Instantie: Commissie gelijke behandeling, 7 juli 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Voor de mannelijke receptionisten bij de wederpartij geldt een
kledingvoorschrift. Zij ontvangen door de wederpartij gefinancierde
dienstkleding. Voor de vrouwelijke receptionisten geldt geen
kledingvoorschrift. Zij moeten hun eigen werkkleding bekostigen. De
wederpartij is voornemens het kledingvoorschrift af te schaffen. In dit
kader wil zij aan de mannelijke receptionisten een eenmalige uitkering van
ƒ 1000,- geven. Kledingvoorschriften dienen voor mannen en vrowuen in
dezelfde werkomstandigheden gelijkelijk te gelden. Strijd met de WGB. Wat
betreft de eenmalige uitkering: deze is aan te merken als een
overgangsregeling ter opheffing van een met de Wet strijdige situatie. Nu
slechts de mannelijke receptionisten in aanmerking komen voor de
uitkering, is deze in strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 26 maart 1992 verzocht de ondernemingsraad Stichting ‘de
Katholieke Ziekeninrichtingen voor de Liemers’ te Zevenaar (hierna: de
ondernemingsraad) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de Stichting
‘de Katholieke Ziekeninrichtingen voor de Liemers’ te Zevenaar (hierna:
de wederpartij) onderscheid op grond van geslacht maakt/heeft gemaakt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. De wederpartij hanteert tijdens werktijden een kledingvoorschrift
voor de mannelijke receptionisten die bij de hoofdreceptie werken. Zij
ontvangen door de wederpartij gefinancierde dienstkleding. Voor de
vrouwelijke receptionisten geldt geen kledingvoorschrift. Zij moeten hun
eigen werkkleding bekostigen. De ondernemingsraad is van mening dat de
wederpartij hiermee in strijd handelt met de wetgeving gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun
standpunten schriftelijk toe te lichten.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 27 mei 1993. Partijen hebben
van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.

De beraadslagingen hebben plaatsgevonden op 27 mei 1993. Daarbij waren
aanwezig: – dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter) – mw prof
mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer) – mw drs A.J. Huber (lid Kamer) – mw mr
I.M.C.V.T. Kiebert (lid Kamer) – mw mr C.B. Mol-Bronkhorst (lid Kamer) –
mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij beheert een verpleeghuis en een ziekenhuis die in een
gebouw zijn ondergebracht. De mannelijke receptionisten van de
hoofdreceptie zijn verplicht dienstkleding te dragen. De reden hiervoor
is dat de functie van receptionist bij de mannen oorspronkelijk
gecombineerd was met de functie van portier. De portierswerkzaamheden
hielden in dat ’s avonds en ’s nachts controle- en afsluitrondes gemaakt
moesten worden. Om de herkenbaarheid in de veiligheidsrondes te vergroten,
heeft de wederpartij in 1981 besloten aan de mannelijke receptionisten
dienstkleding voor te schrijven. Dit besluit werd genomen met inachtneming
van de op dat tijdstip van kracht zijnde CAO. Hierin was de
‘Uitvoeringsregeling voorgeschreven kleding’ opgenomen. Naast de
‘Uitvoeringsregeling voorgeschreven kleding’ zijn er bij de wederpartij
geen andere formele regelingen voor dienstkleding van toepassing.

Bij de directie van de wederpartij bestond niet de behoefte om de
receptionisten die geen portierswerkzaamheden verrichtten (vrouwen)
uniforme kleding te laten dragen. Dit paste niet in haar visie van
huiselijkheid binnen het ziekenhuis/verpleeghuis. In 1986 zijn de
portierswerkzaamheden afgeschaft en werden de functies van de vrouwelijke
en mannelijke receptionisten identiek. Het kledingvoorschrift voor de
mannen is echter gehandhaafd.

3.2. De mannelijke receptionisten ontvangen bij indiensttreding twee sets
dienstkleding. Deze sets bestaan uit twee pantalons, een colbert, vier
overhemden en twee stropdassen. Al naar gelang de kleding slijt worden
delen van de sets door de wederpartij vervangen.

Per brief d.d. 9 april 1991 aan de leden van de ondernemingsraad heeft de
wederpartij aangegeven voornemens te zijn het kledingvoorschrift voor de
mannelijke receptionisten op te heffen. De reden hiervoor was dat de grond
om uniforme kleding verplichtend voor te schrijven was weggevallen. Om de
mannelijke receptionisten te laten wennen aan de gewijzigde
arbeidsvoorwaarden heeft de wederpartij mondeling aan hen voorgesteld een
afbouwregeling te treffen. Deze regeling bestaat uit een eenmalige
uitkering van ƒ 1000,-. De directie van de wederpartij is tot dit bedrag
gekomen, omdat zij dit een redelijke vergoeding achtte voor het intrekken
van het CAO-voorschrift over het dragen van dienstkleding. De
afbouwregeling is niet schriftelijk vastgelegd. De wederpartij heeft per
brief d.d. 15 maart 1993 aan de Commissie te kennen gegeven het toepassen
van deze regeling op te schorten totdat de Commissie haar oordeel in deze
zaak heeft uitgesproken.

De standpunten van partijen

3.3. De ondernemingsraad stelt dat de wederpartij onderscheid naar
geslacht maakt/heeft gemaakt door aan de mannelijke receptionisten
gefinancierde dienstkleding te verstrekken, terwijl de vrouwelijke
receptionisten hun eigen werkkleding moeten aanschaffen en bekostigen. De
ondernemingsraad is van mening dat de arbeidsvoorwaarden voor de
vrouwelijke receptionisten hierdoor slechter zijn dan die voor de
mannelijke receptionisten. Volgens de ondernemingsraad zou de wederpartij
dezelfde mening zijn toegedaan. Dit leidt hij af uit het feit dat de
wederpartij aan de mannelijke receptionisten een overgangsregeling heeft
aangeboden. De ondernemingsraad meent dat de vrouwelijke receptionisten
vanaf het moment dat hun functies identiek werden aan die van de
mannelijke receptionisten (in 1986), recht hebben op dezelfde faciliteiten
als de mannen.

3.4. De wederpartij stelt nimmer de bedoeling te hebben gehad ongelijke
behandeling van mannen en vrouwen na te streven. Zij stelt dan ook geen
onderscheid te maken/hebben gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen. Om de door de ondernemingsraad
vermeende ongelijkheid op te heffen, heeft de wederpartij besloten de
verplichte uniforme kleding voor de mannelijke receptionisten af te
schaffen. Zij erkent dat het mogelijk was geweest om dit op een eerder
tijdstip te doen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij op het punt van de
arbeidsvoorwaarden in strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW)
handelt/heeft gehandeld, door aan de mannelijke receptionisten wel
gefinancierde dienstkleding te verstrekken, terwijl de vrouwelijke
receptionisten hun eigen dienstkleding moeten bekostigen.

Voorts is de vraag in geding of de wederpartij in overeenstemming met de
wetgeving gelijke behandeling zal handelen, indien zij in het kader van
het voornemen om het kledingvoorschrift af te schaffen, een
afbouwuitkering aan de mannelijke receptionisten toekent.

4.2. Lid 1 van artikel 7A:1637ij BW schrijft voor dat de werkgever in de
arbeidsvoorwaarden geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen.

In artikel 7A:1639 b BW is bepaald dat de werkgever bevoegd is om aan
werknemers voorschriften op te leggen omtrent het verrichten van arbeid
alsmede die, welke strekken ter bevordering van de goede orde in de
onderneming des werkgevers. Voorwaarde is dat deze voorschriften zijn
gegeven binnen de perken van de wet of verordening, van overeenkomst of
reglement.

4.3. Alvorens in te gaan op de onderhavige zaak, maakt de Commissie eerst
een aantal algemene opmerkingen over de verhouding tussen regelgeving ten
aanzien van kleding en de wetgeving gelijke behandeling.

Uit hoofde van artikel 7A:1639b BW is de werkgever bevoegd voorschriften
te geven met betrekking tot het dragen van uniforme kleding of
dienstkleding tijdens de uitoefening van de werkzaamheden. Deze
voorschriften dienen voor mannen en vrouwen in dezelfde werkomstandigheden
gelijkelijk te gelden. Een voorschrift dat alleen geldt voor mannen of
alleen geldt voor vrouwen, die overigens in dezelfde omstandigheden
verkeren, is in strijd met artikel 7A:1637ij BW. Een overgangsregeling die
wordt getroffen ter opheffing van een situatie die in strijd is met
artikel 7A:1637ij BW, komt ten gevolge daarvan zelf eveneens in strijd met
deze wetsbepaling.

Een verschil in kledingvoorschriften tussen mannen en vrouwen is
toegestaan voor zover dit verschil functioneel is en voor vrouwen niet
leidt tot een belemmering in gelijke kansen.

Indien een kledingvoorschrift geldt, dient de daarvoor gevraagde bijdrage
of de daarvoor gegeven vergoeding voor mannen en vrouwen op gelijke wijze
de door hen te maken kosten te dekken.

Een vergoeding voor verplicht voorgeschreven kleding is direct gekoppeld
aan de inconvenientie van het gebrek aan de mogelijkheid om de eigen
kleding te dragen. Het verstrekken van zo’n vergoeding levert geen
ongelijke behandeling op ten opzichte van medewerkers in andere functies
die niet verplicht zijn uniforme kleding of dienstkleding te dragen.

4.4. Het voorliggende geval behelst twee onderdelen, namelijk het
verstrekken van gefinancierde dienstkleding en de afbouwregeling.

Wat betreft de dienstkleding overweegt de Commissie als volgt. Onbetwist
is dat de functies van de mannelijke en vrouwelijke receptionisten,
doordat de portierswerkzaamheden van de mannelijke receptionisten zijn
vervallen, sedert 1986 identiek zijn geworden. Het kledingvoorschrift dat
in 1981 vanwege de portierswerkzaamheden van de mannelijke receptionisten
in het leven was geroepen, is echter van toepassing gebleven. Op de
vrouwelijke receptionisten is geen kledingvoorschrift van toepassing. Nu
uit de wet voortvloeit dat voor mannen en vrouwen in gelijke functies
gelijke kledingvoorschriften dienen te gelden, oordeelt de Commissie dat
de wederpartij sedert 1989 in strijd met artikel 7A:1637ij BW heeft
gehandeld, door een kledingvoorschrift op te leggen dat alleen voor de
mannelijke receptionisten gold.

4.5. Wat betreft de afbouwregeling oordeelt de Commissie als volgt. De
afbouwregeling, bestaande uit een eenmalige uitkering van ƒ 1000,-, is
gebaseerd op het voornemen van de wederpartij het kledingvoorschrift voor
de mannelijke receptionisten af te schaffen. Aangezien het
kledingvoorschrift niet op de vrouwen van toepassing is, komen zij ook
niet in aanmerking voor de afbouwuitkering.

De afbouwregeling die de wederpartij heeft voorgesteld is aan te merken
als een overgangsregeling. Deze overgangsregeling dient ter opheffing van
een situatie die in strijd is met artikel 7A:1637ij BW, namelijk de
ongelijke behandeling van de mannelijke en vrouwelijke receptionisten bij
de toepassing van het kledingvoorschrift. De Commissie oordeelt dat de
overgangsregeling onderscheid maakt tussen mannen (die een uitkering van
fl.1000,- ontvangen) en vrouwen (die deze uitkering niet ontvangen), en
derhalve zelf eveneens in strijd is met artikel 7A:1637ij BW. Overigens
wijst de Commissie erop dat ook het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen heeft uitgemaakt dat overgangsrecht aan het beginsel van
gelijke behandeling moet voldoen (Cotter en McDermott tegen Minister for
Social Welfare and Attorney General (II), d.d. 13 maart 1991, Zaak C-
377/89.).

Uit het bovenstaande volgt dat, indien de wederpartij besluit om de
afbouwregeling toe te passen, zij in strijd met artikel 7A:1637ij BW zal
handelen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

Wat betreft het kledingvoorschrift spreekt de Commissie als haar oordeel
uit dat de Stichting ‘de Katholieke Ziekeninrichtingen voor de Liemers’
te Zevenaar door dit voorschrift slechts aan de mannelijke receptionisten
op te leggen, jegens de ondernemingsraad Stichting ‘de Katholieke
Ziekeninrichtingen voor de Liemers’ te Zevenaar in strijd handelt/heeft
gehandeld met artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek.

Wat betreft de voorgenomen afbouwregeling spreekt de Commissie als haar
oordeel uit dat, indien de Stichting ‘de Katholieke Ziekeninrichtingen
voor de Liemers’ deze regeling slechts op de mannelijke receptionisten van
toepassing verklaart, zij jegens de ondernemingsraad Stichting ‘de
Katholieke Ziekeninrichtingen voor de Liemers’ in strijd met artikel
7A:1637ij Burgerlijk Wetboek zal handelen.

Rechters

Dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter), mw prof mr J.E.Goldschmidt (lid Kamer), mw drs A.J. Huber (lid Kamer), mw mr I.M.C.V.T.Kiebert (lid Kamer), mw mr C.B. Mol-Bronkhorst (lid Kamer), mw drs C.M.Sjerps (secretaris).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 juli 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is werkzaam als groepsleidster (28 uur) en solliciteert
op een nieuwe zelfstandige, functie (9 uur) die de wederpartij intern
openstelt. Zij wil haar oude functie daarvoor opgeven. Nieuwe functie kan
alleen in combinatie met een andere worden vervuld, omdat onder meer
kennis van de organisatie en snelle inzetbaarheid (bijvoorbeeld tijdens
uren in die andere functie) functieeisen zijn. Vermoeden van indirect
onderscheid nu deze eis met name vrouwen treft, omdat zij door zorgtaken
veelal niet in staat zullen zijn tegelijkertijd twee deeltijdfuncties te
bekleden. Commissie acht objectieve rechtvaardiging niet aangetoond.
Aangevoerde argumenten op zichzelf weliswaar deugdelijk en geschikt, doch
niet noodzakelijk.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 12 april 1993 verzocht mevrouw S. te Maastricht (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de Stichting Trias
te Maastricht (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft
gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling (WGB; Stb. 1989,
168).

1.2 Verzoekster, die reeds een functie bij de wederpartij vervult, heeft
gesolliciteerd op de functie van medewerk(st)er doorstroomvoorziening bij
de wederpartij voor 9 uur per week. De wederpartij stelde als voorwaarde
dat verzoekster naast het vervullen van deze nieuwe functie haar eigen
functie zou blijven uitoefenen of althans minimaal 25 uur daarvan.
Verzoekster is van mening dat deze voorwaarde indirect onderscheid op
grond van geslacht betekent.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Verzoekster heeft de Commissie verzocht om een
spoedprocedure toe te passen aangezien zij bij de kantonrechter ontbinding
van de arbeidsovereenkomst heeft gevraagd. Dit verzoek is gehonoreerd.
Partijen zijn in de gelegenheid geweest schriftelijk te reageren. Zij zijn
vervolgens opgeroepen te verschijnen op een zitting op 18 juni 1993.

2.2. Op de zitting van 18 juni 1993 waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw S. (verzoekster) – dhr S. (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij – dhr Van Veen (directeur) – dhr C.
Hoekstra (adjunct-directeur) – mw mr K.F.J. Machielsen (juridisch
adviseur)

van de kant van de Commissie – mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter) –
mw mr H. Onnen (lid Kamer) – dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer) – mw
mr G.L.M. Lenssen (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I. In deze Kamer hebben zitting
de leden genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is vanaf 1 april 1979 als groepsleidster in dienst van
de wederpartij. Aanvankelijk werkte zij full-time, vanaf 3 november 1982
32 uur en vanaf 1 januari 1986 28 uur per week.

3.2. De wederpartij exploiteert een opvanghuis voor alleenstaande
vrouwen/moeders die niet zelfstandig kunnen wonen. Zij kent voor een deel
van het personeel een vol- continu-dienst, met onregelmatige tijden en
driemaal per etmaal een overdracht van werkzaamheden. Daarnaast vindt
eenmaal per week een teamvergadering plaats.

3.3. De wederpartij heeft samen met een aantal andere
hulpverleningsinstellingen besloten een aantal doorstroomhuizen te
beheren, om diegenen die al een zelfstandiger woon- en leefsituatie
aankunnen, de gelegenheid te bieden door te stromen. In dat kader heeft
de gemeente een tijdelijke subsidie toegekend gedurende 1 jaar om een
extra medewerk(st)er aan te stellen. Het gaat dus om een nieuwe en
vooralsnog tijdelijke functie. De taken van deze medewerk(st)er zijn: –
het beheren van de betreffende doorstroomhuizen, – het verrichten van
administratieve en financiele werkzaamheden, – het maken van huur- en
begeleidingsovereenkomsten, – het onderhouden van externe contacten met
onder meer sociale zaken, woningbureaus, de verwijzende instanties, – het
voeren van selectiegesprekken, – het ondersteunen van de bewoonsters bij
hun woongedrag, – het rapporteren en informeren van de adjunct-directeur
van de wederpartij – overige bijkomende werkzaamheden. Voor de functie is
9 uur per week beschikbaar.

3.4. De wederpartij heeft bepaald dat de onderhavige functie alleen
vervuld mag worden samen met een andere functie bij de wederpartij. De
wederpartij heeft daartoe de volgende overwegingen genoemd: – Het Sociaal
Plan schrijft voor dat voor deze nieuwe functie alleen medewerk(st)ers van
JHV en FIOM/BK kunnen solliciteren. – Het geringe aantal uren van de
functie. – Voor een goede vervulling van de functie is het noodzakelijk
dat de medewerk(st)er doorstroomvoorzieningen de organisatie, werkwijze
en bewoonsters van haar bestaande opvanghuizen goed kent. Dat is met name
van belang voor de selectie van degenen die voor plaatsing in de
doorstroomvoorziening in aanmerking komen, het overleg met de
groepsleid(st)ers, het beheer en het overleg met/informatie aan de
adjunct-directeur. – Het is de vraag of het aantal uren dat nu ter
beschikking staat, namelijk 9 uur, voldoende is voor een goede
taakvervulling. Het budget laat niet toe dat eventuele meer- uren worden
uitbetaald. Aangezien de wederpartij er veel aan gelegen is om het
experiment te doen slagen, is zij bereid om in deze experimentele fase
dergelijke meer-uren te compenseren. Dit is echter alleen mogelijk als de
functie wordt vervuld door iemand die al bij de wederpartij in dienst is,
en dus uren die aan de nieuwe functie extra worden besteed in mindering
kan brengen op de uren van de eigen functie. – De bereikbaarheid en
aanwezigheid dienen op verschillende en onregelmatige momenten in de week
te worden gerealiseerd. Dat is gemakkelijker te organiseren in een
situatie waarin de medewerk(st)er reeds werkt in een opvanghuis en dus
gemakkelijker oproepbaar is. Dat geldt te meer nu het budget niet toelaat
dat een onregelmatigheidstoeslag wordt gegeven. Overigens is de
onregelmatigheid van de functie niet zodanig dat medewerk(st)ers die in
andere gemeenten woonachtig zijn dan Maastricht in verband met de grotere
fysieke afstand de functie niet zouden kunnen vervullen.

De wederpartij benadrukt, dat zij de eis om naast de onderhavige functie
ook een andere functie bij haar te blijven vervullen ook heeft gesteld in
verband met goed personeelsbeleid. Er bereiken haar regelmatig vragen van
medewerk(st)ers om uitbreiding van uren, en dit was een van de schaarse
mogelijkheden om dit te realiseren.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster acht de eis, dat zij ook haar bestaande functie moet
blijven vervullen, en dan nog wel minimaal 25 uur, indirect discriminerend
jegens vrouwen. Het zijn immers juist vrouwen die in verband met de
feitelijke zorg en verantwoordelijkheid voor huishouding en kinderen baat
hebben bij kleinere deeltijdbanen. Voor het overige voldoet zij geheel aan
de eisen. Zij kent de organisatie van de wederpartij al sinds 1979.
Bereikbaarheid en aanwezigheid op verschillende en onregelmatige momenten
is voor haar geen probleem: zij woont dichtbij en is gemakkelijk
telefonisch bereikbaar. Als de wederpartij het al mogelijk acht dat
personen uit andere gemeenten deze functie zouden kunnen vervullen, dan
acht zij de bereikbaarheid in haar eigen geval geen deugdelijk argument.
Ook de tijdelijkheid van de functie acht zij geen bezwaar. Het beleid van
zowel de instellingen als de gemeente is gericht op het vergroten van
doorstroomvoorzieningen. De kans is daarom groot dat na het experimentele
eerste jaar de functie een meer structurele financiele basis krijgt. Zij
is dan ook bereid het risico te lopen na een jaar geen werk meer te
hebben.

Het beperkte aantal uren, 9 per week, acht zij evenmin een bezwaar, maar
juist een voordeel. Overigens heeft zij wel de bereidheid uitgesproken om
naast deze 9 uur per week nog een beperkt aantal uren als groepsleidster
bij de wederpartij te blijven werken. Zij had begrepen van de wederpartij
dat zij dan echter de volle 28 uren die zij tot nu toe als groepsleidster
werkte, zou moeten handhaven. Een totaal van 28 + 9 = 37 uur per week was
echter onmogelijk. De wederpartij noemt nu dat voor groepsleid(st)er een
minimum van 25 uren per week geldt en dat zij deze functie tot die omvang
had mogen terugbrengen. Die mogelijkheid was tijdens de sollicitatie en
de gesprekken daarna niet aan haar meegedeeld. Een dergelijk minimum van
25 uur als groepsleidster acht zij overigens ook indirect discriminerend
voor vrouwen. De redenen die de wederpartij hiervoor noemt acht zij niet
of onvoldoende juist.

3.6. De wederpartij benadrukt dat zij een goed personeelsbeleid heeft
willen voeren. Zij heeft verzoekster wel degelijk aangeboden om de
aanstelling van 28 uur als groepsleidster te verminderen tot 25 uur. Zij
acht voor deze functie 25 uur minimaal. Deze eis is niet indirect
discriminerend jegens vrouwen, omdat niet alleen vrouwen maar ook mannen
worden getroffen. De situatie van verzoekster en haar echtgenoot is
daarvan een goed voorbeeld: zij willen de zorg voor kinderen en
huishouding delen, en verzoekster’s echtgenoot zou op dezelfde wijze als
verzoekster door zo’n eis getroffen worden.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster in strijd
handelt met de wetgeving gelijke behandeling door voor een openstaande
functie de eis te stellen dat verzoekster haar bestaande functie bij de
wederpartij moet blijven vervullen, volledig respectievelijk voor een
minimum aantal uren.

Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van direct of indirect onderscheid
op grond van sekse bij de werving en selectie ter vervulling van
openstaande betrekkingen.

4.2. De eerste vraag die beantwoord moet worden is, of de openstaande
functie van medewerk(st)er doorstroomvoorziening een zelfstandige, op
zichzelf staande functie is bij de wederpartij, of feitelijk deel uitmaakt
van een andere functie of functiesoort. De Commissie maakt uit hetgeen de
wederpartij hieromtrent heeft gesteld op, dat de wederpartij zelf het
inderdaad als een zelfstandige, op zichzelf staande functie opvat. Zij
heeft immers apart voor deze functie geworven, en wilde met de
functionaris een zelfstandige arbeidsovereenkomst afsluiten met een
looptijd conform de looptijd van de financiering. De functie kent ook een
eigen functiebeschrijving. De Commissie overweegt tevens, dat de
wederpartij ook de mogelijkheid had, om de diverse taken in de nieuwe
functie gezamenlijk of in onderdelen toe te delen aan die medewerk(st)ers
die qua opleiding en ervaring voor de vervulling daarvan in aanmerking
kwamen. Zij heeft van deze mogelijkheid echter geen gebruik gemaakt.

Op grond van het bovenstaande beantwoordt de Commissie de vraag
bevestigend.

4.3. De volgende vraag is, of de eis van de wederpartij, dat deze functie
alleen vervuld kan worden door een van haar medewerk(st)ers die haar of
zijn bestaande functie blijft vervullen, indirect onderscheid oplevert in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

Onder indirect onderscheid naar geslacht wordt verstaan onderscheid op
grond van andere hoedanigheden dan het geslacht dat onderscheid op grond
van geslacht tot gevolg heeft, terwijl dit onderscheid niet objectief
gerechtvaardigd is. Onder een objectieve rechtvaardigingsgrond wordt
verstaan: – dat het onderscheid wordt gemaakt om een objectief
gerechtvaardigd doel te dienen; – dat daartoe middelen zijn gekozen die
geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken, terwijl – dit doel
niet is te bereiken op een andere wijze waarbij geen indirect onderscheid
wordt gemaakt.

De Commissie overweegt hierover als volgt.

4.4. De Commissie acht het een feit van algemene bekendheid, dat vooral
vrouwen worden getroffen door een eis, dat een op zichzelf staande functie
uitsluitend in combinatie met een tweede functie in dezelfde
arbeidsorganisatie moet worden vervuld. Uit onderzoek blijkt immers, dat
nog steeds vooral vrouwen de feitelijke verantwoordelijkheid voor
huishouding en kinderen dragen. Zij kunnen dan ook minder vaak dan mannen
voldoen aan de eis twee zelfstandige deeltijdfuncties tegelijkertijd te
vervullen.

Daarmee staat vast, dat de eis dat de deeltijdfunctie alleen tezamen met
een tweede deeltijdfunctie kan worden vervuld, in overwegende mate vrouwen
treft en dan ook een vermoeden van (indirect) onderscheid oplevert.

De Commissie hecht er overigens aan, er op te wijzen dat het hier niet
gaat om de vraag of een bepaalde functie al dan niet in deeltijd mag of
moet worden opengesteld. De onderhavige functie betreft immers reeds een
deeltijdfunctie. Het gaat dan ook alleen om de vraag, of deze al dan niet
tegelijkertijd samen met een tweede (deeltijd)functie moet worden
uitgeoefend.

4.5. Nu een vermoeden van (indirect) onderscheid is vastgesteld, moet de
Commissie nagaan of de wederpartij een toereikende objectieve
rechtvaardigingsgrond heeft aangedragen. Zij overweegt hieromtrent als
volgt.

De wederpartij heeft zich bij de doelstelling beroepen op het belang van
een goed, efficient personeelsbeleid. Dit brengt mee dat diegenen die
bijvoorbeeld uitbreiding van uren wensen daartoe zomogelijk ook in de
gelegenheid worden gesteld. De Commissie erkent het belang van goed
personeelsbeleid ten volle. Zij wijst er overigens op, dat de wederpartij
in de onderhavige situatie juist om die reden een andere constructie had
kunnen kiezen, namelijk tijdelijke extra toedeling van (onderdelen van)
de betreffende taken aan die medewerk(st)ers die daarvoor qua opleiding,
ervaring en aantal uren in aanmerking kwamen. De wederpartij heeft er
echter uitdrukkelijk voor gekozen, een eigen, opzichzelfstaande functie
te creeren met een eigen arbeidsovereenkomst en een eigen, aan de
financiering gekoppelde looptijd. Kennelijk meende zij juist op deze wijze
het belang van goed personeelsbeleid het beste te dienen.

De wederpartij beroept zich voorts op het Sociaal Plan. Ofschoon de tekst
van dit Plan niet aan de Commissie is overgelegd, is ter zitting gebleken
dat hierin is vastgelegd dat alleen medewerk(st)ers van JHV en FIOM/BK
konden solliciteren. Deze bepaling heeft alleen betrekking op de kring van
personen die op de functie kunnen solliciteren, en kan dus niet worden
ingeroepen ter rechtvaardiging van de eis die nu ter beoordeling voorligt.
Verzoekster voldeed overigens aan de in het Sociaal Plan gestelde eis.

De wederpartij beroept zich ook op het geringe aantal uren van de functie,
namelijk 9 uur per week. De Commissie ziet dit argument in samenhang met
de andere gronden die de wederpartij heeft aangevoerd, namelijk dat een
goede kennis van haar organisatie en werkwijze noodzakelijk is, dat alleen
dan compensatie voor eventuele meer-uren kan worden gegeven, en dat
bereikbaarheid en aanwezigheid op verschillende en onregelmatige momenten
gewaarborgd moet worden. De Commissie onderkent dat deze argumenten op
zich deugdelijk en geschikt zijn om een goed en efficient personeelsbeleid
te voeren en het experiment te doen slagen. Zij geven ook blijk van de
bijzondere inzet van de wederpartij voor het experiment. Zij is echter
niet overtuigd van de noodzakelijkheid ervan. Er zijn allerlei situaties
denkbaar, zoals die van verzoekster, waarin aan de functionele eisen wordt
voldaan. De beoogde faciliteringen, zoals compensatie van eventuele
meer-uren, mogen de slaagkans van het experiment dan wel kunnen
bevorderen, maar het ontbreken daarvan kan evenzeer in de evaluatie van
het experiment worden verwerkt en bij voortzetting daarvan tot een groter
aantal extern te financieren arbeidsuren leiden. Indien op voorhand al
zeker is dat de beschikbare 9 uur per week absoluut onvoldoende zijn om
de functie minimaal te vervullen, dan valt overigens niet in te zien
waarom de wederpartij, samen met de andere hulpverlenende instanties, met
een dergelijk aantal uren akkoord is gegaan.

Op grond van het bovenstaande concludeert de Commissie dat de door de
wederpartij aangedragen rechtvaardigingsgronden niet kunnen slagen.
Daarmee staat vast dat de wederpartij in strijd met artikel 3 lid 1 WGB
een niet gerechtvaardigd indirect onderscheid heeft gemaakt jegens
verzoekster door bij de vervulling van de deeltijdfunctie van
medewerk(st)er doorstroomvoorziening de eis te stellen dat daarnaast ook
een tweede deeltijdfunctie in haar arbeidsorganisatie vervuld moet
(blijven) worden.

4.6. Nu vast staat dat in strijd met de Wet is gehandeld, behoeft de
Commissie niet meer te onderzoeken of de minimum- grens van 25 uur per
week die de wederpartij bij de functie van groepsleid(st)er stelt, al dan
niet gerechtvaardigd is in het licht van de wetgeving gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit, dat de Stichting Trias te
Maastricht jegens mevrouw S. te Maastricht onderscheid naar geslacht heeft
gemaakt, in strijd met artikel 3 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen, door bij de werving en selectie voor de deeltijdfunctie van
medewerk(st)er doorstroomvoorziening de eis te stellen dat zij daarnaast
haar andere deeltijdfunctie bij de wederpartij moet blijven vervullen.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), mw mr H. Onnen (lid Kamer),dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer), mw mr G.L.M. Lenssen(adjunct-secretaris).

Instantie: President Rechtbank Zutphen, 2 juli 1993

Instantie

President Rechtbank Zutphen

Samenvatting


Eiser begroot schade door seksueel misbruik op ƒ 228.496,30
materiele schade en ƒ 35.000,- immateriele schade. Eiser wordt in zijn
vordering tot betaling voorschot op de schadevergoeding niet
ontvankelijk verklaard omdat hij niet aannemelijk heeft kunnen maken een
spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening te hebben.

Volledige tekst

Ten aanzien van het procesverloop:

Eiser heeft -mede aan de hand van een pleitnota en onder overlegging van
producties- geconcludeerd voor eis overeenkomstig de dagvaarding,
waarvan een fotocopie aan dit vonnis is gehecht.

Gedaagde heeft -aan de hand van een pleitnota en onder overlegging van
producties- geconcludeerd voor antwoord tot afwijzing van het
gevorderde.

Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht.

ten aanzien van het recht:

1. De vaststaande feiten:

1.1. Gedaagde heeft eiser in de periode 1983 tot 1989 seksueel misbruikt
en is daarvoor in 1990 strafrechtelijk veroordeeld.

1.2. Bij brief van 22 februari 1991 is namens eiser jegens gedaagde
tevergeefs aanspraak gemaakt op schadevergoeding ad ƒ 62.710,-.

1.3. Op 16 december 1992 heeft eiser aan gedaagde een brief gestuurd,
teneinde de verjaring van zijn gepretendeerde vordering op gedaagde te
stuiten.

2. De vordering, de grondslag en het verweer:

2.1. Eiser vordert, kort gezegd,

-gedaagde te veroordelen hem ƒ 24.999,- te betalen als voorschot op
schadevergoeding

-het conservatoir beslag van waarde te verklaren

-te bepalen dat, indien gedaagde niet aan het vonnis voldoet, het vonnis
uitvoerbaar zal zijn bij lijfsdwang voor ten hoogste 1 jaar

-gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

2.2. Eiser baseert deze vordering op de onder 1.1. weergegeven
vaststaande feiten en op het volgende, voor zover hier van belang.

Hij heeft een spoedeisend belang, enerzijds in verband met de verwerking
van hetgeen hem is aangedaan, anderzijds omdat hij snel geld nodig heeft
voor de verdere financiering van zijn studie.

Door het seksueel misbruik heeft hij grote schade geleden. De materiele
schade staat nog niet geheel vast en wordt begroot op ƒ 228.496,30. De
immateriele schade wordt begroot op ƒ 35.000,-.

Hij heeft verschillende malen getracht om in der minne tot een
schadevergoedingsregeling te komen, echter zonder aanvaardbaar
resultaat.

2.3. Op het verweer van gedaagde zal hierna, voor zover van belang,
nader worden ingegaan.

3. Beoordeling van het geschil:

3.1. Door gedaagde is de spoedeisendheid van de vordering gemotiveerd
betwist. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

3.1.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken staat
vast dat -na de onder 1.2 weergegeven brief en afgezien van de onder
1.3. bedoelde stuitingsbrief- eiser gedaagde tot (de sommatie van) 19
februari 1993 niet heeft benaderd omtrent een mogelijke
schadevergoeding.

Gelet op het daardoor ontstane tijdsverloop van bijna 2 jaar is door
eiser onvoldoende onderbouwd waarom hij thans in verband met het
(kunnen) verwerken van het seksueel misbruik door gedaagde een
spoedeisend belang bij zijn vordering heeft. Weliswaar is namens eiser
gesteld dat zijn geestelijke gesteldheid het niet toeliet gedaagde
eerder in rechte te betrekken, omdat hij, eiser, na februari 1991
geestelijk instortte, doch zulks ontbeert voldoende onderbouwing.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de spoedeisendheid van de vordering
onvoldoende aannemelijk is geworden.

3.1.2. Namens eiser is voorts gesteld dat hij bij zijn vordering een
spoedeisend belang heeft, aangezien hij snel geld nodig heeft voor zijn
studie. Door gedaagde is zulks betwist, onder aanvoering dat er andere
wegen voor studiefinanciering zijn.

Ook hier geldt het sub 3.1.1. overwogene. Daar komt, toegesneden op deze
financiele argumentatie, nog het volgende bij.

Nu door eiser is gesteld dat hij thans als extraneus financieel geheel
onderhouden wordt door zijn ouders, dat hij in zijn propaedeuse nog een
tentamen moet halen, terwijl hij als (doctoraal-) student in beginsel
nog drie jaar recht zal hebben op een basisbeurs, is onvoldoende
aannemelijk geworden dat eiser thans om redenen van studiefinanciering
een spoedeisend belang bij zijn vordering heeft.

3.1.3. Gelet op het voorgaande kan eiser in zijn vordering niet worden
ontvangen.

3.2. Ten overvloede wordt nog het volgende overwogen.

De omvang van de door eiser gestelde schade is door gedaagde op alle
onderdelen gemotiveerd betwist. Nadere instructie zou derhalve nodig
zijn en daarvoor leent de kort geding-procedure zich niet.

Nu voor toewijzing van een geldvordering in kort geding onder meer
vereist is dat de vordering voldoende aannemelijk is geworden en
daarvan, gelet op het vorenstaande, in onderhavig kort geding niet
gesproken kan worden, zou de gevraagde voorlopige voorziening ook om die
reden niet voor toewijzing in aanmerking zijn gekomen.

3.3. Uit het voorgaande vloeit voort dat het overig door partijen
gestelde geen bespreking meer behoeft.

In de omstandigheden van het geding -gedaagde betwist niet dat hij een
zekere schadevergoeding zal dienen te betalen, doch alleen de omvang
daarvan- wordt aanleiding gevonden voor na te melden beslissing omtrent
de proceskosten.

Beslist:

Verklaart eiser niet ontvankelijk in zijn vordering.

Verdeelt de proceskosten aldus, dat iedere partije de eigen kosten
draagt.

Rechters

mr J.J. van Oostveen

Instantie: President Rechtbank Arnhem, 2 juli 1993

Instantie

President Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Na pleidooi komen partijen schikking overeen terzake van
immateriele schadevergoeding wegens jegens eiseres gepleegd seksueel
geweld. Gedaagde betaalt ƒ 22.000,-.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure

Eiseres heeft gedaagde ter terechtzitting in kort geding van 23 juni
1993 doen dagvaarden en bij mondelinge conclusie van eis gevorderd als
weergegeven in de dagvaarding.

Gedaagde heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde
voorzieningen.

De procureur van eiseres en de procureur van gedaagde hebben de zaak
bepleit, beiden overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities.

Daarbij heeft eerstgenoemde producties in het geding gebracht.

Aan het eind van de mondelinge behandeling is de zaak -onder overlegging
van de processtukken- pro forma aangehouden tot 29 juni 1993 teneinde
partijen in de gelegenheid te stellen de zaak in onderling overleg te
regelen.

Bij fax-brief van 29 juni 1993 heeft de procureur van eiseres de
president bericht dat partijen in de zaak een schikking hebben
getroffen. Namens gedaagde en diens procureur heeft de procureur van
eiseres de president verzocht de schikking in een vonnis vast te
leggen. Verder heeft de procureur van eiseres verzocht om de
“gebruikelijke kostenveroordeling”.

Een afschrift van de brief is aan de procureur van gedaagde verzonden.
Deze heeft op voormeld verzoek tot kostenveroordeling niet meer
gereageerd.

De motivering van de beslissing

1. Voormelde schikking houdt het volgende in:

-Uitbetaling ineens van ƒ 22.000,- door gedaagde aan eiseres;

-terzake van immateriele schadevergoeding;

-feitelijke uitbetaling: voor 26 juli 1993;

-zodra het geld op de derdenrekening van het kantoor van de procureur
van eiseres is gestort, zal het door eiseres gelegde beslag op het
onroerend goed van gedaagde worden opgeheven;

-tegen finale kwijting.

De vordering van eiseres zal dienovereenkomstig gewijzigd worden
toegewezen.

2. Met betrekking tot de proceskosten geldt het volgende:

Daar gedaagde al voor de dagvaarding aan eiseresses vorderingen tegemoet
had kunnen en moeten komen, zal hij in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing

De president

a. veroordeelt gedaagde tot nakoming van de hierboven onder 1. genoemde
schikking, in het bijzonder tot betaling tegen behoorlijk bewijs van
kwijting aan eiseres, voor 26 juli 1993, van een bedrag van ƒ 22.000,-
(zegge: tweeentwintigduizend gulden) terzake van immateriele
schadevergoeding,

b. veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure tot aan deze
uitspraak aan de zijde van eiseres begroot op ƒ 1.500,- voor salaris en
op ƒ 376,59 voor verschotten,

c. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

d. weigert het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr. A.G. Pos

Instantie: President Rechtbank ‘s-Gravenhage, 2 juli 1993

Instantie

President Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Vader is strafrechtelijk veroordeeld wegens ontucht met eiseres.
Eiseres vordert voorschot van ƒ 15.000,- voor de geleden immateriele
schade. Beide partijen geven aan dat zij alleen een behandeling van de
zaak in kort geding voorstaan. Ten gevolge hiervan onderwerpt de rechter
de vordering aan een ruimere toetsing dan gebruikelijk is. Nu eiseres in
het kader van adoptie aan de zorg van gedaagde is toevertrouwd en aldus
in bijzondere mate op bescherming aanspraak heeft, wordt hem het gepleegde
seksueel misbruik zwaarder aangerekend. Met betrekking tot de omvang van
de schade gaat de rechter ervan uit dat eiseres het beste zelf kan
beoordelen door wiens toedoen zij het meeste schade heeft geleden.
Toegekend wordt ƒ 10.000,- immateriele schadevergoeding.

Volledige tekst

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 24 juni 1993
staat het navolgende tussen partijen vast:

– Eiseres, afkomstig uit Colombia, is in 1980 door gedaagde en zijn
echtgenote geadopteerd. Zij is thans 21 jaar oud.

– Gedaagde is bij vonnis van deze rechtbank d.d. 17 juli 1992 veroordeeld
wegens het plegen van ontucht met zijn minderjarig kind, zijnde eiseres,
meermalen gepleegd in het tijdvak 1982 tot en met 1986.

– Op verzoek van eiseres is bij vonnis van deze rechtbank d.d. 23
september 1992 de adoptie herroepen.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eiseres vordert – zakelijk weergegeven – gedaagde te veroordelen tot
betaling van een voorschot ad ƒ 15.000,- terzake van immateriele schade,
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot die
van voldoening, met nevenvordering.

2.2. Zij stelt dat door het frequent seksueel misbruik door gedaagde haar
psychische en lichamelijke integriteit ernstig is geschonden. Gedaagde
heeft aldus jegens eiseres een onrechtmatige daad gepleegd, waardoor zij
grote geestelijke schade heeft geleden en nog lijdt.

2.3. Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. Beoordeling van het geschil

3.1. Beide partijen hebben aangegeven dat zij, gelet op het belang dat zij
zeggen te hebben bij een snelle en eenmalige behandeling van dit voor hen
pijnlijke en emotioneel belastende geschil, alleen een oordeel in kort
geding willen krijgen. Onder deze omstandigheden zal de vordering in kort
geding aan een ruimere toetsing worden onderworpen dan gebruikelijk is bij
vorderingen tot betaling van een geldsom c.q. ter verkrijging van een
voorschot op schadevergoeding en kan een eventueel restitutierisico buiten
beschouwing blijven.

3.2. Met zijn handelen heeft gedaagde op zeer ernstige wijze inbreuk
gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit van eiseres, zoals
zij stelt. Dit valt hem met nog meer nadruk aan te rekenen, nu eiseres
niet in het gezin van gedaagde is geboren, in het kader van adoptie aan
zijn zorg was toevertrouwd en aldus in bijzondere mate op bescherming
aanspraak had.

3.3. Gedaagde, die het tot hem gerichte verwijt heeft erkend, heeft wel
ter discussie gesteld of de door eiseres geleden schade niet gedeeltelijk
moet worden toegeschreven aan het – evenzeer vaststaande – feit dat
eiseres voordat zij naar Nederland kwam, reeds door een ander dan gedaagde
is misbruikt.

3.4. Het is, gelet op de duur en de frequentie van het door gedaagde
gepleegde misbruik, voldoende waarschijnlijk dat eiseres zoveel
(geestelijke) schade is toegebracht als waarvoor zij thans vergoeding
verlangt.

Bovendien moet er van worden uitgegaan dat eiseres in beginsel zelf het
beste kan beoordelen, door wiens toedoen zij het geestelijk letsel heeft
opgelopen waarvoor zij genoegdoening vraagt. De behandeling ter zitting
heeft voldoende duidelijk gemaakt dat zij zich in deze beoordeling niet
vergist.

Dit discussiepunt zal verder blijven rusten.

3.5. Uit de door eiseres overgelegde, door gedaagde niet betwiste,
verklaringen van X van het RIAGG en stagementor Y en diens echtgenote
blijkt dat bij eiseres sprake is van een groot aantal psychische en
lichamelijke klachten. Met hulp van het RIAGG volgt zij thans een
behandeling die nog niet is afgerond. Naar verwachting zal het
verwerkingsproces nog geruime tijd in beslag nemen.

3.6. Eiseres heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat voor haar – onder de
gegeven omstandigheden – alleen een geldbedrag tot vergoeding van de door
haar geleden schade kan dienen. Gedaagde heeft weliswaar gesteld dat ook
op andere manieren haar leed kan worden beperkt waartoe hij heeft
aangeboden om samen met eiseres een therapie te volgen, doch eiseres heeft
een dergelijk aanbod – om begrijpelijke redenen – steeds van de hand
gewezen. Deze afwijzing mag daarom niet ten nadele van eiseres worden
uitgelegd.

3.7. Uit het bovenstaande volgt dat de door eiseres gevorderde
schadevergoeding in beginsel toewijsbaar is. Bij de vaststelling van de
hoogte van het toe te wijzen bedrag dient echter ook de draagkracht van
gedaagde in het oog gehouden te worden. Op grond van het inkomen van
gedaagde, de op hem drukkende vaste lasten en het feit dat hij nog de zorg
heeft voor twee opgroeiende kinderen, een en ander zoals eiseres feitelijk
ook niet heeft betwist, moet worden geoordeeld dat integrale toewijzing
van de vordering tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen voor gedaagde en
zijn gezin zou leiden.

3.8. Eiseres heeft ter zitting tot uitdrukking gebracht gedaagde met de
hoogte aan schadevergoeding te willen treffen. Dit vonnis is er niet in
de eerste plaats voor om aan te geven of deze gedachtengang begrijpelijk
is. Zij is in elk geval onjuist, indien en voor zover daarmee beoogd wordt
om gedaagde financieel tot een prestatie te dwingen waartoe hij niet in
staat is.

3.9. Gelet op het hiervoor onder 3.7. en 3.8. overwogene zal het voorschot
aan schadevergoeding worden vastgesteld op ƒ 10.000,-. Daarbij zal,
overeenkomstig het uitdrukkelijke verzoek van eiseres, worden bepaald dat
dit bedrag in een keer aan eiseres dient te worden betaald. Hierbij wordt
overwogen dat het belang dat gedaagde heeft bij de mogelijkheid een
dergelijk bedrag in termijnen te betalen niet opweegt tegen het manifeste
belang dat eiseres heeft bij een snelle en eenmalige afdoening van deze
zaak ter vermijding van verdere confrontaties. Voor een rentebedrag bij
vertraagde betaling als aanvulling op deze som, zoals gevraagd, bestaat
geen aanleiding.

3.10. Gedaagde zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij,
worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Het andersluidende
pleidooi van gedaagde om compensatie van kosten in overweging te nemen
wordt gepasseerd, reeds omdat het door hem voor deze procedure gedane
betalingsaanbod – waaraan hij overigens geen uitvoering had gegeven –
achterblijft bij het in dit vonnis vastgestelde bedrag.

4. Beslissing

De President: Veroordeelt gedaagde om, binnen zes weken na betekening van
dit vonnis, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen
een bedrag van ƒ 10.000,- als voorschot ter zake van vergoeding van
immateriele schade.

Veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding, tot dusvere aan de zijde
van eiseres begoot op 1.300,– waarvan ƒ 300,– aan griffierrecht, op de
voet van artikel 57b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te
betalen aan de griffier van deze rechtbank.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Rechters

Mr. Holtrop

Instantie: Hof van Justitie EG, 1 juli 1993

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Gelijke behandeling in de wettelijke sociale zekerheid, verschillende
berekeningswijze van pensioenen voor mannen en vrouwen terug te voeren op
een vroeger bestaande (inmiddels gelijkgetrokken) ongelijke
pensioenleeftijd voor mannen en vrouwen.

Sedert 1967 kende Belgie voor mannen (bij 65 jaar) en vrouwen (bij 60
jaar) verschillende pensioenleeftijden. Met een wet van 20 juli 1990 is
hieraan een einde gemaakt: vanaf 1 januari 1991 geldt voor elke Belg een
naar eigen keuze te bepalen pensioendatum liggend na de zestigste
verjaardag. Bij de wetswijziging van 20 juli 1990 heeft Belgie het
verschillende berekeningssysteem van het pensioen voor mannen en vrouwen,
zoals dat voor die wijziging bestond, gehandhaafd. Het verschil in
berekeningssysteem is terug te voeren op de voorheen bestaande
verschillende pensioenleeftijden. Uitgaande van een gelijke diensttijd en
een gelijk loon is het pensioenresultaat, vanwege dit verschil in
berekeningswijze, voor de vrouw hoger. Het Hof bepaalt dat er in casu geen
sprake kan zijn van een uitzondering als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub
a van de derde richtlijn: de gevolgen van verschillende pensioenleeftijden
kunnen niet onder deze uitzondering worden gebracht indien de
verschillende pensioenleeftijden niet meer bestaan. Zolang de wettelijke
regeling van de ouderdomspensioenen niet op de juiste wijze aan de derde
richtlijn is aangepast hebben de benadeelden, ongeacht of dit vrouwen of
mannen zijn, recht op een behandeling volgens het gunstigere regime.

Volledige tekst

Arret

1. Par jugement du 23 avril 1992, parvenu a la Copur le 6 mai suivant,
l’Arbeidsrechtbank Antwerpen a pose, en vertu de l’article 177 du traite
CEE, trois questions prejudicielles sur l’interpretation de la directive
79/7/CEE du Conseil, du 19 decembre 1978, relative a la mise en oeuvre
progressive du principe de l’egalite de traitement entre hommes et femmes
en matiere de securite sociale (JO 1979, L 6, p. 24).

2. Ces questions ont ete soulevees dans le cadre d’un litige opposant M.
Remi van Cant au Rijksdienst voor pensioenen (office des pensions,
ci-apres <>) au sujet du calcul de la pension que ce dernier lui
a versee.

3. L’arrete royal belge nD 50, du 24 octobre 1967, relatif a la pension
de retraite et de survie des traivailleurs salaries (Moniteur belge du 27
octobre 1967, p. 11258), avait fixe l’age normal de la pension a 65 ans
pour les hommes et a 60 ans pour les femmes. Le droit a la pension de
retraite etait acquis, par annee civile, a raison d’une fraction des
remunerations, dont le denominateur ne pouvait etre superieur a 45 pour
les hommes et a 40 pour les femmes.

4. La loi du 20 juillet 1990, instaurant un age flexible de la retraite
pour les travailleurs salaries et adaptant les pensions des travailleurs
salaries a l’evolution du bien-etre general (Moniteur belge du 15 aout
1990, p. 15875), permet a tous les salaries, masculins ou feminins, de
prendre la retraite a partir de 60 ans. En ce qui concerne le calcul du
montant de la pension cette loi maintient cependant le regime institue par
l’arrete royal nD 50.

5. Ayant atteint l’age de 65 ans, M. Remi van Cant beneficie, depuis de
1er juin 1991, d’une pension de retraite calculee par l’office sur la base
des 45 annees civiles les plus avantageuses de sa carriere.

6. Faisant valoir que la methode de calcul de la pension, applicable aux
travailleurs feminins, qui prend en consideration les 40 annees
d’activites les plus favorables du travailleur, aboutirait a une pension
plus elevee que celle qui lui a ete octroyee, M. Remi van Cant a introduit
devant l’Arbeidsrechtbank Antwerpen un recours en annulation contre la
decision par laquelle l’office a fixe le montant de la pension.

7. C’est dans le cadre de ce recours que l’Arbeidsrechtbank a decide de
surseoir a statuer jusqu’a ce que le Cour de justice ait repondu aux
questions prejudicielles suivantes: <<1. Le mode de calcul de la pension
de retraite des titulaires de sexe masculin est-il constitutif d’une
discrimination fondee sur le sexe au sens de l’article 4 de la directive
79/7/CEE lorsqu’un autre mode de calcul a ete prevu pour la pension de
retraitre des titulaires de sexe feminin, qui peut aboutir a l’octroi
d’une pension de retraite plus elevee pour une carriere professionelle
identique du fait que, en particulier, la pension de retraite d’un homme
est calculee a raison de 1/45 x 60% ou 75% des renumerations
forfaitaires/fictives/reelles de chacune des annees civiles de la carriere
professionnelle a prendre en consideration, alors qu’elle est calculee,
pour les femmes, a raison de 1/40 x 60% ou 75% des memes renumerations et
du fait que – le cas echeant – il est tenu compte des 45 annees les plus
favorables de la carriere professionnelle lorsqu’elle concerne un homme
et des 40 annees les plus favorables lorsqu’elle concerne une femme, et
ce en tenant compte du fait qu’au cloix la pension de retraite des hommes
et des femmes peut prendre cours a partir du premier jour du mois suivant
le 60ieme anniversaire?

2. En cas de reponse affirmative a la question qui precede, l’article 4,
paragraphe 1, precite, de la directive 79/7/CEE est-il assorti, dans les
circonstances du present litige, d’un effet direct?

3. Dans l’affirmative cela implique-t-il que la pension de retraite des
titulaires de sexe masculin doive etre calculee en se fondant sur les
regles de calcul plus favorables qui, a l’heure actuelle, conformement aux
dispositions de l’article 3 de la loi du 20 juillet 1990, instaurant un
age flexible de la retraite pour les travailleurs salaries et adaptant les
pensions des travailleurs salaries a l’evolution du bien-etre general,
s’appliquent exclusivement aux titulaires de sexe feminin?>>

8. Pour un plus ample expose des faits du litige au principal, du
deroulement de la procedure ainsi que des observations ecrites presentees
a la Cour, il est renvoye au rapport d’audience. Ces elements du dossier
ne sont repris ci-apres que dans la mesure necessaire au raisonnement de
la Cour.

Sur la premiere question

9. Par la premiere question la juridiction de renvoi vise, en substance,
a savoir si les articles 4, paragraphe 1, et 7, paragraphe 1, de la
directive 79/7, precitee, s’opposent a ce qu’une reglementation nationale,
qui autorise les travailleurs masculins et feminins a prendre la retraite
a parit d’un age identique, maintienne dans le mode de calcul de la
pension une difference suivant le sexe, elle-meme liee a la difference de
l’age de la retraite qui existant selon la reglementation precedente.

10. Pour repondre a cette question, il convient de rappeler d’emblee que
l’article 4, paragraphe 1, de la directive 79/7, precitee, interdit toute
discrimination fondee sur le sexe, en ce qui concerne le calcul des
prestations, dont celles de vieillesse.

11. Il convient d’ajouter qu’une legislation nationale, telle que celle
decrite par la juridiction de renvoi, qui prevoit un mode de calcul des
pensions de retraite different selon le sexe des travailleurs, revet un
caractere discriminatoire au sens de la directive 79/7, precitee.

12. Il y a lieu de relever enfin qu’une telle discrimination ne peut etre
justifiee qu’au titre de l’article 7, paragraphe 1, sous a), de la
directive 79/7, precitee, selon lequel la directive ne fait pas obstacle
la faculte qu’ont les Etats membres d’exclure de son champ d’application
la fixation de l’age de la retraite pout l’octroi des pensions de
vieillesse et de retraite et les consequences pouvant en decouler pour
d’autres prestations.

13. Dans l’hypothese ou une reglementation nationale a supprime la
difference de l’age de la retraite qui existait entre les travailleurs
feminins et masculins, element de fait qu’il appartient a la juridiction
nationale de constater, l’article 7, paragraphe 1, sous a), de la
directive 79/7, precitee, ne saurait plus etre invoque pour justifier le
maintien d’une difference en ce qui concerne le mode de calcul de la
pension de retraite qui etait liee a cette difference de l’age de la
retraite.

14. Dans ces conditions, il y a lieu de repondre a la premiere question
posee par l’Arbeidsrechtbank Antwerpen que les articles 4, paragraphe 1,
et 7, paragraphe 1, de la directive 79/7, precitee, s’opposent a ce qu’une
reglementation nationale, qui autorise les travailleurs masculins et
feminins a prendre la retraite a partir d’un age indentique, maintienne
dans le mode de calcul de le pension une difference suivant de sexe,
elle-meme liee a la difference de l’age de la retraite qui existait
auparavant.

Sur la deuxieme question

15. Par la deuxieme question, la juridiction nationale vise a savoir si
l’article 4, paragraphe 1, de la directive 79/7, precitee, peut etre
invoque, a compter de l’expiration du delai de transposition de cette
directive, par les particuliers devant des juridictions nationales pour
ecarter l’application de toute disposition nationale non conforme audit
article.

16. Pour repondre a cette question, il convient de rappeler qu’il est de
jurisprudence constante que, dans tout les cas ou les dispositions d’une
directive apparaissent comme etant, du point de vue de leur contenu,
inconditionnelles et suffisamment precises, les particuliers sont fondes
a les invoquer, defaut de mesures d’application prises dans les delais,
a l’encontre de toute disposition nationale non conforme a la directive
(voir, notamment, arret du 4 decembre 1986, Federatie Nederlandse
Vakbeweging, point 13, 71/85, Rec. p. 3855).

17. En ce qui concerne l’article 4, paragraphe 1, de la directive 79/7,
precitee, la Cour a deja juge que ce texte ne confere nullement aux Etats
membres la faculte de conditionner ou de restreindre l’application du
principe de l’egalite de traitement dans son champ d’application propre
et que cette disposition est suffisamment precise et inconditionnelle pour
pouvoir etre invoquee, depuis de 23 decembre 1984, date a laquelle la
directive devait etre transposee dans les Etats membres, par les
particuliers, devant les juridictions nationales pout ecarter
l’application de toute disposition nationale non conforme audit article
(voir arret Federatie Nederlandse Vakbeweging, precite, point 21; arret
du 24 mars 1987, McDermott et Cotter, point 14, 286/85, Rec. p. 1453;
arret du 24 juin 1987, Borrie Clarke, point 9, 384/85, Rec. p. 2865).

18. Il convient des lors de repondre a la deuxieme question que l’article
4, paragraphe 1, de la directive 79/7, precitee, peut etre invoque, a
compter du 23 decembre 1984, par les particuliers devant les juridictions
nationales pour ecarter l’application de toute disposition nationale non
conforme audit l’article.

Sur la troisieme question

19. Par la troisieme question, la juridiction nationale vise a savoir si,
en cas de violation de l’article 4, paragraphe 1, de la directive 79/7,
precitee, le groupe defavorise a le droit de se voir appliquer le meme
regime que le groupe favorise.

20. Pour repondre a cette question, il convient de rappeler que dans
l’arret McDermott et Cotter, precite, la Cour a deja juge que, jusqu’au
moment ou l’Etat membre a adopte les mesures d’execution necessaires, les
femmes ont le droit de se voir appliquer le meme regime que les hommes se
trouvant dans la meme situation, regime qui reste, a defaut d’application
de la directive, le seul systeme de reference valable.

21. Cette constatation que la Cour a faite dans l’hypothese ou les
travailleurs feminins etaient defavorises par rapport aux travailleurs
masculins vaut quel que soit le groupe defavorise en raison du sexe.

22. Il y a des lors lieu de repondre a la troisieme question qu’en cas de
violation de l’article 4, paragraphe 1, de la directive 79/7, precitee,
le groupe defavorise a le droit de se voir appliquer le meme regime que
le groupe favorise se trouvant dans la meme situation, regime qui reste,
a defaut d’execution correcte de la directive, le seul systeme de
reference valable.

(…)

Noot

Vanaf 1967 kende Belgie een ongelijke pensioenleeftijd voor mannen (65
jaar) en vrouwen (60 jaar) in de wettelijke ouderdomspensioenregeling voor
werknemers. In verband met deze verschillende pensioenleeftijden hanteerde
men bij de berekening van het ouderdomspensioen ook een verschillende
berekeningswijze voor mannen en vrouwen.

Met een wet van 20 juli 1990 is met ingang van 1 januari 1991 een einde
gemaakt aan het oude systeem van de verschillende pensioenleeftijden.
Vanaf die datum geldt een flexibele pensioenleeftijd: iedereen kan zelf
bepalen wanneer zijn of haar pensioen ingaat mits die datum ligt na de
(eerste van de maand volgende op de) zestigste verjaardag.

Bij de invoering van deze flexibele pensioeningangsdatum heeft de
Belgische wetgever er uitdrukkelijk voor gekozen het verschil in
berekeningssystematiek tussen mannen en vrouwen, dat sedert 1967 bestond,
onverkort te laten voortbestaan. Het bedoelde verschil in berekeningswijze
komt er op neer dat bij de pensioenberekening voor de man rekening
gehouden wordt met zijn inkomsten uit de laatste 45 jaren en bij de
pensioenberekening van de vrouw slechts met haar inkomsten uit de laatste
veertig jaren. Uitgaande van een in de loop der jaren stijgend inkomen
(wat meestal het geval zal zijn) is het voor de vrouwen bestaande systeem,
uitgaande van eenzelfde diensttijd en inkomen, gunstiger dan het voor de
mannen bestaande systeem. Als voor de man de eerste vijf jaren, waarin hij
een relatief laag inkomen heeft, buiten beschouwing worden gelaten, zal
zijn pensioenresultaat namelijk stijgen.

In de discussies die omtrent dit verschil in pensioenresultaat al bij de
invoering van de flexibele en gelijke pensioenleeftijd gevoerd werden,
stelde de Belgische overheid zich op het standpunt dat er twee wegen naar
gelijke behandeling waren. In de eerste plaats een voor ieder geldende
berekening naar 1/45ste per jaar, voor vrouwen een verslechtering van
verkregen rechten. In de tweede plaats een voor ieder geldende berekening
naar 1/40ste per jaar, hetgeen zou leiden tot ongewenste verhoging van de
pensioenlasten. Omdat beide alternatieven onaantrekkelijk waren koos de
Belgische wetgever voor de weg van de minste weerstand, het zonder meer
in stand laten van de regeling zoals die al sedert jaar en dag gold.

In de hierboven afgedrukte oordeel geeft het Europese hof zijn oordeel
over de wet van 20 juli 1990. De zaak is aan het rollen gebracht door de
heer van Cant die wenste dat zijn pensioen, in plaats van naar 45, naar
veertig jaren zou worden berekend. De Arbeidsrechtbank te Antwerpen wendde
zich vervolgens met een drietal prejudiciele vragen tot het Europese hof.
De tweede vraag heeft betrekking op de directe werking van artikel 4 van
de derde richtlijn en blijft hieronder (als verder voor zichzelf sprekend)
buiten beschouwing.

Artikel 4 van de derde richtlijn verbiedt iedere vorm van discriminatie
(…) met betrekking tot (…) de berekeningswijze van de prestaties.
Een berekeningssystematiek waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen mannen
en vrouwen is met dit artikel in strijd en is slecht toegestaan indien ze
kan worden gerangschikt onder een van de in artikel 7 lid 1 van de derde
richtlijn genoemde terreinen die (tijdelijk) kunnen worden uitgezonderd
van het verbod op discriminatie. Het Hof toetst hier aan de in genoemd
artikel onder a bestaande uitzonderingen voor (ten eerste) ‘de
vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd’ en (ten tweede) ‘de
gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties’.

De betekenis van deze uitzonderingsbepaling is door het Europese hof in
een aantal arresten steeds nader bepaald. In de EOC-zaak (RN, 1993, 301)
bepaalde het Hof dat vormen van discriminatie die het gevolg zijn van
verschillende pensioenleeftijden (als tijdelijke uitzondering) kunnen
worden geaccepteerd indien ze noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking
van de doelstelling die in het kader van de richtlijn door de lidstaat
wordt nagestreefd door een verschillende pensioenleeftijd (voorlopig) te
(blijven) hanteren. De doelstelling van de richtlijn is de geleidelijke
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen. In de Thomas-zaak (zie hierover in deze aflevering RN 1993, 344,
m.nt. M. Vegter) bepaalde het Hof dat discriminaties die het noodzakelijke
gevolg zijn van verschillende pensioenleeftijden slechts gerechtvaardigd
kunnen worden voor zover ze objectief noodzakelijk zijn om een verstoring
van het financiele evenwicht van het sociale zekerheidsstelsel te
voorkomen.

In de bovenafgedrukte uitspraak geeft het Hof opnieuw een belangrijke
beperking aan bij de uitleg van de uitzonderingsbepaling van artikel 7 lid
1 sub a. Het Hof oordeelt dat de uitzondering die ziet op de gevolgen van
ongelijke pensioenleeftijden niet meer aan de orde kan komen als de
ongelijke pensioenleeftijden zelf zijn afgeschaft. Uit deze uitspraak moet
dus worden afgeleid dat voor toepassing van de uitzondering van artikel
7 lid 1 sub a het (voort)bestaan van verschillende pensioenleeftijden een
voorwaarde is. In feite geeft het Hof met deze uitspraak een belangrijke
invulling aan de noodzakelijkheidseis uit de EOC zaak: indien de
pensioenleeftijden gelijk zijn getrokken kunnen de gevolgen van het
voorheen bestaande systeem in ieder geval niet als noodzakelijk worden
beschouwd.

De vraag of de wet van 20 juli 1990, waarbij de flexibele en voor allen
gelijke pensioen ingangsdatum is ingevoerd, kan worden aangemerkt als het
afschaffen van verschillende pensioenleeftijden voor mannen en vrouwen is
een vraag van feitelijke aard die ter beoordeling staat aan de nationale
rechter. De Arbeidsrechtbank Antwerpen heeft deze vraag al bevestigend
beantwoord. Indien deze vraag door een hogere nationale rechter negatief
wordt beantwoord kan de Belgische Rijkspensioendienst mogelijkerwijs
alsnog, namelijk indien ook aan de criteria uit de EOC- en Thomas-zaak is
voldaan, een beroep op de uitzondering van artikel 7 lid 1 sub a doen. Dat
deze vraag rijst is terug te voeren op het ontbreken van een definitie van
het begrip pensioenleeftijd; is dat de leeftijd waarop men met pensioen
kan gaan of is dat de leeftijd waarop men een volledig of maximaal
pensioenrecht heeft verkregen?

In de derde prejudiciele vraag komt de vraag aan de orde of bij een
geconstateerde schending van artikel 4 van de derde richtlijn de
benadeelde groep, in casu de mannen, een zelfde behandeling als de
bevoordeelde groep, in casu de vrouwen, kan afdwingen. Het Europese hof
beantwoordt deze vraag bevestigend en volgt daarmee de in de McDermott en
Cotter zaak uitgezette lijn waarin reeds werd bepaald dat tot het moment
van een deugdelijke implementatie van de richtlijn het gunstigste regime
als enige referentie geldt. In de McDermott en Cotter zaak waren vrouwen
de benadeelden die ingevolge die uitspraak recht hadden op de gunstigere
behandeling waarop de mannen op grond van de bestreden regelgeving recht
hadden. Uit bovenafgedrukte uitspraak blijkt dat dit principe – ook wel
leveling-up genoemd – ook geldt ongeacht de sekse van de benadeelde groep.

Opnieuw geeft het Hof aan dat implementatie van de derde richtlijn in de
sociale zekerheid betekent, dat voorheen bestaande regelingen waarin een
onderscheid tussen mannen en vrouwen voorkwam, niet mogen doorwerken in
de nieuwe regeling. Al eerder bleek dit in de zaken Dik, Borrie-Clarke en
Verholen.

De prijs die Belgie moet betalen voor de onjuiste implementatie van de
richtlijn is hoog: de gunstige methode moet, tot het moment dat er wel
sprake is van juiste implementatie, op de grote groep van mannelijke
gepensioneerden worden toegepast.

Vanwege deze hoge prijs is het zaak voor de Belgische wetgever om zo
spoedig mogelijk over te gaan tot een juiste implementatie van de
richtlijn. Een juiste implementatie sluit mijns inziens niet uit dat voor
bepaalde categorieen vrouwen een gunstiger berekeningsmethode geldt dan
voor hun mannelijke generatiegenoten.

In een eerste reactie op de hierboven afgedrukte uitspraak op het Belgisch
tv-journaal gaf ook de Belgische regering aan nog steeds mogelijkheden te
zien, om op de een of andere wijze een regeling te treffen, waardoor de
rechten van vrouwen nog minstens twintig jaar gehandhaafd zouden kunnen
worden. In de bedoelde reactie werd niet ingegaan op de wijze waarop de
Belgische regering dit wil gaan verwezenlijken.

Naar mijn mening zijn er twee mogelijkheden om een dergelijke (of wellicht
minder jaren doorwerkende) overgangsmaatregel te treffen. Daarbij ga ik
er (zonder nader onderzoek) vanuit dat de Belgische vrouw net als haar
Nederlandse buurvrouw in de afgelopen decennia is geconfronteerd met de
nodige discriminatie in loon of arbeid. Bovendien veronderstel ik dat deze
discriminatie haar pensioenresultaat nadelig heeft beinvloed. Dit laatste
dus ondanks de gunstigere berekeningsmethode; hierbij moet met name
gedacht worden aan het effect in het pensioen van lagere beloning.

Een eerste mogelijkheid ligt in het instrument van voorkeursbehandeling.
In de preambule van de derde richtlijn is namelijk bepaald dat de
Lidstaten ten gunste van de vrouw specifieke bepalingen kunnen treffen om
bestaande ongelijkheden op te heffen.

Wat de precieze ruimte is die het instrument van voorkeursbehandeling
biedt is in de literatuur omstreden. Vaststaat dat de aanvaardbaarheid van
voorkeursbehandeling in concreto met name bepaald wordt, door de analyse
die aan aanleiding en vorm van de maatregel ten grondslag wordt gelegd.
Uit de zeer beperkte jurisprudentie van het Europese Hof kan worden
afgeleid dat het Hof verlangt dat bij het gebruik maken van
voorkeursbehandeling een deugdelijk motivering wordt gegeven. Naar
verwachting dient die motivering zich te richten op een afbakening van de
maatregel zowel in tijd als naar doelgroep. Aan de hand van deze
motivering kan de proportionaliteit van de maatregel getoetst worden.

Om een beroep op voorkeursbehandeling te doen slagen zal de Belgische
regering dus in ieder geval met een sterke analyse moeten komen, waarin
duidelijk wordt aangegeven wat de situatie van de betreffende groep
vrouwen is geweest en welke negatieve effecten die situatie op het
pensioenresultaat heeft. De groep waar het om gaat moet afgebakend en
omschreven zijn. De geschiktheid van de maatregel moet worden aangetoond
in het licht van de maatschappelijk ongewenste situatie (namenlijk de
vanwege historische discriminatie ongunstige pensioenresultaten). Al met
al zal de analyse een antwoord moeten geven op de vraag of de
discriminatie van vrouwen ernstig genoeg is om voorkeursbehandeling toe
te passen in de vorm van tijdelijk instandlaten van de gunstigere
berekeningswijze en of dat het beste alternatief is om die achterstand te
compenseren (wellicht zijn er andere alternatieven). Het antwoord op deze
vragen zal per generatie kunnen verschillen.

Een dergelijke analyse vergt dus een geheel andere aanpak van de
problematiek dan de Belgische wetgever in deze materie tot nog toe heeft
gevolgd. De weg van de minste weerstand, het in stand laten van de status
quo, zal moeten worden verlaten. Nu gaat de weg over het smalle pad van
voorkeursbehandeling: beargumenteerd, afgewogen en afgebakend moet een
beleid worden ontwikkeld dat uiteindelijk leidt tot een wijziging van de
bestaande situatie namelijk tot meer materiele gelijke behandeling.
Mogelijkerwijs is er, behalve in de vorm van voorkeursbehandeling, ook
binnen de uitzonderingsbepaling van artikel 7 lid 1 nog een mogelijkheid
voor het tijdelijk laten voortbestaan van een gunstigere
berekeningsmethodiek. Ik denk daarbij aan een cohortsgewijs afschaffen van
de ongelijke pensioenleeftijd en een daaraan gekoppeld cohortsgewijs
veranderen van de berekeningsmethodiek. De vaststelling van de cohorten
zal dienen te geschieden op basis van een analyse van de maatschappelijke
situatie die gelijk is aan de analyse noodzakelijk voor de onderbouwing
van een maatregel van voorkeursbehandeling.

Voor de Nederlandse rechtspraktijk is het directe effect van de hier
besproken uitspraak beperkt. In de wettelijke sociale zekerheid wordt bij
mijn weten door de overheid geen gebruik gemaakt van de
uitzonderingsbepalingen van de derde richtlijn. Mogelijkerwijs is de
uitleg die het Hof in deze uitspraak geeft nog van belang bij de uitleg
van de uitzonderingsbepaling artikel 9 van de vierde richtlijn die ziet
op de ondernemings- en sectoriele regelingen in sociale zekerheid. Het
belang van die uitzonderingsbepaling is echter met de Barber-uitspraak
sterk beperkt.

De uitspraak dwingt de Belgische wetgever tot nieuwe en weloverwogen
implementatie van het Europese recht. Hoe dit zal gebeuren is nog
volstrekt onzeker. Het siert de Belgische wetgever dat hij (helaas
weliswaar pas in tweede instantie) aangeeft gelijke behandeling niet
zonder meer te willen invoeren indien dat betekent dat grote groepen
vrouwen in hun rechten worden benadeeld. Indien de Belgische wetgever er
ook daadwerkelijk in slaagt om een weg te vinden die recht doet aan deze
situatie kan dat wellicht als voorbeeld dienen voor andere lidstaten.
Voorlopig moet worden afgewacht wat de Belgische wetgever zal gaan doen.

Margriet Adema

Rechters

Mrs. Kakouris, Mancini, Schockweiler, Diez de Velasco en Kapteyn.

Instantie: President Rechtbank Amsterdam, 1 juli 1993

Instantie

President Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Moeder heeft aangifte gedaan van seksueel misbruik van haar dochtertje
door een nachtwaker in een kindertehuis. het kindertehuis heeft hierna de
plaatsing van het kind zonder toestemming van haar kinderrechter of
gezinsvoogdes beeindigd, de moeder de toegang tot de instelling ontzegd
en onjuiste gegevens aan politie en OM verstrekt. Rechtenvrouw staat
garant voor proceskostenveroordeling en griffierechten.

Moeder eist voorschot op de immateriele schadevergoeding. Dit wordt
afgewezen omdat op essentiele onderdelen tegenstrijdige verklaringen zijn
afgelegt.

Volledige tekst

Verloop van de procedure:

Ter terechtzitting van 16 juni 1993 heeft B. gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotocopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

De Stichting heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de
gevraagde voorziening.

Na verder debat hebben partijen stukken, waaronder van weerszijden
produkties en pleitnotities, overgelegd voor vonniswijzing.

Gronden van de beslissing:

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten:

a. Op 6 augustus 1988 is B. samen met D. opgenomen in Beth Palet, een
opvang- en begeleidingscentrum voor ouder en kind te Amsterdam. De
plaatsing van D. vond plaats op last van de kinderrechter te Alkmaar in
het kader van een ondertoezichtstelling.

b. Beth Palet ressorteert thans, na een fusie, onder de stichting.

c. In oktober 1989 is B. naar H.V.O. te Amsterdam gegaan. Sedertdien bleef
D. alleen nog overdag in de creche van Beth Palet en overnachtte zij daar
nog tweemaal per week.

d. Kort na haar vertrek ontstond bij B. het vermoeden dat D. seksueel
misbruikt was door een medewerker van Beth Palet. B. heeft dit op 24
november 1989 aan de heer W.F.C. Hony, de toenmalige directeur van Beth
Palet, kenbaar gemaakt. Op 28 november 1989 volgde een tweede gesprek,
waarna B. van het vermeende seksueel misbruik aangifte heeft gedaan bij de
politie.

e. Bij brief van 1 december 1989 heeft Hony aan B. de toegang tot Beth
Palet ontzegd en de plaatsing van D. met onmiddellijke ingang beeindigd.

f. Op 23 februari 1990 heeft Hony aan de hoofdofficier van justitie te
Amsterdam over het naar aanleiding van de aangifte van B. gestarte
justitiele onderzoek een brief geschreven.

2. B. vordert -samengevat- betaling van ƒ 5.000,= voor haarzelf en van
ƒ 5.000,= voor D. als voorschot op de door hen geleden immateriele schade
alsmede een verbod om aan derden zonder schriftelijke toestemming
informatie over hen te verstrekken. E. legt aan haar vordering tot
schadevergoeding ten grondslag dat de reacties van Beth Palet op het door
haar geuite vermoeden van seksueel misbruik buiten proportioneel en zowel
jegens haarzelf als jegens D. onrechtmatig waren. Deze reacties bestonden
uit het hen beiden ontzeggen van de toegang tot het opvangcentrum, het
opheffen van de plaatsing van D., het achterwege laten van
vervolg-hulpverlening voor D., hnet aan derden zonder toestemming
verstrekken van informatie over hen en tenslotte het aan derden
verstrekken van onjuiste dan wel onnodig grievende informatie over
haarzelf. Voorts legt B. aan deze vordering ten grondslag dat Beth Palet
de met de overeengekomen hulp en zorg op zodanige abrupte wijze heeft
afgebroken dat zij daarmee jegens haar wanprestatie heeft gepleegd.

Ter toelichting op het gevorderde informatieverbod stelt B. dat Beth Palet
in april j.l. nog zonder haar toestemming mededelingen over haar
psychische gesteldheid en achtergronden aan een bewoonster van Beth Palet,
te weten mevrouw J. heeft gedaan.

3. Zoals de Stichting allereerst terecht heeft aangevoerd, moet B. in haar
vorderingen ten behoeve van D. niet ontvankelijk worden verklaard. B.
heeft immers niet een machtiging van de kantonrechter in het geding
gebracht, welke zij op grond van artikel 1:349 van het Burgerlijk Wetboek
als voogdes behoeft om voor D. als eiseres in rechte op te treden.

4. Vervolgens heeft de Stichting betoogd dat de vordering tot betaling van
een voorschot op de door B. geleden immateriele schadevergoeding op grond
van de artikelen 1408 jo. 1418 van het Burgerlijk Wetboek (oud) verjaard
is. Met B. kan geoordeeld worden dat dit slechts geldt, voorzover de
vordering is gebaseerd op het verwijt, dat Beth Palet over B. onnodig
grievende informatie heeft verstrekt.

5. Bij de verdere beoordeling van de vordering tot betaling van een
voorschot op de door B. geleden immateriele schade staat voorop dat een
geldvordering in kort geding slechts kan worden toegewezen, wanneer een
grote mate van waarschijnlijkheid vaststaat dat de vordering in de
bodemprocedure zal slagen.

6. Partijen hebben omtrent de gestelde onrechtmatige handelingen van Beth
Palet op essentiele onderdelen tegenstrijdige verklaringen afgelegd.
Hierdoor is in dit geding niet duidelijk geworden wat zich na de
besprekingen van B. met H. op 24 en 28 november 1989 tussen haar en Beth
Palet verder heeft afgespeeld. Zo is met name onzeker of de kinderrechter
te Alkmaar al dan niet toestemming heeft gegeven voor de beeindiging van
de plaatsing van D. op Beth Palet, of al dan niet met B. is gesproken over
een tussenoplossing en of aan D. al dan niet een afscheidspartijtje is
aangeboden. Gelet op deze onzekerheden en mede gelet op het tijdsverloop
kan thans niet worden vooruitgelopen op het oordeel van de bodemrechter.
Weliswaar heeft de Stichting inmiddels erkend dat een gedeelte van de
onder 1.f vermelde brief van H. vatbaar is voor kritiek, maar deze
omstandigheid leidt niet tot een ander oordeel, nu deze brief niet los
gezien kan worden van de feitelijke -thans onzekere- context, waarin zij
geschreven is.

7. Ook moet worden geoordeeld dat het aan een instelling onder
omstandigheden vrij kan staan om ter afwering van een ernstige

beschuldiging waarvoor geen bevestiging voorhanden is, geeigende
informatie betrekking hebbende op degene die deze beschuldigingen uit, ten
aanzien waarvan zij overigens geheimhouding heeft te betrachten, aan de
politionele en justitiele autoriteiten prijs te geven. Anders zou het een
instelling onmogelijk worden gemaakt om beschuldigingen als hier gedaan
over seksueel misbruik afdoende te kunnen ontzenuwen.

8. De Stichting heeft de gestelde wanprestatie gemotiveerd betwist en
aangevoerd dat met B na haar vertrek uit Beth Palet geen
behandelingsovereenkomst meer bestond.

Derhalve geldt ook ten aanzien van deze grondslag van de vordering van B.
dat niet vooruitgelopen kan worden op het oordeel van de bodemrechter.

9. Uit de overgelegde verklaring van T. blijkt niet dat B. met naam en
toenaam door een medewerkster van Beth Palet is genoemd, zodat niet
aannemelijk is geworden dat Beth Palet recent aan derden zonder
toestemming informatie over B. heeft verstrekt, op grond waarvan een
informatieverbod voor de toekomst geboden zou zijn.

10. Een en ander leidt ertoe dat de vorderingen worden afgewezen met
veroordeling van B. als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten
van dit geding.

Beslissing:

1. Weigert de gevraagde voorziening.

2. Veroordeelt B. in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van
de Stichting begroot op ƒ 275,– wegens vastrecht en op ƒ 800,– aan
salaris procureur.

3. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr. R.C. Gisolf

Instantie: Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, 1 juli 1993

Instantie

Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen

Samenvatting


Eiseres is herhaaldelijk gedwongen tot seksuele handelingen, waardoor
de arbeidsrelatie ernstig is verstoord. Dit valt de werkgever te
verwijten. De rechter ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen en
kent aan eiseres naast materiele schadevergoeding ook NAF 15.000,-
(plusminus ƒ 15.000,-) immateriele schadevergoeding toe. Dit is het
eerste ontbindingsvonnis uit Curacao ter zake van seksuele intimidatie.

Volledige tekst

1. Het verdere procesverloop

1.1. Ter uitvoering van de tussenbeschikking van 23 juni 1993 heeft E.
blijkens daarvan opgemaakt proces-verbaal, ter zitting van 28 juni 1993
de opgedragen eed afgelegd.

1.2. Beschikking is vervolgens bepaald op 9 juli 1993, maar heden bij
vervroeging uitgesproken.

2. De verdere beoordeling van het geschil

Ongewenste intimiteiten

2.1. Door het afleggen van de eed is thans volledig bewezen dat S in
oktober 1991 E heeft gedwongen aan zijn ontblote penis te zuigen alsmede
dat hij haar in de periode daarna herhaaldelijk heeft betast.

2.2. Het, in oktober 1991, dwingen van E tot seksuele handelingen was een
aanslag op haar lichamelijke integriteit omdat zij aldus gedwongen werd
te dulden en te doen wat zij niet wilde. Seksueel contact is (een van) de
meest intieme vorm(en) van contact, die de ene mens met de andere kan
hebben. Het dwingen van E tot een dergelijk contact is dan ook stuitend
te noemen terwijl het moeten ondergaan van dat afgedwongen contact voor
E niet alleen niet minder stuitend was, maar, zoals blijkt uit de noodzaak
van deskundige begeleiding van E, ook traumatisch.

2.3. Het is gelet daarop alleszins begrijpelijk, dat E niet langer bij CFW
wilde werken, zeker nu S na voormeld voorval tegen haar wil bleef
betasten. Het Gerecht merkt de kwestie van de ongewenste intimiteiten
daarom aan als de oorzaak van de verstoring der arbeidsrelatie.

Publicaties

2.4. Door CFW is aangevoerd dat juist de door E gestimuleerde publicaties
over die ongewenste intimiteiten de arbeidsrelatie hebben verstoord.

2.5. Die publicaties dateren van april/mei 1992. De verstoring van de
arbeidsrelatie was toen al een feit. Het gewraakte seksueel contact en de
daarna voortgezette ongewenste intimiteiten hadden toen al plaats
gevonden. E werd begin 1992 regelmatig ziek en is sedert april van dat
jaar niet meer aan het werk geweest. De publicaties zijn dan ook veeleer
aan te merken als een gevolg van de verstoorde relatie dan als een oorzaak
daarvan.

Kasboek

2.6. Deze kwestie is er naar het oordeel van het Gerecht door CFW met de
haren bij gesleept. Concrete aanwijzing, dat nu juist E gelden verduisterd
heeft zijn er niet. Uit het door BCP Maninfo N.V. opgestelde rapport
blijkt weliswaar, dat bij een ontvangst aan gelden van Na ƒ 11.540,- in
het grootboek slechts Na ƒ 3.820,70 is terug te vinden, maar dat betreft
niet de verantwoordelijkheid van E. Zoals uit de overgelegde kopieen van
het oorspronkelijke kasboek ook blijkt heeft de penningmeester J telkens
getekend voor de ontvangst van door E geincasseerde gelden.

Vergoeding

2.7. Uit het voorgaande volgt, dat er geen aanleiding is de in het slot
van rechtsoverweging 2.3. getrokken conclusie naar aanleiding van de
publicatie- en kasboekkwestie te herzien. Onder die omstandigheden is het
redelijk aan E een vergoeding toe te kennen. Bij de bepaling van de hoogte
van die vergoeding houdt het Gerecht waar het de inkomensschade betreft
ermee rekening, dat E nog maar kort in dienst is van CFW en op grond van
haar leeftijd in staat geacht moet worden elders werk te vinden.

2.8. Een vergoeding ter hoogte van vier maanden salaris acht het Gerecht
in dat verband toereikend, derhalve Na ƒ 4.000,- bruto.

2.9. Toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand is
eveneens redelijk, omdat E gedwongen is geweest ter zake kosten te maken.
Het Gerecht beperkt die vergoeding tot de beide ontbindingsprocedures,
omdat kort geding en strafzaak niet direct verband hielden/houden met de
ontbinding van de arbeidsovereenkomst. rekening houdend met het reeds in
de vorige ontbindingszaak geliquideerde salaris ad Na ƒ 2.000,- bepaalt
het Gerecht de op dit onderdeel te betalen vergoeding naar redelijkheid
en billijkheid op Na ƒ 4.000,-

2.10. E wenst ook vergoeding van vertragingsboete. Dat onderdeel van haar
verzoek heeft betrekking op de verplichtingen van CFW uit hoofde van de
arbeidsovereenkomst tot de datum van ontbinding daarvan. Dergelijke
verplichtingen liggen buiten het toepassingsgebied van artikel 1615w BWNA.
De ontbindingsrechter kan daarover (in beginsel, want uitzonderingen zijn
mogelijk, met name wanneer partijen eensluidend zijn in hun verzoek) niet
oordelen.

2.11. Een toe te kennen vergoeding kan tevens insluiten een vergoeding
voor immateriele schade. Voor toekenning daarvan bestaat in dit geval alle
aanleiding. Aannemelijk is geworden, dat E zich als gevolg van het gedrag
van S onder behandeling heeft moeten stellen, dat haar gezondheid in ieder
geval in de afgelopen periode onder de (psychische) gevolgen van diens
gedrag geleden heeft en dat zij vele behandelingen van artsen en medisch
specialisten heeft moeten ondergaan. Naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid bepaalt het Gerecht de vergoeding ter zake op Na ƒ 15.000,-.

2.12. In totaal wordt derhalve aan E toegekend een vergoeding van Naf.
23.000,- bruto. CFW is gehouden op dat bedrag de wettelijk verplichte
inhoudingen te doen. Ten behoeve van de berekening daarvan wijst het
Gerecht erop, dat de vergoeding is opgebouwd uit de verschillende hiervoor
genoemde componenten op welke mogelijkerwijs niet telkens hetzelfde
fiscaal regime van toepassing is.

2.13. Nu het Gerecht voornemens is aan de ontbinding van de
arbeidsovereenkomst een vergoeding te verbinden zullen partijen op na te
melden wijze in de gelegenheid gesteld worden hun verzoek in te trekken.
Met een kostenveroordeling van CFW voor deze procedure is reeds rekening
gehouden in het aan E toe te kennen bedrag van Naf. 4.000,- ter zake van
rechtsbijstand. Voor het overige dient met betrekking tot de kosten
beslist te worden zoals hierna vermeld.

5. De beslissing Het Gerecht, Stelt partijen in kennis van het voornemen
de arbeidsovereenkomst te ontbinden per 17 juli 1993 onder toekenning van
een vergoeding aan E ten laste van CFW van Naf. 23.000,- bruto.

Voorts recht doende op verzoek van E

A. Stelt E in de gelegenheid het verzoek in te trekken middels een
uiterlijk op vrijdag 9 juli 1993 ter griffie van het Gerecht af te leggen
schriftelijke verklaring, in welk geval E wordt veroordeeld in de kosten
van de procedure aan de zijde van CFW gevallen met begroting van die
kosten op Naf. 750,- voor salaris gemachtigde.

B. Voor het geval E het verzoek niet intrekt:

a. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 17 juli
1993;

b. veroordeelt CFW aan E te voldoen de somma van Naf. 23.000,-
(drieentwintigduizend Nederlands-Antilliaanse gulden) bruto onder
gehoudenheid van CFW eventueel wettelijk verplichte inhoudingen daarop te
verrichten;

c. veroordeelt CFW aan E te voldoen de verschotten van deze procedure met
begroting daarvan op Naf. 150,-.

Voorts recht doende op het verzoek van CFW:

Uitsluitend voor het geval E. gebruik maakt van het recht het verzoek in
te trekken:

A. Stelt CFW in de gelegenheid het verzoek in te trekken middels een
uiterlijk op vrijdag 16 juli 1993 ter griffie van het Gerecht af te leggen
schriftelijke verklaring, in welk geval CFW wordt veroordeeld in de kosten
van de procedure aan de zijde van E. gevallen met begroting van die kosten
op Naf. 150,- voor verschotten en Naf. 750,- voor salaris gemachtigde.

b. Voor het geval CFW het verzoek niet intrekt:

a. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 17 juli
1993:

b. veroordeelt CFW aan E. te voldoen de somma van Naf, 23.000,-
(drieentwintigduizend Nederlands-Antilliaanse guldens) bruto onder
gehoudenheid van CFW eventueel wettelijjk verplichte inhoudingen daarop
te verrichten;

Rechters

Mrs. W.P.M. ter Berg

Instantie: Raad voor de Journalistiek, 30 juni 1993

Instantie

Raad voor de Journalistiek

Samenvatting


De Raad is van mening dat de onderhavige mode- reportage een
journalistiek produkt is. Het beroep op journalistieke vrijheid vormt in
casu geen rechtvaardiging voor het afgebeelde geweld tegen de vrouw omdat
daarmee slechts wordt beoogd modekleding aan te prijzen. De Raad
concludeert dat de hoofdredacteur met de reportage de grenzen van hetgeen,
gelet op zijn journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk
aanvaardbaar is, heeft overschreden. Zie verder: RN 1993, 336.

Volledige tekst

Bij brief van 18 augustus 1992 met twee bijlagen en een aanvullende
brief van 12 oktober 1992 met twee bijlagen heeft het Vrouwensecretariaat
van de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV), hierna ook te noemen
klaagster, een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het maandblad
Rails, M.J. van Sinderen (betrokkene). Deze heeft op de klacht gereageerd
in een brief van 26 oktober 1992 en een nadere brief van 25 juni 1993 met
bijlagen. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 juni 1993.
Klaagster werd vertegenwoordigd door mevrouw L. Bijleveld. Betrokkene had
laten weten niet te zullen verschijnen.

De feiten De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter
zitting uit van de volgende feiten.

In het maandblad Rails van augustus/september 1992 is onder de kop
‘Dressed to Kill’ een modereportage gepubliceerd. De reportage bestaat uit
drie foto’s, die over twee bladzijden zijn afgedrukt en twee foto’s, die
ieder een bladzijde beslaan. De foto’s vertonen telkens afbeeldingen van
een man en een vrouw met uitzondering van de laatste foto waarop alleen
de vrouw is afgebeeld. Op de eerste foto bedreigt de man de vrouw met een
pistool, op de tweede foto zijn de armen van de vrouw boven haar hoofd
vastgebonden met een touw, op de derde foto is de vrouw geblinddoekt, op
de vierde foto loopt de man met de vrouw in machteloze staat in zijn armen
en op de vijfde foto ligt de vrouw afgebeeld op de grond gedeeltelijk
bedekt door wat vermoedelijk een plastic zak is en stenen.

De reportage is niet voorzien van begeleidende tekst. Onder de kop staat
slechts vermeld het volgende. “Rails regisseert een modieuze thriller.
Hoofdrolspelers: huurmoordenaar en gangsterliefje. Inzet: leven of dood.
Kleding: mannenpakken. Afloop: fataal. Produktie Karen Schoolland,
fotografie Carli Hermes, styling Mariette de Jong, visagie Dirk Jensma.’

Op iedere foto staat vermeld wat de afgebeelde personen dragen met
vermelding van de prijs en het verkoopadres.

De standpunten van partijen Klaagster is van oordeel dat de reportage de
grenzen van het betamelijke overschrijdt. ‘Geweld tegen vrouwen tot de
dood erop volgt om stoere herenkleding aan te prijzen. Sexy bedoelde
dameskleding die een moordpartij ‘uitlokken’. En dat in een blad dat door
jong en oud in de trein gelezen moet worden. Grappig bedoeld of niet: in
de loop der jaren zijn er een aantal normen ontwikkeld en grenzen
vastgesteld wat betreft de manier waarop vrouwen en mannen afgebeeld
worden in publieksbladen. De Europese Commissie heeft een aanbeveling en
gedragscode vastgesteld betreffende de “Bescherming van de waardigheid van
vrouwen en mannen op het werk”. De Nederlandse regering ontwikkelt een
beleid om seksuele intimidatie te bestrijden en om seksueel geweld tegen de
gaan.’

Betrokkene heeft hiertegen het navolgende aangevoerd. 1. Het nummer Rails
was gewijd aan het nieuwe uitgaansseizoen. De reportage werd genoemd naar
de gelijknamige film uit het thriller-genre en geeft een karikaturale
portrettering van de traditionele cliche’s en de stereotiepe
man/vrouwverhoudingen uit dit genre. 2. De uitgever en redactie van Rails
hebben geen commercieel belang bij promotie van de in de reportage
getoonde kleding. 3. Het behoort tot de journalistieke en artistieke
vrijheid van de makers van de reportage de afgebeelde kleding door de
selectie uit het ruime aanbod, de regie van de reportage, de keuze van
modellen, lokatie en fotografische stijlmiddelen een bepaald accent te
geven, in dit geval dat van het thrillerfilm-genre.

Beoordeling van de klacht De Raad gaat er vanuit dat de bekritiseerde
(mode-)reportage een journalistiek produkt is, zij het dat deze een sterk
aanprijzend karakter heeft met betrekking tot de kleding van de
gefotografeerde personen. Bij het afbeelden van geweld en moord in een
dergelijke reportage zullen de grenzen van hetgeen journalistiek
aanvaardbaar is, eerder zijn bereikt dan bij het afbeelden van geweld dat
in werkelijkheid heeft plaatsgevonden of bij het afbeelden van fictief
geweld als verslag van vormen van dramatische expressie zoals film en
theater of om maatschappelijke vraagstukken aan de orde te stellen. In die
laatste gevallen valt het afbeelden van geweld binnen de journalistieke
vrijheid ook indien het publiek de afbeeldingen als schokkend of zelfs als
onaanvaardbaar zal beschouwen. In de onderhavige zaak vormt het beroep op
die journalistieke vrijheid geen rechtvaardiging voor het afgebeelde
geweld tussen een man en een vrouw gevolgd door moord nu daarmee kennelijk
geen ander doel is beoogd dan het aanprijzen van nieuwe modekleding. Dat
zou anders zijn als de reportage het verslag vormde van een show waarin
de afgebeelde scenes te zien waren of met het doel geweld en mode als
zodanig publiekelijk aan de orde te stellen.

Om deze redenen is de Raad van oordeel dat betrokkene met deze reportage
van afbeeldingen van geweld tussen een man en een vrouw gevolgd door wat
kennelijk een moord op de vrouw wil suggereren de grenzen heeft
overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid
van betrokkene, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Beslissing De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal
of in samenvatting in Rails wordt gepubliceerd.

Rechters

Mrs. Asser, Faber-De Heer, Kuitenbrouwer, Heerma van Voss, Kes

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 29 juni 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij was voornemens verzoekster te ontslaan. Als reden
hiervoor gaf zij op dat verzoekster onvoldoende functioneerde. Volgens
verzoekster heeft het feit dat zij vrouw is een rol gespeeld bij het
voorgenomen ontslag. Onvoldoende aannemelijk gemaakt dat geslacht een rol
heeft gespeeld. Geen strijd met de WGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 21 april 1993 verzocht mevrouw ir te Den Haag (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de Minister van
Defensie te Den Haag (hierna: de wederpartij) onderscheid op grond van
geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen
en vrouwen.

1.2. De wederpartij is voornemens om verzoekster te ontslaan. Volgens
verzoekster wordt zij op grond van haar geslacht ontslagen. Tevens is
verzoekster van mening dat zij ongelijk wordt beloond ten opzichte van een
mannelijke collega die hetzelfde werk als verzoekster zou verrichten.
Volgens verzoekster handelt de wederpartij hiermee in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Voor wat betreft het onderdeel van het verzoek dat
het ontslag van verzoekster betreft, heeft de Commissie desgevraagd de
spoedprocedure toegepast. Voor wat betreft dat deel van het verzoek dat
op de beloning betrekking heeft, past de Commissie de normale procedure
toe. Hier zal een apart oordeel over worden uitgesproken. Voorliggend
oordeel heeft slechts betrekking op het voorgenomen ontslag van
verzoekster. Voorafgaand aan de zitting heeft de wederpartij op verzoek
van de Commissie schriftelijk haar standpunt uiteen gezet.

2.2. Partijen zijn opgeroepen hun standpunten toe te lichten tijdens een
zitting van de Commissie op 8 juni 1993. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw ir (verzoekster)

van de kant van de wederpartij – dhr (Hoofd afdeling
Personeel en Organisatie van het Ministerie van Defensie) – mw
(adviseur Personeel en Organisatie van het Directoraat Generaal
Personeel)

van de kant van de Commissie – mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter) – mw drs
J.A.M. Stolwijk (lid Kamer) – mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer) – mw mr
A.K. de Jongh (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is op 1 september 1988 bij de wederpartij in tijdelijke
dienst getreden in de functie van beleidsmedewerker management
informatievoorziening. Zij kwam te werken op de toenmalige afdeling
Plannen en Begroting, ressorterend onder het Directoraat Generaal
Personeel (DGP). Haar hoofdtaak was om de Directeur Generaal Personeel te
voorzien van bestuurlijke informatie. In januari 1989 werd de afdeling
Plannen en Begroting gereorganiseerd. Verzoekster werd in het kader van
deze reorganisatie geplaatst bij de Stafafdeling Strategisch Beleid, welke
afdeling evenals haar vorige onder de DGP ressorteerde. Haar functie en
takenpakket bleven ongewijzigd. Op 1 september 1990 heeft de wederpartij
verzoekster in vaste dienst aangesteld.

3.2. Per brief d.d. 20 december 1990 heeft de wederpartij aan verzoekster
laten weten dat zij verzoekster in het kader van een nieuwe reorganisatie
zou herplaatsen naar de functie van algemeen beleidsmedewerker bij de
afdeling Plannen van de Directie Plannen en Beleidsontwikkeling van het
DGP. Haar nieuwe taken omvatten onder andere onderzoek ten behoeve van
strategische beleidsontwikkeling en onderzoek ten behoeve van
beleidsevaluatie. In bovengenoemde brief stond voorts vermeld dat
gedurende een periode van maximaal twee jaar, middels een beoordeling,
periodiek om de negen maanden zou worden bepaald of verzoekster aan de
gestelde functie-eisen voldeed en of tot definitieve plaatsing zou kunnen
worden overgegaan. Indien gedurende deze twee jaar mocht blijken dat
verzoekster niet aan de gestelde eisen voldeed, zou verzoekster opnieuw
als herplaatsingskandiaat worden beschouwd. Verzoekster ging akkoord met
de herplaatsing.

3.3. Op 19 november 1991 heeft er tussen verzoekster en het hoofd van de
afdeling een functioneringsgesprek plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit
functioneringsgesprek heeft het afdelingshoofd een gespreksnotitie
geschreven. Deze notitie is noch door verzoekster, noch door het
afdelingshoofd ondertekend. Als belangrijkste punten over het functioneren
van verzoekster staan in de notitie opgenomen: a. het onvoldoende
invoelingsvermogen met betrekking tot het functioneren van een
bureaucratische ministeriele organisatie; b. het niet voldoende
georganiseerd werken en het slordig beheer van geclassificeerde stukken;
c. de directe, soms chaotisch overkomende benadering en het feit dat
contacten zowel binnen als buiten de afdeling regelmatig leiden tot
irritaties en conflicten.

Voorts staat in deze notitie vermeld dat verzoekster tijdens het
functioneringsgesprek te kennen heeft gegeven dat de functie-inhoud haar
niet voldoende bevredigt, dat zij zich onvoldoende kan ontplooien en dat
zij onvoldoende medewerking krijgt van medewerkers binnen de afdeling.
Volgens de notitie hebben het afdelingshoofd en verzoekster gezamenlijk
geconcludeerd dat verzoekster zich niet gelukkig voelt in haar
werksituatie. Aangezien er volgens het afdelingshoofd onvoldoende
perspectieven waren om de situatie structureel te verbeteren, werd tijdens
het functioneringsgesprek geconcludeerd dat het zowel in het belang van
verzoekster als in het belang van de afdeling was dat verzoekster zou
uitzien naar een andere functie. Verzoekster zou hierbij hebben aangegeven
de voorkeur te geven aan externe arbeidsbemiddeling. Van de kant van het
afdelingshoofd werd alle medewerking toegezegd bij het zoeken naar een
nieuwe betrekking voor verzoekster. De wederpartij heeft voorgesteld
advies in te winnen van de Rijks Psychologische Dienst, opdat er
onderzocht kon worden welke beroepskeuze-mogelijkheden voor verzoekster
open lagen.

Uit een reactie van verzoekster van 11 december 1991 op de gespreksnotitie
blijkt, dat zij het niet eens is met de inhoud van deze notitie. Zij stelt
hierin onder andere dat haar werkwijze systematisch en overzichtelijk is
en dat zij op basis van haar ervaring en kennis wel degelijk in staat is
om op goede wijze te functioneren.

3.4. Naar aanleiding van het functioneringsgesprek heeft de wederpartij
een beoordeling opgemaakt d.d. 22 april 1992. Onder “Samenvattend oordeel”
van deze beoordeling staat: – Is niet in staat, door gebrek aan praktische
kennis en bruikbare visie, zelfstandig bruikbare stukken te concipieren
volgens de gestelde eisen; – Contactuele en sociale vaardigheden schieten
duidelijk tekort; – Heeft, ondanks haar langdurig verblijf in de DGP-
organisatie geen, danwel onvoldoende inzicht in organisatie, het gevoerde
beleid en de gestelde eisen. Functionaris is door haar geheel eigen en
persoonlijke, overigens positieve, instelling en visie, niet in staat
gebleken inhoud te geven aan haar functie en voldoet derhalve in het
geheel niet aan de gestelde eisen.

3.5. Verzoekster was het op alle punten oneens met deze beoordeling en
heeft hiertegen op 4 juni 1992 bezwaar aangetekend bij de Directeur
Plannen en Beleidsontwikkeling van het DGP. Deze heeft geen aanleiding
gezien om de beoordeling te wijzigen. De directeur concludeert in zijn
brief d.d. 9 juli 1992 dat verzoekster frequent door de dienstleiding is
gewezen op onvolkomenheden en onjuistheden wat betreft de uitvoering van
aan haar opgedragen werkzaamheden, maar dat verzoekster volhardt in haar
eigen visie, die niet in overeenstemming is met die van de dienstleiding.

Daarna heeft verzoekster tegen haar beoordeling bezwaar aangetekend bij
de Secretaris Generaal van het Departement van Defensie. Deze heeft, na
zich door de adviescommissie te hebben laten adviseren, op 26 februari
1993 de beoordeling ongewijzigd vastgesteld. Tegen dit besluit heeft
verzoekster op 18 maart 1993 beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag.
Ten tijde van de zitting was het oordeel van de Rechtbank hierover nog
niet bekend.

Per brief d.d. 15 maart 1993 heeft de wederpartij aan verzoekster
meegedeeld dat per 1 juli 1993 eervol ontslag aan haar zal worden
verleend. Als motivatie voor dit ontslag wordt genoemd het disfunctioneren
van verzoekster. Op 6 april 1993 heeft verzoekster tegen het besluit tot
ontslag een klaagschrift ingediend bij de rechtbank Den Haag. Ten tijde
van de zitting was het oordeel van de Rechtbank hierover nog niet bekend.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoekster stelt dat zij op grond van haar geslacht wordt ontslagen.
Volgens haar was er al tijdens haar dienstverband sprake van ongelijke
behandeling tussen haar en een mannelijke collega en heeft deze ongelijke
behandeling doorgewerkt in het voorgenomen ontslag. Ter ondersteuning van
haar stelling brengt verzoekster het volgende naar voren.

3.6.1. a) Aan haar herplaatsing lag niet een reorganisatie ten
grondslag, maar een vervanging door haar mannelijke collega. Haar
werkzaamheden en werkkamer werden buiten haar medeweten eind 1990
aan die mannelijke collega gegeven. Weliswaar veranderde de
functiebenaming, doch de functie-inhoud bleef hetzelfde.

b) De zwaardere werkzaamheden werden uit haar pakket gehaald, waardoor
zij minder ontplooiingskansen kreeg.

c) Haar mannelijke collega kreeg meer begeleiding en scholing dan zij.

d) Aan haar werden hogere eisen gesteld dan aan haar mannelijke collega.
Zij moest ervoor zorgen dat het project direct operationeel was. Die eis
werd niet gesteld aan haar mannelijke collega.

3.6.2. Uit opmerkingen tegen haar en andere vrouwen bleek dat er binnen
de organisatie een vrouwonvriendelijk klimaat heerste. Zo had bijvoorbeeld
het afdelingshoofd eens gezegd dat zij alleeen was aangesteld omdat zij
een vrouw was en dat het voorkeursbeleid debet was aan de achteruitgang
van de organisatie. Tijdens een eerdere sollicitatie is gezegd dat de
organisatie al voldoende vrouwen had. Over een aantal administratieve
krachten is gezegd dat deze meiden net geschikt waren voor de koffie.

3.7. Verzoekster bestrijdt dat zij niet goed zou functioneren. Zij stelt
echter door de wederpartij te zijn belemmerd om haar werkzaamheden naar
behoren uit te oefenen. Gedurende de laatste drie maanden van 1990 heeft
zij buiten haar schuld haar taken niet kunnen verrichten, omdat de
wederpartij haar computerbestanden en -programma’s had weggehaald, daar
het informatiesysteem door een ander systeem was vervangen. Bovendien was,
zoals hierboven al vermeld, haar werkkamer beschikbaar gesteld aan haar
mannelijke collega. Hierdoor ontstond er onduidelijkheid over welke
werkzaamheden door haar moesten worden verricht.

3.8. Het voorgenomen ontslag acht verzoekster in strijd met de toezegging
die aan haar is gedaan op 20 december 1990. Deze toezegging hield in dat,
indien de herplaatsing bij de afdeling Plannen niet naar tevredenheid zou
zijn, zij als herplaatsingskandidaat zou worden aangemerkt. Bovendien is
het ontslag in strijd met het Sociaal Beleidskader Defensie en het
voorkeursbeleid voor vrouwen dat bij de interne vacatures wordt gevoerd.

3.9. Ten slotte brengt verzoekster nog naar voren dat het aandeel
vrouwelijke personeelsleden voor wat betreft het burgerpersoneel van
Defensie significant lager is dan voor de overige delen van de
Rijksoverheid en overige overheidsinstellingen.

3.10. De wederpartij brengt het volgende naar voren. Verzoekster is in
1990 alleen herplaatst vanwege een reorganisatie. Ontkend wordt dat
verzoekster uit haar functie is ontzet om een mannelijke collega haar
functie te kunnen laten uitoefenen. De functie van de mannelijke collega
betreft een andere dan die van verzoekster, namelijk die van senior
medewerker. Voor deze functie is een reguliere sollicitatieprocedure
gevoerd, waarbij er een advertentie is geplaatst. Verzoekster heeft hier
niet op gesolliciteerd. Juist is dat de mannelijke collega een lagere
opleiding heeft dan verzoekster, maar hij heeft meer ervaring. Hieraan
wordt ook belang gehecht. Een tekort aan opleiding kan in sommige gevallen
worden gecompenseerd met ervaring. Zo ook in het geval van de mannelijke
collega die voor de functie senior medewerker is aangenomen.

3.11. Wat betreft haar functioneren stelt de wederpartij dat er al vanaf
de datum van indiensttreding problemen waren. De dienstleiding heeft
verzoekster meer dan voldoende gewezen op haar afwijkende visie, de
tekorten in haar functioneren en de consequenties die deze houding met
zich meebracht.

Tijdens de periode na het opmaken van de beoordeling kwam er geen enkele
verbetering in haar functioneren. Dit leidde tot de conclusie dat er geen
reele basis was om verzoekster definitief op de functie van algemeen
beleidsmedewerker te plaatsen. Haar herplaatsing wordt door de wederpartij
derhalve als mislukt aangemerkt.

3.12. Er is gekeken of verzoekster elders binnen de defensie-organisatie
een passende functie kon worden aangeboden. Gelet op de aard van het
disfunctioneren is echter van een herplaatsing afgezien. Er was geen enkel
vertrouwen dat een dergelijke herplaatsing succesvol zou zijn. Gelet op
het bovenstaande is besloten om tot ontslag over te gaan.

3.13. Ten slotte wordt opgemerkt dat aan verzoekster gelijke kansen zijn
geboden als aan een ieder die haar functie zou vervullen, ongeacht de
sekse.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In het geding is de vraag of de wederpartij, indien zij overgaat tot
ontslag van verzoekster, in strijd handelt met artikel 1a van de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168). Lid 1 van
dit artikel bepaalt dat het bevoegd gezag in de openbare dienst geen
onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen bij de beeindiging van het
dienstverband.

4.2. Verzoekster stelt dat zij op grond van haar geslacht wordt ontslagen.
Deze stelling baseert zij voornamelijk op het onderscheid dat tijdens de
dienstbetrekking tussen haar en een mannelijke collega gemaakt zou zijn.
Dit heeft volgens verzoekster uiteindelijk tot het voorgenomen ontslag
geleid. De wederpartij stelt dat zij verzoekster uitsluitend wil ontslaan
omdat zij onvoldoende functioneert, en naar verwachting ook elders binnen
de organisatie niet naar behoren zal functioneren.

4.3. De Commissie overweegt hieromtrent als volgt. Allereerst merkt zij
op dat het niet tot haar taak behoort om te beoordelen of een werknemer
voldoende functioneert. Zij is, gelet op de Wet, slechts bevoegd na te
gaan of er bij beeindiging van het dienstverband onderscheid op grond van
geslacht wordt gemaakt.

In het onderhavige geval heeft de Commissie op grond van de overgelegde
stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, de indruk gekregen dat het
voorgenomen ontslag verband houdt met haar functioneren.

De Commissie is van oordeel dat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft
kunnen maken dat het feit dat zij een vrouw is een rol heeft gespeeld bij
de ontslagaanzegging. De aangedragen argumenten hebben de Commissie er
niet van kunnen overtuigen dat er sprake is van ongelijke behandeling bij
het ontslag van verzoekster.

De andere argumenten van verzoekster, het vrouwonvriendelijke klimaat en
het geringe aandeel van vrouwen in dienst bij de wederpartij, acht de
Commissie te weinig op de situatie van verzoekster toegespitst om de
conclusie te rechtvaardigen dat de wederpartij verzoekster vanwege haar
geslacht wil ontslaan.

De Commissie merkt op dat, nu het hier ontslag betreft, het
voorkeursbeleid van de wederpartij niet aan de orde is.

De Commissie is niet bevoegd te oordelen of het voorgenomen ontslag in
overeenstemming is met het Sociaal Beleidskader Defensie en evenmin of
verzoekster opnieuw als herplaatsingskandidaat is aan te merken.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat onvoldoende aannemelijk is
gemaakt dat de Minister van Defensie te Den Haag met het voorgenomen
ontslag jegens mevrouw ir te Den Haag onderscheid naar geslacht maakt in
strijd met artikel 1a van de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

Rechters

Mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter), mw drs J.A.M. Stolwijk (lidKamer), mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer), mw mr A.K. de Jongh(adjunct-secretaris).