Instantie: Kantonrechter Maastricht, 29 juli 1993

Instantie

Kantonrechter Maastricht

Samenvatting


Werkneemster is sinds 1979 in dienst als groepsleidster. Kort geleden
heeft zij gesolliciteerd naar de nieuwe functie voor 9 uur per week van
medewerk(st)er doorstroomvoorziening. Werkgeefster heeft als eis gesteld
dat deze functie, gelet op de aard ervan, alleen vervuld mag worden samen
met een andere functie bij haar van minimaal 25 uur per week. Naar de
mening van werkneemster handelt werkgeefster aldus indirect discriminerend
jegens vrouwen. Het zijn immers juist vrouwen die in verband met de
feitelijke zorg en verantwoordelijkheid voor huishouding en kinderen baat
hebben bij kleinere deeltijdbanen. De Commissie Gelijke Behandeling deelt
dit oordeel (5 juli 1993, nr. 57-93-25). Het is een feit van algemene
bekendheid, aldus de Commissie, dat vooral vrouwen worden getroffen door
een eis dat een op zichzelf staande functie uitsluitend in combinatie met
een tweede functie in dezelfde arbeidsorganisatie mag worden vervuld. Deze
eis levert dan ook een vermoeden van indirect onderscheid op. Dit
vermoeden wordt niet weerlegd door de door werkgeefster aangevoerde
rechtvaardigingsgronden, daar de door werkgeefster met haar eis beoogde
doelstellingen ook op andere, niet indirect discriminerende wijze kunnen
worden bereikt.

Werkneemster heeft vervolgens de Kantonrechter verzocht de
arbeidsovereenkomst te ontbinden op de grond dat werkneemster onrechtmatig
handelt door haar niet naar voornoemde functie te laten solliciteren en
wegens moeilijkheden omtrent door haar op te nemen ouderschapsverlof. Dit
laatste probleem is inmiddels echter in goed overleg opgelost.
Werkgeefster ziet geen reden voor ontbinding. Zij heeft ter zitting
gesteld dat werkneemster gewoon kan blijven werken en dat zij bereid is
haar eis met betrekking tot het vervullen van de nieuwe functie naast een
andere te laten vallen, zij het dat zij niet eens is met het oordeel van
de Commissie Gelijke Behandeling. De Kantonrechter ontbindt de
arbeidsovereenkomst, nu werkneemster het vertrouwen in werkgeefster heeft
verloren. Bij zijn onderzoek of werkneemster een vergoeding toekomt,
betrekt hij het oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling, hoewel hij
met werkgeefster van mening is dat dit geen rechtsprekend orgaan is en dat
zeer behoedzaam omgegaan dient te worden met het door de Commissie gegeven
oordeel. Naar de mening van de Kantonrechter is werkgeefster niet zodanig
onbetamelijk jegens werkneemster opgetreden dat hierdoor een duurzame
verstoring van de arbeidsrelatie zou zijn veroorzaakt. Werkgeefster heeft
wellicht een fout gemaakt, maar niet aannemelijk is dat zij werkneemster
opzettelijk heeft willen benadelen. Voor een vergoeding is derhalve geen
plaats. Werkneemster krijgt de gelegenheid het ontbindingsverzoek in te
trekken.

Volledige tekst

Kantongerecht Maastricht

Gezien het op 19 april 1993 te Onzer Griffie ingekomen verzoekschrift met
bijlagen van S. wonende te Maastricht aan de a-straat, strekkende tot
ontbinding wegens gewichtige redenen van de tussen haar als werkneemster
en de stichting P gevestigd te Maastricht aan de b-straat als werkgeefster
bestaande arbeidsovereenkomst. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld
en anderzijds niet dan wel onvoldoende weersproken mede aan de hand van
de overgelegde produkties vast: dat requestrante sedert 1 april 1979 in
dienst is bij de rechtsvoorgangster van gerequestreerde de Stichting P,
welke stichting per 1 januari 1992 is gefuseerd met Q, dat zij laatstelijk
een dienstverband heeft van 28 uren per week. dat requestrante sedert 15
april 1993 arbeidsongeschikt is wegens ziekte, welke arbeidsongeschiktheid
thans nog steeds voortduurt. Requestrante heeft zich tot Ons gewend met
het verzoek de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden,
op grond van gewichtige redenen bestaande uit verandering van de
omstandigheden welke verandering in de omstandigheden bestaat, kort
zakelijk weergegeven, in een zodanig verstoorde arbeidsverhouding
-vertrouwensverlies- dat van een vruchtbare samenwerking in de toekomst
niet meer gesproken kan worden. Requestrante heeft daartoe aangevoerd kort
samengevat en voor zover ten deze relevant-, dat zij immer tot volle
tevredenheid van haar en ook van haar werkgeefster arbeid heeft verricht
voor gerequestreerde. dat onlangs -zijnde ongeveer de datum van de fusie
1 januari 1992- problemen zijn ontstaan met name omtrent het door haar op
8 mei 1992 aan gerequestreerde verzochte ouderschapsverlof alsmede met
betrekking tot een door haar gedane sollicitatie naar de functie van
medewerk(st)er doorstroomvoorziening, naar welke functie zij niet hoefde
te solliciteren omdat zij daar toch niet voor in aanmerking zou komen
volgens gerequestreerde. Requestrante is immers van mening, dat haar
toendertijd ten onrechte het door haar verzochte ouderschapsverlof is
geweigerd alsook dat haar ten onrechte de kans is ontnomen om mee te
solliciteren naar de vacature van medewerk(st)er doorstroomvoorziening.
Met betrekking tot dit laatste is requestrante immers van mening, dat door
de handelwijze van gerequestreerde zij – gerequestreerde- in strijd heeft
gehandeld met de Wet op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen en
haar dus onbetamelijk heeft behandeld. dat zij dit feit ook ter kennis
heeft gebracht van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid welke commissie haar -na een onderzoek en mondelinge
behandeling- in het gelijk heeft gesteld, luidende die uitspraak: ‘De
Commissie spreekt als haar oordeel uit, dat de Sichting P te Maastricht
jegens mevrouw S te Maastricht onderscheid heeft gemaakt, in strijd met
artikel 3 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, door bij
de werving en selectie voor de deeltijdfunctie van medewerk(st)er
doorstroomvoorziening de eis te stellen dat zij daarnaast haar nadere
deeltijdfunctie, bij de wederpartij moet blijven vervullen.’
Gerequestreerde heeft een gemotiveerd verweer gevoerd en heeft daartoe
-kort samengevat en voorzover relevant- gesteld: dat het juist is, dat
requestrante immer naar behoren heeft gefunctioneerd, dat haar verzoek tot
ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst enkel is
gegrond op een tweetal gebeurtenissen van het reeds 14 jarig dienstverband
tussen partijen, te weten het ouderschapsverlof en haar sollicitatie naar
een nieuwe functie, dat het feit betreffende het door requestrante
verzochte ouderschapsverlof voor partijen op een goede manier is opgelost,
dat zij requestrante ten onrechte dat ouderschapsverlof had geweigerd,
doch dat zij na ingewonnen juridisch advies, requestrante alsnog
ouderschapsverlof heeft verleend. dat requestrante overigens heeft
gesteld, dat het probleem betreffende het ouderschapsverlof in goed
overleg is opgelost en dat het dienstverband nadien op een goede wijze is
voortgezet, dat voor wat betreft de sollicitatie van requestrante naar de
nieuwe functie, zij van mening is, dat zij een indirect onderscheid heeft
gemaakt, dat zij zich ook niet kan voorstellen, dat het vertrouwen geheel
verloren is gegaan op grond van dit enkele feit zelfs al zou zij te goeder
trouw -met betrekking tot dit punt een vergissing hebben begaan. dat zij
het niet eens is met het oordeel van de Commissie en zij tevens van mening
is, dat de arbeidsrelatie in zijn geheel niet verstoord is.

De beoordeling van het geschil Hetgeen door beide partijen naar voren is
gebracht, heeft Ons tot het oordeel gebracht, dat een vruchtbare
samenwerking tussen partijen voor de toekomst uitgesloten moet worden
geacht, -met name het standpunt van requestrante, dat zij een terugkeer
in het geheel niet meer ziet zitten en zij het vertrouwen in
gerequestreerde geheel heeft verloren- daargelaten de vraag wie van beide
partijen verwijt treft met betrekking tot de ontstane situatie. Wij zijn
immers van oordeel, dat de vertrouwensband die dient te bestaan tussen
werkgever en werknemer in casu geheel is komen te ontvallen, met name
gelet op het standpunt van requestrante dat zij een voortzetting van het
dienstverband in het geheel niet meer ziet zitten. Wij zullen derhalve de
tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst ontbinden op grond van
gewichtige redenen, bestaande in veranderingen in de omstandigheden die
van dien aard zijn, dat de dienstbetrekking billijkheidshalve dadelijk of
na korte tijd behoort te eindigen.

Requestrante heeft verzocht, indien Wij
mochten overgaan tot ontbinding van de tussen partijen bestaande
arbeidsovereenkomst, dat haar, ten laste van gerequestreerde, een
vergoeding wordt toegekend, nu de gewijzigde omstandigheden geheel te
wijten zijn aan gerequestreerde. Voorts is requestrante van mening, dat
aan haar een immateriele vergoeding betaald dient te worden door
gerequestreerde vanwege gederfde levensvreugde. Gerequestreerde
daarentegen is van mening, dat aan requestrante geen enkele vergoeding
toegekend dient te worden nu zij van mening is, dat de arbeidsverhouding
tussen partijen in zijn geheel niet verstoord is en indien Wij van oordeel
mochten zijn dat dit wel het geval zou zijn dit geheel te wijten is aan
requestrante zelf en niet aan haar. Gerequestreerde heeft ter
terechtzitting daartoe nog aangevoerd, dat requestrante gewoon bij haar
kan terugkomen en kan solliciteren naar de vacature van medewerk(st)er
doorstroomvoorziening nu deze functie wederom vacant wordt omdat de
huidige functionaris een andere baan krijgt en zij bereid is haar eis om
die functie te vervullen naast een bestaande andere functie te laten
vallen met daarbij uitdrukkelijk toegevoegd, dat zij het niet eens is met
het oordeel van de Commissie.

Requestrante is van mening, dat
gerequestreerde haar onbetamelijk heeft behandeld door onderscheid te
maken naar geslacht e haar de kans te ontnemen te solliciteren naar de
functie van medewerk(st)er doorstroomvoorziening door welk onbetamelijk
handelen zij veroordeeld dient te worden tot betaling van een vergoeding
als bedoeld bij artikel 7A-1639w lid 8 Burgerlijk Wetboek. Hoewel Wij met
gerequestreerde van mening zijn, dat de Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen, bij de arbeid geen rechtspreken orgaan is en Wij zeer
behoedzaam dienen om te gaan met het door de Commissie gegeven oordeel,
hebben Wij kennis genomen van dat oordeel en zullen Wij dit -voor zover
Wij dit nodig hebben- betrekken in Ons oordeel. Wij zijn van oordeel, dat
requestrante Ons geenszins aannemelijk heeft kunnen maken, dat
gerequestreerde zodanig onbetamelijk is opgetreden jegens haar dat
daardoor een zodanige situatie is ontstaan waardoor de arbeidsverhouding
duurzaam verstoord is geraakt. Hoewel gerequestreerde wellicht een fout
heeft begaan bij de werving van de nieuwe functie door indirect
onderscheid te maken naar geslacht van de eventuele sollicitanten, zijn
Wij geenszins overtuigd geraakt althans heeft requestrante Ons dit
geenszins aannemelijk gemaakt, dat gerequestreerde heeft willen
benadelen.

Het door requestrante aangehaalde feit met betrekking tot het
ouderschapsverlof zullen Wij bij de beoordeling of aan requestrante als
dan niet een vergoeding dient te worden toegekend geheel buiten
beschouwing laten nu requestrante zelf heeft gesteld, dat dit feit in
goed overleg tussen partijen is opgelost en dat de arbeidsverhouding
nadien weer zeer goed verlopen is. Ook het feit, dat gerequestreerde
requestrante net voor de mondeling behandeling van deze procedure alsnog
de functie van medewerkster doorstroomvoorziening heeft aangeboden zullen
Wij geheel buiten deze beoordeling houden. Gelet op hetgeen Wij hiervoren
hebben overwogen, zij Wij van oordeel, dat gerequestreerde geen enkel
verwijt kan worden gemaakt van de thans tussen partijen bestaande
verstoorde arbeidsrelatie en zullen Wij aan requestrante dan ook geen
vergoeding toekennen zoals door haar verzocht. Nu Wij de tussen partijen
bestaande arbeidsovereenkomst zullen ontbinden zonder toekenning van een
vergoeding aan requestrante zullen Wij, alvorens verder te beslissen,
partijen van Ons voornemen de arbeidsovereenkomst te ontbinden en daaraan
geen vergoeding aan requestrante te verbinden. In kennis stellen, met
bepaling van een termijn, binnen welke requestrante de bevoegdheid heeft
haar verzoek in te trekken als na te melden.

Tenzij requestrante haar verzoek intrekt, zal de tussen partijen
bestaande arbeidsovereenkomst worden ontbonden per 1 september 1993.

Beschikkende Alvorens verder te beslissen. Stellen partijen in kennis van
Ons voornemen de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te
ontbinden en daaraan geen vergoeding aan requestrante te verbinden zoals
hiervoren in rechte is overwogen. Bepalen, dat requestrante tot uiterlijk
15 augustus 1993 de bevoegdheid heeft haar verzoek in te trekken.

Rechters

mr. Rikmenspoel

Instantie: Kantonrechter Hoorn, 26 juli 1993

Instantie

Kantonrechter Hoorn

Samenvatting


Verzoekster wordt door de directeur voortdurend lastig gevallen met
seksueel getinte opmerkingen. Nadat de vrouw heeft laten blijken hiervan
niet gediend te zijn, worden haar werktijden zodanig veranderd dat zij in
verband met de zorg voor haar kind hieraan niet kan voldoen. Omdat er
meerdere klachten zijn over de directeur, heeft verzoekster verweerster
verzocht (schorsings-) maatregelen te treffen tegen de directeur. Dit
weigert verweerster omdat zij tevreden is over het functioneren van haar
directeur. De vrouw meldt zich ziek en vraagt vervolgens ontbinding van
de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat verweerster zich in
deze als een goed werkgever heeft gedragen, ontbindt de
arbeidsovereenkomst en wijst ƒ 5.000,- materiele en ƒ 5.000,-
immateriele schadevergoeding toe wegens ondervonden smart en gederfde
vreugde.

Volledige tekst

1. Standpunten van partijen:

1.1 Mevrouw X verzoekt de ontbinding van de tussen haar en verweerster
bestaande arbeidsovereenkomst, krachtens welke zij sedert 15 februari
1990 als secretaresse voor de direkteur tegen een salaris van thans bruto
f.1.327,24 per maand werkzaam is voor laatstelijk 17 uur per week.

1.2 Mevrouw X grondt dit verzoek op gewichtige redenen, bestaande uit
veranderingen in de omstandigheden, te weten een ernstig verstoorde
samenwerking tussen haar en de voornoemde direkteur die geleid heeft tot
een onwerkbare situatie alsmede tot een blijvend verstoorde
arbeidsverhouding met verweerster.

1.3 Mevrouw X heeft hieromtrent aangevoerd, verkort weergegeven, dat zij
vanaf omstreeks maart 1990 geconfronteerd werd met seksuele intimidaties
van de zijde van de heer Z, bestaande uit seksueel getinte opmerkingen die
steeds grover werden en alsmaar werden herhaald. Zo is haar toegevoegd:
“wat zie je er weer prachtig uit vandaag”, “alle mannen willen altijd”,
“sex is het belangrijkste in het leven, vind je niet”, “ik val op wijven
waar pit in zit, “ik mag je eigenlijk wel, ga je met me eten”, “je bent
met de verkeerde mensen intiem en daarom kom je niet in de staf”, “je
geeft je niet aan mij”, “hoe lang ben je nu bij je man, gaat hij je nog
niet inruilen voor een andere huppelkut”, “val je niet op mannen met
macht”.

Nadat de heer Z was gebleken dat zij deze intimiteiten niet accepteerde,
is hij haar op andere wijze zijn macht laten gaan voelen, onder meer door
haar te frustreren in het meedingen naar het verkrijgen van een andere
funktie binnen de instelling, voor welke functie zij op eigen kosten een
opleiding was gaan volgen. Toen de heer Z haar na ommekomst van haar
vakantie op 24 augustus 1992 plotsklaps confronteerde met een andere, voor
haar hoogst bezwarende nieuwe werktijdenregeling die met ingang van de
volgende week moest gaan gelden, is zij afgeknapt omdat het werken des
middags meebracht dat zij vanwege de zorg voor een kind haar betrekking
bij verweerster zou moeten opgeven hetgeen de heer Z bekend was. Als
gevolg van deze bejegening is zij ingaande 25 augustus 1992 ziek geworden,
welke arbeidsongeschiktheid nog steeds voortduurt.

1.4 Volgens mevrouw X is het bestuur van verweerster niet in voldoende
mate tegemoetgekomen aan haar grieven jegens de heer Z, althans heeft dat
bestuur inadequaat gehandeld door openlijk de zijde te kiezen van haar
direkteur, waardoor verweerster haar in feite in de kou heeft gezet.

1.5 Mevrouw X verzoekt ook de vaststelling van een haar door verweerster
te betalen vergoeding ter hoogte van twee jaar netto/netto aanvulling op
te ontvangen uiterkingen danwel elders te verdienen lager salaris, alsmede
een immateriele schadevergoeding ad f.8.000,-, zulks met veroordeling van
verweerster in de kosten van het geding. Mevrouw X heeft aangevoerd dat
haar kansen op de arbeidsmarkt ongunstig zijn. Voorts is door mevrouw X
gesteld: zij voelt zich ernstig in haar persoon en in haar eer en goede
naam aangetast. Haar zelfbeeld is ernstig verstoord en haar bloeddruk is
maandenlang veel te hoog geweest, waardoor zij ook in het dagelijkse leven
slecht functioneerde. Zij is door het trauma dat zij thans heeft gekregen,
bang in een volgende werksituatie opnieuw het slachtoffer van seksuele
intimidaties te zullen worden. 2.1 De Bibliotheek heeft verweer gevoerd.
De Bibliotheek kan accoord gaan met ontbinding van de tussen partijen
bestaande arbeidsovereenkomst, doch zij acht de vaststelling van enigerlei
vergoeding ten behoeve van mevrouw X niet opportuun. Volgens de
Bibliotheek kan haar geen verwijt worden gemaakt nu zij als werkgeefster
van mevrouw X datgene heeft gedaan dat in redelijkheid van haar als goed
werkgeefster kon worden verwacht. Overigens staat het volgens de
Bibliotheek niet vast dat mevrouw X van de zijde van de heer Z de
bejegening heeft ondervonden die zij zegt van hem te hebben ondergaan; de
heer Z heeft immers, naar de Bibliotheek aanvoert, de gestelde seksuele
intimidaties ontkend. Maar, ook als wordt aangenomen dat de direkteur zich
jegens mevrouw X heeft uitgelaten en gedragen op de manier zoals door
mevrouw X is aangegeven, levert dat volgens de Bibliotheek geen
grensoverschrijdende gedragingen op zodat ook in dat geval een vergoeding
niet aan de orde kan zijn. De Bibliotheek heeft de veroordeling van
mevrouw X in de kosten van het geding gevraagd.

3. Uitganspunten:

3.1 Mevrouw X is op 15 februari 1990 bij verweerster in dienst getreden
als secretaresse van de direkteur, c.q. als secretaresse mede ten behoeve
van de direkteur Z, tegen een salaris van laatstelijk f.1.327,24 per maand
bruto exclusief vakantiebijslag.

3.2 Het dienstverband gold aanvankelijk voor 13 uur per week, en geldt
sedert oktober 1990 voor 17 uur per week.

3.3 De werktijden zijn iedere ochten van 8.45 tot 11.15 uur, en op
donderdag van 8.45 tot 15.15 uur. Voorwat mevrouw X betreft, zijn deze
werktijden geheel gegroepeerd rond de opvang van een (basis-) schoolgaand
kind.

3.4 Mevrouw X heeft in juli 1992 vertrouwelijk gesproken met de echtgenote
van een lid van het bestuur van verweerster over door haar van de heer Z
ondervonden verbale seksuele intimidaties.

3.5 De heer Z heeft mevrouw X op 24 augustus 1992 in kennis gesteld dat
haar werktijden met ingang van de week daarna, naar de middaguren zouden
worden verlegd, en wel van 13.00 uur tot 17.00 uur.

3.6 Mevrouw X heeft zich vervolgens ziek gemeld.

3.7 Uit zich onder de processtukken bevindende medische verslaglegging van
de verzekeringsgeneeskundige, blijkt onder andere van spanning met het
werk, problemen met de direkteur bestaande uit intimidaties en seksuele
toenaderingspogingen, problemen over een sollicitatie elders in het
bedrijf, de huisarts heeft een werkverbod gegeven; mevrouw heeft
spanningsklachten, en leidt aan hypertensie en hoofdpijn.

3.8 De verzekeringsgeneeskundige D. Dijkman acht mevrouw X op 17 september
reeel in haar beeld van de situatie.

3.9 mevrouw heeft zich tot mr. Van Driem gewend die onder uiteenzetting
van de klachten van mevrouw X en met verwijzing naar gelijksoortige
ervaringen van al dan niet vroegere personeelsleden aan verweerster heeft
gevraagd, (schorsings-) maatregelen tegen de heer X te nemen omdat mevrouw
X haar werk niet kan hervatten zolang de heer Z zijn funktie daadwerkelijk
uitoefent.

3.10 Kort nadat de heer Z de hem door mevrouw X verweten bejegening
tegenover het bestuur van verweerster had ontkend, heeft verweerster als
externe deskundige in de arm genomen mevrouw Agsteribbe, werkzaam bij de
Arbeidsinspectie Amsterdam, ten einde een onderzoek te doen naar de
aantijgingen van zowel mevrouw X als van andere werknemers van de
Bibliotheek, betrekking hebbende op zowel ongewenste intimiteiten van de
zijde van de heer Z als op andersoortige zaken aangaande de organisatie
van de Bibliotheek.

3.11 Tezelfdertijd heeft de Abva/Kabo, regio Noord-West, zich met
verweerster in verbinding gesteld, nu deze bond uit klachten met
betrekking tot het bedrijfsklimaat bij de Bibliotheek, tot de conclusie
was gekomen dat er sprake is van groot onbehagen bij een groep
hoofdzakelijk vrouwelijke werknemers, verbandhoudende onder meer met
bejegening.

3.12 Mevrouw Agsteribbe is tot de conclusie gekomen dat de heer Z zich
tegenover mevrouw X heeft uitgelaten op een wijze die door mevrouw X als
kwetsend wordt ervaren. Mevrouw Agsteribbe heeft verweerster geadviseerd
dat de heer Z mevrouw X een excuusbrief schrijft. De heer Z heeft
vervolgens op advies van verweerster, mevrouw X een excuusbrief geschreven
via zijn advocaat, mr. R.A. van Wijk.

3.13 Mevrouw Agsteribbe heeft verweerster ook het advies gegeven, beleid
te voeren inzake seksuele intimidatie, stappen te ondernemen ter
verbetering van de interne organisatie van de Bibliotheek en het
gehanteerde personeelsbeleid, alsmede tot het voeren van een zorgvuldig
en voor mevrouw X bevredigend overleg over haar mogelijke toekomstige rol
als werknemer van de Bibliotheek. Mevrouw Agsteribbe heeft daarbij de
bereidheid uitgesproken, voorlopig als vertrouwenspersoon te willen
optreden.

3.14 Verweerster heeft dit advies in zijn geheel overgenomen. De
voorzitter van het bestuur van verweerster heeft het personeel van een en
ander op de hoogte gesteld middels een rondschrijven van 13 januari 1993.

3.15 Pogingen van mevrouw X en van verweerster om tot een oplossing van
de gerezen moeilijkheden te komen, zijn na de eerste behandeling van het
verzoek ter terechtzitting op niets uitgelopen doordat de verstandhouding
voorwat betreft mevrouw X onoplosbaar is verstoord na een
personeelsbijeenkomst op 28 april 1993, zodat zij mede daardoor niet kan
ingaan op het voorstel van verweerster dat zij haar werkzaamheden op een
bepaalde, andere werkplek gaat verrichten.

3.16 Deze personeelsbijeenkomst op 28 april 1993 was door het bestuur van
verweerster belegd daags na een verslag in de krant over de zitting op 26
april 1993 en had, blijkens het van die bijeenkomst overgelegde verslag,
ten doel in een open gesprek alle meningen te inventariseren betreffende
de inhoud van het kranteartikel en alles wat daarmee samenhangt.

3.17 Op deze bijeenkomst is, buiten aanwezigheid van mevrouw X, veel
gesproken en besproken; er is ook veel gezegd over mevrouw X, voor haar
zowel als tegen haar. Sommige collega’s stelden zich achter mevrouw X,
anderen kozen de zijde van de heer Z; weer anderen verkozen een neutrale
opstelling. Het bestuur van verweerster heeft zich toen openlijk achter
haar direkteur gesteld, en hem haar steun betuigd.

3.18 Mevrouw X is nog steeds arbeidsongeschikt; zij gebruikt medicijnen
wegens haar spanningsklachten en staat onder medische controle. Mevrouw
X heeft thans de leeftijd van 32 jaar.

3.19 De verzekeringsgeneeskundige acht de arbeidsongeschiktheid van
mevrouw X situatief van aard.

3.20 Verweerster heeft het ziekengeld van mevrouw X vanaf augustus 1992
gesuppleerd tot 100% van het haar toekomende salaris.

3.21 De heer Z heeft als direkteur van verweerster de Openbare Bibliotheek
te Hoorn tot grote bloei en hoogte gebracht. Zijn kwaliteiten voor de
bibliotheek zijn onbetwist groot.

3.22 Het ziekteverzuim onder het personeel van verweerster is
verhoudingsgewijs laag.

4. Beoordeling:

4.1. De kantonrechter acht op grond van hetgeen ten processe is gebleken,
voldoende komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen
op korte termijn behoort te worden ontbonden wegens gewichtige redenen,
bestaande uit veranderingen in de omstandigheden, te weten een blijvend
verstoorde arbeidsverhouding. Immers, vast is komen te staan dat de
verhoudingen tussen mevrouw X en de heer Z, alsmede de verhoudingen tussen
mevrouw X en het bestuur van verweerders, zodanig slecht zijn (geworden),
dat mevrouw X daar spanningsklachten van is gaan ondervinden die
onverminderd voortduren zolang zij met de situatie op haar werk blijft
geconfronteerd.

4.2. De kantonrechter acht mitsdien toewijsbaar het verzoek tot ontbinding
van de arbeidsovereenkomst, zodat die ontbinding zal worden uitgesproken
en wel ingaande 1 september 1993.

4.3. Naar het oordeel van de kantonrechter is de reden op grond waarvan
de ontbinding van de arbeidsovereenkomst behoort te worden uitgesproken,
niet aan mevrouw X toe te rekenen. De kantonrechter acht evenmin komen
vast te staan dat verweerster jegens mevrouw X gehandeld heeft op een
wijze die een goed werkgever niet betaamt. Integendeel heeft het bestuur
van verweerster volgens de kantonrechter niet inadequaat gereageerd toen
het via mr. Van Driem geconfronteerd zag met de grieven van mevrouw X en
met die van anderen met haar. Met name acht de kantonrechter niet
verwijtbaar dat het bestuur van verweerster op 28 april 19893 een
personeelsbijeenkomst heeft belegd naar aanleiding van het artikel in de
pers, waarin verslag werd gedaan van de behandeling van het geding ter
zitting van 26 april 1993. Evenmin acht de kantonrechter het laakbaar dat
het bestuur van verweerster de heer Z als haar directeur niet heeft willen
schorsen, zoals mevrouw X wenste, noch dat het bestuur zich aan de zijde
van de heer Z heeft geschaard nadat de heer Z op advies van mevrouw
Agsteribbe (werkzaam bij de Arbeidsinspectie Amsterdam) en van het bestuur
van verweerster, mevrouw X een excuusbrief had geschreven. Immers, de heer
Z heeft voor verweerster bewezen, voor de bibliotheek een goed directeur
te zijn.

4.4. De kantonrechter acht evenwel rechtens voldoende aannemelijk op grond
van de inhoud van de overgelegde stukken, dat de heer Z in zijn functie
van directeur van verweerster en mitsdien als drager van gezag, mevrouw
X als een aan hem ondergeschikt zijnd personeelslid heeft bejegend op een
zodanige haar kwetsende mate, dat zij daardoor voor haar werk bij
verweerster blijvend arbeidsongeschikt is geworden en derhalve als gevolg
van die wijze van bejegening haar betrekking bij verweerster is
kwijtgeraakt, hetgeen door mevrouw X tot schade heeft geleid.

4.5. Voor dit optreden van haar directeur, acht de kantonrechter
verweerster als zijn werkgever aansprakelijk, nu de door mevrouw X als
kwetsend ervaren bejegening heeft plaatsgevonden binnen het kader van de
taakverrichting door de heer Z, en verweerster de zeggenschap had over de
wijze waarop de heer Z als directeur zijn taak vervulde.

4.6. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter termen aanwezig acht
tot het bepalen van een vergoeding naar billijkheid ten behoeve van
mevrouw X.

4.7. Gelet op alle omstandigheden zoals deze ten processe zijn gebleken
– waaronder, de leeftijd van mevrouw X, haar functie bij verweerster, de
duur van het dienstverband, de kansen van mevrouw X op de arbeidsmarkt,
het feit dat verweerster de ziektewetuitkering van mevrouw X vanaf
augustus 1992 aangevuld heeft tot het volle salaris, de omstandigheid dat
mevrouw X vanwege de arbeidsomstandigheden bij verweerster situationeel
arbeidsongeschikt is geworden -, acht de kantonrechter billijk een
vergoeding van ƒ 5.000,- bruto als suppletie op te ontvangen uitkeringen
danwel elders te verdienen lager salaris, alsmede een vergoeding van ƒ
5.000,- als tegemoetkoming wegens ondervonden smart en gederfde vreugde.

4.8. Aan mevrouw X zal tot op 30 augustus 1993 de gelegenheid worden
geboden, het verzoek in te trekken wegens het bepaalde in artikel
7a:1639w, lid 10 BW.

5. De beslissing:

De kantonrechter:

5.1. a.- Stelt mevrouw X in de gelegenheid het verzoek in te trekken
uiterlijk op maandag, 30 augustus 1993.

b.- Voor het geval mevrouw X het verzoekschrift intrekt als voormeld,
veroordeelt mevrouw X in de kosten van verweerster, welke kosten tot heden
worden begroot op ƒ 1.5.00,- voor salaris gemachtigde.

5.2 Voor het geval mevrouw X het verzoek niet tijdig heeft ingetrokken als
voornoemd:

a.- Ontbindt ingaande woensdag, 1 september 1993 de arbeidsovereenkomst
tussen partijen op grond van gewichtige redenen, bestaande uit
veranderingen in de omstandigheden.

b.- Kent aan mevrouw X toe en veroordeelt voorzover nodig verweerster te
betalen, een vergoeding van ƒ 5.000,- bruto als suppletie op te ontvangen
uitkeringen danwel elders te verdienen lager salaris, alsmede een
vergoeding van f.5.000,- wegens ondervonden smart en gederfde vreugde,
beide vergoedingen te voldoen in een termijn uiterlijk op 1 oktober 1993.

c.- Veroordeelt verweerster in de kosten aan de zijde van mevrouw X
begroot op f.1.625,- waaronder f.1.500,- aan gemachtigdesalaris.

d.- Bepaalt, dat verweerster van dit bedrag f.1.5.93,75 dient te betalen
aan de griffier en ƒ 31,25 aan mevrouw X. e.- wijst af hetgeen meer of
anders is verzocht.

Rechters

Mr. Van der Deure.

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 26 juli 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is tijdens haar proeftijd ontslagen. Volgens haar hield
haar ontslag verband met haar zwangerschap. De wederpartij voert aan dat
het ontslag was gelegen in het disfunctioneren van verzoekster. Hiermee
doelt zij op het feit dat verzoekster twee werkbesprekingen heeft gemist.
Voor het overige waardeert de wederpartij het functioneren van verzoekster
als goed, zo blijkt ui een beoordelingsformulier. De Commissie is van
oordeel dat, gezien het overigens goede functioneren van verzoekster, het
missen van een of twee werkbesprekingen niet voldoende reden kan zijn voor
ontslag. Nu niet gebleken is dat er andere redenen zijn voor het ontslag,
concludeert de Commissie dat de zwangerschap een (mogelijk)
doorslaggevende rol heeft gespeeld. Strijd met de WGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 18 juni 1993 verzocht mevrouw V. te Amsterdam (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de Stichting
Thuishulp Waterland te Purmerend (hierna: de wederpartij) onderscheid op
grond van geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster is tijdens haar proeftijd door de wederpartij ontslagen.
Volgens verzoekster hield haar ontslag verband met haar zwangerschap en
heeft de wederpartij hiermee in strijd gehandeld met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en desgevraagd
een spoedprocedure toegepast. Voorafgaand aan de zitting heeft de
wederpartij op verzoek van de Commissie schriftelijk haar standpunt uiteen
gezet.

2.2. Partijen zijn opgeroepen hun standpunten toe te lichten tijdens een
zitting van de Commissie op 15 juli 1993. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw V. (verzoekster) – mw mr J.I. van der
Winden (advocaat)

van de kant van de wederpartij – mw B.E. Kalff-van Raak (leidinggevende)
– dhr mr L. de Jong (advocaat)

van de kant van de Commissie – dhr prof. mr P.F. van der Heijden
(Kamervoorzitter) – mw mr C.H.S. Evenhuis (Voorzitter Kamer I, in de
onderhavige zaak lid Kamer II) – mw drs A.J. Huber (lid Kamer) – mw mr
A.K. de Jongh (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster was gedurende 12 uur per week werkzaam bij de wederpartij
in de functie van gezinshelpende. Zij had een arbeidsovereenkomst voor
bepaalde tijd voor de periode van 29 maart 1993 tot 30 november 1993, met
een proeftijd van twee maanden. Op 24 mei 1993 heeft verzoekster een
beoordelingsgesprek met haar leidinggevende gehad. Naar aanleiding van dit
gesprek heeft de leidinggevende een standaard beoordelingsformulier
ingevuld. De verschillende functie-onderdelen zijn op dit formulier als
volgt gewaardeerd.

– Theoretische kennis van zaken: goed – Kwaliteit van het werk: goed –
Zelfstandigheid van werken: goed – Inzicht en overzicht van het werk: goed
– Nauwkeurigheid en orde: goed – Persoonlijke belangstelling voor het
werk: goed – Inzet: goed – Organiseren en verdelen van het werk: goed –
Contact met anderen (collega’s, patienten): Zonder opgaaf van redenen en
zonder afmelding niet verschenen op twee werkbesprekingen.

Bij het onderdeel ‘gedrag’ staat niets ingevuld. Onderaan het formulier
wordt gemeld dat verzoekster 21 weken zwanger is.

3.2. Op 27 mei 1993 heeft de leidinggevende aan verzoekster te kennen
gegeven dat na het verstrijken van de proeftijd haar dienstverband niet
zou worden voortgezet. Volgens verzoekster heeft de leidinggevende tijdens
dit gesprek haar zwangerschap als reden voor haar ontslag opgegeven. Dit
wordt door de wederpartij betwist.

Per brief d.d. 2 juni 1993 heeft verzoekster aan de wederpartij meegedeeld
dat zij de nietigheid van het ontslag inroept, aangezien deze verband
houdt met haar zwangerschap. In reactie hierop heeft de wederpartij in een
brief d.d. 4 juni 1993 aan verzoekster laten weten dat haar
zwangerschap niet de reden van het ontslag was. In deze brief staat dat
de leidinggevende op 27 mei 1993 zonder opgave van redenen het ontslag
heeft aangezegd. De wederpartij ontkent dat de zwangerschap van
verzoekster tijdens dit gesprek aan de orde is geweest. Voorts schrijft
zij dat tijdens de proeftijd de reden van de beeindiging van het
dienstverband niet meegedeeld hoeft te worden. Zij verwijst hierbij naar
artikel 7A:1639n Burgerlijk Wetboek (BW).

In een brief van de wederpartij aan de Commissie d.d. 8 juli 1993,
stelt de wederpartij dat de reden van het ontslag is dat verzoekster
zonder opgaaf van redenen tot tweemaal toe niet op een werkbespreking was
verschenen.

De standpunten van partijen

3.3. Verzoekster brengt het volgende naar voren. Tijdens het
beoordelingsgesprek op 24 mei 1993 vertelde de leidinggevende dat zij
tevreden was over haar functioneren en dat er van de zijde van de klanten
evenmin klachten over haar waren geuit. Verzoekster begreep uit de woorden
van de leidinggevende dat haar dienstverband na de proeftijd voortgezet
zou worden. Aan het eind van het gesprek heeft verzoekster aan de
leidinggevende toestemming gevraagd om, in verband met een
zwangerschapscontrole, eenmalig van werkdag te wisselen. Volgens
verzoekster hoorde haar leidinggevende op dat moment voor het eerst van
haar zwangerschap. Deze deelde hierop mee dat zij niet wist of zij
verzoekster dan wel een vast dienstverband kon aanbieden.

Tijdens het gesprek op 27 mei 1993, toen aan verzoekster werd meegedeeld
dat zij ontslagen werd, heeft de leidinggevende als reden hiervoor
opgegeven de voorzienbare afwezigheid van verzoekster in verband met haar
zwangerschap. “We hebben niets meer aan je, gezien je komende
zwangerschapsverlof” heeft zij gezegd.

3.4. Met betrekking tot hetgeen omtrent de verzuimde werkbesprekingen is
gezegd, brengt verzoekster naar voren dat zij niet twee, maar slechts een
werkbespreking heeft gemist. Dit was een werkbespreking op 5 april 1993.
Zij was hierbij niet aanwezig omdat zij deze afspraak was vergeten. Zij
heeft hiervoor haar excuses aangeboden bij haar leidinggevende. Dat zij
niet bij de andere werkbespreking op 19 april 1993 aanwezig was, kan haar
niet worden verweten. Deze werk- bespreking was namelijk niet in het
werkbesprekingenrooster opgenomen, terwijl verzoekster hier ook niet op
een andere wijze van op de hoogte is gesteld.

Verzoekster acht ontslag wegens het missen van een werkbespreking een
onevenredig zware maatregel, nu zij verder in alle opzichten goed
functioneerde. Zij kan deze reden voor ontslag dan ook niet serieus nemen,
temeer daar de wederpartij pas na anderhalve maand na het ontslag deze
reden voor ontslag aan verzoekster heeft doorgegeven. Gezien de
opmerkingen die de leidinggevende over haar zwangerschap heeft gemaakt,
is verzoekster ervan overtuigd dat haar voorzienbare afwezigheid in
verband met haar zwangerschap de ware reden voor het ontslag is.

3.5. Wat betreft het verweer van de wederpartij dat er geen sprake kan
zijn van verboden onderscheid, aangezien bij de wederpartij vrijwel alleen
vrouwen in dienst zijn, merkt verzoekster op dat dit argument geen hout
snijdt. Het gaat erom dat de reden voor het ontslag gelegen is in een
factor die samenhangt met het geslacht van verzoekster. Het is nooit
toegestaan om een werkneemster wegens zwangerschap of daarmee
samenhangende aspecten te ontslaan.

3.6. De wederpartij brengt het volgende naar voren. In de eerste plaats
is het onjuist dat zij op 24 mei 1993 voor het eerst van de zwangerschap
van verzoekster hoorde. Tijdens een werkbespreking op 17 mei 1993 was zij
hiervan al door verzoekster op de hoogte gesteld.

Verder betwist de wederpartij dat verzoeksters arbeidsovereenkomst op
grond van haar zwangerschap is beeindigd. Aangezien er in haar organisatie
ongeveer 400 vrouwen werken, komt zwangerschap zeer regelmatig voor. In
geval een werkneemster zwanger is, zorgt de wederpartij voor vervanging
tijdens het zwangerschapsverlof. Zwangerschap is voor haar dan ook nimmer
een reden om een dienstverband te beeindigen.

De enige reden voor het ontslag van verzoekster is dat zij tot twee maal
toe, zonder opgaaf van redenen en zonder afmelding, niet op
werkbesprekingen is verschenen. Dit terwijl aan verzoekster tijdig is
bericht dat zij bij deze werkbesprekingen aanwezig diende te zijn. In
verband met deskundigheidsbevordering achtte de wederpartij deze
werkbesprekingen van groot belang. Bovendien zou verzoekster op de
werkbespreking op 19 april 1993 aan andere collega’s worden voorgesteld.

De leidinggevende kan zich overigens niet meer herinneren of zij
verzoekster voor de ontslagaanzegging erop heeft aangesproken dat zij niet
op de werkbespreking van 19 april 1993 was gekomen.

3.7. Reeds tijdens het beoordelingsgesprek op 24 mei 1993 is door de
leidinggevende aan verzoekster te kennen gegeven dat er nog twijfels
bestonden over haar geschiktheid voor de functie. Dit moest nog met de
dienstleiding worden besproken. Hieruit blijkt dat tijdens het
beoordelingsgesprek juist geen mededelingen zijn gedaan over een eventuele
voortzetting van haar dienstverband. Ook heeft de leidinggevende op het
beoordelingsformulier niets ingevuld bij het onderdeel ‘gedrag’, omdat zij
haar oordeel hierover nog niet helder voor ogen had.

Hoewel het bij de wederpartij gebruikelijk is om bij ontslag de reden
hiervoor te melden, heeft zij dit niet gedaan bij de ontslagaanzegging van
verzoekster op 27 mei 1993. De reden hiervoor was gelegen in de
zwangerschap van verzoekster. De wederpartij wilde namelijk niet de indruk
wekken dat zij verzoekster vanwege haar zwangerschap ontsloeg. Zij wilde
een oneigenlijke discussie hierover vermijden.

3.8. Voor zover de Commissie tot het oordeel mocht komen dat het ontslag
mede verband houdt met de zwangerschap van verzoekster, hetgeen de
wederpartij uitdrukkelijk ontkent, stelt zij dat dit er niet toe leidt dat
zij zich schuldig heeft gemaakt aan een verboden onderscheid van mannen
en vrouwen. In de functie waarin verzoekster werkzaam was, werkten
namelijk ongeveer 400 vrouwen ten opzichte van een man. Van enig
onderscheid naar geslacht is dus geen sprake.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de beeindiging van de
arbeidsovereenkomst met verzoekster jegens haar onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen
en vrouwen.

4.2. Artikel 7A:1637ij BW bepaalt onder andere dat de werkgever bij het
beeindigen van de arbeidsovereenkomst geen onderscheid mag maken tussen
mannen en vrouwen. Alleen in geval van een wettelijke uitzonderingsgrond
mag van het verbod in bovengenoemd artikel worden afgeweken.

Onderscheid op grond van zwangerschap is blijkens lid 5 van artikel
7A:1637ij BW een vorm van direct onderscheid waarvoor in het systeem van
de Wet geen rechtvaardiging aangevoerd kan worden. In eerdere oordelen
heeft de Commissie uitgesproken dat ook als zwangerschap een van de
redenen en niet de enige reden voor het gemaakte onderscheid is, dit
strijd met de Wet oplevert (Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid, oordeelnummers 42-89-13 d.d. 18 oktober 1989,
172-90-31 d.d. 8 mei 1990 en 518-92-37 d.d. 23 juni 1992.).

4.3. Alvorens de onderhavige zaak te beoordelen, merkt de Commissie op dat
het niet tot haar taak behoort om te beoordelen of een werknemer al dan
niet voldoende functioneert. Zij is, gelet op de Wet, slechts bevoegd na
te gaan of er in casu bij de beeindiging van het dienstverband onderscheid
op grond van geslacht is gemaakt. Hierbij kan zij echter wel betrekken of
zij het aannemelijk acht dat verzoekster vanwege redenen die met haar
functioneren samenhangen, is ontslagen.

4.4. Verzoekster stelt dat zij vanwege haar voorzienbare afwezigheid in
verband met zwangerschap is ontslagen. De wederpartij daarentegen voert
aan dat het ontslag uitsluitend is gelegen in gebreken samenhangend met
het functioneren van verzoekster. Hiermee doelt zij op het feit dat
verzoekster twee werkbesprekingen heeft gemist.

De Commissie heeft niet feitelijk kunnen vaststellen of tijdens het
onderhoud op 27 mei 1993 de (afwezigheid in verband met) zwangerschap met
zoveel woorden als reden voor het ontslag is genoemd. De verklaringen van
verzoekster en de wederpartij hierover staan lijnrecht tegenover elkaar.
Daargelaten wat er tijdens dit onderhoud precies is gezegd, acht de
Commissie bij de beoordeling van de voorliggende vraag de volgende feiten
van belang.

Verzoeksters functioneren wordt kennelijk (blijkens het
beoordelingsformulier) door de wederpartij als ‘goed’ gewaardeerd. Slechts
bij twee functie-onderdelen ontbreekt een waardering. Bij ‘Contact met
anderen’ staat vermeld dat verzoekster zonder opgaaf van redenen op twee
werkbesprekingen niet is verschenen. En bij ‘gedrag’ staat niets ingevuld.
Volgens de wederpartij kon zij dit niet invullen omdat zij hier nog geen
duidelijke mening over had. De Commissie leidt hieruit af dat het
onwaarschijnlijk is dat het gedrag van verzoekster als onvoldoende te
kwalificeren was. De wederpartij heeft althans geen factoren genoemd die
een andere conclusie rechtvaardigen. Ook in het licht van de andere
waarderingen op het beoordelingsformulier is het onwaarschijnlijk dat het
gedrag van verzoekster als onvoldoende te kwalificeren was. Het gehele
beoordelingsformulier in beschouwing nemend, acht de Commissie het
aannemelijk dat verzoekster goed functioneerde.

4.5. Onbetwist is dat verzoekster een werkbespreking heeft gemist.
Verzoekster stelt deze werkbespreking vergeten te zijn en haar excuses
hiervoor aan haar leidinggevende te hebben aangeboden, hetgeen de
wederpartij niet heeft ontkend. Wat betreft de tweede werkbespreking
verschillen partijen erover van mening of de aankondiging hiervan
verzoekster heeft bereikt. Op grond van hetgeen ter zitting naar voren is
gekomen, acht de Commissie het zeer wel mogelijk dat de wederpartij heeft
nagelaten om deze werkbespreking (duidelijk) aan verzoekster door te
geven. In dit verband wijst zij ook op het werkbesprekingenrooster voor
1993, dat verzoekster ter zitting heeft overhandigd. Hierin staat de datum
19 april 1993 niet vermeld.

De Commissie is van oordeel dat, gezien het overigens goede functioneren
van verzoekster, het missen van een of twee werkbesprekingen niet
voldoende reden kan zijn om verzoekster te ontslaan. Zij acht het dan ook
niet geloofwaardig dat dit uitsluitend de reden voor het ontslag is
geweest. Nu er geen andere redenen voor het ontslag zijn aangevoerd,
concludeert de Commissie dat de voorzienbare afwezigheid wegens
zwangerschap een (mogelijk doorslaggevende) rol heeft gespeeld bij het
ontslag van verzoekster .

4.6. Tot slot beoordeelt de Commissie de stelling van de wederpartij dat
zelfs indien het ontslag met de zwangerschap van verzoekster samenhangt,
er geen sprake is van verboden onderscheid naar geslacht, aangezien er in
de functie van verzoekster bijna alleen maar vrouwen werkzaam zijn. Deze
stelling treft geen doel.

Zwangerschap is onlosmakelijk met ‘geslacht’ verbonden. Dit is als zodanig
ook in de Wet vastgelegd. In de tweede volzin van artikel 7A:1637ij lid
5 BW staat immers dat onder direct onderscheid mede wordt verstaan
onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap. De
personeels- samenstelling bij de wederpartij staat hier los van. Ook
indien het gehele personeel uit vrouwen zou bestaan, wordt er bij
onderscheid op grond van zwangerschap in strijd met bovengenoemd artikel
gehandeld. De Commissie wijst in dit verband ook op de uitspraak van het
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de ‘Dekker- zaak’
(Dekker tegen Stichting Vormingscentrum voor Jong Volwassenen Plus, d.d.
8 november 1990, Zaak C-177/88.). Hierbij ging het om de vraag of er
sprake was van discriminatie op grond van geslacht, nu een sollicitante
op grond van haar zwangerschap niet werd aangenomen, terwijl de overige
sollicitanten ook allen vrouwen waren. In deze zaak heeft het Hof
uitgemaakt dat het antwoord op de vraag of een besluit direct of indirect
onderscheid tot gevolg heeft, afhangt van het motief van dat besluit. Is
dit motief de omstandigheid dat betrokkene zwanger is, dan houdt het
besluit dat hierop is gebaseerd rechtstreeks verband met het geslacht en
is er dus sprake van direct onderscheid.

Op grond van het bovenstaande concludeert de Commissie dat de wederpartij
een verboden onderscheid naar geslacht heeft gemaakt door verzoekster op
grond van haar (voorzienbare afwezigheid in verband met) zwangerschap te
ontslaan.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Stichting Thuishulp
Waterland te Purmerend jegens mevrouw V. te Amsterdam onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk
Wetboek door haar in verband met haar zwangerschap te ontslaan.

Rechters

dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter), mw mr C.H.S.Evenhuis (Voorzitter Kamer I, in de onderhavige zaak lid Kamer II), mw drsA.J. Huber (lid Kamer), mw mr A.K. de Jongh (adjunct-secretaris).

Instantie: Gerechtshof Den Haag, 23 juli 1993

Instantie

Gerechtshof Den Haag

Samenvatting


Het Hof bepaalt dat voortzetting van de ouderlijke macht ook
mogelijk kan zijn in geval de minderjarige kinderen als i.c. onder
toezicht zijn gesteld en uit huis zijn geplaatst. Door dit laatste is
niet voldaan aan het door de Hoge Raad gestelde vereiste dat de ouders
in een goede onderlinge verstandhouding de kinderen blijven verzorgen
en opvoeden (HR NJ 1990, 105), maar het Hof acht dit niet
doorslaggevend. Verdere inmenging met betrekking tot het recht op
gezinsleven (art. 8 EVRM) dient achterwege te blijven indien deze niet
nodig is ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, in
het bijzonder de kinderen.

Volledige tekst

( …) 10. Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor voortzetting van de
ouderlijke macht van gescheiden ouders vereist dat beide ouders dit
wensen (HR NJ 1990, 105). Dit vereiste hangt nauw samen met een ander
vereiste, namelijk dat een situatie bestaat, die tenminste de
verwachting rechtvaardigt dat de ouders in een goede onderlinge
verstandhouding de kinderen blijven verzorgen en opvoeden. In geval
van een uithuisplaatsing op de voet van artikel 1:263 BW doet zich
evenwel een dergelijke situatie per definitie niet voor. De kinderen
worden immers elders verzorgd en opgevoed. Naar ’s hofs oordeel dient
echter in geval van een uithuisplaatsing de voortzetting van de
ouderlijke macht van gescheiden ouders mogelijk te zijn, ook indien
niet aan dit vereiste is voldaan.

Verdere inmenging met betrekking tot de uitoefening van het recht op
eerbiediging van het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 Europees
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM) van de respectieve ouders en de kinderen dan waarvan
reeds ten gevolge van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing
sprake is behoort achterwege te blijven, indien zij niet nodig is ter
bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, in het bijzonder
van de kinderen. Indien ieder van de ouders de kinderen nog een
toekomstperspectief kan bieden en een terugkeer van de kinderen naar
ieder van de ouders een reele mogelijkheid is kan het recht op
eerbiediging van het gezinsleven van de kinderen met ieder van de
ouders meebrengen dat vooralsnog niet in de voogdij over hen wordt
voorzien.

Blijkens het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat zich thans een
zodanig geval voordoet.

( …) Volgt vernietiging van de beschikking van de Rechtbank te
‘s-Gravenhage van 26 mei 1993 ten aanzien van de beslissing om
geintimeerde/de vader te benoemen tot voogd en appellante/de moeder
tot toeziende voogdes, en bepaling dat de moeder en de vader
gezamenlijk belast blijven met de uitoefening van de ouderlijke macht
over de kinderen.

Rechters

Mrs. Von Brucken Fock, Borgesius, Van Oldenborgh

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 19 juli 1993

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Het hof geeft een uitgebreide interpretatie aan
seksueel binnendringen en motiveert deze onder meer met de
bedoeling die de wetgever had met de invoering van de nieuwe
zedelijkheidswetgeving, namelijk ‘het zoveel mogelijk
uitbannen van het verschil tussen mannen en vrouwen’.

Volledige tekst

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de
meervoudige kamer in de arrondissementsrechtbank te Zwolle van
10 november 1992 in de strafzaak tegen B.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep
ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de
terechtzittingen van het hof van 22 maart, 17 mei en 5 juli
1993 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het
Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting
in eerste aanleg. Het hof heeft kennis genomen van de
vordering van de procureur-generaal, na voorlezing aan het hof
overgelegd en van hetgeen door en namens de verdachte naar
voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis, waarvan beroep,
zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden
rechtgedaan.

De telastelegging

Aan verdachte is bij inleidende dagvaarding, zoals op de
terechtzitting in eerste aanleg gewijzigd, telastegelegd, dat:

(zie dagvaarding eerste aanleg)

Rechtmatigheid van de bewijsgaring

Ter terechtzitting is door de raadsman naar voren gebracht dat
de verklaring van de aangeefster, voorzover betrekking hebbend
op de gemeenschap welke verdachte met haar zou hebben gehad,
wellicht zou zijn ingegeven door de toenmalige vriend van de
ex-echtgenote van verdachte, althans door derden.

Voorzover de raadsman hiermee heeft willen betogen dat de
verklaringen van de aangeefster onbetrouwbaar zijn en niet
voor bewijs zouden mogen worden gebezigd, wordt dit verweer
verworpen.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door
de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen,
dat verdachte het onder 1 telastegelegde heeft begaan, zodat
verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebezigde bewijsmiddelen

Bewezenverklaring

Door voormelde bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk
bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot
het bewijs van dat telastegelegde feit waarop het blijkens de
inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de
redengevende feiten en omstandigheden waarop de
bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging
verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het
onder 2 en 3 telastegelegde heeft begaan, met dien verstande,
dat:

(zie bewezenverklaring zoals aan dit arrest gehecht)

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is
telastegelegd dan hiervogen is bewezenverklaard, zodat deze
daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Ter terechtzitting van het hof is namens de verdachte betoogd
dat de onder 2 telastegelegde handelingen, ervan uitgaande dat
niet bewezen kan worden dat verdachte zijn penis in de vagina
van het slachtoffer heeft gebracht, indien bewezenverklaard,
niet opleveren seksueel binnendringen van het lichaam als
bedoeld in artikel 244 nieuw Sr, behoudens het brengen van de
penis in de mond van het slachtoffer.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Op 1 december 1991 is in werking getreden de wet van 9 oktober
1991 houdende aanscherping van de artikel 242 tot en met 249
van het Wetboek van Strafrecht teneinde betere bescherming te
bieden tegen bepaalde vormen van seksueel geweld. Het daarbij
gewijzigde artikel 244 Sr luidt thans: “Hij die met iemand
beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen pleegt die
bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van
het lichaam, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie’.

Aan voormelde wetswijziging ging een onderzoek door de
Adviescommissie zedelijkheidswetgeving (Commissie Melai)
vooraf, resulterend in een eindrapport van 2 juli 1980. De
door de commissie voorgestelde artikelen 243 en 245 bevatten
de bestanddelen ‘geslachtsgemeenschap of een daarmee gelijk te
stellen seksuele handeling’. Onder dit laatstgenoemde moet
volgens de commissie blijkens de door haar gegeven toelichting
worden verstaan: “…iedere vorm van genitaal, oraal en anaal
contact, zoals contacten tussen mond en anus, mond en penis en
mond en vulva, hetzij tussen penis en vulva en penis en anus,
hetzij tussen anus of vulva en artificieel substituut.”

Uit de parlementaire stukken inzake de geschiedenis van de
totstandkoming van de onderhavige wet, meer in het bijzonder
uit de door de minister bij de vierde nota van wijziging
gegeven toelichting, blijkt dat tussen regering en parlement
overeenstemming bestond dat “ontuchtige handelingen, die
bestaan uit het oraal en anaal binnendringen van het lichaam,
zowel bij jongens als bij meisjes een even ernstige inbreuk
maken op de lichamelijke integriteit als vleselijke
gemeenschap met een vrouw of meisje. Dit zou betekenen dat
deze vormen van binnendringen op dezelfde wijze strafbaar zou
dienen te zijn als vleselijke gemeenschap”. Volgens de
minister omvat seksueel binnendringen zowel vleselijke
gemeenschap als andere vormen van binnendringen.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de
onderhavige wet heeft de wetgever in de nieuwe zedenwetgeving
het onderscheid tussen mannen en vrouwen zoveel mogelijk
willen uitbannen. In dit streven past niet de reikwijdte van
de strafbaarstellingen inzake het seksueel binnendringen van
het lichaam te beperken tot uitsluitende daders van het
mannelijk geslacht.

Naar het oordeel van het hof is er dan ook geen grond voor het
hanteren van een onderscheid tussen het penetreren van het
lichaam van het -mannelijk dan wel vrouwelijk- slachtoffer
door het geslachtsdeel van de dader enerzijds en het
penetreren van dat lichaam door een artificieel object of een
vinger van de dader anderzijds. Immers de inbreuk op de
lichamelijk integriteit van het slachtoffer is in beide
gevallen even groot. Voor het slachtoffer zal het seksueel
binnendringen in haar vagina door verdachte met diens
vinger(s) en met een kaars een soortgelijke situatie betekenen
als wanneer verdachte met diens geslachtsdeel in haar vagina
zou zijn binnengedrongen.

Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat de
wetgever beoogd heeft de reikwijdte van de strafbaarstellingen
in de artikelen 242, 243, 244 en 245 Sr dusdanig uit te
breiden dat feitelijke handeling als te dezen onder 2
telastegelegd en bewezenverklaard onder het in die artikelen
gebezigde begrip ‘seksueel binnendringen van het lichaam’
begrepen zijn. Het verweer wordt derhalve verworpen en het hof
kwalificeert het onder 2 bewezenverklaarde als na te melden.

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:
Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaar handelingen
plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel
binnendringen van het lichaam;
meermalen gepleegd;
strafbaar gesteld bij artikel 244 in verband met artikel 57
van het Wetboek van Strafrecht.

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:
Ontucht plegen met zijn minderjarig kind;
meermalen gepleegd;
strafbaar gesteld bij artikel 249 in verband met artikel 57
van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of
aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen
zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming
met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de
omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de
persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het
onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij zijn straftoemeting in het bijzonder in
aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de
keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te
melden duur leiden-dat de verdachte gedurende geruime tijd
seksueel misbruik heeft gemaakt van zijn nog zeer jonge
dochter, waardoor een zeer ernstige inbreuk is gemaakt op de
fysieke en psychische integritiet van dit kind, hetgeen, naar
ervaring leert, ernstige psychische gevolgen voor het
slachtoffer teweeg kan brengen. Aldus handelend heeft
verdachte alllen oog gehad voor zijn eigen genot, en heeft
hij, ondanks de duidelijke protesten van het kind, haar
belangen daarbij bewust terzijde geschoven, om welke redenen
het hof komt tot oplegging van een zwaardere straf dan in
eerste aanleg opgelegd en thans door de procureur-generaal
gevorderd.

Blijkens een omtrent verdachte door J. Dam, zenuwarts,
opgemaakt psychiatrisch rapport van 31 augustus 1992 zijn de
geestvermogens van verdachte gebrekkig ontwikkeld en kunnen de
bewezenverklaarde feiten hem slechts verminderd worden
toegerekend. Het hof neemt dit oordeel over en maakt dit tot
het zijne.

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte te kennen
gegeven slechts open te staan voor behandeling indien zulks op
ambulante basis zou geschieden.
Het hof betreurt dit standpunt, dat ervan doet blijken dat
verdachte de ernst van zijn handelen niet -volledig- inziet.
Het hof gaat ervan uit, dat indien althans de verdachte zich
alsnog daartoe bereid zou verklaren, de wettelijke
mogelijkheden voor behandeling in het kader van de
tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf zullen worden benut.

Het hof brengt bij het opleggen van na te melden straf op de
voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht in rekening
de veroordeling bij vonnis van de politierechter te Zwolle van
6 november 1986 tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2
weken.

Teopasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 63, 244 en 249 van het
Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1
telastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het
onder 2 en 3 telastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is
telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt
verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit
als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Motiveert de strafoplegging als hiervoor vermeld.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
3 (drie) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door veroordeelde voor de
tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en
voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging
van de opgelegde gevangensstraf geheel in mindering zal worden
gebracht.

Rechters

Mrs Balkema, Dijkstra en Roodmale Nepreu

Instantie: Kantonrechter Brielle, 14 juli 1993

Instantie

Kantonrechter Brielle

Samenvatting


Een kinderloos paar voorziet in adoptie doordat de man twee
buitenlandse kinderen erkent en voogd wordt. Vervolgens nemen zij de
kinderen in het eigen gezin op. Na beeindiging van de relatie verblijven
de kinderen bij de man tengevolge van diens voogdijschap. De vrouw vraagt
om wijziging van de voogdij. De rechter verklaart de vrouw ontvankelijk
in haar verzoek en gaat hiermee voorbij aan art. 1:291 lid 2 BW waarin
staat dat alleen de juridische ouders wijziging van de voogdij kunnen
vragen. Gezien de bijzondere omstandigheden van dit geval, het bestaan van
een gezinsleven tussen de vrouw en de kinderen en het belang van de
kinderen wordt in casu art. 1:291 lid 2 BW buiten beschouwing gelaten.

Volledige tekst

Het verloop van het geding

Op … is ter griffie van het kantongerecht te Brielle het verzoekschrift
ontvangen, waarbij verzoekster -nader te noemen N- om voogdijwijziging
heeft verzocht.

Namens verweerder -nader te noemen P- is op …. een verweerschrift
ingediend, primair strekkende tot niet- ontvankelijkverklaring, subsidiair
tot afwijzing van het verzoek.

De mondelinge behandeling heeft op … plaatsgevonden. Ter zitting waren
partijen, vergezeld van hun gemachtigden, aanwezig.

Door de gemachtigde van N werden ter zitting pleitnotities overgelegd.

Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden, welke bij de
stukken is gevoegd.

De beschikking is bepaald op heden.

De beoordeling van het verzoek

Partijen hebben van 1972 tot februari 1992 met elkander samengewoond als
waren zij gehuwd.

Zij bleven ongewenst kinderloos, hetgeen voor hen reden was stappen te
ondernemen om tot adoptie van enkele buitenlandse kinderen over te gaan.

Om dit te bereiken werd de volgende procedure gevolgd: via een
maatschappelijk werkster in Brazilie zijn zij in 1986 respectievelijk 1987
in contact gekomen met twee ongehuwde, zwangere, vrouwen, die erin
toestemden dat P na de geboorte hun kind erkende en daarover voogd werd,
alsmede dat hun kind voor onbepaalde tijd in het gezin van partijen zou
worden verzorgd en opgevoed, terwijl zij tevens toestemming gaven dat
partijen – na met elkaar te zijn getrouwd – hun kind zouden adopteren.

Het was de bedoeling van partijen op deze wijze drie kinderen in hun gezin
op te nemen en om – nadat dit op de hiervoor geschetste wijze was
gerealiseerd – met elkaar te trouwen, waarna (stiefouder)adoptie zou
kunnen plaatsvinden.

Op deze wijze kwam in juli 1986 MI – geboren op 27 juni 1986 te Santos,
Brazilie uit Catharina de Fatima da Cruz – in hun gezin.

De moeder heeft bij notariele akte van 28 juli 1986 de hierboven
omschreven toestemmingen gegeven.

Bij notariele akte van dezelfde datum heeft P MI erkend.

Bij beschikking van de kantonrechter te Brielle van 12 februari 1987 is
P tot voogd en N tot toeziend voogdes over MI benoemd.

Evenzo ging het met MA – geboren te Rotterdam op 8 april 1988 uit Maria
Belmira de Concercao -, die in april 1988 in het gezin van partijen werd
opgenomen.

Bij notariele akten van 18 april 1988 heeft P dit kind erkend en heeft de
moeder de hiervoor omschreven toestemmingen gegeven.

Bij beschikking van de kantonrechter te Brielle van 2 mei 1989 werd P
benoemd tot voogd en N tot toeziend voogd over MA.

De kinderen werden sedert hun opname in het gezin van partijen door hen
verzorgd en opgevoed als waren het hun eigen kinderen.

Er was sprake van een normale gezinssituatie, vallende onder het begrip
‘ family life’ in artikel 8 EVRM.

De taakverdeling tussen partijen was aldus, dat N het leeuwedeel van de
verzorging en opvoeding voor haar rekening nam onder meer vanwege het feit
dat P een fulltime baan had.

Aangezien partijen op dezelfde manier nog een derde kind wensten op te
nemen, werd met een huwelijk gewacht totdat deze wens was gerealiseerd.
Zover is het echter niet gekomen: in februari 1992 heeft N in verband met
relatieproblemen de samenwoning verbroken en is met de kinderen
vertrokken.

P heeft hierop in kort geding afgifte van de kinderen gevorderd, aan welke
vordering N – toen haar bleek dat deze vordering zou worden toegewezen –
eigener beweging heeft voldaan.

Thans is de situatie zo, dat de kinderen bij P verblijven, metr dien
verstande dat zij buiten schooltijd in een opvanggezien zijn totdat P van
zijn werk thuiskomt. Er is een omgangsregeling -een weekend per veertien
dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondagavond 18.00 uur- tussen N en de
kinderen.

De uitvoering van deze regeling verloopt allerminst vlekkeloos.

Tot zover de als erkend, dan wel niet of onvoldoende weersproken,
vaststaande feiten.

N verzoekt thans wijziging van de voogdij in die zin dat zij tot voogdes
en P tot toeziend voogd zal worden benoemd.

Zij stelt daartoe, dat zij, anders dan P goed in staat is fulltime voor
de kinderen te zorgen.

Naar de kantonrechter begrijpt bedoelt N hiermee impliciet te stellen dat
het daarom (meer) in het belang van de kinderen is wanneer zij tot voogdes
wordt benoemd.

Voorts voer N aan, dat -nu P niet de biologische vader van de kinderen is-
aan hem indertijd op oneigenlijke gronden de voogdij over hen is gegeven.

Dit zou thans reden moeten zijn om tot wijziging van de voogdij over te
gaan.

P heeft zich tegen het verzoek verweerd, primair stellende dat N in haar
verzoek niet-ontvankelijk is nu tussen haar en de kinderen geen
familierechtelijke betrekking bestaat, hetgeen ingevolge het bepaalde in
artikel 1:291 lid 2 BW voorwaarde is voor een verzoek tot wijziging van
de voogdij.

Ingevolge artikel 8 EVRM zou N wel een omgangsregeling kunnen verzoeken,
maar niet een wijziging van de voogdij.

Subsidiair betwijfelt hij of het wel in het belang van de kinderen is
wanneer zij door N worden verzorgd en opgevoed.

Naar zijn mening dient daartoe eerst een uitgebreid onderzoek van de Raad
voor de Kinderbescherming plaats te vinden.

Ter zitting is namens N nog aangevoerd dat P misbruik maakt van zijn
bevoegdheid als voogd nu hij door zijn standpuntbepaling verhindert dat
een onderzoek wordt ingesteld naar de vraag wat het meest in het belang
van de kinderen is.

Zij stelt dat ook in het onderhavige geval het belang van de kinderen
voorop dient te staan, een belang dat niet mag en kan worden gefrustreerd
door de in artikel 1:291 lid 2 BW gestelde beperking.

Met betrekking tot het verzoek wordt het navolgende overwogen:

1. ontvankelijkheid

Vooropgesteld wordt dat het hier om natuurlijk erkende kinderen gaat met
wie P – hoewel niet hun biologische vader – door zijn erkenning in
familierechtelijke betrekking staat.

Tussen de kinderen en N bestaat een dergelijke familierechtelijke
betrekking niet.

Het primaire verweer van P is gebaseerd op artikel 1:291 lid 2 BW, waarin
is bepaald dat alleen een der ouders een verzoek als het onderhavige kan
indienen.

N’s verweer begrijpt de kantonrechter aldus, dat zij meent dat
ongeclausuleerde toepassing van eerdergenoemd artikel in de gegeven –
bijzondere – omstandigheden in strijd is met artikel 8 EVRM, zodat het in
het onderhavige geval buiten toepassing dient te blijven.

Naar vaststaat – P heeft dit niet ontkend – was tijdens der partijen
samenwoning sprake van ‘family life’ in de zin van artikel 8 EVRM.

a. artikel 8 EVRM in relatie met de positie van N

Met N is de kantonrechter van mening dat er sprake is van een bijzonder
geval, die op belangrijke punten afwijkt van andere situaties die zich in
voogdijkwesties ten aanzien van natuurlijk erkende kinderen voordoen.

Het bijzondere is vooral gelegen in het feit dat alles wat partijen hebben
gedaan om MI en MA bij zich te krijgen in het teken stond van hun beider,
kennelijk diepgewortelde, kinderwens en hun verlangen een ‘gewoon gezin
met kinderen’ te vormen.

Zij wensten beiden via een – in hun geval – noodzakelijke omweg tot de
vorming van een normaal gezin te komen, waarbij het uiteindelijke doel was
dat hun gezinssituatie in geen enkel opzicht zou verschillen van de
situatie van echtparen, wier kinderwens op natuurlijke wijze wordt
bevredigd.

Het komt de kantonrechter voor dat N in de gegeven omstandigheden op grond
van de aan haar ingevolge artikel 8 EVRM gegeven bescherming terecht
bezwaar maakt tegen het wel zeer rigide standpunt van P.

Als (tijdelijk) pleegmoeder en toekomstige ouder van haar (dan) wettige
kinderen heeft zij er recht op en belang bij dat thans -nu de samenwoning
is verbroken- de vraag wie tot voogd(es) over MI en MA wordt benoemd
zoveel mogelijk wordt behandeld op de wijze die voor voogdijkwesties
tussen ouders is voorgeschreven.

Met andere woorden:

naast de -door de rechtsorde aanvaarde- fictie, die de grondslag vormt van
de rechtsgeldige erkenning door P van de kinderen en die als zodanig tot
het ontstaan van de familierechtelijke betrekkingen tussen hen heeft
geleid, is er naar de mening van de kantonrechter plaats voor een tweede
fictie, op grond waarvan -uitgaande van de feitelijke situatie waarin de
kinderen nagenoeg vanaf hun geboorte zijn opgegroeid en waarin N in
feitelijk en in emotioneel opzicht, hun moeder was en is- het onderhavige
verzoek dient te worden beoordeeld alsof tussen N en de kinderen ook
familierechtelijke betrekkingen bestaan.

b. artikel 8 EVRM in relatie tot de positie van de kinderen

Belangrijker echter dan de bescherming van de belangen van P acht de
kantonrechter de belangen die de kinderen hebben bij een weloverwogen
beslissing omtrent de vraag wie van partijen geacht kan worden hen het
beste te verzorgen en op te voeden.

Hun belang bij een goedgefundeerde belsissing is evident en weegt zwaarder
dan de respectievelijke belangen van partijen.

Wanneer N echter in haar verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard komt
men aan de beoordeling van de essentie in deze zaak niet toe.

Immers, in dat geval resteert slechts de vaststelling van de inhoud en de
frequentie van de omgangsregeling, doch aan de kern van de zaak, -wiens
/wier benoeming tot voogd/voogdes is het meest in het belang van de
kinderen?- wordt dan voorbijgegaan.

Deze consequentie van het bepaalde in artikel 1:291 lid 2 BW acht de
kantonrechter in de onderhavige omstandigheden onaanvaardbaar en ook
strijdig met de bescherming, die artikel 8 lid 2 EVRM aan deze kinderen
biedt.

Dat zij onder de hierbedoelde bescherming vallen is evident: het begrip
“anderen” imers omvat ook de bescherming van hun “rechten en vrijheden”.

De kantonrechter is ervan overtuigd dat het in het belang van de kinderen
is, wanneer de voogdijkwestie inhoudelijk wordt beoordeeld, hetgeen in
feite betekent dat wordt onderzocht wie in het belang van de kinderen het
best tot voogd/voogdes kan worden benoemd.

De vraag is thans of in casu artikel 8 EVRM 1:291 lid 2 BW buiten
toepassing kan stellen.

Naar de kantonrechter meent dient deze vraag bevestigend te worden
beantwoord.

Nu artikel 1:291 lid 2 BW in het onderhavige geval een inhoudelijke
beoordeling van het verzoek – zoals hiervoor is aangegeven – in de weg
staat en het Nederlandse recht geen wegen kent langs welke een dergelijke
beoordeling redelijkerwijze – waarmee in dit geval wordt bedoeld: zonder
de belangen van de kinderen (nog meer) te schaden – kan worden bereikt,
dient artikel 1:291 lid 2 BW in deze buiten toepassing te worden gesteld.

N is derhalve ontvankelijk in haar verzoek.

2. inhoudelijke beoordeling

Wat de inhoudelijke beoordeling van het verzoek betreft geldt het
volgende:

De huidige situatie in de onderlinge verhouding tussen partijen en in hun
relatie met de kinderen is gespannen,. Er lijkt tussen hen een strijd te
zijn ontbrand, die noodzakelijkerwijze een nadelig effect op de kinderen
heeft.

Beiden hebben echter aangegeven te willen meewerken aan een onderzoek door
de Raad voor de Kinderbescherming te Rotterdam. De kantonrechter acht het
noodzakelijk dat een dergelijk onderzoek wordt uitgevoerd.

Daarin zal naar haar mening niet alleen de vraag wie – in het belang van
de kinderen – het best tot voogd/voogdes kan worden benoemd dienen te
worden onderzocht, doch ook aandacht dienen te worden besteed aan de vraag
welke omgangsregeling – naar aard en frequentie – het beste is.

In afwachting van dit onderzoek wordt iedere beslissing aangehouden.

De (voorlopige) beschikking

De kantonrechter:

1. stelt het bepaalde in artikel 1:291 lid 2 BW ten deze buiten toepassing
en verklaart N ontvankelijk in haar verzoek;

2. houdt de iedere verdere beslissing aan in afwachting van een rapport
van de Raad voor de Kinderbescherming en verzoekt deze een onderzoek in
te stellen met inachtneming van het hierboven overwogene.

Rechters

Mr. Varekamp-Vos

Instantie: Rechtbank Assen, 13 juli 1993

Instantie

Rechtbank Assen

Samenvatting


Eiseres wordt door werkgever seksueel geintimideerd. Zij krijgt psychische
klachten en voelt zich gedwongen ontslag te nemen. Zij vordert
schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad. Zij slaagt in de door
de rechtbank gegeven bewijsopdracht. Toewijzing materiele schade ƒ 8163,91
(loonderving) en immateriele schade ad ƒ 7500,=.

Volledige tekst

1. Het verdere procesverloop Bij tussenvonnis van 21 april 1992, waarvan
de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd, heeft de
rechtbank eiseres bewijs opgedragen. Blijkens de daarvan opgemaakt
processen-verbaal hebben getuigenverhoren plaatsgevonden. Nadat de zaak
weer op de rol was gebracht hebben zowel eiseres als gedaagde een
conclusie na enquete genomen. Partijen hebben tenslotte wederom de stukken
aan de rechtbank overgelegd en vonnis gevraagd.

2. Het probandum Bij voormeld tussenvonnis is aan eiseres opgedragen te
bewijzen, dat gedurende de arbeidsverhouding met gedaagde fysieke
handelingen hebben plaatsgevonden en/of opmerkingen zijn gemaakt door
gedaagde zoals nader omschreven in rechtsoverwegingen sub 3.1. van dat
vonnis. Eiseres heeft daartoe vijf getuigen doen horen; gedaagde heeft
vervolgens drie getuigen in contra-enquete voorgebracht.

3. De getuigenverklaringen 3.1. Partijgetuige V heeft verklaard, dat
gedaagde haar twee maanden na indiensttreding begon aan te raken en
opmerkingen begon te maken, zoals onder sub 3.1. van het tussenvonnis
omschreven. De opmerkingen zijn regelmatig gemaakt; eiseres verklaart zich
daaronder zeer naar te hebben gevoeld en ook duidelijk aan gedaagde te
kennen te hebben gegeven, dat zij dat gedrag vreemd vond. De reden van het
ontslag was, dat zij een en ander als zeer onprettig heeft ervaren.
Kandidaten voor de secretaressefunktie heeft zij niet gewaarschuwd voor
gedaagde.

3.2. Getuige B heeft verklaard rond oktober 1988 een gesprek met eiseres
te hebben gehad gaande over ongewenste intimiteiten zoals in de
processtukken is vermeld. Details kan hij zich niet herinneren, maar hij
weet nog dat de gebeurtenissen zeer bedreigend en beangstigend op eiseres
waren overgekomen. De toenmalige consulent in Meppel, de heer Huiskes,
heeft hem gemeld, dat zijn arbeidsbureau 4 a 5 keer heeft bemiddeld voor
gedaagde en dat de gegadigden regelmatig bij het arbeidsbureau
terugkwamen, aangezien zij een onprettig en beangstigend gevoel kregen
vanwege de te grote stilte en de rust op de werkplek en vanwege
opmerkingen van gedaagde die te maken hadden met ongewenste intimiteiten.
Dat was voor het arbeidsbureau in Meppel de reden de
bemiddelingswerkzaamheden voor gedaagde stop te zetten.

3.3. Getuige J heeft ondermeer verklaard, dat de heer Metz van het
arbeidsbureau Meppel haar heeft meegedeeld, dat de reden dat gegadigden
niet voor een functie bij gedaagde in aanmerking wilden komen was, dat de
vrouwen het op de werkplek van gedaagde te eenzaam, te stil en te rustig
vonden,. maar ook in verband met ongewenste intimiteiten in de opmerkende
sfeer, waar de vrouwen zich niet prettig bij voelden. Getuige J heeft op
3 oktober 1988 een gesprek gehad met eiseres; vervolgens heeft een tweede
gesprek plaatsgevonden, waarbij ook de B en mevrouw K aanwezig waren.
Tijdens beide gesprekken zijn zaken letterlijk aan de orde geweest zoals
vermeld in de processtukken. In de gesprekken kwam eiseres emotioneel over
en in het tweede gesprek klapte ze helemaal dicht. Ook mevrouw K was
emotioneel in het tweede gesprek.

3.4. Getuige D.J heeft verklaard, dat gedaagde gedurende dat tijd dat zij
bij hem in dienst was regelmatig bij haar feitelijke handelingen heeft
verricht en opmerkingen tegen haar heeft gemaakt, waardoor de werksituatie
niet prettig was. Die gebeurtenissen waren voor haar aanleiding ontslag
te nemen. Getuige D.J. heeft gedurende het dienstverband regelmatig met
eiseres gesproken over aan eiseres overgekomen gebeurtenissen. Zij heeft
van eiseres gehoord, dat gedaagde tegen eiseres heeft gezegd “zullen we
samen rampestampen in de zandbak” en zij heeft van eiseres gehoord, dat
gedaagde met zijn hand onder eiseres trui heeft gezeten.

3.5 Getuige K heeft verklaard, dat zij 2 a 3 weken bij gedaagde werkzaam
is geweest. Op de vijfde dag hoorde zij van eiseres, dat zij bij gedaagde
wegging vanwege gepleegde ongewenste intimiteiten. Zij kan zich niet exact
de in de richting van eiseres gemaakt opmerkingen herinneren maar eisers
voelde zich niet meer veilig. Vanaf dat moment voelde getuige K zich dar
ook niet veilig meer. Met eiseres is zij naar het GAK geweest, waar werd
gezegd: dit is al vaker gebeurd, je bent numero zes. Zij verklaart verder,
dat door gedaagde ook in haar richting opmerkingen zij gemaakt, waar je
in het begin niets bij denkt, maar die na het horen van het verhaal van
eiseres niet fijn meer zijn. Tenslotte verklaart zij dat gedaagde haar
niet heeft aangeraakt.

3.6. Partijgetuige S verklaart in contra-enquete een goede verstandhouding
met eiseres te hebben gehad, hetgeen blijkt uit het feit dat hij benaderd
is als sponsor voor een voetbaldameselftal en dat zij met hem sprak over
haar relatie- probleem. Hij verklaart voorts, dat het dienstverband abrupt
is geeindigd; als reden werd door eiseres opgegeven, dat haar salaris over
de maand september niet was overgemaakt. Het verloop van de secretaresses
voor de komst van eisers was groot. Als reden werd vaak opgegeven, dat men
de werkplek te eenzaam en te stil vond.

3.7. Getuige H (destijds consulent bij het arbeidsbureau te Meppel) heeft
in contra-enquete ondermeer verklaard, dat het bemiddelen voor gedaagde
steeds moeizamer verliep. Hij geeft daarvoor twee redenen op, te weten de
niet prettige werkomstandigheden vanwege de eenzame ligging van het
kantoor en gedaagde als persoon, waarbij hij uitdrukkelijk verklaart dat
niemand van de personeelsleden heeft aangegeven, dat er sprake zou zijn
geweest van ongewenste intimiteiten, In een gesprek met de heer B en
mevrouw J zijn wel mogelijk door gedaagde gepleegde handelingen
betreffende ongewenste intimiteiten ter sprake geweest; hij hoorde daarvan
in dat gesprekken voor het eerst in die mate. Hij verklaart voorts dat die
interpretatie door collega’s aan de gedragingen is gegeven; echt duidelijk
is niet gesproken over ongewenste intimiteiten of handtastelijkheden, wel
in de zin dat er een ontzettende dreiging vanuit ging.

3.8. Getuige M verklaart in contra-enquete, dat zij regelmatig met eiseres
heeft gesproken en dat ze een opgewekte en opgeruimde indruk maakte en
heel ontspannen en plezierig overkwam. Ze verklaart nooit een wanklank van
haar te hebben gehoord.

4. Beoordeling van het bijgebracht bewijs. 4.1. Eiseres heeft als getuige
conform het probandum verklaard; alle door haar voorgebrachte getuigen
hebben haar verklaring van horen zeggen. De getuigen J en D.J hebben
verklaard, dat eisers hen destijds exact op de hoogte heeft gesteld van
datgene dat zou hebben plaatsgevonden tussen eiseres en gedaagde en zij
herinneren zich, dat de gedane mededeling van die gebeurtenissen conform
de verklaring van eiseres is. De getuigen B en K kunnen zich niet exact
meer herinneren welke mededelingen eiseres aan hen heeft gedaan, doch hen
is bijgebleven, dat de gebeurtenissen zeer bedreigend en beangstigend op
eiseres waren overgekomen (B) en dat eiseres zich op de werkplek niet meer
veilig voelde (K).

4.2. Eiseres heeft samen met getuige K haar verhaal bij het GAK gedaan;
bij het GAK liet men blijken, dat men reeds vaker was geconfronteerd met
een dergelijk verhaal, aldus getuige K, S.G. Hekkert,
verzekeringsdeskundige van het GAK, heeft bij brief van 8 augustus 1991
aan de voormalig advocate van eiseres (overgelegd bij conclusie van
repliek) verslag gedaan van dit gesprek en naar voren gebracht dat eiseres
een en ander op een hem overtuigende wijze heeft gepresenteerd en dat er
geen sprake van was, dat eiseres geneigd leek tot abnormaal (ziekelijk)
vervormd waarnemen van de werkelijkheid of het pathologisch verwisselen
van feiten en fantasieen.

4.3. Vervolgens is er nog de verklaring van getuig B, die zegt destijds
van H te hebben vernomen, dat werkneemsters van gedaagde regelmatig bij
het arbeidsbureau Meppel terugkwamen, omdat ondermeer opmerkingen door
gedaagde werden gemaakt die te maken hadden met ongewenste intimiteiten,
waarbij de werkneemsters een onprettig en beangstigend gevoel kregen.

De heer H zelf ontkent weliswaar in zijn verklaring, dat personeelsleden
zouden hebben aangegeven, dat er sprake zou zijn geweest van ongewenste
intimiteiten, doch uit een bij het getuigenverhoor ter sprake gebrachte
brief d.d. 9 juli 1992 van de heer H aan de advocate van eiseres
(overgelegd door eiseres bij conclusie na enquete) geeft deze getuige aan,
dat de reden van het moeizaam verlopen van de bemiddeling en het niet in
dienst kunnen houden van geschikte mensen ondermeer verband hield met de
persoon van gedaagde, die met zijn opmerkingen bij de betrokken
werkneemster(s) en een erg onprettig en bedreigend gevoel teweeg bracht.

4.4. Tenslotte is er de verklaring van getuige D.J. waaruit blijkt, dat
zich ook bij haar feitelijke handelingen hebben voorgedaan en opmerkingen
zijn gemaakt soortgelijk aan die van eisers.

4.5. De rechtbank is van oordeel, dat de hierboven aangehaalde
bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, de verklaring
van eiseres zodanig versterken c.q. bevestigen dat zij is geslaagd in het
leveren van het haar opgedragen bewijs; voldoende tegenbewijs is door
gedaagde niet geleverd.

5. De schade 5.1. De door eiseres gevorderde materiele schade betreft
gederfd loon over de periode van 10 oktober 1988 tot 8 januari 1990. De
rechtbank is weliswaar uit de processtukken (akte van gedag houdende
overlegging produktie en akte van eiseres, gedaagd houdende overlegging
produktie en akte van eiseres, sub 4) gebleken, dat eiseres reeds op 26
augustus 1988 gedaagde heeft verzocht per 1 januari 1989 het dienstverband
te willen beeindigen, maar dat verzoek is gedaan vanwege het
bewezenverklaard gedrag van gedaagde, zodat de schade die voortvloeit uit
de beeindiging van de dienstbetrekking, redelijkerwijs voor rekening van
gedaagde dient te komen. Aangezien de door eiseres gestelde omvang van
materiele schade door gedaagde niet gemotiveerd is betwist acht de
rechtbank het gevorderde schadebedrag ad ƒ 8.163,91 toewijsbaar.

5.2. Gelet op de niet gewenste seksueel getinte handelingen en opmerkingen
die hebben plaatsgevonden en de als gevolg van de daaruit voortkomende
lichamelijke en psychische klachten tijdelijk door eiseres ondervonden
arbeidsongeschiktheid acht de rechtbank de gevorderde immateriele schade
toewijsbaar tot een bedrag van ƒ 7.500,=

Beslissingen De rechtbank: 1. Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van de
door eisers geleden materiele schade ad ƒ 8.163,91 vermeerderd met de
wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding; 2. veroordeelt gedaagde tot
vergoeding van de door eiseres geleden immateriele schade ad. ƒ 7.500,=
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding; 3.
Verwijst gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van eiseres tot
op heden begroot op ƒ 2.700,= voor salaris en ƒ 461,20 voor verschotten,
waarvan de voldoen aan: a. de griffier van deze rechtbank ƒ 2.990,10
(bestaande uit in debet gestelde recht ƒ 225,= uitgebrachte exploiten en
opgemaakte processen-verbaal ƒ 65,10 en ƒ 2.700,= voor salaris en
verschotten van de procureur van eiseres) middels overschrijving op
postrekeningnummer …. t.n.v. de gerechten in het arrondissement Assen. 4. verklaart dit
vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5. wijst af het meer of anders
gevorderde.

Rechters

mr. J.J. Schoenmaker

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 12 juli 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Voor de receptionisten die bij de wederpartij werken gelden
kledingvoorschriften. Deze voorschriften zijn per geslacht verschillend.
Volgens verzoekster hebben de mannelijke receptionisten meer keuzevrijheid
in de samenstelling van hun werkkleding dan de vrouwelijke receptionisten.
De Commissie oordeelt dat de kledingvoorschriften niet dusdanig
verschillen dat de wederpartij hiermee onderscheid naar geslacht maakt.
Geen strijd met de WGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 4 maart 1992 verzocht mevrouw S. te Utrecht (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of het Ziekenhuis Overvecht te
Utrecht (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid naar geslacht
maakt/heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

1.2. De wederpartij hanteert tijdens werktijden voor haar receptionisten
kledingvoorschriften. Deze kleding- voorschriften zijn per geslacht
verschillend. Volgens verzoekster hebben de mannelijke receptionisten meer
keuzevrijheid in de samenstelling van hun werkkleding dan de vrouwelijke
receptionisten. Verzoekster is van mening dat de kledingvoorschriften die
de wederpartij hanteert in strijd zijn met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun
standpunten schriftelijk toe te lichten.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 27 mei 1993. Partijen hebben
van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.

De beraadslagingen hebben plaatsgevonden op 27 mei 1993. Daarbij waren
aanwezig: – dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter) – mw prof
mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer) – mw drs A.J. Huber (lid Kamer) – mw mr
I.M.C.V.T. Kiebert (lid Kamer) – mw mr C.B. Mol-Bronkhorst (lid Kamer) –
mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een ziekenhuis. De receptionisten die bij de
wederpartij werken, zijn sinds medio mei 1991 verplicht om dienstkleding
te dragen. Dit kledingvoorschrift is gebaseerd op de ‘Uitvoeringsregeling
voorgeschreven kleding’, welke in de CAO voor het Ziekenhuiswezen is
opgenomen. Bij de wederpartij werken 16 receptionisten. Er is een dag- en
een nachtploeg. De dagploeg is tussen 7.00 uur en 23.15 uur werkzaam. In
de dagploeg werken zeven vrouwen en een man in vaste dienst. Deze ploeg
wordt aangevuld door drie vrouwelijke oproepkrachten. De nachtploeg is
tussen 22.45 uur en 7.00 uur werkzaam. In de nachtploeg werken drie mannen
in vaste dienst en drie mannen op oproepbasis. Tussen de dag- en
nachtploeg verschillen de eisen voor het dragen van dienstkleding. De
reden voor dit verschil is dat de wederpartij er belang aan hecht dat de
receptionisten overdag herkenbaar zijn. ’s Nachts is de drukte van
bezoekers duidelijk minder dan overdag en acht de wederpartij de
herkenbaarheid minder van belang.

3.2. Per 9 januari 1991 gelden de volgende kledingvoorschriften. De mannen
van de nachtploeg dienen een voorgeschreven overhemd te dragen, waarbij
zij uit twee soorten kunnen kiezen. Dit kan eventueel worden aangevuld met
een donkerblauwe sweater of trui. Voor de aanschaf van deze sweater of
trui ontvangen zij een vergoeding. Voor de man die in de dagploeg werkt,
geldt als voorschrift dat hij een grijze broek, een stropdas, een blauwe
blazer of donkerblauwe sweater of trui moet dragen. Verder is hij vrij in
de keuze van zijn kleding. De voorgeschreven kleding voor de mannen wordt
niet door de wederpartij verstrekt, maar wel vergoed.

Voor de vrouwen geldt als kledingvoorschrift, een voorgeschreven rok,
blouse en blazer. Deze kleding wordt door de wederpartij aangeschaft en
verstrekt. De vrouwen mogen aan deze kleding een donkerblauwe sweater of
trui (uit eigen collectie) toevoegen als de temperatuur van de werkplek
dit noodzakelijk maakt. Variatie in rok, blouse of blazer staat de
wederpartij niet toe.

Per brief d.d. 11 maart 1992 deelde de wederpartij aan de medewerkers van
de receptie de volgende aanvullingen op de kledingvoorschriften mee. Vanaf
maart 1992 kregen de vrouwen de mogelijkheid om op eigen kosten een
donkerblauwe broekrok te dragen. Vanaf januari 1993 zou de wederpartij de
broekrokken gaan bekostigen. Ook mogen de vrouwen een jasje of alleen een
blouse dragen. In de maanden met een ‘R’ mogen zij een donkerblauwe trui
(uit eigen collectie) dragen. Voorts zijn de volgende combinaties
toegestaan: – passend T-shirt onder de blouse; – passende coltrui onder
de blouse; – passende shawl onder de blouse. In deze brief staat over de
kledingvoorschriften van de mannen dat zij verplicht zijn een stropdas te
dragen, tenzij er sprake is van een zomertemperatuur van boven 25 graden
Celsius.

De wederpartij heeft aangegeven ongeveer begin 1993 een donkerblauwe broek
toe te voegen aan de dienstkleding die voor de vrouwen geldt. De broek
dient echter uit de eigen kledingcollectie van de vrouwen te komen. Tot
dat moment was het dragen van een eigen, bij de dienstkleding passende,
donkerblauwe broek niet geoorloofd. Bovendien geldt vanaf 1 januari 1993
dat alle mannen, dus ook de man in dagdienst, een voorgeschreven uniform
overhemd dienen te dragen dat door de wederpartij wordt verstrekt.

3.3. De keuze van de dienstkleding van de vrouwen is als volgt tot stand
gekomen. De wederpartij heeft een modeshow gehouden waarin de rokken en
blazers werden getoond. De vrouwen konden kiezen welke kleding zij wensten
te dragen. Hierbij werd als regel gehanteerd dat de meeste stemmen golden.
De blousen hebben zij op dezelfde manier uitgezocht. Zij hadden hierbij
de keuze uit een stuk of drie blouses.

De stomerijkosten voor de voorgeschreven kleding voor de mannen en vrouwen
worden door de wederpartij vergoed.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster is van mening dat de wederpartij, door de mannelijke
receptionisten meer keuzevrijheid te bieden in de samenstelling van hun
werkkleding dan aan de vrouwelijke receptionisten, in strijd handelt/heeft
gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
Verzoekster verwijt de wederpartij starheid wat betreft het bepalen van
de dienstkleding van de vrouwen ‘onder de taille’. Zij stelt dat hetgeen
‘onder de taille’ wordt gedragen niet belangrijk is, nu de werkzaamheden
van de receptionisten voornamelijk met de benen onder de balie worden
uitgevoerd. Hoewel de uitbreiding van de dienstkleding van de vrouwen met
een broekrok een stap in de goede richting is, meent verzoekster dat de
keuzevrijheid van de vrouwen in de samenstelling van hun dienstkleding nog
steeds in geen enkele verhouding staat tot de keuzevrijheid van haar
mannelijke collega’s.

3.5. De wederpartij brengt het volgende naar voren. Zij vindt het
tegenover haar klanten belangrijk een hotelmatige uitstraling te hebben.
Daarom hecht zij eraan dat haar werknemers herkenbaar zijn. Dit bereikt
zij door aan de vrouwen uniforme kleding voor te schrijven. Aangezien er
in de dagploeg maar een mannelijke receptionist werkt, speelt de
uniformiteit bij hem een minder grote rol. Hij dient echter ook herkenbaar
te zijn. Dit wordt gerealiseerd door hem een blazer en stropdas te laten
dragen. De wederpartij stelt dat als de dagploeg grotendeels uit mannen
had bestaan, de nadruk op uniformiteit bij de mannen had gelegen. De reden
waarom de nachtploeg aan minder strenge kledingvoorschriften is
onderworpen dan de dagploeg, is dat de wederpartij de uniformiteit en
representativiteit ’s nachts minder van belang acht.

Voorts wijst de wederpartij erop dat de dienstkleding door de diverse
groepen zelf is uitgekozen. De invulling van het kledingvoorschrift is
vooral praktisch gericht, waarbij ook het ziekenhuisbudget een rol speelt.
Volgens de wederpartij bestaat bij de overige werknemers geen gevoel van
discriminatie en spreekt verzoekster alleen voor zichzelf.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij op het punt van de
arbeidsvoorwaarden in strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW)
handelt/heeft gehandeld, door verschillende kledingvoorschriften te
hanteren voor de vrouwelijke en mannelijke receptionisten.

4.2. Lid 1 van artikel 7A:1637ij BW schrijft voor dat de werkgever in de
arbeidsvoorwaarden geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen.

In artikel 7A:1639 b BW is bepaald dat de werkgever bevoegd is om aan
werknemers voorschriften op te leggen omtrent het verrichten van arbeid
alsmede die, welke strekken ter bevordering van de goede orde in de
onderneming des werkgevers. Voorwaarde is dat deze voorschriften zijn
gegeven binnen de perken van de wet of verordening, van overeenkomst of
reglement.

4.3. Alvorens in te gaan op de onderhavige zaak, maakt de Commissie eerst
een aantal algemene opmerkingen over de verhouding tussen regelgeving ten
aanzien van kleding en de wetgeving gelijke behandeling.

Uit hoofde van artikel 7A:1639b BW is de werkgever bevoegd voorschriften
te geven met betrekking tot het dragen van uniforme kleding of
dienstkleding tijdens de uitoefening van de werkzaamheden. Deze
voorschriften dienen voor mannen en vrouwen in dezelfde werkomstandigheden
gelijkelijk te gelden. Een voorschrift dat alleen geldt voor mannen of
voor vrouwen, die overigens in dezelfde omstandigheden verkeren, is in
strijd met artikel 7A:1637ij BW. Een overgangsregeling die wordt getroffen
ter opheffing van een situatie die in strijd is met artikel 7A:1637ij BW,
komt ten gevolge daarvan zelf eveneens in strijd met deze wetsbepaling.

Een verschil in kledingvoorschriften tussen mannen en vrouwen is
toegestaan voor zover dit verschil functioneel is en voor vrouwen niet
leidt tot een belemmering in gelijke kansen.

Indien een kledingvoorschrift geldt, dient de daarvoor gevraagde bijdrage
of de daarvoor gegeven vergoeding voor mannen en vrouwen op gelijke wijze
de door hen te maken kosten te dekken.

Een vergoeding voor verplicht voorgeschreven kleding is direct gekoppeld
aan de inconvenientie van het gebrek aan de mogelijkheid om de eigen
kleding te dragen. Het verstrekken van zo’n vergoeding levert geen
ongelijke behandeling op ten opzichte van medewerkers in andere functies
die niet verplicht zijn uniforme kleding of dienstkleding te dragen.

4.4. Wat betreft de in het geding zijnde vraag overweegt de Commissie als
volgt. In het onderhavige geval geldt voor zowel de mannelijke als de
vrouwelijke receptionisten een kledingvoorschrift. De vraag is of deze
voorschriften per geslacht zodanig verschillen dat dit ertoe leidt dat zij
in strijd met de wet zijn.

In de nachtdienst werken alleen mannelijke receptionisten. De enige
kledingvoorschriften die voor hen gelden, zijn dat zij een voorgeschreven
overhemd moeten dragen en dat, indien zij een trui of een sweater dragen,
deze donkerblauw van kleur moet zijn. De aard van het werk van de
receptionisten in de nachtdienst, brengt met zich mee dat het minder van
belang dat is zij herkenbaar zijn dan de receptionisten in dagdienst.
Daarom heeft de wederpartij ervoor gekozen om voor de receptionisten in
dag- en nachtdienst andere kledingvoorschriften te hanteren. Er is
derhalve een functioneel verschil tussen de kledingvoorschriften die ‘s
nachts en overdag gelden voor de receptionisten. Dit in overweging
nemende, zal de Commissie de kledingvoorschriften die op verzoekster van
toepassing zijn slechts vergelijken met de kledingvoorschriften die gelden
voor de mannelijke receptionist die in de dagdienst werkt.

4.5. Het voornaamste verschil tussen de kledingvoorschriften is, dat de
man die in dagdienst werkt zelf mag kiezen wat voor een broek, blazer of
trui hij aantrekt (mits deze aan de voorgeschreven kleur voldoen), terwijl
de vrouwen een rok, blouse en blazer moeten dragen die door de wederpartij
worden verstrekt. Hier staat tegenover dat de vrouwen enige inbreng hebben
gehad in de keuze van hun dienstkleding, nu hen de mogelijkheid is geboden
om van te voren uit een aantal kledingstukken te kiezen. Ook hebben zij
enige keuzevrijheid in hetgeen zij ‘onder de taille’ wensen de dragen. De
wederpartij heeft hen (inmiddels) immers de mogelijkheid gegeven om in
plaats van rokken, broekrokken of broeken te dragen. Evenals de rokken
worden de broekrokken sinds januari 1993 door de wederpartij verstrekt en
betaald. De vrouwen krijgen, in tegenstelling tot de mannen, voor de
broeken geen vergoeding. De Commissie is van oordeel dat, nu de
wederpartij wel de rokken en broekrokken van de vrouwen vergoed, de
vergoeding voor mannen en vrouwen op gelijke wijze de door hen te maken
kosten dekt. Wat betreft de voorgeschreven blouses, merkt de Commissie op
dat sinds 1 januari 1993 ook de man in dagdienst een door de wederpartij
verstrekt overhemd dient te dragen.

4.6. Het bovenstaande in overweging nemende, komt de Commissie tot het
oordeel dat de verschillen in de kledingvoorschriften die gelden voor de
mannelijke en vrouwelijke receptionisten in dagdienst niet dusdanig zijn
dat zij ertoe leiden dat de voorschriften in strijd met de Wet zijn.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de kledingvoorschriften voor
de mannelijke en vrouwelijke receptionisten niet dusdanig verschillen dat
het Ziekenhuis Overvecht te Utrecht hiermee jegens mevrouw
S. te Utrecht onderscheid naar geslacht maakt/heeft gemaakt in strijd
met artikel 7A: 1637ij Burgerlijk Wetboek.

Rechters

dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter), mw prof mr J.E.Goldschmidt (lid Kamer), mw drs A.J. Huber (lid Kamer), mw mr I.M.C.V.T.Kiebert (lid Kamer), mw mr C.B. Mol-Bronkhorst (lid Kamer), mw drs C.M.Sjerps (secretaris).

Instantie: Rechtbank Rotterdam, 9 juli 1993

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


De vrouw is als kind jarenlang door haar buurman seksueel misbruikt. Zij
wil hiervoor schadevergoeding vorderen. In deze bodemprocedure heeft de
rechtbank in een tussenvonnis de vrouw bewijsopdracht gegeven. Deze bodemprocedure
is gestaakt omdat de vrouw is overleden.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure

Met toestemming van de president van deze rechtbank heeft V.W. gedaagvaard
op verkorte termijn en bij met die dagvaarding overeenstemmende conclusie
van eis, met producties, heeft zij gevorderd dat de rechtbank bij vonnis,
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, W. zal veroordelen om:
1) aan haar te betalen een bedrag ad NLG 250.000,00 althans een zodanig
bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
2) terzake materiële schade tot vergoeding daarvan over te gaan, zulks
nader op te maken bijstaat en te vereffenen als volgens de wet;
3) het sub 1) en 2) gevorderde te verhogen met de wettelijke rente over
vorenstaand bedrag vanaf 10 maart 1992 tot de dag der algehele voldoening;
4) tot betaling van de kosten van beslaglegging en tevens met veroordeling
van W. in de kosten van deze procedure.

W. heeft voor antwoord geconcludeerd tot niet ontvankelijke verklaring
van V. in haar vordering, althans tot ontzegging daarvan, met haar veroordeling
in de porceskosten.

Partijen hebben vervolgens haar standpunten doen bepleiten aan de hand
van pleitnota’s, V. door haar procureur en W. door zijn advocaat, waarna
zij de procestukken hebben gefourneerd voor vonnis. Bij deze stukken bevinden
zich het volledige procesdossier van het tussen partijen ten overstaan
van de fungerend-president van deze rechtbank op 27 maart 1992 gevoerde
kort geding, het vonnis d.d. 6 mei 1992 in dit kort geding, de processtukken
van het door V. ingestelde spoedappel bij het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage
en tenslotte de hiervoor bedoelde pleitnota’s

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende
gemotiveerd weersproken, alsook op grond van de in zoverre niet bestreden
inhoud van de producties, staat in dit geding het volgende vast:
a) vanaf 1972 – V. was toen 15 jaar oud – verbleef het gezin V. in de weekeinden
ein in de zomervakanties veelvuldig in het zomerhuis van het gezin te Ouddorp.
haar oudste zuster A. ging toen reeds enige jaren om met een zoon J. van
W.; de familie W. had een zomerhuis tegenover dat van de familie V.;
b) in de zomer van 1972 heft W., toen 50 jaar oud – twee maal gemeenschap
met V. gehad;
c) in 1980 heeft V. een HBO-opleiding afgerond;
d) in 1984 is V. enkele dagen opgenomen geweest in de psychiatrische inrichting
Schakenbosch te Leidschendam; sedertdien is zij tot en met februari 1988
in tehrapie geweest;
e) sedert september 1988 geniet V. inkomsten uit arbeid;
f) vanaf 1990 is V. onder psychiatrische behandeling welke nog steeds voortduurt.

3. Grondslag van de vordering

3.1. V. baseert haar vordering op de vastaande feiten en de volgende –
samengevatte – stellingen:
W. heeft haar vanaf 1972 veelvuldig gedwongen tot het met hem aangaan van
sexuele contacten en het dulden van door haar niet gewenste intimiteiten,
welke situatie heeft voortgeduurd tot zij, in 1978, haar huidige echtgnoot
leerde kennen.
W. heeft daarbij misbruik gemaakt van het overwicht dat hij, gelet op het
leeftijdsverschil (35 jaar), zijn maatschappelijke positie (dierenarts,
directeur vleeskeuringsdienst, functie in de kerk) en zijn positie binnen
de twee families (aanstaande schoonvader van V. zuster) op haar had, en
heeft deze sexuele contacten en sexuele intimidatie gecontinueerd, terwijl
het ook voor hem kenbaar was dat zij, als gevolg van zijn handelen, lichamelijk
en geestelijk ineenstortte. Door aldus te handelen heeft W. haar geestelijke
en lichamelijke integriteit geschonden en derhalve onrechtmatig jegens
haar gehandeld, als gevolg waarvan zij zowel lichamelijk als geestelijk
grote schade ondervond en ondervindt:
Zij lijdt sedert haar 15e jaar aan anorexia nervosa, medio 1984 is zij
door toedoen van W., die haar toen wederom op onoirbare wijze benaderde,
ingestort, zij was – mede als gevolg daarvan – tot medio 1987 verslaafd
aan alcohol en zij lijdt nog steed onder de gevolgen van het sexuele misbruik
dat hij jarenlang van haar maakte. Bovendien heeft zij materiele schade
geleden: ondanks haar opleiding kon zij, als gevolg van de haar door W.
handelen toegebrachte traumata, geen werk aanvaarden, waardoor ij gedurende
7 jaren inkomsten heeft gederfd.

3.2. Ter ondersteuning an haar stellingen heeft V. diverse schriftelijke
verklaringen overgelegd, alsook fotocopieëeen van medische literatuur over
de gevolgen van sexueel misbruik en fotocopieen van correspondentie van
de haar behandelende artsen, waaruit naar mening de juistheid van haar
stellingen met betrekking tot W. onrechtmatig handelen jegens haar, en
de schadelijke gevolgen daarvan, blijkt. Voor het geval de rechtbank die
mening niet delt stelt zij, dat gezien het reeds door haar vergaarde bewijsmateriaal,
de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de bewijslast in deze zaak
op W. drukt.

Subsidiair biedt zij bewijs van haar stellingen aan, waarbij zij de mogelijkheid
van benoeming van een deskundige oppert, die haar zou kunnen onderzoeken,
waarna hij zich zou moeten uitlaten over de mate van waarschijnlijkheid,
dat W. haar op de door V. geschetste wijze heeft misbruikt, en over de
ernst van de daardoor aangerichte schade.

4. Het verweer

4.1. W. heeft de stellingen van V. gemotiveerd weersproken en heeft daartoe
onder meer het volgende aangevoerd:

4.1. het sexueel contact dat hij in 1972 twee maal met V. heeft gehad,
vond plaats met haar instemming. Van enige pressie of misbruik van omstandigheden
zijnerzijds was geen sprake. Beide voorvallen zijn kort nadien aanhet licht
gekomen, waarna hij, het onjuiste van zijn handelen onderkennende, nimmer
meer toenadering tot V. heeft gezocht. In 1975 heeft V. haar ouders over
beide contacten ingelicht, waarna hij deze voorvallen ook in een gesprek
met hen heeft erkend en zijn spijt heeft betuigd. De vriendschappelijke
betrekkingen tussen beide gezinnen werden voortgezet, hetgeen onder andere
blijkt uit de omstandigheid, dat hij, na het overlijden van de vader van
V., werd benoemd tot toeziend voogd over de nog minderjarige kinderen V.
Ook naar de mening van haar ouders hebben bedoelde voorvallen V. dus niet
geschaad, terwijl het onwaarschijnlijk mag heten, dat deze benoeming zou
hebben plaatsgevonden als hij bedoelde contacten met haar zou hebben voortgezet.
Reeds vanaf 1970-1971, in elk geval voor bedoelde sexuele contacten, leed
V. aan anorexia nervosa en had zij een alcohol-probleem. Ieder causaal
verband tussen de twee maal dat hij sexueel contact met V. had en haar
ziekteverschijnseln ontbreekt. De oorzaak daarvan dient veeleer gezocht
te worden in een zekere predispositie; wellicht hebben negatieve sexuele
ervaringen, voor of na meerbedoelde twee contacten met hem, aan het ziektebeeld
bijgedragen; V. was een vroegrijpe persoon en was ten tijde van de twee
contacten met hem, reeds geruime tijd sexueel sctief.

4.2. Ook W. legt ter ondersteuning van zijn betoog een aantal schriftelijke
verklaringen over, alsmede enige medische literatuur. Voorts voert hij
aan, dat de onderhavige procedure door V. op touw is gezet voor het bezoedelen
van zijn naam en dat de reden daarvoor is, dat het mede door de vader van
V. opgezette bedrijf inmiddels is overgegaan naar haar zuster A. en haar
man, zijn zoon J., waarmee het bedrijf van de familie V. in handen van
de familie W. kwam. Uit ongenoegen over deze gang van zaken heeft de moeder
van V. al jaren geleden getracht de naam van W. in diskrediet te brengen.
Na het overlijden van haar moeder heeft V. thans deze actie voortgezet.
Dit verklaart volgens hem (niet alleen, waarom V. een onderzoek heeft doen
instellen naar de wijze van verdeling van de erfenis, maar ook) waarom
zij pas 20 jaar na 1972 een actie tegen hem instelt, gebaseerd op aan haar
fantasie ontsproten, zes jaren voortdurende, afgedwongen sexuele contacten.

4.3. Tenslotte betwist W. de gestelde schade.

5. De beoordeling

5.1. W, heeft het gestelde ziektebeeld op zichzelf niet weersproken. Nu
hij echter betwist dat hij V. vanaf medio 1972 tot en met 1978 veelvuldig
heeft gedwongen tot sexuele contacten en tot het dulden van sexuele intimiderende
handelingen, terwijl hij ontkent dat hij de beide keren dat zij in 1972
gemeenschap hadden daartoe had geprest, en voorts dat zij, als gevolg daarvan,
de door haar gestelde schade zou hebben geleden, zal V. haar stellingen
terzake dienen te bewijzen.

5.2. De schriftelijke verklaringen van derden, die zij ter ondersteuning
van haar stellingen in het geding heeft gebracht, vormen daartoe onvoldoende
bewijs. Het betreft hier niet onder ede afgelegde verklaringen, terwijl
de inhoud van de zijdens W. overgelegde (evenmin onder ede afgelegde) verklaringen
daar lijnrecht tegenover staan.

5.3. Ook de door V. overgelegde medische verklaringen en literatuur vormen,
anders dan V. meent, onvoldoende bewijs terzake. Zo vormt de verklaring
van de behandelend therapeute geen zelfstandig bewijs, reeds omdat zijn
zich zoals zij zelf ook aangeeft, niet met waarheidsvinding of toetsing
op betrouwbaarheid van de mededelingen van haar cliënten bezighoudt, maar
met hun beleving van gebeurtenissen, ongeacht dus of die gebeurtenissen
werklijk hebben plaatsgevonden of werklijk op de door de cliënten beleefde
wijze hebben plaatsgehad. Aan de verklaring van de, V. pas sedert 1980
behandelende huisarts hecht de rechtbank om dezelfde redenen in dit verband
niet veel waarde.
De literatuur geeft een beeld van een situatie als door V. geschetst, maar
vormt daarmede nog geen bewijs van haar stelling, dat zodanige situatie
zich heeft voorgedaan. Een en ander zal dan ook slechts tot aanvullende
bewijs kunnen dienen.

5.4. Anders dan V. meent brengen de redelijkheid en billijkheid geenszins
mee, dat de bewijslast wordt omgekeerd; de erkentenis van W. met betrekking
tot de hiervoor in r.o. 2 onder b genoemde feiten dient tot zodanige omkering
niet te leiden, reeds omdat hij de door V. gestelde dwang daarbij heeft
ontkend, terwijl over de bewijskracht van de door haar tot nu toe in het
geding gebrachte stukken hiervoor al het nodige werd overwogen. Andere
omstandigheden die tot omkering van de bewijslast zouden moeten nopen,
heeft V. niet gesteld, terwijl daarvan ook niet is gebleken.

5.5. De rechtbank zal V. dan ook, overenkomstig haar aanbod, toelaten tot
het bewijs van haar stellingen, onder andere door getuigen. De rechtbank
gaat er daarbij vanuit, dat V. zich realiseert, dat de door haar voor te
brengen getuigen onder ede zullen dienen te verklaren over gebeurtenissen
die zich vijftien tot eenentwintig jaar geleden – al dan niet – hebben
voorgedaan.

5.6. Voor de benoeming van een deskundige ziet de rechtbank in dit stadium
van de procedure geen aanleiding. Indien echter het door V. gestelde langdurige
sexuele misbruik door W. vast zal komen te staan, zal deskundigenbericht
betreffende het causale verband tussen dat misbruik en de schade, alsook
betreffende de omvang van de schade wellicht op zijn plaats zijn.

5.7. Op de overige stellingen van partijen zal de rechtbank, zo nodig,
na de bewijslevering omtrent het gestelde sexuele misbruik in gaan.

6. De beslissing

De rechtbank, alvorens nader te beslissen:
– laat V. toe te bewijzen, dat W. haar in de periode van medio 1972 tot
en met 1978 te Ouddorp en omgeving veelvuldig op de in r.o. 3.1. weergegeven
wijze heeft gedwongen tot sexuele gemeenschap met hem;
– bepaalt, dat zo V. daartoe getuigen wil doen horen, deze zullen worden
gehoord in het gebouw van de rechtbank aan de Noordsingel 113-117 ten overstaan
van mr Van Oosten-van Smaalen, rechter-commissaris, op een door deze in
overleg met de procureurs van partijen te bepalen datum en tijdstip.

Rechters

Mr Van Oosten-van Smaalen

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 9 juli 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster vergelijkt haar functie van typiste met die van
controleur en administrateur. Uit eigen beweging vergelijkt de Commissie
haar functie eveneens met die van vorkheftruckrijder. Zowel deze laatste
functie als de controleursfunctie worden van gelijke waarde bevonden als
de typistefunctie. Hoewel de controleur werkzaam is bij een andere
dochteronderneming, meent de Commissie dat als gevolg van de invloed die
het moederbedrijf heeft, sprake is van een organisatie. Hoewel het
loonverschil met de controleur stoelt op specifiek sociaal beleid, kan dit
het verschil niet geheel verklaren. Het loon van verzoekster en de
maatmannen is niet op gelijkwaardige maatstaven berekend. Met name zijn
bepaalde maatstaven anders toegepast op verzoekster, omdat zij niet onder
de cao valt in tegenstelling tot de maatmannen.

Volledige tekst


Alles overziend, is het toe te juichen dat de Commissie gebruik heeft
gemaakt van de ruimte die de WGB biedt om op actieve wijze maatmannen te
selecteren. Zeker als en passant de problematiek van het verschil in
waardering van mannen- en vrouwenfunctie wordt meegenomen. Problematisch
is echter dat de procedure bijna tweeenhalf jaar geduurd heeft. Ook blijft
staan dat het vergelijken van twee of drie individuele functies die zo uit
het bedrijf worden geplukt, in zekere mate arbitrair is. Met name doet
zich dat voelen, wanneer vastgesteld moet worden welke rechtsgevolgen
verbonden zouden moeten worden aan het oordeel van de Commissie. Hierover
bestaat veel onduidelijkheid. De verzoekster heeft recht op vergelijkbare
toeslagen en vergoedingen die op grond van de cao worden toegekend. Maar
kan zij nu het basissalaris van ƒ 3986,- eisen dat de controleur tot 1990
verdiende of slechts ƒ 3413,- dat de vorkheftruckrijder tot 1990
verdiende? (Gegevens: tabel opgenomen in het oordeel, hier niet
afgedrukt.) Bij de eerste optie kan zij alleen dit hogere salaris eisen
over 1989, omdat de loonvordering over de periode voor 1989 verjaard is
en omdat de controleur in de periode na 1989 niet meer in dezelfde
onderneming werkzaam is, zoals de WGB voorschrijft (de dochteronderneming
is overgenomen in 1990)? Kortom, het blijft wachten op meer rechterlijke
uitspraken over gelijk loon.

Albertine Veldman

Rechters

mrs. Telenga, Huber, De Rooij, Van Vleuten, Lenssen, drs Stolwijk