Instantie: Centrale Raad van Beroep, 26 november 1993

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Korting op AOW-pensioen wegens niet-verzekerde tijdvakken gelegen voor
23-12-84. Betrokkene valt niet binnen de personele werkingssfeer van
richtlijn 79/7 EEG d.d. 19-12- 78; dus geen toetsing aan
discriminatieverbod van artikel 4 van genoemde richtlijn. Beroep op
artikel 26 IVBPR tevergeefs; de kortingsbepaling in de AOW betreft geen
verboden discriminatie voorzover de hoogte van de AOW afhankelijk wordt
gesteld van de mate waarin tijdvakken van verzekering zijn vervuld. Dit
wordt niet ander wanneer het niet vervullen van tijdvakken van
verzekering, althans voor wat betreft de tijd gelegen voor 23-12-84, was
gebaseerd op een regel welke onderscheid maakte naar geslacht. Immers, de
werking van die regel valt in een periode waarin justitiabelen nog geen
rechtstreeks beroep op artikel 26 IVBPR konden doen. (Zie ook RSV, afl.
6, nrs. 125 t/m 127).

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 6 januari 1987 is vanwege eiser aan gedaagde kennis gegeven
van de beslissing haar met ingang van 1 december 1986 een
ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (hierna:AOW) toe te
kennen naar 98% van het volledige ouderdomspensioen. De korting van 2% op
het ouderdomspensioen is toegepast, omdat eiser heeft aangenomen dat
gedaagde in de perioden van 18 februari 1962 tot 1 januari 1963 en 14
april 1963 tot 4 december 1963 geen verzekerde in de zin van de AOW is
geweest.

De voormalige Raad van Beroep te Groningen heeft bij uitspraak van 4
oktober 1989 het tegen die beslissing ingestelde beroep gegrond geacht en
de bestreden beslissing vernietigd voorzover daarbij op het
ouderdomspensioen van gedaagde een korting is toegepast wegens
niet-verzekerde jaren.

Namens eiser is tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld op de in een
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden.

Desverzocht is namens eiser bij brief van 3 maart 1992, onder meer voor
de onderhavige zaak, aangegeven welke gevolgen door eiser worden verbonden
aan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van
11 juli in de gevoegde zaken C-87-89/90, Verholen e.a.

Bij brief van 12 november 1992 is van de zijde van eiser nogmaals een
nadere toelichting op het standpunt van eiser gegeven.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 15
oktober 1993, waar eiser zich heeft doen vertegenwoordigen door dr. G.J.
Vonk en mr. L. Smith-Boot, beiden werkzaam bij de Sociale
Verzekeringsbank, terwijl gedaagde niet is verschenen.

II. Motivering

Blijkens de gedingstukken heeft de echtgenoot van gedaagde, overleden op
23 september 1979, in ieder geval gedurende de perioden van 9 april 1962
tot 6 december 1962 en van 20 juni 1963 tot 30 november 1963 werkzaamheden
in loondienst verricht in Duitsland voor een Duitse werkgever. Als gevolg
van deze werkzaamheden is de echtgenoot van gedaagde in ieder geval in de
desbetreffende perioden niet in Nederland verzekerd geweest voor de AOW.
Ingevolge de bepalingen van opeenvolgende Koninklijke Besluiten met
betrekking tot de uitbreiding en beperking van de kring der verzekerden
voor de volksverzekeringen, zoals deze bepalingen luidden in de perioden
in geding, is ook gedaagde als gehuwde vrouw gedurende die perioden niet
voor de AOW verzekerd geweest.

In dit geding dient de Raad de vraag te beantwoorden of eiser terecht in
de bestreden beslissing op grond van aritkel 13 van de AOW een korting
heeft toegepast op het ouderdomspensioen van gedaagde vanwege niet
verzekerde perioden.

Evenals de eerst rechter stelt de Raad vast dat eiser beoordeeld naar
nationaal recht op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de
bovenbedoelde bepalingen. Tevens dient de Raad echter de vraag te
beantwoorden of de korting op het pensioen zich verdraagt met de regels
van supra- of internationaal recht.

Met betrekking tot deze vraag stelt de Raad allereerst vast dat gedaagde
niet valt binnen de personele werkingssfeer van de richtlijn nr. 79/7 EEG
d.d. 19 december 1978, als omschreven in artikel 2 van die richtlijn. De
Raad heeft in dat verband overwogen dat gedaagde in ieder geval na 1957
niet in loondienst of als zelfstandige werkzaamheden heeft verricht en
haar laatste werkzaamheden heeft gestaakt in verband met haar huwelijk en
de verzorging van het gezin, terwijl zij zich evenmin in de periode
sedertdien tot aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd ter
beschikking van de arbeidsmarkt heeft gesteld. Mede gelet op het arrest
van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen d.d. 27 juni 1989
in de zaken 48, 106 en 107/88 (arrest Acherberg-te Riele e.a.,
gepubliceerd in onder meer RSV 1990/232), welk arrest onder meer tot stand
is gekomen naar aanleiding van de door de eerste rechter in het geding in
eerste aanleg in de onderhavige zaak gestelde vragen, komt de vraag of de
korting in overeenstemming is met het verbod van discriminatie naar
geslacht, neergelegd in artikel 4, lid 1, van genoemde richtlijn, in deze
procedure derhalve niet aan de orde.

Wel rijst de vraag of de beslissing om op het pensioen een korting toe te
passen wegens de bovengenoemde nietverzekerde perrioden kan worden
aangetast met een beroep op artikel 26 van het Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten (Trb. 1978, 177; hierna IVBPR).
Zoals in de rechtspraak van de Raad meermalen tot uitdrukking is gebracht,
betreft het hier een een ieder verbindende bepaling van internationaal
recht, waarvan de werking zich mede uitstrekt tot het gebied van de
sociale zekerheid en welke door justitiabelen in het algemeen met ingang
van 23 december 1984 rechtstreeks kan worden ingeroepen. In bredere zin
is voorts in de jurisprudentie -niet alleen van deze Raad, en tevens in
de zogeheten communications van het Human Rights Committee als bedoeld in
artikel 28 IVBPR- aanvaard dat artikel 26 van het Verdrag mede omvat een
gebod aan de verdragspartijen om wettelijke regels te vrijwaren van iedere
vorm van door die bepaling verboden discriminatie; hiervan is geen sprake,
indien kan worden vastgesteld dat een door regelgeving ten aanzien van
rechtssubjecten teweeggebracht onderscheid berust op objectieve en
redelijke gronden. Aldus opgevat vermag in de zienswijze van de Raad een
bepaling als artikel 26 IVBPR niet de rechtsgeldigheid aan te tasten van
een nationale regel waarbij de hoogte van een op een wettelijke
verzekering berustende uitkering (als het AOW- pensioen, respectievelijk
de toeslag) afhankelijk wordt gesteld van de mate waarin tijdvakken van
verzekering zijn vervuld. Dit laatste wordt niet anders wanneer kan worden
vastgesteld dat het niet-vervullen van tijdvakken van verzekering, althans
voor wat betreft de tijd gelegen voor 23 december 1984, was gebaseerd op
een regel welke een onderscheid maakte naar geslacht. Immers, de werking
van die regel valt in een periode waarin justitiabelen nog geen
rechtstreeks beroep op artikel 26 IVBPR konden doen en waarin derhalve
door die bepaling de rechtsgeldigheid van de eerder bedoelde, nationale,
regel nog niet kon worden aangetast.

Met het voorgaande is, mede in aanmerking genomen ’s Raads uitspraak van
heden in de zaak AOW 1991/75, op het punt van gelijke behandeling van man
en vrouw in de sociale zekerheid een uiteenlopende interpretatie gegeven
van het discriminatieverbod van de EEG-richtlijn 79/7 enerzijds en dat van
artikel 26 IVPBR anderzijds. De Raad ziet echter de eerstbedoelde uitleg
met betrekking tot het onderwerp dat hier aan de orde is exclusief
gebonden aan het specifieke, op aanpassing van de bestaande wetgeving
gerichte en binnen de bijzondere rechtsgemeenschap der EEG geldende gebod
van artikel 4, lid 1, van de richtlijn 79/7/EEG. Een zo vergaande werking
als aan het beginsel van gelijke behandeling van man en vrouw is toegekend
in het arrest van het Hof van Justitie der EG d.d. 11 juli 1991 (arrest
Verholen e.a., RSV 1991/227) kan naar het oordeel van de Raad niet geacht
worden voort te vloeien uit de meer algemene normstelling inzake het
verbod van discriminatie als neergelegd in atikel 26 IVBPR.

De Raad is derhalve van oordeel dat de in de bestreden beslissing
toegepaste korting op het pensioen van gedaagde verenigbaar is met supra-
en internationaal recht. Nu er ook voor het overige geen reden is de
beslissing voor onjuist te houden, dient te worden beslist als volgt.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten; verklaart het
inleidend beroep alsnog ongegrond.

Rechters

mr. N.J. Haverkamp; mr. H.J. Grendel; mr. F.P. Zwart

Instantie: President Rechtbank Utrecht, 25 november 1993

Instantie

President Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Eiseres vordert ƒ 5.000,= voorschot immateriele schadevergoeding, alsmede
een contact- en straatverbod. Eiseres was onder behandeling bij gedaagde
die zich heeft voorgedaan als arts en haar heeft misleid omtrent zijn
bevoegdheden en bekwaamheden. Vaststaat dat gedaagde gemeenschap heeft
gehad met eiseres toen zij bij hem in behandeling was hetgeen een
onrechtmatig handelen jegens eiseres vormt waardoor zij in ieder geval
psychische schade heeft geleden aldus de President. Op de overige door
eiseres gestelde feiten wil de President niet ingaan nu de strafrechter
daar nog over moet oordelen. Toewijzing voorschot ƒ 5.000,=. Tevens
toewijzing contact- en straatverbod.

Volledige tekst

1. Het verloop van het geding

Eiseres, hierna te noemen; S. heeft de gedaagde, verder te noemen: H. in
kort geding doen dagvaarden en op dienende dag, 16 november 1993, van eis
geconcludeerd overeenkomstig de inhoud van het exploot van dagvaarding,
waarvan een fotokopie aan dit vonnis is gehecht.

S. heeft haar vordering bij monde van haar advocaat toegelicht mede aan
de hand van overgelegde pleitnotities en produkties.

H. heeft daarop bij monde van zijn procureur verweer gevoerd.

Na voortgezet debat, waarbij ook door S. zelf en door haar vriendin V.
enige inlichtingen zijn verschaft, hebben partijen de stukken overgelegd
en vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

a. Bij de gemeentepolitie te Amersfoort is in 1989/1990 door verschillende
personen, onder wie S. aangifte gedaan van door H. gepleegde strafbare
feiten, zoals (volgens die aangiften): het onbevoegd, ondeskundig en
zonder toestemming verrichten van allerlei medische handelingen (waaronder
het injecteren met onbekende stoffen), het seksueel misbruiken van vrouwen
en het zonder toestemming uitvoeren van hypnose-achtige praktijken.

b. H. staat in Nederland niet als arts geregistreerd.

c. De officier van justitie heeft H., onder andere met betrekking tot de
onder a genoemde feiten, gedagvaard voor de meervoudige strafkamer van
deze rechtbank van 18 november 1993.

d. Vanaf januari 1989 tot omstreeks oktober 1989 heeft H. S. behandeld in
verband met letsel dat zij had opgelopen als gevolg van een auto-ongeluk
en ten gevolge waarvan zij in een rolstoel terecht was gekomen. Voorts
heeft S. vanaf april 1989 tot omstreeks oktober 1989 als
(dokters)assistente voor H. gewerkt.

e. H. heeft in de periode van januari 1989 tot oktober 1989 meermalen
vleselijke gemeenschap met S. gehad.

f. S. is sinds 1991 in therapie bij een Riagg. Zij staat nog onder
psychiatrische behandeling. Thans verkeert zij in een zodanig slechte
lichamelijke en psychische conditie dat zij zich heeft laten opnemen in
een herstellingsoord.

3. Het geschil en de beoordeling

3.1. Voor de inhoud en de grondslagen van de vordering van S. wordt
verwezen naar het aan dit vonnis gehechte exploot van dagvaarding. De
stellingen van de dagvaarding en de daarin omschreven vordering dienen als
hier ingelast te worden beschouwd.

3.2. H. heeft de hem door S. verweten, in het exploot van dagvaarding
omschreven, gedragingen betwist.

3.3. Een veroordeling tot betaling van een geldsom, zoals S. in het
exploot van dagvaarding onder b vordert, kan, afgezien van andere
vereisten, alleen dan als voorziening in kort geding worden gegeven
wanneer voldoende aannemelijk is dat een vordering ter zake van die
geldsom in een bodemprocedure zal worden toegewezen.

3.4. Bij de beoordeling van de schadevordering van S. kan ervan worden
uitgegaan dat H. -onder meer ten opzichte van S.- onbevoegd de geneeskunde
heeft uitgeoefend. Hij heeft dit feit weliswaar ontkend, maar deze
ontkenning verdient geen geloof. Het staat vast dat hij zich gedurende
langere tijd als arts heeft gepresenteerd, terwijl hij op geen enkele
manier aannemelijk heeft gemaakt dat hij bevoegd was (of is) als zodanig
te praktiseren. Hij stelt dat hij zijn bevoegdheid ontleent aan examens
die hij in het voormalige Tsjecho- Slowakije heeft afgelegd en dat hij
niet de beschikking kan krijgen over bewijsstukken daarvan, maar deze
stellingen zijn hoogst onwaarschijnlijk. Enerzijds weet hij al jarenlang
dat de geneeskundige inspectie van de volksgezondheid hem onbevoegd acht
en deswege ook aangifte heeft gedaan, anderzijds heeft hij niets gesteld
over pogingen van hem om zijn beweerde bevoegdheden te kunnen aantonen.
In dit verband is van belang dat hij blijkens zijn eigen stellingen weer
vrij door Tsjechie kan reizen en dit ook heeft gedaan.

3.5. H. heeft, door zich aldus tegenover S als arts te manifesteren, haar
misleid omtrent zijn bevoegdheden en bekwaamheden. Aangenomen kan worden
dat zij zich niet tot hem had gewend, en hem in elke geval niet zozeer
haar vertrouwen had gegeven als tijdens de behandeling het geval is
geweest, indien zij had geweten dat hij hier te lande niet de bevoegdheid
had de geneeskunst uit te oefenen.

Van dit in hem gestelde vertrouwen heeft hij misbruik gemaakt. De gevolgen
daarvan zijn te ernstiger, nu S., naar ook aan H. als behandelaar
duidelijk moet zijn geweest, zich tot hem had gewend om hulp voor
lichamelijke en psychische problemen.

3.6. De verwijten die S. aan H. maakt komen er meer in het bijzonder op
neer dat hij, in het kader van haar behandeling, haar (onder hypnose)
heeft verkracht en haar heeft ingespoten met deels onbekende stoffen.

3.7. Vast staat dat H. in de periode van januari 1989 tot oktober 1989,
toen S. bij hem in behandeling was, gemeenschap met haar heeft gehad. Hij
stelt dat het initiatief daartoe grotendeels van haar is uitgegaan. Deze
stelling is hoogst onaannemelijk, maar ook niet relevant. Een medische
hulpverlener -en dus ook H., die zich als zodanig voordeed- dient zich te
onthouden van seksuele gedragingen ten opzichte van zijn patienten. Indien
er een affectieve relatie ontstaat, zal hij de behandeling moeten staken.
Aan deze norm heeft H. zich niet gehouden.

3.8. Ook als aangenomen zou kunnen worden dat H. S. meermalen in een
hypnose-achtige toestand heeft gebracht, kan in dit kort geding niet met
een voldoende mate van waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat hij
haar heeft ingespoten met (deels) onbekende stoffen. Voorzichtigheid bij
de beoordeling van dit verwijt is in dit kort geding te meer geboden, nu
H. zich, ten tijde van de behandeling van dit kort geding, voor feiten van
diezelfde aard nog voor de strafrechter moest verantwoorden. Daarop dient,
onder de hier aanwezige omstandigheden, thans niet te worden
vooruitgelopen.

3.9. Datgene wat wel met een voldoende mate van waarschijnlijkheid
vaststaat, te weten het door H. meermalen hebben van vleselijke
gemeenschap met S. in de periode dat zij bij hem onder behandeling was,
vormt een onrechtmatig handelen van H. waardoor zij in ieder geval
psychische schade heeft geleden. Het is hoogst aannemelijk dat de
(ernstige, nog voortdurende) klachten waarvoor zij zich in een later
stadium onder psychiatrische behandeling heeft moeten stellen, mede zijn
veroorzaakt door de onrechtmatige gedragingen van H. S. heeft een
spoedeisend belang bij het verkrijgen van een voorschot op een
schadevergoeding daarvoor. Dit voorschot zal overeenkomstig het door haar
gevorderde bedrag, worden bepaald op ƒ 5.000,=.

3.10. S. heeft met betrekking tot de door haar gevorderde verboden onder
a en c gesteld dat H. een voor haar zeer bedreigend gedrag vertoont en dat
zij de afgelopen jaren bang is geweest dat hij weer toenadering tot haar
zou zoeken. Verder stelt zij dat haar handicap haar angst verstrekt omdat
zij zich lichamelijk onvoldoende tegen H. zal kunnen verzetten. Zij heeft
verder betoogd dat zij en anderen H. de afgelopen tijd enkele malen in
haar direct woonomgeving hebben gesignaleerd. Voorts stelt S. dat zij de
traumatische gevolgen van de contacten met H. nog niet heeft kunnen
verwerken en dat zij thans intensieve deskundige behandeling nodig heeft,
die wordt bemoeilijkt door de dreiging welke van H. uitgaat. Ten slotte
heeft zij aangevoerd dat zij zich op advies van haar psychiater thans
heeft laten opnemen in een herstellingsoord.

3.11. H. heeft ontkend dat hij in de directe woonomgeving van S. is
geweest en/of dat hij anderszins contact met haar heeft gezocht.

3.12. In dit geding is echter wel voldoende aannemelijk geworden en ook
verklaarbaar dat S. door hetgeen haar is overkomen, bevreesd is dat H.
weer contact met haar zal zoeken, waardoor zij zich in haar directe
woonomgeving en haar eigen huis niet veilig voelt. Reeds de dreiging dat
H. op enigerlei wijze contact met S. zal zoeken, brengt bij haar grote
onrust teweeg, en wel -naar in dit geding aannemelijk is geworden- in die
mate dat daardoor een normaal leven voor haar onmogelijk wordt.

3.13. Afweging van het belang van H. bij het behoud van zijn
bewegingsvrijheid tegen dat van S. bij het herkrijgen van een rustig en
normaal leven, zowel binnenshuis als in haar directe woonomgeving, alsmede
ter bevordering van haar herstel, valt in de gegeven omstandigheden ten
gunste van S. uit. Dit betekent dat de vordering van S. om aan H. een
straatverbod op te leggen in beginsel toewijsbaar is.

3.14. H. heeft in dit geding geen enkele bijzondere omstandigheid
aangevoerd waaruit voortvloeit dat hij noodzakelijk op enigerlei wijze
contact met S. moet hebben of dat hij in haar directe woonomgeving moet
komen. Toewijzing van het door S. gevorderde straat- en contactverbod zal
hem derhalve geen reele schade berokkenen.

3.15. Uit het door S. in dit geding overgelegde produkties van de haar
behandelende deskundigen blijkt voldoende dat zij er een (spoedeisend)
belang bij heeft dat H. verboden zal worden op enigerlei wijze contact met
haar te zoeken of in haar directe woonomgeving te komen.

3.16. Nu er onvoldoende zekerheid bestaat dat H. zich in de toekomst zal
onthouden van het zoeken van contact met S. en niet in haar directe
woonomgeving zal komen, is haar vordering onder a en c op de hierna te
vermelden, enigszins beperkte, wijze voor toewijzing vatbaar.

3.17. De vordering van S. ertoe strekkende dat H. zal worden verboden
contact te zoeken met familieleden en/of vrienden van S. met het
kennelijke doel om met haar in contact te komen, zal worden afgewezen,
nu niet is gesteld of gebleken dat H. dit de afgelopen tijd heeft gedaan.

3.18. H. zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de
kosten van dit geding worden veroordeeld. Aangezien aan S. een toevoeging
is verleend op grond van de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden,
zal H. deze kosten aan de griffier van de rechtbank dienen te voldoen.

4. De beslissing

De fungerend president:

4.1. Verbiedt H. om gedurende een jaar na de betekening van dit vonnis
zich te begeven en/of te bevinden binnen het gedeelte van de gemeente
Amersfoort dat is omgeven door de volgende wegen en de Spoorbaan: de
Utrechtse weg, de Hugo de Grootlaan, de Leusderweg en de spoorbaan, zulks
met uitzondering van die wegen zelf.

4.2. Veroordeelt H. tot betaling aan S., bij wijze van voorschot ter
vergoeding van immateriele schade, van een bedrag van ƒ 5.000,=
(vijfduizend gulden), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag
vanaf de dag der dagvaarding, zijnde 9 november 1993 tot aan die der
voldoening.

4.3. Verbiedt H. om gedurende een jaar na de betekening van dit vonnis
contact op te nemen met S. hetzij door haar aan te spreken, aan te raken,
op straat te volgen en telefonisch en/of schriftelijk te benaderen, hetzij
door op andere wijze contact met haar te zoeken.

4.4. Machtigt S. om, indien nodig, de tenuitvoerlegging van de onder 4.1.
en 4.3. aan H. opgelegde verboden te bewerkstelligen met behulp van de
sterke arm en voorts op verbeurte van een dwangsom van ƒ 750,=, te betalen
door H. aan S. voor iedere keer dat hij het onder 4.1. en/of onder 4.3.
vermelde verbod overtreedt.

4.5. Veroordeelt H. in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak
aan de zijde van S. begroot op ƒ 1.500,= voor salaris van haar procureur
en op ƒ 345,95 voor verschotten.

4.6. Bepaalt dat H. de onder 4.5. genoemde kosten dient uit te betalen aan
de griffier van de rechtbank, zulks op de voet van het bepaalde in artikel
57b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.7. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

4.8. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

mr. Hofhuis

Instantie: Rechtbank Haarlem, 23 november 1993

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Eiseres vordert ƒ 75.000,- schadevergoeding terzake van seksueel
misbruik door gedaagde. Deze is hiervoor strafrechtelijk veroordeeld. De
rechtbank ziet de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid en de
draagkracht van gedaagde als redenen om de schadevergoeding te matigen.
De immateriele schadevergoeding wordt vastgesteld op ƒ 30.000,-

Volledige tekst

1. De loop van het geding

Voor de loop van het geding verwijst de rechtbank naar de volgende door
partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken waarvan de inhoud als hier
ingevoegd is te beschouwen:

-het tussenvonnis van 16 februari 1993 en de daarin genoemde andere
gedingstukken, -de akte overlegging stukken aan de zijde van eiseres.

2. Verdere beoordeling van het geschil

Omvang van het onrechtmatig handelen van gedaagde

2.1. Bij vonnis van deze rechtbank van 17 november 1988 is gedaagde
schuldig bevonden aan de navolgende, ten opzichte van gedaagde gepleegde
strafbare feiten:

– ontucht, meermalen gepleegd in de periode van 5 augustus 1976 tot 26
februari 1980; – buiten echt vleselijke gemeenschap hebben, meermalen
gepleegd in de periode van 26 februari 1980 tot 26 februari 1984.

2.2. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen, en in kracht van gewijsde,
zodat het in deze civiele procedure dwingend bewijs oplevert van de feiten
die daarin bewezen zijn verklaard.

2.3. Eiseres heeft gesteld dat gedaagde haar seksueel heeft misbruikt
gedurende een langere periode dan in het strafvonnis bewezen is verklaard.
Zij stelt dat zij reeds sedert 1971, toen zij drie jaar oud was,
slachtoffer is geweest van ontucht; en dat gedaagde ook in de periode van
1986-1988 regelmatig gemeenschap met haar heeft gehad.

2.4. Gedaagde betwist dit, en verwijst daartoe onder meer naar het
strafvonnis.

2.5. De verwijzing naar het strafvonnis kan gedaagde niet baten.

Het aanvangstijdstip van de bewezen verklaarde ontucht, 5 augustus 1976,
ligt precies twaalf jaar voor de datum waarop de strafzaak tegen gedaagde
ter terechtzitting werd behandeld, en is dus kennelijk door de officier
van justitie gekozen in verband met de verjaringstermijn. Het vonnis in
de strafzaak impliceert dus geenszins dat het openbaar ministerie, laat
staan de strafkamer van de rechtbank, van oordeel is geweest dat gedaagde
zich niet voor 5 augustus 1976 heeft schuldig gemaakt aan ontucht met
eiseres.

Het laatste tijdstip waarop gedaagde volgens de bewezenverklaring van het
strafvonnis gemeenschap met eiseres zou hebben gehad, 26 februari 1984,
valt samen met de 16e verjaardag van eiseres, en is dus kennelijk gekozen
met het oog op de delictsomschrijving van artikel 245 WvSr. Het
strafvonnis impliceert dus niet dat het openbaar ministerie, laat staan
de rechtbank, van oordeel is geweest dat gedaagde na 26 februari 1984 geen
gemeenschap meer met eiseres heeft gehad.

2.6. Ter ondersteuning van haar stellingen met betrekking tot begin- en
einddatum van het seksueel misbruik wijst eiseres op verklaringen die bij
de politie zijn afgelegd door haarzelf, haar ex-echtgenoot, haar
halfbroer, haar broer, een tweetal vriendinnen die eveneens door gedaagde
zijn misbruikt, en op de verklaringen van gedaagde zelf.

Onder de verklaringen van gedaagde zelf is er een van 2 mei 1988, waarin
gedaagde stelt dat de seksuele contacten met eiseres zijn begonnen toen zij
6 jaar oud was.

Bij de rechter-commissaris heeft gedaagde op 6 mei 1988 in dezelfde zin
verklaard.

2.7. Gedaagde heeft deze verklaringen (op onderdelen) bestreden.

2.8. De rechtbank gaat ervan uit dat de verklaringen die eiseres heeft
overgelegd in volle oprechtheid zijn afgelegd. Daarmee is echter niet
gezegd dat de stellingen van eiseres ook als bewezen kunnen gelden; het
bewijsrecht in burgerlijke zaken verschilt nu eenmaal van dat in
strafzaken.

2.9. Op grond van het voorgaande is niet aannemelijk dat de seksuele
contacten die gedaagde met eiseres heeft gehad exact beperkt zijn gebleven
tot de periode die in het strafvonnis is genoemd. Het is evenwel heilloos
om te trachten in deze procedure door middel van getuigenbewijs te
achterhalen op welke tijdstippen het seksueel misbruik dan wel precies is
begonnen en geeindigd. Dat is ook niet noodzakelijk. Immers, reeds op
grond van het strafvonnis staat vast:

– dat de seksuele contacten in elk geval reeds aan de gang waren toen
eiseres acht jaar oud was; – en in elk geval nog steeds voortduurden toen
eiseres 16 jaar oud was; – en in die periode van acht jaren veelvuldig en
regelmatig hebben plaatsgevonden.

Reeds op grond van deze vaststaande feiten is alleszins aannemelijk dat
eiseres smart heeft ondervonden in de mate als door haar gesteld.

3. De door eiseres gestelde gevolgen en het causaal verband

3.1. Eiseres heeft gesteld dat zij ten gevolge van de onrechtmatige
gedragingen van gedaagde grote psychische schade heeft opgelopen. De
periode waarin deze gedragingen plaatsvonden was een periode van veel
pijn, verdriet en angst. Haar gemoedstoestand wordt gekenmerkt door
depressiviteit en gevoelloosheid. Zij heeft een gering gevoel van
eigenwaarde, en identiteitsproblemen. Ze is lusteloos en heeft geen
hobby’s. Ze voelt zich eenzaam, en is agressief en wantrouwend tegenover
mannen in het algemeen. ook de relatie met haar echtgenoot is
problematisch. Zij heeft geen bevredigende seksuele relatie met hem kunnen
opbouwen. Zij heeft diverse zelfmoord pogingen ondernomen. Ze is sinds een
aantal jaren onder behandeling van een psycho-therapeut, en enige weken
opgenomen geweest in een psychiatrisch ziekenhuis. De psychische schade
belemmert haar in haar zelfontplooiing en levensgeluk, aldus eiseres.

3.2. Ter onderbouwing van deze stellingen heeft eiseres bij repliek
verklaringen overgelegd van de klinisch-psychologe drs. M.F. Delfos, haar
maatschappelijk werkster mevrouw Samberg, en haar behandelend psychiater
Bolier.

3.3. Gedaagde heeft op zichzelf niet betwist dat zich bij eiseres de
verschijnselen voordoen die zij heeft gesteld, en door de overgelegde
verklaringen worden gestaafd.

3.4. Gedaagde oppert evenwel dat deze verschijnselen mede hun oorzaak
zouden kunnen vinden in de ontwrichte gezinssituatie waarin eiseres is
opgegroeid, in de slechte relatie tussen haar ouders, de echtscheiding en
de situatie van algehele affectieve verwaarlozing in het gezin.

3.5. Het is inderdaad, zoals gedaagde stelt, ‘niet uitgesloten’ dat deze
omstandigheden een rol spelen. Het valt echter niet te loochenen dat de
gedragingen die gedaagde zich heeft veroorloofd reeds op zichzelf geschikt
zijn om de verschijnselen te veroorzaken die eiseres heeft gesteld.
Bovendien is het aan gedaagde te wijten dat niet kan worden vastgesteld
of, en zo ja in welke mate, eiseres diezelfde verschijnselen zou
ondervinden indien hij zich niet schuldig had gemaakt aan seksueel
misbruik. Onder deze omstandigheden moeten de verschijnselen die eiseres
heeft gesteld, aan gedaagde worden toegerekend als een gevolg van zijn
handelwijze.

4. Toerekening:

4.1. Gedaagde heeft erop gewezen dat een psychiatrisch onderzoek in de
strafzaak heeft geresulteerd in de conclusie dat de ten laste gelegde
feiten hem slechts in enigszins verminderde mate kunnen worden
toegerekend.

4.2. Deze omstandigheid brengt echter niet mee dat geen sprake zou zijn
van schuld in de zin van artikel 1401 BW (oud).

5. Schade-omvang en draagkracht van gedaagde

5.1. Gelet op de omvang van het onrechtmatig handelen (als besproken onder
2), de gevolgen daarvan voor eiseres (als besproken onder 3), de enigszins
verminderde toerekeningsvatbaarheid van gedaagde (als besproken onder 4)
en de economische positie van beide partijen stelt de rechtbank de
immateriele schade naar billijkheid op een bedrag van ƒ 30.000,-.

5.2. Wellicht zal gedaagde dit bedrag nimmer kunnen opbrengen. Aan
toewijzing daarvan staat dat echter niet in de weg, evenmin als dat het
geval zou zijn indien gedaagde materiele schade zou hebben toegebracht tot
een bedrag dat hij niet kan betalen. Zijn draagkracht is reeds in
evengenoemd bedrag verdisconteerd, en geeft geen aanleiding tot
verdergaande matiging.

5.3. Het verzoek van gedaagde om een afbetalingsregeling te treffen vindt
geen steun in de wet.

6. Kosten

Ten aanzien van de proceskosten is van belang (1) dat ƒ 30.000,- wordt
toegewezen van de gevorderde ƒ 75.000,-; (2) dat eiseres
veiligheidshalve beter teveel kon vorderen dan te weinig; en (3) dat
gedaagde geen enkel bedrag heeft aangeboden. Onder deze omstandigheden
ziet de rechtbank aanleiding om gedaagde, als de grotendeels in het
ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van eiseres, maar het
salaris van eiseresses procureur te begroten op basis van het toegewezen
bedrag.

7. Beslissing:

De Rechtbank:

7.1. Veroordeelt gedaagde om aan eiseres tegen kwijting te betalen een
bedrag van ƒ 30.000,- (dertigduizend gulden), te vermeerderen met de
wettelijke rente daarover vanaf 5 september 1990 tot aan de dag van
voldoening.

7.2. Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van
eiseres gevallen, tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 1.282,60 aan
verschotten en ƒ 1.775,- aan salaris voor de procureur, op de voet van
artikel 57b Rv te betalen aan de griffier van deze rechtbank.

7.3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

7.4. Wijst het meer gevorderde af.

Rechters

Mr. Maanen.

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 23 november 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Bij de Gemeente Uden geldt de seniorenregeling. Deze houdt in dat
oudere ambtenaren die meer dan 32 uur per week werken
arbeidstijdverkorting kunnen krijgen, zonder dat het salaris wordt
verlaagd. Aangezien verzoekster 32 uur per week werkt, is deze regeling
niet op haar van toepassing. Uit de overgelegde cijfers blijkt dat vooral
vrouwen door deze regeling worden getroffen, omdat er relatief meer
vrouwen in deeltijd werken. Het doel van de regeling is om de werkdruk
van oudere werknemers terug te dringen en hen daardoor voor de
organisatie te behouden. De aanname van de wederpartij dat de werkdruk
bij (bijna) voltijdwerkers structureel hoger is dan bij degenen die 32
uur per week of minder werken, is niet voldoende onderbouwd. De door de
wederpartij aangevoerde rechtvaardigingsgronden kunnen niet slagen en
daarom concludeert de commissie dat er sprake is van indirecte
discriminatie.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 17 september 1993 verzocht mevrouw te Uden (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid een
oordeel uit te spreken over de vraag of het College van Burgemeester en
Wethouders van de gemeente Uden (hierna: de wederpartij) onderscheid naar
geslacht maakt in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (WGB; Stb.1989, 168).

1.2. Verzoekster is in dienst bij de wederpartij voor 32 uur per week.
Aangezien zij ouder is dan 57 jaar heeft zij met een beroep op de
seniorenregeling die vanaf 1 juni 1993 van kracht is, verzocht om
vermindering van werktijd. Haar verzoek is afgewezen omdat genoemde
seniorenregeling alleen geldt voor ambtenaren die meer dan 32 uur per
week werken. Verzoekster is van mening dat deze regeling in strijd is met
de WGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Desgevraagd is een spoedprocedure toegepast.
Partijen hebben de gelegenheid gehad schriftelijk te reageren.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 2 november 1993. Bij deze
zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw (verzoekster) –
mw (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij – dhr (gemachtigde)

van de kant van de Commissie – mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)
– dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer) – dhr mr A.W. Heringa (lid
Kamer) – mw mr A.C. Possel (lid Kamer) – dhr mr J.A.M.I. Hoens
(plaatsvervangend lid Kamer) – mw mr A.K. de Jongh (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. Hierin
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is meer dan 10 jaar in dienst van de wederpartij en wel
voor 32 uur per week. Zij is geboren op 2 oktober 1933.

3.2. De wederpartij kent voor oudere ambtenaren onder meer de volgende
regelingen: – de VUT-regeling. Het gaat hier zowel om een decentrale als
een centrale regeling. De decentrale regeling houdt in, dat ambtenaren
ouder dan 59,5 jaar onder voorwaarden de overheidsdienst kunnen verlaten.
De centrale regeling kent de VUT-mogelijkheid toe vanaf 61 jaar. Deze
leeftijd is tijdelijk verlaagd tot 60 jaar. Beide regelingen blijven
gelden tot januari 1995. Zij zullen echter deel uitmaken van de
besprekingen over het toekomstige seniorenbeleid; – toekenning van
leeftijdsverlofdagen en vermindering van de werktijd. Dit laatste houdt
in dat ambtenaren vanaf hun 60e jaar bij een voltijddienstverband 2,5 uur
per week minder kunnen werken. Voor deeltijdwerkers geldt een pro-rato-
toekenning; – de “vierdaagse werkweek voor senioren”. Deze regeling houdt
in dat werknemers die minstens 10 jaar ambtenaar zijn vanaf de 57e-jarige
leeftijd hun werktijd kunnen terugbrengen tot 32 uur per week, met behoud
van hun volledig salaris en pensioenopbouw. Wel dienen zij hun
leeftijdsverlofdagen in te leveren, en worden andere verlofdagen naar
evenredigheid met de werktijd van 32 uur berekend. Ook verliezen zij hun
recht op de decentrale VUT. Zij behouden overigens het recht om van de
centraal vastgestelde VUT gebruik te maken. Het betreft hier een
voorlopige regeling, ingaande op 1 juni 1993 en geldend tot 1 januari
1995.

3.3. Verzoekster heeft op 29 april 1993 aan de wederpartij verzocht om
gebruik te mogen maken van de regeling “vierdaagse werkweek voor
senioren”. Gebruikmaking van de VUT-regeling stuit voor haar op
financiele bezwaren. Bovendien levert gebruikmaking van de
leeftijdsverlofdagen en vermindering van werktijd voor haar nog altijd
een langere werkweek op dan evenredige toepassing van de nieuwe
seniorenregeling, namelijk circa 29,5 uur in plaats van circa 27 uur.

Bij brief van 16 juli 1983 heeft de wederpartij dit verzoek vooralsnog
afgewezen, om reden dat verzoekster 32 uur per week werkt en derhalve
niet aan de eisen voldoet. In deze brief spreekt zij overigens de
verwachting uit dat de betreffende regeling zal worden aangepast.

3.4. Blijkens de stukken is het doel van de nieuwe seniorenregeling, de
werkdruk van oudere werknemers terug te dringen en hen daardoor,
eventueel partieel, voor de organisatie te behouden. Impliciet houdt dit
ook in, terugdringing van het aantal ambtenaren dat gebruik maakt van de
VUT-regelingen. Aangezien de werkdruk die uit het betaalde werk
voortvloeit bij voltijdwerkers het hoogst is, is in eerste instantie
uitgegaan van werktijdvermindering voor de groep die langer werkt dan 32
uur.

Ofschoon de nieuwe regeling slechts geldt tot 1 januari 1995, is het
onwaarschijnlijk dat deze na die datum wordt opgeheven. Wel is denkbaar
dat de regeling op onderdelen wordt aangepast.

3.5. Bij de wederpartij zijn per 19 oktober 1993 in totaal 179 mannen en
77 vrouwen werkzaam, samen 256 personen. 13 van de 179 mannen werken 32
uur per week of minder, ofwel 7,3%. 49 van de 77 vrouwen werken 32 uur
per week of minder, ofwel 63,6%. In de leeftijdscategorie 57 – 65 jaar
zijn 6 mannen werkzaam en 2 vrouwen, samen 8 personen. 1 van deze 6
mannen werkt minder dan 32 uur, ofwel ruim 16%, terwijl 1 van de 2
vrouwen minder dan 32 uur werkt, ofwel 50%.

Bij alle gemeenten in Nederland tezamen zijn de cijfers aldus. Op 31
december 1992 waren totaal 187.329 ambtenaren ouder dan 55 jaar werkzaam
bij gemeenten. Hiervan waren 125.567 man en 61.762 vrouw. Van de mannen
werkten 11.231 in deeltijd, ofwel 9%. Van de vrouwen werkten 39.390 in
deeltijd, ofwel 64%.

In verband met de doelstelling van de regeling om de werkdruk van oudere
werknemers terug te dringen, heeft de wederpartij de volgende
ziekteverzuimcijfers overgelegd. Onder de mannen ouder dan 57 jaar
bedraagt het ziekteverzuim in de eerste helft van 1993 8,02%. Onder de
vrouwen ouder dan 57 jaar bedraagt het ziekteverzuim in dezelfde periode
8,51%.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoekster is van mening dat de beperking van de regeling
“vierdaagse werkweek voor senioren” in strijd is met de WGB, aangezien
deze regeling alleen geldt voor ambtenaren die meer dan 32 uur per week
werken. Zij wijst voorts op de onbillijkheid, dat zijzelf voor 32 uur per
week wordt beloond, terwijl een collega die wel gebruik kan maken van de
nieuwe seniorenregeling en feitelijk ook 32 uur werkt zijn/haar volledige
salaris op basis van 38 uur behoudt. Dit brengt mee dat zij voor
hetzelfde werk een gemiddeld lager uurloon ontvangt dan genoemde collega.

3.7. De wederpartij is van mening dat zij met de regeling “vierdaagse
werkweek voor senioren” geen indirect onderscheid maakt in strijd met de
WGB. De belangrijkste rechtvaardigingsgrond is, dat de regeling beoogt
de werkdruk van oudere werknemers terug te dringen en de oudere
werknemers voor de organisatie te behouden. Daarbij is geen onderscheid
naar geslacht gemaakt. Verzoekster heeft allerlei mogelijkheden om haar
werkdruk te verminderen, bijvoorbeeld via de VUT-regeling of door
gebruikmaking van de mogelijkheid om leeftijdsverlofdagen op te nemen in
combinatie met de vermindering van werktijd met 2,5 uur per week.
Overigens heeft verweerder tijdens de zitting desgevraagd erkend dat de
bestreden regeling voor verzoekster gunstiger is.

De wederpartij wijst er op, dat een aparte werkgroep Seniorenbeleid in
het kader van een te voeren seniorenbeleid een breed scala van
instrumenten heeft geinventariseerd. Voordelen van de vierdaagse werkweek
zijn; een lagere werkbelasting, een waarschijnlijke afname van het
ziekteverzuim, een toename van de gemiddelde produktiviteit,
duidelijkheid over de op te nemen vrije dagen en een volledige
pensioenopbouw. Als nadeel wordt genoemd de geringe mogelijkheid voor
kleine gemeenten om over te gaan tot herbezetting. Overigens mag uit de
ziekteverzuimcijfers bij de wederpartij worden opgemaakt dat het
ziekteverzuim onder deeltijdwerkers niet lager is dan onder
voltijdwerkers.

Heroverweging van deze nieuwe regeling is, althans door de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten, ook na het oordeel van de Commissie over een
soortgelijke regeling voor rijksambtenaren d.d. april 1993, niet
opportuun geacht. De regeling voor gemeenteambtenaren was eerder tot
stand gekomen dan die voor rijksambtenaren, terwijl de regeling slechts
geldt tot 1 januari 1995 en deel uitmaakt van een raamovereenkomst.

4. De overwegingen van de commissie 4.1. In geding is de vraag of de
wederpartij in strijd met de wetgeving gelijke behandeling onderscheid
heeft gemaakt jegens verzoekster door haar niet toe te laten tot de
nieuwe seniorenregeling in verband met het feit dat zij 32 uur per week
werkt. Artikel 1a WGB verbiedt het bevoegd gezag om in de
arbeidsvoorwaarden direct of indirect onderscheid naar geslacht te maken.
Onder indirect onderscheid naar geslacht wordt verstaan onderscheid op
grond van andere hoedanigheden dan het geslacht dat onderscheid op grond
van geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid objectief
gerechtvaardigd is (artikel 1 WGB).

4.2. De wederpartij kent sinds 1 juni 1993 een nieuwe regeling van
werktijdvermindering voor ambtenaren ouder dan 57 jaar die meer werken
dan 32 uur per week. Het betreft hier een arbeidsvoorwaarde in de zin van
artikel 1a WGB. De vraag ligt voor of de wederpartij met deze nieuwe
arbeidsvoorwaarde onderscheid maakt in strijd met artikel 1a WGB. Uit de
cijfers die de wederpartij heeft overgelegd blijkt, dat in de groep van
57 jaar en ouder op dit moment acht personen in haar dienst werkzaam
zijn, van wie twee vrouwen en zes mannen. Vijftig procent van de
vrouwelijke ambtenaren ouder dan 57 jaar werkt 32 uur per week of minder
tegen ruim zestien procent van de mannelijke ambtenaren. Zij kunnen
derhalve geen gebruik maken van de bestreden regeling. Gelet op de
beperkte omvang van de groep ambtenaren ouder dan 57 jaar kan het van
belang zijn na te gaan of de genoemde percentages structureel afwijken
van de percentages in de totale groep ambtenaren in dienst van de
wederpartij. Uit de overgelegde cijfers blijkt, dat 63,6 procent van de
vrouwelijke ambtenaren en 7,3 procent van alle mannelijke ambtenaren 32
uur per week of minder werken. De percentages in de groep ambtenaren
ouder dan 57 jaar wijken derhalve niet structureel af. Op grond van het
bovenstaande concludeert de Commissie dat vooral personen van een
geslacht, in casu vrouwen, door het bestreden criterium in de betrokken
nieuwe arbeidsvoorwaarde getroffen worden. Hiermee staat vast, dat bij
de toelating tot de regeling sprake is van een vermoeden van indirect
onderscheid.

4.3. Nu een vermoeden van indirect onderscheid is vastgesteld, moet de
Commissie nagaan of de wederpartij een toereikende objectieve
rechtvaardigingsgrond heeft aangedragen. Onder een objectieve
rechtvaardigingsgrond wordt verstaan:(Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen in de zaak 170/84, Bilka-Weber/Kaufhaus d.d. 13 mei 1986,
en in de zaak 170/88, Rinner-Kuhn/Spezialgebandereinigung Gmbh&Co d.d.
13 juli 1989) * dat het onderscheid wordt gemaakt om een objectief
gerechtvaardigd doel te dienen, en * dat daartoe middelen zijn gekozen
die geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken, terwijl * dit
doel niet is te bereiken op een andere wijze waarbij geen indirect
onderscheid wordt gemaakt (subsidiariteit). De Commissie overweegt
hieromtrent als volgt.

4.4. Uit de verklaringen van de wederpartij blijkt dat het doel van de
onderhavige regeling is, de werkdruk van oudere werknemers terug te
dringen en hen daardoor, eventueel partieel, voor de organisatie te
behouden. De wederpartij is daarbij van mening dat bij voltijdwerkers de
werkdruk die uit de betaalde functie voortvloeit het hoogst is. Zij is
daarom in eerste instantie uitgegaan van werktijdvermindering voor de
groep ambtenaren ouder dan 57 jaar die langer werkt dan 32 uur per week.
Op zich kan werktijdvermindering ertoe bijdragen dat de werkdruk
vermindert en de betrokken ambtenaren daardoor langer aan de betaalde
arbeid deelnemen. De aanname echter dat de werkdruk bij (bijna)
voltijdwerkers structureel hoger is dan bij degenen die 32 uur per week
of minder werken, is echter niet voldoende onderbouwd. Hoge werkdruk is
immers een begrip met complexe oorzaken en achtergronden. Een van de
indicatoren voor (te) hoge werkdruk is het ziekteverzuim. Uit de
overgelegde cijfers blijkt, naar ook de wederpartij erkent, echter niet
dat het ziekteverzuim onder deeltijdwerkers lager is dan onder
voltijdwerkers. Andere indicatoren heeft de wederpartij niet genoemd. De
wederpartij heeft nog een aantal andere voor- en nadelen van de nieuwe
regeling genoemd, namelijk een geringere deelname aan de VUT-regelingen,
een waarschijnlijke afname van het ziekteverzuim, een toename van de
gemiddelde produktiviteit, duidelijkheid over de op te nemen vrije dagen,
een volledige pensioenopbouw, de geringe mogelijkheid voor kleine
gemeenten om tot herbezetting over te gaan. Deze voor- en nadelen zijn
echter niet nader cijfermatig onderbouwd. De mate waarin deze optreden
zijn bovendien niet gespecificeerd naar de groepen ambtenaren die meer
danwel minder dan 32 uur per week werken. Alleen al daarom kunnen de
genoemde voor- en nadelen niet dienen als objectieve
rechtvaardigingsgrond voor de beperking van deze regeling tot ambtenaren
die meer dan 32 uur per week werken. Op grond van het bovenstaande
concludeert de Commissie dat de toelatingseis in de nieuwe regeling,
namelijk dat de betrokken ambtenaren van 57 jaar en ouder meer dan 32 uur
per week in dienst is, niet voldoende geschikt en evenmin noodzakelijk
geacht kan worden voor het te bereiken doel. Ook kan niet worden gezegd
dat het te bereiken doel niet op een andere wijze, zonder indirect
onderscheid te maken, gerealiseerd kan worden. Daarmee staat vast dat de
wederpartij een niet gerechtvaardigd indirect onderscheid op grond van
geslacht maakt.

5. Het oordeel van de commissie De Commissie spreekt als haar oordeel uit
dat het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Uden door
ambtenaren van 57 jaar en ouder die 32 uur of minder werken uit te
sluiten van de zogenaamde `vierdaagse werkweek voor senioren’ indirect
onderscheid maakt op grond van geslacht in strijd met artikel 1a van de
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

De volledige tekst van deze uitspraak is onder vermelding van het
oordeelnummer aan te vragen bij de Commissie gelijke behandeling, Postbus
90809, 2509 LV Den Haag.

Rechters

Mrs. Evenhuis, Langemeijer, Heringa, Possel, Hoens, De Jongh

Instantie: Rechtbank Haarlem, 23 november 1993

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Gedaagde, stiefvader van eiseres, heeft sinds 1985 ontucht met haar
gepleegd en sedert 1987 gemeenschap met haar gehad. Daarvan is strafbaar,
en dus onrechtmatig de ontucht die gedaagde met eiseres heeft gepleegd in
de periode 1985 tot en met 1987. De ontuchtige handelingen in die periode
bestonden in het betasten van eiseresses borsten en vagina en in vingeren
tot ze klaar kwam. Immateriele schadevergoeding Toegewezen: ƒ 3.000,=.
Gevorderd: ƒ 15.000,=. eiseres is in gebreke gebleven haar stellingen (zij
spreekt over angsten, afstandelijkheid in het contact met derden en
spanningen omdat zij haar moeder niet durfde te zeggen wat er tussen
gedaagde en haar passeerde) nader te concretiseren. Zij verschaftgeen
enkel inzicht in haar lotgevallen na de aanhouding van gedaagde en stelt
niet of, en zo ja in welke mate, hulpverlening noodzakelijk is geworden.
Nochtans is reeds op grond van ervaringregels aannemelijk dat eiseres
althans enige schade heeft geleden. Gedaagde heeft aangevoerd dat eiseres
na haar meerderjarigheid en tot kort voor zijn aanhouding nog zeer
regelmatig gemeenschap met hem heeft gehad. Gedaagde leidt hieruit af dat
het nogal meevalt met de beweerde schadelijke gevolgen van de eerdere
ontuchtige handelingen. Dat de voortzetting van seksuele relatie na
eiseresses meerderjarigheid evengoed als verzwarende omstandigheid in het
nadeel van gedaagde geinterpreteerd zou kunnen worden, laat de rechtbank
buiten beschouwing, nu eiseres dat in het geheel niet betoogt, laat staan
onderbouwt, terwijl het hier besproken betoog daar toch alle aanleiding
toe zou geven. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het gevorderde
bedrag aan immateriele schade bovenmatig is De omstandigheid dat gedaagde
een inkomen heeft van ƒ 1.500,= per maand geeft geen aanleiding tot verder
matiging van de schadevergoeding. De hoogte van het toegekende bedrag
dient de ernst te weerspiegelen van hetgeen gedaagde aan eiseres heeft
aangedaan.

Tegen gedaagde is een strafproces gevoerd. De uitslag blijkt niet uit het
onderhavige vonnis. Bij de beoordeling van de ernst van de handelwijze van
gedaagde is van belang dat eiseres ‘geestelijk wat achter loopt’. Voorts
heeft hij misbruik gemaakt van zijn positie als haar stiefvader, van de
daaruitgegroeide vertrouwensrelatie en van de ongelijkwaardigheid tussen
hem en haar. Van medeschuld door de seksueel uitdagende houding van
eiseres kan geen sprake zijn; gedaagde had beter moeten weten en meer
verantwoordelijkheid moeten tonen. Voorzover al sprake is van een fout van
eiseres valt de ernst daarvanin het niet bij die van de fout van
gedaagde, zodat diens vergoedingsplicht geheel in stand blijft. Mede gelet
op de omstandigheid dat gedaagde heeft geconcludeerd tot algehele
ontzegging van de vordering ziet de rechtbank aanleiding de kosten van het
geding te compenseren.

Volledige tekst

1. De loop van het geding:

Voor de loop van het geding verwijst de rechtbank naar de volgende door
partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken waarvan de inhoud als hier
ingevoegd is te beschouwen: -het tussenvonnis van 2 februari 1993 en de
daarin genoemde eerdere gedingstukken, -de akte aan de zijde van eiseres,
met produkties, -de antwoordakte aan de zijde van gedaagde.

2. Verdere beoordeling van het geschil:

2.1. Eiseres heeft gesteld dat gedaagde ontuchtige handelingen met haar
heeft gepleegd en seksuele gemeenschap met haar heeft gehad gedurende een
periode, die gestart is toen zij circa 14 jaar oud was (in 1983) en
gestopt is door de aanhouding van gedaagde als verdachte, in 1991.

2.2. Gedaagde erkent dat hij ontucht met gedaagde heeft gepleegd, maar
stelt daarmee niet begonnen te zijn in 1983, maar in 1985. Voorts erkent
hij gemeenschap met eiseres te hebben gehad; hij stelt echter dat dit voor
het eerst heeft plaatsgehad in 1987, toen eiseres inmiddels meerderjarig
was.

2.3. Bij tussenvonnis van 2 februari 1993 heeft de rechtbank eiseres
verzocht het volledige dossier van de tegen gedaagde gevoerde strafzaak
over te leggen, teneinde haar inzicht te vergemakkelijken in tijdstippen,
frequentie, aard en ernst van de onzedelijke handelingen waaraan gedaagde
zich schuldig heeft gemaakt. Eiseres heeft vervolgens volstaan met
overlegging van het gedeelte van het proces-verbaal van de gemeentepolitie
Haarlem, dat beschikbaar was ten tijde van de voorgeleiding van gedaagde
bij de rechter-commissaris. Zij heeft de rechtbank verzocht om op basis
van die stukken de civiele zaak verder te vervolgen.

2.4. Uit de overgelegde stukken valt onvoldoende bewijs te putten voor de
stellingen van eiseres -dat gedaagde reeds voor 1985 ontucht met haar
heeft gepleegd; -dat gedaagde reeds voor 1987 gemeenschap met haar heeft
gehad.

Aan deze stellingen dient de rechtbank dus voorbij te gaan.

2.5. Vast staat echter, dat gedaagde sedert 1985, toen eiseres 16 jaar oud
was, ontucht met haar heeft gepleegd, en sedert 1987 gemeenschap met haar
heeft gehad.

2.6. Daarvan is strafbaar, en dus onrechtmatig, de ontucht die gedaagde
met eiseres heeft gepleegd in de periode 1985-1987.

2.7. Het is niet op voorhand uitgesloten dat de overige door gedaagde
erkende handelingen (ontucht en gemeenschap in de periode 1987-1991)
jegens eiseres onrechtmatig zijn geweest. Eiseres heeft echter onvoldoende
duidelijk gemaakt of zij haar vordering mede baseert op een dergelijke
onrechtmatige daad. Gedaagde heeft dat in elk geval niet gelezen in de
stellingen van eiseres, en dat daarin ook niet behoeven te lezen. Reeds
daarom dient deze (eventuele) onrechtmatige daad buiten beschouwing te
blijven, zodat in het midden kan blijven of eiseres die (eventuele)
onrechtmatige daad in voldoende mate feitelijk heeft onderbouwd.

2.8. De vaststaande ontuchtige handelingen uit de periode 1985-1987 hebben
volgens de verklaring, die gedaagde zelf bij de politie heeft afgelegd
bestaan in het betasten van eiseresses borsten en vagina, en in vingeren
tot ze klaar kwam. Volgens de verklaring van eiseres bij de politie
gebeurde dat ongeveer eenmaal per week, soms vaker. Gedaagde sprak bij de
politie niet expliciet over de frequentie, maar in zijn verklaring ligt
eerder bevestiging besloten van de verklaring van eiseres, dan
tegenspraak.

2.9. Bij de beoordeling van de ernst van deze handelwijze van gedaagde is
van gewicht dat eiseres “geestelijk wat achter loopt”, zoals gedaagde het
zelf heeft uitgedrukt tijdens zijn verhoor door de politie.

2.10. Daarnaast geldt -eiseres heeft er op gewezen- dat gedaagde misbruik
heeft gemaakt van zijn positie als eiseresses stiefvader, van de daaruit
gegroeide vertrouwensrelatie, en van de ongelijkwaardigheid tussen hem en
haar.

2.11. Gedaagde heeft daartegenover gesteld dat eiseres de ontuchtige
handelingen zou hebben uitgelokt door haar seksueel uitdagende houding.
Gedaagde spreekt van medeschuld. Dit betoog faalt. Zoals gedaagde zelf
tegenover de politie heeft verklaard: hij had beter moeten weten en meer
verantwoordelijkheid moeten tonen. Voorzover dus al sprake is van een fout
van eiseres valt de ernst daarvan in het niet bij die fout van gedaagde,
zodat diens vergoedingsplicht geheel in stand blijft.

2.12. Gedaagde heeft nog tot zijn verweer aangevoerd dat hij nimmer geweld
heeft gebruikt. Eisers heeft dat echter ook niet gesteld, en gedaagdes
handelwijze is ook zonderdien onrechtmatig geweest.

2.13. Wat betreft de gevolgen die eiseres heeft ondervonden van de
gebeurtenissen, zij spreekt over “spanningen omdat haar moeder niet durfde
te zeggen wat er tussen gedaagde en haar passeerde”, over afstandelijkheid
in het contact met derden”, en over “angsten”. Niet geheel ten onrechte
heeft gedaagde deze stellingen “vaag” genoemd; verder heeft hij
gemotiveerd afgedongen op de ernst ervan. Eiseres is vervolgens in gebreke
gebleven haar stellingen nader te concretiseren. Zij verschaft geen enkel
inzicht in haar lotgevallen na de aanhouding van gedaagde, en stelt
(bijvoorbeeld) niet of, en zo ja in welke mate hulpverlening noodzakelijk
is geworden. Nochtans is reeds op grond van ervaringsregels aannemelijk
dat eiseres althans enige schade heeft geleden.

2.14. Gedaagde heeft in dit verband nog aangevoerd dat eiseres, na haar
meerderjarigheid en tot kort voor zijn aanhouding zeer regelmatig
gemeenschap met hem heeft gehad. Gedaagde leidt hieruit af dat het nogal
meevalt met de beweerde schadelijke gevolgen van de ontuchtige
handelingen, die hij voor eiseresses meerderjarigheid met haar heeft
gepleegd.

Eiseres is niet ingegaan op dit meermalen door gedaagde gevoerde betoog.
De rechtbank dient er dan ook rekening mee te houden, aangezien het op
zichzelf niet van logica gespeend is. Dat de voortzetting van de seksuele
relatie na eiseresses meerderjarigheid evengoed als verzwarende
omstandigheid in het nadeel van gedaagde geinterpreteerd zou kunnen
worden, moet buiten beschouwing blijven nu eiseres dat in het geheel niet
heeft betoogd, laat staan onderbouw, terwijl het hier besproken betoog van
gedaagde daar toch alle aanleiding toe zou geven.

2.15. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het gevorderde bedrag aan
immateriele schadevergoeding bovenmatig is. De hierboven besproken feiten
en omstandigheden rechtvaardigen toekenning van een bedrag van ƒ 3.000,=.

2.16. De omstandigheid dat gedaagde een inkomen heeft van ƒ 1.500,= netto
per maand geeft geen aanleiding tot verdere matiging van de
schadevergoeding. De hoogte van het toe te kennen bedrag dient de ernst
te weerspiegelen van hetgeen gedaagde aan eiseres heeft aangedaan.

2.17. Mede gelet op de omstandigheid dat gedaagde heeft geconcludeerd tot
algehele ontzegging van de vordering ziet de rechtbank aanleiding de
kosten van het geding te compenseren.

3. Beslissing:

De rechtbank:

3.1. Veroordeelt gedaagde om tegen kwijting aan eiseres te betalen een
bedrag van ƒ 3.000,= (drieduizend gulden), te vermeerderen met de
wettelijke rente daarover vanaf 27 september 1991 tot aan de dag van
voldoening.

3.2. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

3.3. Compenseert de kosten van het geding aldus dat elke partij de eigen
kosten draagt.

3.4. Ontzegt het meer gevorderde.

Rechters

Mr. C.J.J. van Maanen, voorzitter en mrs Diender en van Zutphen,leden

Instantie: Hof van Justitie EG, 9 november 1993

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Direct sekseonderscheid in een door de werkgever ingesteld ‘brugpensioen’
dat het leeftijdsverschil tussen mannen en vrouwen in de aanspraak op
wettelijk pensioen compenseert, is een neutrale regeling en levert geen
verboden onderscheid op.

Volledige tekst


Albertine Veldman

Rechters

Mrs. Mancini, Schockweiler, Murray

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 9 november 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster wordt na reorganisatie niet aangesteld in een
leidinggevende functie, waarvoor ze wel opteerde. Voor de reorganisatie
was ze plaatsvervangend hoofd. Ze verving het hoofd gedurende zekere tijd.
Verzoekster stelt dat zij beter geschikt was voor een leidinggevende
functie dan mannelijke collega’s, dat indirect onderscheid wordt gemaakt
nu na de reorganisatie geen enkele vrouw meer een leidinggevende functie
bekleedt, en dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met het
voorkeursbeleid. Commissie stelt vast dat kandidaten niet op hun
geschiktheid zijn beoordeeld, maar dat het criterium ‘mens volgt functie’
gold. Van indirect onderscheid door hantering van het criterium
leidinggevende ervaring, is dan geen sprake. Een dwingend voorkeursbeleid
op grond van het ARAR of eigen beleid van wederpartij, ontbrak. Geen
strijd met de WGB. Commissie constateert wel dat de plaatsingsprocedure
niet steeds met de vereiste zorgvuldigheid is uitgevoerd.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

Op 17 augustus 1992 verzocht mevrouw te Landsmeer
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de
Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam (hierna: de
wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Verzoekster is werkzaam bij de wederpartij. Na een reorganisatie is zij
niet geplaatst in een, door haar gewenste, leidinggevende functie.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee heeft gehandeld in
strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb
1989, 168).

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder enkele malen de gelegenheid
gehad hun standpunten toe te lichten.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen te verschijnen
tijdens een zitting op 14 oktober 1993. Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster – mw – dhr (toehoorder)

van de kant van de wederpartij – dhr mr (hoofd Rechtspositie)

van de kant van de Commissie – mw mr I.M.C.V.T. Kiebert (plaatsvervangend
Kamervoorzitter) – mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer) – mw mr C.B.
Mol-Bronkhorst (lid Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster vervulde binnen de Bibliotheek van de wederpartij (een
van de instituten die onder de wederpartij ressorteren) sinds 1 oktober
1988 de functie van plaatsvervangend hoofd van de afdeling acquisitie (25
uur per week).

Vanaf 17 oktober 1990 verving zij daarnaast tevens het hoofd van de
afdeling, dat ziek was. Ook heeft zij een aantal maanden een vakreferent
vervangen. Uit een beoordeling opgemaakt over de periode 1-10-1989 tot
1-12-1990 (inclusief acht weken waarneming van het hoofd), blijkt dat
verzoekster goed functioneert (beoordeling door de directeur ad interim).
Verzoekster heeft onder meer de opleiding tot bibliothecaris-
documentalist gevolgd, geschiedenis gestudeerd met bijvakken op het gebied
van het bibliotheekwezen, en gewerkt in een boekhandel en een openbare
bibliotheek.

3.2. In de loop van 1992 vond binnen de Bibliotheek een reorganisatie
plaats, waarop het Sociaal Statuut van toepassing was. Na deze
reorganisatie zouden er van de vijf leidinggevende functies drie
overblijven. Voor de plaatsing in deze nieuwe leidinggevende functies,
heeft de wederpartij een groep van kandidaten samengesteld. Hierin zaten
de vijf voormalig hoofden en, blijkens de schriftelijke, overgelegde
stukken, ook verzoekster (wat wederpartij ter zitting overigens ontkende).
Andere plaatsvervangend hoofden maakten geen deel uit van deze groep.
Uitgangspunt was om de voormalig hoofden zoveel mogelijk opnieuw een
functie van hoofd aan te bieden. Conform het Sociaal Statuut is daarbij
het criterium ‘mens volgt functie’ toegepast, wat betekent dat degene
wiens functie na de reorganisatie terugkomt, voor die nieuwe functie in
aanmerking komt. De oude en nieuwe functies zijn vergeleken, en met alle
kandidaten zijn gesprekken gevoerd.

Het resultaat van de reorganisatie was dat het hoofd catalogisering hoofd
werd van de nieuwe afdeling catalogisering en acquisitie. De
adjunct-directeur, onder wie in de oude situatie de vakreferenten vielen,
werd hoofd van de nieuwe afdeling wetenschappelijke informatievoorziening.
En het vroegere hoofd uitleen werd hoofd van de nieuwe afdeling publieke
dienst (samenvoeging van uitleen, magazijn, fotografie en reprografie).

Verzoeksters functie kwam in de reorganisatie te vervallen. Zij had
aangegeven voor een van de drie nieuwe leidinggevende functies in
aanmerking te willen komen, maar is daarin niet geplaatst. Over de
kandidatuur van verzoekster schrijft de wederpartij in reactie op vragen
van de Commissie, dat de plaatsingscommissie unaniem van mening was dat
zij niet geschikt was voor een leidinggevende functie. Medio juni 1992 is
aan verzoekster meegedeeld dat zij zou worden geplaatst in de functie van
medewerker onderwerpontsluiting/wetenschap- pelijke informatieverstrekking
(maximumschaal 9 BBWO). Verzoekster heeft daartegen, alsmede tegen de
weigering haar aan te stellen in een leidinggevende functie, bij de
voorzitter van de herplaatsingscommissie bezwaar aangetekend. De
aangevoerde gronden komen overeen met hetgeen zij in de onderhavige
procedure aanvoert.

Verzoekster is inmiddels per 1 juli 1993 eervol ontslag verleend.

3.3. In september 1992 werkten bij de wederpartij 510 mannen (57,3%) en
380 vrouwen (42,7%). Binnen de Bibliotheek werkten toen 58
personeelsleden: 41 mannen (70,7%) en 17 vrouwen (29,3%).

De Bibliotheek voert sinds enkele jaren een voorkeursbeleid bij werving
en selectie, waardoor bij gelijke geschiktheid de voorkeur uitgaat naar
een vrouw.

Verder hebben het bestuur van de wederpartij en het Georganiseerd Overleg
op 12 maart 1992 een intentieverklaring ondertekend. Deze vermeldt onder
meer dat gelijke behandeling van mannen en vrouwen uitgangspunt van het
personeelsbeleid is, en dat onderzoek zal worden verricht naar eventuele
achterstandssituaties van vrouwen. Overigens luidde de conclusie van het
hier genoemde onderzoek dat de verhouding mannen en vrouwen ongeveer
gelijk was, en er daarom geen reden was voor bijstelling van het
selectiebeleid.

Verder wees verzoekster nog op artikel 96 lid 2 van het
Rijksambtenarenreglement (ARAR). Dit heeft betrekking op het ontslag van
ambtenaren. Ontslag is pas mogelijk nadat is onderzocht of mogelijk
andere, passende werkzaamheden kunnen worden opgedragen. De tweede volzin
van lid 2 bepaalt: “Bij het opdragen van passende werkzaamheden zal,
teneinde het ontstaan dan wel het vergroten van feitelijke ongelijkheden
tegen te gaan, uitgangspunt zijn, dat voorrang wordt gegeven aan
vrouwelijke ambtenaren.”.

De toelichting vermeldt: ” …In de praktijk zou er naar moeten worden
gestreefd het percentage vrouwen per niveau (BBRA) per ministerie zoveel
mogelijk gelijk te doen blijven. Om dit zoveel mogelijk te bereiken is
gekozen voor een formulering waarin de voorrang voor vrouwen tot
uitgangspunt is gemaakt, zonder dat overigens sprake is van een voor alle
gevallen dwingende verplichting. Met name staat de voorgestelde bepaling
er niet aan in de weg van het uitgangspunt af te wijken indien op grond
van aantoonbaar grotere geschiktheid en bekwaamheid aan een ander de
voorkeur zou moeten worden gegeven …”.

3.4. De kwestie tussen verzoekster en wederpartij is onderwerp geweest van
rechterlijke toetsing bij de president van zowel de sector bestuursrecht
als de sector civiel recht van de arrondissementsrechtbank Amsterdam.
Verzoekster vroeg een voorziening bij voorraad, waarin de wederpartij zou
worden verboden over te gaan tot benoeming van anderen in de
leidinggevende functies voordat de beslissing over haar herplaatsing
onherroepelijk zou zijn.

De president van de sector bestuursrecht verklaarde verzoekster
niet-ontvankelijk omdat er nog geen appellabele besluiten waren genomen.
In kort geding werd verzoekster wel ontvangen in haar vordering, maar werd
de gevraagde voorziening geweigerd omdat niet met redelijke zekerheid kon
worden aangenomen dat de bodemrechter haar zou volgen in haar standpunt.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster stelt dat de wederpartij haar een leidinggevende functie
aan had moeten bieden. Zij voldoet door haar vooropleiding en
(management)ervaring namelijk beter dan de drie wel benoemde, mannelijke
collega’s aan de functie- eisen. Ook heeft zij een grotere ancienniteit
opgebouwd bij de wederpartij.

Verzoekster had in eerste instantie begrepen (via de Dienstcommissie) dat
het beginsel ‘mens volgt functie’ niet zou gelden, omdat alle functies
voor meer dan 50% gewijzigd waren. Iedereen zou dan van de eigen functie
worden ontheven. Wanneer komt vast te staan dat het beginsel ‘mens volgt
functie’ toch is toegepast, constateert verzoekster dat geen sprake is
geweest van stringente toepassing. Zo is een medewerker benoemd op een
leidinggevende functie, terwijl hij voorheen een geheel andere functie
bekleedde. Daarbij komt dat de wederpartij de keuze van personen voor
leidinggevende posities niet heeft gemotiveerd. Wel werd soms aangegeven
dat iemand een uitstekende kandidaat was, maar niet waarop dat oordeel was
gebaseerd. Hierdoor is voor verzoekster niet duidelijk geworden waarom zij
niet is benoemd in een leidinggevende functie.

3.6. Volgens verzoekster maakt de wederpartij indirect onderscheid naar
geslacht. Er is nu immers geen vrouw meer werkzaam in een leidinggevende
functie, onder meer doordat de wederpartij bij selectie klaarblijkelijk
het criterium (duur van) leidinggevende ervaring hanteert, waaraan vrouwen
minder dan mannen voldoen. Het is verzoekster niet duidelijk geworden
waarom zij niet geschikt zou zijn voor een leidinggevende functie, zoals
de wederpartij stelt. Nu in de leidinggevende functies mannen zijn
benoemd, zal het langere tijd duren voordat opnieuw een vrouw in een
leidinggevende functie kan worden geplaatst.

Verder handelt de wederpartij in strijd met haar voorkeursbeleid. Dit
houdt immers in dat daar waar een achterstandssituatie bestaat, een
voorkeursbeleid wordt gevoerd. Voor de leidinggevende functies is deze
achterstandssituatie evident: slechts een van de bijna 20 instellingen van
de wederpartij heeft een vrouwelijke directeur.

Bovendien, zo stelt verzoekster, handelt de wederpartij ook in strijd met
het tweede lid van artikel 96 ARAR. Weliswaar bestaat de mogelijkheid om
van de daarin neergelegde voorrang voor vrouwen af te wijken, maar de
daarvoor vereiste situatie van aantoonbare, grotere geschiktheid doet zich
hier niet voor. Het standpunt van de wederpartij ter zitting dat artikel
96 lid 2 ARAR in beginsel wel van toepassing was, verbaasde verzoekster,
gezien eerdere ontkenningen van andere woordvoerders in haar richting.

3.7. De wederpartij stelt dat de strekking van artikel 14 van het Sociaal
Statuut is, dat moet worden uitgegaan van het principe ‘mens volgt
functie’. Dit betekent dat de ambtenaar wiens functie voor de helft of
meer overeenkomt met een nieuwe functie, aanspraak heeft op plaatsing in
die nieuwe functie. Verzoeksters functie verviel, dus gold voor haar niet
het principe ‘mens volgt functie’. Voor de drie benoemde leidinggevenden
gold het principe wel. Voor verzoekster is een gelijksoortige en
gelijkwaardige andere functie gezocht, met uitzicht op een hogere
inschaling dan in haar huidige functie.

Bij de herplaatsingsprocedure speelt, zo gaf de wederpartij ter zitting
aan, in beginsel ook artikel 96 lid 2 ARAR een rol. Omdat echter niemand
ontslagen hoefde te worden, is ook niet toegekomen aan de toepassing van
dit artikellid. Ancienniteit speelde bij herplaatsing geen rol.

De wederpartij plaatst overigens kanttekeningen bij de door verzoekster
overgelegde beoordeling. Deze is namelijk opgemaakt door de toenmalige
directeur ad interim, die slechts part time aanwezig was. Verder betrof
de beoordeling slechts zeven maanden, wat formeel gezien te kort is, en
betrof het toen nog slechts de waarneming van het hoofd gedurende acht
weken. In elk geval, zo stelt de wederpartij, wordt een dergelijke
positieve beoordeling nu niet meer onderschreven. Integendeel, verzoekster
is met ingang van 1 juli 1993 eervol ontslag verleend.

De wederpartij wijst ten slotte op de uitspraak van de rechter in kort
geding. Deze bevestigde haar eigen beeld dat niet alleen geen wettelijk
voorschrift was geschonden maar dat evenmin was gehandeld in strijd met
de beleidsintenties terzake gelijke behandeling.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster
onderscheid heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling,
nu zij niet is benoemd in een, door haar gewenste, leidinggevende functie.

In casu is sprake van een functiewijziging door reorganisatie, waardoor
er wijziging werd aangebracht in de arbeidsvoorwaarden van verzoekster.
Artikel 1a WGB verbiedt een werkgever onder meer onderscheid te maken
tussen mannen en vrouwen op het punt van de arbeidsvoorwaarden. Artikel
1 WGB geeft aan dat onder onderscheid wordt verstaan zowel direct als
indirect onderscheid. Van indirect onderscheid is sprake wanneer door het
hanteren van een op zichzelf sekse-neutraal criterium in overwegende mate
personen van een bepaald geslacht worden getroffen, zonder dat daarvoor
een objectieve rechtvaardiging bestaat. Artikel 5 lid 1 WGB bepaalt dat
van het verbod in artikel 1a WGB mag worden afgeweken indien het gemaakte
onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te plaatsen
teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen.

4.2. Uit de gewisselde stukken, en de verklaringen ter zitting leidt de
Commissie het volgende verloop van de plaatsingsprocedure af.

Het aantal leidinggevende functies diende te worden teruggebracht van vijf
naar drie. De vijf hoofden van afdelingen, en van de plaatsvervangend
hoofden in elk geval verzoekster, kwamen in beginsel in aanmerking voor
deze functies. Binnen deze groep van kandidaten is vervolgens geselecteerd
aan de hand van het criterium ‘mens volgt functie’. De Commissie leidt dit
niet alleen af uit hetgeen de wederpartij hierover naar voren heeft
gebracht, maar ook uit de feitelijke benoemingen. De drie benoemde hoofden
gaven voor de reorganisatie immers al leiding aan ten minste een deel van
het personeel dat zij na de reorganisatie onder hun hoede kregen. Dit
maakt hetgeen de wederpartij over de plaatsingsprocedure stelde
aannemelijk.

De Commissie stelt dan ook vast dat, anders dan verzoekster veronderstelt,
geschiktheid voor leidinggevende functies geen, althans een ondergeschikt
criterium voor plaatsing is geweest. Weliswaar zijn er wel gesprekken
gevoerd met alle kandidaten, maar doordat het criterium ‘mens volgt
functie’ uitgangspunt was bij herplaatsing, was het doel van deze
gesprekken niet het bepalen van de geschiktheid van de kandidaten.

De Commissie is wel van oordeel dat het op de weg van de wederpartij had
gelegen, het misverstand dat klaarblijkelijk bestond over de te volgen en
gevolgde plaatsingsprocedure, te voorkomen, of althans weg te nemen. Met
name doordat de wederpartij, ook richting Commissie, verzoeksters (on)ge-
schiktheid voor een leidinggevende functie steeds heeft benadrukt, kon
immers de indruk ontstaan dat deze geschiktheid doorslaggevend zou zijn
voor een functie. En verder wijst de Commissie op dit punt nog op de, ook
nog tijdens de zitting bestaande, onduidelijkheid over de vraag of
verzoekster al dan niet in beginsel kandidaat was voor een leidinggevende
functie. De Commissie kan zich derhalve niet aan de indruk onttrekken dat
de procedure niet steeds met de benodigde zorgvuldigheid is geschied.

4.3. Over het al dan niet van toepassing zijn van voorkeursbeleid
overweegt de Commissie als volgt.

Artikel 96 lid 2 ARAR geeft aan dat, voordat het bevoegd gezag tot ontslag
van een medewerker over kan gaan, eerst moet worden onderzocht of andere,
passende werkzaamheden kunnen worden opgedragen. De tweede volzin van lid
2 maakt bij een dergelijke herplaatsing een voorkeursbeleid voor vrouwen
mogelijk. Zoals de wederpartij terecht aangaf, mist dit artikellid
toepassing in de onderhavige casus, omdat er geen ontslag dreigde voor het
personeel. Dit neemt natuurlijk niet weg dat de wederpartij uit eigen
beweging een zekere voorrang aan vrouwen had kunnen geven. Van een
verplichting tot het voeren van voorkeursbeleid op grond van de WGB kan
evenwel niet worden gesproken. De WGB verplicht tot gelijke behandeling
van mannen en vrouwen en staat slechts toe, onder voorwaarden, een
voorkeursbeleid te voeren. Zo geldt binnen de Bibliotheek een
voorkeursbeleid bij werving en selectie. Dit voorkeursbeleid bij werving
en selectie geldt echter niet automatisch ook bij herplaatsing, gezien het
verschillende karakter van beide procedures. Dit geldt te meer nu in de
onderhavige herplaatsingsprocedure personeel niet of slechts in geringe
mate op grond van geschiktheid in een leidinggevende functie is benoemd,
en het voorkeursbeleid bij werving en selectie juist bij gelijke
geschiktheid geldt. Verder was er wel een intentieverklaring van de
wederpartij maar deze was onvoldoende concreet om van een toepasselijk
voorkeursbeleid te kunnen spreken.

4.4. Rest ten slotte de vraag of de wederpartij indirect onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt door in de plaatsingsprocedure het criterium (duur
van) leidinggevende ervaring te hanteren.

Zoals de Commissie hiervoor al vaststelde, is in de plaatsingsprocedure
de geschiktheid van kandidaten voor leidinggevende functies niet of
nauwelijks aan de orde geweest. Verzoekster is dan ook niet in het nadeel
gebracht door toepassing van het criterium (duur van) leidinggevende
ervaring. De Commissie voegt hier overigens wel aan toe dat toepassing van
het criterium ‘mens volgt functie’ bij de invulling van functies als de
onderhavige, waarin weinig vrouwen zijn, de bestaande verhoudingen
bestendigt. Dit gegeven zou aanleiding kunnen zijn voor het voeren van een
voorkeursbeleid om het aandeel van vrouwen te verhogen. Maar, zoals
gezegd, schept de WGB daartoe geen verplichting.

4.5. De Commissie concludeert dat de plaatsingsprocedure niet steeds met
de vereiste zorgvuldigheid is uitgevoerd, wat het risico op het maken van
onderscheid naar geslacht aanmerkelijk kan vergroten. In de onderhavige
zaak is evenwel niet vast komen staan dat de wederpartij in de
plaatsingsprocedure onderscheid naar geslacht heeft gemaakt jegens
verzoekster.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Koninklijke Nederlandse
Akademie van Wetenschappen te Amsterdam jegens mevrouw B.B. van der Plas
te Landsmeer geen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met
artikel 1a Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, door haar niet
te plaatsen in een leidinggevende functie.

Aldus vastgesteld op 17 november 1993 naar aanleiding van de behandeling
in raadkamer d.d. 14 oktober 1993.

Rechters

mw mr I.M.C.V.T. Kiebert, mw prof mr J.E. Goldschmidt, mw mr C.B.Mol-Bronkhorst, mw mr G.L.M. Lenssen

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 8 november 1993

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Het hof bekrachtigt de beslissing van Rechtbank Utrecht. Een
homoseksuele relatie wordt onder de reikwijdte van art. 1:160 BW gebracht
en daarmee beschouwd als een relatie `als waren zij gehuwd’. Ook al
ontbreekt in deze situatie een wettelijke onderhoudsplicht en is er geen
mogelijkheid om deze onderhoudsplicht door middel van een huwelijk te
scheppen. Zie ook: Rb Assen 29 september 1992, RN 1993, 346 en Rb Utrecht
13 januari 1993, RN 1993, 347, m.nt. Jet Tigchelaar.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. De vrouw is in hoger beroep gekomen van een beschikking van …. 1993
van de rechtbank te Utrecht, rekestnummer …

1.2. De man heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De zaak is op …juli 1993 behandeld door de daartoe aangewezen
raadsheer-commissaris.

2. Het geschil in hoger beroep en de feiten en omstandigheden

2.1. Partijen zijn in 1973 gehuwd. Het huwelijk is in 1990 ontbonden. Uit
het huwelijk zijn geboren X 1975, Y 1978 en Z 1985. Bij beschikking is
de vrouw benoemd tot voogdes over de kinderen en is de door de man te
betalen bijdrage in de kosten van hun verzorging en opvoeding bepaald op
ƒ 350,- per kind per maand.

2.2. De vrouw heeft bij inleidend verzoek de rechtbank verzocht te
bepalen dat de man een uitkering van ƒ 2.000,- per maand tot haar
levensonderhoud zal betalen, een en ander met ingang van 1 mei 1992,
althans met ingang van de datum van indiening van haar inleidend
verzoekschrift * 14 september 1992 * of meer subsidiair met ingang van
een zodanige datum en op een zodanig bedrag als de rechtbank juist zou
achten.

2.3. De man heeft verweer gevoerd primair met de stelling dat de vrouw
samenleeft met een andere vrouw en dat dit samenleven is te beschouwen
als een samenleven in de zin van artikel 160, boek 1 BW.

2.4. In geschil is de afwijzing van het inleidend verzoek van de vrouw
bij de beschikking waarvan beroep. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld
dat het primaire verweer van de man slaagt en dat in dit geval de
alimentatieverplichting van de man op grond van het bepaalde in artikel
160, Boek 1 BW is geeindigd.

2.5. De vrouw verzoekt haar inleidend verzoek alsnog toe te wijzen.

2.6. De man verzoekt de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.7. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij leeft samen met een vriendin en vormt met haar en de kinderen van
partijen een gezin. De vrouw heeft geen eigen inkomsten. Aan bijdrage in
de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen ontvangt zij van
de man ƒ 350,- per kind per maand, te vermeerderen met de wettelijke
indexering per 1 januari 1993.

Haar vriendin heeft een volledige baan. Haar inkomen bedraagt rond (…)
netto per maand. Daarnaast ontvangt zij vakantiegeld. De premie van
de ziektekostenverzekering voor de vrouw en de kinderen wordt door haar
vriendin betaald.

3. Beoordeling van het hoger beroep

3.1. Aan artikel 160, Boek 1 BW ligt, blijkens de wetsgeschiedenis ten
grondslag de maatschappelijke opvatting dat door het enkele feit van een
nieuw huwelijk een ander in de plaats is gekomen van de vroegere
echtgenoot en dat die ander voortaan de plicht heeft de
alimentatiegerechtigde het nodige te verschaffen. Bij amendement heeft
de wetgever het samenleven van de alimentatiegerechtigde met een ander
`als waren zij gehuwd’ gelijkgesteld met een huwelijk. In verband met dit
laatste zijn volgens de toen geldende maatschappelijke opvatting niet
gelijkgesteld samenwonenden van hetzelfde geslacht, omdat er niet zonder
meer van mocht worden uitgegaan dat zij die als zodanig in concubinaat
samenwoonden verplicht waren elkaar het nodige te verschaffen, noch zich
feitelijk hadden te gedragen alsof die verplichting daartoe bestond.

Thans dient de vraag beantwoord te worden of de rechtbank terecht heeft
beslist dat de maatschappelijke opvatting ten aanzien van het samenwonen
van paren van hetzelfde geslacht zodanig is gewijzigd dat in de
omstandigheden van het geval het in concubinaat samenwonen van de vrouw
met een partner van hetzelfde geslacht valt onder de omschrijving
`samenleven als waren zij gehuwd’ van artikel 160, Boek 1 BW.

3.2. In de huidige maatschappij, die tal van samenlevingsvormen kent, is
het wenselijk de regelgeving zo in te richten dat het geheel van rechten
en plichten voor elke leefvorm in evenwicht is. In de publiekrechtelijke
sfeer, vooral op het gebied van de sociale zekerheid en de
belastingwetgeving, wordt veelal geen onderscheid meer gemaakt tussen
enerzijds gehuwden en samenwonenden van verschillend geslacht en
anderzijds samenwonenden van hetzelfde geslacht als het gaat om hun
verzorgingsplicht jegens elkaar. Ook samenwonenden van hetzelfde geslacht
kiezen bewust om duurzaam met elkaar samen te leven en elkaar het nodige
te verschaffen en gedragen zich naar de buitenwereld ook als zodanig. Hun
lotsverbondenheid verschilt op dat gebied niet van de lotsverbondenheid
van samenwonenden van verschillend geslacht juridisch in de
rechtsgevolgen met betrekking tot de onderhoudsverplichting van een
vroegere echtgenoot tot uitdrukking wordt gebracht in die zin dat de
alimentatieverplichting van die vroegere echtgenoot vervalt, dit evenzeer
van toepassing is op samenwonenden van hetzelfde geslacht.

3.3. Nu vaststaat dat de vrouw met haar vriendin een vaste duurzame
relatie heeft en dat zij wederzijds de zorg voor elkaar op zich hebben
genomen, dient op grond van het bepaalde in artikel 160, Boek 1 BW aan
de verplichting van de man om in het levensonderhoud van de vrouw te
voorzien een einde te komen.

3.4. De enkele omstandigheid dat samenwonenden van hetzelfde geslacht
niet voor een huwelijk kunnen kiezen doet hieraan niet af, nu het hier
gaat om twee samenlevingsvormen die in materieel opzicht niet van elkaar
verschillen.

3.5. De beslissing van de rechtbank op dit punt was dus juist. Dit leidt
tot de volgende beslissing.

4. Beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus, dat iedere
partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Willems-Morsink, Verspyck Mijnssen, Poell

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 november 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Provincie kent rangorde bij ontslag en overplaatsing, waarbij het
aantal (ononderbroken) dienstjaren een rol speelt. Overwogen wordt een
voorkeursbeleid voor vrouwen te voeren, in een vorm waarbij het
anciënniteitsbeginsel wordt gerelativeerd door het criterium dienstbelang.
Onder het dienstbelang vallen dan ook emancipatorische overwegingen.
Commissie beoordeelt vragen in algemene zin, nu geen concrete
reorganisatie voorligt. Criterium 35 of meer dienstjaren treft alleen
mannen. Criterium ononderbroken dienstjaren speelt vooral in
leeftijdsgroep jonger dan 35 jaar. Met name vrouwen worden getroffen,
waarbij bij gebrek aan specifieke cijfers wordt uitgegaan van feiten van
algemene bekendheid. Met name vrouwen onderbreken hun loopbaan, in verband
met de zorg voor kinderen. Op beide punten vermoeden van indirect
onderscheid. Aangevoerde rechtvaardiging, bescherming tegen willekeur,
niet gehonoreerd. Strijd met de WGB. Voorgenomen voorkeursbeleid zal,
onder voorwaarden die Commissie aangeeft, niet in strijd met de WGB hoeven
te zijn.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 6 augustus 1992 verzocht Gedeputeerde Staten van Noord-Holland
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of hij in strijd
handelt met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoeker heeft een Ambtenarenreglement en Regels inzake de
rechtspositie bij organisatieveranderingen. In deze regelingen is bepaald
dat ontslag respectievelijk overplaatsing geschiedt in een rangorde,
waarbij (onder meer) anciënniteit als uitgangspunt geldt. Verzoeker is
voornemens deze regelingen als volgt te veranderen. Opgenomen zal worden
dat emancipatorische overwegingen aanleiding kunnen geven, inbreuk op het
anciënniteitsbeginsel te maken. Verzoeker vraagt zich af of de huidige
regeling en hetgeen hij voornemens is, in strijd is met de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Verzoeker is meerdere malen in de gelegenheid gesteld
zijn standpunt weer te geven.

2.2. Verzoeker is vervolgens opgeroepen om te verschijnen op een zitting
op 28 september 1993 om zijn standpunt nader toe te lichten.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker – mw (beleidsmedewerker Centrale
Bestuurs- dienst) – mw (bureauhoofd afdeling Personeelsbeleid
en Arbeidsvoorwaarden)

van de kant van de Commissie – mw mr Y. Telenga (voorzitter Kamer) – mw
mr M. de Rooij (lid Kamer) – mw drs J.A.M. Stolwijk (lid Kamer) – mw mr
G.L.M. Lenssen (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden zoals vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. Verzoeker heeft een Ambtenarenreglement (AR 1920), waarin bepaald is
in welke rangorde overtollig personeel ontslagen wordt (artikel 88 lid 3).
De rangorde bij ontslag is als volgt (de eerstgenoemde groep wordt als
eerste ontslagen): – zij, die zulks wensen; – zij, die 35 of meer voor
pensioen geldige dienstjaren hebben, waarbij ouderen in leeftijd voor
jongeren gaan; – zij, die de leeftijd van 35 jaren nog niet overschreden
hebben, te beginnen met hen die laatstelijk het geringste aantal jaren
zonder onderbreking in burgerlijke overheidsdienst hebben doorgebracht.
In lid 4 is bepaald dat indien het dienstbelang zulks vordert, bij de
verlening van ontslag van de rangorde kan worden afgeweken.

In geval van een reorganisatie zijn ook de Regels inzake de rechtspositie
bij organisatieveranderingen van toepassing. In artikel 14 van deze regels
is vastgesteld de rangorde ingeval van overplaatsing. Voor zover het
dienstbelang zich er niet tegen verzet wordt als volgorde van
overplaatsing gehanteerd: – zij, die dit wensen en binnen dezelfde tak van
dienst werkzaam zijn, mits de betrekking die zij achterlaten vervuld kan
worden door hen wier betrekking wegvalt; – zij, die het geringste aantal
jaren in burgerlijke overheidsdienst hebben doorgebracht; – zij, die de
leeftijd van 35 jaren nog niet hebben overschreden, te beginnen met hen,
die laatstelijk het geringste aantal jaren zonder onderbreking in
burgerlijke overheidsdienst hebben doorgebracht; – zij, die 35 of meer
jaren in burgerlijke overheidsdienst werkzaam zijn, waarbij jongeren in
leeftijd voor ouderen gaan.

Artikel 15 voegt hier aan toe dat personeel ouder dan 55 jaar niet hoeft
te worden overgeplaatst, tenzij het dat zelf wil.

Volgens verzoeker is de reden voor het hanteren van het criterium
diensttijd gelegen in de bescherming tegen willekeur van de werkgever.
Binnen het criterium diensttijd is nog de leeftijd van personeel van
belang. Achtergrond hiervan is dat aan oudere werknemers meer bescherming
toekomt dan aan jongeren. Het criterium ononderbroken dienstverband is
destijds overgenomen uit het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Daaruit
is het inmiddels geschrapt.

3.2. Verzoeker heeft aan de Commissie twee vragen voorgelegd.

In de eerste plaats vraagt hij zich af of het anciënniteitsbeginsel dat
in bovengenoemde regelingen voorkomt, indirect discriminerend voor
(herintredende) vrouwen is.

Ter beoordeling van deze vraag heeft hij de volgende cijfers over het
personeelsbestand overgelegd. * In totaal werken bij verzoeker 907 mannen
en 476 vrouwen. Ruim 4% van de mannen (44 mannen) en 0 vrouwen hebben 35
of meer voor pensioen geldige dienstjaren. Verzoeker gaat ervan uit dat
dezelfde 44 mannen 35 of meer jaren in burgerlijke overheidsdienst hebben
doorgebracht. Wanneer hierna dan ook over 35 of meer dienstjaren wordt
gesproken, wordt hiermee tegelijkertijd gedoeld op het 35 jaar of meer
werkzaam zijn in burgerlijke overheidsdienst en het bezitten van 35 of
meer voor het pensioen geldige dienstjaren. * 20% van de mannen (181) en
45,6% van de vrouwen (217) is 35 jaar of jonger. De informatie die
verzoeker verschafte over het aantal dienstjaren van mannen en vrouwen,
is niet geheel bijgewerkt en correct, omdat de personeelsgegevens nog niet
optimaal worden geregistreerd in het geautomatiseerde personeelsbestand.
Daarom is ook niet duidelijk of de genoemde dienstjaren onderbroken of
ononderbroken overheidsdienstjaren zijn. Verzoeker had onvoldoende tijd
om een handmatige analyse van alle individuele personeelsdossiers uit te
voeren, waarmee de gevraagde informatie wel te achterhalen zou zijn. Hij
gaf aan een dergelijke analyse te zullen uitvoeren wanneer er
daadwerkelijk een reorganisatie speelt.

3.3. De tweede vraagt luidt of in strijd met de WGB zal worden gehandeld,
indien verzoeker een wijziging aanbrengt in bovengenoemde regelingen. In
de vergadering van 26 mei 1992 is het principebesluit genomen dat ter
uitvoering van het positieve actiebeleid voor vrouwen artikel 88 van het
Ambtenarenreglement en de Regels inzake de rechtspositie bij
organisatieveranderingen zullen worden aangepast. Emancipatie-
overwegingen zullen -evenals het dienstbelang- in de aangepaste regeling
inbreuk kunnen maken op het anciënniteitsbeginsel.

3.4. Van het anciënniteitsprincipe is overigens al eerder (in 1988)
afgeweken, toen er een reorganisatie van de Algemene Dienst plaatsvond.
In artikel 15 van de toen van toepassing zijnde plaatsingsprocedure voor
niet-leidinggevend personeel en de daarbij behorende toelichting staat
onder andere het volgende vermeld: Artikel 15: “Indien er meer kandidaten
zijn voor wie een bepaalde functie gelijksoortig of passend is, gaat
degene die het grootste aantal jaren in burgerlijke overheidsdienst heeft
doorgebracht, voor tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.”

Toelichting: In dit artikel is het zogenaamde anciënniteitsbeginsel
neergelegd. Dit beginsel geldt indien zich meer kandidaten voor eenzelfde
functie in een gelijke positie bevinden. Het anciënniteitsbeginsel brengt
overigens geen wijziging in de in artikel 14 neergelegde volgorde. Het
anciënniteitsbeginsel wordt gerelativeerd door het dienst- belang. In
eerste instantie kan daarbij gedacht worden aan geschiktheid (specifieke
kennis en ervaring). Ook kunnen emancipatorische overwegingen aanleiding
geven inbreuk op het anciënniteitsbeginsel te maken. Verder wordt niet
geeist dat de dienstperiode ononderbroken moet zijn geweest. Een dergelijk
vereiste zou immers met name vrouwen treffen, omdat zij relatief vaker hun
ambtelijke loopbaan onderbreken in verband met de verzorging van kinderen
en/of huishouding.”

In een NB is hierbij opgenomen dat artikel 88 AR 1920 en artikel 14 van
de Regels inzake de rechtspositie op korte termijn zouden worden
aangepast. Verzoeker wacht nu eerst de uitspraak van de Commissie af.

3.5. Het voorkeursbeleid van verzoeker houdt voor het overige op dit
moment het volgende in. Ongeveer 35% van het personeel is vrouw. De inhoud
van het voorkeursbeleid verschilt per afdeling. Bij de technische
diensten, waar ongeveer 18% vrouwen werken, is het voorkeursbeleid gericht
op de toetreding van vrouwen. Maar binnen de Bestuursdienst is bijna 50%
vrouw, wat betekent dat het streefcijfer van 40% al is gehaald. Het
voorkeursbeleid is hier dan ook niet gericht op de instroom van vrouwen
maar op de doorstroming naar hogere en leidinggevende functies. De door
verzoeker gehanteerde streefcijfers zijn afgeleid uit het aandeel van
vrouwen in de beroepsbevolking in Nederland in 1991.

Verzoeker constateert zelf dat het voorkeursbeleid reeds vruchten heeft
afgeworpen nu onder de nieuw aangestelde medewerkers 115 vrouwen en 95
mannen zijn.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. Verzoeker heeft de vragen voorgelegd of: A. zijn huidige beleid bij
ontslag en overplaatsing indirect onderscheid naar geslacht in strijd met
de WGB oplevert; B. het voorgenomen voorkeursbeleid, zoals neergelegd in
het principebesluit van 26 mei 1992 en hierboven onder 3.3. verwoord, in
strijd zal komen met de WGB.

Artikel 1a WGB schrijft voor dat het bevoegd gezag geen onderscheid mag
maken tussen mannen en vrouwen in onder meer de arbeidsvoorwaarden en bij
de beeindiging van het dienstverband. Dit verbod betreft zowel het maken
van direct als indirect onderscheid. Van indirect onderscheid is sprake
wanneer door het hanteren van een op zichzelf sekse-neutraal criterium in
overwegende mate personen van een bepaald geslacht worden getroffen,
zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat (artikel 1
WGB). Van het in artikel 1a neergelegde verbod mag volgens artikel 5 lid
1 WGB worden afgeweken, indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in
een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op
te heffen.

4.2. Vooraleer tot beantwoording van de vragen over te gaan merkt de
Commissie op, dat zij deze vragen slechts in algemene zin zal beoordelen.
Dit kan ook niet anders nu feitelijk geen reorganisatie plaatsvindt,
waardoor onbekend is wat in een concrete situatie precies het effect van
de voorgelegde regelingen zal zijn op de positie van mannen en vrouwen.

4.3. Vastgesteld kan worden dat bij het bepalen van een rangorde voor
ontslag of overplaatsing vooral het aantal dienstjaren een rol speelt. Het
hebben van veel (35 of meer) of juist weinig dienstjaren en ononderbroken
dienstjaren zijn belangrijke toetsingscriteria. De Commissie zal dan ook
voor beide criteria beoordelen of de toepassing daarvan in algemene zin
strijdig is met de WGB.

Allereerst het criterium 35 of meer dienstjaren. Op zichzelf is dit een
sekse-neutraal criterium. Echter wanneer het op dit moment zou worden
toegepast, worden alleen mannen getroffen (alleen 44 mannen voldoen aan
dit criterium). Gezien dit effect leidt de toepassing van het criterium
35 of meer dienstjaren tot indirect onderscheid tenzij degene die dit
onderscheid maakt daarvoor een objectieve rechtvaardiging heeft.

Onder een objectieve rechtvaardiging verstaat de Commissie: – dat het
onderscheid gemaakt wordt om een objectief gerechtvaardigd doel te dienen
en – daartoe middelen zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om
dit doel te bereiken, terwijl – dit doel niet is te bereiken op andere
wijze waarbij geen indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt (
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, d.d.
5 maart 1990, oordeelnummer 1-90-10; Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz, d.d. 13 mei 1986,
zaak 170/84; Rinner-Kuhn versus FWW Spezial Gebaudereinigung GmbH& Co.KG,
zaak 171/88, d.d. 13 juli 1989.).

Verzoeker gaf als reden voor het hanteren van het criterium dienstjaren
in het algemeen aan, dat dit medewerkers beschermt tegen willekeur van de
werkgever. Hij acht het een objectief criterium. De Commissie is van
mening dat het doel van het hanteren van dit criterium op zichzelf niet
strijdig is met de wetgeving gelijke behandeling. Zij is echter van
oordeel dat het gekozen middel niet geschikt en noodzakelijk is, en het
doel is te bereiken op een andere wijze. Wanneer de ontslag- en
overplaatsingsregeling andere inzichtelijke en toetsbare criteria
gebruikt, die op objectieve wijze worden toegepast, zal de werknemer
evenzeer beschermd worden tegen willekeur, zonder dat een zelfde nadelig
effect voor een sekse behoeft op te treden.

De Commissie concludeert dan ook dat de aangevoerde rechtvaardiging niet
objectief is in bovenvermelde zin.

4.4. Het criterium ononderbroken dienstjaren is met name van belang in de
categorie werknemers van 35 jaar of jonger. Van de mannen is 20% en van
de vrouwen 45,6% jonger dan 35 jaar. Het aantal onderbroken en
ononderbroken dienstjaren is niet bekend. De door verzoeker overgelegde
cijfers geven hierin geen nauwkeurig inzicht. Op basis van deze cijfers
kan derhalve niet worden geconcludeerd dat het criterium ononderbroken
dienstjaren in overwegende mate mannen dan wel vrouwen treft.

Bij gebrek aan specifieke cijfers gaat de Commissie dan ook uit van het
feit van algemene bekendheid dat met name vrouwen, vooral in verband met
de zorg van kinderen, hun arbeidsloopbaan onderbreken (Zie ook onder meer
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 5
december 1991, oordeelnummer 371-91-80; 2 december 1992, oordeelnummer
358-92-65.). Dat de situatie bij verzoeker van dit algemene beeld zou
afwijken, is aangevoerd noch gebleken. Integendeel verzoeker gaf zelf aan
bij de reorganisatie van de Algemene Dienst in 1988 de eis van een
ononderbroken dienstverband te hebben geschrapt, omdat deze nadelig uit
zou werken voor vrouwen. Concluderend betekent dit dat het hanteren van
het criterium ononderbroken dienstverband in overwegende mate vrouwen
treft.

Thans is ook hier de vraag aan de orde naar de objectieve rechtvaardiging
voor het gerezen vermoeden van indirect onderscheid. Verzoeker heeft geen
specifieke rechtvaardiging aangevoerd voor het hanteren van het criterium
ononderbroken dienstverband. Voor het geval verzoeker heeft bedoeld de
algemene rechtvaardiging aangegeven bij het criterium dienstjaren, ook
hier aan te voeren, verwijst de Commissie naar voorgaande paragraaf.

4.5. Ten slotte dient nog de vraag te worden beantwoord of het voeren van
een voorkeursbeleid zoals omschreven in paragraaf 3.3. strijd zal
opleveren met de WGB.

Uit de tekst van artikel 5 WGB blijkt dat het voeren van een
voorkeursbeleid voor vrouwen alleen is toegestaan, wanneer sprake is van
een feitelijke achterstandssituatie. Dit betekent dus dat, wil in een
concrete ontslag- of overplaatsingssituatie het voeren van voorkeursbeleid
gerechtvaardigd zijn, verzoeker allereerst zal hebben te onderzoeken of
van een achterstands- situatie sprake is. Verder zal per functiesoort of
categorie moeten worden bekeken welke maatregelen geeigend zijn om deze
achterstandssituatie op te heffen.

De Commissie stelt vast dat verzoeker reeds een voorkeursbeleid voor
vrouwen voert, dat per afdeling of dienst is gespecificeerd. Verzoeker
wees bijvoorbeeld op het – verschillende- voorkeursbeleid voor de
technische diensten en de Bestuursdienst. Ook bij ontslag of overplaatsing
bij reorganisatie zal een afwijking van de gebruikelijke volgorde ten
gunste van vrouwen slechts dan rechtsgeldig geschieden, indien er sprake
is van een aantoonbare achterstand van vrouwen in de desbetreffende
functie(soort) of dienst. Bovendien zal het afwijken van de volgorde
geschikt en noodzakelijk moeten zijn om de achterstandspositie van vrouwen
bij de instroom of de doorstroming in de organisatie daadwerkelijk op te
heffen. Ten slotte zal het voorkeursbeleid uit zijn aard tijdelijk kunnen
zijn: voorzover en zolang er een aantoonbare achterstand bestaat. Onder
deze (strikte) voorwaarden zal in het kader van voorkeursbeleid inbreuk
maken op de ontslag- of overplaatsingsvolgorde geen strijd opleveren met
de WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat Gedeputeerde Staten van
Noord-Holland te Haarlem bij het bepalen van een rangorde voor ontslag of
overplaatsing: – indirect onderscheid naar geslacht maakt bij toepassing
van het criterium 35 of meer dienstjaren, in strijd met artikel 1a Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen; – indirect onderscheid naar
geslacht maakt bij toepassing van het criterium ononderbroken dienstjaren,
in strijd met artikel 1a Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen;
– geen onderscheid naar geslacht maakt in strijd met artikel 1a Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen, bij toepassing van het
voorgenomen voorkeursbeleid, aangezien dit onderscheid gebaseerd is op en
in overeenstemming is met artikel 5 lid 1 Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen, mits toegepast onder de hiervoor genoemde voorwaarden.

Aldus vastgesteld op 5 november 1993 naar aanleiding van de behandeling
in raadkamer d.d. 28 september 1993.

Rechters

mw mr Y. Telenga, mw mr M. de Rooij, mw drs J.A.M. Stolwijk, mw mrG.L.M. Lenssen.

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 3 november 1993

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Eiseres is van haar veertiende tot haar zestiende jaar regelmatig
verkracht door haar huisarts. Deze huisarts had een speciale band met het
gezin waarin eiseres opgroeide. Eiseres is ten gevolge van haar trauma’s
onder psychiatrische behandeling gekomen. De huisarts is na een klacht
door het Medisch Tuchtcollege berispt. Eis is ƒ 150.000,=
schadevergoeding. Er heeft een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden.
De arts heeft hier niet willen getuigen en deed een beroep op zijn
verschoningsrecht. De rechter wees dit -ook in hoger beroep- af, zodat hij
alsnog als getuige gehoord zou moeten worden.

Uiteindelijk wordt eiseres slechts ƒ 5.000,= immateriele
schadevergoeding toegekend. De liefdesbrieven in combinatie met de andere
bewijzen hebben niet tot een andere beslissing geleid.

Volledige tekst

Verloop van de procedure.

Bij conclusie van eis, met bewijsstukken, heeft E. gesteld overeenkomstig
de inleidende dagvaarding en haar bij dagvaarding ingestelde vordering –
onder aanvulling van de grondslag – vermeerderd.

Bij conclusie van antwoord, met bewijsstukken, heeft K. de vordering
bestreden.

Bij conclusies van repliek en dupliek, beide met bewijsstukken, hebben
partijen vervolgens hun standpunten nader toegelicht en daarbij volhard.

Vervolgens heeft E. zich nog bij akte over de door K. overgelegde
produkties uitgelaten.

Daarna hebben partijen de zaak doen bepleiten, E. door haar procureur en
K. door mr A.G. Bos-Tammes, advocaat te Bilthoven, beiden aan de hand van
nadien door hen overgelegde pleitnotities, K. met daaraan gehecht een
bewijsstuk. Van het ter zitting verhandelde is proces-verbaal opgemaakt
dat bij de stukken is gevoegd.

Tenslotte hebben partijen stukken overgelegd ter verkrijging van vonnis.
Daaronder bevinden zich de processen-verbaal van de in deze zaak voor deze
rechtbank op 14 april 1989, 5 september 1990 en 25 februari 1991 onder
rekestnummer H 89.0275 in tegenwoordigheid van beide partijen gehouden
voorlopige getuigenverhoren.

Gronden van de beslissing.

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende)
weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van
overgelegde bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:

a. in 1956 is K. de huisarts geworden van het gezin E., waarmee hij
vanwege gezinsproblemen zeer veel bemoeienis heeft gehad en waarvan E.,
geboren op 10 april 1957, deel uitmaakte. Na het overlijden van een van
haar broers kreeg E. last van verschillende kwalen waarvoor zij K.
veelvuldig op zijn spreekuur heeft geraadpleegd;

b. tot 1 maart 1977 heeft E. bij K. als patient ingeschreven gestaan;

c. K. heeft aan E. een brief geschreven, waarvan de bijbehorende enveloppe
is afgestempeld op 6 juli 1973, luidende als volgt:

“Liefste E.,

Vandaag dinsdag 3 juli, heb ik je brief ontvangen. Een ontzettend leuke
brief, en het valt me op dat je een verdomd leuke stijl van schrijven
hebt. Het moet erg imponerend zijn voor iemand die nooit in de bergen is
geweest, eindelijk eens de bergen niet alleen te zien, maar ook vanuit de
bergen naar beneden te kijken. Je voelt dan ook hoe klein en nietig je
bent, hoe je verlangt naar diegene waar je van houdt. Je wilt hem laten
zien en meegenieten, hoe je geniet. Die gevoelens ken ik heel goed,
liefste, en ook, hoe je, op vakantie, ver van me weg, naar me verlangt.
Ik mis je hier enorm, iedereen is nu zo’n beetje met vakantie, daardoor
is het rustig, weinig mensen, niet veel te doen, vroeg klaar, en, het is
hier nog steeds mooi weer en erg warm. Ik zou nu wel met je uit gekund
hebben, zelfs ondanks dat ik iedere dag naar het Lucas moet om te keuren.

Begin je al lekker bruin te worden? Ik heb je gezegd dat je erg moet
oppassen, op jezelf, en van de jongens af blijven, en hoop echt, dat je
dat ook doet. In het begin gaat dat wel, maar hoe, als je daar al weer een
tijdje zit, en wat langer met een klein groepje optrekt. Je raakt dan wat
meer aan elkaar gehecht, en gaat dan misschien toch iemand wel erg aardig
vinden. Dan komt het erop aan hoe sterk je bent, en hoeveel je van me
houdt.

Toch, toch maak ik me geen zorgen, weet je, zeker na zo’n lieve brief als
jij mij schreef. Denk in ieder geval dat ik erg aan je denk en met je mee
leef en doe maar net of ik toch bij je ben. Dan geniet je dubbel, en
schrijf intussen weer vlug naar me, zodat ik op de hoogte blijf van je
vakantie. Ik zie erg uit naar je volgende brief. Maar meer nog naar je
zelf. Hoop dat je gezond, blij en bruin terug komt en dat je net zo naar
me verlangt als ik naar jou. Zodra je terug bent, bel je me op, he, dat
is vast afgesproken! Als ik me niet vergis kom je op 24/7 terug, want ik
meen dat je zei dat je drie weken wegging. Hele lieve E., ik heb je brief
direct beantwoord, want de post doet er van en naar Joegoslavie tamelijk
lang over, daarom wil ik deze brief meteen op de post doen. Heel veel
kusjes, heel veel plezier en ook, last but not least, heel veel sterkte,
daar alleen, in gedachten met zijn tweeen.

Jouw He Hans. Je krijgt ieder avond een kusje op hoofd en je blauwe ogen.
Kom je gauw.”

2. Na eisvermeerdering vordert E. de veroordeling van K. tot betaling aan
haar van primair een bedrag van ƒ 150.000,= en subsidiair een nader bij
staat op te maken bedrag aan materiele en/of immateriele schadevergoeding,
in beide gevallen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 november
1988 tot aan de dag der algehele voldoening en met zijn veroordeling in
de proceskosten.

3. Met betrekking tot het primair gevorderde stelt zij dat K. onrechtmatig
jegens haar heeft gehandeld door -toen zij in de periode van 1971 tot en
met 1974 zijn spreekuur met hoofdzakelijk psychosomatische klachten
bezocht welke werden veroorzaakt door een moeilijke gezinssituatie en door
het overlijden van een van haar broers als hiervoor onder 1a. vastgesteld-
haar zonder noodzaak en zonder dit te registreren grote hoeveelheden
kalmerende middelen en slaapmiddelen voor te schrijven, met als gevolg dat
zij hieraan verslaafd is geraakt en door haar in de periode van 31 januari
1972 tot en met 1974 -voor het eerst op 14-jarige leeftijd- regelmatig
seksueel te misbruiken, waardoor zij in grote psychische nood is geraakt.

Zij stelt als gevolg van genoemd onrechtmatig handelen immateriele schade
tot een bedrag van ƒ 150.000,= te hebben geleden.

4. K. ontkent gemotiveerd aan E. grote hoeveelheden kalmerende middelen
en medicijnen te hebben voorgeschreven als ook haar seksueel te hebben
misbruikt.

5. Als getuige heeft E. -op wie de bewijslast van haar stellingen rust-
ter gelegenheid van de gehouden voorlopige getuigenverhoren het door haar
gestelde onder ede bevestigd en nader toegelicht.

De eveneens in voorlopig verhoor gehoorde getuige S., destijds als
conrector verbonden aan de school die E. toen bezocht, heeft verklaard dat
hij tijdens een bezoek aan haar thuis in haar kamer “een la vol
medicijnen” heeft gezien en dat zij hem heeft verteld dat zij grote
hoeveelheden medicijnen gebruikte en, later, dat zij was gedwongen seksuele
gemeenschap met haar huisarts te hebben. Ook Y., een voormalig klasgenote
van E., vermeldt in een door E. in het geding gebrachte schriftelijke
verklaring, gedateerd 21 mei 1988, dat zich in een bureaulade in E.’s
slaapkamer een abnormaal grote hoeveelheid medicijnen in
apothekersverpakking bevond waarvan E. regelmatig gebruik maakte en dat
E. vaak enigszins afwezig, depressief en niet te bereiken was. Dit laatste
wordt ook bevestigd door E.’s broer W. in een in het geding gebrachte
schriftelijke verklaring, gedateerd 18 mei 1988.

Verder vermeldt een schriftelijke verklaring van drs. W. Bezemer,
psycholoog te Maarssen, gedateerd 12 april 1988, welke verklaring Bezemer
op 24 mei 1988 ten overstaan van het Medisch Tuchtcollege te Amsterdam,
waar E. met betrekking tot dezelfde feiten een tegen K. gericht
klaagschrift had ingediend, heeft herhaald en nader toegelicht, dat E.
haar heeft verteld over haar vroegere medicijnverslaving en over seksueel
misbruik door K.

Ook P.G. Knook, huisarts te Amsterdam, vermeldt in een door hem aan de
procureur van E. gerichte brief, gedateerd 8 april 1988, dat E. hem in
de loop van 1987 heeft verteld dat zij jarenlang tegen haar wil een
seksuele relatie met haar vorige huisarts heeft gehad.

6. De verklaring van E. die -nu zij partijgetuige is- slechts bewijs in
haar voordeel kan opleveren voor zover deze verklaring strekt ter
aanvulling van onvolledig bewijs, vindt onvoldoende steun in de hiervoor
weergegeven getuigenverklaringen.

Weliswaar hebben de getuige S. en Y.-laatstgenoemde is niet onder ede als
getuige gehoord- verklaard grote hoeveelheden medicijnen in een la op E.’s
kamer te hebben gezien, doch zij hebben niet kunnen bevestigen dat K. deze
medicijnen ook zonder noodzaak en zonder registratie aan E. had
voorgeschreven, zoals door E. is gesteld.

De stellingen van E. worden evenmin in voldoende mate bevestigd door het
overigens door de getuige S. verklaarde en door de hiervoor genoemde
schriftelijke verklaring van W. Bezemer en de, eveneens hiervoor genoemde,
brief van P.G. Knoop. Nog daargelaten dat beide laatstgenoemden niet onder
ede als getuigen zijn gehoord, ontlenen deze getuigen hun informatie
immers slechts aan mededelingen van E. zelf.

Dit wordt niet anders doordat genoemde Bezemer heeft verklaard dat E.’s
verklaringen over haar medicijngebruik en het seksuele misbruik door K.
altijd congruent en niet met elkaar in tegenspraak zijn geweest en dat
haar gedrag geheel in overeenstemming is met de wijze waarop slachtoffers
van seksueel misbruik omgaan met hun traumata.

Evenmin legt de verklaring van de getuige M. voldoende gewicht in de
schaal. Deze getuige heeft weliswaar verklaard dat K. jegens haar
handtastelijk is geweest -hetgeen V. deels bevestigt in een door E. in het
geding gebrachte (ongedateerde) brief van haar aan procureur van E. -doch
zij heeft niet kunnen bevestigen dat (ook) E. door K.- seksueel is
misbruikt.

Anders dan E. meent is in de omstandigheden van het geval onvoldoende
aanleiding -ook na verwerping door deze rechtbank bij beschikking van 27
juni 1989 van het beroep van K. op een hem toekomend verschoningsrecht,
voor zover het betreft vragen omtrent de feitelijke grondslagen van de
vordering van E., en de bekrachtiging van deze beschikking door het
Gerechtshof te Amsterdam bij beschikking van 21 december 1989- om uit
weigering van K. om terzake een getuigenverklaring af te leggen met
betrekking tot de vraag of het van E. te verlangen bewijs is geleverd voor
hem nadelige gevolgtrekkingen te maken.

Voor toewijzing van de primaire vordering is dan ook geen plaats.

7. Met betrekking tot het subsidiair gevorderde stelt E. dat K.
onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door -zeer onprofessioneel- ten
opzichte van haar volstrekt buiten zijn rol van huisarts te treden door
in haar jeugd een zeer exclusieve relatie met haar aan te gaan waarbij
door hem initiatieven werden genomen en directieven werden gegeven. Zij
wijst daarbij op de hiervoor onder 1.c. aangehaalde brief van K. aan haar.

8. K. bestrijdt ook de juistheid van dit verwijt. Genoemde brief was
-aldus K.- door hem geschreven in antwoord op een brief van E. waarin zij
hem nadrukkelijk had verzocht te antwoorden. De brief was bedoeld als een
vaderlijke waarschuwing aan E. zich niet teveel met jongens in te laten
en geschreven in een periode waarin de opvatting opgang deed dat artsen
hun patienten met minder distantie moesten benaderen. Wel geeft hij toe
dat de brief achteraf gezien niet erg gelukkig is gesteld.

9. De rechtbank is met E. van oordeel dat K. jegens haar zeer
onprofessioneel heeft gehandeld en dat hij ten opzichte van haar volstrekt
buiten zijn rol van huisarts is getreden. Hij had te maken met een jong
meisje dat door gezinsomstandigheden uiterst kwetsbaar was en als gevolg
daarvan zeer gemakkelijk in een positie van afhankelijkheid kon gerakan
van personen die zich daartoe leenden. Van K. had mogen worden verwacht
dat hij zich ter voorkoming van een zodanige positie zou hebben gehouden
aan zijn professionele rol van huisarts en vertrouwenspersoon, weliswaar
maximaal beschikbaar maar met behoud van de vereiste distantie. Hij heeft
echter juist tegenovergesteld gehandeld door met E. een relatie aan te
gaan die in ieder geval zeer exclusief moet worden genoemd en waarbij door
hem initiatieven werden genomen en directieven werden gegeven. Dat daarvan
sprake is geweest blijkt onomstotelijk uit de door hem gebruikte
terminologie in verschillende passages van zijn hiervoor onder 1.c.
genoemde brief aan E.

Door aldus onrechtmatig jegens E. te handelen is K. in beginsel
aansprakelijk voor de daaruit voor haar voortgevloeide schade.

10. E. vordert vergoeding van materiele en immateriele schade.

Waar zij echter de volgens haar opgetreden materiele schade in geen enkel
opzicht heeft toegelicht noch anderszins is gebleken dat zij als gevolg
van het hiervoor onder 9. genoemde onrechtmatig handelen van K. zodanige
schade heeft geleden, is het gevorderde in zoverre niet toewijsbaar.

11. Met betrekking tot de door haar gevorderde vergoeding van immateriele
schade overweegt de rechtbank het volgende. Het is aannemelijk dat E., die
ten tijde van het onrechtmatig handelen van K. 16 jaar oud was en in een
kwetsbare positie verkeerde, door dit handelen van haar huisarts en
vertrouwenspersoon in grote verwarring is gebracht en mede daardoor in
haar ontwikkeling is geschaad. Gelet op deze omstandigheden stelt de
rechtbank, rekening houdend met alle overige omstandigheden van het geval,
de voor haar daaruit voortvloeiende immateriele schade naar billijkheid
vast op een bedrag van ƒ 5.000,=.

Gelet op de hoogte van de toe te wijzen schadevergoeding ziet de rechtbank
geen aanleiding te voldoen aan het verzoek van K. om het door hem aan E.
te betalen bedrag te mogen storten op een geblokkeerde rekening.

12. Waar partijen over en weer (gedeeltelijk) in het ongelijk zijn gesteld
zullen de kosten van het geding als volgt worden verrekend.

Beslissing:

De rechtbank:

-veroordeelt K. tot betaling aan E. van een bedrag van ƒ 5.000,=
(vijfduizend gulden) vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf
24 november 1988 tot aan de dag der algehele voldoening;

-verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

-verrekent de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

-wijst het meer of ander gevorderde af.

Rechters

Mrs. Van Imhoff, voorzitter, Laurentius-Kooter en Van der Nat