Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 4 november 1992

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Ten gevolge van de regelingen betreffende het belastbaar inkomen
van gehuwden vindt een inkomensvermeerdering plaats van de echtgenoot
met het hoogste inkomen ten koste van de echtgenoot met het laagste
persoonlijke arbeidsinkomen. De belastingkamer van de Hoge Raad acht
deze regelingen niet in strijd met art. 4 lid 1 derde EG-richtlijn, mede
door andere (doch niet genoemde) objectieve factoren die niets van doen
hebben met discriminatie. Geen prejudiciele vragen aan HvJ EG.

Volledige tekst

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1988 een aanslag in de premieheffing
volksverzekeringen opgelegd naar een premie- inkomen van ƒ 34.515,–,
welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de
Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen
bij het Hof, dat die uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof
is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie
ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en
maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financien heeft bij vertoogschrift het
cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

Belanghebbende en haar echtgenoot zijn ieder voor de onverdeelde helft
eigenaar van een woning in de zin van artikel 42a van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 (hierna:de Wet).

Belanghebbendes persoonlijk arbeidsinkomen bedroeg voor het onderhavige
jaar ƒ 34.515,-, dat van haar echtgenoot ƒ 97.424,-. De zuivere
inkomsten met betrekking tot voormelde woning beliepen voor het
onderhavige jaar voor belanghebbende ƒ 9.262,- negatief, welke
inkomsten ingevolge het bepaalde in artikel 5 van de Wet zijn aangemerkt
als bestanddeel van het inkomen van haar echtgenoot.

De Inspecteur heeft belanghebbendes premie-inkomen, overeenkomstig het
bepaalde in artikel 37, lid 2 (tekst voor 1 januari 1990), van de
Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW) en artikel 41, lid 2 (tekst van voor
1 januari 1990), van de Algemene weduwen- en wezenwet (hierna: AWW),
berekend op ƒ 34.515,-, zijnde het belastbaar inkomen ten bedrage van
ƒ 30.166,-, vermeerderd met het als persoonlijke verplichting op het
inkomen in mindering gebrachte saldo van de ingehouden en terugontvangen
premies AOW/AWW ten bedrage van ƒ 4.349,-.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat op voormeld
premie-inkomen nog in mindering moet worden gebracht het negatieve
bedrag van haar zuivere inkomsten uit eigen woning, aangezien het
bepaalde in voornoemde artikelen van de AOW en de AWW, in samenhang met
artikel 5, lid 1, van de Wet, in strijd is met artikel 4, lid 1, van de
Richtlijn van de Raad van 19 december 1978, nr. 79/7/EEG, betreffende de
geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling
van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (hierna: de
Richtlijn), respectievelijk met artikel 26 IVBP.

Het hof heeft het standpunt van belanghebbende verworpen. De eerste twee
middelen zijn daartegen gericht.

3.2. Voorop moet worden gesteld dat voor de heffing van de
inkomstenbelasting de regeling van artikel 5 van de Wet niet als
discriminerend naar geslacht kan worden aangemerkt.

Immers, gelijk het hof terecht heeft overwogen, kon de wetgever,
uitgaande van de gedachte dat de gehuwde niet duurzaam gescheiden
levende man en vrouw in fiscaal opzicht een economische eenheid vormen,
ter wille van de eenvoud en praktische uitvoerbaarheid in redelijkheid
kiezen voor een systeem waarbij voor de inkomstenbelasting de
bestanddelen van het inkomen van een gehuwde, niet duurzaam gescheiden
levende belastingplichtige, welke niet tot het persoonlijk
arbeidsinkomen en de persoonlijke verminderingen en vermeerderingen van
het onzuiver inkomen behoren, worden aangemerkt als bestanddelen van het
inkomen van de echtgenoot, ingeval het persoonlijk arbeidsinkomen van
die belastingplichtige lager is dan dat van de echtgenoot.

3.3. Het hof heeft, hiervan uitgaande en voorts in aanmerking nemende
dat de werkgever de berekening van de premies volksverzekeringen
eenvoudig en praktisch heeft willen houden, en daarom in voormelde
artikelen van de AOW en AWW heeft neergelegd dat het premie-inkomen op
eenvoudige wijze wordt afgeleid uit het belastbaar inkomen, met
juistheid geoordeeld dat dit een objectief te rechtvaardigen
doelstelling is, welke niets van doen heeft met discriminatie op grond
van geslacht.

3.4. Het hof heeft voorts – in cassatie niet bestreden – geoordeeld dat
het bepaalde in artikel 5 van de Wet slechts in betrekkelijk
uitzonderlijke gevallen als het onderhavige ertoe leidt dat de gehuwde,
niet duurzaam gescheiden levende vrouw meer premies voor de
volksverzekeringen heeft te betalen dan wanneer dat artikel niet zou
hebben gegolden, terwijl haar echtgenoot in verband met de hoogte van
zijn premie-inkomen in beide gevallen het maximumbedrag betaalt, en dat
dit een gevolg is van de door de wetgever getroffen eenvoudige regeling
inzake de herleiding van het belastbaar inkomen tot het premie-inkomen.

Mede gezien het hiervoor in 3.3 overwogene, heeft het hof dienaangaande
terecht geoordeeld dat ook dit gevolg zijn rechtvaardiging vindt in
objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie naar
geslacht.

3.5. Het hof heeft – zij het ten overvloede – ten slotte terecht
geoordeeld dat het systeem dat belanghebbende kennelijk voorstaat, in
het onderhavige geval het onbevredigende gevolg zou hebben dat het
echtpaar als geheel bezien voor de inkomstenbelasting een voordeel zou
blijven genieten dat nog aanzienlijk groter is dan het door dat systeem
op te heffen nadeel.

3.6. Het vorenoverwogene brengt mee dat niet gezegd kan worden dat de
bestreden regeling, ook nadien het daaruit voor belanghebbende
voortvloeiende nadeel, onder overigens gelijke omstandigheden, aanzien
meer vrouwen dan mannen zou treffen, een niet geoorloofde onderling
ongelijke behandeling van mannen en vrouwen oplevert.

3.7. Het midden gaat ervan uit dat, gelet op het arrest van het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen van 13 juli 1989 in zaak 171/88,
Jurisprudentie 1989, bladzijde 2743, slechts dan kan worden gezegd dat
de onderhavige regeling niet in strijd met het bepaalde in artikel 4 van
de Richtlijn, indien met die regeling een doel wordt nagestreefd dat een
noodzakelijk onderdeel vormt voor het bereiken van dat doel. Dit
uitgangspunt kan evenwel niet als juist worden aanvaard.

Indien ter dekking van de uitgaven van een sociale verzekering premies
worden geheven, strekt deze heffing weliswaar ter voorziening in de
middelen ter uitvoering van het sociaal beleid, doch is zij op zichzelf
bezien niet als een uitvoering van dat beleid aan te merken. Deze aard
van de heffing brengt mee dat ongelijkheden in het kader van die heffing
niet slechts kunnen worden gerechtvaardigd door de omstandigheid dat zij
een doel nastreven dat een noodzakelijk onderdeel vormt van het sociaal
beleid en tot dat doen een geschikt en noodzakelijk middel vormen, doch
ook door andere objectieve factoren die niet van doen hebben met
discriminatie op grond van geslacht of burgerlijke staat.

3.8. Uit het vorenoverwogene volgt dat het eerste middel niet tot
cassatie kan leiden. Het tweede middel – dat uitgaat van de gegrondheid
van het eerste middel – behoeft geen behandeling.

3.9. Het derde middel klaagt erover dat het hof geen vergoeding van het
griffierecht heeft gelast. Het middel faalt echter, aangezien het aan
het hof is te beoordelen of er aanleiding is het griffierecht te doen
vergoeden. Nu gesteld noch gebleken is dat belanghebbende voor het hof
heeft verzocht om vergoeding van het griffierecht, was het hof ook niet
gehouden zich daarover uit te laten.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Noot

Heeft er destijds een boze fee gestaan aan de wieg van het onderwerp
gehuwde vrouw en premieheffing volksverzekeringen in de rechtspraak?
Waar het ook aan liggen mag, geen – voorzover gepubliceerd – arrest
lijkt te mogen deugen. In dit premie- inkomen-arrest heeft de
belastingkamer van de Hoge Raad weer kans gezien alles fout te doen, wat
er maar fout kon gaan. Twee vragen kreeg de Hoge Raad te beslissen. Is
de wettelijke omschrijving van het premie-inkomen van gehuwden voor de
heffing van AOW-premie in strijd met artikel 4, lid 1, richtlijn
79/7/EEG? En zo ja, is dat premie-inkomen voor de heffing van de
AWW-premie dan in strijd met artikel 26 BuPo- verdrag. De eerste vraag
is om drie redenen interessant.

1. De derde Richtlijn rept bij de sociale-zekerheidsprestaties wel van
tegemoetkomingen voor de echtgenoot en ten laste komende personen, maar
bij ‘de verplichting tot premiebetaling en de premieberekening’ niet.

2. Doorgaans is het loon maatstaf van heffing van sociale-
zekerheidsprestaties, maar voor de Nederlandse volksverzekeringspremies
niet.

3. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft reeds vele
malen prejudiciele beslissingen genomen in gelijke-
behandelingprocedures omtrent sociale-zekerheidsuitkeringen, maar nog
nimmer omtrent de Nederlandse volksverzekerings- premieberekening.

Gezien de samenstelling van het premie-inkomen van de gehuwde vrouw in
Nederland hadden premie-deskundigen verwacht dat na 23 december 1984, de
datum van inwerkingtreding van de richtlijn, de procedures hierover
zouden losbarsten. Maar deze premie-inkomen-zaak is pas de eerste. Wel
heeft het NJCM een klacht ingediend bij de Europese Commissie in Brussel
over een premietariefkwestie die zich sinds 1990 voordoet. De
belastingvrije som van de vroegere tariefgroep ‘gehuwde man’ – nu: de
tariefgroep van ‘de belastingplichtige die mede de basisaftrek van een
ander geniet’ – werkt namelijk door in de berekening van de
volksverzekeringenpremies, hetgeen tot bevoordeling van de kostwinner
leidt en mogelijk strijdig is met artikel 4, derde Richtlijn, wegens
indirecte discriminatie.

De onderhavige zaak betreft het jaar 1988 en is dus van voor de
gezamenlijke belasting- en volksverzekeringspremieheffing ten gevolge
van de vereenvoudigingsoperatie ‘Oort’. Voor 1990 waren de zogenaamde
opslagpremies, de andere volksverzekeringspremies dan die voor AOW en
AWW, voor rekening van de werkgever. De AWW valt buiten de richtlijn (de
opslagpremie AKW eveneens). Rest alleen de AOW. Maar hierbij moet worden
bedacht dat tot 1990 voor de premies ABWZ en AAW van niet-loontrekkenden
hetzelfde geldt als voor de premie AOW in deze zaak en met ingang van
1990 voor die van iedereen.

De tekst van het eerste lid van artikel 4 geeft op het punt van de
premieberekening geen enkele speling. De Lidstaten zijn stijf in het
keurslijf van de gelijke behandeling geperst zonder een vetertje te
mogen laten vieren wegens gezinsomstandigheden. Bij de uitkeringen zit
er elastiek in de richtlijntekst, door het EG-Hof inmiddels tot tevoren
onvermoede wijdte opgerekt. Maar bij de premies ontbreekt dat en of het
Hof niettemin ruim wil interpreteren is de vraag.

De Hoge Raad had dus prejudiciele vragen behoren te stellen aan het hof.
Niet alleen is verwijzing volgens de tekst van artikel 177 EEG-verdrag
voor de hoogste nationale rechter dwingend, maar het hof heeft in zijn
uitspraak van 6 oktober 1982 (Cilfit/Staat Italie, nr. 283/81, Jur 192,
p. 3415 en RSV 1983/91) uitgemaakt dat, tenzij de hoogste nationale
rechterlijke instantie heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag
irrelevant is of dat de betrokken gemeenschapsbepaling reeds door het
hof is uitgelegd (‘acte eclaire’) of dat de juiste toepassing van het
gemeenschapsrecht zo evident is dat redelijkerwijze geen ruimte voor
twijfel kan bestaan (‘acte clair’), zij verplicht is te verwijzen,
waarbij rekening moet worden gehouden met de eigen kenmerken van het
gemeenschapsrecht, de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan
en het gevaar van uiteenlopende rechtspraak binnen de EG. Maar de Hoge
Raad laat na te verwijzen. Dat is een.

De Hoge Raad begint zijn beslissing met: ‘Voorop moet worden gesteld dat
voor de heffing van inkomstenbelasting de regeling van artikel 5 van de
“Wet op de inkomstenbelasting 1964” niet als discriminerend naar
geslacht kan worden aangemerkt’ (3.2.). Tja, de Hoge Raad had dit
beslist bij de toetsing aan artikel 26 BuPo-verdrag van de scherp en
openlijk naar geslacht discriminerende tekst van artikel 5 voor het jaar
1981, dus van voor de invoering (in 1984) van de huidige, op het oog
sekseneutrale tekst (zie mijn noot bij HR 27 september 1989, ‘het
tandartsvrouw-arrest’ RN 1990, 119, p. 245 tot en met 247) en gaat er nu
maar van uit dat hij hetzelfde reeds voor de nieuwe tekst heeft beslist.
Dat is twee. Onlogisch is deze beslissing-vermomd-als-uitgangspunt in
het licht van de veel opzienbarender uitspraak van 1989 in elk geval
niet.

In 3.3. vliegt de Hoge Raad non-stop van de toetsing aan artikel 26
BuPo-verdrag van artikel 5 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 naar
de toetsing aan het eerste lid van artikel 4, derde Richtlijn van de
bepalingen omtrent de premieheffing volksverzekeringen en keurt het
oordeel van het Haagse Gerechtshof goed dat eenvoud ‘een objectief te
rechtvaardigen doelstelling is welke niets van doen heeft met
discriminatie op grond van geslacht’ bij de heffing van de premie AOW en
AWW. Zonder in de gaten te krijgen dat hij inmiddels boven terrein is
gekomen waar niet hij te beslissen heeft (wat betreft de premie AOW),
maar het EG-Hof. Dat is drie.

In 3.4. bevestigt de Hoge Raad – even overbodig als ten onrechte – de
feitelijke en dus in cassatie onaantastbare, maar onjuiste vaststelling
van het Gerechtshof dat ‘slechts in betrekkelijk uitzonderlijke gevallen
als het onderhavige’ het verdwijnen van de halve aftrekpost van de vrouw
ter zake van de gemeenschappelijke eigen woning naar haar man leidt tot
meer premiebetaling door het echtpaar dan wanneer artikel 5 Wet IB 1964
niet had gegolden. In werkelijkheid is de situatie dat enerzijds de man
zover boven de premiegrens zit dat de overheveling van haar helft van de
aftrekpost naar hem niet tot premievermindering leidt en anderzijds de
vrouw beneden de premiegrens blijft, zodat aftrek bij haar – zoals bij
een ongehuwde – wel tot premievermindering zou hebben geleid, noch
uitzonderlijk noch betrekkelijk uitzonderlijk, maar zeer gebruikelijk.
Dat is vier. Eerst als een onjuiste vaststelling van feiten blijk geeft
van een onjuiste rechtsopvatting, kan deze in cassatie worden getoetst.
Mocht het hof ooit feitelijk vaststellen dat ik sinds mijn geboorte een
man ben en mocht zulks in het geschil voor het recht niet van overwegend
belang zijn, dan blijf ik in cassatie onaantastbaar een man. De Hoge
Raad oordeelt nu eenmaal niet over de feiten, hoe bizar die ook mogen
uitvallen in de uitspraak van de hoogste feitelijke rechter. In casu
moet de Hoge Raad voor ogen hebben gezweefd dat hij reeds eerder zou
hebben uitgemaakt dat de premieheffingregeling zuiver op de graat is
voor het gros van de echtparen met een negatief saldo van bijtel- en
aftrekposten, zodat nog slechts te beoordelen was of het incidentele
nadeel voor dit betrekkelijke uitzonderingsgeval als onvermijdelijk op
de koop toe moest worden genomen. Maar deze casus is een geheel andere
en de vaststelling van het hof een louter feitelijke. Helaas kent de
Hoge Raad de eigen regels niet, want hij vermeldt dat het oordeel van
het hof over dit punt ‘in cassatie niet bestreden’ is. Waarom zou de
premieplichtige dat moeten bestrijden? Is het oordeel feitelijk, dan is
bestrijding zinloos. Is het oordeel van een rechtsbeslissing, dan vult
de Hoge Raad in fiscalibus ambtshalve de rechtsgronden aan. Dat is vijf.

In 3.5. gaat de Hoge Raad in navolging van het hof onderuit op de
denkfout die ik heb bestreden in mijn annotatie bij HR 6 april 1977 (BNB
1977/121; Rechtspraak Vrouwen en Recht, Ars Aequi Libri, 1992, p. 701
tot en met 704). Doordat de wetgever belasting- en/of premievoordelen
toekent aan de economisch sterkste echtgenoot (voor 1984/1985: de
gehuwde man) ten koste van de economisch zwakste echtgenoot (tevoren: de
gehuwde vrouw) leidt recht doen aan de laatste er automatisch toe dat de
eerste een ongerechtvaardigd voordeel heeft genoten en het echtpaar als
entiteit dus eveneens. Want bij de belastingdienst liggen echtgenoten
samen in een legger (=dossier) en worden tegelijk geregeld.
Onvermijdelijk staat het voordeel voor de man dus vast – tenzij hij zelf
aan het procederen is geslagen – wanneer de vrouw procedeert om gelijk
behandeld te worden. Indien de inspecteur of het hof het bezwaar van
deze bevoordeling als onoverkomelijk ziet, is er soms – niet hier, wel
in BNB 1977/121 – de mogelijkheid de man een verklaring te laten tekenen
dat hij akkoord gaat met navordering ten einde zijn vrouw het door hem
genoten voordeel (van haar) te doen toekomen. Maar zelfs als die
mogelijkheid ontbreekt, vind ik het apert onjuist de vrouw haar verweer
tegen haar nadeel uit handen te slaan met een standje over het voordeel
van de man, dat zij toch mede geniet. Dat is zes. Hoe komt de vrouw
anders ooit af van haar deel van het gebruikelijke
voordeel-voor-de-man-en-nadeel-voor-de-vrouw- pakket? Hof en Hoge Raad
volgen in hun redenering hier en in BNB 1977/121 de zogenaamde
lusten-en-lasten-theorie van de jaren veertig en vijftig omtrent
seksualiteit en voortplanting, op grond van welke theorie de vrouw het
verweer tegen de lasten van al te veelvuldig moederschap werd ontzegd
vanwege de lusten van haar man, die zij toch mede zou genieten.

In 3.6. maakt de Hoge Raad een buiging naar de rechtspraak van het
EG-Hof over indirecte discriminatie.

In 3.7. gaat de Hoge Raad in op het arrest van het EG-Hof
Rinner-Kuhn/FWW (nr. 171/88, RN 1989, 57 m.nt. Elies Steyger), dat in
het cassatiemiddel is aangevoerd. Dit arrest heeft echter betrekking op
artikel 119 EEG-verdrag, aangezien het geschil het niet aanvullen door
de werkgever van het ziekengeld van een vrouw die slechts een gering
aantal uren per week werkte betrof. Het EG-Hof trekt een lijn in zijn
jurisprudentie over gelijk loon en gelijke sociale zekerheidsprestaties:
een maatregel die aanzienlijk meer vrouwen schaadt dan mannen kan
slechts gerechtvaardigd worden, wanneer 1) met die maatregel een doel
wordt nagestreefd dat een noodzakelijk onderdeel vormt van het sociale
beleid van de betrokken Lidstaat en 2) deze maatregel bovendien een
geschikt en noodzakelijk middel vormt voor het bereiken van dat doel.
Zie bijvoorbeeld Jenkins/Kingsgate (nr. 96/80, Jur 1981, p. 911), Bilka
Kaufhaus (nr. Jur 1986, p. 1607, RVR 1992, nr. 136) en Teuling-Worms
(nr. 30/85, RN 1988, 1). Na dergelijke beslissingen van het EG-Hof is
het aan de nationale rechter die de vragen heeft gesteld om uit te maken
of die rechtvaardiging bestaat. Vermoedelijk heeft dit laatste de Hoge
Raad in de waan gebracht dat de nationale rechter zonder prejudiciele
vragen te stellen mag beslissen over welke rechtvaardigingsgrond dan
ook. Het EG-Hof is misschien wat te optimistisch geweest over het behoud
van de eenheid van rechtspraak binnen de Europese Gemeenschap bij het
overlaten van dergelijke belangrijke vaststellingen aan niet altijd
voldoende zorgvuldig rechtsprekende hoogste rechterlijke instanties van
twaalf Lidstaten. De premieplichtige had zich er uitdrukkelijk op
beroepen dat uitsluitend bovenvermelde tweeledige rechtvaardigingsgrond
de aan de Nederlandse wijze van premieberekening inherente indirecte
discriminatie van de gehuwde vrouw kan legitimeren; niet de eenvoud die
het Hof eveneens tot rechtvaardigingsgrond had verklaard (zie 3.3.).
Maar de Hoge Raad beslist: Indien ter dekking van een sociale
verzekering premies worden geheven, strekt deze heffing weliswaar ter
voorziening in de middelen ter uitvoering van het sociaal beleid, doch
is zij op zichzelf bezien niet als een uitvoering van dat beleid aan te
merken. Deze aard van de heffing brengt mee dat ongelijkheden in het
kader van die heffing niet slechts kunnen worden gerechtvaardigd door de
omstandigheid dat zij een doel nastreven dat een noodzakelijk onderdeel
vormt van het sociaal beleid en tot dat doel een geschikt en
noodzakelijk middel vormen, doch ook door andere objectieve factoren die
niet van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht of
burgerlijke staat. De Hoge Raad geeft dus toe dat de tweeledige
rechtvaardigingsgrond voor indirecte discriminatie bij beloning of
sociale-zekerheidsprestaties zich slecht leent voor de legitimatie van
indirect discriminerende premieheffing. Daarom herhaalt de Hoge Raad dat
de noodzaak van een eenvoudige premieheffing (eveneens) een objectieve
rechtvaardigingsfactor is (fout nummer drie). De Hoge Raad verwijdt dus
eerst het rigide korset van de gelijke premieberekening – dat is zeven –
op dezelfde wijze als door het EG-Hof voor de gelijke prestaties is
gedaan (‘uitleggen’ heet dat immers in de kledingwereld), ziet
vervolgens in dat dat nergens toe leidt en maakt dan ook maar een
vetertje los voor de eenvoud. Hoe eenvoudig is de premieheffing
eigenlijk? De Nederlandse volksverzekeringspremies worden geheven over
het zogenaamde premie-inkomen in een bepaald percentage tot het
zogenaamde premieplafond. De premies hebben een hybridisch karakter. Aan
de ene kant horen ze tot de sfeer van de sociale zekerheid. Aan de
andere kant is de band van de premies met de desbetreffende uitkering zo
gering dat zij wel bestemmingsbelastingen worden genoemd.

Bestemmingsbelastingen zijn belastingen die meteen bij de heffing worden
geoormerkt voor een bepaalde bestemming en uitsluitend daarvoor kunnen
worden aangewend. Het belastingkarakter van de volksverzekeringspremies
komt niet alleen naar voren, doordat er niet of nauwelijks een relatie
bestaat tussen premie en uitkering, maar eveneens op vier andere wijzen.

1. Zij worden door de belastingdienst geheven.

2. Over de premieheffing volksverzekeringen wordt niet geprocedeerd bij
de raden van beroep (sinds 1 juli 1992 bij de rechtbanken, sector
bestuursrecht) en de Centrale Raad van Beroep – zoals geschiedt in
geschillen over volksverzekeringsuitkeringen en andere sociale
zekerheidskwesties – maar bij de belastingkamers van de gerechtshoven en
belastingkamer van de Hoge Raad.

3. De premiepotten worden zo af en toe aangevuld met belastinggeld.

4. De maatstaf van heffing van de premies was tot 1990 afgeleid van die
van de loon- en inkomstenbelasting – de premie AOW/AWW werd erbij geteld
– en is sindsdien dezelfde.

De heffing van sociale-zekerheidspremies geschiedt in de meeste
Lidstaten en voor de meeste verzekeringen over het loon – of de winst in
geval van zelfstandigen – tot een bepaald plafond. Afgezien van het feit
dat het begrip loon voor de verschillende sociale verzekeringen
verschillend kan zijn – hetgeen dan weer tot vereenvoudigingsoperaties
of stelselherzieningen aanleiding kan geven – is loon een betrekkelijk
eenvoudige maatstaf van heffing. Het belastbaar inkomen of een afgeleide
daarvan pleegt daarentegen het saldo te zijn van een groot aantal
positieve en negatieve elementen en is dus een uiterst complex geheel.
Vaak heeft de wetgever naar het belastinginstrument gegrepen om tal van
sociale en economische doeleinden te bereiken die niets uitstaande
hebben met een rechtvaardige, voor iedereen naar eigen draagkracht
gelijke belastingheffing. Persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat de
belastingheffing misbruikt wordt ten einde vrouwen die kinderen (willen)
hebben zoveel mogelijk uit de betere betaalde arbeid te weren en hen
dienstbaar te maken aan hun kostwinner (zie o.a. mijn noot onder HR 12
december 1990, RN 1991,165). Zolang de omschrijving is zoals die nu is,
vind ik het belastbaar inkomen of een afgeleide daarvan dan ook weinig
geschikt als grondslag voor een premieberekening die moet voldoen aan de
eis van non-discriminatie naar sekse. In elk geval is het een zo
ingewikkeld begrip dat het woord ‘eenvoud’ in verband met het
belastbaar/premie-inkomen grotesk aandoet.

De premieplichtige had er met klem op gewezen dat eenvoud niet als een
doel dat indirecte discriminatie legitimeert kan worden aangemerkt: ‘De
rechten van vrouwen mogen niet ondergeschikt worden gemaakt aan
administratieve eenvoud bij de uitvoering van de wet. De Nederlandse
regering lijkt dat ook te onderkennen. Onder invloed van de richtlijn
moesten alle AOW-pensioenen voor gehuwden, die tot 1 april 1985 alleen
aan de gehuwde man toekwamen, gesplitst worden in een AOW- uitkering
voor de man en een eigen AOW-uitkering voor de gehuwde vrouw. De
Nederlandse wet is met het oog hierop per 1 april 1985 aangepast (Stb.
1985, 180); voor de uitvoeringsorganen betekende dit bijna een
verdubbeling van het administratieve werk. Toch heeft de regering nooit
durven stellen dat het oude stelsel van de AOW gehandhaafd kon blijven
om redenen van praktische eenvoud en uitvoerbaarheid.

Hof en Hoge Raad spitsen die zogenaamde eenvoud van de premieberekening
toe op de tekst (sinds 1984) van artikel 5 Wet op de inkomstenbelasting
1964, waarin – kort samengevat – staat dat van een gehuwde niet duurzaam
gescheiden levende echtgenoten de elementen van het belastbaar inkomen
worden gesplitst in persoonlijke en niet-persoonlijke, welke laatste in
aanmerking worden genomen bij de echtgenoot met het hoogste persoonlijke
arbeidsinkomen of, bij gelijke persoonlijke arbeidsinkomens, bij de
oudste echtgenoot. Deze regeling beoogt gehuwde vrouwen zonder eigen
inkomen of met een gering inkomen buiten de heffing van
inkomstenbelasting te houden zonder het voordeel van de aftrek van haar
helft van de aftrekposten (met name de rente van de hypotheekschuld voor
de gezamenlijke eigen woning) voor het echtpaar verloren te laten gaan.
De grondgedachte voor deze regeling is ontleend aan het Zweedse
belastingstelsel en door mij aan de Nederlandse omstandigheden aangepast
en als overgangsoplossing gepropageerd voor de periode tussen de
situatie waarin alle inkomensbestanddelen van de gehuwde vrouw bij haar
man werden belast – die tot 1973 heeft geduurd – en een toekomstige
situatie waarin ten gevolge van de volledige emancipatie van de gehuwde
vrouw het huwelijk geen verandering meer zal (hoeven te) brengen in de
wijze van belast worden (zie Weekblad voor Fiscaal Recht 1974, blz. 894
en 895, en Verslag van het symposium ManVrouwFiscus op 26 maart 1975,
serie brochures van het Fiscaal Economisch Instituut van de Erasmus
Universiteit Rotterdam, nr. 9, blz 54 t/m 62). Zelf acht ik deze
oplossing alleen geschikt voor de overgangsfase en betwijfel of de
regeling voldoende non-discriminatoir is. Immers, het saldo van
niet-persoonlijke inkomensbestanddelen is meestal negatief en levert dus
belastingverlichting op. De echtgenoot met het hoogste persoonlijke
arbeidsinkomen, c.q. de oudste echtgenoot, is nagenoeg altijd de man.
Niet alleen heeft hij het hoogste bruto-inkomen en het hoogste netto-
inkomen, ware hij ongehuwd geweest, maar zijn netto inkomen pleegt nog
toe te nemen met de belasting (en premie) die hij bespaart, doordat hij
de inkomensbestanddelen van zijn vrouw krijgt toegerekend. Ten gevolge
van de regelingen betreffende het belastbaar inkomen en het
premie-inkomen van gehuwden vindt dus een ongerechtvaardigde
inkomensvermeerdering van de echtgenoot met het hoogste inkomen plaats
ten koste van de echtgenoot met het laagste persoonlijke arbeidsinkomen.
Mijns inziens heeft de laatste civielrechtelijk aanspraak op teruggave
door de andere echtgenoot van de bedragen die uit hoofde van deze
regelingen onder zijn bestuur zijn gekomen, c.q. diens eigendom zijn
geworden. Maar al is er intern redres mogelijk – in theorie, want in de
praktijk blijken psychologische bezwaren daaraan in de weg te staan –
dat

neemt niet weg dat premieheffingbepalingen die de minst welvarende van
een echtpaar nog minder welvarend maken en soms de welvarendste nog
welvarender, op hun non- discriminatiegehalte behoren te worden getoetst
in Luxemburg.

Hieke Snijders-Borst

Rechters

Vice-president R.J.J. Jansen, als voorzitter en de raadsheren Vander Linde, Bellaart, Korthals Altes en C.H.M. Jansen in tegenwoordigheidvan de waarnemend griffier van Hooff

Instantie: Centrale Raad voor strafrechtstoepassing, 2 november 1992

Instantie

Centrale Raad voor strafrechtstoepassing

Samenvatting


Het beklag betreft de weigering tot intern bezoek van/aan een
medegedetineerde, die eveneens in de piv “Amerswiel” te Heerhugowaard
verblijft. Dit beklag wordt ongegrond verklaard.

Volledige tekst

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als
volgt:

1. Inhoud van het beklag en de beslissing van de beklagcommissie: Het
beklag betreft de weigering tot intern bezoek van/aan een
medegedetineerde, die eveneens in de piv “Amerswiel” te Heerhugowaard,
verblijft.

De beklagcommissie heeft het beklag gegrond verklaard daar waar het
betreft bezoek van de afdelingen huis van bewaring en de gevangenis aan
de afdeling waar klaagster verblijft, de DVA (Drugsvrije Afdeling) en
ongegrond met betrekking tot het bezoek van klaagster aan de afdelingen
huis van bewaring en gevangenis, op de gronden als in de aangehechte
beschikking weergegeven.

2. Standpunten van de directeur en klager: Namens de directeur is in
beroep volhard in het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt.
Voorts is betoogd dat klaagster zich in de beginfase van haar detentie op
de DVA bevond, waar zij op vrijwillige basis verblijft. Om de drugvrije
afdeling ook daadwerkelijk drugsvrij te houden is contact met andere
gedetineerden, met name in de beginfase, niet toegestaan. Nu klaagster
zich in een andere fase van haar detentie bevindt is en het goed gaat op
de DVA is haar toegestaan contact te hebben met gedetineerden van andere
afdelingen.

Klaagster heeft in beroep daarop geantwoord als tegenover de
beklagcommissie. Voorts is betoogd dat zij thans wel contact met
gedetineerden van andere afdelingen mag hebben.

3. Beoordeling: Op grond van de ministeriele circulaire d.d. 7 juni 1962,
nr. 241/362 is slechts onderling bezoek toegestaan tussen gehuwden en
concubines. Nu te dezen geen sprake is van genoemde categorieen waarvoor
intern bezoek kan worden toegestaan en nu voor de beroepscommissie niet
gebleken is van zwaarwegende omstandigheden waarom voor klaagster een
uitzondering gemaakt zou moeten worden, is de afwijzing op klaagster
verzoek tot intern bezoek niet als onjuist aan te merken. Hierbij heeft
de beroepscommissie in aanmerking genomen dat klaagster, op het moment dat
zij haar verzoek tot intern bezoek indiende, zich in de beginfase van haar
detentie op de DVA -waar zij op vrijwillige basis verblijft- bevond en
ingevolge de geldende regels die ook aan klaagster bekend waren, in die
fase geen contact met gedetineerden van andere afdelingen toegestaan
wordt. Het beroep van de directeur treft mitsdien doel.

4. Beslissing: De beroepscommissie verklaart het beroep van de directeur
gegrond, vernietigt in zoverre de beschikking van de beklagcommissie en
verklaart het beklag alsnog ongegrond.

Beslissing beklagcommissie d.d. 22 juli 1994 K.nr. : 20/94 De
beklagcommissie uit de Commissie van Toezicht bij de Penitentiaire
Inrichting voor vrouwen “Amerswiel” te Heerhugowaard.

Overwegende inzake de klacht:

Ter voormelde zitting van de Beklagcommissie is het volgende, in de kern
samengevat en naar de Beklagcommissie verstaat, verklaard.

De voorzitter leest het schriftelijke commentaar van de directie voor en
overhandigt daarna een exemplaar daarvan aan klaagster. [Dit bescheid
wordt aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.]

Klaagster: Ik ben het met de zienswijze van de directie niet eens, want
ik vind dat ik redenen heb om op de bestaande regelgeving aangaande bezoek
een uitzonderingspositie te kunnen innemen. Ik zou u graag mijn motivatie,
zoals ik die heb verwoord in een tweetal brieven, willen voorlezen. Ik leg
u een afschrift daarvan over. (Klaagster leest de inhoud voor van twee
brieven, gedateerd respectievelijk 08 juni 1994 en 13 juli 1994; deze
brieven worden hieraan gehecht en maken hiervan deel uit.)

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht,
wordt het volgende overwogen en beslist.

Niet valt in te zien waarom bezoek van de afdelingen: Huis van Bewaring
en Gevangenis op het bezoekuur van de DVA (Drugvrije Afdeling) niet tot
mogelijkheden zou kunnen behoren nu het risico van drugsoverbrenging,
bezien in het licht van de bestaande en adequate controle-mogelijkheden,
te verwaarlozen is te achten. Hierbij dient nog te worden opgemerkt, dat
bezoek van buiten aan de DVA met minder vergaande controle is toegestaan.
In zoverre oordeelt de Beklagcommissie dit onderdeel van het klaagschrift
daarom gegrond.

Teneinde de DVA te vrijwaren van verboden middelen is de Beklagcommissie
voorshands van oordeel dat, in het kader van het afleggen door klaagster
van bezoek aan de afdelingen: Huis van Bewaring en Gevangenis, klaagster
geen dusdanige zwaarwegende argumenten nar voren heeft gebracht, welke een
uitzondering zouden kunnen vormen op de bestaande regelgeving ter zake.
Dit onderdeel van het klaagschrift wordt daarom ongegrond verklaard.

Beslissende:

Verklaart het klaagschrift gegrond daar waar het betreft bezoek van de
afdelingen: Huis van Bewaring en Gevangenis aan de afdeling waar klaagster
verblijft, de DVA, en ongegrond m.b.t. het bezoek van klaagster aan de
afdelingen: Huis van Bewaring en Gevangenis.

Verstaat, dat de voorzitter met de directeur het wettelijk voorgeschreven
compensatieoverleg zal gaan voeren terzake het gegrond-verklaarde
onderdeel an het klaagschrift.

Rechters

mr. C.J.G. Bleichrodt, voorzitter, drs. T. Jongsma en mr. M.J.F.A.Mutsaers, leden

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 27 oktober 1992

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Schoolvoorbeeld van directe discriminatie. De Hotelschool maakt door
haar fifty-fifty toelatingsbeleid direct onderscheid tussen mannen en
vrouwen; geen objectieve rechtvaardiging mogelijk.

De Hotelschool valt niet onder de uitzonderingsbepaling van art. 4 lid 3 WGB.
De eigen aard van de school is onvoldoende eigen om als uitzondering op het
discriminatieverbod erkend te worden.

De materie is volgens het hof niet zo complex dat het niet in kort geding zou
kunnen worden behandeld, mede gezien het uitvoerig onderzoek van de CGB in
deze zaak.

Volledige tekst

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de feiten zoals in het vonnis onder 1 vastgesteld,
nu daartegen niet is opgekomen.

2. De STOF vorderde in kort geding de Hotelschool op straffe van een dwangsom
te verbieden om bij de toelating van studenten voor die school onderscheid
te maken tussen mannen en vrouwen. De President heeft die vordering
afgewezen. Hij heeft daarbij niet uitgesloten dat de school zich aan
overtreding van de wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB)
schuldig maakt, maar heeft geoordeeld dat de vordering een complex probleem
raakt dat zich niet leent voor een zo verstrekkende beslissing als de STOF
verlangt.

In haar hoger beroep legt de Stichting het geschil in volle omvang aan het
hof ter beslissing voor.

I. De ontvankelijkheid

3. De hotelschool heeft met een beroep op artikel 20a lid 2 WGB, de artikelen
3:13 en 303 BW, en de artikelen 289 juncto 291 Rv aangevoerd dat de STOF niet
ontvankelijk is in haar vordering.

Artikel 20a lid 2 WGB

4. Partijen zijn het erover eens dat de STOF krachtens artikel 20a lid 1 WGB
in beginsel gerechtigd is haar vordering in te stellen. Dat is alleen anders
indien – lid 2 – blijkt dat een der vrouwen, die gedupeerd is door het beleid
van de school dat de STOF in dit geding ter discussie stelt, bezwaren heeft
tegen het optreden van de STOF.

5. Het beroep op dit artikellid faalt. Er is niet van een dergelijk bezwaar
gebleken. Het voert te ver van de STOF te verlangen, gelijk de school
impliciet doet, navraag te doen bij de mogelijk gedupeerde vrouwen teneinde
zeker te stellen dat niemand bezwaar tegen de vordering heeft. Verder valt
niet vol te houden dat, indien geen vrouwen instemming met het optreden van
de STOF hebben geuit, moet worden aangenomen dat zij daartegen bezwaar
hebben.

Artikelen 3: 13 en 303 BW

6. Bij pleidooi in hoger beroep heeft de school gesteld dat de STOF misbruik
van (proces)recht maakt. In het bijzonder steekt het de school dat de STOF
geheel op eigen gezag procedeert, zonder door gedupeerde vrouwen gesteund te
worden en alleen om een principiele uitspraak te verkrijgen, nog wel in kort
geding.

7. Wat hiervan ook zij, het doet er niet aan af dat de STOF ingevolge het
bepaalde in artikel 20a lid 1 WGB geheel op eigen naam mag opereren zonder
rugdekking van gedupeerden en dat, naar vaststaat, haar optreden past in de
doelstelling van de Stichting. Voorts is niet bij voorbaat uitgesloten dat
ook in kort geding een principiele uitspraak kan worden gedaan.

Artikel 289 juncto 291 Rv

8. Indien de stelling van de Stichting van discriminatie juist is, zijn
jaarlijks meerdere vrouwen – statistisch berekend ruim 20 – gedupeerd. Voor
die vrouwen vormt dat een onherstelbaar nadeel. Reeds daarom faalt het beroep
op artikel 291 Rv. Voorts acht het hof de zaak voldoende spoedeisend voor een
kort geding, indien de Hotelschool zich inderdaad stelselmatig aan
wetsschending schuldig maakt. Of, tenslotte, de zaak te complex is voor een
beslissing in kort geding, zal moeten blijken bij de verdere behandeling van
de grieven.

9. Al met al kan de STOF in haar vorderingen worden ontvangen.

II. Ten gronde

10. Het beleid van de Hotelschool is er sedert vele jaren op gericht evenveel
mannen als vrouwen tot de school toe te laten, ongeacht de getalsmatige
verhouding waarin mannen en vrouwen zich voor de school aanmelden. De
Hotelschool geeft toe dat zij dusdoende onderscheid tussen beide seksen maakt.
Dat valt ook bezwaarlijk te betwisten, waar de vaste 50/50 toelating immers
niets te maken heeft met een toelating op basis van gelijke kansen voor een
ieder ongeacht zijn/haar kunne.

11. Het staat vast dat het aantal vrouwen, dat zich inschrijft, sinds circa
1985 groter is dan het aantal mannen en dat van het totale aantal
inschrijvingen (circa 1500) slechts 240 studenten kunnen worden toegelaten.
Gegeven deze cijfers zijn, statistisch bezien, de vrouwen gedupeerd door het
toelatingsbeleid van de school. De school gaat er zelf ook van uit dat dat
het geval is; zij zet, bij gebrek aan concrete gegevens, alleen een
vraagteken bij het aantal gedupeerde vrouwen.

12. Strijd met het beginsel dat geen onderscheid tussen mannen en vrouwen mag
worden gemaakt is daarmee gegeven. De vraag is dan of dat onderscheid op
indirecte danwel op directe wijze plaatsvindt. Alleen in het eerste geval
komt de school een beroep toe op objectieve rechtvaardigingsgronden.

13. Het onderscheid is krachtens artikel 1 lid 1 WGB alleen dan indirect, als
het geschiedt op grond van andere hoedanigheden dan het geslacht. De
Hotelschool laat de uiteindelijke toelating echter alleen van het geslacht
afhangen. Daarmee is, voorlopig oordelend, een schoolvoorbeeld van direct
onderscheid gegeven. Objectieve rechtvaardigingsgronden, indien al aanwezig,
kunnen de school dan ook niet baten.

14. De Hotelschool doet voorts een beroep op de wettelijke uitzonderingen,
gegeven in de artikelen 4 lid 3 en 5 lid 1 WGB.

Artikel 4 lid 3 WGB

15. Indien de eigen aard van de instelling zich verzet tegen het maken van
onderscheid tussen mannen en vrouwen bij de toelating tot de school, is het
toegestaan van het verbod af te wijken.

16. Volgens de school is de eigen aard van de instelling gelegen in haar
onderwijsfilosofie. Deze komt er op neer dat zij beoogt haar studenten zo
goed mogelijk op een managementfunctie in het hotelwezen c.q. bedrijfsleven
voor te bereiden, hetgeen zij meent alleen optimaal te kunnen realiseren
indien binnen de opleiding een goede afspiegeling van de man/vrouw verhouding
in de maatschappij bestaat. Dat krijgt in de praktijk in het bijzonder
gestalte door rollenspellen tussen mannen en vrouwen en door gemengde
bewoning van het internaat. Met die filosofie sluit de school volgens haar
stellingen bovendien aan aan de eisen van de arbeidsmarkt. Zij wijst in dat
verband op het risico dat bij het loslaten van de gelijke man/vrouw
verhouding een school met het imago van een meisjesschool ontstaat, welke
ontwikkeling niet bij de maatschappelijke aansluit, zodat de waarde van het
diploma en vervolgens de kwaliteit van het onderwijs zal dalen.

17. Partijen zijn het erover eens dat dit artikellid ziet de vrijheid van
onderwijs. De Hotelschool gaat alleen van een grotere vrijheid uit dan de
Stichting toelaatbaar acht. Volgens de Stichting is deze beperkt tot de
richtingen van onderwijs van levensbeschouwelijke, godsdienstige of
taalkundige aard. Waar uit de wet- en verdragsgeschiedenis niet blijkt dat
de uitleg van wat onder de aard van de instelling moet worden verstaan tot
een limitatieve opsomming is beperkt, kan voorshands niet uitgesloten worden
dat ook andere richtingen van onderwijs dan door de STOF genoemd een
uitzondering op het discriminatieverbod kunnen vormen. Het komt het hof voor
dat de door de school voorgestane uitleg te ruim is.

18. Met een uitzonderingsbepaling kan geen regeling beoogd zijn, waarop in
het gros van de gevallen een beroep gedaan zou kunnen worden. Het moet dan
ook gaan om een onderwijs-ideaal, dat een bijzonder, eigen en herkenbaar
karakter heeft en dat op een visie gebaseerd is, waarmee de school zich
onderscheidt van andere vergelijkbare opleidingen. Daarbij moet het dan
tevens gaan om een ideaal dat een onderscheid naar geslacht rechtvaardigt.
Aan deze criteria voldoet de geschetste onderwijsfilosofie van de Hotelschool
niet. Hetgeen zij nastreeft geldt voor talloze opleidingen, waarvan overigens
vaststaat dat zij niet de gelijke man/vrouw verhouding nastreven, een andere
onderwijsopvatting hebben is vrij onwaarschijnlijk en blijkt uit niets. Uit
de statuten van de school blijkt trouwens ook niet van enig kenmerkend
oogmerk, waaraan de school zich doelgericht gebonden heeft.

19. Dit leidt ertoe dat de aard van de school, voorzover al aanwijsbaar,
onvoldoende eigen is aan de instelling om als uitzondering op het
discriminatieverbod erkend te worden. Aan dit oordeel doet niet af de vrees
dat de kwaliteit zou dalen bij het ontstaan van een meisjesschool.
Integendeel, voorshands lijkt met deze opvatting de discriminatie van de
vrouw wel bij uitstek gegeven. Evenmin doet daaraan af dat de markt niet
zoveel vrouwen vraagt. Verdrag en wetgeving bepalen de grenzen van wat
oirbaar is. Een marktgegeven is daarin niet als criterium genoemd. Dat zou
ook onwaarschijnlijk zijn, waar verdrag en wet juist zijn voortgekomen uit
de geconstateerde achterstand van de vrouw op onder meer de economische markt
en ertoe strekken die achterstand terug te dringen.

Artikel 5 lid 1 WGB

20. Volgens dit artikel is onder omstandigheden de bevoorrechting van de
vrouw geoorloofd. De Hotelschool doet hierop een beroep met de stelling dat
haar beleid de vrouw juist bevoordeelt. Dit vermag het hof niet in te zien.
Als dat beleid er van jaar tot jaar toe leidt dat een groep vrouwen niet tot
de school wordt toegelaten, die wel zou zijn toegelaten indien de kansen
tussen man en vrouw gelijk waren verdeeld, – hetgeen de school erkent – kan
toch bezwaarlijk van bevoorrechting van de vrouw sprake zijn. Ook deze
uitzondering doet zich derhalve niet voor. Dat eventuele kandidaten wellicht
op een van de andere opleidingen terecht zouden kunnen maakt dat niet anders.

III. Belangenafweging

21. Het vorenstaande leidt ertoe dat de vordering op juiste gronden is
ingesteld. Of deze toewijsbaar is hangt echter tevens af van de afweging van
de betrokken belangen.

22. De belangen van de STOF zijn evident. Er is, gelet op haar doelstelling,
die bovendien met het wettelijk regime ter bestrijding van discriminatie
strookt, uiteraard veel aan gelegen dat schending van de wet wordt voorkomen.
Het ideaal, waar zij voor staat, is bij afwezigheid van vrijwillige terugtred
door de wederpartij alleen langs gerechtelijke weg af te dwingen. Bij gebreke
van een andere mogelijkheid moet haar belang niet te spoedig als te licht
worden aangemerkt. Daarmee wil niet gezegd zijn dat het kort geding de meest
aangewezen weg is haar doel te bereiken. De bodemprocedure is daartoe meer
geeigend. Onder omstandigheden kan echter toch het kort geding tot dat doel
leiden. Zo weegt in dit geval mee dat dezelfde vraag al na een volledige
schriftelijk en mondelinge behandeling is beslist door de Commissie gelijke
behandeling, wier onderzoek blijkens de stukken grondig is geweest. In die
procedure kreeg de STOF gelijk.

23. Daar tegenover zal wijziging van het beleid bij de school er
mogelijkerwijs toe leiden dat de ruimtelijke indeling van het internaat moet
worden aangepast en wellicht dat bepaalde vakken anders ingericht moeten
worden. Dergelijke wijzigingen kunnen ingrijpend zijn, maar of die ook
feitelijk vereist zijn en, zo ja, in welke omvang en met welke (financiele)
consequenties, is niet nader toegelicht. Voorshands is niet aannemelijk dat
toewijzing van de vordering voor de school te verstrekkende gevolgen zou
hebben; de school wijst er bovendien zelf op dat de huidige verhouding van
aanmeldingen niet ver van de 50/50 ligt (59 procent vrouw/41 procent man) en
verwacht wordt dat het aantal vrouwen verder zal gaan afnemen.

IV. Slotsom

24. Gelet op een en ander acht het hof bij afweging van de belangen
onvoldoende termen aanwezig de STOF de haar toekomende toewijzing van de
vordering, strekkende tot een verbod op verdere schending van de WGB, te
onthouden. Ook de complexiteit van de zaak of het principiele karakter
daarvan staan aan die toewijzing niet in de weg. Het hof passeert het
bewijsaanbod van de Hotelschool, omdat het hier een kort geding betreft en
dat aanbod bovendien onvoldoende gespecificeerd is, Het hof zal de vordering
toewijzen met ingang van het studiejaar 1993/1994. De gevorderde dwangsom
echter zal worden afgewezen; in het kader van dit kort geding is die
maatregel te zwaar te achten en bij gebreke van nadere toelichting ook
onnodig. de school behoort de kosten van het geding in beide instanties te
dragen.

Beslissing

Het Hof:

vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende:

verbiedt de Hotelschool met ingang van het studiejaar 1993/1994 om bij de
toelating van studenten tot haar school onderscheid tussen mannen en vrouwen
te maken;

wijst af het meer of anders gevorderde;

veroordeelt geintimeerde in de kosten van het geding in beide instanties aan
de zijde van appellante tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 968,05, in
eerste aanleg gespecificeerd als volgt:

-ƒ 187,50 wegens in debet gesteld griffierecht

-ƒ 61,15 wegens kosten van de inleidende dagvaarding

-ƒ 700,00 salaris procureur in eerste aanleg

-ƒ 19,40 uitroepgelden

te betalen aan de griffier van de rechtbank, die daarmee zal handelen
overeenkomstig het bepaalde in artikel 57 Rv;

en in hoger beroep op ƒ 4.508,43 gespecificeerd als volgt:

-ƒ 225,– wegens in debet gesteld griffierecht

-ƒ 58,18 wegens kosten van de appeldagvaarding

-ƒ 4.200,– salaris procureur

-ƒ 25,25 uitroepgelden

te betalen aan de griffier van dit hof, die daarmee zal handelen
overeenkomstig het bepaalde in artikel 57 Rv:

veroordeelt geintimeerde voorts om aan appellante te betalen

-ƒ 137,50 wegens betaald griffierecht.

Verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad

Noot

Op 27 oktober 1992 deed het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage in hoger beroep
uitspraak in de zaak van de Stichting Openbaar feministerie tegen de
Stichting Hotelschool Den Haag. Inzet van het geding was een ergerlijk geval
van seksediscriminatie. De feiten en de juridische context lagen niet
gecompliceerder dan anders. Verrassend was daarom de uitspraak van de kort
gedingrechter in eerste aanleg die – ondanks een eerdere beslissing van de
Commissie gelijke behandeling – de zaak niet zelf afdeed, maar verwees naar
een bodemprocedure (RN 1991, 179 m.nt. Albertien veldman).

De uitslag van het hoger beroep was op zichzelf volkomen voorspelbaar. Een
tweetal punten is evenwel toch de moeite van het aanstippen waard.

In de eerste plaats is het door de Hotelschool gemaakte onderscheid volgens
het hof ‘een schoolvoorbeeld van direct onderscheid’. Of dit inderdaad – in
figuurlijke zin – zo’n voorbeeld is, is toch iets minder vanzelfsprekend dan
wordt aangenomen. Een fifty-fifty toelatingsbeleid is een strikt egalitaire
behandeling van vrouwen en mannen. Als de aanmeldingen van vrouwen onder de
helft zakken, is dit voor hun dus een aantrekkelijke procedure. Het hof heeft
evenwel een ander soort gelijkheid op het oog. Uit de overwegingen onder 20
en 23 blijkt dat er volgens het hof sprake is van verboden sekseonderscheid
indien de kansen in kwestie ongelijk over vrouwen en mannen worden verdeeld.
Dat betekent proportionele gelijkheid. Dus een toelating van vrouwen en
mannen naar rato van het aantal aanmeldingen van beide groepen. Ook in dat
geval kan de toelating echter uitsluitend van de sekse komen af te hangen. En
dat is nu juist wat hof zelf betitelt als een schoolvoorbeeld van door de wet
verboden direct onderscheid (punt dertien). Een proportioneel
toelatingsbeleid werkt met name tegen vrouwen wanneer het vrouwelijke aanbod
beter gekwalificeerd is dan het mannelijk aanbod. Van een echte sekseneutrale
behandeling is pas sprake wanneer toelating uitsluitend van ‘objectieve’
geschiktheidscriteria afhankelijk is. Dat ook een dergelijke procedure veelal
tegen vrouwen werkt is in het verleden maar al te vaak gebleken.

De werkelijke pijn zit hem in het feit dat de school ijskoud een quotum voor
vrouwen vaststelt (want daar komt de fifty- fifty verdeling in de praktijk
op neer), met de denigrerende rechtvaardiging dat een hoog aantal vrouwen het
imago van de opleiding en van het latere beroep zou reduceren. Meer dan een
schoolvoorbeeld van direct onderscheid is deze benadering van vrouwen een
schoolvoorbeeld van seksediscriminatie in pejoratieve zin. Immers een
behandeling van vrouwen als waren zij inferieure wezens.

In de tweede plaats is er de vraag met betrekking tot de interpretatie van
de term ‘eigen aard’ in de uitzonderingsbepaling van art. 4 lid 3 WGB. Het
betoog van de school is uiterst chicaneus. Het komt er op neer, dat de eigen
aard van de instelling is gelegen in haar onderwijsfilosofie (punt zestien
van de uitspraak). Deze filosofie komt er op neer dat een goede voorbereiding
op de arbeidsmarkt door de school alleen kan worden bereikt indien de
maatschappelijke man/vrouw verhoudingen in het leerlingenbestand worden
weerspiegeld. Feitelijk gesproken hangt deze ‘filosofie’ van kolder aan
elkaar. Daar gaat het hier echter niet om. Verwondering wekt de conclusie van
het hof dat de uitzonderingsbepaling ziet op scholen met een onderwijsideaal
die een bijzonder, eigen en herkenbaar karakter hebben en die op een visie
zijn gebaseerd waarmee de school zich van andere vergelijkbare opleidingen
onderscheidt (punt achttien). Dit is een erg ruime formulering. Interpretatie
van de term ‘eigen aard’ in combinatie met het feit dat de
uitzonderingsbepaling in de wet is opgenomen ten behoeve van instellingen van
bijzonder onderwijs wettigt mijns inziens eerder een restrictieve benadering.
Zoals ook uit art. 23 Grondwet blijkt, waarborgt de vrijheid van onderwijs
voor bijzondere scholen primair de vrijheid van richting. Dat wil in dit
verband zeggen de confessionele of levensbeschouwelijke grondslagen van de
instelling in kwestie. De aanstaande Algemene wet gelijke behandeling laat
gelukkig op dit punt geen enkele twijfel open. Immers bij de
uitzonderingsbepalingen in deze wet wordt gesproken over instellingen op
godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag.

Louise Mulder

Rechters

Mrs. De Savornin Lohman, De Boer en Barendsen- Cleveringa

Instantie: Rechtbank Utrecht, 23 oktober 1992

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


AAW; Inkomenseis, Reparatiewet. Het stellen van een inkomenseis is een
vorm van indirecte discriminatie. Rechtvaardigingsgrond zou kunnen zijn:
a. voorkoming van een te vergaande aantasting van het
inkomensdervingsbeginsel en/of b. redenen van budgettaire aard. In casu
acht de rechtbank deze rechtvaardigingsgronden niet aanwezig. Zie ook
uitspraak CRvB 23 juni 1992, RN 1992, nr. 294.1.

Volledige tekst

Aanduiding bestreden beslissing.

Beslissing van verweerder van 27 maart 1991.

2. Terechtzitting.

Datum: 11 september 1992.

Klaagster niet verschenen.

Verweerder verschenen bij gemachtigden mrs. L.E. Mollerus en C.J.G. van
den Berk, juridisch medewerksters bij verweerders bedrijfsvereniging.

Het geding is ter terechtzitting gevoegd behandeld met de zaken nrs. AAW
1991/792, 1991/699. 1991/887, 1991/895, 199/959, 1991/960, 1990/986,
1991/1143, 1991/1664, 1991/662, 1991/961, 1991/744, 1991/852, 1991/856,
1991/862, 1991/898, 1991/899, 1991/945, 1991/946, 1991/947, 1991/948,
1991/9449, 1991,/950, 1991/952, 1991/953, 1991/955, 1991/956, 1991/957,
1991/962, 1991/743, 1991/798, 1991/891, 1991/944 en 1991/645.

3. Feiten.

Klaagster, geboren 20 november 1951, heeft op 10 april 1989 verweerders
bedrijfsvereniging verzocht haar in aanmerking te brengen voor een
uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) terzake
van volgens haar sedert ongeveer 1974 bestaande arbeidsongeschiktheid. Van
de zijde van verweerder is naar aanleiding van klaagsters aanvraag de
Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) om advies gevraagd. De
verzekeringsgeneeskundige van deze dienst heeft in zijn rapportage
algemeen van 22 januari 1990 geconcludeerd dat klaagster per 1 december
1973 blijvend volledig arbeidsongeschikt is te beschouwen. Na daarop
volgend advies van de GMD ontvangen te hebben, heeft verweerder klaagster
bij beslissing van 22 augustus 1990 in aanmerking gebracht voor een
uitkering ingevolge de AAW naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80
tot 100 %. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Centrale Raad van
Beroep (CRvB) van 5 januari 1988 heeft verweerder, overwegende dat
klaagster tot 1 januari 1980 gedurende een periode van 52 weken
onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest, met toepassing van het bepaalde
in artikel 25, tweede lid, eerste volzin, van de AAW de uitkering doen
ingaan per 10 april 1988. In die beslissing is niet aangegeven wanneer die
arbeidsongeschiktheid zou zijn ontstaan.

Bij de bestreden beslissing is die uitkering met ingang van 1 juli 1991
ingetrokken.

Bij klaagschrift van 25 april 1991 heeft klaagster tegen de bestreden
beslissing beroep doen instellen. Namens klaagster is aangevoerd dat
toepassing van artikel IV van de Wet van 3 mei 189, Stb. 126
(Reparatiewet) leidt tot het vermoeden van indirecte discriminatie van
vrouwen ten opzichte van mannen, dat dit vermoeden niet wordt weggenomen
door een rechtvaardigingsgrond en dat evengenoemd artikel in strijd moet
worden geacht met artikel 4, eerste lid, van de Richtlijn van de Raad van
Europese Gemeenschappen van 19 december 1978 (Richtlijn 79/7).

Verweerder heeft op 11 september 1991 van contra-memorie gediend.

4. Bewijsmiddelen.

De gedingstukken alsmede het verhandelde ter terechtzitting.

5. Motivering.

Het onderhavige geding is aanhangig gemaakt bij de raad van beroep te
Utrecht. Inmiddels is op 1 juli 1992 in werking getreden de Wet van 3 juni
1992, Staatsblad 278, strekkende tot integratie van de raden van
beroep/ambtenarengerechten en de arrondissementsrechtbanken. Ingevolge die
wet is de rechtbank met de behandeling van het geding en de hiervoor onder
2. vermelde gedingen belast.

In dit geding heeft de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder
bij de bestreden beslissing terecht en op goede gronden heeft besloten de
aan klaagster toegekende uitkering ingevolge de AAW met ingang van 1 juli
1991 in te trekken. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

5.1. De bestreden beslissing is gebaseerd op het bepaalde in artikel IV,
eerste en derde lid, van de op 4 mei 1989 in werking getreden
Reparatiewet, zoals gewijzigd bij Wet van 4 juli 1990, Stb. 386.

Deze artikelleden luiden als volgt: “-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet van degene wiens arbeidsongeschiktheid is
ingetreden voor 1 januari 1979, wordt ingetrokken indien niet wordt
voldaan aan de vereisten voor het recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 6 van genoemde wet,
zoals dat artikel luidde door inwerkingtreding van de Wet van 20 december
1979, Stb. 708. -3. De intrekking van de arbeidsongeschiktheid, bedoeld
in het eerste lid, vindt plaats met ingang van de eerste dag van de
zesentwintigste kalendermaand volgende op die waarin deze wet in werking
treedt.”

Het bepaalde in vorenaangehaald eerst lid van artikel IV houdt in
-voorzover hier van belang- dat ten aanzien van degene wiens
arbeidsongeschiktheid is ingetreden voor 1 januari 1979 en die geen
jeugdgehandicapte is, alsnog de voorwaarde wordt gesteld dat in het jaar
onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid
een zeker inkomen uit of in verband met het verrichten van arbeid is
verdiend of geacht kan worden te zijn verdiend. Deze zogenaamde
inkomenseis gold tot de inwerkingtreding van de Reparietiewet slechts voor
degenen wier arbeidsongeschiktheid is ingetreden op of na 1 januari 1979.

Aanleiding voor het invoeren van de Reparatiewet vormden de uitspraken van
de CRvB van 5 januari 1988 (Zei RSV 1988, nrs. 104, 198, 199, 200). In die
uitspraken heeft de CRvB enige bepalingen van de Wet van 20 december 1979,
Stb. 708, buiten toepassing gelaten, daar deze een bij artikel 26 van het
BuPo- Verdrag verboden discriminatie -naar geslacht in samenhang met de
echtelijke status -inhielden van bepaalde groepen van voor 1 januari 1979
arbeidsongeschikt geworden vrouwen. Ten gevolge van die uitspraken konden
vrouwen niet langer van het recht op uitkering, ingevolge de AAW worden
uitgesloten indien zij in dezelfde, voor die wet relevant te achten,
omstandigheden verkeerden waaronder een voor 1 januari 1979
arbeidsongeschikt geworden man recht op een zodanige uitkering kon doen
gelden.

De uitspraken van de CRvB leidden er eveneens toe dat -zonder nadere
maatregelen- het recht op uitkering krachtens de AAW voor personen (lees:
met name gehuwde vrouwen), die arbeidsongeschikt zijn geworden voor 1
januari 1979 zou kunnen ontstaan ongeacht de vraag of in het haar daaraan
voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid inkomen is
gederfd. De regering achtte zulks ongewenst, “(
..) enerzijds omdat daarmee het destijds door de regering en parlement
beoogde karakter van de AAW als inkomensdervingsregeling te zeer wordt
aangetast en anderzijds omdat de budgettaire gevolgen zeer aanzienlijk
zouden zijn.’ (zie Memorie van Toelichting (MvT) Tweede Kamer,
vergaderjaar 1987-1988, 20 610n, nr. 3, p. 2). De regering verwachtte
namelijk dat ten gevolge de genoemde uitspraken van de CRvB alsnog 60.000
vrouwen voor een uitkering ingevolge de AAW in aanmerking zouden komen en
schatte, uitgaande van een gemiddeld uitkeringsbedrag van ca. ƒ 18.000,-
a ƒ 20.000,- per jaar de structurele kosten op 1 a 2 miljard gulden en
de eenmalige kosten op 3,1 a 3,3 miljard gulden (zei MvT, p. 14 en de
Memorie van Antwoord (MvA) Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 20 610,
r. 6, p. 7). Ten einde te bereiken dat de budgettaire gevolgen de grenzen
van het aanvaardbare niet zouden overschrijden heeft de regering,
uitgaande van het karakter van de AAW als inkomsdervingsregeling, in het
voorstel van wet voorgesteld de gelijke behandeling, waar de CRvB in zijn
uitspraken van 5 januari 1988 het oog op had gericht, in die zin vorm te
geven dat aan al degenen die voor 1 januari 1979 arbeidsongeschikt zijn
geworden alsnog de eis van feitelijke inkomensderving wordt gesteld (zie
MvT, p. 3 en 5). Uiteindelijk heeft dat voorstel in de artikelen III en
IV van de Reparatiewet zijn beslag gekregen.

5.2. Gebleken is dat klaagster in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan
het intreden van de arbeidsongeschiktheid enig inkomen uit of in verband
met het verrichten van arbeid heeft verdiend, zij het dat het
desbetreffende bedrag minder was dan het vereiste minimum-bedrag als
terzake aangegeven in de Regeling -als bedoeld in artikel V van de
Reparatiewet- d.d. 31 mei 1989 van de Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid, Stcrt. 1989/116 (de Regeling).

Onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 23 juni 1992, AAW
1991/463 (gepubliceerd in PS 1992, nr 579) heeft verweerder ter
terechtzitting aangegeven dat de bestreden beslissing derhalve niet in
stand kan blijven.

In evengenoemde uitspraak heeft de CRvB onder meer beslist dat het tweede
lid van artikel 6 van de AAW, houdende de formule waarmee het bedrag van
de inkomenseis wordt vastgesteld, zich niet verdraagt met artikel 4,
eerste lid, van de Richtlijn 79/7 en met artikel 26 van het BuPo-Verdrag
en heeft voorts met betrekking tot dat artikellid bepaald dat vanaf 23
december 1984 aan artikel 26 van het BuPo-Verdrag rechtstreekse werking
moet worden toegekend.

In de lijn van die uitspraak is de rechtbank van oordeel dat het met
ingang van 4 mei 1989 geldende artikel 1 van de Regeling onverenigbaar is
met artikel 4, eerste lid van de Richtlijn 79/7 en met artikel 26 van het
BuPo-Verdrag, voor zover in dat artikel 1 is geregeld dat personen die in
het refertejaar enig inkomen uit of in verband met het verrichten van
arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven hebben verworven, doch wier
inkomen minder bedroeg dan het voor hen geldende bedrag, voor de
toepassing van artikel 6, tweede lid, van de AAW geacht worden geen
inkomen te hebben verworven.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat in het geval van klaagster aan
het bepaalde in het eerste lid van artikel 6 van de AAW op zich is voldaan
en dat het bepaalde in artikel 1 can de Regeling, en daarmee ook het
bepaalde in het tweede lid van artikel 6 van de AAW, geen toepassing kan
vinden. De bestreden beslissing komt reeds op die grond voor vernietiging
in aanmerking.

5.3. Namens klaagster is er voorts op gewezen dat artikel IV van de
Reparatiewet niet verenigbaar is met het hier te lande geldende
discriminatieverbod.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Artikel 26 van het BuPo-Verdrag luidt in de Nederlandse vertaling: “Allen
zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op
gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet
discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en
doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras,
huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging,
nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere
status.”

Dit artikel is voldoende nauwkeurig om door particulieren voor de
nationale rechter te worden ingeroepen teneinde toepassing van iedere met
dat artikel strijdige bepaling te beletten, opdat -bijvoorbeeld- vrouwen
recht hebben op dezelfde behandeling en op toepassing van dezelfde
regeling als mannen die in dezelfde situatie verkeren.

Aangezien artikel IV van de Reparatiewet geen onderscheid maakt tussen
mannen en vrouwen, kan van deze bepaling niet worden gezegd dat zij direct
discrimineert.

Voor de beantwoording van de vraag of een regeling al dan niet een
verboden indirect onderscheid naar geslacht oplevert, dient eerst antwoord
te worden gegeven op de vraag of de ogenschijnlijk op een neutraal
criterium gebaseerde regeling zodanige effecten sorteert dat in
overwegende mate mannen dan wel vrouwen worden getroffen. Sorteert de
regeling een zodanig effect dat overwegend mannen dan wel vrouwen worden
getroffen dan levert zulks een vermoeden van discriminatie op. Het
vermoeden van discriminatie kan evenwel worden weggenomen, indien het
verschil in behandeling/het onderscheid wordt gerechtvaardigd door
redelijke en objectieve gronden, waaraan iedere gedachte aan discriminatie
vreemd is. Slechts indien een rechtvaardiging als zojuist bedoeld
ontbreekt, is er sprake van indirecte, verboden discriminatie.

De rechtbank acht in de tekst van artikel 26 BuPo-Verdrag geen beletsel
gelegen voor het oordeel dat het hierin neergelegde verbod van
discriminatie eveneens ziet op vormen van indirect discriminatie.
Bovendien is voor de toepasselijkheid van artikel 26 van het BuPo-Verdrag
niet zozeer van belang in welke vorm -direct of indirect- discriminatie
plaatsvindt, maar of de omstandigheid dat een bepaling een bepaalde
categorie personen verhoudingsgewijs veel vaker treft dan overige,
relevant te achten categorieen, noopt tot de conclusie dat die eerste
categorie wordt gediscrimineerd (zie ook de uitspraken van de Raad van
Beroep (RvB) Arnhem d.d. 6 februari 1992, AAW 91/1770, RSV 1992/166, de
RvB Roermond d.d. 12 maart 1991, in onder meer AAW 87/2241B, gepubliceerd
in NJCM-Bulletin 1991, p. 539 e.v. en de RvB Amsterdam d.d. 19 mei 1992,
AAW 91/11.137, niet gepubliceerd). De rechtbank wijst er in dit verband
op dat de CRvB op dezelfde overwegingen, en dus op gelijke wijze, waarmee
hij de vraag beantwoordt of een regeling welke een vermoeden van
discriminatie oplevert, verenigbaar is met het bepaalde in artikel 4,
eerste lid van de Richtlijn 79/7, de vraag naar de verenigbaarheid van die
regeling met het bepaalde in artikel 26 van het BuPo-Verdrag beantwoordt
(zie bijvoorbeeld: CRvB d.d. 23 mei 1991 RSV, 1991/257, CRvB d.d. 21 (lees
6) juni 191, RSV 1991/75 en CRvB d.d. 7 januari 1992, NJCM-Bulletin 1991,
nr. 4, p. 371 e.v., met annotatie). Ook CRvB gaat er kennelijk vanuit dat
artikel 26 van het BuPo-Verdrag eveneens ziet op indirecte discriminatie.
In dit verband kan ook gewezen worden op CRvB d.d. 31 mei 1990, AW
1989/211, AR 1990/211 en CRvB d.d. 23 juni 1992, AAW 1991/463 (PS 1992,
nr. 579).

Met betrekking tot de vraag of de ogenschijnlijk op een neutraal criterium
gebaseerde regeling van artikel IV van de Reparatiewet zodanige effecten
sorteert, dat in overwegende mate mannen dan wel vrouwen worden getroffen,
merkt de rechtbank het volgende op.

In het rapport van de Sociale Verzekeringsraad (SVr) van juni 1991,
betreffende een onderzoek naar de uitvoering van de Reparatiewet en
getiteld “Gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de AAW’, is onder
meer het volgende te lezen: “Uit het onderzoek blijkt dat de gerealiseerde
volume- en financiele effecten van de Repariatiewet-AAW veel geringer zijn
dan door het kabinet geraamd: -In de ramingen werd ervan uitgegaan dat
60.000 gehuwde vrouwen een AAW-uitkering zouden aanvragen en ook zouden
krijgen. In werkelijkheid hebben echter maar 9.289 gehuwde vrouwen een
uitkering aangevraagd voor 4 mei 1989, waarvan ca. 4.300 aanvragen zijn
toegekend. Van de 4.300 gehuwde vrouwen waarbij de aanvraag is toegekend,
voldoen ca. 1.700 gehuwde vrouwen aan de inkomenseis. Per 1 juli 1991
worden dus ca. 1.700 uitkeringen voortgezet. Het kabinet verwachtte dat
minimaal 5.000 gehuwde vrouwen hun AAW-uitkering zouden behouden. -( …)
-Van ca. 5.100 personen (3.300 vrouwen en 1.800 mannen) wordt de
AAW-uitkering per 1 juli 1991 ingetrokken, terwijl het geraamde aantal
2.000 bedroeg.”.

Uit het rapport blijkt voorts (zie p. 21 aldaar) dat onder de
laatstgenoemde groep van 5.100 personen niet is begrepen de eerstgenoemde
groep van (4.300 – 1.700 =) 2.600 personen. Geconcludeerd moet derhalve
worden dat in totaal (2.600 + 3.300 =) 5.900 vrouwen en 1.800 mannen hun
AAW-uitkering op grond van artikel IV van de Reparatiewet verliezen,
althans een beslissing van die strekking van het uitvoeringsorgaan
tegemoet (hebben) kunnen zien.] Nu de regeling van artikel IV van de
Reparatiewet een zodanig verschil in behandeling tussen mannen en vrouwen
laat zien is naar oordeel van de rechtbank sprake van in elk geval een
vermoeden van discriminatie.

De rechtbank staat vervolgens voor de beantwoording van de vraag of het
vermoeden van discriminatie kan worden weggenomen door redelijke en
objectieve gronden, waaraan iedere gedachte aan discriminatie vreemd is.
ofwel, door -kort gezegd- aanwezigheid van rechtvaardigingsgronden.

In beoordelingen van aan hem voorgelegde zaken heeft het Comite voor de
Rechten van de Mens, verder het Comite, geen concrete inhoud gegeven aan
deze rechtvaardigingstoets. Daarbij kan worden opgemerkt, dat in de aan
het Comite voorgelegde zaken veelal de vraag aan de orde is of sprake is
van directe discriminatie (zie met name het oordeel van het Comite in Vos,
RSV 90/172 en Danning, RSV 88/201). Het Hof van Justitie EG (Hof EG) heeft
in gevallen waarin sprake is van een vermoeden van discriminatie de
rechtvaardigingstoetsing toegespitst en een onderscheid in behandeling
alleen geoorloofd geacht indien daarvoor een objectieve reden (een doel)
kan worden aangevoerd, waaraan iedere gedachte aan discriminatie vreemd
is, en bovendien het gekozen middel geschikt en noodzakelijk is om het
doel te bereiken (zie de arresten Teuling-Worms, RSV 1988/172, /bilka
Kaufhaus, Jur. 1986, p. 1607 en Rinner-Kuhn, met name r.o. 14, Nemesis,
1989 nr. 5). Het Hof EG heeft derhalve mede een evenredigheidstoetsing
voor ogen. Het Hof EG staat hierin overigens niet alleen. Ook de voor de
onderhavige materie hoogste nationale rechter, de CRvB, hanteert die
evenredigheidstoetsing en dat zowel wanneer een regeling getoetst wordt
aan het discriminatieverbod van artikel 4, eerste lid van de Richtlijn
79/7 als wanneer een regeling getoetst wordt aan het discriminateiverbod
van artikel 26 van het BuPo-Verdrag. De rechtbank wijst hier op de eerder
genoemde uitspraak van 21 (lees 6) juni 1991 (RSV 1992/75), waarin de
CRvB in overwegingen, die gelet op de “Slotsom” van die uitspraak in het
kader van artikel 4, eerste lid van de Richtlijn 79/9 en in het kader van
artikel 26 van het BuPo-Verdrag zijn te plaatsen, de beoordeling van de
vraag of er rechtvaardigingsgronden bestonden zowel het doel van de AAW
als het middel om dat doel te bereiken heeft betrokken. Deze lijn heeft
de CRvB doorgetrokken in de reeds genoemde uitspraken van 7 januari 1992,
(NJCM-Bulletin 1992, nr. 4) en 23 juni 1992, AAW 1991/463 (PS 1992, nrr.
579).

De laatste aan de orde gestelde vraag tegen het licht van vorenstaande
overwegingen beantwoordend, overweegt de rechtbank het volgende.

Blijkens de hiervoor onder 5.1. kort weergegeven
totstandkomingsgeschiedenis van de Reparatiewet achtte de wetgever het om
budgettaire redenen en uitgaande van het karakter van de AAW als
inkomensdervingsregeling ongewenst – het inkomensdervingbeginsel zou te
zeer worden aangetast- dat ten gevolge van de uitspraken van de CRvB van
5 januari 1988 een grote groep van gehuwde vrouwen, die arbeidsongeschikt
zijn geworden voor 1 januari 1979, recht zou kunnen doen gelden op een
AAW-uitkering ongeacht de vraag of in het jaar daaraan voorafgaande aan
het intreden van de arbeidsongeschiktheid inkomen is gederfd.

Derhalve zou de rechtvaardigingsgrond gevonden dienen te worden: a. in het
voorkomen van een te ver gaande aantasting van het
inkomesdervingsbeginsel, en /of b. in de aangevoerde redenen van
budgettaire aard.

ad a. Bij de onder 5.1. genoemde Wet van 20 december 1979 heeft middels
invoering van de zogeheten inkomenseis het inkomensdervingsbeginsel in de
AAW gestalte gekregen. De wetgever heeft blijkens het bepaalde in artikel
IV van die wet en de ter uitvoering daarvan gegeven uitvoeringsbesluiten
de inkomenseis niet alsnog willen stellen aan degenen, die voor 1 januari
1979 arbeidsongeschikt geworden waren en recht hadden op een uitkering
ingevolge de AAW dan wel daar aanspraak op zouden hebben kunnen maken.
Eerst nadat ten gevolge van de uitspraken van de CRvB van 5 januari 1988
personen (lees met name: gehuwde vrouwen), die voor 1 januari 1979
arbeidsongeschikt geworden waren niet langer konden worden uitgesloten van
een regeling, op grond waarvan andere voor die datum arbeidsongeschikt
geworden personen reeds recht konden doen gelden op een arbeidsongeschikt
geworden personen reeds recht konden doen gelden op een
arbeidsongeschiktheidsuitkeirng, wenste de wetgever, teneinde onder meer
een te ver gaande aantasting van het inkomensdervingsbeginsel te
voorkomen, alsnog de inkomenseis ook aan deze personen te stellen.

In aanmerking nemende dat aan de invoering van het
inkomensdervingsbeginsel budgettaire redenen niet vreemd waren en dat
blijkens het eerder genoemde rapport van de SVr van juni 1991 (zie p. 21
aldaar) voor de uitspraken van de CRvB van 5 januari 1988 reeds 3.3.00
ongehuwde vrouwen en 1.800 mannen niet aan de inkomenseis voldeden, kan
naar oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de toekenning van de
uitkering aan de eveneens in het rapport genoemde groep van (4.300 –
1.700) 2.600 gehuwde vrouwen het inkomensdervingsbeginsel al te zeer
aantastte. De rechtbank merkt hierbij op dat van de groep van 2.600
gehuwde vrouwen ook deel uitmaken gehuwde vrouwen die onder de hier na te
noemen bijzondere groepen van personen geschaard kunnen worden en wier
uitkering per 1 juli 1991 onverminderd is voortgezet.

Bij zijn oordeelsvorming heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen,
dat in artikel 6 lid 1, aanhef en onder b van de AAW de zogenaamde
jeugdhandicapten van de inkomenseis zijn uitgezonderd en dat bij
Koninklijk Besluit van 28 april 1980, Stb. 263, een aantal groepen van
personen een fictief inkomen is toebedeeld. Hoewel er immers van dient te
worden uitgegaan dat de regelingen voor deze bijzondere groepen van
personen niet in relevante zin afbreuk doen aan het
inkomensdervingsbeginsel, moet worden geconstateerd dat de personen uit
deze groepen feitelijk niet aan de inkomenseis voldoen. Voorts kan niet
worden voorbijgegaan aan de Wet van 4 juli 1990, waarbij de datum van de
intrekking van de uitkering met 13 maanden werd verschoven, te weten van
(aanvankelijk) 1 juni 1990 naar 1 juli 1991, maar waarbij artikel III van
de Reparatiewet ongemoeid werd gelaten. Met de inwerkingtreding van de
Reparatiewet en daarmee van artikel III van die wet per 4 mei 1989 werd
namelijk reeds aan de verwachte instroom van personen die voor 1 januari
1979 arbeidsongeschikt waren. geworden en niet voldeden aan de inkomenseis
een halt toegeroepen. Artikel III, terzake waarvan de raad van beroep te
Utrecht in de -partij en bekende – uitspraak van 30 juni 1992, AAW
1990/1300, en de rechtbank in de uitspraak van heden in de zaak AAW
1990/1355 geoordeeld heeft dat het -ook gehouden tegen het licht van
artikel 26 van het BuPo-Verdrag- toepassing kan vinden, houdt immers in
dat personen, die voor 1 januari 1979 arbeidsongeschikt zijn geworden en
een aanvraag om uitkering ingevolge de AAW indienen na 4 mei 1989, nog
slechts een uitkering op grond van die wet wordt verleend als is voldaan
aan de inkomenseis.

ad b. De financiele gevolgen van de uitspraken van de CRvB van 5 januari
1988 speelden, als gezegd, een belangrijke rol bij de totstandkoming van
de Reparatiewet. Het bewaken van budgettaire belangen is op zich zelf een
gerechtvaardigde doelstelling. Blijkens het meergenoemde rapport van de
SVr van juni 1991 vielen de kosten echter veel lager uit, doordat de
instroom aanzienlijk geringer bleek dan verwacht en uiteindelijk slechts
2.600 personen, die niet aan de inkomenseis voldeden, een uitkering werd
toegekend. De kosten hiervan zijn in het rapport van de SVr begroot op ca.
34 miljoen gulden structureel -op jaarbasis- en 360 miljoen gulden
eenmalig. Naar oordeel van de rechtbank zijn enkel deze kosten van belang
om de effecten van de uitspraken van de CRvB van 5 januari 1988 te meten.

Tegenover het feit dat 2.600 gehuwde vrouwen na 5 januari 1988 een
uitkering hebben gekregen zonder te voldoen aan de inkomenseis, staat dat
met de inwerkingtreding van artikel IV van de Reparatiewet op 1 juli 1990
in totaal 7.700 personen hun uitkering verloren. Naast evenbedoelde groep
van 2.600 gehuwde vrouwen behoren daartoe 3.300 vrouwen en 1.800 mannen
aan wie reeds geruime tijd eerder -soms al in 1976- een AAW- uitkering was
toegekend. Hierbij dient, als eerder gezegd, nog te worden bedacht dat van
de groep van 2.600 gehuwde vrouwen ook deel uitmaken gehuwde vrouwen die
onder de genoemde bijzondere groepen van personen geschaard kunnen worden
en wier uitkering per 1 juli 1991 onverminderd is voortgezet.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat, zo al bij
inwerkingtreding van de Reparatiewet sprake was van evenredigheid tussen
het budgettaire doel en het gekozen middel, in elk geval bij de
wetswijziging van 4 juli 1990 evenredigheid tussen dit doel en middel niet
bestond. Het gekozen middel (het aan al degenen die voor 1 januari 1979
arbeidsongeschikt geworden zijn alsnog stellen van de inkomenseis) was
niet geschikt en noodzakelijk om het doel (het beperken van de gevolgen
van de uitspraken van de CRvB van 5 januari 1988) te bereiken. De
rechtbank wijst er hierbij nogmaals op, dat door de inwerkingtreding van
artikel III van de Reparatiewet in mei 1989 aan de instroom ten gevolge
van de uitspraken van de CRvB van 5 januari 1988 een halt was toegeroepen.
De wetgever heeft dit gegeven in 1990 onvoldoende onderkend en heeft
daarom geen aanleiding gezien de in artikel IV beoogde intrekking van
uitkering alsnog achterwege te laten. De rechtbank kan derhalve ook in de
budgettaire redenen geen rechtvaardigingsgrond aanwezig achten. Evenmin
acht de rechtbank zodanige grond aanwezig indien het argument van het
inkomensdervingsbeginsel en de budgettaire redenen in onderling verband
en samenhang worden bezien.

Het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot het oordeel, dat het door
artikel IV van de Reaparatiewet veroorzaakte verschil in behandeling
tussen mannen en vrouwen niet dor redelijke en objectieve gronden wordt
gerechtvaardigd. Het bepaalde in dit artikel dient derhalve wegens strijd
met artikel 26 van het BuPo-Verdrag ten aanzien van klaagster buiten
toepassing te worden gelaten. De bestreden beslissing komt derhalve
eveneens op deze grond voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank kan
en zal gezien het vorenstaande hetgeen overigens van de zijde van
klaagster naar voren is gebracht niet meer beoordelen.

6. Beslissing.

De rechtbank te Utrecht,

Recht doende,

Verklaart het beroep gegrond, Vernietigt de bestreden beslissing.

Gelast dat verweerder aan klaagster het ingevolge artikel 80a van de
Beroepswet gestorte recht van ƒ 25,= vergoedt.

Rechters

mrs. L.A.J. Nuijten, G.C. van Gelein Vitringa- Boudewijnse en A.A.H.Schifferstein

Instantie: Rechtbank Zwolle, 22 oktober 1992

Instantie

Rechtbank Zwolle

Samenvatting


Klaagster werkt van 1966 tot 30 september 1982 voor
circa twintig uren per week, waarna zij aansluitend tot eind
maart 1983 WW-uitkering heeft. In maart 1983 informeert zij
bij de G.S.D. of zij in aanmerking komt voor WWV-uitkering.
Haar wordt mondeling meegedeeld dat zij daar geen recht op
heeft, omdat zij geen kostwinster in de zin van de WWV is. Op
20 november 1989 dient klaagster alsnog een schriftelijke
aanvraag voor een WWV-uitkering in terzake van haar op 30
september 1982 ingegane werkloosheid. Op dat moment is zij
echter volledig arbeidsongeschikt, zodat zij op grond van art.
13 lid 1a WWV geen recht op uitkering heeft. Klaagster voert
in beroep aan dat de uitkering op 23 december 1984 dient in te
gaan.

De Rechtbank Zwolle verklaart het beroep gegrond omdat
onvoldoende onderzocht is of er ‘voldoende termen’ als bedoeld
in art. 18 WWV aanwezig zijn om de uitkering op een eerder
tijdstip te laten ingaan.

Volledige tekst

1. Aanduiding bestreden beslissing

Beslissing van verweerder d.d. 14 maart 1991.

2. Terechtzitting

Datum: 1 oktober 1992.

Klaagster is verschenen bijgestaan door mw mr A.J.T. van
Tilborg.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde Th. de Boer.

3. Feiten welke de rechtbank als vaststaande aanneemt

Klaagster is van 1966 tot en met 29 september 1982 werkzaam
geweest als kantinemedewerkster – schoonmaakster bij ter Horst
& Co. te Rijssen, gedurende 20,25 uur per week. Op 30
september 1982 is zij werkloos geworden. Zij heeft uit diende
hoofde tot eind maart 1983 een uitkering ingevolge de
Werkloosheidswet genoten.

Klaagster heeft zich in de loop van de maand maart 1983 tot de
gemeente Rijssen gewend om te bezien of zij aansluitend
aanspraak had op een uitkering uit hoofde van de Wet
Werkloosheidsvoorziening (WWV). Klaagster heeft er toen
evenwel van afgezien een schriftelijke aanvraag voor een WWV-
uitkering in te dienen, omdat zij er op grond van de haar
verstrekte informatie van de betrokken ambtenaar van overtuigd
was dat zij niet voldeed aan het kostwinnersvereiste.

Per 26 oktober 1986 is klaagster gedurende 11,5 uur per week
gaan werken als schoonmaakster bij Cemsto BV. Begin januari
1988 heeft klaagster haar werk als schoonmaakster wegens
ziekte gestaakt. Met ingang van 7 januari 1989 heeft klaagster
een uitkering ingevolge de AAW, respectievelijk de WAO,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 – 100
procent.

Op 20 november 1989 heeft klaagster alsnog bij verweerder
schriftelijk een WWV-uitkering aangevraagd terzake van haar op
30 september 1982 ontstane werkloosheid.

Bij beslissing van 22 november 1990, verzonden 11 december
1990, heeft verweerder klaagsters aanvraag afgewezen.
Klaagster heeft tegen dit besluit bij schrijven van 4 januari
1991 bezwaar aangetekend. Bij de thans bestreden beslissing
d.d. 14 maart 1991 heeft verweerder klaagsters bezwaren
ongegrond verklaard en de primaire beslissing gehandhaafd.
Verweerder heeft daarbij overwogen:

‘ Wij hebben u in uw bezwaren ontvankelijk verklaard. Uw
bezwaar hebben wij ongegrond verklaard. Uit geen enkel
schriftelijk stuk blijkt dat u voor 23 december 1984 uitkering
WWV hebt aangevraagd. Uw ingangsdatum kan dus niet eerder zijn
dan de datum aanvraag. Aangezien u echter na 1 januari 1987
opnieuw werkloos bent geworden, bestaat er geen recht op
WWV.’

Klaagster heeft zich met deze beslissing niet kunnen verenigen
en heeft daartegen bij schrijven van haar gemachtigde d.d. 12
april 1991 beroep ingesteld. Bij schrijven van 21 mei 1991
heeft klaagsters gemachtigde de gronden van het beroep nader
aangevuld.

Verweerder heeft bij schrijven van 2 juli 1991 een contra-
memorie ingediend.

Het geschil is behandeld in de zitting van de meervoudige
kamer van de rechtbank d.d. 1 oktober 1992.

4. Bewijsmiddelen

De gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting.

5. Motivering

In dit geschil moet de vraag worden beantwoord of verweerder
terecht heeft geweigerd klaagster in aanmerking te brengen
voor een uitkering uit hoofde van de WWV, terzake van haar op
30 september 1982 ontstane werkloosheid.

Verweerder heeft deze weigering primair gebaseerd op de
overweging dat klaagster ten tijde van haar aanvraag, te weten
29 november 1989, niet aan de vereisten voor een WWV-uitkering
voldeed. Dit standpunt wordt door klaagster niet betwist.
Klaagster meent evenwel dat verweerder de uitkering op een
eerdere datum, namelijk 23 december 1984 had moeten laten
ingaan. Klaagster heeft daartoe aangevoerd dat zij reeds voor
23 december 1984 een aanvraag heeft ingediend, zij het niet
schriftelijk en dat het niet redelijk is dat haar dat thans
wordt tegengeworpen. Ook is van de zijde van klaagster het
standpunt ingenomen dat verweerder in het onderhavige geval
toepassing had moeten geven aan het bepaalde in artikel 18,
eerste lid, tweede volzin van de WWV, en de uitkering op een
eerdere datum dan 20 november 1989 had moeten laten ingaan.

De rechtbank zal zich tot deze beide punten van geschil
beperken.

a. De aanvraag

Ingevolge het bepaalde in artikel 20 van de WWV wordt een
uitkering aangevraagd op een formulier dat aan speciale
voorschriften moet voldoen. Doel van deze regeling is, dat het
college van burgemeester en wethouders aldus de beschikking
krijgt over de noodzakelijke gegevens om over de aanvraag te
kunnen beslissen. Het voert dan ook te ver om een bezoek van
klaagster aan de gemeente en een mondeling gedaan verzoek om
informatie met betrekking tot een eventuele aanspraak op
uitkering aan een aanvraag als bedoeld in artikel 20 van de
WWV gelijk te stellen.

Ook heeft de rechtbank, anders dan klaagsters raadsvrouwe,
geen aanleiding om te oordelen dat klaagster destijds van het
indienen van een aanvraag is afgehouden, bijvoorbeeld doordat
verweerder zou hebben geweigerd een dergelijke aanvraag in
behandeling te nemen. In hetgeen klaagsters gemachtigde op dit
punt heeft aangevoerd heeft de rechtbank dan ook geen grond
gevonden om verweerders standpunt dat klaagster terzake van
haar op 30 september 1982 ontstane werkloosheid niet eerder
dan 20 november 1989 een aanvraag heeft ingediend voor onjuist
te houden.

b. De ingangsdatum van de uitkering

Ingevolge het bepaalde in artikel 18 van de WWV gaat de
uitkering niet eerder in dan op de dag van indiening van de
aanvraag, tenzij voldoende termen aanwezig zijn de uitkering
op een vroeger tijdstip te doen ingaan.

Tussen partijen is niet in geschil dat klaagster ten tijde van
het indienen van de aanvraag, 20 november 1989, volledig
arbeidsongeschikt was en om die reden niet in aanmerking kon
komen voor een WWV-uitkering. Klaagster heeft echter bij
gelegenheid van de behandeling van het bezwaarschrift doen
bepleiten dat verweerder toepassing diende te geven aan het
bepaalde in de tweede volzin van artikel 18, en de uitkering
op een eerder tijdstip, namelijk 23 december 1984, had moeten
laten ingaan.

Verweerder meent evenwel dat in het onderhavige geval genoemde
uitzondering op de algemene regel met betrekking tot de
ingangsdatum toepassing mist. Bij contramemorie heeft
verweerder hieromtrent onder meer opgemerkt:

‘De controversiele ingangsdatum van 23 december 1984 voor
iedereen is tijdens de parlementaire behandeling uitgebreid
aan de orde geweest in zowel de Tweede als de Eerste Kamer,
gelet op de circulaire van 8 maart 1991, respectievelijk 22
mei 1991 van het Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. In de tweede Kamer is een motie daarover
verworpen en de Eerste Kamer is ook over de aanvankelijke
bedenkingen heengestapt. Nu wij de beslissing volgens de
wettelijke bepalingen hebben genomen, kan in casu niet de
ingangsdatum van 23 december 1984 gehanteerd worden.’

Ook ter terechtzitting heeft de gemachtigde van verweerder
nogmaals onderstreept dat het blijkens de parlementaire
geschiedenis van de Wet tot wijziging van de Wet van 24 april
1985, hierna aan te duiden als de tweede wijzigingswet WWV,
niet de bedoeling van de wetgever is geweest in gevallen als
de onderhavige 23 december 1984 als ingangsdatum van de
uitkering te hanteren. voorts heeft verweerder, circulaires
van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 8 maart 1991, respectievelijk 22 mei 1991 en naar de bij
deze circulaires gevoegde stukken die betrekking hebben op de
parlementaire behandeling van de Wijzigingswet van juni 1991.

De rechtbank merkt vooreerst op dat de tweede wijzigingswet
WWV tot stand is gekomen nadat het Hof van Justitie van de EEG
in zijn arrest van 8 maart 1988 inzake Dik c.s., zaak 80/87,
als zijn oordeel heeft uitgesproken dat de eerste wijziging
van de WWV, tot stand gebracht bij wet van 24 april 1985 en
bedoeld om de bepalingen van de WWV alsnog in overeenstemming
te brengen met richtlijn 79/7 (de zogeheten Derde richtlijn),
ten opzichte van de groep vrouwen, niet zijnde kostwinner,
wier werkloosheid was ontstaan voor 23 december 1982, geen
recht deed aan de aanspraken die zij na 23 december 1984
alsnog op grond van de Derde richtlijn aan de WWV hadden
kunnen ontlenen, en nadat de Centrale Raad van Beroep in een
tweetal uitspraken d.dis 10 mei 1989, respectievelijk 19 mei
1989 had uitgesproken dat gehuwde vrouwen, niet zijnde
kostwinner, terzake van voor 23 december 1984 ontstane
werkloosheid na die datum op dezelfde voet als mannen
aanspraak konden maken op een uitkering ingevolge de WWV over
de voor hen geldende maximale uitkeringstermijn. Voor de groep
vrouwen waartoe klaagster behoort is daarmee eerst in de loop
van 1989 duidelijk geworden dat ook zij terzake van hun voor
23 december 1984 ontstane werkloosheid aanspraak op een
uitkering uit hoofde van de WWV konden maken. Voor die tijd
gold ten aanzien van deze vrouwen het bepaalde in artikel II
van de Wet tot wijziging van de WWV d.d. 24 april 1985,
waardoor ten aanzien van het zogeheten kostwinnersvereiste,
neergelegd in artikel 13, eerste lid onder 1 van de WWV, zijn
gelding had behouden.

Voorts merkt de rechtbank op dat hij verweerder niet kan
volgen in zijn standpunt dat het de bedoeling van de wetgever
zou zijn dat voor bedoelde categorie vrouwen stelselmatig de
datum van indiening van de aanvraag als ingangsdatum moet
worden gehanteerd en dat er derhalve geen plaats meer is voor
de vraag of in voorkomend geval voldoende termen aanwezig zijn
om uit te gaan van een eerdere ingangsdatum. Dit komt immers
de facto neer op het buiten werking stellen van het bepaalde
in de tweede volzin van artikel 18 van de WWV. Voor een
dergelijk buiten werking stellen valt naar het oordeel van de
rechtbank noch in de tekst van de tweede wijzigingswet WWV
zelf, noch in de parlementaire geschiedenis van die wet een
aanknopingspunt te vinden. Integendeel, de Staatssecretaris
heeft zich bij Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel, en
bij gelegenheid van Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer
op dit punt steeds uitgelaten in die zin, dat de normale
regeling van artikel 18 toepassing zou moeten vinden. Vanuit
de Tweede Kamer, en later vanuit de Eerste Kamer, is inderdaad
aangedrongen op een regeling welke erin voorzag in alle
gevallen uit te gaan van 23 december 1982 als ingangsdatum.
Het feit dat een motie van die strekking is ingetrokken, houdt
echter naar het oordeel van de rechtbank nog niet in, dat niet
in voorkomend geval, overeenkomstig de normale toepassing van
artikel 18 van de WWV, zou kunnen en moeten worden onderzocht
of er in de concrete omstandigheden van het geval voldoende
termen zijn om de uitkering op een eerder tijdstip dan de
datum van indiening van de aanvraag te doen ingaan.

Ook het standpunt van de Staatssecretaris dat de
jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep tot deze
conclusie leidt, acht de rechtbank niet juist. Op de eerste
plaats gaan de door de Centrale Raad van Beroep d.dis 10 mei,
respectievelijk 19 mei 1989 over een geheel andere vraag dan
hier aan de orde. De rechtbank heeft dan ook in die uitspraken
geen aanwijzingen gelezen dat in de onderhavige gevallen aan
artikel 18 van de WWV niet de volledige werking zou moeten
worden toegekend. Op de tweede plaats is daarvoor naar het
oordeel van de rechtbank in het door de Centrale Raad van
Beroep in genoemde uitspraken uiteengezette systeem van de
WWV, dat de mogelijkheid biedt de uitkering op een later, meer
gunstig tijdstip, aan te vragen, ook geen reden.

De regeling van artikel 18 dwingt immers niet tot het eerder
doen ingaan van de uitkering dan de datum waarop de aanvraag
is ingediend, maar opent slechts de mogelijkheid daartoe
wanneer de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven.
Ook latere jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
biedt geen steun voor het standpunt van de Staatssecretaris.

De rechtbank verwijst van CrvB 6 maart 1991, WWV 1990/53 (JSV
1991, nr. 131) en CrvB 13 december 1991, WWV 1991/6 (JSV 1992,
nr. 18). Nu verweerder blijkens de bestreden beslissing niet
is toegekomen aan een onderzoek naar de vraag of in het
voorliggende geval sprake was van ‘voldoende termen’, berust
de bestreden beslissing op een onjuiste, c.q. onvoldoende
grondslag en dient te worden vernietigd. Verweerder zal
opnieuw moeten beslissen op klaagsters aanvraag. Ten
overvloede merkt de rechtbank nog op dat verweerder bij die
beoordeling buiten de omstandigheid dat klaagster een
aanmerkelijk belang heeft bij een eerdere ingangsdatum ook het
feit zal moeten betrekken dat, zoals hierboven uiteengezet, de
wetgeving tot 12 juni 1991, in strijd met de verplichtingen
voortvloeiend uit het EEG-verdrag en de Derde EEG-richtlijn,
niet was aangepast aan de eisen van gelijke behandeling van
mannen en vrouwen, voortvloeiend uit de Derde EEG-richtlijn,
en dat de Nederlandse wetgever in dit opzicht in gebreke is
gebleven. Voorts zal aandacht moeten worden geschonken aan het
feit, eveneens hiervoor aangehaald, dat voor de hier bedoelde
groep vrouwen, en ook voor klaagster, niet eerder dan in 1989
duidelijk was dat ook zij sedert 23 december 1984 aanspraak op
een WWV-uitkering hadden kunnen maken wegens eerder ontstane
werkloosheid. De rechtbank ziet dan ook bij deze groep van
vrouwen in dit opzicht een overeenkomst met de weduwnaars,
voor wie eerst op 7 december 1988 duidelijk werd dat zij
aanspraak konden maken op een weduwnaarspensioen ingevolge de
algemene Weduwen- en Wezenwet. De rechtbank wijst dan ook in
dit verband op de uitspraak van 30 januari 1991 van de
Centrale Raad van Beroep inzake de vraag of aan deze groep
AWW-gerechtigden met terugwerkende kracht tot aan de datum van
het ontstaan van het recht uitkering kon worden verleend,
waarin de Centrale Raad onder meer het volgende heeft
overwogen:

‘In de periode voorafgaande aan de meergenoemde uitspraken van
de Raad van 7 december 1988, bestond er grote onzekerheid over
het antwoord op de vraag of weduwnaars aanspraak konden maken
op uitkeringen ingevolge de AWW. Deze onzekerheid werd in het
bijzonder veroorzaakt door de toentertijd bestaande
onduidelijkheid over het bereik van de desbetreffende supra-
en internationaalrechtelijke normen. Gelet op deze
omstandigheid, acht de Raad een bijzonder geval aanwezig’.

6. Inhoud der uitspraak

De Arrondissementsrechtbank te Zwolle,

RECHT DOENDE:

-verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de bestreden beslissing;

-verstaat dat verweerder opnieuw op klaagsters aanvraag om een
uitkering ingevolge WWV een beslissing neemt, met inachtneming
van hetgeen daaromtrent in deze uitspraak is overwogen;

-bepaalt dat verweerder aan klaagster het door haar betaalde
griffierecht ad. ƒ 25 vergoedt.

Rechters

Mrs. Effting-Zeguers, Lammertsma-van der Heij enPach

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 21 oktober 1992

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Belanghebbende stelt de vraag aan de orde of de belastingvrije sommen
in de Wet op de inkomstenbelasting een verboden discriminatie van
alleenstaanden ten opzichte van alleenstaande verzorgende ouders en
alleenverdieners inhoudt, doordat voor hen niet een verhoging van de
algemene belastingvrije som geldt. Nee, zegt de Hoge Raad, de wetgever kon
in redelijkheid oordelen dat uit het oogpunt van draagkracht een verschil
in belastingvrije sommen gerechtvaardigd is.

Evenmin steunt de Raad de door belanghebbende verdedigde opvatting dat
sprake is van verboden discriminatie ten opzichte van tweeverdieners,
omdat de belastingvrije som van beiden gelijk is, terwijl hun situatie uit
het oogpunt van draagkracht verschillend is. De Raad meent dat voor zover
als gevolg van die keuze uit het oogpunt van draagkracht sprake is van een
gelijke behandeling van ongelijke gevallen, de wetgever in redelijkheid
heeft kunnen oordelen dat voor die behandeling de uitvoerbaarheid van de
wetgeving een objectieve en redelijke rechtvaardiging biedt.

Volledige tekst

1. Inhouding, bezwaar en geding voor het Hof

Van belanghebbende is over het tijdvak januari 1990 een bedrag aan
loonbelasting ingehouden. Het tegen het ingehouden bedrag gemaakte bezwaar
is bij uitspraak van de Inspecteur afgewezen.

Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen
bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd.

De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan
deel uit.

De Staatssecretaris van Financien heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie is de vraag aan de orde of de regeling van de
belastingvrije sommen in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die
regeling met ingang van 1 januari 1990 is gaan luiden, een door artikel
26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke
rechten van 16 december 1966, Trb. 1975, nr. 60, (hierna IVBPR) verboden
discriminatie van alleenstaanden inhoudt doordat voor hen niet een
verhoging van de algemene belastingvrije som geldt.

3.2. Het hof heeft bij vergelijking van de regeling van de belastingvrije
sommen voor alleenstaanden met die voor alleenstaande verzorgende ouders
en alleenverdieners – voor welke laatste groepen in een verhoging van de
algemene belastingvrije som is voorzien – een door artikel 26 IVBPR
verboden discriminatie niet aanwezig geacht. Dit oordeel is juist. Voor
alleenstaande verzorgende ouders en alleenverdieners brengt de
aanwezigheid van gezinsleden financiele lasten mee, welke alleenstaanden
niet hebben. Op grond hiervan kon de wetgever in redelijkheid oordelen dat
uit een oogpunt van draagkracht een verschil in belastingvrije sommen
gerechtvaardigd is. De klacht dat de wetgever aan alleenstaande
verzorgende ouders en alleenverdieners, vergeleken met alleenstaanden, een
zodanig hoge belastingvrije som heeft toegekend dat, hoewel niet sprake
is van gelijke gevallen, niettemin zich een door artikel 26 IVBPR verboden
discriminatie voordoet, faalt evenzeer. Discriminatie op grond dat
ongelijke gevallen onevenredig ongelijk worden behandeld, doet zich
slechts voor bij een overduidelijke onevenredigheid. Daarvan is hier geen
sprake, nog daargelaten of het verhelpen van zodanige ongelijke
behandeling de rechtsvormende taak van de rechter niet te buiten zou gaan.
Mitsdien falen de middelen onder I en II voor zover zij de juistheid
bestrijden van ’s hofs oordeel. Voor zover zij klagen over onvoldoende
motivering van dit oordeel falen zij eveneens, aangezien een rechtsoordeel
niet met vrucht kan worden bestreden met motiveringsklachten.

3.3. Middel II is in zoverre gegrond dat daarin aan het hof terecht wordt
verweten dat het geen oordeel heeft gegeven over de door belanghebbende
verdedigde opvatting dat sprake is van een door artikel 26 IVBPR verboden
discriminatie doordat aan alleenstaanden dezelfde belastingvrije som
toekomt als aan tweeverdieners, hoewel hun situatie uit een oogpunt van
draagkracht verschillend is. Tot cassatie kan dit echter niet leiden,
aangezien die opvatting niet als juist kan worden aanvaard. Zoals blijkt
uit de door het hof vermelde wetsgeschiedenis heeft de wetgever vooral om
redenen van uitvoerbaarheid van de wetgeving ervoor gekozen aan
alleenstaanden geen verhoging van de algemene belastingvrije som toe te
kennen en aan tweeverdieners niet een lagere belastingvrije som dan de
algemene belastingvrije som. Voor zover als gevolg van die keuze uit een
oogpunt van draagkracht sprake is van een gelijke behandeling van
ongelijke gevallen, heeft de wetgever in redelijkheid kunnen oordelen dat
voor die behandeling de uitvoerbaarheid van de wetgeving een objectieve
en redelijke rechtvaardiging biedt. Onder die omstandigheid is van een
door artikel 26 IVBPR verboden discriminatie geen sprake.

3.4. Het hof heeft met juistheid geoordeeld dat het ontbreken van een
verhoging van de belastingvrije som voor alleenstaanden niet in strijd is
met artikel 1 van het Eerste Protocol behorende bij het Europees verdrag
tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
van 4 november 1950, Trb. 1951, 154, (hierna: EVRM), voor zover daarin het
recht op ongestoord genot van eigendom is vastgelegd. Deze bepaling tast
immers uitdrukkelijk niet het recht van de verdragsluitende staten aan om
belastingen te heffen, mits daarbij de in het EVRM gegarandeerde rechten
worden gerespecteerd. Voor zover in middel III de juistheid van het hier
bedoelde oordeel van het hof wordt bestreden, faalt het derhalve. Het
faalt ook voor zover het klaagt over onvoldoende motivering van dit
oordeel, aangezien het hier om een rechtsoordeel gaat, dat niet met vrucht
met motiveringsklachten kan worden bestreden.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechters

Mrs. Stoffer, Wildeboer, Zuurmond, Herrmann, Fleers.

Instantie: President Rechtbank Haarlem, 16 oktober 1992

Instantie

President Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Vordering ƒ 10.000,= per eiseres voorschot immateriele schadevergoeding.
Gedaagde, vader van eiseressen, heeft seksueel misbruik erkend. Vanwege
verjaring is strafrechtelijke procedure niet mogelijk. Eiseressen streven
er naar, naast een veroordeling tot vergoeding van immateriele schade,
impliciet erkenning van het aangedane leed te krijgen. Zo’n erkenning kan,
naar valt aan te nemen in het algemeen de verwerking van het in het
verleden ondergane leed bespoedigen. In dit schadebeperkende effect is dan
ook reeds een voldoende spoedeisend belang gelegen. Toewijzing ƒ 3000,=
per eiseres.

Volledige tekst

1. Verloop van de procedure In conventie en in reconventie 1.1. Ter
terechtzitting van 6 oktober 1992 hebben eisers overeenkomstig de
inleidende dagvaarding gesteld en gevorderd als hierna sub 2.2 vermeld.
1.2. Gedaagde heeft zich tegen de vordering verweerd. Vervolgens heeft hij
bij conclusie van eis in reconventie gevorderd zoals hierna onder 2.4.
vermeld. Na verder debat in tweede termijn hebben partijen onder
overlegging van de stukken vonnis gevraagd. De uitspraak daarvan is
bepaald op heden.

2. Het geschil van partijen 2.1. De vaststaande feiten In conventie en in
reconventie In dit geding kan van het volgende worden uitgegaan. a.
Eiseressen in conventie sub 1, 2, en 3 zijn dochters van gedaagde, B
Eiseres sub 1, W, is 36 jaar oud. Eiseres sub 2, I, is 33 jaar oud.
Eiseres sub 3, M, is 32 jaar oud. b. Eiseressen in conventie hebben op 15
september 1992 conservatoir beslag gelegd op de auto van B en op de
inboedel van zijn woning en, onder de ING Bank N.V. te Amsterdam, op zijn
bankrekening. Op 18 september 1992 hebben eiseressen in conventie onder
de werkgever conservatoir beslag gelegd op het loon van B

2.2. De vordering met de grondslag daarvan In conventie

2.2.1. eiseressen vorderen, nadat zij ter zitting hun vordering hebben
verminderd, ieder voor zich betaling van een geldbedrag van ƒ 10.000,= van
B als voorschot op de in de bodemprocedure te vorderen schadevergoeding.

2.2.2. W stelt, dat B van haar zesde tot zestiende jaar regelmatig
geslachtsgemeenschap met haar heeft gehad en met haar ontucht heeft
gepleegd. Door die feiten is zeer ernstig inbreuk gemaakt op haar
lichamelijke integriteit. Als gevolg daarvan heeft zij (immateriele)
schade geleden.

2.2.3. Zij voert voorts aan, dat de feiten onder toepassing van dwang en
(dreiging) met geweld plaatsgevonden heeft en dat ze daarbij mishandeld
is. Een en ander heeft psychische en lichamelijke klachten tengevolge,
waarvoor zij onder behandeling is van een gynaecoloog en een psychiater.

2.2.4. I stelt, dat B van haar tiende tot haar veertiende jaar ontucht met
haar heeft gepleegd en geslachtsgemeenschap met haar heeft gehad. Hierdoor
is zeer ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit. Als gevolg
daarvan heeft zij (immateriele) schade geleden.

2.2.5. Zij voert aan, dat de gepleegde ontucht onder toepassing van dwang
en (dreiging) met geweld plaatsgevonden heeft. Ook voor haar zijn
lichamelijke en psychische klachten het gevolg, waarvoor zij onder
behandeling is van een gynaecoloog en psychiater.

2.2.6. M stelt, dat B van haar achtste tot haar tiende jaar onder
toepassing van dwang en dreiging met geweld ontucht met haar heeft
gepleegd. Door dit feit is zeer ernstig inbreuk gemaakt op haar
lichamelijke integriteit. Als gevolg daarvan heeft zij (immateriele)
schade geleden. Gedaagde is daarmee de oorzaak van de lichamelijke en
psychische klachten, welke in de dagvaarding nader omschreven staan.

2.2.7. Eiseressen stellen, dat gedaagde bij brief d.d. 31 maart 1992 aan
alle drie eiseressen heeft erkend schuld te hebben aan wat in het verleden
is gebeurd. Eiseressen stellen dat een voorschot op de schadevergoeding
bijdraagt aan het genezings- en verwerkingsproces.

2.3. Het verweer In conventie

2.3.1. Primair voert gedaagde aan, dat eiseressen hun belang bij een
spoedeisend voorziening niet hebben aangetoond.

2.3.2. Gedaagde heeft erkend dat hij met W geslachtsgemeenschap heeft
gehad tussen haar dertiende en haar zestiende jaar. Hij heeft erkend dat
hij E tussen haar tiende en haar veertiende jaar herhaalde malen aan haar
geslachtsdelen heeft betast. Hij betwist de overige door eiseressen ten
grondslag gelegde feitelijke handelingen, Hij betwist, dat de door hem
gepleegde feiten de door eiseressen gestelde schade tot gevolg heeft. Hij
acht in verband met het voorgaande deskundigenonderzoek noodzakelijk. De
zaak is daarom te ingewikkeld en leent zich niet voor behandeling in kort
geding. Subsidiair acht gedaagde de gevorderde schadevergoeding niet
toewijsbaar, omdat eiseressen hun stellingen onvoldoende aannemelijk
hebben gemaakt. Meer subsidiair meent gedaagde dat eiseressen het verband
tussen de geleden schade en de gevorderde bedragen niet aangetoond hebben.

2.3.3. Gedaagde beroept zich er in ieder geval op, dat zijn gedrag hem
niet mag worden toegerekend, omdat hij heeft gehandeld onder invloed van
een psychische stoornis.

2.3.4. Uiterst subsidiair voert gedaagde als verweer, dat hij bij
toewijzing van de gevorderde bedragen tot de bedelstaf is gaan gebracht
zal worden. Hij verzoekt bij de vaststelling van de hoogte van de toe te
wijzen voorschotten rekening te houden met zijn financiele draagkracht.

2.4. De vordering in reconventie

2.4.1. Eiser vordert opheffing van de door verweersters gelegde beslagen,
omdat zij onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij een vordering op
hem hebben. Subsidiair acht hij de gelegde beslagen onrechtmatig, omdat
zij uitsluitend zijn gelegd met het doel om hem te treffen. Meer
subsidiair voert hij aan, dat de gelegde beslagen onredelijk zware
gevolgen voor hem en zijn echtgenote hebben.

2.5. Het verweer in reconventie

2.5.1. Verweersters achten hun vordering summier aannemelijk gemaakt en
betwisten het vexatoire karakter van de beslagen.

3. Beoordeling van het geschil. In conventie

3.1. De vraag die het eerst beantwoording behoeft, is die of eiseressen,
gelet op de stand waarin de procedure zich thans bevindt, en gelet op het
verstreken tijdsverloop sedert de feiten die aan de vorderingen ten
grondslag zijn gelegd hebben plaatsgevonden, nog een voldoende spoedeisend
belang bij hun vordering hebben. Eisseressen streven ernaar om behalve een
veroordeling tot vergoeding van immateriele schade, impliciet ‘erkenning’
van het aangedane leed te krijgen, waarbij op de voorgrond staat dat
gedaagde als vergelding voor het hen aangedane leed zich materiele
ontzegging zal moeten getroosten. Deze motieven dienen te worden
gerespecteerd, mede omdat de gepleegde feiten volgens het strafrecht
verjaard zijn en gedaagde daarom vrijuit zou gaan. Zo’n erkenning kan,
naar valt aan te nemen, in het algemeen de verwerking van het in het
verleden ondergane leed bespoedigen. In dit schadebeperkend effect is dan
ook reeds een voldoende spoedeisend belang van eiseressen gelegen. Het
verweer dat eiseressen enkel op wraakneming uit zijn treft daarom geen
doel. Het verweer met betrekking tot het tijdsverloop sedert de gepleegde
handelingen is irrelevant, omdat van algemene bekendheid is, dat
slachtoffers van seksueel misbruik zeer lange tijd nodig kunnen hebben om
zover te komen dat zij enige vorm van schadevergoeding kunnen en willen
eisen, en omdat gedaagde aan het inmiddels verstreken tijdsverloop geen
verwachting kan ontlenen dat hij in verband met deze feiten niet meer in
rechte zal worden betrokken.

3.3. Gedaagde bestrijd, dat de door eiseressen gestelde klachten direct
ten gevolge van het seksueel contact en de gepleegde ontuchtige handelingen
tussen gedaagde en eiseressen ontstaan zijn. In een procedure als de
onderhavige is het echter niet doenlijk en niet onder alle omstandigheden
noodzakelijk dat de eisende partij juridisch sluitend bewijs bijbrengt van
de gestelde feiten. Ter onderbouwing van de gevorderde schadevergoeding
beroepen eiseressen zich op medische verklaringen van (huis)artsen, een
maatschappelijk werkster, het in het geding gebrachte stuk getiteld ‘eigen
verhaal’ van eiseressen en de door gedaagde in zijn brief d.d. 31 maart
1992 betuigde spijt voor het verleden. Deze produkties in onderling
verband en samenhang gezien, mede gelet op de door gedaagde in dit geding
erkende feiten, rechtvaardigen de gevolgtrekkking dat buiten redelijke
twijfel is, dat de bodemrechter zal oordelen dat gedaagde zich aan
incestueze handelingen heeft schuldig gemaakt en mitsdien
schadevergoedingsplichtig is.

3.4. Daar van algemene bekendheid is dat incest lichamelijke en psychische
gevolgen heeft voor slachtoffers daarvan en dat deze schade zich na lange
tijd nog kan manifesteren, kan in kort geding in beginsel een voorschot
op schadevergoeding toegekend worden. Zelfs indien zou moeten worden
uitgegaan van de ernst en de duur van het door eiseressen in hun jeugd
ondergane seksueel misbruik als door gedaagde is erkend, is op voorhand
voldoende aannemelijk geworden dat eiseressen als gevolg daarvan ernstige
immateriele schade hebben geleden en thans nog lijden.

3.5. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat een voorschot op de
door eiseressen geleden immateriele schade toewijsbaar is, zij het
gematigd. Enerzijds rekening houdend met gedaagdes financiele draagkracht
zoals uit de overgelegde produkties gebleken, en anderzijds met de ernst
van de schade toegebracht aan eiseressen, zijn na te noemen bedragen op
zijn plaats.

3.6. Bij vaststelling van de na te noemen bedragen is de fungerend
president ervan uitgegaan dat eiseressen zonodig de gelegde beslagen
gedeeltelijk zullen opheffen, c.q. schorsen teneinde het gedaagde mogelijk
te maken tot betaling van de voorschotten over te gaan.

In reconventie 3.7. Op grond van het in conventie overwogene hebben
verweersters summierlijk hun vordering aannemelijk gemaakt. Eiser wordt
dan ook niet ten onrechte de vrijheid om over zijn inkomen en overige zake
te beschikken ontnomen, zodat – met inachtneming van het onder 3.6.
overwogene – de gelegde beslagen niet voor opheffing in aanmerking komen.

In conventie en in reconventie 3.8. B zal als in het ongelijk gestelde
partij de kosten van het geding hebben te dragen.

4. Beslissing De fungerend-President, rechtdoende in kort geding:

In conventie 4.1. Veroordeelt gedaagde tot betaling van A. aan eiseres W.
ƒ 3000,= (drieduizend gulden) B aan eiseres I. ƒ 3000,= (drieduizend
gulden) C. aan eiseres M. ƒ 3000,= (drieduizend gulden) 4.2. Wijst af het
meer of anders gevorderde.

In reconventie. 4.3. Weigert de gevraagde voorzieningen.

In conventie en in reconventie 4.4. Veroordeelt partij B in de kosten van
deze procedure aan de zijde van eiseres tot aan deze uitspraak begroot op
ƒ 541, 75 aan voorschotten en op ƒ 1.500,= aan salaris van de procureur,
op voet van artikel 57b Rv rechtstreeks te voldoen aan de griffier van
deze rechtbank.

4.5. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

mr. J.J. Matthijsse

Instantie: Rechtbank Almelo, 14 oktober 1992

Instantie

Rechtbank Almelo

Samenvatting


Op 10 juni 1991 heeft gedaagde geprobeerd eiseres te verkrachten en heeft
hij haar gedwongen tot het plegen van ontuchtige handelingen. Eiseres
heeft psychische schade opgelopen en vorderde ƒ 15.000,= immateriele
schadevergoeding. Gedaagde doet een beroep op art. 109 boek 6 BW-matiging.
De financiele situatie van gedaagde is weliswaar zodanig dat hij wellicht
niet in staat is het gevorderde bedrag (ineens) te voldoen, maar dit
enkele feit brengt niet mee dat de vordering van eiseres tot een lager
bedrag zou moeten worden toegewezen. Gedaagde is veroordeeld tot een
onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijftien maanden, waarbij tevens
terbeschikkingstelling met dwangverpleging is gelast. Gedaagde wordt als
de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de proceskosten.

Volledige tekst

Ten aanzien van het Recht:

1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en erkend dan wel niet of
onvoldoende gemotiveerd betwist, het navolgende vast: a. S. heeft op 10
juni 1991 gepoogd N te verkrachten en haar op die datum gedwongen tot het
plegen en dulden van ontuchtige handelingen; b. S. is door de
arrondissementsrechtbank te Almelo bij vonnis van 17 september 1991
terzake onder a. genoemde strafbare feiten veroordeeld tot een
onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijftien maanden, waarbij tevens
terbeschikkingstelling met dwangverpleging is gelast.

2. N stelt dat S door zijn handelen zich schuldig heeft gemaakt aan een
onrechtmatige daad, hetgeen door S expliciet wordt erkend.

3. N stelt tengevolge van dit onrechtmatige handelen psychische schade te
hebben geleden en nog te zullen lijden, die zij fixeert op ƒ 15.000,=. Zij
vordert dit bedrag als (immateriele) schade, te vermeerderen met de
wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 10 juni 1991 tot de dag
der algehele voldoening.

4. S erkent eveneens schadeplichtig te zijn op grond van het door hem
erkend onrechtmatig handelen, maar doet een beroep op artikel 6:109 van
het burgerlijk wetboek.

Hij stelt daartoe dat zijn financiele posititie het toewijzen van het
gevorderde feit rechtvaardigt.

5. Op grond van artikel 173 van de onvergangswet zal de rechtbank de
vordering van N beoordelen naar het recht zoals dat gold voor 1 januari
1992.

6. De rechtbank vat het verweer van S op als een beroep op de wederzijdse
stand en fortuin van partijen, die met zich mee zou brengen dat het
schadebedrag niet tot het gevorderde zou moeten worden toegewezen. De
rechtbank deelt die mening niet. De financiele situatie van S is weliswaar
zodanig dat hij wellicht niet in staat is het gevorderde bedrag (ineens)
te voldoen, maar dit enkele feit brengt niet met zich mee dat de vordering
van N tot een lager bedrag moet worden toegewezen.

7. S heeft, behoudens het hiervoor vermelde, geen andere weren tegen de
vordering ingebracht, zodat de vordering wordt toegewezen.

8. S dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze
procedure te worden verwezen.

RECHTDOENDE:

Veroordeelt gedaagde om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting
te betalen een bedrag van ƒ 15.000,= (vijftienduizend gulden), te
vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 juni 1991 tot de
dag der algehele voldoening.

Veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de
zijde van eiseres begroot op ƒ 1.572,55, waarvan te betalen aan: a. de
griffier van de arrondissementsrechtbank te Almelo: 1. ƒ 225,= wegens in
debet gesteld griffierecht; 2. ƒ 1.200,= wegens salaris en verschotten van
de procureur; 3. ƒ 50,15 wegens niet in debet gesteld griffierecht; 2. ƒ
22,40 wegens uitroepgelden;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr. Stoove, voorzitter, mrs. Jue en Valk, rechters

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 12 oktober 1992

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


In de nacht dat partijen elkaar voor het eerst ontmoetten zijn de twee
kinderen verwekt. Partijen hebben niet samengewoond. De vader heeft de
kinderen een paar weken gezien. Hij verzoekt nu een omgangsregeling met zijn
kinderen van 4 1/2 jaar vast te stellen. De vader wordt niet-ontvankelijk in
zijn inleidend verzoek verklaard.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1 De moeder is in hoger beroep gekomen van een beschikking van de
kinderrechter in de rechtbank te Amsterdam van 20 augustus 1991,
respectievelijk 26 mei 1992, onder nummer 161/91017 respectievelijk
161/91072.

1.2 De vader heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij zelf
eveneens hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 26 mei 1992.

1.3 De zaak is behandeld op 9 september 1992.

2. Het geschil in hoger beroep en de feiten en omstandigheden

2.1 In de nacht dat partijen elkaar voor het eerst ontmoeten zijn de
kinderen T. en M. verwekt, beiden geboren op 8 februari 1988.

Toen de kinderen ongeveer drie maanden oud waren heeft de vader twee
weken gelogeerd bij de moeder en de kinderen. Vervolgens heeft de vader nog
eenmaal een middag bij de moeder en kinderen doorgebracht.

De vader heeft nog verklaard de kinderen te hebben gezien kort na hun
geboorte.

Vanaf hun eerste ontmoeting hebben de ouders telefonisch en schriftelijk
contact met elkaar gehad. De moeder heeft aan de vader enige brieven
geschreven, waarin zij voorstellen heeft gedaan over eventueel samenwonen.

Van een huwelijk tussen partijen is nimmer sprake geweest.

2.2 Bij beschikking van 20 augustus 1991 is de vader ontvankelijk
verklaard in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling.
Vervolgens is bij beschikking van 26 mei 1992 zijn verzoek afgewezen.

De vader heeft verzocht zijn inleidend verzoek alsnog toe te wijzen.

De moeder heeft aangevoerd dat niet gesproken kan worden van een
gezinsleven tussen de vader en de kinderen in de zin van artikel 8 van het
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM) en dat de vader derhalve niet-ontvankelijk moet worden
verklaard in zijn inleidend verzoek, subsidiair verzoekt zij geen
omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen.

3. De ontvankelijkheid van het verzoek van de vader

Voor de ontvankelijkheid van het verzoek van de vader is naast het
biologisch vaderschap vereist dat de vader voldoende bijzondere omstandigheden
stelt waaruit blijkt dat sprake is van een zodanige band tussen hem en de
kinderen, dat sprake is van een gezinsleven (family life, via familiale) in de
zin van artikel 8 EVRM.

Daarvan is, gelet op de feiten en omstandigheden, zoals die onder 2 zijn
vermeld, geen sprake. De contacten tussen de vader en M. en T. hebben immers
een dermate summier karakter gehad, dat op grond van die contacten niet gezegd
kan worden dat de man in een zo nauwe persoonlijke betrekking staat of heeft
gestaan dat hij gezinsleven met deze kinderen in de zin van voormeld artikel 8
EVRM heeft gehad.

Hetgeen de moeder aan toezeggingen heeft gedaan in aan de vader gerichte
brieven kan daar niet aan af doen, reeds niet omdat deze toezeggingen nimmer
gerealiseerd zijn en bovendien eerder betrekking hadden op de relatie tussen
de moeder en de vader dan die tussen de vader en de kinderen.

De beschikking van 20 augustus 1991 zal daarom vernietigd worden en de
vader zal in zijn inleidend verzoek alsnog niet-ontvankelijk verklaard
worden.

Zulks leidt ook tot vernietiging van de beschikking van 26 mei 1992.

4. Beslissing

Het Hof

vernietigt de beschikking van 20 augustus 1991 en van 26 mei 1992;

verklaart de vader alsnog niet-ontvankelijk in zijn inleidend verzoek.

Rechters

Mrs. Willems-Morsink, Poell en Boumans

Instantie: Europese Commissie voor de rechten van de mens, 12 oktober 1992

Instantie

Europese Commissie voor de rechten van de mens

Samenvatting


Klaagster betoogt dat de partnertoets in de WROM indirect discriminerend
is voor vrouwen. De commissie acht in casu een objectieve
rechtvaardigingsgrond aanwezig; namelijk beperking van de kosten van
rechtshulp en de economische band tussen gehuwden en samenwonenden. Geeft de
goedverdienende partner aan dat hij niet wenst te betalen (‘opposed views’)
dan zal alsnog bekeken moeten worden of het weigeren van een toevoeging op
basis van de partnertoets in strijd is met art. 6 lid 1 EVRM.

Volledige tekst

The facts

The applicant is a Turkish citizen, born in 1952 and residing in Rotterdam,
the Netherlands. She is represented before the Commission by Mrs. A.C.T.
Hommes, a lawyer practising in Rotterdam.

The facts of the case, as submitted by the parties, may be summarised as
follows.

The applicant, who was working as a cleaner, became unfit for work in 1986
because of backache. She initially received a benefit under the Sickness
Benefits Act (Ziektewet), followed by a benefit under the General Labour
Disablement Benefits Act (Algemene arbeidsongeschiktheidswet – hereinafter
referred to as ‘AAW’) and the Labour Disablement Insurance Act (Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering – hereinafter referred to as ‘WAO’). By
letter of 21 September 1989 the applicant was informed by the competent
Industrial Insurance Board (Bedrijfsvereniging) that, as from 1 October 1989,
the AAW part of her benefit would be withdrawn and the WAO part would be
considerably reduced, because the applicant was no longer considered as being
completely unfit for work.

The applicant wished to appeal against this decision to the Appeals Tribunal
(Raad van Beroep) in Rotterdam. She therefore requested legal aid which would
make it possible for the lawyer she had chosen to receive remuneration from
public funds. This was refused on 24 October 1989 by the Office for Legal Aid
(Buro voor Rechtshulp) in Rotterdam.

She then appealed to the President of the Regional Court of Rotterdam, who
rejected her appeal on 23 February 1990. The President upheld the decision
by the Office for Legal Aid that no legal aid could be granted as the
cumulative income of the applicant and her husband exceeded the income limits
within the meaning of the Legal Aid Act (Wet Rechtsbijstand aan On- en
Minvermogenden). The President rejected the applicant’s argument that the
application of this Act discriminates against women, as women – in general
– earn less than men. He considered that no sexual discrimination issue could
arise as the fact that the cumulation of income is applied makes no
difference in treatment and concerns equally men and women.

On 10 January 1991, the applicant’s appeal against the decision concerning
her rights to AAW/WAO benefits was rejected by the President of the Appeals
Tribunal in accelerated proceedings. In these proceedings the applicant was
represented by a lawyer. The applicant did not avail herself of the
possibility to file an objection against this decision with the plenary
Appeals Tribunal.

Relevant domestic law and practice

Article 18 para. 2 of the Netherlands Constitution (Grondwet) reads:
(Translation)

“The law sets rules concerning the granting of legal aid to the financially
weak.”

These rules are laid down in the legal Aid Act. Article 9 of this Act
contains income limits below which a litigant can be assigned a lawyer whose
fees are to be paid by the State. A litigant must, however, always pay a
certain contribution, which depends on earned income. The minimum
contribution is 25 Guilders and the maximum is 560 Guilders.

The word “income” in the legal Aid Act refers to the family

income of the litigant. This means that not only the litigant’s income is
taken into consideration but also that of her spouse or cohabiting partner
when answering the question whether their income is above or below limit
contained in the Legal Aid Act.

The income of a spouse or partner is not taken into consideration when there
are special circumstances, such as opposed interests of the spouses or
partners (Hoge Raad, judgment of 30 September 1982, NJ 1983, nr. 665 and
Arrondissementsrechtbank Amsterdam, judgement of 11 January 1989, NJ 1990,
nr. 152).

For some years there has been a discussion in the Netherlands whether the
described system is not in reality discriminatory against women who normally
have a lower income than men or no income at all and who will therefore
depend on their husbands or partners for the payment of legal costs.

For this reason, the Offices of Legal Aid in Utrecht, Amsterdam and Haarlem
have abandoned the system and examine the economic situation on an individual
basis without taking a spouse’s situation into account.

A Government Commission (Commissie Draagkrachtvaststelling Gefinancieerde
Rechtshulp), which studied the criteria for granting legal aid, submitted its
report on 23 May 1989. It did not make any clear statement on the question
as to whether the present system has discriminatory effects but proposed that
only the individual’s economic situation should be relevant except in cases
where the case only concerned a matter of common interest to both spouses.

The National Organisation of the Offices for Legal Aid (Landelijke
Organisatie voor Buro’s voor Rechtshulp) also set up a commission which
reported in 1988. This commission found the present system discriminatory and
proposed an individual assessment of each person concerned. A further
examination of the effects of the present system has been undertaken by the
Social and Cultural planning Bureau (Sociaal en Cultureel Planbureau), which
came to the conclusion that there was no evidence upon which it must be
assumed that the present system indirectly discriminates against financially
dependent women.

Complaint

The applicant alleges that the present system, under which also the spouse’s
income is taken into account when deciding whether or not to grant legal aid,
as applied to her case, discriminated against her, contrary to Article 14 of
the Convention, in the enjoyment of her right under Article 6 para. 1 of the
Convention to access to a court. Because of the refusal of legal aid she must
herself pay the lawyer’s fees and in order to do this she is dependent on her
husband’s contributions.

Proceedings before the Commission

The application was introduced on 10 August 1990 and registered on 19
september 1990.

On January 1991 the Commission decided to bring the application to the notice
of the respondent Government and to invite them to submit written
observations on the admissibility and merits of the application.

The Government’s observations were submitted on 7 May 1991 and the
applicant’s observations reply were submitted on 5 August 1991.

The Law

The applicant complains under Article 14 in conjunction with Article 6 para.
1 of the Convention that the legal aid system in the Netherlands, under which
the spouse’s income is also taken into account when deciding whether or not
legal aid should be granted, discriminated against her in the enjoyment of
her right of access to a court enshrined in Article 6 para. 1 of the
Convention. As a result of the refusal of legal aid she has to pay the
lawyer’s fees herself and is thus dependent on her husband.

Article 14 of the Convention reads:

‘The enjoyment of the rights and freedoms set forth in this Convention shall
be secured without discrimination on any ground such as sex, race, colour,
language, religion, political or other opinion, national or social origin,
association with a national minority, property, birth of other status.’

Article 6 para. 1 of the Convention, in so far as relevant, provides:

‘In the determination of his civil rights and obligations … everyone is
entitled to a … hearing … by a …. tribunal …’

The Government submit that, assuming that the proceedings concerning the
applicant’s right to an AAW/WAO benefit can be considered as determining
civil rights and obligations within the meaning of Article 6 para. 1 of the
Convention, in distinction is made between men and women in the determination
of the relevant income level. If a litigant – whether male of female, married
or unmarried – lives with a partner, the income taken into account is their
joint income. In case of conflicting interests between the litigant and the
spouse or partner, only the litigant’s income is taken into account.
According to the Government there is no evidence in the present case that
there were conflicting interests between the applicant and her husband in
respect of the AAW/WAO proceedings at issue.

The applicant is of the opinion that the proceedings involved a determination
of civil rights and obligations within the meaning of Article 6 para. 1 of
the Convention. In respect of the discriminatory effects of the Netherlands
legal aid system the applicant submits, on the basis of statistical material,
that in the Netherlands almost all cohabiting or married women have a partner
earning a higher income than themselves.

The applicant submits that the financial dependence of married of cohabiting
women in the Netherlands on their earning husband or partner has decreased
in the recent years only to a very limited extent. Cohabiting or married
women are therefore mostly dependent on the co-operation of their partner or
spouse when deciding whether or not to start legal proceedings, if their
joint earnings are above the legal aid income limit, whereas insofar as men
are not eligible for legal aid, it is generally on the basis of their own
income.

The Commission does not find it necessary to examine the question whether
Article 6 para. 1 of the Convention is a applicable to the proceedings at
issue, as in any event the application is inadmissible on the following
grounds.

The Commission recalls that Article 6 para 1 of the Convention does not, as
such, guarantee the right to free legal aid in relation to the right of
access to court in the determination of an individual’s civil rights and
obligations, but that under certain circumstances an entitlement to legal aid
will be necessary in order to ensure that an individual should enjoy his
effective right of access to the courts in conditions not at variance with
Article 6 para. 1 of the Convention (cf. No. 10594/83, Dec. 14.7.87, D.R. 52
p. 158).

The Commission considers that where legal aid is of relevance to a person’s
possibilities to bring his case before a court, it follows from Article 14
in conjunction with Article 6 para. 1 of the Convention that legal aid must
be granted in a non- discriminatory manner.

In respect of the legal aid system in the Netherlands, the Commission notes
that the practice of calculating a person’s income together with his or her
partner’s or spouse’s income applies for man and woman alike.

The Commission is, however, of the opinion that a rule, which is formally not
discriminatory, can nevertheless be discriminatory in its practical
application.

For the purposes of Article 14 of the Convention, a difference in treatment
is discriminatory if it has no ‘objective and reasonable justification’, that
is, if it does not pursue ‘a legitimate aim’ or if there is not a ‘reasonable
relationship of proportionality between the means employed and the aim sought
to be realised’ (cf. Eur. Court H.R., Abdulaziz, Cabales and Balkandali
judgment of 28 May 1985, Series A no. 94, para. 72).

The Commission is of the opinion that, in view of the desirability of
limiting the total costs of legal aid and taking into account that economic
links which usually exist between spouses or cohabiting partners, it is not
unreasonable to add the income of a spouse or cohabiting partner to the
income of a person wishing to start legal proceedings in order to establish
whether that person can be awarded legal aid.

The Commission also notes that while a special problem arises where there are
opposed views between the spouses or cohabiting partners as to whether
proceedings should be instituted, it has not been submitted that such a
situation existed in the present case.

In these circumstances the Commission considers that the refusal to award
legal aid to the applicant did not constitute discrimination contrary to
Article 14 in conjunction with Article 6 para. 1 of the Convention.

For these reasons, the Commission, by a majority,

Declares the application inadmissible.

Deze zaak is gegarandeerd door het Proefprocessenfonds Rechtenvrouw.

Noot

Wie in aanmerking voor een toevoeging wil komen en al dan niet gehuwd
samenwoont, krijgt te maken met de partnertoets. De inkomens van de twee
partners worden bij elkaar opgeteld en als deze boven de WROM-grens uitkomen,
wordt geen toevoeging verleend. Dat betekent dat voor gehuwden en samenwoners
met een (goed) verdienende partner rechtsbijstand flink duurder wordt. Dat
is voor mensen zonder of met een laag eigen inkomen extra zuur. Gesteld is
steeds dat het samentellen van de inkomens van gehuwden of samenwoners om de
draagkracht te bepalen en zo vast te stellen of een toevoeging verleend mag
worden, indirect discrimerend is voor vrouwen. Iemand met een (goed)
verdienende partner kan door de partnertoets immers geen beroep doen op
gefinancierde rechtsbijstand, terwijl zij er op grond van het eigen inkomen
wel voor in aanmerking zou komen. Omdat veel meer vrouwen dan mannen een
(goed) verdienende partner hebben, worden vooral vrouwen hierdoor benadeeld.
(Uitgebreider: Steffie van Waardenburg, Rechtshulp 1988, nr. 6/7, pp. 17-22
en Marleen van Geffen en Margriet Kraamwinkel, Nemesis 1990, nr. 4, pp.
163-170) De Buro’s voor Rechtshulp in Utrecht, Amsterdam en Haarlem passen
de partnertoets in verschillende gevallen dan ook niet meer toe. In Rotterdam
wordt de partnertoets wel toegepast en dat leidde tot bovenstaande beslissing
van de Europese Commissie.

In deze procedure betoogt klaagster kort gezegd, dat de partnertoets
discriminerend is voor vrouwen en dus stijdig met art. 14 jo. art. 6 lid 1
van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden (EVRM). Artikel 14 bevat een discriminatieverbod met
betrekking tot de in het verdrag geregelde rechten en vrijheden. Artikel 6
lid 1 regelt de toegang tot de rechter op het gebied van civiele rechten en
verplichtingen. Onder toegang tot de rechter wordt in de rechtspraak van de
Commissie en het Hof ‘effectieve toegang’ verstaan. Volgens vaste
jurisprudentie van het Hof en de Commissie kan gefinancierde rechtsbijstand
een belangrijk middel zijn om die effectieve toegang te garanderen. Toch
leidt art. 6 lid 1 niet tot de plicht gratis rechtsbijstand te verstrekken
voor elk civiel geschil. Of er gratis rechtsbijstand verstrekt moet worden,
is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. (Zie: R. Kolvoort,
Wetenschapswinkel Rechten RUU 1989; EHRM (Golder-zaak), Publ. ECHR, Series
A vol. 18 (1975) p. 16-18; Idem, (Airey/Ierland), Publ. ECHR, Series A. vol.
32 (1980) pp. 11-16) In bepaalde gevallen kan het opleggen van de
partnertoets en daarmee het onthouden van (goedkope) rechtsbijstand dus
strijdig zijn met art. 6 lid 1 EVRM.

Art. 14 EVRM betekent vervolgens dat gefinancierde rechtshulp op een
niet-discriminerende manier verleend moet worden. Dat betekent volgens de
Commissie in bovengenoemde uitspraak dat zowel directe als indirecte
discriminatie verboden zijn (‘can nevertheless be discriminatory in its
practical application’). Het is voor het eerst dat de Commissie indirecte
discriminatie met zoveel woorden erkent: de beslissing reikt alleen daarom
al verder dan alleen deze casus.

Zowel de Commissie als het Hof toetsen bij discriminatie vooral de objectieve
rechtvaardigingsgrond. In deze optiek is een verschil in behandeling strijdig
met art. 14 als er geen objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond voor
is. Deze rechtvaardigingsgrond wordt vaak afgeleid uit het algemeen belang.
Deze manier van toetsen betekent een vrij restrictieve uitleg van art. 14.
(Zie: P. van Dijk en G.J.H. van Hoof, De Europese Conventie in theorie en
praktijk, Nijmegen 1990, pp. 597-602)

In bovenstaande beslissing vindt de Commissie dat discriminatie ontzenuwd kan
worden door de volgende rechtvaardigingsgronden: de wens om de kosten van
rechtshulp te beperken en de economische band tussen gehuwden en samenwoners.
Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voert een veel striktere
toets van een objectieve rechtvaardigingsgrond uit als het gaat om
discriminerend overheidsbeleid. Alleen een financieel belang is onvoldoende:
het moet gaan om een doel van voldoende sociaal-politiek belang. (Zie onder
andere de arresten Bilka/Weber, 13 mei 1986, zaak 170/84, Jur. 86, 1607 en
Rinner-Kuhn, 13 juli 1989, zaak 171/88, Jur. 89, 2743, RN 1989, 57 m.nt.
Elies Steyger) Dit betekent dat bij voorbeeld discriminatie op het gebied van
arbeid en sociale zekerbeid (die in het EEG-Verdrag en de EG-richtlijnen over
gelijke behandeling van mannen en vrouwen verboden wordt) dus veel strikter
getoetst wordt dan discriminatie op het gebied van de in het EVRM geregelde
grondrechten. Dat is des te merkwaardiger omdat het EG-Hof meerdere malen
vastgesteld heeft dat de mensenrechten onderdeel uitmaken van de
communautaire rechtsorde. Eerst werd vastgesteld dat de mensenrechten
onderdeel uitmaakten van het ongeschreven gemeenschapsrecht, vervolgens wordt
er expliciet naar in internationale verdragen vastgelegde mensenrechten
verwezen. Al in 1975 verwijst het Hof daarbij expliciet naar het EVRM.
(Stauder, zaak 2969, Jur. 1969, 419; tweede Nolb-arrest, zaak 4/73, Jur.
1974, 491; Rutili, zaak 36/75, Jur. 1975, 1219) Er ontstaan zo dus binnen het
communautaire recht zelf twee verschillende manieren van toetsen waarbij de
mensenrechten het minst strikt getoetst worden. Op zichzelf is het natuurlijk
niet vreemd dat de twee rechtsorden naast elkaar bestaan, wel is opvallend
te zien hoe het EG-Hof het EVRM incorporeert, terwijl daar anders getoetst
wordt.

Een veel belangrijker probleem bij deze beslissing is de objectieve
rechtvaardigingsgrond die de Commissie noemt: de economische band tussen
samenwoners en gehuwden. Die – vooronderstelde – band moet er kennelijk toe
leiden dat de (goed) verdienende partner meebetaalt aan procedures voor zijn
partner. Daartoe bestaat echter geen enkele civielrechtelijke verplichting.
Gehuwden kennen slechts de zorgplicht ex art. 81 Boek I BW; samenwoners
kennen een dergelijke plicht in het geheel niet. (Hoge Raad 9 januari 1987,
RvdW 1987, 17) De partnertoets betekent dat de (goed) verdienende partner
verplicht wordt mee te betalen aan de rechtsbijstand van zijn partner, zonder
dat er een civielrechtelijke verplichting bestaat, die afgedwongen kan
worden. Doet hij dat niet, dan kan de effectieve toegang tot de rechter
onmogelijk gemaakt worden en daarmee art. 6 lid 1 EVRM geschonden worden.

Artikel 1 EVRM bepaalt dat de Verdragspartijen eenieder die onder haar
rechtsmacht ressorteert de rechten en de vrijheden in het EVRM verzekert.
Deze overheidsplicht wordt doorgeschoven naar de (goed) verdienende partner.
Dat kan natuurlijk nooit de bedoeling van het EVRM zijn. Kennelijk ziet de
Commissie daar ook een probleem, omdat zij stelt dat de zaken anders kunnen
liggen als er sprake is van “opposed views” tussen de partners. Als de (goed)
verdienende partner dus aangeeft dat hij niet mee wenst te betalen, is er en
nieuwe situatie onstaan en moet weer van voren af aan beoordeeld worden of
het niet verlenen van een toevoeging strijdig is met art. 6 lid 1 EVRM. Dat
betekent dat de uitspraak nog voldoende openingen biedt.

De Staatssecretaris van Justitie vindt echter dat dat niet zo is. Op 3
december 1992 schrijft hij de Buro’s naar aanleiding van bovenstaande
beslissing onder meer het volgende:

“Een dergelijke benadering (het niet-toepassen van de partnertoets, MK) leidt
tot rechtsongelijkheid en tevens tot een aanzienlijke stijging van de kosten
voor rechtsbijstand. Er bestond echter onduidelijkheid over de vraag hoe in
hoogste instantie over de interpretatie van de internationale verdragen
geoordeeld zou worden. Ik heb om die redenen de naar mijn oordeel ongewenste
situatie enige tijd getolereerd. Intussen heeft de Europese Commissie voor
de Rechten van de Mens in een zaak waarin de partnertoets ter beoordeling
stond, uitspraak gedaan. In deze zaak werd aan de Commissie een oordeel
gevraagd of de bestaande wettelijke partner-toets aanvaardbaar is. Op 12
oktober 1992 heeft de Commissie beslist dat bij de vaststelling van de
draagkracht het inkomen van de partner mag worden meegeteld. (
..) Nu niet langer twijfel bestaat over de toelaatbaarheid van de
partner-toets reken ik er op dat met ingang van 1 december 1992 de
draagkrachtvaststelling door alle bureaus van rechtshulp weer uniform wordt
uitgevoerd volgens de wettelijke regelingen. Ter bevestiging hiervan ontvang
ik gaarne voor 1 december 1992 uw schriftelijk bericht.”

De Staatssecretaris geeft de Buro’s dus opdracht de wet uit te voeren. Het
is de vraag hoever de bevoegdheid van de staatssecretaris op dit gebied
reikt. De Buro’s hebben een wettelijke beleidsvrijheid bij het vaststellen
van de draagkracht om een toevoeging te verlenen. Op dit gebied bestaat
tussen hen en de minister geen hierarchische verhouding. (Zie ook: L.J.A.
Damen en T. Hoogenboom, Rechtshulp 1989, no. 3 pp. 10-15)

Een tweede punt is het BuPo-verdrag. Hoewel het BuPo-verdrag op zichzelf niet
verplicht tot wetgeving op het gebied van gefinancierde rechtshulp, moet
wetgeving op dat gebied wel voldoen aan het algemene discriminatieverbod in
art. 26 en derhalve niet discriminerend zijn. Dat betekent dat het opleggen
van de partnertoets strijdig is met het BuPo-verdrag en er, ook al is het
volgens de EVRM-commissie niet strijdig met het EVRM, geen reden bestaat om
de bestaande praktijk te wijzigen. Dat in het wetsvoorstel voor de Wet op de
Rechtsbijstand (Zie: Margriet Kraamwinkel, Nemesis, 1992 nr. 6, pp. 16-18)
de partnertoets duidelijk wettelijk vastgelegd wordt maakt dan ook weinig
uit. De WRB is bij voorbaat al discriminerend omdat hij strijdig is met het
discriminatieverbod in het BuPo-verdrag. Ook het BuPo-verdrag kent echter een
toetsingsprobleem. In Nederland kan art. 26 wel gebruikt worden om indirecte
discriminatie aan te pakken, de Commissie (bij het BuPo-verdrag) wijst claims
van indirecte discriminatie nog steeds af. Alleen over prima facie of directe
discriminatie wordt geoordeeld. (Zie onder andere P.P.C./Nederland, zaak
212/1986 beslissing van 24 maart 1988)

Dit alles betekent nog steeds niet dat de overheid zijn gang kan gaan. Een
wet die partners betalingsplichten oplegt, zonder dat die betalingsplicht
civielrechtelijk afgedwongen kan worden, blijft een monstrum.

Margriet Kraamwinkel

Rechters

Mrs. Kruger, Norgaard.