Instantie: Centrale Raad van Beroep, 29 april 1993

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


De SVB heeft aan eiser bij beslissing d.d. 17 maart 1989 AWW-pensioen
toegekend met een jaar terugwerkende kracht, tegen welke beslissing door
eiser geen beroep is ingesteld. Hoewel dit uit de uitspraak van de
Centrale Raad niet met zoveel woorden blijkt wordt in casu aangenomen dat
het geen bijzonder geval ex art. 25 lid 5 AWW betreft. De beslissing is
gegeven voor de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 30 januari
1991 (RN 1991, 161, m.nt. Len Andringa), waarin werd geoordeeld dat ten
aanzien van de groep weduwnaars die de aanvraag AWW te laat hebben
ingediend wel sprake is van een bijzonder geval. Op 7 augustus 1991
verzoekt betrokkene de SVB om alsnog langere terugwerkende kracht dan een
jaar te verlenen. De SVB weigert dit. De voormalige Raad van Beroep
Rotterdam heeft het beroep van betrokkene ongegrond verklaard en de
Centrale Raad bevestigt die uitspraak onder overneming van de overwegingen
van de Raad Rotterdam: het wordt voor risico van betrokkene gelaten dat
hij destijds heeft nagelaten een beslissing omtrent de toepassing van art.
25 AWW te (doen) uitlokken, dan wel beroep in te stellen tegen de
beslissing d.d. 17 maart 1989, terwijl gewijzigde jurisprudentie er niet
toe kan leiden dat alle voorafgaande beslissingen alsnog aangepast moeten
worden.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Eiser heeft op daartoe bij het beroepsschrift d.d. 9 april 1992
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de voormalige
Raad van Beroep te Rotterdam onder nummer AWW 1991/78488 op 13 maart 1992
gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Op 20 oktober 1992 is door gedaagde van contra-memorie gediend.

Bij brief van 24 februari 1992 is door eiser hierop gereageerd.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad van 19 maart 1993,
waar eiser niet is verschenen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen
door Dr. G., mr. P. en Mr T., allen werkzaam bij de Sociale
Verzekeringsbank.

II. Motivering

Voor de in dit geding relevante feiten verwijst de Raad naar de tussen
partijen niet in geschil zijnde weergave daarvan in rubriek 3 van de
aangevallen uitspraak. Voormelde feiten vormen ook voor de Raad
uitgangspunt bij de beoordeling van het hem voorgelegde geschil.

Nu eiser geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen de beslissing van 17
maart 1989 draagt zijn verzoek van 7 augustus 1991 het karakter van een
verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden
beslissing. Gedaagde is bevoegd doch niet verplicht terug te komen op een
dergelijke beslissing.

Dat brengt mede dat in het onderhavige geding de vraag dient te worden
beantwoord of van gedaagde moet worden gezegd dat hij bij afweging van
alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft
kunnen komen dan wel bij zijn beslissing anderszins heeft gehandeld in
strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Evenals de eerste rechter heeft de Raad niet tot een bevestigend antwoord
op die vraag kunnen komen.

De Raad maakt dienaangaande de volgende overwegingen uit de onder rubriek
I genoemde uitspraak van de voormalige Raad van beroep van 13 maart 1992,
AWW 1991/78488 tot de zijne:

‘Daartoe overweegt de Raad allereerst dat hij aan het betoog van klager
terzake van zijn gezondheidstoestand niet die betekenis kan toekennen die
klager daaraan toekent. Weliswaar heeft de Raad geen reden tot twijfel aan
hetgeen klager – ook ter terechtzitting – ter zake van zijn
gezondheidstoestand en diens zorg voor een van zijn zoons naar voren heeft
gebracht, maar de Raad ziet daarin onvoldoende aanknopingspunten voor de
conclusie dat eiser op grond daarvan niet in staat zou zijn geweest –
eerder – een aanvraag voor een weduwnaarspensioen in te (doen) dienen, dan
wel tegen de beslissing d.d. 17 maart 1989 in beroep te gaan.’ en

‘Nu klager ten tijde als hier van belang heeft nagelaten een rechterlijke
uitspraak omtrent de toepassing van artikel 25, van de AWW, uit te (doen)
lokken, dan wel beroep in te (doen) stellen tegen de beslissing van
verweerder d.d. 17 maart 1989 dient dit derhalve voor risico van klager
te worden gelaten.

De Raad merkt in dit verband overigens nog op dat het enkele feit dat er
door een rechterlijke uitspraak aan een wettelijk voorschrift een bepaalde
uitleg wordt gegeven, er niet toe kan leiden dat alle voorafgaande
toepassingen van dat voorschrift in overeenstemming met die (nieuwe)
uitleg moeten worden gebracht. Dergelijke ver strekkende gevolgen van
rechterlijke uitspraken zouden het – ook ten behoeve van verweerder
geldende beginsel van rechtszekerheid – te zeer aantasten.’

Hierbij merkt de Raad nog op dat eiser in een omstreeks diezelfde tijd
lopende procedure, inzake de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
beschikte over rechtshulp.

Eiser heeft voorts in hoger beroep aangevoerd dat de eerste rechter ten
onrechte heeft overwogen dat op grond van zijn financiele situatie geen
sprake is van bijzondere hardheid.

De Raad onderschrijft dienaangaande de door gedaagde in zijn
contra-memorie van 20 oktober 1992 weergegeven mening dat het beleid op
grond van artikel 25, lid 5 van de AWW niet mee dient te wegen bij de
beoordeling of teruggekomen dient te worden op een in rechte onaantastbaar
geworden beslissing. Indien dit wel het geval was zou daarmee immers
feitelijk bij alle verzoeken om herziening de beslissing heroverwogen
worden en materieel tot herziening van de eerdere beslissing worden
overgegaan.

Eiser heeft tenslotte een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Ook
met betrekking tot dit punt volgt de Raad gedaagde in diens opvatting dat
er een verschil in rechtspositie is ontstaan tussen eiser en andere
weduwnaars aangezien hij heeft berust in de toekenningsbeslissing. Op
grond hiervan is een verschillende behandeling gerechtvaardigd.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Noot

Met de drie hierboven gepubliceerde uitspraken heeft de Centrale Raad van
Beroep een einde gemaakt aan de discussie over de ingangsdatum van de
AWW-uitkering/pensioen op grond van art. 25 AWW van weduwnaars, die hun
aanvraag ’te laat’ hadden ingediend.

Aanvankelijk had slechts een handjevol weduwnaars in de loop van de jaren
tachtig AWW bij de SVB geclaimd met een beroep op art. 26 BuPo-verdrag,
stellende dat er in de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) sprake was van
directe discriminatie nu een weduwenuitkering/pensioen alleen aan weduwen
werd toegekend en niet aan weduwnaars. Een eerste voorbeeld vindt men in
de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 1 november 1983 (RSV
1984/150 m.nt. W.M. Levelt-Overmars), bij welke uitspraak dit beroep op
art. 26 BuPo-verdrag is verworpen onder de overweging dat ‘met betrekking
tot een sociaal zekerheidsrecht als hier in geding aan art. 26 van het
BuPo-verdrag betekenis moet worden ontzegd’.

Nadat de Centrale Raad bij de uitspraken Stein-Kissling e.a. d.d. 5
januari 1988 (RSV 1988/104, RN 1988/2) op deze jurisprudentie was
teruggekomen en alsnog rechtstreekse werking van art. 26 BuPo-verdrag
heeft aangenomen, heeft de Centrale Raad bij uitspraak d.d. 7 december
1988 (RSV 1989/67, RN 1989, 29) geoordeeld dat ook weduwnaars aanspraak
konden maken op AWW. Vanaf welke datum dit het geval zou zijn was uit de
uitspraak van 7 december 1988 niet duidelijk op te maken. Na deze
uitspraak hebben veel weduwnaars alsnog AWW aangevraagd en is de SVB ook
aan weduwnaars AWW gaan toekennen, doch daarbij werd steeds maar een jaar
terugwerkende kracht voor datum aanvraag toegekend (geen sprake van een
bijzonder geval ex art. 25 lid 5 AWW).

Bij uitspraak d.d. 30 januari 1991 (RSV 1991/182 m.nt. Kooijman, RN 1991,
161 m.nt. L. Andringa) heeft de Centrale Raad geoordeeld dat er voor deze
groep weduwnaars wel sprake is van een bijzonder geval aangezien voor de
uitspraak van 7 december 1988 grote onzekerheid bestond over het antwoord
op de vraag of weduwnaars aanspraak konden maken op een AWW- uitkering
hetgeen in het bijzonder veroorzaakt werd door de toentertijd bestaande
onduidelijkheid over het bereik van de supra- en internationaalrechtelijke
normen. Daarbij werd verwezen naar de – door de SVB in 1988 nog steeds
gehanteerde – Circulaire (nr. 24) van 15 februari 1972 van de Vereniging
van raden van arbeid, waarbij o.a. onbekendheid met rechten welke
voortvloeien uit verdragsbepalingen als factor genoemd wordt die een rol
kan spelen bij het aannemen van een bijzonder geval. De Centrale Raad
vervolgt dat het de SVB vrij staat om voor deze – geredelijk als nieuw en
apart te onderscheiden – groep weduwnaars een beleid te ontwikkelen,
terwijl tenslotte wordt opgemerkt dat de Raad zich zou kunnen verenigen
met een beleid inhoudende dat slechts in geval van bijzondere hardheid
langer dan een jaar wordt teruggegaan.

Nieuw toegespitst beleid SVB ten aanzien van weduwnaars – toetsing aan
bijzondere hardheid

De SVB heeft naar aanleiding van deze uitspraak voor deze groep weduwnaars
een nieuw beleid gevormd. Dit beleid houdt in dat er sprake is van
bijzondere hardheid indien is voldaan aan de navolgende drie cumulatieve
eisen

in de periode tussen de datum van overlijden van de echtgenote (of 23
december 1984 indien de echtgenote voordien is overleden) en de datum
gelegen een jaar voor de datum aanvraag moet financiele schade in de
private sfeer zijn geleden tengevolge van het overlijden van de
echtgenote, waardoor de betrokkene met zijn netto besteedbaar inkomen
minus de volgens het beleid van de SVB in aanmerking te nemen schadeposten
beneden het voor hem geldende norm van het minimum AWW- pensioen/uitkering
belandt. Als een weduwnaar in enig kalenderjaar aan deze drie eisen
voldoet wordt vanaf dat kalenderjaar AWW toegekend.

De schadeposten moeten een gevolg zijn van het overlijden (causaal
verband), bijv. kosten van verzorging en/of opvang van kinderen of kosten
van geldleningen, die zijn afgesloten in verband met het overlijden. Als
kosten zijn gecompenseerd door bijvoorbeeld een particuliere
verzekeringsuitkering dan wel door de Algemene Bijstandswet worden ze niet
beschouwd als schadeposten. In geval een negatieve uitkomst van de
toetsing aan het boven aangegeven beleid niet tot financiele hardheid
leidt wordt de situatie van de betrokkene nog op eigen merites beoordeeld
en beoordeeld of er gronden zijn om ten gunste van genoemde criteria af
te wijken.

Tenslotte houdt het nieuwe beleid van de SVB in dat zij aanvragen gedaan
vanaf 1 januari 1990 – dit is ruim een jaar na de weduwnaarsuitspraak van
de Centrale Raad van 7 december 1988 – geen bijzonder geval meer wordt
aangenomen omdat dan inmiddels via media en via voorlichting van de SVB
voldoende bekendheid is gegeven aan de weduwnaarsuitspraak van 7 december
1988.

Nr. I Procedure reg.nr. AWW 1992/29. De Centrale Raad verwerpt de stelling
dat er strijd is met art. 26 Bupo-verdrag omdat art. 25 lid 5 AWW op
zichzelf niet onmogelijk maakt dat langere terugwerkende kracht wordt
gegeven (vgl. uitspraken Centrale Raad d.d. 8 augustus 1991 (AB 1991/567
m.nt. De Leede en d.d. 15 augustus 1991, RN 1992/227).

Ook het beroep op analoge toepassing van de arresten Verholen (RSV
1991/227 m.nt. S. Feenstra, RN 1991/212), Emmott (RSV 1992, 189, m.nt.
F.W.M. Keunen, AB 1992/1 m.nt. V.d. Meij en RN 1992/220 m.nt. Sacha
Prechal) en Francovich & Bonifaci (RN 1992, 221 m.nt. Sacha Prechal) wordt
door de Centrale Raad verworpen onder de overweging dat de derde
EG-richtlijn niet van toepassing is op de AWW en dat voorts de
jurisprudentie van het EG-Hof, zich niet voor analoge toepassing op
bepalingen van andere verdragen leent.

Blijkens de uitspraak van 29 april 1993 wordt het door de SVB ten aanzien
van deze groep weduwnaars ontwikkelde beleid aanvaardbaar geacht – waarbij
de Centrale Raad zwaar heeft laten wegen dat met de AWW werd beoogd de
betrokkenen een bodemvoorziening te verlenen -, zij het dat wordt
opgemerkt dat de door de SVB opgesomde schadeposten geen limitatief
karakter hebben.

In deze zaak had de betrokkene als schadeposten opgevoerd huishoudelijke
hulp, kosten van ziekte en van psychotherapie van hemzelf en zijn kinderen
en inkomensschade wegens teloorgang van toekomstverwachtingen in inkomen
en carriere. Volgens de Centrale Raad dient teloorgang van
toekomstverwachtingen niet als schade te worden aangemerkt, terwijl de
overige opgevoerde posten er niet toe hebben geleid dat betrokkene beneden
de voor hem geldende AWW-norm is beland.

Het gevolg van deze uitspraak zal zijn dat maar zeer weinig weduwnaars een
langere terugwerkende kracht dan een jaar zullen krijgen. Immers enerzijds
zijn de netto minimum-normen in de AWW dezelfde als de bijstandsnormen en
anderzijds zal het veelal niet gemakkelijk zijn om schadeposten (die
causaal verband houden) alsnog aan te tonen of aannemelijk te maken, te
meer nu het vaak zal gaan over situaties in het inmiddels verre verleden.
Volgens gegevens van de SVB zouden ongeveer twaalfhonderd weduwnaars
beroep hebben ingesteld tegen de ingangsdatum van hun
AWW-uitkering/pensioen. Na toetsing aan het beleid is maar in circa vijf
procent van de gevallen bijzondere hardheid aangenomen.

Het onbevredigende van deze uitspraak is dat de door de Centrale Raad bij
de uitspraak van 8 december 1988 verboden directe discriminatie in de
periode 23 december 1984 tot in ieder geval eind 1987 (datum een jaar voor
de weduwnaarsuitspraak van 8 december 1988) feitelijk blijft bestaan.
Voorts wordt door deze uitspraak weer een premie gesteld op het talmen van
de wetgever met de implementatie van internationale bepalingen (in casu
art. 26 BuPo-verdrag) in de nationale wet. Door vooral niets te doen
bespaart de Nederlandse staat zich grote uitgaven: immers in de periode
23 december 1984 tot in ieder geval eind 1987 hebben nagenoeg alle weduwen
AWW ontvangen, terwijl slechts een handjevol weduwnaars (over een deel van
die periode) alsnog AWW hebben ontvangen.

Nr. II Procedure reg.nr. AWW 1992/25. Zoals hierboven gesteld houdt het
nieuwe beleid van de SVB ook in dat ten aanzien van de weduwnaars die pas
vanaf 1 januari 1990 een aanvraag indienen niet meer een bijzonder geval
in gevolge art. 25 lid 5 AWW worden aangenomen. Deze weduwnaars worden
gelijk behandeld met weduwen die ’te laat’ aanvragen, omdat vanaf 1
januari 1990 via media en via informatie van de SVB voldoende bekendheid
aan de weduwnaarsuitspraak van de Centrale Raad van 8 december 1988
gegeven zou zijn. De Centrale Raad gaat in de onderhavige uitspraak uit
van de juistheid van dit voldoende bekend zijn.

Zoals hierboven gemeld had per 30 november 1989 ruim 28.063 weduwnaars AWW
aangevraagd. Het aantal verweduwde mannen bedroeg per 1 januari 1990
volgens het C.B.S. t/m 65 jaar 34.337, terwijl er 32.404 verweduwde mannen
waren in de leeftijdscategorie 40 – 65 jaar. Per 1 januari 1991 had de SVB
25.390 lopende AWW-pensioenen in het bestand voor weduwnaars in de
leeftijdscategorie 40 – 65 jaar, terwijl volgens het C.B.S. het aantal
32.841 verweduwde mannen in die leeftijdscategorie in Nederland 32.841
bedroeg. Uit deze cijfers valt naar mijn mening niet goed af te leiden dat
de uitspraak van 8 december 1988 per 1 januari 1990 alom bij weduwnaars
voldoende bekendheid had. In ieder geval lijkt de ‘deadline’ 1 januari
1990 aan de vroege kant, terwijl – voorzover mij bekend – door de SVB
destijds in najaar 1990 ook niet bijvoorbeeld via advertenties of Postbus
51-spotjes bekend is gemaakt dat het weduwnaarspensioen voor 1 januari
1990 diende te worden aangevraagd. Voor de SVB werkt deze door de Centrale
Raad gesanctioneerde deadline ook weer flink kostenbesparend uit.

Nr. III Procedure reg.nr. AWW 1992/20. In deze zaak gaat het erom of de
SVB terug diende te komen op de eerste beslissing d.d. 17 maart 1989, bij
welke beslissing geen bijzonder geval was aangenomen en dus slechts met
een jaar terugwerkende kracht AWW-pensioen was toegekend. Ten tijde van
de beslissing d.d. 17 maart 1989 was de uitspraak van de Centrale Raad
d.d. 30 januari 1991 m.b.t. het aannemen van een bijzonder geval nog niet
gewezen, zodat betrokkene ook nog niet kon weten dat langere terugwerkende
kracht mogelijk was. Kennelijk na te hebben kennis genomen van de
uitspraak van 30 januari 1991 heeft betrokkene alsnog langere
terugwerkende kracht gevraagd.

De voormalige Raad van Beroep Rotterdam had in deze zaak geoordeeld: ‘het
wordt voor risico van betrokkene gelaten dat hij destijds heeft nagelaten
een beslissing omtrent de toepassing van art. 25 AWW heeft (doen)
uitlokken, dan wel beroep in te stellen tegen de beslissing d.d. 17 maart
1989′ … ‘en het enkele feit dat er door een rechterlijke uitspraak aan
een wettelijke voorschrift een bepaalde uitleg wordt gegeven kan er niet
toe leiden dat alle voorafgaande toepassingen van dat voorschrift in
overeenstemming met die (nieuwe) uitleg moeten worden gebracht. Dergelijke
verstrekkende gevolgen zouden het – ook ten behoeve van verweerder
geldende beginsel van rechtszekerheid – te zeer aantasten’. De Centrale
Raad neemt deze overwegingen over en merkt daarbij nog op ‘dat eiser in
een omstreeks diezelfde tijd lopende procedure inzake de WAO beschikte
over rechtshulp’. Les van de onderhavige uitspraak moet zijn dat in geval
van twijfel over de juiste uitleg van nationale bepalingen bezien in het
licht van internationale/supranationale regelingen altijd in een zo vroeg
mogelijk stadium de aanvraag moet worden gedaan en beroep moet worden
ingesteld en ook tot in hoogste instantie moet worden doorgeprocedeerd
teneinde niet tegengeworpen te krijgen dat men de beslissing in kracht van
gewijsde heeft laten gaan.

Gevolgen voor de AAW en WWV. Tot slot kan men zich de vraag stellen of de
in de onderhavige uitspraken aangehouden lijn doorgetrokken kan worden
naar de ingangsdatum WWV en de AAW. Dat is niet het geval. In de
onderhavige AWW-uitspraken gaat het over strijd met art. 26 van het
BuPo-verdrag. Met betrekking tot de ingangsdatum WWV en AAW gaat het om
strijd met de derde EG-richtlijn. Het BuPo-verdrag heeft door de uitleg
van de Centrale Raad van Beroep een veel zwakkere werking ten aanzien van
de sociale zekerheid dan de derde EG- richtlijn. In de uitspraak AWW
1992/29 wijst de Centrale Raad al op ‘het specifieke, supranationale
karakter van het EG- recht, zich uitend in een op de verdragstaten gelegde
verplichting richtlijnen binnen een bepaalde termijn geimplementeerd te
hebben binnen de eigen wetgeving’. Nederland had de derde richtlijn per
23 december 1984 niet geimplementeerd in de WWV en de AAW. Op grond van
met name het arrest Emmott kan worden aangenomen dat termijnen niet mogen
worden tegengeworpen. Door de voormalige Raad van Beroep Den Bosch is bij
bevel ex 125 Beroepswet d.d. 17 december 1991 in de zaak
Steenhorst-Neerings/Detam (RSV 1992/191, RN 1992, 24), aan het EG-Hof van
Justitie een prejudiciele vraag gesteld met betrekking tot art. 25 AAW.
De advocaat-generaal M. Darmon heeft in deze zaak (aanhangig onder nr.
C-338/91) op 31 maart 1993 zijn conclusie genomen: ‘Wanneer een richtlijn
voor een particulier een recht in het leven roept, staat het
gemeenschapsrecht niet toe dat hem de toegang tot dit recht wordt ontzegd
of dit recht wordt beperkt door hem een procestermijn van nationaal recht,
van welke aard ook, tegen te werpen, indien de richtlijn op de dag waarop
de particulier zijn strekkende tot verwezenlijking van zijn recht indient,
nog niet in nationaal recht is omgezet’.

Het arrest van het Hof in deze zaak wordt medio 1993 verwacht.

Mireille Steinmetz

Rechters

Mrs. Kasdorp, Vermeulen, Van der Kolk-Severijns.

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 april 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Voor verzoekster en voor een mannelijke collega is een
afvloeiingsregeling getroffen. Hij krijgt tot zijn 65e jaar een
inkomensgarantie van totaal 90% van zijn laatstgenoten salaris, bestaande
uit 70% WW en 20% aanvulling door de wederpartij. Tevens wordt de
pensioenopbouw voortgezet. Verzoekster ontvangt eveneens 20% aanvulling
van de werkgever, doch haar pensioenopbouw wordt na haar 60e jaar niet
meer voortgezet, omdat zij volgens de geldende pensioenregeling op haar
60e jaar recht heeft op pensioen. Mogelijk worden de inkomsten die
verzoekster ontvangt uit hoofde van de pensioenregeling geheel of
gedeeltelijk op de WW-uitkering in mindering gebracht door de
bedrijfsvereniging. De Commissie is van oordeel dat dit laatste niet aan
de wederpartij kan worden tegengeworpen. Wat betreft de voortzetting van
de pensioenopbouw, oordeelt de Commissie dat sinds de datum van het
Barberarrest, 17 mei 1990, de werkgever gehouden is om bij de
pensioengerechtigde leeftijd en de pensioenopbouw geen direct of indirect
onderscheid te maken tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers. Dat
geldt ook voor de periode tussen de 60- en 65- jarige leeftijd. Het feit
dat voordien de pensioengerechtigde leeftijd en de wijze van
pensioenopbouw voor mannelijke en vrouwelijke werknemers verschillend
waren, en de pensioenopbouw voor verzoekster wanneer zij 60 jaar zal
worden reeds is afgerond, kan daaraan niet afdoen.

Volledige tekst


Op grond van het bovenstaande concludeert de Commissie dat de onderhavige
pensioenregeling begrepen moet worden onder artikel 119 EEG-Verdrag, en
dat de wederpartij in deze derhalve gehouden is aan het beginsel van
gelijke beloning.

Ten overvloede wijst de Commissie er op dat de EG-richtlijn d.d. 24 juli
1986 inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en
sectoriele regelingen inzake sociale zekerheid (EG-richtlijn 86/378/EEG,
PB 1986, nr. L 225/40.) per 1 januari 1993 in werking is getreden.

4.7. Gelet op de eerdergenoemde uitspraken van het EG-Hof van Justitie is
de wederpartij jegens verzoekster in ieder geval sinds 16 mei 1990
gehouden om bij de pensioengerechtigde leeftijden en de pensioenopbouw
geen direct of indirect onderscheid te maken tussen mannelijke en
vrouwelijke werknemers. Dat geldt ook voor de periode tussen de 60- en 65-
jarige leeftijd. Het feit dat voordien de pensioen-gerechtigde leeftijden
en de wijze van pensioenopbouw voor mannelijke en vrouwelijke werknemers
verschillend waren, en de pensioenopbouw voor verzoekster wanneer zij 60
jaar zal worden reeds is afgerond, kan daaraan niet worden tegengeworpen.

Daarmee staat vast dat de wederpartij, door in het kader van de
afvloeiingsregeling ten behoeve van verzoekster anders dan ten behoeve van
een mannelijke ex-werknemer niet te voorzien in voortzetting van de
pensioenopbouw, in strijd handelt met artikel 7A:1637ij lid 1 BW.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit, dat te Zutphen jegens
mevrouw te Blokker, door bij haar afvloeiingsregeling
niet, zoals bij die van een mannelijke ex-werknemer, te voorzien in
voortzetting van haar pensioenopbouw, onderscheid maakt naar geslacht in
strijd met artikel 7A:1637ij lid 1 BW.

Rechters

mw mr. C.H.S. Evenhuis (kamervoorzitter), dhr mr R.A.C.M.Langemeijer, dhr mr J.D. Onnen, leden en mw mr A.K. de Jongh,adjunct-secretaris.

Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 19 april 1993

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


PTT vraagt ontbinding van de arbeidsovereenkomst omdat X zich in het verleden
meermalen heeft schuldig gemaakt aan werkweigering (waarvoor hij ook is
berispt) en omdat hij ongewenst gedrag ten toon zou spreiden op de werkvloer.
Voorts heeft zich een incident voorgedaan met een vrouwelijke collega, die
door X bij de borst zou zijn gepakt. De kantonrechter overweegt dat bij de
mondelinge behandeling is gebleken dat X zich volkomen in zijn recht voelt
staan wat betreft zijn gedrag en omgang met collega’s. Het ging in zijn ogen
slechts om een stoeiende beweging, die in de dagelijkse omgang met collega’s
heel normaal was. Kennelijk is echter juist het door X als normaal
gekenschetste gedrag een doorn in het oog van de PTT. X begrijpt
klaarblijkelijk niet wat PTT bedoelt met haar pogingen hem tot rustiger
gedrag te bewegen. Evenmin ziet hij in dat wat hij opvat als een stoeipartij
tot misverstanden kan leiden. De gevraagde ontbinding is derhalve
toewijsbaar. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden acht de
kantonrechter, ondanks een dienstverband van 18 jaar, een vergoeding
gerelateerd aan 6 maanden salaris redelijk en billijk.
Kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een
vergoeding aan X van ƒ 18.972 bruto als aanvulling op een sociale uitkering
of elders te verdienen lager salaris.

Volledige tekst

; Gronden van de beslissing

1. Tussen partijen staat het volgende vast. Verweerder, die 33 jaar oud is,
is op 12 augustus 1974 in dienst van verzoekster getreden.
Zijn functie is postbesteller.
Het salaris bedraagt ƒ 3.162 bruto per maand.

2. Als gewichtige reden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voert
verzoekster aan een verandering in omstandigheden, welke van dien aard is dat
de dienstbetrekking billijkheidshalve zo spoedig mogelijk behoort te
eindigen.

3. Verzoekster heeft hiertoe gesteld dat de verhouding tussen partijen
dermate is verstoord, dat vruchtbare voortzetting van de arbeidsrelatie niet
mogelijk is. In het verleden is diverse malen sprake geweest van
werkweigering, waarvoor verweerder ook schriftelijk is berispt (brief 19
december 1990). Daarnaast vertoonde verweerder in de ogen van verzoekster
ongewenst gedrag op de werkvloer en in de omgang met zijn collega’s, hetgeen
een negatieve invloed had op de werksfeer. Op 11 december 1992 heeft
verzoekster hem daarvoor een schriftelijke laatste waarschuwing gegeven.
Tenslotte heeft zich op 5 maart 1993 een incident voorgedaan met een
vrouwelijke collega. Deze heeft op 8 maart 1993 daarover een klacht tegen
verweerder ingediend, inhoudende dat deze haar bij de borst had gepakt.
Volgens verzoekster betrof dit sexuele intimidatie en zij heeft verweerder
met onmiddellijke ingang geschorst onder aanzegging dat de
arbeidsovereenkomst zou worden beëindigd.

4. Verweerder ontkent dat hem enig verwijt kan worden gemaakt. Het incident
waarop de berisping van 19 december 1990 betrekking had is door verzoekster
in een onjuist daglicht geplaatst. Verweerders gedrag op het werk als bedoeld
in de brief van 11 december 1992 moet gezien worden als gebruikelijk in de
groep waarvan hij deel uitmaakte. Het incident van 5 maart 1993 is ten
onrechte erg opgeblazen. Van seksuele intimidatie was geen sprake. Verweerder
heeft zijn collega slechts bij haar jasje vastgepakt. Het betrof een
stoeiende beweging hetgeen in de dagelijkse omgang met zijn collega’s heel
normaal was.

5. Voorts is gebleken dat verweerder na de berisping in 1990 is overgeplaatst
van Aalsmeer naar het hoofdpostkantoor te Amstelveen. De groep waarin
verweerder werd ingedeeld trekt ook in de vrije tijd met elkaar op en zit met
elkaar in een voetbalteam. De daarin gebruikelijke – ook lichamelijke – wijze
van omgang met elkaar wordt op de werkvloer voortgezet. Dit wordt door
verzoekster als wild en luidruchtig ervaren. De nadere groepen werknemers
zijn rustiger.
In november 1992 heeft de chef postverzorging hierover met de betrokkenen
ieder apart gesproken. Dit bleek geen verandering in de sfeer tot gevolg te
hebben. Daarna heeft verzoekster besloten de groep uit elkaar te halen en
(ingaande mei 1993) nieuwe groepen te formeren. Verweerder zou dan in
dezelfde groep komen met de vrouwelijke collega die thans de klacht tegen hem
heeft ingediend.

6. Verweerder heeft op zijn beurt een klacht ingediend gericht tegen de
indiening van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij de
kantonrechter. Deze klacht is inmiddels behandeld door de landelijke
klachtencommissie van verzoekster. Deze heeft in haar uitspraak van 8 april
j.l. geadviseerd de klacht ongegrond te verklaren en de beslissing van 8
maart 1993 te handhaven.

7. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling bleek voorts dat verweerder
zich volkomen in zijn recht voelt staan wat betreft zijn gedrag en omgang met
collega’s. Men stoeit met elkaar en ook speelse schoppende bewegingen zijn
heel normaal. Zo ging het ook op 5 maart j.l. Hij heeft nooit de bedoeling
gehad zijn vrouwelijke collega bij de borst te pakken. Voor het aanbieden van
zijn excuses is in zijn visie daarom geen enkele aanleiding. Hij begrijpt
niet waarom zij zo heeft gereageerd. Hij heeft wel telefonisch contact met
haar gezocht, maar dan om te vragen wat haar bedoeling was met die klacht.
Van werkweigering is ook geen sprake geweest. De aanleiding voor de laatste
waarschuwing van 11 december 1992 was dat verweerder niet zonder slag of
stoot bereid was te komen werken op zijn roostervrije dag. Hij had al
afspraken gemaakt. Maar achteraf is hij toch aan het werk gegaan.

8. Kennelijk is het door verweerder als normaal geschetste gedrag nu juist
een doorn in het oog van verzoekster. De laatste heeft diverse pogingen in
het werk gesteld om verweerder tot rustiger gedrag te bewegen. Deze begrijpt
klaarblijkelijk niet wat verzoekster daarmee bedoelt. Naar het oordeel van de
kantonrechter dient het incident van 5 maart 1993 ook in dit licht te worden
gezien: het kan niet worden uitgesloten dat verweerder met zijn collega heeft
willen stoeien en daarbij een (onhandige) beweging heeft gemaakt, die de
collega als een sexuele aantasting heeft ervaren. Dergelijk gedrag kan zulke
misverstanden nu eenmaal oproepen. Verweerder ziet dit echter niet in. In
deze omstandigheden is, mede gezien de eerder gegeven waarschuwingen, een
situatie ontstaan waardoor verzoekster verdere samenwerking met verweerder
niet meer haalbaar vindt. Dit is niet zonder reden.

9. Aldus is voldoende gebleken van veranderingen in omstandigheden van dien
aard, dat de dienstbetrekking billijkheidshalve per 15 mei 1993 behoort te
eindigen.

10. Verweerder heeft ruim 18 jaar bij verzoekster gewerkt. Hij was in het
algemeen goed voor zijn werk, zij het dat hij – gezien de herhaalde
incidenten betreffende werkweigering – niet altijd even coöperatief was als
er een speciaal beroep op hem wordt gedaan.
Verweerder vermag niet in te zien dat zijn wijze van omgang met collega’s
niet langer acceptabel is voor verzoekster. Het is ook niet aannemelijk
geworden dat verweerder zich er voldoende bewust was dat zijn superieuren
zich door zijn gedrag gefrustreerd konden voelen. Gelet op deze
omstandigheden is een door verzoekster aan verweerder te betalen vergoeding
gerelateerd aan zes maanden salaris redelijk en billijk.
Er zijn termen de gedingkosten te compenseren.

Beslissing
I. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 15 mei 1993.
Aan verweerder wordt een vergoeding toegekend ten laste van verzoekster ten
bedrage van ƒ 18.972 bruto, als aanvulling op een eventuele sociale uitkering
of elders te verdienen lager salaris.
Verzoekster wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoeding.
Partijen dragen ieder de eigen proceskosten.
II. Het onder I gestelde geldt niet indien het verzoek wordt ingetrokken
uiterlijk op 10 mei 1993, voor wel geval verzoekster wordt veroordeeld tot
betaling van de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de wederpartij
begroot op ƒ 800te betalen aan de griffier van de gerechten in het
arrondissement Amsterdam.

Rechters

Mr. Tan

Instantie: Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing, 16 april 1993

Instantie

Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing

Samenvatting


Het beklag betreft het uitvallen van de sport en het niet
doorgaan van een vervangende activiteit. De beroepscommissie stelt
vast dat de directeur in de onderhavige zaak gedurende de afwezigheid
met vakantie van de sportinstructeur meermalen -in totaal 6 maal- aan
klaagster en al haar medegedetineerden in de inrichting “Het Spoor” te
Utrecht niet de mogelijkheid heeft gegeven om de in het dagprogramma
opgenomen uren “sport” te genieten. Aldus is de directeur 6
sportlessen afgeweken van het dagprogramma.

Nu de directeur niet heeft aangevoerd -en ook overigens niet is
gebleken- dat vermeld afwijken van het dagprogramma noodzakelijk werd
gemaakt door de veiligheid in de inrichting of werd doorgevoerd met
het oog op ontspanningsactiviteiten, een en ander als bedoeld in
artikel 27 Hoofdstuk III van het in “Het Spoor” geldende
Huishoudelijke Reglement, heeft de directeur in strijd met dit
voorschrift gehandeld. Daaraan doet het beroep van de directeur op
budgettaire perikelen ten aanzien van het vervangen van de
sportinstructeur gedurende diens vakantie niet af.

Toch kan klaagster in haar klacht niet worden ontvangen, omdat het
afwijken van het dagprogramma gold voor alle gedetineerden in de
inrichting en niet betreft een aan klaagster – individueel- door of
vanwege de directeur opgelegde maatregel waardoor is afgeweken van
rechten die zij aan de in de inrichting geldende voorschriften kan
ontlenen, noch enig ander voor beklag vatbaar handelen of nalaten van
de directeur jegens haar.

Zie ook 5 identieke uitspraken van 16 april 1993 onder nummer A
318/93; nr. A 407/92; A 417/92; A 418/92 en A 419/92 op te vragen bij
CWI (minder diep ontsloten).

Volledige tekst

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de
beroepscommissie als volgt: 1. Inhoud van het beklag en de beslissing
van de beklagcommissie: Het beklag betreft het uitvallen van de sport
en het niet doorgaan van een vervangende activiteit.

De beklagcommissie heeft het beklag gegrond verklaard op de gronden
als in de aangehechte beschikking weergegeven.

2. Standpunten van de directeur en klaagster: In beroep heeft de
directeur volhard in het tegenover de beklagcommissie ingenomen
standpunt. Tevens bracht hij naar voren dat hoewel de inrichting
volgens het zogenoemde Masterplan over voldoende personeel (ook voor
begeleiding van de verplichte sportactiviteiten) beschikt, de praktijk
anders blijkt te zijn. Vervanging van de sportinstructeur door de twee
of drie penitentiaire inrichtingswerkers (p.i.w. ‘ers) die daartoe
gekwalificeerd zijn is slechts mogelijk wanneer zij dan toch al dienst
hebben; voor het maken van overuren door hen is er geen budget. Om
deze reden is met de gedetineerdencommissie afgesproken dat het niet
doorgaan van sport wordt gecompenseerd door het geven van extra
luchten.

Helaas kan ook dit soms, zoals in het onderhavige geval, geen doorgang
vinden. De directeur benadrukt evenwel dat de onderhavige beslissing
voor alle gedetineerden van de afdeling gold en niet was genomen
jegens klaagster persoonlijk of een van de andere vijf
medegedetineerden die evenals zij terzake beklag hebben ingesteld.
Gelet op een eerdere beslissing van de beroepscommissie had klaagster
zijns inziens dan ook niet behoren te worden ontvangen in haar beklag.

Door en namens klaagster is daarop geantwoord als tegenover de
beklagcommissie. Voorts is naar voren gebracht dat van de activiteiten
die vanwege de bezuinigingen (op het personeel) geregeld geen doorgang
vinden, de sport voor klaagster het zwaarste telt. Betoogd werd dat,
doordat de directie geen afdoende oplossing weet te vinden voor het
-met name organisatorische- probleem rond de vervanging van personeel
ingeval van verlof, ziekte en dergelijke, zij daarmee onzorgvuldig
handelt jegens de desbetreffende gedetineerden.

Dit geldt te meer wanneer in het kader daarvan expliciet afspraken
zijn gemaakt, zoals in het onderhavige geval.

Doordat deze niet worden nagekomen, worden de organisatorische
problemen van de directie afgewenteld op (de rechten van) de
gedetineerden.

Een dergelijke belangenafweging werd onredelijk en onbillijk geacht.

3. Beoordeling De beroepscommissie stelt vast dat de directeur in de
onderhavige zaak gedurende de afwezigheid met vakantie van de
sportinstructeur meermalen -in totaal 6 maal- aan klaagster en al haar
medegedetineerden in de inrichting “Het Spoor” te Utrecht niet de
mogelijkheid heeft gegeven om de in het dagprogramma opgenomen uren
“sport” te genieten. Aldus is de directeur 6 sportlessen afgeweken van
het dagprogramma. Nu de directeur niet heeft aangevoerd -en ook
overigens niet is gebleken- dat vermeld afwijken van het dagprogramma
noodzakelijk werd gemaakt door de veiligheid in de inrichting of werd
doorgevoerd met het oog op ontspanningsactiviteiten, een en ander als
bedoeld in artikel 27 Hoofdstuk III van het in “Het Spoor” geldende
Huishoudelijke Reglement, heeft de directeur in strijd met dit
voorschrift gehandeld. Daaraan doet het beroep van de directeur op
budgettaire perikelen ten aanzien van het vervangen van de
sportinstructeur gedurende diens vakantie niet af.

Toch kan klaagster in haar klacht niet worden ontvangen, omdat het
afwijken van het dagprogramma gold voor alle gedetineerden in de
inrichting en niet betreft een aan klaagster – individueel- door of
vanwege de directeur opgelegde maatregel waardoor is afgeweken van
rechten die zij aan de in de inrichting geldende voorschriften kan
ontlenen, noch enig ander voor beklag vatbaar handelen of nalaten van
de directeur jegens haar.

4. Beslissing: De beroepscommissie verklaart het beroep van de
directeur gegrond, vernietigd de beschikking van de beklagcommissie en
verklaart klaagster alsnog niet-ontvankelijk in haar beklag.

Rechters

Mr. Koeleman, voorzitter, mr. C.J.G. Bleichrodt en J. van derWaa-Somberg, leden

Instantie: Rechtbank Arnhem, 15 april 1993

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


F is veroordeeld voor poging tot doodslag. Zij heeft een schot gelost
op de openbare weg richting haar ex- echtgenoot. Verkeerde F in een
bepaalde gemoedstoestand omdat haar ex-echtgenoot vijf van de zes kinderen
naar Marokko had meegenomen? Poging tot moord is niet bewezen verklaard
omdat er geen sprake was van ‘voorbedachte rade’. F is veroordeeld tot een
alternatieve straf omdat zij jarenlang is mishandeld en regelmatig ernstig
is bedreigd door het slachtoffer, haar ex-echtgenoot.

Volledige tekst

Overwegende ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van
justitie: Door de raadsvrouwe van verdachte is aangevoerd dat de officier
van justitie niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard in zijn
strafvervolging jegens verdachte. Zij heeft daartoe aangevoerd dat in deze
zaak de beginselen van rechtsgelijkheid en behoorlijk bestuur (willekeur)
zouden zijn geschonden. De officier van justitie heeft verdachtes ex-man
niet vervolgd ten aanzien van de ontvoering van haar kinderen maar is wel
een vervolging tegen verdachte begonnen.

De rechtbank overweegt daaromtrent: Het staat de officier van justitie in
redelijkheid vrij te bepalen welke zaken strafrechtelijk vervolgd dienen
te worden. Niet valt in te zien dat de officier van justitie, door gebruik
te maken van dat opportuniteitsbeginsel, in dit geval de beginselen van
behoorlijk bestuur of het beginsel van rechtsgelijkheid zou hebben
geschonden. De rechtbank zal om die reden het verweer van verdachte en
haar raadsvrouwe verwerpen en de officier van justitie ontvankelijk
verklaren in zijn strafvervolging van verdachte.

Overwegende: De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen
verdachte onder 1. primair (het misdrijf moord, red.) is telastegelegd en
zal haar daarvan vrijspreken.

Gebezigde bewijsmiddelen:

De rechtbank bezigt tot bewijs ten aanzien van de onder 1. subsidiari en
2. telastegelegde feiten, de inhoud van de navolgende wettige
bewijsmiddelen:

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 1 april 1993:

Voorts: uit de bijlagen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte
stamproces-verbaal d.d. 25 maart 1992 en genummerd M 92007482/92-JZZ,
opgemaakt door L.C. Hartjesveld, brigadier- rechercheur van
gemeentepolitie te Nijmegen: ten aanzien van feit 1. en feit 2.: -het
relaas van verbalisant Hartjesveld met betrekking tot de aanleiding en het
verloop van het onderzoek: (stamproces-verbaal blz 1 t/m 3)

ten aanzien van feit 1.: -de verklaring van M. d.d. 23 maart 1992;
(bijlage 18) -de verklaring van Z. d.d. 23 maart 1992; (bijlage 7) -de
verklaring van Th. d.d. 23 maart 1992; (bijlage 10)

ten aanzien van feit 2.: -het relaas van verbalisant J.H.M. Peren d.d. 23
maart 11992 met betrekking tot het aantreffen van de inbeslagname van een
vuurwapen. -een als bijlage bij voormeld proces-verbaal gevoegd
schriftelijke stuk, zijnde een rapport van het gerechtelijk laboratorium
van het ministerie van Justitie te Rijkswijk, opgemaakt en ondertekend
door J.W. Karelse en gedateerd 14 juli 1992.

Door de inhoud van voormelde bewijsmiddelen – deze ook in hun onderdelen,
telkens gebezigd ten aanzien van het feit waarop zij in het bijzonder
betrekking hebben -, opleverende de redengevende feiten en omstandigheden
waarop na te melden beslissing steunt, heeft de rechtbank de overtuiging
verkregen en acht zij bewezen, dat verdachte het onder 1. subsidiair en
2. telastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1. subsidiair: zij op 23 maart 1992 te Nijmegen ter uitvoering van het
voornemen en het misdrijf om opzettelijk M van het leven te beroven,
opzettelijk met een pistool een schot op die M heeft afgevuurd, terwijl
de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, alleen
tengevolge van de man haar wil onafhankelijke omstandigheid dat die
persoon niet werd getroffen;

2. zij op 23 maart 1993 te Nijmegen een schietwapen en daarvoor bestemde
munitie van categorie III, in de vorm van een pistool en daarvoor bestemde
munitie, te weten een pistool merk Walther, model pp, kal 7.65 en een
aantal daarvoor bestemde patronen, voorhanden heeft gehad;

Tot deze beslissing geven reden die in die bewijsmiddelen voorkomende
feiten en omstandigheden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1. subsidiair
en 2. meer of anders is telastegelegd.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1. subsidiair

poging tot het misdrijf: doodslag;

Voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 van het
Wetboek van strafrecht. 2.:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapen en
munitie, terwijl het feit begaan is met betrekking tot een schietwapen in
de vorm van een pistool;

Strafbaar gesteld bij artikel 55 van de Wet wapen en munitie.

Door de raadsvrouwe is aangevoerd dat verdachte niet strafbaar zou zijn
nu er in dit geval sprake zou zijn van een psychische overmachtssituatie
bij feit 1. dan wel er sprake zou zijn geweest van noodweer c.q.
noodweerexces.

Ten aanzien van het beroep op ‘psychische’ overmacht overweegt de
rechtbank dat, blijkens de stukken en gelet op de verklaring van verdachte
ter terechtzitting, verdachte zich, door met een pistool in haar handen
de trap af te gaan en naar buiten te lopen, willens en wetens in een
situatie heeft begeven waarin zij zich niet heeft kunnen beheersen,
terwijl niet aannemelijk is geworden dat verdachtes angst voor het
slachtoffer van die aard was dat er van ‘willen’ en ‘weten’ geen sprake
meer was. Het beroep op ‘psychische’ overmacht kan om die reden niet
slagen. Ten aanzien van het beroep op noodweer is de rechtbank van oordeel
dat er hier geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke
wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf of eerbaarheid, zodat een
beroep op noodweer niet kan slagen. Verdachte en haar ex-echtgenoot
stonden steeds op enige afstand van elkaar en verdachtes ex-echtgenoot
verwijderde zich uit de woning van verdachte op het moment dat verdachte
zich – uit eigen beweging – in de richting van die ex-echtgenoot begaf.
Ook dit verweer kan derhalve niet slagen. Hetgeen hiervoor ten aanzien van
het beroep op noodweer is overwogen maakt eveneens dat, nu er geen
ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf of
eerbaarheid is geweest, het beroep op noodweer-exces moet worden
verworpen.

Het hiervoor overwogene maakt dat verdachte strafbaar is, zijnde feiten
en omstandigheden die haar strafbaarheid zouden kunnen doen uitsluiten
niet aannemelijk geworden.

De hierna te noemen beslissing is in overeenstemming met de aard en de
ernst van de gepleegde feiten en met de omstandigheden waaronder deze zijn
gepleegd, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De
beslissing is voorts in overeenstemming met de persoon en de persoonlijke
omstandigheden van de dader, zoals van een en ander eveneens ter
terechtzitting is gebleken.

Tevens is rekening gehouden met de eveneens ter terechtzitting doorgenomen
rapportage met betrekking tot verdachte, d.d. 26 juni 1992 en 17 maart
1993 opgemaakt door H.M. Leenders, maatschappelijk werkster van de
stichting reclassering Arnhem, werkeenheid Nijmegen.

Ten aanzien van de aard en de duur van de op te leggen gevangenisstraf
overweegt de rechtbank het navolgende: de rechtbank is van oordeel, dat
gelet op:

– de omstandigheid dat verdachte op de openbare weg met een vuurwapen
heeft geschoten op een ander en het niet aan haar te wijten is geweest dat
die ander niet is geraakt; – de omstandigheid dat bij het onder 1. telaste
gelegde feit heel goed mogelijk was geweest dat anderen dan het beoogde
slachtoffer waren geraakt en tengevolge daarvan hadden kunnen komen te
overlijden of meer of minder ernstig gewond hadden kunnen worden; – de
omstandigheid dat het hiervoor bewezen verklaarde feit 1. in de directe
woonomgeving van verdachte grote opschudding teweeg heeft gebracht;

op zich een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd zou moeten
worden.

Gelet op: – de omstandigheid dat het de rechtbank aannemelijk voorkomt dat
verdachte door het slachtoffer, haar ex-echtgenoot, regelmatig ernstig is
bedreigd en is mishandeld; – de huidige persoonlijke omstandigheden van
verdachte alsmede gelet op de afhankelijke positie van haar bij haar
verblijvende kinderen, zoals blijkt uit de verklaring van de gezinsvoogd
Z ter terechtzitting;

is de rechtbank van oordeel dat de onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan
worden vervangen door het verrichten van onbetaalde arbeid.

Verdachte heeft aangeboden onbetaalde arbeid ten algemenen nutte te willen
verrichten. De rechtbank heeft zich er van vergewist dat verdachte deze
arbeid binnen afzienbare tijd kan verrichten en dat deze past bij haar
persoon en haar persoonlijke omstandigheden.

De beslissing is gegrond, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke
voorschriften, op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 22d, 27, 57
en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

Rechtdoende:

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in zijn strafvervolging
van verdachte.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1.
primair is telastegelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de onder 1. subsidiair en 2. telastegelegde in voege
als bovenomschreven door de verdachte is begaan.

Verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten
zoals hierboven vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. subsidiair en 2. meer
of anders is telastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt
haar daarvan vrij.

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt haar te dier voege tot een gevangenisstraf voor de tijd van:
zes (6) maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij
de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich
voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee (2)
jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeling voorts tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen
nutte gedurende tweehonderd en veertig (240) uur

ter vervanging van zes (6) maanden gevangenisstraf.

Bepaalt dat op de voet van het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van
strafrecht de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze
uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, (8 dagen)
zijnde tweeentwintig (22) uur geheel in mindering zal worden gebracht.

De arbeid moet aanvangen zo spoedig mogelijk maar niet later dan zes (6)
maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis.

De arbeid moet binnen twaalf (12) maanden na aanvang zijn verricht.

De werkzaamheden dienen van zodanige aard te zijn, dat zij passen bij de
persoon van de veroordeelde.

Rechters

Mrs. Huygen, Schoute-Dijkstra, Molenaar, Maes

Instantie: Rechtbank Leeuwarden, 15 april 1993

Instantie

Rechtbank Leeuwarden

Samenvatting


Verkrachting; poging tot verkrachting. Onder “seksueel binnendringen van
het lichaam” van artikel 242 Sr valt ook het met seksuele bedoelingen
binnendringen van een lichaamsopening, zoals de mond, anus of vagina van
een slachtoffer.

Volledige tekst

Bewezenverklaring: De rechtbank heeft door de inhoud van deze
bewijsmiddelen, welke de redengevende feiten en omstandigheden opleveren
waarop de hierna te vermelden beslissing steunt, waarbij ieder
bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, telkens slechts is gebruikt voor het
bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft, de
overtuiging verkregen en acht mitsdien bewezen, dat de verdachte de
telastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1. Hij op 24 en 25 december 1992 te Leeuwarden, meermalen door geweld en
bedreiging met geweld B.K. heeft gedwongen tot het ondergaan van
handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam
van die B.K., hebbende verdachte die B.K. gedwongen te dulden dat
verdachte zijn ontblote penis in de ontblote vagina van die B.K. duwde en
een van zijn, verdachtes, vingers in de ontblote anus van die B.K. duwde
en zijn, verdachtes, ontblote penis in de mond van die B.K. bracht, en
bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld onder meer hierin dat
verdachte die B.K. heeft toegeschreeuwd -zakelijk weergegeven- dat zij
haar broek uit moest doen, omdat hij het anders zelf zou doen en die B.K.
heeft vastgepakt en meerdere malen in het gezicht en met een bierflesje
op het lichaam heeft geslagen en aan het haar heeft getrokken en van de
onder- en bovenkleding heeft ontdaan en dat hij verdachte zijn knieen op
de bovenarmen van die B.K. heeft gehad en dat hij, verdachte, meermalen
met zijn handen de keel van die B.K. heeft dichtgeknepen;

2. Dat hij op 12 december 1992 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door
verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld en bedreiging met geweld
M.K. te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het
seksueel binnendringen van het lichaam van die K.; die K. heeft vastgepakt
en daarna aan het door die K. op dat moment gedragen T-shirt en onderbroek
heeft getrokken waardoor deze scheurde en zijn, verdachtes, ontblote penis
bij de ontblote vagina van die K. heeft gehouden en die K. meermalen in
het gezicht en op het lichaam heeft geslagen en die K. meermalen aan het
haar heeft getrokken en meermalen het hoofd en de mond van die K. in de
richting van zijn, verdachtes, ontblote penis heeft gebracht, zijnde de
uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid alleen tengevolge
van de van verdachtes wil onafhankelijke omstandigheden dat het hem,
verdachte, niet lukte zijn, verdachtes, ontblote penis in de vagina van
die K. te brengen en zijn, verdachtes ontblote penis in de mond van die
K. te brengen omdat die K. telkens verzet bood. Verdachte zal van het meer
of anders telastegelegde worden vrijgesproken nu de rechtbank dat niet
bewezen acht.

Beraadslaging:

Ten aanzien van het telastegelegde onder 1. overweegt de rechtbank het
volgende.

Artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht is bij de Wet van 9 oktober
1991, Staatsblad 519, gewijzigd en luidt sinds de inwerkingtreding op 1
december 1992 als volgt: “Hij die door geweld of een andere feitelijkheid
of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingt tot het
ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel
binnendringen van het lichaam, wordt als schuldig aan verkrachting
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van
de vijfde categorie.”

Thans dient vastgelegd te worden of het in feit 1. van de telastelegging
omschreven a) duwen van zijn, verdachtes, vingers in de (ontblote) anus
van die B.K. en b) het brengen van zijn, verdachtes, (ontblote) penis in
de mond van die B.K. handelingen zijn welke moeten worden geacht te vallen
onder de zinsnede “seksueel binnendringen van het lichaam”, zoals genoemd
in voormeld artikel 242.

Uit het eerste voorstel van wet tot wijziging van de artikelen 242, 243,
246, 247 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, d.d. 22 november 1988,
blijkt dat het oorspronkelijk de bedoeling was aan artikel 246 een tweede
lid toe te voegen. In dit lid zouden specifieke vormen van aanranding, te
weten vormen van seksueel contact die voor het slachtoffer even kwetsend
kunnen zijn als geslachtsgemeenschap, zoals het oraal of anaal
binnendringen van het lichaam worden opgenomen. Daarbij werd voorgesteld
voor deze feiten een strafmaximum van twaalf jaar op te nemen om aan te
geven dat deze handelingen, die zowel ten aanzien van mannen als vrouwen
kunnen worden gepleegd, als even ernstig worden beschouwd als
verkrachting. [Memorie van Toelichting, pag. 7 op het voorstel van wet,
kamerstukken nr. 20 930, dd. 22 november 1988.]

Bij de vierde nota van wijziging, ontvangen 1 november 1990 is het eerdere
voorstel van wet gewijzigd ondermeer in die zin dat het voorstel om een
tweede lid aan artikel 246 toe te voegen is komen te vervallen en dat in
artikel 242 de woorden “seksueel binnendringen van het lichaam” zijn
gekomen in de plaats van de woorden “vleselijke gemeenschap”. In zijn
toelichting geeft de Minister aan dat hij thans, om technische redenen
aanleiding ziet het onderscheid tussen het in artikel 242 strafbaar
gestelde dwingen tot vleselijke gemeenschap en het dwingen tot het
ondergaan van seksuele handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit op
andere wijze binnendringen van het lichaam, te laten vervallen.

Voorts geeft de Minister aan dat het seksueel binnendringen van het
lichaam zowel vleselijke gemeenschap als andere vormen van binnendringen
(oraal/anaal) omvat terwijl onverkort het oordeel bleef gehandhaafd dat
het oraal en anaal seksueel binnendringen van het lichaam -zowel bij
mannen als bij vrouwen- een even ernstige inbreuk maakt op de lichamelijke
integriteit als het een vrouw dwingen tot vleselijke gemeenschap.

Het bovenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat, – ongeacht het
geslacht van het slachtoffer- het met seksuele bedoelingen binnendringen
van een opening zoals de mond, anus of vagina van een slachtoffer, valt
onder de reikwijdte van de woorden “seksueel binnendringen van het
lichaam” zoals omschreven in (ondermeer) artikel 242 van het Wetboek van
Strafrecht.

De rechtbank komt derhalve tot het oordeel dat de in feit 1.
bewezenverklaarde handelingen van het brengen van een vinger in de anus
van die B.K. en het duwen van verdachtes penis in de mond van die B.K.,
handelingen zijn die bestaan uit het seksueel binnendringen van het
lichaam zoals bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van strafrecht.
“Volgt: gevangenisstraf voor de tijd van 5 jaren.”

Rechters

Mrs. Wegener Sleeswijk, Smit en Van Dijk

Instantie: Rechtbank Dordrecht, 14 april 1993

Instantie

Rechtbank Dordrecht

Samenvatting


Gedaagde is veroordeeld voor seksueel misbruik van eiseres, die de
leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt, tot twaalf maanden
gevangenisstraf waarvan zes voorwaardelijk. Omdat gedaagde heeft betwist
dat er sprake is van psychische schade bij eiseres als gevolg van het
seksueel misbruik heeft de rechtbank een getuige-deskundige benoemd. Deze
moet een onderzoek verrichten naar de psychische gesteldheid van eiseres.
De rechtbank acht het op grond van het zorgvuldig gemotiveerde
deskundigenrapport voldoende aannemelijk dat eiseres psychische schade
heeft opgelopen door het seksueel misbruik van gedaagde. Daarom veroordeelt
de rechtbank gedaagde tot het betalen van ƒ 25.000,- immateriele
schadevergoeding aan eiseres.

Volledige tekst

Het verdere procesverloop

Verwezen wordt naar het tussenvonnis van de rechtbank van 6 mei 1992,
waarbij een deskundigen bericht is gelast, en mevr. N.J. Nicolai tot
deskundige is benoemd.

Het rapport van de deskundige is op 27 augustus 1992 ter griffie van de
rechtbank ontvangen, zoals blijkt uit een zich in het dossier bevindende
akte van depot.

Beide partijen hebben vervolgens een conclusie na deskundigenbericht
genomen, waarbij I een produktie heeft overgelegd.

Tenslotte hebben partijen onder overlegging van de stukken vonnis
gevraagd.

Beoordeling van het geschil

1. De deskundige heeft de aan haar gestelde vragen, zoals weergegeven in
het tussenvonnis van 6 mei 1992 samengevat en zakelijk weergegeven, als
volgt beantwoord. Zij verklaart op grond van haar onderzoek dat mevrouw
B lijdt aan een zogenaamde dissociatieve stoornis (N.A.O.), die zich in
haar geval kenmerkt door fenomenen van depersonalisatie, derealisatie,
aandachtsstoornis, verhoogde suggestibiliteit, identiteitsverwarring en
trance-gevoeligheid. Er zijn aanwijzingen dat deze stoornis de
ontwikkeling van een volwassen identiteit ernstig zal bemoeilijken. Een
dergelijke dissociatieve stoornis wordt gerekend tot een van de
verschijningsvormen van een post-traumatisch beeld, dat ontstaat als
seksueel misbruik op een kritieke leeftijd plaatsvindt. De deskundige acht
het voorts aannemelijk dat deze stoornis mede is veroorzaakt door de
handelingen van I, gezien de specifieke dissociatieve verschijnselen.

Zij acht het niet aannemelijk dat de slechte huwelijksrelatie tussen de
ouders van mevrouw B, de daaropvolgende scheiding en de slechte
persoonlijke relatie tussen mevrouw B en haar vader ook tot dergelijke
verschijnselen zouden kunnen leiden.

De deskundige noemt geen andere mogelijke oorzaken voor de dissociatieve
stoornis. Verschijnselen van de stoornis waar B nog dagelijks mee te maken
heeft zijn problemen in de interrelationele grenzen, stoornis in
concentratie en aandacht, blijven de kwetsbaarheid voor nieuwe
misbruikervaringen, identiteitszwakte en psychosomatische klachten als
maagpijn en rugklachten. De deskundige heeft voorts geconstateerd dat zij
nog last heeft van de resten van een geslachtsziekte (syphilis).

2. De rechtbank acht op grond van het zorgvuldig gemotiveerde
deskundigenrapport voldoende aannemelijk dat B psychische schade heeft
opgelopen door de handelingen van I, met name gezien de specifieke
stoornis die de deskundige heeft geconstateerd en het feit dat een
dergelijke stoornis gezien wordt als een van de typisch optredende
verschijnselen als gevolg van handelingen als door I gepleegd. In
tegenstelling tot wat I stelt noemt de deskundige geen andere mogelijke
oorzaken voor de geconstateerde stoornis. De stelling van I dat het feit
dat B syphilis heeft opgelopen de grondslag voor haar vordering minder
geloofwaardig maakt, volgt de rechtbank niet. Wat er ook zij van deze
besmetting en de oorzaak ervan, het blijft immers vast staan dat de
psychische schade van B in elk geval is veroorzaakt door het handelen van
I.

3. De door de deskundige geconstateerde klachten rechtvaardigen naar de
mening van de rechtbank de toewijzing van de vordering tot een bedrag van
ƒ 25.000,-, waarbij de rechtbank rekening heeft gehouden met het inkomen
en de persoonlijke omstandigheden van I. I zal als de in het ongelijk
gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld.

Beslissing

De rechtbank:

Veroordeelt I aan B te betalen een bedrag van ƒ 25.000,-
(vijfentwintigduizend gulden), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
23 april 1990 tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt I in de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van
B begroot op:

ƒ 2.485,– aan salaris procureur
ƒ 97,95 dagvaardingskosten van deurwaarder L. Timmer te Oud-Beijerland
ƒ 650,– in debet gesteld griffierecht
ƒ 150,– verschotten van de procureur
++++++++++
ƒ 3.382,95 totaal,
welk bedrag dient te worden voldaan aan de griffier van
de arrondissementsrechtbank te Dordrecht ingevolge artikel 57b van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mrs. Sikkel, Steenbergen en Ter Veer.

Instantie: Rechtbank Dordrecht, 14 april 1993

Instantie

Rechtbank Dordrecht

Samenvatting


Vordering ƒ 50.000,= immateriele schadevergoeding. Eiseres is op
12-jarige leeftijd seksueel misbruikt door gedaagde. Gedaagde maakte
misbruik van een vertrouwensrelatie tussen hem en eiseres. Gedaagde
betwist dat er psychische schade is; het initiatief zou van eiseres zijn
uitgegaan. De rechtbank gelast onderzoek naar psychische gesteldheid van
eiseres. Toewijzing ƒ 25.000,=.

Volledige tekst

Vonnis 30 oktober 1991 van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht,
meervoudige kamer voor burgerlijke zaken.

Het procesverloop

Bij met de dagvaarding overeenstemmende conclusie van eis heeft eiseres,
verder ook te noemen B onder overlegging van een productie gevorderd
gedaagde, verder ook te noemen Bi te veroordelen tot betaling van ƒ
50.000,=, vermeerderd met rente en kosten.

Bij conclusie van antwoord heeft Bi geconcludeerd tot afwijzing van de
vordering.

Vervolgens hebben partijen gerepliceerd en gedupliceerd waarbij van beide
zijden producties in het geding zijn gebracht.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en vonnis gevraagd.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak naar de meervoudige kamer verwezen.

Omschrijving van het geschil

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende bestreden,
alsmede op grond van de producties, voorzover niet betwist, staat het
volgende tussen partijen vast.

1.1. Bij vonnis van de rechtbank Dordrecht van 8 juni 1988 is Bi
veroordeeld wegens overtreding van artikel 245 Sr jegens B, geboren op 7
februari 1972, in de jaren 1984 tot en met 1987.

1.2. Het gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft het aan Bi ten laste gelegde
feit evenals de Rechtbank bewezen verklaard en eenzelfde straf opgelegd,
namelijk 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met
een proeftijd van twee jaren.

1.3. Het arrest van het Hof is door de Hoge Raad bevestigd behoudens een
correctie van een voor deze zaak niet relevant formeel gebrek.

2. B stelt de volgende feiten als grondslag voor haar vordering. Zij heeft
Bi leren kennen rond haar twaalfde jaar doordat zij af en toe op zijn
dochtertje paste. Zij kreeg op dat moment thuis niet de aandacht die zij
nodig had doordat haar ouders verwikkeld waren in een
echtscheidingsprocedure. Zij zocht steun bij Bi en er ontstond een
vertrouwensrelatie. Daarop heeft Bi het initiatief genomen tot seksuele
contacten en partijen hebben meerdere malen geslachtsgemeenschap gehad.

3. B stelt vervolgens zakelijk weergegeven dat Bi op deze wijze misbruik
heeft gemaakt van de tussen partijen ontstane vertrouwensrelatie,
onvoldoende rekening heeft gehouden met haar in verband met haar leeftijd
afhankelijke positie en daardoor onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld.
B heeft door het handelen van Bi, zo stelt zij, grote psychische schade
geleden. Haar klachten bestaan onder meer uit depressies, suicideneigingen
en het zich sociaal geisoleerd voelen. B stelt Bi aansprakelijk voor deze
schade, die zij begroot op ƒ 50.000,=.

4. Bi erkent een aantal malen geslachtsgemeenschap met B gehad te hebben
in de bedoelde periode, maar stelt dat het initiatief niet van hem doch
van B uitging. Bi stelt geen weerstand tegen de avances van B te hebben
kunnen bieden en bestrijdt dat zijn handelen onrechtmatig zou zijn
geweest. Hij ontkent psychisch of lichamelijk geweld tegen B gebruikt te
hebben. Bi betwist dat er sprake is van psychische schade bij B. Voorts
stelt hij dat, voorzover er al sprake is van psychische klachten bij B,
deze ook veroorzaakt kunnen zijn door andere traumatische gebeurtenissen
in haar leven. Bi stelt in 1988 een maandinkomen van ƒ 1229,50 te hebben
genoten en in 1989 ƒ 1498,= van welk inkomen hij zijn echtgenote en kind
dient te onderhouden.

Beoordeling van het geschil

5. Nu vaststaat dat Bi het misdrijf van art. 245 Sr heeft gepleegd jegens
B en er geen sprake is van een rechtvaardigingsgrond, staat daarmee ook
de onrechtmatigheid van zijn handelen vast. Art. 245 Sr beoogt immers de
bescherming van vrouwen beneden de leeftijd van 16 jaren tegen handelingen
zoals door Bi jegens B gepleegd, met als ratio het behoeden van de
minderjarige tegen inbreuken op seksueel gebied. Door de overtreding van
deze norm door Bi is een gerechtvaardigd belang van B aangetast, zodat zij
als grondslag van haar vordering art. 1407 BW kan aanvoeren.

6. Uit de aard van het aan Bi verweten handelen volgt dat dat handelen
slechts uit diens vrije wil en welbewust heeft kunnen plaatsvinden. Hem
treft op grond hiervan schuld hieraan.

7. Het is een feit van algemene bekendheid dat handelingen als door Bi
gepleegd psychische schade tot gevolg kunnen hebben. Nu Bi de door B
gestelde schade echter expliciet heeft betwist zal de Rechtbank een
onderzoek gelasten naar de psychische gesteldheid van B. De te benoemen
deskundige zal de oorzaken van mogelijke klachten van B in zijn of haar
onderzoek dienen te betrekken.

8. Teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich terzake en met name
over de persoon van de deskundige en de aan deze te stellen vragen uit te
laten zal de zaak naar de rol worden verwezen.

Beslissing

De Rechtbank:

Verwijst de zaak naar de rol van 27 november 1991 teneinde partijen in de
gelegenheid te stellen zich uit te laten terzake voormeld.

Houdt elke verdere beslissing aan.

Vonnis d.d. 6 mei 1992 van de Arrondissementsrechtbank te Dordrecht,
meervoudige kamer voor burgerlijke zaken.

In tussenvonnis van 6 mei 1992 worden de volgende vragen voor de
deskundige geformuleerd:

a. Kunt u een omschrijving geven van de psychische gesteldheid van mevrouw
B?

b. Is daarin een post-traumatisch beeld te herkennen?

c. Acht u het aannemelijk dat, indien een onder b. bedoeld beeld aanwezig
is, dit (mede) veroorzaakt is door de aan Bi verweten handelingen zoals
omschreven in de bewezenverklaring van het strafvonnis van de rechtbank
van 28 juni 1988?

d. Acht u het aannemelijk dat andere gebeurtenissen in het leven van
mevrouw B (mede) oorzaak zijn van een onder b. bedoeld beeld?

e. Op welke wijze ondervindt mevrouw B in het dagelijks leven de gevolgen
van een onder b. bedoeld beeld?

Vonnis d.d. 14 april 1993 van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht,
meervoudige kamer voor burgerlijke zaken.

Beoordeling van het geschil

1. De deskundige heeft de aan haar gestelde vragen, zoals weergegeven in
het tussenvonnis van 6 mei 1992 samengevat en zakelijk weergegeven, als
volgt beantwoord. Zij verklaart op grond van haar onderzoek dat B lijdt
aan een zogenaamde dissociatieve stoornis (N.A.O.), die zich in haar geval
kenmerkt door fenomenen van depersonalisatie, derealisatie,
aandachtsstoornis, verhoogde suggestibiliteit, indentiteitsverwarring en
trance-gevoeligheid. Er zijn aanwijzingen dat deze stoornis de
ontwikkeling van een volwassen identiteit ernstig zal bemoeilijken. Een
dergelijke dissociatieve stoornis wordt gerekend tot een van de
verschijningsvormen van een posttraumatisch beeld, dat ontstaat als
seksueel misbruik op een kritieke leeftijd plaatsvindt. De deskundige acht
het voorts aannemelijk dat deze stoornis mede is veroorzaakt door de
handelingen van Bi, gezien de specifieke dissociatieve verschijnselen.

Zij acht het niet aannemelijk dat de slechte huwelijksrelatie tussen de
ouders van mevrouw B de daaropvolgende scheiding en de slechte
persoonlijke relatie tussen mevrouw B en haar vader ook tot dergelijke
verschijnselen zouden kunnen leiden. De deskundige noemt geen andere
mogelijke oorzaken voor de dissociatieve stoornis. Verschijnselen van de
stoornis waar B nog dagelijks mee te maken heeft zijn problemen in de
interrelationele grenzen, stoornis in concentratie en aandacht, blijvende
kwetsbaarheid voor nieuwe misbruikervaringen, identiteitszwakte en
psychosomatische klachten als maagpijn en rugklachten. De deskundige heeft
voorts geconstateerd dat zij nog last heeft van de resten van een
geslachtsziekte (syphilis).

2. De rechtbank acht de grond van het zorgvuldig gemotiveerde
deskundigenrapport voldoende aannemelijk dat B. psychische schade heeft
opgelopen door de handelingen van Bi met name gezien de specifieke
stoornis die de deskundige heeft geconstateerd en het feit dat een
dergelijke stoornis gezien wordt als een van de typisch optredende
verschijnselen als gevolg van handelingen als door Bi gepleegd. In
tegenstelling tot wat Bi stelt noemt de deskundige geen andere mogelijke
oorzaken voor de geconstateerde stoornis. De stelling van Bi het feit dat
B syfilis heeft opgelopen de grondslag van haar vordering minder
geloofwaardig maakt, volgt de rechtbank niet. Wat er ook zij van deze
besmetting en de oorzaak ervan, het blijft immers vast staan dat
psychische schade van B in elk geval is veroorzaakt door het handelen van
Bi.

3. De door de deskundige geconstateerde klachten rechtvaardigen naar de
mening van de rechtbank de toewijzing van de vordering tot een bedrag van
ƒ 25.000,=, waarbij de rechtbank rekening heeft gehouden met het inkomen
en de persoonlijke omstandigheden van Bi. Bi zal als de in het ongelijk
gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld.

Beslissing

De Rechtbank:

Veroordeelt Bi aan B te betalen een bedrag van ƒ 25.000,=
(vijfentwintigduizend gulden), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
23 april 1990 tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt Bi in de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van
B begroot op: ƒ 2.485,= aan salaris procureur ƒ 97,95
dagvaardingskosten van deurwaarder L. Timmer te Oud-Beijerland ƒ 650,=
in debet gesteld griffierecht ƒ 150,= verschotten van de procureur

__________ ƒ 3.382,95 totaal, welk bedrag dient te worden voldaan aan de
griffier van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht ingevolge artikel
57b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

mrs. Sikkel, Steenbergen, Ter Veer

Instantie: Rechtbank Almelo, 14 april 1993

Instantie

Rechtbank Almelo

Samenvatting


Gedaagde heeft met eiseres, zijn dochter, ontucht gepleegd in de periode
van 1 januari 1985. Eiseres was bij het begin daarvan negen jaar oud.
Eiseres lijdt aan concentratiestoornissen, aanvallen van agressie en
depressie en nachtelijke angsten. Voorts heeft zij problemen op het gebied
van het aangaan van en omgaan met relaties op het gebied van de
seksualiteit en intimiteit. De rechtbank is van oordeel dat deze symptomen
vaak zeer langdurig van aard kunnen zijn. De rechtbank is van oordeel dat,
gezien de lange periode waarin de ontuchtige handelingen hebben
plaatsgevonden en de jeugdige leeftijd van eiseres toen gedaagde met deze
handelingen begon, het gevorderde bedrag alleszins redelijk is te noemen.
Gezien echter de financiele omstandigheden (gedaagde geniet een uitkering)
en zijn leeftijd (drieenvijftig jaar), waardoor een herintreden op de
arbeidsmarkt niet waarschijnlijk is, zal zij het bedrag dat gedaagde als
immateriele schade aan eiseres zal dienen te vergoeden naar billijkheid
vaststellen op ƒ 5.000,=. Gedaagde is voor genoemde ontucht
strafrechterlijk veroordeeld. Gedaagde wordt veroordeeld in de kosten van
het geding.

Volledige tekst

ten aanzien van het recht:

1. Tussen partijen staat als gesteld en erkend, dan wel niet of
onvoldoende betwist, mede op grond van de overgelegde produkties, het
navolgende vast:

-gedaagde heeft met eiseres, zijn dochter, ontucht gepleegd in de periode
van 1 januari 1985.

-eiseres was in 1981 negen jaar oud.

-gedaagde is voor genoemde ontucht veroordeeld door de politierechter bij
vonnis d.d. 17 oktober 1991, welk vonnis onherroepelijk is geworden.

2. Eiseres vordert betaling van een bedrag van ƒ 9.000,= van gedaagde en
zijn veroordeling in de kosten van het geding.

Zij stelt daartoe dat gedaagde zich heeft schuldig gemaakt aan een
misdrijf tegen de persoon van eiseres en daarmee aan een onrechtmatige
daad, ten gevolge waarvan zij ernstige psychische schade heeft geleden,
lijdt en nog zal lijden, welke schade door haar gefixeerd wordt op een
bedrag van ƒ 9.000,=.

3. Gedaagde erkent onrechtmatig gehandeld te hebben jegens eiseres, doch
hij ontkent dat eiseres tengevolge van zijn handelingen ernstige
psychische schade heeft geleden, nog lijdt en zal lijden.

4. Ten bewijze van de door haar gestelde psychische schade heeft eiseres
een schrijven overgelegd van mevrouw Cramer van het Jongeren Advies
Centrum en mevrouw Rauhe van het Algemeen Maatschappelijk Werk, waaruit
blijkt dat eiseres van november 1990 tot en met maart 1991, derhalve bijna
zes jaar nadat een einde was gekomen aan de ontuchtige handelingen van
gedaagde, heeft deelgenomen aan de “Verwerkingsgroep Incest voor Meiden”,
terwijl daarnaast individuele begeleiding noodzakelijk werden geacht.

Uit deze brief blijkt dat eiseres leed aan concentratiestoornissen,
aanvallen van agressie en depressie en nachtelijke angsten. voorts dat zij
problemen had op het gebied van het aangaan en omgaan met relaties en op
het gebied van de seksualiteit en intimiteit.

5. Gedaagde voert daartegen aan dat genoemde symptomen ook voort kunnen
vloeien uit de persoonsstructuur van eiseres.

6. De rechtbank is van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid
is dat dergelijke symptomen vaak optreden bij slachtoffers van incestueuze
handelingen en dat deze zeer langdurig van aard zijn. Op grond hiervan en
door de inhoud van genoemd schrijven staat naar het oordeel der rechtbank
voldoende vast dat eiseres psychische schade heeft geleden, waarschijnlijk
nog lijdt en zal lijden. Aan eiseres komt vergoeding van deze immateriele
schade toe.

7. Gedaagde stelt voorts het gevorderde bedrag niet te kunnen betalen: hij
is 53 jaar, geniet een RWW uitkering van ƒ 1.200,= per maand, waarop ƒ
73,= wordt ingehouden vanwege een gelegd beslag.

Zijn woonlasten bedragen ƒ 382,70 en aan ziekenfondspremie wordt ƒ 29,50
betaald en voor de WA verzekering ƒ 23,80.

Door eiseres wordt nog aangevoerd dat gedaagde een bedrag van ongeveer ƒ
1.200,= aan vakantiegeld zal ontvangen. Dit wordt niet betwist, zodat de
rechtbank zulks als vaststaand aanneemt.

De rechtbank is van oordeel dat, gezien de lange periode waarin de
ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden en de jeugdige leeftijd van
eiseres toen gedaagde met deze handelingen begon, het gevorderde bedrag
alleszins redelijk is te noemen. Gezien echter de financiele
omstandigheden en de leeftijd van gedaagde, waardoor een herintreden op
de arbeidsmarkt niet waarschijnlijk is, zal zij het bedrag dat gedaagde
als immateriele schade aan eiseres dient te vergoeden naar billijkheid
vaststellen op ƒ 5.000,=.

8. Gedaagde zal voorts als de in het ongelijk gestelde partij worden
veroordeeld in de kosten van het geding.

RECHTDOENDE:

I. Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan
eiseres te voldoen de somma van ƒ 5.000,= (vijfduizend gulden),
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 maart 1992 tot de dag der
algehele voldoening.

II. Verwijst gedaagde in de proceskosten tot op deze uitspraak aan de
zijde van eiseres begroot op ƒ 1.538,30, waarvan op de voet van artikel
57 d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te betalen aan de
griffier van deze rechtbank; ƒ 187,50 wegens in debet gesteld
griffierecht; ƒ 66,10 wegens dagvaardingskosten van deurwaarder P. Jansen
te Enschede; ƒ 1.200,= wegens salaris en verschotten van de procureur en
het restant aan de procureur van eiseres.

3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

4. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mrs. Breitbarth, Stoove en Timmer

Instantie: Commissie Gelijke Behandeling, 7 april 1993

Instantie

Commissie Gelijke Behandeling

Samenvatting


De onderhavige PAS-regeling, die per 1 april 1993 bij ambv in werking
trad, is in het kader van het zogenaamde leeftijdsbewuste personeelsbeleid
van de rijksoverheid tot stand gekomen. In dit sekse-neutrale
referentiekader stimuleert de PAS-regeling rijksambtenaren die onder meer
vijf jaar onafgebroken in dienst en 57 jaar en ouder zijn, de werkweek te
verminderen tot 32 uur tegen inlevering van de leeftijdsvakantiedagen en
een korting op het salaris van vijf procent. Vanaf 61 jaar kan de werkweek
(verder) worden teruggebracht tot 24 uur per week, met een salariskorting
van tien procent. Ambtenaren die minder dan 32 respectievelijk 24 uur per
week werken, vallen buiten de regeling. In de UCV emancipatiebeleid op 1
april j.l. – dezelfde dag dat de PAS- regeling in werking trad – twijfelde
(inmiddels oud- )staatssecretaris Ter Veld al hardop aan de
rechtsgeldigheid van deze regeling. Zij kreeg een week later gelijk van
de Commissie.

De Stichting landelijke ombudsvrouw brengt in de procedure gegevens naar
voren waaruit blijkt dat de criteria in de PAS- regeling vrouwen
onevenredig vaak buitensluiten, hetgeen zal leiden tot veelvuldige
ongelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke deeltijdambtenaren die
toch precies evenveel uren werken. De Commissie gelijke behandeling stelt
op basis van de relatieve statistische gegevens vast dat er sprake is van
een vermoeden van indirect onderscheid ten nadele van vrouwen: 45,64
procent van de vrouwelijke ambtenaren kunnen geen gebruik maken van de
regeling, tegen 12,58 procent van de mannelijke. De Commissie gaat bij het
beoordelen van de door de minister van Binnenlandse Zaken aangedragen
objectieve rechtvaardigingsgronden, in navolging van vaste eigen
jurisprudentie en vaste jurisprudentie van het EG-Hof, na of de
PAS-regeling (het middel) voldoende geschikt is om lager ziekte- en
invaliditeitsrisico van oudere werknemers (het doel) te bereiken. De
Commissie vindt van niet, onder meer omdat de Minister niet kan
onderbouwen dat het ziekte- en invaliditeitsrisico onder oudere werknemers
hoger is naarmate sprake is van een langere normale arbeidstijd.
Daarentegen blijkt uit gegevens wel dat onder oudere vrouwelijke
ambtenaren – die relatief vaak in deeltijd werken – langdurig
ziekteverzuim ruim anderhalf maal hoger is dan onder oudere mannen. De
uitvoeringstechnische bezwaren tegen het naar rato terugbrengen van de
werktijd van alle senioren in de rijksdienst acht de Commissie onvoldoende
onderbouwd en dus niet overtuigend. De Commissie meent vervolgens dat de
rijksoverheid zich als werkgever in deze niet kan beroepen op een mogelijk
problematische inpassing van kleine deeltijdbanen, nu de rijksoverheid in
het algemeen juist met verve en zonder clausulering het verrichten van
deeltijdwerk bevordert (in de praktijk kan een beroep op de PAS-regeling
overigens worden afgewezen met een beroep op het dienstbelang). Over de
onderhavige kwestie zijn tot tweemaal toe vragen gesteld door Tweede
Kamerleden van de PvdA (TK 1992-1993, Aanhangsel 477, 232 en TK 1992-1993,
Aanhangsel 594, 1215). In de tweede vragenronde, na bekendmaking van het
onderhavige Commissie-oordeel, verklaarde de minister van Binnenlandse
Zaken bereid te zijn met de centrales van overheidspersoneel te gaan
praten over het uitbreiden van de reikwijdte van de PAS-regeling. Het
oordeel van de Commissie over de vormgeving van deze seniorenregeling is
uiteraard ook van belang voor de marktsector, waar verscheidene op de
‘PAS-leest’ geschoeide senioren-regelingen op stapel staan.

Volledige tekst


5.8. De wederpartij heeft aangevoerd dat uitbreiding van de regeling tot
alle ambtenaren, ongeacht hun normale arbeidstijd, stuit op
uitvoeringsbezwaren.

In de eerste plaats zou de berekening van de inhoudingen dermate
gecompliceerd worden dat een andere berekeningswijze noodzakelijk zou
worden. De inhouding over de niet-gewerkte uren op het normale salaris zou
omgezet moeten worden in een uitkering over de niet-gewerkte uren. Een
dergelijke wijziging zou de kern van de regeling aantasten.

Dit argument is niet nader onderbouwd en heeft de Commissie dan ook niet
kunnen overtuigen. Integendeel, het komt de Commissie voor dat de
wederpartij niet of onvoldoende heeft overwogen respectievelijk heeft
nagegaan, of niet ook andere berekeningswijzen zouden kunnen worden
gehanteerd, die het ook voor kleinere deeltijdwerkers mogelijk zouden
maken te profiteren van werktijdvermindering. Andere berekeningswijzen
kunnen tevens tegemoetkomen aan het door verzoekster genoemde bezwaar dat
degenen die aan de PAS-regeling deelnemen een hogere beloning voor
hetzelfde aantal arbeidsuren ontvangen dan degenen die niet mogen
deelnemen.

In de tweede plaats zouden met name de kleinere deeltijdbanen bij
bijvoorbeeld een pro rata werktijdvermindering zodanig klein worden dat
het grote problemen geeft bij de inpassing daarvan in de
arbeidsorganisatie. De Commissie kan de wederpartij in deze argumentatie
niet volgen. Het beleid van de rijksoverheid is gericht op het bevorderen
van deeltijdwerk; hierbij geldt geen officiele ondergrens. Waar de
rijksoverheid in het algemeen geen beroep doet op problemen van
inpasbaarheid van kleine deeltijdbanen, kan zo’n beroep ook in de
onderhavige situatie niet slagen. Dit geldt te meer, nu gebruikmaking van
de PAS-regeling afgewezen kan worden om redenen van dienstbelang.

Op grond van het bovenstaande concludeert de Commissie dat de beperking
van werktijdvermindering tot ambtenaren die 32 uur respectievelijk 24 uur
werken niet noodzakelijk geacht kan worden. Ook kan niet worden gezegd dat
het te bereiken doel niet op een andere wijze, zonder indirect onderscheid
te maken, gerealiseerd kan worden.

5.9. Op grond van het bovenstaande concludeert de Commissie dat de door
de wederpartij aangedragen rechtvaardigingsgronden niet kunnen slagen.
(…)

6. Het oordeel van de Commissie De Commissie spreekt als haar oordeel uit
dat de Minister van Binnenlandse Zaken door ambtenaren van 57-61 jaar die
32 uur of minder werken respectievelijk ambtenaren van 61-65 jaar die 24
uur of minder werken uit te sluiten van de zogenaamde PAS- regeling,
indirect onderscheid maakt op grond van geslacht in strijd met artikel 1a
van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen. (…)

Rechters

Mrs. Evenhuis, De Rooij, Langemeijer, Heringa, en Hoens.