Instantie: Commissie van de Europese Gemeenschappen, 25 juni 1993

Instantie

Commissie van de Europese Gemeenschappen

Samenvatting


De vrouw was tot 1 januari 1991 uitgesloten van deelname in de
pensioenregeling in verband met haar parttime dienstverband. Zij vordert
deelname in de pensioenregeling met terugwerkende kracht tot 8 april 1976
(Defrenne II). Volgens de Commissie omvat artikel 119 EEG-verdrag ook het
recht op een aanspraak op deelname in een bedrijfspensioenregeling. Dit
volgt rechtstreeks uit het Bilka-arrest. De beperking in de tijd (zoals
geformuleerd in het Barberarrest) is in casu niet van toepassing. De vraag
of mevrouw V recht heeft op pensioenaanspraken met terugwerkende kracht
tot 8 april 1976 moet beantwoord worden door de nationale rechter. Zie:
Ktg. Utrecht 17 februari 1993, RN 1993, 323, m.nt. Margriet Adema.

Volledige tekst

I. Feiten en procedure

1. Mevrouw Vroege, eiseres in het hoofdgeding, is sedert 1 mei 1975
part-time in dienst van NCIV, gedaagde sub a. in het hoofdgeding.
Krachtens de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst zijn de
werknemers in dienst van NCIV aangesloten bij een
bedrijfspensioenregeling. Voor 1 januari 1991 kende het pensioenreglement
echter een bepaling ingevolge waarvan gehuwde vrouwelijke werknemers die
minder dan 80% van een volledige dagtaak vervulden, van deelneming aan de
pensioenregeling waren uitgesloten. Aangezien mevrouw Vroege nooit meer
dan 805 van een volledige dagtaak heeft gewerkt (1) heeft zij op grond van
het oude pensioenreglement geen pensioenaanspraken kunnen opbouwen over
de periode van 1 mei 1975 tot 1 januari 1991.

2. Per laatstgenoemde datum is een nieuw pensioenreglement tot stand
gekomen dat wordt uitgevoerd door het Pensioenfonds NCIV, gedaagde sub 2.
in het hoofdgeding. Voortaan worden als deelnemers aangemerkt alle
werknemers -ongeacht hun huwelijkse staat- die de 25-jarige leeftijd
hebben bereikt en die tenminste 25% van de bij de werkgever als normaal
geldende arbeidstijd werkzaam zijn. In een van de overgangsbepalingen van
het nieuwe pensioenreglement is daarenboven vastgelegd dat vrouwelijke
werknemers die voor genoemde datum niet verzekerd waren, vanaf die datum
in de gelegenheid worden gesteld extra deelnemersjaren in te kopen om
aldus hun pensioenaanspraken uit te breiden. Aan deze mogelijkheid is
evenwel de voorwaarde verbonden dat zij op 31 december 1990 50 jaar of
ouder waren. Aangezien mevrouw Vroege niet aan deze leeftijdsvoorwaarde
voldoet, is deze overgangsregeling niet op haar van toepassing. Haar
pensioenopbouw loop dus eerst van 1 januari 1991.

3. Voor de Kantonrechter te Utrecht heeft mevrouw Vroege gesteld dat de
overgangsbepaling in het nieuwe pensioenreglement zowel strijdig is met
artikel 119 van het EEG-Verdrag als met de nationale wetgeving inzake de
gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Voorts stelt zij dat met het
nieuwe pensioenreglement de gevolgen van ongelijke behandeling op het
gebied van pensioenaanspraken in het verleden niet zijn weggenomen. Zij
vordert (i) dat gedaagden worden veroordeeld tot toekenning van
pensioenaanspraken aan haar met terugwerkende kracht tot 8 april 1976 (dat
is de datum van het arrest Defrenne II) naar evenredigheid van haar
deeltijddienstverband en (ii) dat de daaraan verbonden kosten integraal
door de werkgever en/of het Pensioenfonds worden gedragen. Opgemerkt zij
dat, blijkens het verwijzingsfonds, het bedrijfspensioen in kwestie wordt
gefinancierd door werkgevers- en werknemersbijdragen, hetgeen in Nederland
regel is.

4. Gedaagden in het hoofdgeding hebben ten verwere aangevoerd dat de
beperking in de tij die het Hof heeft aangebracht in het Barber-arrest,
ook zou gelden voor de litigieuze pensioenvoorziening. Bovendien hebben
zij zich beroepen op het Protocol ad artikel 119 dat een bijlage vormt bij
het Verdrag van Maastricht betreffende de Europese Unie en dat hierna
overeenkomstig het spraakgebruik als het “Barber-protocol” wordt
aangeduid.

5. Een en ander heeft de Kantonrechter doen besluiten het geding te
schorsen en het Hof een prejudiciele beslissing te vragen over de
navolgende vragen:

` 1. Valt onder het recht op (gelijke) beloning als bedoeld in artikel 119
EEG-verdrag ook het recht op een aanspraak op deelname in een
bedrijfspensioenregeling?

2. Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, geldt de beperking
in tijd die het Hof heeft aangelegd in de Barber-zaak voor een
pensioenvoorziening als waarvan sprake was in de Barber-zaak (`contracted
out schemes’), ook voor een afspraak op deelname in een
bedrijfspensioenregeling zoals in de onderhavige zaak?

3. Is er reden om aan de eventuele toepasselijkheid van het beginsel van
gelijke beloning, vervat in artikel 119 EEG-verdrag een beperking in tijd
te verbinden voor aanspraken op deelname in een bedrijfspensioenregeling,
waarvan in deze zaak sprake is, en zo ja, tot welke datum?

4. Hebben het bij het Verdrag van Maastricht behorend protocol ad artikel
119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap
(`Barber-protocol’), alsmede (het wetsvoorstel tot wijziging van) het
overgangsartikel III van het wetsvoorstel 20890, dat beoogt uitvoering te
geven aan de vierde richtlijn, gevolgen voor de beoordeling van de
onderhavige zaak die bij verzoekschrift ter griffie van dit kantongerecht
is ingekomen d.d. 11 november 1991, mede gezien het tijdstip waarop deze
zaak aanhangig is gemaakt?’

II. In rechte

6. Het is stellig niet noodzakelijk om de ontwikkeling van de
jurisprudentie van het Hof inzake de uitlegging van artikel 119 van het
EEG-verdrag nog eens op een rijtje te zetten. Het Barber-arrest en de
interpretatieverschillen waartoe het aanleiding heeft gegeven, zijn immers
genoegzaam bekend. Hoe dan ook is deze materie omringd door een aantal
onzekerheden: in de eerste plaats heeft het Hof nog geen arrest gewezen
in de eerste serie `post-Barber-zaken’, welke de Commissie hierna, naar
de meest omvattende van die zaken, Coloroll e.a. zal noemen (2); in de
tweede plaats bestaat er vandaag de dag nog steeds geen uitsluitsel over
de datum van invoering van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Zoals
uit het hiernavolgende blijkt, hoeven echter niet alle prejudiciele vragen
voor grote hoofdbrekens te zorgen.

De eerste vraag

7. Zo lijkt het antwoord op de vraag of het recht op een aanspraak op
deelname in een bedrijfspensioenregeling onder de werkingssfeer van
artikel 119 valt, zonder veel aarzeling bevestigend te kunnen worden
beantwoord. In het arrest Bilka (zaak 170/84, Jurispr. 1986, blz. 1607)
heeft het Hof immers uitgemaakt dat uitkeringen in het kader van een
bedrijfspensioenregeling die een integrerend bestanddeel van de
arbeidsovereenkomst uitmaakt, als beloning in de zin van artikel 119 zijn
te bestempelen. Net als de onderhavige zaak, betrof de zaak Bilka de
uitsluiting van deeltijdwerknemers van een bedrijfspensioenregeling.
Volgens de Commissie is het gekunsteld om in dit opzicht een onderscheid
te maken tussen de aanspraak op pensioenrechten en het (opeisbare) recht
op uitkeringen krachtens die regeling, in dier voege dat het eerste recht
niet maar het tweede recht wel onder artikel 119 zou vallen. Aangezien een
pensioen in wezen een uitgesteld recht op loon is, zijn beide
onlosmakelijk met elkaar verbonden. ook doet volgens de Commissie niet ter
zake of de premie geheel wordt opgebracht door de werkgever (zoals in de
zaak Bilka) of door werkgever en werknemer gezamenlijk (zoals in de
onderhavige zaak).

De tweede vraag

8. Nadat is vastgesteld dat het pensioenrecht dat de inzet vormt van het
hoofdgeding binnen de materiele werkingssfeer van artikel 119 valt, rijst
de vraag of sprake is van schending van deze verdragsbepaling. De
nationale rechter heeft deze vraag niet met zo veel woorden gesteld.
Niettemin lijkt hij van bevestigende beantwoording uit te gaan, omdat hij
in de tweede prejudiciele vraag de reikwijdte van de beperking in de tijd
van het Barber-arrest aan de orde stelt. In het licht van het arrest Bilka
bestaat er inderdaad weinig twijfel over dat artikel 119 is geschonden.
Het oude pensioenreglement van NCIV sloot gehuwde vrouwen uit van deelname
aan de bedrijfspensioenregeling. Dit vormt directe discriminatie op grond
van geslacht, waarvoor in casu (3) geen rechtvaardigingsgrond voorhanden
is. Het uitsluiten van deeltijdwerknemers zal, naar de Commissie
veronderstelt, eveneens in overwegende mate vrouwelijke werknemers hebben
getroffen * van wie vermoedelijk velen gehuwd en om die reden reeds
uitgesloten waren. Uit het verwijzingsvonnis blijkt niet dat NCIV en het
Pensioenfonds voor deze indirecte discriminatie een objectieve economische
rechtvaardigingsgrond hebben aangevoerd. Onder die omstandigheden kan
worden geconcludeerd dat het oude pensioenreglement strijdig is met het
beginsel van gelijke beloning.

9. De Commissie gelooft niet dat de beperking in de tijd van het arrest
Barber op de onderhavige casuspositie van toepassing is. Enerzijds geldt
deze beperking volgens de Commissie niet uitsluitend voor de Britse
vervangende pensioenregelingen (`contracted out schemes’), maar kan zij
in beginsel gelden voor alle typen bedrijfspensioenregelingen. Deze
opvatting is bijgetreden door Advocaat-Generaal Van Gerven in zijn
conclusie van 28 april jl. in Coloroll c.s. (par. 24 tot en met 26).
Anderzijds vormt de beperking in de tijd van een arrest een uitzondering
die wordt gevorderd door de eisen van rechtszekerheid en goede trouw. Om
die reden heeft de Commissie steeds het standpunt verdedigd dat een
beperking in de tijd conform Barber alleen gerechtvaardigd is in de
gevallen waarin de gemeenschapswetgeving er de oorzaak van is dat
Lidstaten of particulieren, zoals werkgevers en pensioenfondsen, zich
hebben kunnen vergissen omtrent de juiste reikwijdte van het beginsel van
gelijke beloning.

10. Doet een van de door de gemeenschapswetgever uitgezonderde gevallen
zich niet voor, dan bestaat er volgens de Commissie geen aanleiding de
directe werking van artikel 119 in de tijd te beperken(4). De
Bilka-jurisprudentie geldt dan onverkort. Zo ook in het onderhavige geval.
De uitsluiting van deeltijdwerkers wordt noch door richtlijn 79/7 noch
door richtlijn 86/378 toegestaan. Op grond van het arrest Bilka, dat
volgens de Commissie ook na het Barber-arrest zijn betekenis heeft
behouden (5), kan worden geconcludeerd dat het litigieuze
pensioenreglement vanaf 8 april 1976, de datum van het Defrenne-II-arrest,
tot aan 1 januari 1991, de datum waarop het nieuwe reglement in werking
is getreden, strijdig is geweest met artikel 119 van het Verdrag.

De derde vraag

11. Met het vorenstaande is tevens de derde vraag beantwoord: er is in
casu geen reden voor een beperking in de tijd van de directe werking van
artikel 119. Rest de vraag wat daarvan de financiele gevolgen zijn: heeft
mevrouw V recht op pensioenaanspraken met terugwerkende kracht tot april
1976? Deze vraag zal door de nationale rechter moeten worden beantwoord.

12. De Commissie wijst er evenwel op, dat de vordering van mevrouw V eem
loonvordering is, waarvoor naar nationaal recht een verjaringstermijn
geldt. Ervan uitgaande dat deze termijn vijf jaar bedraagt en niet al
eerder is gestuit, zijn mevrouw V’s pensioenaanspraken verjaard voor de
periode voorafgaande aan 11 november 1986 (vijf jaar voor het uitbrengen
van de inleidende dagvaarding). De jurisprudentie van het Hof volgens
welke verjaringstermijnen naar nationaal recht niet kunnen worden
tegengeworpen aan justitiabelen die zich op direct werkende bepalingen van
gemeenschapsrecht beroepen is uitsluitend van toepassing op `verticale
situaties’ * waarbij de Staat nalatig is (geweest) zijn verplichtingen uit
het gemeenschapsrecht na te komen (6). In casu gaat het daarentegen om een
geschil tussen particulieren en dus om een geval van horizontale werking.

13. Maar ook voor de periode waarover haar pensioenaanspraken niet zijn
verjaard, is allerminst zeker dat mevrouw V aanspraak heeft op een
premievrij pensioen zoals zij vordert. Een dergelijke oplossing zou immers
een nieuwe discriminatie veroorzaken, namelijk tussen werknemers die voor
1991 bij de pensioenregeling waren aangesloten en premies hebben betaald
en werknemers zoals mevrouw V die aanspraak zouden maken op een kosteloos
pensioen. Een dergelijke consequentie acht de Commissie onaanvaardbaar *
nog afgezien van de financiele gevolgen voor de pensioenfondsen en de
werkgevers. Het lijkt gerechtvaardigd op dit punt voor Lidstaten
`strenger’ te zijn en wettelijke pensioenen anders te behandelen (7).

De vierde vraag

14. Met de laatste vraag wenst de Kantonrechter te vernemen of het
antwoord op de voorafgaande vragen afhangt van het Nederlandse
wetsvoorstel 20890, dat beoogt uitvoering te geven aan richtlijn 86/378,
en van het genoemde Barber-protocol. Te dien aanzien zij eraan herinnerd
dat het Hof in het kader van de prejudiciele procedure niet de bevoegdheid
heeft het nationale recht uit te leggen of toe te passen (8). Over genoemd
wetsvoorstel kan het Hof zich daarom niet uitlaten.

15. Voorts heeft het Hof uitgemaakt dat het niet bevoegd is zich in het
kader van een procedure ex artikel 177 van het Verdrag uit te spreken over
handelingen die nog niet door de Gemeenschapsinstellingen zijn aangenomen
(9) . Naar de mening van de Commissie is het twijfelachtig of het
Barber-protocol moet worden gerekend tot de categorie van niet-toetsbare
handelingen. Het staat immers vast dat de Hoge Verdragsluitende Partijen
over het protocol overeenstemming hebben bereikt. Dat het protocol eerst
integrerend bestanddeel zal uitmaken van het EEG-verdrag, wanneer het
Verdrag betreffende de Europese Unie zal zijn ingevoerd, (10) doet niet
af aan het bestaan van deze tekst. Daarbij komt dat het niet te
stoutmoedig lijkt van de veronderstelling uit te gaan dat het Verdrag
betreffende de Europese Unie in werking zal zijn getreden, wanneer de
nationale rechter het onderhavige geschil moet beslechten. Onder die
omstandigheden acht de Commissie het in elk geval opportuun in te gaan op
de interpretatie van genoemd protocol, zelfs indien duidelijk is dat het
thans nog geen rechtskracht heeft.

16. De tekst van het Barber-protocol luidt als volgt: `Voor de toepassing
van artikel 119 van het Verdrag worden uitkeringen uit hoofde van een
ondernemings- of sectoriele regeling inzake sociale zekerheid niet als
beloning beschouwd indien en voor zover zij kunnen worden toegerekend aan
tijdvakken van arbeid voor 17 mei 1990, behalve in het geval van
werknemers of hun rechtverkrijgenden die voor die datum een
rechtsvordering of een naar geldend recht daarmee gelijk te stellen
vordering hebben ingesteld.’

De centrale vraag is thans of dit protocol uitsluitend betrekking heeft
op bedrijfspensioenen die onder `het Barber-regiem’ vallen * dat wil
zeggen kunnen profiteren van een beperking in de tijd *, of dat het van
toepassing is op bedrijfspensioenen in het algemeen.

17. Enkele lezing van de tekst van het protocol zou erop kunnen wijzen dat
de tweede interpretatie de juiste is. Het protocol is immers in zeer
algemene termen geformuleerd, door te spreken van `uitkeringen uit hoofde
van een ondernemings- of sectoriele regeling inzake sociale zekerheid’.
Deze interpretatie acht de Commissie evenwel moeilijk houdbaar. Zij zou
er immers toe voeren dat een discriminatie op grond van geslacht, die niet
is terug te voeren op een van de uitzonderingen opgenomen in de
communautaire richtlijnen, toch in stand kan blijven voor zover het
betreft tijdvakken van arbeid gelegen voor 17 mei 1990. Het Bilka-arrest
zou in die hypothese volledig door het protocol op zij worden gezet.

18. De Commissie gelooft niet dat dat de bedoeling kan zijn geweest van
de Lidstaten. Het is onomstreden dat het Barber-arrest de uitsluitende
aanleiding is geweest voor het opstellen van het protocol. Het ging de
opstellers erom een interpretatie te geven van de werking in de tijd van
het Barber-arrest. Dat blijkt onomstotelijk uit het feit dat het protocol
de datum van dit arrest uitdrukkelijk als grens trekt. De bedoeling was
niet de jurisprudentie inzake gelijke beloning in de sfeer van de
bedrijfspensioenen integraal terug te draaien. Wat de Lidstaten voor ogen
stond was de mogelijke `schade’ van het Barber-arrest zo veel mogelijk
beperken door uitdrukkelijk te kiezen voor een interpretatie van dat
arrest die in wezen overeenkomt met wat in het algemeen als `optie 2′
wordt aangeduid (11); reden om verder te gaan dan dat hadden de Lidstaten
niet.

19. Uit het geheel van omstandigheden die de totstandkoming van het
protocol hebben omgeven meent de Commissie dan ook te mogen afleiden dat
de materiele werkingssfeer van het protocol samenvalt met de materiele
werkingssfeer van de `Barber-jurisprudentie’. De bewoordingen van het
protocol kunnen aan deze conclusie moeilijk afbreuk doen. Het blijkt
veeleer aannemelijk dat de vertegenwoordigers van de Lidstaten het niet
opportuun hebben geacht met grotere precisie aan te geven welke gevallen
zij exact op het oog hadden. Daarom schuilt achter deze algemene
bewoordingen niet de wil van de Lidstaten om pensioenrechten in hun geheel
buiten het toepassingsbereik van artikel 119 te brengen voor de periode
tot aan 17 mei 1990.

20. Wat de materiele werkingssfeer van de `Barber-jurisprudentie’ precies
is, hangt uiteraard af van het in de zaken Coloroll e.a. te wijzen arrest.
Zoals werd aangegeven in punt 9, hiervoor, staat de Commissie een
interpretatie voor waarbij alle typen bedrijfspensioenregelingen van een
beperking in de tijd kunnen profiteren, maar dat alleen daadwerkelijk doen
indien en voor zover de schending van het beginsel van gelijke beloning
van mannen en vrouwen kan worden herleid op een van de in de
gemeenschapswetgeving vervatte uitzonderingen op het beginsel van gelijke
behandeling. Het is dus van fundamenteel belang een duidelijk onderscheid
te maken tussen de aard van de pensioenregeling en de oorzaak van de
discriminatie.

21. Voor de onderhavige zaak betekent dit dat aan het Barber-protocol hoe
dan ook geen belang toekomt. De uitsluiting van deeltijdwerkers van de
litigieuze pensioenvoorziening is immers niet terug te voeren op een van
de in de gemeenschapswetgeving voorziene uitzonderingen op het beginsel
van gelijke behandeling. Zou, met andere woorden, het protocol niet hebben
bestaan, dan zou de directe werking van artikel 119 evenmin in de tijd
zijn beperkt, omdat de onderhavige zaak buiten het toepassingsbereik van
de `Barber-jurisprudentie’ valt.

III. Conclusie

22. Bij de huidige stand van zaken geeft de Commissie het Hof in
overweging, de eerste prejudiciele vraag bevestigend, en de overige vragen
ontkennend te beantwoorden.

Noten

1 Zaken C-109/91 (Ten Oever), C-110/91 (Moroni), C-152/91 (Neath) en
C-200/91 (Coloroll). 2 Zoals de Commissie recentelijk heeft benadrukt in
punt 24. van haar schriftelijke opmerkingen in zaak C-7/93 (Beune/A.B.P.),
valt niet bij voorbaat uit te sluiten dat een directe discriminatie kan
worden gerechtvaardigd op objectieve gronden. 3 Een zelfde standpunt
heeft de Commissie ingenomen in punt 29. van haar opmerkingen in de zaak
Beune. 4 Vgl. ook de conclusie van A.-G. Van Gerven, hiervoor genoemd,
punt 26. Het Barber-arrest vormt een verfijning van de
Bilka-jurisprudentie. 5 Deze jurisprudentie geeft toepassing aan het
beginsel ‘venire contra factum proprium’. Zie het arrest van 25 juli 1991
(zaak C-208/90, Emmott, Jurispr. blz. I-4269). Dit arrest betrof overigens
de niet-omzetting van een richtlijn. 6 Zoals het Hof heeft gedaan in het
arrest van 11 juli 1991 (zaken C-87/90, C-88/90 en C-89/90, Verholen e.a.,
Jurispr. blz. I-3757). 7 Zaak 175/78, Saunders, Jurispr. 1979, blz. 1129
en zaak 180/83, Moser, Jurispr. 1984, blz. 2539. 8 Zie het arrest van 16
juli 1992 (zaak C-343/90, Lourenco Dias, nog niet gepubliceerd in de
Jurisprudentie, r.o. 18), waarin wordt verwezen naar het arrest van 22
november 1978 (zaak 93/78, Lothar Mattheus, Jurispr. blz. 2203) met
betrekking tot de voorwaarden voor toetreding van Spanje en Portugal tot
de Gemeenschap. 9 Zie artikel 239 EEG-verdrag. 10 Zoals bekend is dit
ook de interpretatie die advocaat-generaal Van Gerven voorstaat (zie zijn
conclusie, punten 22 en 23).

Rechters

K. Banks, B.J. Drijber

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 25 juni 1993

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Grootmoeder verzoekt omgangsregeling vast te stellen met haar kleinzoon.
Hof hanteert maatstaven Hoge Raad 15 mei 1987, NJ 1988, 654. Onvoldoende
feiten en omstandigheden aangevoerd om te kunnen spreken van “family-
life”. Niet-ontvankelijk. Hoge Raad bevestit uitspraak Hof.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 17 juni 1991 gedateerd
verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie – verder te noemen de
grootmoeder – zich gewend tot de Rechtbank te Rotterdam met het verzoek
een omgangsregeling vast te stelllen tussen haar en haar op 13 augustus
1987 uit de relatie van verweerster in cassatie – verder te noemen de
moeder – met een zoon van de grootmoeder geboren kleinzoon. Nadat de
moeder verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank het verzoek bij beschikking
van 27 mei 1992 toegewezen. Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger
beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage. Bij beschikking van
11 september 1992 heeft het Hof de bestreden beschikking vernietigd en de
grootmoeder niet ontvankelijke verklaard in haar verzoek tot het
vaststelllen van een omgansregeling met haar kleinzoon. De beschikking van
het Hof is aan de beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het Hof heeft de
groot-moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze
beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De moeder heeft verzocht
het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal Moltmaker
strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel Het middel faalt Voor zover het aan het Hof
verwijt bij zijn beoordeling van de vraag of de grootmoeder in haar
verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling met haar kleinkind kon
worden ontvangen, een rechtens onjuiste maatstaf te hebben aangelegd,
stuit het daarop af dat het Hof de maatstaf heeft gehanteerd weldke de
Hoge Raad – in afwijking van de conclusie waarop in de toelichting an het
middel een beroep wordt gedaan – heeft aangegeven in zijn beschikking van
15 mei 1987, NJ 1988, 654, terwijl het middel geen gronden bevat welke de
Hoge Raad aanleiding zouden kunnen geven terug te komen van zijn in die
beschikking – tegen de achtergrond zowel van de uitspraak van het EHRM van
13 juni 1979 in de Marckx zaak (Series A no 31, NJ 1980, 462) en latere
uitspraken van EHRM en ECRM als van de hier te lande in voorbereiding
zijnde wetgeving – aanvaarde opvatting. Voorzover het middel mede een
motiveringsklacht bevat, kan het evenmin slagen. ’s Hofs beslissing dat
in het onderhavige geval uit de gestelde feiten niet voortvloeid dat
tussen grootmoeder en kleinkind een zo nauwe persoonlijke betrekking
bestaat dat plaats is voor een onderzoek naar de eventuele
gerechtvaardigdheid van een omgangsregeling, is niet onbegrijpelijjk – ook
niet in het licht van ’s Hofs opmerking ten overvloede dat zo’n
omgangsregeling wenselijk is – en behoefde tegenover het door de
grootmoeder aangevoerde niet verder te worden gemotiveerd dat het Hof in
zijn rov. 7 en 8 heeft gedaan.

conclusie inzake V tegen M. 1. Feiten en procesgang 1.1. Voor de feiten
moge ik in de eerste plaats verzijzen naar de in cassatie aangevallen
beschikking van het hoƒ 1.2. Verzoekster tot cassatie is de grootmoeder
(vaderzijde) van de op 18 augustus 1987 uit de relatie tussen haar zoon
D.Q. en verweerster in cassatie (de moeder) geboren zoon W welke zoon door
de vader is erkend.

1.3. Bij beschikking van 27 mei 1992 bepaalde de rechtbank, dat de
grootmoeder in de gelegenheid zal worden gesteld haar kleinzoon de eerste
zaterdag van de maand van 12.00 tot 19.00 uur bij zich te hebben.

1.4. In hoger beroep vernietigde het hof bij beschikking van 11 september
1992 de beschikking van de rechtbank en verklaarde de grootmoeder
niet-ontvankelijk in haar verzoek. Het hof overwoog o.m. ” Naar het
oordeel van het hof zijn de door de groomoeder gestelde feiten en
omstandigheden onvoldoende om daaruit af te leiden dat er in casu sprake
is van een zo nauwe persoonlijke betrekking tussen haar en W dat die kan
worden aangemerkt als “family life” in de zin van artikel 8 EVRM. Derhalve
dient de grootmoeder alsnog niet- ontvankelijk te worden verklaard in haar
verzoek om vaststelling van een omgangsregling met W met vernietiging van
de bestreden beschikking.

Het hof merkt nog ten overvloede op dat zeker nu ter terechtzitting is
gebleken dat de moeder en de grootmoeder allebei van mening zijn dat er
wel enig contact tussen de grootmoeder en W op zijn plaats is, een omgang
tussen grootmoeder en kleinkind wenstelijk is, ook al kan zo’n omgang om
bovenstaande redenen niet juridisch geformaliseerd worden.”

1.5. De grootmoeder heeft tegen de beschikking van het hof beroep in
cassatie ingesteld onder aanvoering van een cassatiemiddel, waarin twee
klachten kunnen worden onderscheiden. In klacht 1 wordt betoogd, dat het
oordeel van het hof in de hierboven geciteerde rov. 8 blijk geeft van een
onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip “family life” in art. 8 EVRM
gelet op de in het middel vermelde jurisprudentie en literatuur. Klacht
2 acht de beslissing van het hof onbegrijpelijk, gelet op de in rov. 9
uitgesproken wenselijkheid van een omgangsregeling, aangezien die
wenselijkeheid van een omgangsregeling, aangezien die wenselijkheid
voortvloeit uit het feit dat er sprake is van “family life”

1.6. De moeder heeft een verweerschrift in cassatie ingediend.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1. Klacht 1 2.1.1. In deze klacht wordt een beroep gedaan op het Marckx-
arrest (EHRM 13 juni 1979, NJ 1980,462 m.nt. E.A. Alkema) waarin werd
overwogen: “Het Hof is van oordeel dat het “gezinsleven” in de zin van
art.8 tenminste de betrekkingen tussen naaste bloedverwanten bijv. tussen
grootouders en kleinkinderen, omvat en dat de eerbiediging van een zodanig
gezinsleven voor de Staat de verplichting inhoudt de normale ontwikkeling
van deze betrekkingen toe te laten.

2.1.2. Voorts verwijst de klacht naar mijn conclusie voor HR 15 mei 1987,
NJ 1988,654 m.nt. EAA en naar J.E. Doek, FJR 1992, p. 30 31, waar deze
voorstelt aan de ontvanklijkheid van het verzoek van grootouders om een
omgangsregeling geen nadere voorwaarden te stellen. Het beroep op Rb.
Breda 30 mei 1991, NJ 1992, 451 (omgangsregeling met zusje) acht ik minder
sterk, omdat de Rb overweegty, dat “aan een ieder van wie op grond van de
omstandigheden van het geval moet worden aangenomne dat hij tot een
minderjarige in een zodanige betrekking staat ….”.

2.1.3. Voor verdere rechtspraak en literatuur verwijs ik naar Asser-de
Ruiter-Moltkaker, 14e druk (1992) nr 1023. In voormelede beschikking NJ
1988,654 oordeelde Uw Raad, dat een groomoeder die vaststelling van een
omgangsrelgeling tussen haar en haar kleinkind verzoekt, in dit verzoek
slechts kan worden ontvangen, indien zij in haar verzoekschrift voldoende
concrete omstandigheden steldt voor het bestaan tussen haar en dit
kleinkind van gezinsleven als bedoeld in art. 8 lid 1 EVRM.

2.1.4. In de beschikking NJ 1988,654 overwoog Uw Raad tevens, dat de vraag
of aan de eis van een nauwe persoonlijke betrekking is voldaan in
hoofdzaak een kwestie zal zijn van feitelijke waardering. In deze zin ook
HR 26 januari 1990, NJ 1990,630, HR 4 januari 1991, NJ 1991,253 en HR 24
april 1992, NJ 1992,478. Zie ook de beschikking van het hof, te kennen uit
HR 28 februari 1992, NJ 1992,357.

2.1.5. Met betrekking tot art. 377f van het op 3 februari 1993 ingediende
wetsvoorstel Nadere regeling van het gezag over en van de omgang met
minderjarige kinderen (nr 23 012), verwijs ik naar putn 2.1.3. van mijn
conclusie in de zaak nr.8146.

2.1.6. Gelet op het voerenstaande kan naar mijn mening niet worden gezegd,
dat het hof in rov. 8 blijk geeft van een onjuiste rechtopvatting, zodat
de eerste klacht van het middel faalt.

2.2. Klacht 2 Daargelaten het feit dat deze klacht zich richt tegen een
overweging ten overvloede kan de klacht niet tot cassatie leiden, omdat
de wenselijkheid van een omgangsregeling niet in strijd behoedft te zijn
met de vaststelling dat de band tussen grootmoeder en kleinkind niet van
zodanige aard is, dat sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van
art. 8 EVRM.

3. Conclusie Het middel ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping
van het beroep.

Rechters

mrs. Martens, Roelvink, Korthals Alstes, Neleman, Nieuwenhuis

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 25 juni 1993

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Moeder verzoekt om beeindiging toeziende voogdij van vader. Partijen waren
niet gehuwd en vader had het kind hier erkend. Rechtbank wijst verzoek
toe. Het is niet in het belang van het kind vader te belasten met
toeziende voogdij, nu dit voor de moeder dermate psychische problemen met
zich meebrengt dat dit zijn weerslag kan hebben op het kind. In cassatie
blijft de uitspraak in stand.

Volledige tekst

1 Het geding in feitelijke instanties Bij een op 12 augustus 1991 ter
griffie van het kantongerecht te Rotterdam ingekomen verzoekschrift heeft
verweerster in cassatie – verder te noemen de moeder – de Kantonrechter
te Rotterdam verzocht om de toeziende voogdij van verzoeker tot cassatie
– verder te noemen de vader – over haar zoon S.K. geboren op 29 november
1988 – verder te noemen de minderjarige – te beeindigen en J.K. – haar
vader- tot toeziend voogd over de minderjarig te benoemen. Nadat de vader
tegen het verzoek verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter bij
beschikking van 6 maart 1992 de verzoeken van de moeder toegewezen. Tegen
deze beschikking heeft de vader hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank
te Rotterdam. Bij beschikking van 22 mei 1992 heeft de Rechtbank de
beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd. De beschikking van de
Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding is cassatie Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft de
vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze
beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De moeder heeft verzocht
het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-generaal Moltmaker
strekt toto vernietiging van de beschikking van de Rechtbank en tot
afwijzing van het verzoek van de moeder tot wijziging van de toeziende
voogdij.

3. Beoordeling van het middel 3.1. Het verzoek in eerste aanleg strekte
tot beeindiging van de toeziende voogdij en koos derhalve niet tussen
ontslag en ontzetting, zij het dat de voor het verzoek aangevoerde gronden
alsook het feit dat de moeder-voogdes het verzoek deed, veeleer op de
laatste grondslag duidden. Het tweede onderdeel onder a voert in dit
verband niet meer aan dan dat ontslag niet op verzoek van de
moeder-voogdes kan plaatsvinden. Het onderdeel miskent aldus dat
beeindiging in de vorm van ontzetting wel op verzoek van de moeder voogdes
kan plaatsvinden, zij het dat dit verzoek dan tot de Rechtbank moet worden
gericht, waarover het middel echter niet klaagt. In dit licht geeft het
onderdeel onvoldoende inzicht in de daarin gevolgde gedachtengang om te
voldoen aan de eis van art. 407 lid 2 Rv.

3.1 De in het eerste onderdeel en het tweede onderdeel onder b aangevoerde
klachten kunnen niet toto cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel
101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot
beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de
rechtsontwikkeling.

4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechters

mrs Snijders, Mijnssen, Davids, Heemskerk en Swens- Donner

Instantie: Europees hof voor de rechten van de mens, 24 juni 1993

Instantie

Europees hof voor de rechten van de mens

Samenvatting


Een vrouw krijgt een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van haar ziekte tuberculose. De uitkering wordt stopgezet een aantal
jaren nadat ze een kind heeft, met als argumentatie dat haar
familieomstandigheden zijn veranderd na de geboorte van haar kind, haar
gezondheid is verbeterd en zij voor zestig tot zeventig procent in staat
is om voor haar kind te zorgen. Bovendien werd van de veronderstelling
uitgegaan dat de vrouw ook als ze niet ziek was geworden haar baan had
opgegeven bij de geboorte van haar kind. Het Hof oordeelt dat er sprake
is van schending van art. 14 jo. art. 16 lid 1 EVRM.

Volledige tekst

(…)

Proceedings before the Commission

39. Mrs Schuler-Zgraggen applied to the Commission on 29 December 1988.
She complained, firstly, that her right to a fair trial (Article 6
paragraph 1 of the Convention) had been infringed in that she had had
insufficient access to the file of the Appeals Board and there had been
no hearing in the Federal Insurance Court. She also claimed that the
assumption made by that court, that she would have given up working even
if she had not has health problems, amounted to discrimination on the
ground of sex (Article 14 taken together with Article 6 paragraph 1).

40. The Commission declared the application (no. 14518/89) admissible on
30 May 1991. In its report of 7 April 1992 (made under Article 31), the
Commission expressed the opinion that

(a) there had been no breach of Article 6 paragraph 1 either on account
of the failure to hold a hearing (by ten votes to five) or in respect of
access to the file (by thirteen votes to two); and

(b) there had been no breach of Article 14 taken together with Article 6
paragraph 1 (by nine votes to six).

The full text of the commission’s opinion and of the six dissenting
opinions contained in the report is reproduced as an annex tot this
judgment. (Note by the Registrar. For practical reasons this annex will
appear only with the printed version of the judgment (volume 263 of Series
A of the Publications of the Court), but a copy of the Commission’s report
is obtainable from the registry).

Final submissions to the court

41. In their memorial the Government requested the Court to

“hold that in the present cast (in so far as Article 6 paragraph 1 of the
Convention is applicable and the applicant, with reference to a specific
complaint, is a victim and, with reference to another complaint, has
exhausted domestic remedies) there has not been a violation of Article 6
paragraph 1 of the Convention or of any other of its provisions”.

42. Counsel for the applicant asked the Court to

(a) “continue along the path it took in the Feldbrugge and Deumeland cases
and to rule that the rights claimed by the applicant in the present case
likewise are mainly civil ones, falling within the ambit of Article 6
paragraph 1 of the Convention”:

(b) “hold that there has been a breach of Article 6 paragraph 1 with
respect to the right to an adversarial hearing”; and

(c) “hold that there has been a breach by the Federal Insurance Court of
Article 14 taken together with Article 6 paragraph 1 of the Convention”.

As to the law

I. Alleged violation of article 6 paragraph 1

43. Mrs. Schuler-Zgraggen claimed to be the victim of breaches of Article
6 paragraph 1, which provides:

“In the determination of his civil rights and obligations …, everyone
is entitled to a fair and public hearing … by (a) …tribunal ……”

A. Applicability of Article 6 paragraph 1

44. It was common ground between the applicant and the Commission that
this provision applied in the instant case.

45. The Government maintained the contrary as, in their submission, the
case had public-law features which clearly predominated. Firstly, the
claimed right did not derive from a contract of employment, since
affiliation was compulsory for the self-employed and the unemployed too.
Secondly, award of the pension depended exclusively on the degree of
incapacity, no account being taken either of the insured’s income or
wealth or of the payment of contributions. Thirdly, the Swiss system was
strikingly distinctive, in particular in that the financing of it was
based on the principles of pay as you go, solidarity and partly drawing
on tax revenues.

46. The Court is here once again confronted with the issue of the
applicability of Article 6 paragraph 1 to social-security disputes. The
question arose earlier in the cases of Feldbrugge v. the Netherlands and
Deumeland v. Germany, in which it gave judgment on 29 May 1986 (Series A
nos. 99 and 100). At that time the Court noted that there was great
diversity in the legislation and practice of the member States of the
Council of Europe as regards the nature of the entitlement to insurance
benefits under social-security schemes. Nevertheless, the development in
the law that was initiated by those judgments and the principle of
equality of treatment warrant taking the view that today the general rule
is that Article 6 paragraph 1 does apply in the field of social insurance,
including even welfare assistance (see the Salesi v. Italy judgment of 26
February 1993, Series A no. 257-E, pp. 59-60, paragraph 19).

As in the two cases decided in 1986, State intervention is not sufficient
to establish that Article 6 paragraph 1 is inapplicable; other
considerations argue in favour of the applicability of Article 6 paragraph
1 in the instant case. The most important of these lies in the fact that
despite the public-law features pointed out by the Government, the
applicant was not only affected in her relations with the administrative
authorities as such but also suffered an interference with her means of
subsistence; she was claiming an individual, economic right flowing from
specific rules laid down in a federal statute (see paragraph 35 above).

In sum, the Court sees no convincing reason to distinguish between Mrs
Schuler-Zgraggen’s right to an invalidity pension and the rights to
social-insurance benefits asserted by Mrs Feldbrugge and Mr Deumeland.

Article 6 paragraph 1 therefore applies in the instant case.

B. Compliance with Article 6 paragraph 1

1. Access to the Appeals Board’s file

47 Mrs. Schuler-Zgraggen complained in the first place of insufficient
access to the Appeals Board’s file.

(a) The government’s preliminary objection

48. As they had done before the Commission, the Government raised an
objection of inadmissibility based on lack of victim status, arguing that
the applicant had not availed herself of the opportunity of examining the
file at the Appeals Board’s registry.

49. The Court notes that the applicant’s complaint relates not so much to
inspecting the file as to having the documents in it handed over or, at
any rate, securing photocopies of them. The objection must therefore be
dismissed.

(b) Merits of the complaint

50. In Mrs. Schuler-Zgraggen’s submission, the facts of her case -as often
in the social -security field- were complex, and this made it necessary
for her to submit documents to specialists. She should therefore have been
granted the same facilities as the administrative departments, on whose
premises the file was permanently held. Furthermore, she had never had
access to Dr F.’s report on her lungs, fo that she had been unable to
submit it to her own expert.

51. The Government disputed this submission. In the proceedings before the
Appeals Board the applicant had not availed herself of the opportunity to
inspect part of the file and take notes. In het Federal Insurance Court
she had had access to all the documents -as had her lawyer, who had
received them not long afterwards -and had photocopied some of them. As
to Dr F.’s report, it was strictly speaking part of the file, as the
Federal Insurance Court moreover noted in its judgment of 21 June 1988;
in addition, it was summarised in the medical centre’s report of 14
January 1986, which the applicant had seen. In short, the principle of
equality of arms had not been contravened in any way.

52. The Court finds that the proceedings before the Appeals Board did not
enable Mrs Schuler-Zgraggen to have a complete, detailed picture of the
particulars supplied to the Board. It considers, however, that the Federal
Insurance Court remedied this shortcoming by requesting the Board to make
all the documents available to the applicant -who was able, among other
things, to make copies -and then forwarding the file to the applicant’s
lawyer (see, as the most recent authority, mutatis mutandis, the Edwards
v. the United Kingdom judgment of 16 December 1992, Series A no. 247-B,
pp. 34-35, paragraph 34-39). It also notes that neither the Appeals Board
nor the Federal Insurance Court had Dr. F.’s report before it.

Since, taken as a whole, the impugned proceedings were therefore fair,
there has not been a breach of Article 6 paragraph 1 in this respect.

2. Federal Insurance Court hearing

53. Mrs Schulder-Zgraggen also complained that there had been no hearing
before the Federal Insurance Court.

(a) The Government’s preliminary objection

54. In the Government’s submission, the applicant had not exhausted
domestic remedies, as she had failed to apply to the Federal Insurance
Court for the proceedings to be oral and public. Admittedly, that court
rarely held hearings, but it did not follow that such an application would
have been bound to fail.

55. In respect of this preliminary objection there is an estoppel, as the
Government only raised it before the Commission after the decision on
admissibility, whereas nothing prevented them from doing so earlier (see,
as the most recent authority and mutatis mutandis, the Pine Valley
Developments Ltd and Others v. Ireland judgment of 29 November 1991,
Series A no. 222, p. 21, paragraph 45).

(b) Merits of the complaint

56. Mrs. Schuler-Zgraggen submitted that the Federal Insureance Court
should have ordered a hearing so as to form its own opinion of her and
ensure that she had a fair trial.

57. The Government considered, on the contrary, that in certain field
purely written court proceedings did not in any way prejudice the
interests of the litigant. They emphasised a number of aspects. Firstly,
the traditional characteristics of social-security disputes made oral
presentation of arguments in which technical points and numerous figures
were adduced difficult. Secondly, in the cases brougth before it the
Federal Insurence Court was free to review the facts and the law, and this
made it more akin to an ordinary court of appeal. This was particularly
so in administrative-law appeals, as here the Federal Court could rule on
the appropriateness of the impugned decision and was not bound either by
the cantonal authority’s findings of fact or by the submissions of the
parties. Thirdly, the number of judgments – approximately 1,200 a year
-would drop dramatically if public, oral proceedings were to be the rule;
in such an event, the lengthening of the proceedings would seriously
jeopardise access to the supreme court.

58. The Court reiterates that the public character of court hearings
constitutes a fundamental principle enshrined in paragraph 1 of Article
6. Admittedly, neither the letter nor the spirit of this provision
prevents a person from waiving of his own free will, either expressly or
tacitly, the entitlement to have his case heard in public, but any such
waiver must be made in an unequivocal manner and must not run counter to
any important public interest (see, among other authorities, the Hakansson
and Sturesson v. Sweden judgment of 21 February 1990, series A no. 171-A,
p. 20 paragraph 66).

In the instant case the Federal Insurance Court’s Rules of Procedure
provided in express terms for the possibility of a hearing “on an
application by one of the parties or of the (presiding judge’s) own
motion” (Rule 14 paragraph 2 -see paragraph 38 above). As het proceedings
in that court generally take place without a public hearing, Mrs. Schuler-
Zgraggen could be expected to apply for one if she attached importance to
it. She did not do so, however. It may reasonably be considered,
therefore, that she unequivocally waived her right to a public hearing in
the Federal Insurance Court.

Above all, it does not appear that the dispute raised issues of public
importance such as to make a hearing necessary. Since it was highly
technical, it was better dealt with in writing than in oral argument;
furthermore, its private, medical nature would no doubt have deterred the
applicant from seeking to have the public present.

Lastly, it is understandable that in this sphere the national authorities
should have regard to the demands of efficiency and economy. Sytematically
holding hearings could be an obstacle to “the particular diligence
required in social- security cases” (see the Deumeland v. Germany judgment
previously cited, p. 30, pararaph 90) and could ultimately orevent
compliance with the “reasonable time” requirement of Article 6 paragraph
1 (see, mutatis mutandis, the Boddaert v. Belgium judgment of 12 October
1992, Series A no. 235-D, pp. 82-83, paragraph 39).

There has accordingly been no breach of Article 6 paragrpah 1 in respect
of the oral and public nature of the proceedings.

3. Indepencence of the medical experts

59. At the hearing before het Court, counsel for Mrs Schuler- Zgraggen
called in question the independence of doctors bound by a long-term
contract to a social-security institution, on the ground that they
received from that institution the greater part of their income.

60. This was a new complaint; it had not been raised before the Commission
and does not relate to the facts the Commission found within the limits
of its decision on admissibility. That being so, the Court has no
jurisdiction to consider it (see, as the most recent authority and mutatis
mutandis, the Olsson v. Sweden (No. 2) judgment of 27 November 1992,
Series A no. 250, pp. 30-31, paragraph 75).

II. Alleged violation of article 14 taken together with article 6
paragraph 1

61. Mrs Schuler-Zgraggen said, lastly, that in the exercise of her right
to a fair trial she had suffered discrimination on the ground of sex. She
relied on Article 14, which provides:

`The enjoyment of the rights and freedoms set forth in [the] Convention
shall be secured without discrimination on any ground such as sex, race,
colour, language, religion, political or other opinion, national or social
origin, association with a national minority, property, birth, or other
status.’

A. The government’s preliminary objection

62. As they had done before the Commission, the Government raised an
objection of inadmissibility based in failure to exhaust domestic
remedies. The applicant, they submitted, had done no more than
characterise the wording used by the Appeals Board as `arbitrary’ and had
therefore not made to the Federal Insurance Court a precise complaint
relating to discrimination in the exercise of a right secured by the
Convention. 63. The Court adopts the Commission’s reasoning. Firstly Mrs
Schuler-Zgraggen objected to the terms of the Federal Insurance Court’s
judgment of 21 June 1988, against which no appeal lay. Secondly, in her
administrative-law appeal she had already criticised the (similar)
assumption made by the Appeals Board in its decision of 8 May 1987. The
objection is therefore unfounded.

B. Merits of the complaint

64. According to the applicant, the Federal Insurance Court based its
judgment on an `assumption based on experience of everyday life’, namely
that many married women give up their jobs when their first child is born
and resume it only later (see paragraph 29 above). It inferred from this
that Mrs Schuler-Zgraggen would have given work even if she had not had
health problems. The applicant considered that even if she had been a man,
the Federal Insurance Court would never have made such an assumption,
which was contradicted by numerous scientific studies.

65. The Government argued that Article 6 paragraph 1 and thus, indirectly,
Article 14 were not applicable, as the complaint was concerned with the
taking of evidence, a sphere which essentially came within the State
authorities’ competence.

66. The Court reiterates that the admissibility of evidence is governed
primarily by the rules of domestic law, and that it is normally for the
national courts to assess the evidence before them. The Court’s task under
the Convention is to ascertain whether the proceedings, considered as a
whole, including the way in which the evidence was submitted, were fair
(see, as the most recent authority and mutatis mutandis, the Ludi v.
Switzerland judgment of 15 June 1992, Series A no. 238, p. 20, paragraph
43, and the Edwards v. the United Kingdom judgment previously cited, pp.
34-35, paragraph 34).

67. In this instance, the Federal Insurance Court adopted in its entirety
the Appeals Board’s assumption that women gave up work when they gave
birth to a child. It did not attempt to probe the validity of that
assumption itself by weighing arguments to the contrary. As worded in the
Federal Court’s judgment, the assumption cannot be regarded * as asserted
by the Government * as an incidental remark, clumsily drafted but of
negligible effect. On the contrary, if constitutes the sole basis for the
reasoning, thus being decisive, and introduces a difference of treatment
based on the ground of sex only.

The advancement of the equality of the sexes is today a major goal in the
member States of the Council of Europe and very weighty reasons would have
to be put forward before such a difference of treatment could be regarded
as compatible with the Convention (see, mutatis mutandis, the Abdulaziz,
Cabales and Balkandali v. the United Kingdom judgment of 28 May 1985,
Series A no. 77, p. 38, paragraph 78). The Court discerns no such reason
in the instant case. It therefore concludes that for want of any
reasonable and objective justification, there has been a breach of Article
14 taken together with Article 6 paragraph 1.

III. Application of Article 50

68. Under Article 50,

‘If the Court finds that a decision or a measure taken by a legal
authority or any other authority of a High Contracting Party is completely
or partially in confilict with the obligations arising from the …
Convention, and if the international law of the said Party allows only
partial reparation to be made for the consequences of this decision or
measure, the decision of the Court shall, if necessary, afford just
satisfaction to the injured party.’

A. Damage

1. Non-Pecuniary damage

69. Mrs Schuler-Zgraggen claimed that she had sustained non- pecuniary
damage, which she did not quantify, and sought payment of a provisional
sum of CHF 22,500 for the length of the proceedings before the Convention
institutions.

70. The government submitted that the publication of a judgment in which
a violation was found would satisfy the requirements of Article 50. The
Delegate of the Commission did not express any view.

71. The Court considers that the applicant may have suffered non-pecuniary
damage but that this judgment provides her with sufficient satisfaction
for it.

2. Pecuniary damage

72. Mrs Schuler-Zgraggen also complained that she had lost the benefit of
a full invalidity pension on account of proceedings incompatible with
Articles 6 paragraph 1 and 14. She did not, however, claim any specific
sum.

73. The Government pointed out that since 15 February 1992 Swiss law had
enabled a victim of a violation found by the Court, or by the Committee
of Ministers of the Council of Europe, to apply for a reopening of the
impugned proceedings. They therefore considered that the question was not
ready for decision.

74. This is also the view of the Court. The question must accordingly be
reserved and the further procedure must be fixed, due regard being had to
the possibility of an agreement between the respondent State and the
applicant (Rule 54 parapraph 1 and 4 of the Rules of Court).

B. Costs and expenses

75. Mrs Schuler-Zgraggen sought CHF 7,130.90 in respect of costs and
expenses for the proceedings before the national judicial bodies (Mr
Derrer: CHF 300; Mr Stockli: CHF 2,694.20; Mr Wehrli: 2,936.70; own
expenses: CHF 1,200). She also claimed CHF 14,285.70 for the proceedings
before the Convention institutions, not including the expenses incurred
by attending two hearings before the European Court, the one on 26 January
1993 and the one for delivery of the judgment.

The Government found the claim excessive. The applicant had not incurred
any legal costs before the cantonal authorities or the Federal Insurance
Court, and before the Invalidity Insurance Board -at which stage she was
assisted by three lawyers- she had not raised any complaint based on the
Convention. A lump sum fo CHF 5,000 would amply cover all the costs and
expenses incurred in Switzerland and at Strasbourg.

The Delegate of the Commission considered that the expenses incurred in
the proceedings before the Appeals Board were not concerned with remedying
a breach of the Convention and he invited the Court to apply its case-law
on expenses incurred in the proceedings before the Strasbourg
institutions.

76. Making its assessment on an equitable basis as required by Article 50
and having regard to the criteria which it applies in this field, the
Court awards the applicant CHF 7,500 under this head as matters stand.

For these reasons, the Court

1. Holds unanimously that Article 6 paragraph 1 applied in the case;

2. Dismisses unanimously the Government’s objections;

3. Holds unanimously that it has no jurisdiction to entertain the
complaint concerning the independence of the medical experts;

4. Holds by eight votes to one that there has been no breach of Article
6 paragraph 1;

5. Holds by eight votes to one that there has been a breach of Article 14
taken together with Article 6 paragraph 1.

6. Holds unanimously that this judgment in itself constitutes sufficient
just satisfaction as to the alleged non-pecuniary damage;

7. Holds as matters stand, by eight votes to one, that the Confederation
is to pay the applicant, within three months, 7,500 (seven thousand five
hundred) Swiss francs in respect of costs and expenses;

8. Holds by eight votes to one that the question of the application of
Article 50 is not ready for decision as regards pecuniary damage;

accordingly,

(a) reserves the said question in that respect;

(b) invites the Government and the applicant to submit, within the
forthcoming six months, their written observations on the matter and, in
particular, to notify the Court of any agreement they may reach;

(c) reserves the further procedure and delegates to the President of the
Chamber the power to fix the same if need be.

Rechters

Mrs Bernhardt, Golcuklu, Walsh, Russo, Spielmann, Foighel,Wildhaber, Loizou, Lopes Rocha, Eissen

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 21 juni 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster solliciteerde op een functie bij de wederpartij. Nadat
haar telefonisch was meegedeeld dat zij als enige zou worden voorgedragen
voor benoeming, heeft zij melding gemaakt van haar zwangerschap. De
wederpartij is hierna gesprekken begonnen met een andere kandidate. Deze
is uiteindelijk voor benoeming voorgedragen. Na een gesprek met beide
kandidaten door een tweetal wethouders heeft het College van B&W besloten
om de tweede kandidate te benoemen, vanwege diens specifieke ervaring en
deskundigheid. Onderscheid op grond van zwangerschap in strijd met de Wet
in de selectiefase. Onderscheid bij aanstelling niet komen vast te staan.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

Op 27 september 1991 verzocht mevrouw te Elst (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of het College van
Burgemeester en Wethouders van de gemeente Elst (hierna: het College)
jegens haar onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

Verzoekster heeft op 11 juli 1991 gesolliciteerd naar een functie bij de
Gemeente. Zij is voor de functie afgewezen nadat zij bekend maakte dat ze
zwanger was. Verzoekster is van mening dat het College hierdoor in strijd
met de WGB heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder meermalen de gelegenheid gehad
hun standpunten schriftelijk nader toe te lichten.

De Commissie heeft voorts op 6 juli 1992 een onderzoek ter plaatse bij de
wederpartij ingesteld. Van dit onderzoek ter plaatse is een verslag
opgemaakt. Het verslag is aan beide partijen toegezonden, waarbij
verzoekster in de gelegenheid is gesteld, hierop te reageren.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd hun standpunten
nader uiteen te zetten tijdens een zitting op 28 april 1993. Partijen
hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Bij de beraadslagingen waren van de kant van de Commissie aanwezig: – mw
mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter) – dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer) –
mw mr J.D. Onnen (lid Kamer) – mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. De feiten

Verzoekster heeft op 11 juli 1991 gesolliciteerd naar de functie van
medewerk(st)er welzijnszaken (voor 32 uur) bij de betrokken Gemeente. De
functie valt onder de sectie Welzijn en Sport van de afdeling Algemene
Zaken. In de advertentie waarmee voor deze functie werd geworven wordt de
nadruk gelegd op taken op het terrein van cultureel werk. Het is een
functie op MBO-niveau (salarisschaal 6). De functie werd aangeboden
middels een advertentie in de Volkskrant en Binnenlands Bestuur op 6 juli
1991. Op deze advertenties hebben 44 mensen gereageerd. Zeven kandidaten,
waaronder verzoekster en de uiteindelijk benoemde kandidate, zijn
opgeroepen voor een eerste gesprek. Verzoekster had dit gesprek op 23
juli, de uiteindelijk benoemde kandidate op 25 juli. Op 25 juli heeft
verzoekster een tweede gesprek gehad.

3.2. In een nota van de ambtelijke selectiecommissie aan het College
gedateerd 29 juli, doet de selectiecommissie het voorstel om verzoekster
aan te stellen. Naar de mening van de selectiecommissie zijn er twee min
of meer gelijkwaardige kandidaten, verzoekster en de later benoemde
kandidate. De commissie geeft echter de voorkeur aan verzoekster.

Eveneens op 29 juli is verzoekster gebeld door het hoofd Personeelszaken
van de Gemeente. Deze deelde haar mee dat zij als enige kandidaat zou
worden voorgedragen aan het College, en dat zij zou worden aangesteld
onder voorbehoud van goedkeuring door dit College, de uitslag van de
medische keuring en de salarisonderhandelingen. Zij werd uitgenodigd voor
een gesprek over de arbeidsvoorwaarden op 31 juli. Aan het einde van het
gesprek deelde verzoekster mee dat zij zwanger was. Het hoofd
Personeelszaken deelde daarop mee dat dit gevolgen voor haar sollicitatie
kon hebben.

3.3. Op 30 juli kwam verzoekster met haar toenmalige werkgever overeen dat
zij per 1 september zou kunnen opzeggen. Dit zou een bekorting van haar
opzegtermijn betekenen. Verzoekster heeft dit met haar werkgever zo
geregeld omdat de selectiecommissie in de gesprekken te kennen had gegeven
dat zij een snelle indiensttreding wenste. Op dezelfde dag werd
verzoekster gebeld door het hoofd Personeelszaken, die haar meedeelde dat
zij alsnog niet zou worden voorgedragen. Over de inhoud van dit
telefoongesprek verschillen partijen van mening (zie par. 3.7 en 3.9).
Verzoekster heeft tegen deze gang van zaken op 31 juli schriftelijk
bezwaar gemaakt bij het College.

3.4. Op 29 augustus ontving verzoekster een uitnodiging voor een gesprek
op 3 september met een tweetal wethouders en het hoofd Personeelszaken.
In de uitnodigingsbrief wordt gesproken van de behoefte om op bestuurlijk
niveau kennis te maken met kandidaten. In dit gesprek hoorde verzoekster
dat er een tweede kandidaat was met wie ook werd gesproken. Op 4 september
vervolgens is verzoekster wederom gebeld door het hoofd Personeelszaken
met de mededeling dat zij werd afgewezen wegens gebrek aan kennis en
ervaring op het werkgebied. Deze afwijzing is bij brief van 10 september
door het College van Burgemeester en Wethouders bevestigd. In deze brief
staat onder andere dat verzoekster oorspronkelijk als eerste op de
voordracht was geplaatst door de selectiecommissie. Het College heeft
echter besloten deze voordracht niet te volgen, maar in plaats daarvan de
andere kandidate te benoemen. Dit nadat een afvaardiging van het College
met twee kandidaten een gesprek had gevoerd. De argumenten hiervoor zijn,
volgens de brief, het feit dat de andere kandidate over aantoonbare kennis
en ervaring beschikte op het terrein van het ouderenbeleid en het feit dat
de andere kandidate geen opzegtermijn had en direct kon beginnen.

3.5. Uiteindelijk is de andere kandidate benoemd met ingang van 9
september. Zij had, volgens haar eigen verklaring, op 25 juli haar eerste
gesprek. Op 29 juli hoorde zij dat er nog een andere kandidate over was.
Over een tweede gesprek is toen niet gesproken. Op 30 juli is zij gebeld
met een uitnodiging voor een tweede gesprek op 1 augustus. Aan het eind
van dat gesprek is haar meegedeeld dat ze zou worden voorgedragen. Half
augustus is zij medisch gekeurd voor de functie. Zij had de indruk
gekregen dat overname van de voordracht door het College een formaliteit
zou zijn. Op enig moment hoorde zij dat een andere kandidate bezwaar had
gemaakt en dat er alsnog een derde gesprek zou volgen op 3 september, met
twee wethouders en het hoofd Personeelszaken. Op 6 september vernam ze dat
zij benoemd zou worden. Deze uiteindelijk benoemde kandidate beschikte
over kennis en ervaring op het terrein van het ouderenbeleid.

3.6. Voorafgaand aan deze sollicitatieprocedure is het volgende -voor
zover relevant- gebeurd. Op 3 juni 1991 heeft de raadscommissie Cultuur,
onderwijs en sociaal-economische zaken vergaderd over onder andere een
voorstel voor een projectplan sociale vernieuwing. De raadscommissie heeft
bij dit voorstel de voorwaarde gesteld dat het voorgenomen ouderenbeleid
eveneens zou worden uitgevoerd. Het nieuwe beleid voor sociale vernieuwing
mocht niet ten koste gaan van het ouderenbeleid. In zijn vergadering van
2 juli 1991 heeft de gemeenteraad hetzelfde projectplan besproken en
aangenomen. Daarbij werd afgesproken dat het ouderenbeleid de volle
aandacht zou blijven genieten. Door een van de wethouders werd gewezen op
een ambtelijk capaciteitsprobleem bij gelijktijdig uitvoeren van beide
plannen. Hij deelde mee dat het College die dag had besloten de afdeling
tijdelijk uit te breiden.

Al eerder, op 13 juni, is er een ambtelijke nota gestuurd aan het College.
Daarin wordt melding gemaakt van het aanstaande vertrek van een
medewerkster welzijnszaken. In de nota wordt voorgesteld om de functie
opnieuw te vervullen en daarnaast tot uitbreiding over te gaan in verband
met het werk voor het project sociale vernieuwing en het ouderenbeleid
(wanneer de gemeenteraad het advies van de raadscommissie op dit punt, zie
boven, over zou nemen). In de nota wordt het voorstel gedaan om daarvoor
een gewetensbezwaarde militaire dienst aan te trekken. De voorstellen in
deze nota zijn door het College overgenomen. Hierop is de
selectieprocedure als boven beschreven gebaseerd.

3.7. Uit verklaringen die tijdens het onderzoek ter plaatse zijn afgelegd
door het hoofd Personeelszaken, het hoofd Algemene Zaken en de chef van
de sectie Welzijn en Sport, blijkt onder andere het volgende. Nadat
verzoekster had meegedeeld dat zij zwanger was, hebben deze drie personen
dezelfde dag nog overleg gevoerd. In dat gesprek kwam aan de orde dat er
op korte termijn iemand nodig was. Door haar zwangerschap zou verzoekster
pas na een half jaar ingewerkt kunnen worden. Daarop is de tweede
kandidate uitgenodigd voor een gesprek. De wethouder die verantwoordelijk
was voor het ouderenbeleid (hierna: wethouder A) was in die periode op
vakantie. Zij kwam op 18 augustus terug. Uit de verklaringen van bovenge-
noemde ambtenaren komt naar voren dat deze wethouder meer nadruk wilde
leggen op het ouderenbeleid dan ambtelijk (in de selectiecommissie) tot
dan toe was gebeurd. Na haar terugkeer heeft zij op dit punt haar
ontevredenheid geuit. Uit deze verklaringen komt voorts naar voren dat het
niet gebruikelijk is dat het College zich mengt in selectieprocedures op
dit niveau. Wethouder A deed dat overigens wel vaker. Normaliter wordt bij
functies vanaf schaal 8 bestuurlijk overleg gevoerd bij afwezigheid van
de betrokken wethouder (NB: de onderhavige functie is ingedeeld in schaal
6). Het hoofd Personeelszaken heeft voorts verklaard dat hij in het
telefoongesprek met verzoekster op 30 juli als redenen voor het niet
doorgaan van de voordracht heeft genoemd, de (nieuwe) nadruk op het
ouderenbeleid en het organisatorische probleem dat verzoekster door haar
zwangerschap pas na geruime tijd zou kunnen worden ingewerkt.

3.8. Uit de verklaringen van de twee wethouders die op 3 september de
gesprekken met de beide kandidaten hebben gevoerd (de hierboven genoemde
wethouder A en de hierna met B aan te duiden wethouder) blijkt het
volgende. Beide wethouders zijn verantwoordelijk voor een deel van het
werkterrein van de sectie Welzijn en Sport. Wethouder B kwam begin
augustus terug van vakantie. Hij vond dat het gebeurde in strijd kwam met
de wetgeving gelijke behandeling en wilde het ambtelijke besluit om de
tweede kandidate te benoemen, terugdraaien. Op dit punt vormde hij echter
een minderheid in het College. Hij was van mening dat het ouderenbeleid
niet bij deze functie betrokken had moeten worden. Wanneer verzoekster
haar zwangerschap zou hebben verzwegen was haar benoeming wellicht toch
aangehouden voor overleg binnen het College tot de betrokken bestuurders
weer van vakantie terug waren gekomen. Op het moment van de eerste
voordracht was er namelijk geen quorum aanwezig in het College. Wethouder
A geeft in haar verklaring aan dat zij doorgaans betrokken wil worden bij
selectieprocedures, hoewel ook zij aangeeft dat het uitzonderlijk is dat
er op een ambtelijke voordracht teruggekomen wordt. Zij was het niet eens
met de nota van 13 juni, maar wilde iemand die het ouderenbeleid zou
kunnen opzetten. Met het aantrekken van een gewetensbezwaarde militaire
dienst zou dit naar haar mening onvoldoende uit de verf komen. Bij haar
terugkeer half augustus merkte zij dat er aan twee kandidaten toezeggingen
waren gedaan. Zij heeft daarop samen met wethouder B gesprekken gevoerd
met beide kandidaten en de inhoud (aandacht voor het ouderenbeleid) de
doorslag laten geven. De tweede kandidate had namelijk meer kennis en was
meer ervaren op dit gebied dan verzoekster.

3.9. De standpunten van partijen Verzoekster is van mening dat zij
ongelijk behandeld is op grond van geslacht. Haar zwangerschap heeft er
volgens haar toe geleid dat de oorspronkelijke voordracht aan het College
werd ingetrokken en dat er een andere, voor haar nadelige procedure werd
gevolgd. De argumenten om haar af te wijzen acht zij oneigenlijk. Het
argument van de snelle beschikbaarheid (de tweede kandidate kon direct
beginnen) houdt geen stand omdat zij per 1 september had kunnen beginnen.
Dat er vertraging in de procedure is gekomen was niet aan haar, maar aan
de Gemeente te danken. Dat zij voorts onvoldoende kennis en ervaring zou
hebben werd in eerdere gesprekken niet bezwaarlijk gevonden.

Volgens verzoekster heeft het hoofd Personeelszaken in het telefoongesprek
op 30 juli gezegd dat de reden voor het niet doorgaan van de voordracht
haar zwangerschap was en het feit dat zij wellicht ook ouderschapsverlof
op zou willen nemen.

Volgens verzoekster is het ongebruikelijk dat het bestuur een ambtelijke
voordracht niet overneemt, maar de procedure overdoet, zeker waar het gaat
om een functie op niveau van schaal 6.

3.10. De wederpartij stelt dat het College van Burgemeester en Wethouders
uiteindelijk de benoemende instantie is. Hoewel afwijzing van ambtelijke
benoemingsvoorstellen weinig frequent voorkomt, lag dit in de concrete
situatie voor de hand gelet op de politieke prioriteit voor het
ouderenbeleid. Voor de beslissing van het College hebben -op basis van
andere, helaas in de ambtelijke procedure onvoldoende betrokken-
objectieve factoren de doorslag gegeven. Dat de zwangerschap van
betrokkene tot deze beslissing zou hebben geleid, wijst de wederpartij met
klem van de hand.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij ten aanzien van verzoekster
onderscheid heeft gemaakt naar geslacht bij de behandeling van de
vervulling van de in geding zijnde vacature. Artikel 3 lid 1 WGB schrijft
voor dat het niet is toegelaten bij de behandeling bij de vervulling van
een openstaande betrekking onderscheid te maken naar geslacht. Artikel 1a
WGB legt dezelfde norm neer voor het bevoegd gezag bij de aanstelling tot
ambtenaar respectievelijk bij aanstelling op arbeidsovereenkomst naar
burgerlijk recht. Artikel 1 WGB geeft aan wat in dit verband moet worden
verstaan onder onderscheid. Onderscheid op grond van zwangerschap is een
vorm van direct onderscheid. De wet maakt het niet mogelijk,
rechtvaardigingsgronden aan te voeren voor direct onderscheid anders dan
de in de Wet (artikel 1a lid 3 en artikel 5 WGB) opgenomen uitzonderingen.
Deze uitzonderingen zijn hier niet van toepassing).

4.2. Uit het onderzoek is ten aanzien van de selectieprocedure het
volgende komen vast te staan.

De ambtelijke selectiecommissie besloot aanvankelijk verzoekster als enige
voor te dragen voor aanstelling in de betreffende vacature. Zij heeft dit
verzoekster meegedeeld. Eerst nadat verzoekster had laten weten zwanger
te zijn, heeft de commissie besloten alsnog ook een andere kandidate op
te roepen voor een tweede gesprek. Overweging daarbij was, dat verzoekster
kort na de indiensttreding met zwangerschaps- en bevallingsverlof zou gaan
en zij feitelijk pas na het einde van dit verlof ingewerkt zou kunnen
worden. Daardoor zou verzoekster niet op korte termijn volledig inzetbaar
zijn. Na het gesprek met de andere kandidate, die dat wel zou zijn, heeft
de ambtelijke selectiecommissie besloten om in plaats van verzoekster deze
voor te dragen.

4.3. De Commissie overweegt hierover als volgt.

De Commissie heeft al eerder uitgesproken (Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid, 8 mei 1990, oordeelnummer 172-90-31,
en 18 oktober 1989, oordeelnummer 42-89-13.) dat afwezigheid in verband
met zwangerschap op een lijn gesteld moet worden met de zwangerschap zelf.
Het is immers een onlosmakelijk en onvermijdelijk gevolg daarvan. Nu vast
staat dat (afwezigheid in verband met) zwangerschap de aanleiding was voor
de beslissing van de selectiecommissie om alsnog een tweede kandidate op
te roepen en een doorslaggevende rol speelde bij de beslissing om haar in
plaats van verzoekster voor te dragen, concludeert de Commissie dat de
wederpartij jegens verzoekster direct onderscheid naar geslacht heeft
gemaakt.

4.4. Uit het onderzoek is wat betreft het vervolg van de procedure het
volgende gebleken.

Verzoekster heeft op 31 juli 1991 een klacht ingediend. Daarbij heeft zij
tevens laten weten een aantal voorstellen te hebben om de afwezigheid in
verband met haar zwangerschap te helpen oplossen. Het College van
Burgemeester en Wethouders heeft begin augustus, gelet op het onvoldoende
quorum en de afwezigheid van de verantwoordelijke wethouder, de voordracht
van de ambtelijke selectiecommissie niet besproken. De verantwoordelijke
wethouder heeft na haar terugkomst besloten met verzoekster en de andere
kandidate een nader gesprek te voeren. Zij wilde in de lijn van eerdere
politieke besluitvorming over prioriteitsvelden in de betreffende functie
meer ruimte maken voor aandacht voor het ouderenbeleid. Deze gesprekken
hebben plaatsgevonden op 3 september 1991. De verantwoordelijke wethouder
was van mening dat de andere kandidate beter voldeed aan de gestelde
eisen, met name wat betreft haar inzicht in het veld en ambtelijke
procedures. Haar collega-wethouder was van mening dat de aanvullende eisen
op het terrein van het ouderenbeleid niet hadden mogen worden gesteld,
zeker niet omdat deze pas werden gesteld nadat verzoekster had meegedeeld
zwanger te zijn. Hij meende om die reden dat de aanvankelijke kandidatuur
van verzoekster gehandhaafd moest blijven. Genoemde wethouders hebben geen
expliciete voordracht gedaan aan het College van Burgemeester en
Wethouders. Het College heeft in de vergadering van 3 september 1991 de
andere kandidaat benoemd.

4.5. Ten aanzien van de feiten in deze overweegt de Commissie als volgt.

Het stellen van nadere aanvullende eisen na de eerste selectie- en
benoemingsprocedure getuigt van weinig zorgvuldigheid. Dat geldt te meer
in het onderhavige geval, waarin verzoekster immers al in een eerder
stadium wegens afwezigheid in verband met zwangerschap terzijde is
geschoven ten faveure van een andere kandidaat, en wel, naar nu gebleken
is, in strijd met de wet. De Commissie wijst er voorts op, dat het aan de
wederpartij is, oplossingen te vinden voor problemen tengevolge van
afwezigheid in verband met zwangerschap.

De Commissie heeft desondanks onvoldoende aanknopingspunten om te
concluderen dat afwezigheid in verband met zwangerschap in de tweede
selectie- en benoemingsronde inderdaad een rol heeft gespeeld. Op zich
staat de WGB het de wethouder(s) en het College toe om nadere criteria
betreffende de inhoud van de functie te hanteren en een andere afweging
te maken dan de ambtelijke commissie. De Commissie acht in deze van belang
dat de wethouders alvorens de benoeming in het College te bespreken nog
een nader gesprek hebben gehad met beide kandidaten. Mede tegen deze
achtergrond is de Commissie van mening dat voldoende aannemelijk is
gemaakt, dat de criteria

die in de tweede selectie- en benoemingsronde zijn gehanteerd niet met
(afwezigheid in verband met) zwangerschap van doen hebben.

De Commissie concludeert hieruit, dat niet is komen vast te staan dat de
wederpartij in de selectie- en benoemingsronde in september 1991 in strijd
met de wet onderscheid heeft gemaakt naar geslacht.

5. HET OORDEEL

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het College van Burgemeester
en Wethouders van de Gemeente Elst jegens mevrouw te Elst
in de ambtelijke sollicitatie- en voordrachtsronde jegens haar onderscheid
heeft gemaakt op grond van geslacht in strijd met artikel 3 lid 1 WGB door
de zwangerschap een doorslaggevende betekenis te geven;

dat wat betreft de tweede sollicitatieronde en de daarop volgende
benoeming niet is komen vast te staan dat onderscheid is gemaakt in strijd
met artikel 3 lid en/of artikel 1a WGB.

Rechters

Mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), dhr mr A.W. Heringa (lidKamer), mw mr J.D. Onnen (lid Kamer), mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 18 juni 1993

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


De Hoge Raad bevestigt de uitspraak van de president in kort geding
(RN 1992, 231). Het Hof (RN 1992, 296) heeft miskend dat de ‘window fase’
reeds lang was verstreken. Daarom bied een aids-test ingeval de man sero-
negatief zou zijn de vrouw de zekerheid dat zij niet is besmet. Hiermee
is een voldoende zwaarwegend belang aanwezig om beperking van het
grondrecht van de man te rechtvaardigen.

Volledige tekst


In de jurisprudentie zijn beide benaderingen te vinden. HR 9 januari 1987
NJ 1987 no. 181 (‘Edamse bijstandsmoeder’) ging er kennelijk van uit dat
in de relatie tussen een bijstandstrekker en een haar bespiedende
gemeenteambtenaar die – naar uitdrukkelijk overwogen wordt – ‘als burger’
optrad, art. 8 EVRM rechtstreeks van toepassing was; rechtvaardiging voor
inbreukmakend optreden moest daarom in art. 8 lid 2 worden gevonden. In
HR 2 februari 1990 NJ 1991 no. 289 (een van de Goeree-zaken) schijnt de
indirecte benadering te prevaleren, nu tegenover een beroep op
godsdienstvrijheid zonder veel omhaal naar voren wordt gebracht ‘dat de
door art. 1401 BW tegen beledigende, onnodig grievende en tot
discriminatie uitnodigende uitlatingen geboden bescherming tot die ‘ (door
een aantal bepalingen over godsdienstvrijheid) ’toegelaten beperkingen
moet worden gerekend’. Het grondrecht is dan een van de richtsnoeren
geworden in de belangenafweging.

Deze laatste benadering ligt in een geval als het onderhavige voor de
hand. De bescherming van de lichamelijke integriteit is immers niet, zoals
de godsdienstvrijheid, in het privaatrecht binnengedrongen langs de weg
van de grondwettelijke grondrechtenbescherming. Het is eerder omgekeerd:
privaatrecht en strafrecht hebben in een eeuwenoude traditie de
lichamelijke integriteit beschermd. Dat was reeds zo in de XII tafelen
(blijkens Gaius 3,223); zie ook onder andere art. 1406-1407 BW (oud);
Asser-Hartkamp III (8e druk 1990) no. 35; art. 300-302 en 307-308 Sr.; ook
art. 195 Sv. en HR 2 juli 1990 NJ 1990 no. 751. Pas in 1983 heeft de
grondwetgever dat zo belangrijk gevonden dat hij dit rechtsgoed onder de
grondrechten heeft opgenomen. De privaatrechtelijke betekenis van de
lichamelijke integriteit verandert daarmee niet principieel, al krijgt de
rechter een signaal dat hij haar hoog op de waardenschaal moet plaatsen.

Ook bij rechtstreekse toepassing van art. 10 Gw. moet overigens worden
aangenomen dat art. 1401-oud en art. 6:162 BW een wettelijke grondslag
bieden voor beperking van het grondrecht. Zie daarover met name de noten
van Brunner en Alkema bij HR 24 mei 19856 NJ 1987 no. 1 (straatverbod);
noot Alkema bij HR 2 februari 1990 NJ 1991 no. 289 (Goeree). Deze
opvatting spoort met die van het EHRM: zie de arresten Malone en Chappell,
NJ 1988 no. 534 en 1991 no. 522.

Zie voorts de passage bij Burkens, a.w. p. 148-150, over belangenafweging
bij grondrechtsconflicten, alsmede A.M. Donner in Speculum Langemeijer
(Zwolle 1973) p. 15, en Burkens, Beperking van grondrechten (diss. Utrecht
1971), met name p. 135-141.

Ik wijs er tenslotte op dat de wet verschillende beperkingen toestaat op
de uitoefening van het recht van lichamelijke integriteit jegens de
overheid. Ik verwijs ik dit verband naar dwangmedicatie van psychiatrische
patienten (zie HR 25 september 1981 NJ 1982 no. 541 en art. 38 lid 5 Wet
Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen of BOPZ); naar
onderzoek aan en in het lichaam bij opsporing en vervolging van strafbare
feiten (art. 56, 195 en 539o Sv.; art. 9 lid 5 Opiumwet) en in het
penitentiair regime (art. 29 Gevangenismaatregel); naar lijfsvisitatie in
het douanerecht (art. 87 Algemene Wet); naar ademtest en bloedproef of
urinetest in het in het wegenverkeersrecht (art. 33-33a WVW); naar het
bloedonderzoek bij keuring voor de militaire dienst (art. 12 lid 1
Dienstplichtwet jo. art. 11 lid 1 Dienstplichtbeslissing). De
Commissie-Moons heeft onlangs voorgesteld een bloedonderzoek mogelijk te
maken bij ernstige misdrijven, o.a. verkrachting, ten behoeve van een
DNA-test. Zie voorts G.P.M.F. Mols (red.), Justitieel onderzoek aan en in
het lichaam (Deventer 1990).

Wat de horizontale verhoudingen betreft voeg ik nog toe dat bij
levensverzekeringen boven een bepaald bedrag een HIV-test pleegt te worden
voorgeschreven (Verhey a.w. p. 398-399; J. de Boer preadvies p. 79) en dat
de rechtspraak het opleggen van DNA-onderzoek mogelijk acht bij
vaderschapsacties: Hof De Bosch 1 oktober 190 en 7 mei 1991 NJ 1992 no.
53; Asser-De Ruiter-Moltmaker (14e druk 1992) no. 1075.

Zie, in het algemeen, over het recht op eerbiediging van de persoonlijke
levenssfeer en over dat op lichamelijke integriteit, de bijdragen van G.
Overkleeft-Verburg en P.H. Banda aan: Grondrechten (Opstellen-Jeukens,
Nijmegen 1982) p. 221 en p. 249.

Van de commentaren op de uitspraak van de President in deze zaak noem ik
de noot van A. Sas NJCM-bulletin 1991 p. 564; de korte beschouwingen van
Th. de Roos en Heikelien Verrijn Stuart, Nemesis p. 20 en p. 22; de
discussie tussen Simon, de Meij en Van Maarseveen NJB 1991 p. 1192-1193,
p. 1379-1380 en p. 1631-1632.

Het arrest van het hof is geannoteerd door L.F.M. Verhey NJCM- bulletin
1992 p. 643. Commentaar is te vinden in het reeds aangehaalde artikel van
B. Vermeulen, Nemesis 1992 p. 5.

Zie voorts de recensie van de dissertatie van Verhey door J. de Boer, NJB
1993 p. 178-180; Dorien Pessers NJB 1991 p. 1782.

De nadere overwegingen en het daarin genoemde materiaal geven mij geen
reden terug te komen van mijn eerder bereikte slotsom.

Ik concludeer daarom tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof
te Amsterdam en tot bekrachtiging van het daarbij vernietigde vonnis van
de President van de Rechtbank te Amsterdam.

Noot

Dit arrest geeft een principieel oordeel over de toelaatbaarheid van een
(bij rechterlijke uitspraak) aan een verkrachter opgelegd bevel om een
aids-test te ondergaan opdat de verkrachte vrouw zekerheid krijgt dat zij
niet door hem besmet is. In eerste aanleg oordeelde de Amsterdamse
rechtbankpresident zulks geoorloofd. Naar zijn oordeel was hier sprake van
een botsing tussen beider grondrechten, neergelegd in art. 10 en 11
Grondwet (recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en
onaantastbaarheid van het lichaam) en art. 8 EVRM (recht op eerbiediging
van het prive- leven). Na afweging van de wederzijdse belangen
concludeerde de president dat het belang van de vrouw diende te
prevaleren, en wees haar vordering toe (Pres. Rb. Amsterdam 11 juli 1991,
RN 1992, 231, NJCM Bulletin 1991, p. 560).

In hoger beroep kwam het Hof evenwel tot de slotsom dat geen sprake was
van een botsing van grondrechten. De verkrachting als zodanig vormde
weliswaar een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de
vrouw, en dus een schending van haar grondrecht; in geding was volgens het
Hof echter niet de verkrachting maar enkel de daaruit voortvloeiende
gevolgen, nl. de mogelijke besmetting met het HIV-virus en de daaruit
voortkomende psychische problemen, welke (blijkbaar) geen (voortgezette)
schending van dat grondrecht vormden. Daarentegen zou een gedwongen
aids-test (bloedonderzoek) wel een inbreuk op het grondrecht van de
verkrachter inhouden. Nu een aidstest gezien de ‘window-period’ (de tijd
die na de besmetting met het HIV-virus verstreken moet zijn om de
aanwezigheid van het virus in het lichaam te kunnen vaststellen) geen
zekerheid omtrent besmetting kon bieden en grote terughoudendheid geboden
is bij inbreuken op de lichamelijke integriteit, diende de vordering van
de vrouw afgewezen te worden (Hof Amsterdam 5 maart 1992, RN 1992, 296,
NJCM Bulletin 1992, p. 641).

In cassatie oordeelt de Hoge Raad dat het gelijk bij de president lag. Het
Hof had miskend dat de ‘window period’ reeds lang verstreken was. Derhalve
bood een aids-test ingeval de man sero-negatief zou zijn, de zekerheid dat
de vrouw niet besmet was. Daarmee was er een voldoende zwaarwegend belang
aanwezig om beperking van het grondrecht van de man te rechtvaardigen.

Over deze zaak is reeds veel geschreven. Zie over het vonnis o.a. de
artikelen van Van Driem, De Roos en Verrijn Stuart in Nemesis 1992 nr. 1;
de noot van Sas in NJCM Bulletin 1991, p. 564 e.v.; Van Maarseveen, ‘Aids,
grondrechten en een president,’ NJB 1991, p. 1193, en dez., ‘Naschrift’,
NJB 1991, p. 1379-1380; Simon, ‘Asscher als dorpsoudste schendt
grondrechten,’ NJB 1991, p. 1193; De Meij, ‘Van Maarseveen en de
grondrechten: een gevaarlijke visie’, NJB 1991, p. 1379 en dez.,
‘Nogmaals: Van Maarseveen en de grondrechten’, NJB 1991, p. 1631-1632. Het
arrest van het Hof is geannoteerd door Verhey in NJCM Bulletin 1992, p.
643 e.v. en besproken door ondergetekende in Nemesis 1992 nr. 6, p. 5 e.v.
Het arrest van de Hoge Raad is onlangs met noten van Leenen en Van Veen
verschenen in het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht (TvG) 1993, p. 368
e.v. Bovendien vindt de geinteresseerde lezer een fraai overzicht van de
verschillende standpunten ter zake in de conclusie van A-G Koopmans.
Gezien al deze commentaren volsta ik hier met het plaatsen van
kanttekeningen bij enkele belangrijke punten uit het arrest van de Hoge
Raad.

In een casus waarin aan de orde is of en in welke mate een grondrecht door
een burger tegenover een andere burger ingeroepen kan worden, zijn
verschillende benaderingen mogelijk. Zo zou gesteld kunnen worden dat een
grondrecht (in casu) directe horizontale werking heeft, hetgeen inhoudt
dat de betreffende grondwetsbepaling inclusief de beperkingsclausule als
zodanig op de casus wordt toegepast. Alsdan zijn twee modaliteiten
mogelijk.

(Ia) Volgens het strikte standpunt dient de clausulering in horizontale
verhoudingen (burger-burger) op dezelfde wijze te fungeren als in
verticale verhoudingen (overheid-burger). In verticale relaties zijn
beperkingen slechts geoorloofd indien het betreffende grondrecht zulks
blijkens de daaraan gekoppelde clausulering toelaat, en de op die
clausulering berustende beperkende regeling voldoende specifiek is. De
regels inzake onrechtmatige daad, en zeker de zorgvuldigheidsnorm, zijn
in dit licht bezien niet specifiek.

Als ik het goed zie is dit het standpunt van Leenen als hij schrijft: ‘Het
rechtsgoed dat in artikel 11 [Grondwet] is vervat, is van zodanig zwaar
gewicht – de HR kent er zelfs directe werking aan toe – dat inbreuken
daarop niet via art. 1401 [BW] behoren plaats te grijpen. Als
maatschappelijke verkeersopvattingen [bedoeld is uiteraard de
zorgvuldigheidsnorm] de lichamelijke integriteit kunnen doorbreken en
zelfs gedwongen onderzoek – maar dan misschien ook meer – rechtvaardigen,
dan valt een belangrijke bescherming van de burger weg’ (TvG 1993, p.
379).

Dit standpunt acht ik zeker voor een casus als de onderhavige niet te
verdedigen. In de relatie tussen de (machtige) overheid en de burger ligt
het voor de hand om de eis van een voldoende specifieke wettelijke
grondslag voor grondrechtsbeperkingen in acht te nemen. Toepassing van dit
vereiste op verhoudingen tussen burgers onderling komt er in zaken als
deze echter op neer dat elk zwaarwegend belang van de ene burger – ook de
zwakkere – per definitie heeft te wijken voor een grondrechtenclaim van
de ander, tenzij dat belang geformuleerd is in voldoende specifieke
wetgeving. Ervan uitgaande dat het ondergaan van een gedwongen bloedproef
een aantasting vormt van het (horizontaal werkende) grondrecht op
lichamelijke integriteit, komt dit er in casu op neer dat de vordering van
de vrouw per definitie moet afstuiten op het grondrecht van haar
verkrachter: er is immers geen hierop toegesneden wetgeving voorhanden
waarop zij haar vordering kan gronden. Uitzondering hierop vormt
natuurlijk de situatie waarin ook de vrouw in staat is haar claim in
grondrechtentermen te vertalen. In dat geval ontstaat er echter een
patstelling die niet vanuit het hier geschetste strikte standpunt inzake
horizontale werking op te lossen is: zowel de vrouw als de man kunnen zich
ten behoeve van hun wederzijds uitsluitende claims beroepen op een
grondrecht dat vanwege het ontbreken van specifieke wetgeving niet beperkt
kan worden. Zie hieromtrent nader mijn beschouwing in Nemesis 1992 nr. 6,
p. 7.

(Ib) Een andere opvatting met betrekking tot directe horizontale werking
komt er op neer dat de beperkingsclausule in de verhouding tussen overheid
en burger anders toegepast dient te worden dan in de verhouding tussen
burgers onderling. In verticale verhoudingen dient de clausulering dan zo
opgevat te worden dat alleen specifieke wetgeving grondrechten kan
beperken, terwijl dat in horizontale verhoudingen ook op grond van
niet-specifieke bepalingen als art. 1401 en 6:162 BW mogelijk is. Het
lijkt er op dat de Hoge Raad voor deze modaliteit opteert. De Raad gaat
uit van rechtstreekse toepasbaarheid van art. 11 Grondwet inclusief de
clausulering, maar laat beperkingen op basis van een open norm als de
maatschappelijke zorgvuldigheid (uitsluitend?) in horizontale verhoudingen
toe. Zo overweegt de Raad: ‘Te dier zake kon X zich ook niet met succes
op zijn aan art. 11 Grondwet ontleende grondrecht op de onaantastbaarheid
van zijn lichaam beroepen, nu dit recht zijn grenzen vindt in de bij of
krachtens de wet te stellen beperkingen. In elk geval tussen burgers
onderling [curs. mijnerzijds] kan een zodanige beperking in beginsel
worden gegrond op art. 1401, zulks mede aan de hand van de in dat artikel
besloten liggende normen die het in het maatschappelijk verkeer betaamt
jegens elkaar in acht te nemen.’

Pluspunt van deze overweging is in ieder geval dat de Hoge Raad er blijk
van geeft dat het inroepen van globale normen door de overheid om
grondrechtsbeperkingen te rechtvaardigen problematisch is. Minpunt blijft
dat het grondrecht door deze oprekking van de clausulering zijn normatieve
kracht verliest. Het maakt immers niet uit of het betreffende handelen in
horizontale verhoudingen al dan niet door een grondrecht beschermd wordt.
Zowel in het ene als het andere geval komt het uiteindelijk neer op een
belangenafweging in het kader van onrechtmatige daad. Als ik het wel zie,
maakt het bij deze afweging geen verschil of het betreffende handelen door
een grondrecht beschermd wordt of niet. Tekenend is de overweging van de
Raad dat het bevel tot het ondergaan van de aidstest toelaatbaar is
‘ongeacht of ook aan de zijde van eiseres terecht een beroep op een
grondrecht is gedaan.’

(II) Van de directe horizontale werking van grondrechten valt te
onderscheiden de indirecte horizontale werking, waarbij
grondwetsbepalingen (in de woorden van de A-G) werken ‘als aanwijzing aan
de rechter om in geval van open begrippen grote betekenis toe te kennen
aan bepaalde rechtsgoederen, wegens hun grondrechtelijke status’. Aldus
geformuleerd is indirecte horizontale werking niet problematisch. Het is
evenwel de vraag of het dan nog wel zinvol is hierbij te spreken van
indirecte horizontale werking van grondrechten. Immers, niet kan worden
gezegd dat de betreffende grondwetsbepaling als zodanig ‘werkt’. Met name
blijft hierbij de toepassing van de beperkingsclausule achterwege. (III)
Elders heb ik er dan ook voor gepleit om in dit kader te spreken van de
werking tussen burgers van grondrechtsbeginselen, die (enkel) in verticale
verhoudingen gepositiveerd zijn in de vorm van grondwetsbepalingen, en die
in horizontale verhoudingen (zijn blijven) fungeren als ongeschreven
beginselen. De grondwetsbepalingen zijn in deze opvatting dan ook niet
(direct dan wel indirect) toepasbaar in horizontale verhoudingen, maar
dienen veeleer als aanwijzing om het in die verhoudingen werkende
rechtsbeginsel op te sporen (Nemesis 1992, nr. 6, p. 6 en 8). Het moge
duidelijk zijn dat de Hoge Raad (Vermoedelijk gebeurt iets dergelijks wel
in de publicatieverbods-jurisprudentie, zie mijn commentaar op artikel 7
Grondwet in Akkermans/Koekkoek (red.), De Grondwet, Zwolle 1992, p. 170
en de in noten 198-201 aldaar genoemde jurisprudentie.) en de A-G deze
benadering althans in hun formuleringen niet volgen, vermoedelijk om de
met de Goeree-arresten (HR 5 juni 1987, NJ 1988, 702; HR 2 februari 1990,
NJ 1991, 289.) ingezette lijn te continueren; de facto doen ze dat mijns
inziens wel.

Uitgaande van de opvatting van de Hoge Raad dat in horizontale
verhoudingen ook via art. 1401 BW grondrechtsbeperkingen gesteld kunnen
worden, verliest het vraagstuk of ook de vrouw zich ter ondersteuning van
haar vordering op een grondrecht kan beroepen zijn betekenis; in punt 2.
stipte ik reeds aan dat het bevel tot het ondergaan van de aids-test naar
het oordeel van de Raad geoorloofd is, ongeacht of de vrouw terecht een
beroep op haar grondrecht op lichamelijke integriteit kon doen.

Theoretisch interessant blijft niettemin de vraag of de vrouw – uitgaande
van de mogelijkheid van horizontale werking van het betreffende grondrecht
– zich op dit grondrecht kon beroepen om een gedwongen aids-test te
rechtvaardigen. Opvallend is, dat het in de beschouwingen van zowel het
Hof als de Hoge Raad van doorslaggevend belang geacht wordt of de
psychische ontreddering van de vrouw neerkomt op een voortgezette
aantasting van haar grondrecht, dan wel enkel een gevolg van de aantasting
van haar grondrecht door de verkrachting. A-G Koopmans meent met het Hof
dat het grondrecht op lichamelijke integriteit geschonden wordt door een
fysieke inbreuk, en niet (ook) door de bij het slachtoffer gerezen
psychische gevolgen van die inbreuk. Niettemin komt de A-G anders dan het
Hof toch tot de conclusie dat de aids-test gerechtvaardigd kan worden
vanwege (voorkoming van schending van) een grondrecht aan de zijde van de
vrouw. De psychische schade voortvloeiend uit de angst voor
aids-besmetting kan immers slechts beperkt worden doordat ofwel de man
ofwel de vrouw getest wordt. Indien de man niet aan een test onderworpen
wordt, is de vrouw dus genoodzaakt zelf de test te ondergaan om de
gezochte zekerheid te verkrijgen. In een dergelijke situatie moet volgens
de A-G gesproken worden van een onvrijwillig ondergaan van de test,
hetgeen een inbreuk vormt op het grondrecht op lichamelijke integriteit
van de vrouw. Op het eerste gezicht komt Koopmans’ ingenieuze constructie
nogal gewrongen over. Niettemin lijkt zij mij aanvaardbaar. Terecht acht
hij het door het Hof gehanteerde concept van vrijwilligheid nodeloos
formalistisch. Ik wijs er op dat de jurisprudentie en de doctrine in het
algemeen uitgaan van een ruim begrip van (grondrechtelijke) vrijheid en
beperking van die vrijheid. Zo wordt een rechterlijk gebod (zoals in casu
gewezen) om zich te onderwerpen aan een aids-test op straffe van een
dwangsom als een onvrijwillige beperking van de lichamelijke integriteit
en dus als een beperking van het grondrecht aangemerkt, ook al kan de
betrokkene zich ‘vrijwillig’ aan de test onttrekken door de verbeurde
dwangsom te betalen.(Het in een zaak als deze gebruikelijke rechterlijke
bevel om een aids test te ondergaan is ongetwijfeld onvoldoende
gespecificeerd om vatbaar te Overigens ben ik van mening dat hier een
nogal geforceerd onderscheidzijn voor reële executie.) gemaakt wordt
tussen de grondrechtsschending en de rechtstreeks uit deze schending
voortvloeiende psychische gevolgen. (Het Hof gaat nog verder door te
overwegen (r.o. 5.5, RN 1992, 296) dat niet enkel de psychische
ontreddering maar ook het risico van besmetting geen schending van haar
lichamelijke integriteit vormt, omdat het een gevolg van de verkrachting
en dus een gevolg van de schending van haar lichamelijke integriteit is).
Mijns inziens is het verband in casu dusdanig sterk dat een dergelijk
onderscheid niet gemaakt dient te worden. Aldus wordt immers ten onrechte
volledig voorbijgegaan aan het perspectief van de vrouw. Ongetwijfeld zal
zij haar angst door de verkrachter besmet te zijn, zien als onverbrekelijk
verbonden met de verkrachting, en niet als een van die verkrachting te
isoleren gevolg. Zoals ik elders heb geargumenteerd dient het perspectief
van de betrokkene onder omstandigheden bij de bepaling van de reikwijdte
van een grondrecht mee te wegen. (Zie mijn ‘Wie bepaalt de reikwijdte van
de grondrechten?’, Rechtsfilosofie en rechtstheorie 1992, p. 16 e.v.).
Zulks dient hier te gebeuren. Wat het betekent verkracht te worden, kan
niet adequaat beschreven worden in louter neutrale, fysieke termen; het
kan slechts begrepen worden wanneer mede acht wordt geslagen op de
psychische ervaring van het slachtoffer. Het recht dient zich hiervan
rekenschap te geven. Ik sluit overigens niet uit dat het arbitraire
onderscheid tussen enerzijds de fysieke schending (de verkrachting) welke
een inbreuk op het grondrecht op lichamelijke integriteit vormt en
anderzijds de daaruit voortvloeiende psychische gevolgen welke geen
inbreuk op dit grondrecht vormen, niet aangelegd zou zijn als voldoende
benadrukt was dat hier niet enkel sprake was van schending van de
lichamelijke integriteit, maar ook van de geestelijke integriteit
(beschermd door het recht op persoonlijke levenssfeer). (Opvallend is dat
de Hoge Raad spreekt over de onzekerheid ‘waarvan de aard meebracht dat
zij diep in haar persoonlijk leven ingreep’. Overigens had de verkrachter
zich op de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer beroepen vanwege
de psychische gevolgen die de gedwongen aidstest voor hem met zich mee zou
brengen: zie de conclusie van de A-G, punt 10. Gezien het vervolg van zijn
conclusie ziet de A-G in de psychische gevolgen die een tweede test voor
de vrouw zou hebben als een inbreuk op haar recht op bescherming van de
persoonlijke levenssfeer. Ligt het dan niet voor de hand de psychische
gevolgen van de verkrachting eveneens als een dergelijke inbreuk aan te
merken?).

Hoe moet de verplichting om een aids-test te ondergaan opgevat worden?
Betreft het een vorm van schadevergoeding in natura of wel een plicht de
schade zoveel mogelijk te beperken? De Hoge Raad laat deze vraag rusten
(r.o. 3.2) Eerder heb ik voor de laatstgenoemde variant gepleit (Nemesis
1992, nr. 6, p. 7-8). Waar het hier immers om gaat, is niet het vergoeden
van geleden schade, maar het voorkomen van toekomstige schade (aldus ook
de A-G). Het lijkt er overigens op dat het niet veel verschil maakt voor
de uitkomst welke benadering men kiest: (Zie bijvoorbeeld Pres. Rb. 4
februari 1993, rolnr. KG 93/236A, waar de president het gevraagde bevel
toewijst zonder zich uit te laten over de kwestie of het hier gaat om
schadevergoeding dan wel een schadebeperkende maatregel.) zulks wordt ook
gesuggereerd door de betreffende overwegingen van de Hoge Raad.

Belangrijker is dat de Hoge Raad acht blijkt te slaan op de persoonlijke
beleving van de vrouw. De Raad spreekt van ‘voor de hand liggende,
ernstige emotionele bezwaren’ die de vrouw had tegen het nogmaals
ondergaan van de test. Terecht stelt de Raad niet de eis dat de bezwaren
rationeel zijn. Door de advocate van de vrouw was gesteld dat voor haar
het grootste probleem lag in de spanning die het wachten op de uitslag met
zich bracht. (Zie de noot van Sas, NJCM Bulletin 1991, p. 571). De
window-period was begin april 1991 verstreken, zodat de vrouw toen reeds
door een nieuwe test 100% zekerheid had kunnen krijgen dat zij niet besmet
was. Niettemin liet zij dit na en dagvaardde de verkrachter half juni
1991. Weliswaar hoefde zij bij een toewijzend vonnis in eerste instantie
niet zelf de test te ondergaan, maar de spanning van het wachten zou zij
daarmee niet ontlopen. Bovendien zou zij alsnog zelf getest moeten worden
als zou blijken dat de man seropositief was. Dit moge voor de
buitenstaander nogal ‘onlogisch’ zijn. (In deze zin Sas in de hiervoor
genoemde noot). Het gaat echter niet aan hierom aan de vrouw haar
vordering te ontzeggen. In principe is het aan haar om te bepalen, hoe
door haar geleden schade vergoed dient te worden dan wel hoe toekomstige
schade beperkt kan worden. In zaken als deze is het primair aan het
slachtoffer om te bepalen wat een zinvolle schadevergoeding of
schadebeperking zou zijn; ook hier dient de subjectieve ervaring van de
betrokkene een dominante rol te spelen. Slechts wanneer de gevraagde
maatregel disproportioneel is dan wel geen enkel doel dient – bijvoorbeeld
omdat geen enkele zekerheid omtrent het besmet- zijn geboden wordt – dient
hij geweigerd te worden.

Ben Vermeulen (UU)

Rechters

Mrs. Snijders, Roelvink, Davids, Korthals Altes en Heemskerk.

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 8 juni 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Defensie voert voorkeursbeleid voor vrouwen op het punt van beloning.
Sinds 1990 ontvangt beroepspersoneel tijdens de opleiding geen wedde meer
maar (een lager bedrag aan) zakgeld. Voor het vrouwelijk beroepspersoneel
met een bepaald kortlopend contract is deze zogenaamde zakgeldmaatregel
echter teruggedraaid omadt deze een negatief effect had op de
wervingsresultaten. Commissie stelt vast dat de WGB, en ook hetEuropees
recht, het voeren van een voorkeursbeleid op het punt van beloning niet
verbiedt. Het onderhavige voorkeursbeleid voldoet aan de eisen die de
Commissie al eerder formuleerde voor voorkeursbeleid. Geen strijd met de
Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

Op 6 mei 1991 verzocht de heer te Den Haag (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of de Minister van Defensie (hierna:
de wederpartij) jegens hem onderscheid heeft gemaakt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling.

Verzoeker is als Kort Verband Vrijwilliger (hierna: KVV-er) werkzaam bij
de wederpartij. Tijdens het eerste jaar van zijn (vierjaren)contract werd
hij opgeleid en ontving hij geen bezoldiging maar (een lager bedrag aan)
zakgeld. Vrouwen met een Kort Contract voor Vrouwen (hierna: KCV-sters)
vallen op dit moment niet onder de zakgeldregeling en ontvangen derhalve
ook tijdens de opleidingsperiode de normale bezoldiging. Verzoeker is van
mening dat hier sprake is van ongelijke beloning op grond van geslacht in
strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb.
1989. 168).

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben enkele malen de gelegenheid gehad hun
standpunten schriftelijk toe te lichten.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 7 mei 1992.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker – dhr

van de kant van de wederpartij – dhr (kapitein-luitenant
ter zee) – dhr (luitenant-kolonel)

van de kant van de Commissie – mw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)
– dhr ing. J. van Hemert (lid Kamer) – mw drs J.A.M. Stolwijk (lid Kamer)
– mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

2.3. Naar aanleiding van deze zitting heeft de Commissie besloten het
onderzoek te heropenen (artikel 30 Procedure- reglement) omdat zij over
te weinig informatie beschikte om tot een oordeel te komen. Vervolgens
heeft de wederpartij nadere vragen van de Commissie beantwoord, en is
verzoeker in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

2.4. Hierna is op 6 april 1993 opnieuw een zitting belegd, waarvoor beide
partijen zijn opgeroepen. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker – dhr

van de kant van de wederpartij – dhr (kapitein-luitenant
ter zee) – dhr (luitenant-kolonel)

van de kant van de Commissie – mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter) – mw mr
M. de Rooij (lid Kamer) – mw drs J.A.M. Stolwijk (lid Kamer) – dhr mr W.A.
van Veen (plaatsvervangend lid Kamer) – mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)
– mw mr G.L.M. Lenssen (adjunct-secretaris).

2.5. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.4.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Binnen de krijgsmacht bestaan verschillende contracten voor bepaalde
tijd. Een van deze contracten is het KVV- contract, dat een periode van
vier jaar beslaat (3 september 1990 – 2 september 1994 voor verzoeker).
KVV-ers volgen in de eerste fase van het contract een opleiding, de
zogenaamde initiele opleiding. Het KVV-contract staat open voor zowel
mannen als vrouwen. In augustus 1991 hadden van de 55.128 militairen
10.513 mannen en 1.818 vrouwen een dergelijk contract.

3.2. Een ander contract voor bepaalde tijd, dat sinds 1987 bestaat en van
kortere duur is dan het KVV-contract (namelijk twee a drie jaar), staat
alleen open voor vrouwen. Dit contract biedt vrouwen de mogelijkheid om
gedurende relatief korte tijd kennis te maken met de krijgsmacht,
vergelijkbaar met mannen die de militaire dienstplicht vervullen. Veel
KCV- sters vervullen dan ook functies die ook door dienstplichtigen worden
waargenomen. De arbeidsvoorwaarden van de KCV-sters zijn afgestemd op die
van het beroepspersoneel. Dit betekent dat hun bezoldiging overeenkomt met
die van ander beroepspersoneel. Een verschil is dat KCV-sters niet de
premie krijgen die aan kort verband beroepspersoneel wordt uitgekeerd aan
het einde van het contract. Ook aan het KCV-contract is een
opleidingsperiode verbonden, die maximaal twaalf maanden duurt. In
september 1991 waren er binnen de krijgsmacht 498 KCV- sters.

Het aanbieden van het KCV-contract is onderdeel van het beleid van de
wederpartij om het aandeel van vrouwen in de krijgsmacht te laten
toenemen. Op 1 maart 1990 lag het percentage vrouwen voor de verschillende
krijgsmacht- onderdelen tussen 3,7 en 6,8 %. Het streefcijfer ligt op 8%
voor 1993 (Tweede Kamer vergaderjaar 1990-1991, 21.800 hoofdstuk X, nr.
2, blz. 24). Dit streefcijfer is gebaseerd op de reactie van de
Emancipatieraad op een nota van de wederpartij uit 1985 over het
emancipatiebeleid. In het ‘Plan voor positieve actie voor de integratie
van de vrouw in de krijgsmacht’ uit 1989 (Aangeboden aan de Tweede Kamer
op 15 februari 1989 (nr 20.800 034)) zijn de streefcijfers vervolgens
vastgesteld: 5% vrouwelijk beroepspersoneel in 1989 en 8% in 1993. Tijdens
de tweede zitting gaf de wederpartij aan dat ondanks de
personeelsreducties, waarmee de wederpartij op dit moment te maken heeft,
dit streefcijfer wordt gehandhaafd. Onzeker is wel of het ook gehaald zal
worden. Begin 1991 bedroeg het aandeel van vrouwen 5,2%. Behalve het
aangaan van KCV-contracten met vrouwen, noemt bovengenoemd plan voor
positieve aktie ook andere maatregelen in het kader van voorkeursbeleid,
zoals het recht op herintreding en horizontale instroming, het aanpassen
van fysieke programma’s voor vrouwen, het mogelijk maken van kinderopvang,
ouderschapsverlof en deeltijdarbeid. Eind 1991 zijn daarna nog enkele
aanvullende maatregelen aan het positieve aktie beleid toegevoegd.

3.3. Tot 1 april 1990 ontving het beroepspersoneel, waaronder zowel de
KVV-(st)ers als de KCV-sters, gedurende de gehele duur van hun contract
wedde. Met ingang van 1 april 1990 (Besluit van 6 maart 1990, Staatsblad
1990, 125. De bezoldigingsbesluiten van de onderscheiden
krijgsmachtonderdelen zijn op een later tijdstip (met terugwerkende kracht
tot 1 april 1990) gewijzigd) is dit gewijzigd in die zin, dat
beroepspersoneel jonger dan 25 jaar dat een door de Minister aangewezen
opleiding volgt, tijdens deze opleiding niet langer wedde maar zakgeld
ontvangt (bruto ƒ 811,- per maand per 1 april 1991). (Dit wordt
aangevuld met een toeslag per dag praktische tewerkstelling). Na afloop
van de opleidingsperiode -voor officieren een jaar en de overigen drie
maanden- ontvangt de beroepsmilitair de gebruikelijke wedde, die
afhankelijk is van leeftijd, dienstjaren en rang. De lagere beloning
tijdens de opleiding werkt niet door in deze bezoldiging. Wel wordt de
premie alleen uitgekeerd over de wedde.

Overigens duurt de zakgeldperiode maximaal twaalf maanden, ook wanneer de
opleiding langer duurt, zoals bijvoorbeeld bij sommige
officiersopleidingen. Verzoekers opleiding nam dertien maanden in beslag,
hij ontving gedurende twaalf maanden zakgeld. De wedde gedurende deze
zakgeldperiode zou voor hem ƒ 2.302,- bruto per maand hebben bedragen.
Over het algemeen is de wedde gedurende de opleidingsperiode ruim ƒ
500,- tot ƒ 1.400,- (afhankelijk van leeftijd en rang) hoger dan het
zakgeld.

3.4. Uitgangspunt van de zogenaamde zakgeldmaatregel is, aldus de nota van
toelichting, dat de periode van de initiele opleiding een zuivere
leerperiode is, tijdens welke geen productieve arbeid wordt verricht. De
ambtenaar wordt gedurende deze periode beschouwd als leerling en is als
zodanig niet belast met de uitoefening van een functie. Ter zitting gaf
de wederpartij aan dat de militair bij het vorderen van de opleiding wel
bij een onderdeel kan worden geplaatst, maar plaatsing geschiedt dan boven
de sterkte. Door nu in de opleidingsperiode geen wedde maar een
maandgeld/zakgeld te betalen, wordt aangesloten bij de positie van de
schoolverlater en andere categorieen militairen, waarvoor al langer geldt
dat zij zakgeld ontvangen tijdens de opleidingsperiode.

De wijze van formulering van de zakgeldmaatregel (aanspraak op zakgeld
wanneer een door de Minister aangewezen opleiding wordt gevolgd) laat
ruimte voor het maken van uitzonderingen op de zakgeldmaatregel, namelijk
door opleidingen niet aan te wijzen. Met de vertegenwoordigers van het
personeel is besproken dat van deze uitzonderingsmogelijkheid gebruik kan
worden gemaakt in geval van bijvoorbeeld schaarste op de arbeidsmarkt (Zie
verslag van 9 november 1989 van de werkgroep Financiele Rechtstoestand
(een werkverband vanuit het Centraal Georganiseerd Overleg Militairen, het
CGOM)). Voor technisch personeel is van deze uitzonderingsmogelijkheid al
eens gebruik gemaakt.

In de onderhavige casus betreft het een andersoortige uitzondering op de
zakgeldmaatregel alleen voor een bepaalde groep vrouwen, niet vanwege hun
functie of opleiding maar vanwege hun contract en dus op grond van hun
geslacht. Aanleiding hiervoor waren de wervingsresultaten onder potentiele
KCV-sters na invoering van de zakgeldmaatregel. Onder meer uit klachten
die een Inspecteur-Generaal van het personeel ontving, leidde de
wederpartij af dat de verslechterde wervingsresultaten verband hielden met
de financiele gevolgen van de zakgeldmaatregel. De zakgeld- periode
bestrijkt voor KCV-sters namelijk een relatief groter deel van de
contractuele periode dan bij andere contracten, wat, in combinatie met het
feit dat de KCV-sters geen premie ontvangen, de aantrekkelijkheid van het
contract vermindert. De zakgeldmaatregel is om deze reden met
terugwerkende kracht tot 1 april 1990 niet van toepassing op het
KCV-contract (Daartoe is het Besluit van 6 maart 1990 (zie noot 3)
gewijzigd bij de ministeriele regelingen van 10 juli 1991, nr. P 2845
(Koninklijke Marine) en 17 december 1991, nr. DAVB 91.3634 (Koninklijke
Land- en Luchtmacht)).

3.5. Over het buiten toepassing laten van de zakgeldmaatregel voor
KCV-sters heeft de wederpartij gepubliceerd in de personeelskrant. Ook is
bij de werving benadrukt dat KCV-sters vanaf het begin van het contract
de normale wedde ontvangen.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoeker stelt dat de wederpartij handelt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling door de zakgeldmaatregel buiten toepassing te laten
voor KCV-sters. Hij is van mening dat deze maatregel blijk geeft van een
voorkeursbeleid voor vrouwen op het punt van de beloning. Dat is niet
toegestaan in de wetgeving gelijke behandeling. Verzoeker heeft er begrip
voor dat de zakgeldmaatregel buiten toepassing wordt gelaten wanneer
iemand een bepaalde, schaarse, opleiding heeft gevolgd. In de onderhavige
kwestie is echter iets anders aan de orde. Beroepspersoneel met dezelfde
werkzaamheden en ook dezelfde opleiding, wordt toch ongelijk behandeld.
Dit alleen omdat sprake is van een verschillend contract, waarbij het
KCV-contract bovendien alleen voor vrouwen openstaat. Dit onderscheid in
beloning op grond van geslacht is strijdig met de wetgeving gelijke
behandeling.

Verzoeker staat wel achter het streven van de wederpartij om meer vrouwen
in dienst te nemen. Het buiten toepassing laten van de zakgeldmaatregel
voor vrouwen met een KCV-contract is evenwel niet de juiste manier. Hij
ziet meer in het kritisch omgaan met bijvoorbeeld eisen ten aanzien van
fysieke prestaties, of het verbeteren van faciliteiten als het bieden van
kinderopvang.

Overigens vraagt verzoeker zich af of de wederpartij bij het werven
daadwerkelijk benadrukt dat het buiten toepassing laten van de
zakgeldmaatregel voor KCV-sters onderdeel is van het voorkeursbeleid voor
vrouwen. Enkele KCV-sters met wie hij heeft gesproken, wisten namelijk
niet dat hun mannelijke collega’s (KVV-ers) zakgeld ontvingen.

3.7. De wederpartij stelt dat zij haar voorkeursbeleid heeft toegepast
bij het aanbieden van KCV-contracten met buiten toepassing laten van de
zakgeldmaatregel, welk voorkeursbeleid zij in overeenstemming acht met de
WGB. Geconstateerd was immers een terugval bij de werving van KCV- sters
na het invoeren van de zakgeldmaatregel. Na het toepassen van dit
voorkeursbeleid zijn de wervingsresultaten bij de KCV-sters verdubbeld
(zie tabel). Minder vergaande maatregelen om deze terugval in
wervingsresultaten te keren, heeft zij niet overwogen, wat overigens niet
wegneemt dat ook de algemene maatregelen ter bevordering van het aandeel
van vrouwen in de krijgsmacht, invloed kunnen hebben op de
wervingsresultaten.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
voor invoering zakgeldmaatregel

september 1989 165
maart 1990 221
+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

tijdens de zakgeldmaatregel

september 1990 103
maart 1991 116
september 1991 64
+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

na buiten toepassing laten van de zakgeldmaatregel

maart 1992 128
september 1992 56*
+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

* Deze terugval verklaart de wederpartij uit een neerwaartse bijstelling
van de wervingsinspanning met het oog op de verkleining van de
organisatie.

Voor wat betreft de stelling van verzoeker dat inbreuk wordt gemaakt op
het beginsel van gelijke beloning, stelt de wederpartij dat alleen
onderscheid wordt gemaakt in de opleidingsfase. In deze periode wordt geen
produktieve arbeid verricht, wat betekent dat geen sprake is van beloning.
Dat de opleidingsperiode soms langer is dan de periode waarin zakgeld
wordt ontvangen, doet daar niet aan af. Na de opleidingsperiode is er in
elk geval geen beloningsverschil meer.

De wederpartij wijst er ten slotte op dat zij ook bij andere groepen
personeel dan de KCV-sters gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid de
zakgeldmaatregel buiten toepassing te laten. Bovendien differentieren ook
andere werkgevers de beloning op deze wijze, zoals bijvoorbeeld de
Minister van Financien ten aanzien van groepen inspecteurs.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij handelt in strijd met artikel
1a WGB door KCV-sters uit te zonderen van de zakgeldmaatregel, waardoor
zij tijdens de opleidingsperiode een hogere beloning ontvangen dan degenen
die wel onder de zakgeldmaatregel vallen.

Artikel 1a WGB verbiedt het bevoegd gezag direct of indirect onderscheid
op grond van geslacht te maken, onder meer op het punt van de
arbeidsvoorwaarden. Direct onderscheid kan wel zijn toegestaan wanneer een
wettelijke uitzonderingsgrond van toepassing is. Zo is het op grond van
artikel 5 WGB toegestaan af te wijken van artikel 1a WGB indien het
gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te
plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen.

Het begrip arbeidsvoorwaarden in artikel 1a WGB omvat tevens het element
beloning. De Commissie is van mening dat ook het zakgeld valt onder het
begrip beloning zoals omschreven in de WGB (Het Hof van Justitie van de
EG geeft een ruime interpretatie aan het beloningsbegrip: alle huidige of
toekomstige voordelen in geld of natura, mits deze, zij het ook indirect,
door de werkgever aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking
worden betaald. Aldus onder meer in: Barber versus Guardian Royal Exchange
Assurance Group, arrest van 17-5-1990 in zaak C-262/88). Dat tijdens de
opleidingsperiode mogelijkerwijs geen produktieve arbeid wordt verricht,
doet hier niet aan af. Immers, niet alleen in de krijgsmacht maar over het
algemeen zijn medewerkers in een nieuwe functie in de beginperiode weinig
of niet produktief. Dit betekent echter niet dat daarmee in die beginfase
niet van beloning kan worden gesproken. Bovendien ontbreekt in de
onderhavige casus een directe koppeling tussen de opleidingsperiode en het
zakgeld. Zo nam de opleiding van verzoeker dertien maanden in beslag maar
ontving hij gedurende twaalf maanden zakgeld, wat inhoudt dat hij ook
tijdens de opleiding toch al bezoldiging ontving. Deze situatie is
overigens gelijk aan die voor invoering van de zakgeldmaatregel toen zelfs
tijdens de gehele opleiding een normale bezoldiging werd betaald. Het feit
dat nu een lager bedrag wordt betaald tijdens de opleiding, betekent naar
het oordeel van de Commissie niet automatisch dat daarmee ook het karakter
van de betaling verandert.

4.2. Het buiten toepassing laten van de zakgeldregeling bij KCV-contracten
is een vorm van voorkeursbeleid. De vraag is of voorkeursbeleid bij
beloning is toegestaan en vervolgens of deze vorm van voorkeursbeleid
voldoet aan de eisen die de WGB stelt.

De Commissie overweegt hierover als volgt. Hierboven is reeds aangegeven
dat voorkeursbeleid op het punt van de arbeidsvoorwaarden in algemene zin
is toegestaan. Artikel 5 WGB maakt het immers mogelijk af te wijken van
het bepaalde in artikel 1a WGB. De Commissie stelt vast dat een
uitzondering in de zin van een verbod op het voeren van een
voorkeursbeleid ten aanzien van beloning, niet in de tekst is opgenomen.
Niet in artikel 1a WGB, en ook niet in de artikelen 7 WGB e.v. die op het
punt van de beloning een nadere uitwerking vormen van artikel 1a WGB. De
Commissie concludeert dan ook, dat de WGB de mogelijkheid van het voeren
van een voorkeursbeleid niet beperkt tot die arbeidsvoorwaarden die niet
het loon betreffen. Ook het Europese gemeenschapsrecht noopt niet tot een
andere interpretatie van de WGB. Ook het gemeenschapsrecht kent immers
geen expliciet verbod op het voeren van voorkeursbeleid op het punt van
beloning, terwijl ook hier in algemene zin een voorkeursbeleid op het punt
van de arbeidsvoorwaarden is toegestaan (Richtlijn van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging
van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien
van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de
promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (76/207/EEG).
Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, nr. L 39/40 d.d. 14-2-1976
(artikel 2 lid 4)). De Commissie concludeert hieruit dat het
gemeenschapsrecht geen verplichting geeft tot een andere uitleg van de WGB
dan hierboven vermeld.

4.3. De Commissie heeft reeds eerder de eisen geformuleerd waaraan een
voorkeursbeleid op het punt van werving en selectie dient te voldoen
(Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 9 juli
1990, oordeelnummer 56-90-33):

– Per functiesoort/niveau met een eigen toestroom uit de arbeidsmarkt moet
de achterstand van vrouwen worden vastgesteld. Deze achterstand wordt dan
bepaald door het aandeel van vrouwen in een bepaalde functie
te vergelijken met het relevante potentiele aanbod voor die
functie. – Per functiesoort/niveau moet de intensiteit van het
voorkeursbeleid worden vastgesteld die het meest geschikt en wenselijk
is om de achterstand in te lopen. Deze intensiteit kan in de
tijd varieren, mede afhankelijk van de mate waarin de achterstand van
vrouwen is ingelopen. – In geval van een openlijke aanbieding van een
betrekking moet van het voorkeursbeleid melding worden gemaakt.

Nu de wederpartij met het onderhavige voorkeursbeleid beoogt de
wervingsresultaten te beinvloeden, zal de Commissie dit voorkeursbeleid
toetsen aan de voorwaarden die zij in het algemeen stelt aan
voorkeursbeleid bij werving en selectie. Rekening zal worden gehouden met
de spanning die al snel kan ontstaan tussen het onderhavige
voorkeursbeleid en het beginsel van gelijke beloning, dat eveneens in de
WGB is vastgelegd.

De Commissie stelt vast dat de achterstandssituatie van vrouwen bij de
wederpartij nog steeds bestond in de periode rond de invoering van de
zakgeldmaatregel in 1990. Het aandeel van vrouwen bedroeg toen immers zo’n
5% terwijl het streefcijfer voor 1993 8% is. Opgemerkt moet worden dat het
aantal vrouwen bij de wederpartij, zeer gering is ten opzichte van het
aantal bij andere ministeries. Verder verslechterden de wervingsresultaten
onder KCV-sters in de periode na invoering van de zakgeldmaatregel
(1990/1991). Het ligt voor de hand dat een direct verband bestaat tussen
de maatregel en de achteruitgang in de wervingsresultaten. Dat het aantal
nieuwe KCV-sters terugliep, betekende voor de wederpartij tevens dat de
achterstand van vrouwen in hun mogelijkheden tot kennismaking met de
krijgsmacht, niet werd ingelopen. Het vaststellen van de achterstand van
vrouwen per functiesoort of -niveau is hier niet aan de orde, nu er geen
directe koppeling is tussen de aard van het contract (KVV/KCV) en de soort
of het niveau van de functie. De Commissie leidt uit het bovenstaande dan
ook af dat de achterstandssituatie van vrouwen in de periode 1990/1991 het
voeren van een voorkeursbeleid rechtvaardigde.

Het tweede criterium waaraan getoetst moet worden is, of het
voorkeursbeleid geschikt is om de achterstand van vrouwen op te heffen.
Zoals gezegd, legde de wederpartij de oorzaak voor de terugval in
wervingsresultaten bij de invoering van de zakgeldmaatregel. De overige
toegepaste maatregelen op het gebied van voorkeursbeleid konden deze
terugval in de werving blijkens de overgelegde cijfers, niet opvangen.
Gezien de leeftijdscategorie van de KCV-sters komt het de Commissie dan
ook aannemelijk voor dat het buiten toepassing laten van de
zakgeldmaatregel een geschikte manier is om de werving in positieve zin
te beinvloeden. Dit werd later overigens ook bevestigd in de cijfers over
de werving nadat de zakgeldmaatregel buiten toepassing was verklaard. De
Commissie stelt verder vast dat de hogere beloning die KCV-sters ontvangen
van tijdelijke duur is en niet doorwerkt in de beloning na de
opleidingsperiode. Daarnaast is tevens sprake van een tijdelijke situatie,
nu bij het aantrekken van de werving de zakgeldmaatregel immers opnieuw
kan gaan gelden voor KCV-sters. Gezien deze elementen van tijdelijkheid
die zijn ingebracht in het voorkeursbeleid, oordeelt de Commissie dat
sprake is van een vorm van voorkeursbeleid die enerzijds geschikt is om
het gestelde doel te bereiken, en anderzijds tevens in een redelijke
verhouding staat tot dat beoogde doel.

Voor wat betreft de voorwaarde van bekendmaking ten slotte stelt de
Commissie vast dat ook aan deze eis is voldaan. Personeel dat reeds in
dienst was, is geinformeerd door middel van de personeelskrant, terwijl
ook in wervingscampagnes aandacht is besteed aan de hogere beloning voor
KCV-sters tijdens de opleiding. Wel voegt de Commissie hier aan toe dat,
gezien de opmerkingen van verzoeker terzake, het onder de aandacht brengen
van het specifieke van het onderhavige voorkeursbeleid nog voor
verbetering vatbaar lijkt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Minister van Defensie te
Den Haag geen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt jegens de heer

te Den Haag, in strijd met artikel 1a Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

Rechters

mw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter), dhr ing. J. van Hemert(lid Kamer), mw drs J.A.M. Stolwijk (lid Kamer), mw drs C.M. Sjerps(secretaris).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 7 juni 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij kent aan haar werknemers, ingeval van ziekte, een
aanvulling toe bovenop de ziektewetuitkering. Werknemers die goed
functioneren ontvangen een aanvulling tot 100% van hun loon, gedurende 52
weken. Werknemers die naar het oordeel van de wederpartij slecht
functioneren ontvangen hooguit gedurende 6 weken een aanvulling tot het
minimumloon. Uit haar onderzoek leidt de Commissie af dat er een vermoeden
van indirect onderscheid naar geslacht is. Het ligt op de weg van de
wederpartij om inzichtelijk te maken op grond van welke criteria
werknemers al of niet een aanvulling tot 100% van hun salaris ontvangen.
Alleen in dat geval kan de Commissie controleren of de wederpartij
criteria heeft gebruikt die objectief gerechtvardigd zijn en niets met
onderscheid op grond van geslacht van doen hebben. Op de noodzaak van
‘doorzichtigheid’ heeft de EG-Hof herhaalde malen gewezen. De wederpartij
houdt echter niet systematisch (en niet schriftelijk) bij of een werknemer
goed functioneert. Aldus maakt het toekennen van de aanvulling van de
ziektewetuitkering een enigszins willekeurige indruk. Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 2 september 1991 verzocht mevrouw te Doetinchem (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of te Doetinchem
(hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid maakt/heeft gemaakt op
grond van geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster stelt dat de wederpartij aan mannelijke werknemers die
een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd hebben, in geval van ziekte
in principe gedurende 52 weken de ziektewetuitkering aanvult tot de hoogte
van hun laatstverdiende loon. De wederpartij heeft het loon van
verzoekster, toen deze ziek werd, slechts gedurende zes weken aangevuld
tot de hoogte van het minimumloon. Verzoekster is van mening dat de
wederpartij hiermee in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen handelt.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen. Partijen
hebben ieder meerdere malen de gelegenheid gehad hun standpunten weer te
geven.

2.2. De Commissie heeft een onderzoek ter plaatse ingesteld. De Commissie
is hierbij ondersteund door de Loontechnische Dienst (LTD) van het
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In het kader van dit
onderzoek zijn gesprekken gevoerd met de wederpartij en verzoekster. Van
het onderzoek ter plaatse is een rapport opgemaakt, gedateerd 30 november
1992. Het rapport is aan partijen toegezonden.

2.3. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen te verschijnen
tijdens een zitting op 15 april 1993.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw (verzoekster) – dhr
mr (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij – dhr (directeur) – dhr

(boekhouder) – dhr mr W.C.J. Beekman (advocaat)

van de kant van de Commissie – dhr prof. mr P.F. van der Heijden
(Kamervoorzitter) – mw mr C.B. Mol-Bronkhorst (lid Kamer) – mw mr
I.M.C.V.T. Kiebert (lid Kamer) – mw drs A.J. Huber (lid Kamer) – mw prof.
mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer) – mw mr M.M. Hubner (adjunct-secretaris)

van de kant van de Loontechnische Dienst – dhr M. van ’t Laar.

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een bedrijf dat de op- en overslag van
vriesprodukten, zoals aardappelen, ei-, kaas- en vleesprodukten, alsmede
groente- en fruitprodukten verzorgt. Daarnaast sorteert, verpakt en
distribueert zij het bevroren fruit naar afnemers-niet detailhandel, die
zich merendeels in het buitenland bevinden. Verzoekster is op 13 september
1989 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij een aan de wederpartij
gelieerde vennootschap, als “medewerkster voor alle voorkomende
werkzaamheden”. Haar salaris bedroeg destijds ƒ 2.226,72. Medio december
1989 werd zij overgeplaatst naar het bedrijf van de wederpartij. De
oorspronkelijke arbeidsovereenkomst werd voortgezet.

3.2. Op 25 februari 1991 werd verzoekster arbeidsongeschikt en is dat tot
op heden gebleven. Daarvoor verzuimde verzoekster vanwege ziekte in de
volgende periodes: – 31 oktober 1989 tot en met 26 november 1989 – 25
januari 1990 tot en met 28 januari 1990 – 07 juni 1990 tot en met 27 juli
1990 – 11 september 1990 tot en met 04 november 1990 – vanaf 25 februari
1991 tot heden.

Verzoekster ontving in verband met haar arbeidsongeschiktheid op 25
februari 1991 een ziektewetuitkering. De wederpartij heeft de
ziektewetuitkering gedurende 6 weken aangevuld tot aan het geldende
minimumloon. Daarna staakte de wederpartij de aanvulling van de
ziektewetuitkering.

3.3. Een door verzoekster gemachtigde rechtshulpverlener heeft de
wederpartij aangeschreven bij brief van 28 mei 1991. Daarin stelt hij dat
de Algemeen Verbindend Verklaarde CAO voor de Groothandel in Aardappelen,
Groente en Fruit van toepassing is. Een gevolg daarvan is, aldus de
gemachtigde, dat het loon van verzoekster hoger zou moeten zijn en dat de
wederpartij het volledige loon zou moeten doorbetalen. De gemachtigde doet
tevens een beroep op de wetgeving gelijke behandeling van mannen en
vrouwen. Hij stelt dat aan de mannelijke collega’s het loon wel volledig
en onbeperkt doorbetaald wordt bij afwezigheid wegens ziekte, en aan
verzoekster, de enige vrouwelijke medewerker, niet.

De wederpartij heeft hierop geantwoord dat het bedrijf niet valt onder de
genoemde CAO, maar dat zij richtlijnen van de Vereniging van Nederlandse
Koel- en Vrieshuizen toepast. Met betrekking tot het tweede punt schrijft
de wederpartij dat zowel mannelijke als vrouwelijke werknemers die in haar
bedrijf een goede mentaliteit ten toon spreiden, tijdens ziekte 100% van
hun loon doorbetaald krijgen.

3.4. Verzoekster heeft aan de Commissie een lijst overgelegd met namen van
de personeelsleden (15 mannen en 9 vrouwen) die bij de wederpartij
werk(t)en. De wederpartij heeft eveneens gegevens overgelegd over haar
personeelsbestand, waaronder ook die van verzoeksters eerste werkgever.
Er werken gemiddeld ongeveer 55 mensen in het bedrijf, waarvan een
gedeelte op uitzendbasis. Uitzendkrachten staan niet op de lijst vermeld.
De meeste werknemers komen in eerste instantie via het uitzendbureau bij
de wederpartij terecht. Bij gebleken geschiktheid biedt de wederpartij hen
een arbeidsovereenkomst voor zes maanden aan. De wederpartij verlengt deze
arbeidsovereenkomsten doorgaans.

De wederpartij heeft eveneens aangegeven welke werknemers een aanvulling
tot 100% van het loon ontvangen (hebben), uitgesplitst naar soort contract
(voor onbepaalde tijd of niet) en naar geslacht.

3.5. Uit de overgelegde gegevens blijkt het volgende:

Gegevens over het personeel van beide vennootschappen gezamenlijk
(peildatum oktober 1991):

mannen

100% 6 weken totaal minimumloon

arbeidsovereenkomst 15 13 28 onbepaalde tijd

arbeidsovereenkomst — 2 2 bepaalde tijd

totaal 15 15 30

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
vrouwen

arbeidsovereenkomst 2 6 8 onbepaalde tijd

arbeidsovereenkomst — 5 5 bepaalde tijd

totaal 2 11 13

Van de 30 mannen komen er 15 in aanmerking voor een aanvulling tot 100%
(=50%). Van de 13 vrouwen zijn dat er twee (=ongeveer 15%). Dus meer dan
drie keer zoveel mannen als vrouwen komen in aanmerking voor de 100%
aanvulling.

Niet alle werknemers die in aanmerking zouden komen voor een aanvulling
tot 100% van hun salaris zijn ook daadwerkelijk ziek geweest. Van de 28
mannen hebben er 14 daadwerkelijk een 100%- aanvulling ontvangen (=50%).
Van de 10 vrouwen heeft er een daadwerkelijk een 100%-aanvulling ontvangen
(=10%).

Gegevens over het personeel van de wederpartij (peildata oktober 1991 en
19 mei 1992): Van de 21 mannen komen er in oktober 1991 12 in aanmerking
voor een aanvulling tot 100% (=ongeveer 57%). Van de negen vrouwen zijn
dat er twee (=ongeveer 22%). Dus meer dan 2® keer zoveel mannen als
vrouwen die werkzaam zijn bij de wederpartij komen in aanmerking voor de
100%-aanvulling.

De gegevens in het Commissierapport met peildatum 19 mei 1992 laten een
soortgelijk beeld zien: Van de 22 mannen die werkzaam zijn bij de
wederpartij komen er 14 in aanmerking voor een 100% aanvulling (=ongeveer
64%). Van de acht vrouwen komen er twee in aanmerking voor 100%-aanvulling
(=25%). Dus meer dan 2® keer zoveel mannen als vrouwen komen in aanmerking
voor de aanvulling tot 100%.

3.6. De Commissie heeft een onderzoek ter plaatse ingesteld. Daaruit is
onder andere het volgende gebleken: – Er is een man geweest met een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die wel een aanvulling heeft
gekregen, doch dit moet volgens de wederpartij als een uitzondering gezien
worden. In principe komen alleen werknemers met een arbeidsovereenkomst
voor onbepaalde tijd in aanmerking voor een aanvulling. – Werknemers die
niet in aanmerking komen voor een aanvulling tot 100% van het eigen
salaris zijn gemiddeld meer dagen arbeidsongeschikt dan de werknemers die
wel in aanmerking komen voor die aanvulling (periode 1-1-1991 tot en met
31-5-1992). – Produktiemedewerkers zijn gemiddeld meer dagen
arbeidsongeschikt dan niet-produktiemedewerkers. – Er zijn relatief meer
vrouwen werkzaam in de produktie dan mannen (acht van de negen vrouwen
tegenover 15 van de 29 mannen). – Ziekteverzuim is voor de wederpartij
niet de enige reden om een aanvulling te weigeren. Zo zijn er drie
produktiemedewerkers (twee mannen en een vrouw) die tevoren niet
arbeidsongeschikt zijn geweest en toch geen aanvulling ontvangen hebben.
Hen is een aanvulling geweigerd omdat zij niet goed zouden functioneren.
– Het niet-produktie personeel ontvangt zonder onderscheid een aanvulling
tot 100% van het salaris.

Overige bevindingen uit het Commissierapport: Wederpartij stelt dat zowel
het functioneren als het ziekteverzuim bepalend zijn voor het wel of niet
in aanmerking komen voor een 100%-aanvulling. De beoordeling van het
functioneren van werknemers vindt plaats door de directie samen met de
bedrijfsleiders. Hiervan is en wordt niets schriftelijk vastgelegd. Voor
het begrip ziekteverzuim worden geen duidelijke maatstaven gehanteerd. Er
is geen eenduidige relatie tussen het aantal ziektedagen en het wel of
niet in aanmerking komen voor een aanvulling tot 100% van het salaris.

De standpunten van partijen

3.7. Verzoekster stelt het volgende. Allereerst merkt verzoekster op dat
er in het rapport geen onderscheid wordt gemaakt tussen de beide
vennootschappen, terwijl zij van mening is dat alleen gekeken moet worden
naar het personeelsbestand van de wederpartij. De wederpartij maakt
gebruik van werknemers/sters die op basis van een contract voor bepaalde
tijd -meestal zes maanden- werken. Deze laatste groep krijgt volgens
verzoekster, behoudens het bepaalde in 7A:1638c BW, nimmer een aanvulling
op de ziektewetuitkering. Zij was de enige vrouwelijke werkneemster die
op het moment dat zij arbeidsongeschikt werd, in vaste dienst bij de
wederpartij werkte. Zij is het om die reden dan ook niet eens met de in
het rapport genoemde conclusie van de wederpartij dat er destijds zes
vrouwen in vaste dienst werkten.

De stelling van de wederpartij dat er twee vrouwen in vaste dienst op het
bedrijf waren die recht zouden kunnen doen gelden op een bovenwettelijke
uitkering, is naar mening van verzoekster niet controleerbaar en
aanvechtbaar. Dit klemt temeer daar het hier twee collega’s betreft,
waarvan er een nog nooit ziek is geweest, en een tweede slechts een dag.
Deze dag valt bovendien niet onder de bovenwettelijke uitkering, maar
onder het regime van artikel 7A:1638c BW. Verzoekster concludeert dat de
wederpartij er een onnavolgbaar systeem op nahoudt. Wie komt er nu wel en
wie niet en vooral wanneer in aanmerking voor een aanvulling? Het is ook
de vraag op welk moment iemand te horen krijgt dat hij of zij recht kan
doen gelden op een aanvulling.

Verzoekster betwist verder het standpunt van de wederpartij dat zij haar
werk niet goed verrichtte. Dit is naar haar mening niet correct en
bovendien niet relevant. Het criterium ‘goed functioneren’ als voorwaarde
voor aanvulling van een ziektewetuitkering tot 100% van het loon is
namelijk nimmer ter sprake gebracht. Haar mannelijke collega’s krijgen
zonder uitzondering een aanvulling tot 100% van het laatstverdiende loon
in geval van ziekte, zonder dat daarbij het criterium wordt aangelegd of
zij goed functioneren. Aangezien zij geen 100%-aanvulling tot de hoogte
van haar loon krijgt en haar mannelijke collega’s wel, is daarmee naar
haar mening het vermoeden gewettigd dat de wederpartij een verboden
onderscheid maakt tussen haar en haar mannelijke collega’s.

Verzoekster brengt nog naar voren dat haar arbeidsongeschiktheid
voortvloeit uit het voortdurend werken met koude produkten bij de
wederpartij. Met betrekking tot de AVV-CAO merkt verzoekster op dat deze
AVV-CAO niet van toepassing was in de periode van 1 maart tot 4 september
1991 en van 4 september 1991 tot 1 maart 1993. Naar de mening van
verzoekster miste zij op het moment van arbeidsongeschiktheid derhalve een
rechtstreekse aanspraak op deze CAO, en was het niet duidelijk of en
wanneer deze aanspraak zou herleven.

Gezien het bovenstaande is het volgens verzoekster nog steeds zo, dat zij
de enige vrouwelijke kracht was die op grond van haar arbeidsovereenkomst
bij de wederpartij in vaste dienst was. Daarmee was zij de enige vrouw die
potentieel in aanmerking zou kunnen komen voor een aanvulling. Ook al zou
verzoekster niet de enige vrouw geweest zijn die voor onbepaalde tijd in
dienst was bij de wederpartij, dan nog is in het rapport van de Commissie
aangetoond dat vrouwen in mindere mate dan mannen in aanmerking komen voor
een aanvulling op een eventuele uitkering krachtens de Ziektewet. Hiermee
laadt de wederpartij een vermoeden van indirect onderscheid op zich. De
vrouwelijke werknemers verrichten werk dat een hoger verzuimrisico met
zich brengt (aan de lopende band), terwijl juist ‘verzuim’ een criterium
voor de wederpartij vormt om al dan niet een aanvulling op de
ziektewetuitkering toe te kennen.

3.8. De wederpartij brengt het volgende naar voren. Allereerst houdt zij
staande dat de eerder genoemde CAO niet van toepassing is. Ter toelichting
hierop brengt zij, kort samengevat, naar voren dat zij louter een
dienstverlenend bedrijf is dat zelf geen handel doet en enkel werkt in
opdracht van derden. Het sorteren en verpakken van fruit en aanverwante
produkten is slechts een nevenactiviteit.

Met betrekking tot het in geding zijnde geschil stelt de wederpartij het
volgende. Voor haar geldt maar een criterium: het al dan niet gemotiveerd
werken. Voldoet men niet aan dit criterium, dan beperkt de aanvulling zich
tot de eerste zes weken van de ziekte. De stellingen van verzoekster zijn
dan ook om twee redenen onjuist: In de eerste plaats zijn er zowel vrouwen
als mannen met wie contracten voor onbepaalde tijd zijn gesloten.
Bovendien zijn er mannelijke werknemers die evenmin in aanmerking zijn
gekomen voor onbeperkte aanvulling van de ziektewetuitkering. Uit de
gegevens blijkt immers dat vier mannelijke werknemers met een contract
voor onbepaalde tijd geen aanvulling tot 100% van hun loon ontvangen
hebben. Ook zij hebben slechts gedurende zes weken een aanvulling tot het
minimumloon gekregen.

In het geval van verzoekster heeft de wederpartij gemeend de aanvulling
op de ziektewetuitkering ex artikel 7A:1638c BW te moeten beperken tot zes
weken. De wederpartij noemt daarvoor de volgende redenen: – Verzoekster
heeft zich bij collega’s weinig bemind gemaakt, om welke reden zij ook is
overgeplaatst van de ene vestiging naar de andere (zij heeft zich weinig
vleiend uitgelaten over buitenlandse collega’s). – Zij stelde zich ook op
de nieuwe vestiging weinig collegiaal op. Zij was veelvuldig ziek. De
wederpartij betwist overigens dat dit een gevolg is van het werken met
diepvriesprodukten. – Verzoekster heeft nadat de zes weken-periode om was,
geeist dat haar uitkering onbeperkt aangevuld zou worden. Zij heeft aan
de wederpartij meegedeeld dat zij lange tijd ziek thuis zou blijven indien
de wederpartij haar niet tegemoet zou komen. Zij heeft ook gezegd dat de
wederpartij dan in de problemen zou komen, omdat zij immers altijd gebrek
aan mensen heeft.

De wederpartij meent op grond van bovenstaande dat zij een goede keus
heeft gemaakt door verzoekster slechts gedurende zes weken het minimumloon
door te betalen.

De wederpartij concludeert dat uit het onderzoek van de Commissie is
duidelijk geworden dat zij op geen enkele wijze direct onderscheid maakt
naar geslacht. Blijft de vraag over of zij indirect onderscheid naar
geslacht maakt. Duidelijk is dat zij bij het nemen van de maatregel (wel
of niet aanvullen) niet heeft gekeken naar het effect van die maatregel
voor wat betreft het maken van onderscheid. Voor de wederpartij is slechts
belangrijk de juiste instelling, die overigens kan blijken uit de mate van
ziekteverzuim. In geval van een goed gemotiveerde werknemer is een
langdurige ziekteperiode geen enkel beletsel voor een aanvulling. Zij
begrijpt heel goed dat haar beleid met betrekking tot de vraag: wel of
geen aanvulling op basis van wel of niet goed functioneren, vraagtekens
oproept. Zij acht dat beleid echter verdedigbaar en tracht daarbij zoveel
mogelijk de redelijkheid in acht te nemen. Tot echte problemen heeft dat
nooit geleid. Dat vrouwen eerder en vaker ziek zijn, is niet zozeer een
gevolg van arbeidsomstandigheden in het bedrijf, als wel van het feit dat
het werk aan de lopende band, waaraan de meeste vrouwen werken,
geestdodend is. Dat vrouwen aan de lopende band vaker ziek zijn, zegt
niets over hun instelling. De meesten van hen ontvangen een aanvulling.
Cliente vermag dan ook niet in te zien dat vrouwen (meer) benadeeld
worden. Van benadeling is pas sprake wanneer iemand iets onthouden wordt,
waarop men recht heeft.

Van een verboden onderscheid tussen mannen en vrouwen is volgens de
wederpartij geen sprake. Zij verzoekt de Commissie dan ook de klacht af
te wijzen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in de arbeidsvoorwaarden
jegens verzoekster onderscheid maakt op grond van geslacht in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

4.2. Alvorens bovenstaande vraag te beantwoorden, overweegt de Commissie
het volgende. Partijen verschillen van mening over de vraag of de reeds
eerder genoemde CAO van toepassing is. Het is echter niet de wettelijke
taak van de Commissie om uitsluitsel te geven over de uitleg van
CAO-bepalingen. De taak van de Commissie is, na te gaan of de wederpartij
in strijd met de bepalingen van de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen handelt.

4.3. Verzoekster stelt primair dat de wederpartij direct onderscheid naar
geslacht maakt omdat zij, als enige vrouw met een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd, geen aanvulling tot 100% van haar loon ontvangt nadat de
periode van zes weken verstreken is. Subsidiair stelt zij dat de
wederpartij indirect onderscheid naar geslacht maakt, omdat meer mannen
dan vrouwen in aanmerking komen voor de bewuste aanvulling. Verzoekster
licht haar laatste stelling als volgt toe: Een werknemer ontvangt
100%-aanvulling indien hij of zij goed functioneert. Of iemand goed
functioneert kan volgens de wederpartij tot uiting komen in de mate van
ziekteverzuim. Deze maatregel werkt in het nadeel van vrouwen, aangezien
gebleken is dat werknemers aan de lopende band vaker verzuimen vanwege het
eentonige werk. Het zijn juist veelal vrouwen die aan de lopende band
werken.

4.4. Artikel 7A:1637ij lid 1 BW bepaalt dat de werkgever geen onderscheid
mag maken tussen mannen en vrouwen in de arbeidsvoorwaarden. Het vijfde
lid van 7A:1637ij BW geeft aan wat onder indirect onderscheid wordt
verstaan: onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan het geslacht,
dat onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit
onderscheid objectief gerechtvaardigd is.

Indirect onderscheid ontstaat wanneer het nadelig effect van een
regeling/criterium in overwegende mate personen van een geslacht treft,
terwijl daarvoor geen of onvoldoende objectieve rechtvaardigingsgronden
aanwezig zijn.

4.5. De Commissie gaat bij de beoordeling van de gegevens uit van het
personeelsbestand van beide vennootschappen. Hoewel deze formeel
gescheiden zijn, is er in de praktijk sprake van een bedrijf. Bovendien
wordt het gevoerde beleid ook op beide vestigingen toegepast.

De Commissie is van oordeel dat er geen sprake is van direct onderscheid
naar geslacht. Uit haar onderzoek is gebleken dat er op 19 oktober 1991,
twee vrouwen in aanmerking kwamen voor aanvulling op de ziektewetuitkering
tot 100% van hun loon. Een vrouw heeft die aanvulling daadwerkelijk
ontvangen. Het geslacht van de werknemer is derhalve voor de wederpartij
niet bepalend voor wat betreft het al of niet toekennen van een aanvulling
tot 100% van het salaris.

4.6. Uit haar onderzoek leidt de Commissie wel af dat er een vermoeden van
indirect onderscheid naar geslacht is. Uit de gegevens (zie paragraaf
3.5.) blijkt immers duidelijk dat veel meer mannen dan vrouwen in
aanmerking komen voor een onbeperkte aanvulling op de ziektewetuitkering
tot 100% van het laatstgenoten salaris en dat veel meer mannen dan
vrouwen deze ook daadwerkelijk ontvangen (hebben).

De vraag die vervolgens beantwoord moet worden, is of de wederpartij
hiervoor een objectieve rechtvaardigingsgrond kan aandragen. Onder een
objectieve rechtvaardigingsgrond wordt verstaan (Zie Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij

de arbeid, d.d. 5 maart 1990, oordeelnummer 1-90-10, Oordelenbundel I; Hof
van Justitie van de Europese Gemeenschappen, Bilka- Kaufhaus versus Weber
von Hartz, d.d. 13 mei 1986, zaak 170/84; Rinner-Kuhn versus FWW Spezial
Gebaudereinigung GmbH

& Co.KG, zaak 171/88, d.d. 13 juli 1989.) – dat het onderscheid gemaakt
wordt om een objectief gerechtvaardigd doel te dienen en – daartoe
middelen zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te
bereiken, terwijl – dit doel niet is te bereiken op andere wijze waarbij
geen indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

Het ligt op de weg van de wederpartij om inzichtelijk te maken op grond
van welke criteria werknemers al of niet een aanvulling tot 100% van hun
salaris ontvangen. Alleen in dat geval kan de Commissie controleren of de
wederpartij criteria heeft gebruikt die objectief gerechtvaardigd zijn en
niets met onderscheid op grond van geslacht van doen hebben. Het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft verschillende malen gewezen
op de noodzaak van ‘doorzichtigheid’ (Zie: – Commissie van de EG tegen
Frankrijk, arrest van 30 juni 1988 in zaak 318/86; Jurisprudentie 1988,
3559; – Handels- og Kontorfunktionaerernes Forbund i Danmark tegen Dansk
Arbejdsgiverforening, optredend voor Danfoss, 17 oktober 1990 in zaak
109/88; Jurisprudentie 1989, 3199; – Barber tegen Guardian Royal Exchange
Assurance Group, 17 mei 1990 in zaak C-262/88; Nemesis 1990, nr. 116. Het
EG-Hof verwijst in de Barber-zaak naar het Danfoss- arrest (hierboven),
waarin het heeft gewezen op het fundamentele belang van doorzichtigheid
en in het bijzonder van de mogelijkheid van controle door de nationale
rechter, ten einde iedere discriminatie op grond van geslacht te voorkomen
en, zo nodig, op te heffen. Het Hof overweegt: “Aangaande de methode om
naleving van het beginsel van gelijke beloning te controleren, moet worden
vastgesteld, dat wanneer de nationale rechterlijke instanties de voordelen
van verschillende aard die naargelang de omstandigheden aan mannelijke en
vrouwelijke werknemers worden toegekend, zouden moeten beoordelen en
vergelijken, de rechterlijke controle moeilijk zou zijn en de
doeltreffendheid van artikel 119 dientengevolge sterk zou worden verzwakt.
Hieruit volgt, dat werkelijke doorzichtigheid, waardoor een doeltreffende
controle mogelijk is, slechts is verzekerd, wanneer het beginsel van
gelijke beloning op elk onderdeel van de aan mannelijke en vrouwelijke
werknemers toegekende beloning van toepassing is.”).

Uit het onderzoek ter plaatse is gebleken dat de beoordeling van het
functioneren mede werd bepaald door de mate van ziekteverzuim van de
desbetreffende werknemer, maar niet alleen daardoor. De wederpartij heeft
bijvoorbeeld ook opgemerkt dat sommige werknemers ‘wisselvallig’
functioneren. De wederpartij houdt echter niet systematisch (en niet
schriftelijk) bij of een werknemer goed functioneert. Er worden geen
functioneringsgesprekken gevoerd. Bovendien heeft de wederpartij aan de
Commissie niet duidelijk gemaakt wat zij precies onder ‘wisselvallig’
functioneren verstaat. Verder is gebleken dat niet-productiemedewerkers
zonder onderscheid de 100% aanvulling ontvangen, omdat de wederpartij deze
werknemers kennelijk meer vertrouwt. Aldus maakt het toekennen van de
aanvulling van de ziektewetuitkering een enigszins willekeurige indruk.

Aangezien de Commissie op grond hiervan niet kan beoordelen of de regeling
die de wederpartij hanteert, en die in het nadeel van vrouwen uitwerkt,
in feite niets met onderscheid op grond van geslacht van doen heeft, maakt
de wederpartij hiermee indirect onderscheid naar geslacht.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Doetinchem jegens mevrouw
te Doetinchem indirect onderscheid naar geslacht maakt/heeft gemaakt in
strijd met artikel 7A:1637ij lid 1 BW, door haar ziektewetuitkering niet
gedurende 52 weken aan te vullen tot 100% van haar eigen salaris.

Rechters

Dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter), mw mr C.B.Mol-Bronkhorst (lid Kamer), mw mr I.M.C.V.T. Kiebert (lid Kamer) – mw drsA.J. Huber (lid Kamer), mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer), mw mrM.M. Hubner (adjunct- secretaris).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 7 juni 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster stelt dat haar werkgever onderscheid maakt op grond van
geslacht. Zij heeft, als enige vrouw met een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd, geen aanvulling op haar ziektewetuitkering tot honderd
procent van haar loon ontvangen nadat de periode van zes weken is
verstreken. De Commissie oordeelt dat er geen sprake is van direct
onderscheid omdat een van de twee vrouwen die in dienst waren deze
aanvulling daadwerkelijk heeft ontvangen. De regeling die de werkgever
hanteert is echter in algemene zin wel nadelig voor vrouwen en daarmee
maakt de werkgever indirect onderscheid.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 2 september 1991 verzocht mevrouw te Doetinchem (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of
te Doetinchem (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid
maakt/heeft gemaakt op grond van geslacht in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster stelt dat de wederpartij aan mannelijke werknemers die
een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd hebben, in geval van ziekte
in principe gedurende 52 weken de ziektewetuitkering aanvult tot de hoogte
van hun laatstverdiende loon. De wederpartij heeft het loon van
verzoekster, toen deze ziek werd, slechts gedurende zes weken aangevuld
tot de hoogte van het minimumloon. Verzoekster is van mening dat de
wederpartij hiermee in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen handelt.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen. Partijen
hebben ieder meerdere malen de gelegenheid gehad hun standpunten weer te
geven.

2.2. De Commissie heeft een onderzoek ter plaatse ingesteld. De Commissie
is hierbij ondersteund door de Loontechnische Dienst (LTD) van het
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In het kader van dit
onderzoek zijn gesprekken gevoerd met de wederpartij en verzoekster. Van
het onderzoek ter plaatse is een rapport opgemaakt, gedateerd 30 november
1992. Het rapport is aan partijen toegezonden.

2.3. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen te verschijnen
tijdens een zitting op 15 april 1993.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw (verzoekster) – dhr
mr (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij – dhr (directeur) – dhr
(boekhouder) – dhr mr W.C.J. Beekman (advocaat)

van de kant van de Commissie – dhr prof. mr P.F. van der Heijden
(Kamervoorzitter) – mw mr C.B. Mol-Bronkhorst (lid Kamer) – mw mr
I.M.C.V.T. Kiebert (lid Kamer) – mw drs A.J. Huber (lid Kamer) – mw prof.
mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer) – mw mr M.M. Hubner (adjunct-secretaris)

van de kant van de Loontechnische Dienst – dhr M. van ’t Laar.

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een bedrijf dat de op- en overslag van
vriesprodukten, zoals aardappelen, ei-, kaas- en vleesprodukten, alsmede
groente- en fruitprodukten verzorgt. Daarnaast sorteert, verpakt en
distribueert zij het bevroren fruit naar afnemers-niet detailhandel, die
zich merendeels in het buitenland bevinden. Verzoekster is op 13 september
1989 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij een aan de wederpartij
gelieerde vennootschap, als “medewerkster voor alle voorkomende
werkzaamheden”. Haar salaris bedroeg destijds ƒ 2.226,72. Medio december
1989 werd zij overgeplaatst naar het bedrijf van de wederpartij. De
oorspronkelijke arbeidsovereenkomst werd voortgezet.

3.2. Op 25 februari 1991 werd verzoekster arbeidsongeschikt en is dat tot
op heden gebleven. Daarvoor verzuimde verzoekster vanwege ziekte in de
volgende periodes: – 31 oktober 1989 tot en met 26 november 1989 – 25
januari 1990 tot en met 28 januari 1990 – 07 juni 1990 tot en met 27 juli
1990 – 11 september 1990 tot en met 04 november 1990 – vanaf 25 februari
1991 tot heden.

Verzoekster ontving in verband met haar arbeidsongeschiktheid op 25
februari 1991 een ziektewetuitkering. De wederpartij heeft de
ziektewetuitkering gedurende 6 weken aangevuld tot aan het geldende
minimumloon. Daarna staakte de wederpartij de aanvulling van de
ziektewetuitkering.

3.3. Een door verzoekster gemachtigde rechtshulpverlener heeft de
wederpartij aangeschreven bij brief van 28 mei 1991. Daarin stelt hij dat
de Algemeen Verbindend Verklaarde CAO voor de Groothandel in Aardappelen,
Groente en Fruit van toepassing is. Een gevolg daarvan is, aldus de
gemachtigde, dat het loon van verzoekster hoger zou moeten zijn en dat de
wederpartij het volledige loon zou moeten doorbetalen. De gemachtigde doet
tevens een beroep op de wetgeving gelijke behandeling van mannen en
vrouwen. Hij stelt dat aan de mannelijke collega’s het loon wel volledig
en onbeperkt doorbetaald wordt bij afwezigheid wegens ziekte, en aan
verzoekster, de enige vrouwelijke medewerker, niet.

De wederpartij heeft hierop geantwoord dat het bedrijf niet valt onder de
genoemde CAO, maar dat zij richtlijnen van de Vereniging van Nederlandse
Koel- en Vrieshuizen toepast. Met betrekking tot het tweede punt schrijft
de wederpartij dat zowel mannelijke als vrouwelijke werknemers die in haar
bedrijf een goede mentaliteit ten toon spreiden, tijdens ziekte 100% van
hun loon doorbetaald krijgen.

3.4. Verzoekster heeft aan de Commissie een lijst overgelegd met namen van
de personeelsleden (15 mannen en 9 vrouwen) die bij de wederpartij
werk(t)en. De wederpartij heeft eveneens gegevens overgelegd over haar
personeelsbestand, waaronder ook die van verzoeksters eerste werkgever.
Er werken gemiddeld ongeveer 55 mensen in het bedrijf, waarvan een
gedeelte op uitzendbasis. Uitzendkrachten staan niet op de lijst vermeld.
De meeste werknemers komen in eerste instantie via het uitzendbureau bij
de wederpartij terecht. Bij gebleken geschiktheid biedt de wederpartij hen
een arbeidsovereenkomst voor zes maanden aan. De wederpartij verlengt deze
arbeidsovereenkomsten doorgaans.

De wederpartij heeft eveneens aangegeven welke werknemers een aanvulling
tot 100% van het loon ontvangen (hebben), uitgesplitst naar soort contract
(voor onbepaalde tijd of niet) en naar geslacht.

3.5. Uit de overgelegde gegevens blijkt het volgende:

Gegevens over het personeel van beide vennootschappen gezamenlijk
(peildatum oktober 1991):

mannen

100% 6 weken totaal minimumloon

arbeidsovereenkomst 15 13 28 onbepaalde tijd

arbeidsovereenkomst — 2 2 bepaalde tijd

totaal 15 15 30 vrouwen

arbeidsovereenkomst 2 6 8 onbepaalde tijd

arbeidsovereenkomst — 5 5 bepaalde tijd

totaal 2 11 13

Van de 30 mannen komen er 15 in aanmerking voor een aanvulling tot 100%
(=50%). Van de 13 vrouwen zijn dat er twee (=ongeveer 15%). Dus meer dan
drie keer zoveel mannen als vrouwen komen in aanmerking voor de 100%
aanvulling.

Niet alle werknemers die in aanmerking zouden komen voor een aanvulling
tot 100% van hun salaris zijn ook daadwerkelijk ziek geweest. Van de 28
mannen hebben er 14 daadwerkelijk een 100%- aanvulling ontvangen (=50%).
Van de 10 vrouwen heeft er een daadwerkelijk een 100%-aanvulling ontvangen
(=10%).

Gegevens over het personeel van de wederpartij (peildata oktober 1991 en
19 mei 1992): Van de 21 mannen komen er in oktober 1991 12 in aanmerking
voor een aanvulling tot 100% (=ongeveer 57%). Van de negen vrouwen zijn
dat er twee (=ongeveer 22%). Dus meer dan 2½ keer zoveel mannen als
vrouwen die werkzaam zijn bij de wederpartij komen in aanmerking voor de
100%-aanvulling.

De gegevens in het Commissierapport met peildatum 19 mei 1992 laten een
soortgelijk beeld zien: Van de 22 mannen die werkzaam zijn bij de
wederpartij komen er 14 in aanmerking voor een 100% aanvulling (=ongeveer
64%). Van de acht vrouwen komen er twee in aanmerking voor 100%-
aanvulling (=25%). Dus meer dan 2½ keer zoveel mannen als vrouwen komen
in aanmerking voor de aanvulling tot 100%.

3.6. De Commissie heeft een onderzoek ter plaatse ingesteld. Daaruit is
onder andere het volgende gebleken: – Er is een man geweest met een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die wel een aanvulling heeft
gekregen, doch dit moet volgens de wederpartij als een uitzondering
gezien worden. In principe komen alleen werknemers met een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in aanmerking voor een
aanvulling. – Werknemers die niet in aanmerking komen voor een aanvulling
tot 100% van het eigen salaris zijn gemiddeld meer dagen arbeidsongeschikt
dan de werknemers die wel in aanmerking komen voor die aanvulling (periode
1-1-1991 tot en met 31-5-1992). – Produktiemedewerkers zijn gemiddeld meer
dagen arbeidsongeschikt dan niet-produktiemedewerkers. – Er zijn relatief
meer vrouwen werkzaam in de produktie dan mannen (acht van de negen
vrouwen tegenover 15 van de 29 mannen). – Ziekteverzuim is voor de
wederpartij niet de enige reden om een aanvulling te weigeren. Zo zijn er
drie produktiemedewerkers (twee mannen en een vrouw) die tevoren niet
arbeidsongeschikt zijn geweest en toch geen aanvulling ontvangen hebben.
Hen is een aanvulling geweigerd omdat zij niet goed zouden functioneren.
– Het niet-produktie personeel ontvangt zonder onderscheid een aanvulling
tot 100% van het salaris.

Overige bevindingen uit het Commissierapport: Wederpartij stelt dat zowel
het functioneren als het ziekteverzuim bepalend zijn voor het wel of niet
in aanmerking komen voor een 100%-aanvulling. De beoordeling van het
functioneren van werknemers vindt plaats door de directie samen met de
bedrijfsleiders. Hiervan is en wordt niets schriftelijk vastgelegd. Voor
het begrip ziekteverzuim worden geen duidelijke maatstaven gehanteerd. Er
is geen eenduidige relatie tussen het aantal ziektedagen en het wel of
niet in aanmerking komen voor een aanvulling tot 100% van het salaris.

De standpunten van partijen

3.7. Verzoekster stelt het volgende. Allereerst merkt verzoekster op dat
er in het rapport geen onderscheid wordt gemaakt tussen de beide
vennootschappen, terwijl zij van mening is dat alleen gekeken moet worden
naar het personeelsbestand van de wederpartij. De wederpartij maakt
gebruik van werknemers/sters die op basis van een contract voor bepaalde
tijd -meestal zes maanden- werken. Deze laatste groep krijgt volgens
verzoekster, behoudens het bepaalde in 7A:1638c BW, nimmer een aanvulling
op de ziektewetuitkering. Zij was de enige vrouwelijke werkneemster die
op het moment dat zij arbeidsongeschikt werd, in vaste dienst bij de
wederpartij werkte. Zij is het om die reden dan ook niet eens met de in
het rapport genoemde conclusie van de wederpartij dat er destijds zes
vrouwen in vaste dienst werkten.

De stelling van de wederpartij dat er twee vrouwen in vaste dienst op het
bedrijf waren die recht zouden kunnen doen gelden op een bovenwettelijke
uitkering, is naar mening van verzoekster niet controleerbaar en
aanvechtbaar. Dit klemt temeer daar het hier twee collega’s betreft,
waarvan er een nog nooit ziek is geweest, en een tweede slechts een dag.
Deze dag valt bovendien niet onder de bovenwettelijke uitkering, maar
onder het regime van artikel 7A:1638c BW. Verzoekster concludeert dat de
wederpartij er een onnavolgbaar systeem op nahoudt. Wie komt er nu wel en
wie niet en vooral wanneer in aanmerking voor een aanvulling? Het is ook
de vraag op welk moment iemand te horen krijgt dat hij of zij recht kan
doen gelden op een aanvulling.

Verzoekster betwist verder het standpunt van de wederpartij dat zij haar
werk niet goed verrichtte. Dit is naar haar mening niet correct en
bovendien niet relevant. Het criterium ‘goed functioneren’ als voorwaarde
voor aanvulling van een ziektewetuitkering tot 100% van het loon is
namelijk nimmer ter sprake gebracht. Haar mannelijke collega’s krijgen
zonder uitzondering een aanvulling tot 100% van het laatstverdiende loon
in geval van ziekte, zonder dat daarbij het criterium wordt aangelegd of
zij goed functioneren. Aangezien zij geen 100%-aanvulling tot de hoogte
van haar loon krijgt en haar mannelijke collega’s wel, is daarmee naar
haar mening het vermoeden gewettigd dat de wederpartij een verboden
onderscheid maakt tussen haar en haar mannelijke collega’s.

Verzoekster brengt nog naar voren dat haar arbeidsongeschiktheid
voortvloeit uit het voortdurend werken met koude produkten bij de
wederpartij. Met betrekking tot de AVV-CAO merkt verzoekster op dat deze
AVV-CAO niet van toepassing was in de periode van 1 maart tot 4 september
1991 en van 4 september 1991 tot 1 maart 1993. Naar de mening van
verzoekster miste zij op het moment van arbeidsongeschiktheid derhalve een
rechtstreekse aanspraak op deze CAO, en was het niet duidelijk of en
wanneer deze aanspraak zou herleven.

Gezien het bovenstaande is het volgens verzoekster nog steeds zo, dat zij
de enige vrouwelijke kracht was die op grond van haar arbeidsovereenkomst
bij de wederpartij in vaste dienst was. Daarmee was zij de enige vrouw die
potentieel in aanmerking zou kunnen komen voor een aanvulling. Ook al zou
verzoekster niet de enige vrouw geweest zijn die voor onbepaalde tijd in
dienst was bij de wederpartij, dan nog is in het rapport van de Commissie
aangetoond dat vrouwen in mindere mate dan mannen in aanmerking komen voor
een aanvulling op een eventuele uitkering krachtens de Ziektewet. Hiermee
laadt de wederpartij een vermoeden van indirect onderscheid op zich. De
vrouwelijke werknemers verrichten werk dat een hoger verzuimrisico met
zich brengt (aan de lopende band), terwijl juist ‘verzuim’ een criterium
voor de wederpartij vormt om al dan niet een aanvulling op de
ziektewetuitkering toe te kennen.

3.8. De wederpartij brengt het volgende naar voren. Allereerst houdt zij
staande dat de eerder genoemde CAO niet van toepassing is. Ter toelichting
hierop brengt zij, kort samengevat, naar voren dat zij louter een
dienstverlenend bedrijf is dat zelf geen handel doet en enkel werkt in
opdracht van derden. Het sorteren en verpakken van fruit en aanverwante
produkten is slechts een nevenactiviteit.

Met betrekking tot het in geding zijnde geschil stelt de wederpartij het
volgende. Voor haar geldt maar een criterium: het al dan niet gemotiveerd
werken. Voldoet men niet aan dit criterium, dan beperkt de aanvulling zich
tot de eerste zes weken van de ziekte. De stellingen van verzoekster zijn
dan ook om twee redenen onjuist: In de eerste plaats zijn er zowel vrouwen
als mannen met wie contracten voor onbepaalde tijd zijn gesloten.
Bovendien zijn er mannelijke werknemers die evenmin in aanmerking zijn
gekomen voor onbeperkte aanvulling van de ziektewetuitkering. Uit de
gegevens blijkt immers dat vier mannelijke werknemers met een contract
voor onbepaalde tijd geen aanvulling tot 100% van hun loon ontvangen
hebben. Ook zij hebben slechts gedurende zes weken een aanvulling tot het
minimumloon gekregen.

In het geval van verzoekster heeft de wederpartij gemeend de aanvulling
op de ziektewetuitkering ex artikel 7A:1638c BW te moeten beperken tot zes
weken. De wederpartij noemt daarvoor de volgende redenen: – Verzoekster
heeft zich bij collega’s weinig bemind gemaakt, om welke reden zij ook is
overgeplaatst van de ene vestiging naar de andere (zij heeft zich weinig
vleiend uitgelaten over buitenlandse collega’s). – Zij stelde zich ook op
de nieuwe vestiging weinig collegiaal op. Zij was veelvuldig ziek. De
wederpartij betwist overigens dat dit een gevolg is van het werken met
diepvriesprodukten. – Verzoekster heeft nadat de zes weken-periode om was,
geeist dat haar uitkering onbeperkt aangevuld zou worden. Zij heeft aan
de wederpartij meegedeeld dat zij lange tijd ziek thuis zou blijven indien
de wederpartij haar niet tegemoet zou komen. Zij heeft ook gezegd dat de
wederpartij dan in de problemen zou komen, omdat zij immers altijd gebrek
aan mensen heeft.

De wederpartij meent op grond van bovenstaande dat zij een goede keus
heeft gemaakt door verzoekster slechts gedurende zes weken het minimumloon
door te betalen.

De wederpartij concludeert dat uit het onderzoek van de Commissie is
duidelijk geworden dat zij op geen enkele wijze direct onderscheid maakt
naar geslacht. Blijft de vraag over of zij indirect onderscheid naar
geslacht maakt. Duidelijk is dat zij bij het nemen van de maatregel (wel
of niet aanvullen) niet heeft gekeken naar het effect van die maatregel
voor wat betreft het maken van onderscheid. Voor de wederpartij is slechts
belangrijk de juiste instelling, die overigens kan blijken uit de mate van
ziekteverzuim. In geval van een goed gemotiveerde werknemer is een
langdurige ziekteperiode geen enkel beletsel voor een aanvulling. Zij
begrijpt heel goed dat haar beleid met betrekking tot de vraag: wel of
geen aanvulling op basis van wel of niet goed functioneren, vraagtekens
oproept. Zij acht dat beleid echter verdedigbaar en tracht daarbij zoveel
mogelijk de redelijkheid in acht te nemen. Tot echte problemen heeft dat
nooit geleid. Dat vrouwen eerder en vaker ziek zijn, is niet zozeer een
gevolg van arbeidsomstandigheden in het bedrijf, als wel van het feit dat
het werk aan de lopende band, waaraan de meeste vrouwen werken,
geestdodend is. Dat vrouwen aan de lopende band vaker ziek zijn, zegt
niets over hun instelling. De meesten van hen ontvangen een aanvulling.
Cliente vermag dan ook niet in te zien dat vrouwen (meer) benadeeld
worden. Van benadeling is pas sprake wanneer iemand iets onthouden wordt,
waarop men recht heeft.

Van een verboden onderscheid tussen mannen en vrouwen is volgens de
wederpartij geen sprake. Zij verzoekt de Commissie dan ook de klacht af
te wijzen.

4. De overwegingen van de Commissie 4.1. In geding is de vraag of de
wederpartij in de arbeidsvoorwaarden jegens verzoekster onderscheid maakt
op grond van geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen. 4.2. Alvorens bovenstaande vraag te beantwoorden,
overweegt de Commissie het volgende. Partijen verschillen van mening over
de vraag of de reeds eerder genoemde CAO van toepassing is. Het is echter
niet de wettelijke taak van de Commissie om uitsluitsel te geven over de
uitleg van CAO-bepalingen. De taak van de Commissie is, na te gaan of de
wederpartij in strijd met de bepalingen van de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen handelt. 4.3. Verzoekster stelt primair
dat de wederpartij direct onderscheid naar geslacht maakt omdat zij, als
enige vrouw met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, geen
aanvulling tot honderd procent van haar loon ontvangt nadat de periode van
zes weken verstreken is. Subsidiair stelt zij dat de wederpartij indirect
onderscheid naar geslacht maakt, omdat meer mannen dan vrouwen in
aanmerking komen voor de bewuste aanvulling. Verzoekster licht haar
laatste stelling als volgt toe: Een werknemer ontvangt honderd
procent-aanvulling indien hij of zij goed functioneert. Of iemand goed
functioneert kan volgens de wederpartij tot uiting komen in de mate van
ziekteverzuim. Deze maatregel werkt in het nadeel van vrouwen, aangezien
gebleken is dat werknemers aan de lopende band vaker verzuimen vanwege het
eentonige werk. Het zijn juist veelal vrouwen die aan de lopende band
werken. 4.4. Artikel 7A:1637ij lid 1 BW bepaalt dat de werkgever geen
onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in de arbeidsvoorwaarden.
Het vijfde lid van 7A:1637ij BW geeft aan wat onder indirect onderscheid
wordt verstaan: onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan het
geslacht, dat onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft, tenzij
dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is. Indirect onderscheid
ontstaat wanneer het nadelig effect van een regeling/criterium in
overwegende mate personen van een geslacht treft, terwijl daarvoor geen
of onvoldoende objectieve rechtvaardigingsgronden aanwezig zijn. 4.5. De
Commissie gaat bij de beoordeling van de gegevens uit van het
personeelsbestand van beide vennootschappen. Hoewel deze formeel
gescheiden zijn, is er in de praktijk sprake van een bedrijf. Bovendien
wordt het gevoerde beleid ook op beide vestigingen toegepast. De Commissie
is van oordeel dat er geen sprake is van direct onderscheid naar geslacht.
Uit haar onderzoek is gebleken dat er op 19 oktober 1991, twee vrouwen in
aanmerking kwamen voor aanvulling op de ziektewetuitkering tot honderd
procent van hun loon. Een vrouw heeft die aanvulling daadwerkelijk
ontvangen. Het geslacht van de werknemer is derhalve voor de wederpartij
niet bepalend voor wat betreft het al of niet toekennen van een aanvulling
tot honderd procent van het salaris. 4.6. Uit haar onderzoek leidt de
Commissie wel af dat er een vermoeden van indirect onderscheid naar
geslacht is. Uit de gegevens (zie paragraaf 3.5.) blijkt immers duidelijk
dat veel meer mannen dan vrouwen in aanmerking komen voor een onbeperkte
aanvulling op de ziektewetuitkering tot honderd procent van het
laatstgenoten salaris en dat veel meer mannen dan vrouwen deze ook
daadwerkelijk ontvangen (hebben). De vraag die vervolgens beantwoord moet
worden, is of de wederpartij hiervoor een objectieve rechtvaardigingsgrond
kan aandragen. Onder een objectieve rechtvaardigingsgrond wordt verstaan
(Zie Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid,
d.d. 5 maart 1990, oordeelnummer 1-90-10, Oordelenbundel I; Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen, Bilka- Kaufhaus versus Weber von
Hartz, d.d. 13 mei 1986, zaak 170/84; Rinner-Kuhn versus FWW Spezial
Gebaudereinigung GmbH & Co.KG, zaak 171/88, d.d. 13 juli 1989).

-dat het onderscheid gemaakt wordt om een objectief gerechtvaardigd doel
te dienen en -daartoe middelen zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk
zijn om dit doel te bereiken, terwijl -dit doel niet is te bereiken op
andere wijze waarbij geen indirect onderscheid naar geslacht wordt
gemaakt. Het ligt op de weg van de wederpartij om inzichtelijk te maken
op grond van welke criteria werknemers al of niet een aanvulling tot
honderd procent van hun salaris ontvangen. Alleen in dat geval kan de
Commissie controleren of de wederpartij criteria heeft gebruikt die
objectief gerechtvaardigd zijn en niets met onderscheid op grond van
geslacht van doen hebben. Het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen heeft verschillende malen gewezen op de noodzaak van
‘doorzichtigheid'(Zie: Commissie van de EG tegen Frankrijk, arrest van 30
juni 1988 in zaak 318/86; Jurisprudentie 1988, 3559; -Handels- og
Kontorfunktionaerernes Forbund i Danmark tegen Dansk Arbejdsgiverforening,
optredend voor Danfoss, 17 oktober 1990 in zaak 109/88; Jurisprudentie
1989, 3199; -Barber tegen Guardian Royal Exchange Assurance Group, 17 mei
1990 in zaak C-262/88; Nemesis 1990, nr. 116. Het EG-Hof verwijst in de
Barber-zaak naar het Danfoss-arrest (hierboven), waarin het heeft gewezen
op het fundamentele belang van doorzichtigheid en in het bijzonder van de
mogelijkheid van controle door de nationale rechter, ten einde iedere
discriminatie op grond van geslacht te voorkomen en, zo nodig, op te
heffen. Het Hof overweegt: ‘Aangaande de methode om naleving van het
beginsel van gelijke beloning te controleren, moet worden vastgesteld, dat
wanneer de nationale rechterlijke instanties de voordelen van
verschillende aard die naargelang de omstandigheden aan mannelijke en
vrouwelijke werknemers worden toegekend, zouden moeten beoordelen en
vergelijken, de rechterlijke controle moeilijk zou zijn en de
doeltreffendheid van artikel 119 dientengevolge sterk zou worden verzwakt.
Hieruit volgt, dat werkelijke doorzichtigheid, waardoor een doeltreffende
controle mogelijk is, slechts is verzekerd, wanneer het beginsel van
gelijke beloning op elk onderdeel van de aan mannelijke en vrouwelijke
werknemers toegekende beloning van toepassing is.’). Uit het onderzoek ter
plaatse is gebleken dat de beoordeling van het functioneren mede werd
bepaald door de mate van ziekteverzuim van de desbetreffende werknemer,
maar niet alleen daardoor. De wederpartij heeft bijvoorbeeld ook opgemerkt
dat sommige werknemers ‘wisselvallig’ functioneren. De wederpartij houdt
echter niet systematisch (en niet schriftelijk) bij of een werknemer goed
functioneert. Er worden geen functioneringsgesprekken gevoerd. Bovendien
heeft de wederpartij aan de Commissie niet duidelijk gemaakt wat zij
precies onder ‘wisselvallig’ functioneren verstaat. Verder is gebleken dat
niet- produktiemedewerkers zonder onderscheid de honderd procent
aanvulling ontvangen, omdat de wederpartij deze werknemers kennelijk meer
vertrouwt. Aldus maakt het toekennen van de aanvulling van de
ziektewetuitkering een enigszins willekeurige indruk. Aangezien de
Commissie op grond hiervan niet kan beoordelen of de regeling die de
wederpartij hanteert, en die in het nadeel van vrouwen uitwerkt, in feite
niets met onderscheid op grond van geslacht van doen heeft, maakt de
wederpartij hiermee indirect onderscheid naar geslacht.

5. Het oordeel van de Commissie De Commissie spreekt als haar oordeel uit
dat D B.V. te Doetinchem jegens mevrouw B indirect onderscheid naar
geslacht maakt/heeft gemaakt in strijd met artikel 7A:1637ij lid 1 BW,
door haar ziektewetuitkering niet gedurende 52 weken aan te vullen tot
honderd procent van haar eigen salaris.

Rechters

Mrs. Van der Heijden, Mol-Brinkhorst, Kiebert, Goldschmidt, en Huber

Instantie: Rechtbank Haarlem, 4 juni 1993

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Verzoek tot ontkenning van een afkoopsom van de weduwenrente,
ingevolge de (ingetrokken) IW en Liq. IW. Klaagster stelt dat het
onderscheid dat deze wetten maken tussen weduwen en vrouwen die van hun
man gescheiden zijn voor overlijden (pseudo-weduwen), welke laatsten geen
recht op een afkoopsom hebben, een onderscheid naar status is, dus in
strijd met art. 26 BuPo-verdrag. De rechtbank oordeelt dat de CRvB heeft
uitgemaakt dat gehuwden en samenwonenden ongelijke gevallen vormen.
Aangezien de ongehuwde staat als gevolg van samenwonen dan wel scheiden
vergelijkbaar is, vormen gehuwden en gescheiden mensen eveneens ongelijke
gevallen. Het onderscheid berust daarmee op redelijke en objectieve
gronden.

Volledige tekst

1. Aanduiding bestreden beslissing.

Beslissing van verweerder d.d. 30 januari 1991.

Kenmerk: J.A.8058.

2. Terechtzitting.

datum: 23 april 1993.

Klaagster in persoon verschenen, bijgestaan door gemachtigde mr. H.M. de
Roo, medewerker van het Buro voor Rechtshulp te Haarlem.

3. De vaststaande feiten

Klaagster heeft op 11 december 1990 een aanvraag om een afkoopsom
weduwenrente op grond van de Invaliditeitswet (IW) ingediend. Bij
beslissing van 30 januari 1991 heeft verweerder de aanvraag op de in die
beslissing vermelde gronden afgewezen.

Klaagster heeft tegen deze beslissing beroep doen instellen. Verweerder
heeft desgevraagd de stukken overgelegd.

Bij brief van 5 juli 1991 is het beroep voorzien van aanvullende gronden.
Aangevoerd wordt onder meer dat op ongerechtvaardigde wijze onderscheid
wordt gemaakt tussen weduwen en vrouwen die gescheiden zijn alvorens de
echtgenoot overleed en dat het maken van een dergelijk onderscheid
gekenmerkt dient te worden als een verboden onderscheid naar status en
mitsdien in strijd met artikel 26 Internationaal Verdrag inzake
Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR). Bij brief van 16 september
1991 heeft verweerder van contra- memorie gediend.

Ingevolge artikel XXV van de Wet van 3 juni 1992 tot wijziging van de Wet
op de rechterlijke organisaties (Stb. 1992, 278) is de onderhavige
beroepszaak per 1 juli 1992 overgedragen aan de Arrondissementsrechtbank
Haarlem.

Bij brief van 16 juli 1992 heeft klaagsters gemachtigde een nadere reactie
ingezonden.

Het beroep is behandeld door de enkelvoudige kamer ter terechtzitting van
28 augustus 1992.

Onder toepassing van artikel 23 a van de Beroepswet is de behandeling van
de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank. Het beroep
is vervolgens ter terechtzitting van 23 april 1993 behandeld.

4. Bewijsmiddelen

De gedingstukken alsmede het verhandelde ter terechtzitting.

5. Motivering

In deze procedure is aan de orde de vraag of een afkoopsom IW-
weduwenrente waarop volgens de huidige wetgeving – de Invaliditeitswetten
en Liquidatiewet Invaliditeitswetten – slechts weduwen aanspraak kunnen
maken, met een beroep op artikel 26 van het IVBPR ook aan vrouwen, die van
hun – inmiddels overleden – man gescheiden waren (pseudo-weduwen), moet
worden toegekend.

Klaagster is namelijk van mening dat ontkennende beantwoording van deze
vraag een ongeoorloofd onderscheid naar status zou inhouden. Vooropgesteld
moet worden dat de rechtbank, in navolging van de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 november 1991 (RSV 1992/163) van
oordeel is dat artikel 26 IVBPR ten aanzien van de onderhavige wettelijke
bepalingen vanaf 23 december 1984 rechtstreekse werking heeft.

In aanmerking nemend dat de datum, waarop de afkoopsom in dit geval
opeisbaar zou zijn (mei 1990), is gelegen na de laatstgenoemde datum, is
de rechtbank van oordeel dat klaagster in zoverre rechten zou kunnen
ontlenen aan artikel 26 IVBPR.

Verweerder heeft terzake evenwel betoogd dat in casu geen sprake is van
ongeoorloofd onderscheid in behandeling tussen weduwe en pseudo-weduwe.
De rechtbank kan verweerder hierin volgen en overweegt daartoe als volgt.
De IW van 1913 kende slechts een weduwenrente. Klaagster als pseudo-weduwe
kon mitsdien aan de IW geen recht op weduwenrente ontlenen. Hoewel te dien
tijde – immers voor 1983 – ten aanzien van het onderscheid
weduwe/pseudo-weduwe niet met vrucht een beroep op het IVBPR kon worden
gedaan, is blijkens de hoger geciteerde uitspraak van de CRvB d.d. 8
november 1991 (RSV 1992/163) voor de beoordeling van de aanspraak van de
belanghebbende beslissend de toestand op het tijdstip waarop een eenmalige
prestatie als een afkoopsom opeisbaar wordt.

In casu dient dus de toestand van mei 1990 beoordeeld te worden. De
rechtbank ziet zich mitsdien geplaatst voor de beoordeling van de vraag
of een ongelijk rechtsregiem voor weduwen in vergelijking met
pseudo-weduwen een verboden onderscheid in de zin van artikel 26 IVBPR
inhoudt.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Zij meent hiervoor steun
te kunnen vinden in de uitspraak van de CRvB d.d. 15 augustus 1991 (TAR
1991/225).

In die uitspraak heeft de CRvB uitgemaakt dat een vrouw, die voorzien van
een notarieel samenlevingscontract, jarenlang heeft samengewoond met haar
– inmiddels overleden – partner, niet als weduwe in de zin van de van
toepassing zijnde pensioenwet kan worden aangemerkt.

De CRvB verwijst in zijn uitspraak naar de uitspraak van het Comite voor
de rechten van de mens (de zaak-Danning, RSV 1988/201).

De rechtbank ziet een duidelijke parallel tussen ongehuwden, die om hun
moverende redenen geen huwelijk hebben gesloten en ongehuwden, wegens
ontbinding van het huwelijk door echtscheiding.

Evenals de beslissing om al dan niet de huwelijkse staat, waaraan zowel
rechten als verplichtingen zijn verbonden, te aanvaarden geheel ligt bij
de samenwonende personen, ligt de beslissing om van echt te scheiden
evenzeer bij de betrokken personen.

Het recht op gelijke behandeling betekent niet dat ieder onderscheid
ontoelaatbaar is.

Onderscheidingen, berustend op redelijke en objectieve criteria, leveren
geen door artikel 26 IVBPR verbonden discriminatie op.

Het onderscheid in de Nederlandse wetgeving tussen gehuwd en ongehuwd
samenwonenden achtte het Comite voor de Mensenrechten gebaseerd op
dergelijke redelijke en objectieve criteria te zijn gebaseerd.

Het in de Liquidatiewet gemaakte onderscheid tussen weduwen en
pseudo-weduwen, hetgeen in wezen ook neerkomt op het onderscheid tussen
ten tijde van het overlijden gehuwd en ongehuwd zijn, acht de rechtbank
dan ook geoorloofd en het door klaagster gedane beroep op artikel IVBPR
kan derhalve niet slagen.

Het beroep dient ongegrond verklaard te worden.

6. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart het beroep ongegrond.

Noot

Rechterlijke toetsing van sociale zekerheidswetgeving aan het
gelijkheidsbeginsel lijkt inmiddels borg te staan voor de meest creatieve
vondsten om de financieel onwenselijke gevolgen van dit ‘radicaliserend
beginsel’ (Leibnitz) te omzeilen. Het artikel van Joke Bol elders in dit
nummer vormt een fraaie illustratie hoe de wetgever en de Centrale Raad
van Beroep in een ‘een-tweetje’ in de Ruzius-zaak het gelijkheidsbeginsel
omvormen tot bezuinigingsbeginsel. De Rechtbank Haarlem voegt een nieuwe
vondst toe aan de tegendraadste uitleg van het gelijkheidsbeginsel.

Het betreft hier een toetsing van de Invaliditeitswetten en de
Liquidatiewet invaliditeitswetten aan artikel 26 BuPo. Volgens vaste
rechtspraak is onderscheid op grond van de in dit artikel neergelegde
gronden slechts dan toegestaan indien dit onderscheid op redelijke en
objectieve gronden berust. De norm van artikel 26 BuPo, zo wordt algemeen
erkend (bijv. TK 187- 1988 20 610, B d.d. 22 juni 1988; Rapport van de
interdepartementale juridische werkgroep gelijkheidsbeginsel, ministerie
van Justitie, 1990, p. xv), is gelijk aan die van artikel 1 GW. Hiervan
stelt de grondwetgever dat de beoordeling van de redelijkheid en
objectiviteit van het onderscheid bepaald moet worden afhankelijk van de
relevante aspecten van de betrokken maatregel en de betrokken gevallen
(Gerbranda en Kroes, Grondrechtenevaluatie-onderzoek, documentatierapport
(1), NJCM Leiden 1991, p. 1-311). In de casus voorgelegd aan de Rechtbank
Haarlem betekent dat, dat bekeken moet worden of het verschil tussen
weduwen en vrouwen die voor het overlijden van hun man gescheiden zijn
(zgn. pseudo-weduwen) een onderscheidsgrond vormt die in het licht van de
pensioenvoorziening waarin de Invaliditeitswetgeving voorzag, op redelijke
en objectieve gronden berust. Een dergelijke toets is in beginsel
interessant. De gedachte achter de Invaliditeitswetten, zeker in die tijd,
was immers dat gehuwde vrouwen die voor hun inkomen afhankelijk werden
geacht (en waren) van hun kostverdiendende partner verzekerd moesten
worden voor het risico dat dit inkomen zou wegvallen door overlijden van
de partner. Het is de vraag in hoeverre een scheiding, zeker na een
jarenlang huwelijk, een andere beoordeling van dit risico met zich
meebrengt. Integendeel misschien, scheiding brengt met zich mee dat de
vrouw nog voor het overlijden van de ex-partner onverzekerd is tegen het
risico van het wegvallen van ‘het inkomen uit leefverband’ (Holtmaat, Met
zorg een recht, 1992). De aanspraak op alimentatie of bijstand is immers
gebaseerd op behoefte en is daarmee moeilijk als sociale verzekering aan
te merken (vgl. Holtmaat, 1992). Vanuit het doel van de regeling – het
verzekeren voor vrouwen van het wegvallen van het inkomen uit leefverband
wegens overlijden van de kostwinner – vormt scheiding geen criterium dat
hieraan iets wezenlijks verandert. Daarmee vormt ‘burgerlijk staat’ in het
licht van de betrokken maatregel geen onderscheidingsgrond die op
redelijke en objectieve gronden berust.

Tot een beoordeling van bovenstaande redenering komt de rechtbank echter
niet, omdat geheel eigen criteria voor de toetsing van het
gelijkheidsbeginsel worden geintroduceerd. Verwezen wordt naar een
uitspraak van de CRvB waarin deze in het kader van een andere regeling
dan de invaliditeitswetten oordeelt dat gehuwden en samenwonenden
verschillend behandeld mogen worden omdat zij geen gelijke gevallen
vormen. De rechtbank ontwaart een parallel tussen samenwonenden en
gescheiden mensen op basis van hun ongehuwde staat. Op grond van de
premissen dat gehuwden en samenwonenden ongelijke gevallen zijn en
samenwonen en gescheiden vergelijkbaar is, trekt de rechtbank de conclusie
dat ook gehuwden en gescheiden mensen ongelijke gevallen zijn. Deze
toetsing naar analogie is behalve formeel in strijd met het gegeven dat
beoordeeld moet worden in het licht van de betrokken maatregel en de
betrokken gevallen, ook gevaarlijk. Ik zou bijvoorbeeld niet graag zien
dat het redelijk en objectief onderscheid dat tussen mannen en vrouwen
wordt gemaakt om vrouwen een recht op zwangerschapsverlof te verschaffen,
via de analoge redenering van de rechtbank leidt tot de uitspraak dat het
daarmee ook een gerechtvaardigd onderscheid vormt om vrouwen af te wijzen
bij sollicitatie. Met andere woorden, de relevantie van verschillen is
uitsluitend te bepalen in het licht van de concrete maatregel die
voorligt. Gelijkheid of ongelijkheid van gevallen mag niet naar analogie
worden afgeleid.

Er valt nog wel meer aan te merken op de getrokken parallel. De rechtbank
meent dat de ongehuwde staat omdat men samenwoont dan wel omdat men
gescheiden is, vergelijkbaar is. Het komt mij toch voor dat de bewuste
keuze voor samenwonen waarbij men kan veronderstellen dat men de ‘rechten
en plichten’ van het huwelijk niet heeft willen aangaan, iets geheel
anders is als de noodgedwongen beslissing tot scheiding. Het laatste is
iets wat beide partijen, naar ik aanneem, niet leuk vinden, maar het is
niet anders. Scheiding is in andere woorden veeleer een onvoorzien sociaal
risico, waar samenwonen een voorzien risico (plezier?) is. De argumentatie
die de rechtbank aanvoert voor de analogie, is die van de persoonlijke
keuze. De beslissing om niet te trouwen danwel te gaan scheiden is toch
aan betrokkenen? Zo weet ik er nog wel meer. Laten we dan maar meteen
kostwinnerstoeslagen, kinderopvangvoorzieningen, zwangerschapsregelingen
etc. opheffen, want de keuze om wel te trouwen en/of kinderen te krijgen
is toch ook persoonlijk. Deze wederopstanding van het klassiek liberalisme
lijkt het goed te doen momenteel. Immers ook de regering ziet, blijkens
het laatste wijzigingsvoorstel van de AAW, in de persoonlijke keuze een
goed argument om de ‘bijzondere groepen’ die geen of onvoldoende inkomen
derven van een arbeidsongeschiktheidsuitkering uit te sluiten (zie artikel
Joke Bol elders in dit nummer).

Albertine Veldman

Rechters

Mrs. Seylhouwer, Guineau, De Greeve.