Studerende moeders en zwangere studenten

Utrecht, 17 november 2016

Opening Joke Swiebel, voorzitter VVR
In haar welkomstwoord vertelt zij dat, hoewel Vereniging voor Vrouw en Recht een kleine vereniging is, zij zich blijft inzetten voor de rechtspositie van vrouwen, aldus ook voor studerende moeders. Onderwijs is belangrijk voor de ontwikkeling van eenieder en opent mogelijkheden voor de toekomst. In de praktijk blijkt het voor studerende moeders moeilijk om hun opleiding af te ronden. De centrale vraag is hoe hierin zodanig verandering kan worden gebracht dat studerende moeders niet worden benadeeld ten opzichte van overige studenten in vergelijkbare studies. Immers naar de huidige situatie beoordeeld is er naar het oordeel van de VVR sprake van ongerechtvaardigd onderscheid naar geslacht.

Inleiding door Lauren Smits, middagvoorzitter
Smits gaat in op de aanleiding van deze conferentie: in 2015 is er een brief uitgegaan van de VVR aan de minister van OCW om de problematiek van studerende moeders onder de aandacht te brengen. Een reactie bleef uit. Het PILP drong hierna bij de Minister nog eens aan om op deze brief te reageren. Het antwoord wat zij uiteindelijk van haar kregen, was teleurstellend: ‘de verantwoordelijkheid ligt niet bij de centrale overheid maar bij de onderwijsinstellingen’.

Presentatie Leo Klijn, arbeidsrechtadvocaat
De problematiek van studerende moeders vertoont overeenkomsten met die van werkende moeders; de arbeidswetgeving kan daarom als een goed voorbeeld worden genomen voor toepassingen in het onderwijs.
Klijn heeft een vergelijking gemaakt met wat hierover te vinden is in de onderwijswetgeving, met name de Onderwijs- en Examenregeling. In de OER heeft hij maar één bepaling kunnen vinden waar het onderwerp ‘zwangerschap’ naar voren komt, namelijk artikel 7.13 lid 2 sub m, WHW.
Een regeling in de OER die een groot knelpunt vormt voor studerende moeders is de aanwezigheidsplicht, artikel 7.13 lid 2 sub t WHW.
Klijn noemt naar analogie met het arbeidsrecht en aantal voorbeelden waar aanpassing van de WHW en de daaraan gekoppelde besluiten een tegemoetkoming kan geven in de problematiek van de zwangere studenten en studerende moeders.

Presentatie Annemieke de Jong, Stichting Steunpunt Studerende Moeders
De grootste knelpunten voor studerende moeders zijn:

  • Studieroosters. De roosters veranderen per kwartaal en ook worden de roosters vaak laat bekend gemaakt. Dat geeft veel problemen voor studerende moeders om opvang te regelen.
  • Kinderopvangkosten. Moeders moeten een eigen bijdrage betalen voor de kinderopvang. Daarbij scheelt het per gemeente of men in aanmerking komt voor tegemoetkoming eigen bijdrage.
  • Afwezigheid als gevolg van zwangerschap of zorg voor het kind. Deze reden van afwezigheid wordt door onderwijsinstellingen gezien als verzuim.
  • De één oudertoeslag. Dit is een onderdeel van de prestatiebeurs. Dit wordt gezien als een lening en zorgt voor een vaak grote studie schuld.

Volgens DUO combineren 13.500 studenten studie en zorg. Daarvan is er een uitvalspercentage van 50% op het MBO en 75% op het HBO. Maar volgens De Jong zijn er ook nog studenten die niet eens bekend zijn met DUO en ook geen toeslag of studiefinanciering ontvangen. Het uitvalspercentage kan daarom nog hoger zijn.‘Luister, je hebt zelf gekozen voor je moederschap’, is één van de voorbeelden hoe onderwijsinstellingen kunnen reageren en tonen daarmee geen begrip voor de situatie van deze studenten.
Topsporters worden door haar genoemd als een groep waarvoor wel van alles is geregeld om sport en studie mogelijk te maken. Zij verbaast zich erover dat er ten aanzien van zwangerschap en moederschap geen algemene regeling mogelijk blijkt, maar er steeds weer maartwerk wordt geleverd. Een student is daarmee afhankelijk van de instelling, opleiding en docent.

Presentatie onderzoek ‘Student, zwanger en gelijke behandeling’
Janine van Veldhuizen, Sietske Delen en Janneke Alles hebben het onderzoek gedaan onder leiding van wetenschappelijk medewerker Anja Eleveld  (Vrije Universiteit Amsterdam).
12 MBO, 5 HBO en 3 WO instellingen zijn onderzocht.
De vraag was: hoe is het bij die onderwijsinstellingen geregeld ten aanzien van zwangere studenten en studerende moeders ? Zijn er regels en zo ja, worden ze ook toegepast?
Het antwoord hierop is kort: helaas is er niet zoveel geregeld.
De regels waardoor studerende moeders in de problemen komen, zijn de volgende:

  • Verval studiepunten hoger onderwijs. (Vanaf september 2017 worden scholen verplicht dat hier wat voor geregeld is).
  • De aanwezigheidsplicht.
  • Geen zwangerschapsverlof. Maar er bestaat wel een profileringsfonds waar studenten een beroep op kunnen doen.

Conclusie uit dit onderzoek : er wordt onvoldoende ondernomen voor de positie van zwangere studenten en studerende moeders.
Aanbeveling uit dit onderzoek: Centrale overheid kan een rol hierin spelen, onderwijsinstellingen hebben een taak. Als voorbeeld wordt de regeling voor topsporters genoemd.

Opinie-panel: Annemieke de Jong, Anja Eleveld, Leo Klijn, Cora Verkleij, Merel Hendrickx.
Tijdens de paneldiscussie wordt duidelijk dat de aanpak van deze kwestie niet alleen te maken heeft met een wetswijziging maar ook met cultuurverandering. En verandering van cultuur vergt veel tijd.
De denkwijze moet anders worden over vrouwen en de ongelijke behandeling van vrouwen – in dit geval zwangere studenten en studerende moeders – in het onderwijs.

 

Verslaglegging: Jacqueline van Vulpen

 

Brief aan Tweede Kamer over initiatiefwetsvoorstel herziening partneralimentatie, 20 december 2016

Aan de Vaste Kamercommissies voor V&J, OCW en SZW van de Tweede Kamer der Staten Generaal,
Postbus 20018,
2500 EA Den Haag

   Leiden, 20 december 2016

Betreft: Initiatiefwetsvoorstel nr. 34 231, Herziening partneralimentatie.

Geachte voorzitters en leden van de commissies V&J, OCW en SZW,

Het Wetsvoorstel Herziening Partneralimentatie is op dit moment in behandeling in de Tweede Kamer. Binnenkort ontvangt u de reactie van de initiatiefnemers op uw Verslag van 11 oktober 2016, de Nota n.a.v. het Verslag.

De Vereniging voor Vrouw en Recht (VVR) wilt u op dit moment op de hoogte stellen van haar standpunt in grote lijnen Zodra het antwoord van de initiatiefnemers er is, zullen wij u meer in detail informeren over ons standpunt. Aangezien het wetsvoorstel ook gevolgen heeft op het gebied van emancipatie, sociale voorzieningen en werkgelegenheid, zijn deze Kamercommissies eveneens opgenomen bij de adressanten.
De VVR heeft grote bezwaren tegen dit wetsvoorstel.

Zoals de initiatiefnemers vermelden, is de samenleving sinds de invoering van de vigerende wet ruim 20 jaar geleden, inderdaad veranderd. Echter, anders dan zij stellen, is de samenleving nog niet werkelijk geëmancipeerd en is van gelijkwaardigheid van vrouwen en mannen helaas in veel gevallen nog geen sprake. Wat wel vaststaat is sterke toename van differentiatie van samenlevingsvormen:

  • Meer dan de helft van de paren is niet gehuwd, al dan niet met kinderen.
  • Wanneer paren besluiten tot trouwen, dan is het moment van trouwen zeer verschillend. Soms voor het eerste kind, dan weer daarna of pas na drie of vier kinderen.
  • Ook de verdeling van arbeid en zorg tussen de partners loopt zeer uiteen.

De keuze van de initiatiefnemers voor één grondslag en één eenvoudig verdelingssysteem staat haaks op deze diverse werkelijkheid. Hierdoor zal het aantal uitzonderingsgevallen eerder toenemen, dan afnemen. Ook de uitkomst zal meer als onrechtvaardig worden gevoeld. Aangezien vrouwen meestal de alimentatiegerechtigde zijn, zullen vrouwen ongerechtvaardigd nadeel van deze wetswijziging ondervinden.
De huidige samenleving vraagt juist om meer maatwerk, terwijl het wetsontwerp juist minder ruimte voor maatwerk biedt.

Ook de duur van de alimentatie is een reden voor het in dienen van dit wetsvoorstel. Ook al kan de VVR zich vinden in een verkorting van de alimentatieduur, het bepalen van een termijn is en blijft altijd discutabel en arbitrair.

Mede vanwege de hierboven genoemde diversiteit van samenlevingsvormen pleit de VVR voor het stellen van een maximum termijn. De rechter zou de ruimte moeten hebben – en ook gebruiken – om een juiste alimentatieduur vast te stellen afhankelijk van de omstandigheden en afspraken. Zo kan de rechter in een individueel geval rekening houden met de opleiding, de verdeling van zorgtaken en de arbeidsmarktperspectieven van de alimentatiegerechtigde.

Hierbij wil de VVR nog wijzen op het feit dat ‘slechts’ in een zesde van het aantal echtscheidingen sprake is van een partneralimentatie. Dit zijn nog geen 6.000 alimentatie uitspraken per jaar.

Omdat de concrete gevolgen van dit wetsvoorstel met name onrechtvaardig zullen uitvallen voor vrouwen, verzoekt de VVR u om aanpassing van het wetsvoorstel te overwegen.

Na ontvangst van het standpunt van de initiatiefnemers op de vele vragen van de Kamercommissie V&J, komt de VVR met een meer gedetailleerd standpunt.

Met vriendelijke groet,

namens de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann,

Joke Swiebel,
Voorzitter

brief vvr aan tk over initiatiefwetsvoorstel partneralimentatie in PDF

Eleveld, Anja, et al; Student, zwanger en gelijke behandeling

VVR-lid Anja Eleveld, hoofddocent arbeidsrecht bij de Vrije Universiteit (VU), deed samen met studenten Janneke Allers, Sietske Delen en Janine van Veldhuizen onderzoek naar de juridische aspecten van de problemen van zwangere studenten en studerende moeders. De resultaten zijn gepresenteerd op het VVR-congres november 2016. Hier vindt u een link naar de onderzoekspagina van de VU.

Brief aan Eerste Kamer over wetsvoorstel regulering prostitutie, 8 oktober 2016

Aan de voorzitter en leden van de Commissie voor Veiligheid en Justitie van de Eerste Kamer
Postbus 20018
2500 EA ‘s-Gravenhage

Datum: 8 oktober 2016

Betreft: Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden in de seksbranche (32 211/33 885)

Geachte leden van de Eerste Kamer,

Binnenkort behandelt u het Wetsontwerp regulering prostitutie en bestrijding misstanden. Doelstelling van de wet en de novelle is het stellen van een uniform kader voor de exploitatie van prostitutie (harmonisering van het vergunningenstelsel), de verbetering van de positie van sekswerkers en de bestrijding van misstanden. Wij zijn er van overtuigd dat deze doelstellingen nauw met elkaar samenhangen en hechten aan alle drie doelstellingen even grote waarde.
Hieronder gaan wij in op een aantal vragen en zorgen die wij hebben met betrekking tot de positie van zelfstandigen, de leeftijdsverhoging, en de implementatie van de Wrp. Daarbij betrekken wij ook de vragen die in het Ronde Tafelgesprek van 13 september jl aan de orde kwamen.
Afsluitend willen wij nog een opmerking maken over de in sommige steden gehanteerde eis dat slachtoffers moeten stoppen met sekswerk om aangifte van mensenhandel te kunnen doen.

Positie zelfstandigen
Essentieel uitgangspunt is o.i. dat harmonisering van het vergunningenstelsel zich richt op de regulering van seksbedrijven, niet van individuele sekswerkers.  Naar onze mening dienen sekswerkers, net als andere werkende burgers, de keuze te hebben hoe zij willen werken en of zij voor zichzelf, resp. bij of voor een derde willen werken. Terwijl een grote groep sekswerkers er de voorkeur aan geeft om bij of voor een exploitant te werken, is er ook een groeiende groep die dat om diverse redenen niet wil. Bijvoorbeeld omdat zij hechten aan hun zelfstandigheid en privacy of omdat zij niet de helft of meer van hun inkomen aan een derde willen afstaan.[1]
Het mag o.i. niet zo zijn dat (harmonisering van) het vergunningenstelsel sekswerkers dwingt om tegen hun wil voor een derde te werken. Dat zou een wel heel bizarre uitkomst van de opheffing van het bordeelverbod zijn. Sekswerkers die zelfstandig, zonder bemiddeling of bemoeienis van een derde partij, willen werken, dienen dit legaal en veilig te kunnen doen. Veilig in de zin dat zij naar de politie kunnen gaan in geval van dwang, geweld, chantage of intimidatie door klanten of derden, zonder angst hun werk, woning of privacy te verliezen of zelf vervolgd of beboet te worden.

Positieve verduidelijking van de positie van zelfstandig werkende sekswerkers
Wij zijn dan ook bijzonder blij met de verduidelijking die de minister tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer heeft gegeven, te weten:

  • Het vergunningenstelstel richt zich uitsluitend op (exploitanten van) seksbedrijven, d.w.z. het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij dat gelegenheid geven altijd betrekking heeft op een derde, in casu de exploitant.[2]
  • Zzp’ers, d.w.z. zelfstandig in of vanuit huis werkende sekswerkers (inclusief zelfstandige escorts), vallen niet onder de definitie van seksbedrijf en derhalve buiten de vergunningplicht.
  • Aan hen kunnen géén andere eisen worden gesteld dan aan andere zzp’ers, zoals de thuiskapper of zelfstandige pedicure.
  • Gemeenten kunnen thuis of vanuit huis werkende zzp’ers (inclusief zelfstandige escorts) niet verbieden.
  • Zzp’ers vallen buiten het nul-beleid.

Daarmee komt een einde aan de jarenlange onduidelijkheid en verschillen tussen gemeenten met betrekking tot het al dan niet vergunningplichtig zijn, resp. het kunnen verbieden van zelfstandige arbeid in de prostitutie.
Het is tevens van belang voor de ontwikkeling van een gezonde sector, waarin de huidige monopolie positie van exploitanten wordt doorbroken en sekswerkers niet exclusief afhankelijk zijn van exploitanten. Wanneer sekswerkers een keuze hebben om al dan niet bij of voor een exploitant te werken, zal dat naar onze verwachting ook leiden tot de broodnodige innovatie van de sector en een gedifferentiëerder aanbod van diensten door exploitanten, dat meer is afgestemd op de wensen en behoeften van sekswerkers. Het voorkomt bovendien dat juist de groep die hecht aan hun autonomie verdreven wordt naar het illegale circuit.
Daarbij komt dat mede als gevolg van het door gemeenten gehanteerde maximumvergunningstelsel het aantal vergunde bedrijven sinds 2000 drastisch is afgenomen. Dit geldt met name voor de raamprostitutie: waren er in 1999 nog 2096 geregistreerde ramen, in 2009 was dit aantal gedaald naar 1466 en in 2016 naar 1272.[3] Zelfs al zouden alle sekswerkers voor een vergunde exploitant willen werken, dan zou dat waarschijnlijk niet lukken.

Thuiswerk en de bestrijding van mensenhandel en andere misstanden
Wij begrijpen dat er zorgen zijn dat thuiswerk de deur openzet naar mensenhandel of misbruik van  minderjarigen. Dit kwam ook in het Ronde Tafelgesprek naar voren.
Die zorgen worden echter niet door onderzoek ondersteund. Hoewel politiecontroles in de onvergunde sector zich tot nu toe vooral op thuiswerkers en zelfstandige escorts richtten,[4] blijkt uit de nulmeting dat hierbij niet of nauwelijks slachtoffers van mensenhandel of minderjarigen worden aangetroffen.[5]
Door de politie en de gemeente Amsterdam werd de zorg uitgesproken dat door de uitleg van de minister de politie haar bestuurlijke mogelijkheden tot toezicht en handhaving in de thuisprostitutie verliest, omdat zij dan niet meer het criterium ‘bedrijfsmatig’ kan gebruiken als grond om woningen van sekswerkers zonder hun toestemming binnen te treden.[6]
Wij begrijpen de aantrekkelijkheid van het criterium ‘bedrijfsmatig’, met name vanwege de onduidelijkheid van het begrip. Iedere gemeente vult dit op zijn eigen manier in. De keerzijde daarvan is echter willekeur en in ernstige gevallen intimidatie en machtsmisbruik. De vraag is of je dat moet willen. Wij denken van niet, zowel om praktische redenen als principiële in de sfeer van legaliteit.

Het probleem met het begrip ‘bedrijfsmatig’ als criterium voor binnentreden resp. het al dan niet toestaan van thuiswerk werd ook tijdens het Ronde Tafelgesprek duidelijk. Van de kant van de politie werd nadrukkelijk gesteld dat de zelfstandig vanuit thuis werkende sekswerkers niet de doelgroep van controles is, maar dat deze gericht zijn op het signaleren van mensenhandel. Daarbij, werd gezegd, kan het voorkomen dat de politie toch bij een vanuit de eigen woning zelfstandig werkende sekswerker terecht komt, maar die wordt dan “alleen maar even het contact en eventuele hulp” aangeboden.
Daartegenover staat de ervaring van sekswerkers, zoals ook bevestigd door de recente meldingen bij vakbond Proud van thuiswerkers die hoge boetes kregen opgelegd en in een geval zelfs een verbod om 6 maanden haar eigen woning te betreden.[7]  Het is ook niet het beeld dat naar voren komt uit de recente nulmeting: van de 109 sancties die sinds 2010 in de onvergunde sector werden opgelegd betrof de meerderheid maatregelen (meestal boetes) tegen thuiswerkers, inclusief zelfstandige escorts.[8]

Negatief effect is dat zelfstandige thuiswerkers en escorts vooral proberen zich aan het zicht te onttrekken en zich niet (meer) tot de politie wenden in geval van agressieve klanten, intimidatie, dwang of geweld. Het verhoogt ook de drempel om naar de politie te stappen wanneer zij bij collega’s signalen van dwang of uitbuiting zien. Elk contact met de politie riskeert immers het verlies van inkomen of zelfs van de eigen woning.
Een ‘gemakkelijk’ criterium om woningen van sekswerkers binnen te stappen, lijkt dus op korte termijn winst, maar leidt op langere termijn tot verlies. Een lage drempel en vertrouwen van  sekswerkers in de politie zijn kostbaar kapitaal in het tegengaan van misstanden. Daar moet je uiterst zorgvuldig mee omgaan. Zoals het spreekwoord luidt: vertrouwen komt te voet en vertrekt te paard.

‘Betrokkenheid of bemoeienis van een derde’ in plaats van ‘bedrijfsmatig’
Wij delen de conclusie niet dat zonder het criterium ‘bedrijfsmatig’ de politie bestuurlijk niets meer in handen zou hebben. Met de uitleg van de minister wordt het ongedefinieerde criterium ‘bedrijfsmatig’ vervangen wordt door een o.i. helder criterium, in casu betrokkenheid of bemoeienis van een derde.
Zodra er sprake is van bemiddeling, bemoeienis of een vorm van gezag van een derde (d.w.z. een vorm van ‘exploitatie’) is er sprake van een seksbedrijf en daarmee van een vergunningplicht en dus een bestuurlijke ingang voor binnentreden. Daarmee biedt de wet, zoals  opgemerkt door mw. Dettmeijer, de landelijke uniformiteit en duidelijkheid, waar grote behoefte aan is. Voordeel hiervan is ook dat de thuiswerker die zelfstandig, zonder bemiddeling of bemoeienis van een derde werkt, geen reden meer heeft om de politie te vrezen, ook niet bij evt. controles. Beide lijken ons belangrijke winst.

Tegelijk kunnen wij ons voorstellen dat er behoefte bestaat aan een nadere toelichting van de minister over de invulling van het criterium ‘bemiddeling of bemoeienis van een derde’.
Overigens blijft natuurlijk ook een vermoeden van minderjarigheid bestaan als criterium voor binnentreden. Bij inwerkingtreding van de Wrp wordt dit opgerekt van 18 naar 21 jaar.  Op dit laatste punt komen wij nog apart terug.

Kunstmatige scheiding vrijwillige sekswerkers en slachtoffers mensenhandel
Tenslotte willen wij nog iets zeggen over de scheiding die gemaakt wordt tussen vrijwillige sekswerkers en slachtoffers mensenhandel, alsof zij twee groepen zijn die elkaar uitsluiten en wiens belangen tegenstrijdig zouden zijn. Zoals getrouwde vrouwen en slachtoffers van huiselijk geweld geen groepen zijn die elkaar uitsluiten of wier belangen haaks op elkaar staan, geldt dat ook voor sekswerkers. Ook vrijwillig werkende sekswerkers kunnen slachtoffer van mensenhandel of andere vormen van dwang of geweld worden. En ook, of juist, slachtoffers hebben behoefte aan rechten.
Zoals het al sinds jaar en dag is aanvaard dat verbetering van de economische, juridische en sociale positie van vrouwen een belangrijke voorwaarde is voor de bestrijding van huiselijk geweld, geldt dat ook voor de bestrijding van misstanden in de prostitutie. Rechten bieden bescherming. Stigma, discriminatie en rechteloosheid daarentegen werken altijd in het voordeel van handelaren en andere kwaadwillenden. Juist het stigma op prostitutie en het idee dat sekswerkers geen rechten hebben en straffeloos misbruikt kunnen worden, hetgeen in veel landen ook daadwerkelijk het geval is, zorgt ervoor dat slachtoffers geen geloof in de politie hebben en houdt hen tegen hulp te zoeken. Daarbij maakt het niet uit of iemand vrijwillig voor werk in de prostitutie koos of daarin werd gedwongen: “eens een hoer, altijd een hoer”, zoals een handelaar tegen zijn slachtoffer zei, “wie denk je dat jou zal geloven?”.

Vragen inzake de positie van sekswerkers
Wij hebben nog een aantal vragen, die wij delen met SeksWerkExpertise, Platform positie-verbetering sekswerkers, en PROUD. Deze betreffen met name:

  • verduidelijking van de definitie van exploitant
  • bevestiging van de mogelijkheid voor zzp’ers om samen te werken
  • toezegging dat stappen worden ondernomen tot aanpassing van de Model-APV op het punt van zzp’ers en de (illegale) registratie van sekswerkers op lokaal niveau.

Verduidelijking definitie exploitant
Graag zagen wij dat de minister het begrip exploitant verheldert. Wil er sprake zijn van een  exploitant dan gaat het ons inziens niet alleen om het ‘gelegenheid geven’ tot prostitutie, maar ook om het bedrijfsmatige karakter daarvan en het oogmerk om uit de opbrengsten daarvan voordeel te trekken. Dat wil zeggen dat een gewone huisbaas geen exploitant is, zoals ook de KPN geen exploitant is omdat zij het netwerk levert en de telefoon.
Onduidelijkheid hierover kan ertoe leiden dat het voor sekswerkers nog moeilijker wordt om woonruimte te huren of dat zij uit hun bestaande woonruimte worden gezet vanwege de angst van verhuurders of woningcorporaties dat betrokkene wellicht (ook) thuis gaat werken en de verhuurder dan als exploitant kan worden aangemerkt. Bovendien maakt een te ruime definitie van exploitant het sekswerkers onmogelijk om elders werkruimte te huren, zoals andere zzp’ers wel kunnen.

Mogelijkheid tot samenwerken en het huren van (gezamenlijke) werkruimte elders
Veel sekswerkers willen voor hun veiligheid of vanwege financiële of andere redenen graag samenwerken met 1 of 2 collega zzp-ers. Graag zagen wij meer duidelijkheid op dit punt. Het gaat dan om de mogelijkheid voor zelfstandige sekswerkers om op gelijkwaardige voet samen met 1 of 2 collega-zzp’ers in of vanuit huis of een andere ruimte te werken, zonder dat de een als ‘exploitant’ van de ander wordt aangemerkt.[9] Voorwaarden daarbij kunnen zijn dat geen overlast wordt veroorzaakt, de woning/de werkruimte geen van buiten zichtbare kenmerken heeft of passanten aantrekt en niet met het adres wordt geadverteerd.
Uitgangspunt dient ons inziens te zijn dat sekswerker-zzp’ers op dezelfde manier behandeld worden als andere zzp’ers en net als andere zzp’ers kunnen kiezen of zij thuis of vanuit huis willen werken of elders werkruimte willen huren, en of zij dat alleen willen doen of samen met een paar andere zzp’ers.

Implementatie Wrp: zzp’ers en illegale registratie op lokaal niveau
Momenteel verbieden veel gemeenten thuiswerk op straffe van boetes of (dreiging met) woninguitzetting, ook indien de verhuurder/woningcorporatie geen bezwaar heeft en er geen sprake is van overlast. Andere gemeenten staan thuiswerk toe mits er niet (uitgebreid) geadverteerd wordt, of eisen een vergunning die op grond van het maximumbeleid niet wordt gegeven. De huidige Model-APV van de VNG gaat er zelfs vanuit dat zzp’ers onder de definitie van  ‘seksbedrijf’ vallen (zij zouden dan “zichzelf exploiteren”) en derhalve aan dezelfde eisen als exploitanten moeten voldoen, incl. een vergunningplicht.
Daarnaast hebben verschillende gemeenten, zoals bijv. Groningen en Utrecht, op lokaal niveau alsnog een registratieplicht ingevoerd, ondanks de afwijzing hiervan door uw kamer en het ontbreken van een wettelijke grondslag. Tijdens de behandeling van de Wrp in de Tweede Kamer heeft de minister nadrukkelijk herhaald dat verplichte registratie illegaal is, ook op lokaal niveau.
Graag hoorden wij of de minister bereid is met de VNG in overleg te gaan over de noodzakelijke aanpassingen van de Model-APV en welke stappen de minister wil zetten om illegale registratie op lokaal niveau tegen te gaan.

Leeftijdsverhoging
Wij zijn zeer bezorgd over de gevolgen van de uitsluiting van jonge volwassen sekswerkers, d.w.z. 18 tot 21 jarigen van legale arbeid in de seksindustrie. Wij verwachten niet dat deze groep binnen een jaar van werk zal zijn veranderd resp. ander werk gevonden zal hebben. Ook verwachten wij dat een substantieel deel buiten het vergunde en zichtbare circuit zal doorwerken, waarmee juist een groep die als kwetsbaar wordt aangemerkt, bescherming zal ontberen.
Om deze redenen zouden wij groot voorstander zijn van een langere overgangstermijn en een kortere evaluatietermijn, zodat in geval van negatieve effecten eerder ingegrepen kan worden.

Eis stoppen met sekswerk bij het doen van aangifte van mensenhandel
Uit verschillende steden horen wij dat de laatste tijd aan slachtoffers mensenhandel de eis wordt gesteld dat zij moeten stoppen met sekswerk indien zij aangifte van mensenhandel/uitbuiting willen doen. Groningen heeft zelfs een verbod in zijn APV opgenomen om te werken als sekswerker indien betrokkene in het afgelopen half jaar aangifte van mensenhandel heeft gedaan. Het gaat hier dus niet om de situatie dat iemand terug gaat naar de uitbuitingssituatie, maar dat iemand wel in de prostitutie wil werken, maar niet onder gedwongen omstandigheden.
In de praktijk betekent deze eis dat sekswerkers alleen aangifte van mensenhandel/uitbuiting kunnen doen wanneer zij bereid zijn hun werk, hun inkomen en hun woonruimte (de huur moet immers betaald worden) op te geven. Dit lijkt ons een nogal vreemde voorwaarde voor het doen van aangifte van een misdrijf. Het betekent tevens dat sekswerkers die hun werk niet willen opgeven, geen aangifte kunnen of zullen willen doen. Wij hebben overigens nog nooit gehoord dat iemand die in de bouw of als domestic worker is uitgebuit, niet meer mag werken als bouwvakker of domestic worker wanneer hij of zij aangifte van mensenhandel wil doen.
Ten overvloede: voor het delict mensenhandel is het strafrechtelijk niet van belang of iemand eerder in de prostitutie (of de bouw, de horeca, het huishouden, etc.) werkte of dat onder vrije omstandigheden wil blijven doen.

Conclusies

1. De VVR is positief over de verduidelijking die de minister in de Tweede Kamer heeft gegeven dat een zelfstandig werkende sekswerker niet als seksbedrijf wordt aangemerkt en niet vergunningplichtig is.

2. De VVR zou nog helderheid willen krijgen over de volgende aspecten

  • Verheldering van het criterium ‘betrokkenheid of bemoeienis van een derde’ als ingang voor bestuurlijke controle
  • Verduidelijking van de definitie van exploitant (gelegenheid geven met het oogmerk daar voordeel uit te trekken)
  • Bevestiging van de mogelijkheid voor zzp’ers om samen te werken
  • Toezegging dat stappen worden ondernomen door de minister tot aanpassing van de Model-APV op het punt van zzp’ers (geen seksbedrijf) en het tegengaan van (illegale) registratie van sekswerkers op lokaal niveau.

3. De VVR pleit tenslotte voor

  • Een langere overgangstermijn en een kortere evaluatietermijn m.b.t. de leeftijdsverhoging
  • Duidelijkheid over het feit dat stoppen met sekswerk niet als voorwaarde kan worden gesteld voor het doen van aangifte van mensenhandel

Met vriendelijke groet,
Joke Swiebel
Voorzitter Vereniging Vrouw en Recht Clara Wichmann

Noten:
[1] In de besloten prostitutie is een percentageregeling van 50% nog steeds gebruikelijk (naast inhouding van loonbelasting en BTW via de opting-in regeling). Raamhuren in bijv. Amsterdam kunnen oplopen tot meer dan € 180 per (avond) shift.
[2] Het is de exploitant die het mogelijk maakt dat een sekswerker in zijn of haar seksinrichting seksuele handelingen verricht met een klant, of (ingeval van een escortbedrijf) door zijn bemiddeling elders seksuele handelingen verricht met een klant.
[3] Wagenaar H., S. Altink and H. Amesberger (2013 ). Final Report of the International Comparative Study of Prostitution Policy: Austria and the Netherlands. Den Haag: Platform 31. http://kks.verdus.nl/upload/documents/P31_prostitution_policy_report.pdf; Felicia Anna 2016 Felicia Anna (2016). Behind the Red Light District, blog, Amsterdam putting another 135 prostitutes out of a job, 15 January 2016; http://behindtheredlightdistrict.blogspot.nl/search?updated-min=2016-01-01T00:00:00-08:00&updated-max=2016-03-01T03:32:00-08:00&max-results=4&start=2&by-date=false
[4] Daalder (2015), Prostitutie in Nederland anno 2014, WODC, p. 27-28.
[5] Daalder (2015), p. 27-28; Van Wijk et al. (2014), Prostitutie in Nederlandse gemeenten, Beke reeks/WODC, p. 73-99.
[6] Thuiswerk is in Amsterdam bijvoorbeeld niet vergunningplichtig als die niet bedrijfsmatig is. Wat ‘bedrijfsmatig’ is, is echter niet duidelijk.
[7] Het betrof hier een sekswerkster die al jaren met medeweten van de gemeente thuis werkte, zonder overlast te veroorzaken en zonder bezwaar van de woningcooperatie. De juridische procedure loopt nog.
[8]Daalder (2015), Prostitutie in Nederland anno 2014, WODC, p. 27-28.
[9] Dit is ook het systeem zoals in Nieuw Zeeland toegepast: zolang 2 of 3 sekswerkers op gelijkwaardige voet met elkaar samenwerken, zonder dat de een gezag over de ander uitoefent, is dit zonder nadere regulering toegestaan.

Brief aan Eerste Kamer over het initiatief-wetsvoorstel strafbaarstelling klant bij vermoeden mensenhandel, 3 oktober 2016

Dinsdag 11 oktober 2016 behandelde de commissie voor veiligheid en justitie van de Eerste Kamer twee wetsvoorstellen over prostitutie en mensenhandel. Over beide stuurde de VVR een brief:

Het initiatief – wetsvoorstel Segers c.s. introduceert strafbaarstelling van de klant als die ‘redelijkerwijs moet vermoeden’ dat de prostitué(e) slachtoffer is van mensenhandel. De VVR vindt dit wetsvoorstel niet handhaafbaar en uitvoerbaar; het is symboolwetgeving met weinig toegevoegde waarde en wel risico op averechtse effecten. U vindt hier de tekst in PDF: VVR brief EK initiatiefwet strafbaarstelling klanten slachtoffers mensenhandel .

Het andere is het voorstel en de novelle voor de Wet Regulering Prostitutie. De VVR is blij dat de positie van zelfstandig werkende sekswerkers in dit voorstel verbeterd is, maar wil nog verduidelijking op een aantal punten, zoals de mogelijkheid voor ZZP’ers om samen te werken. Ook dient de Minister op te treden indien gemeenten van de wet afwijken en bijv. toch sekswerkers willen gaan registreren. U vindt hier de tekst in PDF: VVR EK brief reactie wetsontwerp regulering prostitutie 9 oktober 2016

Rechtbank Midden Nederland: UWV schendt VN-Vrouwenverdrag

Rechtbank Midden-Nederland heeft op 23 september 2016 geoordeeld dat de wetgever het VN-Vrouwenverdrag heeft geschonden door de zwangerschapsuitkering voor zelfstandig werkende vrouwen in 2004 af te schaffen en in 2008 opnieuw in te voeren zonder een voorziening te treffen voor wie in die tussentijd bevallen is. De rechtbank vindt dat het UWV betrokkene moet compenseren voor het gemis aan de zwangerschapsuitkering. Betrokkene, lid van FNV Zelfstandigen, was een van de zes klaagsters, die zich tot het CEDAW-Comité gewend had nadat een jarenlange procedure in Nederland bij de Hoge Raad niets had opgeleverd. In de individuele klachtzaak gaf het CEDAW-Comité klaagsters klip en klaar gelijk. Rechtbank Midden Nederland nu ook. De VVR was, net als het Proefprocessenfonds Clara Wichmann, van meet af aan betrokken bij dit proefproces.
Op 18 juli 2016 oordeelde Rechtbank Amsterdam met betrekking tot twee andere klaagsters negatief. Deze uitspraak is na die van Rechtbank Midden Nederland alsnog gepubliceerd.

Brief aan minister Schippers over voornemen wijziging abortuswet, 15 augustus 2016

Samen met het Proefprocessenfonds Clara Wichmann, de Nederlandse Vrouwenraad, Rutgers Kenniscentrum Seksualiteit en Women on Waves zond de VVR een brief aan minister Schippers om erop aan te dringen af te zien van het voornemen tot wijziging van de abortuswet. De minister had vlak voor het zomerreces aan de Tweede Kamer laten weten de overtijdbehandeling onder de abortuswet te willen brengen en huisartsen de mogelijkheid te bieden een vergunning aan te vragen om medicamenteuze abortus uit te voeren.
Uit de conclusie van de brief: “Het valt niet in te zien waarom het standpunt over medicamenteuze overtijdbehandeling in 2016 strikter moet zijn dan dertig jaar geleden. Juridisch is voor dat standpunt geen grondslag, zoals uit het voorafgaande blijkt. Medisch en maatschappelijk ook niet, nu door vrouwen en beroepsorganisaties wordt aangedrongen op laagdrempelige toegang tot medicamenteuze overtijdbehandeling via de huisarts. Ook vanuit kwaliteitsoverwegingen is de voorgestelde wetswijziging niet nodig.”

Brief VVR, PPF en anderen met reactie voorstel wijziging abortuswet overtijdbehandeling

 

Brief aan Tweede Kamer over het wetsvoorstel regulering prostitutie, 26 mei 2016

Volgende week (31 mei -2 juni 2016) behandelt de Tweede Kamer het  – al heel lang slepende – wetsvoorstel regulering prostitutie. In een brief aan de Kamer vraagt de VVR, samen met SWEXPERTISE 21, Platform Positieverbetering Sekswerkers, aandacht voor de positie van zelfstandige sekswerkers (zzp-ers).  Door aan hen dezelfde voorwaarden te stellen als aan ‘exploitanten’ maakt het wetsvoorstel de zelfstandige sekswerkers in feite het werken onmogelijk. Zij worden gedwongen te kiezen tussen toch voor een exploitant gaan werken of de illegaliteit. Voor de VVR dient keuzevrijheid en autonomie van sekswerkers voorop te staan, net als voor andere werkende burgers.

Hieronder de tekst van de brief en hier alvast in PDF.

Aan de voorzitter en leden van de
Commissie voor Veiligheid en Justitie van de Tweede Kamer
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

Datum: 26 mei 2016

Betreft: Wetsvoorstel Regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (32 211/ 33 885)

Geachte leden van de Tweede Kamer,

Binnenkort behandelt u het wetsvoorstel Regulering prostitutie en bestrijding misstanden in de seksbranche (Novelle). Onder verwijzing naar de eerdere brief van de Vereniging Vrouw en Recht Clara Wichmann, mede namens SWexpertise21, Platform verbetering positie sekswerkers, TAMPEP, European Network for HIV/STI Prevention and Health Promotion among Migrant Sex Workers, SoaAids, Rutgers, Kenniscentrum seksualiteit en SHOP, hulp en opvang mensenhandel, dd 5 oktober 2015[1] en de brief van PROUD, Dutch Union for Sex Workers, van 5 april jl,[2] willen wij nogmaals uw aandacht vragen voor de positie van de zelfstandig, d.w.z. zonder tussenkomst of bemiddeling van een derde partij, werkende sekswerkers.

De doelstelling van de wet en de Novelle is het stellen van een landelijk uniform kader voor de exploitatie van prostitutie (harmonisering van het vergunningenstelsel), de verbetering van de positie van sekswerkers en het bestrijden van misstanden. Terwijl de harmonisering van het vergunningenstelsel zich in oorsprong richtte op exploitanten, lijken nu exploitanten en onafhankelijk werkende sekswerkers (zzp’ers) op een lijn te worden gesteld. Sekswerkers zouden ‘zichzelf exploiteren’. Wij vinden deze gelijkstelling om meerdere redenen onwenselijk, zoals hieronder toegelicht.

Aanpassing definitie in artikel 1
Wij dringen er daarom met klem bij u op aan om in de definitie van seksbedrijf een uitzondering te maken voor zzp’ers die alleen of samen met ten hoogste 1 of 2 collega zzp’ers werken. Dit kan door aanvulling van artikel 1 van de Wrp (definitie seksbedrijf) met het volgende artikel:

Artikel 1 is niet van toepassing op de sekswerker die zelfstandig, zonder tussenkomst, bemiddeling of bemoeienis van een derde partij, alleen of samen met ten hoogste twee andere collega’s werkt in of vanuit huis of een andere ruimte, onder voorwaarde dat geen overlast wordt veroorzaakt, de woning geen van buitenaf zichtbare kenmerken heeft of passanten aantrekt en niet met het adres wordt geadverteerd.

Toelichting
In de novelle – en de op de Wrp gebaseerde model APV van de VNG – wordt geen verschil (meer) gemaakt tussen enerzijds raambordelen, seksclubs, privéhuizen en escortbedrijven en anderzijds kleine zelfstandigen. Zodra een zzp’er ‘bedrijfsmatig’ werkt moet zij of hij aan dezelfde eisen en regels als exploitanten voldoen, zoals bijvoorbeeld de eis van een vergunning die aan de buitenkant van de woning zichtbaar moet zijn. Bovendien zijn een aantal regels praktisch niet uitvoerbaar voor een alleenwerkende. Zo zal een alleenwerkende escort niet kunnen (en willen) voldoen aan de eis dat tijdens werktijden altijd een beheerder in haar/zijn woning aanwezig moet zijn.

Tegelijkertijd is niet duidelijk wat ‘bedrijfsmatig’ is. De MvT en de model APV noemen verschillende criteria. Enerzijds wordt gesteld dat als een sekswerker alleen werkt in of vanuit het eigen huis zij of hij niet vergunningplichtig zou zijn; aan de andere kant worden als criteria voor ‘bedrijfsmatig’ (en dus vergunningplichtig) het doel ‘om een inkomen te verwerven’ en ‘adverteren’ genoemd. Dat zijn al snel alle sekswerkers. Over het algemeen werken zzp-sekswerkers immers, net als andere zzp’ers, voor hun brood en zullen zij, net als andere zzp’ers, klanten moeten werven, dus adverteren.

Daarbij komt dat vrijwel alle gemeenten een maximumbeleid voeren (en in de toekomst zelfs een 0-beleid kunnen voeren), zodat ook wanneer een zzp’er een vergunning aanvraagt deze zelden of nooit verleend zal worden. Verschillende gemeenten verbieden sekswerkers nu al – formeel of de facto – om zelfstandig, dus zonder exploitant te werken. In de Wrp wordt deze groep – zzp’ers die geen vergunning willen of kunnen krijgen – zelfs strafbaar o.g.v. de Wet Economische Delicten (WED) en, afhankelijk van de regelgeving in de betreffende gemeente, krachtens de APV.

In de praktijk zal het daardoor voor sekswerkers zo goed als onmogelijk worden om zonder exploitant te werken. Dat verstevigt vooral de bestaande monopolie positie van exploitanten en is rechtstreeks in strijd met het doel om de rechtspositie van sekswerkers te verbeteren en de onafhankelijkheid en zelfstandigheid van sekswerkers te bevorderen.

Terwijl een grote groep sekswerkers er de voorkeur aan geeft voor een exploitant te werken, is er ook een groeiende groep die dat niet (meer) wil. Zij vinden hun autonomie en privacy belangrijk en willen niet de helft of meer van hun inkomen aan een exploitant afstaan. Wanneer de wet hen daar toch toe dwingt, zal een aanzienlijk deel van hen voor het illegale circuit kiezen en op de koop toe nemen dat zij strafbaar worden. Dat betekent echter wel dat zij ook niet meer veilig naar de politie kunnen bij geweld, dwang, chantage of intimidatie door klanten of derden. Wij beschouwen dat niet als een positieverbetering. Bovendien maakt het hen kwetsbaarder voor chantage, dwang en andere misstanden in plaats van bij te dragen aan de bestrijding daarvan.

Wij zijn van mening dat sekswerkers, net als andere werkende burgers, de keuze moeten hebben of zij voor een derde of voor zichzelf willen werken en dat zij in beide situaties beschermd moeten zijn tegen dwang of geweld. Daarnaast willen veel sekswerkers voor hun veiligheid graag samen met 1 of 2 collega zzp’ers werken, zonder per definitie aan de eigen woning te zijn gebonden. Ook dit zou o.i. mogelijk moeten zijn.

Uitgangspunt is dat sekswerker-zzp’ers op dezelfde manier behandeld worden als andere zzp’ers en net als andere zzp’ers kunnen kiezen of zij thuis willen werken of in een andere ruimte en of zij dat alleen doen of samen met een paar andere zzp’ers. Dat zou sekswerkers de mogelijkheid bieden hun werk in te richten zoals zij zelf willen, de afhankelijkheid van exploitanten doorbreken en voorkomen dat juist de groep die hecht aan hun autonomie en privacy verdreven wordt naar het illegale en strafbare circuit.

Wij weten dat er zorgen zijn dat thuiswerk de deur open zou zetten voor mensenhandel of misbruik van minderjarigen. De praktijk wijst daar echter niet op. Hoewel politiecontroles in de onvergunde sector zich tot nu toe vooral op thuiswerkers en zelfstandige escorts richtten,[3] blijkt uit de meest recente evaluatieonderzoeken dat hierbij niet of nauwelijks mensenhandel of minderjarigen werden aangetroffen.[4] Om vanwege deze reden alle sekswerkers te dwingen voor een exploitant te werken, is het paard achter de wagen spannen. Bovendien biedt dit geen enkele garantie dat met het introduceren van alle eisen het illegaal exploiteren van slachtoffers van mensenhandel of minderjarigen in particuliere huizen wordt tegen gegaan. Het enige verschil is dat dan ook het slachtoffer zelf strafbaar is. Dit moet o.i. te allen tijde worden voorkomen.

Omtrent de zorgen om overlast willen wij graag opmerken dat, anders dan raambedrijven en clubs, thuiswerkers en hun klanten er juist alle belang bij hebben om niet op te vallen. Bij zelfstandige escorts vind het werk zelfs buitenshuis plaats en kan er dus uberhaupt geen sprake van overlast zijn. Bovendien wordt om veiligheidsredenen en privacy bescherming zelden of nooit met het privéadres geadverteerd. Dat maakt de kans op overlast veel geringer dan bij seksbedrijven. Mocht er toch sprake van overlast zijn, dan kan natuurlijk op grond van de openbare orde ingegrepen worden.

Resumerend dringen wij er bij u op aan de definitie (artikel 1) aan te passen, zodat sekswerkers met een of twee personen zelfstandig kunnen werken en niet gedwongen worden voor een exploitant te werken. Van de vermeende nadelen (overlast en misstanden) zal geen sprake zijn. Zelfs worden hierdoor problemen (toename illegaliteit en uitbuiting) voorkomen en de rechtspositie van sekswerkers verbeterd. Dat zijn toch de doelstellingen van het wetsvoorstel!

Wij hopen dat u onze overwegingen ter harte neemt.

Met vriendelijke groet,

Joke Swiebel, voorzitter a.i. Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann
Mede namens SWexpertise, Platform verbetering positie sekswerkers

[1] http://www.oud-vvr.computersaysno.eu/wp-content/uploads/15-10-TK-Wet-regulering-prostitutie-32-211_5-oktober-2015.pdf.
[2] http://www.wijzijnproud.nl/neetegenwrp.html.
[3] Van de 109 sancties die sinds 2010 in de onvergunde sector werden opgelegd betrof de meerderheid maatregelen (meestal waarschuwingen) tegen thuiswerkers, inclusief zelfstandige escorts (Daalder (2015), Prostitutie in Nederland anno 2014, WODC, p. 27-28.
[4]Daalder (2015), p. 27-28; Van Wijk et al. (2014), Prostitutie in Nederlandse gemeenten, Beke reeks/WODC, p. 73-99.