Instantie: Commissie gelijke behandeling, 20 januari 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘Hoofd Juridische Zaken’
gevraagd wordt. In de toelichtende tekst van de advertentie wordt expliciet
aangegeven dat men een man voor de functie zoekt. Dit levert strijd op met
de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 26 oktober 1992 verzocht de Stichting Haags Meld- en
Registratiepunt Discriminatiezaken te Den Haag (hierna: verzoekster) de
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door de
te Haren (hierna: wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de
aanbieding van een betrekking in strijd met de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoekster heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd.

Verzoekster is van mening dat deze vacaturemelding in strijd is met de
WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Wat betreft de ontvankelijkheid van het verzoek wordt verwezen naar
5.2.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in behandeling
genomen en op grond van artikel 36 van het Procedurereglement besloten om
in deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen. De wederpartij is
in de gelegenheid gesteld tegen deze beslissing bezwaar aan te tekenen. De
wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt van
verzoekster te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoekster heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het tijdschrift ‘ ‘ van 11 september
1992. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een ‘Hoofd Juridische
Zaken’. In de toelichtende tekst bij de advertentie wordt de volgende
passage gebruikt: “De man die wij zoeken voor de functie van”, daarna volgt
bovenstaande functiebenaming. De zin wordt dan vervolgd met “bezit voor dit
werk de juiste mentaliteit”. Verder wordt in de advertentie uitsluitend het
persoonlijk voornaamwoord ‘hij’ gebruikt.

4.2. Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee bij het aanbieden
van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en
daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij stelt in haar verweer dat zij gezien de samenstelling
van haar organisatie -vier vrouwelijke medewerkers en een mannelijke
medewerker- het nuttig achtte, zowel voor haar bedrijf als ook voor haar
interne situatie, een man voor de onderhavige functie te werven. Voorts
deelt zij mee dat haar bedrijf reeds sinds vele jaren, ver voor het
ontstaan van de WGB en de Commissie, gestreefd heeft naar het aantrekken
van gekwalificeerde vrouwen in alle functies. Vervolgens merkt de
wederpartij op dat haars inziens verzoekster niet op grond van artikel 14,
lid 2 een verzoekschrift had mogen indienen, aangezien

– het bestuur van verzoekster volledig uit mannen bestaat;

– artikel 2 van de statuten niets over discriminatie door bedrijven
vermeldt;

– artikel 5 van de statuten, handelend over het bestuur, geen eigen plaats
inruimt voor vrouwen.

De wederpartij geeft verder aan een diepe afkeer van anonieme klagers te
hebben, temeer indien een klager geen direct belanghebbende is.

Tenslotte deelt de wederpartij mee ervan overtuigd te blijven naar de geest
van de WGB te hebben gehandeld.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in de onderhavige advertentie om
een ‘Hoofd Juridische Zaken’ te vragen en erin op te nemen dat zij een man
voor deze functie zoekt.

5.2. De wederpartij is van mening dat verzoekster, gelet op artikel 2 van
haar statuten, niet bevoegd is een verzoek bij de Commissie in te dienen.
De Commissie overweegt hieromtrent als volgt.

In artikel 2 van de Statuten van verzoekster staat dat de stichting zich
onder meer ten doel stelt een gericht en adequaat optreden te bevorderen
van overheids- en particuliere instellingen tegen discriminerende
handelingen en tegen instellingen, organisaties en personen die zich aan
zodanige handelingen schuldig maken.

In artikel 3 van de Statuten noemt verzoekster als een van de middelen om
haar doelstellingen te bereiken:

“het zelf of in samenwerking met deskundigen onderzoeken van meldingen en
klachten op mogelijkheden voor juridische aktie, waaronder begrepen het
voeren van rechtsgedingen, alsmede het op verzoek van klagers of uit eigen
beweging aanspannen van juridische akties;”.

Gelet op bovenstaande concludeert de Commissie dat verzoekster een
rechtspersoon is met volledige rechtsbevoegdheid, met een doelstelling
zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee voldoet verzoekster
aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

5.3. Vervolgens gaat de Commissie over tot beantwoording van de in geding
zijnde vraag.

Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking.

Artikel 3 lid 2 WGB bepaalt dat alleen in geval van een wettelijke
uitzondering, bijvoorbeeld als de werkgever een voorkeursbeleid voor
vrouwen wil voeren of als de functie geslachtsbepaald is, van dit verbod
mag worden afgeweken. De reden van deze afwijking moet in de advertentie
worden vermeld. Noch gesteld noch gebleken is dat de onderhavige functie
als geslachtsbepaald kan of moet worden beschouwd.

5.4. De wederpartij heeft als grond voor haar uitdrukkelijke wens om
mannelijke kandidaten voor de betreffende functie verwezen naar haar
bedrijf zelf en naar haar interne situatie. In het bedrijf zijn vijf
vrouwen werkzaam, inclusief de directeur, en een man. Voorts stelt de
wederpartij reeds vele jaren te streven naar het aantrekken van
gekwalificeerde vrouwen in alle functies.

5.5. De Commissie heeft waardering voor het expliciete streven van de
wederpartij om vrouwen in alle functies aan te trekken.

Zij stelt echter vast, dat bij de vervulling van de onderhavige functie van
hoofd juridische zaken de wederpartij alleen heeft gezocht naar mannelijke
kandidaten. Dit blijkt uit de advertentie, en wordt door de reactie van de
wederpartij bevestigd. Daarmee handelt zij in strijd met artikel 3 lid 1
WGB, dat bij werving en selectie immers gelijke behandeling voorschrijft.

5.6. Het verweer van de wederpartij dat zij gelet op haar bedrijf en de
samenstelling van haar personeelsbestand haar aandacht richtte op
mannelijke kandidaten, kan niet slagen.

De Wet staat een voorkeursbehandeling van mannen immers niet toe, noch in
de zin dat een voorkeur voor mannelijke kandidaten wordt uitgesproken, en
zeker niet in de zin dat de advertentie zich tot alleen mannelijke
kandidaten richt.

Uit de parlementaire behandeling van de herziening van de WGB blijkt dat de
in het laatstgenoemde artikel-lid vermelde beperking een bewuste keuze van
de wetgever is geweest. De visie van de betrokken ministers, welke door de
Tweede Kamer wordt ondersteund, wordt in de Memorie van Antwoord (Tweede
Kamer, vergaderjaar 1987-1988, 19.908, nr. 6, blz. 2) als volgt verwoord:

“Gelet op de huidige positie van vrouwen, zowel wat betreft de deelname aan
de arbeid als wat betreft de spreiding over functies en beroepen en de
niveau’s daarbinnen, verkeren vrouwen nog steeds in een
achterstandssituatie. Dit is een belangrijke overweging geweest voor de
beperking van de voorkeursbehandeling tot vrouwen. De huidige algemene
arbeidssituatie van mannen is anderzijds zodanig dat er geen grond zal zijn
om een beroep te doen op deze uitzondering om feitelijke ongelijkheden op
te heffen. Het achterwege laten van een toepassingsmogelijkheid voor mannen
in individuele gevallen achten wij met het oog op de algemene
achterstandssituatie van vrouwen alleszins verantwoord. Hierbij zij tevens
opgemerkt dat het percentage mannen dat in “vrouwenberoepen” werkzaam is
sneller gestegen is dan dat van vrouwen in “mannenberoepen”.[…]”.

Gezien de wettekst en de achterliggende bedoeling daarvan met betrekking
tot dit aspect van voorkeursbeleid, is een voorkeursbehandeling van mannen
niet toegestaan.

5.7. Nu het verweer van de wederpartij niet slaagt, staat vast dat zij in
strijd heeft gehandeld met artikel 3 lid 1 WGB.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de te Haren door
bij de aanbieding van een betrekking aan te geven een man voor de
desbetreffende functie te wensen, onderscheid naar geslacht heeft gemaakt
in strijd met artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

Rechters

mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 18 januari 1993

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Vrouw vraagt bij echtscheiding als nevenvordering onder meer
verdeling van de door partijen opgebouwde pensioenrechten. In de
huwelijkse voorwaarden is een verrekeningsbeding met betrekking tot het
onverteerde arbeidsinkomen. De rechtbank verwerpt de stelling van de vrouw
dat de opgebouwde pensioenen zijn betaald uit de inkomens van partijen en
dat hierop het verrekeningsbeding van toepassing is omdat het bespaarde
inkomsten zijn. Volgens de rechtbank zijn de betaalde pensioenpremies
normale uitgaven, die geen onverteerd inkomen vormen.

Volledige tekst

Overweegt ten aanzien van de feiten:

Blijkens authentieke bewijsstukken zijn partijen op 18 september 1976 in
de gemeente Delft met elkander gehuwd en hebben zij twee thans nog
minderjarige kinderen.

Bij zakelijk met de dagvaarding overeenstemmende conclusie van eis heeft
de vrouw op grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk echtscheiding
subsidiair scheiding van tafel en bed gevorderd met een bijkomende
vordering tot: -levensonderhoud ad ƒ 1.800,= per maand, bij
vooruitbetaling te voldoen, -verdeling ten overstaan van een notaris van
de gemeenschap van inboedel en de door de man opgebouwde pensioenrechten,

De man heeft bij conclusie van antwoord zich gerefereerd ten aanzien van
de gevorderde echtscheiding en de verdeling van de inboedel. Hij heeft
echter verweer gevoerd tegen de verdeling van de pensioenrechten en de
gevorderde alimentatie voorzover een bedrag van ƒ 952,75 per maand te
bovengaand. Bij conclusie van repliek heeft de vrouw haar eis vermeerderd
met een vordering tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning met
inboedel en haar alimentatievordering verlaagd in die zin dat zij thans
ƒ 575,= per maand vordert voor de periode dat zij in de echtelijke woning
zal wonen (en de man de lasten draagt) en ƒ 1.600,= per maand voor de
periode nadat zij de echtelijke woning zal hebben verlaten; voor het
overige heeft zij bij haar stellingen volhard, zij het dat zij thans
verdeling bij helfte vordert van door partijen opgebouwde
pensioenaanspraken. De man heeft bij dupliek zich gerefereerd ten aanzien
van de vordering tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning en voor
het overige zijn verweer gehandhaafd.

Partijen hebben tenslotte de stukken overgelegd en vonnis gevraagd.

Overweegt ten aanzien van het recht:

1. De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is erkend en staat
dus in rechte vast, zodat de daarop steunende niet weersproken vordering
tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.

2. Ook bij de bijkomende vordering tot voortgezet gebruik van de
echtelijke woning kan als niet bestreden en op de wet gegrond worden
toegewezen.

3. De vordering tot verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap
van inboedel wordt niet bestreden en ligt voor toewijzing gereed.

3.1 Wel betwist wordt de vordering van de vrouw tot verdeling bij helfte
van de door partijen opgebouwde pensioenaanspraken.

3.2 Partijen zijn onder huwelijkse voorwaarden getrouwd met uitsluiting
van elke goederengemeenschap behalve de gemeenschap van inboedel. Artikel
3 van die voorwaarden behelst echter een verrekeningsbeding luidend: “na
afloop van elk kalenderjaar zijn de echtgenoten gehouden hetgeen van hun
arbeids- en/of beroepsinkomen (verminderd met de in artikel 2 bedoelde
kosten, lasten en belastingen) onverteerd is, bij helft te verdelen. Heeft
de verdeling niet binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar plaats
gehad en heeft geen der echtgenoten binnen zeven maanden na afloop van het
kalenderjaar de verdeling schriftelijk gevorderd, dan vervalt het recht
tot het vorderen van deze verdeling.”

3.3. De vrouw stelt dat de opgebouwde pensioenen zijn betaald uit de
inkomens van partijen en dat hierop het verrekeningsbeding, waarvan de
bedoeling is bespaarde inkomsten te verdelen, van toepassing is. De man
ontkent de toepasselijkheid in deze van het verrekeningsbeding, met de
stelling dat betaalde pensioenpremie tot de normale aan een arbeidsinkomen
verbonden lasten behoort en dat van bespaarde inkomsten geen sprake is.
Voorts is naar de mening van de man, zo er al een recht tot verdeling ten
aanzien van de pensioenaanspraken bestond, dit recht dan toch vervallen
conform het bepaalde in artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden.

3.4 Naar het oordeel van de rechtbank brengt de beslissing dat uitsluitend
onverteerde arbeidsinkomsten aan de verrekeningsplicht zijn onderworpen
mee -zoals partijen in hun huwelijkse voorwaarden hebben verwoord- dat
zodanige inkomsten, nadat zij zijn verrekend, verdeeld en toegevoegd aan
de respectieve vermogens van partijen, geen voor rekening vatbare
inkomsten meer opleveren. Het zijn derhalve uitsluitend de nog niet
verrekende en verdeelde onverteerde arbeidsinkomsten welke alsnog zullen
moeten worden verrekend en verdeeld. Hierbij dient men zich te realiseren,
dat het verrekeningsbeding de echtgenoten generlei beperking oplegde in
hun bevoegdheid om hun inkomen naar eigen goeddunken uit te geven en dat
zij dus ten volle gerechtigd bleven dit naar eigen inzicht te besteden.
Een en ander houdt dus in dat de door partijen betaalde pensioenpremies
als in hun omstandigheden normale uitgaven moeten worden beschouwd, die
geen onverteerd inkomen in de zin van het tussen hen geldende
verrekeningsbeding vormen, waaraan niet afdoet dat die premies wellicht
tot uitkeringen zullen leiden, aangezien die uitkeringen niet de opbrengst
zijn van belegging (van onverteerd inkomen) in de vermogenssfeer, maar van
uitgaven ter waarborging van een inkomen, wanneer de arbeidsinkomsten zijn
weggevallen.

3.5 De rechtbank zal dan ook de vordering tot verdeling van de door
partijen opgebouwde pensioenaanspraken afwijzen.

4. Ook de alimentatievordering houdt partijen verdeeld.

4.1 De behoefte van de vrouw aan een (aanvullende) bijdrage in haar
levensonderhoud wordt niet bestreden en staat dus in rechte vast. Blijkens
de beschikking van het gerechtshof alhier inzake het appel voorlopige
voorzieningen bestaat het inkomen van de vrouw met ingang van 1 september
1992 uit een salaris van ongeveer ƒ 610,= per maand, exclusief
vakantiegeld en een gekorte W.W. uitkering van gemiddeld ƒ 1.200,= per
vier weken en is zij verzekerd krachtens de ziekenfondswet.

4.2 Ook de draagkracht van de man is nauwelijks in geschil. Uitgaande van
het door de man becijferde nettomaandinkomen van ƒ 6.595,= -en rekening
houdende met de navolgende maandelijkse lasten: F. 2.350,= hypotheekrente
voor zowel de echtelijke woning als de eigen woning van de man (de
rechtbank merkt hierbij op de – door de man opgevoerde- jaarlijkse
hypotheekrente ad ƒ 28.210,– een maandelijkse last oplevert van ƒ
2.350,83 en niet van ƒ 2.543,41) – ƒ 192,– overige eigenaarslasten – ƒ
266,– ziektekostendekking – ƒ 54,– eigen risico – ƒ 400,–
rente/aflossing schulden – ƒ 80,– kosten omgangsregeling alsmede de
bijstandsnorm voor alleenstaanden en de gemiddelde landelijke huur is de
rechtbank van oordeel dat de gevorderde alimentatie van ƒ 575,– per maand
zolang de man de lasten van de echtelijke woning voor zijn rekening neemt,
binnen ’s mans draagkracht valt en in overeenstemming is met de wettelijke
maatstaven.

4.3 Het betoog van de man met betrekking tot een gelijke verdeling van
“jus” is thans, nu het inkomen van de vrouw zozeer is gedaald, niet meer
relevant.

4.4. Aangezien er zoveel onzekerheden zijn met betrekking tot de inkomens
en uitgaven van beide partijen in de toekomst (de WW uitkering van de
vrouw, haar woonlasten, de verwachtingen van de man inzake een
nalatenschap, de verkoop van de echtelijke woning) zal de rechtbank thans
de alimentatie vaststellen uitgaande van de huidige gegevens en niet,
zoals de vrouw vordert, nu reeds tevens de alimentatie bepalen voor na de
verloop van de echtelijke woning.

5. Alvorens over de gezagsvoorziening te beslissen, zal de rechtbank een
verhoor van partijen bevelen. Iedere partij dient daartoe te worden
opgeroepen door haar eigen procureur.

RECHTDOENDE:

Spreekt uit de echtscheiding tussen: G en V, gehuwd op 18 september 1976
in de gemeente Delft.

Veroordeelt de man om van de dag dat het vonnis van echtscheiding zal zijn
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tegen kwijting aan
de vrouw tot haar levensonderhoud uit te keren een bedrag van f.575,– per
maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Beveelt de verdeling ten overstaan van een notaris van de
huwelijksgemeenschap welke door de scheiding wordt ontbonden.

Benoemt, voor het geval partijen het over de keuze van een notaris niet
eens worden, tot notaris ten overstaan van wie de verdeling behoort te
worden tot stand gebracht: mr. A. Klein Lankorst, notaris te Oegstgeest,
dan wel diens plaatsvervanger.

Benoemt, voor het geval een partij weigert of nalatig blijft tot de
verdeling mede te werken, tot onzijdig persoon volgens de wet: voor de man
mr. W.M.A. Kalkman, kantoorhoudende te Leiden, voor de vrouw mr J.I.W.A.M.
van Roy-Vissers, kantoorhoudende te Leiden.

Bepaalt het verhoor van partijen ter voorziening in het gezag over hun
minderjarige kinderen: C., geboren op 5 mei 1980 te Leiden, A., geboren
op 20 februari 1982 te Leiden, en ter eventuele bepaling van een bijdrage
in de kosten van verzorging en opvoeding voor de Tweede Enkelvoudige Kamer
van deze Rechtbank op: donderdag 29 april 1993 te 13.30 uur in het gebouw
van het Kantongerecht te Leiden, Rapenburg 19, en verwijst de zaak daartoe
naar die Kamer.

Bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de
woonruimte te Oegstgeest, …laan 8, en het gebruik van de zaken, die
behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten
gedurende zes maanden na de inschrijving van dit vonnis, mits deze woning
op het ogenblik van die inschrijving door de vrouw wordt bewoond en aan
de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van dit proces zal dragen.

Rechters

mr. C.E. Dettmeijer-Vermeulen

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 14 januari 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is tegelijk met de drie maatmannen gestart in de
functie van acquisitieconsulent. Arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde.
Beloningssysteem onderwijs schaalt medewerkers in met als uitgangspunt
laatstgenoten salaris in onderwijsfunctie dan wel in andere -relevante-
functie. De maatmannen lijken op basis van hun laatstgenoten salarissen te
zijn ingeschaald. Daarentegen is onduidelijk gebleven hoe verzoekster
is/had moeten worden ingeschaald. Commissie oordeelt dat uit het systeem
van de Wet voortvloeit dat het op de weg van de werkgever ligt om aan te
tonen dat medewerkers worden beloond op grondslag van gelijkwaardige
maatstaven. Dit geldt zeker wanneer, zoals in casu, sprake is van een
stelsel van beloning dat gekenmerkt wordt door een gebrek aan
doorzichtigheid. Wederpartij heeft niet kunnen aantonen dat wordt beloond
op grondslag van gelijkwaardige maatstaven. Strijd met de Wet. Commissie
voegt hieraan toe dat de ondoorzichtigheid van de wijze van belonen in
zekere mate ook te wijten valt aan het beloningssysteem in het onderwijs.

Volledige tekst


Overigens is verzoekster van mening dat ook zij in een situatie verkeert
die specifiek is voor vrouwen. Volgens haar kan op grond van
maatschappelijke gegevens geconcludeerd worden dat vrouwen veelal een lager
opleidingsniveau hebben dan mannen, veelal werkzaam zijn in traditioneel
vrouwelijke beroepen en meer dan mannen hun arbeidsloopbaan onderbreken.
Een dergelijk verbrokkeld arbeidsverleden brengt doorgaans een lager
laatstgenoten salaris met zich. Verzoekster heeft een leidinggevende
functie in de gezinszorg bekleed, een afgebroken opleiding en zich op eigen
kracht omgeschoold in een technische functie. Dit ging af en toe gepaard
met periodes van werkloosheid.

Statistische gegevens over verschillen in verbrokkelde arbeidsverledens
tussen mannen en vrouwen kon verzoekster niet overleggen. Wel wijst zij in
dit verband op het proefschrift ‘Loopbaanverschillen tussen mannen en
vrouwen binnen arbeidsorganisaties’ van B.I. van der Burg. In het eerste
hoofdstuk van dit proefschrift wordt, aldus verzoekster, verwezen naar
onderzoeken die het typische van verzoeksters arbeidsverleden laten zien.

3.12. De wederpartij stelt gehouden te zijn de door het Ministerie
opgestelde algemene salarisbepalingen van de rijksoverheid, zoals die zijn
opgenomen in het RPBO, te volgen. Bij de inschaling van verzoekster en haar
collega’s is zij dan ook van deze bepalingen uitgegaan. Bij de toepassing
van deze bepalingen heeft zij geen vrije ruimte, behalve de mogelijkheid
een extra periodiek toe te kennen in verband met relevante ervaring. Verder
moet, zo stelde de wederpartij in eerste instantie, het laatstgenoten
salaris als uitgangspunt worden genomen, onafhankelijk van de vraag of in
die laatste functie relevante ervaring is opgedaan. Overigens zal in 95%
van de gevallen wel sprake zijn van relevante ervaring. Verzoekster is
ingeschaald op basis van haar onderwijs- salaris. In de extra periodiek die
zij toegekend kreeg is de relevante ervaring verdisconteerd.

Zij ziet geen aanleiding het salaris van verzoekster te heroverwegen omdat
er geen nieuwe salarisinformatie boven water is gekomen. Ook het salaris
dat verzoekster bij het Groene Kruis verdiende was op het moment van
inschalen bekend. Dat er tijdens de sollicitatie niet over gesproken is
vindt zijn oorzaak in het feit dat die ervaring niet als relevant werd
beschouwd. Overigens heeft verzoekster in deze functie geen relevante
ervaring opgedaan, zodat zij ook niet op basis van dat salaris zou kunnen
worden ingeschaald. De wederpartij heeft de brief van de Minister (zie
3.8.) niet zo geinterpreteerd dat bij toepassing van artikel I-P10 lid 2,
de opgedane ervaring niet relevant zou zijn en er dus twee periodieken
toegekend hadden moeten worden. Zij ziet in de brief juist een bevestiging
van de correctheid van de inschaling van verzoekster.

De wederpartij benadrukt dat verzoekster wel ongelijk is behandeld, maar
juist in haar voordeel. Formeel is stapeling van de toepassing van artikel
I-P7 en I-P10 namelijk niet correct. De wederpartij heeft dit, overigens
met goedkeuring, wel gedaan.

De wederpartij verwacht dat de huidige functie van verzoekster niet
gelijkwaardig is aan die van de drie mannelijke collega’s. Maar zo voegt
zij hieraan toe, de werkelijke waarde kan slechts via een
functiewaarderings- onderzoek aangetoond worden. Overigens beinvloedt de
vraag of functies al dan niet gelijkwaardig zijn niet de inschaling.
Onafhankelijk van de waarde van de arbeid wordt namelijk ingeschaald op
basis van het laatstgenoten salaris. Wel is het mogelijk dat het
beginsalaris de uitloopmogelijkheid beinvloedt.

De wederpartij bestrijdt noch beaamt de stelling van verzoekster dat de
gehanteerde criteria indirect discriminerend ten opzichte van vrouwen zijn.
Mocht sprake zijn van indirect onderscheid, dan kan zij overigens niet
anders dan het RPBO toepassen. Doet zij dit niet dan ontstaan er problemen
met de subsidie.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht, nu
verzoekster lager werd beloond dan haar mannelijke collega’s.

Het functiewaarderingsonderzoek van de Commissie strekte zich uit over de
periode april 1986 tot medio 1987. In deze periode gold de Wet gelijk loon
voor vrouwen en mannen (WGL, Stb. 1975, 129). Artikel 2 WGL bepaalde dat
een werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen op het
punt van de beloning wanneer zij arbeid van gelijke of nagenoeg gelijke
waarde verrichten. Van gelijke beloning is sprake indien deze is berekend
op grondslag van gelijkwaardige maatstaven (artikel 5 WGL).

Artikel 4 WGL bepaalde dat voor het vaststellen van de waarde van de arbeid
dient te worden uitgegaan van een deugdelijk stelsel van functiewaardering.
Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij het stelsel dat in de
organisatie gebruikelijk is.

Per 1 juli 1989 is de WGL vervangen door de huidige Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168). Ook in deze Wet is vastgelegd,
in artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW), dat op het punt van de
beloning geen onderscheid mag worden gemaakt op grond van geslacht. De
Commissie sluit niet uit dat, wanneer komt vast te staan dat verzoekster in
bovengenoemd tijdvak ongelijk werd beloond, deze ongelijke beloning door
(heeft ge)werkt in verzoeksters beloning. Dit gezien het onderhavige
beloningssysteem dat medewerkers na indiensttreding jaarlijks een
periodieke verhoging toekent.

4.2. Gelet op het standpunt van met name de Minister dat hij en niet de
werkgever verantwoordelijk is voor de inhoud van de toepasselijke
inschalingsregeling, gaat de Commissie allereerst in op de vraag of de
werkgever van verzoekster aangesproken kan worden in het kader van de
onderhavige procedure. Voor de beantwoording van deze vraag acht de
Commissie doorslaggevend dat hij, die als werkgever is aan te merken, als
wederpartij is te beschouwen (zie ook onder meer Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 5 december 1991,
oordeelnummer: 371-91-80). Nu er een dienstbetrekking bestaat tussen de
wederpartij en verzoekster en uit hoofde van die dienstbetrekking
salarisbetaling door de wederpartij plaatsvindt, is deze terecht als
wederpartij aangemerkt.

De Commissie voegt hier -overigens ten overvloede- aan toe dat de
onderhavige inschalingsregeling tot stand is gekomen na diverse
overlegronden met bij de inschaling betrokken partijen (Voor een korte
weergave daarvan zie Stb. 1985, 155, blz. 93-95). Ook de wederpartij zal
derhalve -bijvoorbeeld door betrokkenheid bij een der overlegpartijen- in
de gelegenheid zijn geweest op enig moment invloed uit te oefenen op de
inhoud van de inschalingsregeling.

4.3. Vervolgens gaat de Commissie over tot beantwoording van de in geding
zijnde vraag. Allereerst is aan de orde de vraag of verzoekster en de
maatmannen arbeid van gelijke dan wel nagenoeg gelijke waarde verrichtten.

In dit verband merkt de Commissie eerst het volgende op. De wederpartij
heeft de functiebeschrijvingen niet geaccordeerd omdat de huidige
verantwoordelijken in het betrokken tijdvak niet werkzaam waren bij de
wederpartij. Zij hebben daarom geen zicht op de functies die verzoekster en
de maatmannen toentertijd uitoefenden. De wederpartij heeft de
beschrijvingen wel voor gezien getekend. Tijdens het onderzoek ter plaatse
en ook tijdens de -tweede- zitting is zij ruimschoots in de gelegenheid
gesteld om bezwaar aan te tekenen tegen de functiebeschrijvingen. Daarvan
heeft zij geen gebruik gemaakt. Verzoekster en de maatmannen hebben de –
eigen- functiebeschrijvingen wel ondertekend. Gelet op het voorgaande gaat
de Commissie uit van de functiebeschrijvingen zoals die nu voorliggen.

Uit het functiewaarderingsonderzoek is gebleken dat alle betrokken functies
gewaardeerd worden met hoofdgroep IV en niveaugroep ‘e’. De Commissie
concludeert dan ook dat sprake is van arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde.

4.4. De vraag die daarna aan de orde komt, is of de wederpartij verzoekster
en de maatmannen heeft beloond op grondslag van gelijkwaardige maatstaven.

De wederpartij heeft aangegeven dat zij de beloningsmaat- staven zoals
opgenomen in hoofdstuk I-P van het RPBO heeft toegepast. Het is voor de
Commissie evenwel niet inzichtelijk geworden op welke wijze de wederpartij
deze maatstaven heeft gehanteerd.

De maatmannen lijken elk op basis van hun laatstgenoten salaris te zijn
ingeschaald. Voor zover geen sprake was van onderwijsfuncties (niet
duidelijk is geworden of de functie van maatman 3 een onderwijsfunctie
betrof) zal dan zijn ingeschaald op grond van artikel I-P9. Daarvoor is
vereist dat relevante ervaring is opgedaan. Gezien de arbeids verle- dens
van de maatmannen komt het de Commissie aannemelijk voor dat aan deze eis
werd voldaan.

Daarentegen is onduidelijk gebleven hoe verzoekster is/had moeten worden
ingeschaald. De wederpartij stelt dat er twee alternatieven waren en dat
zij gekozen heeft voor de gunstigste inschaling, namelijk inschaling op
basis van verzoeksters onderwijssalaris. Als de Commissie het goed ziet,
zou dan verder artikel I-P10 lid 1 (onderbroken onderwijsloopbaan) van
toepassing moeten zijn. Volgens de wederpartij echter kon dit artikel niet
worden toegepast omdat verzoekster niet aan de 60-dagen termijn voldeed.
Voor zover de Commissie heeft kunnen nagaan was dit evenwel geen eis voor
toepassing van dit artikellid. De wederpartij zegt wel artikel I-P10 lid 2
te hebben toegepast. Daarbij heeft zij gekeken naar de relevantie van de
door verzoekster opgedane ervaring. De Commissie concludeert evenwel dat
uit de tekst van dit artikellid, noch uit de toelichting van de Minister
blijkt dat toepassing van dit artikellid gekoppeld zou zijn aan een
ervaringstoets. De Commissie betwijfelt dan ook ten zeerste of de
inschaling van verzoekster correct is geweest. Het komt haar eerder voor
dat, wanneer wordt ingeschaald op grond van artikel I-P7, ook artikel I-P10
lid 1 van toepassing is, waarbij geen ruimte wordt gelaten voor toepassing
van een ervaringstoets.

4.5. Het is evenwel niet aan de Commissie om te oordelen over de juiste
toepassing van de beloningsmaatstaven uit het RPBO. Wel stelt de Commissie,
zoals hierboven ook al aangegeven, vast, dat onduidelijk is gebleven hoe de
inschaling van verzoekster tot stand is gekomen.

Zoals de Commissie reeds eerder heeft uitgesproken (Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 10 april 1990,
oordeelnummer: 3085-90-12 en 30 juli 1991, oordeelnummer: 338-91-48),
vloeit uit het systeem van de WGB voort, dat het op de weg van de werkgever
ligt om aan te tonen dat medewerkers worden beloond op grondslag van
gelijkwaardige maatstaven. Dit geldt zeker voor die gevallen waarin, zoals
het Hof van Justitie van de EG uitsprak (Hof van Justitie van Europese
Gemeenschappen, Handels-og Kontorfunktionaerernes Forbund i
Danmark/Danfoss, 17 oktober 1990, zaak 109/88), een werkgever een stelsel
van beloning toepast, dat wordt gekenmerkt door een gebrek aan
doorzichtigheid. De werknemers in die organisatie verkeren dan immers niet
in een positie waarin zij zelf de oorzaak van eventuele
beloningsverschillen kunnen achterhalen.

In het onderhavige geval constateert de Commissie dat de wederpartij een
dergelijk ondoorzichtig beloningssysteem, in elk geval ten aanzien van
verzoekster, hanteert.

Voor de Commissie is namelijk niet inzichtelijk geworden waardoor het
beloningsverschil bij indiensttreding tussen verzoekster en de maatmannen
is veroorzaakt en met name niet welke criteria voor welk (deel van het)
beloningsverschil verantwoordelijk zijn. Weliswaar kan worden vastgesteld
dat verzoekster bijvoorbeeld geen ervaring in de metaalbranche had
opgedaan, maar op welke wijze een dergelijk ervaringsverschil een rol heeft
gespeeld bij de indeling is niet duidelijk geworden.

Het beroep van de wederpartij op haar verplichting het RPBO toe te passen
doet aan bovenstaande conclusie niet af. Nog afgezien van de vraag of de
wederpartij de bepalingen uit het RPBO correct heeft toegepast stelt de
Commissie op dit punt vast dat, zoals zij reeds eerder uitsprak (Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 1 juli 1991,
oordeelnummer 167A-91-41), de wederpartij een eigen verantwoordelijkheid
heeft voor naleving van de wetgeving gelijke behandeling.

De Commissie constateert op grond van bovenstaande overwegingen dat de
wederpartij niet heeft kunnen aantonen dat zij bij de beloning van
verzoekster en maatmannen gelijkwaardige maatstaven heeft toegepast. Zij is
er niet in geslaagd haar beloningssysteem inzichtelijk te maken.

4.6. De Commissie voegt hieraan toe dat de ondoorzichtigheid van de wijze
van beloning door de wederpartij in zekere mate ook te wijten valt aan het
systeem zoals neergelegd in het RPBO. Dit systeem is niet op alle punten
even doorzichtig en kan leiden tot onbillijkheden bij de inschaling en/of
het verdere beloningsverloop. De Commissie noemt met name het volgende.

De inschalingsregeling beoogt de in een eerdere, betaalde functie opgedane
relevante ervaring financieel te waarderen door uit te gaan van het
laatstgenoten salaris van een medewerker. In die situaties waarin het
laatstgenoten salaris de weerspiegeling vormt van de opgedane relevante
ervaring, wordt een verschil in aanvangssalarissen gerechtvaardigd door dit
verschil in ervaring. De Commissie constateerde echter al eerder dat niet
in alle gevallen het laatstgenoten salaris ook daadwerkelijk de opgedane
ervaring weerspiegelt (Zie oordeelnummers: 348 t/m 351-92-61 t/m 64; 358-
92-65 en 367-92-66, alle d.d. 2 december 1992. En de oordelen: 364-92-71 en
373-92-72, d.d. 29 december 1992). Daarenboven constateerde de Commissie
(zie oordelen genoemd in noot 11) dat het criterium laatstgenoten salaris
verhoudingsgewijs ongunstiger uitpakt voor vrouwen dan voor mannen, nu
vrouwen ten gevolge van de onderbreking van hun beroepsloopbaan vaker in de
situatie verkeren dat zij geen of een geringer laatstgenoten salaris kunnen
aantonen. Artikel I-P10 kan in dit soort situaties wel enige financiele
compensatie bieden, maar de Commissie acht dit niet afdoende. Toepassing
van dit artikel leidt namelijk in zijn algemeenheid niet tot een adequate
waardering van eerder opgedane ervaring. Zo is dit artikel slechts van
toepassing op medewerkers met een onderwijsachtergrond. Verder is
toekenning van een extra periodieke verhoging voor elke vier jaar
loopbaanonderbreking een automatisme, en geschiedt derhalve onafhankelijk
van de vraag of in die periode daadwerkelijk relevante ervaring is
opgedaan.

Voor die gevallen waarin het laatstgenoten salaris wel de opgedane ervaring
weerspiegelt en een beloningsverschil in aanvangssalaris op die grond
gerechtvaardigd kan worden geacht voegt de Commissie hier het volgende aan
toe. Op grond van het RPBO ontvangen medewerkers jaarlijks ieder een
periodieke verhoging waardoor carrierelijnen van ongeveer 20 jaar
gebruikelijk zijn. Dit betekent dat een bij indiensttreding ontstaan
beloningsverschil pas bij het bereiken van het maximumsalaris verdwijnt.
Een langdurige handhaving van een beloningsverschil zoals in het RPBO, komt
naar het oordeel van de Commissie op gespannen voet te staan met de
bepaling uit de WGB die een gelijke beloning voorschrijft voor arbeid van
(nagenoeg) gelijke waarde. De Commissie wijst in dit verband op de
uitspraak van het Hof van Justitie van de EG in zaak C-184/89 (Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen, Nimz/Freie und Hansestadt Hamburg,
7-2-1991). Hieruit leidde zij al eerder af (Zie noot 4) dat ancienniteit
niet steeds tot grotere vaardigheden leidt en dat hierin dus niet altijd
zonder nadere rechtvaardiging een reden tot differentiatie in loon hoeft te
zijn gelegen. Een dergelijke rechtvaardiging bestaat slechts dan, wanneer
die ontbrekende ervaring een medewerker daadwerkelijk in staat stelt zijn
functie beter te vervullen. De Commissie vraagt zich op dit punt dan ook af
of een verschil in ervaring dat bij indiensttreding een beloningsverschil
tussen medewerkers rechtvaardigt na bijvoorbeeld 10 jaar nog zodanig
relevant is, dat dit het handhaven van dat beloningsverschil nog steeds
rechtvaardigt. Een mogelijkheid tot herziening van een salaris na
indiensttreding, of bijvoorbeeld tot inkorting van carriere-lijnen,
ontbreekt evenwel in het RPBO.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de
te Woerden in de periode april 1986 tot medio 1987 onderscheid heeft
gemaakt naar geslacht jegens mevrouw te Rotterdam en daarmee
heeft gehandeld in strijd met artikel 2 Wet gelijk loon voor vrouwen en
mannen.

Rechters

mw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter), mw mr Y. Telenga(lid Kamer), mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer), mw drs C.M. Sjerps(secretaris).

Instantie: Rechtbank Utrecht, 13 januari 1993

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


De rechtbank is van oordeel dat in verband met de huidige
maatschappelijke opvattingen homofiele en heterofiele relaties in het
kader van art. 1:160 BW gelijkgesteld moeten worden. Dit geldt ook nu
homoseksuelen nog steeds geen mogelijkheid hebben om met elkaar in het
huwelijk te treden aangezien dit niet het kernpunt van onderhavige
regeling betreft. Het gaat er in casu om dat aan materieel in dit opzicht
als gelijk te waarderen situaties geen ongelijke gevolgen worden
verbonden.

Volledige tekst

Verzoek

De vrouw heeft op 24 september 1992 een verzoekschrift ter griffie van
deze rechtbank ingediend. Daarbij is verzocht bij beschikking te bepalen
dat de man een bijdrage van ƒ 2.000,– per maand voor levensonderhoud van
de vrouw zal voldoen, een en ander met ingang van 1 mei 1992, subsidiair
met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, meer
subsidiair met ingang van een zodanige datum een een bijdrage van een
zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

Verweer

De man heeft op 12 oktober 1992 een verweerschrift ter griffie van deze
rechtbank ingediend. Daarbij is verzocht de vrouw in haar verzoek niet
ontvankelijk te verklaren, althans dit aan haar te ontzeggen.

Behandeling ter zitting.

De zaak is op 4 december 1992 behandeld ter terechtzitting met gelsoten
deuren. Hierbij waren aanwezig: de vrouw, haar procureur, de man en zijn
raadsman mr C.J.M. van Zeijl, advocaat te Harderwijk.

Mr. van Zeijl heeft bij brief van 30 december 1992 de gegevens m.b.t. het
inkomen van de man, die de rechtbank ter zitting van 4 december 1992
opgevraagd had verstrekt. Hij heeft ook een copie van de beschiking van
de rechtbank te Assen, die ter zitting aan de orde is geweest, overgelegd.

Feiten waarvan in deze zaak is gebleken.

A. Ten aanzien van beide partijen:

Uit het huwelijk van partijen zijn drie kinderen: Gerrit Jacobus, Wouter
Johannes en Marga Helena die thans 17, 14 en 7 jaar oud zijn, geboren.

Deze rechtbank heeft bij haar vonnis van 24 januari 1990 de echtscheiding
tussen partijen uitgesproken. Daarbij werd geen bijdrage in de kosten van
het levensonderhoud van de vrouw opgelegd. Dit vonnis werd op 9 april 1990
in de registers van de Burgerlijke Stand ingeschreven.

De vrouw heeft tegelijkertijd met dit verzoekschrift bij deze rechtbank
een verzoekschrift ingediend dat strekt tot het wijzigen van het
co-ouderschap in een voorziening van de voogdij over de minderjarige
kinderen van partijen en tot vaststelling van een bijdrage in de kosten
van hun verzorging en opvoeding.

Inmiddels heeft deze rechtbank bij haar beschikking van 27 oktober 1992
de vrouw tot voogdes en de man tot toeziend voogd over de minderjarigen
benoemd en een bijdrage vastgesteld van ƒ 350,– per kind per maand: de
verhoging met het wettelijk indexeringspercentage, 4,2 % over het jaar
1993, werd bij die beschikking niet uitgesloten.

B. Ten aanzien van de man.

De man is alleenstaand.

Zijn salaris is ƒ 8.250,– bruto per maand, te vermeerderen met 8 % bruto
vakantiegeld.

Hij heeft van januari 1992 t/m september 1992 met wat overwerk in totaal
bruto ƒ 1.320,– verdiend.

Hij is tot 1 januari 1993 met de kinderen van partijen tegen ziektekosten
verzekerd tegen een IAKpremie van ƒ 248,75 per maand. Met ingang van 1
januari 1992 zijn de kinderen met hun moeder tegen ziektekosten verzekerd.
De IAKpremie van alleen de man is vanaf die datum ƒ 106,50 per maand.

Hij bewoont de voormalige echtelike woning van partijen. Deze woning is
thans ongeveer ƒ 150,000,– waard. Op de woning rust een hypotheek van
175.000,–. De hypotheekrente is ƒ 1.035,- per maand, de premie van de aan
de hypotheek verbonden levensverzekering gedraagt ƒ 271,– per maand.

Hij betaalt maandelijks ƒ 1000,– aan aflossing op een onderhandse
renteloze lening ter delging van een schuld op grond van een
continucrediet, waarvan het slado ƒ 24.000,– heeft bedragen. Een deel van
ƒ 15.000,– van deze schuld stamt uit het huwelijk van partijen en de
overige ƒ 9.000,– heeft hij aan de vrouw bij de boedelscheiding van
partijen moeten betalen.

C. Ten aanzien van de vrouw.

De vrouw woont samen met haar vriendin. haar vriendin werkt fulltime en
verdient daar netto ongeveer ƒ 2.800,– per maand mee, te vermeerderen met
de vakantietoeslag.

De vrouw heeft geen eigen inkomsten.

De kinderen van partijen wonen bij de vrouw en haar vriendin, vanaf 1
januari 1993 zijn de vrouw en de kinderen van partijen bij de
OHRA-ziektekostenverzekering van de partner van de vrouw tegen hun
ziektekosten verzekerd.

De huur van de woning van de vrouw en haar vriendin bedraag ƒ 833,44 per
maand.

Motivering

1. De man heeft primair aangevoerd, dat de vrouw (samen met de drie
minderjarige kinderen van partijen) samenleeft met een andere vrouw in de
zin van art. 1:160 BW, zodat een alimentatieverplichting jegens haar uit
dien hoofde van rechtswege is geeindigd. De vrouw heeft deze samenwoning
niet betwist, maar stelt dat dat niet meebrengt dat de man geen
alimentatieverplichting jegens haar meer zou hebben.

2. De rechtbank overweegt dienaangaande het navolgende.

Art. 1:160 BW en art. 1:157 BW

Ook bij een op art. 1:157 BW gebaseerd (eerste) verzoek om toekenning van
alimentatie, gedaan door een gewezen echtgenote, enige tijd (in casu 2 1/2
jaar) na inschrijving van het echtscheidingsvonnis, waarbij in de
echtscheidingsprocedure geen alimentatie is vastgesteld omdat deze toen
om de vrouw moverende redenen niet is gevorderd, staat het bepaalde in
art. 1:160 BW eraan in de weg dat een onderhoudsbijdrage wordt opgelegd
indien de verzoekende ex- echtgenote is gaan samenleven met een ander als
waren zij gehuwd.

Ook in dat geval, evenals wanneer reeds een alimentatie was vastgesteld
waarvan beeindiging wordt verzocht, moet worden geoordeeld dat de
alimentatieverplichting, die in het onderhavige geval steeds sluimerend
heeft bestaan, al was deze tot dusver niet geconcretiseerd, is geeindigd.
Lesbische relatie en art. 1:160 BW

Lesbische relatie en art. 1:160 BW

Thans dient de vraag te worden beantwoord, of het in concubinaat
samenleven met een partner van hetzelfde geslacht valt onder de
omschrijving ‘samenleven als waren zij gehuwd’ van art. 1:160 BW.

Door erkenning van de zijde van de vrouw staat in dit geval vast, dat zij
met haar vriendin in een vaste duurzame relatie samenwoont waarin zij
wederzijds de zorg voor elkaar op zich hebben genomen.

Bij het in 1971 bij amendement ingevoerde, zojuist aangehaalde gedeelte
van art. 1:160 BW is aangevoerd, dat men wilde vermijden dat ongelijke
gevolgen zouden worden verbonden aan materieel voor deze regeling als
gelijk te waarderen, doch formeel verschillende situaties en om te
voorkomen, dat terwille van die rechtsgevolgen aan een concubinaat de
voorkeur zou worden gegeven boven een volgend huwelijk. Daarbij is niet
gebleken dat men destijds ook aan andere dan heterofiele relaties heeft
gedacht.

De Hoge Raad heeft in het door de vrouw aangehaalde arrest van 3 november
1978 (NJ 1979, 121), ondersteund door de AG Franx, (zonder nadere
motivering) beslist dat art. 1:160 BW niet van toepassing is op een
homofiele relatie.

Sindsdien zijn de maatschappelijke opvattingen over diverse
samenlevingsvormen echter aanzienlijk gewijzigd. Dit komt onder meer tot
uitdrukking in diverse wetten en regelingen, vooral op het gebied van de
sociale zekerheid, waarin geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen een
samenleving van heterofiele dan wel van homofiele/lesbische paren.

De rechtbank is op die grond van oordeel dat ook in het kader van art.
1:160 BW het niet meet strookt met de huidige maatschappelijke
opvattingen, om onder het samenleven als daar bedoeld uitsluitend het
samenleven met een partner van het andere geslacht te verstaan. Het effect
is immers in beide gevallen hetzelfde, namelijk dat de in beginsel
alimentatiegerechtigde ex-echtgenoot haar of zijn leven duurzaam met dat
van een andere partner heeft verbonden, waaruit mag worden geconcludeerd
dat de lotsverbondenheid die eerst aanleiding gaf tot een
alimentatieaanspraak op de gewezen echtgenoot, kennelijk is vervangen door
een lotsverbondenheid met een ander, ten gevolge waarvan in redelijkheid
van de gewezen echtgenoot geen bijdrage meer gevergd kan worden in het
levensonderhoud.

Daaraan staat niet in de weg dat in geval van een homofiel of lesbisch
concubinaat de keuze voor een nieuw huwelijk niet bestaat, aangezien dat
niet het kernpunt is op grond waarvan concubinaat en huwelijk in dit
opzicht zijn gelijkgesteld; het gaat erom dat aan materieel in dit opzicht
als gelijk te waarderen situaties geen ongelijke gevolgen worden
verbonden.

De rechtbank is mitsdien van oordeel dat het primaire verweer van de man
slaagt en dat in dit geval de alimentatieverplichting van de man op grond
van het bepaalde in art. 1:160 BW is geeindigd, zodat het verzoek van de
vrouw moet worden afgewezen.

ten overvloede

De rechtbank overweegt ten overvloede, dat los van de toepasselijkheid van
art. 1:160 BW, de vrouw onder de huidige omstandigheden geen behoefte
heeft aan alimentatie, gelet o het inkomen van haar- fulltime buitenshuis
werkende- vriendin en de omstandigheid, dat zij voor deze vriendin de
huishouding voert, zodt het niet meer dan redelijk is dat haar vriendin
haar daartegenover onderhoudt.

Nu het primaire verweer slaagt behoeft op de overige stellingen van
partijen met betrekking tot de draagkracht van de man niet te worden
ingegaan.

De kosten van het proces

Dit proces vloeit rechtstreeks voort uit de voormalige echtelijke
verbintenis van partijen. Hierin vindt de rechtbank aanleiding de kosten
van dit proces tussen partijen te compenseren op de hierna vermelde wijze.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw af.

Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Noot

De rechtsvraag in bovenstaande uitspraken luidt: valt een lesbische
samenleefrelatie onder art. 1: 160 BW ?

Deze wetsbepaling verbindt aan het opnieuw trouwen dan wel ‘gaan
samenleven met een ander als waren zij gehuwd’ het rechtsgevolg van het
einde van de alimentatieplicht van (meestal) de man.

Werd tot voor kort onder het concubinaat in de zin van art. 1: 160 BW
slechts heteroseksuele relaties verstaan, in bovenstaande vonnissen worden
homoseksuele relaties hieraan gelijkgesteld. Dit betekent niet dat voorheen
een lesbisch samenleefrelatie irrelevant was voor het alimentatierecht.
Immers: de kostenbesparing in geval van samenwoning kon de behoefte als
alimentatiebepalende factor beinvloeden. Anders dan in geval van
samenleven in de zin van art. 1: 160 BW betekende dit geen definitief
einde van de alimentatieplicht van de ex-echtgenoot. Indien de
behoeftigheid herleefde, kon de man in beginsel weer aangesproken worden
op zijn plicht tot levensonderhoud.

Dus ook al had in deze gevallen het aanmerken van de behoefteverminderende
omstandigheid van het samenwonen tot het resultaat kunnen leiden dat de
man geen alimentatie hoefde te betalen, kiezen de rechters voor het
verdergaande rechtsgevolg door aan een homoseksueel samenleefrelatie het
rechtgevolg van art. 1: 160 BW te verbinden. Het antwoord op de
rechtsvraag luidt dus: ‘ja’.

Voor de onderbouwing van dit antoord besteden beide rechtbanken aandacht
aan de wetsgeschiedenis en aan het arrest van de Hoge Raad uit 1978 waarin
bevestigd werd dat art. 1: 160 niet van toepassing is op een homoseksuele
relatie. Doorslaggevend is echter in beide gevallen de gewijzigde
maatschappelijke opvattingen. Wat is er aan te merken op het gebruik van
de wetshistorische en maatschappelijke interpretatiemethode?

De Utrechtse rechtbank stelt dat niet gebleken is dat men destijds ook aan
andere dan heterofiele relaties heeft gedacht. Destijds verwijst naar het
`bij amendement ingevoerde’ relevante gedeelte van art. 1: 160 BW. En
inderdaad is bij indiening van het amendement hiervan niet gebleken. Maar
de wetsgeschiedenis van art. 160 boek 1 BW omvat meer: in de MvA aan de
Eerste Kamer stelt de minister uitdrukkelijk dat een homofiele relatie
niet valt onder het begrip `als waren zij gehuwd’.

Deze verwijzing naar de wetsgeschiedenis door de Utrechtse rechtbank is
onvolledig en daardoor onaanvaardbaar. De rechtbank te Assen (RN 1993,
346) is overtuigender: `bij de invoering (curs.: JT) van art. 1: 160 BW
[werd] slechts gedoeld [ …] op heteroseksuele relaties’. Bij de invoering
van de nieuwe echtscheidingswetgeving in 1971 werden homoseksuele relaties
dus niet gelijkgesteld aan ongehuwd samenlevende heteroseksuele relaties.
De wetgever wilde voorkomen dat terwille van de alimentatie de voorkeur
werd gegeven aan het ongehuwd samenwonen. Een bescherming van het huwelijk
dus. Het voordeel dat de wetgever niet aan de buitenhuwelijkse relatie
wilde verbinden had betrekking op de mogelijke herleving van de
onderhoudsplicht van de ex- echtgenoot na verbreking van samenleefrelatie.
Dit komt neer op bescherming van de man. Het beeld van de calculerende
burger wordt opgeroepen: de keuzemogelijkheid van de gescheiden vrouw en
haar nieuwe vriend om te trouwen of ongehuwd samen te leven blijft
weliswaar bestaan, maar wordt beperkt door het rechtsgevolg van art. 1:
160 BW. Een lesbisch paar had en heeft nog steeds geen vrijheid om te
trouwen. Van een beperking van een keuzemogelijkheid kan men dan ook niet
spreken. Of is dit niet het kernpunt (zie Rechtbank Utrecht) op grond
waarvan een homoseksuele relatie niet aan het huwelijk werd gelijkgesteld
en heteroseksuele relaties wel? Is het omdat de wetgever toentertijd,
gezien de maatschappelijke opvattingen, homoseksuele relaties niet serieus
nam? Dit is niet uitgesloten: een homoseksuele relatie wordt in een adem
genoemd met een zeer vluchtige relatie.

Sinds het niet aanmerken van een lesbische relatie als een samenleven als
waren zij gehuwd bij invoering van art. 160 boek 1 BW in 1971 en het
arrest van de Hoge Raad uit 1978 zijn de opvattingen ten aanzien van
niet-huwelijkse relaties, waaronder homoseksuele relaties aanzienlijk
gewijzigd. Er is een grotere tolerantie in de samenleving voor
alternatieve samenlevingsvormen. Ook de overheid heeft onderkend dat er
meer leefverbanden zijn dan het huwelijk. Een recent voorbeeld van de
visie van overheidswege is het kabinetsstandpunt ten aanzien van de
Notitie Kortmann inzake leefvormen. Alleen voor mensen die niet kunnen
trouwen wordt een registratiemogelijkheid aangeboden en gedeeld juridisch
ouderschap (afgezien van een vorm van medegezag) voor een homoseksueel paar
blijft uitgesloten. Enige creativiteit ten aanzien van de pluraliteit van
samenleefvormen blijft achterwege en van aansluiting bij de wensen van
betrokkenen blijkt nauwelijks. De reden? Het leefvormenbeleid is vooral
fraudebestrijdingsbeleid, vernieuwend beleid is financieel niet haalbaar
en vergt inspanning. Aan structurele veranderingen begint men liever niet.
Opvattingen in de samenleving vallen niet zonder meer samen met
regelgeving en beleid. Daarom moet men de verwijzing van beide rechters
naar het tot uiting komen van de veranderde maatschappelijke opvattingen
in de sociale zekerheid met de nodige reserve bekijken. Het financiele
belang van de overheid bepaalt in sterke mate de wijze waarop met
niet-huwelijkse samenlevingsvormen rekening wordt gehouden. De Assense
rechter brengt het duidelijk onder woorden: het gaat vooral om situaties
die feitelijk niet verschillen van die van gehuwde partners. Voorzover een
relatie lijkt op die van het huwelijk wordt het `serieus’ genomen. Er
wordt voorbij gegaan aan hoe betrokkenen zelf hun relatie zien en aan de
maatschappelijk gewijzigde opvattingen over de interne betrekkingen van
relaties.

Zoals gezegd achten beide rechterlijke colleges veranderde
maatschappelijke opvattingen doorslaggevend. De opvattingen in de
maatschappij worden echter gemakkelijk (de Assense rechter geeft de
Algemene bijstandswet als voorbeeld van wetgeving die deze opvattingen tot
uitdrukking brengt) en eenzijdig vastgesteld.

In de moderne rechtsvindingstheorie wordt de nadruk gelegd op de
legitimatie van rechterlijke oordelen. De rechterlijk uitspraak moet niet
alleen voldoende onderbouwd zijn, maar ook overtuigend zijn. Rechters zijn
vrij in de keuze van interpretatiemethoden voor de onderbouwing van hun
uitspraak. Er is echter wel kritiek mogelijk op de wijze waarop van deze
rechtsvindingsmethoden gebruik gemaakt wordt. Uit het voorgaande blijkt
dat het gebruik door de Utrechtse rechter van de wetshistorische
interpretatiemethode en door beide rechters van de maatschappelijke
interpretatiemethode niet overtuigend is. Nu daardoor de legitimiteit van
de beslissingen wordt aangetast is de vraag of er voldoende andere
(overtuigende) gronden zijn die de gelijkstelling van een lesbische
samenleefrelatie met een ongehuwde heterorelatie samenleefrelatie in het
kader van art. 1: 160 BW kunnen dragen.

Een mogelijk argument voor gelijke behandeling van deze gevallen kan niet
los gezien worden van de gelijkstelling tussen gehuwden en ongehuwden.
Immers: het aanmerken van een lesbische relatie en een ongehuwde
heterorelatie als gelijke gevallen is een vervolg op de gelijkstelling van
gehuwde en ongehuwde man-vrouw-relaties.

De Utrechtse rechtbank verwijst naar de wetsgeschiedenis. Het ‘samenleven
met een ander als waren zij gehuwd’ ziet op situaties die zich alleen in
formeel opzicht onderscheiden van het huwelijk: afgezien van de officiele
sluiting en erkenning dient de samenleving de materiele kenmerken van het
huwelijk te hebben. De jurisprudentie heeft dit nader ingevuld. Eerst ligt
het accent op een affectieve relatie van een duurzaam karakter, die de
kenmerken van een huwelijksverhouding draagt. Dit wordt ook wel
lotsverbondenheid genoemd. Het problematische van dit criterium is niet
alleen dat het een erg smalle basis is om financiele afhankelijkheid aan
te nemen, maar ook dat deze materiele situatie moeilijk is vast te
stellen. De Hoge Raad meent dat dit laatste ‘zozeer [is] verweven met een
waardering van de omstandigheden van het geval en de waardering is niet
zelden (…) afhankelijk van moeilijk onder woorden te brengen,
gevoelsmatige appreciaties’ (HR 2 april 1982, NJ 1982, 374). Later krijgt
het verzorgingsaspect de nadruk, door de Hoge Raad ook wel omschreven als
het bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding dan wel op
andere wijze in elkaars onderhoud voorzien. Dit verzorgingsaspect moet
feitelijk aanwezig zijn. Een morele plicht van de man om aan de
gezamenlijke huishouding bij te dragen en de aanwezigheid van een
leefgemeenschap, waarin een man en vrouw `geacht worden’ elkaar wederzijds
te verzorgen is niet voldoende (HR 22 februari 1985, NJ 1986, 82).

Gezien deze stand van zaken in de jurisprudentie is de uitspraak van de
Utrechtse rechter eigenaardig: hij legt de nadruk op de lotsverbondenheid.
De aanwezigheid van een financiele regeling, afgesproken of feitelijk
blijft buiten beschouwing. Voorzover een verzorgingsargument te herkennen
is, gebeurt dat in zijn overweging ten overvloede met betrekking tot de
vraag van de behoefte. Hierbij gaat het niet om een daadwerkelijke
verzorging maar om de redelijkheid van de wederzijdse verzorging. De
Drentse rechter blijft in de lijn van de wederzijdse verzorging als
invulling van de materiele situatie van ongehuwden, overigens niet op
grond van de alimentatiejurisprudentie, maar onder verwijzing van de
gelijke behandeling van gehuwden en ongehuwden in de sociale zekerheid.

Door als differentiatiecriterium de feitelijke samenleefsituatie voldoende
te achten voor het aanmerken van gehuwden en ongehuwden als gelijke
gevallen, blijft een wezenlijk verschil buiten beschouwing: het ontbreken
van een juridische onderhoudsplicht tussen de ongehuwde partners. Dit
maakt het Utrechtse argument van `de vervangende lotsverbondenheid’ wel
erg wrang. Genoemd verschil wordt wel door de Assense rechter in zijn
overweging ten overvloede gesignaleerd. Dat hij de wetgever aanbeveelt om
aandacht te besteden aan een sluitend stelsel van civielrechtelijke
onderhoudsverplichtingen is terecht. Ik zou daaraan voor wat betreft de
relatie tussen volwassenen willen toevoegen: mits een dergelijk stelsel
op een rechtshandeling van betrokkenen berust. Het civiele recht gaat
immers uit van de vrije wil van burgers.

De Assense rechter geeft nog een tweede aanbeveling aan de wetgever: een
meer diepgaand beraad over de vraag of een alimentatieverplichting van een
ex-echtgenoot onder alle omstandigheden voorgoed ten einde moet komen door
een samenwoningsrelatie die geen civielrechtelijke aanspraken tot
onderhoud schept gedurende het bestaan van die relatie, laat staan na de
verbreking daarvan. In de overweging ten overvloede wordt dus aandacht
geschonken aan de positie van de vrouw na echtscheiding. Toch mooi,
nietwaar? De rechter verbindt daar zelf echter geen conclusies aan,
terwijl dat toch voor de positie van de lesbische vrouw in deze procedure
mogelijk was. Beide rechters breiden de werking van art. 1: 160 BW dus uit
door zich te richten op de gelijkheid van ongehuwde heterostellen en
homostellen. De gelijke behandeling van ongehuwde en gehuwde man-vrouw
relaties verdwijnt daardoor op de achtergrond, terwijl daar juist het
(begin van het) knelpunt ligt. Met die gelijkstelling wordt de
wilsvrijheid ten aanzien van de financiele verantwoordelijkheid ontkend.
Door die gelijke behandeling werd de relatievrijheid reeds aangetast. Deze
lijn wordt nu doorgetrokken naar homoseksuele relaties.

De reden dat dit knelpunt buiten schot blijft, ligt mijns inziens in de
onduidelijkheid omtrent de grondslag van de alimentatie en in het
gezichtspunt van waaruit de nieuwe relaties van de vrouw wordt beschouwd.
In de Utrechtse beslissing wordt de rechtsgrond in de lotsverbondenheid
gezocht. De consequentie hiervan is dat bij het aangaan van een nieuwe
relatie deze geacht wordt de oorspronkelijke door het huwelijk ontstane
lotsverbondenheid te vervangen, waarmee de rechtsgrond van de alimentatie
vervalt. Sinds het `nieuwe’ echtscheidingsrecht het schuld- en
schadevergoedingskarakter niet meer als grondslag van de alimentatie
erkent en men de limitering van de alimentatieduur wettelijk wil regelen
is men op zoek naar een nieuwe grondslag. Vanwege het ontbreken van een
duidelijke grondslag heeft de rechter een grote mate van vrijheid.
Hoefnagels merkt hierover in (het Nederlands Juristenblad, afl. 41 in)
1979 al op: ‘Maar wat moet de rechter met die vrijheid, indien hij geen
rechtsgrond of richtsnoer heeft?’ en ‘ Het is bij alimentatie als bij
straftoemeting: als we niet weten wat recht is, loopt gelijkheid der
oordelen gevaar onrecht te generaliseren’. De onduidelijkheid hierover
wreekt zich ook in het kader van art. 1: 160. Hoe anders dan de beslissing
van de Utrechtse rechter is die van Hoefnagels. Hij formuleert als
rechtsgrond van de privaatrechtelijke alimentatie de maatschappelijke
achterstand ten gevolge van het huwelijk, zodanig dat dit eigen
verdiensten, voldoende om in eigen behoefte te voorzien, in de weg staat.
Hieraan verbindt Hoefnagels twee consequenties: de duur van de alimentatie
wordt bepaald en art. 1: 160 BW wordt geschrapt. Een andere rechtsgrond
die wel verdedigd is, is de feitelijke bijdrage aan de carriere van de
man. Wat men van deze rechtsgronden ook vindt, duidelijk is dat dit niet
het definitieve einde van de alimentatie betekent vanwege het enkele feit
van het aangaan van een nieuwe (gehuwde of ongehuwde, homo- of
hetero-)relatie van de alimentatiegerechtigde vrouw.

Zoals gezegd is er ook een probleem van het gezichtspunt van waaruit
samenlevenden van ongelijk en gelijk geslacht worden bezien. Beide
rechters, waarvan de Assense het meest consequent, geven ruimte voor het
perspectief van de overheid door te verwijzen naar de sociale zekerheid
en met name de ABW. Beide rechters, waarvan de Utrechtse het meest
expliciet, beoordelen deze varianten van het ongehuwd samenwonen vanuit
het gezichtspunt van de ex-echtgenoot: voor hem werkt het onredelijk uit
dat in het ene geval (als zijn ex-vrouw met een man gaat samenleven) de
alimentatieplicht definitief eindigt, terwijl in het andere geval (als
zijn ex-vrouw met een vrouw gaat samenleven) dit niet van rechtswege
gebeurt, maar afhankelijk van de behoefte van zijn ex-vrouw kan eindigen.
Voor de man in de Utrechtse zaak was de gelijkstelling echter niet nodig
geweest, daar het wegvallen van de behoefte (de vriendin van de vrouw
heeft voldoende inkomsten) tot het einde van de alimentatieplicht zal
leiden. In ieder geval zolang de nieuwe relatie van de vrouw bestaat.
Anders ligt dit als de vrouwen uit elkaar gaan. Voor zover de vrouw dan
zelf niet aanklopt bij haar ex-echtgenoot, is er wel een instantie die de
man lastig kan vallen. In dit kader is veelbetekenend dat in de
‘Informatieve circulaire vuistregels alimentatie- en
verhaalsjurisprudentie’ afkomstig van de staatssecretaris van Sociale
Zaken de uitpraak van de Assense rechter wordt aangehaald, maar tevens
wordt aangegeven dat ervan uitgegaan moet worden dat artikel 1: 160 BW
niet van toepassing is op een homoseksuele relatie. Dit standpunt betekent
in het Utrechtse gaval dat er een verhaalsplicht ten aanzien van de man
bestaat in geval de vrouw na beeindiging van de lesbische relatie een
beroep op de bijstand doet. Zou de rechter de man nu al de zekerheid
willen geven dat hij in een onzekere toekomst geen acceptgiro van de
sociale dienst toegestuurd krijgt? Voor de man in de Assense zaak geldt
hetzelfde in geval van beeindiging van de lesbische relatie. Zijn positie
is minder duidelijk gedurende het bestaan van de lesbische relatie als
deze relatie niet onder de reikwijdte van art. 1: 160 BW was gebracht.
Mogelijk is dat de man gedurende de nieuwe relatie van zijn ex-vrouw in
het geheel geen alimentatie hoefde te betalen (omdat dit niet van hem
gevergd kon worden) dan wel dat hij vanwege behoeftevermindering van de
vrouw minder dan de eerder vastgestelde 250 gulden moest betalen. Over het
inkomen van de partner van de vrouw wordt namelijk niet gerept en de vrouw
heeft een aanvullende bijstandsuitkering. En hoe zit het met de positie
van de gescheiden vrouw? Trouwen met haar nieuwe partner kan een lesbische
vrouw niet. Hierin verschilt haar positie van een heterovrouw, die door
een nieuw huwelijk een recht op levensonderhoud – hoe onzeker ook – ten
aanzien van haar echtgenoot kan scheppen. Voor het overige verkeert de
vrouw – lesbisch of niet – in dezelfde situatie: een recht op
levensonderhoud ten aanzien van een ongehuwde partner heeft zij niet en
het recht op alimentatie van haar ex-echtgenoot verliest zij voorgoed in
geval van samenleven. Haar behoeftigheid wordt weggedefinieerd, haar
zorgarbeid tijdens huwelijk ontkend en haar recht op vrije partnerkeuze
aangetast.

Deze uitspraken illustreren opnieuw dat het alimentatierecht in wezen gaat
om een keuze tussen publieke en private verantwoordelijkheid. Een keuze
die ervan uitgaat dat een gescheiden man zelfstandig moet zijn en een
gescheiden vrouw een probleem is, een probleem dat zo snel mogelijk moet
worden opgelost. In het recht heeft men het niet zo op plichten. In
bovenstaande vonnissen heeft de man zijn onderhoudsplicht kunnen
afschuiven. In andere gevallen slaagt de overheid hierin. Wie het ook
wint, de vrouw delft als rechteloos persoon het onderspit.

Jet Tigchelaar

Rechters

Mr. De Groot-Van Dijken.

Instantie: Kantonrechter ‘s-Gravenhage, 12 januari 1993

Instantie

Kantonrechter ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Eiseressen vorderen een verklaring van recht die inhoudt dat het –
bij wijze van overgangsmaatregel – voor een bepaalde groep vrouwen
handhaven van de lagere pensioenleeftijd niet in strijd is met artikel
119 EEG- verdrag. De kantonrechter wendt zich met een tweetal
prejudiciele vragen terzake tot het Europese Hof.

Volledige tekst

Verloop van de procedure:

Eiseressen hebben bij dagvaarding en daaraan gelijkluidende conclusie
van eis gesteld en gevorderd hetgeen daarin is vermeld.

Gedaagde heeft schriftelijk geantwoord.

Hierna heeft de kantonrechter vonnis bepaald op heden.

De inhoud van de hiervoor vermelde gedingstukken geldt als hier
overgenomen.

De feiten:

Als erkend, althans niet of onvoldoende betwist en/of door middel van
overgelegde bescheiden, staat tussen partijen voor zover van belang het
volgende vast:

1. Eiseressen zijn allen in dienst van rechtspersonen (‘Werkgever(s)’),
welke onderdeel uitmaken van de Koninklijke/Shell Groep, en wel sedert
respectievelijk 1965, 1978, 1976, 1975, 1975, 1979, 1974, 1978, 1975,
1975 en 1966.

2. Van de arbeidsvoorwaarden zoals deze tussen eiseressen en hun
respectieve werkgever(s) van toepassing zijn, maakt krachtens toetreding
door eiseressen onder meer een pensioenregeling deel uit. Deze
pensioenregeling wordt uitgevoerd door gedaagde. De rechten en
verplichtingen voortvloeiend uit, respectievelijk verband houdend met,
deze pensioenregeling zijn neergelegd in het door gedaagde vastgestelde
pensioenreglement, in casu Reglement III (‘de Regeling’).

3. Zowel eiseressen als hun respectievelijke werkgever(s) dragen bij in
de kosten van de Regeling, en wel op de wijze zoals neergelegd in de
Statuten van gedaagde en de Regeling, welke op grond van de aansluiting
van (onder meer) werkgever(s) in hun relatie tot gedaagde geldt.

4. Tot en met 31 december 1984 werd in de Regeling onderscheid tussen
mannelijke en vrouwelijke deelnemers (‘onderscheid M/V’) gemaakt, in die
zin dat de pensioengerechtigde leeftijd was gesteld op zestig
respectievelijk 55 jaar. Dat had het navolgende effect op de
pensioenaanspraken:

a. Bij de hoogte van het per (voor de opbouw van het pensioen
meetellend) dienstjaar op te bouwen pensioen werd geen onderscheid M/V
gemaakt; de berekening van de hoogte van de jaarlijkse
pensioenuitkeringen geschiedde mitsdien voor mannelijke en vrouwelijke
deelnemers op gelijke wijze.

b. Wel verschillend was de datum van ingang van de pensioenuitkeringen:
voor vrouwelijke deelnemers was dat vijf jaar eerder dan voor hun
mannelijke collega’s. Er werd geen aftrek/verhoging toegepast in verband
met het verschil van ingangsdatum van het pensioen.

c. Volgens het pensioenreglement konden mannelijke deelnemers vijf jaar
langer in de Regeling deelnemen, en mitsdien een nominaal hoger pensioen
opbouwen dan hun vrouwelijke collega’s; immers, voor de vrouwelijke
werknemer stopte de opbouw bij het bereiken van de 55-jarige leeftijd,
en bij de mannelijke collega’s eerst vijf jaar nadien, met dien
verstande dat de opbouw voor beiden eindigt bij het bereiken van de
volgens het Reglement geldende maximaal aantal pensioengevende
dienstjaren en er een gelijk nominaal pensioen kan zijn bij gelijke
indiensttreding.

5. Met ingang van 1 januari 1985 werd het sub 4 bedoelde onderscheid M/V
ongedaan gemaakt, en wel door de pensioengerechtigde leeftijd voor alle
deelnemers op zestig jaar te stellen.

6. In het kader van de sub 5 bedoelde reglementswijziging werd (globaal
omschreven) de navolgende overgangsregeling getroffen:

a) De vrouwelijke werknemers die zowel op 31 december 1984 alsmede op 1
januari reeds (aspirant)deelnemers in de toen geldende Regeling waren,
kregen de mogelijkheid om te kiezen tussen ofwel deelnemen in de
Regeling zoals deze met ingang van 1 januari 1985 van toepassing was
geworden (lees: verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd van 55 tot
zestig jaar), ofwel deelneming in de Regeling zoals deze vanaf 1 januari
1985 ging gelden, met deze uitzondering dat de pensioengerechtigde
leeftijd op 55 jaar gehandhaafd bleef.

b) De sub a bedoelde keuze moest worden gemaakt uiterlijk op 31 december
1986, of, wanneer dat eerder was, tenminste zes maanden voor het
bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd (zoals van toepassing in de
voor 1 januari 1985 geldende regeling).

c) Van alle betrokkenen werd verlangd dat zij het daartoe door gedaagde
toegezonden keuzeformulier invulden en tijdig retourneerden. Om
onduidelijkheden te voorkomen ingeval de betrokkenen geen expliciete
keuze mochten maken, houdt de regeling in dat bij gebreke van een
expliciete keuze voor de pensioengerechtigde leeftijd van zestig jaar,
wordt uitgegaan van een keuze voor een pensioengerechtigde leeftijd van
55 jaar.

7. Eiseressen waren allen op 31 december 1984 en op 1 januari 1985
(aspirant)deelnemer in de Regeling. Eiseressen een tot en met drie en
vijf tot en met elf hebben allen destijds tijdig uitdrukkelijk gekozen
voor handhaving van de pensioengerechtigde leeftijd van 55 jaar; voor
eiseres vier heeft de hiervoor sub 6c, laatste zin, bedoelde regel
toepassing gevonden.

8. Naar aanleiding van het op 17 mei 1990 door het Hof van Justitie van
de Europese Gemeenschappen gewezen arrest in de zaak Barber/Guardian
Royal Exchange (Zaak C-262/88) heeft gedaagde, stellende dat dit
noodzakelijk was geworden, per 1 juni 1991 een reglementswijziging (‘de
Wijziging’) doorgevoerd. Daarbij is de in het kader van de
reglementswijziging per 1 januari 1986 aan de toenmalige vrouwelijke
(aspirant)deelnemers geboden mogelijkheid om de voor 1 januari 1985
toepasselijke pensioengerechtigde leeftijd (voor diegenen die daarvoor
destijds hadden gekozen) ook nadien te handhaven, ingetrokken.

9. Bij de wijziging werd de navolgende compensatieregeling getroffen.
Eerst wordt berekend wat de uit de Wijziging voortvloeiende vermindering
van de contante waarde van de in de periode gelegen voor 17 mei 1990
(datum Barber-uitspraak) opgebouwde pensioenaanspraken is. Die
vermindering wordt vervolgens gecompenseerd, waarbij iedere deelnemer
kon opteren voor een (met die contante waarde corresponderende)
vervroegde ingang van het pensioen zonder toepassing van de
reglementaire vervroegingsaftrek. Voormelde keuze diende uiterlijk op 1
december 1991 te zijn gemaakt; wanneer alsdan geen verklaring werd
ingediend, wordt er blijkens de compensatieregeling van uitgegaan dat is
gekozen voor eerstbedoelde optie.

10. Gedaagde heeft in het kader van de Wijziging toegezegd dat indien en
voor zover mocht blijken dat achterwege laten van de Wijziging niet de
door gedaagde gevreesde risico’s voortvloeiend uit artikel 119
EEG-verdrag met zich meebrengt (lees: dat mannelijke deelnemers in
dezelfde positie alsnog dezelfde rechten kunnen claimen als die welke
voor hun vrouwelijke collega’s uit de in het kader van de
reglementswijziging per 1 januari 1985 getroffen overgangsregeling
voortvloeit, met name de optie pensioengerechtigde leeftijd 55 jaar),
gedaagde zich opnieuw op die Wijziging zal bezinnen.

De vordering, de gronden daarvan en het verweer:

Eiseressen vorderen een verklaring voor recht als volgt:

A. het is niet in strijd met artikel 119 EEG-verdrag om in een in het
kader van een arbeidsovereenkomst getroffen pensioenregeling waarin de
pensioengerechtigde leeftijd sedert 1 januari 1985 voor zowel mannelijke
als vrouwelijke deelnemers op zestig jaar is gesteld, de
pensioengerechtigde leeftijd voor een beperkte groep vrouwelijke
deelnemers na 17 mei 1990 op 55 jaar te blijven stellen, indien dit
laatste

a. voortvloeit uit een per 1 januari 1985 (toen bij reglementswijziging
de pensioengerechtigde leeftijd welke voorheen voor mannelijke
deelnemers op zestig jaar en voor vrouwelijke werknemers op 55 jaar was
gesteld, werd gelijk getrokken en op zestig jaar werd gesteld) getroffen
overgangsregeling (‘de Overgangsregeling’), en

b. de Overgangsregeling uitsluitend van toepassing is voor die
vrouwelijke (aspirant)deelnemers die zowel op 31 december 1984 alsmede
op 1 januari 1985 bij een tot gedaagde toegetreden werkgever in dienst
waren (‘de Gedupeerden’), en

c. de Overgangsregeling tevens inhield dat de Gedupeerden konden kiezen
tussen een pensioengerechtigde leeftijd van 55 danwel zestig jaar, welke
keuze diende te worden gemaakt tijdens een periode welke reeds
(uiterlijk) op 31 december 1986 is geexpireerd;

B. bij de sub A. bedoelde verklaring voor recht maakt het geen verschil
of de Overgangsregeling voor gevallen waarin niet tijdig een expliciete
keuze is kenbaar gemaakt, inhoudt dat alsdan de oorspronkelijke
pensioengerechtigde leeftijd van 55 jaar van toepassing is, danwel dat
alsdan de algemene pensioengerechtigde leeftijd van zestig jaar van
toepassing is, kosten rechtens.

Eiseressen zijn van mening dat een op artikel 119 gebaseerde noodzaak
voor de wijziging ontbreekt, en dat de Wijziging daarom behoort te
worden ongedaan gemaakt. De onderhavige procedure strekt ertoe het
ontbreken van die noodzaak te onderbouwen. Vandaar ook dat eiseressen
allen bij het bekend maken van de sub 9 bedoelde keuze een daartoe
strekkend voorbehoud hebben gemaakt, en wel door op het keuzeformulier
te vermelden dat zij zich op het standpunt stellen dat ‘Barber’ etcetera
geen rechtvaardiging vormt voor de Wijziging en zich terzake alle
rechten voorbehouden, en zich dus uitsluitend subsidiair voor een van
beide opties uitspreken.

Gedaagde concludeert tot weigering van de gevraagde verklaring voor
recht, in ieder geval wat betreft het in het petitum van de inleidende
dagvaarding onder 1. sub A. gestelde.

Beoordeling van het geschil:

In deze zaak rijzen vragen van uitlegging van het bepaalde in het
EEG-verdrag. De kantonrechter acht het met partijen voor de beslissing
noodzakelijk aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te
verzoeken een prejudiciele uitspraak te doen aangaande de uitlegging der
hierna omschreven vragen.

Vragen van uitlegging:

A. Is het in strijd met artikel 119 om in een in het kader van een
arbeidsovereenkomst getroffen pensioenregeling waarin de
pensioengerechtigde leeftijd sedert 1 januari 1985 voor zowel mannelijke
als vrouwelijke deelnemers op zestig jaar is gesteld, de
pensioengerechtigde leeftijd voor een beperkte groep vrouwelijke
deelnemers na 17 mei 1990 op 55 jaar te blijven stellen, indien dit
laatste

a. voortvloeit uit een per 1 januari 1985 (toen bij reglementswijziging
de pensioengerechtigde leeftijd welke voorheen voor mannelijke
deelnemers op zestig jaar en voor vrouwelijke deelnemers op 55 jaar was
gesteld, werd gelijk getrokken en op zestig jaar werd gesteld) getroffen
overgangsregeling (‘de Overgangsregeling’), en

b. de Overgangsregeling uitsluitend van toepassing is voor die
vrouwelijke (aspirant)deelnemers die zowel op 31 december 1984 alsmede
op 1 januari 1985 bij een tot gedaagde toegetreden werkgever in dienst
waren (‘de Gedupeerden’), en

c. de Overgangsregeling tevens inhield dat de Gedupeerden konden kiezen
tussen een pensioengerechtigde leeftijd van 55 danwel zestig jaar, welke
keuze diende te worden gemaakt tijdens een periode welke reeds
(uiterlijk) op 31 december 1986 is geexpireerd.

B. Maakt het voor het antwoord op vraag A verschil of de
Overgangsregeling voor gevallen waarin niet tijdig een expliciete keuze
is kenbaar gemaakt, inhoudt dat alsdan de oorspronkelijke
pensioengerechtigde leeftijd van 55 jaar van toepassing is, danwel dat
alsdan de algemene pensioengerechtigde leeftijd van 60 jaar van
toepassing is.

Beslissing:

De kantonrechter:

verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uitspraak
te doen aangaande de uitlegging van voormelde vragen;

houdt iedere verdere uitspraak aan en schorst het geding totdat het Hof
van Justitie van de Europese Gemeenschappen naar aanleiding van dit
verzoek uitspraak zal hebben gedaan.

Rechters

Mr. Tadema.

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 11 januari 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker heeft naar aanleiding van een personeelsadvertentie
intern gesolliciteerd naar de functie van rijksarchivaris, een functie in
schaal 12. Ten tijde van de vacature was er in de 14 functies van
rijksarchivaris geen enkele vrouw werkzaam. De wederpartij heeft op grond
van een voorkeursbeleid voor vrouwen eerst alleen vrouwelijke kandidaten
geselecteerd voor een gesprek. Zij heeft voor deze vorm van voorkeursbeleid
gekozen omdat het voorkeursbeleid dat zijn tot dan toe had gevoerd te
weinig resultaten opleverde. Een vrouwelijke kandidaat is geschikt
bevonden.

Zowel in de functie van rijksarchivaris als in andere functies van schaal
12 en hoger bij de wederpartij was sprake van een achterstandspositie van
vrouwen. De wederpartij heeft deze achterstand gerelateerd aan het
potentiele arbeidsmarktaanbod van vrouwen. De Commissie oordeelt dat deze
vorm van voorkeursbeleid geschikt is te achten om de bestaande achterstand
van vrouwen in te lopen. Geen strijd met de Wet.

Overigens oordeelt de Commissie dat de wederpartij jegens verzoeker in
meerdere opzichten onzorgvuldig heeft gehandeld.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 1 augustus 1991 verzocht de heer te Vianen
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de Minister van
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (hierna: de wederpartij) jegens hem
onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in strijd met de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen

(WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker is werkzaam bij de wederpartij als
chartermeester/plaatsvervangend rijksarchivaris. Hij heeft intern
gesolliciteerd naar de vrijkomende functie van rijksarchivaris. De
wederpartij heeft op grond van een voorkeursbeleid voor vrouwen eerst
alleen vrouwelijke kandidaten geselecteerd voor een gesprek. Een
vrouwelijke kandidate is geschikt bevonden. Verzoeker is van mening dat de
wederpartij hiermee onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in
strijd met de WGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben meerdere malen de gelegenheid gehad hun
standpunten schriftelijk toe te lichten.

2.2. Vervolgens zijn partijen opgeroepen om hun standpunten nader toe te
lichten tijdens een zitting van de Commissie op 11 november 1992.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker

– dhr (verzoeker)

– dhr (gemachtigde)

– dhr (toehoorder)

van de kant van de wederpartij

– dhr (hoofd personeelsbeleid van de
rijksarchiefdienst)

van de kant van de Commissie

– dhr mr A.W. Heringa (plaatsvervangend Kamervoorzitter)

– mw mr J.D. Onnen (lid Kamer)

– mw mr A.C. Possel (lid Kamer)

– mw mr A.K. de Jongh (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2..

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Omstreeks mei 1991 heeft de rijksarchiefdienst een advertentie
geplaatst ten behoeve van de vervulling van de functie van rijksarchivaris
bij de rijksarchieven in de provincies Limburg (per 1 september 1991) en
Utrecht (per 1 januari 1992). De rijksarchiefdienst ressorteert onder het
Directoraat Generaal Culturele Zaken van het Ministerie van Welzijn,
Volksgezondheid, en Cultuur (WVC), dat onder de verantwoordelijkheid van de
wederpartij valt.

Voor de functie in Utrecht werden de volgende eisen gesteld:

– wetenschappelijke onderzoekservaring;

– bij voorkeur gepromoveerd;

– voltooide universitaire studie;

– diploma hoger archiefambtenaar;

– vaktechnische bekwaamheid op hoog niveau;

– uitstekende leidinggevende en contactuele eigenschappen, ook met het oog
op internationale contacten.

In de advertentie stond voorts het volgende vermeld:

“Onder de rijksarchivarissen is geen enkele vrouw. De Rijksarchiefdienst
wil daarin verandering brengen. Daarom zullen van de sollicitanten naar
deze vacature in eerste instantie vrouwen worden opgeroepen. Indien zich
onder hen geen geschikte kandidaat bevindt, worden ook mannen opgeroepen.
Bij gelijke geschiktheid van kandidaten van hetzelfde geslacht heeft een
interne kandidaat voorrang boven een externe kandidaat. […] De verdere
gang van zaken is vastgelegd in de “procedure benoemingen” (gedateerd op
15 februari 1991). Het Besluit werving en selectie (d.d. 14 oktober 1985,
Stcrt. 1985, 205) is van toepassing.”

De vacante functie werd op dat moment gewaardeerd conform schaal 14 BBRA.

3.2. Verzoeker is bij de wederpartij werkzaam als
chartermeester/plaatsvervangend rijksarchivaris. Hij heeft sinds 1980
structureel een dag per week het hoofd van de rijksarchiefdienst in Utrecht
vervangen.

In mei 1991 heeft verzoeker intern gesolliciteerd naar de vrijkomende post
van rijksarchivaris in Utrecht. Er waren drie vrouwelijke sollicitanten,
waarvan er twee zijn opgeroepen, en drie mannelijke sollicitanten,
waaronder verzoeker.

Zoals in de advertentie is vermeld, zijn eerst alleen vrouwelijke
kandidaten opgeroepen voor een gesprek. Een van deze kandidaten, een
externe kandidaat, werd geschikt bevonden en is benoemd. Verzoeker is
derhalve niet voor een sollicitatiegesprek uitgenodigd. Hij was voordat hij
solliciteerde ervan op de hoogte dat in eerste instantie alleen vrouwen
zouden worden opgeroepen.

Verzoeker heeft op 25 september 1991 en op 11 november 1991 bij de
wederpartij schriftelijk bezwaar aangetekend dat hij niet voor een
sollicitatiegesprek was uitgenodigd. In reactie op dit bezwaar heeft de
wederpartij aan verzoeker laten weten dat er in deze vastgestelde
sollicitatieprocedure een zwaarder gewicht werd toegekend aan het met het
voorkeursbeleid voor vrouwen beoogde belang, dan aan het belang interne
sollicitanten voorrang te geven boven externe sollicitanten. Hierbij gaf de
wederpartij aan dat het belang van interne sollicitanten in de gevolgde
procedure alleen bij kandidaten van gelijk geslacht een rol speelt.

3.3. Het voorkeursbeleid van de wederpartij is als volgt tot stand
gekomen.

Naar aanleiding van een door de Ministerraad vastgesteld beleid tot het
voeren van positieve actie voor vrouwen bij de rijksoverheid heeft de
wederpartij de nota “Positieve actie voor vrouwen” uitgebracht. Deze nota
was van 1988 tot 1990 binnen het Ministerie van WVC van toepassing. In deze
nota staat dat een voorkeursbeleid gevoerd zal worden waarbij in alle
personeelsadvertenties de zinsnede wordt opgenomen dat vrouwen worden
opgeroepen om te solliciteren.

Op 11 november 1988 is voorts een “Beleidsplan inzake de evenredige
vertegenwoordiging van vrouwen bij het Ministerie van WVC” uitgebracht.
Hierin staan drie gradaties van voorkeursbehandeling beschreven die in een
advertentietekst opgenomen kunnen worden, namelijk:

– bij het voldoen aan de functie-eisen genieten vrouwen de voorkeur;

– de selectie van sollicitanten zal in eerste instantie tot uitsluitend
vrouwen worden beperkt. Wanneer onder hen geen geschikte kandidaat wordt
gevonden, zullen ook andere sollicitanten worden opgeroepen;

– alleen vrouwen worden opgeroepen om te solliciteren.

Op 3 april 1990 heeft de Hoofddirecteur Cultuurbeheer een nota gestuurd aan
de directeuren van de instellingen die onder de Hoofddirectie Cultuurbeheer
ressorteren. De rijksarchiefdienst is een instelling die onder deze
directie valt. In deze nota meldt de Hoofddirecteur Cultuurbeheer dat de
rijksoverheid zichzelf als taak heeft gesteld een voorrangsbeleid te voeren
voor (onder andere) vrouwen. Hij geeft aan dat de managers bij de
rijksoverheid zowel moreel als formeel de plicht hebben om de
doelstellingen van het voorrangsbeleid mede te realiseren.

Blijkens deze nota wordt van de aangeschreven directeuren verwacht dat zij
het positieve actiebeleid dat zij naar aanleiding van deze nota van plan
zijn uit te voeren, voor 1 juni 1990 aan de Hoofddirecteur Cultuurbeheer
dienen door te geven. Hen wordt ook verzocht verslag uit te brengen van de
vorderingen die worden geboekt. Tenslotte worden zij erop gewezen dat de
Hoofddirecteur zich genoodzaakt ziet over te gaan tot stringentere centrale
sturing, indien deze decentrale aanpak tot onvoldoende resultaten mocht
leiden.

In deze nota staan voorts cijfers die betrekking hebben op het
personeelsbestand van de Hoofddirectie Cultuurbeheer. Uit deze cijfers
blijkt dat met name in de hoofdgroepen 2, 4 en 6 het percentage vrouwen
achterblijft bij het gekwalificeerde aanbod. De onderverdeling van de
functieschalen in functiegroepen is als volgt.

hoofdgroep 1 – schaal 1 t/m 3

hoofdgroep 2 – schaal 3 t/m 6

hoofdgroep 3 – schaal 5 t/m 9

hoofdgroep 4 – schaal 6 t/m 12

hoofdgroep 5 – schaal 10 t/m 14

hoofdgroep 6 – schaal 15 t/m 18

De achterstand wordt gemeten door het gekwalificeerde arbeidsaanbod
(Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), arbeidskrachtentelling 1985) te
vergelijken met het aantal werkzame vrouwen in een functiegroep
(beschikbare gegevens per 12 december 1989).

In hoofdgroep 5, waar de functie van rijksarchivaris onder valt, is het
aandeel vrouwen in het personeelsbestand 24,1% en is het gekwalificeerde
arbeidsaanbod 20%.

In deze nota staat verder over het voorkeursbeleid het volgende vermeld.
“Bij de taakstellingen die gelden voor de instroom van vrouwen in de WVC-
organisatie wordt zowel gekeken naar het totale percentage vrouwen in het
personeelsbestand, als naar de percentages per hoofdgroep.” Bij deze nota
is een overzicht met een uitsplitsing naar instelling gevoegd. Het aandeel
van vrouwen in hoofdgroep 5 bij de instelling rijksarchiefdienst is 18,75%.

Op 30 november 1990 heeft de Ministerraad de nota “Vervolgbeleid positieve
actie voor vrouwen bij de rijksoverheid 1991-1995″ vastgesteld. De
aanleiding voor deze nota was dat het kabinet het aandeel vrouwen in het
personeelsbestand van de rijksoverheid meer in overeenstemming wilde
brengen met het gekwalificeerde arbeidsaanbod van vrouwen. Daarom besloot
het kabinet ernaar te streven dat in 1995 30% van het personeelsbestand van
de rijksdiensten uit vrouwen bestaat, terwijl het aandeel van vrouwen in
hogere functies (schaal 10 en hoger) tot 20% gestegen moet zijn. Deze
streefcijfers zijn gebaseerd op cijfers met betrekking tot het
gekwalificeerde aanbod van vrouwen op de arbeidsmarkt van het CBS van
november 1990. Het kabinet heeft aangegeven dat de ministeries zelf
verantwoordelijk zijn voor de invulling van het bovengenoemde positieve
actiebeleid.

Ook heeft het kabinet besloten dat de afzonderlijke ministeries jaarlijks
aan de Tweede Kamer dienen te rapporteren over de ontwikkeling van de
positie van vrouwen bij de rijksoverheid en dat medio 1993 moet worden
bekeken of het positieve actiebeleid bijstelling behoeft.

Naar aanleiding van deze nota heeft de wederpartij in juli 1991 de nota
“Vervolgbeleid positieve aktie voor vrouwen bij WVC (1991-1995)”
uitgebracht. Uit deze nota blijkt dat met name in bepaalde functiegroepen
een achterstand van vrouwen is. In deze nota is voorts opgenomen de
bezetting van vrouwen per schaal op 27 mei 1991:

Bij het Ministerie van WVC schaal % vrouwen

10 29,8

11 29,6

12 17,02

13 10,22

14 10,14

Bij het Directoraat Generaal Culturele Zaken

schaal % vrouwen

10 33,33

11 32,1

12 14,90

13 9,44

14 8

De nota vermeldt dat de wederpartij op grond van deze cijfers heeft
besloten om het accent van het positieve actiebeleid vooral te richten op
een evenredige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in de schalen vanaf
12.

Ook staat in deze nota vermeld: “Tot op heden is het WVC beleid om bij een
‘openlijke aanbieding van een betrekking’, d.w.z. een advertentie in een
medium dat voor ieder toegankelijk is, in de verdere sollicitatieprocedure
in geen geval een voorkeursbehandeling toe te passen.”

3.4. Tot het vrijkomen van de desbetreffende vacature heeft de wederpartij
een voorkeursbeleid gevoerd waarbij zij in alle personeelsadvertenties de
zinsnede opnam dat vrouwen werden opgeroepen om te solliciteren. Deze
standaard voorkeurszin leverde echter niet voldoende resultaten op. Dit was
een van de redenen dat de wederpartij besloot om een stringenter
voorkeursbeleid te voeren. Een andere reden was dat op het moment dat de
vacature ontstond in de 14 functies van rijks- archivaris geen enkele vrouw
werkzaam was. Op grond van het bovenstaande heeft de wederpartij in de
“Benoemingsprocedure voor rijksarchivarissen in de provincies” bepaald, dat
bij vacatures voor rijksarchivarissen in de advertentie zal worden
opgenomen dat in eerste instantie vrouwen worden opgeroepen om te
solliciteren. Deze benoemingsprocedure is op 15 februari 1991 met
instemming van de Dienstcommissie vastgesteld.

3.5. De wederpartij voert naast een voorkeursbeleid voor vrouwen ook een
voorrangsbeleid voor interne kandidaten. Het is althans bestendig gebruik
dat interne kandidaten voorrang krijgen boven externe kandidaten. In het
“Besluit werving en selectie” dat de wederpartij toepast, is hierover een
bepaling (artikel 3) opgenomen. Bij de toelichting op deze bepaling staat
dat wanneer bij een vacature eerst de eigen personeelsleden de mogelijkheid
krijgen hiernaar te solliciteren, de interne procedure over het algemeen
eerst afgerond zal moeten zijn voordat de vacature extern bekend wordt
gemaakt. Wanneer er echter geen serieuze interne kandidaten voor de
vacature zijn, kan -ter verkorting van de procedure- gelijktijdig met de
interne werving externe werving plaatsvinden. Indien bij de selectie
interne sollicitanten de voorkeur genieten, dient dit aan de sollicitant te
worden meegedeeld.

In het onderhavige geval heeft de wederpartij vanwege haar voorkeursbeleid
deze gebruikelijke procedure opzij geschoven.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoeker is van mening dat de wederpartij door in eerste instantie
alleen vrouwen op te roepen voor een sollicitatiegesprek, bij de werving en
selectie onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt. Doordat de
wederpartij deze vorm van voorkeursbeleid heeft gevoerd is verzoeker
namelijk niet afgewezen op grond van zijn kwaliteiten of de
ontoereikendheid daarvan, maar puur en alleen op grond van zijn geslacht.
Hiermee heeft de wederpartij niet alleen gehandeld in strijd met de WGB,
maar ook in strijd met artikel 1 van de Grondwet.

Verzoeker stelt dat er op het moment van de melding van de vacature slechts
een zeer terughoudend voorkeursbeleid van toepassing was, en dat de
wederpartij in het onderhavige geval daarom niet een stringenter
voorkeursbeleid had mogen toepassen. Bovendien heeft de wederpartij bij het
ontwerpen van de voorkeursbenoemingsprocedure niet onderzocht welke
intensiteit van voorkeursbehandeling het meest geschikt of wenselijk was om
bestaande achterstanden in te lopen.

Dat er geen grondslag was voor het door de wederpartij gehanteerde
voorkeursbeleid blijkt volgens verzoeker uit het volgende.

Zowel uit de nota “Positieve actie voor vrouwen (1988-1990)” als uit het
“Vervolgbeleid positieve actie voor vrouwen bij WVC (1991-1995)” blijkt dat
het voorkeursbeleid niet meer inhield dan dat in personeelsadvertenties
vrouwen worden aangemoedigd om te solliciteren.

Ten tijde van de desbetreffende vacature in april 1991 was er (nog) geen
andere vorm van voorkeursbeleid van toepassing, met uitzondering van de in
februari 1991 vastgestelde “Benoemingsprocedure voor rijksarchivarissen in
de provincie” (zie paragraaf 3.6.). Volgens verzoeker geeft het beleid van
het Ministerie van WVC en van de Hoofddirectie Cultuurbeheer de ruimte voor
een stringenter voorkeursbeleid dan sinds 1988 wordt gevoerd, maar niet
voor de vergaande vorm van voorkeursbeleid zoals in dit geval door de
wederpartij is toegepast.

Ter ondersteuning van zijn stelling wijst verzoeker erop dat er na de
bewuste vacature een andere functie (in schaal 12) is vrijgekomen bij de
Centrale Directie van de rijksarchiefdienst, waarbij de standaard
voorkeurszin is gehanteerd (vrouwen worden opgeroepen om te solliciteren),
zoals gebruikelijk was voor de hier in geding zijnde vacature voor
rijksarchivaris. In december 1990 was er nog een rijksarchivaris in
Flevoland benoemd zonder enkele verwijzing naar positieve actie. Volgens
verzoeker bevestigt dit zijn stelling dat het in de onderhavige vacature
gehanteerde voorkeursbeleid een ad hoc beslissing in een soort functie
vormt, en geen deel uitmaakt van een voldoende uitgewogen positieve
actiebeleid voor vrouwen.

Verzoeker verbaast zich erover dat binnen ongeveer een half jaar tijd het
voorkeursbeleid van de wederpartij radicaal is gewijzigd, zonder dat
degenen die mogelijk slachtoffer zouden worden van deze omslag hiervan
persoonlijk op de hoogte waren gesteld. Ook is aan hen niet uitgelegd
waarom het voorkeursbeleid gewijzigd werd.

Verzoeker stelt voorts dat de wederpartij door het door haar gehanteerde
voorkeursbeleid niet alle betrokken belangen voldoende zorgvuldig heeft
afgewogen. Zowel in een gesprek met de algemene rijksarchivaris als in een
stafvergadering, is bij hem de verwachting gewekt dat hij een reele kans
maakte voor de desbetreffende vacature. Hierdoor verkeerde verzoeker in de
overtuiging dat hij een serieuze gegadigde was.

3.7. De wederpartij beaamt dat zij onderscheid op grond van geslacht heeft
gemaakt, maar wijst op haar voorkeursbeleid voor vrouwen. De wederpartij
koos voor een verdergaand voorkeursbeleid dan bij eerdere vacatures, omdat
de ervaring leerde dat de standaard voorkeurszin niet voldoende resultaat
opleverde. De wederpartij wilde niet de meest stringente vorm van
voorkeursbeleid toepassen, welke inhoudt dat alleen vrouwen worden
opgeroepen om te solliciteren. Zij was zich er namelijk van bewust dat het
aanbod van geschikte vrouwen voor deze functie beperkt was. Toen zij de
personeelsadvertentie plaatste wist zij dat er in ieder geval een geschikte
vrouw was die mogelijk op de advertentie zou reageren. Voor het geval er
geen geschikte vrouwelijke kandidaten zouden blijken te zijn, wilde de
wederpartij de mogelijkheid openhouden om eventueel in een later stadium
ook nog mannen voor een sollicitatiegesprek uit te nodigen. De wederpartij
heeft in het onderhavige geval dit voorkeursbeleid toegepast, omdat zij
constateerde dat in de 14 functies van rijksarchivaris geen enkele vrouw
werkzaam was. Bovendien was haar inmiddels gebleken dat er relatief weinig
vrouwen in schaal 12 en hoger werkten. In het kader van het positieve
actiebeleid en als gevolg van onderhandelingen met de Dienstcommissie heeft
zij de eerste de beste mogelijkheid om een vrouwelijke rijksarchivaris te
benoemen, benut.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
heeft gemaakt op grond van geslacht bij de werving en selectie in strijd
met artikel 3 WGB door in eerste instantie alleen vrouwen voor een
sollicitatiegesprek uit te nodigen.

In artikel 3 lid 1 WGB is bepaald dat het niet is toegelaten bij de
aanbieding van een betrekking of bij de behandeling bij de vervulling van
een betrekking onderscheid naar geslacht te maken. In lid 2 van dit artikel
is neergelegd dat van het eerste lid mag worden afgeweken indien de Wet
onderscheid toestaat. De Wet staat onder andere onderscheid op grond van
geslacht toe indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een
bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te
heffen (artikel 5 lid 1 WGB). Als er onderscheid op grond van geslacht
wordt gemaakt moet de grond voor dat onderscheid uitdrukkelijk worden
vermeld bij het aanbieden van de betrekking

(artikel 3 lid 2 WGB).

4.2. De Wet staat derhalve toe dat werkgevers/het bevoegd gezag onder meer
bij werving en selectie een voorkeursbeleid voeren. Dit betekent dat zij
voor functiesoorten en -niveaus waarin voor vrouwen een achterstand
bestaat, gedurende een periode een vorm van voorkeursbehandeling voor
vrouwen mogen toepassen. De Commissie heeft reeds eerder uitgesproken aan
welke voorwaarden een voorkeursbeleid, gelet op bovengenoemde artikelen,
moet voldoen om in overeenstemming te zijn met de wetgeving gelijke
behandeling (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, 9 juli 1990, oordeelnummer 56-90-33).

1. De achterstand van vrouwen moet worden vastgesteld per functiesoort en
functieniveau die een duidelijk eigen toe stroom uit de arbeidsmarkt
hebben. Deze achterstand wordt bepaald door het concrete aandeel daarin
van vrouwen te vergelijken met het aandeel in het relevante potentiele
aanbod van vrouwen op de arbeidsmarkt.

2. Per functiesoort en -niveau moet voorts worden vastgesteld welke
intensiteit van voorkeursbehandeling het meest geschikt of wenselijk is om
de bestaande achterstanden in te lopen.

3. Bij de openlijke aanbieding van een betrekking moet melding gemaakt
worden van de voorkeursbehandeling

(artikel 3 lid 2 WGB).

4.3. Partijen twisten over de vraag of de selectieprocedure die de
wederpartij heeft toegepast in overeenstemming is met het voorkeursbeleid
en met de WGB. Verzoeker stelt dat er op het moment van de melding van de
vacature slechts een zeer terughoudend voorkeursbeleid van toepassing was
en dat de wederpartij daarom niet een stringenter voorkeursbeleid had mogen
toepassen. Volgens verzoeker was het in de onderhavige vacature gehanteerde
voorkeursbeleid een ad hoc beslissing in een soort functie, dat geen deel
uitmaakte van een voldoende afgewogen positief actiebeleid voor vrouwen.

De Commissie stelt vast dat uit de nota “Vervolgbeleid positieve aktie voor
vrouwen bij WVC (1991-1995)” in samenhang met de nota “Positieve actie voor
vrouwen” blijkt, dat ten tijde van de in het geding zijnde vacature, het
voorkeursbeleid inhield dat de standaard voorkeurszin in
personeelsadvertenties zou worden opgenomen. Vrouwen werden met andere
woorden slechts aangemoedigd om te solliciteren. Uit het in 1988
uitgebrachte “Beleidsplan inzake de evenredige vertegenwoordiging van
vrouwen bij het Ministerie van WVC” leidt de Commissie echter ook af dat
een verdergaande vorm van voorkeursbehandeling gevoerd mocht worden. In dat
beleidsplan worden immers drie gradaties van voorkeursbehandeling
aangegeven.

4.4. Nu de Commissie heeft vastgesteld dat er een algemeen beleid was
geformuleerd op grond waarvan de wederpartij de mogelijkheid had om
verschillende vormen van voorkeursbeleid toe te passen, zal de Commissie
onderzoeken of in het voorliggende geval van de vacature voor
rijksarchivaris voldaan was aan de hiervoor onder 4.2. aangeduide criteria
van achterstand, geschiktheid en vermelding in de advertentie.

De eerste vraag die beantwoord moet worden is of de wederpartij voor de
onderhavige vacature een achterstand van vrouwen in de desbetreffende
functie of functieniveau heeft vastgesteld, alvorens het voorkeursbeleid
toe te passen.

Gebleken is dat de wederpartij de achterstand van vrouwen meet aan de hand
van het potentiele aanbod van vrouwen. Om het potentiele aanbod te bepalen
hanteert zij cijfers van het CBS. Op basis van dit aanbod stelt de
wederpartij streefcijfers vast voor de verschillende hoofdgroepen. Het
aanbod van gekwalificeerde vrouwen in hoofdgroep 5 (schaal 10 tot en met
14) was volgens cijfers van het CBS van 1985 20%.

Uit een nota van de wederpartij d.d. 3 april 1990 blijkt dat bij de
Hoofddirectie Cultuurbeheer per 12 december 1989 het aandeel vrouwen in het
personeelsbestand in hoofdgroep 5 24,1% was. Hieruit zou de conclusie
getrokken kunnen worden dat het streefcijfer in de desbetreffende functie
al was bereikt. De wederpartij heeft echter aangegeven dat zij voor de
functie van rijksarchivaris zowel heeft gekeken naar het aantal vrouwen dat
in schaal 12 of hoger werkzaam was, alsook naar het aantal vrouwen dat de
functie van rijksarchivaris bekleedde. Ten tijde van de vacature was er in
de 14 functies van rijksarchivaris immers geen enkele vrouw werkzaam.
Aangezien er in ieder geval een geschikte vrouwelijke kandidaat was die
mogelijk zou solliciteren, was niet bij voorbaat uitgesloten dat er vrouwen
waren die in aanmerking kwamen voor de desbetreffende functie.

Uit de cijfers die in de nota “Vervolgbeleid positieve aktie voor vrouwen
bij WVC (1991-1995)” staan, blijkt dat er per 27 mei 1991 inderdaad een
achterstandspositie van vrouwen bestaat in schaal 12 en hoger (zie
paragraaf 3.3.). Blijkens deze cijfers ligt het percentage van vrouwen dat
bij het Ministerie van WVC werkzaam is in schaal 12 tot en met 14 gemiddeld
op 12,46%, terwijl dit percentage bij het Directoraat Generaal Culturele
Zaken, waar de Hoofddirectie Cultuurbeheer en dus de rijksarchiefdienst
ondervalt, op 10,78% ligt. Hierbij kan nog worden opgemerkt dat ook in
hoofdgroep 5 bij de rijksarchiefdienst het aandeel van vrouwen eveneens
onder het streefgetal lag, nu dit percentage 18,75% bedroeg.

Op grond van het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat er in het
onderhavige geval zowel sprake was van een achterstandspositie van vrouwen
in schaal 12 en hoger, alsook in het bijzonder betreffende de functie van
rijksarchivaris. Aangezien de wederpartij deze achterstand heeft
geconstateerd (en kon constateren) door deze te relateren aan het
potentiele arbeidsmarktaanbod van vrouwen, is de Commissie van oordeel dat
de wederpartij daarmee conform het eerste criterium heeft gehandeld.

De volgende vraag die beantwoord moet worden is of deze vorm van
voorkeursbehandeling het meest geschikt is te achten om de bestaande
achterstand van vrouwen in te lopen.

Verzoeker stelt dat de wederpartij bij het vaststellen van het
voorkeursbeleid niet heeft onderzocht welke intensiteit van
voorkeursbehandeling het meest geschikt of wenselijk was om bestaande
achterstanden in te lopen.

De Commissie overweegt hieromtrent als volgt.

In het “Beleidsplan inzake de evenredige vertegenwoordiging van vrouwen bij
het Ministerie van WVC” staat aangegeven dat voorkeursbehandeling mogelijk
is in drie gradaties (zie paragraaf 3.3.). De wederpartij heeft met
instemming van de Dienstcommissie voor de tweede gradatie van
voorkeursbeleid gekozen, omdat het tot dan toe gevoerde voorkeursbeleid te
weinig resultaten opleverde. Er was nog geen enkele vrouw die de functie
van rijksarchivaris bekleedde. Met deze verdergaande vorm van
voorkeursbeleid hoopte de wederpartij ook vrouwelijke rijksarchivarissen in
dienst te krijgen.

De wederpartij heeft niet gekozen voor de derde (meest vergaande) vorm van
voorkeursbeleid, omdat zij de mogelijkheid open wilde houden om ook mannen
voor een sollicitatiegesprek uit te kunnen nodigen, voor het geval er geen
geschikte vrouwelijke kandidaten zouden blijken te zijn.

De Commissie oordeelt dat, gezien de gedurende langere tijd bestaande
achterstand van vrouwen in deze functie en op dit functieniveau en de
kennelijke ineffectiviteit van de eerste gradatie van voorkeursbehandeling,
deze vorm van voorkeurs- beleid het meest geschikte middel is te achten om
deze achterstand in te lopen. Hiermee is conform het tweede criterium
genoemd onder 4.2. gehandeld.

Wat betreft artikel 3 lid 2 WGB oordeelt de Commissie dat, aangezien in de
advertentie zowel melding is gemaakt van het voorkeursbeleid als van de te
volgen selectieprocedure, de wederpartij hier eveneens aan heeft voldaan.

Op grond van het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat het
voorkeursbeleid van de wederpartij conform de eisen is die uit artikel 5
WGB voortvloeien, en dat toepassing van dit voorkeursbeleid voor de
onderhavige vacature derhalve mocht plaatsvinden.

4.5. Ten overvloede merkt de Commissie nog op dat een toepassing van een
met de WGB conform voorkeursbeleid wel om andere redenen onzorgvuldig kan
worden geacht. Het komt de Commissie voor dat daar in het voorliggende
geval sprake van is. Te dien aanzien wijst zij op de volgende drie
omstandigheden.

Verzoeker heeft gedurende elf jaar het hoofd van de rijksarchiefdienst te
Utrecht voor een dag per week vervangen. Hem is verder bij het ontstaan van
de desbetreffende vacature door de wederpartij meermalen voorgehouden dat
hij een reele kans op benoeming tot rijksarchivaris bij een zich voordoende
vacature maakte. Dusdoende heeft de wederpartij bij verzoeker verwachtingen
gewekt. Voorts heeft de wederpartij pas in de personeelsadvertentie melding
gemaakt van het toe te passen voorkeursbeleid dat ten opzichte van het tot
dan toe gevoerde voorkeursbeleid aanzienlijk was gewijzigd.

Het zijn deze drie omstandigheden die tesamen en in onderling verband ertoe
leiden de handelwijze van de wederpartij tegenover verzoeker onzorgvuldig
te achten.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Minister van Welzijn,
Volksgezondheid en Cultuur te Rijswijk jegens de heer
te Vianen, bij de aanbieding van de betrekking en bij de behandeling bij de
vervulling van de openstaande betrekking geen onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

Rechters

dhr mr A.W. Heringa (plaatsvervangend Kamervoorzitter), mw mrJ.D. Onnen (lid Kamer), mw mr A.C. Possel (lid Kamer), mw mr A.K. de Jongh(adjunct-secretaris)

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 8 januari 1993

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Op grond van de ABP-wet wordt over pensioenrechten tot 1 januari 1986
bij gehuwde mannen een hoger bedrag aan AOW in mindering gebracht dan bij
gehuwde vrouwen. Het pensioen van vrouwen is daarmee hoger dan dat van hun
mannelijke collega’s. Het ambtenarengerecht stelde een gehuwde ambtenaar
die hiertegen bezwaar maakte, begin 1990 in het gelijk. Het ABP is in
beroep gegaan bij de Centrale Raad van Beroep. Deze heeft het Europese Hof
om uitleg gevraagd over het EG-recht: Valt de ABP-wet nu onder de derde
EG-richtlijn of is art. 119 EEG-verdrag van toepassing?

Is de derde EG-richtlijn van toepassing, dan moeten mannelijke en
vrouwelijke ambtenaren vanaf december 1984 gelijk worden behandeld. Is
art. 119 van het EEG-verdrag van toepassing, dan is de ingangsdatum
onzeker door het zogenaamde Barber-arrest, waarin het Europese Hof zich
niet uitsprak over een mogelijke terugwerkende kracht.

Volledige tekst

I. Het verloop van de procedure

De hoofddirectie van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (ABP) heeft bij
beslissing van 29 februari 1988 het invaliditeitspensioen ingevolge de
Algemene burgerlijke pensioen (ABPW) van B. met ingang van 1 februari 1988
in verband met het bereiken van de 65-jarige leeftijd op 3 februari 1988
nader vastgesteld.

Het bestuur van het ABP heeft bij beslissing van 28 september 1988 het
bezwaar dat B. tegen de beslissingvan 29 februari 1988 had ingediend -voor
zover in casu van belang- ongegrond bevonden.

Het Ambtenarengerecht (thans: rechtbank) te ‘s-Gravenhage heeft bij
uitspraak van 28 februari 1990 het beroep dat B. tegen de beslissing van
28 september 1988 heeft ingesteld, gegrond verklaard, die beslissing
nietig verklaard en bepaald dat het bestuur van het ABP een nieuwe
beslissing zal nemen met inachtneming van de uitspraak.

Het ABP heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Centrale
Raad van Beroep. Naar aanleiding van het aanvullend beroepschrift van het
ABP is namens B. van contra- memorie gediend.

II. Het geschil

B. is op 3 februari 1988 65 jaar geworden. Hij ontving reeds voor die
datum een (invaliditeits)pensioen van het ABP, welk pensioen met ingang
van februari 1988 is herberekend. Op dit herberekende pensioen zijn de
bepalingen van de ABPW betreffende het ouderdomspensioen, voorzover hier
van belang, van toepassing.

Ingaande 1 februari 1988 heeft B. tevens recht op pensioen ingevolge de
Algemene Ouderdomswet (AOW0.

Met betrekking tot zijn diensttijd als ambtenaar in de zin van de ABPW
(hij had reeds op 24 april 1985 de maximale diensttijd van 40 jaar
volmaakt), is de ogenoemde inbouwregeling zoals deze gold per 1 april 1985
voor de gehuwde mannelijke ambtenaar toegepast, aangezien B. ten tijde van
de toekenning van het pensioen een gehuwde man was, terwijl zijn
echtgenote (geboren 1922) eveneens aanspraak had op AOW-pensioen. De
inbouw van het AOW-pensioen in B’s ambtelijke pensioen betreft per datum
toekenning een bedrag van (40 x 2 % van tweemaal het gehuwdenpensioen-AOW
=) ƒ 16.286,59 per jaar.

B. stelt, dat hij als (gehuwde) man wordt gediscrimineerd ten opzichte van
een, in overigens gelijke omstandigheden verkerende, gehuwde vrouw. Ten
aanzien van deze laatste leidt toepassing van de Nederlandse wettelijke
regeling tot inbouw van een lager bedrag aan algemeen pensioen, namelijk
40 x 2 % van het bedrag van het ongehuwden-pensioen-AOW, = (omstreeks) ƒ
11.300,- per jaar, zodat aan haar per saldo een hoger ambtelijk pensioen
zou zijn uitbetaald.

De rechter in eerste aanleg heeft B.’s bezwaren onderschreven, in ozverre
deze rechter de richtlijn 79/7 van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 19 december 1978 hier van toepassin gheeft geacht, met de gevolgen als
in zijn uitspraak beschreven.

III. De betrokken regelingen

a. de ABPW

Deze wet is als opvolger van de Pensioenwet 1922 in werking getreden op
1 januari 1966 en regelt de pensioenvoorziening voor (in hoofdzaak)
ambtenaren. Zij voorziet in invaliditeitspensioen, nabestaandenpensioen
en ouderdomspensioen.

Voor ouderdomspensioen gaat de wet uit van een maximum van 40 dienstjaren
(“diensttijd”). Bij een aanspraak van 1,75% over elk dienstjaar, bedraagt
het maximale pensioen 70% van het eindloon van de ambtenaar. Het
ouderdomspensioen gaat in op de dag waarop de ambtenaar 65 jaar wordt.

De financiering van de pensioenen geschiedt door middel van een systeem
van kapitaaldekking (met enige elementen van een omslagstelsel). De
middelen worden opgebracht door premieheffing over het loon van de
ambtenaar en bijdragen van de overheid.

b. de AOW

Deze wet regelt de verplichte, algemene ouderdomsvoorziening voor
ingezetenen en personen die hier te lande arbeid in loondienst verrichten.
De uitkering ligt op het niveau van het bestaansminimum, gedifferentieerd
naar burgerlijke staat.

Bij de vaststelling van het pensioenbedrag wordt uitgegaan van een
verzekeringsloopbaan van 50 jaar, gelegen tussen het 15e en 65ste
levensjaar. Er is een “negatief” opbouwsysteem, in de zin dat op het
wettelijke pensioenbedrag, dat uitgaat van 50 verzekeringsjaren, 2% in
mindering wordt gebracht voor elk niet-verzekerd jaar, c.q. elk jaar
waarin de verzekerde schuldig nalatig is geweest terzake van
premiebetaling.

Tot 1 april 1985 kende de AOW een pensioenbedrag voor de gehuwde man en
een pensioenbedrag voor de ongehuwde, dat 70% van het eerstbedoelde
pensioen bedroeg. De gehuwde vrouw had tot die datum geen eigen recht op
pensioen.

Per genoemde datum, als ook gezien naar februari 1988, hebben alle
verzekerden die de leeftijd van 65 jaar bereiken een zelfstandig recht op
pensioen.

Voor gehuwden bedraagt de maximale aanspraak 50% van het bedrag van het
bestaansminimum voor een echtpaar (het oude gehuwdenpensioen); voor
ongehuwden bedraagt de aanspraak 70% van dat bedrag.

De gehuwde pensioengerechtigde met een partner jonger dan 65 jaar heeft
recht op een toeslag, die sinds 1 april 1988 in het algemeen afhankelijk
is van het inkomen van de partner. (Zie over deze regeling zaak C-226/91
in behandeling bij het Hof). Het volledige bedrag van pensioen + toeslag
is gelijk aan het bedrag van 2x het ouderdomspensioen voor een gehuwde.

De financiering van de uitkeringen geschiedt door middel van een
omslagstelsel. De Nederlandse staat garandeert de betaling van de
uitkeringen. Voorzover door verzekerden premieplichtig inkomen wordt
genoten, wordt daarover premie geheven.

IV. Samenloop van ABP- en AOW-pensioen Sedert de inwerkingtreding van de
AOW op 1 januari 1957 gold – tot 1 januari 1986 – een samenloopregeling
voor gevallen waarin bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar
aanspraak op pensioen op grond van beide regelingen bestond. Deze
regeling, tot 1 januari 1966 getroffen onder de voorganger van de ABPW,
bewerkstelligde dat een gedeelte van het AOW-pensioen (in de ABPW
aangeduid als ‘algemeen pensioen’) geacht werd deel uit te maken van het
ABP-pensioen (‘ambtelijk pensioen’). Dit geschiedde door de bepaling dat
het deel van het algemeen pensioen dat geacht kon worden betrekking te
hebben op tijdvakken welke overeenkwamen met tijdvakken waarover aanspraak
op ambtelijk pensioen was opgebouwd, gerekend werd deel uit te maken van
het ambtelijk pensioen(‘inbouw’). De pensioengerechtigde ambtenaar behield
dus zijn wettelijke aanspraak op AOW, maar het conform de regeling vermeld
onder IIIa. vastgestelde ambtelijk pensioen werd verminderd met het
vastgestelde inbouwbedrag. Aangezien over elk in aanmerking te nemen
dienstjaar twee procent van het AOW-pensioen werd ingebouwd, kon de inbouw
van de AOW in het ambtelijk pensioen tachtig procent van het bedrag van
het AOW-pensioen belopen. Bij de inbouw werd rekening gehouden met de
AOW-uitkering waarop de betrokkene, naar zijn burgerlijke status,
aanspraak had, dat wil zeggen dat bij de gehuwde ambtenaar werd uitgegaan
– tot 1 april 1985 – van het AOW-gehuwden-pensioen (‘pensioen voor een
gehuwde man’), en bij de ongehuwde ambtenaar van het AOW-pensioen voor een
ongehuwde.

Indien de pensioengerechtigde ambtenaar een gehuwde vrouw was, werd,
aangezien zij tot 1 april 1985 geen zelfstandig recht op een AOW-pensioen
had, voor de toepassing van de inbouwregeling het ambtelijk pensioen
geacht te zijn toegekend aan haar echtgenoot.

Met deze fictie werd bereikt, dat er ook in dat geval een samenloop van
algemeen en ambtelijk pensioen was, waarop de inbouwregeling van de ABPW
van toepassing was. In afwijking van de regeling voor de gehuwde
mannelijke ambtenaar werd ten aanzien van de gehuwde vrouwelijke ambtenaar
voor de vaststelling van het inbouwbedrag uitgegaan van het AOW- pensioen
voor een ongehuwde, derhalve van zeventig procent van het bedrag dat ten
aanzien van een mannelijke gehuwde ambtenaar in aanmerking werd genomen.
Deze regeling, welke in het bijzonder onderwerp van het onderhavige geding
vormt, stoelde op de gedachte, dat bij de inbouw geen onderscheid diende
te worden gemaakt tussen de gehuwde en de ongehuwde vrouwelijke ambtenaar.
(Zie hierover nader het aanvullend beroepschrift van het ABP).

De regeling van de inbouw van het algemeen pensioen in het ambtelijk
pensioen is aangepast aan de hierboven vermelde wijziging
(verzelfstandiging) van de AOW ingaande 1 april 1985. In essentie bleef
de regeling echter gelijk, in deze zin dat bij de gehuwde mannelijke
ambtenaar voor de inbouw rekening werd gehouden met het volledige
AOW-pensioen waarop het echtpaar aanspraak had, dat wil zeggen tweemaal
het bedrag van het gehuwdenpensioen, dan wel het gehuwdenpensioen
vermeerderd met de toeslag, in het geval dat daarop aanspraak bestond.

Ook de regeling voor de gehuwde vrouwelijke ambtenaar bleef materieel
gelijk: voor de inbouw van het algemeen pensioen in haar ambtelijk
pensioen werd uitgegaan van het bedrag van het ongehuwdenpensioen-AOW.

Ingaande 1 januari 1986 is de samenloopregeling ABPW-AOW ingrijpend
gewijzigd. In plaats van het inbouwsysteem wordt nu een franchiseregeling
toegepast. Daarbij is geen sprake meer van onderling verschillende
behandeling van de gehuwde mannelijke en de gehuwde vrouwelijke ambtenaar.
Deze regeling is van toepassing op diensttijd als ambtenaar na 31 december
1985 en staat in het onderhavige geding niet ter discussie. Voor het
geding is echter van belang, dat de samenloopregeling zoals deze luidde
vanaf 1 april 1985, nog steeds van toepassing is voorzover de aanspraak
op ambtelijk pensioen berust op tijdvakken (‘diensttijd’) voor 1 januari
1986. Dit betekent, dat elk vastgesteld of nog vast te stellen ambtelijk
pensioen, in zoverre dit berust op diensttijd voor 1 januari 1986, geheel
of ten dele wordt beheerst door de regeling waarin het door B aangevochten
onderscheid is neergelegd.

V. Vraagstelling

De hier toepasselijke nationale wettelijke regelingen betreffende het
algemeen ouderdomspensioen, het ouderdomspensioen voor ambtenaren, en de
samenloop van beide, bezien in het licht van het (eventueel) toepasselijke
gemeenschapsrecht, alsmede hetgeen de rechter in eerste aanleg met
betrekking tot het geschil heeft overwogen en de door partijen in hoger
beroep ontwikkelde stellingen, brengt de Raad er toe de navolgende
prejudiciele vragen met toepassing van artikel 177 van het EEG-verdrag aan
het Hof van Justitie voor te leggen.

1) Dient onder wettelijke regeling inzake ouderdom, als bedoeld in artikel
3, lid 1, onder a, van de richtlijn 79/7/EEG mede te worden verstaan een
wettelijke pensioenregeling voor (in hoofdzaak) ambtenaren als neergelegd
in de ABPW, hierboven onder III omschreven?

2) Zo ja, moet het beginsel van gelijke behandeling neergelegd in artikel
4, lid 1, van voormelde richtlijn, zo worden uitgelegd dat daarmee in
strijd is een onderling verschillende regeling van samenloop van algemeen
pensioen (AOW) en ambtelijk pensioen voor gehuwde mannelijke (gewezen)
ambtenaren enerzijds en gehuwde vrouwelijke (gewezen) ambtenaren
anderzijds?

3) Indien vragen 1) en 2) bevestigend worden beantwoord, kan dan de
gehuwde mannelijke gewezen ambtenaar, bij gebreke van een nationale
regeling welke ongelijkheid van behandeling als hierboven bedoeld teniet
doet, op de bepalingen van richtlijn 79/7/EEG een vordering doen steunen
dat hij wat betreft zijn aanspraak op ambtelijk pensioen op dezelfde wijze
wordt behandeld als een, in overigens gelijke omstandigheden verkerende,
gehuwde vrouwelijke ambtenaar?

4) Brengt de werking van het beginsel van gelijke behandeling, bedoeld in
vraag 3), mee dat de ongelijkheid in pensioenaanspraken tussen gehuwde
mannelijke en gehuwde vrouwelijke ambtenaren, als in dit geding aan de
orde, vanaf 23 december 1984 teniet wordt gedaan, ook voorzover de
pensioenaanspraak berust op tijdvakken (i.e. diensttijd als ambtenaar)
voor die datum?

Is in dit verband nog van belang een element dat in de arresten in de
zaken C 87, 88 en 89/90 (Verholen e.a., d.d. 11 juli 1991), zaak 80/87
(Dik e.a., d.d. 8 maart 1988) en zaak 384/85 (Borrie Clarke, d.d. 24 juni
1987) niet aan de orde is geweest, namelijk dat in het pensioenstelsel van
de ABPW de financiering geschiedt door middel van kapitaaldekking?

Indien uw Hof vraag 1) ontkennend beantwoordt, verzoekt de Raad het Hof,
met terzijdelating van de vragen 2) tot en met 4), de hierna volgende
vragen te beantwoorden.

5) Moet onder het begrip beloning in artikel 119 EEG-verdrag mede worden
verstaan een ouderdomspensioen voor (in hoofdzaak) ambtenaren als waarin
voorzien door de Nederlandse ABPW?

6) Indien vraag 5) bevestigend wordt beantwoord, en er vanuit moet worden
gegaan dat de onderling verschillende regeling voor gehuwde mannelijke en
gehuwde vrouwelijke (gewezen) ambtenaren met betrekking tot de samenloop
van algemeen pensioen (AOW) en ambtelijk pensioen in strijd is met het
beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers,
neergelegd in genoemde verdragsbepaling, kan dan de gehuwde mannelijke
ambtenaar met een beroep op dat beginsel bewerkstelligen dat hij wat
betreft zijn pensioenaanspraak op dezelfde wijze wordt behandeld als een
gehuwde vrouwelijke ambtenaar?

7) Zijn er in het gemeenschapsrecht aanknopingspunten te vinden om, bij
bevestigende beantwoording van de vragen 5) en 6), de gevolgen van de
schending van het gemeenschapsrecht te beperken, zowel ten aanzien van het
tijdstip met ingang waarvan aanspraak op gelijke behandeling kan worden
gemaakt, als ten aanzien van de tijdvakken waarover aanspraak op pensioen
is opgebouwd?

Is bij de beantwoording van deze vraag van betekenis dat in het
onderhavige pensioenstelsel de financiering geschiedt door middel van
kapitaaldekking?

Rechters

Mr. Treffers.

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 7 januari 1993

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Tijdelijk dienstverband van eiseres wordt tijdens proeftijd na 5
maanden beeindigd. De Centrale Raad neemt de stelling van eiseres, dat
ingeval van selectieve werving voorrangsbeleid (zoals in casu) op basis
van maatschappelijke achterstand wegens huidskleur en/of geslacht slechts
in beperkte mate toepassing kan worden gegeven aan criteria als
bekwaamheid en geschiktheid niet over. Wel mogelijk enige nuancering in
de duur van de proeftijd of de mate van begeleiding.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Gedaagde heeft bij besluit van 27 november 1989 aan eiseres eervol ontslag
verleend met ingang van 1 januari 1990.

Het voormalige Ambtenarengerecht te ‘s-Gravenhage heeft bij uitspraak van
8 mei 1991, nr. B-AW 1989/30682, het tegen bovengenoemd besluit ingestelde
beroep ongegrond verklaard. Eiseres is van deze uitspraak in hoger beroep
gekomen. Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad van 17
december 1992, waar voor eiseres is verschenen mr. T.A.M. Visser, advocaat
te ‘s-Gravenhage, terwijl gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door
L.P. de Jonge, werkzaam bij gedaagdes ministerie.

II. Motivering

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger
uiteenzetting van de relevante feiten en omstandigheden, volstaat de Raad
met de navolgende overwegingen. Eiseres is bij besluit van gedaagde van
3 juli 1989 met toepassing van artikel 6, lid 2 aanhef en onder a van het
Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) te rekenen van 1 juli 1989
benoemd tot ambtenaar van de Belastingdienst in tijdelijke dienst voor
onbepaalde tijd. Bij het bestreden besluit is aan eiseres met toepassing
van artikel 95, lid 2, van het ARAR met ingang van 1 januari 1990 eervol
ontslag verleend.

Nu het in het onderhavige geding gaat om het beeindigen van een tijdelijk
dienstverband tijdens de proeftijd, dient volgens vaste jurisprudentie van
de Raad de vraag te worden beantwoord of gedaagde op goede gronden tot het
oordeel kon komen dat eiseres niet heeft beantwoord aan de eisen en/of
verwachtingen welke aan eiseres in redelijkheid worden gesteld.

Evenals de eerste rechter beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend. De
Raad onderschrijft het oordeel van de eerste rechter dat uit de
gedingstukken -waarvan met name de verslagen van met eiseres gehouden
functioneringsgesprekken- op goede gronden geconcludeerd kon worden dat
eiseres niet de geschikte persoon was om de haar opgedragen functie te
vervullen en dat in redelijkheid niet te verwachten was dat eiseres
tijdens de proeftijd deze geschiktheid alsnog zou verwerven. De Raad merkt
hierbij nog op dat eiseres was aangesteld met het oogmerk om na het
voltooien van de proeftijd te functioneren op het niveau van schaal 5,
hetgeen, gezien haar tekortschietingen bij de uitvoering van de haar
opgedragen werkzaamheden van lager niveau, duidelijk te hoog gegrepen was.

Eiseres heeft niet zozeer het oordeel van gedaagde omtrent haar
functioneren bestreden, als wel in eerste aanleg en in hoger beroep met
nadruk de stelling verdedigd dat in geval van selectieve werving (zoals
in casu) op basis van maatschappelijke achterstand wegens huidskleur en/of
geslacht slechts in beperkte mate toepassing kan worden gegeven aan
criteria als bekwaamheid en geschiktheid.

Gedaagde heeft deze stelling bestreden en heeft als zijn mening naar voren
gebracht dat ongeacht geslacht en/of huidskleur het functioneren van een
ambtenaar mag worden getoetst aan de in redelijkheid aan een goede
functieververvulling te stellen eisen, waarbij ook ten aanzien van groepen
van mensen (allochtonen, vrouwen) die vallen onder het door de
rijksoverheid gepropageerde voorrangsbeleid de normale geschikt- en
bekwaamheidscriteria gehanteerd dienen te worden.

De Raad onderschrijft het standpunt van gedaagde. Hoewel de Raad niet wil
uitsluiten dat in geval van selectieve werving c.q. het hanteren van een
voorrangsbeleid onder omstandigheden wellicht de duur van de proeftijd of
de mate van begeleiding enige nuancering zou behoeven, kan een en ander
naar het oordeel van de Raad toch niet zo ver gaan dat alsdan niet meer
voldaan zou behoeven te worden aan bepaalde minimaal te stellen
kwaliteitseisen.

De Raad is het geheel overziende dan ook van oordeel dat gedaagde op goede
gronden tot het oordeel kon komen dat eiseres niet heeft beantwoord aan
eisen en/of verwachtingen, welke in redelijkheid mochten worden gesteld.

Nu het bestreden ontslagbesluit ook overigens niet kan worden aangetast
op een van de gronden genoemd in artikel 58 van de Ambtenarenwet 1929
dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

Beslist moet worden als volgt:

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Rechters

Mrs. J. Janssen, Ch. de Vrey, A.J.Th. Dorenberg

Instantie: Rechtbank Utrecht, 6 januari 1993

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Eiseres vordert ƒ 25.000,= immateriele schadevergoeding na
aanranding/poging tot verkrachting. Vaststaat dat gedaagde eiseres met
gebruik van geweld heeft aangerand. Beroep op matiging van de vordering
wegens draagkracht gedaagde wordt afgewezen, aangezien de vordering is
gebaseerd op art. 1401 BW, waarbij machtiging op grond van draagkracht
niet mogelijk is. Toewijzing ƒ 5.000,= immateriele schadevergoeding.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure

1.1. Eiseres hierna te noemen: Za, heeft bij conclusie van eis,
overeenkomstig de aankondiging in de dagvaarding, gevorderd om bij vonnis,
voor zover de wet zulks toelaat, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde,
hierna te noemen: Z, te veroordelen tot betaling van ƒ 25.000,= ter zake
van schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der
dagvaarding, met veroordeling van Z in de kosten van de procedure.

1.2. Z heeft bij conclusie van antwoord verweer gevoerd.

1.3. Vervolgens heeft Za een conclusie van repliek genomen. Daarbij heeft
zij twee producties in het geding gebracht.

1.4. Z heeft daarna een conclusie van dupliek genomen.

1.5. Ten slotte hebben partijen de stukken aan de rechtbank overgelegd en
vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende
gemotiveerd weersproken alsmede op grond van de in zoverre niet betwiste
inhoud van producties staat tussen partijen het volgende vast:

2.1. Op 3 september 1990 heeft Z in een woning Za aangerand. Hij heeft
hierbij geweld gebruikt, waarbij hij Za een mes op de keel heeft gezet en
haar heeft gedreigd te vermoorden.

2.2. Bij vonnis van 5 maart 1991 is Z door de arrondissementsrechtbank te
Utrecht veroordeeld ter zake van poging tot verkrachting van Za op 3
september 1990. Als motivering bij de bepaling van de straf heeft de
rechtbank (onder andere) overwogen: “- de omstandigheid dat verdachte naar
een woning is gegaan en daar een vrouw die daar toevallig was heeft
geprobeerd te verkrachten; – de mate waarin verdachte geweld heeft
gebruikt, door het slachtoffer een mes op de hals te drukken en haar te
bedreigen dat hij haar zal vermoorden; – dat verdachte door zijn
handelwijze de lichamelijke en geestelijke integriteit van een persoon
heeft aangetast;”

2.3. Tegen dit vonnis heeft Z appel ingesteld bij het gerechtshof te
Amsterdam.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1. Za legt tegen de achtergrond van de vaststaande feiten aan haar
vordering ten grondslag dat Z, door haar aan te randen en door te pogen
haar te verkrachten, een onrechtmatige daad jegens haar heeft gepleegd.
aangezien Z enkel wegens de strafmaat appel heeft ingesteld van het in
2.2. genoemde vonnis, staan de in dat vonnis bewezenverklaarde feiten
volgens Za vast.

3.2. Za heeft dit door dit handelen schade geleden, in de vorm van smart
en gederfde levensvreugde, bestaande uit pijn, verdriet, angst, aantasting
van haar persoonlijkheid en sterk verminderde huwelijkskansen nu zij deel
uitmaakt van de Marokkaanse gemeenschap.

3.3. De hoogte van haar vordering baseert Za op de ernst van het haar
toegebrachte leed alsmede op de jurisprudentie betreffende vergelijkbare
gevallen.

4. Het verweer

4.1. Z betwist de vordering van Za en voert daartoe het volgende aan. Z
erkent dat hij Za met gebruik van geweld heeft aangerand. Hij stelt echter
dat hij daarbij niet het oogmerk had haar te verkrachten en ook niet met
dat oogmerk naar de woning is gegaan.

4.2. Z is van mening dat de vordering tot schadevergoeding moet worden
afgewezen, omdat de maagdelijkheid van Za niet is aangetast en dat
derhalve haar huwelijkskansen niet zijn verminderd. Daar komt volgens Z
bij dat Za en haar familie westers georienteerd zijn en niet leven volgens
de traditionele Marokkaanse regels.

4.3. Vervolgens voert Z aan dat hij door de hoogte van de opgelegde
gevangenisstraf reeds voldoende gestraft is. Voorts moet hij met zijn
gezin van een minimum uitkering rondkomen, terwijl hij grote financiele
problemen heeft gehad, die hij nog steeds niet te boven is.

4.4. Subsidiair beroept Z zich gelet op zijn voormelde financiele positie,
op matiging van de gevorderde schadevergoeding. Toewijzing van de
vordering zou, volgens hem, tot gevolg hebben dat vooral zijn gezin wordt
gestraft.

4.5. De schadevergoeding dient volgens Z voorts gematigd te worden, omdat
deze zaak gelet op de jurisprudentie waarop Za zich beroept in de laagste
letselcategorie valt. Z stelt in dit verband dat de aanranding niet in de
woning van Za heeft plaatsgevonden, slechts korte tijd heeft geduurd en
Za zelf de aandacht van buren en politie heeft getrokken.

5. De beoordeling van het geschil

5.1. Aangezien de feiten met betrekking tot het gestelde onrechtmatige
handelen hebben plaatsgevonden voor 1 januari 1992 dienen
aansprakelijkheid en schadevergoeding te worden beoordeeld naar het
voordien geldende recht.

5.2. Z betwist dat hij het oogmerk had om Za te verkrachten. Het beroep
van Za in dit verband op het in 2.2. genoemde vonnis faalt om de volgende
reden. Aangezien Z tegen voornoemd vonnis appel heeft ingesteld, levert
de bewezenverklaring in dat vonnis geen dwingend bewijs op van het feit
van de poging tot verkrachting, omdat door dat appel aan een van de in de
wet gestelde vereisten -het vonnis moet in kracht van gewijsde zijn
gegaan- niet is voldaan. Nu Z het oogmerk tot verkrachting heeft ontkend
en Za hieromtrent ook geen bewijsaanbod heeft gedaan en voorts de
rechtbank geen termen aanwezig acht om ambtshalve bewijs op te dragen
staat, door de erkenning van Z, tussen partijen uitsluitend vast, dat hij
Za -met gebruik van geweld heeft aangerand. Door deze gedraging heeft Z
onrechtmatig jegens Za gehandeld. Voor de gevolgen van zijn gedrag is hij
aansprakelijk.

5.3. Za stelt door het onrechtmatig handelen van Z immateriele schade te
hebben geleden. In dit verband betwist Z de schade van Za alleen voor
zover het de verminderde huwelijkskansen betreft. Het beroep dat Z in dit
verband doet op de westerse orientatie van Za en haar familie is, mede
gelet op de betwisting van dit verweer bij repliek door Za waarop Z
vervolgens niet meer is ingegaan, onvoldoende met nadere feiten en/of
omstandigheden onderbouwd waaruit op enigerlei wijze zou kunnen worden
afgeleid dat dit verweer enige grond heeft. Het voorgaande leidt ertoe dat
tussen partijen vaststaat dat Za schade heeft geleden, welke Z kan worden
toegerekend.

5.4. De stelling van Z dat Za door gevangenisstraf van Z reeds voldoende
is gestraft wordt verworpen. De door Za geleden immateriele schade is door
Z veroorzaakt en zij kan op grond daarvan recht doen gelden op vergoeding
daarvan, hetgeen niet kan worden verhinderd door de door Z ondervonden
gevolgen van zijn handelen. Voor zover Z in dit verband een beroep doet
op het voor zijn gezin te verwachten leed in verband met zijn financiele
positie, wordt dit verweer eveneens verworpen, aangezien het leed van Za
zich daarmee niet laat vereffenen.

5.5. Thans moet de vraag beantwoord worden, hoe groot de door Z aan Za te
vergoeden immateriele schade is. Hierbij dient gelet te worden op alle
omstandigheden, waaronder de aard van de schade, aard van de
aansprakelijkheid en de omstandigheden waaronder het gebeuren plaatsvond.
Het beroep dat Z in dit verband doet op matiging van de vordering wegens
zijn draagkracht wordt afgewezen, aangezien het een vordering betreft die
blijkens de stellingen van Za gebaseerd is op artikel 1401 (oud) BW, in
het kader waarvan matiging op grond van de draagkracht niet mogelijk is.

5.6. Hoewel Za volstaan heeft met het stellen van de door haar geleden
immateriele schade en deze niet verder heeft toegelicht, heeft Za
voldoende feiten gesteld waaruit in het algemeen het geleden zijn van
schade kan worden afgeleid. Nu Z niet, althans onvoldoende heeft betwist
dat Za schade heeft geleden, acht de rechtbank, gelet op alle
omstandigheden, waaronder het gebeuren plaatsvond, alsmede met
inachtneming van de jurisprudentie op dit gebied, een immateriele
schadevergoeding van ƒ 5.000,= redelijk en billijk.

5.7. Beide partijen zijn deels in het ongelijk gesteld. De rechtbank acht
derhalve termen aanwezig de proceskosten tussen hen te compenseren.

6. De beslissing

De rechtbank:

6.1. veroordeelt Z te betalen aan Za een bedrag van ƒ 5.000,= (vijfduizend
gulden), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20
september 1991 tot aan de dag der voldoening;

6.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3. compenseert de kosten tussen partijen in die zin dat ieder de eigen
kosten draagt;

6.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr van den Ende

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 6 januari 1993

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Eiseres vordert ƒ 20.000,= materiele en immateriele schadevergoeding na
incest. In kort geding was reeds een voorschot van ƒ 5.000,= toegewezen
(vonnis 23 mei 1990). Rekening houdende met gedaagdes financiele situatie
oordeelt de rechtbank een bedrag van ƒ 20.000,= immateriele
schadevergoeding billijk. Ook de materiele schadevergoeding ad ƒ 4.712,50
wordt toegewezen.

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE.

Bij conclusie van eis heeft eiseres gesteld en gevorderd overeenkomstig
de inleidende dagvaarding. Bij conclusie van antwoord met bewijsstukken
heeft gedaagde de vordering bestreden. Bij conclusie van repliek, eveneens
met bewijsstukken, heeft eiseres haar vordering verminderd. Bij conclusie
van dupliek is gedaagde de vordering blijven bestrijden. Daarna hebben
partijen de zaak door hun procureurs doen bepleiten. De procureur van
eiseres deed zulks aan de hand van nadien overgelegde pleitnotities,
waaraan werd gehecht een grosse van een tussen partijen op 23 mei 1990
door de president van deze rechtbank in kort geding gewezen vonnis.
Tenslotte hebben partijen stukken overgelegd ter verkrijging van vonnis.

GRONDEN VAN BESLISSING.

1. als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende)
weersproken alsmede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van
overgelegde bewijsstukken staat in dit geding het volgende vast:

a. eiseres is door gedaagde, haar vader seksueel misbruikt in een periode,
die zich in ieder geval uitstrekte van haar 13de tot aan haar 22ste;

b. dit seksueel misbruik bestond onder meer hieruit dat eiseres gedaagdes
geslachtsdelen moest aanraken en hem moest aftrekken en dat gedaagde
eiseresses blote lichaam betastte;

c. gedaagde heeft eiseres gedwongen tot geheimhouding door haar te dreigen
dat hij haar naar een internaat zou sturen en dat haar ouders zouden
scheiden, indien zij het aan haar moeder zou vertellen;

d. na aangifte door eiseres bij de gemeentepolitie te Amsterdam op 12
november 1987 -eiseres was toen 32 jaar- is de Officier van Justitie een
strafvervolging tegen gedaagde begonnen, waarin deze echter als gevolg van
de wetswijziging, waarbij de meerderjarigheidsgrens werd verlaagd tot
achttien jaar, niet ontvankelijk werd verklaard;

e. na een individuele behandeling in de jaren 1986 en 1987 is eiseres in
laatstgenoemd jaar van 11 mei tot 23 augustus opgenomen geweest in het
instituut voor psycho-sociale hulpverlening “Sonnehaert” te Zeist, welke
instelling haar verwees naar het dagcentrum van het Dercksen Centrum te
Amsterdam;

f. in dit dagcentrum is eiseres part-time opgenomen geweest van 31
augustus 1987 tot 2 november 1988;

g. via nazorgcontact bij het RIAGG Centrum/Oud West is eiseres in december
1989 in het kader van weer individuele hulpverlening in behandeling
gekomen bij de Stichting Tegen Haar Wil te Amsterdam;

h. eiseres, thans 37 jaar oud, volgt deze behandeling nog steeds en zal
deze blijven volgen;

i. bij het hiervoor genoemde vonnis van 23 mei 1990 werd gedaagde
veroordeeld om aan eiseres, bij wijze van voorschot en ter nadere
verrekening met hetgeen hij ten grond verschuldigd zal blijken te zijn,
te betalen een bedrag van ƒ 5.000,= uit hoofde van door haar als gevolg
van gedaagdes gedrag geleden immateriele schade; aan deze veroordeling
heeft gedaagde inmiddels voldaan.

2. Na eisvermindering vordert eiseres de veroordeling van gedaagde om aan
haar -naast het hiervoor onder 1.i. genoemde bedrag- nog ƒ 20.000,= te
betalen met rente en kosten uit hoofde van voor haar uit eiseres
gedragingen voortvloeiende schade. Dit bedrag bestaat in de eerste plaats
uit ƒ 4.712,50 aan materiele schade waartoe zij stelt dat zij heeft moeten
betalen:

– ƒ 1.312,50 aan het hiervoor onder 1.e. genoemde instituut Sonnehaert,
welk gedeelte van de aan dit instituut verschuldigde kosten niet van
rijkswege zijn vergoed;

– ƒ 100,= aan eigen bijdrage rechtshulp, die zij aan haar advocaat heeft
moeten betalen;

– ƒ 300,= aan in verband met deze zaak staande reis-, telefoon- en
portokosten;

– ƒ 3.000,= aan kosten van verhuizing, waartoe zij zich gedwongen zag
omdat zij na het verlaten van de ouderlijke woning daar om de hoek woonde,
vanwaaruit zij zicht had op haar vroegere slaapkamer, terwijl gedaagdes
auto steeds voor haar deur stond.

Dit totaal bedrag van ƒ 4.712,50 ligt als onvoldoende weersproken voor
toewijzing gereed, nu gedaagde zich op dit punt heeft gerefereerd aan het
oordeel van de rechtbank.

4. Het hiervoor onder 2. genoemde bedrag bestaat in de tweede plaats uit
een bedrag van nog ƒ 15.287,50 aan immateriele schade. Gedaagde betwist
de omvang van deze schade. In dit verband verschillen partijen in het
bijzonder van mening over de (verdere) aard van het seksuele misbruik en
de duur ervan. Eiseres stelt dat gedaagde ermee is begonnen, toe zij negen
jaar oud was en ermee is doorgegaan tot haar dertigste jaar, zij het dat
zij vanaf haar 22ste jaar -toen zij de ouderlijke woning verliet- erin
slaagde om gedaagde af te weren, en dat gedaagde haar regelmatig heeft
gedwongen tot geslachtsgemeenschap, al hetgeen gedaagde ontkent.

5. De rechtbank ziet geen aanleiding om op dit punt een van partijen tot
bewijsvoering toe te laten. Reeds het gedrag van gedaagde, als hiervoor
onder 1.a. tot en met c. vastgesteld, rechtvaardigt het na eisvermindering
gematigde en billijk voorkomende -bij pleidooi afgeronde- bedrag van ƒ
20.000,= aan immateriele schade waarop het in kort geding toegewezen
bedrag van ƒ 5.000,= in mindering strekt, ook wanneer rekening wordt
gehouden -zoals eiseres zelf ook reeds- met gedaagdes financiele situatie
als door hem in dit geding uiteengezet. Dit geldt temeer waar eiseres geen
genoegdoening heeft kunnen putten uit een gedaagde veroordelend
strafvonnis.

6. Ook aan gedaagdes ontkenning dat hij eiseres tot de door hem toegegeven
handelingen heeft gedwongen, gaat de rechtbank voorbij. Het belang daarvan
valt in het niet bij de wel vaststaande omstandigheid dat het hier gaat
om een vader, die in plaats van zijn zorg uit te strekken over zijn
opgroeiende dochter zich met misbruik van zijn positie jegens haar heeft
schuldig gemaakt aan haaks op deze zorgplicht staande seksuele gedragingen,
waarvan langdurig leed en verdriet alsmede gederfde levensvreugde de
voorzienbare en gedaagde dan ook geheel toe te rekenen gevolgen waren.

7. Al het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING.

De rechtbank:

-veroordeelt gedaagde om naast hetgeen waartoe hij reeds bij vonnis in
kort geding werd veroordeeld aan eiseres te betalen een bedrag van ƒ
19.712,50 (NEGENTIENDUIZEND ZEVENHONDERDENTWAALF GULDEN EN VIJFTIG CENT)
met de wettelijke rente daarover sedert 24 juni 1991 tot de dag der
voldoening;

-verwijst gedaagde in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan
de zijde van eiseres begroot op en als volgt te voldoen:

-aan eiseres ƒ 150,= als vergoeding voor bij haar gevallen kosten aan
vastrecht en

aan de griffier van deze rechtbank ƒ 2.840,= aan salaris van de procureur;
ƒ 1.030,= aan overig vastrecht; ƒ 127,57 aan exploitkosten;

-verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

mrs. Van Imhoff, Ruitinga, Sorgdrager