Instantie: Rechtbank Assen, 18 mei 1993

Instantie

Rechtbank Assen

Samenvatting


Vordering ƒ 30.000,= wegens immateriele schade en ƒ 1.518,= wegens
materiele schade na incest. Voorts vordert eiseres vergoeding van de door
haar reeds geleden en nog te lijden materiele schade, op te maken bij
staat en te vereffenen volgens de wet. Gedaagde ontkent voor een deel de
door eiseres gestelde incestueuze handelingen. Eiseres slaagt in het
leveren van het haar opgedragen bewijs. De rechtbank wijst de vorderingen
van eiseres volledig toe.

Volledige tekst

OVERWEGINGEN

1. Het procesverloop Bij conclusie van eis overeenkomstig de dagvaarding
heeft eiseres gevorderd dat gedaagde bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad
voorzover de wet zulks toelaat, zal worden veroordeeld om aan eiseres op
gronden als bij dagvaarding nader omschreven te betalen: -een bedrag van
ƒ 30.000,= ter zake van immateriele schade, te vermeerderen met de
wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot de dag
der algehele voldoening; -een bedrag van ƒ 1.518,00 ter zake van
materiele schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag
vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening; -alle
overige materiele schade die eiseres heeft geleden, lijdt en nog zal
lijden tengevolge van het onrechtmatig handelen van gedaagde, op te maken
bij staat en te vereffenen volgens de wet; en met veroordeling van
gedaagde in de kosten van het geding. Bij antwoord heeft gedaagde de
vordering bestreden met conclusie dat eiseres in haar vordering
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel dat de vordering haar
zal worden ontzegd, met veroordeling van eiseres in de kosten van het
geding. Bij tussenvonnis van 18 augustus 1992 werd een comparitie van
partijen bevolen, welke blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal
heeft plaatsgevonden; daarbij werden partijen het eens over de inhoud van
het door eiseres te leveren bewijs. Blijkens het daarvan opgemaakte
proces-verbaal heeft eiseres drie getuigen, waaronder zichzelf, doen
horen, waarna gedaagde heeft afgezien van contra-enquete. Nadat de zaak
naar de rol was verwezen nam eiseres een conclusie na enquete (met
producties); vervolgens nam ook gedaagde een conclusie na enquete, waarna
partijen vonnis verzochten onder overlegging van de stukken.

2. De vordering 2.1. Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat
gedaagde (haar vader) gedurende een periode van 14 jaar incestueuze
handelingen met haar heeft gepleegd, onder andere hierin bestaan hebben
dat eiseres veelvuldig, soms 3 a 4 maal per week door gedaagde is
gedwongen tot geslachtsgemeenschap met hem, terwijl eiseres tevens is
gedwongen tot het verrichten van seksueel geaarde betastingen bij/van
gedaagde en eiseres seksueel geaarde betastingen door gedaagde moest
ondergaan, dit alles in de periode van 1961 tot 1976 d.w.z. van het
twaalfde tot het zesentwintigste levensjaar van eiseres. 2.2. Op basis van
deze gestelde onrechtmatige daad/daden vordert eiseres vergoeding van de
door haar geleden materiele en immateriele schade; de immateriele schade
begroot zij op ƒ 30.000,=; de materiele schade beloopt tot nu toe ƒ
1.518,- (reiskosten in verband met behandeling door een psychologe-
psychotherapeute). Voorts vordert eiseres vergoeding van de door haar
reeds geleden en nog te lijden materiele schade, op te maken bij staat en
te vereffenen volgens de wet; een en ander met rente en proceskosten.

3. Het verweer 3.1. Gedaagde erkent “dat hij gedurende een kortere periode
zich ten opzichte van eiseres schuldig heeft gemaakt aan seksueel geaarde
betastingen”. Gedaagde voegt daaraan toe dat deze handelingen in 1966
gestopt zijn en voorts dat eiseres hem vergiffenis heeft geschonken. 3.2.
De overige posita van eis worden ontkend. Gedaagde ontkent met name ook
“dat eiseres in enige mate in haar persoon is aangetast en schade heeft
geleden tengevolge van enig onrechtmatig handelen van gedaagde”.

4. Toepasselijk recht Nu de onrechtmatige daad/daden waarop de vordering
is gebaseerd alsmede de beweerlijk als gevolg daarvan geleden schade
is/zijn gepleegd, respectievelijk ingetreden danwel aangevangen voor 1
januari 1992 dient de zaak te worden beoordeeld naar het voor die datum
geldende recht.

5. Het probandum 5.1. Ter gelegenheid van de comparitie werden partijen
het erover eens dat eiseres haar onder 2.1. weergegeven stellingen zal
dienen te bewijzen. 5.2. Ter voldoening aan dat probandum heeft eiseres
als getuigen doen horen: zichzelf (als partij-getuige) en voorts haar
zuster (mevrouw R) en een kennis/vriendin (mevrouw B). Voorts heeft
eiseres een aantal producties in het geding gebracht, waaronder een door
gedaagde aan haar en haar vriendin geschreven brief d.d. 18 februari 1991
en een brief d.d. 8 september 1992 van de psychologe-psychotherapeute die
eiseres behandeld heeft.

6. Beoordeling van het bijgebrachte bewijs 6.1. Eiseres heeft als getuige
conform het probandum verklaard, terwijl de beide andere door haar
voorgebrachte getuigen haar verklaring deels van horen zeggen, deels uit
eigen wetenschap, hebben versterkt c.q. bevestigd. 6.2. Vervolgens is er
de brief van gedaagde d.d. 18 februari 1991 die naar het oordeel van de
rechtbank kennelijk betrekking heeft op hetgeen tussen gedaagde en eiseres
op seksueel gebied is voorgevallen. Gedaagde stelt daarin ondermeer: “Wat
er gebeurd is daar ben ik alleen voor verantwoordelijk en dat had nooit
mogen gebeuren”. 6.3. Voorts dient als bewijsmiddel voormelde brief van
de behandelend psychologe-psychotherapeute. De inhoud van die brief luidt
als volgt: 6.4. Tenslotte heeft gedaagde zelf aan een deel van het
probandum bijgedragen middels zijn erkenning als onder 3.1. nader
omschreven. 6.5. De rechtbank is op grond van deze bewijsmiddelen, in
onderling verband en samenhang beschouwd, van oordeel dat eiseres is
geslaagd in het leveren van het haar opgedragen bewijs; enig tegenbewijs
is door gedaagde niet geleverd.

7. De schade Gedaagde heeft de door eiseres gestelde materiele schade niet
gemotiveerd betwist; deze schade is dus toewijsbaar evenals de vordering
tot schadevergoeding op te maken bij staat. Gelet op de zeer lange periode
waarin en de frequentie waarmee gedaagde als vader de lichamelijke
integriteit van eiseres, zijn dochter, heeft geschonden, de psychische
schade die dit ongetwijfeld bij eiseres heeft teweeggebracht en mede gelet
op de inhoud van het niet (gemotiveerd) betwiste rapport van 8 september
1992, zoals hiervoor weergegeven, acht de rechtbank de gevorderde
immateriele schade geenszins buitensporig en derhalve toewijsbaar.

8. Conclusie; kosten De vordering kan als volgt worden toegewezen.
Gedaagde zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten
worden verwezen.

Beslissingen

De rechtbank:

1. Veroordeelt gedaagde om terzake als bij dagvaarding nader omschreven
tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen: -een bedrag
van ƒ 30.000,= ter zake van immateriele schade, te vermeerderen met de
wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot de dag
der algehele voldoening; -een bedrag van ƒ 1.518,= ter zake van materiele
schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de
dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening; -alle overige
materiele schade, die eiseres heeft geleden, lijdt en nog zal lijden
tengevolge van het onrechtmatig handelen van gedaagde, op te maken bij
staat en te vereffenen volgens de wet. 2. Verwijst gedaagde in de kosten
van dit geding, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op ƒ
2.485,= voor salaris en ƒ 816,20 voor verschotten. 3. Verklaart dit
vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

mr. Meijeringh

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 14 mei 1993

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Man eist alimentatie van zijn ex-echtgenote. Nu hij tijdens het huwelijk
gedurende langere tijd niet gewerkt heeft, is hij van mening dat hem als
gewezen huisman alimentatie toekomt. De Hoge Raad meent evenwel dat deze
omstandigheid voldoende door het hof is meegewogen bij de beslissing over
de alimentatieverplichting. Limitering van de alimentatieduur bij
voorlopige voorziening geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 26 juni 1992 gedateerd
verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie -verder te noemen de man- zich
gewend tot de Rechtbank te Amsterdam met verzoek voor de duur van het
echtscheidingsgeding verweerster in cassatie -verder te noemen de vrouw-
te veroordelen om aan hem als bijdrage in de kosten van het
levensonderhoud een bedrag van ƒ 1.500,= per maand te betalen. Nadat de
vrouw tegen het verzoek verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij
beschikking van 31 augustus 1992 -voor zover in cassatie van belang- de
vrouw veroordeeld om aan de man voor de duur van het geding vanaf 31
augustus 1992 een bedrag van ƒ 650,= per maand te betalen. Tegen deze
beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te
Amsterdam. Bij beschikking van 1 februari 1993 heeft het Hof de bestreden
beschikking van de Rechtbank -voorzover aan zijn oordeel onderwerpen-
vernietigd en de vrouw veroordeeld om aan de man voor de duur van het
geding van 31 augustus 1992 tot 1 augustus 1993 een bedrag van ƒ 500,= per
maand te betalen en het meer of anders verzochte afgewezen. De beschikking
van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het Hof heeft de man
beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking
gehecht en maakt daarvan deel uit. De vrouw heeft verzocht het beroep te
verwerpen. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping
van het beroep.

3. beoordeling van het middel 3.1. Het gaat in dit geding om het verzoek
van de man om voor de duur van het tussen partijen aanhangige
echtscheidingsgeding het bedrag te bepalen dat de vrouw moet betalen voor
diens levensonderhoud. Bij de bestreden beschikking heeft het hof bepaald
dat de vrouw gedurende het echtscheidingsgeding van 31 augustus 1992 tot
1 augustus 1993 aan de man een bedrag van ƒ 500,- per maand moet
betalen. Het hof heeft daartoe onder meer overwogen — kort samengevat —
dat, hoewel de omstandigheid dat de man geruime tijd niet heeft
deelgenomen aan het arbeidsproces de mogelijkheid om weer betaalde
werkzaamheden te vinden nadelig beinvloedt, hij gelet op zijn leeftijd,
opleiding en werkervaring, redelijkerwijze na 1 augustus 1993 in staat
moet zijn door arbeid geheel in eigen levensonderhoud te voorzien.

3.2. De onderdelen 1 en 2 van het middel bevatten geen klacht. Onderdeel
3 komt in de eerste plaats tegen de bestreden beschikking op met de
motiveringsklacht dat het hof is voorbijgegaan aan de door de man in
eerste aanleg en in appel gegeven uiteenzetting waarom deze de rol van
huisman in het huwelijk op zich heeft genomen en de vrouw hiermee
instemde. De klacht faalt omdat zij feitelijke grondslag mist. Het hof
heeft immers in zijn motivering betrokken de omstandigheid dat de man
geruime tijd niet aan het arbeidsproces heeft deelgenomen.

3.3. Het onderdeel is voorts tevergeefs voorgesteld voor zover het berust
op het betoog dat de behoefte van de man vaststaat alleen al op grond van
het feit dat hij een RWW-uitkering ontvangt, omdat het hof tot 1 augustus
1993 behoefte aan een onderhoudsbijdrage heeft aangenomen zodat de man in
zoverre geen belang heeft bij het onderdeel, en voor de tijd daarna heeft
aangenomen dat die behoefte niet zal bestaan omdat hij dan redelijkerwijze
in zijn eigen onderhoud zal kunnen voorzien, welke motivering dat oordeel
kan dragen.

3.4. Voor zover het onderdeel er tenslotte over klaagt dat in de
redenering van het hof de man wel in staat kan worden geacht in zijn eigen
levensonderhoud te voorzien ’terwijl in vele vergelijkbare gevallen waar
de man kostwinner is, de vrouw niet in staat wordt geacht in haar eigen
levensonderhoud te voorzien’, faalt het omdat het feitelijke grondslag
mist. Het hof is immers tot zijn oordeel gekomen op grond van leeftijd,
opleiding en werkervaring van de man en niet op grond van diens geslacht.

3.5. De onderdelen 4 en 5 klagen over verkeerde toepassing van art. 1:157
lid 3 BW, omdat de in die bepaling bedoelde toekenning van een uitkering
voor bepaalde tijd niet kan worden toegepast op de bepaling van een bedrag
voor levensonderhoud bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van
het echtscheidingsgeding. De onderdelen gaan er ten onrechte van uit dat
de daarin bestreden beslissing van het hof berust op een toepassing van
art. 1:157 lid 3 en dat de rechter die op grond van art. 825b, aanhef en
onder d (oud) Rv. het bedrag der voorlopige alimentatie voor de duur van
het geding bepaalt, niet de bevoegdheid kan ontlenen de toekenning van een
voorlopige onderhoudsuitkering in de tijd te beperken (HR 27 april 1984,
NJ 1985, 103). Het staat de rechter evenwel vrij bij de vaststelling van
een voorlopige uitkering als bedoeld in art. 825b (oud) Rv. deze in de
tijd te beperken om redenen gelegen in de draagkracht van de
alimentatieplichtige of de behoefte van de alimentatiegerechtigde. De
beschikking waarbij de rechter een zodanige limitering heeft uitgesproken
kan worden gewijzigd op de voet van art. 825d (oud) Rv. Het hof heeft de
beperking van de duur der voorlopige uitkering gegrond op de naar zijn
oordeel op 1 augustus 1993 eindigende behoefte van de man. Het heeft
daarmee geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De onderdelen
falen derhalve.

3.6 Het zesde onderdeel is eveneens tevergeefs voorgesteld. De vrouw heeft
in appel in grief I gesteld dat de Rechtbank er ten onrechte van uit is
gegaan dat de man behoeftig is. het Hof heeft die grief gegrond bevonden
voor wat betreft de periode na 1 augustus 1993. Het Hof is derhalve niet,
zoals het onderdeel betoogt, buiten de rechtsstrijd van partijen getreden.

3.7 Het zevende onderdeel bevat geen klacht.

4. Beslissing de Hoge Raad verwerpt het beroep. Noot

In deze casus was de vrouw (geboren in 1951) tijdens het huwelijk
kostwinner en heeft de man (eveneens geboren in 1951) gedurende een lange
periode, ongeveer tien jaar, niet gewerkt. In deze periode heeft hij wel
een opleiding gevolgd en deze met het diploma vakbekwaamheid Horeca
afgesloten. Daarna heeft hij nog korte tijd in de horeca gewerkt. De man
verzoekt om een alimentatie ten laste van de vrouw van ƒ 1500,- per
maand. Er zijn geen kinderen te verzorgen.

Twee punten vragen in deze zaak om aandacht. De man klaagt er onder andere
over dat ‘in vele vergelijkbare gevallen waarin de man kostwinner is, de
vrouw niet in staat wordt geacht in haar eigen levensonderhoud te
voorzien’, waarmee hij kennelijk aan wil geven dat hem door het Hof het
heersende rolpatroon van de man als kostwinner wordt opgedrongen. De Hoge
Raad acht deze klacht ongegrond want het Hof heeft in zijn overwegingen
expliciet rekening gehouden met de leeftijd, opleiding en werkervaring van
de man. Daarnaast heeft het Hof geconstateerd dat de man geen enkele
poging heeft ondernomen een betaalde werkkring te vinden. Van een
ongelijke behandeling veroorzaakt door een opgelegd rolpatroon zou dan ook
geen sprake zijn. Mijns inziens kan het Hof hier niet beticht worden van
het opdringen van een bepaald rolpatroon. De man wordt immers een termijn
gegund om een baan te zoeken (hij had overigens ten tijde van de procedure
een RWW-uitkering). Verder zijn geen duidelijke redenen aangevoerd waarom
de man, die zegt (samen met zijn vrouw) bewust voor een rol als huisman
te hebben gekozen, deze rol niet met betaalde werkzaamheden zou kunnen
combineren. Er zijn immers geen kinderen te verzorgen. De man verliest
kennelijk uit het oog dat veel vrouwen behoeftig zijn omdat zij kampen met
een slechte of verouderde opleiding en dat zij ook nog de zorg over de
kinderen op zich moeten nemen.

Voorts klaagt de man erover dat het Hof in strijd met art. 1:157 lid 3 BW
en in weerwil van vaste jurisprudentie sinds HR 27 april 1984, NJ 1985,
103 een limitering heeft toegepast bij een gevraagde alimentatie in het
kader van voorlopige voorzieningen. De Hoge Raad bevestigt nog eens dat
art. 1:157 BW niet van toepassing is op een onderhoudsbijdrage in het
kader van voorlopige voorzieningen, maar dat limitering desalniettemin
mogelijk is als de reden daarvoor gelegen is in de draagkracht van de
alimentatieplichtige of de behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Het is
van belang om het onderscheid voor ogen te houden tussen alimentatie
gedurende het echtscheidingsgeding, waar het in deze casus over gaat en
waar alleen de factoren draagkracht en behoefte en rol spelen, en het
onderhoud na de echtscheiding, waarbij ook met andere (niet-financiele)
factoren rekening kan worden gehouden, zoals de korte duur van het
huwelijk. De conclusie kan dus geen andere zijn dan dat limitering van de
alimentatieduur bij voorlopige voorzieningen wel mogelijk is, maar dat dit
slechts gegrond kan zijn op een inschatting van de factoren draagkracht
of behoefte. Daarnaast staat dit oordeel niet in de weg aan een
andersluidende beslissing omtrent de onderhoudsbijdrage na de
echtscheiding.

Wendelien Elzinga

Rechters

Mrs. Snijders, Mijnssen, Davids, Neleman, Heemskerk

Instantie: Kantonrechter Terneuzen, 12 mei 1993

Instantie

Kantonrechter Terneuzen

Samenvatting


De werkgever is er niet in geslaagd te bewijzen dat eiseres een
full-time dienstverband is aangeboden en dat zij dit aanbod vervolgens
heeft geweigerd. De werkgever moet ƒ 1.500,- immateriele en ƒ 520,10
materiele schadevergoeding betalen. Kort na het instellen van hoger beroep
bleek de wederpartij bereid de zaak te schikken met een bedrag van ƒ
4.500,-. Daarmee kwam het totaalbedrag van de immateriele schadevergoeding
op ƒ 6.000,-.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure

De volgende proceshandelingen zijn verricht:

-tussenvonnis d.d. 22 januari 1993

-verschijning van partijen d.d. 26 mei 1992, 21 oktober 1992

-nadere conclusies of akten d.d. 27 januari 1993, 24 februari 1993 en 24
maart 1993

-de bijzondere proces-handeling, aangetekend op het audientieblad d.d. 23
december 1992

De beoordeling van de zaak

1. Ingevolge tussenvonnis d.d. 22 januari 1992 zijn diverse getuigen
gehoord, waaronder eiseres als partij-getuige.

Uitgaande van het in de Wet en rechtspraak ontwikkelde systeem dat in
beginsel ook in geval van zwangerschap ontslag tijdens proeftijd mogelijk
is zonder opgaaf van redenen, doch tegelijk onder de beperking van het
wettelijk verbod van onderscheid tussen mannen en vrouwen bij de
beeindiging van een arbeidsovereenkomst, weshalve ontslag wegens
zwangerschap tijdens proeftijd niet mogelijk is, daar immers slechts
vrouwen zwanger kunnen zijn, is aan gedaagde het bewijs opgelegd als sub
5.1 in voormeld tussenvonnis geformuleerd.

2.1. Ondanks alle gissingen, veronderstellingen en vermoedens van de
getuigen S en IJ daaromtrent heeft slechts de getuige Bourlet zich
concreet omtrent het aanbod zijdens gedaagde om fulltime te komen werken
en de pertinente weigering daarvan door eiseres kunnen uitlaten.
Daartegenover heeft eiseres zelf verklaard dat haar dat aanbod niet is
gedaan, en, indien wel, zij dat zou hebben aangenomen.

2.2. In het midden latende of het gesprek daarover tussen eiseres en de
getuige B plaatsvond op 16 of 17 januari 1991, heeft eiseres er terecht
op gewezen, dat volgens het vacaturebericht van het Arbeidsbureau, waarvan
copie in het geding is gebracht met als opnamedatum 17 januari 1991 de
betreffende vacature is opengesteld voor 3 dagen per week, zijnde
weliswaar een dag meer dan voor eiseres gold, doch in ieder geval niet
fulltime, gelijk gedaagde als inzet voor eiseresses ontslag opgeeft.

3.1. Volgens de getuige B zou al eerder sprake zijn geweest over
uitbreiding van de werktijd, doch weet hij zich niet te herinneren of dat
met eiseres is besproken.

Hoewel gedaagde mogelijk tijdens de proeftijd zonder opgaaf van redenen
eiseres kon ontslaan, doch – conform de rechtspraak – stelt mondeling aan
eiseres de reden tot ontslag te hebben meegedeeld, acht de kantonrechter
het vreemd dat gedaagde daaromtrent in haar ontslagbrief van 16 januari
1991 volstaat met te verwijzen naar de mededeling van de heer B en die
reden ook in haar brief na ontvangst van eiseresses protest daartegen,
niet opgeeft.

3.2. De kantonrechter is ingevolge het voorgaande dan ook van opvatting,
dat aan eiseres te weinig reele gelegenheid is geboden zich omtrent een
en ander te beraden, zodat de daarop gevolgde onderhavige beslissing niet
geacht kan worden in alle redelijkheid te zijn genomen.

4. Op grond van voorgaande overwegingen acht de kantonrechter de gedaagde
niet geslaagd in haar bewijslevering, zonder dat hoeft te worden ingegaan
op of hoeft mee te wegen het feit, dat de volgens gedaagde aan eiseres
meegedeelde reden ook niet in de tekst van het telefoongesprek is terug
te vinden, hoewel daartoe toch alle aanleiding bestond. De kantonrechter
verwijst daartoe naar hetgeen hij sub 5.2. in voormeld tussenvonnis heeft
overwogen. Gedaagde is aldus schadeplichtig.

5. Gedaagde heeft eiseresses gederfd inkomen, door haar gesteld op ƒ
520,10 netto niet betwist, doch wel het bedrag van de door eiseres
gevorderde immateriele schade ad ƒ 7.500,- welk bedrag zij buiten alle
proporties acht.

Immers niet alleen dient terzake van de beweegredenen tot het ontslag
welke vorm van discriminatie achterwege te blijven, ook geldt dit voor de
gevolgen daarvan, zodat de door eiseres aangevoerde argumentatie met
betrekking tot verminderde kansen in het arbeidsproces als gevolg van haar
zwangerschap, – welke zij toch zelf heeft gewild – geen hout snijdt.

Aansluitend bij de zich daaromtrent in procedures ex art. 7A:1639w BW
ontwikkelde rechtspraak en dit in casu redelijk achtend, acht de
kantonrechter, gezien de korte duur der dienstbetrekking en gelet op de
uiterlijke duur der dienstbetrekking volgens overeenkomst van 1 jaar, een
vergoeding van netto ƒ 1.500,- op zijn plaats, zijnde ruimschoots het
bedrag aan netto loon voor een maand dat eiseres volgens de met haar
overeengekomen maatstaven voor de resterende tijd in full-time betrekking
zou hebben kunnen ontvangen.

Aan eiseres is aldus ƒ 2.020,10 aan schadevergoeding toe te kennen.

6. In verband met het voorgaande zijn termen aanwezig te achten de
proceskosten te compenseren.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde om:

tegen bewijs van kwijting aan eiseres te betalen een bedrag van ƒ
2.020,10, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 mei
1991 tot de dag der voldoening;

compenseert de kosten van het geding tussen partijen, zo, dat iedere
partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

ontzegt het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr. De Mul

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 12 mei 1993

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


In afwachting van de definitieve verdeling van de
huwelijksgoederengemeenschap toekenning aan de vrouw van een uitkering op
basis van de waarde van het haar toekomende aandeel in de door de man
opgebouwde pensioenrechten. De rechter vat het verweer van de man ‘dat er nog
meer te verdelen valt’ in casu op als een niet te tolereren
vertragingstactiek.

Volledige tekst

4. De beoordeling 4.1.

Partijen zijn gescheiden op 11 juni 1991, op welke datum het tussen hen
gewezen echtscheidingsvonnis werd ingeschreven in de registers van de
Burgerlijke Stand.

4.1.1. Met ingang van 1 december 1991 geniet de man (geboren 26 december
1926) een ouderdomspensioen uit hoofde van de door hem opgebouwde
Indonesische pensioenrechten.

4.1.2. Aangezien partijen in gemeenschap van goederen gehuwd waren, dient de
waarde van de door de man opgebouwde pensioenrechten te worden verdeeld. De
helft van de waarde komt aan de vrouw toe, zijnde per 11 juni 1991 ƒ
17.684. Op basis van deze waarde kan de vrouw jegens de man aanspraak maken
op een voorwaardelijke uitkering van ƒ 178,42 per maand vanaf 1 december
1991 onder de voorwaarde dat beide partijen in leven en met de indexatie
zoals door de vrouw gevorderd.

4.2. De man heeft het vorenstaande niet betwist. (…)

4.5. Nu partijen daaromtrent geen mededeling doen, gaat het hof ervan uit dat
partijen overeenkomstig art. 677 e.v. Rv. nog niet voor een notaris zijn
verschenen teneinde tot verdeling van de huwelijksgemeenschap te geraken.

4.5.1. Gezien het verweer van de man en het algemeen bekende feit dat
gehuwden enige inboedel en eventueel ook nog spaargeld plegen te hebben, gaat
het hof er voorshands vanuit dat met de verdeling van de pensioenaanspraken
nog niet de gehele gemeenschap van goederen van partijen is verdeeld. Niet
uitgesloten is dus dat aan de man, ofschoon hij zijn stellingen dienaangaande
volstrekt niet adstrueert, nog enig bedrag toekomt ter zake van hetgeen
overigens tussen partijen nog moet worden verdeeld.

4.5.2. Het ligt dan echter wel op de weg van de man een voorstel te doen om
tot verdeling van de rest van de gemeenschap te geraken. Hij kan niet
volstaan zich te blijven beroepen op de stelling dat er nog meer te verdelen
valt dan de pensioenrechten zonder exact aan te geven wat er dan te verdelen
valt en wat hem ter zake van die verdeling toekomt.

4.6. Rekening houdend met dit een en ander, zal het hof de vordering van de
vrouw over de reeds verstreken periode van achttien maanden (1 december 1991
t/m 31 mei 1993) niet toewijzen.

4.6.1. Bij wijze van voorlopige voorziening acht het hof wel toewijsbaar de
vordering van de vrouw vanaf 1 juni 1993. Het belang van de man bij verdeling
van de boedel als geheel moet, nu hijzelf dienaangaande niet met
voortvarendheid te werk gaat, wijken voor het belang van de vrouw om zo
spoedig mogelijk te beschikken over middelen om in de noodzakelijke kosten
van haar bestaan te voorzien. (…)

4.6.3. Voor zover na algehele verdeling van de boedel zou blijken dat aan de
vrouw een lager bedrag toekomt dan ƒ 17.684.- kan de voorwaardelijke
uitkering die op basis van dat lagere bedrag wordt berekend worden verrekend
met het bedrag dat de man op basis van dit vonnis inmiddels ter zake van
voorwaardelijke uitkering heeft betaald.

4.7. Nu partijen gewezen echtelieden zijn, zal het hof de kosten compenseren
als in het dictum vermeld. 5.

De uitspraak

Het hof:
– Vernietigt het vonnis d.d. 15 oktober 1992, waarvan beroep, en opnieuw
rechtdoende,
– Veroordeelt de man in afwachting van de definitieve vaststelling van een
voorwaardelijke uitkering ter zake van verrekening van pensioenrechten aan
de vrouw voorlopig te betalen een bedrag van ƒ 178,42 per maand,
vermeerderd met het percentage waarmee het ouderdomspensioen van de man per
1 januari 1993 is geindexeerd, zulks vanaf 1 juni 1993 en voorts onder de
voorwaarde van in leven zijn van beide partijen en met indexatie telkens per
1 januari van ieder jaar overeenkomstig het percentage waarmee het
ouderdomspensioen van de man wordt geindexeerd door het bestuur van het
Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds.

Rechters

Mrs. Jurgens, Bod, Elders

Instantie: Rechtbank Groningen, 7 mei 1993

Instantie

Rechtbank Groningen

Samenvatting


AOW-korting wegens niet-verzekerde jaren van echtgenoot is in strijd
met art. 26 IVBPR.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding.

Klaagster heeft beroep doen instellen door haar gemachtigde mr. G. Bakker,
medewerker van het Buro voor Rechtshulp te Winschoten, tegen de beslissing
van verweerder d.d. 6 december 1990.

Verweerder heeft de gedingstukken ingezonden. Klaagsters gemachtigde heeft
een afschrift van deze stukken gekregen.

Nadat aanvankelijk was medegedeeld dat de behandeling van het beroep zou
worden aangehouden in afwachting van een uitspraak van de Centrale Raad
van Beroep (CRvB), heeft de fungerend president besloten het beroep te
doen behandelen op een terechtzitting in verband met de bij de rechtbank
bestaande verwachting over de tijd, welke nog kan verstrijken totdat de
CRvB uitspraak doet.

De terechtzitting is gehouden te Assen op 2 april 1993 door een
meervoudige kamer van de rechtbank.

Klaagster is verschenen bij haar gemachtigde.

Verweerder is vertegenwoordigd door de heer H. Nieborg, juridisch
medewerker van verweerder.

II. Motivering.

Ingevolge het bij de Wet van 3 juni 1992, Stb. 278, in samenhang met het
Koninklijk Besluit van 17 juni 1992, Stb. 229, met ingang van 1 juli 1992
gewijzigd artikel 1 van de Beroepswet, juncto artikel XXV van de Wet van
3 juni 1992, Stb. 278, behandelt en beslist de Arrondissementsrechtbank
te Groningen het geschil, voorzover dit op en na 1 juli 1992 dient te
geschieden.

Klaagster is geboren op 26 maart 1926. Zij is in het huwelijk getreden met
de heer H. Klaagster heeft als werkneemster in loondienst gewerkt van 1965
tot 1974. Zij is in 1974 ontslagen en heeft zich naar het oordeel van de
rechtbank enige tijd daarna niet meer beschikbaar gesteld voor de
arbeidsmarkt en zich beperkt tot de huishoudelijke taken. Haar echtgenoot
is werkzaam geweest in loondienst. In de tijd van 1 maart 1971 tot 1 mei
1974 heeft hij gedurende 1 jaar en 9 maanden in loondienst in de
Bondsrepubliek Duitsland gewerkt.

Daardoor was hij in die periode niet verzekerd op grond van de Algemene
Ouderdomswet (AOW). Hoewel klaagster in die tijd in Nederland woonde, was
zij eveneens niet verzekerd op grond van de AOW. Dit berustte op een
bepaling in het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden
volksverzekeringen (hierna te noemen: Besluit).

De rechtbank verwijst ter toelichting hiervan naar de overwegingen over
de relevant Nederlandse wetgeving in het aangehechte bevel van de
voormalige Raad van Beroep te Groningen d.d. 29 maart 1988.

In verband met het op 26 maart 1991 gaan bereiken van de 65-jarige
leeftijd, heeft klaagster op 28 oktober 1990 verweerder verzocht haar een
ouderdomspensioen voor een gehuwde toe te kennen op grond van de AOW.

De bestreden beslissing vloeit uit deze aanvraag voort. Klaagster
bestrijdt deze beslissing, voorzover verweerder daarbij een korting op
haar ouderdomspensioen toepast met ingang van 1 maart 1991 van 2 procent.
Deze korting berust op de opvatting van verweerder dat de hiervoor
genoemde niet-verzekerde periode tot die korting moet leiden, ook al
vloeit het hebben ontbroken van AOW-verzekering voort uit de
verzekeringsloopbaan van klaagsters echtgenoot, terwijl van een korting
geen sprake zou zijn geweest, indien bij eenzelfde woon- en
arbeidsverleden tussen het 15e en 65e jaar klaagster geen vrouw, maar een
man zou zijn geweest. Ook in dit opzicht verwijst de rechtbank ter
toelichting naar het aangehechte bevel.

Verweerder is bij deze opvatting gebleven, nadat onder meer de voormalige
Raden van Beroep te Utrecht, Roermond, en Groningen hadden geoordeeld dat
deze opvatting strijdig is met het bepaalde in artikel 26 van het Verdrag
van New York van 19 december 1966, Stb. 1978/624 (hierna te noemen: IVBPR)
en dat deswege artikel 13 AOW, waarop de korting in de betreffende zaken
berustte, buiten toepassing moest worden gelaten. Ook toen de CRvB in de
zaak AAW 1985/S79 bij uitspraak van 21 december 1990 (gepubliceerd in RSV
1991/160) oordeelde dat de bepaling in het Besluit, waarop de
niet-verzekering van echtgenotes van grensarbeiders in het verleden
berustte, wegens strijd met artikel 1 van de Grondwet buiten toepassing
moest worden gelaten. En eveneens toen het Hof van Justitie der EG in
onder meer het arrest Verholen van 11 juli 1991 (gepubliceerd in RSV
1991/227) en vervolgens de voormalige Raad van Beroep te ‘s-Hertogenbosch
(uitspraak van 15 november 1991, gepubliceerd in RSV 1992/192) op grond
van onder meer de instemming van verweerder met het oordeel dat
meergenoemde Besluit vrouwen (als klaagster) in het verleden
discrimineerde (waartegen toen nog geen rechtsmiddel open stond),
oordeelden dat de korting strijdig was met het bepaalde in het eerste lid
van artikel 4 van de Richtlijn 79/7, waarop mw. Verholen rechtstreeks een
beroep kon doen en welke ambthalve door de nationale rechter in zijn
oordeel kon worden betrokken. Daarbij verwierp het Hof onder meer de in
de eerder berechte zaken door verweerder verdedigde telling dat het
zogeheten opbouwkarakter van de AOW in de weg zou staan aan deze
conclusie. Verweerder handhaaft niettemin zijn opvatting ten aanzien van
klaagster, omdat zij niet onder de personele werkingssfeer van de
Richtlijn 79/7 valt.

De rechtbank is van oordeel dat klaagster niet onder de personele
werkingssfeer van de Richtlijn valt, aangezien klaagster ten tijde van het
ontstaan van haar recht op AOW-ouderdomspensioen weliswaar werkloos was,
maar op grond van eigen keuze niet meer ter beschikking van de
arbeidsmarkt stond. De rechtbank is van oordeel dat over dit vereiste
duidelijkheid bestaat en verwijst daartoe naar de rechtsoverwegingen 10
en 11 van het Hof van Justitie der EG in het arrest ten name van
Achterberg te Riele c.s. (van 27 juni 1989, RSV 1990/232) en het in
verband daarmee achterwege blijven van een antwoord van het Hof op vraag
2 in de bij dit arrest berechte zaak Egbert-Reuvers. Klaagster kan
bijgevolg niet langs enigerlei weg rechten aan de werking van de Richtlijn
ten opzichte van het nationale recht ontlenen (vergelijk onder meer
evengenoemde arresten Achterberg te Riele en Verholen).

De rechtbank laat hier bij in het midden of klaagster die aanspraak wel
aan de werking van enige andere bepaling van EG-recht (met name artikel
51 EG-Verdrag) zou kunnen ontlenen, aangezien de rechtbank reeds op andere
gronden de bestreden beslissing niet in stand laat.

Hoewel de rechtbank zich er van bewust is dat artikel 26 IVBPR een
algemeen geformuleerd discriminatieverbod inhoudt en de verdragsluitende
staten de nodige ruimte laat om keuzes te maken, waaruit een onderscheid
in behandeling van groepen betrokkenen kan voortvloeiten, en tegelijk die
staten er toe houdt die keuzes met enige regelmaat te bezien op wellicht
optredende discriminatoire gevolgen (vergelijk Comite voor de Rechten van
de Mens, 31 maart 1992, RSV 1993/41), is de rechtbank in het voetspoor van
de thans beschikbare jurisprudentie van de CRvB van oordeel:

-dat artikel 26 IVBPR ook betrekking heeft op de in dit geding van
toepassing zijnde regels, welke bij en krachtens de AOW zijn en waren
gesteld;

-dat klaagster met haar bij klaagschrift gedaan beroep op het verbod van
ongelijke behandeling rechtstreeks het recht op dezelfde behandeling als
een man kan inroepen op grond van dit artikel, en wel met ingang van 23
december 1984;

-dat dit artikel in casu betrekking heeft op een direkt onderscheid op
grond van geslacht;

-dat dit onderscheid en de uit de doorwerking daarvan na 23 december 1984
voor klaagster bij de bestreden beslissing voortvloeiende korting op haar
AOW-ouderdomspensioen niet verboden is, ook al is sprake van een direkt
onderscheid, indien dit onderscheid op redelijke en objectieve gronden
berust.

De rechtbank is voorts van oordeel dat van dergelijke gronden noch uit de
bewoordingen van de betrokken AOW-bepalingen, noch uit de geschiedenis van
de totstandkoming daarvan blijkt.

De rechtbank verwijst wat dit laatste betreft naar de benadering van de
CRvB in de zaak AAW 1981/B126, waarin de CRvB op 5 januari 1988 uitspraak
heeft gedaan (gepubliceerd in RSV 1988/198) en naar de overwegingen in de
uitspraak van 4 oktober 1989 van de voormalige Raad van Beroep te
Groningen in de zaak AOW 3687-185 (gepubliceerd in Nemesis 1990/81),
waarmee de rechtbank zich mede gelet op de sedertdien gevormde
jurisprudentie, verenigt en als hier herhaald en ingelast beschouwt. De
rechtbank merkt hier uitdrukkelijk bij op dat de opvatting van verweerder
over het minder categorisch en streng verwerpen van
rechtvaardigingsgronden in het kader van de toepasselijkheid van artikel
26 IVBPR door het Comite, alleen al niet door de rechtbank kan worden
gevolgd met een oordeel of in casu nog binnen die aldus door verweerder
omschreven grenzen wordt gebleven doordat, zoals gezegd, de wetgever niet
heeft doen blijken welke die gronden zijn.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verweerder bij het nemen van
de bestreden beslissing niet had mogen aannemen dat het bepaalde in
artikel 13, eerste lid, van de AOW ten aanzien van klaagster van
toepassing is, omdat de regels van meergenoemd Besluit op grond waarvan
klaagster niet was verzekerd, buiten toepassing moeten worden gelaten. De
bestreden beslissing berust inzoverre op een onjuiste grondslag.

Beslist wordt daarom als volgt.

III. Beslissing.

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de bestreden beslissing, voorzover verweerder daarbij op
klaagsters ouderdomspensioen ingevolge de AOW een korting van 2 procent
toepast;

-bepaalt dat verweerder het griffierecht ad ƒ 25,= aan klaagster vergoedt.

Rechters

Mr. A.H.J. Lennaers, voorzitter, mr. A.T. de Kwaatsteniet en mr.J.G. Brouwer, rechters

Instantie: Hoge Raad, 7 mei 1993

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Eiseressen zijn ongehuwde onderwijzeressen die ongeveer 25%
minder salaris ontvangen dan hun gehuwde collega’s. Met een beroep
onder meer art. 26 BuPo-verdrag vorderen zij dat verweerder, hun
werkgever, met ingang van oktober 1987 hen een salaris betaald op het
niveau van hun gehuwde mannelijke collega. In feitelijke instanties is
deze vordering afgewezen, ondermeer omdat het Hof een redelijke en
objectieve rechtvaardiging voor het salarisonderscheid voorhanden acht
in het al dan niet bestaan van onderhoudsverplichtingen. De Hoge Raad
stelt dat het al dan niet bestaan van een huwelijk een te
onbetrouwbare aanwijzing vormt voor de aanwezigheid van
onderhoudsverplichtingen om de enkele omstandigheid dat een werknemer
gehuwd is te kunnen aanmerken als een voldoende grond voor het betalen
van een hoger salaris voor gelijke arbeid. Daar komt bij dat ondanks
het gemis aan rechtstreekse werking van art. 7 IVESC deze waarborg wel
een doel is waarnaar gestreefd moet worden. Dit betekent dat niet al
te snel aangenomen kan worden dat voor een beloningsverschil een
redelijke en objectieve rechtvaardiging voorhanden is. De Hoge Raad
vernietigt de bestreden uitspraak.

Volledige tekst

Cassatiemiddel: 1. De beslissing van het Hof is in strijd met
art. 2 lid 2 Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en
culturele rechten (IVESC) dat discriminatie met betrekking tot de in
dit verdrag opgesomde rechten verbiedt en met name discriminatie naar
status, waaronder ook valt discriminatie naar de gehuwde staat; zulks
in verband met art. 7 IVESC dat een billijk loon en gelijke beloning
voor werk van gelijke waarde zonder onderscheid van welke aard ook
waarborgt. Deze bepalingen hebben, anders dan het Hof wellicht
aanneemt, in onderling verband wel rechtstreekse werking, althans
bepalen deze regels mede de inhoud van op de onderhavige
rechtsverhouding wel (rechtstreeks) toepasbare bepalingen, zoals de
regels die betrekking hebben op ongelijke behandeling en de norm van
goed werkgeverschap.

2. De beslissing van het Hof is voorts in strijd met art. 26
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
(IVBP). De behandeling van M. c.s. en hun gehuwde mannelijke collega’s
is ongelijk, terwijl deze gevallen nu het gaat om de beloning voor te
verrichten arbeid als gelijke gevallen moeten worden beschouwd. Voor
een ongelijke behandeling is geen voldoende rechtvaardiging hetgeen
het Hof daartoe aanvoert.

Het bestaan van onderhoudsverplichtingen kan wellicht in andere
rechtsverhoudingen, zoals bijvoorbeeld in het kader van de
belastingheffing, een rechtvaardiging zijn voor ongelijke behandeling
van gehuwden en ongehuwden, doch is dat niet in het kader van de
beloning van arbeid door de werkgever.

Hoge Raad:

1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 20 maart 1990
gedateerd verzoekschrift hebben eiseressen tot cassatie – verder te
noemen M. c.s. – zich gewend tot het Gerecht in Eerste Aanleg,
zittingsplaats Curacao, met het verzoek verweerster in cassatie sub 1
– verder te noemen het Schoolbestuur – te veroordelen maandelijks aan
M. c.s. te betalen een salaris op het niveau van hun gehuwde
mannelijke collega’s, en wel met ingang van oktober 1987.

Met een ter rolle van 14 mei 1990 genomen akte heeft het Schoolbestuur
het Gerecht in Eerste Aanleg verlof gevraagd verweerder in cassatie
sub 2 – verder te noemen het Eilandgebied – in vrijwaring op te
roepen.

Bij vonnis van 3 sept. 1990 heeft Gerecht in Eerste Aanleg het
gevraagde verlof verleend.

Ter rolzitting van 10 dec. 1990 heeft het Eilandgebied een akte
genomen houdende “voeging ter zake van vrijwaring” alsmede een
“conclusie van antwoord van de waarborg”.

Nadat het Schoolbestuur en het Eilandgebied verweer hadden gevoerd,
heeft het Gerecht in Eerste Aanleg bij vonnis van 15 april 1991 in de
hoofdzaak het Eilandgebied niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek
tot voeging en de vordering van M.

c.s. afgewezen. In de vrijwaring heeft het Gerecht in Eerste Aanleg
het Schoolbestuur niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen laatstgenoemd vonnis hebben M. c.s. hoger beroep ingesteld bij
het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en
Aruba. Het Schoolbestuur heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
ingesteld tegen het vonnis voor zover in de vrijwaringszaak gewezen,
namelijk voor het geval het in de hoofdzaak zou worden veroordeeld.

Bij vonnis van 11 febr. 1992 heeft het Hof het bestreden vonnis
bekrachtigd, zowel voor wat de hoofdzaak als voor wat de
vrijwaringszaak betreft.

( …)

3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende
worden uitgegaan.

M. c.s. zijn als onderwijzeressen in dienst van het Schoolbestuur.

Zij zijn ongehuwd en niet gehuwd geweest.

Hun salarissen bedroegen per 1 okt. 1987 ongeveer 25% minder dan die
van hun – overigens in vergelijkbare situatie verkerende – gehuwde
collega’s.

M. c.s. hebben met een beroep op onder meer art. 26 IVBP gevorderd dat
het Schoolbestuur zal worden veroordeeld om met ingang van oktober
1987 aan hen een salaris te betalen op het niveau van hun gehuwde
mannelijke collega’s.

Gerecht in eerste aanleg en Hof hebben de vordering afgewezen.

3.2. Uit art. 26 IVBP, dat een verbod behelst van discriminatie wegens
onder meer “status” (waaronder begrepen het al of niet gehuwd zijn),
vloeit voort dat een hogere salariering van gehuwden die hetzelfde
werk verrichten als hun ongehuwde collega’s, slechts geoorloofd is,
indien daarvoor een redelijke en objectieve rechtvaardiging kan worden
aangewezen. Als zodanige rechtvaardiging heeft het Schoolbestuur
slechts aangewezen het tussen gehuwden en ongehuwden bestaande
verschil in onderhoudsverplichtingen.

Evenals de eerste rechter heeft het Hof deze rechtvaardiging voldoende
geoordeeld. Het heeft dienaangaande overwogen (rechtsoverweging 4)
“dat het al dan niet bestaan van onderhoudsverplichtingen een
redelijke en objectieve rechtvaardiging vormt voor het verschil in
salariering tussen M. c.s. en haar gehuwde mannelijke collega’s”.
Hieraan heeft het Hof nog toegevoegd dat “aan de juistheid van dit
uitgangspunt op zich niet (wordt) afgedaan doordat er gevallen
denkbaar zijn – M. c.s. hebben daarvan voorbeelden gegeven – waarin
hantering van dat criterium minder gelukkige resultaten kan
opleveren”.

3.3. Bij de beoordeling van het middel, dat zich tegen dit oordeel
keert, dient het volgende tot uitgangspunt.

Om te kunnen vaststellen of voor het omstreden verschil in beloning
een redelijke en objectieve rechtvaardiging voorhanden is, moet worden
nagegaan of met het gemaakte onderscheid een legitiem doel wordt
nagestreefd en of dit onderscheid kan worden aangemerkt als een
passend middel om dat doel te bereiken.

Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat de omstandigheid dat een
werknemer onderhoudsverplichtingen heeft, een legitieme reden vormt om
hem een hoger salaris te betalen, en dat, nu gehuwde werknemers vaker
zullen worden geconfronteerd met onderhoudsverplichtingen dan hun
ongehuwde collega’s, een verschil in salariering van gehuwde en
ongehuwde werknemers mitsdien een passend middel is om dit doel (een
hogere salariering van werknemers met onderhoudsverplichtingen) te
bereiken.

3.4. Aldus opgevat, geeft ’s Hofs oordeel blijk van een onjuiste
rechtsopvatting. Art. 7 van het Internationaal Verdrag inzake
economische, sociale en culturele rechten (hierna: IVESC) beoogt “een
gelijke beloning voor werk van gelijke waarde zonder onderscheid van
welke aard ook” te waarborgen. Weliswaar mist deze bepaling
rechtstreekse werking, zodat onderdeel 1, dat zulk een werking
verdedigt, in zoverre tevergeefs is voorgesteld, maar de waarborg van
een gelijke beloning voor gelijke arbeid in het IVESC is wel een
doelstelling waarnaar gestreefd dient te worden (vgl. HR 20 april
1990, NJ 1992, 636).

Hiermee zou niet stroken om al te snel aan te nemen dat voor een
beloningsverschil dat het uitgangspunt van een gelijke beloning voor
gelijke arbeid doorkruist, een redelijke en objectieve rechtvaardiging
voorhanden is.

In het midden kan blijven of niet in bijzondere gevallen een verschil
in salaris bij gelijke arbeid niettemin gerechtvaardigd kan zijn,
zoals bijvoorbeeld in het geval dat werkgever en werknemer een
aanpassing van de salarissen zijn overeengekomen ter compensatie van
de gestegen kosten van het levensonderhoud, waarbij zij de hoogte van
de compensatie afhankelijk hebben gemaakt van de gezinssamenstelling
van de betrokken werknemer.

In het onderhavige geding heeft het Hof evenwel een aanzienlijk
verschil in beloning voor gelijke arbeid gerechtvaardigd geoordeeld op
de enkele grond dat de hoger gesalarieerde werknemers gehuwd zijn. De
maatschappelijke ontwikkelingen in zowel de Nederlandse Antillen als
Nederland hebben echter meegebracht dat het al dan niet bestaan van
een huwelijk een te onbetrouwbare aanwijzing vormt voor het al dan
niet aanwezig zijn van onderhoudsverplichtingen om de enkele
omstandigheid dat een werknemer gehuwd is, te kunnen aanmerken als een
voldoende grond voor het betalen van een hoger salaris voor gelijke
arbeid.

In beide landen zijn er immers enerzijds vele ongehuwden met
aanzienlijke onderhoudsverplichtingen jegens derden, en anderzijds
echtparen zonder kinderen, waarvan beide echtgenoten een inkomen uit
arbeid genieten, zodat geen aanleiding bestaat de laatstgenoemden
hoger te belonen dan hun ongehuwde collega’s die hetzelfde werk
verrichten.

3.5. Uit het vorenoverwogene volgt dat, anders dan in ’s Hofs oordeel
besloten ligt, het enkele feit dat een werknemer ongehuwd is, niet een
redelijke en objectieve rechtvaardiging vormt om hem een lager salaris
te betalen dan een gehuwde werknemer die dezelfde arbeid verricht.
Enige andere rechtvaardigingsgrond voor het gemaakte onderscheid is
door het Schoolbestuur niet aangevoerd noch uit de stukken naar voren
gekomen.

Derhalve slaagt onderdeel 2 en moet de bestreden uitspraak worden
vernietigd. Verwijzing moet volgen.

4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt het vonnis van het
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en
Aruba van 11 febr.

1992; verwijst de zaak naar dat Hof ter verdere behandeling en
beslissing; veroordeelt de verweerders in cassatie in de kosten van
het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van M.

c.s. begroot op ƒ 400 aan verschotten en ƒ 3000 voor salaris.

Conclusie A-G mr. Koopmans: 1. Het cassatiemiddel is in deze beide
zaken gelijkluidend.

Het stelt uitsluitend de vraag aan de orde of het onderscheid tussen
gehuwd en ongehuwd personeel, dat bij de salariering van leerkrachten
in het Eilandgebied Curacao wordt gemaakt, een verboden ongelijkheid
van behandeling is.

In zaak no. 8152, M. c.s., zijn het vrouwelijke ongehuwde
leerkrachten, in zaak no. 8153, Plantijn c.s., mannelijke ongehuwde
leerkrachten, die veroordeling vragen van de Stichting Rooms-Katholiek
Centraal Schoolbestuur om hun van okt. 1987 af een salaris te betalen
op het niveau van hun gehuwde mannelijke collega’s. Het verschil in
bruto-beloning beliep ten tijde van het aanhangig maken van het geding
ongeveer 25% (gerecht rechtsoverweging 2); dit verschil wordt thans
geleidelijk verkleind (schrift. toel. no. 10).

2. Het Gerecht in eerste aanleg oordeelde dat voor het verschil in
salariering een redelijke en objectieve rechtvaardiging kan worden
gevonden in het al dan niet bestaan van onderhoudsverplichtingen
(gerecht, rechtsoverweging 5).

Het Hof van Justitie verenigt zich geheel met dat oordeel (hof,
rechtsoverweging 4).

De werknemers hadden er bij pleidooi in appel op gewezen dat het al
dan niet bestaan van onderhoudsverplichtingen niet correspondeert met
de gehuwde of ongehuwde staat. Die stelling werd met verschillende
voorbeelden toegelicht: ongehuwde vrouw met kinderen; echtpaar waarvan
man en vrouw beiden bij het onderwijs werken of ambtenaar zijn (voor
ambtenaren gold dezelfde regeling); situatie na echtscheiding. Het hof
merkt te dien aanzien slechts op dat aan de juistheid van zijn
uitgangspunt niet wordt afgedaan doordat er gevallen denkbaar zijn
waarin hantering van het criterium gehuwd/ongehuwd minder gelukkige
resultaten kan opleveren.

3. De historische achtergrond van het gemaakte verschil is te vinden
bij A.B. van Rijn, Gelijke behandeling en non-discriminatie in de
Nederlandse Antillen, in: Uni Ku UNA (Opstellen-Van der Grinten,
Zwolle 1991) p. 285, met verwijzing naar verder materiaal.

Aanvankelijk werd in de Antilliaanse bezoldigingsregeling niet alleen
verschil gemaakt tussen gehuwde en ongehuwde ambtenaren, maar werd
bovendien bepaald dat de gehuwde vrouwelijke ambtenaar als ongehuwd
werd beschouwd (een wat wonderlijk gebruik van ficties). In 1984
besliste de ambtenarenrechter dat voor de ongelijke behandeling van de
gehuwde vrouw geen redelijke en objectieve grond bestond. De enkele
omstandigheid dat de gehuwde man meestal kostwinner is zou het
gemaakte onderscheid naar hedendaagse opvattingen niet rechtvaardigen,
nu de emancipatie van de vrouw daardoor belemmerd wordt. De
ambtenarenrechter oordeelde evenwel dat het op de weg van de wetgever
lag om het gewraakte verschil weg te nemen.

Toen de wetgever in 1988 nog niet in actie was gekomen, begon de
ambtenarenrechter art. 26 IVBP rechtstreeks toe te passen.

Met toepassing van de regeling die voor de justitiabele het gunstig
is, bepaalde de rechter dat de gehuwde vrouw recht had op eenzelfde
salaris als de gehuwde mannelijke ambtenaar genoot. Vervolgens zijn de
salarissen van gehuwde mannelijke en vrouwelijke werknemers door de
Antilliaanse overheid gelijkgetrokken. De ambtenarenrechter heeft
daarop beslist dat voor het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden
wel een objectieve en redelijke grond kan bestaan, nl. indien er
sprake is van een wettelijke onderhoudsplicht jegens huwelijkspartner
of kinderen.

Na werkstakingen in 1990 verklaarde het Bestuurscollege van Curacao
zich bereid de ongelijke bezoldiging van ongehuwde ambtenaren op te
heffen, zij het gefaseerd. Die gefaseerde opheffing maakt deel uit van
het regeerakkoord van het Antilliaanse kabinet-Liberia-Peters. In
Aruba verdween het verschil met ingang van 1 jan. 1990 geheel.

4. Een algemene gelijkheidsbepaling als art. 1 Grondwet (Grw.)
ontbreekt in de Staatsregeling NA. Wel geeft art. 3 Staatsregeling
ieder een gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen,
maar deze bepaling speelt in de praktijk geen belangrijke rol (evenmin
als destijds het overeenkomstige art. 4 Grw.-oud).

Op grond van art. 5 lid 1 Statuut voor het Koninkrijk moet worden
aangenomen dat de regels van art. 93-94 Grw. van toepassing zijn op de
Nederlandse Antillen. De algemene bescherming van de gelijke
behandeling wordt daarom gelezen in art. 14 Europees Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
(EVRM) en art. 26 IVBP. Op art. 14 EVRM is in de onderhavige zaken
geen beroep gedaan, waarschijnlijk omdat deze bepaling discriminatie
slechts verbiedt op terreinen die bestreken worden door de rechten en
vrijheden die in de overige bepalingen van het verdrag worden
verzekerd. Zie Van Dijk-Van Hoof, De Europese Conventie in theorie en
praktijk (3e dr. 1990) p. 587-593; E.A. Alkema, Studies over Europese
grondrechten (diss. Leiden 1978) p.

37-38. Door de werking van art. 26 IVBP moet het gelijkheidsbeginsel
in de Ned. Antillen in dezelfde omvang worden geeerbiedigd als in
Nederland het geval is.

5. Mr. Moltmaker heeft, in zijn concl. bij HR 8 juli 1988 NJ 1990, no.
448, met aanhaling van veel materiaal aangetoond dat art. 26 IVBP
rechtstreeks werkt, en dat deze bepaling bovendien, anders dan art. 14
EVRM, een zelfstandig recht op gelijke behandeling vestigt. De Hoge
Raad aanvaardt deze beide grondslagen; zie met name HR 27 sept. 1989
NJ 1990 no. 449.

Ook de Antilliaanse rechter heeft de rechtstreekse werking van art. 26
IVBP erkend; zie Van Rijn t.a.p. (op p. 292), met aanhaling van
rechtspraak.

De vraag of de gelijkheidsregel van art. 26 IVBP horizontale werking
heeft, dwz. ook rechtstreeks werkt tussen particulieren, wordt meestal
bevestigend beantwoord. In de Ned. Antillen bestaat jurisprudentie in
die zin; zie Van Rijn t.a.p. (op p. 298). Het komt mij overigens voor
dat in de onderhavige zaken het probleem van de horizontale werking
niet speelt, nu de salarissen in het onderwijs, althans bij het RK
Centraal Schoolbestuur, door het Eilandgebied worden vastgesteld,
terwijl het Eilandgebied ook de daarvoor benodigde fondsen ter
beschikking stelt; zie met name incid.

verz. tot opr. in vrijwaring. Voor de bezoldiging van leerkrachten is
het RK Schoolbestuur dan ook te beschouwen als niet meer dan een
“emanation des pouvoirs publics”, zoals het in moeilijk vertaalbaar
Frans heet. Zie daarover o.a. zaak 152/84, Marshall c. Southampton and
South-West Hampshire Area Health Authority, Jur. 1986 p. 723; zaak
188/89, Fosters c.

British Gas, NJ 1992 no. 762.

6. Voor de toepassing van art. 26 IVBP moet er van worden uitgegaan
dat onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden een verboden
discriminatie oplevert wanneer voor dat onderscheid geen redelijke en
objectieve grond te vinden is. Het Human Rights Committee van de
Verenigde Naties heeft die maatstaf in 1987 geformuleerd in een
tweetal uit Nederland afkomstige zaken: zaak 172/1984, Broeks, RSV
1987 no. 245 en zaak 180/1984, Danning, RSV 1988 no. 201. Er is geen
sprake van verboden discriminatie, aldus het comite, als het
onderscheid dat de wetgeving maakt aan te merken valt als een
differentiatie “based on reasonable and objective criteria”.

Deze maatstaf wordt ook door de Hoge Raad gehanteerd: HR 23 nov. 1984
NJ 1985 no. 604.

Dezelfde gedachte komt, in iets verder uitgewerkte vorm, voor in de
rechtspraak van het Eur. Hof voor de Rechten van de Mens met
betrekking tot art. 14 EVRM. Verschil in behandeling wijst slechts op
discriminatie, aldus het Hof, “if it has no objective and reasonable
justification, that is, if it does not pursue a legitimate aim or if
there is is no reasonable realtionship of proportionality between the
means employed and the aim sought to be realized”. Zie EHRM 21 febr.
1986, James, Serie A no. 98 van EHRM 8 juli 1987, Lithgow, Serie A no.
102.

Zie ook Van Dijk en Van Hoof, a.w., p. 597.

7. Het ligt derhalve op de weg van de rechter om na te gaan welke
gronden voor het gemaakte onderscheid kunnen worden aangevoerd en om
vervolgens uit te maken of een of meer van die gronden een objectieve
en redelijke rechtvaardiging voor dat onderscheid vormen.

In de Amerikaanse en Duitse rechtspraak zijn voorbeelden van die
benadering te vinden. Zie bv. Eisenstadt v. Baird, 405 US 438 (1972).
Volgens wetgeving van de staat Massachusetts mochten
anti-conceptionele middelen slechts worden verkocht aan apothekers en
aan gehuwde personen. Het federale hooggerechtshof oordeelde dat “the
question for our determination is whether there is some ground of
difference that rationally explains the different treatment accorded
to married and unmarried persons” in deze wetgeving. Het hof ging
vervolgens de verschillende mogelijke gronden na, en het verwierp deze
allemaal.

Zie, voor dezelfde methode, het Duitse constitutionele hof in BVerfGE
9 no. 31, Feuerwehrbeitrag, 1959, waarover T.

Koopmans, Vergelijkend publiekrecht (2e dr. 1986) p. 66.

8. Het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden kwam aan de orde in
het reeds genoemde arrest van 27 sept. 1989 NJ 1990, no. 449. Het ging
daar om het onderscheid tussen gehuwd en ongehuwd samenwonenden bij de
toepassing van de inkomstenbelasting. De Hoge Raad accepteerde,
behalve op een punt (de regeling van bezwaar en beroep), de grond die
de fiscale wetgever had bewogen om het onderscheid te maken, nl.

– ik vertaal het in mijn eigen termen – dat de normale situatie in
Nederland is dat gehuwden in algehele gemeenschap van goederen leven
en dat de verschuldigde belasting wordt voldaan uit het gezamenlijke
inkomen; het huwelijk roept zodoende een “hechtere economische
eenheid” in het leven dan het ongehuwd voeren van een gezamenlijke
huishouding. Daarom kon, aldus de Hoge Raad, de wetgever in
redelijkheid oordelen dat voor deze ongelijke behandeling een
objectieve en redelijke rechtvaardiging bestond. Deze laatste
overweging lijkt mij minder gelukkig: bij de toepassing van het
gelijkheidsbeginsel is de vraag niet of een redelijke wetgever een
objectieve en redelijke grond aanwezig kon achten, maar of er zo’n
objectieve en redelijke grond is. Aldus ook het aangehaalde arrest van
23 nov. 1984 NJ 1985 no. 604, door toedichting van dat standpunt aan
het hof.

Zie bij het arrest van 1989 van de derde kamer voorts concl.

Mr. Moltmaker voor dat arrest; nt. Scheltens BNB 1990/61; nt.

Alkema in NJ; nt. F.H. van der Burg AB 1990 no. 90; nt. A.W.

Heringa in NJCM-Bull. 1990 p. 154. De laatste wijst erop dat de lagere
rechtspraak nogal wisselend is: de vraag of het onderscheid tussen
gehuwd en ongehuwd aanvaard wordt hangt van het onderwerp af waarvoor
dat onderscheid wordt gemaakt; bij de toepassing van regels van
familierecht en van militair ambtenarenrecht is eerder de staf
gebroken over het onderscheid dan bij de belastingen en de sociale
verzekering.

9. In de sociale-verzekeringsrechtspraak is, na aanvankelijke
aarzeling, het onderscheid tussen gehuwd en ongehuwd samenwonenden
aanvaard voor de toepassing van de ziekenfondsverzekering, de algemene
arbeidsongeschiktheidsverzekering en het algemene weduwen- en
wezenregime. Zie de beide aangehaalde beslissingen (views) van het
Human Rights Committee, RSV 1987 no. 245 en 1988 no. 201; CRvB 28
febr. 1990 AB 1990 no. 233 en 234; CRvB 9 mei 1990 AB 1991 no. 40;
Crvb 17 juli 1991 AB 1991 no. 622; CRvB 29 jan.

1992 RSV 1992 no. 167. Zie voorts J. Riphagen en C.J.

Smitskam, De betekenis van art. 26 IVBP voor de
sociale-verzekeringswetten, NJCM-Bull. 1990 p. 401.

De Centrale Raad van Beroep bezigt in verschillende van deze
uitspraken de wending dat, “gegeven de huidige stand van de
maatschappelijke ontwikkelingen en de rechtsontwikkeling,
geprojecteerd op een materie als deze” het onderscheid tussen gehuwd
en ongehuwd “(nog) geen in art. 26 IVBP verboden onderscheid” is. De
deur wordt dus opengehouden voor verdere ontwikkelingen.

10. Voor het onderscheid tussen gehuwd en ongehuwd zal slechts een
redelijke en objectieve grond kunnen bestaan indien dat onderscheid
relevant is voor de toepassing van het desbetreffende stuk wetgeving.
Aanvaarding van de ongunstige positie die de ongehuwde partner, in
verhouding tot de echtgenoot, inneemt in het intestaaterfrecht,
betekent niet dat ook een regeling geaccepteerd zou moeten worden die
ongehuwden de toegang tot de gemeentelijke parken ontzegt.

Dezelfde gedachte kan men ook naar het arbeidsrecht doortrekken:
aanvaarding van het verschil tussen gehuwd en ongehuwd samenwonenden
voor de ziekenfondsverzekering betekent niet zonder meer dat bij het
aanstellingsbeleid hetzelfde onderscheid mag worden gemaakt.

Bij de salariering, die i.c. aan de orde is, doet zich in verhouding
tot de inkomstenbelasting en de sociale verzekering een bijzonderheid
voor: daar gaat het erom recht te doen wedervaren aan de economische
eenheid die het huwelijk en het daarop gebaseerde gezinsleven
opleveren, terwijl de salariering uitsluitend de gehuwde of ongehuwde
man of vrouw als individu betreft. Men kan wel het gezin als zodanig
tot het ziekenfonds toelaten, of de beide echtgenoten als fiscale
eenheid beschouwen, maar de beloning komt toe aan de individuele
werknemer. Dat is zelfs een van de kenmerken van de
arbeidsovereenkomst; zie art. 7A:1637a BW en art. 7 lid 1 Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (S&J 40-II). Voor het verschil
in salariering kan daarom niet dezelfde grond worden aangevoerd die in
de belasting- en sociale-verzekeringsrechtspraak opgeld doet.

11. Het Gerecht in eerste aanleg en het Hof van Justitie hebben
gepoogd een band te leggen tussen de beloningsproblematiek en de
criteria gehanteerd voor de belastingen en de sociale verzekering,
door het argument van het Eilandgebied te aanvaarden dat het bestaan
van onderhoudsverplichtingen een objectieve en redelijke grond vormt
voor het maken van onderscheid tussen de salariering van gehuwde en
ongehuwden. Gerecht en hof spreken daarbij steeds van de vergelijking
met de “mannelijke gehuwde werknemer”, maar dat neemt niet weg dat ook
de vrouwelijke gehuwde werknemer thans van de gunstiger salarisschalen
profiteert.

Beide gerechten gaan er bovendien van uit dat het onderscheid
gehuwd/ongehuwd mag worden gemaakt omdat er voor gehuwden
onderhoudsplichten bestaan (niet, zoals de Antilliaanse
ambtenarenrechter aanvankelijk besliste, indien die plichten bestaan).

12. Het komt mij voor dat de redenering van gerecht en hof niet opgaat
en dat het bestaan van onderhoudsplichten geen redelijke en objectieve
grond vormt voor ongelijke bezoldiging van gehuwde en ongehuwde
werknemers: a. de wet koppelt het bestaan van onderhoudsplichten niet
alleen aan de huwelijkse staat maar ook aan andere familierelaties,
bv. afstamming bij onwettige kinderen, het vroegere huwelijk bij
gescheiden echtgenoten, het feitelijk gezinsverband bij stief- en
pleegkinderen; b. de maatstaf van het huwelijk heeft een willekeurige
uitwerking ten aanzien van de onderhouds- en gezinslasten van de
werknemer: men vergelijke het geval van twee met elkaar gehuwde
leerkrachten zonder kinderen met dat van het eenoudergezin; c. het
bestaan van onderhoudsplichten is reeds verdisconteerd in de fiscale
wetgeving en de sociale verzekering, zodat het litigieuze
salarisverschil daardoor niet gerechtvaardigd kan worden zonder nader
onderzoek naar de effecten van die regelingen.

13. Andere gronden voor de ongelijke bezoldiging zijn moeilijk te
vinden. Men zou wellicht kunnen denken aan de wens van de wetgever om
samenleving in huwelijksverband te bevorderen, maar in dat geval zou
het salarisverschil een ondeugdelijk middel zijn; het zou werkgevers
juist ertoe kunnen bewegen ongehuwde werknemers aan te stellen, die
immers minder kostbaar zijn.

Daar komt bij dat het mij niet uitgesloten lijkt dat de benadeling van
ongehuwden in het onderwijs in feite neerkomt op discriminatie van de
vrouw. Het is nl. denkbaar (of het in feite zo is hangt van het
maatschappelijk patroon af) dat een zeer groot gedeelte van het
docentenkorps bestaat uit gehuwde mannen en ongehuwde vrouwen;
omstreeks veertig jaar geleden was dat in Nederland zeer vaak het
geval. Nu deze vorm van indirecte discriminatie niet kan worden
vastgesteld zonder feitelijk onderzoek, en nu daaromtrent niets is
aangevoerd in de gedingstukken, ga ik er echter niet op in.

14. Op grond van het voorgaande meen ik dat onderdeel 2 van het middel
terecht wordt voorgesteld.

Onderdeel 1 behoeft in verband daarmee geen behandeling. Het is
overigens ongegrond, omdat het er ten onrechte van uitgaat dat aan
art. 7 en art. 2 IVESC rechtstreekse werking toekomt.

Zie HR 20 april 1988 NJ 1992 no. 636; A.T.J.M. Jacobs, Geschr.

Ver. v. Arbeidsr. 10 (1985) no. 2.8; A.W. Heringa, Sociale
grondrechten (diss. Leiden 1989) p. 244-251.

Overeenkomstig art. 9 Cassatieregeling Ned. Antillen zal verwijzing
moeten volgen naar het Hof van Justitie. Dat moet ook geschieden
wanneer beslist wordt dat de gunstiger regeling ook op ongehuwden moet
worden toegepast, zodat de vorderingen van M. c.s. en Plantijn c.s.
voor toewijzing gereed liggen.

Het hof heeft nl. niet beslist in het vrijwaringsincident, gezien de
uitslag in de hoofdzaak.

15. Ik concludeer tot vernietiging van het vonnis van het
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en
Aruba en tot verwijzing van de zaak naar dat hof ter verdere
afdoening.

Rechters

Mrs Martens, Davids, Korthals Altes, Nieuwenhuis, Swen-Donner;A-G Koopmans

Instantie: Rechtbank Haarlem, 4 mei 1993

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Eiseres is gedurende zestien jaar seksueel misbruikt door haar
stiefoom. Gedaagde is hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van
twaalf maanden, waarvan zes voorwaardelijk. In kort geding heeft eiseres
een voorschot op de immateriele en materiele schade gevorderd. Dit
voorschot is toegewezen. In hoger beroep is dit vonnis vernietigd en is
gedaagde veroordeeld eiseres ƒ 4.500,- te betalen als voorschot op de
immateriele schade. Het verweer van gedaagde dat hij eiseres nooit heeft
bedreigd of geweld heeft gebruikt wordt door de rechtbank terzijde
geschoven. In de feiten ligt reeds besloten dat gedaagde ongeoorloofde
dwang heeft uitgeoefend op eiseres om seksuele handelingen met gedaagde te
verrichten. De rechtbank neemt aan dat de arbeidsongeschiktheid van
eiseres direct verband houdt met haar traumatische incestervaringen.
Gedaagde is er niet in geslaagd aan te geven welke andere oorzaken ten
grondslag zouden kunnen liggen aan de arbeidsongeschiktheid. Het enkele
verweer van gedaagde dat eiseres niet heeft aangetoond dat er causaal
verband bestaat tussen de gepleegde incest en de arbeidsongeschiktheid van
eiseres is volgens de rechtbank onvoldoende. De rechtbank is van mening
dat de ernst van het langdurig misbruik een vergaande matiging van de
schadevergoeding in de weg staat. Gedaagde wordt veroordeeld tot het
betalen van ƒ 15.000,- materiele schadevergoeding en ƒ 20.000,-
immateriele schadevergoeding.

Volledige tekst

1. De loop van het geding

Voor de loop van het geding verwijst de rechtbank naar de navolgende door
partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken, waarvan de inhoud als hier
ingevoegd geldt: -de dagvaarding d.d. 28 december 1990,

-de conclusie van eis,

-de conclusie van antwoord, met produkties,

-de conclusie van repliek, tevens akte uitlating produkties, met
produkties,

-de conclusie van dupliek, tevens antwoordakte.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende
betwist en/of op grond van de onweersproken inhoud van overgelegde
produkties, staat in dit geding het volgende vast: a. Eiseres is geboren
op 19 mei 1967. Gedaagde is haar 19 jaar oudere stiefoom.

b. Eiseres heeft op 22 juli 1989 bij de rijkspolitie te Aalsmeer aangifte
gedaan van door gedaagde met haar in de periode van 1973 tot 1984
gepleegde incestueuze handelingen. Zij heeft haar bij die gelegenheid
afgelegde verklaring op 29 september 1989 aangevuld en daarbij onder meer
verklaard dat de door gedaagde met haar gepleegde incest reeds is begonnen
toen zij vier jaar oud was en heeft voortgeduurd tot kort voor het moment
van aangifte.

c. Naar aanleiding van voornoemde aangifte is gedaagde op 25 juli 1989
aangehouden en in hechtenis genomen. In de loop van het strafrechtelijk
onderzoek heeft gedaagde de door eiseres gestelde feiten in hoofdzaak
erkend, met dien verstande dat het misbruik volgens gedaagde niet is
begonnen in het vierde, maar in het zesde levensjaar van eiseres.

d. Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van deze rechtbank
d.d. 9 november 1989 is gedaagde terzake van overtreding van de artikelen
244 en 247 Sr., meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf
van twaalf maanden, waarvan zes voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest.
De bewezenverklaring terzake van genoemde misdrijven heeft betrekking op
de perioden van 19 mei 1977 tot 19 mei 1979 (art. 244 Sr) en van 19 mei
1979 tot 19 mei 1983 (art. 247 Sr.). De rechtbank heeft bij de strafmaat
tevens rekening gehouden met de in de aanvullende aangifte vermelde, door
gedaagde erkende periode na 1983 tot het moment van aangifte. Na de
intrekking van het door het Openbaar Ministerie ingestelde hoger beroep
is het vonnis in kracht van gewijsde gegaan.

e. Eiseres heeft gedaagde op 16 maart 1990 schriftelijk aansprakelijk
gesteld voor de door haar tengevolge van het seksueel misbruik geleden
schade. Toen onderhandelingen over een financiele vergoeding niet tot
resultaat leidden heeft eiseres gedaagde gedagvaard in kort geding voor
de President van deze rechtbank. Bij vonnis van 15 juni 1990 is gedaagde
veroordeeld tot betaling van een voorschot op de door eiseres geleden en
te lijden immateriele schade ten bedrage van ƒ 5.000,- en op de door
eiseres geleden en te lijden materiele schade ten bedrage van ƒ
6.261,12, beide bedragen in termijnen te voldoen.

f. Gedaagde is van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen bij het
Gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van dit Hof van 14 februari 1991 is
het vonnis vernietigd en is gedaagde veroordeeld om als voorschot op de
door eiseres geleden en te lijden immateriele schade aan haar te betalen
het door hem aangeboden bedrag van ƒ 4.500,-.

g. Gedaagde heeft na het ondergaan van het onvoorwaardelijke gedeelte van
zijn gevangenisstraf gewerkt als pompbediende. Hij heeft ter voldoening
aan het kort gedingvonnis ƒ 3.000,- aan eiseres betaald. Eiseres heeft
voorts ƒ 1.500,- door middel van loonbeslag ontvangen.

Gedaagde is thans werkloos en ontvangt een uitkering op bijstandsniveau.

h. Eiseres heeft zich in juli 1989 gewend tot het RIAGG Amstelland en de
Meerlanden (RIAM) te Hoofddorp waar zij tot op heden onder behandeling is.
In maart 1990 heeft zij tevens de hulp ingeroepen van het JAC te
Amsterdam, dat haar eveneens begeleidt bij het verwerken van haar
incestervaringen.

i. Eiseres heeft tot het moment dat zij aangifte deed gewerkt als
veilingmedewerkster. Zij ontvangt thans een WAO-uitkering op basis van
zeventig procent van het laatstverdiende loon.

3. De vordering

3.1. Eiseres vordert tegen de achtergrond van voormelde feiten dat de
rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde zal veroordelen
om aan eiseres tegen kwijting te betalen:

a. een bedrag van ƒ 13.751,85 wegens materiele schade, alsmede de alsnog
in goede justitie te bepalen materiele schade gedurende de procedure en
voor de toekomst;

b. een bedrag van ƒ 35.000,- wegens immateriele schade, beide bedragen
te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 december 1990
tot aan de dag der algehele voldoening, en met veroordeling van gedaagde
in de kosten van dit geding.

3.2. Eiseres legt aan haar vordering kort samengevat ten grondslag dat zij
ten gevolge van het langdurige seksuele misbruik door gedaagde grote
psychische schade heeft opgelopen. Zij heeft zich in haar jeugd niet op
normale wijze kunnen ontplooien en kan ook thans ten gevolge van haar
traumatische ervaringen niet goed functioneren, zowel maatschappelijk als
in haar huwelijksrelatie. Zij voelt zich door de incest nog voortdurend
ernstig belemmerd in haar levensgeluk.

3.3. Eiseres stelt dat zij door het onrechtmatig handelen van gedaagde
zowel materiele als immateriele schade heeft geleden en nog in de toekomst
zal lijden, die gedaagde volledig is toe te rekenen.

3.4. Met betrekking tot de materiele schade voert eiseres aan, dat zij na
aangifte niet meer in staat is geweest te werken. Zij heeft zich onder
behandeling gesteld van het RIAM en is tot op heden in therapie wegens een
ernstig post-traumatisch stress-syndroom. Het GAK acht haar volledig
arbeidsongeschikt. De inkomstenderving van eiseres bedraagt dertig procent
van het bruto minimumloon. Voorts heeft eiseres reiskosten in verband met
haar therapie (vanaf 1-8-1989 tot 28-12-1990 ƒ 2.193,-) en tevens hoge
telefoonkosten (ƒ 50,- extra per maand, in voornoemde periode ƒ 850,-)
wegens veelvuldige telefonische contacten met haar hulpverleners. Eiseres
zal naar verwachting nog geruime tijd nodig hebben om haar ervaringen te
verwerken, zodat deze kosten ook voor de toekomst dienen te worden
begroot.

3.5. De immateriele schade wegens het haar aangedane psychisch leed
begroot eiseres op ƒ 35.000,-.

4. Het verweer

4.1. Gedaagde erkent het gestelde seksuele misbruik, zij het dat de incest
volgens hem later is begonnen dan eiseres thans stelt, waarvoor hij
verwijst naar haar eerste verklaring tegenover de politie van 22 juli
1989. Bovendien is hij van mening, dat hij eiseres nooit heeft bedreigd
of geweld heeft gebruikt, zoals door haar beschreven.

4.4. Gedaagde is onder erkenning van de door eiseres geleden immateriele
schade steeds bereid geweest tot betaling van enige vergoeding en heeft
daartoe een reeel aanbod gedaan, dat door het Hof in zijn arrest is
gevolgd. Hij acht zich niet gehouden tot betaling van een hoger bedrag.

4.5. Met betrekking tot de materiele schade voert gedaagde allereerst aan,
dat eiseres met de door haar overgelegde rapporten niet heeft aangetoond
dat er causaal verband bestaat tussen de gepleegde incest en de
arbeidsongeschiktheid van eiseres.

Voorts wijst gedaagde er op, dat hij werkloos is en gezien zijn
bijstandsuitkering geen ruimte heeft om enige schadevergoeding te voldoen.
Gedaagde meent dat hij niet nogmaals (en nu financieel) behoeft te worden
gestraft.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Aangezien de schadeveroorzakende feiten in deze zaak voor 1 januari
1992 hebben plaatsgevonden moeten de aansprakelijkheid uit onrechtmatige
daad en de schadevergoeding, ook voor zover er sprake is van doorlopende
schade, ingevolge artikel 173 van de Overgangswet naar het oude recht
worden beoordeeld.

5.2. Gedaagde erkent de door eiseres gestelde feiten, die tevens aan zijn
strafrechtelijke veroordeling ten grondslag hebben gelegen, zodat die
feiten bij de beoordeling in deze procedure uitgangspunt vormen.

5.3. Op grond hiervan staat vast, dat gedaagde eiseres vanaf zeer jonge
leeftijd een lange reeks van jaren seksueel heeft misbruikt, en wel totdat
zij zelf daarvan aangifte deed bij de politie. Gedaagde heeft daarbij
vanaf het begin misbruik gemaakt van het overwicht dat hij als ouder
familielid op haar had en van de omstandigheid, dat hij in huis woonde bij
haar grootmoeder, bij wie zij vaak logeerde.

Het plegen van incest is een misdrijf en levert als zodanig onrechtmatig
handelen op jegens het slachtoffer: in de feiten ligt reeds besloten, dat
gedaagde ongeoorloofde dwang heeft uitgeoefend op eiseres om seksuele
handelingen met hem te verrichten. Derhalve kan in het midden blijven of
gedaagde eiseres heeft bedreigd of geweld heeft gebruikt op een wijze als
door eiseres tegenover de politie is verklaard.

Uit de eerste aangifte van eiseres blijkt, dat gedaagde eiseres in ieder
geval – in toenemende mate – seksueel heeft benaderd vanaf zesjarige
leeftijd. Dat de incest wellicht nog eerder is begonnen is in het licht
van de ernst van de overige, door gedaagde erkende, feiten met betrekking
tot zijn aansprakelijkheid van ondergeschikt belang, zodat hierop niet
verder behoeft te worden ingegaan.

5.4. Gedaagde erkent blijkens zijn stellingen, dat hij verwijtbaar heeft
gehandeld en dat eiseres in beginsel recht heeft op vergoeding van de door
haar geleden schade.

5.5. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar materiele en immateriele
schadevordering aangevoerd, dat zij in de periode dat de incest nog
voortduurde reeds incidenteel plotseling flauwviel en last had van
hyperventilatie. Na de aangifte zijn haar klachten zo sterk toegenomen,
dat zij niet meer tot werken in staat is geweest en psychotherapeutische
hulp heeft moeten zoeken. Haar klachten kunnen blijkens de overgelegde
verklaringen van I. Roetman van het RIAM d.d. 25-5-1992 en S. van Boven
van het JAC d.d. 26 april 1992 worden omschreven als: straatfobische
klachten, slapeloosheid, achtervolgingsideeen, concentratieproblemen,
angstaanvallen, dissociatie, problemen in de seksuele relatie met haar
echtgenoot en suicideneigingen. Tevens voelt zij een grote drang om
hulpverlenende instanties op te bellen om haar verhaal te vertellen.

5.6. Gedaagde heeft niet, althans onvoldoende bestreden, dat eiseres
bovengenoemde klachten vertoont. Evenmin betwist hij de immateriele
schade, die door eiseres (sub 3 van de conclusie van repliek)(op deze
klachten wordt gebaseerd.

Ten aanzien van de materiele schadeposten weerspreekt gedaagde niet, dat
eiseres in verband met haar klachten ten gevolge van het seksueel misbruik
extra telefoonkosten en reiskosten heeft gehad tot de door haar gevorderde
bedragen. Gedaagde zet slechts vraagtekens bij het causale verband tussen
zijn handelen en de gevolgen daarvan voor zover het de
arbeidsinkomensschade van eiseres betreft.

5.7. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de ernst en de aard
van de niet bestreden klachten van eiseres, echter als vaststaand worden
aangenomen dat deze volledige arbeidsongeschiktheid met zich brengen en
dat de arbeidsongeschiktheid van eiseres vanaf het moment van aangifte tot
heden direct verband houdt met haar traumatische incestervaringen. Dit
klemt temeer nu gedaagde op geen enkele wijze heeft aangegeven welke
andere oorzaak aan die arbeidsongeschiktheid ten grondslag zou kunnen
liggen. In zoverre faalt het verweer van gedaagde.

5.8. Omtrent de vraag hoelang de arbeidsongeschiktheid van eiseres nog zal
voortduren en in hoeverre de daardoor veroorzaakte inkomensderving ook in
de toekomst nog als gevolg van zijn handelen aan gedaagde kan worden
toegerekend valt naar moet worden aangenomen ook bij nader onderzoek c.q.
bewijslevering geen afdoende zekerheid te verkrijgen, zodat de rechtbank
aanleiding vindt de toekomstige materiele schade op grond van de thans ter
beschikking staande gegevens ex aequo et bono te begroten.

5.9. Uitgaande van het onweersproken gegeven, dat het GAK eiseres nog
arbeidsongeschikt heeft geacht tot omstreeks maart 1993 en gelet op de
prognose van haar therapeut in de eerdergenoemde verklaring van 25 mei
1992, dat er een geleidelijke vooruitgang te zien is in de psychische
toestand van eiseres en dat zij na verloop van tijd weer tot werken zal
komen, zal de rechtbank de door gedaagde te betalen totale materiele
schade vanaf juli 1989 met inbegrip van (naar verwachting in de loop van
de tijd afnemende) reis- en telefoonkosten vaststellen op ƒ 15.000,-.

5.10. Bij de begroting van de immateriele schade staat gelet op hetgeen
onder 5.6. is overwogen vast, dat eiseres ernstige psychische en
lichamelijke gevolgen van de gepleegde incest ondervindt. De ernst van het
langdurig misbruik, waardoor eiseres ten dele onherstelbaar leed is
aangedaan dient tot uitdrukking te komen in de hoogte van het toe te
kennen bedrag, hetgeen een vergaande matiging op grond van de huidige
financiele omstandigheden van gedaagde in de weg staat. De rechtbank zal
het schadebedrag met inachtneming van het vorenstaande naar billijkheid
vaststellen op ƒ 20.000,-.

5.11. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van eiseres
toewijsbaar is tot een bedrag van ƒ 15.000,- wegens door haar geleden
en te lijden materiele schade, alsmede ƒ 20.000,- wegens immateriele
schade. Van het totale bedrag dient het door gedaagde betaalde voorschot
van ƒ 4.500,- te worden afgetrokken zodat resteert een bedrag van ƒ
30.500,-.

5.12. Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden
veroordeeld in de kosten van het geding.

6. Beslissing

6.1. Veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van ƒ 30.500,-
(DERTIGDUIZEND VIJFHONDERD GULDEN), vermeerderd met de wettelijke rente
over dit bedrag vanaf 28 december 1990 tot aan de dag der algehele
voldoening.

6.2. Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding tot aan deze
uitspraak aan de zijde van eiseres begroot op ƒ 988,75 aan verschotten
en ƒ 1.820,- aan procureurssalaris, op de voet van artikel 57b Rv
rechtstreeks te voldoen aan de griffier van deze rechtbank.

6.3. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

6.4. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr. Hofman.

Instantie: President Rechtbank Haarlem, 4 mei 1993

Instantie

President Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Een patient bevindt zich ook bij een fysiotherapeut in een
afhankelijkheidssituatie. De fysiotherapeut heeft onrechtmatig jegens eiseres
gehandeld door haar tijdens de behandeling seksueel te misbruiken. Het causaal
verband tussen gedaagdes handelingen en alle door eiseres gestelde schade
staat onvoldoende vast. Het is aannemelijk dat zowel de materiele als
immateriele schade die eiseres als gevolg van gedaagdes optreden heeft
geleden voor een deel aan deze behoort te worden toegerekend. De president
kent ƒ 2.000.- materiele en ƒ 2.000 immateriele schadevergoeding toe.

Volledige tekst

1. Verloop van de procedure

1.1. Ter terechtzitting van 22 april 1993 heeft eiseres overeenkomstig de
dagvaarding gesteld en gevorderd als hierna sub 2.2. weergegeven.

1.2. Na toelichting op de vordering van de zijde van eiseres, verweer van de
zijde van gedaagde en verder debat in tweede termijn en nadat de zitting
enige tijd was geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen hun geschil
in der minne te regelen, hebben partijen onder overlegging van de stukken
vonnis gevraagd.

2. Het geschil van partijen

2.1. De vaststaande feiten In dit geding kan van het volgende worden
uitgegaan:

a. Eiseres, thans 58 jaren oud, is gedurende de periode van 20 december 1983
tot en met 29 oktober 1991 met tussenpozen en wisselende frequentie in
behandeling geweest bij gedaagde, die fysiotherapeut is. Haar klachten waren
onder meer: migraine en het vastzitten van spieren in hals, nek en rug.
Eiseres is daarnaast ook behandeld door de echtgenote van gedaagde, die
natuurgeneeskundig therapeute is. Gedurende (een deel van) eerdergenoemde
periode heeft eiseres tevens voor psychische klachten de hulp ingeroepen van
een psycholoog, de heer K.

b. Tussen partijen is een vertrouwens-relatie ontstaan: eiseres besprak ook
haar niet-fysieke problemen met gedaagde. In juni 1986 heeft gedaagde voor
de eerste maal oraal seksueel contact gehad met eiseres. Soortgelijke
contacten hebben daarna nog enige tijd plaatsgevonden, alle in de
behandelruimte van gedaagde. Tevens hebben partijen enkele malen, waarvan
eenmaal bij eiseres thuis, geslachtsgemeenschap gehad.

c. Op 28 augustus 1992 heeft eiseres bij de Geneeskundige Inspectie voor de
Volksgezondheid een klacht ingediend tegen gedaagde.

d. Nadat de Inspecteur van de Volksgezondheid, mevrouw H., naar aanleiding
van deze klacht op 28 oktober 1992 een gesprek had gevoerd met gedaagde en
vervolgens op 4 december 1992 met eiseres heeft zij gedaagde bij brief van
22 december 1992 onder andere medegedeeld: “(…) Met mevrouw M sprak ik
af dat zij enige bedenktijd zou nemen en mij vervolgens zou berichten of en
zo ja op welke wijze zij haar klacht jegens u zal doorzetten. Inmiddels heb
ik van mevrouw De G. vernomen dat mevrouw M heeft besloten een
civielrechtelijke procedure tegen u te beginnen. Dit zo zijnde, zie ik zelf
af van verdere stappen jegens u.

Het is u reeds bekend dat de klacht van mevrouw M over uw handelen naar mijn
mening gegrond is. (…).

2.2. De vordering

Eiseres vordert dat gedaagde zal worden veroordeeld aan haar te betalen een
bedrag van ƒ 27.736, bestaande uit:

– een voorlopig begroot bedrag van ƒ 17.736.- als voorschot op de door haar
als gevolg van gedaagdes onrechtmatig handelen geleden materiele schade,
alsmede – een voorlopig begroot bedrag van ƒ 10.000.- als voorschot op de
door haar geleden immateriele schade,

een en ander vermeerderd met de wettelijke rente.

Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde jegens haar
onrechtmatig heeft gehandeld door haar seksueel te misbruiken terwijl zij
zich aan zijn zorgen als hulpverlener had toevertrouwd en er dus sprake was
van een afhankelijkheidsrelatie. Eiseres heeft gesteld dat zij door dit
handelen grote psychische en materiele schade heeft geleden, voor welke
schade gedaagde aansprakelijk is. Eiseres heeft zich onder behandeling
gesteld van een vrijgevestigd relatie- en gezinstherapeute, mevrouw T., met
wie zij sedert 7 juni 1991 contact heeft. Naar verwachting zal deze therapie
nog tot eind 1993 moeten voortduren. Een rapportage over de begeleiding die
eiseres bij mevrouw T. heeft ontvangen is in het geding gebracht.

2.3. Het verweer

Gedaagde heeft erkend dat er in de behandelkamer seksuele handelingen met
eiseres hebben plaatsgevonden en heeft toegegeven dat hij het niet zover had
mogen laten komen. Hij betwist echter de door eiseres gestelde frequentie van
deze contacten. Tevens heeft gedaagde weersproken dat de handelingen
ongewenst zouden zijn geweest: het initiatief daartoe is de eerste keer van
eiseres zelf uitgegaan en is daarna in ieder geval van beide zijden gekomen.
De relatie geeindigd in 1987 nadat gedaagde eiseres thuis had bezocht.
Eiseres kreeg daarna contact met de heer D., met wie zij enige tijd een
relatie heeft gehad. Gedaagde heeft toen de fysio-therapeutische behandeling
gewoon voortgezet, telkens op verzoek van eiseres.

Eiseres was bij gedaagde onder behandeling voor lichamelijke klachten.
Gedaagde betwist daarom dat in casu gesproken zou moeten worden van een
afhankelijkheidsrelatie, zoals die zich wellicht bij geestelijke
hulpverleners zal voordoen.

Met betrekking tot de door eiseres gestelde gevolgen van gedaagdes
handelwijze betwist gedaagde dat er een oorzakelijk verband zou bestaan
tussen de problemen waarmee de eiseres zich thans geconfronteerd ziet en het
optreden van gedaagde in het verleden. In ieder geval -zo heeft gedaagde
betoogd- is onvoldoende vastgesteld hoe de schade die eiseres stelt te lijden
is ontstaan.

Gedaagde wijst er voorts op dat eiseres de door haar opgevoerde kosten voor
hulp van de vrijgevestigde therapeute, mevrouw T., door haar verzekering
vergoed had kunnen krijgen als zij zich naar een bij het ministerie
geregistreerde therapeut had later verwijzen door een psychiater of door haar
huisarts.

3. Beoordeling van het geschil.

3.1. Ook indien wordt uitgegaan van hetgeen door gedaagde is aangevoerd met
betrekking tot de frequentie en het tijdstip van beeindiging van de seksuele
contacten die tijdens de behandelrelatie met eiseres hebben plaatsgevonden,
behoort, onafhankelijk van het antwoord op de vraag van die het initiatief
daartoe is uitgegaan, het oordeel te luiden dat gedaagde onrechtmatig jegens
eiseres heeft gehandeld. Dit handelen kan hem worden toegerekend.

3.2. Immers ook bij een fysiotherapeut bevindt een patient zich in een
afhankelijkheidsrelatie, al zal deze van andere aard zijn dan die bij
geestelijke hulpverleners. Een hulpverlener behoort zich in de
behandelrelatie te allen tijde te onthouden van seksuele handelingen en
gedragingen, zoals die welke tussen partijen hebben plaatsgevonden. In
verband met het daarop betrekking hebbende verweer van gedaagde dient te
worden opgemerkt dat, ook indien de patient zelf avances zou maken, het op
de weg van de hulpverlener ligt deze af te wijzen.

3.3. Gedaagde is aansprakelijk voor de schade die door zijn onrechtmatig
handelen jegens eiseres is veroorzaakt. Hij heeft de feiten die eiseres heeft
geponeerd omtrent haar huidige geestelijke en lichamelijke toestand op
zichzelf niet betwist, zodat van de juistheid daarvan kan worden uitgegaan.
Wel heeft gedaagde uitdrukkelijk weersproken dat die toestand door zijn
handelen zou zijn veroorzaakt en heeft hij er onder meer op gewezen, dat de
thans bij eiseres optredende klachten voor het merendeel dezelfde zijn als
die waarvoor zij eerder behandeld is en die reeds bestonden op het moment dat
eiseres zich voor behandeling bij gedaagde heeft gemeld.

3.4. Voor de toewijsbaarheid van een voorschot op in een bodemprocedure te
vorderen schadevergoeding dient in het kader van dit kort geding aannemelijk
te worden dat de klachten waarmee eiseres kampt in zodanig verband staan met
het seksueel misbruik door gedaagde dat de met de klachten gepaard gaande
schade hem als een gevolg van dit misbruik kan worden toegerekend. Daarnaast
dient te worden vastgesteld of waarschijnlijk is dat de omvang van de schade,
tot vergoeding waarvan gedaagde in dat geval zal zijn gehouden, zodanig is
dat, daaraan gerelateerd, de thans als voorschot gevorderde bedragen niet
bovenmatig zijn.

3.5. Partijen twisten niet over het feit dat bij eiseres reeds bij de aanvang
van de behandeling door gedaagde klachten, ook van psychische aard, aanwezig
waren. Aannemelijk is dat deze klachten mede door de gang van zaken tijdens
de fysiotherapie, waarbij gedaagde – in ieder geval tijdelijk – de
behandeling heeft laten afglijden naar een relatie, zijn teruggekomen en/of
verergerd en dat zich daarbij nieuwe problemen hebben gevoegd. Naar inmiddels
algemeen bekend mag worden verondersteld is uit onderzoek gebleken dat in
ieder geval een aantal van de klachten die eiseres heeft en waarvoor zij
thans bij mevrouw T wordt behandeld veelvuldig voorkomt bij slachtoffers van
seksueel misbruik al dan niet door hulpverleners.

3.6. Echter, in dit geding is onvoldoende aannemelijk geworden dat alle
klachten en de mate, waarin deze bij eiseres optreden, uitsluitend aan de
(be)handelwijze van gedaagde zouden moeten worden toegeschreven.
Waarschijnlijk is – zoals ter zitting ook namens eiseres reeds is opgemerkt –
dat niet alle schade in causaal verband staat met de gewraakte gedragingen
van gedaagde. Voor de vaststelling van het oorzakelijk verband zullen met
name de hierna volgende omstandigheden mede in het oordeel moeten worden
betrokken.

3.7. Volgens het door eiseres zelf opgestelde verslag, gericht aan de
Geneeskundig Inspecteur voor de Volksgezondheid te Haarlem d.d. 28 augustus
1992, is eiseres reeds in haar jeugd psychisch beschadigd door
incestervaringen: een omstandigheid waarvan overigens, anders dan door
eiseres is betoogd, niet is komen vast te staan dat gedaagde daarvan op de
hoogte was. Bovendien heeft eiseres in het verleden in – naar zijzelf stelt –
‘zeer gecompliceerde situaties’ verscheidene relaties met mannen gehad, die
haar een verward en troebel beeld hebben gegeven over hoe een ‘normale’
relatie eruit zou zien. In genoemd verslag heeft eiseres tevens beschreven
dat zij heeft gekampt met een ernstig alcoholprobleem.

3.8. Bovendien dient bij het onderzoek in een aan te spannen bodemprocedure
tevens een rol te spelen de vraag in hoeverre eiseres, gelet op haar leeftijd
en levenservaring, een eigen verantwoordelijkheid heeft gedragen voor de
tussen partijen ontstane situatie, met name waar het gaat om de vraag of
eiseres zich aan deze affaire, die naar haar zeggen vier jaren heeft geduurd,
heeft kunnen onttrekken door de relatie op enig moment te verbreken. Dit
onderzoek kan zeer wel leiden tot de conclusie dat de schade van eiseres mede
een gevolg is van aan haarzelf toe te rekenen omstandigheden.

3.9. Uit het vorenoverwogene kan worden geconcludeerd dat het causaal verband
tussen de handelwijze van gedaagde en de door eiseres geleden schade
onvoldoende vaststaat in die zin dat zonder een nadere psychiatrische
rapportage niet kan worden aangenomen dat alle door eiseres gepretendeerde
schade het rechtstreeks en uitsluitend gevolg is van gedaagdes onrechtmatig
handelen. Wel is in dit geding aannemelijk geworden, zoals reeds hiervoor
onder 3.5. overwogen, dat in ieder geval voor een deel de door eiseres
geleden immateriele schade als een gevolg van het optreden van gedaagde aan
hem behoort te worden toegerekend. Een voorschot op de door eiseres te
vorderen immateriele schadevergoeding van ƒ 2.000.- komt gerechtvaardigd
voor en zal dan ook worden toegewezen. Verwacht mag worden dat de
bodemrechter, indien tot een oordeel geroepen, tenminste dit bedrag zal
toewijzen.

3.10. Eveneens is aannemelijk dat eiseres materiele schade heeft geleden
doordat zij bij de verwerking van haar problemen professionele hulp heeft
moeten zoeken. Dat eiseres deze hulp heeft gevonden bij een
niet-geregistreerde therapeute, waardoor eiseresses verzekering de schade
niet dekt, ontslaat gedaagde nog niet van zijn aansprakelijkheid uit
onrechtmatig handelen.

3.11. In beginsel komen de volgende door eiseres opgevoerde posten voor
vergoeding in aanmerking, zij het dat ook met betrekking tot het gevorderde
voorschot op materiele schadevergoeding geldt dat slechts een deel daarvan
voor toewijzing in aanmerking komt: – de ter bewustwording en verwerking van
het psychische leed opgevoerde kosten voor psychotherapie; – de daarmee
verbandhoudende reiskosten; – de kosten van de morning after pil,
aangeschafte literatuur en de eigen bijdrage voor rechtsbijstand. Van de
overige in dit kader opgevoerde kosten is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat
deze zonder gedaagdes optreden niet gemaakt zouden zijn. Toewijzing van een
bedrag van ƒ 2.000.- als voorschot komt ook hier gerechtvaardigd voor.

3.12. Gelet op de uitslag van het geding, waarbij partijen over en weer ten
dele in het ongelijk worden gesteld, zullen de gedingkosten worden
gecompenseerd als na te melden.

4. Beslissingen

De president:

4.1. Veroordeelt gedaagde om bij wijze van voorschot op de door eiseres als
gevolg van zijn onrechtmatig handelen geleden en nog te lijden schade binnen
24 uur na betekening van dit vonnis aan eiseres te voldoen de somma van ƒ
4.000.- (zegge: vierduizend gulden), vermeerderd met de wettelijke rente met
ingang van 15 april 1993.

4.2. Compenseert de gedingkosten aldus dat iedere partij de hare draagt.

4.3. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

4.4. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr. Terwee-van Hilten

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 29 april 1993

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Gedaagde, geboren op 29 december 1942, is op 18 oktober 1967 gehuwd,
uit welk huwelijk drie kinderen zijn geboren. Zijn echtgenote is op 21
december 1981 overleden. Hij vraagt in september 1987 een AWW-pensioen
aan. Bij beslissing d.d. 11 september 1989 heeft de SVB aan deze weduwnaar
weduwenpensioen toegekend met ingang van 1 september 1986 (met een jaar
terugwerkende kracht). Betrokkene stelt beroep in en vordert AWW-pensioen
vanaf 23 december 1984. De SVB is van oordeel dat er geen sprake is van
bijzonder hardheid, omdat het inkomen van betrokkene na aftrek van de in
het beleid van de SVB in aanmerking te nemen schadeposten niet is gedaald
beneden het voor betrokkene geldende netto AWW-pensioenbedrag. De eerste
rechter verklaart het beroep gegrond. Volgens de Centrale Raad is er geen
strijd met art. 26 BuPo-verdrag en kan de jurisprudentie van het EG-Hof
van Justitie inzake Verholen, Emmott en Francovich en Bonifaci niet
analoog worden toegepast. Het door de SVB ten aanzien van de groep
weduwnaars gevoerde nieuw ontwikkelde beleid ligt binnen de grenzen van
de redelijke beleidsbepaling.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Onder dagtekening 11 september 1989 heeft het bestuur aan H. kennis
gegeven van een te zijnen aanzien genomen beslissing met betrekking tot
de uitvoering van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (hierna te noemen: de
AWW).

De voormalige Raad van Beroep te Utrecht heeft bij uitspraak van 15 april
1992, beslissende op het namens H. tegen die beslissing ingestelde beroep,
het beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing vernietigd en
verstaan dat het bestuur een nieuwe beslissing zal nemen met inachtneming
van die uitspraak.

Het bestuur is van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen. Bij
aanvullend beroepschrift d.d. 28 juli 1992 zijn de gronden voor het hoger
beroep uiteengezet.

Als gemachtigde van H. heeft mr. C.K., advocaat en procureur te M.,
eveneens hoger beroep ingesteld. Hij heeft de gronden voor het hoger
beroep geformuleerd in een aanvullend beroepschrift d.d. 17 juli 1992.

Het geding is -gevoegd met enige andere bij de Raad aanhangige gedingen,
waarin dezelfde problematiek aan de orde is – behandeld ter terechtzitting
van de Raad op 19 maart 1993. Aldaar heeft het bestuur zich laten
vertegenwoordigen door dr. G.J.V., mr. J.P. en mr. T.E.C. W.-de B, allen
werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank, terwijl H. in persoon is
verschenen, bijgestaan door mr. K. voornoemd, als zijn raadsman.

II Motivering

H., geboren op 29 december 1942, is op 18 oktober 1967 gehuwd met K. Het
huwelijk van H. en zijn echtgenote is door het overlijden van
laatstbedoelde op 21 december 1981 beeindigd. Uit het huwelijk zijn drie
kinderen geboren respectievelijk 7 december 1969, 13 juni 1972 en 4 mei
1980.

H. heeft ter zake van evenvermeld overlijden in september 1987 met
gebruikmaking van het formulier “Aanvraag om weduwenpensioen of tijdelijke
weduwenuitkering op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (A.W.W.)”
een verzoek ingediend om toekenning van een pensioen ingevolge de AWW.

Dat verzoek heeft geleid tot de onder I vermelde beslissing van 1
september 1989, waarbij aan H. met ingang van 1 september 1986 een
pensioen ingevolge de bepalingen van de AWW is toegekend. Daarbij is onder
meer overwogen dat de Sociale Verzekeringsbank weliswaar ingevolge artikel
25, vijfde lid, van de AWW bevoegd is om de uitkering met terugwerkende
kracht van langer dan een jaar toe te kennen in bijzondere gevlalen maar
dat daarvan in de situatie van H. geen sprake is.

H. heeft tegen die beslissing beroep bij de voormalige Raad van Beroep te
Utrecht doen instellen, in het kader waarvan is gevorderd te bepalen dat
H. met ingang van 23 december 1984 in aanmerking komt voor een pensioen
krachtens de AWW.

Hangende het beroep in eerste aanleg heeft de Raad in zijn uitspraak van
30 januari 1991, AWW 1990/105, gepubliceerd in RSV 1991, 182, geoordeeld
dat aan artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
politieke rechten, New York, 19 december 1966, voor Nederland goedgekeurd
bij de Wet van 24 november 1978, Stb. 624, en van kracht geworden op 11
maart 1979 (hierna aangeduid als IVBPR), van af 23 december 1984
rechtstreekse werking ten aanzien van de in de AWW vervatte
discriminatoire bepalingen niet langer kan worden ontzegd. Tevens heeft
de Raad in die uitspraak verstaan dat er in de daarin aan de orde zijnde
situatie sprake was van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 25,
vijfde lid, van de AWW omdat er in het bijzonder door de toentertijd (i.e.
voor de uitspraken van de Raad van 7 december 1988, gepubliceerd in RSV
1989/67) bestaande onduidelijkheid over het bereik van de desbetreffende
supra- internationaalrechtelijke normen grote onzekerheid bestond over het
antwoord op de vraag of weduwnaars aanspraak konden maken op uitkeringen
ingevolge de AWW. Uitgaande van de aanweizgheid van een bijzonder geval
en daarmee van de voor het bestuur aanwezige wettelijke bevoegdheid om de
uitkering op een eerder tijdstip te doen ingaan dan een jaar voor de
aanvraagdatum, heeft de Raad in die uitspraak tenslotte geoordeeld dat het
het bestuur in het kader van de hantering van die bevoegdheid vrij staat
voor deze -naar de zienswijze van de Raad geredelijk als nieuw en apart
te onderscheiden- groep van gevallen een beleid te ontwikkelen. Ten
overvloede heeft de Raad in die uitspraak reeds kenbaar gemaakt zich te
kunnen verenigen met een beleid zijdens het bestuur, inhoudende dat
slechts een eerdere (dan een jaar voor de aanvraagdatum gelegen)
ingangsdatum van de uitkering vastgesteld wordt, indien er anders sprake
zou zijn van een bijzondere hardheid jegen de uitkeringsgerechtigde.

Uitvoering gevende aan die uitspraak heeft het bestuur een beleid
ontwikkeld ten aanzien van van de vraag in welke situaties sprake is van
bijzondere hardheid.

Vervolgens heeft het bestuur zich bij brief van 15 april 1991 tot H.
gericht met het verzoek om informatie teneinde aan de hand daarvan te
beoordelen of in diens situatie sprake is van een dergelijke hardheid.

Op grond van de ontvangen informatie heeft het bestuur H. bij brief van
11 juli 1991 bericht dat er geen reden is het AWW- pensioen alsnog eerder
te doen ingaan. Naar het oordeel van het bestuur is er geen sprake van
bijzonder hardheid wanneer de terugwerkende kracht van een jaar wordt
gehandhaafd.

De eerste rechter heeft de vraag of deze beslissing in rechte stand kan
houden, ontkennend beantwoord. Hij heeft daartoe overwogen dat het bestuur
door de wijze waarop het invulling heeft gegeven aan het begrip schade en
daardoor aan het begrip bijzondere hardheid de grenzen van een redelijke
beleidsbepaling heeft overschreden. Uitgangspunt van de eerste rechter is
daarbij geweest dat de in de brief van het bestuur van 15 april 1991
genoemde schadeposten een limitatieve opsomming inhielden.

H kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen in hoofdzaak omdat
daarin het door het bestuur ontwikkelde beleid met betrekking tot hardheid
niet ten principale wordt verworpen. Hij acht dat beleid in strijd met
artikel 26 van het IVBPR omdat daarin het vanaf 23 december 1984 niet meer
geoorloofde onderscheid in behandeling tussen weduwen en weduwnaars nog
doorwerkt. In dat verband heeft hij gewezen op enige arresten van het Hof
van Justitie van de Europese Gemeenschappen, waaronder de arresten van 11
juli 1991 inzake Verholen (RSV 1991, 227), van 25 juli 1991 inzake Emmott
(RSV 1992, 189) en van 19 november 1991 inzake Francovich en Bonifaci
(Nemesis 1992, 221), welke arresten betrekking hebben op (gebrekkige)
implementatie van EG-richtlijnen en heeft hij bepleit de jurisprudentie
van het Hof in gevallen als het onderwerpelijke analoog toe te passen.

Ook het bestuur heeft zich niet met de aangevallen uitspraak kunnen
verenigen. Het is van oordeel dat de opvatting van de eerste rechter, dat
de brief van 15 april 1991 een limitatieve opsomming van de in aanmerking
te nemen schadeposten bevat, op een misverstand berust. Aangezien ook
andere dan de in de brief opgenomen posten kunnen worden aangevoerd en
kunnen worden betrokken bij de beoordeling of in een individueel geval
sprake is van bijzondere hardheid, is het bestuur naar zijn oordeel met
zijn beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling gebleven
en heeft het tevens op juiste wijze uitvoering gegeven aan de meergenoemde
uitspraak van de Raad van 30 januari 1991.

Aan de Raad staat thans ter beoordeling of de aangevallen uitspraak
gehandhaafd dient te worden. Hij heeft ter zake het volgende overwogen.

De Raad kan de gemachtigde van H niet volgen in diens beroep op de
jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en
op artikel 26 van het IVBPR.

De Raad overweegt dienaangaande dat, zoals reeds eerder is overwogen en
door H ook niet wordt betwist, de zogenoemde derde EG-richtlijn (richtlijn
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1978, nr. 79/7)
niet van toepassing is op de AWW. Naar het oordeel van de Raad leent
voorts de vorenbedoelde jurisprudentie van het Hof, welke gebonden is aan
het specifieke, supranationale karakter van het EG-recht, zich uitend in
een op de verdragsstaten gelegde verplichting richtlijnen binnen een
bepaalde termijn geimplementeerd te hebben binnen de eigen wetgeving, zich
niet voor analoge toepassing op bepalingen van andere verdragen. Daaraan
kan niet afdoen dat de Raad bij zijn oordeel, dat op 23 december 1984 het
tijdstip was bereikt waarop rechtstreekse werking van artikel 26 van het
IVBPR toekomt, op grond van vooral praktische overwegingen aansluiting
heeft gezocht bij de datum waarop de uitvoeringstermijn van de derde EG-
richtlijn was geeindigd.

Voorts acht de Raad de regeling van artikel 25, vijfde lid, van de AWW op
zichzelf niet in strijd met artikel 26 van het IVBPR reeds omdat die
bepaling het honoreren van aanspraken als thans in geding, ook met een
verdergaande terugwerkende kracht dan een jaar, op zichzelf niet
onmogelijk maakt.

Met betrekking tot de overige door partijen naar voren gebrachte grieven
overweegt de Raad het volgende.

Naar aanleiding van de hierboven in essentie weergegeven uitspraak van de
Raad van 30 januari 1991, AWW 1990/105, heeft het bestuur een beleid
ontwikkeld dat inhoudt dat toekenning met een langer terugwerkende kracht
dan een jaar geschiedt in gevallen waarin het van bijzondere hardheid zou
getuigen om van deze bevoegdheid geen gebruik te maken.

Van bijzondere hardheid is ingevolge dat beleid sprake wanneer in de
periode gelegen tussen de datum, van overlijden van de echtgenote (of 23
december 1984 indien de echtgenote voor die datum is overleden) en de
datum gelegen een jaar voor de datum van pensioenaanvraag door het
overlijden van de echtgenote financiele schade in de private sfeer wordt
geleden, waardoor de betrokkene met zijn inkomen beneden het voor hem
geldende minimuminkomen belandt. Het betreft het minimuminkomen dat de AWW
hem zou hebben gegarandeerd als hij het AWW-pensioen had aangevraagd en
als dat aan hem was toegekend. Als het netto besteedbaar inkomen over een
jaar met aftrek van de in de private sfeer geleden schade over die periode
beneden het voor betrokkene geldende netto AWW-pensioenbedrag belandt
doordat geen AWW-pensioen is aangevraagd (waardoor de schade geheel of
gedeeltelijk gecompenseerd kan kunnen worden), dan is er sprake van
bijzondere hardheid. De geleden financiele schade moet een gevolg zijn van
het overlijden (causaal verband), omdat bijzondere hardheid bij de
toepassing van de AWW gerelateerd moet zijn aan het in de AWW verzekerde
risico. Schade zal derhalve veelal bestaan uit kosten van verzorging en/of
opvang van kinderen of kosten van geldleningen, die verband houden met het
overlijden. Er wordt geen schade aangenomen voor het vaststellen van
bijzondere hardheid als deze kosten zijn gecompenseerd door bijvoorbeeld
een particuliere verzekeringsuitkering dan wel door de Algemene
Bijstandswet. In geval van een negatieve uitkomst van de toetsing aan dit
beleid wordt, tot slot, de situatie van een uitkeringsgerechtigde nog op
haar eigen merites beoordeeld, en bezien of er gronden zijn om te zijnen
gunste van de bovenbedoelde criteria af te wijken.

De Raad acht dit beleid, waarbij de vingerwijzingen uit zijn
eerderaangehaalde uitspraak van 30 januari 1991, zijn gevolgd, in zijn
algemeenheid aanvaardbaar, met dien verstande dat wordt aangetekend dat
de aangegeven schadeposten uitdrukkelijk niet als limitatief zijn bedoeld.
De Raad merkt daarbij op dat naar zijn oordeel de bij de eerste rechter
bestaande misvatting omtrent het limitatieve karakter van de opgesomde
schadeposten, te wijten is aan uitlatingen van (de zijde van) het bestuur.
Bij zijn oordeel dat het bestuur met zijn beleid binnen redelijke grenzen
is gebleven, heeft de Raad zwaar laten wegen dat met de AWW werd beoogd
de betrokkenen een bodemvoorziening te verlenen.

De Raad deelt derhalve niet de opvatting van de gemachtigde van H dat het
bestuur bij zijn voor gevallen als het onderwerpelijke ontwikkelde beleid
had moeten aansluiten bij de circulaire van de voormalige Vereniging van
Raden van Arbeid van 15 februari 1972, reeds niet omdat bedoelde gevallen
naar het reeds eerder uitgesproken oordeel van de Raad een als nieuw en
apart te onderscheiden groep vormen.

In casu heeft H als schadeposten kosten van huishoudelijke hulp, van
ziekte en van psychotherapie van hemzelf en zijn kinderen opgevoerd,
terwijl hij tevens heeft gewezen op het teloorgaan van
toekomstverwachtingen ten aanzien van inkomen en carriere.

Aangezien het bestuur naar het oordeel van de Raad de teloorgang van
toekomstverwachtingen terecht niet als schade in de zin van zijn beleid
heeft aangemerkt en de overige posten er niet toe hebben geleid dat H met
zijn inkomen beneden het voor hem geldende AWW-inkomen is beland, heeft
het bestuur naar het oordeel van de Raad in redelijkheid kunnen
concluderen dat er in het geval van H geen sprake is van bijzondere
hardheid.

De Raad overweegt ten slotte nog dat hij evenals de eerste rechter en op
de door die rechter aangegeven gronden van oordeel is dat het bestur
terecht de datum 7 september 1987 als datum van aanvraag heeft aangemerkt.

Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak
niet in stand kan worden gelaten.

Beslist is derhalve als volgt.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende;

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het in eerste aanleg ingestelde beroep alsnog ongegrond.

Rechters

Mrs. Kasdorp, Vermeulen, Van der Klok-Severijns.

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 29 april 1993

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Eiser, geboren 16 maart 1949, is op 23 september 1977 gehuwd, uit
welk huwelijk geen kinderen zijn geboren. Zijn echtgenote is op 6 maart
1988 overleden. Betrokkene vraagt op 23 november 1990 bij de SVB AWW aan.
Bij beslissing d.d. 11 februari 1991 weigert de SVB tijdelijke uitkering,
omdat de aanvraag is ingediend 32 maanden na het overlijden van zijn
echtgenoot, terwijl hij op grond van art. 13 AWW slechts gedurende
negentien maanden aanspraak had kunnen maken op tijdelijke AWW-uitkering.
Een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de aanvraag werd
ingediend, lag twintig maanden na het ontstaan van een eigen recht op
uitkering en daar ingevolge art. 25 lid 4 AWW het recht op tijdelijke
uitkering met betrekking tot de duur moet worden ingekort met deze twintig
maanden, resteerde er geen recht op uitkering meer. De Centrale Raad
oordeelt dat er geen sprake is van een bijzonder geval (art. 25 lid 5
AWW): vanaf 1 januari 1990 moeten weduwnaars geacht worden te weten dat
zij recht op AWW hebben; een beroep op verschoonbare onbekendheid gaat
vanaf 1 januari 1990 niet meer op. Vanaf 1 januari 1990 mag de SVB te late
aanvragen van weduwnaars op dezelfde wijze toetsen als te late aanvragen
van weduwen.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Onder dagtekening 11 februari 1991 heeft gedaagde aan eiser kennis gegeven
van een te zijnen aanzien genoemen beslissing met betrekking tot de
uitvoering van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (hierna te noemen:AWW).

De voormalige Raad van Beroep te Rotterdam heeft bij uitspraak van 19
maart 1992 het namens eiser tegen die beslissing ingestelde beroep
ongegrond verklaard.

Namens eiser is mr. S., belastingadviseur te Rotterdam, van die uitspraak
bij de Raad in hoger beroep gekomen. Deze gemachtigde heeft geconcludeerd
dat gedaagde aan eiser met toepassing van artikel 25, lid 4, van de AWW
alsnog een tijdelijke uitkering ingevolge artikel 13 van de AWW had moeten
toekennen.

Gedaagde heeft van contra-memorie gediend.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 8
april 1993, waar eiser is verschenen bij zijn gemachtigde mr. S.,
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door Fr.
G., werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.

II. Motivering

Eiser, geboren op 16 maart 1949, is op 23 september 197 gehuwd met M. Als
gevolg van het overlijden van laatstgenoemde is het huwelijk van eiser,
waaruit geen kinderen zijn geboren, op 6 maart 1988 geeindigd. Ter zake
van evenvermeld overlijden heeft eiser op 23 november 1990 met
gebruikmaking van het formulier “Aanvraag om pensioen of tijdeljke
uitkering op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet” een verzoek
ingediend om toekenning van een pensioen of uitkering ingevolge de AWW.

Dat verzoek heeft geleid tot de onder I vermelde beslissing van 11
februari 1991. Daarbij is beslist dat eiser geen recht heeft op een
pensioen ingevolge de AWW en voorts dat hij geen recht meer heeft op een
tijdelijke AWW-uitkering. Deze laatste beslissing is gebaseerd op het feit
dat eiser zijn aanvraag heeft gedaan 32 maanden na het overlijden van zijn
echtgenote, terwijl hij ingevolge artikel 13 van de AWW aanspraak had op
een uitkering over een periode van 19 maanden; een jaar voor de eerste dag
van de maand waarin de aanvraag werd ingediend, lag 20 maanden na het
ontstaan van eisers recht op uitkering: daar ingevolge artikel 25, lid 4,
van de AWW het recht op een tijdelijke uitkering met betrekking tot de
duur moet worden ingekort met deze 20 maanden, resteerde er geen recht op
uitkering meer. Gedaagde heeft geweigerd toepassing te geven aan artikel
25, lid 5, van de AWW, waarin hem de bevoegdheid is gegeven voor
bijzondere gevallen aan pensioen of uitkering een terugwerkende kracht toe
te kenen van langer dan een jaar.

Het tegen deze laatste weigering gerichte beroep van eiser is door de
eerste rechter bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Eiser
heeft die uitspraak in hoger beroep doen bestrijden.

De Raad staat nu voor de vraag of de aangevallen uitspraak gehandhaaft
dient te worden. Hij overweegt daaromtrent het volgende

Aan de orde is de vraag of gedaagde op goede gronden tot het oordeel is
gekomen dat de situatie van eiser niet is aan te merken als een bijzonder
geval in de zin van artikel 25, lid 5 van de AWW.

Van een dergelijk bijzonder geval is blijkens de uitspraak van de Raad van
30 januari 1991, AWW 1990/105, RSV 1991/182, sprake bij de – als nieuw en
apart te onderscheiden – groep van weduwnaars die in de periode
voorafgaande aan de uitspraken van de Raad van 7 december 1988, RSV
1988/67, betreffende de rechtstreekse werking van artikel 26 van het
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)
ten aanzien van de in de AWW vervatte discriminatoire bepalingen, in
onzekerheid verkeerden over het bereik van onder meer genoemd artikel 26
IVBPR. Terecht is van de zijde van gedaagde opgemerkt dat uit genoemde
uitspraak van de Raad van 30 januari 1991 niet kan worden afgeleid dat
alle weduwnaars die een aanvraag om pensioen of uitkering ingevolge de AWW
hebben ingediend, als bijzondere gevallen moeten worden aangemerkt.
Doorslaggevend in genoemde uitspraak was de evenvermelde, voor de
uitspraak van 7 december 1988 bestaande onduidelijkheid over het bereik
van de desbetreffende supra- en internationaalrechtelijke normen. Van die
onduidelijkheid was geen sprake meer nadat in de media en ook in de
voorlichting door de Sociale Verzekeringsbank ruime aandacht was besteed
aan de betekenis van meergenoemde uitspraak van de Raad van 1988. Naar het
oordeel van de Raad heeft gedaagde, die erop heeft gewezen dat in juli
1989 reeds 21.000 en in de tweede helft van dat jaar nog 7.000 weduwnaars
een aanvraag hebben ingediend, op goede gronden kunnen oordelen dat van
verschoonbare onbekendheid als grond om als bijzonder geval – behorend tot
meerbedoelde groep – te worden aangemerkt, niet meer gesproken kan worden
vanaf 1 januari 1990, dit is ruim een jaar na de uitspraak van 7 december
1988.

Terecht heeft gedaagde overwogen, dat het vorenstaande onverlet laat dat
bij aanvragen van weduwnaars na 1 januari 1990 op grond van een
individuele beoordeling, op gelijke wijze als bij aanvragen van weduwen,
sprake kan zijn van een bijzonder geval in de zin van artikel 25 lid 5,
van de AWW. Gedaagde heeft blijkens de gedingstukken en het verhandelde
ter terechtzitting eisers situatie ook op dit aspect beoordeeld.

Van de zijde van eiser is tijdens het geding in eerste aanleg in dit
verband gewezen op de omstandigheid dat eiser zich medio 1988 tot het
postkantoor heeft gewend om een aanvraagformulier te verkrijgen. Eiser
heeft blijkens zijn klaagschrift genoegen genomen met de mededeling door
‘een jonge man’ op het postkantoor, dat hij niet voor een AWW- uitkering
in aanmerking kwam.

De Raad kan zich verenigen met het standpunt van gedaagde dat het feit dat
eiser zich, toen hij onverrichter zake is weggezonden op het postkantoor,
niet tot de Sociale Verzekeringsbank heeft gewend, voor zijn rekening en
risico moet komen. Nu geen sprake is van aan gedaagde toe te rekenen
onjuiste of onvolledige voorlichting en ook overigens geen daartoe
strekkende feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken, komt de Raad
de beslissing dat in eisers situatie geen sprake is van een bijzonder
geval, juist voor.

Omdat de eerste rechter die beslissing bij de aangevallen uitspraak in
recht houdbaar heeft geoordeeld, komt die uitspraak voor bevestiging in
aanmerking.

Op grond van het bovenstaande dient te worden beslist als volgt.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Rechters

Mrs. Kasdorp, Vermeulen, Van der Kolk-Severijns.