Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 26 februari 1993

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Tussen partijen wordt door de rechtbank de
echtscheiding uitgesproken met aanhouding van de beslissing op de
alimentatievordering, en wordt aan de vrouw een voorlopige
alimentatie toegekend voor de duur van het geding. De vrouw
vordert in hoger beroep tegelijk te beslissen op de vordering tot
echtscheiding en op de nevenvordering tot alimentatie, maar wordt
door het Hof niet-ontvankelijk verklaard. De HR vernietigt het
arrest van het Hof op de volgende gronden.

Uit de bepaling van art. 825e lid 2 (oud) Rv volgt dat de
voorlopige voorziening met betrekking tot het levensonderhoud van
de vrouw haar kracht zou verliezen op het tijdstip van
inschrijving van het vonnis in de registers van de burgerlijke
stand. Indien op dat tijdstip nog geen beslissing zou zijn
gegeven op de in de hoofdzaak door de vrouw ingestelde
alimentatievordering, zou de vrouw het gevaar lopen van
alimentatie verstoken te blijven tot het moment waarop op deze
vordering zou zijn beslist.

De vrouw had daarom voldoende belang bij het instellen van hoger
beroep tegen het vonnis, ook voor zover daarbij de echtscheiding
was uitgesproken, en bij haar vordering tot gelijktijdige
afdoening van haar vorderingen, te weten het belang te voorkomen
dat dit vonnis in kracht van gewijsde zou gaan en vervolgens zou
kunnen worden ingeschreven, waardoor de voorlopige
alimentatiebeschikking haar kracht zou verliezen. Ook de aard van
het rechtsmiddel stond niet eraan in de weg dat de vrouw hoger
beroep instelde met het -door haar met zoveel woorden aangegeven-
doel om de band tussen haar vordering tot echtscheiding en haar
alimentatievordering te herstellen en gelijktijdig afdoening
daarvan te vorderen.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie -verder te noemen de vrouw- heeft bij
exploit van 14 februari 1989 verweerder in cassatie -verder te
noemen de man- gedagvaard voor de Rechtbank te ‘s-Gravenhage en
voor zover in cassatie van belang gevorderd:

a. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken met
nevenvorderingen, en

b. te verstaan dat de man, zolang hij in psychiatrisch ziekenhuis
Sancta Maria te Noordwijkerhout verblijft, de rente en premie
levensverzekering met betrekking tot de op de echtelijke woning
rustende hypotheek zal blijven voldoen en te bepalen, dat indien
de man deze lasten niet zal (blijven) voldoen hij vanaf de datum
van inschrijving van het echtscheidingsvonnis in de registers van
de Burgerlijke Stand, althans vanaf de datum dat hij zijn
voormelde verplichtingen niet langer nakomt, aan de vrouw ten
titel van levensonderhoud zal voldoen een bedrag van ƒ 1.000,–
per maand.

Nadat de man had geconcludeerd tot referte met betrekking tot de
gevorderde echtscheiding met nevenvorderingen en tegen de
nevenvorderingen tot alimentatie verweer had gevoerd, heeft de
Rechtbank bij tussenvonnis van 30 oktober 1989 een comparitie van
partijen gelast en bij vonnis van 15 januari 1990 de
echtscheiding tussen partijen uitgesproken, de nevenvorderingen
toegewezen en voorts onder aanhouding van de beslissing omtrent
de alimentatievordering de zaak naar de rol verwezen ten einde
partijen in de gelegenheid te stellen hun standpunt daarover bij
akte te bepalen en daarbij nog stukken in het geding te brengen.

De vrouw heeft tegen laatstgenoemd vonnis hoger beroep ingesteld
bij het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage en heeft -na vermeerdering
van eis- alsnog gevorderd tegelijk te beslissen op de vordering
tot echtscheiding, toegewezen bij het bestreden vonnis, en op de
nevenvordering tot alimentatie, die bij dat vonnis is
aangehouden. Tegen deze vermeerdering van eis heeft de man zich
niet verzet.

Bij arrest van 24 juli 1991 heeft het Hof de vrouw
niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep en hetgeen zij
bij vermeerdering van eis heeft gevorderd, afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie
ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en
maakt daarvan deel uit.

Tegen de man is verstek verleend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Vranken strekt tot
vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 De Rechtbank heeft op vordering van de vrouw bij vonnis van
15 januari 1990 de echtscheiding uitgesproken met toewijzing van
enige nevenvorderingen en met aanhouding van de beslissing op
alimentatievordering. Daarna heeft de Rechtbank bij beschikking
van 15 februari 1990 op verzoek van de vrouw haar een voorlopige
alimentatie voor de duur van het geding toegekend.

De vrouw is van het gehele vonnis in hoger beroep gekomen met
vordering om thans bij dezelfde uitspraak en tegelijk te
beslissen zowel omtrent de vordering tot echtscheiding (met
nevenvorderingen) als omtrent de alimentatievordering.

3.2 Het Hof heeft geoordeeld dat de vrouw niet-ontvankelijk is in
haar hoger beroep voor zover haar vorderingen door de Rechtbank
zijn toegewezen bij eindbeslissingen waartegen de vrouw geen
grieven heeft voorgedragen, en dat zij evenmin ontvankelijk is in
haar hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op de
aanhouding van de beslissing op haar alimentatievordering. Het
Hof heeft de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger
beroep en haar vordering tot gelijktijdige afdoening van haar
vorderingen afgewezen.

Hiertegen keert zich het middel.

3.3 Het middel moet worden beoordeeld naar het voor 1 januari
1993 geldende recht.

Uit de bepaling van art. 825e lid 2 (oud) Rv volgt dat de
voorlopige voorziening met betrekking tot het levensonderhoud van
de vrouw haar kracht zou verliezen op het tijdstip van
inschrijving van het vonnis in de registers van de burgerlijke
stand. Indien op dat tijdstip nog geen beslissing zou zijn
gegeven op de in de hoofdzaak door de vrouw ingestelde
alimentatievordering, zou de vrouw het gevaar lopen van
alimentatie verstoken te blijven tot het moment waarop deze
vordering zou zijn beslist.

De vrouw had daarom voldoende belang bij het instellen van hoger
beroep tegen het vonnis, ook voor zover daarbij de echtscheiding
was uitgesproken, en bij haar vordering tot gelijktijdige
afdoening van haar vorderingen, te weten het belang te voorkomen
dat dit vonnis in kracht van gewijsde zou gaan en vervolgens zou
kunnen worden ingeschreven, waardoor de voorlopige
alimentatiebeschikking haar kracht zou verliezen. Ook de aard van
het rechtsmiddel stond niet eraan in de weg dat de vrouw hoger
beroep instelde met het -door haar met zoveel woorden aangegeven-
doel om de band tussen haar vordering tot echtscheiding en haar
alimentatievordering te herstellen en gelijktijdige afdoening
daarvan te vorderen.

Het Hof heeft de vrouw dus ten onrechte in haar hoger beroep niet
ontvangen. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 24
juli 1991;

verwijst de zaak naar dat Hof ter verdere behandeling en
beslissing;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere
partij haar eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Snijders (voorzitter), Bloembergen, Mijnssen,Davids en Heemskerk (raadsheren)

Instantie: Vertrouwensinspecteur van de Arbeidsinspectie teZoetermeer, 22 februari 1993

Instantie

Vertrouwensinspecteur van de Arbeidsinspectie teZoetermeer

Samenvatting


Klaagster was door het uitzendbureau uitgezonden naar
bedrijf P. Daar kreeg zij te maken met sexistische opmerkingen
van 2 chauffeurs. Na een klacht hierover ingediend te hebben bij
haar chef, stemde klaagster in met het verzoek van het bedrijf P.
om de zaak intern te houden. Vervolgens meldde bedrijf P. aan het
uitzendbureau dat klaagster niet voldeed en zij werd vervolgens
door het uitzendbureau ontslagen. Klaagster diende een klacht in
bij de Arbeidsinspectie, waarna de inspecteur van de arbeid de
klacht onderzocht, onder de mededeling dat de Arbeidsinspectie
slechts een bemiddelende rol heeft bij klachten van seksuele
intimidatie.

Zaak loopt juridisch nog (9-6-1993).

Volledige tekst

Betreft: Klacht seksuele intimidatie

Behandeld door: vertrouwensinspecteur M. Meijer

Klacht gemeld: 13 januari 1993

Besproken dd. 21 januari bij klaagster thuis.

Bedrijf: PTT-Post Expeditieknooppunt 5e etage handsortering
binnenland Den Haag.

Klaagster was daar werkzaam via Uitzendbureau R. Delft/Den Haag.

Melder: Naam en adres bekend bij mw. M. Meijer,
vertrouwensinspecteur van de Arbeidsinspectie te Zoetermeer.

Klaagster is in de periode 10 t/m 22 december 1992 als
uitzendkracht werkzaam geweest op de afdeling postsortering
Binnenland. Zij verrichtte daar sorteerwerkzaamheden in de
kerstdrukte. Betrokkene is laatstejaars studente Rechten en
bekostigt haar studie geheel zelf door tijdelijke werkzaamheden.
Via Content Uitzendbureau heeft zij 5 jaar achtereen tijdens de
kerstdrukte bij PTT-Post Expeditieknooppunt gewerkt, dit jaar
verzorgde Randstad voor tijdelijke werknemers bij deze werkgever.

Hoewel betrokkene de vorige jaren tijdens de kerstdrukte wel eens
opmerkingen te horen heeft gekregen van mannelijk personeel,
waren deze dit jaar zo grof, dat zij een klacht heeft ingediend
van seksuele intimidatie tijdens het werk.

De opmerkingen werden gemaakt vanaf de eerste dag dat zij op het
EKP werkzaam was door chauffeurs in dienst van de PTT tijdens de
pauzes in de kantine en bij de koffie-automaat en betroffen het
vrouwzijn en het uiterlijk van de klaagster. Hierbij werd een
taal met veel drieletterige woorden gebruikt.

Deze opmerkingen werden luid herhaald, er zijn diverse personen
getuige van geweest. Betrokkene heeft bij haar directe chef, mw.
Zwanenburg een klacht ingediend. Volgens klaagster werd er van
PTT-zijde erop aangedrongen deze klacht binnen de muren te
houden. Zij stemde hierin toe en hield zich aan deze afspraak. De
PTT echter, heeft een klacht ingediend bij Randstad Uitzendbureau
dat klaagster niet voldeed: zij is door Randstad op 15 december
1992 ontslagen.

Nadat betrokkene het EKP op 18 december 1992 belde met de
mededeling dat zij een advocaat in de arm zou nemen, kon zij weer
komen werken, zij heeft dit met moeite 4 nachten kunnen
volhouden, naar de kantine gaan durfde zij niet meer en was
genoodzaakt te eten op het toilet, de situatie was zo onhoudbaar
geworden dat ze zich moest afmelden op 22 december.

Op 24 december heeft betrokkene een brief geschreven naar de heer
L. Kox, directeur van het Expeditieknooppunt in Den Haag

Op 4 januari 1993 heeft klaagster officieel aangifte gedaan bij
haar advocaat, de heer mr. R.P.A. Pohlkamp, te Delft.

Op 5 januari heeft naar aanleiding van haar brief een gesprek bij
PTT-EKP plaatsgevonden met mw. Stormann, manager afd.
handsortering binnenland, mw. van Willigenburg,
personeelsconsulente en mw. Zwanenburg, groepsleidster bij afd.
handsortering binnenland. De heer L.H.M. Kox, directeur was
afwezig.

Voor betrokkenen is dit gesprek onbevredigend verlopen, omdat zij
sterk de indruk kreeg dat haar klacht niet serieus werd genomen.

Op 12 januari 1993 schreef zij een emotionele brief aan de heer
Kox, waarbij de zaken wederom op een rij gezet werden en waarbij
betrokkene aangaf dat de PTT haar klacht niet serieus nam.

Op 13 januari diende betrokkene een klacht in bij de
Arbeidsinspectie.

Op 19 januari 1993 ontving klaagster een brief van het EKP van
PTT-Post dat de klacht zeker serieus genomen zal worden, op welke
wijze dat zou gebeuren werd niet vermeld.

Op 21 januari 1993 bezocht mw. Meijer, inspecteur van de arbeid,
klaagster thuis om de klacht te onderzoeken. Aan de klaagster
werd duidelijk gemaakt, dat de Arbeidsinspectie slechts een
bemiddelende rol heeft bij klachten van seksuele intimidatie.
Tijdens het gesprek werd afgesproken dat mw. Meijer een gesprek
onder vier ogen met de heer Kox, directeur EKP-PTT zou aanvragen,
waarbij aan de orde zou komen dat:

-van PTT-zijde zal worden toegegeven dat er sprake is geweest van
seksuele intimidatie;

-deze klacht serieus onderzocht zal worden;

-betrokkenen bezocht zal worden door een bedrijfsmaatschappelijk
werk(st)er van de PTT.

Mw. Meijer heeft op verzoek van de klaagster, de advocaat, mr.
Pohlkamp telefonisch ingelicht over dit gesprek.

Het gesprek tussen mw. Meijer en de heer Kox heeft, wegens
vakantie van de heer Kox, op 5 februari plaatsgevonden op het
EKP-kantoor in Den Haag. Tijdens dit gesprek kwam aan het licht
dat de klacht bij hem bekend was en dat de beide brieven van
klaagster aan de heer Kox zijn ontvangen.

Afgesproken werd, dat de heer Kox bereid was een gesprek onder
vier ogen met klaagster te voeren en dat hij opdracht zou geven
tot een huisbezoek van een bedrijfsmaatschappelijk werk(st)er van
de PTT aan betrokkene.

De namen van de twee chauffeurs, die klaagster op grove wijze
bejegenden, zijn bekend, zij hebben een officiele uitbrander
gehad en de waarschuwing dat zij bij recidive geen toegang meer
krijgen tot de kantine van het EKP. De beide chauffeurs zijn niet
in dienst bij het EKP, maar wel bij PTT-Post.

Op 8 februari heeft mw. Meijer betrokkene en haar advocaat
telefonisch ingelicht over de inhoud van het gesprek met PTT-EKP.
Klaagster was bereid tot een gesprek onder vier ogen. De heer Kox
zal haar schriftelijk uitnodigen voor dit gesprek.

Op 8 februari heeft mw. Meijer een telefonisch onderhoud gehad
met de heer S. Woudstra, regio-manager van Randstad Uitzendbureau
te Den Haag. De heer Woudstra deelde mee, dat klaagster salaris
heeft ontvangen over de niet gewerkte periode.
Ook zegde hij toe, dat hij het onderwerp seksuele intimidatie aan
de orde zal stellen bij de komende vergadering van
regio-directeuren. Er is bij de ABU (Alg. Bond van
Uitzendbureaus) wel een geschillencommissie.

Mw. Meijer merkte op dat zo’n geschillencommissie voor klachten
betreffende seksuele intimidatie een erg hoge drempel kan zijn
voor klagers, gezien het privekarakter ervan. Het instellen van
een vertrouwenspersoon of -commissie echter, zal drempelverlagend
kunnen werken. Er dient door Randstad een beleid te worden
gevoerd ter voorkoming van seksuele intimidatie. Een en ander
impliceert een uitgewerkte procedure van hoe te handelen bij
klachten over seksuele intimidatie.
Op 22 februari deelde klaagster aan mw. Meijer van de
Arbeidsinspectie mee, dat zij het haar toegezegde salaris niet
heeft ontvangen van Randstad. Zij zal dit kenbaar maken aan
Randstad door haar advocaat.

Rapport opgemaakt te Zoetermeer op 22 februari 1993 door: mevrouw
M. Meijer, inspecteur van de arbeid.

Rechters

mw. M. Meijer

Instantie: Hof van Justitie EG, 17 februari 1993

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Belgie handhaaft een wettelijke regeling volgens welke vrouwelijke
werknemers ouder dan zestig jaar niet in aanmerking kunnen komen en
mannelijke werknemers wel tot hun 65ste in aanmerking komen voor een
aanvullende ontslagvergoeding. De regeling is nog gebaseerd op
verschillende pensioenleeftijden. De Commissie stelt dat handhaving van
deze regeling in strijd is met art. 119 EEG-verdrag en EG-richtlijn
76/207. Belgie acht de EG-richtlijnen 79/7 en 86/378 van toepassing. Het
Hof bestempelt de ontslagvergoeding als beloning in de zin van art. 119
en niet als een sociale zekerheidsuitkering en oordeelt dat Belgie niet
voldaan heeft aan haar verplichtingen op grond van art. 119.

Volledige tekst


Door de aanname van de wet tot instelling van een flexibel pensioen lijkt
Belgie aan zijn communautaire verplichtingen (ingevolge Barber) te hebben
voldaan. Door echter een wettelijke regeling te handhaven die indirect
gebaseerd is op de hantering van verschillende pensioengerechtigde
leeftijden en derhalve vrouwelijke werknemers uitsluit van een aanvullende
ontslagvergoeding, heeft Belgie niet aan de verplichtingen voldaan die
krachtens art. 119 op haar rusten. Of de Belgische wetgever nou
opzettelijk of niet slechts de discriminatie met betrekking tot de
pensioengerechtigde leeftijden heeft uitgebannen en de ‘afgeleide’
discriminaties in stand heeft gelaten, doet niet ter zake. Van belang is
dat Belgie, ingevolge de onderhavige uitspraak, niet alleen de
discriminatoire aanvullende ontslagvergoedingsregeling zal moeten
wijzigen, maar eveneens de onderliggende discriminatoire
werkloosheidsuitkeringenregeling. Want wil men ’s Hofs uitspraak niet van
alle betekenis ontdoen, dan moet men ervan uitgaan dat deze eveneens de
werkloosheidsuitkering treft. De aanvullende ontslaguitkering is daar
immers direct op gebaseerd en het ene wel en het andere niet als in strijd
met art. 119 bestempelen, lijkt me niet houdbaar. Het Hof heeft dat echter
niet expliciet gesteld omdat de Commissie de werkloosheidsuitkering zelf
niet ter discussie heeft gesteld, hetgeen mijns inziens nogal
verwonderlijk is. Naar de reden daarvoor kan men slechts gissen. Wellicht
ging de Commissie ervan uit dat deze wel binnen de uitzonderingsbepaling
van art. 7 (1) a zou vallen, hetgeen echter in het licht van de EOC en de
(latere) Thomas zaak te betwijfelen valt.

Linda Senden

Rechters

Mrs. Due, Rodriguez Iglesias, Murray, Mancini, Joliet, Schockweiler,Diez de Velasco, Kapteyn, Edward, A-G Jacobs.

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 16 februari 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker wilde naar aanleiding van een personeelsadvertentie
solliciteren naar de functie van ‘adviseur persoonlijk computergebruik’ bij
een Provincie. In deze advertentie stond vermeld dat de functie alleen voor
vrouwen was bestemd. De Provincie voert een voorkeursbeleid voor vrouwen
bij alle vacatures voor functies waarin het aandeel van vrouwen minder dan
50% is, hetgeen bij de betreffende functie het geval was. Voor die functies
waarvoor van te voren vaststaat dat zij moeilijk vervulbaar zijn, maakt de
Provincie een nadere afweging of het voorkeursbeleid moet worden toegepast.
Zij heeft voor deze vorm van voorkeursbeleid gekozen omdat het
voorkeursbeleid dat zij tot dan toe had gevoerd nauwlijks effect had. De
uitwerking van het gehanteeerde voorkeursbeleid waarborgt voldoende dat er
een redelijke relatie bestaat tussen achterstand van vrouwen en het
voorkeursbeleid. Geen strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 29 mei 1991 verzocht de heer te Emmen (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de Provincie Friesland
(hierna: de Provincie) jegens hem onderscheid op grond van geslacht heeft
gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen

(WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker wilde naar aanleiding van een personeelsadvertentie in een
krant solliciteren naar de functie van ‘adviseur persoonlijk
computergebruik’ bij de Provincie. In deze advertentie stond vermeld dat de
functie alleen voor vrouwen was bestemd. Verzoeker is van mening dat de
Provincie hiermee jegens hem in strijd met de WGB heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. De partijen hebben meerdere malen de gelegenheid gehad hun
standpunten schriftelijk toe te lichten.

2.2. De Commissie heeft partijen uitgenodigd hun standpunten nader toe te
lichten tijdens een zitting op 16 december 1992. Partijen hebben van deze
uitnodiging geen gebruik gemaakt.

De beraadslagingen hebben plaatsgevonden op 16 december 1992. Daarbij waren
aanwezig:

– mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)

– dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer)

– dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer)

– mw mr A.K. de Jongh (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de Provincie opgemerkt
in een krant d.d. 11 mei 1991, naar aanleiding waarvan hij wilde
solliciteren. Daarin wordt gevraagd om een ‘adviseur persoonlijk
computergebruik’ bij de afdeling Informatievoorziening en Organisatie van
de Stafgroep Centrale Ondersteuning. Achter deze functiebenaming is tussen
haakjes ‘v’ vermeld. Onderaan de advertentie staat vermeld: “In verband met
het nadrukkelijk streven van de provincie meer vrouwen in dienst te nemen
is deze funktie alleen voor vrouwen bestemd”. Het maximumsalaris behorend
bij deze functie is ƒ 5057,-.

Verzoeker heeft bij de Provincie telefonisch om meer informatie over de
functie gevraagd. De Provincie liet weten ernaar te streven voor de in
geding zijnde functie een man/vrouw verhouding van 50%-50% te bereiken.

Onder de vier adviseurs persoonlijk computergebruik die in de onderhavige
functie werkzaam waren bevond zich een vrouw. Uit het onderzoek is niet
duidelijk geworden of dit de situatie ten tijde van de
personeelsadvertentie betrof, of de situatie na het vervullen van de
bewuste vacature.

Voor de betreffende vacature is uiteindelijk een vrouw benoemd.

3.2. De Provincie voert al jaren een voorkeursbeleid voor vrouwen. Sinds
1982 vermeldt zij in haar personeelsadvertenties dat het beleid van de
Provincie erop is gericht het aantal vrouwen in de provinciale dienst te
vergroten. Sinds 1988 neemt zij standaard in haar personeelsadvertenties de
volgende zinsnede op: “In verband met het nadrukkelijk streven van de
provincie meer vrouwen in dienst te nemen, genieten vrouwen de voorkeur”.
Sinds 1988 voert de Provincie behalve bij de werving ook bij de selectie
een voorkeursbeleid voor vrouwen. Dit voorkeursbeleid houdt in dat vrouwen
bij voldoende geschiktheid voorrang krijgen boven mannen. Dit beleid is
neergelegd in de notitie ‘Positieve Actie’, die in 1987 is uitgebracht door
de Gedeputeerde Staten van de Provincie. In deze notitie staat, voor zover
van belang, het volgende opgenomen.

Het doel van het voorkeursbeleid is om te komen tot een evenredige
vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in het personeelsbestand.
Aanleiding voor het verscherpen van het voorkeursbeleid was, dat ondanks
het tot dan toe gevoerde voorkeursbeleid, het aandeel vrouwen in het
provinciale personeelsbestand (29,5%) nog steeds achter lag bij dat van de
mannen. In de notitie staat voorts vermeld dat waar sprake is van een
sterke ondervertegenwoordiging van vrouwen in een bepaalde functie, voor
deze functie alleen vrouwen kunnen worden geworven.

In de notitie zijn streefcijfers genoemd voor wat betreft de instroom en
doorstroom van vrouwen bij de Provincie. Deze streefcijfers zijn
vastgesteld per organisatie-onderdeel en zijn geldig voor de periode 1988
tot en met 1990.

Bij een geschatte instroom van 30 personen per jaar streeft de Provincie
ernaar dat 50% van deze instroom uit vrouwen bestaat. Dit streefpercentage
geldt eveneens bij de doorstroom naar andere functies. Bij het opstellen
van deze streefcijfers heeft de Provincie de beschikbaarheid van vrouwen op
de arbeidsmarkt niet per functie onderzocht. Als reden hiervoor geeft zij
op dat er een vrij geringe instroom per jaar is, en dat ten tijde van de
opstelling van de notitie ‘Positieve Actie’ niet bekend was welke functies
in de toekomst vacant zouden komen.

In de notitie ‘Positieve Actie’ staat dat in het Sociaal Jaarverslag
jaarlijks gerapporteerd zal worden over de bereikte resultaten van het
voorkeursbeleid. Uit een analyse van de vergelijking tussen de
streefcijfers en de feitelijke benoemingen moet dan blijken of een
tussentijdse bijstelling van de streefcijfers noodzakelijk is.

3.3. In het Sociaal Jaarverslag 1990 van de Provincie staan de resultaten
van het door haar gehanteerde voorkeursbeleid. Op 31 december 1990 waren
272 vrouwen en 753 mannen bij haar in dienst. Het aantal vrouwen in de
provinciale dienst is in 1990 met twee toegenomen. Het aantal mannen bij de
Provincie is in dat jaar gestegen met 23. Uit het jaarverslag blijkt dat de
streefpercentages in 1990 niet zijn gehaald. Het instroompercentage van
vrouwen bedroeg 21,9% ten opzichte van 78,1% van mannen. Het
doorstroompercentage van vrouwen bleef beperkt tot 39,5% ten opzichte van
60,5% van mannen.

In het Sociaal Jaarverslag wordt een overzicht gegeven van de verdeling van
mannen en vrouwen over de verschillende salarisschalen per 31 december

Schalen en bruto mannen vrouwen
salaris per maand

schaal 1 t/m 6 294 (65%) 159 (35%)

(ƒ 2.015,- t/m ƒ 3.393,-)

schaal 8 t/m 10 128 (69,5%) 56 (30,5%)

(ƒ 2.909,- t/m ƒ 4.258,-)

schaal 11 t/m 13 181 (80,5%) 44 (19,5%)

(ƒ 3.827,- t/m ƒ 5.789,-)

schaal 14 t/m 16 114 (91%) 11 (9%)

(ƒ 5.262,- t/m ƒ 7.281,-)

schaal 17 en 18 27 (96,5%) 1 (3,5%)

(ƒ 6.626,- t/m ƒ 8.715,-)

schaal 20 t/m 24 0 (0%) 1 (100%)

(ƒ 7.806,- t/m ƒ 12.756,-)

totaal 753 (73,5%) 272 (26,5%)

De functie van adviseur persoonlijk computergebruik valt onder schaal 11
tot en met 13.

3.4. Om het aantal vrouwen in de provinciale dienst te vergroten heeft de
directie Personeelszaken van Gedeputeerde Staten van de Provincie (hierna:
de directie PZ) op 7 januari 1991 besloten om -bij wijze van experiment-
bij vacante functies waarin vrouwen ondervertegenwoordigd zijn, gedurende
een half jaar alleen onder vrouwen te werven. Zij besloot hiertoe naar
aanleiding van een advies van de begeleidingsgroep ‘Positieve Actie’. De
directie PZ stelde vast dat er sprake is van ondervertegenwoordiging indien
in de desbetreffende functie minder dan 50% vrouwen werken. Uit een
besluitenlijst d.d. 7 januari 1991 blijkt dat de Provincie tot deze vorm
van voorkeursbeleid heeft besloten, omdat zij ontevreden was over de
resultaten van het tot dan toe gevoerde voorkeursbeleid. Zij was van mening
dat het bijgestelde beleid tot betere resultaten zou leiden. Hierbij gaf
zij wel aan dat het experiment alleen toegepast zou moeten worden bij
functies waarvoor genoeg aanbod van geschikte vrouwen kon worden verwacht.

De medezeggenschapscommissie van de Provincie heeft tijdens een
overlegvergadering met de directie PZ op 4 februari 1991 met het experiment
ingestemd, zo blijkt uit het verslag van deze vergadering. Tijdens deze
vergadering is afgesproken dat het experiment zich zou uitstrekken over de
periode 4 februari 1991 tot en met 3 augustus 1991.

3.5. In een vergadering van 4 maart 1991 zijn door de directie PZ criteria
vastgesteld voor het bovengenoemde experiment. Deze criteria zijn:

– In principe komen alle functies in aanmerking waarin vrouwen
ondervertegenwoordigd zijn. Van ondervertegenwoor- diging is sprake
indien in de desbetreffende functie minder dan 50% vrouwen werken.

– Een nadere afweging kan worden gemaakt voor die functies waarvan van
te voren vaststaat dat die moeilijk vervulbaar zijn, hetzij door de aard
van de functie, hetzij door schaarste op de markt.

Tijdens deze vergadering is besloten dat de directie PZ op voorstel van de
desbetreffende Hoofdgroepdirectie per vacature/functie beoordeelt of een
vacature eerst alleen voor vrouwen wordt opengesteld. Ook is besloten te
zijner tijd te bezien of het experiment na een half jaar verlengd zou
moeten worden, aangezien de Provincie had besloten terughoudend te zijn met
het aantrekken van nieuwe medewerkers.

3.6. In augustus 1991 heeft de begeleidingsgroep ‘Positieve Actie’ (hierna:
de begeleidingsgroep) een rapport uitgebracht waarin zij het experiment
‘alleen onder vrouwen werven’ evalueert. Uit dit evaluatierapport blijkt
dat in de evaluatieperiode (4 februari 1991 tot en met 3 augustus 1991) 26
wervings-procedures zijn gehouden. Voor 11 procedures besloot de directie
PZ dat ze onder het experiment dienden te vallen. In acht van deze
procedures is een vrouw benoemd. In twee gevallen werd een man benoemd
omdat er geen geschikte vrouw bleek te zijn. Een procedure werd wegens een
‘heroverwegingsoperatie’ (herplaatsing van medewerkers die elders -intern-
moeten afvloeien) opgeschort. Bij de acht functies waarin een vrouw werd
benoemd, varieert het (salaris)niveau van schaal 3 tot schaal 17.

In de overige 15 procedures die niet onder het experiment vielen is de
begeleidingsgroep nagegaan waarom deze, volgens de directie, niet onder het
experiment vielen.

Voor wat betreft twee procedures (secretaressefuncties) gold het criterium
dat vrouwen niet ondervertegenwoordigd waren in deze functie. In vier van
de procedures was de ‘heroverwegingsoperatie’ doorslaggevend. In vier
gevallen heeft het criterium ‘moeilijk vervulbaar wegens de aard van de
functie’ gegolden. Het ging hierbij om de functies van kanaalkantonnier,
muskusrattenbestrijder (twee functies) en hulpwegkantonnier. In de vijf
resterende procedures heeft het criterium ‘moeilijk vervulbare functie
wegens schaarste van vrouwen op de arbeidsmarkt’ een rol gespeeld. Hierbij
ging het om de functies van technisch medewerker, medewerker
staalconstructies/werktuigbouw, beheerder technisch teken-archief, milieu-
inspecteur en beleidsmedewerker lucht.

De 15 procedures die niet onder het experiment vielen, hebben geleid tot
het aanstellen van drie vrouwen en zeven mannen. De andere vijf procedures
waren ten tijde van het opmaken van het evaluatierapport nog lopende.

De begeleidingsgroep merkt in het rapport op dat de duur van het experiment
erg kort is geweest, nu criteria om het experiment toe te passen pas op 4
maart 1991 waren vastgesteld. Het experiment heeft daardoor in feite
slechts vijf maanden geduurd. Voor die procedures waarin het experiment is
toegepast, kon volgens de begeleidingsgroep worden gesteld dat het
experiment was geslaagd, gezien het feit dat in de tien afgeronde
procedures acht vrouwen zijn benoemd. Bovendien is een aantal van deze
vrouwen op hoog gesalarieerde functies benoemd. In die procedures waarin
het experiment niet is toegepast zijn relatief veel mannen benoemd (acht
mannen en twee vrouwen). De begeleidingsgroep deed tenslotte de aanbeveling
het experiment met een half jaar te verlengen, teneinde de invloed van de
positieve actie meer gefundeerd te kunnen beoordelen.

3.7. Op 30 september 1991 heeft de directie PZ op grond van het
evaluatierapport besloten het experiment tot 3 december 1991 te verlengen.
De directie PZ stelde hierbij vast dat bij vacatures in principe de
volgende volgorde aangehouden diende te worden:

1) toepassing heroverwegingstoets;

2) de vacature intern openstellen voor zowel mannen als vrouwen;

3) de vacature extern openstellen. Als daartoe wordt besloten eerst
openstellen voor vrouwen (dat wil zeggen het experiment toepassen).

Hierbij maakte de directie PZ de kanttekening dat zij kon besluiten om van
deze regels af te wijken als daartoe reden was.

Naar aanleiding van de evaluatie van het experiment wordt in een notitie
van de afdeling personeelszaken van de Provincie (van november 1991)
aangegeven, dat het alleen onder vrouwen werven bij bepaalde functies niet
langer een experiment, maar een structurele gedragslijn zou moeten zijn.
Voorts wordt opgemerkt dat wanneer uit onderzoek of statistische gegevens
bekend is dat het aanbod van vrouwen voor functies waarin vrouwen
ondervertegenwoordigd zijn, beperkt is, de vacature ook voor mannen zal
worden opengesteld.

Naar aanleiding van deze notitie heeft de directie PZ op 9 december 1991
besloten met het experiment door te gaan en eind 1992 opnieuw te
evalueren.

De standpunten van partijen

3.8. Verzoeker is van mening dat de Provincie door de betreffende vacature
alleen voor vrouwen open te stellen jegens hem onderscheid op grond van
geslacht heeft gemaakt in strijd met de WGB. Verzoeker had namelijk willen
solliciteren naar genoemde functie.

Hij is ook van mening dat de personeelsadvertentie, waarin van de
betreffende vacature mededeling wordt gedaan, in strijd is met artikel 3
lid 1 WGB.

Hierbij merkt verzoeker op dat als de Provincie haar beleid erop richt om
voor de betreffende functie een man/vrouw verdeling van 50%-50% na te
streven, dit betekent dat een grote groep mannen in deze sector benadeeld
worden. Het aanbod van vrouwen voor de betreffende functie is volgens
verzoeker namelijk lager dan 50%.

Ter staving van deze stelling voert verzoeker de volgende cijfers aan. Het
percentage vrouwen dat een informatica-opleiding volgt in het reguliere
MBO-onderwijs is gemiddeld 12%. Bij de HBO-opleidingen ligt dit percentage
op 10%, bij de PDI-cursussen op 14% en bij de AMBI-cursussen op 18%. Deze
gegevens komen uit ‘Stuurgroep Verzorging Informatietechnologie’, februari
1991.

3.9. De Provincie stelt het volgende.

Zij voert al jaren een voorkeursbeleid voor vrouwen. Ondanks dit beleid,
is de achterstand van vrouwen op bepaalde functieniveaus niet opgeheven.
Dit heeft ertoe geleid dat zij bij vacante functies waarin vrouwen
ondervertegenwoordigd zijn, bij wijze van experiment, alleen onder vrouwen
werft.

De Provincie stelt dat haar voorkeursbeleid op grond van artikel 5 lid 1
WGB is toegestaan. Derhalve is de Provincie van mening dat zij niet in
strijd met de WGB heeft gehandeld.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de Provincie jegens verzoeker onderscheid op
grond van geslacht heeft gemaakt bij de werving en/of de selectie in strijd
met artikel 3 van de WGB door voor de desbetreffende functie alleen onder
vrouwen te werven.

4.2. In artikel 3 lid 1 WGB is bepaald dat het niet is toegelaten bij de
aanbieding van een betrekking of bij de behandeling bij de vervulling van
een openstaande betrekking onderscheid naar geslacht te maken. In lid 3 van
dit artikel is neergelegd dat van het eerste lid mag worden afgeweken
indien de Wet onderscheid toestaat. Als er onderscheid op grond van
geslacht wordt gemaakt, moet de grond voor dat onderscheid uitdrukkelijk
worden vermeld, bij het aanbieden van de betrekking (artikel 3 lid 2 WGB).

Artikel 5 lid 1 WGB schrijft voor dat van het in artikel 3 WGB bepaalde mag
worden afgeweken, indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een
bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te
heffen.

4.3. De Provincie heeft ten doel te komen tot evenredige vertegenwoordiging
van mannen en vrouwen in het personeelsbestand. Zij voert daarom een
voorkeursbeleid voor vrouwen bij alle vacatures voor functies waarin het
aandeel van vrouwen minder is dan 50%. Voor die functies waarvoor van te
voren vaststaat dat zij moeilijk vervulbaar zijn (hetzij door de aard van
de functie, hetzij door de schaarste op de arbeidsmarkt), wordt een nadere
afweging gemaakt of het voorkeursbeleid moet worden toegepast.

De ervaring sinds 1982 heeft geleerd dat een uitdrukkelijke uitnodiging aan
vrouwelijke kandidaten om te solliciteren en, vanaf 1988, voorkeur voor
vrouwen bij gelijke geschiktheid, nauwelijks effect hebben gehad. In 1990
was het aantal vrouwen in de Provinciale Dienst slechts toegenomen met

twee vrouwen tegen 23 mannen. De wederpartij heeft in 1991 besloten een
verdergaande vorm van voorkeursbehandeling toe te passen. Bij wijze van
experiment zou gedurende een half jaar alleen onder vrouwen worden
geworven. Dit experiment is in een evaluatierapport positief beoordeeld. In
de periode van 4 februari 1991 tot en met 3 augustus 1991 zijn 26
wervingsprocedures gehouden, hetgeen resulteerde tot aanstelling van tien
vrouwen en elf mannen. De overige procedures waren tijdens het opmaken van
het rapport nog niet bekend.

Het experiment is daarom verlengd.

In de onderhavige functie waren minder dan 50% vrouwen werkzaam. Er was
geen sprake van een ‘moeilijk vervulbare functie’ wat betreft het aanbod
van gekwalificeerde vrouwen. De Provincie paste daarom haar voorkeursbeleid
toe.

4.4. In een eerdere zaak heeft de Commissie overwogen dat het
voorkeursbeleid bij werving en selectie onder andere aan de volgende
criteria moet voldoen (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid, 9 juli 1990, oordeelnummer 56-90-33):

1. de achterstand moet worden vastgesteld per functiesoort en -niveau, die
een duidelijk eigen toestroom uit de arbeidsmarkt hebben. Deze achterstand
wordt bepaald door het concrete aandeel daarin van vrouwen te vergelijken
met het aandeel in het relevante potentiele aanbod van vrouwen op de
arbeidsmarkt;

2. per functiesoort en -niveau moet voorts worden vastgesteld welke
intensiteit van voorkeursbehandeling het meest geschikt of wenselijk is;

3. bij de openlijke aanbieding van een betrekking zal vermeld moeten worden
dat een voorkeursbehandeling van toepassing is.

4.5. Wat betreft het eerste criterium overweegt de Commissie als volgt.

Het algemene streefgetal van 50% mannen en 50% vrouwen in elk der
onderscheiden functies acht de Commissie te algemeen. Een dergelijk
algemeen streefgetal houdt namelijk geen rekening met het aanbod van mannen
en vrouwen op de arbeidsmarkt. Het hanteren van zo’n streefgetal zou ertoe
kunnen leiden dat er in bepaalde gevallen wel een voorkeursbehandeling
wordt toegepast, terwijl er geen achterstand van vrouwen bestaat, en dat er
in dit voorkeursbeleid geen voorkeursbehandeling wordt toegepast, terwijl
er wel een achterstand bestaat.

In een eerdere zaak oordeelde de Commissie dat indien een voorkeursbeleid
wordt gevoerd enkel met het oog op het streven naar evenredige
vertegenwoordiging van mannen en vrouwen (50% mannen en 50% vrouwen), niet
wordt voldaan aan het eerste criterium (zie noot 1).

De onderhavige zaak verschilt echter met aangehaalde eerdere zaak hierin,
dat de Provincie in het beleid een afwijzingsbevoegdheid heeft ingebouwd.
Alvorens het door haar geformuleerde voorkeursbeleid toe te passen,
onderzoekt zij namelijk per vacature of er sprake is van ondervertegen-
woordiging van vrouwen in de betreffende functiesoort, en of er sprake is
van een moeilijk vervulbare functie. Als vrouwen evenredig zijn
vertegenwoordigd (de indicatie hiervoor is: 50% vrouwen) past de Provincie
haar voorkeursbeleid niet toe. De Provincie past haar voorkeursbeleid ook
niet toe indien sprake is van een ‘moeilijk vervulbare functie’ wegens de
aard daarvan of wegens het feit dat van te voren vaststaat dat er niet
genoeg vrouwen voorhanden zijn, en er dus geen achterstand is ten opzichte
van het aanbod van vrouwen op de arbeidsmarkt. Dat de wederpartij ook
daadwerkelijk op deze wijze vormgeeft aan haar voorkeursbeleid acht de
Commissie voldoende gebleken uit de gegevens die uit het evaluatierapport
van het voorkeursbeleid naar voren zijn gekomen.

Door haar voorkeursbeleid op deze manier uit te werken acht de Commissie
voldoende gewaarborgd dat er een redelijke relatie bestaat tussen
achterstand en voorkeursbeleid. Van het ontbreken van een dergelijke
redelijke relatie in het voorliggend geval is de Commissie overigens niet
gebleken.

Op grond van het bovenstaande concludeert de Commissie dat de Provincie
voldoende heeft gehandeld conform het eerste criterium genoemd onder
paragraaf 4.4.

4.6. Het tweede criterium waaraan getoetst moet worden is, of het
voorkeursbeleid van de wederpartij geschikt is om de bestaande achterstand
van vrouwen op te heffen.

Gezien de bestaande achterstand van vrouwen bij de Provinciale Dienst in
functies als de onderhavige, en gezien de kennelijke ineffectiviteit van de
eerder gehanteerde, minder vergaande vormen van voorkeursbeleid, acht de
Commissie het in voorkomende gevallen alleen werven onder vrouwen mitsdien
een geschikt middel om deze achterstand in te lopen. Zij is van oordeel dat
deze vorm van voorkeursbeleid in een redelijke verhouding staat tot het
doel om feitelijke ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen
(Hierbij wijst de Commissie op artikel 2 lid 3 van het wetsontwerp van de
Algemene Wet Gelijke Behandeling, alsook op de Memorie van Antwoord, Tweede
Kamer, Vergaderjaar 1991-1992, 22014, nr. 5, blz. 74 en 75. Hierin staat
dat bij voorkeursbehandeling het gemaakte onderscheid in een redelijke
verhouding tot het doel moet staan).

4.7. Wat betreft artikel 3 lid 2 WGB stelt de Commissie vast dat, aangezien
in de advertentie melding is gemaakt van het voorkeursbeleid en de vorm
daarvan, de wederpartij hier eveneens aan heeft voldaan.

4.8. Op grond van het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat, hoewel
het voorkeursbeleid van de wederpartij in zijn algemeenheid erg ruim is
geformuleerd, het voorkeursbeleid mede door de concrete toepassing ervan,
welke gerelateerd is aan de desbetreffende functie, in het onderhavige
geval in voldoende mate voldoet aan de eisen die uit artikel 5 WGB
voortvloeien, en dat toepassing van dit voorkeursbeleid voor de onderhavige
vacature derhalve niet in strijd is met de WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Provincie Friesland jegens
de heer te Emmen, bij de aanbieding van de betrekking en bij de
behandeling bij de vervulling van de openstaande betrekking geen
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), dhr mr A.W. Heringa,(lid Kamer), dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer), mw mr A.K. de Jongh,(adjunct-secretaris).

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 12 februari 1993

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


De man heeft kort na het starten van de echtscheidingsprocedure een
auto gekocht voor zijn werk, waarvoor hij een bedrag van ƒ 25.000,- moet
financieren.

De kosten die de man maakt en voorzover deze in omvang redelijk zijn,
mogen in aanmerking worden genomen bij het bepalen van zijn draagkracht.
Met deze laatste toevoeging houdt de Hoge Raad duidelijk de mogelijkheid
open om met exorbitante autokosten geen rekening te houden. Voorzover het
autokosten betreft die niet ten behoeve van het werk worden gemaakt, hoeft
er bij het bepalen van de draagkracht geen rekening mee te worden
gehouden. Van de man kan worden gevergd dat hij bij het bepalen van zijn
uitgaven rekening houdt met zijn onderhoudsplicht.

Volledige tekst

Verweerster in cassatie -verder te noemen de vrouw- heeft bij exploit
van 11 december 1989 eiser tot cassatie – verder te noemen de man-
gedagvaard voor de Rechtbank te ‘s- Hertogenbosch en gevorderd de
echtscheiding tussen partijen uit te spreken en, voor zover in cassatie
van belang, de man te veroordelen om aan de vrouw ter zake van de kosten
voor haar levensonderhoud te betalen een bedrag van ƒ 1.500,– per maand
met ingang van de datum dat de echtelijke woning zal zijn verkocht.

Nadat de man zich met betrekking tot de echtscheiding had gerefereerd aan
het oordeel van de Rechtbank en tegen de alimentatievordering verweer had
gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 11 januari 1991 de
echtscheiding tussen partijen uitgesproken en, voor zover in cassatie van
belang, de alimentatievordering van de vrouw toegewezen tot een bedrag van
ƒ 800,– per maand vanaf de dag van inschrijving van het
echtscheidingsvonnis in de register van de burgerlijke stand.

Tegen dit vonnis heeft de vrouw voor wat betreft de hoogte van de
alimentatie hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch
en heeft zij daarbij een alimentatie van ƒ 1.550,– per maand gevorderd,
waarna de man incidenteel hoger beroep heeft ingesteld en nihilstelling
heeft gevorderd.

Bij arrest van 14 november 1991 heeft het Hof in het principaal appel het
bestreden vonnis voor zover aan zijn onderdeel onderworpen vernietigd,
“doch alleen voor zover daarbij is beslist met betrekking tot de door de
man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw”. Het Hof
heeft de alimentatievordering van de vrouw toegewezen tot een bedrag van
ƒ 1.550,– per maand en in het incidenteel appel het beroep verworpen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel
uit.

De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het
bestreden arrest van het Gerechtshof te ‘s- Hertogenbosch met verdere
beslissing naar de Hoge Raad vermeent te behoren.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Bij de vaststelling van het aan de vrouw verschuldigde bedrag ter
zake van levensonderhoud heeft het Hof de vraag onder ogen gezien in
hoeverre bij het bepalen van de draagkracht van de man rekening moet
worden gehouden met de kosten van diens auto.

Daarbij is het Hof uitgegaan van de door de man gestelde vaste autokosten,
bestaande in een afschrijving van ƒ 5.570,- per jaar en een
betalingsverplichting uit hoofde van een in verband met de aankoop van de
auto gesloten lening, van ƒ 697,74 per maand. Voorts is het Hof ervan
uitgegaan dat de man zijn auto nodig heeft voor zijn werk.

Niettemin heeft het Hof met deze vaste kosten bij het bepalen van de
draagkracht van de man geen rekening gehouden. Daartoe heeft het Hof
overwogen dat niet aannemelijk is geworden ‘dat de man uitsluitend voor
privedoeleinden geen auto zou hebben’ en dat het Hof die kosten ‘derhalve’
als prive-bestedingen zal aanmerken, waarmee te dezen geen rekening wordt
gehouden.

Aldus is het Hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien de man
de auto nodig had voor zijn werk, was hij gedwongen om vaste autokosten
te maken. Dit brengt mee dat deze kosten, voor zover zij in omvang
redelijk zijn, mede zijn draagkracht bepalen. Daaraan doet niet af dat de
man – zo hij de auto niet voor zijn werk zou hebben nodig gehad – zich
naar het oordeel van het Hof een auto voor privedoeleinden zou hebben
aangeschaft en het Hof dan vrij zou zijn geweest met de vaste kosten van
deze auto geen rekening te houden op de grond dat het niet noodzakelijk
was ze te maken en dat de man zijn bestedingen beter op het nu eenmaal
door hem verschuldigde levensonderhoud had moeten afstemmen.

De op het voorgaande gerichte klacht van het middel treft derhalve doel.
De overige klachten behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 14
november 1991;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling
en beslissing; compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat
elke partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Snijders, Bloembergen, Mijnssen, Davids en Heemskerk.

Instantie: Rechtbank Maastricht, 11 februari 1993

Instantie

Rechtbank Maastricht

Samenvatting


Rechtbank wijst vordering tot het buiten toepassing laten van termijn tot
ontkenning vaderschap toe.

Volledige tekst

Eiser vordert gegrond te verklaren zijn vordering tot ontkenning van het
vaderschap van het kind A., geboren op 6 febr. 1984 uit gedaagde sub 2,
onder meer omdat uit een op 6 juni 1991 door het Centraal Laboratorium van
de Bloedtransfusiedienst van het Nederlandse Rode Kruis te Amsterdam
verricht DNA-onderzoek is komen vast te staan dat het uitgesloten is dat
eiser de biologische vader van A. is. Op grond van art. 1:203 lid 1 BW kan
de rechtsvordering tot ontkenning van het vaderschap slechts worden
ingesteld binnen zes maanden nadat ter kennis van de man is gekomen dat
de moeder het kind ter wereld heeft gebracht. Deze termijn is inmiddels
verstreken en eiser vordert de in voormeld artikel bedoelde termijn in
casu buiten toepassing te verklaren.

Toepassing hiervan betekent immers dat hem, terwijl hij niet haar
biologische vader is, een familierechtelijke betrekking met A. wordt
opgedrongen. Gedaagden hebben de stellingen van eiser erkend en geen
bezwaren aangevoerd tegen toewijzing van de vordering van eiser. De
rechtbank is met eiser van oordeel dat de onderhavige zaak valt binnen de
werking van art. 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat, indien de in art. 1:203
lid 1 BW bedoelde termijn zou worden toegepast, dat inbreuk op zijn
prive-leven oplevert. De rechtbank is van oordeel dat, hetgeen hiervoor
is weergegeven in onderling verband en samenhang beschouwend, de in art.
1:203 lid 1 BW bedoelde termijn buiten toepassing moet worden verklaard.
De rechtbank zal derhalve, nu gedaagden de stellingen van eiser hebben
erkend en deze ten processe vaststaan, de vordering van eiser toewijzen.
(enz.).

Rechters

Mr Brocker

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 10 februari 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is als verkoopster werkzaam bij de wederpartij. Zij
meent dat zij, zowel in haar huidige functie als in haar vorige functie,
arbeid van gelijke waarde (heeft) verricht als een mannelijke collega,
terwijl zij een lagere beloning ontvangt (ontving). De Commissie oordeelt
dat er geen sprake is (was) van arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde. Geen
strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 15 augustus 1991 verzocht mevrouw te Almere
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of
te Bussum (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid maakt/heeft
gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster is als verkoopster werkzaam bij de wederpartij. Zij is
van mening dat zij, zowel in haar huidige als in haar vorige functie,
arbeid van gelijke dan wel nagenoeg gelijke waarde (heeft) verricht als
haar voormalige collega, de heer (hierna: maatman), terwijl
zij een lagere beloning ontvangt/ontving. Verzoekster is van mening dat de
wederpartij hiermee heeft gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben enkele malen de gelegenheid gehad hun
standpunten toe te lichten.

De Commissie heeft een onderzoek ter plaatse ingesteld. Zij is hierbij
ondersteund door de Loontechnische Dienst (LTD) van het Ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In het kader van dit onderzoek zijn
gesprekken gevoerd met verzoekster, de wederpartij en maatman. Van het
onderzoek ter plaatse is een rapport opgemaakt, gedateerd 25 juni 1992.

2.1. De Commissie heeft partijen opgeroepen te verschijnen tijdens een
zitting op 27 oktober 1992.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

mw (verzoekster)

dhr mr P.J. van der Vlerk (advocaat)

van de kant van de wederpartij

dhr (directeur van de wederpartij)

mw mr (gemachtigde)

mw (toehoorster)

van de kant van de LTD

dhr M. van het Laar (senior-ABAV)

van de kant van de Commissie

mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter)

mw drs J.A.M. Stolwijk (lid Kamer)

mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

mw mr A.K. de Jongh (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij voert een winkel waar speelgoed wordt verkocht. Op de
benedenverdieping van de winkel (hierna: de afdeling Algemeen Assortiment)
wordt een breed assortiment speelgoed verkocht. Hier zijn steeds vier a zes
verkopers/verkoopsters aanwezig. Op de bovenverdieping van de winkel
(hierna: de afdeling Technisch Speelgoed) wordt voornamelijk technisch
speelgoed verkocht (electrische treinen, computerspelletjes, bouwdozen maar
ook puzzels en spellen).

Verzoekster (geboren in 1954) werkt nu ongeveer 20 jaar als verkoopster bij
de wederpartij. Zij kwam zo van school bij de wederpartij werken, het was
haar eerste baan. Haar taken bestaan voornamelijk uit de presentatie, het
verkopen en het aanvullen van speelgoed. Tot medio 1989 werkte verzoekster
op de afdeling Technisch Speelgoed. Daarna werd zij, op eigen verzoek,
overgeplaatst naar de afdeling Algemeen Assortiment. Bij grote drukte en
tijdens pauzes valt verzoekster soms in op de afdeling Technisch Speelgoed.
Zij voert daar dan ook eenvoudige reparaties uit. Verzoekster werkt 37,5
uur per week. Haar bruto-maandsalaris bedroeg in de periode 1987 tot 1
januari 1991 ƒ 2.750,- per maand (exclusief toeslagen reiskosten,
overwerkvergoeding en dergelijke). Per 1 januari 1991 ontving zij een
salarisverhoging van bruto ƒ 100,- per maand. Reden voor de
salarisverhoging was, zo blijkt uit een schriftelijke notitie van de
wederpartij, dat verzoekster op maandagmiddag een half uur langer ging
werken en dat de wederpartij haar wilde stimuleren om meer leiding te
geven. Ter zitting lichtte de wederpartij toe dat zij hierbij bijvoorbeeld
dacht aan het begeleiden van stagiaires. Uit het onderzoek is gebleken dat
verzoekster zowel voor als na de salarisverhoging feitelijk geen leiding
heeft gegeven. De leidinggevende taken die haar waren toebedacht zijn ook
niet specifiek aan een andere werknemer toebedeeld.

Verzoekster vergelijkt zich met een mannelijke (inmiddels ex-) collega,
de maatman. Deze (geboren in 1965) was op 15 september 1990 als verkoper op
de afdeling Technisch Speelgoed in dienst getreden voor de duur van een
jaar. Daarvoor was hij assistent-bedrijfsleider bij een supermarkt. Per 31
augustus 1991 heeft maatman zijn baan bij de wederpartij opgezegd en heeft
hij een baan aanvaard bij de partner van verzoekster. Na een maand is hij
ontslagen. Hierop heeft hij aan de wederpartij gevraagd of hij terug kon
komen. De wederpartij heeft hierop afwijzend beslist, omdat zij al een
vervanger had en bovendien het vertrouwen was geschaad.

Ook maatman werkte 37,5 uur per week. Zijn bruto-maandsalaris bedroeg bij
indiensttreding ƒ 3.100,- (exclusief toeslagen). Per 1 januari 1991 steeg
dit tot ƒ 3.193,-. De reden voor deze verhoging is niet bekend.

Het laatste salaris van de (mannelijke) voorganger van maatman bedroeg in
1990 ƒ 2200,- bruto per maand. De reden voor dit relatief lage salaris
was volgens de wederpartij dat deze werknemer niet beviel.

Het salaris van de opvolger van maatman bedroeg bij indiensttreding ƒ
3.100,- bruto per maand.

Het salaris van de opvolgster van verzoekster op de afdeling Technisch
Speelgoed bedroeg 101% van het wettelijk minimumloon, hetgeen dus minder
was dan het salaris van verzoekster. Zij had echter niet exact dezelfde
functie als verzoekster.

De wederpartij past geen CAO toe. Wel is de Verordening Secundaire
Arbeidsvoorwaarden voor de Detailhandel van toepassing. Hierin zijn echter
geen primaire arbeidsvoorwaarden geregeld.

3.2. Ten behoeve van het onderzoek van de Commissie zijn de functies van
verzoekster en maatman geinventariseerd en gewaardeerd door een medewerker
van de LTD. De beoordelingstijdvakken zijn als volgt afgebakend.

Verzoekster stelt dat haar huidige functie op de afdeling Algemeen
Assortiment van (nagenoeg) gelijke waarde is als de functie die maatman
vervulde op de afdeling Technisch Speelgoed. Ditzelfde geldt volgens haar
voor haar vorige functie, op de afdeling Technisch Speelgoed, die zij tot
medio 1989 verrichtte. Deze functie is gewaardeerd voor zowel de periode
voor als na 1 april 1988. Op dat moment werd namelijk een bedrijfsleider
aangesteld, die volgens verzoekster enkele taken van haar overnam.

De functie van verzoekster is gewaardeerd voor wat betreft de volgende
periodes:

– periode A: 1 januari 1988 – 1 april 1988;

– periode B: april 1988 – mei 1989 en

– periode C: mei 1989 – 31 augustus 1991.

De functie van maatman is gewaardeerd voor wat betreft periode C (vanaf 15
september 1990, toen hij bij de wederpartij in dienst trad). De functie van
verzoekster in de periodes A, B en C is bij de functiewaardering vergeleken
met de functie van maatman in de periode C.

Aangezien in het bedrijf geen functiewaarderingssysteem wordt toegepast,
zijn de functies beschreven en gewaardeerd aan de hand van een gangbaar
functiewaarderingssysteem. De functiebeschrijvingen zijn gebaseerd op
verklaringen van verzoekster, de wederpartij en maatman.

3.3. Verzoekster en de wederpartij zijn niet tot overeenstemming gekomen
over de precieze inhoud van de functies van verzoekster. Daarom zijn voor
elke functie van verzoekster twee verschillende beschrijvingen opgesteld,
namelijk een volgens de visie van verzoekster en een volgens de visie van
de wederpartij. Het verschil in visie wordt veroorzaakt door het feit dat
verzoekster van mening is dat zij zelf speelgoed monteerde (periode C) en
repareerde (periode A, B en C), dat zij nieuw personeel inwerkte (periode
C) en zelfstandig bepaalde artikelen bestelde (periode A en B) en verder
dat zij incidenteel de dagopbrengst telde en de geldcassette bij de bank
afleverde (periode A). Volgens de wederpartij voerde verzoekster in periode
B slechts incidenteel reparaties uit en heeft zij slechts eenmaal de
geldcassette naar de bank gebracht. De wederpartij stelt dat de overige
voornoemde werkzaamheden niet door verzoekster, maar door maatman zijn
verricht. Maatman en de bedrijfsleider van de wederpartij bevestigen de
verklaring van de wederpartij dat in de periode C niet verzoekster, maar
maatman speelgoed monteerde en repareerde. Artikel 8 van de
arbeidsovereenkomst van maatman vermeldt ook deze taken.

De functiebeschrijvingen van de functies van verzoekster zoals door
verzoekster geaccordeerd leverden steeds een iets hogere score op dan de
beschrijvingen zoals geaccordeerd door de wederpartij:

– periode A: 83 respectievelijk 79 punten;

– periode B: 81 respectievelijk 79 punten;

– periode C: 74,5 respectievelijk 72,5 punten.

De functie van maatman scoorde 94,5 punten.

Het puntenverschil tussen de functies van verzoekster en maatman is
afhankelijk van de visie van verzoekster en de wederpartij:

– periode A: 11,5 respectievelijk 15,5 punten;

– periode B: 13,5 respectievelijk 15,5 punten;

– periode C: 20 respectievelijk 22 punten.

In het gehanteerde functiewaarderingssysteem wordt in het gebied tussen 50
en 200 punten voor een functie veelal een bandbreedte van 20 punten
gehanteerd. Dit betekent dat een verschil van 20 punten wordt aangehouden
tussen de opeenvolgende functiegroepen/salarisschalen. Alle functies die
binnen deze bandbreedte vallen worden als gelijkwaardig beschouwd.

3.4. Het puntenverschil tussen de waardering van de functies van
verzoekster en maatman in periodes A en B (toen verzoekster op de afdeling
Technisch Speelgoed werkte) vindt zijn oorzaak in:

– de benodigde kennis; in deze periode was er nog nauwelijks sprake van
digitale treinbesturing en computerspellen en was er dus minder specifieke
kennis nodig dan in de periode C op de afdeling Technisch Speelgoed;

– het zelfstandig bestellen van artikelen door maatman;

– het beoordelen en uitvoeren van reparaties. Verzoekster voerde slechts
incidenteel reparaties uit;

– het leiding geven. Maatman deed dit wel, verzoekster niet.

Het puntenverschil in de periode C (de meest recente periode) kan als volgt
worden verklaard:

– met name ten aanzien van de treinen en spelcomputers is meer kennis
vereist dan voor het speelgoed op de afdeling Algemeen Assortiment,
aangezien klanten vaak met gedetailleerde vragen komen;

– maatman besliste zelf over het al dan niet repareren van speelgoed, en
voerde reparatie- en montagewerkzaamheden zelf uit;

– maatman bestelde zelf (veelal duur) speelgoed;

– maatman gaf leiding.

Doordat verzoekster in haar functie langere tijd op een vaste plaats staat,
was haar score op het punt ‘inspannende houding’ iets hoger.

3.5. Het onderzoek naar de door de wederpartij gehanteerde
beloningsmaatstaven heeft de volgende informatie opgeleverd.

Op de hoogte van het salaris bij indiensttreding zijn volgens de
wederpartij van invloed de zwaarte van de functie, de opgedane ervaring,
salariswensen bij aanvang van de dienstbetrekking, vorig salaris en
eventuele verwachtingen ten aanzien van het functioneren. Op de
salarisgroei na indiensttreding zijn van invloed de factoren prestaties,
diensttijd en leeftijd. Jeugdigen ontvangen het wettelijk minimumloon en
voor deeltijdarbeiders van 23 jaar en ouder is een netto-beloning van ƒ
10,- per uur uitgangspunt.

Aangezien er in het bedrijf van de wederpartij geen vaste normen zijn
ontwikkeld voor de beloningsmaatstaven, is niet na te gaan welke invloed de
onderscheiden factoren hebben op de hoogte van de beloning, en met name op
het beloningsverschil tussen verzoekster en maatman. Wel is duidelijk dat
de combinatie zwaarte van de functie en laatst genoten salaris zwaar wogen
bij de vaststelling van het loon van maatman.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoekster stelt in de eerste plaats dat haar huidige functie van
(nagenoeg) gelijke waarde is als die van maatman. Voor de verkoop van
artikelen van de verschillende afdelingen zijn volgens verzoekster dezelfde
vaardigheden vereist. Het feit dat verzoekster hetzelfde salaris is blijven
verdienen toen zij is overgeplaatst naar de afdeling Algemeen Assortiment
bevestigt deze stellingen. De zwaarte van de verschillende functies kan
derhalve het beloningsverschil niet rechtvaardigen. Tot het moment waarop
maatman in dienst trad werd het personeel van de beide afdelingen ook op
gelijke wijze beloond.

Ditzelfde geldt volgens verzoekster voor de functie die zij voorheen
vervulde (in periode A en B). Deze functie was namelijk gelijk aan de
functie die maatman later is gaan vervullen. Toch is maatman meteen bij
indiensttreding een hoger salaris gaan verdienen. Dit hoewel hij geen
technische kennis had, terwijl verzoekster al ongeveer 17 jaar ervaring had
opgedaan in deze werkzaamheden. Bovendien is verzoekster ouder. Verzoekster
zegt maatman te hebben ingewerkt.

Het is verzoekster niet duidelijk wat de wederpartij bedoelt met de
stelling dat maatman verantwoordelijk was voor de afdeling Technisch
Speelgoed. Deze verantwoordelijkheid blijkt haars inziens ook niet uit de
arbeidsovereenkomst tussen wederpartij en maatman. Bovendien kan het
argument van de wederpartij dat maatman in de toekomst zou doorgroeien naar
een hogere functie, geen reden zijn voor het beloningsverschil zolang hij
deze hogere functie nog niet vervulde.

Verzoekster bestrijdt dat zij niet goed zou functioneren. Zij wijst daarbij
op de salarisverhoging die zij ontving per 1 januari 1991.

Verzoekster is met de zaak van de wederpartij opgegroeid. Zij heeft op
beide afdelingen gewerkt en is op beide afdelingen inzetbaar. Gezien de
werkervaring die zij in de loop der jaren heeft opgebouwd bij de
wederpartij, is zij van mening dat voor de waardering van haar functie alle
door de Commissie onderzochte periodes (A, B en C) in beschouwing moeten
worden genomen. Voor de functiewaardering mag het niet uitmaken dat
verzoekster later op de benedenverdieping gelijksoortig werk is gaan doen.

Verzoekster verbaast zich over het feit dat uit het Commissierapport blijkt
dat de wederpartij geen grond meer ziet voor een vruchtbare samenwerking
met verzoekster, terwijl verzoekster alleen maar heeft gevraagd om datgene
waar zij haars inziens recht op heeft.

3.7. De wederpartij heeft het volgende naar voren gebracht.

Volgens haar hebben verzoekster en maatman in alle drie de
onderzoeksperiodes geen arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde verricht.
Maatman had meer technische ervaring en een ander takenpakket dan
verzoekster en werd daarom terecht hoger beloond. Voor wat betreft
verzoeksters huidige functie stelt de wederpartij dat aan het personeel op
de afdeling Algemeen Assortiment normaliter minder zware eisen worden
gesteld dan aan het personeel op de afdeling Technisch Speelgoed.
Desondanks is het salaris van verzoekster niet verlaagd toen zij is
overgeplaatst naar de benedenverdieping. De reden hiervoor is dat sprake
was van behoud van verworven rechten. Voorts stelt de wederpartij dat
maatman niet door verzoekster, maar door een ander is ingewerkt.

De wederpartij is van mening dat de Commissie periode C als uitgangspunt
zou moeten nemen bij haar oordeel of er sprake is/was van ongelijke
beloning. In deze periode was maatman immers werkzaam bij de wederpartij.

De beloning van maatman bij indiensttreding verklaart de wederpartij als
volgt.

De functie van maatman is zwaarder dan de huidige en ook de vroegere
functie van verzoekster. Op de afdeling Technisch Speelgoed wordt van het
verkopend personeel meer kennis verwacht, met name op het terrein van de
digitale besturing van modeltreinen. Toen verzoekster op deze afdeling
werkte had zij altijd een collega naast zich met een technische
achtergrond. Maatman was zelf een modeltrein-hobbyist, reden waarom hij bij
indiensttreding op dit terrein al voldoende aanleg en een redelijke kennis
bezat. Verder heeft de wederpartij rekening gehouden met het salaris van
maatman in zijn vroegere functie, en is het salaris gebaseerd op de
doorgroei van maatman naar chef van de afdeling Technisch Speelgoed. Deze
laatste verwachting baseerde de wederpartij op de organisatorische en
leidinggevende ervaring die maatman in zijn vroegere functie van assistent-
bedrijfsleider had opgedaan.

Verzoekster heeft in haar loopbaan bij de wederpartij redelijk, en in
sommige periodes goed gefunctioneerd. Wel heeft zij altijd veel begeleiding
nodig gehad. De laatste jaren stemden de prestaties van verzoekster niet
altijd tot tevredenheid. Dit is ook de reden waarom het salaris van
verzoekster de laatste jaren niet zoveel is gestegen en waarom verzoekster
binnen het bedrijf niet hogerop is geklommen. Overigens is de wederpartij
van mening dat verzoekster niet over genoeg potentieel beschikt om een
hogere functie te bekleden.

De wederpartij gaf ter zitting aan het niet eens te zijn met verzoekster
dat zij gezien haar ancienniteit recht zou hebben op een hogere beloning.
Deze ancienniteit is namelijk al in de beloning van verzoekster
verdisconteerd. Ten tijde van de zitting ontving verzoekster het hoogste
salaris van de medewerkers op de afdeling Algemeen Assortiment.

Naar aanleiding van het Commissierapport merkt de wederpartij op dat de
bedrijfsleider die per 1 april 1988 is aangesteld slechts taken van de
directeur van de wederpartij, en geen taken van verzoekster heeft
overgenomen. Deze bedrijfsleider kwam hierarchisch gezien tussen
verzoekster en de directeur in te staan.

Als kritiek op het Commissierapport brengt de wederpartij naar voren dat in
dit rapport slechts de functies zijn gewaardeerd en niet de personen die de
functies uitoefenen. Hierdoor wordt er geen rekening gehouden met
bijvoorbeeld hoe enthousiast of goed een werknemer is.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht, nu
verzoekster lager werd beloond dan haar mannelijke collega, de maatman.

4.2. Artikel 2 Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen (WGL, Stb. 1975, 129)
respectievelijk artikel 7A:1637ij lid 1 Burgelijk Wetboek (BW) en de
artikelen 7 en volgende Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB,
Stb. 1989, 168) bepalen dat een werkgever geen onderscheid mag maken tussen
mannen en vrouwen op het punt van de beloning wanneer zij arbeid van
gelijke of nagenoeg gelijke waarde verrichten. Van gelijke beloning is
sprake indien deze is berekend op grondslag van gelijkwaardige maatstaven.
Voor de bepaling van de waarde van de arbeid dient te worden uitgegaan van
een deugdelijk stelsel van functiewaardering. Daarbij wordt zoveel mogelijk
aangesloten bij het stelsel dat in de betreffende organisatie gebruikelijk
is.

Het verzoek betreft in elk geval voor een deel het tijdvak, gelegen voor 1
juli 1989, de datum van inwerkingtreding van de huidige WGB. Dit betekent
dat de beloning van voor deze datum dient te worden getoetst aan de WGL.
Voor de periode vanaf 1 juli 1989 dient deze te worden getoetst aan artikel
7A:1637ij BW en de WGB.

4.3. Allereerst gaat de Commissie in op de vraag of verzoekster en maatman
arbeid van gelijke dan wel nagenoeg gelijke waarde verrichtten.

De functies van verzoekster en maatman zijn gewaardeerd voor de voornoemde
periodes A, B en C.

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat aangezien zij al zo lang in
dienst is, alle periodes in samenhang met elkaar onderzocht dienen te
worden en dat het oordeel van de Commissie zich daarom over al deze
periodes dient uit te strekken.

De wederpartij daarentegen is van mening dat slechts periode C in
ogenschouw moet worden genomen. In tegenstelling tot de periodes A en B was
maatman in eerstgenoemde periode immers feitelijk in dienst bij de
wederpartij.

De Commissie overweegt hierover als volgt.

De functies van verzoekster in de verschillende onderzoeksperiodes waren
steeds van nagenoeg gelijke waarde. Het verschil tussen de puntenaantallen
die haar functie in deze periodes opleverde bedraagt immers maximaal 8,5
punten (zie paragraaf 3.3.). De Commissie zal daarom de onderzoeks-periode
in haar geheel beschouwen (van 1 januari 1988 tot 31 augustus 1991), en
niet de afzonderlijke periodes A, B en C. Dit houdt in dat de Commissie de
beloning van maatman (periode C) vergelijkt met de beloning van verzoekster
voordat maatman in dienst trad (periode A en B) en daarna (periode C).

Dit heeft als consequentie dat als mocht blijken dat er sprake is van
ongelijke beloning op grond van geslacht in periode C, de Commissie ervan
uitgaat dat in de periode ervoor ook ongelijk werd beloond.

Dat een werknemer voor de vergelijking van arbeid ook een maatman kan
aanwijzen die later in dienst is getreden, leidt de Commissie af uit
jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. Hierin is vastgesteld,
dat het beginsel van gelijke beloning niet enkel geldt in de situatie
waarin mannen en vrouwen tegelijkertijd arbeid van (nagenoeg) gelijke
waarde voor eenzelfde werkgever verrichten. Een werknemer kan voor de
vergelijking van de arbeid onder omstandigheden bijvoorbeeld ook een
voorganger aanwijzen (Hof van Justitie Europese Gemeenschappen, Marcarthys
Ltd./Smith, 27 maart 1980, zaak 129/79).

De visies van verzoekster en de wederpartij op de functie van verzoekster
in de onderzochte periode liggen niet ver uit elkaar. Het puntentotaal van
deze functie ligt tussen 72,5 en 83, terwijl deze van de functie van
maatman op 94,5 ligt. Er is dus een puntenverschil van tussen 11,5 en 22.

Aangezien de wederpartij geen functiewaarderingssysteem kent en toepast,
zijn er geen vaste grenzen om te bepalen wanneer twee functies in een en
dezelfde functiegroep vallen. Bij het ontbreken van vastgestelde grenzen
hanteert de Commissie het uitgangspunt, dat functies maximaal een halve
bandbreedte mogen verschillen om nog als arbeid van (nagenoeg) gelijke
waarde te kunnen gelden (Zie Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid, oordeelnummers 3075-90-1 d.d. 31 januari 1990 en
168-91-43 d.d. 12 juli 1991). In het gehanteerde functiewaarderingssysteem
wordt in het gebied tussen 50 en 200 punten voor een functie veelal een
bandbreedte van 20 punten gehanteerd, zo ook in het onderhavige geval. Het
puntenaantal van de functie van verzoekster ligt immers tussen 72,5 en 83,
terwijl dit van de functie van maatman 94,5 bedraagt.

In het onderhavige geval geldt derhalve dat er tussen de functies van
verzoekster en maatman een verschil zou mogen zijn van maximaal 10 punten.
Nu dit puntenverschil tussen 11,5 en 22 bedraagt, is de Commissie van
oordeel dat er geen sprake is van arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde.

4.4. Wat betreft de opmerking van de wederpartij dat in het
Commissierapport slechts de functies zijn gewaardeerd en niet de personen
die de functies uitoefenen, merkt de Commissie het volgende op.

Functiewaardering houdt in dat functies aan de hand van verschillende
gezichtspunten worden beschreven en gewaardeerd. Pas bij het toepassen van
de beloningsmaatstaven komt de persoon die de functie uitoefent in beeld.
Beloningsmaatstaven kunnen bijvoorbeeld zijn ervaring, functioneren,
leeftijd, prestaties en diensttijd. Aangezien de Commissie oordeelt dat er
geen sprake is van arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde, komt zij niet toe
aan de vraag of de wederpartij verzoekster en maatman op grondslag van
gelijkwaardige maatstaven heeft beloond. Hierdoor komt zij dus niet toe aan
de beoordeling van de persoon die de functie uitoefent.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat niet is komen vast te staan
dat te Bussum onderscheid naar geslacht maakt/heeft
gemaakt jegens mevrouw te Almere, in strijd met artikel 2
Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen respectievelijk artikel 7A:1637ij
lid 1 Burgelijk Wetboek en de artikelen 7 en volgende Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter), mw drs J.A.M. Stolwijk (lidKamer), mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer), mw mr A.K. de Jongh (adjunct-secretaris)

Instantie: Arrondissementsrechtbank Utrecht, 10 februari 1993

Instantie

Arrondissementsrechtbank Utrecht

Samenvatting


(Tussen)vonnis naar aanleiding van -in een eerder
tussenvonnis gelaste- deskundigenonderzoek.

De rechtbank neemt de bevindeningen en de conclusies van de
deskundige over en maakt die tot de hare. Uit de gehele inhoud
van het deskundigen rapport is zonder meer duidelijk dat de
deskundige een direct verband legt tussen het gedrag van B. en de
psychische schade die M. door diens gedrag heeft geleden. Dat de
deskundige daarbij niets heeft gezegd over de schade die B.
mogelijk door andere oorzaken in haar jeugd heeft geleden, kan
aan de in dat opzicht duidelijke inhoud van het rapport van de
deskundige niet afdoen. De opmerking van de deskundige dat
eiseres waarschijnlijk al eerder slachtoffer van seksueel geweld
is geworden, valt buiten het kader van het onderzoek.

Volledige tekst

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1. De rechtbank heeft in deze zaak een (tweede) tussenvonnis
gewezen, dat is uitgesproken op 5 februari 1992.

1.2. Ingevolge dat vonnis heeft een onderzoek door een deskundige
plaatsgevonden.

De deskundige heeft haar deskundigenrapport op 21 april 1992
onder aktennummer 113/92 ter griffie van de rechtbank
gedeponeerd.

1.3. Daarop heeft M. een conclusie na deskundigenonderzoek
genomen.

1.4. B. heeft vervolgens een conclusie van antwoord na
deskundigenonderzoek genomen.

1.5. Ten slotte hebben partijen de stukken aan de rechtbank
overgelegd en vonnis gevraagd.

Een afschrift van het deskundigenrapport heeft de rechtbank
alleen aangetroffen in het dossier van B.

2. De verdere beoordeling van het geschil

2.1. De rechtbank blijft bij de inhoud van voormeld (tweede)
tussenvonnis in deze zaak.

2.2. Ingevolge dat vonnis heeft de klinische psychologe drs. A.
Donk een deskundigenrapport uitgebracht.

Dit rapport is onder aktenummer 113/92 ter griffie van de
rechtbank gedeponeerd.

In dat rapport staat, onder meer, het navolgende vermeld:
“…

Vraag 2.6.a:

Heeft M. psychische schade opgelopen als gevolg van de in deze
procedure vastgestelde seksuele contacten in haar jeugd met B.?

Op grond van mijn onderzoek van mevrouw M. op 31-3-1992 meen ik
deze vraag met ‘ja’ te moeten beantworden.

Vraag 2.6.b.

Gezien het voorafgaande kan gesteld worden dat de geleden
psychische schade zich met name uit op de volgende gebieden.

Een verstoorde indentiteitsontwikkeling

Een verstoorde seksuele ontwikkeling

Een verstoorde beleving van zichzelf als moeder

Overige opmerkingen en conclusie

Op grond van mijn onderzoek van mevrouw M. en haar
voorgeschiedenis ben ik van mening dat zij zeer veel psychische
schade heeft ondervonden door het seksueel misbruik aan haar
gepleegd door de dader. Mevrouw heeft in voorafgaande jaren in
grote mate geleden onder de gevolgen van het misbruik en eerst de
laatste jaren door haar grote wilskracht en inzet waardoor zij
passende hulpverlening gevonden heeft, ziet men een verandering
ten goede optreden. Dit gaat echter gepaard met veel inspanning
en verdriet (te denken valt aan het ‘verlies’ van haar familie).
Gezien het klachtenbeeld van mevrouw denk ik dat zij ook reeds
als zeer jong kind het slachtoffer geweest moet zijn van seksueel
geweld. Ik ben mij er echter van bewust dat dit buiten het kader
van dit onderzoek valt.

2.3. B. heeft bij de inhoud van het deskundigenrapport een aantal
kantekeningen geplaatst.

Hij stelt allereerst dat ui het dekskundigenonderzoek niet is
komen vast te staan het causaal verband tussen zijn gedragingen
en de toestand van M., nu de deskundige zich niet heeft
uitgelaten over de (eventuele) schade die M. mogelijk heeft
geleden door andere ervaringen, waarbij hij wijst op het feit dat
M. door haar eerste echtgenoot is mishandeld en tot prostitutie
is gedwongen.

Vervolgens voert B. aan dat het mogelijk is dat de seksuele
ontwikkeling van M. al verstoord was voordat hij daar invloed op
had nu uit de verklaringen van de half-broer en de half-zus van
M. blijkt dat M. al op extreem jonge leeftijd seksuele omgang had
met anderen dan B.

B. bestrijdt verder dat de beleving van M. als moeder verstoord
is omdat hij van familieleden heeft gehoord dat zij regelmatig in
gezelschap haar kind onder haar trui op haar huid houdt.

Ten slotte begrijpt B. niet waarom de deskundige in zijn (bedoeld
zal zijn haar) laatste opmerking een vermoeden uit waarvan zij
weet dat dit buiten het kader van het onderzoek valt en B. heeft
de indruk dat zij daarmee haar onpartijdigheid prijsgeeft.

2.4. De rechtbank neemt de bevindingen en de conclusies van de
deskundige als vermeld in bovengenoemd rapport over en maakt die
tot de hare.

Daarmee worden de hiervoor onder 2.3 vermelde verweren van B.
verworpen.

Uit de gehele inhoud van het deskundigenrapport (dat de rechtbank
niet uigebreid zal weergegeven) is zonder meer duidelijk dat de
deskundige een direct verband legt tussen het gedrag van B. en de
psychische schade die M. door diens gedrag heeft geleden. Dat de
deskundige daarbij niets heeft gezegd over de schade die B.
mogelijk door andere oorzaken heeft geleden kan aan de in dat
opzicht duidelijke inhoud van het rapport van de deskundige niet
afdoen.

De opmerking van B. in verband de beleving van M. als moeder
betreft slechts een detail van het rapport van de deskundige en
laat de overige constatering van de deskundige op dit punt
onverlet.

De rechtbank deelt de opvatting van B. omtrent de partijdigheid
van de deskundige de laatste opmerking van de deskundige niet.

Deze hiervoor onder 2.2. weergegeven opmerking is kennelijk een
antwoord op de in voormeld tussenvonnis onder 2.6c gestelde vraag
of de deskundige voor het overige nog op of aanmerkingen heeft te
maken die voor de oordeelsvorming van de rechtbank van belang
zijn.

De rechtbank ziet niet in dat de deskundige met die opmerking
haar onpartijdigheid prijs geeft of dat daaruit anderszins de
conclusie zal kunnen worden getrokken dat de deskundige niet als
onafhankelijke deskundige haar onderzoek heeft verricht of haar
conclusie heeft getrokken.

Overigens is de rechtbank, met de deskundige van oordeel dat
laatste opmerking buiten het kader van het onderzoek valt.

De rechtbank zal dan ook op die opmerking verder geen acht slaan.

2.5. Uit het voorgaande volgt dat thans is komen vast te staan
dat M. door aan de schuld van B. te wijten onrechtmatig handelen
schade heeft geleden.

Zoals door de rechtbank in het eerste tussenvonnis in deze zaak
in rechtsoverweging 3.15 is overwogen dient de rechtbank bij de
vaststelling van de schadevergoeding mede acht te slaan op de
financiele omstandigheden van partijen.

De rechtbank zal de zaak daarom naar de rol verwijzen opdat B. en
M. elk bij akte nadere inlichtingen daaromtrent kunnen geven.

Daarbij heeft de rechtbank met name behoefte aan de navolgende
gegevens:

-gegevens omtrent het inkomen ondersteund door loonstroken of
recente uitkeringsgegevens;

-gegevens omtrent de burgerlijke staat van partijen en omtrent de
vraag of zij familieleden onderhouden en zo ja, tot welk bedrag;

-gegevens omtrent eventuele schulden, de hoogte daarvan en de
wijze waarop deze worden afgelost.

Partijen dienen deze gegevens zo volledig mogelijk ondersteund
door recente geschriften te verstrekken.

De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor een akte aan
de zijde van B. Vervolgens dient M. een akte te nemen, waarop B.
nog mag reageren, indien hem dat gewenst voorkomt.

3. De beslissing

3.1. De stukken worden in handen van partijen gesteld met de in
rechtsoverweging 2.5 vermelde doeleinden.

3.2. De zaak zal weer worden uitgeroepen ter rolle van de
enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken van
woensdag 24 maart 1993 te 9.00 uur voor het nemen van akte aan de
zijde van B.

3.3. Iedere verder beslissing wordt aangehouden.

Rechters

mr. L.C. Heuveling van Beek

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 9 februari 1993

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Een mongoloide meisje wordt het slachtoffer van
verkrachting. De Rechter-Commissaris in deze strafzaak is met de
voormalige raadsman van verdachte overeengekomen dat zij, de
Rechter-Commissaris, het meisje wegens haar geestelijke toestand
buiten zijn tegenwoordigheid zou horen en daarbij de
schriftelijke door de raadsman op te geven vragen aan de orde
zou stellen. De bevindingen van de Rechter-Commissaris zijn
neergelegd in een proces-verbaal en door het Hof mede als bewijs
gebruikt en de Rechter-Commissaris is als getuige gehoord.

De nieuwe raadsman van de verdachte verzoekt tot oproepen van het
slachtoffer als getuige en subsidiair tot verwijzing van de zaak
naar de Rechter-Commissaris, teneinde de slachtoffer-getuige
opnieuw te horen in bijzijn van de raadsman van verdachte. Deze
verzoeken worden door het Hof afgewezen, aangezien niet is
gebleken dat dit in het belang van de verdediging noodzakelijk
is, waarbij het Hof in aanmerking neemt het belang van de getuige
om niet opnieuw te worden blootgesteld aan een voor haar, gezien
haar geestestoestand, belastende verhoorsituatie. De HR oordeelt
dat het Hof de verklaring van de getuige tegenover de
Rechter-Commissaris, tesamen met andere bewijsmiddelen, tot het
bewijs heeft kunnen bezigen.

Ambtshalve bepaalt de HR een strafvermindering vast wegens
overschrijding van de redelijke termijn in de periode gelegen
tussen het instellen van het beroep in cassatie en de eerste
behandeling van het beroep in cassatie.

Volledige tekst


5.8. Uit het vorenstaande volgt dat het Hof die verklaring,
anders dan in het subsidiaire onderdeel van het eerste middel
wordt betoogd, zonder nadere motivering tot het bewijs heeft
kunnen bezigen.

5.9. De middelen zijn mitsdien tevergeefs voorgesteld.

6. Beoordeling van het derde, het vierde, het vijfde en het zesde
middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden en nopen niet tot
beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid
of van de rechtsontwikkeling.

7. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

7.1. Uit de desbetreffende akte blijkt dat het beroep in cassatie
op 6 mei 1991 is ingesteld, terwijl uit een op de inventaris van
de stukken van het geding geplaatste stempel blijkt, dat die
stukken op 24 juni 1992 ter griffie van de Hoge Raad zijn
ingekomen. De Hoge Raad heeft de zaak behandeld ter
terechtzitting van 20 oktober 1992.

7.2. In aanmerking genomen:

a) dat tussen de datum waarop het beroep in cassatie is ingesteld
en de datum waarop de stukken van het geding ter griffie van de
Hoge Raad zijn ontvangen een jaar, een maand en achttien dagen
zijn verstreken, hetgeen er mede toe heeft geleid dat de zaak pas
nadat meer dan een jaar en vijf maanden na het instellen van dat
beroep waren verstreken voor de eerste maal ter terechtzitting
van de Hoge Raad heeft gediend;

b) dat de verdachte ook gedurende de evenvermelde periode in
voorlopige hechtenis verkeerde en aan hem een gevangenisstraf van
aanzienlijke duur is opgelegd;

c) dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die een
tijdsverloop als onder (a) bedoeld zouden kunnen rechtvaardigen,
moet -mede in aanmerking genomen de uitspraak van het EHRM van 25
november 1992, Serie A, vol. 248-A, NJ 1993, 24- worden
geoordeeld dat de behandeling van de onderhavige zaak niet heeft
plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6
EVRM.

7.3. Aangezien bij afweging van enerzijds het belang dat de
gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn als
evenbedoeld behoudt bij normhandhaving door berechting en
anderzijds het belang dat de verdachte heeft bij verval van het
recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, in
het onderhavige geval eerstgenoemd belang moet prevaleren, leidt
het evenoverwogene tot het oordeel dat aan de verdachte een
lagere straf behoort te worden opgelegd dan het Hof hem voordat
sprake was van overschrijding van meergenoemde termijn heeft
opgelegd. De Hoge Raad zal, rekening houdende met de aan
verdachte opgelegde straf als hiervoor onder 1 is vermeld en met
de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, die straf
vaststellen als hieronder is vermeld.

8. slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge
Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden
uitspraak ambtshalve in enig ander opzicht dan hiervoren onder 7
is overwogen zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt
worden beslist.

9. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat
betreft de strafoplegging;

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van
drie jaar en acht maanden;

Bepaalt dat de tijd die door de verdachte voor de
tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in
voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de
opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verwerpt het beroep voor het overige.

Rechters

Mrs Haak (voorzitter), Mout, Keijzer, Bleichrodt enVan Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp (raadsheren).

Instantie: Europese Commissie voor de rechten van de mens, 8 februari 1993

Instantie

Europese Commissie voor de rechten van de mens

Samenvatting


De klacht van de donor is ook door de Europese Commissie rechten van de
mens niet ontvankelijk verklaard. De contacten tussen de man en het kind
zijn te beperkt geweest. Bovendien betaalde hij geen onderhoudsbijdrage
of anderszins. De relatie tussen de donor en het kind valt daarom niet
binnen de reikwijdte van artikel 8 EVRM.

Volledige tekst

THE FACTS The applicant is a Dutch citizen, born in 1948, and resides
Utrecht, the Netherlands. Before the Commission he is represented by J.C.
van Oven, a lawyer practising in The Hague.

The facts of the case, as submitted by the applicant, may be summarised
as follows.

In 1985 the applicant and his then wife met Mrs. T and Mrs. J, a lesbian
couple. Mrs. T and Mrs. J expressed the wish that they would like to have
and raise a child, not by an anonymous sperm donor, but by a known donor.
They considered it important for a child to know its father. After some
conversations Mrs. T and Mrs. J and the applicant agreed that the latter
would be the sperm donor. In November 1986 Mrs. T was artificially
inseminated and on 30 July 1987 a daughter was born. Mrs. T is the child’s
guardian by law.

By judicial order of 27 August 1987 the Disctrict Court judge
(kantonrechter) of Utrecht appointed Mrs. J. as co-guardian.

During Mrs. T’s pregnancy and after the child’s birth the applicant
visited Mrs. T and Mrs. J regularly and between September 1987 and April
1988 baby-sat on Monday afternoons.

In the beginning of 1988 the applicant informed Mrs. T and Mrs. J,
referring to alleged previous agreements on the raising of the child, that
he wished to establish certain visiting arrangements, inter alia, that the
child would spend one weekend per month with him. Mrs. T and Mrs. J denied
that any previous agreements in this respect had been made in the past and
in May 1988 broke off all contacts with the applicant and refused further
contacts between the applicant and the child.

On 30 June 1988 the applicant requested the Juvenile Court judge
(kinderrechter) to determine an arrangement concerning his access to the
child (omgangsregeling).

By interlocutory decision of 8 November 1988 the Juvenile Court judge
declared the applicant’s request admissible. The judge considered, inter
alia, that the applicant’s donorship in itself is an insufficient basis
for the creation of family life within the meaning of Article 8 of the
Convention and that agreements on rights and duties concerning a child are
null and void, but concluded that the applicant’s request was admissible
on the basis of the combination of the applicant’s donorship and his
weekly contacts wiht the child over a period of eight months.

By decisions of 14 December 1988 the Juvenile Court judge refused the
applicant’s request for access, considering that, in view of the
fundamental differences of opinion between the applicant on the one hand
and Mrs. T an d Mrs. J on the other, such access would be contrary to the
child’s interests.

Following an appeal by Mrs. T and Mrs. J against the decisions of 8
November 1988 and 14 December 1988 and the applicant’s appeal against the
decision of 14 December 1988 and the applicant’s Appael (Gerechtshof) of
Amsterdam on 17 April 1989 qaushed both decisions of the Juvernile Court
judge an declared inadmissible the applicant’s request to have access to
the child.

The Court of Appeal first noted that the parties did not challenge the
Juvenile Court judge’s findings that agreements concerning a child are
null and void and that donorship in combination with agreements on a child
born out of donorship cannot lead to the admissibility of a donor’s
request to be awarded access to such a child. In repect of the existence
of family life within the meaning of Article 8 of the Convention between
the applicant and the child, the Court of Appeal held there is no family
life between them. The Court considered in particular that as the
applicant’s actual contacts with the child were of such a summary
character, it could not be concluded on the basis of these contracts, also
in combination with his donorship, that the applicant is or was so close
to the child that he had a family life with the child within the meaning
of Article 8 of the Convention.

Teh applicant’s subsequent appeal in cassation was rejected by the Supreme
Court (hoge Raad) on 26 January 1990. The Supreme Court rejected the
applicant’s argument that there is always “family life” between a
biological father, including a father through donorship, and his child.
In het Supreme Court’s opinion “family life” requires, apart from
biological fatherhood, the existance of additional circumstances. The
Supreme Court added that the Court of Appeal’s opinion, that “as the
applicant’s actual contacts with the child were of such a summary
characer, it could not be concluded, on the basis of these contacts, also
in combination with his donorship, that the applicant is or was so close
to the child that he has a family life with the child within the meaning
of Article 8 of the Covention”, is an appreciation of fact which is left
to this court’s competence. The Supreme Court did not consider this
appreciation to be legally incorrect.

Complaints

1. The aplicant complains under Article 8 of the Convention that the Dutch
atuhorities unjustly considered there is no family life between him and
his child. In his opinion family life exists “ipso iure” between a
biological parent, including a parent through donorship, and his child.
Even if this would not be the case there is, according to the applicant,
family life between him and the child on the basis of the actual contacts
he had with the child and which could not be contined as Mrs. T an d Mrs.
J did not allow them anymore.

2. The applicant further complains that his rights under Article 13 in
conjunction with Article 6 para. 1 of the Convention have been violated
as the Dutch courts refused to declare his request for access admissible
in proceedings in which he wished to invoke his and the child’s rights as
guaranteed by Article 8 of the Convention.

3. The applicant finally complains under Article 14 in conjunction with
Article 8 of the Convention that the Dutch authorities have discriminated
agnaist him by declaring his request to have access to the child
inadmissible, whereas a similar request by a father of a legitimate child
would, in his opinion, undoubtedly be declared admissible, even when there
has been little or no contact at all between such a parent and his child.

THE LAW

1. The applicant complains under Article 8 of the Convention that the
Dutch authorities unjustly concluded that there is no family life between
him, in his capacity as a sperm donor, and a child born out of this
donorship. Article 8 para. 1 of the Convention provides:

“1. Everyone has the right to respect for his private and family life, his
home and his correspondence.”

The Commission recalls it has previously held that “family life” in the
sense of Article 8 of the Convention implies close personal ties in
addition to parenthood (No. 11468/85, Dec. 15.10.86, D.R. 50 p. 199). The
Commission further recalls that the existence or non-existence of family
life will depend on a number of factors, of which cohabitation is only
one, and on the circumstances of each particular case (cf. No. 12402/86,
Dec. 9.3.88, D.R. 55 p. 224).

The Commission notes that the applicant agreed to be a sperm donor in
order to satisfy the desire of Mrs. T and Mrs. J to have and raise a child
together. The Commission further notes that the applicant agreed that Mrs.
T and Mrs. J. would raise the child together and that the custody of the
child would be vested in them. The commission finally notes that there
have been certain contacts between the applicant and the child on a
regular basis during the first months after the child*s birth and that
these contacts ended in May 1988, following Mrs. T and mrs. J.’s refusal
of the applicant’s wish to establish certain visiting rights and
subsequently and of any further contacts between the applicant and the
child.

The Commission considers that the situation in which a person donates
sperm only to enable a woman to become pregnant through artificial
insemination does not of itself give the donor a right to respect for
family life with the child.

As to the applicant’s argument that there is family life between him and
the child as there have been regular contacts between them for a period
of several months after the child*s birth, the Commission notes that these
contacts were limited in time and intensity. Furthermore the applicant has
apparently not considered to make any contribution, financially or
otherwise, to the child’s upbringing. The Commission is of the opinion
that the applicant’s contacts with the child, both in itself and together
with his donorship, form an insufficient basis for the conclusion that as
a result thereof such a close personal tie has developed between them that
the decision by the Dutch authorities on the applicant’s request for
access does not amount to a lack of respect for the applicant’s family
life.

It follows that this complaint must be rejected as being manifestly
ill-founded within the meaning of Article 27 para. 2 of the Convention.

2. The applicant complains under Article 13 in conjunction with Article
6 para. 1 and Article 8 of the Convention that the Dutch courts refused
to declare his request to have access to the child admissible.

Article 13 provides:

“Everyone whose rights and freedoms as set forth in this Convention are
violated shall have an effective remedy before a national authority
notwithstanding that the violation has been committed by persons acting
in an official capacity.”

The Commission recalls that an applicant who has an arguable claim that
his rights guaranteed by the Convention have been violated must have an
effective remedy before a national authority for that claim. The word
“remedy” in this sense does not mean that the applicant’s claim must be
vindicated and that the applicant must “win”. He must have an opportunity
to have his claim examined by a national authority conforming to the
requirements of Article 13, which is able to examine the merits of his
complaint (No. 10496/83, Dec. 14.5.84, D.R. 38 p. 189).

The Commission notes that the applicant made use of the legal means at his
disposal by submitting his request to the Juvenile Court judge, the Court
of Appeal and the Supreme Court respectively.

The Commission is of the opinion that these remedies meet the requirements
of Article 13 of the Convention.

It follows that also this complaint is manifestly ill-founded and must be
rejected under Article 27 par. 2 of the Convention.

3. The applicant finally complains under Article 14 of the Convention in
conjunction with Aricle 8 of the Convention that the decision by the Dutch
courts to declare his request inadmissible discriminated against him in
comparison with a father of a legitimate child.

Article 14 of the Convenion rads:

“The enjoyment of the rights and freedoms set forth in this Convention
shall be secured without discrimination on any ground such as sex, race,
colour, language, religion, political or other opinion, national or social
origin, association with a national minority, property, birth or other
status.”

The Commission notes that the applicant seeks to compare himself with a
father of a legitimate child. In view of the fundamental differences
between the applicant and a father of a legitimate child, the Commission
does not find that these two situations can be compared and considered as
being analogous and, therefore, no question of discrimination arises in
the present case (cf. Eur. court H.R. Van der mussele judgment of 23
November 1983, Series A no. 70, para. 46).

It follows that also this complaint must be rejected as being manifestly
ill-founded within the meaning of Article 27 par. 2 46).

For these reasons, the Commission, by a majority declares the application
inadmissible. DECLARES THE APPLICATION INADMISSIBLE.

Rechters

Norgaard, President, Frowein, Trechsel, Ermacora, Gozubuyuk,Weitzel, Soyer, Schermers, Danelius, Hall, Martinez, Liddy, Pellonpaa,Marxer, Refri, en Kruger