Instantie: Rechtbank Breda, 5 oktober 1993

Instantie

Rechtbank Breda

Samenvatting


Zelfstandige onderneemsters die een particuliere
arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben afgesloten hebben geen recht op
betaald zwangerschaps- en bevallingsverlof. De polis sluit
arbeidsongeschiktheid op grond van zwangerschap uit. Omdat partijen dit
zijn overeengekomen en eiseres daarmee de polisvoorwaarden heeft
geaccepteerd wordt haar vordering tot uitkering tengevolge van
zwangerschap en bevalling niet gehonoreerd. Beroep op artikel 11 lid 2
VN-Vrouwenverdrag wordt niet gehonoreerd omdat de rechtbank van mening
is dat artikel 11 geen rechtstreekse werking heeft.

Volledige tekst

1. Het verloop van het geding.

Dit blijkt uit de navolgende door partijen ter vonnis wijzing overgelegde
stukken: – de dagvaarding; – de conclusie van eis; – de conclusie van
antwoord, met produkties; – de conclusie van repliek, tevens akte
aanvulling grondslag eis, met produkties; – de conclusie van dupliek, met
produkties; – de akte, met 1 produktie, aan de zijde van eiseres; – de
antwoord nadere conclusie aan de zijde van gedaagde.

2. Het geschil.

J. vordert, voorzover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad,
a. een verklaring voor recht, dat artikel 12 lid f van de
polisvoorwaarden van een tussen haar en Interpolis gesloten
arbeidsongeschiktheidsverzekering, nietig is, althans vordert zij dat de
rechtbank de in dat artikel genoemde uitsluiting zal vernietigen; b.
veroordeling van Interpolis tot betaling van ƒ 13.475,= , vermeerderd
met een uitkering van ƒ 165,= per dag over het aantal dagen, dat de
bevalling later mocht plaatsvinden dan de uitgerekende bevallingsdatum,
zodra deze vorderingen opeisbaar zullen zijn, vermeerderd met rente; c.
veroordeling van Interpolis in de kosten van dit geding.

Interpolis voert verweer.

3. Beoordeling van het geschil

3.1. Door de processuele houding van partijen staat in ieder geval het
navolgende in rechte vast: * J, van beroep filmproducente, heeft met
ingang van 29 oktober 1990 met Interpolis een particuliere
arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten. * Onderdeel van deze
overeenkomst is de bepaling van artikel 12 lid f van de polisvoorwaarden:
`Geen uitkering wordt verleend voor arbeidsongeschiktheid, welke is
ontstaan, bevorderd of verergerd door zwangerschap of bevalling, tenzij
hierbij complicaties optreden, in welk geval alleen recht op uitkering
bestaat bij volledige arbeidsongeschiktheid. Deze uitsluiting geldt
alleen voor rubriek A.’ Rubriek A betreft, gelet op artikel 1 van de
polisvoorwaarden, de dekking voor het eerstejaarsrisico, te weten
arbeidsongeschiktheid gedurende de eerste 52 weken, waarover geen recht
op uitkering krachtens de AAW bestaat. * J is op 6 mei 1992 bevallen van
een dochter. De uitgerekende bevallingsdatum was 4 mei 1992. Zij verbleef
van 6 mei tot en met 13 mei 1992 in het Academisch Medisch Centrum te
Amsterdam.

3.2. Uitgangspunt voor de rechtbank is dat J en Interpolis de inhoud van
de onderhavige arbeidsongeschiktheidsverzekering onderling zijn
overeengekomen. Derhalve zijn zij ook overeengekomen dat geen uitkering
wordt verleend voor arbeidsongeschiktheid welke is ontstaan, bevorderd
of verergerd door zwangerschap of bevalling, tenzij hierbij complicaties
optreden, in welk geval alleen recht op uitkering bestaat bij volledige
arbeidsongeschiktheid. J heeft de bij deze polisvoorwaarden behorende
premiebetaling geaccepteerd. Desalniettemin vordert J thans op grond van
de gesloten overeenkomst een uitkering op grond van arbeidsongeschiktheid
tengevolge van zwangerschap en bevalling (in beginsel gedurende de gehele
periode van zwangerschapsverlof en bevallingsverlof van werkneemsters in
loondienst). Volgens J is de overeengekomen uitsluitingsgrond van artikel
12 f nietig, dan wel moet deze vernietigd worden, omdat Interpolis
hiermee een verboden onderscheid naar geslacht maakt. Immers, aldus J,
de verstoring van het evenwicht in de gezondheidstoestand van vrouwen
door zwangerschap en bevalling moet op een lijn gesteld worden met
ziekte. Uit deze ziekte vloeit arbeidsongeschiktheid voort, welke niet
mag worden uitgesloten.

3.3. J stelt dat de in artikel 12 f van de polis vervatte uitsluiting in
strijd is met artikel 1 van de Grondwet, luidende: `Allen die zich in
Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld.
Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid,
ras, geslacht of welke grond dan ook, is niet toegestaan’. J stelt dat
het in artikel 1 Gw. neergelegde gelijkheidsbeginsel horizontale werking
heeft in de relatie tussen haar als verzekerde en Interpolis als
verzekeraar, omdat Interpolis een bepaalde monopoliepositie bezit
vergelijkbaar met die van de overheid. Deze rechtbank is van oordeel dat
artikel 1 Grondwet zich met name richt tot de wetgever en de regelgevende
en uitvoerende overheid. Het draagt de wetgever op om gelijke gevallen
gelijk te behandelen. Zeker mag geen onderscheid gemaakt worden op de in
de tweede zin van artikel 1 Gw. genoemde gronden. Hieruit volgt niet
zonder meer dat dit artikel zich richt op het gedrag van burgers. Bij de
grondwetsherziening van 1983 is niet bepaald dat artikel 1 ook zou dienen
te gelden in de rechtsverhoudingen tussen de burgers onderling. De
rechtbank deelt niet het standpunt van J dat Interpolis inzake de
verzekering van arbeidsongeschiktheid bij zwangerschap en bevalling door
een bepaalde monopoliepositie een met de overheid vergelijkbare taak
heeft. Immers de overheid heeft deze taak al aan zich getrokken door J
de wettelijke mogelijkheid te geven om zich tegen de gevolgen van
zwangerschap en bevalling te verzekeren, te weten als vrijwillig
verzekerde onder de Ziektewet. J kan zich, gelet op het bovenstaande,
niet rechtstreeks beroepen op artikel 1 Grondwet in haar rechtsverhouding
met Interpolis.

3.4. J acht het beding in strijd met artikel 11 lid 2 van het Verdrag
inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (New
York, 18 december 1979, in werking voor Nederland op 22 augustus 1991).
Artikel 11 lid 2 aanhef en onder b luidt: `Ten einde discriminatie van
vrouwen op grond van huwelijk of moederschap te voorkomen en het
daadwerkelijk recht van vrouwen op arbeid te verzekeren, nemen de Staten
die partij zijn bij dit Verdrag passende maatregelen om verlof wegens
bevalling in te voeren met behoud van loon of met vergelijkbare sociale
voorzieningen, zonder dat dit leidt tot verlies van de vroegere
werkkring, de behaalde ancienniteit of de hun toekomende sociale
uitkeringen’. De rechtbank is van oordeel dat voormeld artikel (slechts)
de Nederlandse overheid verplicht om passende maatregelen ter uitbanning
van discriminatie te nemen, derhalve om beschermende arbeidswetgeving en
sociale zekerheidswetgeving tot stand te brengen. Artikel 11 lid 2 van
het verdrag mist rechtstreekse werking. Ter ondersteuning van haar
stelling dat het verdrag doorwerkt in de overeenkomst tussen haar en
Interpolis beroept J zich op artikel 15 lid 3 van het verdrag. Dit
artikel luidt (met inachtneming van de gewijzigde tekst, zoals
gepubliceerd in Tractatenblad, jaargang 1991, nr. 134): `De Staten die
partij zijn bij dit Verdrag komen overeen dat iedere overeenkomst en
ieder ander particulier document van welke aard ook, waaraan een
rechtsgevolg is verbonden, gericht op beperking van de
handelingsbekwaamheid van vrouwen, als nietig dient te worden beschouwd’.
In casu doet de situatie waarop artikel 15 lid 3 van het verdrag doelt
zich niet voor, nu gesteld noch gebleken is op welke wijze de
overeenkomst van J en Interpolis de handelingsbekwaamheid van J zou
beperken.

3.5. J acht het beding in strijd met artikel 26 van het Internationaal
Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (New York, 16 december
1966, voor Nederland van kracht sedert 11 maart 1979) luidende: `Allen
zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op
gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet
discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en
doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras,
huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging,
nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere
status’. De rechtbank oordeelt geen schending van dit artikel aanwezig:
Het beding van artikel 12 f levert geen directe discriminatie naar
geslacht op. Immers gesteld noch gebleken is dat in de polissen voor
mannen het beding niet wordt opgenomen. Wel is het zo dat het beding op
biologische gronden uitsluitend vrouwen kan treffen. Echter Interpolis
heeft gesteld dat het motief voor artikel 12 f is gelegen in de gedachte
slechts arbeidsongeschiktheid te willen verzekeren die ontstaat
tengevolge van onzekere (en niet beoogde) voorvallen (246 K.). Op de
risico’s voor Interpolis van verwezenlijking van die onzekere voorvallen
is ook de te betalen premie afgestemd. Bij de premiebepaling is aldus
geen rekening gehouden met het risico dat Interpolis wegens normaal
verlopende zwangerschappen en bevallingen zou moeten uitkeren. Aldus
wordt, naar het oordeel van de rechtbank, door Interpolis een doel
nagestreefd (verzekeren van bepaalde onzekere voorvallen tegen een
bepaalde premie) waaraan iedere gedachte van discriminatie vreemd is.
Interpolis heeft een gerechtvaardigd belang bij een juiste premiestelling
tegenover een bepaald risico. Wanneer zij bij de premiebepaling uitgaat
van niet-verzekering van arbeidsongeschiktheid wegens zwangerschap en
bevalling zal dit leiden tot een andere premie in vergelijking met een
wel opgenomen verplichting tot uitkering bij zwangerschap en bevalling.
In de polis is, zowel door Interpolis als door J, gekozen voor de
uitsluiting van artikel 12 f, op welke situatie de door haar
verschuldigde premie ook is afgesteld. Voor de rechtbank staat daarmee
ook voldoende vast dat door Interpolis geen met discriminatie verband
houdend doel wordt nagestreefd. Waar derhalve in de uitwerking van het
beding desalniettemin onderscheid tussen mannen en vrouwen ontstaat,
vindt dit onderscheid in het bovenstaande een objectieve rechtvaardiging
en staat het Interpolis en J vrij dit overeen te komen.

3.6. J beroept zich op artikel 4 lid 1 van de (EEG) richtlijn van de Raad
van 19 december 1978, nr. 79/7/EEG, op de vierde (EEG) richtlijn van de
Raad van 24 juli 1986 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel
van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en
sectoriele regelingen inzake de sociale zekerheid en op de vijfde (EEG)
richtlijn van de Raad van 11 december 1986 betreffende de toepassing van
het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en
vrouwen, de landbouwsector daarbij inbegrepen, en tot bescherming van het
moederschap. Voorzover de overeenkomst tussen J en Interpolis al behoort
tot de toepassingsgebieden van de onderscheiden richtlijnen, kan J als
particulier deze bepalingen niet ingeroepen tegen een andere particulier,
omdat de richtlijnen uit zichzelf geen verplichtingen aan particulieren
kunnen opleggen en bepalingen van een richtlijn als zodanig niet
tegenover een particulier kunnen worden ingeroepen (artikel 189
EEG-verdrag). Dat de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van oordeel is dat verzekeringsmaatschappijen
discriminatoire bepalingen dienen af te stemmen op de EEG-richtlijnen
doet hier niet aan af.

3.7. Tenslotte beroept J zich op de Ontwerpwet Gelijke Behandeling, met
name artikel 7 daarvan. Voorzover anticipatie op dit voorontwerp al
mogelijk is, faalt dit beroep nu artikel 2 van de ontwerpwet het verbod
van onderscheid niet laat gelden ten aanzien van indirect onderscheid dat
objectief gerechtvaardigd is.

3.8. Gelet op het vorenoverwogene geldt tussen partijen het bepaalde in
artikel 12 f van de polis. De discussie tussen partijen of zwangerschap
al dan niet als een ziekte moet worden beschouwd is daarmee niet langer
relevant. De gevorderde verklaring voor recht * evenals de gevorderde
vernietiging van genoemde polisvoorwaarde * zal worden afgewezen.

3.9. De vordering van J tot betaling van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ad ƒ 165,- per dag over 81 2/3e dagen,
is slechts toewijsbaar voorzover allereerst komt vast te staan dat
gedurende een bepaald aantal dagen sprake was van een volledige
arbeidsongeschiktheid van J, ingevolge complicaties die bij de
zwangerschap of bevalling zijn opgetreden. J gaat uit van zeven dagen van
volledige arbeidsongeschiktheid, te weten van 6 mei tot 12 mei 1992,
zijnde de dagen die zij in het AMC heeft doorgebracht. Interpolis betwist
de arbeidsongeschiktheid van J, omdat de complicaties, zoals J zelf heeft
gesteld, zich bij het kind hebben voorgedaan. De rechtbank acht voldoende
aannemelijk gemaakt dat aan de polisvoorwaarde: `complicaties bij de
bevalling’ is voldaan. In de polis wordt immers geen onderscheid gemaakt
naar complicaties onmiddellijk na de bevalling bij de baby dan wel bij
de moeder. Nu bovendien uit de overgelegde brief van het AMC blijkt dat
J zelf direct postpartum werd verwezen naar het AMC * hetgeen Interpolis
niet heeft betwist * staat de volledige arbeidsongeschiktheid van J
tijdens haar verblijf in het AMC voldoende vast. Zulks geldt temeer omdat
Interpolis zelf er van uitgaat dat het vanzelf spreekt dat de moeder in
geval van complicaties bij het kind in de naaste omgeving van het kind
moet blijven.

3.10 Interpolis doet een beroep op artikel 13 lid 1 onder b van de polis,
hetwelk J verplicht binnen de wachttijd als bedoeld in artikel 6 van de
polis (welke wachttijd voor J een maand was) mededeling van haar
arbeidsongeschiktheid te doen aan Interpolis op het daarvoor bestemde
formulier van aangifte. Interpolis heeft eerst bij repliek d.d. 3
november 1992 vernomen van de bevalling. Echter het derde lid van artikel
13 van de polisvoorwaarden bepaalt, dat geen recht op uitkering bestaat,
indien de verzekerde voornoemde verplichting niet is nagekomen en
daardoor de belangen van de maatschappij heeft geschaad. Het door
Interpolis gewenste onderzoek van J door een deskundige van de zijde van
Interpolis zou, gelet op de in het geding gebrachte verklaring van het
AMC, redelijkerwijs niet tot de conclusie hebben kunnen leiden dat er
geen sprake was van arbeidsongeschiktheid van J. Naar het oordeel van de
rechtbank is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de belangen van
Interpolis door niet tijdige melding door J zijn geschaad.

3.11 Tenslotte betwist Interpolis dat er aan de zijde van J sprake is
geweest van inkomensderving. Echter nu vaststaat dat J filmproducente is
van beroep en vaststaat dat zij inderdaad is bevallen en gedurende een
aantal dagen volledig arbeidsongeschikt is geweest, staat daarmee tevens
vast dat zij gedurende die dagen geen inkomsten kon verwerven. Daarmee
is voldaan aan de voorwaarde van de polis en is Interpolis gehouden tot
uitkering over te gaan. Van J kan niet gevergd worden, zoals Interpolis
kennelijk wenst, dat zij haar werkzaamheden zodanig had geregeld dat zij
vakantie had kunnen opnemen rond de datum van de bevalling. Immers dat
J volledige arbeidsongeschikt zou worden tengevolge van complicaties bij
de bevalling was in beginsel niet te verwachten: dit is nu precies het
onzekere voorval waarvoor artikel 12f van de polis dekking biedt.

3.12 Op grond van het bovenstaande is de vordering van J toewijsbaar tot
een bedrag van 7 dagen a ƒ 165,– = ƒ 1155,–. Nu Interpolis eerst bij
conclusie van repliek d.d. 3 november 1992 op de hoogte was van haar
verplichting tot uitkering onder de polis, kan de gevorderde wettelijke
rente eerst per 3 november 1992 worden toegewezen.

4. De kosten.

J zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van
deze procedure worden veroordeeld.

5. De beslissing.

De rechtbank:

veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres
te betalen de somma van ƒ 1.155,– (een duizend een honderd en vijf en
vijftig gulden), vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang
van 3 november 1992 tot aan de dag der algehele voldoening:

verwijst eiseres in de kosten van dit geding, aan de zijde van gedaagde
gevallen en tot op heden begroot op ƒ 1720;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze zaak is gegarandeerd door het Proefprocessenfonds Rechtenvrouw.

Rechters

Mrs De Ruijter, Van der Poel, Halk

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 oktober 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was werkzaam als nachthoofd in een ziekenhuis, evenals
de maatman. De maatman werd volgens een hogere functiegroep beloond dan
verzoekster, terwijl beiden werkzaamheden van gelijke waarde verrichtten.
De wederpartij heeft als verweer aangevoerd, dat de maatman foutief in die
hogere functiegroep ingeschaald is. De Commissie oordeelt dat de
bewijslast dat gelijkwaardige beloningsmaatstaven zijn gehanteerd, bij de
wederpartij berust, nu vaststaat dat er sprake was van ongelijke beloning
van een mannelijke en een vrouwelijke werknemer bij gelijkwaardige arbeid.
Dit volgt uit het systeem van de Wet. Voor het maken van bij de Wet
verboden onderscheid is niet vereist dat er sprake is van opzet of schuld.
Alleen als zou blijken dat de inschaling van de maatman ook in het beleid
van de wederpartij een volstrekt uniek incident zou betekenen, zou er geen
sprake zijn van inbreuk op het gelijk loon beginsel. Nu de wederpartij
heeft aangegeven niet meer bereid te zijn om aan enig onderzoek haar
medewerking te geven, concludeert de Commissie tot strijd met de Wet. N.B.
Tussenbeslissing uitgesproken.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK 1.1. Op 13 november 1991 verzocht mevrouw
te Rotterdam (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de
vraag of de te Rotterdam (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid
maakt op grond van geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoekster, die werkzaam is als nachthoofd, stelt dat een mannelijke
werknemer, de heer (hierna: de maatman) gedurende een bepaalde periode
werd beloond volgens een hogere functiegroep dan zijzelf, terwijl zij
arbeid van gelijke waarde verrichtten. Zij is van mening dat de
wederpartij hiermee onderscheid naar geslacht maakt in de beloning en acht
dit in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomenen een onderzoek
ter plaatse ingesteld. De Commissie is hierbij ondersteund door de
Loontechnische Dienst (LTD) van het Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. In het kader van dit onderzoek zijn gesprekken gevoerd
met de wederpartij, verzoekster en maatman. Van het onderzoek ter plaatse
is een rapport opgemaakt, gedateerd oktober 1992. Partijen zijn in de
gelegenheid gesteld hun standpunten weer te geven.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen om te verschijnen
tijdens een zitting op 1 december 1992. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw (verzoekster) – dhr
(maatman) – mw (getuige) – mw
(getuige)

van de kant van de wederpartij – dhr drs (directeur
patientenzorg) – dhr (personeelsfunctionaris)

van de kant van de Commissie – mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter) – mw mr
C.E. van Vleuten (lid Kamer) – mw drs J.A.M. Stolwijk (lid Kamer) – dhr
mr W.A. van Veen (plaatsvervangend lid Kamer) – mw mr M.M. Hubner
(adjunct-secretaris).

2.3. De Commissie heeft naar aanleiding van de zitting het onderzoek
heropend (artikel 30 Procedurereglement) omdat zij over te weinig
informatie beschikte om op dat moment tot een oordeel te kunnen komen. De
Commissie heeft om die reden wederom een onderzoek ter plaatse ingesteld.
In het kader van dit onderzoek zijn gesprekken gevoerd met de wederpartij.
Van het onderzoek ter plaatse is een rapport opgemaakt d.d. 22 juni 1993.
2.4. Naar aanleiding van het rapport heeft Kamer III, bestaande uit mw mr
Y. Telenga (Kamervoorzitter), mw mr C.E. van Vleuten en mw mr M. de Rooij
(leden van de Kamer) en mw mr M.M. Hubner (adjunct-secretaris), een
tussenbeslissing genomen op 30 juni 1993. De inhoud van deze beslissing
wordt geacht hier in zijn geheel te zijn ingevoegd (opgenomen achter dit
oordeel).

2.5. Partijen zijn in verband met bovengenoemde tussenbeslissing
opgeroepen om te verschijnen tijdens een zitting op 27 juli 1993. De
wederpartij heeft van deze gelegenheid geen gebruik willen maken, doch
heeft bij brief van 19 juli 1993 schriftelijk verweer gevoerd.

Bij de zitting waren aanwezig: van de kant van verzoekster – mw
(verzoekster)

van de kant van de Commissie – mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter) – mw mr
C.E. van Vleuten (lid Kamer) – mw mr M. de Rooij (lid Kamer) – mw mr M.M.
Hubner (adjunct-secretaris).

2.6. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.5.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

Voorzover de feiten een aanvulling zijn op hetgeen is opgenomen in de
tussenbeslissing van 30 juni 1993, wordt het volgende vastgesteld.

3.1. Verzoekster heeft bij brief van 20 augustus 1990 bij de wederpartij
schriftelijk bezwaar gemaakt tegen de inschaling van de maatman in een
hogere functiegroep. Uit die brief kan opgemaakt worden dat haar een
aantal redenen bekend waren voor het feit dat de maatman een beloning
ontvangt volgens een hogere functiegroep. De redenen die zij vernomen had
waren: – zijn 20-jarige werkervaring; – het feit dat hij een
kaderopleiding heeft gevolgd; – het feit dat hij niet in vaste dienst zou
komen, als hij lager zou worden ingeschaald.

Verzoekster schrijft dat deze argumenten voor haar niet voldoende zijn om
het beloningsverschil te aanvaarden, aangezien zij eveneens aan de twee
eerstgenoemde eisen voldoet. Daarenboven heeft zij 13 jaar ervaring als
ONCO-verpleegkundige.

Bij brief van 21 november 1991 heeft de wederpartij erkend dat de maatman
foutief is ingeschaald. Zij zag echter geen reden de beloning van de
andere avond- en nachthoofden vanwege deze fout te verhogen naar
Functiewaardering Gezondheidszorg (FWG) 55, waarin maatman was
ingeschaald.

Daarop heeft de wederpartij getracht de functie van de maatman opnieuw te
doen indelen in FWG 50, waar de andere nachthoofden in zaten, waarbij hij
zijn salaris mocht behouden. De maatman heeft dit aanbod afgeslagen.

3.2. De Commissie heeft tweemaal een onderzoek ter plaatse ingesteld. In
het eerste onderzoek is vastgesteld dat partijen geen verschil van mening
hebben over de waarde van de door verzoekster en maatman verrichte arbeid;
zij achten die van gelijke waarde. Het geschil betrof derhalve alleen de
beloningsmaatstaven. Uit het onderzoek bleek dat de wederpartij bij haar
standpunt bleef dat er sprake was van een eenmalige, foutieve inschaling.
Verzoekster daarentegen stelt dat men niet kan spreken van een fout,
aangezien de hogere inschaling niet het gevolg was van een fout, maar van
een bewuste actie van het clusterhoofd waarmee de maatman onderhandeld had
over zijn salaris. Tegen de achtergrond speelt namelijk mee dat er in het
ziekenhuis een herwaardering van de functie van nachthoofd in gang gezet
was. Het verhaal van verzoekster wordt ondersteund door dat van de
maatman. Hij heeft zowel tijdens het onderzoek ter plaatse als ter zitting
verklaard dat hij onderhandeld heeft over zijn beloning, maar dat hij op
relatief eenvoudige wijze de beloning kreeg waar hij om vroeg. Het
clusterhoofd was namelijk van oordeel dat dit geen problemen zou
opleveren, omdat de functie van nachthoofd toch opnieuw gewaardeerd zou
worden.

In het tweede onderzoek ter plaatse is onderzocht of een inschaling zoals
die van maatman, dus afwijkend van de (bij de wederpartij) gebruikelijke
inschaling, inderdaad slechts eenmaal is voorgevallen. De resultaten
daarvan staan vermeld in het rapport van de Commissie d.d. 22 juni 1993.
In het rapport wordt geconcludeerd dat de stelling van de wederpartij dat
alleen bij maatman sprake was van een foutieve inschaling, met de
verkregen resultaten nog onvoldoende onderbouwd is. Zo kon de wederpartij
niet op eenvoudige wijze aangeven wat de gebruikelijke inschaling is, en
werd deze om die reden afgeleid uit de mogelijke indelingen die het
FWG-systeem biedt. Ook bleken met de gehanteerde onderzoeksmethode slechts
341 van de 928 personeelsleden in het onderzoek betrokken te kunnen
worden. De Commissie heeft op basis van dit rapport op 30 juni 1993 een
tussenbeslissing genomen (zie paragraaf 2.4.).

De standpunten van partijen

3.3. Verzoekster is van mening dat zij ongelijk beloond wordt op grond van
geslacht aangezien zij en de maatman hetzelfde werk doen. Zij stelt dat
de sterke onderhandelingspositie van de maatman er (mede) toe heeft
bijgedragen dat de maatman in FWG 55 is ingedeeld. Daarbij was er in de
periode dat de maatman via een uitzendbureau werd geworven, volgens
verzoekster, binnen het ziekenhuis niemand bereid om die functie te
vervullen vanwege problemen met het clusterhoofd.

3.4. De wederpartij stelt het volgende. Zij volhardt in haar stelling dat
er een fout is gemaakt bij de inschaling van de maatman. Het clusterhoofd
dat het sollicitatiegesprek met de maatman gevoerd heeft, was bovendien
niet bevoegd om dergelijke salarisonderhandelingen te voeren. De directeur
patientenzorg heeft de arbeidsovereenkomst per vergissing, namelijk
ongezien, ondertekend. De maatman had op grond van zijn 14-jarige
leidinggevende ervaring en opleidingen volgens de maximum schaal geldend
voor zijn functie, namelijk FWG 50, ingeschaald moeten worden. De
inschaling op grond van FWG 55 regelnummer 6 is nauwelijks hoger dan
inschaling op het maximum van FWG 50. Het onverklaarbare verschil zou in
dat geval ƒ 170,00 bruto per maand zijn. Op 1 november 1992 is de fout
hersteld omdat de maatman ontslag nam. Het nieuwe nachthoofd dat is
aangenomen is in FWG 50 ingeschaald. Voorts is van belang dat de maatman
thans niet meer in vaste dienst is, maar wel als poolkracht werkt. Zijn
inschaling is conform de richtlijnen in FWG 40. Mocht hij als nachthoofd
invallen, dan is FWG 50 van toepassing.

3.5. In de brief van de wederpartij d.d. 19 juli 1993 (zie 2.5.) voert zij
naar aanleiding van de tussenbeslissing van de Commissie d.d. 30 juni
1993, het volgende aan. Naar de kern beschouwd, is er sprake van een
incident, waarvoor zij haar verontschuldigingen heeft aangeboden aan
verzoekster. De wederpartij kan het bestaan van deze vergissing bewijzen
en heeft dat ook bewezen door verklaringen van getuigen. Daarmee zou de
kwestie, naar algemene beginselen van Nederlands recht, beeindigd moeten
zijn. De Commissie was er kennelijk niet van overtuigd dat het hier een
incident betrof. Zij heeft dat niet met zoveel woorden aangegeven, doch
heeft een onderzoek ingesteld. Bij het tweede onderzoek van de Commissie
zijn 341 arbeidscontracten geanalyseerd, zonder dat ook maar een
overtreding van de WGB geconstateerd is. De ambtenaren van de LTD hebben
bij de afsluiting van het onderzoek laten weten voldoende te zijn
voorgelicht. De wederpartij is derhalve van mening dat een derde onderzoek
niet nodig is en heeft er dan ook grote bezwaren tegen om continu in de
positie van verdachte te worden gedrongen. Zij acht de vergissing bewezen,
zij meent dat de Commissie bij een grootscheepse steekproef geen
overtreding heeft kunnen vaststellen. Onder deze omstandigheden is er geen
enkele aanleiding nog meer tijd-, kosten-, en moeite-rovend onderzoek te
verrichten; elk redelijk vermoeden van schuld ontbreekt. Zij is ook niet
bereid om aan enig nader onderzoek haar medewerking te verlenen.

Tot slot is de wederpartij van oordeel dat de Commissie in procedurele zin
niet juist heeft gehandeld ten opzichte van haar. In de eerste plaats
klaagt zij erover dat de Commissie een tussenbeslissing heeft genomen naar
aanleiding van een rapport, zonder haar in de gelegenheid te stellen zich
over dat rapport uit te spreken. Bovendien is dit tweede onderzoek
ingesteld zonder dat de Commissie een daartoe strekkende tussenbeslissing
had genomen. Verder noemt de wederpartij nog de volgende punten, kort
samengevat: – Het verslag van de zitting van 1 december 1992 is pas na
daartoe strekkend verzoek op 14 mei 1993 aan haar gezonden; – De tweede
rapportage van de zijde van de Commissie behelst gespreksverslagen die
nimmer aan haar ter goedkeuring zijn voorgelegd en ettelijke feitelijke
onjuistheden bevatten; de kwaliteit laat te wensen over; – Het rapport
behelst vertrouwelijke gegevens omtrent salarissen die door bij haar
werkzame personen zonder nader onderzoek tot bepaalde personen kunnen
worden teruggevoerd; – Op een van haar brieven is nooit gereageerd door
de Commissie.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij gedurende de periode 1
september 1990 tot 1 november 1992 jegens verzoekster onderscheid op grond
van geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
van mannen en vrouwen, door de maatman hoger te belonen dan verzoekster,
terwijl beiden arbeid van gelijke waarde verrichtten.

4.2. Voor de beantwoording van de in geding zijnde vraag zijn de
bepalingen van artikel 7A:1637ij Burgelijk Wetboek (BW) en artikel 7 en
volgende van de WGB van belang.

Artikel 7A:1637ij lid 1 BW schrijft voor dat een werkgever geen
onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen bij -onder andere- de
arbeidsvoorwaarden. Artikel 7 WGB zegt dat voor de vergelijking van het
loon uitgegaan moet worden van het loon dat een arbeider van de andere
kunne, die werkzaam is in dezelfde onderneming, voor arbeid van gelijke
dan wel nagenoeg gelijke waarde pleegt te ontvangen. Indien er sprake is
van arbeid van gelijke dan wel nagenoeg gelijke waarde, moet onderzocht
worden of het loon berekend is op grondslag van gelijkwaardige maatstaven
(artikel 9 WGB).

4.3. Alvorens op die vraag in te gaan, zal de Commissie de klacht van de
wederpartij behandelen omtrent procedurele fouten die gemaakt zouden zijn
door de Commissie. Het Procedurereglement regelt de procesgang en is
goedgekeurd door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, conform
de Wet. Hierin is niet geregeld dat bij tussenbeslissingen partijen dienen
te worden gehoord. Gelet op het procedurele karakter van de
tussenbeslissing -wederpartij werd daarin slechts in de gelegenheid
gesteld om aan te tonen dat zij bij de inschaling een eenmalige vergissing
had begaan- en het feit dat partijen na de tussenbeslissing uitgebreid de
gelegenheid hadden hun standpunten toe te lichten, is de Commissie van
oordeel dat de wederpartij niet in haar procesbelangen is geschaad.

Verder staat in artikel 30 van het Procedurereglement dat de Commissie tot
heropening van het onderzoek kan besluiten en in dat geval partijen zo
spoedig mogelijk na de beraadslaging hiervan op de hoogte stelt. Dit is
gebeurd per brief van 9 december 1992. Een tussenbeslissing is volgens het
Procedurereglement niet vereist. Het verslag van de zitting ruim een half
jaar later toesturen aan partijen verdient geen schoonheidsprijs. Ten
onrechte verkeert de wederpartij in de veronderstelling dat
gespreksverslagen aan haar ter goedkeuring dienen te worden voorgelegd.
Wel neemt de Commissie relevante aanvullingen, die door (een der) partijen
ingebracht worden, mee in haar overwegingen. De aantekeningen die de
wederpartij in casu echter heeft gemaakt bij de gespreksverslagen, zijn
niet van dien aard dat die enig gevolg voor de beslissing of het oordeel
van de Commissie hebben.

4.4. Terugkomend op de hierboven geformuleerde vraag overweegt de
Commissie als volgt.

In de beslissing van 30 juni 1993 heeft de Commissie geoordeeld dat
onbetwist is dat verzoekster en maatman arbeid van gelijke waarde
verrichtten. Daardoor was slechts de vraag aan de orde of bij het bepalen
van het loon gelijkwaardige maatstaven zijn gehanteerd. De bewijslast dat
gelijkwaardige maatstaven gehanteerd zijn, berust bij de wederpartij nu
in deze vaststaat dat er sprake was van ongelijke beloning van een
mannelijke en een vrouwelijke werkneemster bij gelijkwaardige arbeid. Dit
volgt uit het systeem van de Wet. Artikel 9 WGB geeft aan dat ingeval voor
gelijkwaardige arbeid ongelijk loon wordt betaald, dit geen inbreuk op het
gelijk loonbeginsel hoeft te betekenen als dit ongelijke loon is berekend
op basis van gelijkwaardige maatstaven. De WGB formuleert dit als een
fictie: “het loon wordt geacht gelijk te zijn aan het loon dat een
arbeider van de andere kunne voor arbeid van gelijke waarde pleegt te
ontvangen, indien het is berekend op grondslag van gelijkwaardige
maatstaven”. Het karakter van de uizonderingsbepaling ten aanzien van de
algemene regel van artikel 7 WGB brengt mede, dat het bewijs van
gelijkwaardige maatstaven berust bij de wederpartij.

In deze zaak is komen vast te staan dat de wederpartij verzoekster en
maatman verschillend heeft ingeschaald voor gelijkwaardig werk en aldus
ongelijke maatstaven heeft aangelegd. Dit leidt tot de conclusie dat de
wederpartij het bij artikel 7A:1637ij lid 1 BW verboden onderscheid heeft
gemaakt. Anders dan de wederpartij schijnt te denken, is voor het maken
van het bij de Wet verboden onderscheid geen vereiste dat er sprake is van
opzet of schuld. De gelijke behandelingswetgeving, waarvan het gelijk
loonbeginsel deel uitmaakt, stelt deze eis niet. Ook is, als verboden
onderscheid is vastgesteld, voor de aansprakelijkheid van de werkgever
opzet of schuld geen voorwaarde. De Commissie wijst in dit verband naar
de uitspraak van het EG-Hof van Justitie in de zaak Dekker.(Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen inzake Dekker versus
Vormingscentrum voor Jong Volwassenen d.d. 8 november 1990, zaak C-177/88,
RN 1991, nr 1. Zie ook in vervolg daarop Hoge Raad 13 september 1991, RvdW
1991, nr 193.)

4.5. De enige vraag die derhalve voorligt is of het beginsel van gelijke
beloning geschonden wordt als tengevolge van een administratieve
vergissing in een enkel geval ongelijke (dat wil zeggen te hoge) beloning
voor gelijkwaardig werk heeft plaatsgevonden. Voor de werkgever kunnen de
financiele gevolgen van een dergelijke vergissing aanzienlijk zijn omdat
zij kunnen leiden tot gelijk loonclaims van allen, die werk verrichten
gelijkwaardig aan dat van de bij vergissing te hoog beloonde collega.
Anderzijds past op dit punt juist de grootste terughoudendheid omdat het
hier gaat om de doorwerking van een beginsel dat te lage vrouwenlonen
binnen de EG-lidstaten bedoelt te voorkomen; het accepteren van een
‘vergissing’, waarbij een man per vergissing te hoog wordt ingeschaald ten
opzichte van zijn vrouwelijke collega’s, zou het nuttig effect van het
gelijk loonbeginsel sterk kunnen verzwakken. De Commissie meende dan ook
dat alleen als zou blijken dat deze inschaling van de maatman in kwestie
afweek van de bij de wederpartij gebruikelijke inschalingen en deze
inschaling ook in het beleid van de wederpartij een volstrekt uniek
incident zou betekenen, de mogelijkheid zou kunnen bestaan dat er in deze
geen sprake is van inbreuk op het gelijk loon beginsel.

Aangezien het hier een voor de wederpartij zeer moeilijke bewijspositie
betreft, heeft de Commissie eigener beweging een onderzoek ingesteld bij
de wederpartij, dat er toe strekte na te gaan of alleen bij de inschaling
van de betrokken maatman was afgeweken van de gebruikelijke inschaling
(conform beslissing meegedeeld in brief aan partijen d.d. 9 december
1992). De resultaten van het verrichte onderzoek zijn, zoals de Commissie
reeds uitsprak in haar tussenbeslissing, niet toereikend om daartoe te
kunnen concluderen. Nu de wederpartij vervolgens heeft aangegeven niet
meer bereid te zijn om aan enig onderzoek haar medewerking te geven, kan
de Commissie niet anders doen dan vaststellen dat bij de beloning van
verzoekster en maatman geen gelijkwaardige maatstaven zijn aangelegd en
-aangezien het bewijs ontbreekt dat hier sprake is geweest van een
volstrekt uniek incident- daarmee inbreuk is gemaakt op het beginsel van
gelijk loon.

Hiermee staat vast dat de wederpartij in strijd met artikel 7A:1637ij lid
1 BW onderscheid naar geslacht heeft gemaakt jegens verzoekster in de
arbeidsvoorwaarden.

4.6. Hieraan doet niet af het betoog van de wederpartij dat indien de
maatman volgens de juiste functiegroep was ingeschaald, hij beloond zou
zijn volgens het maximum van schaal 50 op grond van zijn 14-jarige
leidinggevende ervaring en opleidingen. Maatman zou derhalve ook bij een
correcte inschaling hoger beloond worden dan verzoekster. In dat geval zou
slechts een verschil van ƒ 170,00 onverklaarbaar zijn. Gezien de in het
geding zijnde vraag en het bovenvermelde antwoord daarop komt de Commissie
niet toe aan de vraag of een eventueel beloningsverschil tussen de maatman
en verzoekster, indien beiden in functiegroep 50 ingedeeld zouden zijn,
in het kader van de wetgeving gelijke behandeling gerechtvaardigd zou
zijn. De Commissie merkt hieromtrent wel op dat het nog maar de vraag is
of in dat geval gelijkwaardige beloningsmaatstaven aangelegd zouden zijn,
aangezien maatman en verzoekster ook nagenoeg gelijke ervaring en
opleidingen hadden.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE De Commissie spreekt als haar oordeel uit
dat de te Rotterdam jegens mevrouw te Rotterdam
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel 7A:1637ij
lid 1 Burgerlijk Wetboek.

Aldus vastgesteld op 5 oktober 1993 naar aanleiding van de beraadslagingen
in raadkamer d.d. 27 juli 1993.

Rechters

mw. mr. Y. Telenga, mw.mr. C.E. van Vleuten, mw. drs. J.A.M.Stolwijk, dhr mr. W.A. van Veen, mw. mr. M.M. Hubner

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 september 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De anciënniteitsregeling voor rechterlijke ambtenaren in deeltijd is
in strijd met art. 1a lid 1 WGB. Ten aanzien van de opbouw van de
anciënniteit (rang van benoeming), art. 7a lid 5 Wet RO, is bepaald dat
voor deeltijders de eerste vier jaren voor de helft meetellen bij de
opbouw van de anciënniteit. Bij gebrek aan specifieke cijfers meent de
Commissie dat als feit van algemene bekendheid moet worden aangenomen dat
deeltijders in overwegende mate vrouwen zijn. De wel voor handen zijnde
gegevens bevestigen dit beeld. Als objectieve rechtvaardiging voor het
onderscheid heeft het ministerie van Justitie aangevoerd dat een
deeltijdwerker in het algemeen meer tijd nodig heeft voor het opdoen van
de gewenste ervaring dan een voltijder. In navolging van het Hof van
Justitie EG acht de Commissie de door het ministerie van Justitie naar
voren gebrachte rechtvaardiging niet meer dan een generaliserende
uitspraak welke als zodanig niet als objectieve rechtvaardiging kan
gelden. Een dergelijke regeling zou alleen gerechtvaardigd kunnen zijn als
zij gebaseerd is op resultaten uit onderzoek. In casu was daarvan geen
sprake.

Volledige tekst

(…) 4. De resultaten van het onderzoek

De feiten

4.1. Sedert 1989 is in de Wet RO de mogelijkheid opgenomen voor leden van
de rechterlijke macht om in deeltijd te werken. Daarvoor konden rechters
alleen dan in deeltijd werken, als zij werden aangewezen om als
rechter-plaatsvervanger tijdelijk het geheel of een deel van de gewone
taak te vervullen (hierna: plaatsvervanger met een aanwijzing). Een
dergelijke aanstelling ging met een slechtere rechtspositie gepaard dan
de normale aanstelling.

Bij Wet van 28 september 1989 is de Wet RO op dit punt gewijzigd, na
overleg met de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) en
advisering door de Staatscommissie Herziening Rechterlijke Organisatie en
de Emancipatieraad.

De gewijzigde Wet RO maakt het voor rechterlijke ambtenaren mogelijk om
in deeltijd te worden aangesteld, zij het dat de minimale werktijd 50% van
de volledige werktijd (38 uur per week) dient te zijn (artikel 7b Wet RO).
De plaatsvervangers met een aanwijzing die zulks wensten, konden hun
benoeming laten omzetten in een als rechterlijk ambtenaar in deeltijd.
Daarbij werd volgens de regeling van artikel 7a lid 5 (zie hieronder) hun
ouderdom van benoeming berekend, waarbij hun dienstjaren als
rechter-plaatsvervanger meetelden.

4.2. In artikel 7a lid 5 staat vermeld:

‘Wat de rang van benoeming betreft is er geen onderscheid tussen
rechterlijke ambtenaren die zijn aangesteld voor het vervullen van een
volledige werktijd en hen die zijn aangesteld voor het vervullen van een
gedeeltelijke werktijd, met dien verstande dat voor de rechterlijke
ambtenaar die gedurende de vier dienstjaren, onmiddellijk volgend op de
eerste aanstelling, een gedeeltelijke werktijd vervult of heeft vervuld,
als benoemingsdatum wordt aangemerkt de datum die wordt gevonden door bij
zijn werkelijke benoemingsdatum op te tellen een termijn, overeenkomend
met de helft van de binnen die vier jaar vallende periode die hij in
gedeeltelijke werktijd heeft doorgebracht.’

Artikel 7a lid 5 komt er op neer, dat iedere rechter die in deeltijd
werkt, om het even welk percentage tussen de 50 en 100 van de volledige
werktijd hij of zij werkt, slechts de helft van de eerste vier dienstjaren
kan meetellen ter bepaling van de rang van benoeming.

4.3. De rang van benoeming is in ieder geval van belang in de volgende
gevallen, zie artt. 6, 6b, 7, 7a, 7b, 26 en 32

Wet RO; Reglement I (Besluit van 14 september 1838, Stb. 36 betreffende
de wijze van eedsaflegging, afwezigheid, de afwisseling en de orde van de
inwendige dienst van de Hoge Raad, hoven en rechtbanken), artikelen 16,
17, 18 en 21.

Allereerst bij de vervanging van presidenten van de Hoge Raad, de hoven
en de rechtbanken. Deze vervanging geschiedt door een vice-president of,
bij gebreke van deze, door de oudstbenoemde raadsheer of rechter.

Voorts bij de vorming van en de rechtspraak in meervoudige kamers, waarbij
de volgorde bij de hoofdelijke rondvraag in de raadkamer en de volgorde
van vervanging bij afwezigheid van de kamervoorzitter worden bepaald aan
de hand van de rangorde.

Tenslotte bij het geven van advies over deeltijdaanstelling of ontheffing
van de woonplaatsverplichting door de kantonrechter oudste in rang.

Voorts bestaan soortgelijke regelingen bij het Openbaar Ministerie (OM).

Voor het overige verschillen partijen van mening over de vraag, of de
rangorde van benoeming ook elders een rol speelt (zie standpunten van
partijen).

4.4. De wederpartij heeft het volgende cijfermateriaal overgelegd.

-A. Sedert 1 januari 1989 zijn aangesteld als rechter in volledige
werktijd en nog steeds als zodanig werkzaam:

72 mannen en 40 vrouwen.

Sedert 1 januari 1989 zijn aangesteld als rechter voor een gedeeltelijke
werktijd en nog steeds als zodanig werkzaam:

41 mannen en 37 vrouwen.

Van de sinds 1989 aangestelde mannelijke rechters werkt 63,7% dus in
voltijd en 36,3 % in deeltijd.

Van de sinds 1989 aangestelde vrouwelijke rechters werkt 51,9% dus in
voltijd en 48,1% in deeltijd.

In deze aantallen zijn opgenomen de rechters die voorheen plaatsvervanger
met een aanwijzing waren en die bij de wetswijziging voor een
deeltijdaanstelling hebben gekozen.

-B. Ter zitting is voorts door de wederpartij het volgende cijfermateriaal
overgelegd.

Tussen 1 januari 1989 en 1 maart 1993 zijn 438 rechterlijke ambtenaren
aangesteld voor volledige werktijd en als zodanig nog werkzaam. Daaronder
zijn 243 mannen en 195 vrouwen.

In dezelfde periode zijn in deeltijd aangesteld en nog in deeltijd
werkzaam 225 personen, waarvan 120 mannen en 105 vrouwen.

De onder B genoemde cijfers betreffen dezelfde periode als de onder A
genoemde cijfers; het verschil wordt veroorzaakt doordat in de cijfers
onder A alleen de rechters zijn opgenomen, en in de cijfers onder B
daarenboven ook het OM en de gerechtsauditeurs zijn opgenomen.

Van de sinds 1989 aangestelde mannelijke rechterlijke ambtenaren werkt
66,9 % dus in voltijd, en 33,1% in deeltijd.

Van de sinds 1989 aangestelde vrouwelijke rechterlijke ambtenaren werkt
65% dus in voltijd, en 35% in deeltijd.

Eind 1991 bestond de rechterlijke macht uit 1783 fte (FTE wil zeggen:
fulltime equivalenten. Het aantal fte geeft aan, hoeveel arbeidsplaatsen
er zijn in een organisatie wanneer iedereen voltijd werkt.), waarvan 1206
fte worden bezet door 1229 mannen, en 573 fte worden bezet door 636
vrouwen.

Andere cijfers konden door wederpartij niet worden overgelegd bij gebrek
aan centrale registratie van gegevens over de aanstellingen binnen de
rechterlijke macht.

(…)

5. De overwegingen van de Commissie

5.1. In geding is de vraag, of de wederpartij in strijd handelt met
artikel 1a WGB.

Artikel 1a WGB schrijft voor dat het bevoegd gezag geen (direct of
indirect) onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen bij de
aanstelling, in de arbeidsvoorwaarden, bij het verstrekken van onderricht,
bij de bevordering en bij de beeindiging van het dienstverband.

Artikel 1 WGB geeft aan wat in dit verband onder indirect onderscheid moet
worden verstaan: onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan het
geslacht, bijvoorbeeld echtelijke staat of gezinsomstandigheden, dat
onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid
objectief gerechtvaardigd is.

Indirect onderscheid ontstaat wanneer het nadelig effect van een regeling
in overwegende mate personen van een geslacht treft, terwijl daarvoor geen
of onvoldoende objectieve rechtvaardigingsgronden aanwezig zijn.

5.2. Allereerst merkt de Commissie op, dat zij de beoordeling van het
geschil beperkt tot de vraag, of er sprake is van onderscheid naar
geslacht ten opzichte van de zittende magistratuur (rechters).

Hoewel de regeling in kwestie betrekking heeft op de gehele populatie van
rechterlijke ambtenaren, dus ook op leden van het OM en
gerechtsauditeuren, blijken de betwiste gevolgen van de regeling met name
de rechters te betreffen. Partijen hebben hun standpunten dan ook alleen
toegespitst op de gevolgen van de regeling voor de rechters. De Commissie
zal hun op dit punt volgen.

5.3. De vraag die dan voorligt is, of hier sprake is van (mogelijk)
onderscheid ten aanzien van een van de in artikel 1a WGB genoemde
terreinen.

Verzoekster is van mening dat de betwiste regeling onderdeel uitmaakt van
de arbeidsvoorwaarden en een rol speelt bij bevordering.

Wederpartij is van mening dat geen van beide het geval is; het zou slechts
gaan om een regeling met betrekking tot de orde van de inwendige dienst.
Onder de arbeidsvoorwaarden als bedoeld in artikel 1a WGB verstaat de
Commissie mede de mogelijkheid voor een persoon om zich binnen zijn/haar
werk te kunnen ontplooien en daar ervaring op te doen.

In casu speelt de in geding zijnde regeling, de rangorde van benoeming,
een rol in het functioneren van rechters in de dagelijkse praktijk van hun
werk. Zo hangt het van iemands plaats in de rangorde af, of deze persoon
al dan niet in de gelegenheid is om ervaring op te doen met vervanging van
een voorzitter of president. Tevens is de rangorde doorslaggevend bij het
mogen geven – als kantonrechter – van advies over deeltijdaanstelling of
ontheffing van de woonplaats-

verplichting van collega-rechters.

De mogelijkheid om dergelijke ervaring op te doen – ervaring die eventueel
bij een beslissing over bevordering een rol kan spelen – wordt door de
Commissie als een arbeidsvoorwaarde beschouwd.

Dat, zoals verzoekster stelt, er een rechtstreeks verband is tussen de
rangorde van benoeming en de bevordering, acht de Commissie overigens
onvoldoende aangetoond.

5.4. Nu vast is komen staan dat de in geding zijnde regeling onder de
werkingssfeer van artikel 1a WGB valt, moet worden bezien, of de regeling
in overwegende mate leden van een geslacht (vrouwen) benadeelt.

De Commissie is van oordeel dat relatieve cijfers gehanteerd moeten worden
bij het beoordelen van het effect naar geslacht van een regeling als de
onderhavige. Daardoor wordt rekening gehouden met het aandeel dat mannen
respectievelijk vrouwen hebben in het persoonsbestand waarvoor de regeling
geldt.

Bij een bestand waarin mannen en vrouwen niet een ongeveer gelijk aandeel
hebben, zouden absolute cijfers een vertekend beeld kunnen geven.(Een
voorbeeld: een onderneming waarin 10 vrouwen werken en 1000 mannen. Van
de vrouwen werken er 9 in deeltijd, van de mannen ook. Stel dat de
deeltijders een lager uurloon ontvangen dan voltijders. Indien men alleen
kijkt naar de aantallen (dus de absolute getallen) werkt onderscheid ten
nadele van deeltijders gelijk uit naar geslacht; er zijn immers 9 vrouwen
en 9 mannen die benadeeld worden. Toch zal duidelijk zijn dat met name de
vrouwen nadelig worden getroffen: immers 9 van de 10 vrouwen tegenover 9
van de 1000 mannen worden nadelig getroffen.).

Om in de onderhavige zaak te kunnen concluderen, of, zoals verzoekster
stelt, vrouwen in overwegende mate worden getroffen door de regeling,
omdat zij in overwegende mate in deeltijd werkzaam zijn, zou de Commissie
moeten beschikken over cijfers die aangeven, hoeveel mannen
respectievelijk vrouwen binnen de totale populatie van rechters in voltijd
zijn aangesteld, en hoeveel mannen respectievelijk vrouwen in deeltijd
zijn aangesteld.

De wederpartij heeft herhaaldelijk aangegeven dat zij niet in staat is
deze gegevens te verstrekken. De gegevens die zij wel heeft overgelegd en
die zijn vermeld in 4.4. onder A, zijn ongeschikt voor dit doel. Immers,
hierin zijn alleen benoemingen opgenomen van de laatste jaren.

Verzoekster heeft een artikel overgelegd waarin wordt geconcludeerd dat
vrouwen zowel relatief als absoluut het grootste aandeel hebben in de
deeltijders onder de rechters (zie noot 3). De gegevens uit dit artikel
zijn echter evenmin goed bruikbaar, aangezien zij slechts betrekking
hebben op een deel van de rechterlijke macht en de gegevens dateren uit
de tijd voordat de deeltijdregeling werd ingevoerd. Deze deeltijdgegevens
hebben immers alleen betrekking op de plaatsvervangers met een aanwijzing
(zie noot 3).

De Commissie gaat dan ook, bij gebrek aan specifieke cijfers, uit van het
feit van algemene bekendheid, dat deeltijders in het algemeen in
overwegende mate van het vrouwelijk geslacht zijn. Dat dit gegeven in de
voorliggende casus anders zou zijn, is onvoldoende gebleken.

Dit feit van algemene bekendheid wordt in casu overigens ondersteund door
het beeld dat wordt opgeroepen door de verstrekte gegevens en de
overgelegde cijfers (al zijn deze niet compleet).

5.5. Uit de cijfers als vermeld in 4.4. onder A kan immers worden afgeleid
dat het aantal vrouwen dat in deeltijd is benoemd, zeer waarschijnlijk een
relatief groter aandeel zal uitmaken van het totale aantal vrouwelijke
rechters, dan het aantal mannen dat in deeltijd is benoemd, uitmaakt van
het totaal aantal mannelijke rechters (De totale aantallen betreffen zowel
de rechters die vóór 1989 zijn benoemd en nog steeds werkzaam zijn, als
degenen die vanaf 1989 zijn benoemd.).

Dit om de volgende reden. Pas vanaf 1989 werden deeltijdbenoemingen
mogelijk. In de cijfers als vermeld onder 4.4. onder A zijn dus alle
rechters opgenomen die in deeltijd werken (In deze cijfers zijn immers ook
de voormalige plaatsvervangers met een aanwijzing opgenomen.).

De rechters die voor 1989 zijn benoemd en nog werkzaam zijn, zijn uit de
aard der zaak allen voltijders (Voorzover ze inmiddels in deeltijd werken
zijn ze meegeteld bij de aanstellingen vanaf 1989.).

Uit de laatstgenoemde cijfers onder 4.4., die de aantallen fte betreffen,
blijkt voorts dat de sinds 1989 benoemde rechters maar een klein deel
uitmaken van het totale aantal rechters. De meeste rechters zijn voor 1989
benoemd. Van het totale aantal is ongeveer 2/3 man en 1/3 vrouw.

Uit de cijfers over de benoemingen sinds 1989 blijkt al dat in die periode
onder de rechters relatief meer vrouwen (48%) dan mannen (36%) in deeltijd
zijn benoemd.

Betrekt men daarbij de gegevens over de rechters die voor 1989 zijn
benoemd, dan wordt dit verschil tussen mannen en vrouwen alleen maar
groter.

Immers: het totaal aantal mannelijke deeltijders blijft hetzelfde, maar
dit aantal wordt afgezet tegen het totaal aantal in voltijd werkende
mannelijke rechters, en dit aantal wordt veel groter (2/3 van de voor 1989
benoemde rechters komt erbij). Het totaal aantal vrouwelijke deeltijders
blijft ook hetzelfde, en dit wordt afgezet tegen het totaal aantal
vrouwelijke voltijders. Dit aantal wordt ook groter, maar stijgt in
mindere mate (1/3 van de voor 1989 benoemde rechters komt erbij).

Het verschil tussen het aandeel dat mannelijke rechters in deeltijd
uitmaken van het totaal aantal mannelijke rechters en het aandeel dat
vrouwelijke rechters in deeltijd uitmaken van het totaal aantal
vrouwelijke rechters wordt hierdoor alleen maar groter (Een
rekenvoorbeeld: stel dat na 1989 er 100 mannen zijn benoemd, waarvan 40
in deeltijd en 60 in voltijd. En dat er 90 vrouwen zijn benoemd sinds 1989
waarvan 40 in deeltijd en 50 in voltijd. Relatief werken iets meer vrouwen
dan mannen in deeltijd (40% bij de mannen, 44% bij de vrouwen). Stel dat
vóór 1989 500 mannen zijn benoemd en 200 vrouwen, allen in voltijd. Dan
wordt het aandeel mannen dat in deeltijd werkt 6,5% van het totaal aantal
mannelijke rechters (600), en het aandeel vrouwen dat in deeltijd werkt
13% van het totaal aantal vrouwelijke rechters (290).).

5.6. Het beeld, dat relatief meer vrouwen dan mannen onder de rechters in
deeltijd werken, wordt bevestigd door de cijfers over het totaal aan fte,
als genoemd onder 4.4.

Hieruit blijkt dat de 1206 fte die eind 1991 door mannen werden bezet,
werden opgevuld door 1229 mannen.

De 573 fte die door vrouwen werden bezet, werden opgevuld door 636
vrouwen.

5.7. Uit het feit van algemene bekendheid dat het met name vrouwen zijn
die in deeltijd werken, alsmede het beeld dat – voorzover mogelijk – wordt
geschetst door de door wederpartij overgelegde gegevens, en het door
verzoekster overgelegde artikel, concludeert de Commissie dat relatief
meer vrouwelijke dan mannelijke rechters in deeltijd werken en de regeling
derhalve in overwegende mate vrouwen treft. Daarmee wordt een vermoeden
van indirect onderscheid gewekt.

5.8. De wederpartij is voorts van mening dat de regeling niet nadelig is
voor deeltijders, omdat het van de toevallige samenstelling van het
college afhangt, of men de jongste dan wel de oudste in rang is.

Dit moge zo zijn, de kans dat iemand de oudste in een college is, is uit
de aard der zaak groter naarmate iemand meer dienstjaren heeft. Het feit
dat een deeltijder in de eerste vier jaren dus minder dienstjaren opbouwt
dan een voltijd werkende collega die gelijktijdig is aangetreden, is
derhalve wel degelijk een nadeel voor eerstgenoemde.

Daar komt bij dat het aanvankelijke verschil in opbouw van rangorde van
benoeming de hele verdere carriere een rol blijft spelen, zolang men niet
bevorderd wordt.

Het verweer van de wederpartij treft op dit punt dan ook geen doel.

5.9 Wanneer een vermoeden van indirect onderscheid is gewekt, is het aan
de wederpartij om aan te tonen dat het gemaakte onderscheid wordt gemaakt
om een objectief gerechtvaardigd doel te dienen en dat daartoe middelen
zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken,
terwijl dit doel niet is te bereiken op andere wijze waarbij geen
onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

Voor wat betreft het doel van de regeling: wederpartij beoogt hiermee bij
de interne rangorde gewicht toe te kennen aan verschillen in ervaring. Dit
doel is op zichzelf niet strijdig met het bepaalde in de wetgeving gelijke
behandeling.

De vraag is echter, of de middelen die de wederpartij heeft gekozen om dit
doel te bereiken, geschikt en noodzakelijk zijn om het doel te bereiken.

De wederpartij maakt onderscheid tussen deeltijders en voltijders omdat
zij van mening is dat het opdoen van de gewenste ervaring een langere tijd
vergt voor een deeltijder dan voor een voltijder.

Zoals uit de jurisprudentie van het EG-Hof blijkt (Nimz, rechtsoverweging
14.) is een dergelijke overweging als niet meer dan een generaliserende
uitspraak te beschouwen, en voldoet zij niet als objectieve
rechtvaardiging. Volgens het Hof kunnen anciënniteit en beroepservaring
hand in hand gaan, maar hangt het objectieve karakter van een criterium
als anciënniteit af van alle omstandigheden van het individuele geval en
met name van het verband tussen de aard van de uitgeoefende functie en de
ervaring die de uitoefening van deze functie na een bepaald aantal
arbeidsuren verschaft. In dit kader acht de Commissie de jurisprudentie
inzake anciënniteit naar analogie van toepassing op de vragen rondom de
rangorde van benoeming.

Hieruit blijkt, dat het treffen van een algemene regeling waarbij
onderscheid tussen voltijders en deeltijders wordt gemaakt bij de opbouw
van anciënniteit, alleen dan gerechtvaardigd kan worden, wanneer een
dergelijke regeling gebaseerd is op de resultaten van onderzoek naar het
verband tussen de aard van de functie en de ervaring die in die functie
in een bepaald aantal arbeidsuren wordt opgedaan.

In casu is van een dergelijk onderzoek geen sprake. De wederpartij, die
oorspronkelijk zelf niet overtuigd was van de noodzaak om op dit punt een
regeling te treffen, is hiertoe pas overgegaan na langdurige
onderhandelingen en bij wijze van compromis met vertegenwoordigers van de
beroepsgroep.

Hieruit volgt, dat de wederpartij er niet in is geslaagd aan te tonen, dat
het onderscheid tussen deeltijders en voltijders in de regeling voor de
opbouw van dienstjaren in het kader van de rangorde van benoeming, berust
op objectieve gronden.

6. Het oordeel van de Commissie

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Minister van Justitie
indirect onderscheid maakt jegens vrouwen in strijd met artikel 1a van de
Wet gelijke behandeling door als bevoegd gezag de regeling betreffende de
rangorde van benoeming voor leden van de rechterlijke macht toe te passen
op rechters.

Rechters

Mrs. Mol-Bronkhorst, Goldschmidt, Hoens, Van Veen, Van Vleuten, drs.Sjerps.

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 30 september 1993

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Eiseres is in hoger beroep gegaan omdat door de president van de
rechtbank slechts ƒ 5.000,- immateriele schadevergoeding is toegekend.
In Amsterdam worden hogere vorderingen afgewezen. Het hof oordeelt dat de
omvang van de schade het gevorderde voorschot ruim te boven gaat en wijst
het gevorderde, ƒ 10.000,-, toe.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep Appellante is bij exploit van 15
februari 1993 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de president van
de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, in kort geding gewezen onder
nummer KG 93/233D tussen appellante als eiseres en geintimeerde als
gedaagde en uitgesproken op 4 februari 1993. Bij memorie van grieven heeft
appellante vijf grieven tegen dit vonnis aangevoerd en geconcludeerd dat
het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, althans voorzover in
dat vonnis slechts ƒ 5.000,- schadevergoeding toegewezen is in plaats
van het gevorderde, en met instandlating van het overige waartoe
geintimeerde is veroordeeld, opnieuw rechtdoende in kort geding,
geintimeerde alsnog zal veroordelen tot betaling aan appellante van ƒ
10.000,- voorschot op de te betalen schadevergoeding, vermeerderd met de
wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 januari 1993 tot de dag van
voldoening, met veroordeling van geintimeerde in de kosten van het geding
in beide instanties.

Bij memorie van antwoord heeft geintimeerde de grieven bestreden en
geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep met
veroordeling van appellante in de kosten van de procedure.

Partijen hebben de stukken van het geding in beide instanties aan het hof
overgelegd voor het wijzen van arrest. De inhoud van deze stukken dient
als hier ingelast.

2. De grieven

De grieven houden het volgende in:

Grief I: Onder punt 1.b. overweegt de president dat de man is veroordeeld
door de strafrechter tot 12 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden
voorwaardelijk ten uitvoer te leggen door middel van vervangende
dienstverlening. Dit is feitelijk onjuist. Grief II: Ten onrechte en
zonder motivering heeft de president slechts de helft van het gevorderde
schadebedrag toegewezen. Grief III: Ten onrechte heeft de president er bij
de vaststelling van het voorschot schadebedrag terzake van de immateriele
en materiele schade geen rekening mee gehouden dat de bodemprocedure
betreffende de uiteindelijke vaststelling van de schade nog geruime tijd
op zich moet laten wachten. Grieven IV en V: Ten onrechte heeft de
president slechts ƒ 5.000,- schadevergoeding toegewezen, in plaats van
het gevorderde bedrag ad ƒ 10.000,-.

3. De feiten waarvan het hof uitgaat

Appellante is van mening dat de straf waartoe geintimeerde veroordeeld is,
niet juist is weergegeven in rechtsoverweging 1 sub b van het vonnis
waarvan beroep. Voor de behandeling van de desbetreffende grief (grief I)
verwijst het hof naar r.o. 4.2. Voor het overige is de opsomming van
voorlopig vaststaande feiten in hoger beroep niet bestreden en dienen deze
feiten derhalve ook het hof tot uitgangspunt.

4. Beoordeling van het hoger beroep 4.1. De grieven II, IV en V slagen.
Vaststaat dat appellante als kind met grote regelmaat door geintimeerde
seksueel is misbruikt. Voorshands is voldoende aannemelijk gemaakt dat
appellante als gevolg hiervan materiele schade door verstoring van haar
loopbaan heeft geleden en nog lijdt alsmede immateriele schade in de vorm
van ernstig geestelijk letsel, als ook dat de omvang van deze schade het
door haar gevorderde voorschot ruim te boven gaat. Het door appellante
gestelde (en door geintimeerde niet, althans niet voldoende gemotiveerd
bestreden) belang is voldoende om toewijzing van het geeiste bedrag van
ƒ 10.000,- in kort geding te rechtvaardigen.

4.2. Nu het slagen van de grieven II, IV en V leidt tot toewijzing van het
door appellante gevorderde voorschot heeft zij bij de bespreking van de
grieven I en III geen belang.

4.3. Geintimeerde dient als in het ongelijk gestelde partij de kosten van
het hoger beroep te dragen.

5. Beslissing Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep; veroordeelt
geintimeerde om aan appellante tegen behoorlijk bewijs van kwijting te
betalen een bedrag van ƒ 10.000,- (tienduizend gulden), vermeerderd met
de wettelijke rente over dit bedrag sedert 21 januari 1993 tot aan de dag
der voldoening;

veroordeelt geintimeerde in de kosten van het geding in hoger beroep tot
op heden aan de zijde van appellante begroot op ƒ 1.473,38, op de voet
van artikel 57b Rv te voldoen aan de griffier van dit hof.

Deze zaak is gegarandeerd door het Proefprocessenfonds Rechtenvrouw.

Rechters

Mrs. Walkate, Luijken en Schut

Instantie: Rechtbank Arnhem, 30 september 1993

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Eiseres vordert ƒ 50.000,= immateriele en ƒ 4.237,= materiele
schadevergoeding na incest. Bij tussenvonnis van 10 september 1992
(opgenomen in de databank) wordt voor 3 deskundigen vragen geformuleerd
teneinde op basis van hun bevindingen een juridisch oordeel te kunnen
geven over de vraag of de psychische problemen van eiseres moeten worden
toegerekend aan de in rechte vastgestelde onrechtmatige handelingen van
gedaagde te weten: -het betasten van haar borsten -eenmaal bij haar in bed
stappen -het voeren van seksueel getinte gesprekken met haar. De psychische
klachten van eiseres hebben volgens de deskundigen met zeer grote
waarschijnlijkheid een trauma- gebonden ontstaansgeschiedenis, welke
gelegen is in de schending van de integriteit van de persoon van eiseres,
die reeds aangevangen is voor het jaar dat zij 14/15 was, dus voordat
gedaagde (in ieder geval) misbruik van haar gemaakt heeft. De rechtbank
oordeelt dat er een rechtstreeks verband is tussen de psychische klachten
van eiseres en de vastgestelde onrechtmatige handelingen van gedaagde.
Immers, het betreft hier een seksueel misbruik, dat een van de trauma’s
heeft doen ontstaan dan wel verergeren. Er blijft de mogelijkheid van
toerekening aan onrechtmatige daden door anderen jegens eiseres, doch het
is aan de daders om onderling uit te maken voor welk deel zij
draagplichtig zijn voor de schade van eiseres.

Toewijzing ƒ 23437,= materiele en immateriele schade.

Volledige tekst

1. De procedure

Voor het eerdere verloop van deze procedure wordt verwezen naar de tussen
partijen gewezen tussenvonnissen van 12 juli 1990, 27 februari 1992 en 10
september 1992. Het in het tussenvonnis van 10 september 1992 bepaalde
onderzoek door deskundigen heeft plaatsgevonden. De deskundigen hebben een
rapport uitgebracht dat zich bij de stukken bevindt (het bericht zit niet
in het procesdossier van gedaagde). Daarop hebben partijen beiden een
conclusie na deskundigenbericht genomen, eerst eiseres, daarna gedaagde.
Ten slotte hebben partijen wederom de stukken gefourneerd en vonnis
gevraagd.

Dit vonnis is bij ontstentenis van mr. C.N. Schoute-Dijkstra gewezen door
mr. J.P. Bordes.

2. Het geschil en de verdere beoordeling daarvan

2.1. De in het tussenvonnis van 27 februari 1992 noodzakelijk geachte
voorlichting door deskundigen diende om een juridisch oordeel te kunnen
geven over de vraag of de psychische problemen die eiseres stelt
ondervonden te hebben en te ondervinden toegerekend moeten worden aan de
in rechte vastgestelde onrechtmatige handelingen van gedaagde jegens
eiseres. De bevindingen waartoe de deskundigen gekomen zijn, worden
overgenomen; eiseres noch gedaagde hebben deze op zich bestreden.

2.2. De deskundigen hebben de in het tussenvonnis van 10 september 1992
geformuleerde vragen als volgt beantwoord. Op vraag a, die luidde:

“a. Wat is de aard en de omvang van de psychische problemen die zich bij
eiseres thans voordoen en die zich in het verleden hebben voorgedaan?”

zijn zij tot de bevindingen gekomen dat:

“Er is sprake (geweest) van drugs- en alcoholafhankelijkheid,
automutilatie, suicidaliteit, seksuele problemen, depressiviteit,
eetproblemen, matige tot ernstige dissociatieve symptomen, nachtmerries
en slaapproblemen, terugkerende psychosomatische klachten en
hyperventilatie. Bij de klachten als kind vallen vooral het langdurige
bedplassen en de sterke nachtelijke angsten op, waarvoor zij van haar
ouders geen steun leek te krijgen.

Wat betreft de huidige psychiatrische diagnose: Er is overeenstemming over
het feit dat het -gebaseerd op de informatie uit de gesprekken met mevrouw
Heijtmajer- gaat om een dissociatieve stoornis, t.w. een dissociatieve
stoornis NAO. Heijtmajer acht tevens de kans groot dat er in feite sprake
is van een meervoudige persoonlijkheidsstoornis (dat wil zeggen dat men
bij de behandeling op een dergelijke stoornis zal stuiten); de beide
andere deskundigen achten een dissociatieve stoornis NAO aanwezig, naast
een persoonlijkheidsstoornis. Mevrouw Hees observeerde vooral de ernstige
depressiviteit van betrokkene. Zij achtte een diagnose
persoonlijkheidsstoornis met gemengde kenmerken op zijn plaats. Dit
verschil in interpretatie betekent uitdrukkelijk niet dat men het niet
eens is dat het om ernstige symptomatologie gaat, die voor een groot deel
trauma-gerelateerd is. (…).”

2.3. Het bovenstaande brengt mee dat aangenomen wordt dat eiseres thans
lijdt aan psychische klachten die zich ontwikkeld hebben vanaf haar vroege
jeugd.

2.4. Op vraag e, naar andere feiten en omstandigheden die volgens de
deskundigen van belang kunnen zijn voor een goed begrip van de zaak,
hebben de deskundigen samengevat aangegeven dat de aangifte en de verdere
justitiele afwikkeling een bijzonder grote belasting voor eiseres waren
en zijn. Op grond van deze bevinding wordt aangenomen dat de emotionele
beleving die betrokkene ervaren heeft en ervaart door de aangifte en de
openheid die zij heeft moeten betrachten over wat haar is overkomen,
behoort tot de psychische klachten die eiseres had en heeft.

2.5. Op de vragen b. en c. luidende:

“b. Wat is het verband tussen de hierboven onder a. bedoelde psychische
problemen en de volgende handelingen van gedaagde bij eiseres in de
periode 1979/1980, te weten: -het betasten van haar borsten; -een maal bij
haar in bed stappen; -het voeren van seksueel getinte gesprekken met haar?
Wanneer slechts een deel van de psychische problemen van eiseres aan het
handelen van gedaagde te wijten is, om welke psychische problemen gaat het
dan?

c. Zijn er wellicht andere factoren die een bijdrage leveren aan de
klachten en problemen van eiseres en/of waren er pre- existente factoren
die eiseres extra kwetsbaar maakten voor deze klachten en problemen?”

zijn de deskundigen tot de bevindingen gekomen dat:

“Er bestaat overeenstemming over het feit dat een aantal klachten
trauma-gerelateerd en wel seksueel misbruik- gerelateerd zijn (ernstige
symptomen van post traumatische stress, zoals herbelevingen, “beelden” van
vader o.a. tijdens seksualiteit en het horen van zijn stem, nachtmerries,
de moeite om over het misbruik te praten). Van deze klachten is meer dan
aannemelijk dat zij met seksueel misbruik door vader verband houden. Op
grond van de onderzoeksliteratuur is er een zeer grote waarschijnlijkheid
dat de gehele symptomen-constellatie van onder 1. genoemde klachten en
symptomen een trauma-gebonden ontstaansgeschiedenis heeft. Er is
waarschijnlijk een verband met veel ernstiger en chronische traumatische
ervaringen dan bedoeld met de vastgestelde handelingen van gedaagde. Met
andere woorden: De feiten zoals bewezen verklaard in de gerechtelijke
stukken zijn onvoldoende om de ernst en duur van de klachten te verklaren.
Er moet -gezien de ernst van de klachten- meer gebeurd zijn. In het
interview met mevrouw Heijtmajer vertelt betrokkene dat zij ten tijde van
haar opname flarden van herinneringen terugkreeg aan seksuele betastingen
door vader op jonge leeftijd (6 jaar). In de ogen van de deskundigen
wijzen ook het lange bedplassen en de sterke nachtelijke angsten mogelijk
in de richting van seksueel misbruik, overigens zonder aanwijzingen door
wie dat gepleegd zou zijn. De door de rechter bewezen verklaarde feiten
kunnen dus niet het uitgebreide symptomencomplex verklaren. Voor het tot
ontwikkeling komen van een ernstige dissociatieve stoornis (MPS en DDNAO)
hebben in vrijwel alle gevallen voor het 6e levensjaar ernstige en
herhaalde trauma’s plaatsgevonden. Betrokkene heeft aangegeven ook voor
haar 14e al klachten te hebben gehad; bovendien kan zij zich een
gebeurtenis herinneren rond haar 6e jaar, waarbij seksueel
grensoverschrijdend gedrag plaatsvond. Het bewezen geachte gedrag geeft
aan dat er tenminste sprake was van een milieu waarin de integriteit van
een persoon werd geschonden en kan doen vermoeden dat er andere, eerdere
trauma’s zijn geweest, door dezelfde en/of andere daders. Het is niet
ongebruikelijk dat bij mensen met de psychische klachten en symptomen van
betrokkene in de loop van een psychotherapeutische behandeling zeer
ernstige vroege seksuele trauma’s openbaren. Afweer van deze herinneringen
-hetzij als gevolg van dissociative of verdringing- ontneemt in die
gevallen aanvankelijk het zicht op deze ervaringen. Het is mogelijk dat
dit ook bij mevrouw X. het geval is. Daarnaast is het waarschijnlijk dat
mevrouw X. meer dan zij zelf wellicht kan beseffen -omdat dat bijzonder
pijnlijk is en zij thans veel steun van moeder geniet-, ook geleden heeft
onder de verwaarlozing en fysieke agressie die zij van beide ouders
ondervond. Het is niet uitzonderlijk dat er sprake is van een combinatie
van seksueel misbruik, fysieke agressie en verwaarlozing.”

2.6. Samengevat houdt het antwoord van de deskundigen op de vragen b. en
c. in dat de psychische klachten van eiseres, waaronder de onder 2.4.
verwoorde emotionele beleving zeer waarschijnlijk het gevolg zijn van de
schending vanaf haar vroege jeugd van de integriteit van haar persoon door
een combinatie van seksueel misbruik door vader en/of anderen, en van
fysieke agressie en affectieve verwaarlozing door beide ouders.

2.7. De geciteerde bevindingen van de deskundigen op de vragen b. en c.,
zoals samengevat onder 2.6., leiden tot het navolgende oordeel over de
vraag of en in hoeverre de psychische klachten van eisers toegerekend
dienen te worden aan de in rechte vastgestelde onrechtmatige handelingen
die gedaagde jegens eiseres heeft begaan.

2.8. Anders dan gedaagde heeft betoogd, bestaat er een rechtstreeks
verband tussen de psychische klachten en de in rechte vastgestelde
onrechtmatige daad van gedaagde jegens eiseres. De hem verweten
onrechtmatige handelingen bestaan immers uit een seksueel misbruik, dat een
van de trauma’s heeft doen ontstaan danwel verergeren die oorzaak zijn van
de psychische klachten van eiseres.

2.9. De psychische klachten van eiseres hebben volgens de deskundigen met
“zeer grote waarschijnlijkheid” een “traumagebonden ontstaansgeschiedenis”
welke gelegen is in de schending van de integriteit van de persoon van
eiseres, die reeds aangevangen is voor het jaar dat zij 14/15 was, dus
voordat gedaagde (in ieder geval) misbruik van haar gemaakt heeft. De aard
van de aansprakelijkheid van gedaagde is dat hij de geestelijke en
lichamelijke integriteit van gedaagde geschonden heeft. De schade die
eiseres gevorderd heeft bestaat uit immateriele schade wegens persoonlijk
lichamelijk en geestelijk lijden en uit materiele schadeposten die zij
heeft moeten maken vanwege of in verband met dit lijden. Gezien de aard
van zijn aansprakelijkheid en de aard van de gevorderde schade dienen de
psychische klachten toegerekend te worden aan de in rechte vastgesteld
onrechtmatige handelingen die gedaagde heeft begaan jegens eisers. Dit ook
al houden deze klachten met zeer grote waarschijnlijkheid mede verband met
eerdere trauma’s die zij heeft opgelopen ten gevolge van eerder seksueel
misbruik door “gedaagde en/of andere daders”, met affectieve verwaarlozing
en fysieke agressie daarvoor en daarna door haar beide ouders en ook al
zijn haar klachten en symptomen ernstiger en langer van duur dan in de
normale lijn der verwachtingen ligt omtrent de gevolgen van het in rechte
vastgestelde onrechtmatig handelen van gedaagde. De toerekening zou
slechts niet op zijn plaats zijn onder bijzondere omstandigheden. Als
zodanig mag de omstandigheid dat de psychische klachten van eiseres reeds
voor haar 14e/15e levensjaar bestonden danwel in ontwikkeling waren
gekomen echter niet aangemerkt worden. Dit temeer in dit concrete geval
niet daar de klachten vermoedelijk hun ontstaan hebben gehad in het milieu
waarin zij is opgegroeid, dat in ieder geval in haar kinderjaren bepaald
is (en in positieve zin bepaald had moeten worden) door haar ouders. Zij
is immers in het ouderlijk huis opgegroeid. In dit verband wordt nog eens
herhaald de bevinding van de deskundigen: “Bij de klachten als kind vallen
vooral het langdurig bedplassen en de sterke nachtelijke angsten op,
waarvoor zij van haar ouders geen steun leek te krijgen”, en de bevinding
dat de psychische klachten van eiseres mede hun ontstaan hebben in
trauma’s die gerelateerd zijn aan affectieve verwaarlozing en fysieke
agressie van beide ouders. Gedaagde heeft geen bijzondere omstandigheden
aangevoerd.

2.10. De toerekening van de psychische klachten aan het in rechte
vastgestelde onrechtmatig handelen van gedaagde laat onverlet dat die
stoornis tevens zou kunnen worden toegerekend aan onrechtmatige daden die
anderen jegens eiseres begaan hebben en die daarmee in rechtstreeks
verband staan. Er is dan sprake van samenlopende aansprakelijkheid naar
het voor 1 januari geldende recht en hoofdelijke aansprakelijkheid naar
het sindsdien geldende recht. Het is evenwel aan de daders om onderling
uit te maken voor welk deel zij draagplichtig zijn voor de schade van
eiseres. Het is onbillijk eiseres daarmee te belasten.

2.11. Eiseres heeft gemotiveerd gesteld dat zij een bedrag van ƒ 4.237,03
aan materiele schade heeft geleden, naast immateriele schade. De totale
schade, zowel voor het verleden en als voor de toekomst, begroot zij op
een bedrag van ƒ 50.000,=. Gedaagde heeft noch bestreden dat eiseres de
gestelde materiele schadeposten heeft gehad, noch dat zij nadelige
gevolgen heeft ondervonden en nog zal ondervinden in he psychische vlak.

2.12. Gedaagde heeft zich (naast de reeds behandelde verweren dat tussen
de schade en zijn onrechtmatige handelingen geen causaal verband bestaat
en dat de schade daaraan niet kan worden toegerekend) verweerd met de
stelling dat hij eiseres in het verleden ruimschoots ondersteund heeft.
Eiseres heeft die ondersteuning betwist voorzover dit een bedrag van ƒ
750,= te boven zou zijn gegaan. Gedaagde heeft aangegeven geen ander
bewijs van de ondersteuning voorhanden te hebben dan twee
stortingsbewijzen voor stortingen van respectievelijk ƒ 300,= op 24 mei
1988 en ƒ 500,= op 1 oktober 1987. Beide dateren van nadat eiseres 21
jaar was, zodat ze niet vallen onder de wettelijk afdwingbare verplichting
tot onderhoud die op gedaagde jegens eiseres rustte. Deze bedragen zullen
in mindering gebracht worden op de materiele schade die eiseres stelt
geleden te hebben.

2.13. Gedaagde heeft verder aangevoerd dat hij niet genoeg draagkracht
heeft om de totale gevorderde schade te kunnen betalen. Hij geniet een
pensioen van ƒ 2.662,15 per maand, zijn vaste lasten over die periode
bedragen in totaal ƒ 1.027,37. Gedaagde heeft daarom matiging verzocht.
Eiseres heeft de financiele positie van gedaagde niet bestreden. Het
verzoek om matiging zal worden gehonoreerd op de voet van artikel 1407 lid
2 oud BW, dat te deze van toepassing is ingevolge het bepaalde in de
artikelen 68a lid 2 jo. 173 lid 2 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek.
De matiging zal worden verdisconteerd in de omvang van het toe te wijzen
bedrag aan immateriele schadevergoeding. Gelet op de materiele schade die
in rechte vastgesteld kan worden, op de immateriele schade die eiseres
geleden heeft in het verleden en in de toekomst, en die naar redelijkheid
wordt vastgesteld, en op de draagkracht van gedaagde, zal gedaagde
veroordeeld worden om aan eiseres een bedrag van ƒ 3.437,03 aan materiele
schade en een bedrag van ƒ 20.000,= aan immateriele schade te betalen.

2.14. Nu gedaagde in overwegende mate in het ongelijk is gesteld, zal hij
veroordeeld worden in de kosten van de procedure, waaronder de kosten van
het deskundigenbericht.

3. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende;

veroordeelt gedaagde om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting
een bedrag van in totaal ƒ 23.437,03 (zegge
drieentwintigduizendvierhonderdzevenendertig gulden en drie cent) te
betalen; veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure, welke aan
de zijde van eiseres tot op heden begroot zijn op ƒ 7.029,30, waarvan te
betalen: 1. aan de griffier van deze rechtbank op postbankrekening nr.
935462 ten name van Gerecht 533 arrondissementsrechtbank te Arnhem, onder
vermelding van: derdenrekening 612 rechtbank, rolnummer 1990/232, het
bedrag van ƒ 6.879,30, te weten: – ƒ 66,80 wegens kosten dagvaarding; –
650,= wegens in debet gesteld griffierecht; – ƒ 2.062,50 wegens de kosten
van het deskundigenbericht; – ƒ 3.200,= voor salaris van de procureur, en
2. aan eiseres het restant van ƒ 150,= wegens haar eigen aandeel in het
griffierecht;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr. Bordes

Instantie: Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 17 september 1993

Instantie

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


De man vordert ƒ 2.000,- alimentatie van de vrouw. De rechtbank
wijst de vordering af. De man zal waarschijnlijk in levensstandaard terug
moeten, maar gezien zijn leeftijd, de duur van het huwelijk en het feit
dat de man geen verdere verzorgingsverplichtingen heeft jegens anderen,
gevoegd bij het feit dat de man door het huwelijk niet is geschaad in zijn
carriere of verdiencapaciteit is dit geenszins onredelijk te achten, noch
in strijd met de wettelijke maatstaven.

Volledige tekst

De partijen worden verder aangeduid als de vrouw en de man.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende overgelegde stukken:

-de dagvaarding en de zakelijk daarmee overeenstemmende conclusie van eis;

-de conclusie van antwoord;

-de conclusie van repliek;

-de conclusie van dupliek;

-de bij de diverse stukken overgelegde produkties;

De vorderingen

De vrouw vordert -kort weergegeven-;

-echtscheiding, althans scheiding van tafel en bed,

met de navolgende nevenvordering:

-bevel tot boedelscheiding met benoeming van een notaris en een onzijdig
persoon, voorzover er tussen partijen gemeenschap van goederen bestaat;

-het huurrecht van de echtelijke woning;

De man vordert -kort weergegeven-:

-alimentatie voor zichzelf.

De beoordeling

Blijkens de overgelegde bewijsstukken zijn partijen met elkaar gehuwd te
Weesp op 30 oktober 1987 en hebben zij een minderjarig kind, zoals in de
dagvaarding vermeld.

De vrouw heeft de Nederlanse en de man de Franse nationaliteit.

Omdat partijen meer dan zes maanden woonplaats in Nederland hebben komt
de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.

Op de vordering wordt Nederlands recht toegepast, om dat de keuze van de
vrouw voor dat recht niet is weersproken. (art. 1 lid 4 Wet
Conflictenrecht echtscheiding d.d. 25 maart 1981, Staatsblad 166).

De echtscheiding wordt gevorderd op grond van de stelling, dat het
huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht.

De duurzame ontwrichting is door de wederpartij niet betwist, zodat deze
tussen partijen vaststaat en de vordering tot echtscheiding kan worden
toegewezen.

Partijen zijn blijkens de in dit opzicht niet weersproken stellingen der
dagvaarding buiten gemeenschap van goederen gehuwd.

De vordering met betrekking tot boedelscheiding, voorzover er niettemin
enige gemeenschap van goederen zou zijn, zal worden afgewezen omdat de
gedingstukken geen aanknopingspunt bevatten omtrent het door partijen bij
huwelijkse voorwaarden gekozen rechtsstelsel noch enig aanknopingspunt
omtrent aard en omvang van een eventueel ontstane gemeenschap. De
rechtbank acht de vorderng derhalve onvoldoende bepaald.

De vordering met betrekking tot het huurrecht van de echtelijke woning is
wel voor toewijzing vatbaar nu daartegen geen verweer is gevoerd.

De man vordert van de vrouw een bijdrage in zijn kosten van
levensonderhoud van (naar de rechtbank begrijpt) ƒ 2.000,- per maand,
stellende dat hij aan dat bedrag behoefte heeft en dat de vrouw de
draagkracht heeft om dit bedrag te betalen. Hij is intussen gewend aan een
hoog welstandsniveau en de abrupte daling daarvan is niet in
overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

De vrouw betwist de behoefte van de man aan de door hem verzochte bijdrage
in de kosten van levensonderhoud met de stelling, dat de man genoegzame
eigen inkomsten heeft om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien.
Bovendien is het huwelijk van zodanig korte duur geweest, dat het niet
redelijk zou zijn haar met een alimentatieplicht jegens de man te
belasten.

Voorts beroept de vrouw zich op een gemis aan financiele draagkracht tot
betaling van deze bijdrage, nu zij ook de zorg heeft voor een minderjarig
kind en haar beroep vele extra kosten met zich brengt.

De rechtbank gaat bij haar beoordeling van de financiele situatie van de
man uit van een inkomen, dat de man sinds 1 april 1993 in Frankrijk geniet
van 5500 franse francs, hetgeen volgens hem zou neerkomen op ongeveer ƒ
1.800,- netto per maand. Hij heeft geen bijzondere lasten aangevoerd,
behalve de verplichting hem opgelegd bij voorlopige voorzieningen om bij
te dragen in het levensonderhoud van zijn dochter. Bij diezelfde
voorzieningen is het kind voorlopig aan de moeder toevertrouwd.

Hoewel de man uitdrukkelijk kenbaar maakt, dat hij de verzorging van zijn
dochter op zich wil nemen en bij dit vonnis daarom een ouderverhoor zal
worden bevolen, gaat de rechtbank ter bepaling thans van de behoefte van
de man aan levensonderhoud uit van de huidige situatie aangevuld met de
veronderstelling, dat de man van zijn bijdrage in het levensonderhoud van
zijn dochter zal worden ontheven. Mocht na ouderverhoor anders worden
beslist, dan levert zulks een wijziging van omstandigheden op, die
vanzelfsprekend tot wijziging van de thans te geven beslissing aanleiding
kan vormen.

In de aldus gegeven omstandigheden is de rechtbank van oordeel, dat de man
geen behoefte heeft aan ondersteuning van de vrouw. Hem moet weliswaar
worden nagegeven dat hij waarschijnlijk in levensstandaard terug zal
moeten, maar gezien zijn leeftijd en de duur van het huwelijk gevoegd bij
een feit, dat hij alsdan geen verzorgingsverplichtingen heeft jegens
anderen acht de rechtbank zulks niet onredelijk of in strijd met de
wettelijke maatstaven. Ook is niet gesteld of gebleken, dat de man door
het huwelijk in zijn carriere of verdiencapaciteit is geschaad. Mede in
het licht van de omstandigheid, dat onweersproken is gebleven de stelling
van de vrouw, dat de man in zijn vorige baan te Rotterdam ongeveer ƒ
3.000,- per maand netto verdiende en het verleggen van zijn activiteiten
naar Frankrijk kennelijk zijn eigen keuze is, zal zijn vordering tot
levensonderhoud dan ook worden afgewezen.

De proceskosten zullen worden gecompenseerd als na te melden.

De beslissing:

De rechtbank:

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen die op 30 oktober 1987 te
Weesp met elkaar zijn gehuwd;

bepaalt dat partijen door tussenkomst van hun procureur zich schriftelijk
over de gezagsvoorziening, de kinderalimentatie en de omgangsregeling of
gezamenlijke uitoefening van de ouderlijke macht over het kind: S. geboren
te … op 3 mei 1988,

kunnen uitlaten uiterlijk zeven dagen voor de zitting van de enkelvoudige
kamer van deze rechtbank van dinsdag 26 oktober 1993;

bepaalt dat de vrouw vanaf de dag waarop dit vonnis zal zijn ingeschreven
in de registers van de burgerlijke stand huurster zal zijn van de woning
te … aan de …straat;

wijst het meer of anders gevorderde af;

compenseert de proceskosten zo, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mr. Van der Reijt

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 17 september 1993

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Als tussen een biologische vader en een kind dat is geboren binnen
306 dagen nadat het huwelijk van moeder is ontbonden, een relatie bestaat
die als gezinsleven aangemerkt kan worden, dan mag de ambtenaar van de
burgerlijke stand niet weigeren de benodigde akten op te maken. De Hoge
Raad oordeelt dat het bepaalde in art. 1:198 BW een inmenging in het
tussen de vader en het kind bestaande gezinsleven oplevert. Weliswaar had
dit beletsel door in het huwelijk te treden weggenomen kunnen worden maar
ook dit acht de Hoge Raad een inmenging omdat het de ouders dwingt tot
een door hen niet gewenst huwelijk.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 10 juni 1991
gedateerd verzoekschrift hebben verzoekers tot cassatie -hierna ook aan
te duiden als de moeder, onderscheidenlijk D -zich gewend tot de
rechtbank te Rotterdam met een -bij het beroepschrift aangevuld- verzoek
om (1) te bepalen dat door de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de
gemeente Rotterdam en/of van de gemeente Vlaardingen een akte zal worden
opgemaakt, houdende ontkenning door de moeder dat haar zoon A, geboren
te Rotterdam op 6 december 1990, derhalve binnen 306 dagen na ontbinding
van haar huwelijk met S , het kind van deze S is, en voorts houdende
erkenning van het kind door D en (2) te gelasten dat, ter verbetering van
de registers van de Burgerlijke Stand van de gemeente Rotterdam c.q.
Vlaardingen, op de geboorteakte nr. C1283 van 7 december 1990
kantmeldingen met betrekking tot de hiervoor bedoelde akte van ontkenning
en erkenning zullen worden geplaatst. Nadat de Officier van Justitie in
het arrondissement Rotterdam had geconcludeerd tot afwijzing van het
verzoek, heeft de Rechtbank bij beschikking van 3 februari 1992 het
verzoek afgewezen. Tegen deze beschikking hebben verzoekers hoger beroep
ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage, dat bij beschikking van
18 september 1992 de beschikking van de rechtbank heeft bekrachtigd. De
beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het Hof hebben
verzoekers beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze
beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De conclusie van de
advocaat-generaal Moltmaker strekt tot vernietiging van de beschikking
van het Hof en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof te
verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende
worden uitgegaan. Op 6 december 1990, zijnde binnen 306 dagen na de
ontbinding van het huwelijk van de moeder met S voornoemd door
inschrijving van een desbetreffende echtscheidingsvonnis in de registers
van de Burgerlijke Stand te Rotterdam, is de moeder aldaar bevallen van
een zoon. Deze is verwekt door D, die sedert 1987 met de moeder
samenleeft als waren zij gehuwd. Van zijn geboorte af maakt het kind deel
uit van dit gezin; de moeder is voogdes over hem en D toeziend voogd. De
moeder en D zijn niet met elkaar gehuwd en wensen om hen moverende
redenen ook niet met elkaar in het huwelijk te treden. Op deze grond, en
met verwijzing naar het bepaalde in art. 1:198 lid 3 BW, heeft de
Ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de gemeente Vlaardingen geweigerd
gevolg te geven aan een door de moeder en D tot hem gericht verzoek tot
het opmaken, op de voet van dat wetsartikel, van een akte houdende
ontkenning door de moeder dat haar zoon het kind is van haar vroegere
echtgenoot voornoemd, en tevens houdende erkenning van het kind door D.
In dit geding hebben de moeder en D de Rechtbank verzocht te bepalen dat,
kort gezegd, de Ambtenaar van de Burgerlijke stand de door hen verlangde
akte zal opmaken en kanttekeningen daarvan zal plaatsen op de
geboorteakte van het kind. Ten grondslag aan dit verzoek hebben zij
aangevoerd * samengevat weergegeven * dat, nu D de biologische vader van
het kind is en met het kind in gezinsverband samenleeft, de tussen hen
bestaande relatie als `family life’/`vie familiale’ in de zin van art.
8 EVRM heeft te gelden, zodat zij in beginsel over en weer aanspraak erop
hebben dat deze relatie rechtens wordt erkend als familierechtelijke
rechtsbetrekking, dat op grond hiervan aan D in beginsel de mogelijkheid
van erkenning van het kind niet kan worden onthouden, en dat derhalve de
weigering van de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand om de door de moeder
en D verlangde akte op te maken een inbreuk vormt op het bepaalde in
voormeld verdragsartikel. De Rechtbank heeft dit betoog verworpen op
grond van haar oordeel, kort gezegd, dat de in art. 1:198 lid 3 vervatte
restrictie op de door lid 1 geboden mogelijkheid tot ontkenning
onderscheidenlijk erkenning niet een inmenging in het door art. 8 lid 1
gewaarborgde `family life’/`vie familiale’ oplevert en dat, zo dit al
anders mocht zijn, die restrictie in ieder geval binnen de bij lid 2 van
dat verdragsartikel gestelde grenzen blijft, nu zij bij de wet is
voorzien en strekt ter bescherming van het belang van het kind. Het Hof
heeft dit oordeel tot het zijne gemaakt. Daartegen kant zich het middel.

3.2. Uit de omstandigheden van het geval, gelijk hiervoor onder 3.1
weergegeven, vloeit voort dat de tussen D en het kind bestaande relatie
moet worden aangemerkt als `family life’/`vie familiale’ in de zin van
art. 8 lid 1. Dit brengt mee dat zij er over en weer aanspraak op hebben
dat die relatie rechtens wordt erkend als familierechtelijke
rechtsbetrekking (HR 10 november 1989, NJ 1990, 450). Daaruit volgt dat
het bepaalde in art. 1:198 lid 3, anders dan Rechtbank en Hof hebben
geoordeeld, een inmenging in het tussen D en het kind bestaande `family
life’/`vie familiale’ oplevert. Die bepaling belet D immers het kind te
erkennen en aldus te bewerkstelligen dat zijn relatie tot het kind het
karakter krijgt van een door de wet erkende familierechtelijke
rechtsbetrekking. Weliswaar hadden D en de moeder dit beletsel kunnen
wegnemen door binnen een jaar na de geboorte van het kind met elkaar in
het huwelijk te treden, maar ook in zoverre levert de bepaling een
inmenging als hier bedoeld op, nu zij ertoe leidt dat D en de moeder,
teneinde de door hen gewenste erkenning mogelijk te maken, tot het
sluiten van een door hen juist niet gewenst huwelijk zouden worden
genoopt.

3.3. Voor het antwoord op de vraag of die inmenging in het bij art. 8 lid
2 bepaalde rechtvaardiging vindt, is van betekenis de aan art. 1:198 lid
3 ten grondslag liggende belangenafweging. Deze bepaling, in art. 1:198
ingevoegd bij de derde Nota van Wijziging (11 maart 1957), heeft tot
strekking te waarborgen dat het kind als gevolg van de toepassing van het
eerste lid niet de staat van wettig kind zou verliezen (parl. Gesch. Boek
1 blz. 534). Ten aanzien van gevallen als het onderhavige, waarin zich
een conflict voordoet tussen het belang van het kind om de staat van
wettig kind te behouden, en zijn belang om in familierechtelijke
betrekking te staan tot zijn biologische vader, heeft bij de
totstandkoming van het artikel het eerste belang dus zwaarder gewogen.
Gedurende de sedertdien verstreken decennia is met betrekking tot het aan
die belangen toe te kennen gewicht evenwel een verschuiving opgetreden.
Als uitvloeisel van de jurisprudentie van het Europese Hof voor de
rechten van de mens (EHRM 13 juni 1979, NJ 1980, 462, inz. Marckx) is het
onderscheid tussen wettige en natuurlijke erkende kinderen voor een
belangrijk gedeelte uit de Nederlandse wetgeving verdwenen, waardoor het
belang van het kind dat het, in geval van toepassing van art. 1:198 lid
1, zijn wettige staat niet verliest, thans minder zwaar weegt ten
opzichte van zijn belang gemoeid met het samenvallen van de biologische
en de familierechtelijke relatie tussen vader en kind, dan ten tijde van
de totstandkoming van Boek 1 BW.

3.4. Een en ander in aanmerking genomen, kan niet worden gezegd dat ten
aanzien van die gevallen waarin de relatie tussen het kind en diens
biologische vader als `family life’/`vie familiale’ heeft te gelden,
onderlinge afweging van de hiervoor bedoelde belangen van het kind ook
thans nog naar de maatstaf van art. 8 lid 2 voldoende rechtvaardiging
biedt voor de door art. 1:198 lid 3 teweeggebrachte inmenging. Dit brengt
mee dat het bepaalde in art. 1:198 lid 3 in dit geval geen toepassing kan
vinden en de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand ten onrechte heeft
geweigerd gevolg te geven aan het door de moeder en D tot hem gerichte
verzoek om op de voet van art. 1:198 lid 1 de door hen verlangde akte op
te maken. Weliswaar kunnen de verklaring van de moeder en de erkenning
door D thans niet meer met inachtneming van de bij art. 1:198 lid 2
gestelde termijn geschieden, maar een redelijke toepassing van deze
bepaling leidt onder de gegeven omstandigheden tot het oordeel dat, nu
het verzoek tot het opmaken van de akte binnen die termijn is gedaan, de
alsnog door de moeder af te leggen verklaring en door D te verrichten
erkenning nochtans gevolg zullen hebben.

3.5. Uit het vorenoverwogene volgt dat het middel doel treft, ’s Hofs
beschikking en de daarbij bekrachtigde beschikking van de Rechtbank niet
in stand kunnen blijven en de Hoge Raad het geding zelf kan afdoen.

4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de beschikking van het Gerechtshof
te ‘s-Gravenhage van 18 september 1992 en de daarbij bekrachtigde
beschikking van de Rechtbank te Rotterdam van 3 februari 1992; bepaalt
dat door de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de gemeente Rotterdam
van 3 februari 1992; bepaalt dat door de Ambtenaar van de Burgerlijke
Stand van de gemeente Rotterdam of de gemeente Vlaardingen een akte zal
worden opgemaakt, houdende ontkenning door F dat het te Rotterdam op 6
december 1990 -derhalve binnen 306 dagen na de ontbinding van haar
huwelijk met S -uit haar geboren kind A het kind van die S is, en tevens
houdende erkenning van dat kind door D; gelast de Ambtenaar van de
Burgerlijke Stand van de gemeente Rotterdam om, ter verbetering van het
register van geboorten, op de daarin voorkomende akte nr. C1283 van 7
december 1990 betreffende de geboorte van voornoemd kind, kantmeldingen
te plaatsen met betrekking tot de in voege als vorenbedoeld op te maken
akte van ontkenning en erkenning; compenseert de kosten van het geding
in drie instanties aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Royer, Mijnssen, Korthals Altes, Heemskerk, Nieuwenhuis

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 16 september 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De arbeidsovereenkomst van zes maanden van verzoekster is half juni
1992 omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Eind 1992
werd verzoekster zwanger en verzocht de wederpartij na haar zwangerschaps-
en bevallingsverlof vier dagen per week te mogen werken. Begin maart 1993
deelde de wederpartij mee het niet wenselijk te achten dat verzoekster na
haar zwangerschaps- en bevallingsverlof haar functie zou blijven
uitoefenen en het dienstverband met haar wilde beeindigen. Als reden
hiervoor werd opgegeven dat de functie niet in deeltijd kon worden
uitgeoefend en verzoekster niet naar behoren functioneerde. In mei 1993
heeft de wederpartij een verzoekschrift ingediend bij de Kantonrechter met
het verzoek de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De Commissie heeft
geoordeeld dat nu niet aannemelijk is gemaakt dat verzoekster
disfunctioneerde en de wederpartij de mogelijheden om de functie in
deeltijd te vervullen onvoldoende heeft onderzocht, de zwangerschap en het
moederschap van verzoekster een (doorslaggevende) rol hebben gespeeld bij
de voorgenomen beeindiging van de arbeidsovereenkomst met verzoekster.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 25 april 1993 verzocht mevrouw mr R. te Arnhem (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid met spoed haar oordeel uit te spreken over de vraag of De
Kempenaer Soons Advocaten te Arnhem (hierna: de wederpartij) onderscheid
maakt op grond van geslacht in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

1.2. Verzoekster is van mening dat de wederpartij haar dienstverband wil
beeindigen vanwege het feit dat zij een kind heeft gekregen en haar
verzoek om in deeltijd te mogen werken. De wederpartij stelt het
dienstverband te willen beeindigen omdat verzoekster niet goed
functioneert en vanwege de wens van verzoekster haar functie in deeltijd
uit te oefenen, hetgeen in haar functie niet mogelijk is.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en conform het
verzoek van verzoekster de spoedprocedure toegepast. Partijen zijn
opgeroepen voor een zitting op 27 juli 1993. Voorafgaand aan de zitting
is bij de wederpartij nadere informatie opgevraagd.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster mw mr R. (verzoekster) mw mr M.P.L.M.
Buijsrogge (advocaat)

van de kant van de wederpartij dhr mr P.M. Wilmink (hoofd Personeelszaken)

mw S. (collega verzoekster; getuige)

van de kant van de Commissie mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter) mw drs
J.A.M. Stolwijk (lid Kamer) mw mr M. de Rooij (lid Kamer) mw mr M.J.M.G.
van Dorsten (adjunct-secretaris)

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is vanaf 18 december 1991 voor zes maanden als
secretaresse van de rol- en procuratenadministratie in dienst gekomen van
de wederpartij, een advocatenkantoor. Op 18 juni 1992 is de
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd omgezet in een voor onbepaalde
tijd.

In januari 1991 is de wederpartij een fusie aangegaan met een ander
advocatenkantoor. In juni 1992 zijn de rol- en procuratenadministraties
van de beide kantoren samengevoegd.

3.2. In het najaar van 1992 werd verzoekster zwanger. In november 1992
stelde verzoekster de maat belast met personeelszaken (PZ) hiervan op de
hoogte en verzocht tevens om na haar zwangerschaps- en bevallingsverlof
vier dagen per week te mogen werken. In januari 1993 deelde de wederpartij
mee dat de functie van verzoekster niet in deeltijd kon worden vervuld.
Op 2 februari 1993 heeft verzoekster schriftelijk een beroep gedaan op de
Wet Ouderschapsverlof, met het verzoek om gedurende zes maanden na haar
bevallingsverlof drie dagen per week te mogen gaan werken. Een collega van
verzoekster, die voorheen het werk van verzoekster verrichtte, had zich
bereid verklaard de opengevallen twee dagen per week op te vullen. Deze
collega is bij de zitting van 27 juli 1993 als getuige aanwezig geweest.

3.3. Bij brief d.d. 10 maart 1993 heeft de wederpartij verzoekster
meegedeeld het niet wenselijk te achten dat zij na haar zwangerschaps- en
bevallingsverlof haar functie zou blijven uitoefenen en het dienstverband
met verzoekster te willen beeindigen. Als reden hiervoor werd opgegeven
dat de functie niet in deeltijd kon worden uitgeoefend en verzoekster niet
naar behoren functioneerde. Hierbij stelde de wederpartij voor, wegens
verandering in omstandigheden, de Kantonrechter te verzoeken de
arbeidsovereenkomst te ontbinden met toekenning van een vergoeding van
drie maandsalarissen. Bij brief van 25 maart 1993 heeft verzoekster
meegedeeld niet akkoord te gaan met het voorstel van de wederpartij.

3.4. Begin februari 1993 heeft de wederpartij een advertentie geplaatst
voor een voltijd medewerker op de rol- en procuratenadministratie. Sinds
1 april 1993 is bij de wederpartij een voltijd medewerker in vaste dienst
werkzaam in de functie van verzoekster.

3.5. Op 11 mei 1993 is het kind van verzoekster geboren. Het
zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft geduurd van 5 april 1993 tot 3
augustus 1993. Na deze periode heeft verzoekster vakantie opgenomen tot
23 augustus 1993. Het gevraagde ouderschapsverlof is verzoekster verleend,
met dien verstande dat de wederpartij verzoekster heeft meegedeeld dat zij
na haar bevallingsverlof op non-actief zal worden gesteld.

3.6. Op 17 mei heeft de wederpartij een verzoekschrift ingediend bij de
Kantonrechter met het verzoek de arbeidsovereenkomst met verzoekster te
ontbinden.

De standpunten van partijen

3.7. Verzoekster stelt dat het toenmalige hoofd PZ in het najaar van 1992
mondeling akkoord is gegaan met haar verzoek om in deeltijd te gaan
werken, waarbij hij opmerkte dat haar voorgangster zeker bereid zou zijn
haar te vervangen. Deze voorgangster had zich tegenover verzoekster reeds
bereid verklaard haar op de rol- en procuratenadministratie te vervangen.
Begin februari 1993 verzocht verzoekster om een gewijzigde schriftelijke
arbeidsovereenkomst, met daarin een vermindering van de te werken uren per
week. Het hoofd PZ heeft haar -in tegenstelling tot de eerdere toezegging-
vervolgens meegedeeld dat haar functie onmogelijk in deeltijd kan worden
vervuld en heeft haar tevens verzocht ontslag te nemen. Verzoekster is van
mening dat haar functie wel in deeltijd kan worden vervuld.

3.8. Zij ontkent uitdrukkelijk dat de wederpartij tot het moment van de
brief van 10 maart 1993 ooit enige kritiek heeft gegeven in woord of
geschrift over haar functioneren of op haar persoon. Zij is van mening dat
de voorgenomen beeindiging van haar dienstverband is ingegeven door het
feit dat zij een kind heeft gekregen en door haar verzoek om in deeltijd
te mogen werken. Zij betwist de stelling van de wederpartij dat er een of
meer functioneringsgesprekken zijn gehouden. Hiervan is ook niets op
papier gesteld. Het onderwerp van de gesprekken die hebben plaatsgevonden
voor 10 maart 1993, had betrekking op het verzoek om in deeltijd te mogen
werken. Verzoekster meent dat zij niet minder snel en ordelijk werkt dan
haar voorgangers. Een vergelijking is niet reeel omdat in 1992 het aantal
procuratenzaken sterk is toegenomen. Door de samenvoeging van de rol- en
procuratenadministraties in juni 1992 zijn er ongeveer 125 dossiers
bijgekomen. Bovendien zijn er in vergelijking met het jaar daarvoor in
1992 meer procuraten ingeschreven. In 1991 werden 432 en in 1992 werden
644 procuraten ingeschreven. De werkdruk is in 1992 dan ook sterk
toegenomen.

Onjuist is dat zij in haar werkzaamheden de verkeerde prioriteit legt en
er een gebrek is aan snelheid en kwaliteit van haar werk. Hetzelfde geldt
voor de samenwerking met collega’s die niet goed zou verlopen, de wanorde
die op haar kamer zou heersen en instructies die verkeerd worden verwerkt.

3.9. Verzoekster ontkent eveneens dat zij niet aan de automatisering mee
wilde werken en geen cursus met betrekking tot de automatisering van de
rol- en procuratenadministratie of andere doelgerichte cursussen heeft
willen volgen. Bij de installering van de computer is twee dagen cursus
gegeven, welke zij met een collega heeft gevolgd. Zonder overleg met haar
en deze collega heeft de wederpartij de laatste vervolgens belast met de
werkzaamheden op de automatisering.

3.10. Tenslotte heeft verzoekster meegedeeld dat, ofschoon zij de bezwaren
die de wederpartij heeft tegen het in deeltijd vervullen van haar functie
niet deelt, zij uiteindelijk bereid is voltijds te blijven werken. Er is
dan ook geen grond meer voor de stelling van de wederpartij dat een
vruchtbare samenwerking niet langer mogelijk is.

3.11. De wederpartij stelt dat het dienstverband met verzoekster dient te
worden beeindigd om twee redenen. Zij functioneert niet naar behoren en
er wordt niet verwacht dat dit in de toekomst in positieve zin zal
wijzigen. Daarnaast heeft zij de wens te kennen gegeven in het vervolg
haar functie in deeltijd te mogen uitoefenen, hetgeen gezien de aard van
de werkzaamheden niet mogelijk is.

3.12. Ten aanzien van het functioneren van verzoekster stelt de
wederpartij het volgende. Op 15 mei 1992 is verzoekster in een
functioneringsgesprek meegedeeld dat op de uitoefening van haar
werkzaamheden aanmerkingen te maken waren. Met name is gesteld dat zij
meer orde in haar werkzaamheden diende aan te brengen en de snelheid moest
worden opgevoerd. Hierbij werd een vergelijking gemaakt met voorgangers.
Toch is besloten, vanwege de goede inzet, het tijdelijke dienstverband om
te zetten in een vast dienstverband.

Ter zitting heeft de wederpartij (vertegenwoordigd door het huidige hoofd
PZ) meegedeeld dat geen functioneringsgesprek, in de zin van een gesprek
waarin op fouten in haar werkzaamheden is gewezen, met verzoekster is
gehouden. Wel is gesproken over het voortzetten van het dienstverband en
over het feit dat onder begeleiding er enige wijzigingen in haar manier
van werken dienden te worden doorgevoerd. Een en ander is nooit op schrift
gesteld. In januari 1993 kwamen volgens de wederpartij de eerste signalen
binnen over haar disfunctioneren. Een van de redenen dat niet is
ingegrepen naar aanleiding van deze signalen, is dat in de maatschap enige
tijd onenigheid is geweest. Dit heeft een uitstraling op het
personeelsbeleid gehad. Begrijpelijk is dat verzoekster enigszins verrast
was door de voorgenomen beeindiging van het dienstverband, hoewel hierover
wel eerder dan 10 maart 1993 met haar is gesproken.

3.13. Verder is in de maanden na de voortzetting van het dienstverband,
naar haar is medegedeeld door het hoofd personeelszaken, geen verbetering
opgetreden in verzoeksters werkzaamheden. Aangezien verzoekster niet de
juiste snelheid heeft in haar werk, zijn er inmiddels grote achterstanden
ontstaan bij het afwikkelen van zaken. Een en ander houdt ook verband met
het feit dat zij niet wenst mee te werken aan het automatiseringsproces,
waar nu een andere secretaresse mee is belast. Verzoekster heeft niet aan
kwaliteitsverbetering willen werken. Zij heeft, ondanks herhaald aanbod,
steeds geweigerd doelgerichte cursussen te volgen. Verder is, naast het
gebrek aan snelheid, de kwaliteit van het werk niet voldoende, geen orde
op de procuratiekamer, bij de verdeling van het werk wordt niet de juiste
prioriteit gelegd, instructies worden verkeerd verwerkt en de samenwerking
met collega’s verloopt niet goed.

3.14. In deeltijd werken is gezien de aard van de functie van verzoekster
niet mogelijk. De hoeveelheid en het soort werk maakt het noodzakelijk dat
onderhavige werkzaamheden worden verricht door een voltijdskracht, die de
hele dag beschikbaar is. Het verrichten van de werkzaamheden in deeltijd
leidt onvermijdelijk tot verlies aan overzicht, hetgeen weer consequenties
heeft voor de kwaliteit van het werk. Het beleid tot nu toe is dat ingeval
een rol- en procuraten- medewerker minder wilde gaan werken, altijd een
nieuwe voltijdskracht werd aangenomen. Om die reden is ook verzoekster
aangetrokken.

Ter zitting heeft de wederpartij desgevraagd meegedeeld dat het beleid van
de maatschap inhoudt dat een persoon belast is met procuratenwerk. Deze
persoon dient de hele dag aanwezig te zijn, ofschoon deze niet de hele dag
procuratenwerk hoeft te verrichten. Dit ter voorkoming dat opdrachtgevers
met twee verschillende personen te maken krijgen. Tevens deelt de
wederpartij desgevraagd mee dat indien verzoekster het werk volledig onder
de knie zou hebben, het verzoek om in deeltijd te werken wellicht in
overweging zou zijn genomen, en twee goed ingewerkte rol- en
procuratenmedewerkers de functie samen zouden kunnen invullen. Dit wordt
echter door de wederpartij niet wenselijk geacht.

3.15. Voor verzoekster bestaat geen passende functie in deeltijd op
kantoor. Ook voltijd kan verzoekster niet op haar plaats terugkomen. De
gesprekken met verzoekster hebben geleid tot een verstoring in de
arbeidsrelatie, zodat een vruchtbare samenwerking niet langer mogelijk is.

3.16. Ter zitting heeft de collega van verzoekster meegedeeld dat zij een
verdeling van taken in de functie van verzoekster, waarbij zij twee dagen
alleen en verzoekster drie dagen alleen zou werken, wel mogelijk acht.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. Nu de wederpartij een verzoekschrift ingediend heeft bij de
Kantonrechter met het verzoek de arbeidsovereenkomst met verzoekster te
ontbinden, is de vraag in geding of de wederpartij met de voorgenomen
beeindiging van het dienstverband met verzoekster onderscheid maakt naar
geslacht in strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek. Lid 1 van dit
artikel bepaalt onder andere dat de werkgever geen onderscheid mag maken
tussen mannen en vrouwen bij de beeindiging van de arbeidsovereenkomst.
Lid 5 van dit artikel geeft aan dat onder onderscheid tussen mannen en
vrouwen moet worden verstaan direct en indirect onderscheid. Onderscheid
op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap is blijkens deze
bepaling een vorm van direct onderscheid. Alleen in geval van een van de
wettelijke uitzonderings- gronden (geslachtsbepaalde functie, bescherming
van de vrouw, voorkeursbeleid voor vrouwen) mag van dit verbod worden
afgeweken. Geen van deze uitzonderingsgronden is hier van toepassing.

In eerdere (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, 18 oktober 1989, oordeelnummer 42-89- 13, 8 mei 1990,
oordeelnummer 172-90-31, (oordelenbundel I), 23 juni 1992, oordeelnummer
518-92-37 en 31 augustus 1992, oordeelnummer 528-92-49.) oordelen heeft
de Commissie bepaald dat ook als zwangerschap een van de redenen en niet
de enige reden voor het gemaakte onderscheid is, dit strijd met de Wet
oplevert.

4.2. In de voorliggende zaak dient de wederpartij tijdens het
bevallingsverlof een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in,
waarbij net als in de onderhavige zaak gesteld wordt dat zij het
dienstverband met verzoekster wil beeindigen vanwege twee redenen: 1) het
disfunctioneren van verzoekster; 2) het feit dat verzoekster in deeltijd
wil werken, hetgeen niet mogelijk is gelet op de aard van de
werkzaamheden.

De Commissie heeft ten aanzien van deze redenen het volgende overwogen:

ad 1) Het disfunctioneren van verzoekster.

Alvorens dit onderdeel van de onderhavige zaak te beoordelen, merkt de
Commissie op dat het niet tot haar taak behoort om te beoordelen of een
werknemer al dan niet voldoende functioneert. Zij is, gelet op de Wet,
slechts bevoegd na te gaan of de wederpartij om redenen die met
verzoeksters geslacht (in casu zwangerschap en moederschap) samenhangen,
het dienstverband met verzoekster wil beeindigen. Hierbij kan zij echter
wel betrekken of zij het aannemelijk acht dat de voorgenomen beeindiging
van het dienstverband verband houdt met het functioneren.

Verzoekster betwist deze stelling van de wederpartij. Voor de Commissie
is noch uit de overgelegde stukken noch uit hetgeen ter zitting naar voren
is gebracht, komen vast te staan dat verzoekster disfunctioneerde. De
wederpartij heeft geen enkel bewijs overgelegd met betrekking tot
verzoeksters disfunctioneren. Hierbij is met name van belang dat van het
mogelijk gevoerde (functionerings)gesprek niets op papier is vastgelegd.
In dit verband wijst de Commissie op hetgeen de wederpartij ter zitting
heeft meegedeeld over het gesprek op 15 mei 1992 met betrekking tot de
omzetting van het dienstverband voor bepaalde tijd in dat voor onbepaalde
tijd. De wederpartij meldde dat dit geen officieel functionerings- gesprek
met verzoekster is geweest in de zin van dat er op fouten in haar
werkzaamheden is gewezen. Tijdens dit gesprek zouden enige op- en
aanmerkingen gemaakt zijn over haar manier van werken. Vast staat dat
hetgeen tijdens dit gesprek ter tafel is gekomen, in ieder geval geen
aanleiding is geweest om de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd een
maand later van rechtswege te laten aflopen. Integendeel, het
dienstverband voor bepaalde tijd is omgezet in een voor onbepaalde tijd.

Met betrekking tot het tijdstip waarop voor het eerst over verzoeksters
(dis)functioneren zou zijn gesproken het volgende. De wederpartij stelt
dat in januari 1993 voor het eerst daadwerkelijk het (dis)functioneren van
verzoekster ter sprake is gebracht, terwijl verzoekster stelt dat zij voor
de eerste maal klachten over haar functioneren vernam bij brief van 10
maart 1993. Op welk tijdstip nu daadwerkelijk voor het eerst over het
functioneren is gesproken is niet komen vast te staan. Wel staat vast dat
het tijdstip is gelegen tijdens verzoeksters zwangerschap en na haar
verzoek om in deeltijd te mogen werken.

De Commissie concludeert hieruit en uit het feit dat de kritiek op
verzoeksters functioneren weinig concreet is gemaakt en vaag is gebleven,
dat niet is komen vast te staan dat verzoekster disfunctioneerde. Hierbij
speelt tevens een rol dat het bespreken van het functioneren van
verzoekster pas tijdens haar verlof ter tafel is gekomen. De Commissie is
van oordeel dat de (eventuele) kritiek die de wederpartij op verzoeksters
functioneren heeft gehad niet van dien aard was en niet voldoende reden
kan zijn geweest, voor de voorgenomen onmiddellijke beeindiging van het
dienstverband met verzoekster.

In dit verband wijst de Commissie erop dat de wederpartij zich in de
onderhavige kwestie niet als behoorlijk werkgever heeft gedragen. Indien
de wederpartij van mening was dat er sprake was van disfunctioneren, dan
had een gesprek hierover behoren te wachten totdat verzoekster was
teruggekeerd van haar zwangerschaps- en bevallingsverlof. Verzoekster had
dan de gelegenheid dienen te krijgen haar functioneren bij te stellen,
danwel te verbeteren. Indien vervolgens geen verbetering was opgetreden
had de wederpartij op de gronden die zij thans aanvoert, de voorgenomen
beeindiging eerst dan kunnen voorleggen aan de Kantonrechter danwel de
regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening. In de onderhavige situatie
heeft de wederpartij echter een verzoekschrift tot ontbinding voorgelegd
aan de Kantonrechter tijdens de afwezigheid van verzoekster vanwege haar
zwangerschap en moederschap. Een dergelijke beeindiging van het
dienstverband in die periode acht de Commissie in strijd met de Wet.

ad 2) Het feit dat verzoekster in deeltijd wil werken, hetgeen niet
mogelijk is gelet op de aard van de werkzaamheden.

Verzoekster betwist dat haar functie niet in deeltijd kan worden
uitgeoefend. De wederpartij is van mening dat verzoeksters functie niet
in deeltijd kan worden uitgeoefend en heeft hierbij haar tot op heden
gevoerde beleid genoemd. Dit beleid is erop gericht dat de functie van
rol- en procuratenmedewerker altijd door een persoon is ingevuld, zodat
er geen verlies is aan overzicht, er geen consequenties zijn voor de
kwaliteit van het werk en opdrachtgevers altijd met een en dezelfde
persoon te maken hebben. De Commissie acht de wederpartij er niet in
geslaagd aan te tonen dat het door haar gevoerde beleid ten aanzien van
het in voltijd uitoefenen van verzoeksters functie noodzakelijk is voor
haar organisatie, zonder dat andere oplossingen mogelijk zijn waarbij geen
nadelig effect optreedt voor verzoekster. Althans, de wederpartij heeft
de redenen met betrekking tot het hiervoor gestelde onvoldoende feitelijk
en objectief onderbouwd. Niet gebleken is dat de wederpartij in de
onderhavige kwestie enig onderzoek heeft verricht naar oplossingen waarbij
zowel haar bedrijfsbelangen als de wens van verzoekster om haar functie
in deeltijd te mogen uitoefenen, verenigbaar zijn. Tegelijkertijd is het
de Commissie ter zitting gebleken dat het wel mogelijk is de functie in
deeltijd uit te oefenen. Immers gesteld is dat twee goed ingewerkte rol-
en procuratenmedewerkers de betreffende functie zouden kunnen invullen,
maar dat dit door de wederpartij -mede gelet op het beleid van de
wederpartij- niet wenselijk wordt geacht.

4.3. Het geheel overziende oordeelt de Commissie als volgt.

Nu niet aannemelijk is gemaakt dat verzoekster disfunctioneerde en de
wederpartij de mogelijkheden om de functie in deeltijd te vervullen
onvoldoende heeft onderzocht, oordeelt de Commissie dat de zwangerschap
en het moederschap van verzoekster een (doorslaggevende) rol hebben
gespeeld bij de voorgenomen beeindiging van de arbeidsovereenkomst met
verzoekster.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Kempenaer Soons Advocaten
te Arnhem jegens mevrouw mr A.M.G.L.S. Roetgerink te Arnhem direct
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

Rechters

mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter), mw drs J.A.M. Stolwijk (lidKamer), mw mr M. de Rooij (lid Kamer), mw mr M.J.M.G. van Dorsten(adjunct-secretaris).

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 15 september 1993

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Voor de heffing van vermogensbelasting is het vermogen van
belanghebbendes echtgenoot, met wie belanghebbende met uitsluiting van
iedere gemeenschap van goederen is gehuwd, als vermogen van belanghebbende
aangemerkt. Hij gaat tegen deze beslissing in beroep, stellende dat
artikel 5 van de Wet op de vermogensbelasting, waarin het stelsel van
samentelling van vermogens is neergelegd, buiten toepassing moet blijven
wegens strijd met (onder andere) artikel 26 BuPo-verdrag en artikel 8
EVRM. De Hoge Raad verwerpt, in navolging van het Hof Den Haag het beroep.
De toepassing van artikel 5 Wet op de vermogensbelasting is niet in strijd
met artikel 26 BuPo- verdrag. Gehuwden worden niet ongunstiger behandeld
dan ongehuwde belastingplichtigen die een gemeenschappelijk huishouden
voeren of gehuwden die duurzaam van elkaar gescheiden leven. De wetgever
kon in redelijkheid, dat wil zeggen ter wille van de eenvoud en praktische
uitvoerbaarheid van de wet, het stelsel van een aanslag in de
vermogensaanslag bij gehuwden handhaven. Over de aantasting van de privacy
stelt de Raad dat de samentelling van vermogens weliswaar meebrengt dat
de ene echtgenoot gehouden is inzicht te geven in haar of zijn
vermogenspositie aan de andere echtgenoot. Maar, voor zover die
inlichtingenplicht al geacht moet worden de uitoefening van het door
artikel 8, lid 1 EVRM gewaarborgde recht op ‘respect for his private life’
te beperken, kan die beperking worden aangemerkt als ‘necessary in a
democratic society in the interests of the economic well-being of the
country’ in de zin van het tweede lid van het artikel.

Volledige tekst

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor
het jaar 1982 een aanslag in de vermogensbelasting opgelegd, welke
aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is
verminderd tot een aanslag naar een vermogen van ƒ 570.000,-.
Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij
het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof
is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof
beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit
arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van
Financien heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten 3.1. Voor de heffing van vermogensbelasting
in het onderhavige belastingjaar – 1982 – is op de voet van het bepaalde
in artikel 5 van de Wet op de vermogensbelasting 1964 (in de in 1982
geldende tekst; hierna: de Wet) het vermogen van belanghebbendes
echtgenote, met wie belanghebbende met uitsluiting van iedere gemeenschap
van goederen is gehuwd, als vermogen van belanghebbende aangemerkt. 3.2.
In de klachten onder 4 wordt betoogd dat het bepaalde in artikel 5 van de
Wet buiten toepassing moet blijven, omdat die toepassing onverenigbaar is
met het bepaalde in de artikelen 2, 3, 4, 5, 17 en 26 van het
Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna
IVBPR), artikel 8 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden (verder:EVRM) en de artikel 1,
10 en 94 van de grondwet. 3.3. Bij de beoordeling van deze klachten stelt
de Hoge Raad voorop dat voor toetsing van de te dezen van belang zijnde
wettelijke bepalingen aan de genoemde bepalingen van de Grondwet, gelet
op het bepaalde in artikel 120 van de Grondwet, geen plaats is. 3.4. Voor
het overige is voor de behandeling van deze klachten van betekenis op
welke gronden de wetgever gehuwde mannen ten opzichte van gehuwde vrouwen
indien de echtgenoten niet duurzaam gescheiden leven, onderscheidenlijk
niet duurzaam gescheiden levende gehuwden ten opzichte van ongehuwd
samenlevenden, en niet duurzaam gescheiden levende gehuwden ten opzichte
van duurzaam gescheiden levende gehuwden in fiscaal opzicht heeft willen
behandelen op de wijze als in artikel 5 van de Wet is geregeld. 3.5. Zowel
onder de gelding van de Wet op de Vermogensbelasting 1892 als onder de
gelding van de Wet op de Vermogensbelasting 1964 zoals deze tot 1986
luidde, werd het vermogen van de gehuwde niet duurzaam gescheiden van haar
man levende vrouw samengevoegd met het vermogen van haar man en bij hem
belast.

Met deze samenvoeging werd – in aansluiting op hetgeen in de
Memorie van Toelichting op artikel 5 van het wetsontwerp, dat tot de Wet
op de inkomstenbelasting 1964 leidde, werd gezegd – tot uitdrukking
gebracht ‘ de fiscale eenheid van man en vrouw’ (Memorie van Toelichting,
Kamerstukken II 1958-1959, 5380, nr. 5, blz. 9). Naar aanleiding van de
wijziging met ingang van 1973 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964,
in dier voege dat het inkomen van de gehuwde vrouw uit tegenwoordige
arbeid niet langer bij het inkomen van haar man werd gevoegd, werd
opgemerkt dat uitgangspunt van het denken bleef en is, dat het huwelijk
meebrengt dat op de gezamenlijke draagkracht van man en vrouw wordt gelet
en dat het bij het geldende regime voor de inkomstenbelasting past voor
de vermogensbelasting uit te gaan van het gezamenlijke vermogen van de
echtgenoten (Memorie van Antwoord, Kamerstukken II 1973-1974, 12603, nr.
5, blz. 1). 3.6. Bij de Wet van 18 december 1985, Stb. 697, is het stelsel
van artikel 5 van de Wet, waarbij het vermogen van de vrouw aan de man
werd toegerekend, gewijzigd. Gesteld voor de keuze hoe aan een
sekse-neutraal van heffing vorm kon worden gegeven werd ervoor gekozen de
toerekening van vermogen niet langer uitsluitend aan de man te doen
geschieden, doch die toerekening te laten plaatsvinden aan de
belastingplichtige aan wie in het voorafgaande kalenderjaar de in artikel
5, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bedoelde
bestanddelen van het inkomen van zijn echtgenoot worden toegerekend.

Daarbij werd het stelsel van een geindividualiseerd heffingssysteem –
ondanks de principiele wenselijkheid daarvan – afgewezen, ook voor de niet
in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten, omdat de feitelijke
betekenis van de individualisering niet opwoog tegen de verzwaring van de
uitvoeringslast die daarmee gepaard zou gaan. Met deze keuze, waarbij werd
aangesloten op het stelsel van heffing van vermogensinkomsten voor de
inkomstenbelasting, kon een praktisch hanteerbaar en evenwichtig systeem
van heffing worden bereikt, waarbij met name werd gedoeld op de van
oudsher bestaande samenhang tussen de vermogens- en inkomstenbelasting
(Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1984-1985, 19078, nr. 3, blz.
6-8; Memorie van Antwoord, Kamerstukken II 1984-1985, 19078, nr. 5, blz.
3; Nota naar aanleiding van het Eindverslag, Kamerstukken II 1985-1986,
19078, nr. 7, blz. 4). Voor ongehuwd samenwonenden (en duurzaam gescheiden
levende echtgenoten) werd het stelsel van individuele heffing gehandhaafd.
Een systeem als dat voor gehuwden ‘zou niet alleen botsen met de
individualiseringsgedachte, maar het zou bovendien in strijd zijn met de
werkelijkheid. Immers, bij de vermogensbelasting zou het gaan om het
samentellen van vermogens van personen die, anders dan in het algemeen het
geval is bij gehuwden, vermogensrechtelijk geen binding met elkaar hebben’
(Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1984-198, 19078, nr. 3, blz. 9).

3.7. Voor wat betreft de vraag of artikel 5 van de Wet een door artikel
26 in verbinding met artikel 3 IVBPR niet geoorloofde onderling ongelijke
behandeling van gehuwde en niet duurzaam gescheiden levende mannen en
vrouwen opleverde heeft het volgende te gelden. Uitgaande van de gedachte
dat gehuwde niet duurzaam gescheiden levende mannen en vrouwen in fiscaal
opzicht een economische eenheid vormen, kon de wetgever ter wille van de
eenvoud en de praktische uitvoerbaarheid in redelijkheid een hunner – de
man – als belastingplichtige aanwijzen. Aldus kon de wetgever in
redelijkheid oordelen dat voor deze ongelijke behandeling een objectieve
en redelijke rechtvaardiging bestond. 3.8. In het midden kan blijven of
de aanwijzing van de man moet worden beschouwd als een discriminatie naar
geslacht. Zoals in 3.7 is overwogen vormt de aanwijzing van een van de
echtgenoten als belastingplichtige geen ongeoorloofde onderling ongelijke
behandeling van gehuwde en niet duurzaam gescheiden levende mannen en
vrouwen. De in 3.7 weergegeven regeling waarbij de man als zodanig is
aangewezen en waarvan – gelet op de samenhang met de inkomstenbelasting
– in elk geval niet kan worden gezegd dat zij iedere redelijke grond
ontbeert, is immers met ingang van het belastingjaar 1986 vervangen door
de bij artikel II van de Wet van 18 december 1985, Stb. 697, gewijzigde
tekst van artikel 5 van de Wet, als weergegeven in 3.6, van welke regeling
niet kan worden gezegd dat toepassing ervan in strijd is met artikel 26
IVBPR.

Gelet op deze omstandigheid en gelet op het feit dat zowel voor als
na de evenbedoelde wetswijziging sprake is van het heffen van
vermogensbelasting over het gezamenlijke vermogen van de gehuwde, niet
duurzaam gescheiden levende echtgenoten is er voor de rechter geen grond
thans nog in te grijpen. 3.9. Hetgeen door de Hoge Raad is overwogen in
rechtsoverweging 6.3 van zijn arrest van 27 september 1989, BNB 1990/61,
ten aanzien van het ontbreken van de mogelijkheid van bezwaar en beroep
van de vrouw tegen de aan haar man opgelegde aanslag in de
inkomstenbelasting ten aanzien van sommige van haar zijde opgekomen
inkomensbestanddelen geldt evenzeer voor het ontbreken van de mogelijkheid
van bezwaar en beroep voor de vrouw tegen de aan haar man opgelegde
aanslag in de vermogensbelasting ten aanzien van de van haar zijde
opgekomen vermogensbestanddelen. Aan die overweging kan thans toegevoegd
worden dat inmiddels de Algemene wet inzake rijksbelastingen op dit punt
is gewijzigd bij de Wet van 12 mei 1993, Stb. 262. 3.10. De vraag of
toepassing van artikel 5 van de Wet met artikel 26 IVBPR in strijd is
omdat die wetsbepaling gehuwden ongunstiger behandelt dan ongehuwde
belastingplichtigen die een gemeenschappelijke huishouding voeren of
gehuwden die duurzaam van elkaar gescheiden leven dient ontkennend te
worden beantwoord. Gelijk hiervoor reeds is overwogen, is de wetgever bij
het tot stand brengen van de Wet op de vermogensbelasting 1964, alsmede
bij latere wijzigingen, uitgegaan van de gedachte dat niet duurzaam
gescheiden levende echtgenoten in fiscaal opzicht een economische eenheid
vormen. Uitgaande van deze gedachte, alsmede van de omstandigheid dat in
het algemeen ongehuwd samenwonenden, anders dan het geval is bij gehuwden,
vermogensrechtelijk geen binding met elkaar hebben kon de wetgever dan ook
in redelijkheid het stelsel van een aanslag in de vermogensbelasting bij
gehuwden handhaven. Het stond de wetgever hierbij vrij om met ongehuwd
samenwonenden op een lijn te stellen duurzaam gescheiden levende
echtgenoten.

Bij deze laatste categorie kan immers – ook al blijft de
verplichting elkaar het nodige te verschaffen in stand – niet langer
worden gesproken van een economische eenheid in fiscaal opzicht zodat zij
dan ook in zoverre niet met gehuwd samenwonenden op een lijn kunnen worden
gesteld. 3.11. Het stelsel van samentelling van vermogens als neergelegd
in artikel 5 van de Wet – hetwelk, zoals neergelegd in 3.7, 3.8 en 3.10
overwogen, niet in strijd is met artikel 26 IVBPR – brengt mee dat de ene
echtgenoot gehouden is inzicht te geven in haar of zijn vermogenspositie
aan de andere echtgenoot. Voor zover die inlichtingenplicht al geacht moet
worden de uitoefening van het door artikel 8, lid 1, EVRM gewaarborgde
recht op ‘respect fort his private life’ te beperken, kan die beperking
aangemerkt worden als ‘necessary in a democratic society in the interests
of the economic well- being of the country’ in de zin van het tweede lid
van dat artikel. Om dezelfde reden is ook geen sprake van een ‘arbitrary
or unlawful interference with his privacy’ als bedoeld in artikel 17, lid
1, IVBPR. 3.12. De klachten onder 4 falen derhalve. 3.13. Het Hof heeft
met juistheid geoordeeld dat een gerichte lijfrente niet gelijk is aan in
artikel 8, leden 5 en 6, van de Wet bedoelde aanspraken. De wetgever heeft
zonder in strijd te komen met een verdragsbepaling deze verschillende
rechten voor de vermogensbelasting verschillend kunnen behandelen. De
klachten onder 5, die van een andere opvatting uitgaan, falen derhalve
eveneens. 3.14. De klachten onder 6 kunnen evenmin tot cassatie leiden.
Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke
organisatie geen nadere motivering nu deze klachten niet nopen tot
beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de
rechtsontwikkeling.

4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechters

Mrs. Stoffer, Wildeboer, Urlings, Zuurmond, Herrmann

Instantie: Rechtbank Haarlem, 14 september 1993

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


De vrouw verzoekt de Rechtbank een onderhoudsbijdrage vast te stellen
voor de zoon van partijen. De man heeft het kind niet erkend, doch hij
heeft in de procedure evenmin ontkend de biologische vader te zijn,
waardoor – zo stelt de Rechtbank- de verjaringstermijn wordt gestuit. Het
beroep van de man op de verjaringstermijn van art. 405 lid 2 boek 1 BW
wordt dan ook verworpen. De Rechtbank wijst het verzoek af, stellende dat
de man onvoldoende draagkracht heeft om een bijdrage ten behoeve van het
kind te betalen. Rechtenvrouw stelt zich garant voor het hoger beroep,
omdat het van belang is dat in een vonnis voldoende inzicht wordt gegeven
op welke wijze de Rechtbank tot de draagkrachtberekening is gekomen.
Bovendien moet er geen rekening worden gehouden met de kosten die de man
maakt in het kader van de omgangsregeling.

Volledige tekst

OVERWEGINGEN Ten aanzien van de feiten:

De eisende partij heeft bij de conclusie van eis, die zakelijk
overeenstemt met de dagvaarding -op verkorte termijn- op de daarin
vermelde gronden een vordering ingesteld dat de rechtbank bij uitspraak
voorzoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal veroordelen om
aan de eisende partij het bedrag van ƒ 300,= per maand te betalen, bij
vooruitbetaling te voldoen, als bijdrage in de kosten van verzorging en
opvoeding van de minderjarige T., inclusief de wettelijke indexeringen,
alsmede met veroordeling van gedaagde in de kosten van dit geding.

Gedaagde heeft verweer gevoerd en heeft bij conclusie van antwoord
geconcludeerd tot -kort gezegd- afwijzing van de vordering van de eisende
partij, met veroordeling van de eisende partij in de kosten van dit
geding.

Na conclusiewisseling is bij tussenvonnis een comparitie van partijen
bevolen.

Deze comparitie, waarvan proces-verbaal is opgemaakt, heeft plaats gehad.

Hierna heeft gedaagde zich nog uitgelaten.

Partijen hebben wederom vonnis gevraagd onder overlegging van de als hier
ingevoegd te beschouwen stukken.

Ten aanzien van het recht:

De eisende partij -hierna mede te noemen de vrouw- stelt dat gedaagde
-hierna te noemen de man- de biologische vader is van haar zoon T.,
geboren op 29 oktober 1981. De man heeft deze stelling niet ontkend, zodat
de man geacht wordt de biologische vader van T. te zijn. De vrouw vordert
een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van T. van ƒ 300,=
per maand. De man doet een beroep op de verjaringstermijn, genoemd in
artikel 405 lid 2 boek 1 BW. Echter de man heeft in de overgelegde
bescheiden erkend dat hij de vader is van T. De verjaring wordt daardoor
gestuit en het beroep op de verjaringstermijn wordt daarmee verworpen.

De man heeft voorts aangevoerd dat hij uitgaven doet ten behoeve van T.,
als deze bij hem verblijft gedurende de weekends en vakantie en dat de
behoefte aan een aanvullende bijdrage niet nader is gebleken. De vrouw
heeft erkend dat de man tijdens de bezoeken van T. uitgaven doet ten
behoeve van T., doch zij meent dat zij gerechtigd is deze bijdrage te
ontvangen en te besteden ten behoeve van T. en dat de man draagkracht
heeft om de gevraagde bijdrage te betalen. De man heeft dit laatste
betwist.

Uit de processtukken en het verhoor ter zitting is omtrent de
omstandigheden van partijen voorzover voor deze zaak van belang, het
volgende gebleken:

aan de zijde van de vrouw: -zij heeft de zorg voor T. en een kind uit een
andere relatie; -zij ontvangt een WAO-uitkering van ƒ 1.488,41 per maand
netto; -de huur van haar woning bedraagt ƒ 302,54 per maand; -op een
lening aan de Gemeentelijke Kredietbank betaalt zij ƒ 120,50 per maand aan
renten en aflossing;

aan de zijde van de man: -hij is gehuwd en woont sedert kort in Belgie;
-de huur van zijn woning bedraagt ƒ 1.375,= per maand; -hij exploiteert
samen met zijn echtgenote een reclameonderneming; de winst uit onderneming
over 1992 bedroeg ƒ 35.451,= voor belasting; de winst komt voor de helft
ten goede aan de man en voor de andere helft ten goede aan zijn
echtgenote; -de premie ziektekostenverzekering bedraagt ƒ 4.957,68 per
jaar.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de man
onvoldoende draagkracht heeft om een bijdrage ten behoeve van T. te
betalen, zodat het verzoek van de vrouw wordt afgewezen.

De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de kosten die de man in
het kader van de omgangsregeling maakt.

De man heeft gevraagd de vrouw te veroordelen in de kosten van deze
procedure.

De rechtbank acht gelet op de verhouding tussen partijen termen aanwezig
de proceskosten tussen partijen te compenseren in voege als na te melden.

RECHTDOENDE

Wijst de vordering van de vrouw af. Bepaalt dat iedere partij de eigen
kosten draagt.

Rechters

Mr Evers-Ederveen