de Duitse
nationaliteit. Overeenkomstig de Duitse wet (art. 1355 Burgerlijk Wetboek)
kozen zij de achternaam van de vrouw ‘Burghartz’ als hun
gemeenschappelijke achternaam. De echtgenoot maakte van zijn recht gebruik
om zijn eigen achternaam te voeren voorafgaande aan de gezamenlijke naam.
Hij noemde zich zodoende ‘Schnyder Burghartz’. Aangezien de Zwitserse
burgerlijke stand hen onder de naam ‘Schnyder’ had geregistreerd,
verzochten klagers om wijziging naar ‘Burghartz’ als gezamenlijke naam en
‘Schnyder Burghartz’ als achternaam van de echtgenoot. Op 6 november 1984
wees de regering van het kanton Basel dit verzoek af.

In hoger beroep stond het federaal gerechtshof hen toe de naam ‘Burghartz’
als gezamenlijke achternaam te voeren. Het verzoek van de man om als
achternaam ‘Schnyder Burghartz’ te voeren werd echter afgewezen: hiervoor
kon geen steun gevonden worden in art. 160 lid 2 van het Burgerlijk
Wetboek. Uit de wetsgeschiedenis bleek dat het Zwitserse parlement, om de
eenheid van het gezin te bewaren en om een breuk met de traditie te
voorkomen, nimmer absolute gelijkheid tussen echtgenoten aangaande de
keuze van de naam heeft willen invoeren en daarmee weloverwogen het recht
om een eigen achternaam te voeren, voorafgaand aan de gezamenlijke
achternaam, alleen aan vrouwen heeft toegekend. Deze regel kon daarom
volgens het federaal gerechtshof niet naar analogie worden toegepast op
een echtgenoot wiens gezin de achternaam van de vrouw voert.

Voorts overwoog het federaal gerechtshof dat niets meneer Burghartz
verhindert een dubbele naam te voeren, d.w.z. de achternaam van de
echtgenote achter zijn eigen achternaam te plaatsen (al wordt zo’n dubbele
naam in de Zwitserse rechtspraak niet als wettige naam erkend,) of zelfs
-zij het informeel- zijn eigen achternaam voor die van zijn echtgenote te
plaatsen.

B. Procedure voor de Commissie Klagers dienden hun verzoekschrift in op
26 januari 1990. De Commissie verklaarde de klacht ontvankelijk op 19
februari 1992, en in haar rapport van 21 oktober 1992 kwam zij tot de
conclusie dat schending had plaats gehad van art. 14 jo. art. 8 EVRM (met
achttien stemmen tegen een) en dat het niet nodig was de zaak onder art.
8 EVRM afzonderlijk te onderzoeken (met dertien stemmen tegen zes). De
Commissie en de regering legden de klacht voor aan het Hof op 11 december
1992, respectievelijk 8 januari 1993.

C. In rechte (i) De regering voert als preliminair verweer dat mevrouw
Burghartz geen slachtoffer is in de zin van art. 25 EVRM. Alleen meneer
Burghartz is getroffen door de afwijzing van zijn verzoek, mevrouw
Burghartz daarentegen had genoegdoening verkregen nu het federale
gerechtshof haar had toegestaan haar meisjesnaam te voeren. Het Hof wijst
erop dat onderhavige zaak voortkomt uit een gezamenlijk verzoek van
mevrouw en meneer Burghartz om wijziging van zowel hun gemeenschappelijke
naam als de achternaam van de echtgenoot. Het Hof overweegt dat mevrouw
Burghartz kan stellen op zijn minst indirect slachtoffer te zijn van de
betwiste beslissingen, in aanmerking nemend de betekenis van het begrip
‘gezin’ in het Conventie-systeem. Het Hof verwerpt unaniem dit preliminair
verweer.

(ii) De regering voert aan dat art. 8 jo. art. 14 EVRM niet van toepassing
zijn daar art. 5 van het Zevende Protocol (gelijke rechten en plichten
voor echtgenoten) moet worden aangemerkt als een lex specialis. Bovendien
heeft Zwitserland bij de ratificatie een voorbehoud bij dit artikel
gemaakt inhoudende dat het niet van toepassing is op het naamrecht.
Wanneer het Hof de zaak aan art. 8 jo. 14 EVRM zou toetsen, zou dit
vervolgens de regering neerkomen op het negeren van een voorbehoud dat aan
de vereisten van art. 64 EVRM voldoet. Het Hof wijst erop dat volgens art.
7 van het Zevende Protocol art. 5 als een aanvullend artikel op het
Verdrag wordt beschouwd, en dus ook een aanvulling betekent op art. 8 en
art. 60 van het Verdrag. Daaruit volgt dat art. 5 van het Zevende Protocol
art. 8 EVRM niet kan vervangen noch de reikwijdte van dit artikel kan
beperken.

Niettemin moet worden onderzocht of art. 8 EVRM toepasselijk is. In
tegenstelling tot enkele andere internationale verdragen, zoals het IVBPR
(art. 24 lid 2,) het Verdrag tot bescherming van de rechten van het kind
van 20 november 1989 (art. 7 en 8) en de Amerikaanse Conventie ter
bescherming van de rechten van de mens (art. 18), bevat art. 8 EVRM geen
expliciete bepaling over namen. Vanwege de persoonlijke identificatie en
de link met prive- en gezinsleven heeft de naam van een persoon niettemin
betrekking op zijn of haar prive- en gezinsleven. Het feit dat de
maatschappij en de Staat er belang bij hebben het gebruik van namen te
reguleren doet hier niet aan af, omdat deze publiekrechtelijke kenmerken
verenigbaar zijn met het prive-leven dat tot op zekere hoogte het recht
omvat en inhoudt om op het professionele of zakelijke vlak of anderszins
relaties met andere mensen aan te gaan en verder te ontwikkelen. In het
onderhavige zaak zou het ontnemen van klagers achternaam, waarmee hij
volgens eigen zeggen bekend is geworden in academische kringen, in
belangrijke mate klagers loopbaan kunnen aantasten. Art. 8 is daarom van
toepassing. (ii) Aangaande de vraag of de Staat in overeenstemming heeft
gehandeld met art. 8 jo. 14 EVRM brengt het Hof in herinnering dat het
streven naar gelijkheid tussen de geslachten een van de voornaamste doelen
is van de lidstaten van de Raad van Europa. Dit betekent dat zeer
gewichtige redenen moeten worden aangedragen wil een ongelijke behandeling
enkel op grond van geslacht als in overeenstemming met de Conventie kunnen
worden beschouwd.

Het Hof gaat vervolgens na of dergelijke gewichtige redenen i.c. aanwezig
zijn. Het Hof acht het argument van de regering dat de eenheid van het
gezin tot uitdrukking dient te worden gebracht in een enkele
gemeenschappelijke naam niet overtuigend. De eenheid van het gezin wordt
niet minder tot uitdrukking gebracht wanneer de echtgenoot zijn achternaam
aan die van de -gezamenlijk gevoerde- achternaam van zijn vrouw zou
toevoegen dan via de door het Zwitsers burgerlijk recht toegestane regel
die precies het omgekeerde bepaalt. Voorts kan niet worden gezegd dat er
sprake is van een echte traditie daar gehuwde vrouwen pas sinds 1984
laatstgenoemde recht hebben. In ieder geval moet de Conventie worden
uitgelegd in het licht van de huidige omstandigheden, vooral het beginsel
van het non- discriminatiebeginsel. Noch kan enig onderscheid gebaseerd
worden op de wil van echtgenoten een van hun achternamen bij voorkeur als
gezamenlijke achternaam te kiezen. In tegenstelling tot wat de regering
beweert kan niet gezegd worden dat zo’n keuze van de kant van de
echtgenoot weloverwogener is dan zo’n keuze van de kant van de echtgenote.

Het is daarom niet gerechtvaardigd hieraan verschillende consequenties te
verbinden. Voor wat betreft andere soorten van achternamen, zoals dubbele
achternamen of iedere andere manier van informeel gebruik van achternamen,
merkt het Hof op dat het federale gerechtshof zelf dit soort namen
onderscheidt van de wettelijk erkende gezamenlijke naam, die als enige
voorkomt in de officiele papieren van een persoon. Andere soorten
achternamen kunnen daarom niet als hieraan gelijkwaardig worden beschouwd.
Voor het onderscheid in behandeling waarover geklaagd wordt ontbreekt
gezien het voorgaande een objectieve en redelijke rechtvaardiging en het
is daarom in strijd met art. 8 jo. art. 14 EVRM. Gezien deze conclusie
acht het Hof het niet nodig na te gaan of ook een schending van art. 8
EVRM afzonderlijk heeft plaats gehad. Schending van art. 8 jo. art. 14
EVRM (met vijf stemmen tegen vier).

Rechters

onbekend

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 22 februari 1994

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Gedaagde is in 1982 werkloos geworden. Zij heeft een WWV-uitkering
aangevraagd op 25 mei 1988. Hierop is afwijzend beslist, omdat gedaagde
niet als werkzoekend stond ingeschreven en zij zichzelf arbeidsongeschikt
achtte. Zijn er voldoende termen aanwezig om de uitkering alsnog op een
vroegere dag te doen ingaan? Er wordt volgens de CRvB een
ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt tussen vrouwen die hun WWV-uitkering
voor, en vrouwen die de uitkering na 23 december 1984 aanvroegen. Er is
sprake van strijd met het algemene beginsel van behoorlijk bestuur dat
stelt dat gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden.

Volledige tekst

I. Onstaan en loop van het geding

Naar aanleiding van een bezwaarschrift tegen een zijnerzijds genomen
eerdere beslissing heeft eiser onder dagtekening 13 december 1990 aan
gedaagde mededeling gedaan van een beslissing de uitvoering van de Wet
Werkloosheidsvoorziening (hierna: WWV) betreffende.

De toenmalige Raad van Beroep te Groningen heeft het tegen die beslissing
gerichte beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing en de daaraan
ten grondslagliggende beslissing vernietigd, bepaald dat eiser met
inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen een nieuwe
beslissing dient te nemen en bepaald dat eiser aan gedaagde het gestorte
griffierecht ad ƒ 25,= dient te vergoeden.

Eiser is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op de in het
beroepschrift (met bijlagen) aangegeven gronden.

Eiser heeft desgevraagd bij brief van 25 maart 1993 nog nadere
inlichtingen verstrekt.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad op 1 februari 1994,
waar eiser, daartoe ambtshalve opgeroepen, zich heeft doen
vertegenwoordigen door H. van Lenning, ambtenaar der gemeente. Gedaagde,
eveneens ambtshalve opgeroepen, is in persoon verschenen, bijgestaan door
mr. S. de Vaal, medewerkster van het Buro voor Rechtshulp te Winschoten.

II. Motivering

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (hierna:
Awb) in werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader
gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het
onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het
procesrecht zoals dat luidde voor 1 januari 1994, behoudens wat betreft
de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten, als geregeld in artikel
8:75 van de Awb.

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.

Gedaagde, geboren op 23 maart 1946, heeft vanaf medio december 1979 tot
23 maart 1982 gewerkt als oproepkracht in de functie van huishoudelijk
medewerkster bij een horecabedrijf. Nadat aan haar tot 29 juni 1982 een
uitkering op grond van de Ziektewet is verstrekt, heeft zij per
evengenoemde datum tot 19 december 1982, een uitkering op grond van de
toen geldende Werkloosheidswet ontvangen. Aannemelijk is geworden dat
eiseres op of kort na 19 december 1982 geen uitkering ingevolge de WWV
heeft aangevraagd aangezien zij wist, gelet ook op het inkomen van haar
echtgenoot, dat zij toen niet voldeed aan de kostwinnerseis als bedoeld
in artikel 13, lid 1, van de WWV zoals dat artikel destijds luidde.

Eiser heeft bij beslissing van 23 oktober 1990 gedaagdes op 25 mei 1988
ingediende aanvraag om een uitkering ingevolge de WWV afgewezen. Eiser
heeft hierbij het volgende overwogen: “vooruitlopend op de definitieve wet
mag thans aan alle vrouwen die ooit zijn uitgesloten voor WWV i.v.m. de
kostwinnersvereiste alsnog uitkering worden verstrekt. Als nimmer voor 23
december 1984 een aanvraag is ingediend, geldt de huidige datum van
aanvraag als ingangsdatum, terwijl bovendien moet worden voldaan aan de
(overige) uitkeringsvoorwaarden. In uw geval zouden derhalve rechten
kunnen ontstaan over de periode 25 mei 1988 tot 25 mei 1990. In verband
hiermede is u een inlichtingen formulier toegezonden (5 september jl.) om
te zien of u aan de voorwaarden voldeed. Uit de door u verstrekte
schriftelijke informatie, alsmede uit uw mondelinge toelichting in de
WWV-commissie d.d. 26 september jl. is gebleken dat u niet aan de
uitkeringsvoorwaarden voldeed, aangezien u gedurende de in het geding
zijnde periode: a. niet als werkzoekende stond ingeschreven bij het
arbeidsbureau; b. niet hebt gesolliciteerd; c. u zichzelf
arbeidsongeschikt achtte.”

Nadat gedaagde tegen deze beslissing bezwaar had gemaakt heeft eiser bij
de thans bestreden beslissing zijn eerdere beslissing gehandhaafd en
hierbij nog overwogen dat er geen termen aanwezig worden geacht om de
ingangsdatum van de eventuele uitkering eerder te bepalen dan de dag van
indiening van de aanvraag.

De eerste rechter heeft het tegen die beslissing gerichte beroep gegrond
verklaard en hierbij als zijn oordeel uitgesproken dat de ingangsdatum van
de eventuele uitkering van gedaagde moet worden bepaald op 23 december
1984. Die rechter heeft in zijn overwegingen aansluiting gezocht bij de
circulaire van de Staatssecretaris van Sociale zaken en werkgelegenheid
(hierna: SVW) d.d. 5 mei 1988, kenmerk SVW/88/01718, welke circulaire,
behoudens ten aanzien van de duur van de toe te kennen uitkering waarbij
wordt verwezen naar ’s Raads uitspraak van 10 mei 1989, JSV 1989/139 -door
de eerste rechter in overeenstemming met de jurisprudentie is geacht.

Eiser kan zich met dit oordeel niet verenigen en voert daartoe in beroep
aan dat de aanvraag is getoetst aan de circulaire van de Staatssecretaris
van SZW d.d. 14 mei 1990, kenmerk SV/SVW/90/2602 alsmede aan de
uitvoeringscirculaire van de Rijksconsultent Sociale Zekerheid d.d. 11
juli 1990, kenmerk 900914. Eiser stelt zich op het standpunt dat aangezien
gedaagde niet voor 23 december 1984 een aanvraag om een WWV- uitkering
heeft ingediend de ingangsdatum van de eventuele toe te kennen uitkering
dient te worden gesteld op 25 mei 1988, de datum van indiening van de
aanvraag. Gedaagde zou dan recht kunnen doen gelden op een uitkering over
de periode 25 mei 1988 tot 25 mei 1990. Daar zij echter gedurende die
periode niet voldeed aan de uitkeringsvoorwaarden is haar geen uitkering
toegekend.

De raad overweegt het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil — en ook de Raad stelt vast — dat
gedaagde in de periode van 25 mei 1988 tot 25 mei 1990 niet in aanmerking
kwam voor een uitkering ingevolge de WWV, aangezien gedaagde als gevolg
van een haar in 1987 overkomen tweetal hartinfarcten niet in staat was tot
het verrichten van arbeid en om die reden niet beschikbaar was voor de
arbeidsmarkt. Deze laatste conclusie geldt overigens ook vanaf 25 mei 1990
tot aan de datum van de bestreden beslissing.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of eiser
terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat er geen voldoende termen
aanwezig zijn om de ingangsdatum van de eventuele uitkering te bepalen op
een eerdere datum dan de datum van indiening van de aanvraag.

De Raad overweegt hieromtrent het volgende.

Artikel 18 van de WWV bepaalt dat een uitkering niet eerder ingaat dan de
dag van indiening van de aanvraag tenzij voldoende termen aanwezig zijn
die uitkering op een vroegere dag te doen ingaan. Zoals de Raad reeds
eerder heeft overwogen is er met betrekking tot de beantwoording van de
vraag of er voldoende termen aanwezig zijn geen sprake van een
discretionaire bevoegdheid van het College van Burgemeester en Wethouders,
zodat de rechterlijke toetsing van eisers beslissing niet een beperkte is.
Aan de Raad staat derhalve ter beoordeling of eiser terecht en op goede
gronden de uitkering niet op een eerdere datum heeft doen ingaan.

Eiser heeft blijkens de gedingstukken alsmede blijkens het verhandelde ter
terechtzitting van de Raad bij zijn beslissing, dat er geen voldoende
termen aanwezig zijn de uitkering op een eerdere datum te doen ingaan dat
de datum van indiening van de aanvraag, als richtsnoer gehanteerd het
gestelde in de bovengenoemde circulaire van de Staatssecretaris van SZW
d.d. 14 mei 1990, welke circulaire is opgesteld naar aanleiding van het
wetsvoorstel tot wijziging van de Wet van 24 april 1985.

In evengenoemde circulaire is aangegeven dat er van de zijde van de
Staatssecretaris, voornoemd, in het kader van de rijksvergoeding van de
door de gemeentebesturen verstrekte WWV-uitkeringen geen bezwaar bestaat
dat gemeentebesturen reeds overgaan tot wijziging van de bestaande
uitvoeringspraktijk volgens de regeling van het evengenoemde wetsvoorstel.
Aangegeven is — onder verwijzing naar de circulaire van de Minister van
SZW van 14 augustus 1989, kenmerk SVW/89/3524 — dat als ingangsdatum van
een toe te kennen uitkering 23 december 1984 geldt ten aanzien van vrouwen
die reeds voor die datum een WWV-aanvraag hadden ingediend en dat voor
vrouwen die eerst op of na 23 december 1984 een dergelijke aanvraag hebben
ingediend de feitelijke datum van indiening van de aanvraag geldt als
ingangsdatum.

Eiser, constaterende dat gedaagde niet voor 23 december 1984 een aanvraag
om een uitkering ingevolge de WWV heeft ingediend, is op grond van
evenvermeld richtsnoer van oordeel dat er geen voldoende termen aanwezig
zijn een eventuele uitkering eerder dan 25 mei 1988 toe te kennen. Eiser
heeft ter onderbouwing van zijn standpunt ook nog verwezen naar de
circulaire d.d. 11 juni 1990 van de Rijksconsulent Sociale Zekerheid.
Eiser doelt hierbij onder meer op de passage waarin wordt opgemerkt dat
clienten die in de periode voor 23 december 1984 aan de
uitkeringsvoorwaarden voldeden en geen aanvraag indienden niet alsnog een
WWV- uitkering ontvangen als zij nu een aanvraag indienen en thans niet
aan die uitkeringsvoorwaarden voldoen. Artikel 18 van de WWV is hierop,
aldus deze circulaire in beginsel niet van toepassing.

De Raad overweegt hieromtrent het volgende.

De Raad is allereerst van oordeel dat uit de tekst van artikel 18 van de
WWV geenszins voortvloeit dat de enkele omstandigheid dat gedaagde op 25
mei 1988 niet voldeed aan de uitkeringsvoorwaarden, reeds een belemmering
zou vormen om haar per 23 december 1984 een uitkering toe te kennen. De
Raad heeft ook overigens voor dit standpunt geen aanknopingspunten kunnen
vinden.

Met betrekking tot de beantwoording van de vraag of gedaagde alsnog per
23 december 1984 voor een uitkering in aanmerking komt is, naast het feit
dat zij dient te voldoen aan de overige uitkeringsvoorwaarden, naar de
opvatting van de Raad in de eerste plaats van belang of gedaagde haar
aanvraag heeft ingediend binnen een redelijke termijn nadat bij haar
omtrent het recht op een WWV-uitkering duidelijkheid bestond dan wel
redelijkerwijs duidelijkheid had moeten bestaan.

Op grond van de bovenweergegeven feiten en omstandigheden kwam gedaagde
blijkens de bewoordingen van artikel II van de Wet van 24 april 1985 (Stb.
230) niet in aanmerking voor een WWV- uitkering. Wel is op haar van
toepassing het arrest van het Europese Hof van Justitie d.d. 8 maart 1988
nr. 80/87 (RSV 1988/183) in het licht waarvan artikel II van de Wet van
24 april 1985 niet langer houdbaar bleek, maar de Staatssecretaris van SZW
heeft in de circulaire van 5 mei 1988 kenmerk SVW/80/01718 aan de
gemeentebesturen aanvankelijk een beperkte uitleg aan dit arrest gegeven.
Duidelijkheid omtrent de aanspraken van gedaagde op een WWV-uitkering werd
eerst verkregen door de Wet van 6 juni 1991 (Stb. 318), bij welke wet
onder meer artikel II van de Wet van 24 april 1985 kwam te vervallen.

Overigens had de Staatssecretaris van SZW in de eerdergenoemde aan de
gemeentebesturen gerichte circulaire van 14 mei 1990 al aangekondigd dat
er harerzijds geen bezwaren bestonden indien reeds zou worden vooruit
gelopen op het toen net bij de Tweede Kamer der Staten Generaal ingediende
wetsvoorstel dat uiteindelijk heeft geleid tot de Wet van 6 juni 1991.

Gedaagde heeft haar aanvraag om een WWV-uitkering ingediend op 25 mei
1988, zodat, gelet op het evenoverwogene, niet gezegd kan worden dat zij
niet binnen een redelijke termijn nadat omtrent haar recht op een
uitkering ingevolge de WWV duidelijkheid ontstond de aanvraag heeft
ingediend.

Daarmee acht de Raad evenwel op zich nog niet zonder meer gegeven dat er
voldoende termen aanwezig zijn om de uitkering op een vroegere dag dan de
dag van indiening van de aanvraag te doen ingaan.

De Raad overweegt dienaangaande voorts het volgende.

De in de circulaire van 14 mei 1990 aan de gemeentebesturen aanbevolen
gedragslijn, welke eiser als richtsnoer heeft overgenomen, strekt ertoe
dat voor het antwoord op de vraag of er al dan niet voldoende termen
aanwezig zijn om een uitkering op een eerdere datum dan de datum van
indiening van de aanvraag te doen ingaan uitsluitend bepalend is of
betrokkene reeds voor 23 december 1984 een WWV-uitkering heeft
aangevraagd.

Naar het oordeel van de Raad wordt hiermee een criterium aangelegd dat
ertoe leidt dat vrouwen, die voor 23 december 1984 ervan op de hoogte
waren dat, uitsluitend in verband met het feit dat zij niet voldeden aan
de kostwinnerseis, het indienen van een aanvraag om een WWV-uitkering geen
enkele zin zou hebben en daarom van het indienen van een dergelijke
aanvraag hebben afgezien, anders worden behandeld dan vrouwen die — in
verband met onbekendheid met die eis of om een andere reden — wel voor
23 december 1984 een aanvraag om een WWV-uitkering hebben ingediend waarop
uitsluitend in verband met het niet zijn van kostwinner afwijzend is
beslist dan wel zou worden beslist.

Nu voor het maken van een dergelijk onderscheid naar het oordeel van de
Raad geen enkel redelijk motief bestaat, wordt aldus in de groep van
gehuwde vrouwen een rechtens niet relevant onderscheid gemaakt. Dit brengt
met zich dat de bestreden beslissing, die is gebaseerd op de hiervoor tot
richtsnoer gestrekt hebbende circulaire van 14 mei 1990, en de daaraan
voorafgaande, eveneens daarop gebaseerde, primaire beslissing dienen te
worden vernietigd wegens strijd met het algemeen beginsel van behoorlijk
bestuur dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld.

In aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen is er aanleiding eiser
te veroordelen in de kosten van aan gedaagde verleende rechtsbijstand
begroot op ƒ 1.420,– in eerste aanleg en op ƒ 710,– in hoger beroep.
Van andere kosten is de Raad niet gebleken.

Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 80a, tweede
lid, van de Beroepswet (oud), stelt de Raad tenslotte vast dat aan eiser
een recht van ƒ 200,– dient te worden geheven.

Beslist moet daarom worden als volgt.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

Verklaart het hoger beroep ongegrond; Veroordeelt eiser in de kosten van
het geding in beide instanties aan de zijde van gedaagde gevallen, tot aan
deze uitspraak begroot op ƒ 2.130,=; Wijst de gemeente Vlagtwedde aan als
de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; Verstaat dat van eiser
een recht van ƒ 200,= wordt geheven.

Rechters

Mrs. Hugenholtz, Talman, Van Sloten, Knot

Instantie: Hoge Raad, 22 februari 1994

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Na de herziening van de zedelijkheidswetgeving bleek
de rechterlijke macht het nieuwe begrip ‘seksueel
binnendringen’ op zeer uiteenlopende manieren te
interpreteren. De Hoge Raad geeft met deze uitspraak een
richtsnoer. Niet alleen het seksueel binnendringen met het
mannelijk geslachtsdeel, maar ook met andere ‘voorwerpen’ valt
onder ‘seksueel binnendringen’. In casu gaat het niet om art.
242 Sr, maar om art. 244 Sr, oftewel om een zeer jeugdig
slachtoffer.
Het hof omschrijft ‘seksueel binnendringen’ als ‘Niet-genitale
penetratie, voor zover deze evenzeer of in vergelijkbare mate
ernstige inbreuken vormen op de lichamelijke en seksuele
integriteit van het slachtoffer’ en overweegt: ‘Uit de
bewijsstukken volgt dat verdachte met seksuele intentie een van
zijn vingers in de vagina heeft gestoken’. …’Deze wijze van
binnendringen, zoals door het meisje ervaren in de
omstandigheden waarin dit plaatsvond, levert een krenking op
van de lichamelijke en seksuele integriteit die van
vergelijkbare orde is als het binnendringen met de penis.’
Het hof acht bepalend de intentie van de verdachte, de
ervaringen van het meisje en de omstandigheden. De Hoge Raad
stelt in algemene termen dat de uitleg van het hof van het
begrip seksueel binnendringen, zoals opgenomen in de artikelen
242, 243, 244 en 245, niet onjuist is.

Volledige tekst

schuldig aan verkrachting gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of
geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft: verkrachting
die de dood ten gevolge heeft.
Artikel 245
1. Hij die geslachtsgemeenschap of een daarmee gelijk te
stellen seksuele handeling, pleegt met iemand beneden de
leeftijd van twaalf jaren, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste twaalf jaren of met geldboete van de vijfde
categorie.
2. Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt de
schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.’
en die artikelen voor zover hier van belang als volgt
toegelicht (p. 46):
‘De term ‘geslachtsgemeenschap’ is verkozen boven het wat
archaische ‘vleselijke gemeenschap’. Onder ‘daarmee gelijk te
stellen seksuele handeling’ moet worden begrepen iedere vorm
van genitaal, oraal en anaal contact, zoals contacten tussen
mond en anus, mond en penis en mond en vulva, hetzij tussen
penis en vulva en penis en anus, hetzij tussen anus of vulva
en artificieel substituut.’
5.4. In de Memorie van Toelichting op het oorspronkelijk
wijzigingsvoorstel (Kamerstukken II, 1988/89, 20 930, nr. 3,
blz. 7) wordt voormeld standpunt van de Commissie in zoverre
onderschreven, dat wordt erkend dat ‘andere vormen van
seksueel contact (…) zoals het oraal of anaal binnendringen
van het lichaam’ even kwetsend kunnen zijn als
geslachtsgemeenschap.
5.5. In het oorspronkelijk wetsontwerp dat heeft geleid tot de
hiervoor onder 5.1 genoemde wet kwam de term ‘seksueel
binnendringen van het lichaam’ alleen voor in het voorgestelde
tweede lid van art. 246 Sr luidende:
‘2. Indien de ontuchtige handelingen bedoeld in het vorige lid
hebben bestaan of mede hebben bestaan uit het seksueel
binnendringen van het lichaam, wordt gevangenisstraf van ten
hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie
opgelegd.’
5.6. Bij vierde nota van wijziging (Kamerstukken II, 1990/91,
20 930, nr. 13) is dit voorstel ingetrokken en hebben de
artikelen 242, 243, 244 en 245 Sr hun huidige redactie
gekregen. De toelichting op die nota houdt met betrekking tot
het ‘seksueel binnendringen’ de conclusie in:
‘dat het zuiverder is in de artikelen 243, 244 en 245 de
aparte strafbaarstelling van het hebben van vleselijke
gemeenschap te laten vervallen en in die artikelen het
seksueel binnendringen strafbaar te stellen. Seksueel
binnendringen omvat dan zowel vleselijke gemeenschap als
andere vormen van binnendringen’.
5.7. Noch uit voormelde wetsgeschiedenis, noch uit de
parlementaire beraadslagingen over het wetsontwerp kan worden
afgeleid dat de wetgever zich heeft gedistantieerd van het
hiervoor onder 5.3 weergegeven standpunt van de Commissie-
Melai dat geen beperking moet worden aangelegd voor wat
betreft de wijze van binnendringen. Deze Commissie heeft onder
een met geslachtsgemeenschap gelijk te stellen handeling
iedere seksuele vorm van genitaal, oraal en anaal
binnendringen willen begrijpen, ook wanneer dit plaatsvindt
met een ‘artificieel substituut’.
5.8. Gelet op de tekst en de strekking van de term ‘seksueel
binnendringen van het lichaam’ zoals deze in het licht van de
wetsgeschiedenis moet worden geinterpreteerd, omvat deze term
derhalve ieder binnendringen van het lichaam met een seksuele
strekking.
5.9. Uit het vorenoverwogene volgt dat het Hof, dat de woorden
‘seksueel binnendringen van het lichaam’ in het onder 1
telastegelegde kennelijk heeft opgevat in de betekenis welke
aan die bewoordingen moet worden toegekend in art. 244 Sr,
daaraan niet een onjuiste, met de wet strijdige, uitleg heeft
gegeven door op de grondslag van die lezing van het
telastegelegde het in 1.1 onder 1 bedoelde feit bewezen te
verklaren.
5.10. Het middel faalt derhalve.
6. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de
Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden
uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet
het beroep worden verworpen.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechters

Mrs Haak, Beekhuis, Mout, Bleichrodt, Van Erp TaalmanKip-NieuwenkampAG Meijers

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 22 februari 1994

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Verzoekster is verkoopster. Zij is in 1983 werkloos geworden.
Aansluitend op de WW-uitkering heeft zij geen WWV- uitkering
aangevraagd. In 1990 heeft zij alsnog een aanvraag ingediend, omdat
zij kennis had gekregen van het feit dat haar uitsluiting van het
recht op WWV discriminatoir was. Ingaande datum aanvraag is haar een
WWV-uitkering toegekend, die echter zes maanden later werd
ingetrokken, toen zij 65 werd. Mag de late aanvraag aan haar worden
tegengeworpen.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Naar aanleiding van een bezwaarschrift tegen een zijnerzijds genomen
eerdere beslissing heeft gedaagde onder dagtekening 22 juli 1991 aan
eiseres mededeling gedaan van een beslissing betreffende de uitvoering
van de Wet Werkloosheidsvoorziening (hierna: WWV).

De toenmalige Raad van Beroep te Rotterdam heeft bij uitspraak van 12
maart 1992 het tegen voormelde beslissing ingestelde beroep ongegrond
verklaard. Namens eiseres is haar echtgenoot G. K. van deze
uitspraak in hoger beroep gekomen, op de in het beroepschrift met
bijlagen aangegeven gronden. Bij brief van 22 januari 1994, met
bijlage, heeft eiseres haar standpunt nader doen toelichten. Het
geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad op 1 februari 1994,
waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot
en waar gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. Motivering

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht
(hierna: Awb) in werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in
dit kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter
mee dat op het onderhavige hoger beroep moet worden beslist met
toepassing van het procesrecht zoals dat luidde voor 1 januari 1994,
behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten,
als geregeld in artikel 8:75 van de Awb.

Aan de aangevallen uitspraak – waarin eiseres als klaagster is
aangeduid en gedaagde als verweerder – ontleent de Raad de navolgende,
door partijen niet betwiste, feiten en omstandigheden: `Klaagster,
geboren op 4 december 1925 en laatstelijk werkzaam als verkoopster in
een Baby speciaalzaak, is wegens liquidatie van deze zaak met ingang
van 11 februari 1983 werkloos geworden.

Betreffende deze werkloosheid heeft zij van de terzake bevoegde
bedrijfsvereniging aansluitend op 12 februari 1983 gedurende de
maximum-duur van 6 maanden uitkering ingevolge de Werkloosheidswet
(WW) ontvangen.

Omdat zij niet aan de toentertijd in het kader van de Wet
Werkloosheidsvoorziening (WWV) voor gehuwde vrouwen geldende
kostwinnerseis voldeed, heeft klaagster na beeindiging van haar
WW-uitkering geen uitkering ingevolge de WWV aangevraagd.

Klaagster, die na 11 februari 1983 niet meer heeft gewerkt, heeft naar
aanleiding van diverse publicaties inzake het voor de WWV vanaf 23
december 1984 wegvallen van het kostwinnersbegrip op 13 juli (lees:
juni) 1990 alsnog een aanvraag om een uitkering ingevolge de WWV
ingediend.

Na een hiertoe van de WWV-commissie ontvangen advies heeft verweerder
bij beslissing op aanvraag d.d.

21 mei 1991 aan klaagster medegedeeld, dat haar met ingang van 13 juni
1990 alsnog een WWV-uitkering is toegekend.

Voorts dat deze uitkering vanwege het door klaagster op 4 december
1990 bereiken van de 65-jarige leeftijd met ingang van 1 december 1990
is beeindigd.

Namens klaagster is bij schrijven d.d. 18 juni 1991 tegen deze
beslissing bezwaar gemaakt.

Daarbij is onder verwijzing naar de volgens klaagsters gemachtigde
bijzondere omstandigheden gevorderd, dat de WWV-uitkering met ingang
van 23 december 1984 over de maximale termijn wordt toegekend.

Bij beslissing op bezwaarschrift d.d. 22 juli 1991 heeft verweerder
onder handhaving van zijn eerste beslissing het namens klaagster
ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.’ De eerste rechter
heeft het tegen die beslissing ingestelde beroep ongegrond verklaard
en heeft daarbij onder meer het volgende overwogen: `Immers klaagster
verschilt in niets van andere vrouwen, die op grond van publicaties
inzake de gehuwde vrouw en de WWV alsnog een aanvraag om een
WWV-uitkering hebben ingediend.

Bedoelde publicaties waren reeds geruime tijd voor de datum van
klaagsters aanvraag op 13 juni 1990 bekend.

Het feit dat klaagster, die van die publicaties reeds eerder dan 13
juni 1990 op de hoogte heeft kunnen zijn, nog tot 13 juni 1990 heeft
gewacht alvorens bij verweerder een aanvraag om een WWV-uitkering in
te dienen, acht de Raad geen bijzondere omstandigheid.

Evenmin geldt dit voor het feit, dat de destijds voor de gehuwde
vrouw, die niet aan de kostwinnerseis voldeed, geldende regels op
grond van latere, rechterlijke uitspraken teniet zijn gedaan.

Dat klaagster vanwege haar op 13 juni 1990 bereikte leeftijd slechts
over een periode van ongeveer 5,5 maand een WWV-uitkering heeft
ontvangen in plaats van over een langere periode heeft niets te maken
met het bepaalde in artikel 18 maar met het bepaalde in artikel 19,
lid 1, aanhef en onder f, van de WWV, hetgeen een dwingende bepaling
is, waarvan verweerder niet mag afwijken.

Deze dwingende bepaling trof en treft iedereen, die een WWV-uitkering
toegekend kreeg of krijgt en die – andere voorwaarden daargelaten –
voor afloop van de maximum-duur van de uitkering ingevolge de WWV 65
jaar wordt.

Klaagster is in dit opzicht derhalve geen uitzonderingsgeval te
noemen.

Naar het oordeel van de Raad heeft verweerder terecht de ingangsdatum
van de aan klaagster toegekende uitkering ingevolge de WWV op 13 juni
1990 gesteld.’ Hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd komt erop
neer dat zij van oordeel is, dat zij met ingang van 23 december 1984
voor een uitkering ingevolge de WWV in aanmerking moet worden
gebracht, zijnde de datum met ingang waarvan de kostwinnerseis, zoals
destijds opgenomen in artikel 13, lid 1, onder 1, van de WWV, bij Wet
van 24 april 1985 (Stb. 230) werd afgeschaft.

De Raad overweegt het volgende.

Artikel 18 van de WWV bepaalt dat een uitkering niet eerder ingaat dan
op de dag van indiening van de aanvraag, tenzij voldoende termen
aanwezig zijn die uitkering op een vroegere dag te doen ingaan.

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen is er met betrekking tot de
beantwoording van de vraag of er voldoende termen aanwezig zijn geen
sprake van een discretionaire bevoegdheid van het College van
Burgemeester en Wethouders, zodat de rechterlijke toetsing van
gedaagdes beslissing niet een beperkte is.

Aan de Raad staat derhalve ter beoordeling of gedaagde terecht en op
goede gronden de uitkering niet op een eerdere datum heeft doen
ingaan.

Gedaagde heeft blijkens de gedingstukken bij zijn beslissing dat er
geen voldoende termen aanwezig zijn de uitkering op een eerdere datum
te doen ingaan dan de datum van indiening van de aanvraag, als
richtsnoer gehanteerd het gestelde in de circulaire van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW)
d.d. 14 mei 1990, kenmerk SZ/SVW/90/2602, welke circulaire is
opgesteld naar aanleiding van het wetsvoorstel tot wijziging van de
Wet van 24 april 1985.

In evengenoemde circulaire is aangegeven dat er van de zijde van de
Staatssecretaris, voornoemd, in het kader van de rijksvergoeding van
de door de gemeentebesturen verstrekte WWV-uitkeringen geen bezwaar
bestaat dat gemeentebesturen reeds overgaan tot wijziging van de
bestaande uitvoeringspraktijk volgens de regeling van het evengenoemde
wetsvoorstel.

Aangegeven is – onder verwijzing naar de circulaire van de Minister
van SZW van 14 augustus 1989, kenmerk SVW/89/3524 – dat als
ingangsdatum van een toe te kennen uitkering 23 december 1984 geldt
ten aanzien van vrouwen die reeds voor die datum een WWV-aanvraag
hadden ingediend en dat voor vrouwen die eerst op of na 23 december
1984 een dergelijke aanvraag hebben ingediend de feitelijke datum van
indiening van de aanvraag geldt als ingangsdatum. Gedaagde,
constaterende dat eiseres niet voor 23 december 1984 een aanvraag om
een uitkering ingevolge de WWV heeft ingediend, is op grond van
evenvermeld richtsnoer van oordeel dat er geen voldoende termen
aanwezig zijn de uitkering eerder dan 13 juni 1990 toe te kennen.

De Raad overweegt hieromtrent het volgende.

Met betrekking tot de beantwoording van de vraag of eiseres alsnog per
23 december 1984 voor een uitkering in aanmerking komt is, naast het
feit dat zij dient te voldoen aan de overige uitkeringsvoorwaarden, in
de eerste plaats van belang of eiseres haar aanvraag heeft ingediend
binnen een redelijke termijn nadat bij haar omtrent het recht op een
WWV-uitkering duidelijkheid bestond dan wel redelijkerwijs
duidelijkheid had moeten bestaan.

Anders dan de eerste rechter beantwoordt de Raad deze vraag
bevestigend.

De Raad stelt in dit verband voorop dat eiseres blijkens de
bewoordingen van artikel II van de Wet van 24 april 1985 (Stb. 230)
niet in aanmerking kwam voor een WWV-uitkering.

Weliswaar is op haar van toepassing het arrest van het Europese Hof
van Justitie d.d. 8 maart 1988 nr. 80/87 (RSV 1988/183), in het licht
waarvan artikel II voormeld niet langer houdbaar bleek, maar de Raad
is van mening dat de omstandigheid dat eiseres niet bekend was met
bedoeld arrest, noch met de daarop volgende uitspraken van de Centrale
Raad van Beroep (onder meer die van 10 mei 1989, gepubliceerd in RSV
1989/231) haar in het kader van de hier aan de orde zijnde toepassing
van artikel 18 van de WWV niet kan worden tegengeworpen.

Volstrekte duidelijkheid omtrent de aanspraken van eiseres werd eerst
verkregen door de Wet van 6 juni 1991 (Stb. 318), bij welke wet onder
meer genoemd artikel II kwam te vervallen.

Wel had de Staatssecretaris van SZW in een aan de gemeentebesturen
gerichte circulaire van 14 mei 1990 al aangekondigd dat er harerzijds
geen bezwaren bestonden indien reeds zou worden vooruitgelopen op het
toen net bij de Tweede Kamer der Staten Generaal ingediende
wetsvoorstel, dat uiteindelijk heeft geleid tot de Wet van 6 juni
1991.

Eiseres heeft haar aanvraag, naar aanleiding van een, kennelijk op de
circulaire van 14 mei 1990 gebaseerde, publicatie in de regionale
krant, op 13 juni 1990 ingediend.

Daarmee heeft eiseres haar aanvraag ingediend binnen een redelijke
termijn nadat zij duidelijkheid verkreeg omtrent haar aanspraken op
WWV-uitkering, terwijl naar het oordeel van de Raad niet met vrucht
gesteld kan worden dat bij haar redelijkerwijs eerder daaromtrent
duidelijkheid had moeten bestaan.

Daarmee acht de Raad evenwel op zich nog niet zonder meer gegeven dat
er voldoende termen aanwezig zijn om de uitkering op een vroegere dag
dan de dag van indiening van de aanvraag te doen ingaan.

De Raad overweegt dienaangaande voorts het volgende.

De in de circulaire van 14 mei 1990 aan de gemeentebesturen aanbevolen
gedragslijn, welke gedaagde als richtsnoer heeft overgenomen, strekt
ertoe dat voor het antwoord op de vraag of er al dan niet voldoende
termen aanwezig zijn om een uitkering op een eerdere datum dan de
datum van indiening van de aanvraag te doen ingaan uitsluitend
bepalend is of betrokkene reeds voor 23 december 1984 een
WWV-uitkering heeft aangevraagd.

Naar het oordeel van de Raad wordt hiermee een criterium aangelegd dat
ertoe leidt dat vrouwen, die voor 23 december 1984 ervan op de hoogte
waren dat, uitsluitend in verband met het feit dat zij niet voldeden
aan de kostwinnerseis, het indienen van een aanvraag om een
WWV-uitkering geen enkele zin zou hebben en daarom van het doen van
een dergelijke aanvraag hebben afgezien, anders worden behandeld dan
vrouwen die – in verband met onbekendheid met die eis of om een andere
reden – wel voor 23 december 1984 een aanvraag om een WWV-uitkering
hebben ingediend, waarop uitsluitend in verband met het niet zijn van
kostwinner afwijzend is beslist dan wel zou worden beslist.

Nu voor het maken van een dergelijk onderscheid naar het oordeel van
de Raad geen enkel redelijk motief bestaat, wordt aldus in de groep
van gehuwde vrouwen een rechtens niet relevant onderscheid gemaakt.

Dit brengt met zich dat de bestreden beslissing, die is gebaseerd op
de hiervoor tot richtsnoer gestrekt hebbende circulaire van 14 mei
1990, en de daaraan voorafgaande, eveneens daarop gebaseerde, primaire
beslissing dienen te worden vernietigd wegens strijd met het algemeen
beginsel van behoorlijk bestuur dat gelijke gevallen gelijk moeten
worden behandeld.

In aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen is er aanleiding
gedaagde te veroordelen in de kosten aan de zijde van eiseres gevallen
wegens het voeren van de procedures in eerste aanleg en hoger beroep,
welke zijn begroot op ƒ 38,52 aan reis- en verblijfkosten in eerste
aanleg en op ƒ 87,26 aan reis- en verblijfkosten in hoger beroep.

Tenslotte stelt de Raad, gelet op het vorenstaande alsmede op het
bepaalde in artikel 80a, vijfde lid, van de Beroepswet (oud), vast dat
het door eiseres zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte
griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep, recht doende: vernietigt de aangevallen
uitspraak; vernietigt de bestreden beslissing en de primaire
beslissing van 21 mei 1991; bepaalt dat gedaagde een nieuwe primaire
beslissing neemt met inachtneming van hetgeen in ’s Raads uitspraak is
overwogen; veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding in beide
instanties aan de zijde van eiseres gevallen, ten bedrage van ƒ
125,78; wijst de gemeente H. aan als de rechtspersoon die deze kosten
moet vergoeden; verstaat dat gedaagde aan eiseres het gestorte
griffierecht van ƒ 75 vergoedt.

Rechters

Mrs. Hugenholtz, Talman en Van Sloten

Instantie: Kantonrechter Emmen, 16 februari 1994

Instantie

Kantonrechter Emmen

Samenvatting


Vrouw is sinds 1990 vrijwilligster bij de vrijwillige brandweer Coevorden.
Op economische gronden heeft werkgever ontslagprocedure bij Kantonrechter
aanhangig gemaakt. Haar werk zal worden overgenomen door een man. De vrouw
meent dat zij wordt gediscrimineerd; mannen mogen doorleren, zij niet.
De kantonrechter wijst de vordering toe.

Volledige tekst

GRONDEN VOOR DE BESLISSING

Partijen zullen hierna worden aangeduid als IVM en H.

Voor de beslissing in onderhavige procedure kan van de navolgende vaststaande
gegevens worden uitgegaan.

H. is op 20 augustus 1991 in de functie van brandwacht in dienst getreden
van een zusteronderneming van IVM, On- en Offshore Brandpreventiedienst
B.V. (OBD.). Het betrof hierbij een dienstverband van 20 uur per week.
OBD stelt personeel ter beschikking dat gespecialiseerd is in het voorkomen
en bestrijden van brand en ongevallen.
Per 1 januari 1992 is H., eveneens voor 20 uur per week in dienst getreden
van IVM en wel in de functie van onderhoudsmedewerkster.
IVM is een trainingscentrum voor cursussen op de gebieden brandpreventie
en bedrijfsveiligheid, waarvan het klantenbestand bestaat uit grote bedrijven
in de industriele sector, die volgens de ARBO-wet verplichtingen opgelegd
krijgen, waaronder het hebben van voldoende opgeleid veiligheidspersoneel.
Ten behoeve van dit personeel worden ondermeer cursussen gegeven.
De taken van H. bestaan hoofzakelijk uit het schoonmaken en vullen van
persluchtapparatuur welke voor cursussen wordt gebruikt, alsmede diverse
schoonmaakwerkzaamheen eveneens op het gebied van cursusmaterialen.

H. is sedert medio november 1993 ziek thuis, naar haar zeggen naar aanleiding
van een gesprek met de adjunct-directeur van IVM, in welk gesprek volgens
H. de bedoelde adjunct-directeur tot uitdrukking zou hebben gebracht dat
bij IVM slechts mannen carriere zouden kunnen maken.
Vanaf 1984 is de Nederlandse Aardoliemaatschappij (NAM) de grootste opdrachtgever
van IVM. het verzorgen van de opleidingen van het personeel van deze opdrachtgeefster
maakt 1/3 deel van de omzet van IVM uit.

Eind december 1993 heeft de NAM te kennen gegeven dat zij de relatie met
IVM niet wenste voort te zetten.
Inmiddels is de NAM met een ander bedrijf in zee gegaan.

Een en ander dwingt IVM ertoe drastisch te reorganiseren.
In dat verband heeft zij wegens gewijzigde omstandigheden de ontbinding
verzocht van de arbeidsovereenkomst met 8 personeelsleden, onder aanbieding
van een vergoeding in de vorm van een suppletie op de werkloosheidsuitkering
gedurende een periode welke gerelateerd is aan de duur van het dienstverband.

De collega’s van H. hebben geen verweer gevoerd, dan wel hebben hun verweer
ter zitting niet langer gehandhaafd en de arbeidsovereenkomsten tussen
IVM en de bedoelde collega?s zullen derhalve bij beschikking van heden
worden ontbonden.

H. heeft, onder erkenning van de noodzaak tot het treffen van drastische
reorganisatie – maatregelen, tegen het verzoek van IVM het volgende aangevoerd.

a. Volgens H. verdwijnt haar arbeidsplaats niet. Zij stelt dat zij gemiddeld
35 uur per week werkte en dat het onderhoud van de persluchtappartatuur
slechts een fractie van haar werkzaamheden uitmaakte. Zij meent dan ook
dat het niet aannemelijk is dat er voor haar geen arbeid gedurende 20 uur
per week beschikbaar zal zijn.

b. H. meent dat zij binnen de onderneming herplaatsbaar is en dat zij op
grond van het anciënniteitsbeginsel hiervoor in aanmerking komt, waarbij
H. uitgaat van de uitwisselbaarheid van functies waartoe zij aanvoert dat
per 1 februari 1994 de heer van Dijk, formeel in dienst bij Brandpreventie
Coevorden, doch in praktijk werkzaam bij IVM, vertrokken is. Volgens H.
is zij gekwalificeerd voor het uitvoeren van de werkzaamheden van van Dijk.
Voorts meent H. de werkzaamheden te kunnen verrichten van de heer Veenvliet,
die medewerker afdeling milieu is en later dan zij, H. in dienst is getreden.

c. Volgens H. is de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in strijd met
de gelijke behandeling van mannen en vrouwen zoals neergelegd in artiekel
7A:1637IJ B.W. Volgens H. ontving zij een lagere beloning dan haar manlijke
collega’s werd zij niet gelijk bejegend en werd haar verder onderricht
onthouden, dit in tegenstelling tot haar mannelijke collega’s. H. stelt
dat zich niet aan de indruk kan onttrekken dat bij het streven van IVM
tot beëindiging van het dienstverband wederom sprake is van ongelijke behandeling
tussen mannen en vrouwen.
H. wenst in de gelegenheid te worden gesteld om deze kwestie voor te leggen
aan de Commissie Gelijke Behandeling van Mannen en Vrouwen bij de Arbeid.
Zij verzoekt om aanhouding van de beslissing in afwachting van de procedure
dienaangaande.

Voor het geval de arbeidsovereenkomst zou worden ontbonden acht H. het
redelijk dat haar een vergoeding wordt toegekend gelijk aan 2 jaarsalarissen
behorende bij de rang hoofd brandwacht in fulltime dienst vermeerderd met
het diploma toeslag.

Geoordeeld wordt als volgt.

Uit hetgeen door IVM is aangevoerd omtrent het wegvallen van de werkzaamheden
met betrekking tot het onderhoud van persluchtapparatuur, kan, in relatie
met de stelling van H. dat werkzaamheden slechts een fractie van haar gemiddeld
35-urige werkweek besloegen, als uitgangspunt gnoemen worden dat de functie
van H., inhoudende onderhoudswerk gedurende 20 uur per week, geheel of
nagenoeg geheel is komen te vervallen.
Het moge zo zijn dat H. daarnaast al dan niet zelfstandig nog diverse instructiewerkzaamheden
verrichte, doch daarvoor was zij in beginsel niet aangenomen, terwijl zij
voor deze instructiewerkzaamheden wat anciënniteit betreft zal moeten wijken
voor instructeurs welke eerder dan Horlings bij IVM in dienst zijn getreden.

Voor wat betreft de uitwisselbaarheid met de door H. genoemde van Dijk,
heeft IVM onweersproken aangevoerd dat deze nu juist is verdwenen omdat
zijn functie niet meer bestond, terwijl ter zitting duidelijk is geworden
dat de genoemde Veenvliet gezien zijn vooropleiding bevoegd is om milieucursussen
op HBO niveau te geven, iets waartoe H. niet is gekwalificeerd.

Voor wat betreft de door H. gestelde ongelijke behandeling, overweeg ik
dat door H. in geen enkel opzicht (ook niet voor wat betreft haar salaris)
een tasbaar gegeven is aangereikt waaruit deze ongelijke behandeling zou
kunnen blijken. Het feit dat – zoals het in het verweerschrift is geformuleerd-
bij H. de indruk bestaat dat sprake is van ongelijke behandeling, is bepaald
onvoldoende om deze ongelijke behandeling ook maar aannemelijk te achten,
laat staan IVM te belasten met het bewijs van het tegendeel.
Er bestaat naar mijn oordeel dan ook geen aanleiding om de beschikking
in de onderhavige procedure aan te houden totdat een beslissing hieromtrent
is verkregen van de Commissie Gelijke Behandeling.

Uit het bovenoverwogene volgt dat het verzoek van IBM zal worden toegewezen
onder toekenning aan H. ten laste van IVM van een vergoeding naar billijkheid
bestaande uit een aanvulling op de uitkering krachtens sociale verzekeringswetten
of elders te verdienen, lager salaris tot 100% van het laatstgenoten netto
salaris, gedurende een periode van 7 maanden te rekenen vanf de datum van
deze ontbinding, aangezien er geen aanleding bestaat om H. anders te behandelen
dan haar collega’s, omdat deze geen, doch H. wel verweer voert.

Nu deze vergoeding tengevolge van een later ontbindingstijdstip afwijkt
van de vergoeding zoals deze in het verzoekschrift is aangeboden, dient
IVM in de gelegenheid te worden gesteld om het verzoek in te trekken.

De processtukken zullen in alle gevallen worden gecompenseerd.

Ten overvloede wordt overwogen dat IVM ter gelegenheid van de behandeling
van een aantal andere verzoekschriften heeft aangegeven afstand te doen
van haar rechten welke voortvloeien uit het concurrentiebeding dat in de
arbeidsovereenkomsten is opgenomen en heeft toegezegd dat dit ook jegens
H. zal gelden.

DE BESLISSING

De kantonrechter te Emmen: Ontbindt, tenzij verzoekster het verzoek intrekt,
de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van heden,
onder toekenning aan gerekwestreerde ten last van verzoekster van een vergoeding
naar billijkheid bestaande uit een aanvulling op de uitkering krachtens
sociale verzekeringswetten of elders te verdienen lager salaris tot 100%
van het laatstgenoten netto salaris, gedurende een periode van 7 maanden
te rekenen vanaf de datum van deze ontbinding;
Verwijst de zaak naar de zitting van woensdag 2 maart 1994 te 11.45 uur,
teneinde verzoekster in de gelegenheid te stellen het verzoek in te trekken;
Compenseert de proceskosten aldus tussen partijen, dat iedere partij de
eigen kosten draagt.

Rechters

mr Duitemeijer

Instantie: Arrondissementsrechtbank Zutphen, 11 februari 1994

Instantie

Arrondissementsrechtbank Zutphen

Samenvatting


Zes verdachten stonden in de Eper-incestzaak terecht. De vader, de moeder
en de ex-man van aangeefster Jolanda in de tweede Eper-zaak wegens
babymoorden, gewelddadige abortussen, gepleegd tijdens of na
zwangerschappen van Jolanda en haar zusje Evelien. De drie andere
verdachten, de broers RvZ en GvZ en de 56-jarige AH stonden terecht wegens
hun aandeel in de abortussen en het doen verdwijnen van de baby’s, en
wegens seksueel geweld tegen Jolanda. De twee broers staan tevens terecht
wegens seksueel misbruik van de toen zeer jonge kinderen van Jolanda en
Evelien. Al direct bij de aanvang van de zitting van de Rechtbank Zutphen
verklaarde de officier van justitie onvoldoende bewijs te hebben voor de
babymoorden. Voor de broers was het de eerste Eper-zaak. In juli staan zij
terecht in hun tweede Eper-zaak wegens seksueel misbruik van andere
kinderen, onder wie die van AH, die dan ook weer terechtstaat.

Volledige tekst


De bewezenverklaarde feiten leveren op de hierna te noemen misdrijven:
feit 3 subsidiair strafbaar gesteld bij artikel 302 juncto 304 van het
Wetboek van Strafrecht; feit 4 (nieuw) primair strafbaar gesteld bij
artikel 296 van het Wetboek van Strafrecht.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de
verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden
opgelegd, heeft de rechtbank zich vooreerst laten leiden door: – de aard
van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan; – de
persoon van de verdachte.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het
bijzonder gelet op: – een op naam van de verdachte staand uittreksel uit
het algemeen documentatieregister van de justitiele documentatiedienst te
Zwolle van 23 juni 1993; – een persoonsdossier, onder meer inhoudende een
voorlichtingsrapport van de Stichting Reclassering Zutphen, werkeenheid
Apeldoorn, van 19 juli 1993; – een psychiatrisch advies van de
districtspsychiater De Jong van 28 mei 1993 en een brief van de
districtspsychiater Dam van 7 juni 1993; – een over verdachte opgemaakt
rapport van het Pieter Baan Centrum te Utrecht van 7 januari 1994,
opgesteld door psycholoog Geraets en de psychiater Van Renesse.

Met de beschouwingen en de daarop gebaseerde conclusie neergelegd in het
rapport van het Pieter Baan Centrum van 7 januari 1994 (te weten: ‘dat
onderzochte ten tijde van het plegen van de haar tenlastegelegde feiten
lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling harer
geestvermogens, dat deze feiten — indien bewezen — haar slechts in
verminderde mate kunnen worden toegerekend.’) kan de rechtbank zich
verenigen, mede gelet op de indruk die verdachte ter terechtzitting heeft
gemaakt op de rechtbank. Uit de beschouwingen van de onderzoekers komt
onder meer naar voren dat verdachte functioneert op laag-debiel niveau en
dat zij niet zelfstandig kan functioneren en afhankelijk is van steun en
structuur van derden. Tijdens het psychiatrisch onderzoek zijn
verschijnselen geconstateerd die duiden op een hysterische neurose,
hetgeen volgens rapporteurs moet worden gezien als een onbewuste afweer
van de huidige stress- situatie. Tot gedifferentieerde volwassen relaties
met respect voor de autonomie van de ander wordt verdachte niet in staat
geacht.

De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van hierna te melden
duur op zijn plaats is. Zij heeft daarbij in het bijzonder laten meewegen
de ernst van de door verdachte gepleegde feiten. Verdachte heeft op
walgelijke en meedogenloze wijze verscheidene keren in een relatief lange
periode de lichamelijke integriteit van haar dochter Jolanda geschonden.
Het behoeft in samenhang met de hierna te noemen veroordeling door deze
rechtbank geen betoog dat het bewezenverklaarde ook blijvende ernstige en
— letterlijk — onvoorstelbare psychische schade bij het slachtoffer
heeft veroorzaakt, mede gelet op de bevindingen van de psycholoog dr.
Eurelings-Bontekoe zoals verwoord in haar over Jolanda uitgebrachte
rapport van 22 november 1993.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht
is in rekening gebracht de bij vonnis van deze rechtbank van 30 januari
1991 terzake van medeplichtigheid aan feitelijke aanranding van de
eerbaarheid, het medeplegen van verkrachting, meermalen gepleegd, en het
medeplegen van verkrachting, opgelegde gevangenisstraf voor de duur van
drie jaar en zes maanden, nu verdachte wordt schuldig verklaard aan
strafbare feiten voor die datum gepleegd.

De opgelegde straf is op de hiervoor al vermelde artikelen gegrond op de
artikelen 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Gezien al het hiervoor overwogene dient het verzoek tot opheffing van het
bevel tot voorlopige hechtenis en tot onmiddellijke invrijheidstelling van
verdachte te worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar
vervolging ten aanzien van de dagvaarding onder parketnummer 06-7513/93
A.

Zij verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder
1, 2, 3 primair en 5 (nieuw) tenlastegelegde feiten heeft begaan en
spreekt haar daarvan vrij.

Zij verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 3
subsidiair en 34 (nieuw) primair ten laste gelegde feiten zoals hierboven
omschreven heeft begaan.

Zij verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan verdachte meer
of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en
spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

3 subsidiar medeplegen van zware mishandeling, begaan tegen haar kind;

4 (nieuw) primair medeplegen van een vrouw een behandeling geven, terwijl
zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat daardoor zwangerschap kan
worden afgebroken, terwijl het feit is begaan zonder toestemming van de
vrouw, meermalen gepleegd.

Zij verklaart de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde strafbaar.

Zij veroordeelt haar voor het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf
voor de tijd van drie jaar.

Zij beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging
van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is
doorgebracht bij de uitvoering van de haar opgelegde gevangenisstraf in
mindering wordt gebracht.

Zij wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige
hechtenis en het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling van
verdachte.

(…)

Rechters

Mrs. De Visser, De Bie en Wesseling-Lubberink