Instantie: Nationale Ombudsman, 22 maart 1993

Instantie

Nationale Ombudsman

Samenvatting


Mevrouw Z klaagde over het personeelsbeleid van haar voormalige
werkgever, een ziekenfonds, dat uiteindelijk had geleid tot een aan haar
gegeven ontslag op staande voet. Aanleiding voor het ontslag zou zijn
geweest de steun die zij had gegeven aan verzoekster die het slachtoffer
zou zijn geworden van de ongewenste intimiteiten van hun beider
afdelingshoofd. Haar klacht wordt grotendeels gegrond verklaard.

Volledige tekst

OVERWEGINGEN

1. Het door de Arbeidsinspectie uitgevoerde onderzoek

1.1. Vaststaat dat niet verzoekster -zoals in de klachtsamenvatting onder
KLACHT is opgenomen-, maar een ex- collega (hierna:mevrouw Z) van haar,
bij brief van 8 december 1990, een klacht indiende bij de
Arbeidsinspectie, 2e district Breda. Mevrouw Z klaagde in haar brief onder
meer over het personeelsbeleid van haar voormalige werkgever, een
ziekenfonds, dat uiteindelijk had geleid tot een aan haar gegeven ontslag
op staande voet. Aanleiding voor het ontslag zou zijn geweest de steun die
zij had gegeven aan verzoekster, die het slachtoffer zou zijn geworden van
de ongewenste intimiteiten van hun beider afdelingshoofd. Voor zover
verzoeksters klacht is gericht op de afhandeling van een door haar in
december 1990 ingediende klacht, is deze niet gegrond, nu is gebleken dat
zij zelf geen klacht heeft ingediend.

1.2. Voor zover verzoeksters klacht betreft het optreden van de
Arbeidsinspectie jegens haar bij de behandeling van de klacht van mevrouw
Z waarbij verzoeksters betrokkenheid onomstotelijk vaststaat, is het
volgende van belang. Na de ontvangst van de brief van mevrouw Z van 8
december 1990 nam een inspecteur van de Arbeidsinspectie telefonisch
contact op met verzoekster. Volgens de Arbeidsinspectie had dit initiatief
tot doel na te gaan of verzoekster prijs stelde op een onderzoek door de
Arbeidsinspectie. Deze vraag zou als zodanig ook aan haar zijn voorgelegd.
De Arbeidsinspectie stelt dat verzoekster in reactie daarop uitdrukkelijk
liet weten geen prijs te stellen op een onderzoek door de
Arbeidsinspectie, met name vanwege de arbeidsrelatie die zij nog had met
het ziekenfonds. Volgens verzoekster was tijdens dit telefoongesprek deze
vraag als zodanig niet aan haar gesteld, maar was aan haar medegedeeld dat
de Arbeidsinspectie geen bevoegdheid bezat om te onderzoeken of zij bij
het ziekenfonds slachtoffer was geworden van ongewenste intimiteiten.
Verzoekster wijst erop dat zij graag bij de Arbeidsinspectie een klacht
zou hebben ingediend indien haar daartoe door de Arbeidsinspectie de
mogelijkheid zou zijn geboden.

1.3. Omdat niet verzoekster, maar mevrouw Z de klacht had ingediend, zou
het inderdaad juist zijn geweest indien de Arbeidsinspectie eerst had
nagegaan of verzoekster kon instemmen met een onderzoek dat (ook) gericht
zou zijn geweest op het constateren van mogelijke ongewenste intimiteiten
van de zijde van een afdelingshoofd van het ziekenfonds jegens
verzoekster.

1.4. De Arbeidsinspectie noch verzoekster heeft aantekeningen gemaakt van
het telefoongesprek. De weergave van het telefoongesprek zoals de
Arbeidsinspectie die naar voren bracht, is echter niet plausibel.
Verzoekster had immers al per 1 maart 1990 bij het ziekenfonds ontslag
genomen, dat wil zeggen ruim negen maanden voor het bewuste
telefoongesprek. Daarentegen valt niet in te zien waarom verzoekster van
een onderzoek door de Arbeidsinspectie zou hebben willen afzien, nu zij
reeds een aantal andere mogelijkheden had onderzocht tot het indienen van
een klacht dan wel het halen van verhaal. Op grond van het bovenstaande
is verzoeksters lezing van het telefoongesprek met de Arbeidsinspectie
meer aannemelijk dan die van de Arbeidsinspectie.

1.5. Terzijde zij er op gewezen, dat indien verzoekster inderdaad zou
hebben laten weten geen prijs te stellen op een onderzoek naar de vraag
of er sprake is geweest van ongewenste intimiteiten jegens haar, de
Arbeidsinspectie een dergelijk onderzoek achterwege had moeten laten. Vast
staat dat de Arbeidsinspectie, onder meer door het aangaan van een gesprek
met de betrokken afdelingschef, tijdens het bezoek aan het ziekenfonds,
wel degelijk onderzoek heeft gedaan naar de klacht over de ongewenste
intimiteiten. Verzoekster is daarbij echter niet betrokken. Uit een
oogpunt van behoorlijk klachtonderzoek is deze handelwijze niet juist.
Verzoekster had -de ongewenste intimiteiten zouden immers op haar
betrekking hebben gehad- bij dit onderzoek ten volle moeten worden
betrokken. Voorts had zij in de gelegenheid moeten worden gesteld in een
voor haar vertrouwde omgeving haar standpunt uiteen te zetten. Zij had ook
moeten worden gevraagd te reageren op hetgeen van de zijde van het
ziekenfonds als zienswijze werd aangevoerd en op eventuele andere aan de
Arbeidsinspectie bekend geworden feiten en meningen. De eindconclusie had
haar schriftelijk, en met een toereikende motivering moeten worden
medegedeeld. Al deze beginselen van behoorlijke klachtbehandeling heeft
de Arbeidsinspectie ten onrechte niet in acht genomen.

1.6. Het is eveneens niet aannemelijk dat verzoekster in het
telefoongesprek van 21 mei 1991 is gevraagd of zij een klacht bij de
Arbeidsinspectie wenste in te dienen. In dit verband wordt gewezen op de
brief die verzoekster op 25 mei 1991 -4 dagen na dit telefoongesprek- zond
aan de Commissie Ongewenste Intimiteiten. Zij liet weten dat de inspecteur
haar telefonisch had uitgelegd dat “haar klacht (waarvan mevrouw Z in haar
brief van 8 december 1990 melding maakte) terzijde was gelegd omdat de
klacht niet door haarzelf was ingediend en omdat de Arbeidsinspectie niet
bevoegd is de klacht als zodanig te onderzoeken”.

De klacht is op dit punt gegrond.

1.7. Overigens moet worden opgemerkt dat het bij klachtonderzoek van groot
belang is dat verkregen informatie op enigerlei wijze wordt vastgelegd.
Het is dan ook onjuist dat van de gevoerde telefoongesprekken door de
Arbeidsinspectie geen aantekeningen zijn gemaakt.

2. De door de Arbeidsinspectie aan de Nationale Ombudsman verstrekte
informatie

2.1. Verzoekster stelt dat informatie die de Arbeidsinspectie over haar
aan de Nationale Ombudsman heeft verstrekt, op een aantal punten onjuist
is. Verzoekster acht zich met name gegriefd door een aantal opmerkingen
in de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de
Nationale ombudsman van 4 december 1991. Deze brief schreef de minister
in het kader van de klacht die mevrouw Z bij de Nationale ombudsman had
ingediend. Verzoekster had via mevrouw Z kennis genomen van deze brief,
die was gebaseerd op informatie die de Arbeidsinspectie had verstrekt aan
de minister.

2.2. In de brief van 4 december 1991 werd gesteld dat op uitdrukkelijk
verzoek van betrokkene (verzoekster) het bij het ziekenfonds in te stellen
onderzoek niet specifiek zou zijn gericht op haar klacht over ongewenste
intimiteiten. Zoals onder 1.4. is aangegeven, is het niet aannemelijk dat
zij een dergelijk verzoek zou hebben gedaan. De brief van 4 december 1991
is dan ook op dit punt onjuist. Voorts werd in de brief gesteld dat
verzoekster in eerste instantie de bemoeienissen van de aangeklaagde chef
had gewaardeerd en dat van seksuele (bij-) bedoelingen niets was gebleken.
Deze conclusies waren gebaseerd op -zoals onder 1.5 is overwogen-
volstrekt ontoereikend klachtonderzoek en misten derhalve een deugdelijke
motivering. De klacht is ook in dit opzicht gegrond.

OORDEEL

De onderzochte gedraging van de Arbeidsinspectie, 2e district, te Breda,
die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid, is niet behoorlijk, behoudens met betrekking tot de
klacht die door verzoekster zou ingediend zijn in december 1990. Op dit
punt is de gedraging behoorlijk.

Rechters

mr. Drs. H. Oosting

Instantie: Nationale Ombudsman, 22 maart 1993

Instantie

Nationale Ombudsman

Samenvatting


Klaagster klaagt over het personeelsbeleid dat haar werkgever, een
ziekenfonds, ten aanzien van haar had gevoerd, en over de ongewenste
intimiteiten waarvan haar collega slachtoffer zou zijn geworden. De
Nationale Ombudsman oordeelt dat de onderzochte gedraging niet behoorlijk
is. Dit onderdeel van haar klacht wordt gegrond verklaard.

Volledige tekst

OVERWEGINGEN

1. Behandeling klacht van 8 december 1990

1.1. De klacht die verzoekster had ingediend bij de Arbeidsinspectie, 2e
district, te Breda was in feite tweeledig: zij klaagt over het
personeelsbeleid dat haar werkgever, een ziekenfonds, ten aanzien van haar
had gevoerd, en over de ongewenste intimiteiten waarvan haar collega
(hierna aangeduid als mevrouw X) slachtoffer zou zijn geworden. Bij haar
klachtbrief had zij als aanwijzing van het tekortschietende
personeelsbeleid een kopie gevoegd van de brief die zij daarover op 15
januari 1990 had geschreven aan haar vakbond. Tevens had zij een kopie
overgelegd van de brief die de moeder van mevrouw X op 3 april 1990 had
gezonden aan de directeur van het ziekenfonds over de ongewenste
intimiteiten.

1.2. Na de ontvangst van verzoeksters brief nam de Arbeidsinspectie
telefonisch contact op met mevrouw X. In rapport 93/144 dat werd opgesteld
op basis van het onderzoek naar aanleiding van de klacht van mevrouw X
wordt ingegaan op de inhoud van dit telefoongesprek en de handelwijze van
de Arbeidsinspectie ter zake.

1.3. Kort na het telefoongesprek stelde de Arbeidsinspectie bij het
ziekenfonds een onderzoek in. De Arbeidsinspectie heeft nagelaten
verzoekster door een behandelingsbericht of anderszins te informeren over
hetgeen met dit onderzoek werd beoogd: een algemeen onderzoek naar het
personeelsbeleid van het ziekenfonds, een onderzoek naar de beweerde
intimiteiten, of beide. Dit is onjuist.

1.4. De Arbeidsinspectie heeft volstaan met de uiterst summiere mededeling
van 21 februari 1991 dat een onderzoek bij het ziekenfonds was ingesteld,
dat was gesproken met verschillende betrokkenen en dat was geconcludeerd
tot ongegrondverklaring van de klacht. Daarmee is de Arbeidsinspectie
jegens verzoekster uit een oogpunt van behoorlijke klachtbehandeling
tekortgeschoten. Uit de gedane mededeling valt niet op te maken of, en zo
ja in hoeverre, de Arbeidsinspectie onderzoek had gedaan naar een of beide
aspecten van verzoeksters klacht, en evenmin welke personen bij het
onderzoek werden betrokken. Daarnaast is het onjuist dat is nagelaten om
van verzoekster een reactie te vragen op de zienswijze van het ziekenfonds
en op eventuele andere bevindingen, alvorens een conclusie te trekken.
Daar komt bij dat gebleken is dat de mededeling een ernstige tekortkoming
bevatte: verzoeksters klacht was door de Arbeidsinspectie in feite
“vermoedelijk ongegrond” bevonden, in plaats van zonder meer “ongegrond”
zoals in de mededeling was aangegeven. Tenslotte valt het de
Arbeidsinspectie te verwijten dat zij de vele mogelijkheden die zich na
21 februari 1991 voordeden om over te gaan tot correctie van deze foutieve
mededeling, onbenut heeft gelaten. Dit onderdeel van de klacht is gegrond.

2. Inzage rapport

Verzoekster heeft herhaaldelijk schriftelijk verzocht om (inzage van) het
rapport waarvan zij veronderstelde dat de Arbeidsinspectie dat had
opgesteld naar aanleiding van haar klacht. De Arbeidsinspectie deelde haar
bij brief van 28 juni 1991 mede dat het rapport niet aan haar kon worden
toegezonden vanwege het vertrouwelijke karakter ervan. Zij werd daarbij
er op gewezen dat zij tegen deze weigering in beroep kon gaan bij de
minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Een beroepstermijn werd
niet genoemd. In reactie op de klacht heeft de minister gesteld dat de
Arbeidsinspectie met betrekking tot verzoeksters klacht geen rapport had
opgesteld. Het is begrijpelijk dat verzoekster, ontevreden over de
summiere informatie die de Arbeidsinspectie over het onderzoek had
verstrekt, om nadere gegevens vroeg. Het ligt immers voor de hand dat de
bevindingen en het resultaat van een onderzoek schriftelijk worden
vastgelegd, bijvoorbeeld in een rapport. Gebleken is dat de
Arbeidsinspectie op 5 februari 1991 een verslag heeft opgesteld van het
bezoek aan het ziekenfonds. Hoewel dit verslag niet het karakter heeft van
een ‘rapport’ – er is geen sprake van een duidelijke omschrijving van het
onderzoeksdoel, de bevindingen en de conclusie(s)- had de Arbeidsinspectie
het bestaan ervan aan verzoekster moeten meedelen. Tevens had aan
verzoekster duidelijk moeten worden gemaakt dat het verslag de enige
schriftelijke weergave van het onderzoek was waarover de Arbeidsinspectie
beschikte. Indien de Arbeidsinspectie van mening was geweest dat het
verslag zodanig vertrouwelijk was dat het niet aan verzoekster (ter
inzage) had kunnen worden gegeven, had dat aan haar moeten worden
uitgelegd. In dat geval had verzoekster ook moeten worden gewezen op de
mogelijkheden van de Wet openbaarheid van bestuur om tegen deze weigering
op te komen. Het is onjuist dat dit alles is nagelaten. Ook dit onderdeel
van de klacht is gegrond.

3. Informatieverstrekking over de bij de Nationale Ombudsman ingediende
klacht

De directeur van het ziekenfonds nam eind 1991/begin 1992 telefonisch
contact op met de Arbeidsinspectie, waarbij hij informeerde naar de stand
van zaken met betrekking tot de klacht die verzoekster had ingediend bij
de Arbeidsinspectie. Tijdens dat telefoongesprek deelde de
Arbeidsinspectie aan de directeur van het ziekenfonds mede dat verzoekster
bij de Nationale Ombudsman een klacht over de Arbeidsinspectie had
ingediend. Over de inhoud van de klacht zijn volgens de Arbeidsinspectie
geen mededelingen gedaan. De Arbeidsinspectie stelt dat zij als gevolg van
verzoeksters klacht bij de Nationale Ombudsman, daarbij partij was
geworden. In die positie zou de Arbeidsinspectie bevoegd zijn om
mededelingen te doen aan derden over de procedure bij de Nationale
Ombudsman. De Arbeidsinspectie kan in haar zienswijze op dit punt worden
gevolgd. Er bestaat geen wettelijke verplichting tot geheimhouding indien
sprake is van een over de Arbeidsinspectie ingediende klacht. Niet valt
in te zien hoe verzoekster is of zou kunnen zijn geschaad door de
informatie die de Arbeidsinspectie heeft verstrekt aan de directeur van
het ziekenfonds. Dit onderdeel van de klacht is niet gegrond.

OORDEEL

De onderzochte gedraging van de Arbeidsinspectie, 2e district, te Breda,
die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid, is niet behoorlijk, behoudens de
informatieverstrekking aan de directeur van het ziekenfonds over de bij
de Nationale Ombudsman ingediende klacht. Op dat punt is de gedraging
behoorlijk.

Rechters

mr. Drs. H. Oosting

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 18 maart 1993

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Een vrouw wordt niet aangenomen als keuringslaborant met als reden
dat de functie voor een vrouw niet geschikt zou zijn. Het betreft een
functie waarvoor enige fysieke kracht nodig is in verband met het tillen
van zware verfblikken. Het hof kent ƒ 5.000,- immateriele
schadevergoeding toe ’ter bevrediging van haar geschonden rechtsgevoel
door de bejegening van de werkgever’. De toekenning van immateriele
schadevergoeding in een zaak waarbij geen lichamelijk letsel is
opgetreden, is nieuw. De rechter anticipeert hiermee op de mogelijkheden
die het NBW biedt, terwijl de feiten zich voor de invoering van het NBW
hebben voorgedaan.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Bij dagvaarding van 21 augustus 1990 is appellante -H- in hoger
beroep gekomen van de vonnissen die de arrondissementsrechtbank te Haarlem
in de zaak met het rolnummer 2089.86 tussen haar als eiseres en
geintimeerde – SBK- als gedaagde heeft gewezen en die op 10 januari 1989
en 5 juni 1990 zijn uitgesproken.

1.2. Bij “conclusie van gewijzigde eis” heeft H tegen de vonnissen waarvan
beroep dertien grieven aangevoerd een stuk overgelegd, haar in prima
gedaan bewijsaanbod herhaald en geconcludeerd dat het hof de vonnissen zal
vernietigen en opnieuw rechtdoende:

-zal verklaren voor recht dat geintimeerde door het plaatsen van de
advertentie van 22 december 1984 en de daarop volgende
sollicitatieprocedure alsmede door het plaatsen van de advertentie van 7
februari 1986 (het hof leest: 1985) en de daarop gevolgde weigering de
sollicitatie van appellante in behandeling te nemen, onrechtmatig jegens
appellante heeft gehandeld;

-geintimeerde zal veroordelen tot een schadevergoeding van tenminste 3x
ƒ 2.150,– = ƒ 6.450,– of zoveel meer als het hof juist zal achten, te
vermeerderen met de wettelijke rente sedert 22 september 1986;

– geintimeerde zal veroordelen om aan appellante een schadevergoeding
wegens immateriele schade te betalen, groot ƒ 5.000,– althans het bedrag
dat het hof redelijk en billijk zal oordelen, eveneens vermeerderd met de
wettelijke rente vanaf 22 september 1986;

-geintimeerde zal veroordelen in de kosten van het geding in beide
instanties.

1.3. Bij memorie van antwoord tevens voorwaardelijke memorie van eis in
incidenteel appel heeft SBK de grieven bestreden, bewijs aangeboden en
geconcludeerd dat het hof de vonnissen waarvan beroep, eventueel onder
aanvulling van gronden, zal bekrachtigen, kosten rechtens. Voor het geval
het hof een of meer van de door H aangevoerde grieven gegrond mocht achten
heeft SBK twee grieven tegen het tussenvonnis opgeworpen en, zo neemt het
hof aan, bedoeld te concluderen dat het hof dat vonnis zal vernietigen en
de vorderingen van H zal afwijzen, kosten rechtens.

1.4. H heeft hierna bij conclusie van antwoord het (voorwaardelijk)
incidenteel appel geconcludeerd tot afwijzing van het incidenteel appel
en veroordeling van SBK in de daarop betrekking hebbende kosten.

1.5. Tenslotte zijn de stukken van het geding in beide instanties, waarvan
de inhoud als hier overgenomen geldt, aan het hof overgelegd voor het
wijzen van arrest.

2. De grieven van het principaal appel

2.1. De grieven in het principaal appel bestaan uit een algemene grief,
tevens “inleiding” en twaalf verdere grieven aan welke in de meeste
gevallen echter een beknopte samenvatting van het betreffende van
appellante ontbreekt.

Het hof heeft bij deze stand van zaken terwille van de behandeling deze
beknopte samenvatting zelf gemaakt, waarbij aangetekend wordt dat door
appellante geopperde bezwaren die niet in de aldus geformuleerde grieven
zijn te vinden, door het hof zonder uitzondering zijn beschouwd als
toelichting en uitwerking van de daarin wel uitdrukkelijk opgenomen
bezwaren.

2.2. De algemene Grief (grief I) houdt in:

De rechtbank heeft ten onrechte het voorgelegde feitencomplex “per
afzonderlijke gebeurtenis” beoordeeld en niet in zijn geheel, zulks met
als gevolg dat de rechtbank enerzijds in haar vonnis van 10 januari 1989
tot het oordeel is gekomen dat SBK onrechtmatig jegens H heeft gehandeld
door overtreding van de bepalingen van de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen, anderzijds in haar eindvonnis van 5 juni 1990 de
vorderingen van H heeft afgewezen.

De rechtbank heeft daarbij meer in het bijzonder nagelaten de Nederlandse
nationale wetgeving op zodanige wijze uit te leggen dat de toepassing
daarvan niet in strijd komt met het beginsel van gelijke behandeling,
bedoeld in het bijzonder in artikel 3 van de zogenaamde tweede richtlijn
(nmmer 76/207/EEG) van de Raad van Ministers van 9 februari 1976 en met
andere verdragen en wetten waarin het non- discriminatiebeginsel is
vastgelegd.

2.3. De grieven tegen het vonnis van 10 januari 1989 houden het volgende
in:

Grief 2:

De rechtbank heeft ten onrechte in haar samenvatting van de vorderingen
van H het onderdeel van H’s vorderingen waarin H een declaratoire
uitspraak vraagt aldus geformuleerd dat daarin niet als bestanddeel van
SBK’s onrechtmatige handelwijze is vermeld: het niet in behandeling nemen
van de sollicitatie van H naar aanleiding van de advertentie van 7
februari 1985.

Grief 3:

Ten onrechte heeft de rechtbank er geen blijk van gegeven dat de
zienswijze van de Commissie Gelijke Behandeling van Mannen en Vrouwen bij
de Arbeid voor haar enig gewicht in de schaal heeft gelegd.

Grief 4:

Ten onrechte heeft de rechtbank de advertentie van 22 december 1984 niet
in strijd geoordeeld met artikel 3, lid 1 van de Wet gelijke Behandeling
van Mannen en Vrouwen (WGB) zoals dit destijds luidde.

Grief 5:

Ten onrechte heeft de rechtbank het plaatsen door SBK van de advertentie
van 7 februari 1985 niet aangemerkt als tevens onrechtmatig jegens H.

Grief 6:

Ten onrechte heeft de rechtbank in rechtsoverweging 17 niet geoordeeld dat
met het onrechtmatig handelen van SBK tevens de causaliteit met de schade
is gegeven.

Grief 7:

Ten onrechte heeft de rechtbank de materiele schade van H niet forfaitair
vastgesteld op drie maanden loon.

Grief 8:

Ten onrechte heeft de rechtbank H’s vordering tot vergoeding van
immateriele schade afgewezen zonder in te gaan op alle door H voor die
vordering aangevoerde gronden, in het bijzonder de voor haar door het
ontbreken van een vaste baan ontstane onzekerheid en de discriminatie door
SBK.

Grief 9:

Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat de gevorderde immateriele
schade niet op de wet berust.

2.4. De grieven tegen het vonnis van 5 juni 1990 houden het volgende in:

Grief 10:

Ten onrechte is de rechtbank voorbijgegaan aan de door H bij akte van 26
september 1989 en van 21 november 1989 ontwikkelde stellingen.

Grief 11:

Ten onrechte heeft de rechtbank ook in haar vonnis van 5 juni 1990
nagelaten de materiele schade van H forfaitair vast te stellen op drie
maanden loon. (Deze grief is gelijk aan de zevende grief).

Grief 12:

Ten onrechte heeft de rechtbank de vorderingen van H afgewezen; zelfs
wanneer het oordeel dat aan H geen schadevergoeding toekomt juist zou
zijn, zou zij belang hebben bij de gevorderde verklaring voor recht dat
de afwijzing zoals geformuleerd in SBK’s brief van 16 januari 1985 jegens
haar discriminatoir en mitsdien onrechtmatig is.

Grief 13:

Ten onrechte heeft de rechtbank H in het ongelijk gesteld en haar in de
proceskosten veroordeeld.

3. De grieven van SBK in het incidenteel appel

Grief I:

Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat SBK onrechtmatig jegens H
heeft gehandeld.

Grief II:

Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat het causaliteitsverweer van
SBK faalt omdat SBK de onzekerheid (of H in de vacature zou zijn benoemd
bij een correcte behandeling van haar sollicitatie) aan zichzelf te wijten
heeft.

4. Vaststaande feiten

Partijen hebben geen van beiden grieven aangevoerd tegen rechtsoverweging
1 van het vonnis van 10 januari 1989 waarin de rechtbank heeft geoordeeld
dat de daarin onder a tot en met h opgeomde feiten tussen partijen
vaststaan. Ook het hof gaat dus van die feiten uit.

5. Behandeling van de grieven 1 tot en met 5 in het principaal appel

5.1. Het hof zal H’s algemene grief tezamen behandelen met de twaalfde
grief voorzover in beide grieven bezwaar wordt gemaakt tegen de beslissing
van de rechtbank in haar vonnis van 5 juni 1990 dat alle vorderingen van
H moeten worden afgewezen, met inbegrip van de vordering strekkende tot
verklaring voor recht dat SBK onrechtmatig jegens H heeft gehandeld,
hoewel de rechtbank in haar vonnis van 10 januari 1989 had overwogen dat
SBK door de behandeling van H’s sollicitatie onrechtmatig jegens haar
heeft gehandeld.

5.2. Afgezien van de voormelde kwestie, waarover verder hierna onder 7.9,
zijn de door H in de toelichting op de algemene grief naar voren gebrachte
bezwaren niet steekhoudend. Het stond de rechtbank vrij de verschillende
elementen van de handelwijze van SBk afzonderlijk te analyseren en te
toetsen aan de te dezen toepasselijke bepalingen van de WGB.

5.3. Hiervan uitgaande is het vervolgens nog de vraag of de rechtbank de
advertentie van 7 februari 1985 voor wat betreft de positie tegenover H
buiten beschouwing mocht laten. De rechtbank heeft te dien aanzien
overwogen dat het plaatsen van die advertentie niet als een nieuwe of
verdere onrechtmatige handelwijze jegens H kan worden beschouwd, omdat H
immers reeds bij brief van SBK van 16 januari 1985 als sollicitante naar
dezelfde vacature was afgewezen.

Het hof deelt de opvatting van de rechtbank dat SBK’s door de rechtbank
onrechtmatig geoordeelde handelwijze ten opzichte van H voltooid was met
de afwijzing bij de brief van 16 januari 1985. Het niet meer reageren door
SBK op appellantes sollicitatie naar aanleiding van de advertentie van 7
februari 1985 voegt niets toe aan de door de rechtbank onrechtmatig
geachte afwijzing van 16 januari 1985; men kan daaruit slechts concluderen
dat die afwijzing werd gehandhaafd.

Deze op een toepassing van het relativiteitsbeginsel bij onrechtmatige
daad berustende beslissing van de rechtbank is niet in strijd met enige
wettelijke of verdragsrechtelijke bepaling waarin het
non-discriminatiebeginsel is vastgelegd.

Grief I heeft derhalve geen succes.

5.4. De tweede grief faalt -wat er zij van hetgeen H ter toelichting heeft
gesteld- op dezelfde grond.

5.5. De derde grief mist feitelijke grond. De rechtbank heeft blijkens
rechtsoverweging 6 van het vonnis van 10 januari 1989 het advies van de
Commissie Gelijke Behandeling bij haar oordeelvorming betrokken. De
rechtbank is met betrekking tot de afwijzing van H’s sollicitatie bij
SBk’s brief van 16 januari 1985 tot geen andere conclusie gekomen dan de
genoemde commissie. Het verwijt dat uit het vonnis niet zou blijken dat
de zienswijze van de commissie enig gewicht in de schaal heeft gelegd is
dus ongegrond.

5.6. De vierde grief betreft het oordeel van de rechtbank over de
afvertentie van 22 december 1984. De rechtbank is van oordeel dat deze
advertentie voldoende neutraal is gesteld om niet in strijd te komen met
artikel 3 lid 1 WGB (oud).

Deze bepaling luidde tot aan het inwerkingtreden van de wijzigingswet van
27 april 1989 (Stb. 168) als volgt:

Artikel 3

1. Het is niet toegelaten in de advertentie waarin een betrekking
aangeboden wordt of bij de behandeling bij de vervulling van een
openstaande betrekking onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen,
hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk bijvoorbeeld door verwijzing naar
de echtelijke staat of de gezinsomstandigheden. Het in dit artikel
bepaalde is niet van toepassing in die gevallen waarin het geslacht
bepalend is.

De WGB is bij de genoemde wijzigingswet van 1989 op enkele punten,
waaronder het punt van personeelsadvertenties verduidelijkt en
geconcretiseerd, in het bijzonder door de toevoeging van een derde en
vierde lid aan artikel 3, luidende:

3. Het aanbieden van een betrekking, bedoeld in het eerste lid, geschiedt
wat betreft tekst en vormgeving zodanig, dat duidelijk blijkt, dat zowel
mannen als vrouwen in aanmerking komen.

4. Indien voor de aangeboden betrekking een functiebenaming wordt
gebruikt, wordt of zowel de mannelijke als de vrouwelijke vorm gebruikt,
of uitdrukkelijk vermeld, dat zowel vrouwen als mannen in aanmerking
komen.

Een in 1984 geplaatste advertentie behoefde nog niet te voldoen aan de in
1989 van kracht geworden nader geconcretiseerde normen, in het bijzonder
het nieuwe lid 4. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de geplaatste
advertentie voldoende neutraal is gesteld om niet in strijd te komen met
de bepaling van het hiervoor geciteerde artikel 3 lid 1 WGB. De grief
faalt.

5.7. In de vijfde grief bestrijdt appellante het oordeel van de rechtbank
dat de advertentie van 7 februari 1985 weliswaar onrechtmatig is maar niet
onrechtmatig jegens H, die immers reeds als sollicitante was afgewezen.
Deze grief faalt op grond van hetgeen hiervoor sub 5.3 is overwogen: de
rechtbank heeft terecht aan de tweede advertentie en het vervolg daarop
niet de betekenis gehecht van een nieuwe onrechtmatige handelwijze van SBK
jegens de reeds afgewezen H.

6. De behandeling van grief I in het incidenteel appel

6.1. Uit systematische overwegingen zal het hof thans eerst grief I van
SBK in het (voorwaardelijk) incidenteel appel behandelen. SBK maakt in
deze grief bezwaar tegen de beslissing waarbij de rechtbank in de
rechtsoverwegingen 14 en 15 van haar tussenvonnis de behandeling van H’s
sollicitatie door SBK, meer in het bijzonder de afwijzing daarvan bij
SBK’s brief van 16 januari 1985, heeft aangemerkt als in strijd met het
verbod van artikel 3 lid 1 WGB (oud) en derhalve als jegens H
onrechtmatig.

6.2. SBK voert onder andere aan dat in haar brief van 16 januari 1985 wel
sprake is van een wat ongelukkige formulering maar dat daaruit niet, zoals
de rechtbank heeft gedaan, mag worden geconcludeerd dat SBK destijds het
gebrek aan fysieke kracht (nodig voor het vervullen van zwaar werk) op een
lijn stelde met het vrouw zijn van H. Ook enkele mannelijke sollicitanten
zouden, aldus SBK, zijn afgewezen, onder meer omdat zij ‘zo op het oog’
niet voor zwaar fysiek werk geschikt leken.

6.3. Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank in de
rechtsoverwegingen 14 en 15. SBK schrijft H dat zij haar sollicitatie
afwijst omdat: ‘(…) wij voor deze functie helaas geen vrouw kunnen
aannemen’. Hiermee geeft SBK aan H te kennen dat zij haar voor de functie
van aankomend keuringslaborant niet geschikt acht, omdat zij een vrouw is.
Dat is in strijd met het discriminatieverbod van artikel 3 lid 1 WGB
(oud). Waar SBK stelt dat deze formulering weliswaar ‘ongelukkig’ is, maar
tegen de ‘achtergrond’ van de reden van afwijzing – het zou gaan om fysiek
zwaar werk, waarvoor ook mannelijke sollicitanten werden afgewezen – niet
discriminerend is, miskent SBK dat het bij discriminatie (mede) gaat om
de uiting, zoals deze door de betrokkene kan en mag worden opgevat.

7. De behandeling van de grieven 6 tot en met 13 in het principaal appel

7.1. Bij de zesde grief heeft appellante geen belang, nu de rechtbank in
rechtsoverweging 17 heeft beslist dat er geen reden is SBK toe te laten
tot bewijs van haar stelling dat het geenszins zeker is dat H bij een
correcte behandeling van haar sollicitatie in de vacature zou zijn benoemd
en deze na benoeming zou hebben behouden.

De mening van appellante dat het arrest van het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen van 8 november 1990 in de zaak nummer 177/88
(Dekker/Stichting Vormingscentrum) zou inhouden of meebrengen dat het
vereiste van causaal verband tussen de onrechtmatige handelwijze
(discriminatie) en de geleden schade waarvan vergoeding wordt gevorderd,
geen rol meer zou spelen, berust op onjuiste lezing van dit arrest.

7.2. De zevende grief richt zich tegen het door de rechtbank gehanteerde
uitgangspunt voor de berekening van de door H gevorderde schade wegens
inkomensderving, te weten een concrete vergelijking tussen het loon dat
H in die periode bij SBK had kunnen verdienen en het loon dat zij
daadwerkelijk heeft verdiend. H bepleit in deze grief – voor het eerst in
hoger beroep – dat haar materiele schade tenminste moet worden begroot op
een forfaitair bedrag gelijk aan drie maanden (CAO- ) loon en zij wijzigt
haar eis in deze zin. Ter toelichting stelt H dat toewijzing van een
dergelijk forfaitair bedrag aansluit bij artikel 7A:1639o van het
Burgerlijk Wetboek en de artikelen 15 en 16 van de Wet op de collectieve
arbeidsovereenkomst. Voorts, dat toekenning van een forfaitair bedrag ook
beantwoordt aan de doelstelling van ‘bestraffing’ die H in eerdergenoemd
arrest van het Europese Hof van Justitie leest.

7.3. De grief faalt. Dit onderdeel van de vordering betreft
inkomensschade. Een dergelijke aan de persoon gebonden vorm van schade
wordt hier te lande in beginsel concreet berekend. Toepassing van een
concrete benadering leidt ook niet tot een onbillijke uitkomst. H blijkt
immers – zie het in dit opzicht niet bestreden eindvonnis – geen inkomsten
te hebben gederfd. Uit artikel 7A:1639o lid 4 van het Burgerlijk Wetboek
en artikel (15 en) 16 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst
laat zich veeleer afleiden dat voor het vorderen van een gefixeerde (of
forfaitaire) schadevergoeding (artikel 7A:1639o lid 4 BW) of immateriele
schadevergoeding (artikel 16 Wet CAO) een uitdrukkelijke wettelijke
bepaling is vereist. De Wet gelijke behandeling voorziet niet in de
mogelijkheid een gefixeerde schadevergoeding te vorderen. In zijn
uitspraak van 8 november 1990 verwijst het Europese Hof van Justitie voor
de invulling van de schadevergoeding naar het nationale recht. Het
Europese Hof benadrukt daarbij dat de schadevergoeding wegens ongelijke
behandeling een ‘echt afschrikwekkende werking’ dient te hebben. Binnen
het Nederlandse schadevergoedingsrecht biedt de aanspraak op vergoeding
van immateriele schade (eventueel) de ruimte met die eis rekening te
houden.

7.4. De achtste en negende grief betreffende de afwijzing van de door H
gevorderde vergoeding van immateriele schade. Het hof zal deze grieven
gezamenlijk behandelen.

De rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van immateriele schade
afgewezen als niet berustend op de wet. Appellante wijst er terecht op dat
de rechtbank weliswaar de bepaling van artikel 6:106, lid 1, van het (toen
nog) Nieuw Burgerlijk Wetboek noemt maar daarbij alleen ingaat op het
aldaar bepaalde in de aanhef en sub a (waar sprake is van het oogmerk
nadeel toe te brengen) en niet op het bepaalde in de aanhef en sub b (waar
sprake is van aantasting van de benadeelde in zijn persoon).

7.5. De grieven slagen. Door te handelen gelijk zij deed, heeft SBK
inbreuk gemaakt op het H toekomend, in artikel 1 van de Grondwet besloten
grondrecht niet te worden gediscrimineerd op grond van haar geslacht,
zoals dat onder andere met het oog op solliciteren door vrouwen in de WGB
tot uitdrukking is gebracht. Aldus heeft SBK door haar handelwijze de
persoon van H aangetast, in de zin van artikel 6:106, lid 1 onder b, van
het Burgerlijk Wetboek. H heeft aanspraak op vergoeding van de door haar
dientengevolge geleden immateriele schade, welke vergoeding in dit geval
in het bijzonder dient ter bevrediging van haar door de ondervonden
bejegening door SBK geschonden rechtsgevoel. Naar onder meer uit het
arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 1987 (NJ 1988, 277, m.nt. LWH)
blijkt – het ging daar om feiten in 1984 – was de in artikel 6:106 van het
Burgerlijk Wetboek verwoorde rechtsopvatting in 1985 reeds maatschappelijk
aanvaard.

7.6. Omtrent de hoogte van het bedrag van de immateriele schadevergoeding
overweegt het hof dat uitgangspunt dient te zijn dat van de aansprakelijke
partij een opoffering mag worden verlangd, die geeigend is het gekwetste
rechtsgevoel van de gelaedeerde te bevredigen. Nu gesteld noch gebleken
is dat het door H gevorderde bedrag niet redelijk is of gezien de
omstandigheden van SBK in redelijkheid niet van haar kan worden verlangd,
is er geen grond van het gevorderde af te wijken, zodat het hof het bedrag
van de immateriele schadevergoeding naar billijkheid vaststelt op ƒ
5.000,-. Hierbij is buiten beschouwing gelaten de door appellante
aangevoerde grond dat bij SBK het oogmerk zou hebben bestaan haar nadeel
toe te brengen. Uit de tussen partijen vaststaande feiten en
omstandigheden, in het bijzonder het plezierig verloop van het
sollicitatiegesprek, volgt dat van een dergelijk oogmerk bij SBK geen
sprake is geweest.

7.7. In de tiende grief verwijst appellante in algmene termen naar haar
in eerste instantie bij akten van 26 september 1989 en 21 november 1989
ontwikkelde stellingen over de wijze van schadeberekening en -toekenning.

Het hof is bij de bespreking van de eerdere grieven van appellante hierop
reeds ingegaan; de door appellante naar voren gebrachte gezichtspunten
zijn in het vorenstaande voorzover nodig behandeld. De grief heeft
derhalve geen zelfstandige betekenis en behoeft geen nadere behandeling.

7.8. De elfde grief komt overeen met de zevende grief zodat het hof hier
kan verwijzen naar hetgeen dienaangaande in dit arrest is overwogen.

7.9. In de twaalfde grief maakt H bezwaar tegen de afwijzing van de
gevorderde verklaring voor recht, nu de rechtbank toch immers heeft
overwogen dat SBK jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door de
afwijzing van haar sollicitatie, zoals geformuleerd in de brief van 16
januari 1985.

Nu het hof de vordering van H (gedeeltelijk) zal toewijzen, heeft H geen
belang bij het door haar gevorderde declaratoir. Gesteld noch gebleken is
immers dat H er belang bij heeft dat het onrechtmatig karakter van de
handelwijze van SBK naast die veroordeling tot schadevergoeding nog nader
wordt vastgesteld of gepreciseerd. De grief faalt.

8. Behandeling van grief II in het incidenteel appel

Aangezien in ieder geval de grieven 8 en 9 in het principaal appel slagen,
dient thans nog grief II in het incidenteel appel te worden besproken.
Deze grief heeft uitsluitend betrekking op het causaliteitsoordeel van de
rechtbank in verband met de berekening van de door H in eerste instantie
gestelde inkomensschade. Aangezien de afwijzing van deze vordering ook in
hoger beroep gehandhaafd blijft, heeft SBK geen belang bij inhoudelijke
behandeling van deze grief.

9. Proceskosten

Aangezien appellante in het principaal appel op een aantal punten in het
gelijk wordt gesteld zal het hof SBK veroordelen in de kosten van de
procedure in beide instanties. SBK dient tevens in de kosten van het
incidenteel appel te worden veroordeeld.

10. De beslissing

Het hof:

rechtdoende in het principaal appel:

vernietigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt SBK om aan H als vergoeding terzake van immateriele schade te
voldoen het bedrag van ƒ 5.000,- (vijfduizend gulden) met de wettelijke
rente over dit bedrag van 22 september 1986 tot aan de dag der betaling;

wijst af het meer of anders gevorderde;

veroordeelt SBK om aan H als vergoeding terzake van immateriele schade te
voldoen het bedrag van ƒ 5.000,- (VIJFDUIZEND GULDEN) met de wettelijke
rente over dit bedrag van 22 september 1986 tot aan de dag der betaling;

wijst af het meer of anders gevorderde;

veroordeelt SBK in de kosten van de procedure aan de zijde van H, wat
betreft de eerste instantie tot op het moment van deze uitspraak begroot
op ƒ 338,70 aan verschotten en ƒ 1.300,– aan procureurssalaris en wat
betreft het hoger beroep tot op het moment van deze uispraak begroot op
ƒ 325,25 alsmede de dagvaardingskosten aan verschotten en f.1.400,– aan
procureurssalaris;

rechtdoende in het incidenteel appel:

wijst af de vordering van SBK in het incidenteel appel;

veroordeelt SBK in de kosten van het incidenteel appel, tot op het moment
van deze uitspraak begroot op f.700,– aan procureurssalaris. Deze zaak
is gegarandeerd door het Proefprocessenfonds Rechtenvrouw.

Rechters

Mrs. Kop, Peeperkorn, Arisz.

Instantie: Kantonrechter Nijmegen, 12 maart 1993

Instantie

Kantonrechter Nijmegen

Samenvatting


X wordt er van beschuldigd dat hij een vrouwelijke collega heeft bedreigd met
seksueel geweld. (`Ga vlug langs me heen anders rand ik je aan.’) V&D heeft
terecht een onderzoek naar de gedragingen van X ingesteld. Ter uitvoering van
dit onderzoek heeft met X een gesprek van amper tien minuten plaatsgevonden;
tijdens dit gesprek is X geschorst en is ontbinding van de
arbeidsovereenkomst aangekondigd. De kantonrechter acht deze handelswijze
niet zorgvuldig (niet ten opzichte van degene die de klacht heeft gedeponeerd
en niet ten opzichte van degene over wie wordt geklaagd), temeer niet daar X
al zeventien jaar bij V&D werkzaam was, zonder dat er ooit klachten van die
aard over hem waren geuit. Een waarschuwing dat herhaling van het
voorgevallene niet meer getolereerd zou worden, was meer op zijn plaats
geweest. Daarmee had V&D dan voldaan aan de op haar rustende taak om voor een
veilige werkplek te zorgen. De werkgever heeft onvoldoende rekening gehouden
met de belangen van de werknemer, waardoor het verzoek tot ontbinding de
gestelde `gewichtige redenen’ ontbeert.
Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van gewichtige
redenen wordt afgewezen.

Volledige tekst

(…)
Standpunten van partijen

Tussen partijen staat als onweersproken vast dat verweerder sinds 1 maart
1976 bij verzoekster in dienst is, laatstelijk als eerste medewerker
Ontvangst Goederen in de vestiging te Nijmegen tegen een bruto salaris van
thans ƒ 3.219,95.
Verzoekster stelt dat zij op 21 december 1992 werd geconfronteerd met een
ernstige klacht omtrent het functioneren van verweerder daaruit bestaande dat
X op 18 december 1992 een verkoopmedewerker van de Parfumerieafeling zou
hebben toegevoegd toen zij met een z.g. kooiwagen langs X liep: ‘Ga vlug
langs mij, anders rand ik je aan’. Daarna zou hij haar van voren hebben
benaderd en zijn handen om haar keel hebben geslagen en gezegd hebben:’Ga jij
maar naar boven, dan zit jij overspannen thuis en zit ik straks ook lekker
thuis’. Deze verkoopmedewerkster zou een en ander als een ernstige bedreiging
hebben ervaren en al eerder door X zijn lastiggevallen met dubbelzinnige,
sexistische opmerkingen.
V&D zegt een sociaal beleid te voeren waarin het voorkomen van ongewenste
intimiteiten nadrukkelijk is geregeld. Zij zegt de klacht van de
verkoopmedewerkster te hebben onderzocht, waarbij al vrij spoedig bleek dat
deze medewerkster niet alleen stond in haar klachten. Nog twee andere
vrouwelijke collega’s hadden ernstig aanstoot genomen aan dubbelzinnige
uitlatingen van X. In een gesprek met X op 22 december 1992 zou deze hebben
erkend dat er iets was voorgevallen doch dat hij dat als een grapje had
bedoeld. Ook zou X hebben erkend dat zijn conversatie als dubbelzinnig
opgevat zou kunnen worden.
Daar X volgen V&D alleen in het magazijn werkzaam is en een aantal
medewerksters die in dat magazijn goederen voor de winkel moet ophalen niet
zonder angstgevoelens dat magazijn durft te betreden, heeft de
bedrijfsleiding X toen geschorst. V&D is van mening dat vanuit het gegeven
dat zij heeft zorg te dragen voor een veilige werkplek van haar
medewerk(st)ers en omdat het taalgebruik van X en zijn lichamelijke
bedreiging niet bij haar bedrijfscultuur passen, thans tot een ontbinding van
de arbeidsovereenkomst moet worden gekomen.
X stelt dat hij meestal niet alleen aanwezig is in het magazijn; hij werkt
samen met een drietal collega’s volgens een vastgesteld rooster. Tijdens zijn
17-jarig dienstverband hebben zich nooit problemen van enige betekenis
voorgedaan.
X acht de door V&D gegeven lezing van het gebeurde op 18 december 1992
onjuist. Toen de betreffende medewerkster van de parfumerie-afdeling een
kooiwagen meenam, waarvan X gezegd had zat zij die niet mocht meenemen, heeft
hij tegen haar gezegd: ‘Ga vlug langs mij, anders brand ik je aan’. Ook zou
hij als grap daaraan hebben toegevoegd dat zij maar door moest lopen naar
boven, zodat hij thuis kon gaan zitten en hij ook. X ontkent dat hij de
medewerkster daarbij heeft aangeraakt.
Of de medewerkster ook aanwezig is geweest toen er in het magazijn een
zending lingerie binnenkwam, waarover opmerkingen werden gemaakt met ‘mannen
onder elkaar’, weet X niet maar hij weet zeker dat zij daar niet op is
aangesproken. De klachten van de andere medewerkers komen X in het geheel
niet bekend voor. Zo hij zich nu en dan niet altijd even ondubbelzinnig
uitlaat, van sexuele intimidatie op de werkplek is volgens X geen sprake.
X vindt dat zijn uitlatingen en optreden geen aanleiding kunnen zijn geweest
voor een klacht op grond van ongewenste intimiteiten. Hoogstens zou hem
ongewenste aandacht kunnen worden verweten.
Aan verfoeilijk gedrag heeft hij zich niet schuldig gemaakt en daarom is er
volgens X ook geen aanleiding tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te
komen.

Beoordeling van het verzoek

Hoewel de lezing die elk van de partijen geeft van het gebeurde op 18
december 1992 niet gelijkluidend is, is er volgens de kantonrechter toch wel
sprake van een vrij ernstig incident en in ieder geval is een opmerking in de
trant van ‘ga vlug langs mij, anders rand ik je aan’ gewoonweg ongepast. Dat
verweerder dat probeert af te zwakken door te stellen dat hij gezegd zou
hebben ‘…anders brand ik je aan’ komt de kantonrechter niet aannemelijk
voor omdat niet valt in te zien wat X daar dan mee bedoeld heeft. Het is op
zichzelf ook niet verwonderlijk dat een medewerk(st)er die met een dergelijk
gezegde wordt geconfronteerd daar haar beklag over doet en zeker als een en
ander wordt beschouwd in samenhang met de door verzoekster gestelde en door
verweerder ontkende benadering van betrokkenen door X. X had in ieder geval
moeten begrijpen dat van de gehele situatie een zekere dreiging uitging. Dat
V&D de door de verkoopmedewerkster bij haar ingediende klacht gaat
onderzoeken is dan ook terecht. Ter zitting heeft V&D uiteengezet hoe zij dat
onderzoek heeft verricht en daaruit is onder andere komen vast te staan dat
alle drie door V&D genoemde klachten afkomstig zijn van medewerksters van de
parfumerieafdeling.
Niet weersproken is dat in het kader van dat zogenoemde onderzoek met X een
gesprek van nauwelijks 10 minuten heeft plaatsgevonden. In welk gesprek dan
ook nog is meegedeeld dat X met onmiddellijke ingang werd geschorst en dat de
ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou worden gevraagd. De kantonrechter
acht dat geen zorgvuldige gang van zaken; niet alleen ten opzichte van degene
die de klacht heeft gedeponeerd maar ook ten opzichte van degene over wie
geklaagd wordt. Daar komt bij dat X al bijna 17 jaar bij V&D werkzaam was en
er nooit eerder klachten van deze aard waren geuit over hem. Uitgaande van de
lezing van de V&D had zij tegenover X ook zonder de sanctie van een
beeindiging van het 17-jarig dienstverband duidelijk moeten kunnen maken dat
een herhaling van het voorgevallene niet meer zou worden getolereerd. Daarmee
had V&D dan voldaan aan de op haar rustende taak om voor ene veilige werkplek
zorg te dragen.
Aldus komt het erop neer dat nu V&D onvoldoende rekening heeft gehouden met
de belangen van X het verzoek de gestelde ‘gewichtige redenen’ ontbeert en
mitsdien geen ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt zodat het
moet worden afgewezen met veroordeling van verzoekster in de kosten van de
procedure.

Beslissing

Wijst af het verzoek van V&D de arbeidsovereenkomst met X te ontbinden.
Veroordeelt V&D in de kosten van deze procedure (…)

Rechters

Mr. Zwijnenburg

Instantie: Kantonrechter Apeldoorn, 10 maart 1993

Instantie

Kantonrechter Apeldoorn

Samenvatting


Werkgeefster stelt maximumleeftijdsgrens voor garderobe-dames vast op 42
jaar. Aan eiseres werd om die reden “ontslag” aangezegd. Later verklaart
werkgeefster zich bereid het ontslag terug te draaien. Eiseres acht
arbeidsverhouding inmiddels zo verstoord dat zij geen mogelijkheid ziet
het werk te hervatten. De Kantonrechter wijst haar vordering tot
schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag en wanprestaties af.

Volledige tekst

Beoordeling Eiseres werkte als garderobiere bij gedaagde. In 1991 stelde
de directeur van gedaagde een maximum-leeftijdsgrens voor deze functie van
42 jaar. Aan eiseres werd ‘ontslag’ aangezegd. Basis van de vordering is
de stelling dat het hier om een kennelijk onredelijk ontslag gaat.

Gevorderd wordt een schadevergoeding van ƒ 100.000,= De vordering kan op
de hierna genoemde gronden niet slagen. De primair gevorderde verklaring
voor recht mist in dat kader zelfstandige betekenis en behoeft derhalve
geen aparte bespreking. In het hierna volgende zal veronderstellenderwijs
uitgegaan worden van de juistheid van het standpunt van eisers dat
gedaagde de arbeidsverhouding heeft doen eindigen als bedoeld in artikel
7A:1639s BW. Grond voor het einde van de arbeidsovereenkomst was het
bereiken van de 42-jarige leeftijd. Gedaagde is inmiddels tot het inzicht
gekomen dat leeftijdsdiscriminatie maatschappelijk discutabel is. Gedaagde
heeft de discussie verder niet afgewacht en de gestelde leeftijdsgrens
ingetrokken, zij het dat die intrekking voor zover het eiseres aanging
eerst in tweede instantie heeft plaatsgevonden. Van belang is dat de
directeur van gedaagde reeds in maart 1991 aan eiseres heeft laten weten
dat zij in verband met het bereiken van de 42-jarige leeftijd na afloop
van het seizoen ’90-91 niet meer voor gedaagde zou kunnen werken. Eiseres
heeft op de desbetreffende brief van gedaagde aanvankelijk niets
uitgedaan.

Eiseres heeft in dit geding geen herstel van de dienstbetrekking gevorderd.

Dit valt op, omdat zij na vanaf maart 1991 te hebben stil gezeten, nog in
november 1991 aan gedaagde heeft laten weten zich met plezier ter
beschikking te stellen om haar werkzaamheden te hervatten. Kort daarop
kondigde zij echter deze procedure aan. Aan gedaagde kan worden tegen
geworpen dat het haar had gesierd sneller in positieve zin te reageren op
eisereses bericht dat zij graag haar
werkzaamheden voor gedaagde wilde hervatten. Dit geschiedde eerst bij
brief van 18 februari 1992 waarbij gedaagde eiseres aanbood haar werk als
garderobiere te hervatten en om haar een volledige vergoeding voor gederfd
loon en gemaakte kosten van rechtsbijstand te geven. Naar dezerzijds
oordeel had het op de weg van eisers gelegen dit aanbod te accepteren. Een
goede reden om dit niet te doen, heeft eiseres niet gegeven. zij stelt dat
de arbeidsverhouding inmiddels zo verstoord is, dat zij noodgedwongen
niet bij gedaagde kan terugkeren.

Dit valt echter niet te rijmen met de
in november 1, 1991 nog door eisers geuite verknochtheid aan en plezier
in het werk. Gedaagdes directeur heeft duidelijk bakzeil moeten halen en
dat had voor eiseres voldoende moeten zijn. Voorts moet aan eiseres worden
tegen geworpen dat zij tegen de reeds in oktober 1990 aangekondigde
maatregel van gedaagde geen enkele actie heeft ondernomen dan nadat de
maatregel reeds was uitgevoerd. Onder deze omstandigheden is het ongeacht
het dubieuze karakter van de door gedaagde getroffen, maar weer
ingetrokken, maatregel op zich niet billijk aan eiseres een
schadevergoeding als gevorderd toe te kennen. Voor zover de vordering is
gebaseerd op wanprestatie, moet deze evenzeer worden afgewezen op grond
van de omstandigheid dat eiseres de schade tot nihil had kunnen beperken
door gebruik te maken van het aanbod van 18 februari 1992 welk aanbod naar
dezerzijds oordeel in de omstandigheden van dat moment alleszins redelijk
was te achten. Het vorenstaande leidt tot afwijzing van de vordering.

Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten
worden verwezen. Hetgeen partijen hebben aangevoerd behoeft in dit licht
geen afzonderlijke bespreking.

(salaris ƒ 1250. Een identieke zaak werd op dezelfde wijze beslist.)

Rechters

Instantie: Rechtbank Rotterdam, 9 maart 1993

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


Toewijzing verzoek toepassing individualiseringsregel. Gevraagde
rechtsbijstand betreft procedure die betrekking heeft op eerder huwelijk
van verzoeker

Volledige tekst

( …) Het verzoek om tussenkomst werd tijdig ingediend. Het Buro voor
Rechtshulp heeft het verzoek om gefinancierde rechtsbijstand afgewezen
omdat het inkomen van verzoeker de bij wet vastgestelde grenzen
overschrijdt. Verzoeker kan zich niet vinden in de afwijzende beslissing
van het Buro voor rechtshulp en voert daartoe – zakelijk weergegeven – het
navolgende aan: – Verzoeker heeft een toevoeging aangevraagd voor een
omgangsregeling met zijn zoon uit een eerder – reeds geruime tijd
ontbonden – huwelijk, alsmede voor het indienen van een verzoek tot
vermindering van de kinderbijdrage. – Bij de beoordeling van de vraag of
verzoeker in aanmerking komt voor gefinancierde rechtshulp is het Buro
voor rechtshulp uitgegaan van zowel het inkomen van verzoeker als van zijn
(huidige) partner. Dit is onjuist nu de procedure waarvoor de
rechtsbijstand is aangevraagd uitsluitend verzoeker aangaat; niet valt in
te zien waarom zijn (huidige) partner mee dient te betalen aan een
procedure die betrekking heeft op een eerder huwelijk van verzoeker. Met
verzoeker zijn Wij van mening dat in het onderhavige geval, waarin de
toevoeging wordt verzocht voor een verzoek tot vermindering
kinderalimentatie, gecombineerd met een omgangsregeling, de zogenaamde
`individualiserings-regel’ dient te worden toegepast. Bij de berekening
van het draagkrachtig inkomen ingevolge de Wet Rechtsbijstand aan On- en
Minvermogenden dient alsdan het inkomen van de huidige partner buiten
beschouwing te worden gelaten. Het verzoek om tussenkomst zal worden
toegewezen als na te melden. Beschikkende Wijst het verzoek om tussenkomst
toe. Gelast het Buro voor Rechtshulp te Rotterdam, vestiging Zuid, aan
verzoeker rechtsbijstand te verlenen door toevoeging van een
advocaat/procureur (mr. C.A.T. Philipsen te Vlaardingen) met bepaling van
de door verzoeker aan deze advocaat/procureur verschuldigde eigen bijdrage
op ƒ 60.

Rechters

mr. L. de Bruin

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 4 maart 1993

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Belanghebbende verzorgt een dag per week het kind van haar vriendin
met wie zij geen gezamenlijk huishouden voert. Wel draagt zij voor
tenminste ƒ 56,- bij in de kosten van onderhoud en houdt zij zich samen
met de vriendin met de opvoeding van het kind bezig. Op grond van deze
feiten kan naar het oordeel van de rechter het kind als pleegkind van
belanghebbende worden aangemerkt en kunnen de kosten voor levensonderhoud
als buitengewone lasten in de zin van artikel 46 lid 3 van de Wet op de
inkomstenbelasting worden afgetrokken. Zij voert met het kind geen
gezamenlijke huishouding en komt daarom niet voor de alleenstaande-ouder
toeslag in aanmerking.

Volledige tekst

Het gerechtshof te Arnhem, vierde enkelvoudige belastingkamer;

Gezien het beroepschrift van B., wonende te Nijmegen, ingekomen op 27
november 1990 en gericht tegen de uitspraak d.d. 5 oktober 1990 van de
inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren Nijmegen op het bezwaar
van belanghebbende tegen de haar voor het jaar 1987 opgelegde aanslag in
de inkomstenbelasting;

Gezien de overige stukken;

Gehoord ter zitting van 4 oktober 1992 te Arnhem belanghebbende vergezeld
van haar gemachtigde mr. J. van Delft, advocaat te Nijmegen, alsmede de
inspecteur voornoemd;

Overwegende, dat bij de uitspraak waarvan beroep de voormelde aanslag,
berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 20.732,- met inachtneming van
een belastingvrije som van ƒ 11.626,-, is gehandhaafd;

Overwegende, dat belanghebbende naar het hof verstaat in beroep
vermindering van de aanslag verzoekt tot een, berekend naar een belastbaar
inkomen van ƒ 18 433 met inachtneming van een belastingvrije som van
ƒ 13 453, terwijl de inspecteur concludeert tot bevestiging van de
uitspraak; Overwegende, dat op grond van de stukken en het ter zitting
verhandelde het volgende als voor dit geding vaststaand kan worden
aangemerkt:

1.1. Belanghebbende die ongehuwd is voert een zelfstandige huishouding.
Zij is psychologe van beroep.

1.2. Gedurende een dag per week verzorgt zij het gehandicapt kind A,
geboren 24 december 1975 bij haar in huis, waar het kind een eigen kamer
heeft.

1.3. A woont de overige dagen van de week bij haar moeder, M, die voor
haar kinderbijslag ontvangt. Het bruto-inkomen van M bedroeg in 1987 ƒ
28.167,-. Zij heeft de zorg voor nog twee kinderen. 1.4. Belanghebbende
heeft sinds 1984 een relatie met de moeder van A zonder dat er sprake is
van samenwoning.

1.5. De natuurlijke vader van A heeft geen bezoekrecht en levert geen
bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

1.6. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar tenminste ƒ 56,- per
week bijgedragen in de kosten van levensonderhoud van A;

Overwegende dat het tussen partijen bestaande geschil de vragen betreft
of de onder 1.6. genoemde kosten in aanmerking komen voor aftrek als
buitengewone lasten in de zin van artikel 46, lid 2 van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 in de voor het onderhavige jaar geldende tekst –
hierna: de Wet-, en of belanghebbende recht heeft op alleenstaande
oudertoeslag, welke vragen belanghebbende bevestigend en de inspecteur
ontkennend beantwoordt; Overwegende, dat de door partijen voor hun
standpunten aangevoerde gronden in de stukken zijn vermeld en dat daaraan
ter zitting – afgezien van hetgeen onder de vaststaande feiten is
opgenomen – nog het volgende, zakelijk weergegeven, is toegevoegd:

Door belanghebbende:

2.1. Belanghebbende en M hebben weliswaar gescheiden huishoudens, maar
brengen veel tijd gezamenlijk door.

2.2. Zij houden zich samen met de opvoeding van A bezig.

2.3. Beslissingen op het medische vlak en op het gebied van het onderwijs
die A betreffen worden door de moeder van A en belanghebbende samen
genomen.

2.4. A noemt belanghebbende moeder. Door de inspecteur:

3.1. A is niet aan te merken als een pleegkind in de zin van artikel 46
lid van de Wet.

3.2. Belanghebbende voert niet een huishouding met A; Overwegende omtrent
het geschil:

4.1. Vaststaat dat de door belanghebbende gedragen kosten van
levensonderhoud van A in het onderhavige jaar tenminste ƒ 56,- per week
hebben belopen.

4.2. Het is aannemelijk dat belanghebbende zich in de gegeven
omstandigheden gedrongen heeft gevoeld deze kosten voor haar rekening te
nemen.

4.3. De inspecteur heeft hetgeen belanghebbende ter zitting omtrent haar
bemoeienis met de opvoeding van A heeft gesteld, niet weersproken.

4.4. Daaruit kan worden afgeleid dat A door belanghebbende niet alleen
financieel wordt onderhouden maar ook als een eigen kind wordt opgevoed,
zodat in dit bijzondere geval A als pleegkind van belanghebbende kan
worden aangemerkt.

4.5. Belanghebbende kan dan een bedrag van 4 x ƒ 575,- = fl. ƒ 2.309,-
als buitengewone lasten in de zin van artikel 46, lid 2 van de Wet in
aftrek brengen.

4.6. Voor het overige staat vast dat belanghebbende en M gescheiden
huishoudens hebben en dat A tot het huishouden van haar natuurlijke moeder
behoort.

4.7. Nu belanghebbende in het onderhavige jaar geen huishouden heeft
gevoerd met A komt aan belanghebbende de alleenstaande- oudertoeslag niet
toe. 4.8. Belanghebbendes beroep is ten dele gegrond;

Recht doende:

Vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

Vermindert de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van
ƒ 18.432, met inachtneming van een belastingvrije som van ƒ 11.626,-;
Gelast de inspecteur aan belanghebbende het door haar gestorte
griffierecht van ƒ 75,– te vergoeden.

Rechters

Mr Vester

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 4 maart 1993

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Toewijzing van een contact- en straatverbod voor de periode van een
jaar met als dwangmiddel lijfsdwang.

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

Ter terechtzitting van 22 februari 1993 heeft G gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. S
heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde
voorziening. Na verder debat hebben partijen stukken, waaronder van
weerszijden produkties en pleitnotities van de zijde van S, overgelegd
voor vonniswijzing.

GRONDEN VAN DE BESLISSING:

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten:

a. Bij kort geding vonnis van 16 mei 1991 (rolnummer
..) is S. een straat- en contactverbod opgelegd. Dit verbod is bij vonnis
van 4 juli 1991 (rolnummer …) uitvoerbaar bij lijfsdwang verklaard. De
termijn van het bij vonnis van 16 mei 1991 opgelegde verbod is reeds
verlopen. De inhoud van het vonnis van 16 mei 1991, dat in fotokopie is
aangehecht, wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

b. Blijkens een schriftelijke verklaring d.d. 17 februari 1993 van
collega’s van G heeft S haar meerdere malen op haar werk lastig gevallen
zowel in persoon als telefonisch.

c. Op 15 januari 1993 heeft G van een anonieme derde een enveloppe
ontvangen met daarin een artikel uit het NRC Handelsblad, getiteld “Het
was een hele sterke en gevaarlijke liefde” in het kader van een serie
artikelen over mannen en vrouwen die hun ex-partner doodden of hiertoe een
poging deden. In deze enveloppe vond G ook een artikel uit Vrij Nederland
“M houdt te veel van zijn vrouw” een artikel over een man die pogingen
doet zijn vrouw te vermoorden. Het artikel is ondertekend “J”, de naam van
de nieuwe vriendin van S.

d. Op 4 februari 1993 is er een confrontatie geweest tussen partijen toen
zij elkaar tegen kwamen in de buurt van de woning van G. S en de vader van
G zijn hierbij slaags geraakt. De vader van G, die bij haar ten tijde van
het incident in de auto zat, raakte hierbij gewond. Hiervan is een
medische verklaring opgemaakt door het OLVG d.d. 4 februari 1993. G heeft
van dit incident aangifte gedaan bij de politie.

e. G heeft zich na dit incident ziek gemeld en de hulp van het RIAGG
ingeroepen.

2. Op de bij dagvaarding gestelde en bij pleidooi nader toegelichte
gronden vordert G thans opnieuw een straat- en contactverbod, te handhaven
met de sterke arm en primair gijzeling, subsidiair een dwangsom van ƒ
1000,= per overtreding als dwangmiddel. Gebleken is, aldus G, dat een
dwangmiddel bestaande uit een dwangsom gedaagde niet voldoende afschrikt
doch dat het dwangmiddel gijzeling zoals toegewezen in het kort geding
vonnis van 4 juli 1991 voor haar enige tijd rust teweeg heeft gebracht.

3. S heeft erkend contact te hebben gehad met G op 4 februari 1992. Voorts
heeft hij erkend dat hij haar telefonisch heeft benaderd op 18 en 26
november 1992. De overige beschuldigingen heeft hij ontkend. S heeft
aangevoerd dat hij de brief met de artikelen niet heeft verstuurd doch dat
de ex-man van zijn nieuwe vriendin deze aan G moet hebben verstuurd. Zijn
vriendin heeft namelijk een zelfde brief ontvangen. Hij heeft gesteld dat
zijn vriendin het onderwerp van beide artikelen is. Ten aanzien van het
incident van 4 februari 1993 heeft hij gesteld uit noodzaak in de buurt
van de woning van G te zijn geweest omdat hij reeds tweemaal getracht had
geld op te nemen bij een geldautomaat in een andere buurt, doch dat deze
buiten werking waren. Omdat hij deze automaat nog kende uit de tijd dat
hij daar woonde, is hij daar naar toe gegaan. S heeft gesteld bij toeval
achter de auto van G terecht te zijn gekomen. Hij stelt dat de vader van
G dreigend op hem af is gekomen, zwaaiend met een wielsleutel. Hij is van
mening dat de vader van G het incident heeft uitgelokt. Hij heeft ontkend
G te hebben gevolgd uit haar werk.

4. Met betrekking tot het gevorderde contact- en straatverbod heeft S
verklaard dat hij tegen de oplegging daarvan bezwaar heeft, doch indien
de verboden desondanks zouden worden toegewezen vindt hij dat de
gevorderde verboden onder c tot en met f van het petitum van de
dagvaarding beperkt moeten worden tot de werktijden (plus een uur voor
aanvang en een uur na einde) en werkdagen van G. Ten aanzien van het onder
g. gevorderde heeft hij verzocht deze te beperken tot de schooldagen
woensdag en zaterdag.

5. De lezing van G zoals beschreven in de dagvaarding met betrekking tot
het verloop van het incident van 4 februari 1993 wordt aannemelijk geacht,
mede gelet op het feit dat G aangifte bij het politiebureau heeft gedaan
en S niet. Voorts is niet aannemelijk dat de brief met artikelen is
gestuurd door de ex-man van de vriendin van S nu G in geen enkele
verhouding tot hem staat. Alle feiten in onderling verband en samenhang
bezien, is voldoende aannemelijk geworden dat S G nog steeds niet met rust
kan laten. Zij gedragingen jegens haar moeten als onrechtmatig worden
aangemerkt en rechtvaardigen toewijzing van de gevraagde verboden. Voor
het beperken van het gevorderde verbod onder g. is aanleiding nu R
uitsluitend op woensdag en de zaterdag naar de …school gaat. Voor het
beperken van de overige gevorderde verboden, die zien op de woon- en
werkomgeving van G, is geen aanleiding nu daar minder sprake is van vaste
tijden waarop G daar aanwezig is. Voorts is niet aannemelijk dat S hier
enig belang bij heeft nu hij in een ander deel van de stad woont en niet
is gebleken dat hij voor zijn werk in deze gebieden moet zijn. Nu eerder
is gebleken dat de dwangsom als dwangmiddel niet effectief was, is
versterking van de verboden met gijzeling gerechtvaardigd. Na te melden
termijn komt daarbij redelijk voor.

6. De proceskosten worden tussen partijen, ex-echtelieden gecompenseerd.

BESLISSING:

1. Verbiedt S gedurende een jaar na de betekening van dit vonnis direct of
indirect contact met G te zoeken, zowel telefonisch als schriftelijk als in
persoon;

2. Verbiedt S om zich gedurende een jaar na
de betekening van dit vonnis op te houden of te bevinden: a. In het gebied
begrensd door: de …straat, de …straat, de … kade en de …straat
te Amsterdam, met inbegrip van deze straten (zoals aangegeven op
aangehechte plattegrond nr. 1); b. in het gebied rondom …te Amsterdam
zuid-Oost (zie aangehechte plattegrond nr. 2); c. in het winkelcentrum
“…” in Amsterdam Zuid-Oost (zoals aangegeven op aangehechte plattegrond
nr. 2); d. op het traject …..straat-…straat-…weg-..laan-..weg-
afslag …-… te Amsterdam (zoals aangegeven op aangehechte plattegrond
nr. 3A en 3B); e. op het traject ….-…-…-…- te Amsterdam (zoals
aangegeven op aangehechte plattegrond nr. 2); f. op woensdagen en
zaterdagen in het gebied begrensd door de volgende straten: …straat,
…straat, de …dijk en de …straat te Amsterdam (zoals aangegeven
op plattegrond nr. 4);

3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij lijfsdwang en bepaalt
dat de gijzeling niet langer dan twee keer vierentwintig uur per
overtreding van enig onderdeel van de onder 1. en 2. gegeven verboden zal
duren, niet langer dan veertien dagen achtereen ten uitvoer kan worden
gelegd, en totaal een periode van zes maanden niet zal overschrijden.

4. Machtigt G de hiervoor onder 1. en 2. gegeven verboden zonodig te doen
handhaven met behulp van de sterke arm. 5. Verklaart dit vonnis tot zover
uitvoerbaar bij voorraad. 6. Compenseert de proceskosten aldus dat iedere
partij de eigen kosten draagt. 7 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Rechters

mr. U.W. Bentinck

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 3 maart 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster wilde solliciteren naar de functie van inspecteur.
Aan deze functie was een interne opleiding gekoppeld. Als voorwaarde voor
de toelating tot de opleiding stelt de wederpartij een leeftijdsgrens van
40 jaar. Aangezien verzoekster ouder dan 40 jaar was kwam zij niet in
aanmerking voor de betrekking. Uit cijfers over het aantal mannen en
vrouwen dat op latere leeftijd gaat studeren of afstudeert op dit gebied
kan niet worden afgeleid dat in overwegende mate vrouwen nadelig worden
getroffen door de leeftijdsgrens. Geen indirect onderscheid op grond van
geslacht.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 19 september 1991 verzocht mevrouw mr te Sprang-
Capelle (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen
en vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de
Minister van Financien (hierna: de wederpartij) jegens haar indirect
onderscheid naar geslacht maakt/heeft gemaakt in strijd met de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoekster wilde naar aanleiding van een advertentie bij de
wederpartij solliciteren naar de functie van inspecteur. Aan deze
betrekking is een interne opleiding gekoppeld. Verzoekster kwam niet in
aanmerking voor de betrekking, omdat zij ouder dan 40 jaar was. Zij is van
mening dat de wederpartij door het stellen van een leeftijdsgrens in strijd
handelt met de WGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben meerdere malen de gelegenheid gehad hun
standpunten schriftelijk toe te lichten.

2.2. De Commissie heeft op grond van artikel 18 WGB nadere informatie
opgevraagd bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), de Minister
van Onderwijs en Wetenschappen, de Katholieke Universiteit Brabant en de
Universiteit van Amsterdam.

2.3. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd om hun standpunten
nader toe te lichten op een zitting op 27 januari 1993.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw mr (verzoekster)

van de kant van de wederpartij

– dhr (gemachtigde)

van de kant van de Commissie

– mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)

– dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer)

– dhr mr J.A.M.I. Hoens (lid Kamer)

– mw mr A.K. de Jongh (adjunct-secretaris).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster (geboortedatum: 27 mei 1943) heeft na haar afstuderen in
april 1991 naar aanleiding van een personeelsadvertentie bij de wederpartij
een brochure opgevraagd met informatie over de functie van inspecteur. In
deze advertentie stond dat de wederpartij een actief emancipatiebeleid
voert en dat vrouwen bij gelijke geschiktheid dan ook nadrukkelijk de
voorkeur krijgen.

Aan de functie van inspecteur is een interne opleiding van drie jaar
gekoppeld. In de opgevraagde brochure stond vermeld dat de sollicitant op
de startdatum van de opleiding niet ouder mag zijn dan 40 jaar. Voorts
stond hierin als selectiecriterium vermeld, het met goed gevolg doorlopen
hebben van een van de volgende opleidingen:

– academische opleiding fiscaal recht of fiscale economie;

– postdoctorale opleiding voor belastingkundige aan de Katholieke
Universiteit Brabant;

– postdoctorale opleiding voor belastingconsulent aan de Universiteit van
Amsterdam;

– academische opleiding fiscaal recht, studievariant kostprijsverhogende
belastingen, aan de Rijksuniversiteit Leiden.

In de brochure stond aangegeven dat geinteresseerden die nog niet in het
bezit waren van de vereiste diploma’s toch konden solliciteren, mits zij
deze voor 1 september 1992 dachten te behalen. De wederpartij geeft aan dat
indien er meer geschikte kandidaten dan vacante plaatsen zijn, de meest
geschikte kandidaten worden aangewezen.

3.2. De functie van inspecteur valt onder groepsfunctie H (schaal 10 tot en
met 13 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren, hierna:
BBRA). Per 30 april 1992 was het totaal aantal inspecteurs in groepsfunctie
H 492, waarvan 384 mannen en 108 vrouwen. Beginnende inspecteurs worden
beloond conform schaal 10, regelnummer 5 van het BBRA. Zij worden
aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst ter opleiding voor het beroep
van inspecteur. De opleiding tot inspecteur duurt in principe drie jaren.
Gedurende de eerste twee jaren van de opleiding verrichten zij nauwelijks
werzaamheden als inspecteur. In het derde jaar van de opleiding lopen de
inspecteurs in opleiding een praktijkstage. Indien zij de opleiding met
succes doorlopen, vindt een aanstelling in vaste dienst plaats. Zo niet,
dan wordt de opleiding met een half jaar verlengd of moet de desbetreffende
persoon de opleiding staken en wordt niet in vaste dienst aangesteld.

Ten tijde van de personeelsadvertentie werden degenen die als inspecteur
werden aangesteld, geplaatst bij het dienstonderdeel Eenheid Opleidingen.
Per 1 januari 1992 worden deze personen geplaatst bij de Eenheid waar de
functie waar zij voor aangenomen zijn, onder valt. Tijdens de eerste twee
jaar van de opleiding maken zij echter feitelijk nauwelijks deel uit van
deze Eenheid.

3.3. Verzoekster heeft de universitaire opleiding fiscaal recht afgerond en
wilde naar aanleiding van bovengenoemde advertentie solliciteren. Zij was
op dat moment 48 jaar. Verzoekster informeerde telefonisch bij de
wederpartij waarom een leeftijdsgrens is gesteld. De wederpartij deelde
daarop mee dat deze grens is gebaseerd op de beleidslijn binnen haar
organisatie en op het feit dat de opleiding een grote investering is voor
de wederpartij. Ook heeft de wederpartij tegen verzoekster gezegd dat het
voor haar geen zin had om te solliciteren, omdat de leeftijdsgrens strikt
werd gehanteerd. Naar aanleiding van dit telefoongesprek heeft verzoekster
besloten om niet naar de functie van inspecteur te solliciteren.

3.4. Volgens informatie van de wederpartij is de leeftijdsgrens als volgt
tot stand gekomen.

Omdat de wederpartij een zo groot mogelijk rendement wil halen uit de in
een kandidaat-inspecteur gestoken investeringen in tijd (opleidingsduur) en
geld, hanteert zij sedert eind jaren 70 een leeftijdsgrens voor interne en
externe kandidaten. Hiervoor was een leeftijdsgrens niet nodig omdat de
gemiddelde leeftijd van kandidaat-inspecteurs relatief laag lag. Voordat de
opleiding fiscaal recht als universitaire richting werd geintroduceerd, kon
men namelijk uitsluitend tot inspecteur worden benoemd na voltooiing van de
door de toenmalige Belastingacademie verzorgde opleiding. Deze opleiding
werd uitsluitend gevolgd door schoolverlaters. Aanvankelijk werd alleen
voor interne kandidaten een leeftijdsgrens gehanteerd, namelijk 30 jaar. In
de voor externe sollicitanten bedoelde brochures wordt sedert 1984 een
leeftijdsgrens genoemd. Sollicitanten dienden aanvankelijk bij voorkeur
niet ouder te zijn dan 40 jaar. Sinds 1986 wordt bij de functie van
inspecteur als harde eis gesteld dat sollicitanten niet ouder dan 40 jaar
mogen zijn.

De wederpartij heeft aangegeven dat er binnen de directie Personeel en
Organisatie een gedachtenvorming plaatsvindt omtrent de wenselijkheid van
het afschaffen dan wel het verhogen van de leeftijdsgrens van 40 jaar. Ter
zitting bracht de wederpartij naar voren dat de leeftijdsgrens die zij bij
de opleiding tot inspecteur hanteert op 8 januari 1993 zou worden besproken
door een Bijzondere Commissie voor georganiseerd overleg. De reden voor het
ter discussie stellen van de leeftijdsgrens is dat het moeilijk is voor de
wederpartij om voldoende personeelsleden aan te trekken voor de functie van
inspecteur.

3.5. Bij de wederpartij is een loopbaan- en bezoldigingsbesluit van
toepassing (d.d. 11 oktober 1988). In de toelichting op dit reglement
staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld.

In paragraaf 1.6 is neergelegd dat de Minister op voordracht van het hoofd
van de inspecteursopleiding bepaalt of en zo ja welke kandidaten aan de
opleiding deel mogen nemen.

In paragraaf 2.10 is geregeld dat voor kandidaten een verplichting tot
terugbetaling van de opleidingskosten bestaat, indien tijdens de opleiding,
dan wel binnen een periode van 6 jaar na beeindiging van de opleiding
sprake is van ontslag op verzoek of van onvrijwillig ontslag dat aan de
kandidaten is toe te rekenen. De wederpartij heeft per brief d.d. 11 juni
1992 aangegeven dat het bedrag van de terugbetaling op dat moment op ƒ
1500,- per maand was begroot. Tijdens het onderzoek is niet duidelijk
geworden of dit bedrag wordt berekend per maand dat men opleiding heeft
genoten.

Onder de toelichting op hoofdstuk II staat dat drie jaren na de cursorische
opleiding bij gebleken geschiktheid een aanstelling in vaste dienst
plaatsvindt.

In de toelichting op hoofdstuk I staan de selectiecriteria opgenomen zoals
in bovengenoemde brochure vermeld (zie paragraaf 3.1.).

3.6. Om na te gaan hoeveel mannen en vrouwen nadelig worden getroffen door
de leeftijdsgrens heeft de Commissie bij de wederpartij cijfers opgevraagd
over het aantal mannen en vrouwen, uitgesplitst naar leeftijd, dat zich
heeft aangemeld voor de opleiding tot inspecteur.

Omdat deze cijfers niet beschikbaar waren, heeft de Commissie vervolgens
cijfers opgevraagd over het aantal mannelijke en vrouwelijke studenten en
afgestudeerden in de studierichting- en waarvan de afronding als selectie-
eis werd gesteld voor de functie van inspecteur (zie paragraaf 3.1.).

De Katholieke Universiteit Brabant heeft cijfers overgelegd over het aantal
afgestudeerden van de postdoctorale opleiding voor belastingkundige. Deze
cijfers zijn in onderstaand tabel verwerkt.

1989 vrouwen mannen totaal

< 40 jaar 7(100%) 30(93,7%) 37 > 40 jaar 2 (6,3%) 2

totaal 7(100%) 32(100%) 39

1990 vrouwen mannen totaal

< 40 jaar 5(100%) 22(91,7%) 27 > 40 jaar 2 (8,3%) 2

totaal 5(100%) 24(100%) 29

1991 vrouwen mannen totaal

< 40 jaar 5(100%) 22(95,7%) 27 > 40 jaar 1 (4,3%) 1

totaal 5(100%) 23(100%) 28

Dit betekent dat in 1989, 1990 en 1991 van de vrouwen 0% ouder dan 40 jaar
was. Voor de mannen bedroeg dit percentage in 1989 6,3% (2 van de 32
mannen), in 1990 8,3% (2 van de 24 mannen) en in 1991 4,3% (1 van de 23
mannen).

De Universiteit van Amsterdam heeft cijfers overgelegd over het aantal
afgestudeerden in de fiscale economie. Uit deze cijfers blijkt het
volgende:

1 september 1988 vrouwen mannen totaal

tot 11 mei 1992

< 40 jaar 3(100%) 17(98,5%) 20 > 40 jaar 2 (1,5%) 2

totaal 3(100%) 19(100%) 22

In deze periode was van de vrouwen dus 0% en van de mannen 1,5% (2 van de
19 mannen) ouder dan 40 jaar.

3.7. Het CBS heeft cijfers overgelegd over het aantal afgestudeerden en het
aantal studenten fiscaal recht en fiscale economie. Uit deze cijfers blijkt
het volgende over het aantal afgestudeerden:

1989 vrouwen mannen totaal

< 40 jaar 88(97,8%) 323(97%) 411 > 40 jaar 2 (2,2%) 10 (3%) 12

totaal 90(100%) 333(100%) 423

1990 vrouwen mannen totaal

< 40 jaar 93(96,9%) 282(96,2%) 375 > 40 jaar 3 (3,1%) 11 (3,8%) 14

totaal 96(100%) 293(100%) 389

In 1989 was het percentage afgestudeerde vrouwen in deze studierichtingen
dat ouder dan 40 jaar was dus 2,2% (2 van de 90 vrouwen). Bij de mannen
bedroeg dit percentage 3% (10 van de 333 mannen).

In 1990 was 3,1% van de vrouwen ouder dan 40 jaar (3 van de 96 vrouwen) en
bedroeg dit percentage 3,8% bij de mannen (11 van de 293 mannen).

Het CBS heeft ook cijfers overgelegd over het aantal studenten in
bovengenoemde studierichtingen. Hier zijn de extranei en auditoren onder
begrepen. Uit deze cijfers blijkt het volgende:

1990 vrouwen mannen totaal

< 40 jaar 506(98,4%) 1453(97,5%) 1959 > 40 jaar 8 (1,6%) 38 (2,5%) 46

totaal 514(100%) 1491(100%) 2005

1991 vrouwen mannen totaal

< 40 jaar 550(98,2%) 1395(96,8%) 1945 > 40 jaar 10 (1,8%) 46 (3,2%) 56

totaal 560(100%)1 441(100%) 2001

Dit betekent dat in 1990 1,6% van de vrouwelijke studenten (8 van de 514
vrouwen) ouder dan 40 jaar was. Van de mannelijke studenten was 2,5% (38
van de 1491 mannen) ouder dan 40 jaar.

In 1991 bedroegen deze percentages 1,8% voor de vrouwen (10 van de 560
vrouwen) en voor de mannen 3,2% (46 van de 1441 mannen).

Voorts heeft het CBS cijfers overgelegd over het aantal afgestudeerden in
alle studierichtingen in Nederland tezamen. Uit deze cijfers blijkt het
volgende:

In 1990 was het totale aantal studenten 178.690 waaronder 102.521
mannelijke en 76.169 vrouwelijke studenten. Van de vrouwelijke studenten
was 1,9% (1468 van de 76.169 vrouwen) ouder dan 40 jaar. Bij de mannelijke
studenten bedroeg dit percentage 1,4% (1396 van de 102.521 mannen).

In 1991 was het totale aantal studenten 186.456, waarvan 104.824 mannen en
81.632 vrouwen. Van de vrouwelijke studenten was 2% ouder dan 40 jaar (1668
van de 81.632 vrouwen). Van de mannelijke studenten was 1,4% (1482 van de
104.824 mannen) ouder dan 40 jaar.

De Minister van Onderwijs en Wetenschappen kon geen cijfers geven over het
aantal mannen en vrouwen, uitgesplitst naar leeftijd, dat in de
studierichtingen fiscaal recht en fiscale economie was afgestudeerd in de
jaren 1989, 1990 en 1991.

3.8. De wederpartij heeft cijfers overgelegd met betrekking tot het
gemiddelde aantal jaren dat een inspecteur na aanstelling bij de
wederpartij werkt (inclusief opleidingstijd).

In 1988 lag dit gemiddelde voor mannen op 10,46 jaren en voor vrouwen op
6,73 jaren. In 1992 lag dit gemiddelde voor mannen op 9,27 jaren en voor
vrouwen op 6,27 jaren. Deze cijfers hebben betrekking op ambtenaren die ten
tijde van het berekenen van deze gemiddelden nog bij de wederpartij in
dienst waren.

Zoals gezegd kon de wederpartij geen cijfers overhandigen met betrekking
tot het aantal mannelijke en vrouwelijke kandidaten, uitgesplitst naar
leeftijd, dat zich heeft aangemeld voor de opleiding tot inspecteur. Zij
kon echter wel aangeven dat in 1990 een man en een vrouw op grond van de
selectie-eis leeftijd zijn afgewezen. In 1991 is een man en geen enkele
vrouw op deze grond afgewezen.

3.9. Bij de wederpartij geldt een voorkeursbeleid voor vrouwen. In 1989
gold het beleid dat vrouwen bij gelijke geschiktheid voorrang hadden. In
1990 en 1991 gold als beleid dat vrouwen bij geschiktheid voorrang hadden.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de wederpartij bij het vaststellen
van het voorkeursbeleid niet heeft onderzocht of het hanteren van een
leeftijdsgrens vrouwen mogelijk belemmert in hun arbeidsloopbaan. Het
leeftijdsaspect is geen onderdeel van haar voorrangsbeleid.

Wat betreft de resultaten van het voorkeursbeleid kan het volgende worden
opgemerkt.

In het jaarverslag van 1991 van de wederpartij staat onder het kopje
‘Emancipatiebeleid’ dat in de groep met schaal 6 tot en met 11 (waar de
functie van inspecteur ook onder valt) het percentage vrouwen van 8,3 naar
9 procent steeg ten opzichte van 1990.

Uit een evaluatie-onderzoek naar het emancipatiebeleid bij de wederpartij,
getiteld ‘Voorrang voor vrouwen?’ van oktober 1991 blijkt dat de
wederpartij sinds 1989 een actief emancipatiebeleid voert. In dit rapport
staat vermeld dat in de periode waarin het voorrangsbeleid van kracht was,
het aandeel van vrouwen in groepsfunctie H aanmerkelijk was toegenomen. Op
1 juli 1988 lag dit percentage op 14%, op 1 januari 1990 bedroeg dit
percentage 17% en op 1 juli 1991 23%. In schaal 10, waar een beginnende
inspecteur onder valt, lagen deze percentages respectievelijk op 11%, 12%
en 13%.

De standpunten van partijen

3.10. Verzoekster brengt het volgende naar voren.

Zij is van mening dat de wederpartij door het stellen van een
leeftijdsgrens voor de opleiding tot inspecteur indirect onderscheid naar
geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en
vrouwen. Verzoekster stelt dat vrouwen op de arbeidsmarkt nog altijd een
achterstandspositie hebben. Het aantal vrouwen dat op een latere leeftijd
een studie voltooit is volgens verzoeker groter dan dit aantal bij mannen.
Verzoekster is hier zelf een voorbeeld van. Zij begon pas nadat zij de
dertig was gepasseerd met een universitaire opleiding. Verzoekster stelt
dat het hanteren van een leeftijdsgrens vrouwen per definitie benadeelt en
daarom in alle gevallen onderscheid naar geslacht teweeg brengt.

Verzoekster stelt dat het feit dat de opleiding tot inspecteur veel kosten
voor de wederpartij met zich meebrengt geen voldoende rechtvaardiging biedt
voor de gestelde leeftijdsgrens. Hier komt nog bij dat aankomende
inspecteurs verplicht zijn om de kosten van de opleiding terug te betalen
als zij binnen een bepaalde termijn bij de wederpartij weggaan. Bovendien
hoeft een leeftijdsgrens geen garantie te bieden voor voldoende rendement.
Het komt immers voor dat personen die wel tot de opleiding worden
toegelaten na een aantal jaren elders gaan werken. In dit verband merkt
verzoekster op dat als personen ouder dan 40 jaar als inspecteur zouden
worden aangenomen, het goed mogelijk is dat zij minder snel vertrekken dan
mensen jonger dan 40 jaar, die voor de functie van inspecteur worden
aangetrokken.

Tevens wijst verzoekster op een krantenartikel waarin is vermeld dat het
kabinet discriminatie op grond van leeftijd afwijst.

3.11. De wederpartij heeft het volgende naar voren gebracht.

Aan het begin van het onderzoek vroeg zij zich af of de Commissie bevoegd
is om te oordelen of hier sprake is van ongeoorloofde discriminatie wegens
leeftijd. Ter zitting gaf zij echter te kennen dat zij niet twijfelt aan de
bevoegdheid van de Commissie om te oordelen over de vraag of het stellen
van een leeftijdsgrens indirect discriminerend naar geslacht werkt.

De wederpartij stelt dat het hanteren van een leeftijdsgrens van 40 jaar
voor de functie van inspecteur niet leidt tot enigerlei vorm van
discriminatie van vrouwen ten opzichte van mannen. Zij tekent daarbij aan
dat verzoekster haar standpunt dat er sprake is van indirecte discriminatie
op geen enkele wijze heeft onderbouwd. De stelling van verzoekster dat meer
vrouwen dan mannen op latere leeftijd een studie voltooien, acht de
wederpartij reeds voldoende ontkracht door de gegevens die het Ministerie
van Onderwijs en Wetenschappen en de Universiteit van Amsterdam hebben
geproduceerd.

Naar de mening van de wederpartij is het stellen van een leeftijdsgrens
geoorloofd in die gevallen, waarin het optimaal functioneren van de
werknemer afhankelijk is van het genieten van een door de werkgever
bekostigde opleiding. Ter ondersteuning van haar stelling voert de
wederpartij het volgende aan.

Binnen haar organisatie gelden ten aanzien van een groot deel van de
medewerkers loopbaanpatronen. De loopbaan van inspecteur vangt aan met een
opleiding van drie jaar.

Het opleiden van inspecteurs vergt een aanmerkelijke financiele
investering, welke bestaat uit: salaris (met ieder jaar een periodieke
verhoging), leermiddelen, gebouwen, docenten, studiekosten, reis- en
verblijfkosten. Daarbij komt ook nog hetgeen de wederpartij betaalt als
tegemoetkoming voor leermiddelen die niet door haar worden verstrekt
(ƒ 200,- per jaar). Hoewel er een terugbetalingsregeling van de
opleidingskosten van toepassing is bij een voortijdig vertrek van een
inspecteur, worden hiermee niet alle in de betrokkene gedane investeringen
vergoed. Het bedrag dat de betrokken ambtenaar dient terug te betalen staat
feitelijk in geen verhouding tot de werkelijke kosten die in de betrokken
ambtenaar zijn geinvesteerd. Daarnaast wordt er bij de personeelsplanning
vanuit gegaan dat een op kosten van de wederpartij opgeleide inspecteur
tenminste tot de VUT-gerechtigde leeftijd in dienst blijft, en dat het
geruime tijd duurt alvorens die inspecteur -na het voltooien van de
opleiding- volwaardig werkzaam is. Gelet op deze investeringen is besloten
om aan deelname aan de opleiding tot inspecteur een leeftijdsgrens te
stellen.

De grens van 40 jaar is uitsluitend door economische motieven ingegeven.
Uitgaande van die leeftijdsgrens kan de in een inspecteur gedane
investering namelijk in tijd en geld gedurende een periode van 22 jaar ten
voordele van de organisatie van de wederpartij worden aangewend. Deze 22
jaar berekent de wederpartij aan de hand van een maximale oplei- dingsduur
van drie jaren en een actieve diensttijd tot de 65-jarige leeftijd van de
betrokkene. Met ieder jaar waarmee de leeftijdsgrens wordt verhoogd, wordt
de periode waarin de investeringen ten nutte kunnen worden gemaakt, tevens
bekort. De wederpartij houdt bij deze berekening geen rekening met
inspecteurs die slechts tot de VUT-gerechtigde leeftijd in dienst blijven.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster indirect
onderscheid op grond van geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen, door verzoekster op grond van haar
leeftijd niet in aanmerking te laten komen voor de functie van en de
opleiding tot inspecteur.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB schrijft voor dat geen onderscheid naar geslacht
gemaakt mag worden bij de aanbieding van een betrekking of bij de
behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking.

Artikel 4 lid 2 WGB bepaalt dat de natuurlijke persoon of rechtspersoon,
die een beroepsopleiding, voortgezette opleiding of cursus voor bijscholing
of omscholing onder welke benaming dan ook in stand houdt, bij de toelating
tot de opleiding geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen.

Onder indirect onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van andere
hoedanigheden dan het geslacht, dat onderscheid op grond van geslacht tot
gevolg heeft, tenzij dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is (artikel
1 WGB).

4.3. Het vermoeden van indirect onderscheid ontstaat wanneer het nadelig
effect van een regeling in overwegende mate personen van een geslacht
treft. Om dit te bepalen moet onderzocht worden wat met betrekking tot de
onderhavige regeling het effect naar geslacht is van het
leeftijdscriterium. Met andere woorden: hoeveel mannen en hoeveel vrouwen
worden nadelig getroffen door de leeftijdsgrens die de wederpartij stelt?

Om dit na te gaan zijn gegevens nodig over het aantal mannen en vrouwen
(uitgesplitst naar leeftijd) dat de opleiding tot inspecteur zouden kunnen
(qua vooropleiding) en willen volgen, ware het niet dat er een
leeftijdsgrens is gesteld. Het is immers mogelijk dat een vrouw op haar
dertigste afstudeert, zich tijdelijk onttrekt aan het arbeidsproces om zich
te wijden aan de verzorging van kinderen, en na haar veertigste pas aan de
opleiding tot inspecteur wil beginnen. Deze gegevens zijn echter niet
bekend. Er zijn slechts gegevens beschikbaar over het aantal mannen en
vrouwen dat op latere leeftijd gaat studeren of afstudeert.

De volgende cijfers zijn bekend:

Bij de Katholieke Universiteit Brabant was bij de postdoctorale opleiding
voor belastingkundige in 1989, 1990 en 1991 geen enkele afgestudeerde vrouw
ouder dan 40 jaar. Van de afgestudeerde mannen bedroeg dit percentage in
1989 6,3%, in 1990 8,3% en in 1991 4,3%.

Wat betreft de afgestudeerden in de opleidingen fiscaal recht en fiscale
economie blijkt uit de cijfers dat in 1989 3% van de mannen en 2,2% van de
vrouwen ouder dan 40 jaar waren. In 1990 lagen deze percentages op 3,8%
(mannen) en 3,1% (vrouwen).

Wat betreft de studenten in deze opleidingen blijkt uit de cijfers dat in
1990 2,5% van de mannen en 1,6% van de vrouwen ouder waren dan 40 jaar. In
1991 lagen deze percentages op 3,2% (mannen) en 1,8% (vrouwen).

Bij de Universiteit van Amsterdam was onder de afgestudeerden in de
studierichting fiscale economie in de periode van 1 september 1988 tot 11
mei 1992 1,5% van de mannen en geen enkele vrouw ouder dan 40 jaar.

Uit cijfers van het CBS over het aantal afgestudeerden in alle
studierichtingen in Nederland tezamen blijkt dat in 1990 1,4% van de mannen
en 1,9% van de vrouwen ouder was dan 40 jaar. In 1991 lagen deze
percentages op 1,4% (mannen) en 2% (vrouwen).

De Commissie gaat hierbij uit van relatieve cijfers, omdat zij hier meer
gewicht aan toekent dan aan absolute cijfers (De Commissie hanteert
relatieve cijfers omdat daardoor rekening wordt gehouden met het aandeel
dat mannen respectievelijk vrouwen hebben in de verschillende bestanden van
studenten en afgestudeerden. Bij een bestand waarin mannen en vrouwen geen
ongeveer gelijk aandeel hebben, zouden absolute aantallen een vertekend
beeld kunnen geven. Een voorbeeld: binnen een opleidng zijn 10 vrouwelijke
en 1000 mannelijke studenten. Van de vrouwen zijn er 9 ouder dan 40 jaar,
van de mannen ook. Stel dat zij na het afstuderen allen inspecteur willen
worden. In aantallen werkt onderscheid ten nadele van personen ouder dan 40
jaar gelijk uit naar geslacht, terwijl duidelijk zal zijn dat toch met name
de vrouwen worden getroffen (9 van de 10, respectievelijk 9 van de 1000).

Landelijk gezien was ten tijde van de plaatsing van de betreffende
personeelsadvertentie het aantal vrouwelijke afgestudeerden ouder dan 40
jaar dus iets groter (0,6%) dan dit aantal bij de mannelijke
afgestudeerden.

Uit de cijfers over de studierichtingen, waarvan de afronding als selectie-
eis werd gesteld om als inspecteur te worden aangenomen, blijkt echter dat
bij geen enkele van deze studierichtingen het percentage van vrouwen ouder
dan 40 groter is dan dit percentage onder de mannen.

4.4. Hoewel uit bovengenoemde cijfers niet kan worden afgeleid hoe het
nadelig effect naar geslacht van het bewuste leeftijdscriterium precies is,
geven zij echter onvoldoende indicatie dat vrouwen in overwegende mate
nadelig worden getroffen door de leeftijdsgrens van 40 jaar. Verzoekster
heeft geen gegevens aangedragen die tot een andere conclusie aanleiding
geven. Derhalve kan de Commissie niet concluderen dat er sprake is van een
vermoeden dat de wederpartij jegens verzoekster indirect onderscheid op
grond van geslacht maakt/heeft gemaakt bij de toelating tot de functie van
en de opleiding tot inspecteur.

Nu er geen vermoeden van indirect onderscheid is, zal de Commissie niet
onderzoeken of de wederpartij een objectieve rechtvaardigingsgrond (De
Commissie verstaat hieronder

-dat het onderscheid gemaakt wordt om een objectief gerechtvaardigd doel te
dienen en

-daartoe middelen zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit
doel te bereiken, terwijl

-dit doel niet is te bereiken op andere wijze waarbij geen indirect
onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.) kan aanvoeren voor het hanteren
van een leeftijdsgrens. Hetzelfde geldt voor verzoeksters bezwaren tegen de
economische motieven van de wederpartij om een leeftijdsgrens te hanteren.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat niet is komen vast te staan
dat de Minister van Financien jegens mevrouw mr te Sprang-
Capelle indirect onderscheid naar geslacht maakt/heeft gemaakt in strijd
met artikel 3 lid 1 en artikel 4 lid 2 Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen, door het hanteren van een leeftijdsgrens van 40 jaar bij de
toelating tot de functie van en de opleiding tot inspecteur.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), dhr mr A.W. Heringa(lid Kamer), dhr mr J.A.M.I. Hoens (lid Kamer), mw mr A.K. de Jongh(adjunct-secretaris).

Instantie: Rechtbank Utrecht, 3 maart 1993

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Eiseres is in 1986 op uitzendbasis als teamsecretaresse bij gedaagde gaan
werken. Na een paar maanden treedt zij in vaste dienst; zij wordt
krachtens de CAO ingedeeld in schaal IV, nivo 14. De heer K werkt eerst
als oproepkracht bij de werkgever; later wordt hem een tijdelijk
arbeidscontract als teamsecretaresse aangeboden. Hij wordt ingedeeld op
nivo 20 omdat zijn salaris niet lager mag zijn dan hetgeen hij als
oproepkracht verdiende. De rechtbank stelt dat het verschil in salaris
niet wordt veroorzaakt door een ongelijke behandeling van eiseres als
vrouw en de heer K als man. De verschillende wijzen waarop eiseres en de
heer K bij de werkgever in dienst zijn getreden, dienen als een objectieve
rechtvaardiging voor het verschil tussen de salarissen van beiden.

Volledige tekst

Rechters

mrs. Van den Ende, Heuveling van Beek, Stael.