Instantie: Rechtbank Zwolle, 3 juni 1993

Instantie

Rechtbank Zwolle

Samenvatting


Het binnendringen met een ander instrument dan een geslachtsdeel kan
evenzeer”een seksueel binnendringen” zoals bedoeld in artikel 242 Sr. In
casu had verdachte op ruwe wijze een worst en zelfs zijn hele hand naar
binnen geduwd. Tegen het vonnis is cassatie in het belang der wet
ingesteld.

Volledige tekst

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaats gevonden op 11 februari
1993, 1 mei 1993 en 25 mei 1993. De verdachte is op voornoemde datum
verschenen, telkens bijgestaan door mr. J.H. van Meurs, advocaat te
Kampen.

De officier van Justitie, mr. B.W.F. van Riemsdijk, heeft ter
terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf
voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een
proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden, ten eerste dat
verdachte zich zal houden aan de aanwijzing van de stichting Reclassering
Zwolle en ten tweede dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal
begeven in de gemeente Kampen.

Telastelegging

De verdachte is telaste gelegd dat: (volgt telastelegging)

Bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder
1 primair en 2 telaste is gelegd, met dien verstande dat: (volgt
bewezenverklaring; zie aangehechte copie dagvaarding)

Deze beslissing steunt op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen,
opleverende evenzovele tot die beslissing redengevende feiten en
omstandigheden, waarbij ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen,
slechts is gebruikt met betrekking tot het feit of de feiten waarop het
blijkens zijn inhoud betrekking heeft: (volgt bewijsconstructie)

Van het onder 1 primair en 2 of meer of anders telaste gelegde zal de
verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en
overtuigend bewezen acht.

Strafbaarheid

Het bewezene levert op:

Ten aanzien van het onder 1 primair telastegelegde:

Het misdrijf verkrachting, strafbaar gesteld bij artikel 242 van het
Wetboek van Strafrecht.

Hierbij heeft de rechtbank het volgende overwogen. Voor 1 december 1991
was het systeem van de wet dat de pleger van ontuchtige handelingen met
een hogere straf werd bedreigd wanneer die handelingen bestonden uit het
hebben van vleselijke gemeenschap (artikel 242 van het Wetboek van
Strafrecht werd beschouwd als specialist van artikel 246 van het Wetboek
van Strafrecht).

Uit de wetsgeschiedenis van de huidige artikelen 242 en 246 van het
Wetboek van Strafrecht blijkt het volgende. De commissie Melai maakt in
haar rapport onderscheid tussen enerzijds seksuele gedragingen en
anderzijds geslachtsgemeenschap of een daarmee, afhankelijk van de
omstandigheden waaronder deze plaatsvinden, gelijk te stellen seksuele
handeling. Het oorspronkelijke wetsvoorstel introduceerde echter als
strafverzwarende omstandigheid van artikel 246 Sr het seksueel
binnendringen; achtergrond van dit voorstel was dat orale en anale
penetratie voor het slachtoffer even kwetsend kunnen zijn als afgedwongen
gemeenschap. Door kritiek van de Kamer op handhaving van het onderscheid
tussen verkrachting enerzijds (artikel 242 Sr) en aanranding bestaande uit
penetratie anderzijds (artikel 246 lid 2 Sr) is via de vierde Nota van
Wijziging de huidige wettekst tot stand gekomen.

Nu in artikel 242 Sr het ‘instrument’ waarmee wordt binnengedrongen niet
wordt genoemd en de tekst van de wet op zich duidelijk is (en in deze
wijkt de rechtbank af van Hof den Bosch NJ 1993, 47), is de rechtbank van
oordeel dat onder de omstandigheid van dit geval het seksueel binnendringen
met een worst een dermate inbreuk maakt op de seksuele integriteit van het
slachtoffer dat dit valt onder artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het onder 2 telastegelegde:

Het misdrijf bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,
strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden
gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

Oplegging van straf of maatregel

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op
de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt
en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek
ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen
beslissing passend.

De rechtbank vindt in dit geval een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf
noodzakelijk omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde,
door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden
worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten
voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank heeft in de strafmaat verdisconteerd dat beide
bewezenverklaarde feiten sterk relationeel bepaald zijn en hebben
plaatsgevonden in de periode dat een langdurige relatie beeindigd werd.
De rechtbank acht de kans op herhaling dan ook niet bijzonder groot.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

-een de verdachte betreffend uittreksel d.d. 21 december 1992 uit het
algemeen documentatieregister van de justitiele documentatiedienst te
Amsterdam;

-een psychiatrisch rapport d.d. 22 december 1992 uitgegebracht door J.
Dam, zenuwarts;

-een voorlichtingsrapport d.d. 4 februari 1993 uitgebracht door het
Instituut Verslavingszorg Zwolle-Flevoland;

-de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde
wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d,
27, 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het onder 1 primair en 2 telaste gelegde is bewezen zoals hiervoor
aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor genoemd. De
verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 primair en 2 of meer of anders telaste gelegde is niet bewezen
en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de
duur van 18 maanden.

Van de 18 maanden zal een gedeelte, groot 6 maanden, niet worden
tenuitvoer gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op
grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd
van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak
in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de
tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden
gebracht.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende
de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven
door of namens de Stichting Reclassering Zwolle, zulks zolang deze
instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling
dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling
als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

Rechters

mr. J.E. van den Steenhoven-Drion, voorzitter, mrs S.E. Bins-vanWaegeningh en H. Scheffer, rechters

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 1 juni 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is boekhoudster en klaagt over indeling van maatman als
assistent financiele administratie in een hogere salarisschaal. Commissie
gaat bij het waarderen van de functies niet uit van het
functiewaarderingssysteem van de wederpartij omdat zij dit niet deugdelijk
acht. Arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde. Beloningsmaatstaf zwaarte van
functie bepaalt indeling in salarisschaal. Nu functies nagenoeg
gelijkwaardig zijn, zouden beiden naar het oordeel van de commissie in
dezelfde schaal moeten zijn ingedeeld. Derhalve geen gelijkwaardige
beloningsmaatstaven, strijd met de Wet. Dat feitelijke salaris van
verzoekster hoger is dan dat van maatman doet hier niet aan af, aangezien
dit wordt veroorzaakt door haar langere diensttijd. NB. tussenbeslissing
uitgebracht.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

Op 14 augustus 1991 verzocht mevrouw te Wormerveer (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of de te Amsterdam
(hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid maakt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling.

Verzoekster is als boekhoudster werkzaam bij de wederpartij. Zij is van
mening dat zij arbeid van gelijke dan wel nagenoeg gelijke waarde verricht
als haar mannelijke collega, de heer (hierna: maatman)
terwijl zij in een lagere beloningsschaal is ingedeeld. Verzoekster is van
mening dat de wederpartij hiermee handelt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Commissie, na
beraadslagingen op 12 januari, op 23 februari 1993 een tussenbeslissing
uitgebracht. De inhoud van deze beslissing wordt geacht hier in haar
geheel te zijn ingevoegd (opgenomen achter dit oordeel). De Commissie
heeft in deze tussenbeslissing partijen een nadere toelichting in het
vooruitzicht gesteld over de reden waarom de Commissie bij de waardering
van de functies niet is uitgegaan van het functiewaarderingssysteem van
de wederpartij. Deze rapportage, gedateerd 6 februari 1993, is aan
partijen toegestuurd waarbij zij in de gelegenheid zijn gesteld daarop te
reageren. De wederpartij heeft hiervan gebruik gemaakt.

2.2. De beraadslagingen hebben plaatsgevonden op 6 april 1993. Daarbij
waren aanwezig:

van de kant van de Loontechnische Dienst – dhr S. Bisschop

van de kant van de Commissie – mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter) – mw drs
J.A.M. Stolwijk (lid Kamer) – mw mr M. de Rooij (lid Kamer) – dhr mr W.A.
van Veen (plaatsvervangend lid Kamer) – mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)
– mw mr G.L.M. Lenssen (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

Voor zover de feiten een aanvulling zijn op hetgeen is opgenomen in de
tussenbeslissing van 23 februari 1993, wordt het volgende vastgesteld.

3.1. Verzoekster is volgens de functietaakomschrijving (deze term hanteert
de wederpartij, hierna wordt gesproken over functie-omschrijving)
verantwoordelijk voor alle dagelijkse handelingen binnen de financiele
administratie. Zij rapporteert aan het hoofd van de sector en overlegt
regelmatig met de administrateur (later gewijzigd in overleg met het
sectorhoofd). Haar werkzaamheden bestaan onder meer uit het verrichten van
boekingen, het bewaken van crediteuren en debiteuren, het voorbereiden van
rapportages en jaarrekeningen, het verzorgen van de salarisadministratie,
het verstrekken van informatie aan bijvoorbeeld de belastingdienst of
personeelsleden, het doen van voorstellen voor verbeteringen in de
administratie. Verzoekster bezit een HAVO-diploma en heeft in 1986 het
praktijkdiploma boekhouden (PDB) gehaald. De wederpartij heeft de functie
van boekhoudster ingedeeld in schaal 7 BBRA’84.

Bij indiensttreding, toen verzoeksters functie dus nog niet was
gewaardeerd, kwam haar beloning overeen met wat nu in het BBRA’84 schaal
5, regelnummer 6 is. Een jaar later kreeg zij een periodieke verhoging.
Per 1 juli 1985 werd verzoekster horizontaal overgeplaatst naar schaal 7,
regelnummer 2, waarna zij jaarlijks een periodieke verhoging ontving. Op
1 juli 1991 was verzoekster ingeschaald in schaal 7.8 (ƒ 3.683,- bij een
voltijds dienstverband; verzoekster werkt in deeltijd).

3.2. Gezien de drukke werkzaamheden besloot de wederpartij eind 1990 om
een assistent financiele administratie aan te trekken. Met name het
toenmalige sectorhoofd en verzoekster hielden zich bezig met de invulling
van deze vacature. Zij dachten daarbij aan een functie die anders van aard
maar wel gelijkwaardig zou zijn aan die van verzoekster. Voor de invulling
van de vacature hadden zij het oog op een tewerkgestelde erkende
gewetensbezwaarde militaire dienst (met HEAO-opleiding). Toen dit niet
haalbaar bleek en de directeur door het vertrek van het toenmalige
sectorhoofd de sollicitatieprocedure naar zich toe had getrokken, is mede
op zijn aandringen besloten op de reguliere arbeidsmarkt te werven voor
een jonge HEAO-er. Daarbij is besloten dat de functie gewaardeerd zou
worden met schaal 8. Enkele werkzaamheden van lager niveau die voorkwamen
in de functiebeschrijving van januari 1991, zijn daarop niet opgenomen in
de definitieve functiebeschrijving voor de assistent financiele
administratie.

Per 1 augustus 1991 is deze nieuwe medewerker, de maatman, in dienst
getreden. Hij heeft een HEAO-diploma (economisch- juridische richting).
Hiervoor was hij werkzaam bij een accountantskantoor en een
onderwijsondersteunende organisatie. De functie-omschrijving vermeldt dat
de assistent financiele administratie taken verricht voor de financiele
administratie. Hij rapporteert aan het hoofd van de sector en voert
regelmatig overleg met het sectorhoofd en de boekhoudster. De
functie-omschrijving bevat onder meer de volgende werkzaamheden: het
voorbereiden van rapportages en jaarrekeningen (met behulp van informatie
die de boekhoudster aanlevert), het assisteren bij het opstellen van
administratieve procedures en beschrijvingen en bij het voeren van de
projectadministratie, het opzetten en beheren van een
liquiditeitsbewakingssysteem, het beheer van twee kassen, het assisteren
en vervangen van de boekhoudster.

4. De standpunten van partijen

4.1. Verzoekster stelt in de eerste plaats dat zij ongelijk wordt beloond
op grond van geslacht. De functies van haarzelf en maatman acht zij van
een gelijk niveau en derhalve zouden zij gelijk ingeschaald dienen te
worden. Maatman is echter, door toedoen van de directeur, hoger
ingeschaald. Volgens verzoekster vond ook het voormalige sectorhoofd dit
onrechtvaardig. Verzoekster is verder van mening dat de ervaring die zij
binnen de organisatie heeft opgedaan, en het feit dat zij is meegegroeid
met de organisatie (financieel) niet wordt gewaardeerd. Maatman had bij
indiensttreding slechts een half jaar werkervaring opgedaan, en had
daarnaast een half jaar stage gelopen.

Ter zitting gaf verzoekster aan dat enkele elementen uit haar functie
werden onderbelicht in de functiebeschrijving in het onderzoeksrapport
(zie hierna paragraaf 5.). Zij kon zich er evenwel in vinden dat deze
elementen tot uitdrukking waren gebracht in punt 3.7. van haar
functiebeschrijving, waar is vermeld dat zij zelfstandig de gehele
salarisadministratie verricht.

4.2. In de tweede plaats stelt verzoekster dat er sprake is van ongelijke
behandeling. Op dit punt voert zij aan dat zij reeds begin 1991 haar
bezwaren tegen de gang van zaken rond het aantrekken van de assistent
financiele administratie kenbaar heeft gemaakt tegenover zowel de
directeur als de geschillencommissie (bestaande uit een delegatie uit het
bestuur). Naast haar bezwaren tegen de schaalindeling van de assistent
financiele administratie voerde verzoekster toen aan dat zij vreesde voor
haar zelfstandigheid binnen haar functie. Zo zou de assistent financiele
administratie: – een aantal werkzaamheden gaan uitoefenen die ook deel
uitmaken van haar taakomschrijving (zoals werkzaamheden ten behoeve van
de begroting en jaarverslag); – werkzaamheden gaan vervullen die zij ook
zou kunnen/willen vervullen, maar waar zij nimmer de gelegenheid toe heeft
gekregen (zoals het opstellen van administratieve procedures). De
geschillencommissie schreef verzoekster hierover in een brief van 26 juli
1991 dat de functie van boekhoudster naar haar mening terecht is
ingeschaald in schaal 7 BBRA’84. Wel heeft de geschillencommissie de
directie toen aanbevolen om verzoekster alle taken die zij nu zelfstandig
verricht op het terrein van de boekhouding, salaris- en personeels-
administratie te laten behouden.

Verder voelde verzoekster zich in het verleden buitengesloten van
overleggen over onder meer de boekhouding en een reorganisatie. De maatman
werd wel in deze gesprekken betrokken. Anders dan de wederpartij stelt,
kan dit volgens verzoekster niet (alleen) worden geweten aan het feit dat
zij een deeltijdfunctie heeft. Er vonden immers ook diverse van deze
overleggen plaats terwijl zij wel aanwezig was. Nu er een nieuwe directeur
is, wordt verzoekster overigens wel betrokken bij de overleggen.

Ten slotte stelt verzoekster dat de wederpartij weinig vrouwvriendelijk
zou zijn. Zij noemde hierbij onder meer dat er problemen waren voor
vrouwen op pensioengebied en de doorstroming van vrouwen naar een hogere
schaal cq functie. Zo zou tegen haar zijn gezegd dat zij binnen de
organisatie nooit hogerop zou kunnen komen.

4.3. De wederpartij stelt dat er door de groei van de organisatie behoefte
was aan een assistent financiele administratie met een hogere opleiding
dan verzoekster. De functie die maatman verricht is dan ook van een hoger
niveau dan die van verzoekster, wat een hogere inschaling met zich brengt.
De assistent financiele administratie heeft het merendeel van zijn taken
op financieel gebied overgenomen van het sectorhoofd. Van een
hierarchische relatie tussen verzoekster en maatman is geen sprake. Aan
het feit dat uit de definitieve taakomschrijving van maatman van augustus
1991 een aantal lagere werkzaamheden is verwijderd, liggen volgens de
wederpartij twee redenen ten grondslag. Enerzijds werd besloten tot het
aantrekken van een HEAO-er. Daarbij hoort een hoger beloningsniveau, wat
reden was om het element ‘verwerken van post’ uit het takenpakket te
halen. Anderzijds zijn die werkzaamheden uit het takenpakket gehaald die
verzoekster verricht. Dit omdat verzoekster haar bezorgdheid had geuit
over het verlies van haar zelfstandigheid.

Voor wat betreft de inschaling van de functie van maatman merkt de
wederpartij op, dat deze reeds was vastgesteld voordat tot werving werd
overgegaan, dus ook voordat bekend was of er een man of vrouw aangenomen
zou worden. De maatman is op historische gronden, op basis van zijn
destijds genoten salaris, bij invoering van het nieuwe
functiewaarderings-systeem, ingedeeld in schaal 8. Deze incidentele
afwijking kan, zo stelt de wederpartij, een hogere inschaling van
verzoekster niet rechtvaardigen. De invoering van het nieuwe systeem kon
immers niet leiden tot verlaging van geldende salarisaanspraken.

Overigens acht de wederpartij het gezien haar kleine, relatief eenvoudig
gestructureerde organisatie, gerechtvaardigd dat zij een aanzienlijk
eenvoudiger functiewaarderingssysteem hanteert dan dat van het Ministerie
van Binnenlandse Zaken of van de organisatie waar de Commissie van uit is
gegaan (hierna: organisatie A). Verder is de nieuwe directeur, die tijdens
het onderzoek van de Commissie aantrad, nimmer gevraagd naar de
motiveringen voor de schaalindelingen, waardoor de kritiek van de
Commissie op dit punt niet terecht is. Dat er voorts twee verschillende
functielijsten zijn overhandigd, vond zijn oorzaak in een administratieve
fout in een van deze lijsten, die later is gecorrigeerd.

4.4. De wederpartij bestrijdt ten slotte dat er sprake zou zijn van
ongelijke behandeling. Elke functie staat open voor zowel mannen als
vrouwen. In sommige gevallen wordt nadrukkelijk gevraagd om een vrouw,
zoals toentertijd bijvoorbeeld bij de vacature van sectorhoofd is gedaan.
Voor wat betreft verzoeksters klacht over het buitengesloten worden van
besprekingen stelt de wederpartij dat dit nimmer haar bedoeling is
geweest. Het feit dat verzoekster in deeltijd werkt, kan en mag evenwel
tot gevolg hebben dat er overleg plaatsvindt terwijl zij niet aanwezig is.

5. Het ingestelde onderzoek

5.1. De Commissie is bij de waardering van de functies niet uitgegaan van
het functiewaarderingssysteem van de wederpartij maar van dat van
organisatie A. Deze organisatie vertoont veel gelijkenis met die van de
wederpartij, en het functiewaarderingssysteem voldoet volgens de nadere
rapportage van de Loontechnische Dienst aan de kwaliteitscriteria voor
functiewaarderingssystemen. Uit de nadere rapportage blijkt tevens dat het
functiewaarderingssysteem van de wederpartij niet voldoet aan de algemeen
aanvaarde kwaliteitscriteria zoals die bij functiewaardering gelden. Zo
heeft de wederpartij de hoofdgroepindeling, zoals die bestaat binnen het
systeem van organisatie A, vervangen door een op de eigen organisatie
toegeschreven indeling. Deze indeling is niet zozeer gebaseerd op het
niveau van functies maar op de aard en soort van de functies. Iets
vergelijkbaars geldt voor de gehanteerde karakteristieken (zoals
vaktechnische kennis). Ook deze zijn toegeschreven op de bestaande
functies en beschrijven, met name bij de functie van verzoekster, meer de
aard en soort van werkzaamheden dan het niveau. Met een dergelijk systeem
kan de waarde van functies niet op objectieve wijze worden vastgesteld,
aldus de nadere rapportage. Verder liggen de procedures bij met name het
inschalen van de functies niet duidelijk vast. De functies zijn in 1991
ingedeeld maar de bijbehorende motiveringen konden niet worden overgelegd.
Een functielijst was wel aanwezig, hoewel tijdens het onderzoek in eerste
instantie een foutief exemplaar werd overgelegd.

5.2. De functies van verzoekster en maatman zijn gewaardeerd voor de
periode augustus 1991 (indiensttreding maatman) tot einde van het
onderzoek van de Commissie. De functiebeschrijvingen zijn gebaseerd op de
functie- omschrijvingen van de wederpartij, aangevuld met verklaringen van
verzoekster, maatman en (leidinggevenden van) de wederpartij. De
wederpartij heeft de opgestelde functiebeschrijvingen geaccordeerd. Wel
heeft zij aan de functiebeschrijvingen enkele opmerkingen toegevoegd,
waarbij met name het feit werd benadrukt dat het sectorhoofd
(eind)verantwoordelijk is.

De waardering van de functie van verzoekster leidde tot indeling in
hoofdgroep III, niveaugroep ‘c’. Voor de bepaling van de hoofdgroep gold
dat de karakteristiek van hoofdgroep II te laag en die van IV te hoog van
niveau werd geacht. Vereist is een breder inzicht in de organisatorische
en economische samenhangen, wat het meeste aansluit bij hoofdgroep III.
De in niveaugroep ‘b’ genoemde werkzaamheden zijn uitsluitend secretarieel
van aard, deze groep wordt daarom te laag geacht. Niveaugroep ‘d’
daarentegen legt de nadruk op bijzondere opdrachten en een solitaire
taakvervulling zonder directe ruggesteun, en wordt daarmee te hoog geacht.
Niveaugroep ‘c’ wordt het meest passend geacht, met name de in deze groep
vereiste kennis en werkzaamheden sluiten aan bij verzoeksters functie.

De waardering van de functie van maatman leidde eveneens tot indeling in
hoofdgroep III, niveaugroep ‘c’. Ook hier werd hoofdgroep II te laag
geacht. De functie bevat enkele elementen zoals het opzetten van een
liquiditeitssysteem en het beschrijven van administratieve procedures, die
een opleidingsniveau vereisen dat het niveau van hoofdgroep IV benadert.
In totaliteit bezien wordt het opleidingsniveau van hoofdgroep IV evenwel
niet als passend beschouwd. Derhalve wordt aangesloten bij hoofdgroep III.
De daarin genoemde bekwaamheden en vaardigheden komen overeen met wat
maatmans functie vereist. Ook hier is een breder inzicht in
organisatorische en economische samenhangen vereist. Voor wat betreft de
niveaugroepindeling geldt ook hier dat ‘b’ te laag wordt geacht en ‘d’ te
hoog. Wat niveaugroep ‘d’ betreft is met name onvoldoende sprake van een
solitaire functie met bijzondere accenten, zonder directe ruggesteun. De
bij niveaugroep ‘c’ vereiste kennis en inzicht in
financieel-administratieve werkzaamheden passen bij de werkzaamheden voor
maatmans functie.

5.3. De Commissie heeft tevens het beloningsbeleid van de wederpartij
onderzocht. De verantwoordelijkheid voor het personeelsbeleid ligt bij het
bestuur, de directeur voert dit uit in samenwerking met het hoofd van de
facilitaire sector. Er is geen CAO van toepassing. Bij het aannemen van
personeel bepalen de volgende factoren het aanvangssalaris: – de zwaarte
van de functie volgens functiewaardering; – de (mate waarin iemand voldoet
aan de) functie-eisen; – de opgedane kennis en ervaring; – het
laatstgenoten salaris; – vraag en aanbod op de arbeidsmarkt.

Na indiensttreding ontvangen medewerkers in beginsel elk jaar een
periodieke verhoging. De beslissing hierover wordt genomen door het
bestuur, op voorstel van de directeur. De prestaties van een medewerker,
zo gaf de wederpartij aan, kunnen overigens het al dan niet ontvangen van
een periodiek beinvloeden. Voor jeugdige medewerkers kan verder de
leeftijd nog van invloed zijn op de beloning.

5.4. De beloning van verzoekster bij indiensttreding is bepaald aan de
hand van haar kennis, opleiding en de situatie op de arbeidsmarkt.
Partijen konden het eens worden over het salaris. Nadat verzoekster
tijdens haar dienstverband haar ontevredenheid had geuit over haar
indeling in schaal 5 is zij, na overleg met het bestuur, in 1985
horizontaal overgeplaatst naar schaal 7. Haar functie is begin 1991
gewaardeerd met schaal 7. Vanaf 1985 ontving zij jaarlijks een periodieke
verhoging. De functie van maatman is gewaardeerd met schaal 8. Maatman
voldeed volgens de wederpartij bij indiensttreding aan de functie-eisen.
Hij ontving bij indiensttreding een extra periodiek, gebaseerd op zijn
laatstgenoten salaris/opgedane ervaring.

6. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

6.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling onderscheid maakt op grond van geslacht, nu
verzoekster volgens een lagere schaal wordt beloond dan haar mannelijke
collega.

Het functiewaarderingsonderzoek strekte zich uit over de periode augustus
1991 tot einde onderzoek. Getoetst moet dan worden aan artikel 7A:1637ij
Burgerlijk Wetboek (BW) en de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (WGB, Stb 1889, 168). Artikel 7A:1637ij lid 1 BW en de artikelen
7 WGB en volgende bepalen dat een werkgever geen onderscheid mag maken
tussen mannen en vrouwen op het punt van de beloning wanneer zij arbeid
van gelijke of nagenoeg gelijke waarde verrichten. Van gelijke beloning
is sprake indien deze is berekend op grondslag van gelijkwaardige
maatstaven. Voor de bepaling van de waarde van de arbeid dient te worden
uitgegaan van een deugdelijk stelsel van functiewaardering, waarbij zoveel
mogelijk wordt aangesloten bij het stelsel dat in de organisatie
gebruikelijk is (artikel 8 WGB).

6.2. Bij het beantwoorden van de in geding zijnde vraag moet tevens
beoordeeld worden of het toegepaste functiewaarderingssysteem een
deugdelijk systeem is in de zin van artikel 8 WGB. Een deugdelijk systeem
moet in elk geval inzichtelijk en objectief zijn. In casu ontbrak de
inzichtelijkheid nu er meer functielijsten aanwezig waren en de
motiveringen voor schaalindelingen, ook wanneer die in het verleden plaats
vonden, niet beschikbaar zijn gesteld, ondanks herhaaldelijk verzoek
daartoe. Verder stelt de Commissie vast dat met het functie-
waarderingssysteem van de wederpartij de waarde van de functies niet op
objectieve wijze kan worden vastgesteld. Niet alleen omdat door het
ontbreken van de motivering de werkwijze van de wederpartij niet -geheel-
is na te gaan, maar ook door de inrichting van het functiewaarderings-
systeem. Zowel de functie-indeling als de karakteristieken zijn namelijk
niet zozeer gebaseerd op het niveau van de functies en werkzaamheden maar
op hun aard en soort. De Commissie concludeert dan ook dat het
functiewaarderings- systeem van de wederpartij niet aan de eisen van de
Wet voldoet, zodat het niet toegepast kan worden bij de waardering van de
arbeid. Vastgesteld is dat het systeem van organisatie A aansluit bij het
bij de wederpartij gebruikelijke stelsel en, zo blijkt uit de nadere
rapportage, wel aan eisen van functiewaardering voldoet, zodat toepassing
van dat stelsel in overeenstemming is met artikel 8 WGB.

6.3. Vervolgens is dan aan de orde de vraag of verzoekster en maatman
arbeid van gelijke danwel nagenoeg gelijke waarde verrichten.

De Commissie merkt op dit punt allereerst op dat de wederpartij de
functiebeschrijvingen pas voor accoord heeft getekend nadat zij enkele
punten had toegevoegd. Deze hadden evenwel geen invloed op de
uiteindelijke waardering van de functies, en kunnen derhalve verder
onbesproken blijven. Verder gaf verzoekster ter zitting aan dat enkele
elementen uit haar functie waren onderbelicht. Reeds tijdens de zitting
is evenwel vastgesteld dat deze elementen waren verwerkt in het onderdeel
‘zelfstandig verrichten van de salarisadministratie’, zodat ook dit hier
geen verdere bespreking behoeft.

Voor de beoordeling van de vraag naar de waarde van de verrichte arbeid,
gaat de Commissie uit van de resultaten van het
functiewaarderingsonderzoek. Uit dit onderzoek blijkt dat de functie van
maatman enkele elementen bevat die een opleidingsniveau vereisen dat
uitstijgt boven het niveau dat is vereist voor verzoeksters functie. Voor
het totaal van de functie kan dit hogere niveau echter niet noodzakelijk
worden geacht. Reden waarom voor deze functie toch, net zoals bij die van
verzoekster, wordt uitgegaan van indeling in hoofdgroep III. Het
functiewaarderingsonderzoek leverde uiteindelijk een waardering op van
beide functies met hoofdgroep III, niveaugroep ‘c’. Gelet op het geringe
verschil in waarde van de functies van verzoekster en maatman concludeert
de Commissie dat beiden arbeid van nagenoeg gelijke waarde verrichten.

6.4. De vraag die daarna aan de orde komt is, of de wederpartij
verzoekster en maatman beloont op grondslag van gelijkwaardige maatstaven.
De Commissie overweegt hierover als volgt.

Uit het onderzoek is gebleken dat de wederpartij verschillende
beloningsmaatstaven hanteert. Het geschil tussen partijen spitst zich met
name toe op de beloningsmaatstaf zwaarte van de functie. Verzoekster stelt
immers dat doordat de wederpartij het niveau van haar functie te laag
heeft ingeschat, zij in een te lage beloningsschaal is ingedeeld. Vast is
komen staan dat de wederpartij de zwaarte van een functie bepaalt aan de
hand van haar functiewaarderings- systeem. In haar beloningssysteem
koppelt de wederpartij het niveau van een functie vervolgens aan de
beloning, en met name aan de indeling in een BBRA-schaal. Omdat de
wederpartij de functie van maatman zwaarder acht dan die van verzoekster,
wordt maatman beloond volgens schaal 8, en verzoekster volgens schaal 7
BBRA’84. Uit het overwogene in paragraaf 6.3. blijkt evenwel dat de
functies van verzoekster en maatman van nagenoeg gelijke waarde zijn.
Uitgaande van het beloningssysteem van de wederpartij zou dit dan met zich
moeten brengen dat beiden in dezelfde schaal worden ingedeeld. Nu maatman
evenwel wordt beloond volgens schaal 8 en verzoekster volgens schaal 7,
stelt de Commissie vast dat de wederpartij de beloningsmaatstaf zwaarte
van de functie ten aanzien van deze beide medewerkers niet op dezelfde
wijze heeft toegepast. Zij concludeert dan ook dat op dit punt geen sprake
is van beloning op grondslag van gelijkwaardige maatstaven.

De wederpartij heeft zich voor het beloningssverschil tussen verzoekster
en maatman verder nog beroepen op de hoogte van het laatstgenoten salaris
van maatman. Dit verweer treft in de onderhavige zaak geen doel. Weliswaar
kan niet worden uitgesloten dat de hoogte van maatmans laatstgenoten
salaris zijn beloning bij de wederpartij heeft beinvloed, maar dit
betekent niet dat daarmee een beloning volgens schaal 8 noodzakelijk was.
Het bedrag van schaal 8, regelnummer 1 komt immers ook voor in
salarisschaal 7.

Aan hetgeen hierboven in deze paragraaf is overwogen doet niet af het feit
dat verzoekster op dit moment, omgerekend naar een voltijds dienstverband,
een hoger salarisbedrag ontvangt dan maatman. Dit hogere salaris wordt
namelijk met name veroorzaakt door het verschil in periodieken dat
verzoekster en maatman kregen toegekend op grond van de duur van hun
dienstverband (verzoekster ruim negen jaar, tegenover de maatman ruim
anderhalf jaar). Op deze periodieken heeft verzoekster dan ook recht,
onafhankelijk van de vraag in welke schaal zij is ingedeeld.

6.5. Verzoekster stelde verder aan de orde dat zij ongelijk behandeld zou
zijn door de gang van zaken tijdens het aantrekken van de assistent
financiele administratie. De Commissie constateert op dit punt dat
verzoekster met name vreesde voor uitholling van haar takenpakket. Nu deze
uitholling niet heeft plaatsgevonden, mede door verzoeksters acties
richting directeur en bestuur, behoeft deze kwestie naar het oordeel van
de Commissie geen verdere bespreking. Dit geldt eveneens voor verzoeksters
stelling dat zij buitengesloten werd van diverse overleggen. Zo hiervan
sprake is geweest, constateert de Commissie dat van nadelige gevolgen voor
verzoeksters functie niet is gebleken en dat verzoekster inmiddels wel bij
overleggen wordt betrokken.

7. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de te Amsterdam in de
periode augustus 1991 tot einde onderzoek, onderscheid heeft gemaakt op
grond van geslacht jegens mevrouw te Wormerveer,
en daarmee heeft gehandeld in strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk
Wetboek en de artikelen 7 en volgende Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen.

Rechters

Mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter), mw drs J.A.M. Stolwijk (lidKamer), mw mr M. de Rooij (lid Kamer), dhr mr W.A. van Veen(plaatsvervangend lid Kamer), mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer), mw mrG.L.M. Lenssen (adjunct- secretaris).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 1 juni 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster klaagt over ongelijke beloning in haar voorgaande en
huidige functie. Heeft voor beide functies een maatman aangewezen.
Commissie gaat bij het waarderen van de functies niet uit van het
functiewaarderingssysteem van de wederpartij omdat zij dit niet deugdelijk
acht. In beide gevallen arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde.
Beloningsmaatstaf zwaarte van functie bepaalt indeling in salarisschaal.
Nu in beide gevallen functies nagenoeg gelijkwaardig zijn, zou verzoekster
naar het oordeel van de Commissie ook in beide gevallen in dezelfde schaal
moeten zijn ingedeeld. Derhalve geen gelijkwaardige beloningsmaatstaven,
strijd met de Wet. Werkgever had zelf andere maatman aangewezen. Zijn
arbeid blijkt evenwel van lager niveau te zijn dan die van verzoekster.
Ook hier geen beloning op grond van gelijkwaardige maatstaven. NB.
tussenbeslissing uitgebracht.

Volledige tekst


6.3. Vervolgens gaat de Commissie over tot beantwoording van de
bovengenoemde vragen A en B.

Ad A

Allereerst is dan aan de orde de vraag of verzoekster en maatman 1 arbeid
van gelijke of nagenoeg gelijke waarde verrichtten. Hun functies zijn
vergeleken voor de periode medio 1990 (indiensttreding maatman) tot 1
januari 1992 (functiewijziging verzoekster en maatman).

De Commissie merkt allereerst op dat verzoekster en de wederpartij
verschillende versies van de functiebeschrijving van verzoekster hebben
ondertekend. Beide versies leiden evenwel tot dezelfde waardering, reden
waarom de verschilpunten tussen deze functiebeschrijvingen verder
onbesproken kunnen blijven. De Commissie stelt vast dat enige van de door
de wederpartij aangevoerde verschilpunten eveneens voorkomen in
verzoeksters functie, zij het onder een andere benaming. Zo valt het door
de wederpartij genoemde onderdeel ‘coordineren van relaties met onder meer
de ILO’, onder punt 3.3. van de functiebeschrijving van verzoekster,
namelijk het onderhouden van contacten met groepen/adviseurs/deskundigen.
Alleen bij het aspect ‘assisteren van de systeembeheerder’ is sprake van
een onderdeel van maatmans functie, dat verzoekster niet vervult. De
Commissie stelt hier evenwel vast dat dit aspect maatmans functie wel
omvangrijker doet zijn maar dat het, gezien het niveau van deze
werkzaamheden, geen invloed heeft op de zwaarte van de functie.

Bovenstaande betekent dat de Commissie voor de beoordeling van de vraag
naar de waarde van de verrichte arbeid, uit zal gaan van de resultaten van
het functiewaarderingsonderzoek. Uit dit onderzoek blijkt dat beide
functies gewaardeerd worden met indeling in hoofdgroep IV, niveaugroep
‘c’. De Commissie concludeert hieruit dat verzoekster en maatman 1 arbeid
van (nagenoeg) gelijke waarde verrichtten.

6.4. Vervolgens is aan de orde de vraag of de wederpartij verzoekster en
maatman 1 heeft beloond op grondslag van gelijkwaardige maatstaven. De
Commissie overweegt hierover als volgt.

Zij stelt vast dat verzoekster gedurende de gehele onderzoeksperiode niet
alleen in een lagere salarisschaal was ingedeeld, maar ook een lager
salaris ontving. Pas vanaf begin 1991 werd verzoekster in schaal 7
ingedeeld, daarvoor zat zij in schaal 5. In juli 1991 bedroeg haar salaris
ƒ 2.923,- bruto per maand. Maatman daarentegen was gedurende de gehele
onderzoeksperiode ingedeeld in schaal 8, met een bruto-salaris van ƒ
3.259,- per maand. Verder blijkt uit het onderzoek dat de wederpartij
verschillende beloningsmaatstaven hanteert. De maatstaf die in de
vergelijking tussen verzoekster en maatman 1 verantwoordelijk is voor het
beloningsverschil, is de zwaarte van de functie. De wederpartij blijft
immers, ook na bestudering van het rapport van de Commissie, van mening
dat er verschil is in functieniveau tussen verzoekster en maatman 1. In
haar beloningssysteem koppelt de wederpartij het niveau van een functie,
dat zij bepaalt aan de hand van haar functiewaarderingssysteem, aan de
beloning, en met name aan de indeling in een BBRA-schaal. Op deze wijze
heeft de wederpartij verzoekster ingedeeld in schaal 7, en maatman 1 in
schaal 8 BBRA’84.

Uit het overwogene in paragraaf 6.3. blijkt evenwel dat de functies van
verzoekster en maatman van nagenoeg gelijke waarde zijn. Uitgaande van het
beloningssysteem van de wederpartij zou dit dan met zich moeten brengen
dat beiden in dezelfde schaal worden ingedeeld. Nu maatman evenwel wordt
beloond volgens schaal 8 en verzoekster volgens schaal 7, stelt de
Commissie vast dat de wederpartij de beloningsmaatstaf zwaarte van de
functie ten aanzien van deze beide medewerkers niet op dezelfde wijze
heeft toegepast. Zij concludeert dan ook dat op dit punt geen sprake is
van beloning op grondslag van gelijkwaardige maatstaven.

Dat verzoekster reeds per 1 januari 1991, dus vooruitlopend op de
invoering van de functiewaardering, overging van schaal 5 naar schaal 7,
doet aan het bovenstaande niet af. Op dat moment immers verrichtte zij al
arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde als maatman 1, terwijl deze ook toen
al in schaal 8 was ingedeeld. Maatman 1 bleef dus in een hogere schaal
ingedeeld, reden waarom de overgang van verzoekster naar schaal 7 de
geconstateerde ongelijke beloning niet kan rechtzetten.

6.5. Voor de rechtvaardiging van verzoeksters beloning in haar voorgaande
functie, heeft de wederpartij zich voorts beroepen op de vergelijking van
verzoeksters functie en beloning met die van maatman 2.

In haar reactie op het onderzoeksrapport van de Commissie evenwel, gaf zij
aan de conclusie te onderschrijven dat de functie van maatman 2 niet
vergelijkbaar is met die van verzoekster. Deze conclusie luidde dat de
functie van verzoekster wordt gewaardeerd met hoofdgroep IV, niveaugroep
‘c’, en die van maatman 2 met hoofdgroep III, niveaugroep ‘c’. De
Commissie stelt dan ook vast dat verzoekster arbeid van hogere waarde
verrichtte dan maatman 2.

De Commissie heeft al eerder uitgesproken dat een werknemer die arbeid
verricht van hogere waarde dan een andere werknemer van het andere
geslacht, tenminste recht heeft op een gelijk loon als die andere
werknemer. De Commissie dient dan ook de vraag te beantwoorden of
verzoekster en maatman 2 werden beloond op grondslag van gelijkwaardige
maatstaven. Zij overweegt hierover dat de wederpartij in haar
beloningssysteem de zwaarte van maatmans functie koppelt aan een beloning
volgens schaal 7. Nu verzoeksters functie van hogere waarde is dan die van
maatman 2, zou daaraan ook een hogere beloning dan volgens schaal 7 dienen
te worden toegekend. Dit geconstateerd hebbende, concludeert de Commissie
dat de wederpartij ook in de vergelijking tussen verzoekster en maatman
2, de beloningsmaatstaf zwaarte van de functie niet op dezelfde wijze
heeft toegepast. Derhalve is ook hier geen sprake van beloning op
grondslag van gelijkwaardige maatstaven.

Ad B

6.6. Maakt de wederpartij in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
onderscheid op grond van geslacht, door verzoekster in haar huidige
functie lager te belonen dan maatman 3, die deze functie voor haar
vervulde?

De Commissie overweegt op dit punt allereerst dat het beginsel van gelijke
beloning niet enkel geldt ingeval mannen en vrouwen tegelijkertijd
(nagenoeg) gelijkwaardige arbeid verrichten, maar ook indien zij dat in
opeenvolgende periodes doen (Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, zaak 129/79, 27 maart 1980 MacCarthy Ltd/Wendy Smith. Zie
eerder oordelen van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid: 12 februari 1991, oordeelnummer 333-91-11; 12 juli 1991,
oordeelnummer 168-91-43 en 16 juli 1991, oordeelnummer 361- 91-47). De
Commissie aanvaardt derhalve de door verzoekster aangewezen maatman.

Beantwoord moet dan worden de vraag of verzoekster en maatman arbeid van
gelijke dan wel nagenoeg gelijke waarde verrichten. Ook hier wordt
uitgegaan van de resultaten van het functiewaarderingsonderzoek. De
functie van verzoekster is daarbij gewaardeerd met een indeling in
hoofdgroep IV, niveaugroep ‘c’, die van maatman is weliswaar iets zwaarder
dan die van verzoekster (rol van primus inter pares), totaal bezien
rechtvaardigt dit aspect evenwel, zo blijkt uit het onderzoek, geen
indeling in een hogere hoofd- en niveaugroep. Gelet op het geringe
verschil in waarde van de functies van verzoekster en maatman 3
concludeert de Commissie dat beiden arbeid van nagenoeg gelijke waarde
verrichten.

6.7. De vraag vervolgens of verzoekster en maatman 3 worden beloond op
grondslag van gelijkwaardige maatstaven, beantwoordt de Commissie
ontkennend. Evenals voor de functie van maatman 1 blijft de wederpartij
zich voor de functie van maatman 3 op het standpunt stellen dat hij
terecht op grond van de zwaarte van zijn functie hoger is ingeschaald dan
verzoekster. Maatman 3 werd vanaf zijn indiensttreding beloond volgens
schaal 9, verzoekster wordt vanaf 1 januari 1992 beloond volgens schaal
8. Ook voor deze situatie overweegt de Commissie dat nu verzoekster en
maatman 3 arbeid van nagenoeg gelijke waarde verrichten, zij, gezien het
beloningssysteem van de wederpartij, in dezelfde salarisschaal ingedeeld
zouden moeten zijn. De Commissie concludeert dan ook dat de wederpartij
de beloningsmaatstaf zwaarte van de functie ten aanzien van deze beide
medewerkers niet op dezelfde wijze heeft toegepast. Van een beloning op
grondslag van gelijkwaardige maatstaven is dan ook geen sprake.

7. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de te Amsterdam onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt jegens mevrouw te Lelystad, en
daarmee heeft gehandeld in strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek
en de artikelen 7 en volgende Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen, in de onderstaande perioden – medio 1990 – 1 januari 1992; – 1
juli 1991 – 1 januari 1992; – 1 januari 1992 tot einde onderzoek.

Rechters

Mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter), mw drs J.A.M. Stolwijk (lidKamer), mw mr M. de Rooij (lid Kamer), dhr mr W.A. van Veen(plaatsvervangend lid Kamer), mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer), mw mrG.L.M. Lenssen (adjunct- secretaris).

Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 28 mei 1993

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


Eiseres had een tijdelijke dienstverband. Dit werd niet verlengd
omdat eiseres zwanger was. Drie jaar later eist eiseres een
schadevergoeding van haar toenmalige werkgever. De kantonrechter overweegt
dat de zwangerschap de reden was dat de arbeidsovereenkomst van eiseres
niet is verlengd. Daarmee heeft gedaagde in strijd met de Wet gelijke
behandeling gehandeld en is hij schadeplichtig.

Volledige tekst

Verloop van de procedure

Bij mondelinge conclusie van eis overeenkomstig de dagvaarding vorderde
eiseres verklaring voor recht, dat gedaagde ten aanzien van eiseres een
direct onderscheid heeft gemaakt op grond van zwangerschap bij
indienstneming op arbeidsovereenkomst, de bevordering en de beeindiging
van het dienstverband, en aldus de wettelijke bepalingen inzake de gelijke
behandeling van mannen en vrouwen heeft geschonden en derhalve jegens
eiseres onrechtmatig en in strijd met de verplichting als goed werkgever
heeft gehandeld, voorts betaling van ƒ 2.336,00 bruto voor iedere maand
na 10 januari 1989 gedurende welke eiseres werkloos is gebleven, voorts
betaling van ƒ 10.000 wegens immateriele schade.

Gedaagde antwoordde schriftelijk en bestreed de vordering.

Eiseres nam een schriftelijke conclusie van repliek.

Gedaagde nam een schriftelijke conclusie van dupliek.

Daarna is vonnis gevraagd.

(tussenbeslissing)

Gronden van de beslissing

Eiseres is van 18 april 1988 tot 1 oktober 1988, van 1 oktober 1988 tot
1 januari 1989 en van 1 januari 1989 tot 10 januari 1989 krachtens
opeenvolgende arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht in dienst
geweest van gedaagde als laborante bij de Keuringsdienst van Waren. Zij
verrichtte haar werk te Amsterdam.

Op 25 november 1988 schreef gedaagde eiseres (onder meer) het volgende:

‘Sinds 18 april 1988 bent u in tijdelijke dienst verbonden aan de
Rijkskeuringsdienst van Waren voor het gebied Amsterdam om zodoende
capaciteitsproblemen bij onze dienst te verrichten. Uw contract loopt met
ingang van 1 januari 1989 af.

In principe bestaat de mogelijkheid tot verlenging van dit contract tot
1 april 1989. Echter in verband met uw aanvraag om zwangerschapsverlof
ingaande 19 december a.s. is de verlenging van uw contract geen
vanzelfsprekendheid. Immers, het doel van de tijdelijke aanstelling is nog
altijd om de capaciteit van de laboratoria op peil te houden. Dat betekent
dat – hoe zeer mij dit ook spijt – uw contract niet verlengd kan worden.’

Eiseres voert aan, dat gedaagde door het dienstverband wegens zwangerschap
van eiseres niet te verlengen heeft gehandeld in strijd met de regelgeving
omtrent gelijke behandeling van vrouwen en mannen. Zij vordert een
dienovereenkomstige verklaring voor recht en vergoeding van materiele en
immateriele schade.

Gedaagde werpt allereerst op, dat zij pas op 11 december 1991, bijna drie
jaar na het einde van het dienstverband, voor het eerst door eiseres ter
zake van het vorenstaande is aangeschreven.

Het enkele verloop van genoemd tijdvak brengt evenwel niet mee, dat
eiseres haar vordering niet meer geldend zou kunnen maken. Gedaagde heeft
zich niet beroepen op enige aan het tijdsverloop te ontlenen rechtsgrond
die aan de vordering in de weg zou staan.

Voorts betwist gedaagde, dat zij in strijd met de door eiseres bedoelde
regelgeving heeft gehandeld. Naar haar zeggen is niet de zwangerschap van
eiseres redengevend geweest voor het niet verlengen van het dienstverband,
maar het feit, dat eiseres de gehele tijd van de verlenging (10 januari
1989 – 1 april 1989) niet beschikbaar zou zijn voor arbeid. Het zelfde zou
volgens gedaagde hebben gegolden voor een man, die om andere redenen niet
beschikbaar zou zijn geweest.

Ook dit verweer gaat niet op. Kern van de zaak is, dat gedaagde niet
beschikbaar zou zijn voor het werk wegens haar zwangerschap. Nu die
oorzaak van de verhindering slechts kan gelden voor een vrouw, heeft
gedaagde door het dienstverband wegens de niet-beschikbaarheid niet te
verlengen gehandeld in strijd met het in art. 1a lid 1 van de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen neergelegde verbod.

De overige verweren van gedaagde hebben betrekking op de hoogte van de
gevorderde schadevergoeding. Hieromtrent zijn nadere inlichtingen nodig.
Daarom zal een comparitie van partijen gelast worden.

Ter comparitie zal onder meer worden ingegaan op de vraag, welke inkomsten
eiseres na 10 januari 1989 heeft gehad, uit welke bronnen die inkomsten
afkomstig waren en welke pogingen zij heeft ondernomen om vervangend werk
te vinden. Eiseres dient bewijsstukken met betrekking tot die vragen
tenminste een week voor de comparitie aan de kantonrechter en aan de
wederpartij toe te zenden.

Beslissing

Partijen wordt gelast om op vrijdag 9 juli 1993 te 10.30 uur te
verschijnen in het kantongerechtsgebouw aan de Pasnassusweg 220 (toren E)
te Amsterdam voor het verstrekken van inlichtingen.

Iedere verder beslissing wordt aangehouden.

Gegarandeerd door Rechtenvrouw

Noot

In augustus 1976 trad het ontslagverbod tijdens zwangerschap en wegens
bevalling in werking (art. 7A:1639h lid 4 BW). Omdat deze regel echter
nogal wat uitzonderingen toeliet, is in de jaren tachtig getracht de gaten
te dichten met behulp van het discriminatieverbod. Met succes. Eerst
erkende de rechter het discriminatoire karakter van een ontslag wegens
zwangerschap. Vervolgens werd in 1989 (bij de invoering van de
Reparatiewet Gelijke Behandeling) uitdrukkelijk in de wet opgenomen, dat
het maken van onderscheid op grond van zwangerschap of bevalling directe
discriminatie meebrengt (art. 7A:1637ij lid 5 BW en art. 1 WGB). Er is
derhalve inmiddels algemene consensus omtrent de norm, dat het beeindigen
van de dienstbetrekking in verband met zwangerschap en bevalling
ongeoorloofd is.

De uitzonderingen in het ontslagverbod bleven echter bestaan. En aangezien
‘lastenverlichting van het bedrijfsleven’, ook in de meest letterlijke
zin, de immer ultieme zorg van de ondernemer is, laten werkgevers niet af
dankbaar gebruik te maken van die uitzonderingen. Zo verschijnt met de
regelmaat van de klok rechtspraak met betrekking tot ontslag in verband
met zwangerschap (nog daargelaten de zaken die bij de Commissie Gelijke
Behandeling worden aangekaart).

In het vorige nummer van Nemesis werd een beschikking gepubliceerd inzake
ontbinding wegens veelvuldige arbeidsongeschiktheid, veroorzaakt door
zwangerschapscomplicaties en -verlof (Ktg. Hoorn Nemesis 1993, 333).

Hierboven zijn twee andere zaken opgenomen.

In Terneuzen gaat het om een proeftijd-ontslag tijdens zwangerschap en in
Amsterdam om het niet verlengen van een tijdelijke aanstelling (voor zover
mij bekend overigens na Rb Utrecht 6 februari 1985, RVR 1992, nr. 93
[Stimezo], de eerste rechterlijke uitspraak omtrent tijdelijke
dienstbetrekkingen en zwangerschap).

Veel nieuws bieden de zaken niet. De mogelijke argumenten en verweren aan
werkgeverszijde zijn zo langzamerhand wel bekend. En aangezien de norm
vastligt, is voornamelijk interessant of de rechter die norm expliciet
erkent en hoe hij daar vervolgens mee omgaat.

In Terneuzen werd de norm door de rechter inderdaad uitgesproken. Daarna
diende alleen nog de causaliteit tussen de zwangerschap en het ontslag te
worden bewezen. Gezien de mogelijkheden tot bewijslastverdeling is het
overgrote deel van het vonnis aan dit aspect gewijd. Partijen waren het
er over eens dat de bedreigde ‘continuiteit van het bedrijf’ de reden was
voor het ontslag. Slechts de vraag welke omstandigheid nu precies die
bedreiging vormde, hield partijen verdeeld. In de opvatting van de
werkneemster zou dat haar zwangerschap zijn, in de opvatting van de
werkgever lag dat anders. Eigenlijk was er een fulltime kracht nodig en
geen parttime. Een niet erg geloofwaardig verhaal, nu de vrouw als
parttimer de proeftijd was aangegaan, zodat er vanuit kon worden gegaan
dat er op dat moment overeenstemming bestond over het aantal te werken
uren. De rechter vond dan ook de vraag cruciaal of de werkgever de vrouw
had gevraagd fulltime te gaan werken, en of zij dat geweigerd had. Er
wordt vrij ver gegaan met de omkering van de bewijslast. De werkgever moet
aantonen dat hij de vrouw een fulltime baan heeft aangeboden en dat de
vrouw geweigerd heeft die te aanvaarden. Pas als hij daarin niet slaagt
zal de werkneemster met aanvullend bewijs moeten komen.

Ook in Amsterdam werd de norm erkend. Bewijs hoefde niet meer te worden
geleverd. De werkgever had schriftelijk te kennen gegeven dat verlenging
van het contract niet vanzelfsprekend was, nadat de werkneemster een
aanvraag om zwangerschapsverlof had gedaan. In de procedure werd echter
gesteld dat het niet om de zwangerschap, maar om de niet-beschikbaarheid
van de werkneemster ging. De rechter gebruikte hier een overweging, die
door de CGB regelmatig wordt gehanteerd: als de reden voor de
niet-verlenging is gelegen in de niet-beschikbaarheid, dan is de kern van
de zaak dat eiseres niet beschikbaar is wegens haar zwangerschap. ‘Nu die
oorzaak van verhindering slechts kan gelden voor een vrouw’, is er
gehandeld in strijd met het discriminatieverbod van art. 1a lid a WGB,
aldus de rechter.

Een aardige bijkomstigheid in deze zaak was overigens, dat de feiten zich
afspeelden voor de inwerkingtreding van de Reparatiewet Gelijke
Behandeling, terwijl de procedure pas drie jaar later werd opgestart. Het
beroep op verjaring door de werkgever ging echter niet op. omdat gedaagde
zich niet had beroepen ‘op enige aan het tijdsverloop te ontlenen
rechtsgrond die aan de vordering in de weg zou staan’. Een overweging
waarmee de rechter impliciet erkende, dat de norm ook voor
inwerkingtreding van de Reparatiewet zonder meer gelding had.

In beide zaken dus voorbeeldige uitspraken. Geheel anders dan in de
ontbindingsbeschikking van de kantonrechter uit Hoorn, al is formeel op
die beschikking weinig aan te merken. Ontbinding wegens veelvuldige ziekte
en in verband daarmee disfunctioneren, c.q. verstoring van de
arbeidsverhouding, komt immers vaker voor. In casu was het verzuim echter
wegens zwangerschapscomplicaties en het aansluitende verlof. Door de
advocate van de vrouw was dat uitvoerig benadrukt. De rechter blijft
echter hardnekkig spreken van ‘regelmatige arbeidsongeschiktheid’ en
‘disfunctioneren’. In de hele beschikking komen de woorden ‘zwangerschap’
of ‘bevalling’ niet een keer voor. Wie niet meer weet van de casus, kan
onmogelijk gewaar worden dat hier iets anders aan de hand was dan gewone
ziekte; in trefwoordenregisters zal de zaak nooit onder ‘zwangerschap’ te
vinden zijn. Op ‘verduistering van staat’ staan strenge straffen.
Verduistering van de staat van zwangerschap door de rechter is kennelijk
geoorloofd.

De drie procedures konden ontstaan door de gaten in het ontslagverbod. De
proeftijd-uitzondering en de ontbindingsmogelijkheid zijn overbekend. De
Amsterdamse zaak is een typisch voorbeeld van een gat in het
ambtenarenrecht. De vrouw was semi-ambtenaar, zij werkte bij de
Keuringsdienst van Waren. Zij had weliswaar een arbeidsovereenkomst naar
burgerlijk recht, maar voor het overige golden voor haar de in de
gedecentraliseerde diensten doorgaans van het ARAR afgeleide
arbeidsvoorwaarden. Ingevolge het ARAR mogen tijdelijke dienstbetrekkingen
alleen om duidelijke, benoemde redenen worden aangegaan, met als (logisch)
gevolg dat het beeindigen van een dergelijke aanstelling in beginsel
voortvloeit uit het ophouden van die reden. Voortgeredeneerd kan het niet
verlengen van een tijdelijke arbeidsovereenkomst nooit ‘wegens’ de
zwangerschap zijn; de causaliteit tussen ontslag en zwangerschap ontbreekt
bij voorbaat. Het ARAR-ontslagverbod wegens zwangerschap heeft dan ook
geen betrekking op deze situatie. Maar als de vrouw op basis van een
civielrechtelijke arbeidsovereenkomst had gewerkt, was de casus ondenkbaar
geweest. In dat geval zou sprake zijn geweest van een eenmaal verlengde
dienstbetrekking, die alleen via een ontslagvergunning had kunnen worden
beeindigd.

Wat de hier besproken rechterlijke oordelen vooral duidelijk maken, is dat
de opstelling van de rechter essentieel is voor het dichten van de gaten
in de wetgeving. Amsterdam en Terneuzen zijn voorbeelden van een welkome
gang van zaken. Hoorn is precies het tegendeel. Niets noopte die rechter
de zwangerschap het vonnis ‘uit te schrijven’, en niemand dwong hem tot
toewijzing van het ontbindingsverzoek. Maar let wel: hoe mooi het in
Amsterdam en Terneuzen ook toeging, ook die twee vrouwen waren de baan
(al) kwijt. Er werd alleen schadevergoeding gevorderd. Het dichten van de
gaten is dus maar betrekkelijk.

De maatschappelijke gevolgen van de uitzonderingen op het ontslagverbod
zijn groot: ongewenste werkloosheid. Het lijkt onaanvaardbaar dat men in
zo grote mate afhankelijk is van de opstelling van de rechter voor het
behoud van het werk, voor het plakken van een pleister op de wonde en voor
het bepalen van het formaat van die pleister. Het lijkt even
onaanvaardbaar dat er zo’n verschil in rechtspositie bestaat tussen
(semi)-ambtenaren en werkneemsters in de particuliere sector. Zeker kan
dat niet worden verdedigd door een overheid, die formeel zegt op het
gebied van gelijke behandeling het voorbeeld te willen geven.

Dat wil zeggen, ondanks de opstelling van de rechters in de hier
gepubliceerde uitspraken, is er maar een instantie die de gaten echt kan
dichten: de wetgever.

Mies Monster

Rechters

Mr. S.G. Ellerbroek

Instantie: Rechtbank Arnhem, 28 mei 1993

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Toegewezen: ƒ 15.000,=. Dit bedrag betreft echter voor een deel ook de
materiele schadevergoeding. Gevorderd: ƒ 15.000,= als voorschot op de
vergoeding voor geleden immateriele schade. Eiseres heeft ernstig leed
ondervonden en zal ook in de toekomst nog immateriele schade lijden,
waarvoor gedaagde aansprakelijk is. Eiseres zal nog voor een lange tijd
worden opgenomen in een psychiatrische ziekenhuis. Een uitgebreide
onderbouwing van de immateriele schade ontbreekt. Het is echter evident
dat eiseres aanzienlijke schade heeft geleden. De vaststelling daarvan
dient in een bodemprocedure te geschieden, maar rekening houdend met de
ernst van het onrechtmatig handelen van gedaagde kan niet worden gezegd
dat een deugdelijke grondslag voor toewijzing van een substantieel deel
van het gevorderde bedrag ad ƒ 15.000,= ontbreekt. Met betrekking tot de
draagkracht van gedaagde wordt overwogen dat hij -zij het beperkt- ruimte
heeft om schadevergoeding aan eiseres te betalen.

Gevorderd : ƒ 2.000,= als voorschot op geleden materiele schade. Eiseres
heeft haar schade slechts tot een bedrag van ƒ 783,20 gespecificeerd. Het
is echter voldoende aannemelijk dat zij nog kosten zal moeten maken, onder
meer als zij in het psychiatrisch ziekenhuis wordt opgenomen. Het is
voldoende aannemelijk dat de bodemrechter de materiele en immateriele
schade van eiseres ten minste op ƒ 15.000,= zal stellen.

Gedaagde is bij vonnis d.d. 23 mei 1990 veroordeeld tot twaalf maanden
gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Met
betrekking tot de spoedeisendheid speelt in het bijzonder een rol dat
eiseres op dit moment de druk van een kort geding wel aandurft, maar dat
zij grote twijfel heeft of zij een langdurige bodemprocedure kan
volhouden. Voor een minnelijke regeling, zoals door gedaagde is bepleit,
bestaat onvoldoende grond. Eiseres ervaart nader overleg als een onnodig
langdurigebelasting en verwacht bovendien geen heil van het overleg; de
aangebodenbedragen vindt zij te gering. Dit standpunt van eiseres valt
in de bestaande situatie te billijken. Als de in het ongelijk gestelde
partij zal gedaagde in de kosten worden verwezen.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure

Eiseres heeft bij gedaagde ter terechtzitting in kort geding doen
dagvaarden en bij mondelinge conclusie van eis gevorderd als weergegeven
in de dagvaarding. Gedaagde heeft geconcludeerd tot weigering van de
gevorderde voorziening. De procureur van eiseres en de procureur van
gedaagde hebben de zaak bepleit, beiden overeenkomstig de door hen
overgelegde pleitnotities. Daarbij hebben zij over en weer produkties in
het geding gebracht. Tenslotte zijn de processtukken voor het wijzen van
vonnis overgelegd.

De vaststaande feiten

Op grond van de stelling van partijen en de inhoud van de produkties
-alles voorzover niet dan wel onvoldoende weersproken- staat voorshands
het volgende vast.

Eiseres -thans 24 jaar- is geboren uit het huwelijk tussen de heer S. en
mevrouw R. Na echtscheiding is haar moeder hertrouwd met gedaagde.

Bij de echtscheiding zijn de drie kinderen, waaronder eiseres aan de
moeder toegewezen. Eiseres heeft later haar geslachtsnaam doen wijzigen
in S.

Bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 23 mei 1990 is
gedaagde veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een
proeftijd van 2 jaar. De rechtbank heeft bewezen geacht dat gedaagde op
tijdstippen in de periode van 1977 tot en met 1985 opzettelijk ontuchtige
handelingen heeft gepleegd met eiseres die toen nog minderjarig was en aan
de zorg of waakzaamheid was toevertrouwd.

Het geschil

Eiseres vordert gedaagde te veroordelen tot betaling van ƒ 2.000,=
respectievelijk ƒ 15.000,= als voorschot op gelden en nog te lijden
materiele en immateriele schade. Eiseres voert aan dat zij vanaf haar
vijfde tot haar zeventiende jaar op grovelijke wijze is misbruikt door
gedaagde en dat zij daardoor ernstig leed heeft ondervonden en schade
heeft geleden en nog zal lijden, materieel en immaterieel -waarvoor
gedaagde aansprakelijk is. Ter ondersteuning van haar vordering wegens
materiele schade wijst gedaagde op gemaakte kosten voor psychotherapie,
psychiaterbezoek en reiskosten. Ook wijst eiseres er op dat zij medio
september 1993 voor lange tijd zal worden opgenomen in het psychiatrisch
ziekenhuis Veldwijk te Ermelo, hetgeen nog verdere kosten met zich mee zal
brengen.

Gedaagde erkent dat hij in de periode 1977 tot en met 1985 ontucht heeft
gepleegd met eiseres en aldus onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld.
Gedaagde is bereid schadevergoeding aan eiseres te betalen. Over het
betalen van schadevergoeding heeft volgens gedaagde reeds overleg
plaatsgevonden. Gedaagde verzet zich er echter tegen dat eiseres in dit
kort geding schadevergoeding vordert. Primair beroept gedaagde zich op het
ontbreken van een spoedeisend belang; volgens gedaagde kan eiseres
evengoed een bodemprocedure volgen.

Subsidiair verzoekt gedaagde om aanhouding van het kort geding voor de
duur van zes maanden (onder de toezegging ƒ 1.000,= ineens en ƒ 1.000,=
per maand aan eiseres te voldoen) zulks om binnen deze termijn te kunnen
komen tot een regeling in onderling overleg. Meer subsidiair bepleit
gedaagde een matiging van de gevorderde schadevergoeding op grond van
artikel 6:109 BW en een betalingsregeling.

In dit verband wijst gedaagde er op dat hij en zijn echtgenote een
AWW/AOW-uitkering ontvangen en niet over enig vermogen beschikken, zodat
gedaagdes draagkracht zeer beperkt is.

De beoordeling van het geschil

Onbetwist is dat gedaagde aansprakelijk is voor de schade die hij door
zijn onrechtmatig handelen jegens eiseres heeft veroorzaakt.

Gezien de ernst van het onrechtmatig handelen van gedaagde en de gevolgen
die eiseres daarvan heeft ondervonden, met name de weerslag op haar
psychische gesteldheid en ontwikkeling, kan van eiseres thans niet worden
gevergd zich tot de bodemrechter te wenden teneinde schadevergoeding te
verkrijgen. Daarbij speelt in het bijzonder een rol dat eiseres, naar zij
stelt, op dit moment de druk van een procedure wel aandurft doch grote
twijfel heeft of zij een langdurige bodemprocedure kan volhouden. Het
primaire verweer van gedaagde faalt.

Voor een aanhouding van dit kort geding teneinde een minnelijke regeling
te beproeven, zoals gedaagde subsidiair bepleit, bestaat onvoldoende
grond. Allereerst omdat eiseres zich tegen een aanhouding verzet: zij
ervaart nader uitleg als een onnodig langdurige belasting. Bovendien
verwacht eiseres geen heil van het overleg; de aangeboden betalingen (f
1.000,= ineens en ƒ 100,= maandelijks) acht zij te gering. Dit standpunt
van eiseres valt in de bestaande situatie te billijken.

Het meer subsidiair gevoerde verweer betreft de omvang van de schade en
de draagkracht van gedaagde tot het betalen van schadevergoeding. Hierover
valt het volgende op te merken.

Het is juist dat eiseres de materiele schade slechts tot een bedrag van
ƒ 783,20 in de dagvaarding heeft gespecificeerd en dat een uitgebreide
onderbouwing van de immateriele schade ontbreekt. Wat de materiele schade
betreft is echter voldoende aannemelijk dat eiseres nog kosten zal moeten
maken, onder meer als zij zal worden opgenomen in het psychiatrisch
ziekenhuis Veldwijk te Ermelo. Ook is het evident dat eiseres aanzienlijke
immateriele schade heeft geleden. De vaststelling daarvan dient in een
bodemprocedure te geschieden, maar rekening houdend met de ernst van het
onrechtmatig handelen van gedaagde kan niet worden gezegd dat een
deugdelijke grondslag voor toewijzing van een substantieel deel van het
gevorderde bedrag ad ƒ 15.000,= ontbreekt. Het is dan ook voldoende
aannemelijk dat de bodemrechter de (materiele en immateriele) schade van
eiseres tenminste op ƒ 15.000,= zal stellen.

Met betrekking tot de mogelijkheid tot het betalen van schadevergoeding
heeft gedaagde aan de hand van een berekening -waarin met het inkomen van
zijn echtgenote rekening is gehouden- pogen aan te tonen dat zijn
draagkracht zeer beperkt is. Tot de kosten die de draagkracht drukken
rekent gedaagde onder meer de maandelijkse kosten van “aflossing
plankrediet” ad ƒ 450,= en “kosten huishoudelijke hulp” ad ƒ 150,=. Laatst
genoemde kosten zijn volgens gedaagde noodzakelijk in verband met de zeer
zwakke gezondheidstoestand van zijn echtgenote, doch valt voorshands niet
in te zien. Gedaagde kan immers zonodig zelf “bijspringen”. Dat zijn
gezondheidstoestand daaraan in de weg zou staan is gesteld noch gebleken.
Het tegendeel lijkt veeleer het geval waar gedaagde zelf aanvoert dat zijn
ziekte definitief genezen lijkt. Ter zake van het “plankrediet” is
gedaagde een bedrag van circa ƒ 13.000,= verschuldigd aan de ABN AMRO Bank
te Nijmegen. Gedaagde betaalt maandelijks de verschuldigde debet- rente.
Of gedaagde daadwerkelijk ƒ 450,= per maand aflost is de vraag, maar het
moet in ieder geval mogelijk geacht worden dat gedaagde met een lagere
maandelijkse aflossing volstaat. Gezien het voorgaande valt aan te nemen
dat gedaagde -zij het beperkt- ruimte heeft om schadevergoeding aan
eiseres te betalen.

Gedaagde zal derhalve worden veroordeeld tot betaling van ƒ 15.000,=,
vermeerderd met de wettelijke rente en met dien verstande dat gedaagde dit
bedrag niet ineens zal behoeven te betalen, doch op de wijze als hierna
te melden.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal gedaagde in de kosten van dit
kort geding worden verwezen.

De beslissing

De president veroordeelt gedaagde aan eiseres te betalen de som van ƒ
15.000,= (zegge: vijftienduizend gulden) te voldoen in achtereenvolgende
maandelijkse termijnen van ƒ 200,= (zegge: tweehonderd gulden) die telkens
aan het eind van de maand moeten worden betaald, voor het eerst in juni
1993, vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom van 14 mei 1993
tot de dag der voldoening, welke rente telkens per eind juni, doch voor
het eerst in juni dient te worden voldaan, veroordeelt gedaagde in de
kosten van deze procedure, aan de zijde van eiseres tot heden bepaald op
ƒ 1.012,34, waarvan te betalen aan de griffier van deze rechtbank (op
postbankrekening no. 935462 ten name van Gerecht 533 arrondissement
Arnhem) a. ƒ 6.00,= voor salaris, b. ƒ 62,34 voor in debet gestelde
exploitkosten, c. ƒ 262,50 voor in debet gesteld griffierecht en het
restant ad ƒ 87,50 aan de procureur van eiseres wegens het eigen aandeel
in het griffierecht,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad en weigert het
anders of meer gevorderde.

Rechters

mr. E. van Rossem

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 27 mei 1993

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Het vonnis van de rechtbank (RN 1993, 313, m.nt. Lioe Tan) wordt
vernietigd in hoger beroep. Het hof oordeelt de uitspraken gedaan door een
ambtenaar van de burgerlijke stand niet onrechtmatig. Het is niet aannemelijk
dat de ambtenaar had kunnen en moeten verwachten dat haar uitlatingen,
suggesties dat het een schijnhuwelijk zou kunnen betreffen, geintimeerden in
opspraak zouden brengen. Er zijn geen onjuiste mededelingen gedaan en er is
geen sprake van het oogmerk om geintimeerden in eer, goede naam of anderszins
in hun persoon aan te tasten.

Volledige tekst

1. Het verloop van het geding in hoger beroep.

Bij exploit van 15 september 1992 is appellante in het principaal appel,
nader te noemen de gemeente, bij het hof in hoger beroep gekomen van het
vonnis van de President van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht,
rechtdoende in kort geding, dat onder rolnummer KG 4.21.580/92 is gewezen
tussen geintimeerden in het principaal appel, nader te noemen K. en G. als
eisers en de gemeente als gedaagde en is uitgesproken op 2 september 1992.

Bij memorie heeft de gemeente acht grieven tegen het vonnis, waarvan beroep,
aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en tot -kort
gezegd- afwijking van de vorderingen van K. en G., met veroordeling van K.
en G. in de kosten van beide instanties.

Onder depotnummer 21/92 heeft de gemeente ter griffie van het hof een
videoband gedeponeerd.

Bij memorie van antwoord, met produkties, hebben K. en g. de juistheid van
de grieven bestreden en hunnerzijds onder het aanvoeren van grief incidenteel
geappelleerd tegen het vonnis, met conclusie tot bekrachtiging van het
vonnis, met uitzondering van de afwijzing van de vordering tot vergoeding van
een voorschot van ƒ 25.000,– terzake van materiele schade, en tot
veroordeling van de gemeente tot betaling van voormeld voorschot, kosten
rechtens.

Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft de gemeente, onder
het overleggen van produkties, de juistheid van de grief van K. en G.
bestreden en geconcludeerd tot afwijzing van hun vordering.

K. en G. hebben vervolgens akte genomen en daarbij produkties overgelegd.

Partijen hebben tenslotte de stukken, waaronder die van de eerste aanleg, aan
het Hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

De inhoud van al die stukken geldt als hier overgenomen.

2. De grieven.

De grieven in het principaal appel houden het volgende in:

Grief I: De inhoud van de in het vonnis onder 2.1. tot en met 2.22. gegeven
opsomming van tussen partijen vaststaande feiten is onjuist, voorzover deze
afwijkt van hetgeen namens de gemeente is gesteld of uit de door haar
overgelegde produkties voortvloeit.

Grief II: Ten onrechte heeft de President in het vonnis overwogen onder 3.3.
tot en met 3.7. dat de gemeente in beginsel aansprakelijk is voor de schade
die voortvloeit uit een onrechtmatige daad van een Ambtenaar van de
Burgerlijke Stand, begaan in het kader van diens verrichtingen bij de
voltrekking van een huwelijk.

Grief III: Ten onrechte heeft de president overwogen als onder 3.6. van het
vonnis vermeld.

Grief IV: Ten onrechte heeft de President in het vonnis onder 3.8. de
gedragingen van de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand in deze als
onrechtmatig gekwalificeerd.

Grief V: Ten onrecht heeft de President onder 3.9. van het vonnis overwogen
als daar is vermeld.

Grief VI: Ten onrechte heeft de President overwogen als onder 3.10 van het
vonnis is vermeld.

Grief VII: Ten onrechte heeft de President onder 3.11. en 3.12. van het
vonnis overwogen dat de uitlatingen een onrechtmatig karakter hadden en dat
daardoor schade is ondervonden en op grond hiervan een bedrag van ƒ 10.000,–
als voorschot op een in de bodemprocedure te vorderen volledige
schadevergoeding toegekend.

Grief VIII: Ten onrechte heeft de President onder 3.14 van het vonnis de
gemeente als in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding
veroordeeld.

De grief in het incidenteel appel houdt het volgende in:

Ten onrechte heeft de president overwogen dat niet met voldoende zekerheid
is vast te stellen of een verhuizing door K. en G. noodzakelijk is dan wel
feitelijk zal plaatsvinden.

3. Beoordeling van het geschil.

3.1. In dit hoger beroep kan er in ieder geval van worden uitgegaan dat de
Ambtenaar van de Burgerlijke Stand, die op 12 februari 1992 in het
stadskantoor van de gemeente het huwelijk van K. en G. heeft voltrokken, een
toespraak heeft gehouden met een inhoud (deels) als in r.o. 2.7. van het
vonnis weergegeven.

3.2. K en G hebben gesteld dat zij door deze uitlatingen in hun eer en goede
naam zijn aangetast en dat de gemeente daardoor jegens hen onrechtmatig heeft
gehandeld. Zij achten dergelijke uitlatingen discriminatoir, een smadelijke
en lasterlijke aantijging van een schijnhuwelijk en een inbreuk op
persoonlijkheidsrechten en vrijheidsrechten en het recht op eerbiediging van
hun ‘family life’. De gemeente heeft deze stellingen bestreden.

3.3. Het hof zal grief IV in het principaal appel, als van de verste
strekking, het eerst behandelen. Deze grief komt op tegen het oordeel van de
president dat de uitlatingen van de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand een
onrechtmatig karakter hebben.

3.4. In de toespraak heeft de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand onder meer
gezegd: (…) ‘Moet je nagaan hoe iemand vooroordelen kan hebben, als ze
niets van de achtergronden weet. Want ik zei vorige week tegen K, en dat
zullen jullie ongetwijfeld samen besproken hebben, klopt dit huwelijk wel?
Is het niet alleen een manier om mevrouw G aan een mogelijkheid te helpen om
in een land te komen wonen waar ze het misschien beter heeft, ondanks dat ze
daarvoor zoveel moet achterlaten. Misschien heb je wel gedacht, waar bemoeit
dat mens zich mee, maar het is voor mij als ambtenaar van de burgerlijke
stand een onbehaaglijk gevoel als je denkt dat het niet helemaal klopt.
Bovendien krijg ik dan ook zoiets van, waar schrijf ik mijn speech dan voor.
Maar gelukkig wist je me er al snel van te overtuigen dat mijn gedachten wat
dat betreft de verkeerde kant opgingen. Jullie zijn bepaald niet over een
nacht ijs gegaan. Jullie mogen van mij van harte bewijzen dat mijn vermoedens
niet juist waren. (…) En je zou je ook niet zo gauw laten weerhouden.
Want, daarmee het laatste restje twijfel bij mij wegnemend, je zei: pAl zou
de hele wereld ertegen zijn, dan trouwen we nog met elkaar, want we zijn
samen dolgelukkig.p Nu, wat valt daar dan nog tegenin te brengen?’

3.4. Deze uitlatingen, voorzover zij – zakelijk weergegeven – de vraag
betreffen of het huwelijk tussen K en G louter werd gesloten uit economische
motieven, zijn misplaatst. Zij zijn terecht door de gemeente als onverstandig
en ongelukkig en door de president in het vonnis als niet passend in een
toespraak met een ‘feestelijk tintje’ gekwalificeerd.

3.5. Het hof is evenwel van oordeel dat het voorshands niet aannemelijk is
dat de bodemrechter deze uitlatingen als onrechtmatig jegens K en G zal
aanmerken.

3.6.1. Daartoe geldt het volgende.

3.6.2. De gedeelten van de toespraak die K en G onaangenaam hebben getroffen
houden geen stellige (onjuiste) mededelingen in, doch zijn vragen aangaande
het huwelijksmotief, met de daaraan verbonden mening dat een huwelijk uit
louter economische motieven niet klopt. Zij nemen in het geheel van de
toespraak, als in het vonnis onder 2.7. geciteerd, niet een overheersende
plaats in. Niet is gesteld of gebleken dat de desbetreffende passages door
de gemiddelde toehoorder in andere zin werden opgevat dan er bij lezing van
de tekst blijkt te staan, of dat K en G deze passages anders hebben verstaan,
dan wel dat deze passages bij het beluisteren van de toespraak zozeer
opvielen dat zij een andere indruk maakten dan bij lezing van de tekst het
geval is of meer nadruk kregen.

3.6.3. Niet is gesteld of gebleken dat de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand
bij het doen van de gewraakte uitlatingen heeft beoogd K en G in hun eer of
goede naam of anderszins in hun persoon aan te tasten.

3.6.4. De opgeworpen vragen, ook al houden zij de suggestie in dat twijfel
zou kunnen bestaan omtrent de zuiverheid van de motieven voor het huwelijk,
zijn in het geheel van de toespraak, zoals hierboven weergegeven, waarin ook
eigen vooroordelen van de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand worden
gesignaleerd en, naar het hof begrijpt, worden veroordeeld en waarin de
vragen tenslotte in negatieve zin worden beantwoord, niet uit hun aard of
inhoud of naar hun vorm reeds zodanig grievend of kwetsend dat zij in de
gegeven omstandigheden al om die reden als onrechtmatig jegens K en G moeten
worden beschouwd. Naar het voorlopig oordeel van het hof nodigen die vragen
niet uit tot discriminatie en maken zij geen inbreuk op de
persoonlijkheidsrechten of vrijheidsrechten van K en G of op het recht tot
eerbiediging van hun ‘family life’.

3.6.5. Bijzondere omstandigheden waaronder deze uitlatingen wel onrechtmatig
zouden zijn zijn niet gesteld of gebleken. Als zodanig kunnen niet gelden de
omstandigheid dat deze toespraak is gehouden bij gelegenheid van een openbare
huwelijksvoltrekking door een Ambtenaar van de Burgerlijke Stand en dat zij
zijn gedaan in een tijd waarin, naar K en G stellen, het onderwerp
schijnhuwelijk nogal in de publiciteit staat. Bij de beoordeling van de mate
van zorgvuldigheid die de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand bij het houden
van de toespraak bij een huwelijkssluiting in het onderhavige geval moet
betrachten komt aan de deskundigheid van deze (kennelijk is bedoeld ter zake
van de vereisten tot het aangaan van huwelijken), anders dan K en G in hoger
beroep nog opmerken, geen bijzondere betekenis toe. Niet aannemelijk is
gemaakt dat een Ambtenaar van de Burgerlijke Stand in een dergelijk geval een
zodanig imago van deskundigheid bij het publiek bezit, dat deze reeds daarom
zich van de desbetreffende uitlatingen dient te onthouden, omdat toehoorders
geneigd zouden zijn aan de woorden van de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand
meer gezag toe te kennen.

3.6.6. Voorts is vooralsnog niet aannemelijk gemaakt dat en waarom de
Ambtenaar van de Burgerlijke Stand had kunnen en moeten verwachten dat deze
opmerkingen, gemaakt binnen een op zichzelf beperkte kring van personen, ook
zonder dat K en G zelf daarvan publiekelijk verslag zouden doen, K en G
zodanig in opspraak zouden brengen of tot zodanige publiciteit zouden leiden,
dat deze reeds met het oog op de kans op schade zich van het doen van deze
uitlatingen had dienen te onthouden. Evenmin is aannemelijk geworden dat met
enige mate van waarschijnlijkheid viel te verwachten dat de bedoelde passages
uit hun context zouden worden gelicht en een eigen leven zouden gaan leiden.
Een en ander vindt bevestiging in de publikatie in ‘Zenderstreek Nieuws’ van
26 februari 1992 (produktie 1 bij pleitnotities in eerste aanleg van de
gemeente), welke publikatie is verzorgd door een verslaggeefster van dit blad
die de huwelijksvoltrekking heeft bijgewoond, waarin van de gewraakte
uitlatingen geen melding wordt gemaakt.

3.6.7. In deze omstandigheden is voorshands onvoldoende aannemelijk dat de
Ambtenaar van de Burgerlijke Stand door het doen van de gewraakte uitlatingen
jegens K en G onrechtmatig heeft gehandeld.

3.7. Uit het vorengaande volgt dat de grondslag aan de vorderingen van K. en
G. in dit kort geding is komen te ontvallen. Grief IV slaagt en het vonnis
kan niet in stand blijven. De overige grieven in het principaal appel
behoeven geen behandeling meer. De vorderingen van K. en G. moeten worden
afgewezen. Daarom kan ook het incidenteel appel niet meer tot toewijzing van
de aldaar bedoelde vordering leiden en is in zoverre de grief in het
incidenteel appel tevergeefs voorgesteld.

4. Slotsom.

Het principaal appel slaagt. Het vonnis van de president moet worden
vernietigd en de vorderingen van K. en G. moeten worden afgewezen. Het
incidenteel appel dient te worden verworpen. K. en G. moeten als de in het
ongelijk gestelde partijen in de kosten van het geding in beide instanties
worden veroordeeld.

5. Beslissing.

Het hof:

in het principaal appel:

vernietigt het vonnis van de president van de Arrondissementsrechtbank te
Utrecht, waarvan beroep; en opnieuw rechtdoende,

wijst de vorderingen van K. en G. af;

veroordeelt K. en G. in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde
van de gemeente begroot op ƒ 250,- aan griffierecht en op ƒ 1.500,- aan
salaris voor de procureur in eerste aanleg, alsmede op ƒ 766,10 aan
verschotten en op ƒ 1.400,- aan salaris voor de procureur in hoger beroep;

in het incidenteel appel:

verwerpt het incidenteel hoger beroep;

veroordeelt K. en G. in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde
van de gemeente begroot op ƒ 700,-.

Rechters

Mrs. Hermans, Van Schendel en Westermann-Van Rooyen

Instantie: Rechtbank Dordrecht, 26 mei 1993

Instantie

Rechtbank Dordrecht

Samenvatting


De huwelijkse samenleving tussen partijen heeft 8,5 maand geduurd. Uit
het huwelijk zijn geen kinderen geboren. De vrouw heeft door het huwelijk
geen negatieve gevolgen voor haar carrière-mogelijkheden ondervonden. Voorafgaand
aan het huwelijk ontving de vrouw een bijstandsuitkering. Met de man is
de rechtbank van oordeel dat van hem geen jarenlange alimentatiebijdrage
gevergd kan worden. Gelet op de duur van de samenwoning en de relatieve
geringe gevolgen daarvan voor de vrouw acht de rechtbank een termijn van
één jaar redelijk en billijk.

Volledige tekst

Het procesverloop

Bij vonnis van deze rechtbank van 7 november 1990 werd tussen de man en
de vrouw de scheiding van tafel en bed uitgesproken. Daarbij werd de man
een alimentatieverplichting opgelegd ten behoeve van de vrouw van eerst
ƒ 225,= per maand en na 12 maanden ƒ 475,= per maand.

De man verzoekt in zijn op 17 december 1992 ingekomen verzoekschrift de
opgelegde verplichting te wijzigen en met ingang van 7 november 1990 te
bepalen op nihil.

De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man.

Het verzoek is in raadkamer behandeld.

De beoordeling

Het meest vergaande verzoek van de man strekt ertoe dat hij gezien de duur
van de samenwoning, niet gehouden is alimentatie ten behoeve van de vrouw
te voldoen.
Bij de behandeling is gebleken dat partijen gedurende 8 1/2 maand hebben
samengewoond. In principe is dan de stelling van de man dat niet van hem
gevergd kan worden vele jaren ten behoeve van de vrouw bij te dragen naar
het oordeel van de rechtbank terecht. Daarbij dient echter betrokken te
worden welke gevolgen het huwelijk, althans de samenwoning, voor de vrouw
hebben gehad.

Gebleken is dat de vrouw voorafgaand aan de samenwoning met de man reeds
geruime tijd een bijstandsuitkering genoot. Van negatieve gevolgen voor
de carriére-mogelijkheden van de vrouw door het huwelijk blijkt derhalve
niet.
Met de man is de rechtbank dan van oordeel dat van hem geen jarenlange
bijdrage gevergd kan worden. Had hij deze stelling in de scheidingsprocedure
geponeerd, dan zou de alimentatieverplichting zeer waarschijnlijk gelimiteerd
zijn.

Gelet op de duur van de samenwoning en de relatief geringe gevolgen daarvan
ten aanzien van de vrouw acht de rechtbank een termijn van een jaar redelijk
en billijk.

Uit ambtshalve alhier ter griffie ingewonnen inlichtingen blijkt dat de
scheiding van tafel en bed op 4 januari 1991 is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister.
Op grond daarvan zal de verplichting in ieder geval per 4 januari 1992
worden opgeheven.

De man voert als subsidiaire grond voor zijn verzoek aan dat hij per 1
juli 1991 is ontslagen. Zijn WW-uitkering bedraagt (sedert 1 juli 1992
i.v.m. indexering) ƒ 441,85 per week, derhalve per maand ƒ 1.914,68.
De door de man aangevoerde strafkorting komt, gelet op vorenoverwogene,
niet meer aan de orde.

De man betaalt een huur van ƒ 559,78 per maand. De door hem opgevoerde
schulden zijn ontstaan na de huwelijkse periode. Daarmee houdt de rechtbank
derhalve geen rekening, nu van de noodzaak tot het aangaan daarvan onvoldoende
is gebleken.

Op grond daarvan is de man naar wettelijke maatstaven in staat de opgelegde
alimentatie (welke wederom gelet op vorenoverwogene over de hele betalingsperiode
ƒ 225,= per maand bedraagt) te voldoen. De rechtbank zal derhalve het verzoek
op de subsidiaire grond afwijzen.

De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen (voormalige echtlieden)
compenseren.

De beslissing

Wijzigt de bij vonnis van 7 november 1990 aan de man ten behoeve van de
vrouw opgelegde alimentatieverplichting.

Bepaalt, dat de man met ingang van 4 januari 1992 ten behoeve van haar
geen alimentatie behoeft te betalen.

Bepaalt dat partijen aan elkaar geen proceskosten behoeven te betalen.

Wijst het meer of anders verzochte af.

Rechters

Mr Nouwen-Kronenberg

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 25 mei 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was bij de wederpartij werkzaam op bsis van een tijdelijk
arbeidscontract. Dit contract is niet verlengd. Volgens verzoekster
speelde haar zwangerschap hierbij een rol. De Commissie overweegt dat de
wederpartij het dienstverband op een onzorgvuldige wijze heeft beeindigd.
Er zijn echter te weinig aanwijzingen om te concluderen dat de
zwangerschap van verzoekster (een van) de redenen is geweest om het
contract niet te verlengen. Geen strijd met de WGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 1 oktober 1991 verzocht mevrouw te Almere (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of te
Almere-Haven (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid op grond van
geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster was in de periode van 1 maart 1991 tot 1 oktober 1991 bij
de wederpartij werkzaam op basis van een tijdelijk contract. Dit contract
is hierna niet verlengd. Volgens verzoekster heeft haar zwangerschap
hierbij een rol gespeeld. Verzoekster meent dat de wederpartij hiermee in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen heeft
gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. In eerste instantie heeft verzoekster verzocht om een
spoedprocedure. Dit verzoek heeft zij later echter ingetrokken. Partijen
hebben ieder verschillende malen de gelegenheid gehad hun standpunten weer
te geven.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen te verschijnen
tijdens een zitting op 15 april 1993. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw (verzoekster) – dhr

(gemachtigde)

van de kant van de wederpartij – dhr (directeur) – dhr H.J.
Meijer (advocaat)

van de kant van de Commissie – dhr prof. mr P.F. van der Heijden
(Kamervoorzitter) – mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer) – mw drs A.J.
Huber (lid Kamer) – mw mr I.M.C.V.T. Kiebert (lid Kamer) – mw mr C.B.
Mol-Bronkhorst (lid Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II. In deze Kamer hebben
zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een . Haar onderneming maakt deel uit van een
internationale organisatie met vestigingen in verschillende delen van de
wereld. De moedermaatschappij van de wederpartij is in Engeland gevestigd.
De Nederlandse vestiging is in 1987 tot de internationale organisatie
toegetreden. Op 17 maart 1992 werkten bij de wederpartij dertien
werknemers. Hieronder bevonden zich een financieel-directeur, een
financieel-manager, een managing director, zes vertegenwoordigers, twee
administratieve medewerksters en twee magazijnbedienden.

3.2. Verzoekster was in de periode van 17 december 1990 tot 1 maart
1991 op uitzendbasis werkzaam bij de wederpartij in de functie van
administratief medewerkster. Hierna kreeg verzoekster een
contract voor bepaalde tijd aangeboden. Dit contract liep tot 1 oktober
1991. In dit contract was onder andere vermeld: “Hierna zal deze
arbeidsovereenkomst overgaan in een overeenkomst voor onbepaalde tijd”.
Normaal gesproken biedt de wederpartij nieuwe werknemers in eerste
instantie een arbeidsovereenkomst voor twaalf maanden aan. In het geval
van verzoekster heeft de wederpartij echter een arbeidsovereenkomst voor
zeven maanden aangeboden, omdat het huurcontract van het bedrijfspand waar
de wederpartij in gevestigd was, afliep op 30 september 1991. De
wederpartij wilde niet gebonden zijn voor het geval de verlenging van dit
huurcontract problemen zou opleveren. Dit heeft de wederpartij ook aan
verzoekster meegedeeld bij het opstellen van haar arbeidsovereenkomst.

3.3. Begin april 1991 heeft verzoekster de wederpartij ervan op de hoogte
gesteld dat zij zwanger was. Desgevraagd heeft zij meegedeeld dat zij na
de bevalling voltijds wilde blijven werken. De wederpartij heeft geen
overleg gevoerd met verzoekster over wanneer haar zwangerschapsverlof zou
intreden en hoe haar vervanging zou worden geregeld. Op 27 augustus 1991
heeft verzoekster zich ziek gemeld wegens lichamelijke problemen die
verband hielden met haar zwangerschap. Circa anderhalve week later heeft
zij telefonisch aan de wederpartij meegedeeld dat zij wegens ziekte haar
werk niet meer zou kunnen hervatten voor het ingaan van haar
zwangerschapsverlof op 23 september 1991.

Vervolgens gaf de wederpartij in een brief d.d. 9 september 1991 aan
verzoekster te kennen, dat haar arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
wegens organisatorische redenen niet in een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd zou worden omgezet. In deze brief heeft de wederpartij
deze organisatorische redenen niet verder uitgelegd. Uit het onderzoek van
de Commissie is gebleken dat deze organisatorische redenen financieel van
aard waren. De moedermaatschappij van de wederpartij had namelijk begin
augustus 1991 aangegeven dat de wederpartij waar mogelijk moest
bezuinigen. De moedermaatschappij heeft dit bevestigd met een financiele
richtlijn. De redenen voor de bezuinigingsopdracht waren tegenvallende
financiele groeps- resultaten in de eerste helft van 1991 en recessie in
de verschillende landen waar de organisatie gevestigd was. Door
bezuinigingen zou de organisatie weer rendabel moeten worden en zou het
voortbestaan van de functies van de overige werknemers gegarandeerd moeten
worden. Ook vestigingen in andere landen hebben de opdracht gekregen om
te besparen. De wederpartij heeft aangegeven dat het reeds in 1990
financieel slecht ging met haar organisatie. Ook in de eerste helft van
1991 bleek uit de maandelijkse financiele overzichten dat de wederpartij
er financieel slecht voorstond.

Verzoekster deelde in een brief d.d. 16 september 1991 aan de wederpartij
mee het niet eens te zijn met het ontslag en verzocht de wederpartij meer
helderheid te verschaffen omtrent de ontslagaanzegging. Bij schrijven d.d.
23 september 1991 heeft de wederpartij hierop meegedeeld dat er geen
sprake was van een ontslag, maar van een beëindiging van een overeenkomst
aangegaan voor bepaalde tijd. Tevens deelde de wederpartij haar mee dat
het “Management team” had besloten om verzoeksters functie op een andere
wijze in te vullen. Ook in deze brief werd geen melding gemaakt van de
bezuinigingsopdracht van de moedermaatschappij.

Verzoekster heeft nooit aanmerkingen gehad op haar functioneren.

3.4. De wederpartij heeft op 5 en 8 mei 1991 twee uitzendkrachten
aangenomen voor de functies van sales service assistent en
telefonist/receptionist. Op 21 en 31 juli 1991 heeft de wederpartij aan
deze medewerkers een jaarcontract verleend. Dit was dus nadat verzoekster
in dienst was getreden en vlak voordat de moedermaatschappij de
bezuinigingsopdracht had gegeven. De reden waarom de wederpartij deze
medewerkers in dienst heeft genomen, was dat de receptionist die er ervoor
werkte was weggegaan op 10 april 1991. De wederpartij heeft deze
receptionist door twee medewerkers vervangen, omdat gebleken was dat de
hoeveelheid werk teveel was om door een persoon te worden verricht. In de
weken voordat de nieuwe telefonist/receptionist in dienst trad heeft
verzoekster alle voorkomende secretariele werkzaamheden waargenomen.
Verzoekster heeft de nieuwe telefonist/receptionist ingewerkt.

Op 17 maart 1992 was het aantal medewerkers bij de wederpartij met vier
verminderd (van 17 tot 13 personen). Met twee van deze vier werknemers
heeft de wederpartij de arbeidsovereenkomst in verband met de
bezuinigingen beeindigd. Het betreft hier verzoekster en een product
manager.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster brengt het volgende naar voren. Verzoekster stelt dat zij
een volledige dagtaak had aan haar werkzaamheden. In augustus 1991 heeft
zij regelmatig overgewerkt om de secretariele werkzaamheden op tijd gedaan
te krijgen. Gezien de vele taken van de financieel-manager kan verzoekster
zich moeilijk voorstellen dat hij, zoals de wederpartij stelt, de
werkzaamheden van verzoekster na haar vertrek heeft overgenomen.

Voorts meldt verzoekster dat zij 40 uur per week heeft gewerkt bij de
wederpartij en niet 38,75 uur per week, zoals de wederpartij stelt.

3.6. Verzoekster stelt dat de inhoud van haar arbeidsovereenkomst voor
bepaalde tijd en de woorden van de wederpartij blijk gaven van de intentie
van een langdurig dienstverband. De brief van 9 september 1991 van de
wederpartij met de mededeling dat haar contract niet werd verlengd, kwam
voor verzoekster zeer onverwacht. Zij was niet eerder op de hoogte gesteld
van de reorganisatieplannen.

Verzoekster begrijpt niet dat, hoewel de wederpartij wist dat zij er
financieel slecht voorstond, zij desondanks de receptionist die in april
vertrokken was door twee nieuwe medewerkers heeft vervangen. Verzoekster
merkt hierbij op dat doordat deze medewerkers zijn aangenomen, er sprake
was van een urenuitbreiding van 30 uur per week. De nieuwe medewerkers
werkten namelijk gezamenlijk 70 uur per week, terwijl de vroegere
receptionist 40 uur per week werkte. Ook vindt zij het vreemd dat, gezien
de financiele situatie, de wederpartij aan deze nieuwe medewerkers een
jaarcontract en niet een contract voor kortere tijd heeft aangeboden.
Voorts verbaast het haar dat de wederpartij medio augustus 1991, dus nadat
de moedermaatschappij de bezuinigingsopdracht had gegeven, nog twee nieuwe
vertegenwoordigers heeft aangenomen.

Bovendien vraagt verzoekster zich af waarom niet in haar plaats (een van)
de twee medewerkers die in juli 1991 in dienst zijn getreden, is/zijn
ontslagen. Volgens verzoekster dient er bij een reorganisatie bij
vergelijkbare functies namelijk op ancienniteit te worden gelet.
Verzoekster stelt dat zij de werkzaamheden van (een van) deze
medewerker(s) had kunnen overnemen. Hierover heeft de wederpartij echter
nooit overleg gevoerd met haar.

3.7. Samenvattend stelt verzoekster dat het schrijven van de wederpartij
d.d. 9 september 1991 haar eerste kennismaking was met de
reorganisatieplannen binnen het bedrijf. Een verzoek om opheldering
hierover heeft de wederpartij niet afdoende beantwoord. Gelet hierop en
op het feit dat zij nooit klachten heeft vernomen over haar functioneren,
is verzoekster van mening dat haar zwangerschap de ware reden is van haar
ontslag.

3.8. De wederpartij brengt het volgende naar voren. Verzoekster was voor
38,75 uur per week bij haar werkzaam. De wederpartij stelt dat zij
uitsluitend om budgettaire redenen het tijdelijke arbeidscontract van
verzoekster niet heeft omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde
tijd. Volgens de wederpartij heeft de zwangerschap van verzoekster hierbij
geen rol gespeeld.

De wederpartij stelt dat het besluit om het contract met verzoekster niet
te verlengen op de volgende wijze tot stand is gekomen. Naar aanleiding
van de bezuinigingsopdracht van de moedermaatschappij heeft de wederpartij
half augustus 1991 met de sales manager Benelux vergaderd over de
financiele situatie van het bedrijf. Op dat moment had zij nog niet
besloten om het contract met verzoekster niet te verlengen. Hierna is de
wederpartij nagegaan welke financiele verplichtingen zij had en welke
hiervan zij kon afstoten. Nu verzoekster over het algemeen geen volledige
dagtaak had en haar werkzaamheden gemakkelijk over de resterende
werknemers verdeeld konden worden en het contract van verzoekster per 1
oktober 1991 afliep, heeft de wederpartij eind augustus 1991 besloten het
contract met verzoekster niet te verlengen. Op deze wijze kon de
wederpartij op korte termijn kosten besparen. De wederpartij stelt dat
indien verzoekster niet zwanger of ziek was geworden, zij tot hetzelfde
besluit was gekomen.

Volgens de wederpartij heeft zij het arbeidscontract met verzoekster pas
na zorgvuldig overleg met het Gewestelijk Arbeidsbureau beeindigd.

3.9. De wederpartij stelt dat de werkzaamheden van verzoekster zijn
overgenomen door de financieel-manager. De twee medewerkers die in juli
1991 in dienst zijn getreden, hebben geen taken van verzoekster
overgenomen. In de tijd tussen het vertrek van de vroegere receptionist
op 14 april 1991 en de indiensttreding van deze medewerkers eind juli
1991, werden de voorliggende secretariele en telefonische werkzaamheden
verricht door ex-werknemers, de financieel- directeur, de
financieel-manager en de managing director. Indien een van de medewerkers
die in juli 1991 in dienst waren genomen, was ontslagen, had verzoekster
volgens de wederpartij slechts werkzaamheden kunnen overnemen van de
werkneemer die de functie van telefonist/receptionist bekleedde. De
werkzaamheden behorend bij de andere functie (sales services) waren
namelijk commercieel van aard, terwijl verzoekster een financiele
achtergrond had. Het was echter niet mogelijk geweest om in september 1991
de contracten met deze medewerkers te beeindigen. Zij hadden namelijk
jaarcontracten die tot juli 1992 liepen. In deze contracten was geen
bepaling opgenomen die het mogelijk maakte dat tussentijds opgezegd kon
worden.

3.10. Wat betreft het feit dat de wederpartij eind juli 1991 haar
personeelsbestand nog met twee nieuwe medewerkers heeft uitgebreid, brengt
de wederpartij het volgende naar voren. De wederpartij was er weliswaar
van op de hoogte dat het financieel niet goed ging met haar bedrijf, maar
op het moment dat zij bovengenoemde krachten aannam, waren de
geconsolideerde halfjaarlijkse cijfers nog niet bekend en wist zij niet
dat zij zou moeten gaan bezuinigen. De reden waarom de wederpartij deze
medewerkers een jaarcontract heeft aangeboden was dat dit binnen haar
bedrijf gebruikelijk is. Alleen in het geval van verzoekster heeft de
wederpartij van dit gebruik afgeweken in verband met de huur van het
bedrijfspand (zie 3.2.).

Ten aanzien van het feit dat de wederpartij na de bezuinigingsopdracht in
augustus 1991 twee nieuwe vertegenwoordigers heeft aangesteld, voert de
wederpartij aan dat zij dienden ter vervanging van de marketing manager.
Deze was enige tijd ervoor overleden.

3.11. De wederpartij heeft ter zitting aangegeven de wijze waarop zij aan
verzoekster heeft meegedeeld dat zij niet bij haar kon blijven werken, ten
zeerste te betreuren.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij het aangaan van een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of bij de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd jegens verzoekster onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen, door het tijdelijke arbeidscontract van verzoekster
niet te verlengen.

4.2. Artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt onder andere dat
de werkgever bij het aangaan of beeindigen van de arbeidsovereenkomst geen
onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen. Alleen in het geval van
een wettelijke uitzonderingsgrond mag van de verboden in bovengenoemd
artikel worden afgeweken.

Onderscheid op grond van zwangerschap is blijkens lid 5 van artikel
7A:1637ij BW een vorm van direct onderscheid waarvoor het systeem van de
Wet geen rechtvaardiging biedt. In eerdere oordelen heeft de Commissie
uitgemaakt dat ook als zwangerschap een van de redenen en niet de enige
reden voor het gemaakte onderscheid is, dit strijd met de Wet oplevert
(Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 18
oktober 1989, oordeelnummers 42-89-13, 8 mei 1990, 172-90-31 en 23 juni
1992, 518-92-37).

4.3. Verzoekster stelt dat haar zwangerschap een rol heeft gespeeld bij
de beslissing van de wederpartij om haar arbeidsovereenkomst voor bepaalde
tijd niet om te zetten in een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. De
wederpartij voert aan dat zij slechts om financiele redenen het contract
van verzoekster niet heeft verlengd.

4.4. Wat betreft de argumenten die verzoekster aanvoert ter onderbouwing
van haar stelling overweegt de Commissie als volgt.

Over het feit dat de wederpartij nog in juli 1991 twee nieuwe medewerkers
heeft aangenomen, oordeelt de Commissie dat het mogelijk is dat de
wederpartij op dat moment niet op de hoogte was van de halfjaarlijkse
cijfers. Het is niet onwaarschijnlijk dat de geconsolideerde
halfjaar-cijfers pas begin augustus bekend werden, waardoor de
bezuinigingsopdracht van de wederpartij toen pas werd gegeven.

Wat betreft de opmerking van verzoekster dat de wederpartij na de
bezuinigingsopdracht nog twee vertegenwoordigers heeft aangenomen,
oordeelt de Commissie dat ook dit haar er niet van heeft kunnen overtuigen
dat de wederpartij onderscheid op grond van zwangerschap heeft gemaakt.
De Commissie acht het aannemelijk dat het hier de vervanging van de
marketing manager betrof.

4.5. De Commissie sluit niet uit dat de wederpartij door de wijze waarop
zij het dienstverband met verzoekster heeft beeindigd, de indruk heeft
gewekt dat de zwangerschap van verzoekster bij deze beëindiging een rol
heeft gespeeld. De wederpartij heeft immers niet de moeite genomen om
verzoekster persoonlijk mee te delen dat en waarom haar contract niet zou
worden verlengd. Zij heeft slechts een summiere brief aan verzoekster
gestuurd, met daarin de mededeling dat zij om organisatorische redenen
niet bij de wederpartij kon blijven werken. De wederpartij heeft deze
redenen niet nader toegelicht, ook niet nadat verzoekster hier expliciet
om had gevraagd. Pas tijdens het onderzoek van de Commissie heeft de
wederpartij aan verzoekster duidelijk gemaakt dat zij op grond van
financiele redenen het arbeidscontract niet heeft verlengd.

Hoewel de Commissie van oordeel is dat de wederpartij op een onzorgvuldige
wijze het dienstverband met verzoekster heeft beeindigd, hetgeen de
wederpartij ter zitting ook zelf heeft beaamd, is zij van oordeel dat er
onvoldoende aanwijzingen uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, om te
kunnen concluderen dat de zwangerschap van verzoekster (een van) de
reden(en) is geweest om haar contract niet te verlengen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat niet is komen vast te staan
dat te Amere-Haven bij het aangaan van een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, of bij de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd jegens mevrouw te
Almere onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling, door haar tijdelijke arbeidscontract niet te
verlengen.

Rechters

dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter), mw prof. mrJ.E. Goldschmidt (lid Kamer), mw drs A.J. Huber (lid Kamer), mw mrI.M.C.V.T. Kiebert (lid Kamer) en mw mr C.B. Mol-Bronkhorst (lid Kamer).

Instantie: Kantonrechter Rotterdam, 22 mei 1993

Instantie

Kantonrechter Rotterdam

Samenvatting


X is op staande voet ontslagen naar aanleiding van incident met een
bewoonster. Hij zou een 16-jarige bewoonster van het internaat hebben
meegelokt naar het magazijn en een tongzoen hebben gegeven. Met X (54 jaar
oud, 21 jaar in dienst) is de kantonrechter van oordeel dat de werkgever
onvoldoende onderzoek heeft verricht naar hetgeen nu precies is voorgevallen.
Uit de overgelegde verklaring van de bewoonster is niet af te leiden dat X
haar onder valse voorwendselen heeft meegelokt naar het magazijn, noch dat
hij haar is gaan tongzoenen. Hetgeen door verzoekster in de ontslagbrief is
aangevoerd is geenszins komen vast te staan. Ook de wijze waarop het
onderzoek heeft plaatsgevonden is onvoldoende zorgvuldig gezien het grote
belang van verweerder. Verzoekster kan niet volstaan met aan X te vragen of
het waar is wat verzoekster (althans haar directeur en bestuursvoorzitter)
ter ore is gekomen. Mede gezien de langdurige en rimpelloze carrière van X
had verzoekster een andere, minder verstrekkende maatregel of sanctie kunnen
toepassen. Met andere woorden, de thans door verzoekster aan het voorval, hoe
ernstig ook, verbonden consequenties zijn voor X buiten proportioneel zwaar.
Het verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verandering in de
omstandigheden wordt afgewezen, verzoekster wordt veroordeeld in de kosten
van het geding.

Volledige tekst

(…)

De motivering

Verweerder is sinds 1 augustus 1971 bij verzoekster in dienst. Hij vervult
daar de functie van kok. Zijn leeftijd is 54 jaar.
Voor zover thans van belang heeft verzoekster onder meer gesteld dat een
goede samenwerking tussen partijen niet meer mogelijk is omdat verzoekster
alle vertrouwen in verweerder heeft verloren.
Verzoekster heeft verweerder op 28 april 1993 op staande voet ontslagen naar
aanleiding van een gebeurtenis op 27 april jl.
Verweerder heeft op die laatste dag een 16-jarige bewoonster van het
internaat, C, in het magazijn proberen te zoenen. Genoemde C. is direct
weggerend en heeft de leiding van het internaat van het voorval in kennis
gesteld.
Verweerder is bij de directeur van verzoekster geroepen en heeft toegegeven
dat hetgeen hij gedaan heeft niet door de beugel kon en dat hij een
stommiteit had begaan.
Ook ten opzichte van de voorzitter van het bestuur van verzoekster, heeft
verweerder zich in soortgelijke bewoordingen uitgelaten en heeft aangeboden
direct aan C en haar ouders excuus te maken, hetgeen hem door de heer E is
afgeraden.
Verzoekster heeft het ontslag bevestigd bij brief van 28 april 1993 waarin
als ontslaggrond is opgenomen dat verweerder het meisje onder een voorwendsel
naar het bij de keuken behorende magazijn had geleid, haar daar vervolgens
tegen haar wil stevig had beetgepakt en dat hij haar vervolgens is gaan
tongzoenen.
Verzoekster heeft verweerder direct na het voorval op non-actief gesteld ten
einde de kwestie te onderzoeken.
Verzoekster heeft na het ontslag de ouders van C alsmede de ouders van de
andere in het internaat verblijvende kinderen van het ontslag op de hoogte
gesteld, ten einde te voorkomen dat langere weg dan middels het internaat
zelve deze kwestie naar buiten zou komen.
Verzoekster stelt zich op het standpunt dat – ongeacht het langdurige en
rimpelloze dienstverband van verweerder – door dit voorval het vertrouwen
zodanig is geschokt dat, voor het geval een ontslag op staande voet al niet
gerechtvaardigd zou zijn, dit een verandering van omstandigheden oplevert die
maakt dat het dienstverband op korte termijn dient te eindigen, zonder dat
verzoekster aan verweerder enige vergoeding verschuldigd is.
De ouders die kinderen in het door verzoekster geëxploiteerde internaat
plaatsen moeten immers erop kunnen vertrouwen dat hun kinderen aldaar veilig
zijn.
Verweerder heeft erkend dat hij C heeft proberen te zoenen, maar heeft
ontkend dat hij haar onder valse voorwendsels heeft meegelokt naar het
magazijn en heeft eveneens ontkend dat hij haar een tongzoen heeft gegeven of
heeft willen geven; hij heeft haar half op de wang, half op de mond gekust.
Verweerder heeft gesteld dat hij dit in een voor hem onverklaarbare opwelling
heeft gedaan en dat hij direct na het voorval heeft onderkend dat zijn
handelswijken niet door de beugel kon. Hij heeft ook direct aan alle
betrokkenen zijn excuses willen maken.
Verweerder heeft gesteld dat hij dit in een voor hem onverklaarbare opwelling
heeft gedaan en dat hij direct na het voorval heeft onderkend dat zijn
handelswijken niet door de beugel kon. Hij heeft ook direct aan alle
betrokkenen zijn excuses willen maken.
Verweerder ontkent dat hij heeft toegegeven hetgeen in de ontslagbrief staat
vermeld; zowel tegen de heer E. als tegen de heer G. heeft hij desgevraagd
verklaard dat wat deze heren hadden gehoord, waar was. Er is, aldus
verweerder, niet op de details van een en ander ingegaan.
Verweerder stelt zich tevens op het standpunt dat verzoekster hem duidelijker
had moeten wijzen op zijn recht op bijstand door ene raadsman bij het gesprek
met de directeur en de voorzitter van het bestuur. Dit klemt temeer nu in de
ontslagbrief naar het oordeel van verweerder wordt uitgegaan van feiten die
in het gesprek niet aan de orde zijn geweest die hij dus ook niet heeft
toegegeven. Juist gezien de delicate materie en het voor verweerder grote op
het spel staande belang had verzoekster als goed werkgeefster verweerder op
het belang van rechtsbijstand dienen te wijzen.
Met verweerder is de kantonrechter van oordeel dat verzoekster onvoldoende
onderzoek heeft verricht naar hetgeen
nu precies is voorgevallen.
Uit de door verzoekster overgelegde verklaring van C is immers niet af te
leiden dat verweerder haar onder valse voorwendsels heeft meegelokt naar het
magazijn, noch dat hij C is gaan tongzoenen.
Ook uit de door verzoekster overgelegde verklaring van de bij verzoekster
werkzame mevrouw B blijkt niet dat verweerder C heeft meegelokt.
De overgelegde verklaring van E bouwt voort op de verklaring van B en de
verklaring van G op die van E.
Hetgeen door verzoekster in de ontslagbrief is aangevoerd is dus geenszins
komen vast te staan.
Ook de wijze waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden is onvoldoende
zorgvuldig gezien het grote belang van verweerder. Verzoekster kan niet
volstaan met aan verweerder te vragen of het waar is wat verzoekster (althans
haar directeur en bestuursvoorzitter) ter ore is gekomen.
Bovendien is de kantonrechter van oordeel dat het voorval, zoals dat in het
kader van deze procedure aan de orde is gekomen, geen dringende reden
oplevert die een ontslag op staande voet kan dragen en evenmin rechtvaardigt
dat verzoekster alle vertrouwen in verweerder heeft verloren.

Het is voor een ieder – inclusief verweerder – zonneklaar dat het gedrag van
verweerder niet door de beugel kon en kan. Dit neemt echter niet weg dat
verzoekster, mede gezien de langdurige en rimpelloze carrière van verweerder
bij verzoekster, een andere, minder verstrekkende maatregel of sanctie had
kunnen toepassen, waarbij het zowel aan verweerder als aan de ouders van de
in het internaat verblijvende kinderen volstrekt duidelijk was geworden dat
bij een volgend incident op het gebied van ongewenste intimiteiten bij
pupillen van het internaat, ontslag zou volgen.
Met andere woorden, de thans door verzoekster aan het voorval, hoe ernstig
ook verbonden consequenties zijn voor verweerder buiten-proportioneel zwaar.
Het verzoek wordt derhalve afgewezen.
Verzoekster wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de
kosten van het geding.

Rechters

Mr. R. Veenendaal

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 19 mei 1993

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


De ongelijke behandeling van gehuwd en ongehuwd samenwonende
belastingplichtigen voor het recht van successie in de Successiewet levert
geen, door art. 26 BuPo-verdrag verboden discriminatie op.

Art. 8 eerste lid EVRM en art. 1 Eerste Protocol juncto artikel 14 EVRM
missen zelfstandige betekenis naast art. 26 BuPo-verdrag.

Belanghebbende, die door erflater tot erfgename van een gedeelte van de
nalatenschap was benoemd, voerde tot het overlijden van erflater met hem
een gemeenschappelijke huishouding. Over het deel van de erfenis dat aan
belanghebbende werd nagelaten werden (hoge) successierechten berekend
geldend voor niet gehuwd samenwonenden.

Belanghebbende gaat hiertegen in beroep bij het hof stellende dat zij
recht heeft op de voor echtgenoten geldende vrijstelling van
successierechten. Zij beroept zich daarbij (onder andere) op art. 8 eerste
lid EVRM en art. 1 Eerste Protocol EVRM juncto artikel 14 EVRM, dat
gebiedt eerbiediging van het gezinsleven zonder onderscheid naar status,
dus zonder onderscheid tussen wettige en niet-wettige, respectievelijk
huwelijkse en niet-huwelijkse gezinslevens. Het hof deelt deze zienswijze
niet. De wetgever kon in redelijkheid ervan uitgaan dat – in het licht van
art. 26 BuPo-verdrag – erfrechtelijke verkrijgingen door een echtgenoot
respectievelijk door een partner in buitenhuwelijkse samenwoningsvorm voor
het successierecht niet als gelijke gevallen zijn aan te merken. De Hoge
Raad bevestigt deze uitspraak.

Volledige tekst

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het hof

1.1. Aan belanghebbende is ter zake van haar verkrijging uit voormelde
nalatenschap een aanslag in het recht van successie opgelegd, welke
aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is
verminderd tot een aanslag, berekend naar een verkrijging van ƒ
1.051.091,-.

1.2. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep
gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak
van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in
cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie in aan dit arrest
gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. De Staatssecretaris van Financien heeft het beroep in cassatie bij
vertoogschrift bestreden.

2.3. Belanghebbende heeft haar zaak doen toelichten door Mr P.A. Mackaay,
advocaat te Amsterdam.

2.4. De Advocaat-Generaal Moltmaker heeft op 21 oktober 1992 geconcludeerd
tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Het Hof heeft vastgesteld dat belanghebbende, die door de erflater
tot erfgename van een gedeelte van zijn nalatenschap was benoemd en aan
wie hij bepaalde goederen had gelegateerd, vanaf maart 1977 tot het
overlijden van de erflater op 7 september 1981 met hem een
gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd.

3.2. Naast het hierna te behandelen beroep van belanghebbende op artikel
26 IVBPR mist haar beroep op schending van artikel 8 in verbinding met
artikel 14 EVRM zelfstandige betekenis. Middel I faalt derhalve, evenals
middel II voor zover daarin een beroep wordt gedaan op evengenoemde
schending.

3.3. Voor zover middel II berust op de opvatting dat de ongelijke
behandeling voor het recht van successie in de Successiewet 1956 (hierna:
de Wet) van gehuwde belastingplichtigen en ongehuwd samenwonende
belastingplichtigen een door artikel 26 IVBPR verboden discriminatie
oplevert, faalt het middel. Immers, uit de geschiedenis van de
totstandkoming van de Wet van 17 december 1980, Stb. 686, bij welke Wet
artikel 32, lid 1, aanhef en 4e, onder b, in de Wet werd opgenomen, blijkt
dat de wetgever de relatie tussen gehuwden enerzijds en die tussen
ongehuwde samenwonenden anderzijds voor de heffing van het recht van
successie niet als gelijke gevallen heeft beschouwd. Op grond van de
daarvoor gegeven argumenten zoals die zijn vermeld in de door de
Advocaat-Generaal in de punten 2.1.2 en 2.1.3 van zijn conclusie en door
het Hof in de punten 6.5 en 6.7 van zijn uitspraak gegeven citaten uit de
parlementaire geschiedenis kon de wetgever in redelijkheid oordelen dat
evenvermelde gevallen voor de toepassing van artikel 26 IVBPR niet als
gelijk behoefden te worden beschouwd.

3.4. Ook het subsidiaire middel faalt. Zoals blijkt uit evengenoemde door
de Advocaat-Generaal vermelde wetsgeschiedenis heeft de wetgever om
redenen van uitvoerbaarheid ervoor gekozen de maximale vrijstelling en het
verlaagde tarief voor het recht van successie, zoals neergelegd in artikel
32, lid 1, aanhef en 4e, onder b, respectievelijk artikel 24, lid I,
tweede alinea, aanhef en onder b, van de Wet toe te kennen aan ongehuwd
samenwonenden die ten minste vijf jaren een gemeenschappelijke huishouding
hebben gevoerd. Aldus is voor deze regeling een objectieve en redelijke
rechtvaardiging gegeven. Onder die omstandigheid is van een door artikel
26 IVBPR verboden discriminatie geen sprake.

3.5. Voor zover middel II nog klaagt over schending van artikel I van het
eerste Protocol bij het EVRM faalt het op de door de Advocaat-Generaal in
punt 2.3 van zijn conclusie vermelde gronden.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechters

Mrs. Stoffer, Wildeboer, Zuurmond, Hermann en Fleers.