Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 9 oktober 1992

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Iedere fabrikant is voor het geheel aansprakelijk op grond van art.
6:99 B.W., alternatieve causaliteit. De Hoge Raad verwerpt hiermee de
oplossing die door de A-G Hartkamp is aangedragen, namelijk de toepassing
van de marktaandeelaansprakelijkheid. Het risico van geldelijk onvermogen
van een der producenten en het risico dat een aantal producenten niet meer
bestaat, komt aldus niet bij de slachtoffers te liggen. De slachtoffers
krijgen op deze wijze de gehele schade vergoed. Zie ook Hof Amsterdam 22
november 1990, RN 1991, 202, m.nt. Jo Knottenbelt, RVR 1991, 67, m.nt.
Ellen F.M. ’t Hoen.

Volledige tekst


Onderling verhaal

Hoewel de producenten krachtens art. 6:99 de mogelijkheid hebben zich vrij
te pleiten zullen zij hierin slechts bij uitzondering slagen. Zij zijn
immers met dezelfde bewijsmoeilijkheden geconfronteerd als de
slachtoffers. Art. 6:99 legt dit bewijsrisico met betrekking tot de
identificatie op de daders in plaats van op de slachtoffers. Het is
redelijk de daders in beginsel met dit risico te belasten omdat, zoals de
Hoge Raad opmerkt, ‘de producenten, die jegens de benadeelden
aansprakelijk zijn voor het geheel, onderling verhaal hebben, zodat zij
uiteindelijk in beginsel niet meer behoeven te dragen dan hun aandeel in
de totale schade.’ (3.7.3)

Bundeling van belangen Het DES-arrest opent de weg tot volledige
schadeloosstelling van de talloze slachtoffers van DES. De hoofdelijke
aansprakelijkheid vormt voor alle producenten van DES een uiterst
effectieve prikkel om de belangen te bundelen en gezamenlijk tot
fondsvorming over te gaan op de wijze zoals ook is geschied bij de
Tenerife-ramp uit 1977, (Studiepockets privaatrecht, nr. 46, 1991, blz.
100, 119, 123-124) dat wil zeggen een honderd procent uitkering aan alle
slachtoffers van DES, uit een fonds te voeden door alle nog aanwezige
producenten volgens een globale verdeelsleutel, naar rato van marktaandeel
of andere indicaties, over de gehele periode dat DES in Nederland voor
zwangerschapsproblemen op de markt was. De belangen aan de zijde van de
producenten lenen zich tot bundeling en zonder deze bundeling zou een
effectieve rechtsbescherming in het gedrang komen. Er is hier in zekere
zin een parallel met een ander arrest van de Hoge Raad, De Nieuwe Meer,
(HR 27 juni 1986, NJ 1987, 743, m.nt. WHH; AA 1986, blz. 638, m.nt.
Nieuwenhuis) hoewel daar sprake was van bundeling van belangen aan de
zijde van de slachtoffers.

Verwerping van marktaandeel-aansprakelijkheid Stel dat in de onderhavige
DES-zaak de gedaagde producenten en andere producenten, op wie door de
gedaagden verhaal wordt genomen, gezamenlijk een marktaandeel van zestig
procent hebben en dat de overige producenten insolvent of niet meer te
achterhalen zijn. In de oplossing van de Hoge Raad zijn de betalende
producenten dan voor honderd procent aansprakelijk, in de oplossing van
de advocaat-generaal voor zestig procent. Met andere woorden, het
incassorisico rust in de eerste oplossing op de producenten en in de
tweede op de slachtoffers. Voor de marktaandeelaansprakelijkheid van de
A-G zijn in theorie zeker billijkheidsargumenten aan te voeren. Immers in
dat stelsel is uiteindelijk ieders aansprakelijkheid gelijk aan ieders
aandeel in de totale schade en rust genoemd risico op de slachtoffers
zoals normaal ook het geval zou zijn indien identificatie van de daders
mogelijk was geweest.

De Hoge Raad verwierp evenwel het voorstel van zijn AG met een drietal
argumenten.(3.8) Ten eerste is het niet bevredigend dat het incassorisico
op de slachtoffers wordt gelegd. Ten tweede is
marktaandeelaansprakelijkheid bezwaarlijk en ten derde art. 6:99 BW geeft
een betere slachtofferbescherming.

Alleen op de eerste twee argumenten wil ik hier nader ingaan.

Incassorisico

Waarom is het billijker het incassorisico op de producenten te laten
rusten in plaats van op de slachtoffers? De Hoge Raad geeft daarover geen
duidelijkheid. Mogelijk heeft voor de beantwoording van deze vraag
meegewogen:

1. dat deze risicoverdeling ook bij andere vormen van hoofdelijke
aansprakelijkheid voorkomt;

2. dat het minder onbevredigend is de producenten met dit risico te
belasten dan de slachtoffers, omdat de producent die wordt aangesproken
in ieder geval een gebrekkig produkt in het verkeer heeft gebracht
(Nieuwenhuis, preadvies, blz. 15);

3. dat de producenten dit risico beter kunnen spreiden dan de slachtoffers
en het beste in staat zijn preventieve maatregelen te nemen. In de
DES-context komen daar nog enkele factoren bij die de aansprakelijkheid
van de producenten verminderen:

4. De tendens in de rechtspraak tot uitsluiting van het regres van
first-party verzekeraars, waardoor de producenten met lagere claims worden
geconfronteerd. Deze tendens komt onder meer tot uiting in het recente
arrest IZA-Vrerink, (HR 28 februari 1992, RvdW 1992, 72) een zaak op het
gebied van verkeersaansprakelijkheid. Omdat het risico aan de zijde van
het slachtoffer reeds door middel van verzekering was gespreid liet de
Hoge Raad in IZA-Vrerink een verhoogde maatstaf voor aansprakelijkheid wel
meewegen in de claim van het slachtoffer tegen de dader maar niet in de
regresclaim van de verzekeraar van het slachtoffer tegen de dader. De
implicatie van dit arrest in de DES-context kan zijn dat de Hoge Raad
verhoogde maatstaven voor aansprakelijkheid, zoals een zware zorgplicht
bij onrechtmatige daad, die men toepast in de eigen claim (Een claim voor
schade die niet door verzekering is gedekt, zoals de claim voor
smartegeld.) van de slachtoffers tegen de producenten, niet toepast in een
mogelijke regresclaim van de verzekeraars van de slachtoffers tegen de
producenten. De hiermee gepaard gaande uitsluiting van regres betekent
voor de producenten een aanzienlijke vermindering van aansprakelijkheid.
In dit licht bezien is het redelijk bij een eigen claim van het
slachtoffer het incassorisico op de producenten te leggen. De
onbillijkheid dat de producenten door het dragen van dit risico deels ook
de schade moeten betalen veroorzaakt door andere producenten, die
inmiddels van het tapijt zijn verdwenen, wordt ruimschoots gecompenseerd
door het gevrijwaard zijn van regresclaims.(Een regresclaim van first-
party verzekeraars, zoals particuliere ziektekostenverzekeraars
(bijvoorbeeld de OHRA) en sociale werknemersverzekeraars (denk aan de ZW,
de WAO en de ZFW).

5. Volksverzekeringen, zoals de AAW en de AWBZ, kennen geen regresrecht.
Voor zover de schade van de slachtoffers door deze sociale verzekeringen
zijn gedekt, zijn de producenten ook voor dat deel van aansprakelijkheid
ontheven.

6. Sommige claims zullen nimmer worden ingediend als gevolg van overlijden
van het slachtoffer.

Al deze factoren dragen er toe bij dat het incassorisico gemakkelijker is
te dragen door de producenten dan door de slachtoffers. Daarom is het
billijker de producenten met dat risico te belasten dan de slachtoffers.
Uit het oogpunt van aansprakelijkheidsverzekering behoeft deze
risicoverdeling beslist geen problemen op te leveren.

Bezwaren tegen de marktaandeel-aansprakelijkheid van de AG De Hoge Raad
vindt het stelsel van marktaandeelaansprakelijkheid zoals bepleit door de
advocaat- generaal bezwaarlijk omdat het noopt tot het aanspreken van zo
veel mogelijk producenten en omdat men steeds het marktaandeel van elk der
producenten moet vaststellen. Deze bezwaren lijken mij reeel. Het
aanspreken van een zo groot mogelijk deel van de markt en het vaststellen
van het marktaandeel van elk der producenten overstelpt partijen en het
rechterlijk apparaat – wegens het verlies van informatie en het telkens
moeten vaststellen van nieuwe geografische- en tijdseenheden ter bepaling
van ieders marktaandeel – met zodanig speur- gis- en rekenwerk dat de
procedures enorme vertraging kunnen oplopen. Kortom een verspilling van
tijd en geld die proceseconomisch en maatschappelijk niet verantwoord is.
(Studiepockets privaatrecht, nr. 46, 1991, blz. 113-115.)

Invloed van beleidsoverwegingen op het bewijsrecht Het DES-arrest ligt
geheel in de lijn van arresten als Kacar- Stegeman (HR 9 maart 1990, NJ
1990, m.nt. P.A. Stein, en Barbie-pop (HR 21 februari 1992, NJ 1993, 164,
m.nt. J.H. Spoor; AA 1993, blz. 295, m.nt. H. Cohen Jehoram) waarin de
Hoge Raad, in de context van ontslagrecht respectievelijk auteursrecht,
een omkering van de bewijslast gaf op grond van de strekking van de
regeling die in het geding is, te weten effectieve slachtofferbescherming.
Ook in de context van DES vraagt de strekking van de regel die in het
geding is, de beschermingsgedachte en de preventiegedachte bij
produktaansprakelijkheid, om een omkering van de bewijslast.
Slachtofferbescherming heeft in het arrest een grote rol gespeeld. Het
DES-arrest bevestigt dan ook dat het bij art. 6:99 BW, in samenhang met
produktaansprakelijkheid, gaat om omkering van de bewijslast op grond van
effectieve slachtofferbescherming. Als art. 6:99 BW er niet was geweest
had de omkering van de bewijslast in de DES-zaak evenzeer kunnen
plaatsvinden. Namelijk, net als in Kacar, door vorming van een ‘bijzondere
regel’ van ongeschreven recht in de zin van art. 177 Rv.
Beleidsoverwegingen als de beschermingsgedachte en de preventiegedachte
spelen niet alleen bij omkering van de bewijslast een rol, maar ook bij
andere bewijsrechtelijke vragen, zoals bewijswaardering (art. 179 Rv), en
natuurlijk ook bij rechtsvinding en vragen van uitleg.

De zaak is nu beland bij het Hof Den Haag voor verdere afwikkeling op het
gebied van schade, schuld en andere causaliteitsvragen. Daar al deze
punten door gedaagden zijn betwist kan het nog geruime tijd duren voordat
de slachtoffers schadeloosstelling ontvangen. Gelet op de proceslustige
houding van gedaagden zijn de vooruitzichten op een minnelijke regeling
miniem. Dit kan evenwel terstond veranderen als er nog meer rechtspraak
komt die voor de slachtoffers gunstig is.

Het DES-arrest heeft reeds tot vele commentaren geleid.(Zie onder meer:
W.F. van Zant, Advocatenblad 1992, blz. 569; P. Ingelse, NJB 1992, blz.
1403; G.J. Rijken en J.G.J. Rinkes, TvC 1992, blz. 325; S. Spier, NTBR
1992, blz. 193; Kottenhagen-Edzes, M&R 1992, blz. 668; T. Hartlief, TVVS
1992, blz. 309; J.M. van Dunné, TMA 1993, blz. 15; N. Frenk, NTBR 1993,
blz. 89; L. Dommering-Van Rongen, WPNR 1993, blz. 278; Jac. Heima, AA
1993, blz. 123; A.S. Hartkamp, Asscherbundel, Kabaal in Holland, 1993,
blz. 76; I. Klinge-van Rooij en E.E.I. Snijder, Auf dem Weg zi einem neuen
Produkthaftungsrecht, Europaische Zeitschrift fur Wirtschaftsrecht, 1993,
p. 1 e.v.). Sommigen hopen dat de Hoge Raad de ingeslagen koers verlaat,
anderen vinden het arrest baanbrekend. Drie punten zijn evenwel duidelijk.

1. De Hoge Raad wijkt in het arrest niet af van een reeds eerder
uitgezette en nadien met beslistheid vervolgde koers, welke wordt
gekenmerkt door omkering van de bewijslast op grond van de strekking van
de regeling die in het geding is, te weten effectieve
slachtofferbescherming.

2. Niet alleen de beschermingsgedachte maar ook de preventiegedachte wordt
door het arrest gediend. Van de beslissing gaat immers ook een
aanzienlijke veiligheidsprikkel uit. Nu het gordijn van de anonimiteit aan
producenten van onveilige produkten geen bescherming meer geeft zal men
gedwongen zijn meer in product safety management te investeren.

3. De gevolgen van het arrest zullen tot ver buiten de context van DES
merkbaar zijn, met name ook bij milieuaansprakelijkheid, een gebied van
het recht waar daders zich bijna van nature in de anonimiteit hullen.

Jo Knottenbelt Erasmus Universiteit Rotterdam

Rechters

Mrs. Bloembergen, Mijnssen, Davids, Neleman, Heemskerk, A-G Hartkamp

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 7 oktober 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij heeft een kinderopvangregeling getroffen, die inhoudt dat
de wederpartij kinderopvangplaatsen beschikbaar stelt die zij deels
financiert. Het doel dat de wederpartij met deze regeling nastreeft is onder
andere het wegnemen van het knelpunt, dat is gelegen in de combinatie van
betaalde arbeid en de zorg voor (jonge) kinderen bij vrouwen die bij haar
werken of willen werken. De Commissie acht het aannemelijk dat de
kinderopvangregeling een bijdrage heeft geleverd aan de toename van het
aandeel vrouwelijke deelnemers bij de wederpartij en is van mening dat deze
regeling een geschikt middel is om het doel dat de wederpartij zich stelt te
realiseren. Nu is gebleken dat mannelijke werknemers in uizonderlijke
situaties ook voor kinderopvangregeling in aanmerking komen, staat deze
regeling bovendien in een redelijke verhouding tot het daarmee beoogde doel.
Geen strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 10 juni 1992 verzocht de heer te Den Haag (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of
te Groningen (hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid naar geslacht
maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoeker is bij de wederpartij werkzaam als technisch tekenaar. In
verband met zijn op komst zijnde kind heeft hij op grond van een
kinderopvangregeling in het betreffende bedrijf een kindplaats aangevraagd.
Deze aanvraag is afgewezen omdat de regeling alleen van toepassing is op de
vrouwelijke werknemers binnen het bedrijf.

Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt in strijd met zowel artikel 7A:1637ij lid 1 Burgelijk
Wetboek (BW) als de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb.
1989, 168).

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder meerdere malen de gelegenheid gehad
hun standpunten schriftelijk toe te lichten.

2.2. De Commissie heeft vervolgens partijen uitgenodigd hun standpunten
toe te lichten tijdens een zitting op 27 augustus 1992.

Tijdens deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker

– dhr (verzoeker)

– dhr (Stichting Haags Meld- en Registratiepunt
Discriminatiezaken)

van de kant van de wederpartij

– dhr (vertegenwoordiger van de )

van de kant van de Commissie

– dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter)

– mw drs A.J. Huber (lid Kamer)

– mw mr C.B. Mol-Bronkhorst (lid Kamer)

– mw mr M.J.M.G. van Dorsten (plv.secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Bij de wederpartij werken ongeveer 75.000 mannen en 25.000 vrouwen.
De directieraad van de wederpartij heeft in 1984 besloten een positief
actiebeleid voor vrouwen te voeren.

De volgende doeleinden stonden hierbij centraal:

– vergroting van het aantal bij de wederpartij werkzame vrouwen, met
name in de middelbare en hogere functies;

– creeren van faciliteiten om voor vrouwen het combineren van werken en
de zorg voor kinderen mogelijk te maken, teneinde nnodige uitstroom van
vrouwen te voorkomen.

3.2. De wederpartij heeft een cijferoverzicht gegeven van haar
personeelssamenstelling per 1 januari 1992. Uit deze cijfers blijkt dat voor
vrijwel alle functieniveaus geldt dat er minder vrouwen dan mannen werken en
dat deze verschillen groter worden naarmate het functieniveau hoger is.

Niettemin neemt het aantal vrouwelijke werknemers bij de wederpartij
toe. De wederpartij heeft cijfers overhandigd, waaruit blijkt dat het
percentage bij haar werkzame vrouwen is toegenomen van 19,6% in 1985 tot 25,9%
in 1992. Ook neemt het percentage vrouwen in de middelbare en hogere functies
toe. In 1985 was het percentage vrouwen in schaal 7 tot en met 11 5%, terwijl
dit percentage in 1992 11,9% was. Het percentage vrouwen in schaal 12 of hoger
was in 1985 3,1% en in 1992 6,2%.

De wederpartij streeft ernaar om, via het verbeteren van de positie van
vrouwen in het bedrijf, uiteindelijk een evenredige vertegenwoordiging van
mannen en vrouwen op alle functieniveaus in de organisatie te realiseren.

Dit beleid is vastgelegd in een concernregeling positieve actie voor
vrouwen, die in 1990 is vastgesteld. Deze regeling is voor het concern van de
wederpartij in het leven geroepen. In deze concernregeling staan verschillende
maatregelen die de wederpartij heeft genomen om uitvoering te geven aan
voornoemd beleid. In hoofdstuk 4 van de bundel concernregelingen staat onder
de concernregeling positieve actie voor vrouwen bij 4.2 dat vrouwen voor hun
kinderen gebruik kunnen maken van de kinderopvangvoorzieningen die de
wederpartij deels financiert. De kinderopvangregeling houdt in dat de
wederpartij voor haar vrouwelijke werknemers een aantal kindplaatsen
beschikbaar stelt.

In de CAO 1991-1992 is de kinderopvangregeling niet expliciet geregeld.
Wel wordt hierin melding gemaakt van het bestaan van de concernregeling
positieve actie voor vrouwen.

3.3. Vooruitlopend op de huidige regeling heeft de wederpartij in 1985
bij wijze van experiment een voorziening voor kinderopvang van kinderen van
nul tot vier jaar getroffen voor vrouwelijke medewerkers van de centrale
directie van de wederpartij. Hiervoor werd een centraal budget vastgesteld,
waarmee 60 kinderopvangplaatsen beschikbaar gesteld en gefinancierd konden
worden.

Naar aanleiding van dit experiment heeft de wederpartij ook kinderopvang
mogelijk gemaakt in andere geledingen van haar organisatie, waardoor de
kinderopvangregeling toegankelijk werd voor alle vrouwelijke werknemers,
ongeacht hun functie. De wederpartij heeft in de loop der jaren het aantal
kinderopvangplaatsen uitgebreid. Omdat alle plaatsen bezet waren en er een
wachtlijst was ontstaan, heeft de wederpartij in april 1992 besloten om het
aantal opvangplaatsen uit te breiden van 300 tot 425. Tevens heeft zij
besloten om 125 plaatsen beschikbaar te stellen voor buitenschoolse opvang van
kinderen ouder dan vier jaar. De argumenten voor het creeren van deze
buitenschoolse opvang waren dezelfde als voor de andere kinderopvang, namelijk
het aantrekken en vooral het in dienst houden van vrouwen.

Ter zitting heeft de wederpartij aangegeven dat er een onderzoek is
gedaan naar de in- en uitstroom van vrouwen bij haar bedrijf. De resultaten
van dit onderzoek zijn eind 1991 tijdens een evaluatie van het
kinderopvangbeleid bekend gemaakt. Uit deze gegevens bleek dat de instroom van
vrouwen in 1991 met 2% was gestegen ten opzichte van 1990; in 1990 was de
instroom 35%, terwijl deze in 1991 37% was. De uitstroom van vrouwen was in
1991 met 2% gedaald ten opzichte van 1990; in 1990 was de uitstroom 30%,
terwijl deze in 1991 28% was.

Hoewel in de kinderopvangregeling is vastgelegd dat slechts vrouwen
hiervan gebruik kunnen maken en formeel niet van deze regel kan worden
afgeweken, is in de praktijk echter de volgende hardheidsclausule van
toepassing.

Een weduwnaar met jonge kinderen of een gescheiden man die de voogdij
heeft over de kinderen en voor wie de kinderen een daadwerkelijke dagelijkse
zorg zijn, kunnen ook in aanmerking komen voor de regeling.

Uit cijfers van een onderzoek binnen een bedrijfsonderdeel van de
wederpartij blijkt dat er zich onder de 170 personen die hier werkzaam zijn 4
mannen bevinden die gebruik maken van de kinderopvangregeling.

3.4. Verzoeker heeft in verband met zijn op komst zijnde kind de
wederpartij verzocht in aanmerking te komen voor een kindplaats. De
wederpartij heeft deze aanvraag afgewezen omdat de opvangregeling slechts voor
vrouwen toegankelijk was.

Als reden voor dit voorkeursbeleid verwees zij naar de onder 3.1.
genoemde doelstellingen.

In haar afwijzingsbrief d.d 6 maart 1992 geeft de wederpartij een
toelichting op dit beleid. Zij schrijft dat zowel de belangen van haar bedrijf
als emancipatoire redenen ertoe hebben geleid dat zij de kinderopvangregeling
in het leven heeft geroepen. Het bedrijf heeft er namelijk baat bij om
medewerksters die voor het bedrijf belangrijke ervaring hebben opgedaan en in
wie het bedrijf onder andere in de vorm van opleidingen heeft geinvesteerd, in
dienst te houden.

Verder vermeldt deze brief dat de wederpartij een toelatingsbeleid heeft
vastgesteld, omdat het voorzien in kinderopvang een kostbare aangelegenheid is
en zij bovendien op deze wijze de doelstellingen van het voorkeursbeleid wil
realiseren.

Het aantal kinderopvangplaatsen is te gering om aan al het personeel dat
het bedrijf overweegt te verlaten in verband met het opnemen van gezinstaken,
een plaats te bieden. Daarom heeft de wederpartij ervoor gekozen om door
middel van een kinderopvangregeling vrouwelijke werknemers in staat te stellen
het werk bij de wederpartij te combineren met de zorg van kinderen. Het zijn
immers voornamelijk vrouwen die wegens de zorg voor hun kinderen overwegen om
hun baan op te zeggen.

In deze brief heeft de wederpartij verzoeker er voorts van op de hoogte
gesteld dat een evaluatie van het kinderopvangbeleid bij de wederpartij
lopende was.

Ten tijde van de zitting heeft verzoeker te kennen gegeven dat de
zwangerschap van zijn partner vroegtijdig is beeindigd en dat het kind
levenloos ter wereld is gekomen.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoeker stelt het volgende.

Hoewel de kinderopvangregeling niet expliciet is genoemd in de CAO,
dient deze toch te worden aangemerkt als een arbeidsvoorwaarde. Daarom dient
de kinderopvangregeling te worden getoetst aan artikel 7A:1637ij BW.

Verzoeker is van mening dat de onderhavige kinderopvangregeling geen
redelijk middel is om feitelijke ongelijkheden tussen mannen en vrouwen binnen
het bedrijf van de wederpartij op te heffen. Ter ondersteuning van deze
stelling voert verzoeker het volgende aan.

Het positieve actiebeleid van de wederpartij is erop gericht het aantal
vrouwelijke werknemers binnen haar bedrijf te doen toenemen. Er is echter niet
gebleken dat deze doelstelling door middel van de kinderopvangregeling wordt
bereikt. Het is immers niet duidelijk hoeveel vrouwen die van deze regeling
gebruik maken met werken zouden zijn gestopt als deze regeling niet zou
bestaan.

Bovendien, zo stelt verzoeker, blijkt uit de cijfers die de wederpartij
heeft overhandigd dat het percentage waarmee het aantal vrouwelijke werknemers
binnen het bedrijf van de wederpartij is toegenoemen lager is dan het
landelijke gemiddelde van toename van vrouwen op de arbeidsmarkt.

Verzoeker wijst in dit verband erop dat uit de schriftelijke stukken van
de wederpartij niet blijkt of een evaluatie van het kinderopvangbeleid bij de
wederpartij heeft plaatsgevonden en indien dit wel het geval was, wat de
uitkomst hiervan was.

Hoezeer verzoeker ook toejuicht dat de wederpartij een positief
actiebeleid voert, hij is toch van oordeel dat de kinderopvangregeling in zijn
huidige vorm te rigide is. Er is geen sprake van een ‘hardheidsclausule’, op
grond waarvan er in bijzondere omstandigheden van de regeling kan worden
afgeweken. Dit heeft als gevolg dat alle mannen onder alle omstandigheden van
de kinderopvangregeling worden uitgesloten. Bovendien houdt de regeling geen
rekening met de partner van degene die er een beroep op doet.

Voorts bekritiseert verzoeker het feit dat de onderhavige regeling als
uitgangspunt heeft dat de zorg voor kinderen uitsluitend aan vrouwen
toebehoort. Verzoeker ziet de zorg voor kinderen als een gedeelde
verantwoordelijkheid van beide ouders.

3.6. In reactie op het standpunt van de wederpartij dat kinderopvang in
Nederland geen basisvoorziening is (zie paragraaf 3.10.), stelt verzoeker dat
dit een niet geheel juiste voorstelling van zaken is.

De overheid stelt namelijk middelen beschikbaar aan gemeenten ter
uitvoering van een beleid gericht op het creeren van kinderopvangplaatsen.
Hierbij geeft de gemeente een bijdrage in de kosten voor een kindplaats.
Voorwaarde is dat het bedrijf van de werknemer ook een bijdrage levert in de
kosten.

Het beleid van de wederpartij heeft volgens verzoeker tot gevolg dat
mannelijke werknemers van het bedrijf worden uitgesloten van deze
overheidssubsidie.

3.7. Tijdens de zwangerschap van zijn partner heeft verzoeker gesteld
dat indien hij niet kon beschikken over kinderopvang, hij gedwongen zou zijn
om zijn baan op te zeggen om de verzorging van zijn kind op zich te nemen.
Zijn partner was namelijk net begonnen met werken en had gezien haar
arbeidshistorie een aanmerkelijk belang bij het voortzetten van haar baan. Als
zij zou stoppen zou dit haar kansen op de arbeidsmarkt aanmerkelijk
verminderen. Gezien het aantal dienstjaren dat verzoeker achter de rug heeft,
loopt hij wat dit betreft minder risico’s.

Wat betreft het verweer van de wederpartij dat er ook andere
voorzieningen zijn waar mannelijke werknemers gebruik van kunnen maken om te
voorzien in de verzorging van hun kind, zoals een tijdelijk
deeltijddienstverband of het opnemen van ouderschapsverlof, stelt verzoeker
dat deze voorzieningen slechts een gedeeltelijke oplossing bieden. De
werknemers die gebruik maken van deze mogelijkheden moeten immers voor de uren
dat zij werken alsnog zoeken naar een opvangplaats voor hun kind.

Op grond van het voorgaande meent verzoeker dat de wederpartij:

– onzorgvuldig jegens hem handelt;

– ten onrechte een beroep doet op de WGB;

– in strijd met artikel 7A:1637ij lid 1 BW onderscheid op grond van
geslacht jegens hem maakt.

3.8. De wederpartij stelt het volgende.

Zij realiseert zich dat zij met de onderhavige regeling onderscheid naar
geslacht maakt, maar zij is van mening dat dit onderscheid is toegestaan op
grond van lid 4 van artikel 7A:1637ij BW. Het gemaakte onderscheid beoogt
namelijk vrouwen in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke
ongelijkheden op te heffen. Dat er sprake is van feitelijke ongelijkheden
blijkt uit de cijferoverzichten die de wederpartij aan de Commissie heeft
overhandigd (zie paragraaf 3.2.).

De wederpartij voegt hier aan toe dat, aangezien in de praktijk is
gebleken dat met name vrouwen haar bedrijf verlaten in verband met de zorg
voor kinderen, het beschikbaar stellen van kinderopvangvoorzieningen een
zinvolle bijdrage levert aan het realiseren van de in het positieve
actiebeleid gestelde doelen.

Ook bleek uit het onderzoek dat in 1991 17 werkneemsters een kind hebben
gekregen. Elf van deze vrouwen hebben gebruik gemaakt van de
kinderopvangregeling. De zes andere vrouwen zijn tijdelijk gestopt met werken,
maar maken gebruik van een regeling die hen de mogelijkheid biedt om na enkele
jaren terug te komen bij de wederpartij.

De wederpartij stelt dat, aangezien zij in het kader van het positieve
actiebeleid een pakket van maatregelen heeft getroffen, het moeilijk is om aan
te geven welk aandeel de kinderopvangregeling heeft gehad in de toename van
vrouwelijke werknemers binnen haar bedrijf. Zij is echter van mening dat deze
regeling hieraan wel een bijdrage heeft geleverd.

Op grond van het bovenstaande is de wederpartij van mening dat de
kinderopvangregeling geschikt is voor het gestelde doel. Volgens de
wederpartij zou het doel van de regeling naar de achtergrond verdwijnen indien
de regeling ook voor mannen zou worden opengesteld.

3.9. Ter zitting bracht de wederpartij naar voren dat er ondanks de
uitbreiding van het aantal kinderopvangplaatsen in april 1992, alweer een
wachtlijst was ontstaan. Op deze wachtlijst stonden met name vrouwen, maar ook
mannen die in aanmerking kwamen voor de ‘hardheidsclausule’. Verder merkt de
wederpartij op dat er voor mannelijke werknemers ook nog andere mogelijkheden
zijn waardoor zij de zorg voor hun kinderen zelf op zich kunnen nemen. De
wederpartij heeft namelijk de mogelijkheid geschapen om functies tijdelijk in
deeltijd uit te oefenen. Verder kan er gebruik worden gemaakt van het
wettelijk recht op ouderschapsverlof. Dit verlof is weliswaar onbetaald, maar
het is dus niet zo dat mannelijke werknemers geheel in de kou staan.

3.10. De wederpartij stelt dat kinderopvang tot op heden geen
basisvoorziening is in Nederland. Het is de verantwoordelijkheid van de
overheid en niet van een bedrijf om een basisvoorziening te treffen.

Het voorkeursbeleid van de wederpartij heeft onder andere als doel haar
eigen vrouwelijke werknemers in dienst te houden. Dit beleid heeft niet als
doel het scheppen van de mogelijkheid dat elders werkende vrouwelijke partners
van haar eigen werknemers hun werkzaamheden bij dat bedrijf kunnen blijven
verrichten. Van de wederpartij kan daarom niet worden verlangd dat zij haar
voorzieningen zo inricht dat een dergelijke problematiek wordt opgelost.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker handelde
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling door hem vanwege zijn geslacht
uit te sluiten van een kinderopvangregeling.

Aangezien de betreffende kinderopvangregeling als een arbeidsvoorwaarde
moet worden aangemerkt, moet deze regeling worden getoetst aan artikel
7A:1637ij BW.

Lid 1 van dit artikel bepaalt onder andere dat een werkgever in de
arbeidsvoorwaarden geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen. Lid 4
van dit artikel schrijft voor dat van het in lid 1 genoemde verbod mag worden
afgeweken, indien het bedingen betreft die vrouwelijke werknemers in een
bevoorrechte positie beogen te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op
te heffen.

4.2. Reeds eerder heeft de Commissie geoordeeld dat op grond van
7A:1637ij BW en de totstandkomingsgeschiedenis daarvan in het algemeen kan
worden gesteld dat, wil een regeling die alleen voor vrouwen geldt niet met
dit artikel in strijd komen, er niet alleen sprake moet zijn van feitelijke
ongelijkheden, maar die regeling tevens in ieder geval geschikt moet zijn voor
en in redelijke verhouding moet staan tot het daarmee te bereiken doel (Zie
bijvoorbeeld Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, oordeelnummer 130-90-121, d.d. 22 augustus 1990).

4.3. Het doel dat de wederpartij met de onderhavige regeling nastreeft
is onder andere het wegnemen van het knelpunt, dat is gelegen in de combinatie
van betaalde arbeid en de zorg voor (jonge) kinderen bij vrouwen die bij haar
werken of willen werken.

In dit verband geldt het volgende.

Het is een feit van algemene bekendheid dat vrouwen in verband met de
verzorging van kinderen vaker afzien van (de voortzetting van) een
dienstverband dan mannen. De Commissie concludeert dan ook in zijn
algemeenheid dat er op dit punt feitelijke ongelijkheden zijn van vrouwen ten
opzichte van mannen. Niet gebleken is dat vrouwen die bij de onderhavige
arbeidsorganisatie (willen) werken zich wat dit betreft zouden onderscheiden
van vrouwen in het algemeen. In zoverre is er sprake van voor de toepassing
van de wetgeving gelijke behandeling relevante feitelijke ongelijkheden.

4.4. Vervolgens moet worden beoordeeld of het middel geschikt is om het
doel dat de wederpartij zich stelt, te realiseren.

De wederpartij heeft in het kader van een positief actiebeleid een
aantal maatregelen getroffen. Uit de cijfers die de wederpartij naar voren
heeft gebracht blijkt dat sinds de invoering van deze maatregelen het
percentage vrouwelijke werknemers in haar bedrijf is toegenomen en dat de
uitstroom van vrouwelijke werknemers is afgenomen.

Het is niet bekend wat het effect is geweest van de kinderopvangregeling
afzonderlijk. De Commissie is echter van mening dat het algehele effect van
het totale emancipatiebeleid dusdanig is, dat aannemelijk is dat de
kinderopvangregeling een bijdrage heeft geleverd aan de toename van het
aandeel vrouwen bij de wederpartij.

De Commissie is derhalve van oordeel dat het bieden van deels
gefinancierde kinderopvangplaatsen aan vrouwelijke personeelsleden een
geschikt middel is om het doel dat de wederpartij zich stelt te realiseren,
althans om daartoe een bijdrage te leveren.

4.5. Wat betreft de vraag of de kinderopvangregeling ook in een
redelijke verhouding staat tot het daarmee beoogde doel, overweegt de
Commissie als volgt.

De Commissie merkt op dat vrouwen van mannelijke personeelsleden met
hetzelfde knelpunt (zie paragraaf 4.3.) kunnen worden geconfronteerd als
vrouwelijke personeelsleden. Zij is echter van mening dat van een werkgever op
grond van de WGB niet kan worden gevergd zijn arbeidsvoorwaarden daarop af te
stemmen.

Aangezien bovendien is gebleken dat in de praktijk een hardheidsclausule
wordt toegepast, oordeelt de Commissie dat, hoewel het zorgvuldiger was
geweest als de wederpartij deze hardheidsclausule in de kinderopvangregeling
had opgenomen, de kinderopvangregeling in een redelijke verhouding staat tot
het daarmee beoogde doel.

4.6. Wat betreft het financiele argument van de wederpartij om de
kinderopvangplaatsen alleen aan haar vrouwelijke werknemers aan te bieden,
merkt de Commissie, wellicht ten overvloede, op dat, gelet op de tekst van
7A:1637ij BW en de totstandkomingsgeschiedenis daarvan, financiele argumenten
geen rechtvaardiging kunnen bieden voor het maken van een direct onderscheid
tussen vrouwelijke en mannelijke werknemers (Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid, oordeelnummer 23-90-18, 30 maart 1990).

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Groningen jegens de
heer te

Den Haag geen door artikel 7A:1637ij BW verboden onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt door hem op grond van zijn geslacht uit te sluiten van
de onderhavige kinderopvangregeling.

Aldus vastgesteld op 7 oktober 1992 naar aanleiding van de behandeling
in de raadkamer d.d. 27 augustus 1992.

Rechters

van de kant van de Commissie, dhr prof. mr P.F. van der Heijden(Kamervoorzitter), mw drs A.J. Huber (lid Kamer), mw mr C.B. Mol-Bronkhorst(lid Kamer), mw mr M.J.M.G. van Dorsten (plv.secretaris).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 7 oktober 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In de bedrijfstak waar de wederpartij deel van uit maakt is een
toelageregeling voor kinderopvang van toepassing. Deze regeling bepaalt dat
slechts vrouwen in aanmerking komen voor een financiele tegemoetkoming in de
kosten van kinderopvang. Aangezien de toelage wordt verstrekt uit hoofde van
de dienstbetrekking tussen werkneemsters en de werkgever is de werkgever van
verzoeker als wederpartij te beschouwen.

De Commissie acht deze vorm van voorkeursbehandeling niet geschikt om
het doel dat de wederpartij zich kennelijk stelt, namelijk de instroom van
vrouwelijke werknemers te vergroten, te realiseren. Het knelpunt voor vrouwen
is in het algemeen immers vooral gelegen in het tekort aan
kinderopvangplaatsen. Door slechts een beperkte financiele bijdrage te
verstrekken indien een kinderopvangplaats beschikbaar is en geen plaats in een
kinderdagverblijf te zoeken of te creeeren voor werkneemsters, zal dit tekort
naar verwachting niet worden opgeheven.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 6 januari 1992 verzocht de heer te Vught (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of te
Helmond (hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid maakt op grond van
geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

1.2. Verzoeker is werkzaam bij de wederpartij. Hij heeft op grond van
een kinderopvangregeling in de betreffende bedrijfstak een aanvraag ingediend
voor een financiele tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. Deze
aanvraag is afgewezen omdat alleen vrouwelijke werknemers hiervoor in
aanmerking komen. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee
onderscheid naar geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder meerdere malen de gelegenheid gehad
hun standpunten schriftelijk toe te lichten.

2.2. De Commissie heeft voor deze zaak informatie gebruikt die zij in
een soortgelijke andere zaak (Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid, oordeelnummer 371-91-80, 5 december 1991) heeft
ingewonnen bij de Raad van Overleg in de Metaalindustrie te Leidschendam
(hierna: de ROM).

2.3. De Commissie heeft vervolgens partijen uitgenodigd hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op

27 augustus 1992.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker

dhr (verzoeker)

mw mr C.E.M. Renckens (advocaat)

van de kant van de Commissie

dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter)

mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer)

mw drs A.J. Huber (lid Kamer)

mw mr M.J.M.G. van Dorsten (plaatsvervangend secretaris).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De ROM is een overlegorgaan in de bedrijfstak van de metaal- en
electrotechnische industrie. De wederpartij maakt deel uit van deze
bedrijfstak. Een aantal werkgevers- en werknemersorganisaties zijn in dit
overlegorgaan vertegenwoordigd. De wederpartij is lid van een van deze
werkgeversverenigingen.

De ROM heeft als uitvloeisel van afspraken die tijdens onderhandelingen
over de CAO 1989/1990 zijn gemaakt, een toelageregeling voor kinderopvang
getroffen. Deze regeling maakt geen deel uit van de van toepassing zijnde
CAO.

De reden voor het treffen van een dergelijke regeling was dat een
relatief beperkt aantal vrouwen werkzaam is in de technische beroepen in de
metaal- en electrotechnische industrie. Met het treffen van de toelageregeling
werd een vergroting van de instroom en een verkleining van de uitstroom van
vrouwelijke werknemers beoogd.

De ROM noch de wederpartij hebben exacte gegevens overgelegd over het
aantal mannen en vrouwen dat werkzaam is in de desbetreffende bedrijfstak en
evenmin over het aantal mannen en vrouwen dat werkzaam is in de technische
ä

oepen. De ROM heeft wel gegevens overgelegd, afkomstig uit het jaarverslag
1989 van de bedrijfsvereniging voor de metaal- en electro- technische
industrie over het aantal verzekerde personen met een of meer
arbeidsverhoudingen, uitgesplitst naar leeftijd en geslacht. Daarbij moet
worden aangetekend dat bepaalde ondernemingen een eigen CAO hebben, terwijl de
daar werkzame personen wel in het bestand van de bedrijfsvereniging zijn
opgenomen. De hierna volgende cijfers geven derhalve slechts een indicatie
over het aantal werknemers dat onder de CAO in de metaal- en electrotechnische
industrie valt.

Aantal verzekerde personen uitgesplitst naar leeftijd en geslacht

leeftijd mannen vrouwen

15 t/m 19 4.170 600

20 t/m 34 88.020 18.000

35 t/m 49 89.180 9.140

50 t/m 65 48.340 3.060

totaal 229.710 30.800

Gezien het relatief kleine aantal vrouwelijke werknemers binnen de
bedrijfstak en in verband met de schaarste van technisch geschoolde vrouwen op
de arbeidsmarkt is op bedrijfstakniveau een aantal maatregelen genomen om de
instroom van vrouwelijke werknemers te vergroten, waaronder “de regeling
toelage kinderopvang”.

De wederpartij heeft geen onderzoek gedaan naar de uitstroom of de
verminderde instroom van vrouwen in verband met de verzorging van kinderen.

3.2. In januari 1989 is de regeling toelage kinderopvang ingegaan. Zoals
hiervoor vermeld is deze regeling door de ROM opgesteld. De kosten voor de
kinderopvangregeling worden betaald uit een fonds waarvan de middelen door
CAO-partijen zijn opgebracht. De regeling was eerst alleen toegankelijk voor
vrouwen in technische beroepen, die in dienst waren van een onderneming die
viel onder de werkingssfeer van de van toepassing zijnde CAO. Aangezien het
onderscheid naar technische beroepen in de praktijk teveel problemen opriep,
is in de daarop volgende CAO-periode van januari 1990 tot april 1991 dit
experiment uitgebreid tot alle vrouwen in de bedrijfstak, ongeacht hun
functie.

De regeling is ook na maart 1991 verlengd.

De ROM voert de regeling uit. Deze heeft daartoe een commissie
kinderopvang ingesteld.

Vrouwen die gebruik willen maken van de regeling dienen de toelage bij
de ROM aan te vragen.

De hoogte van de toelage wordt als volgt berekend. De toelage bedraagt
maximaal 50% van de door de betreffende ouder/verzorger feitelijk te betalen
ouderbijdrage, met een maximum van ƒ 300,- per maand voor voltijdse opvang.
De toelage kan worden toegekend aan de vrouwelijke werknemer of wordt op
verzoek ten behoeve van haar uitbetaald aan de desbetreffende instelling voor
kinderopvang. Vanaf januari 1990 kan de toelage ook aan de werkgever worden
uitgekeerd. De werkgever komt hiervoor in aanmerking indien hij een kindplaats
bij een instelling voor kinderopvang heeft gereserveerd waarvan de
werkneemster gebruik maakt. In zo’n geval ontvangt niet de werkneemster maar
de werkgever een subsidie en wel ter hoogte van de helft van de kosten van de
kinderopvang.

Overigens stelt de wederpartij geen kindplaatsen ter beschikking aan
haar werkneemsters. Eventuele bijdragen uit de regeling worden in het
onderhavige geval dus rechtstreeks toegekend aan de vrouwelijke werknemers.

3.3. Verzoeker is werkzaam bij de wederpartij. Op 29 december 1990 is
verzoeker vader geworden. Hij heeft bij de ROM een aanvraag ingediend voor een
financiele tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De ROM heeft zijn
aanvraag afgewezen, omdat de toelageregeling niet op mannelijke werknemers van
toepassing is.

3.4. Ten tijde van de toelageregeling 1989/1990 heeft de ROM

15 aanvragen ontvangen, waarvan er vier werden afgewezen. In de periode
van januari 1990 tot augustus 1991 zijn er 118 aanvragen binnengekomen,
waarvan er zeven zijn afgewezen.

Hieronder bevonden zich drie mannelijke werknemers.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoeker stelt het volgende.

Onder loon dient te worden verstaan alle vergoedingen aan de werknemer
verschuldigd terzake van diens arbeid. De kosten van kinderopvang vallen hier
dus ook onder.

De Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168)
verbiedt dat mannen en vrouwen ongelijk worden beloond. Dit is af te leiden
uit de systematiek van de Wet.

De WGB bevat in artikel 5 lid 1 een mogelijkheid om een uitzondering te
maken op het verbod van het maken van onderscheid tussen mannen en vrouwen,
namelijk indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte
positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen. Dit
artikel verwijst echter naar de artikelen 1a, 2, 3 en 4 in paragraaf 1 van de
WGB.

De verplichting om aan mannen en vrouwen gelijk loon te betalen is
echter opgenomen in de tweede paragraaf van de WGB, te weten in artikel 7.
Volgens verzoeker bevat artikel 7 WGB noch enig ander artikel in deze
paragraaf een uitzondering op het discriminatieverbod zoals geformuleerd in
artikel 5 lid 1 WGB.

Op grond van het bovenstaande is verzoeker van mening dat, nu de
regeling kinderopvang uitsluitend van toepassing is op vrouwelijke werknemers,
deze regeling in strijd is met de WGB.

Voor het geval de Commissie voorkeursbeleid bij beloning wel toelaatbaar
acht, voert verzoeker aan dat de onderhavige regeling in haar huidige vorm
wettelijk niet is toegestaan, omdat het geen geschikt middel is om de
achterstand van vrouwen op de arbeidsmarkt weg te werken.

3.6. De wederpartij stelt het volgende.

De toelageregeling kinderopvang houdt in dat vrouwelijke werknemers
jegens de ROM en niet jegens de werkgever aanspraak hebben op een
tegemoetkoming. De regeling wordt volledig uitgevoerd door de ROM. De bij de
CAO betrokken werkgevers hebben daar geen bemoeienis mee. De regeling maakt
ook geen deel uit van de CAO in de metaal- en electrotechnische industrie. De
wederpartij stelt derhalve vraagtekens bij de toepasselijkheid van artikel
7A:1637ij Burgelijk Wetboek (BW) danwel artikel 7 WGB.

De wederpartij stelt dat de regeling geen onderdeel uitmaakt van haar
arbeidsvoorwaarden en dat artikel 7A:1637ij BW derhalve niet van toepassing
is.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker in de
arbeidsvoorwaarden onderscheid naar geslacht maakt in strijd met artikel
7A:1637ij lid 1 BW, doordat hij vanwege zijn geslacht niet in aanmerking komt
voor een financiele tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang.

De Commissie gelijke behandeling toetst de toelageregeling aan artikel
7A:1637ij lid 1 BW omdat het hier arbeidsvoorwaarden betreft zoals in dat
artikel bedoeld. Het betreft geen loon in de zin van artikel 7 WGB, aangezien
het hier niet gaat om een bedongen tegenprestatie voor de arbeid.

4.2. Gelet op het verweer van de wederpartij dat niet zij, maar de ROM
als wederpartij moet worden beschouwd, moet hier allereerst aan de orde worden
gesteld of de werkgever van verzoeker kan worden aangesproken in het kader van
deze procedure.

De Commissie acht van doorslaggevende betekenis voor het antwoord op
deze vraag dat in casu de bijdrage wordt verstrekt uit hoofde van de
dienstbetrekking tussen werkneemster en de werkgever (Vergelijk Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen, Barber versus Guardian Exchange
Assurance Group, rechtsoverweging 26, zaak C-262/88, d.d. 17 mei 1990, Nemesis
1990, nummer 116″ […] Secondly, such scemes are not compulsorily applicable
to general categories of workers. On the contrary, they apply only to workers
employed by certain undertakings, with the result that affiliation to those
schemes derives of necessity from the employment relationship with a given
employer. […]”). Vast staat immers dat vrouwelijke werknemers de bijdrage
ontvangen vanwege het bestaan van de dienstbetrekking en dat de regeling
gefinancierd wordt door de werkgevers- en werknemerspartijen bij de CAO.

Op grond van het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat de
werkgever van verzoeker als wederpartij is te beschouwen. De Commissie wijst
er bovendien op dat de ROM weliswaar de regeling uitvoert, maar dat de
werkgevers- en werknemersorganisaties de omstreden regeling hebben getroffen.
Aangezien de wederpartij lid is van een van deze werkgeversorganisaties, kan
zij ook invloed uitoefenen op de inhoud van de toelageregeling kinderopvang.

De Commissie voegt hier overigens aan toe dat zij de ROM, gelet op zijn
betrokkenheid bij de onderhavige materie, haar oordeel ter kennisname zal
toezenden.

4.3. Met betrekking tot de in geding zijnde vraag overweegt de Commissie
als volgt.

Van het bepaalde in artikel 7A:1637ij BW mag worden afgeweken indien het
bedingen betreft die beogen vrouwelijke arbeiders in een bevoorrechte positie
te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen (artikel 7A:1637ij
lid 4 BW).

Reeds eerder heeft de Commissie uitgemaakt dat, wil een regeling die
vrouwen bevoordeelt niet in strijd komen met de WGB er niet alleen sprake moet
zijn van feitelijke ongelijkheden tussen mannen en vrouwen, maar er tevens
sprake moet zijn van een regeling die in ieder geval geschikt is voor en in
redelijke verhouding staat tot het daarmee te bereiken doel (Zie bijvoorbeeld
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid,
oordeelnummer 130-90-121, 22 oktober 1990).

Evenals in eerdere zaken omtrent voorkeursbehandeling bij regelingen die
betrekking hebben op kinderopvang (Zie bijvoorbeeld Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, oordeelnummer 386-92-05, 26
maart 1992), constateert de Commissie dat het een feit van algemene bekendheid
is dat vrouwen in verband met de verzorging van kinderen vaker afzien van (de
voortzetting van) een dienstverband dan mannen. In zoverre concludeert de
Commissie dan ook dat er in zijn algemeenheid op dit punt feitelijke
ongelijkheden zijn van vrouwen ten opzichte van mannen.

Niet gebleken is dat de vrouwen die bij de onderhavige
arbeidsorganisatie (willen) werken zich wat dit betreft zouden onderscheiden
van vrouwen in het algemeen. Overigens wijst de Commissie erop dat cijfers
over de in- en uitstroom van vrouwen en mannen in de onderhavige organisatie
een indicatie zouden kunnen geven over de mate waarin genoemd knelpunt bij
vrouwen optreedt. Deze cijfers zijn de Commissie echter niet bekend.

Vervolgens moet worden onderzocht of het middel geschikt is om het doel
dat de wederpartij zich kennelijk stelt, te realiseren.

De wederpartij heeft geen cijfers overgelegd waaruit blijkt dat de
invoering van de toelageregeling kinderopvang als gevolg heeft gehad dat het
aandeel vrouwelijke werknemers binnen haar organisatie is toegenomen. Daarbij
komt dat de wederpartij niet duidelijk heeft gemaakt hoe de onderhavige
regeling zich verhoudt tot andere maatregelen die zijn getroffen, om het
aandeel van vrouwelijke werknemers binnen de organisatie van de wederpartij te
vergroten, noch waarom juist voor deze maatregel is gekozen.

Mede in dit verband acht de Commissie het onvoldoende aannemelijk
gemaakt dat de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang de geformuleerde
doelstelling helpt te bereiken. Het knelpunt voor vrouwen is in het algemeen
immers vooral gelegen in het tekort aan kinderopvangplaatsen. Door alleen een
beperkte financiele bijdrage te verstrekken indien een plaats beschikbaar is
en geen plaats in een kinderdagverblijf te zoeken of te creeren voor de
werkneemsters, zal dit tekort naar verwachting niet opgeheven worden. De
werkneemster dient immers zelf een kinderdagverblijfplaats te zoeken en is
daarbij aangewezen op de bestaande schaarse mogelijkheden.

De Commissie is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de
financiele tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang geen geschikt middel
is om het daarmee beoogde doel te bereiken dan wel om daaraan een bijdrage te
leveren.

Hiermee staat vast dat de wederpartij in strijd met artikel 7A:1637ij
lid 1 BW jegens verzoeker onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in de
arbeidsvoorwaarden.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

5.1. De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Helmond door geen
bijdrage in de kosten van kinderopvang te verstrekken, jegens de heer
te Vught onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel
7A:1637ij lid 1 Burgelijk Wetboek.

Aldus vastgesteld op 7 oktober naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 27 augustus 1992.

Rechters

dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter), mw prof. mr J.E.Goldschmidt (lid Kamer), mw drs A.J. Huber (lid Kamer), mw mr M.J.M.G. vanDorsten (plaatsvervangend secretaris).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 7 oktober 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij heeft een kinderopvangregeling getroffen, die inhoudt dat
de wederpartij kinderopvangplaatsen beschikbaar stelt die zij deels
financiert. Het doel dat de wederpartij met deze regeling nastreeft is onder
andere het wegnemen van het knelpunt, dat is gelegen in de combinatie van
betaalde arbeid en de zorg voor (jonge) kinderen bij vrouwen die bij haar
werken of willen werken. De Commissie acht het aannemelijk dat de
kinderopvangregeling een bijdrage heeft geleverd aan de toename van het
aandeel vrouwelijke deelnemers bij de wederpartij en is van mening dat deze
regeling een geschikt middel is om het doel dat de wederpartij zich stelt te
realiseren. Nu is gebleken dat mannelijke werknemers in uizonderlijke
situaties ook voor kinderopvangregeling in aanmerking komen, staat deze
regeling bovendien in een redelijke verhouding tot het daarmee beoogde doel.
Geen strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 10 juni 1992 verzocht de heer te Den Haag (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of
te Groningen (hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid naar
geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

1.2. Verzoeker is bij de wederpartij werkzaam als technisch tekenaar. In
verband met zijn op komst zijnde kind heeft hij op grond van een
kinderopvangregeling in het betreffende bedrijf een kindplaats aangevraagd.
Deze aanvraag is afgewezen omdat de regeling alleen van toepassing is op de
vrouwelijke werknemers binnen het bedrijf.

Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt in strijd met zowel artikel 7A:1637ij lid 1 Burgelijk Wetboek
(BW) als de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989,
168).

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder meerdere malen de gelegenheid gehad hun
standpunten schriftelijk toe te lichten.

2.2. De Commissie heeft vervolgens partijen uitgenodigd hun standpunten toe
te lichten tijdens een zitting op 27 augustus 1992.

Tijdens deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker

– dhr (verzoeker)

– dhr (Stichting Haags Meld- en Registratiepunt
Discriminatiezaken)

van de kant van de wederpartij

– dhr (vertegenwoordiger van de )

van de kant van de Commissie

– dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter)

– mw drs A.J. Huber (lid Kamer)

– mw mr C.B. Mol-Bronkhorst (lid Kamer)

– mw mr M.J.M.G. van Dorsten (plv.secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Bij de wederpartij werken ongeveer 75.000 mannen en 25.000 vrouwen. De
directieraad van de wederpartij heeft in 1984 besloten een positief
actiebeleid voor vrouwen te voeren.

De volgende doeleinden stonden hierbij centraal:

– vergroting van het aantal bij de wederpartij werkzame vrouwen, met
name in de middelbare en hogere functies;

– creeren van faciliteiten om voor vrouwen het combineren van werken en de
zorg voor kinderen mogelijk te maken, teneinde nnodige uitstroom van
vrouwen te voorkomen.

3.2. De wederpartij heeft een cijferoverzicht gegeven van haar
personeelssamenstelling per 1 januari 1992. Uit deze cijfers blijkt dat voor
vrijwel alle functieniveaus geldt dat er minder vrouwen dan mannen werken en
dat deze verschillen groter worden naarmate het functieniveau hoger is.

Niettemin neemt het aantal vrouwelijke werknemers bij de wederpartij toe. De
wederpartij heeft cijfers overhandigd, waaruit blijkt dat het percentage bij
haar werkzame vrouwen is toegenomen van 19,6% in 1985 tot 25,9% in 1992. Ook
neemt het percentage vrouwen in de middelbare en hogere functies toe. In 1985
was het percentage vrouwen in schaal 7 tot en met 11 5%, terwijl dit
percentage in 1992 11,9% was. Het percentage vrouwen in schaal 12 of hoger
was in 1985 3,1% en in 1992 6,2%.

De wederpartij streeft ernaar om, via het verbeteren van de positie van
vrouwen in het bedrijf, uiteindelijk een evenredige vertegenwoordiging van
mannen en vrouwen op alle functieniveaus in de organisatie te realiseren.

Dit beleid is vastgelegd in een concernregeling positieve actie voor vrouwen,
die in 1990 is vastgesteld. Deze regeling is voor het concern van de
wederpartij in het leven geroepen. In deze concernregeling staan
verschillende maatregelen die de wederpartij heeft genomen om uitvoering te
geven aan voornoemd beleid. In hoofdstuk 4 van de bundel concernregelingen
staat onder de concernregeling positieve actie voor vrouwen bij 4.2 dat
vrouwen voor hun kinderen gebruik kunnen maken van de
kinderopvangvoorzieningen die de wederpartij deels financiert. De
kinderopvangregeling houdt in dat de wederpartij voor haar vrouwelijke
werknemers een aantal kindplaatsen beschikbaar stelt.

In de CAO 1991-1992 is de kinderopvangregeling niet expliciet geregeld. Wel
wordt hierin melding gemaakt van het bestaan van de concernregeling positieve
actie voor vrouwen.

3.3. Vooruitlopend op de huidige regeling heeft de wederpartij in 1985 bij
wijze van experiment een voorziening voor kinderopvang van kinderen van nul
tot vier jaar getroffen voor vrouwelijke medewerkers van de centrale directie
van de wederpartij. Hiervoor werd een centraal budget vastgesteld, waarmee
60 kinderopvangplaatsen beschikbaar gesteld en gefinancierd konden worden.

Naar aanleiding van dit experiment heeft de wederpartij ook kinderopvang
mogelijk gemaakt in andere geledingen van haar organisatie, waardoor de
kinderopvangregeling toegankelijk werd voor alle vrouwelijke werknemers,
ongeacht hun functie. De wederpartij heeft in de loop der jaren het aantal
kinderopvangplaatsen uitgebreid. Omdat alle plaatsen bezet waren en er een
wachtlijst was ontstaan, heeft de wederpartij in april 1992 besloten om het
aantal opvangplaatsen uit te breiden van 300 tot 425. Tevens heeft zij
besloten om 125 plaatsen beschikbaar te stellen voor buitenschoolse opvang
van kinderen ouder dan vier jaar. De argumenten voor het creeren van deze
buitenschoolse opvang waren dezelfde als voor de andere kinderopvang,
namelijk het aantrekken en vooral het in dienst houden van vrouwen.

Ter zitting heeft de wederpartij aangegeven dat er een onderzoek is gedaan
naar de in- en uitstroom van vrouwen bij haar bedrijf. De resultaten van dit
onderzoek zijn eind 1991 tijdens een evaluatie van het kinderopvangbeleid
bekend gemaakt. Uit deze gegevens bleek dat de instroom van vrouwen in 1991
met 2% was gestegen ten opzichte van 1990; in 1990 was de instroom 35%,
terwijl deze in 1991 37% was. De uitstroom van vrouwen was in 1991 met 2%
gedaald ten opzichte van 1990; in 1990 was de uitstroom 30%, terwijl deze in
1991 28% was.

Hoewel in de kinderopvangregeling is vastgelegd dat slechts vrouwen hiervan
gebruik kunnen maken en formeel niet van deze regel kan worden afgeweken, is
in de praktijk echter de volgende hardheidsclausule van toepassing.

Een weduwnaar met jonge kinderen of een gescheiden man die de voogdij heeft
over de kinderen en voor wie de kinderen een daadwerkelijke dagelijkse zorg
zijn, kunnen ook in aanmerking komen voor de regeling.

Uit cijfers van een onderzoek binnen een bedrijfsonderdeel van de wederpartij
blijkt dat er zich onder de 170 personen die hier werkzaam zijn 4 mannen
bevinden die gebruik maken van de kinderopvangregeling.

3.4. Verzoeker heeft in verband met zijn op komst zijnde kind de wederpartij
verzocht in aanmerking te komen voor een kindplaats. De wederpartij heeft
deze aanvraag afgewezen omdat de opvangregeling slechts voor vrouwen
toegankelijk was.

Als reden voor dit voorkeursbeleid verwees zij naar de onder 3.1. genoemde
doelstellingen.

In haar afwijzingsbrief d.d 6 maart 1992 geeft de wederpartij een toelichting
op dit beleid. Zij schrijft dat zowel de belangen van haar bedrijf als
emancipatoire redenen ertoe hebben geleid dat zij de kinderopvangregeling in
het leven heeft geroepen. Het bedrijf heeft er namelijk baat bij om
medewerksters die voor het bedrijf belangrijke ervaring hebben opgedaan en
in wie het bedrijf onder andere in de vorm van opleidingen heeft
geinvesteerd, in dienst te houden.

Verder vermeldt deze brief dat de wederpartij een toelatingsbeleid heeft
vastgesteld, omdat het voorzien in kinderopvang een kostbare aangelegenheid
is en zij bovendien op deze wijze de doelstellingen van het voorkeursbeleid
wil realiseren.

Het aantal kinderopvangplaatsen is te gering om aan al het personeel dat het
bedrijf overweegt te verlaten in verband met het opnemen van gezinstaken, een
plaats te bieden. Daarom heeft de wederpartij ervoor gekozen om door middel
van een kinderopvangregeling vrouwelijke werknemers in staat te stellen hun
werk bij de wederpartij te combineren met de zorg van kinderen. Het zijn
immers voornamelijk vrouwen die wegens de zorg voor hun kinderen overwegen
om hun baan op te zeggen.

In deze brief heeft de wederpartij verzoeker er voorts van op de hoogte
gesteld dat een evaluatie van het kinderopvangbeleid bij de wederpartij
lopende was.

Ten tijde van de zitting heeft verzoeker te kennen gegeven dat de
zwangerschap van zijn partner vroegtijdig is beeindigd en dat het kind
levenloos ter wereld is gekomen.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoeker stelt het volgende.

Hoewel de kinderopvangregeling niet expliciet is genoemd in de CAO, dient
deze toch te worden aangemerkt als een arbeidsvoorwaarde. Daarom dient de
kinderopvangregeling te worden getoetst aan artikel 7A:1637ij BW.

Verzoeker is van mening dat de onderhavige kinderopvangregeling geen redelijk
middel is om feitelijke ongelijkheden tussen mannen en vrouwen binnen het
bedrijf van de wederpartij op te heffen. Ter ondersteuning van deze stelling
voert verzoeker het volgende aan.

Het positieve actiebeleid van de wederpartij is erop gericht het aantal
vrouwelijke werknemers binnen haar bedrijf te doen toenemen. Er is echter
niet gebleken dat deze doelstelling door middel van de kinderopvangregeling
wordt bereikt. Het is immers niet duidelijk hoeveel vrouwen die van deze
regeling gebruik maken met werken zouden zijn gestopt als deze regeling niet
zou bestaan.

Bovendien, zo stelt verzoeker, blijkt uit de cijfers die de wederpartij heeft
overhandigd dat het percentage waarmee het aantal vrouwelijke werknemers
binnen het bedrijf van de wederpartij is toegenoemen lager is dan het
landelijke gemiddelde van toename van vrouwen op de arbeidsmarkt.

Verzoeker wijst in dit verband erop dat uit de schriftelijke stukken van de
wederpartij niet blijkt of een evaluatie van het kinderopvangbeleid bij de
wederpartij heeft plaatsgevonden en indien dit wel het geval was, wat de
uitkomst hiervan was.

Hoezeer verzoeker ook toejuicht dat de wederpartij een positief actiebeleid
voert, hij is toch van oordeel dat de kinderopvangregeling in zijn huidige
vorm te rigide is. Er is geen sprake van een ‘hardheidsclausule’, op grond
waarvan er in bijzondere omstandigheden van de regeling kan worden afgeweken.
Dit heeft als gevolg dat alle mannen onder alle omstandigheden van de
kinderopvangregeling worden uitgesloten. Bovendien houdt de regeling geen
rekening met de partner van degene die er een beroep op doet.

Voorts bekritiseert verzoeker het feit dat de onderhavige regeling als
uitgangspunt heeft dat de zorg voor kinderen uitsluitend aan vrouwen
toebehoort. Verzoeker ziet de zorg voor kinderen als een gedeelde
verantwoordelijkheid van beide ouders.

3.6. In reactie op het standpunt van de wederpartij dat kinderopvang in
Nederland geen basisvoorziening is (zie paragraaf 3.10.), stelt verzoeker dat
dit een niet geheel juiste voorstelling van zaken is.

De overheid stelt namelijk middelen beschikbaar aan gemeenten ter uitvoering
van een beleid gericht op het creeren van kinderopvangplaatsen. Hierbij geeft
de gemeente een bijdrage in de kosten voor een kindplaats. Voorwaarde is dat
het bedrijf van de werknemer ook een bijdrage levert in de kosten.

Het beleid van de wederpartij heeft volgens verzoeker tot gevolg dat
mannelijke werknemers van het bedrijf worden uitgesloten van deze
overheidssubsidie.

3.7. Tijdens de zwangerschap van zijn partner heeft verzoeker gesteld dat
indien hij niet kon beschikken over kinderopvang, hij gedwongen zou zijn om
zijn baan op te zeggen om de verzorging van zijn kind op zich te nemen. Zijn
partner was namelijk net begonnen met werken en had gezien haar
arbeidshistorie een aanmerkelijk belang bij het voortzetten van haar baan.
Als zij zou stoppen zou dit haar kansen op de arbeidsmarkt aanmerkelijk
verminderen. Gezien het aantal dienstjaren dat verzoeker achter de rug heeft,
loopt hij wat dit betreft minder risico’s.

Wat betreft het verweer van de wederpartij dat er ook andere voorzieningen
zijn waar mannelijke werknemers gebruik van kunnen maken om te voorzien in
de verzorging van hun kind, zoals een tijdelijk deeltijddienstverband of het
opnemen van ouderschapsverlof, stelt verzoeker dat deze voorzieningen slechts
een gedeeltelijke oplossing bieden. De werknemers die gebruik maken van deze
mogelijkheden moeten immers voor de uren dat zij werken alsnog zoeken naar
een opvangplaats voor hun kind.

Op grond van het voorgaande meent verzoeker dat de wederpartij:

– onzorgvuldig jegens hem handelt;

– ten onrechte een beroep doet op de WGB;

– in strijd met artikel 7A:1637ij lid 1 BW onderscheid op grond van
geslacht jegens hem maakt.

3.8. De wederpartij stelt het volgende.

Zij realiseert zich dat zij met de onderhavige regeling onderscheid naar
geslacht maakt, maar zij is van mening dat dit onderscheid is toegestaan op
grond van lid 4 van artikel 7A:1637ij BW. Het gemaakte onderscheid beoogt
namelijk vrouwen in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke
ongelijkheden op te heffen. Dat er sprake is van feitelijke ongelijkheden
blijkt uit de cijferoverzichten die de wederpartij aan de Commissie heeft
overhandigd (zie paragraaf 3.2.).

De wederpartij voegt hier aan toe dat, aangezien in de praktijk is gebleken
dat met name vrouwen haar bedrijf verlaten in verband met de zorg voor
kinderen, het beschikbaar stellen van kinderopvangvoorzieningen een zinvolle
bijdrage levert aan het realiseren van de in het positieve actiebeleid
gestelde doelen.

Ook bleek uit het onderzoek dat in 1991 17 werkneemsters een kind hebben
gekregen. Elf van deze vrouwen hebben gebruik gemaakt van de
kinderopvangregeling. De zes andere vrouwen zijn tijdelijk gestopt met
werken, maar maken gebruik van een regeling die hen de mogelijkheid biedt om
na enkele jaren terug te komen bij de wederpartij.

De wederpartij stelt dat, aangezien zij in het kader van het positieve
actiebeleid een pakket van maatregelen heeft getroffen, het moeilijk is om
aan te geven welk aandeel de kinderopvangregeling heeft gehad in de toename
van vrouwelijke werknemers binnen haar bedrijf. Zij is echter van mening dat
deze regeling hieraan wel een bijdrage heeft geleverd.

Op grond van het bovenstaande is de wederpartij van mening dat de
kinderopvangregeling geschikt is voor het gestelde doel. Volgens de
wederpartij zou het doel van de regeling naar de achtergrond verdwijnen
indien de regeling ook voor mannen zou worden opengesteld.

3.9. Ter zitting bracht de wederpartij naar voren dat er ondanks de
uitbreiding van het aantal kinderopvangplaatsen in april 1992, alweer een
wachtlijst was ontstaan. Op deze wachtlijst stonden met name vrouwen, maar
ook mannen die in aanmerking kwamen voor de ‘hardheidsclausule’. Verder merkt
de wederpartij op dat er voor mannelijke werknemers ook nog andere
mogelijkheden zijn waardoor zij de zorg voor hun kinderen zelf op zich kunnen
nemen. De wederpartij heeft namelijk de mogelijkheid geschapen om functies
tijdelijk in deeltijd uit te oefenen. Verder kan er gebruik worden gemaakt
van het wettelijk recht op ouderschapsverlof. Dit verlof is weliswaar
onbetaald, maar het is dus niet zo dat mannelijke werknemers geheel in de kou
staan.

3.10. De wederpartij stelt dat kinderopvang tot op heden geen
basisvoorziening is in Nederland. Het is de verantwoordelijkheid van de
overheid en niet van een bedrijf om een basisvoorziening te treffen.

Het voorkeursbeleid van de wederpartij heeft onder andere als doel haar eigen
vrouwelijke werknemers in dienst te houden. Dit beleid heeft niet als doel
het scheppen van de mogelijkheid dat elders werkende vrouwelijke partners van
haar eigen werknemers hun werkzaamheden bij dat bedrijf kunnen blijven
verrichten. Van de wederpartij kan daarom niet worden verlangd dat zij haar
voorzieningen zo inricht dat een dergelijke problematiek wordt opgelost.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker handelde in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling door hem vanwege zijn geslacht
uit te sluiten van een kinderopvangregeling.

Aangezien de betreffende kinderopvangregeling als een arbeidsvoorwaarde moet
worden aangemerkt, moet deze regeling worden getoetst aan artikel 7A:1637ij
BW.

Lid 1 van dit artikel bepaalt onder andere dat een werkgever in de
arbeidsvoorwaarden geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen. Lid
4 van dit artikel schrijft voor dat van het in lid 1 genoemde verbod mag
worden afgeweken, indien het bedingen betreft die vrouwelijke werknemers in
een bevoorrechte positie beogen te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden
op te heffen.

4.2. Reeds eerder heeft de Commissie geoordeeld dat op grond van 7A:1637ij
BW en de totstandkomingsgeschiedenis daarvan in het algemeen kan worden
gesteld dat, wil een regeling die alleen voor vrouwen geldt niet met dit
artikel in strijd komen, er niet alleen sprake moet zijn van feitelijke
ongelijkheden, maar die regeling tevens in ieder geval geschikt moet zijn
voor en in redelijke verhouding moet staan tot het daarmee te bereiken doel
(Zie bijvoorbeeld Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, oordeelnummer 130-90-121, d.d. 22 augustus 1990).

4.3. Het doel dat de wederpartij met de onderhavige regeling nastreeft is
onder andere het wegnemen van het knelpunt, dat is gelegen in de combinatie
van betaalde arbeid en de zorg voor (jonge) kinderen bij vrouwen die bij haar
werken of willen werken.

In dit verband geldt het volgende.

Het is een feit van algemene bekendheid dat vrouwen in verband met de
verzorging van kinderen vaker afzien van (de voortzetting van) een
dienstverband dan mannen. De Commissie concludeert dan ook in zijn
algemeenheid dat er op dit punt feitelijke ongelijkheden zijn van vrouwen ten
opzichte van mannen. Niet gebleken is dat vrouwen die bij de onderhavige
arbeidsorganisatie (willen) werken zich wat dit betreft zouden onderscheiden
van vrouwen in het algemeen. In zoverre is er sprake van voor de toepassing
van de wetgeving gelijke behandeling relevante feitelijke ongelijkheden.

4.4. Vervolgens moet worden beoordeeld of het middel geschikt is om het doel
dat de wederpartij zich stelt, te realiseren.

De wederpartij heeft in het kader van een positief actiebeleid een aantal
maatregelen getroffen. Uit de cijfers die de wederpartij naar voren heeft
gebracht blijkt dat sinds de invoering van deze maatregelen het percentage
vrouwelijke werknemers in haar bedrijf is toegenomen en dat de uitstroom van
vrouwelijke werknemers is afgenomen.

Het is niet bekend wat het effect is geweest van de kinderopvangregeling
afzonderlijk. De Commissie is echter van mening dat het algehele effect van
het totale emancipatiebeleid dusdanig is, dat aannemelijk is dat de
kinderopvangregeling een bijdrage heeft geleverd aan de toename van het
aandeel vrouwen bij de wederpartij.

De Commissie is derhalve van oordeel dat het bieden van deels gefinancierde
kinderopvangplaatsen aan vrouwelijke personeelsleden een geschikt middel is
om het doel dat de wederpartij zich stelt te realiseren, althans om daartoe
een bijdrage te leveren.

4.5. Wat betreft de vraag of de kinderopvangregeling ook in een redelijke
verhouding staat tot het daarmee beoogde doel, overweegt de Commissie als
volgt.

De Commissie merkt op dat vrouwen van mannelijke personeelsleden met
hetzelfde knelpunt (zie paragraaf 4.3.) kunnen worden geconfronteerd als
vrouwelijke personeelsleden. Zij is echter van mening dat van een werkgever
op grond van de WGB niet kan worden gevergd zijn arbeidsvoorwaarden daarop
af te stemmen.

Aangezien bovendien is gebleken dat in de praktijk een hardheidsclausule
wordt toegepast, oordeelt de Commissie dat, hoewel het zorgvuldiger was
geweest als de wederpartij deze hardheidsclausule in de kinderopvangregeling
had opgenomen, de kinderopvangregeling in een redelijke verhouding staat tot
het daarmee beoogde doel.

4.6. Wat betreft het financiele argument van de wederpartij om de
kinderopvangplaatsen alleen aan haar vrouwelijke werknemers aan te bieden,
merkt de Commissie, wellicht ten overvloede, op dat, gelet op de tekst van
7A:1637ij BW en de totstandkomingsgeschiedenis daarvan, financiele argumenten
geen rechtvaardiging kunnen bieden voor het maken van een direct onderscheid
tussen vrouwelijke en mannelijke werknemers (Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid, oordeelnummer 23-90-18, 30 maart 1990).

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Groningen
jegens de heer te

Den Haag geen door artikel 7A:1637ij BW verboden onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt door hem op grond van zijn geslacht uit te sluiten van de
onderhavige kinderopvangregeling.

Aldus vastgesteld op 7 oktober 1992 naar aanleiding van de behandeling in de
raadkamer d.d. 27 augustus 1992.

Rechters

van de kant van de Commissie, dhr prof. mr P.F. van der Heijden(Kamervoorzitter), mw drs A.J. Huber (lid Kamer), mw mr C.B. Mol-Bronkhorst(lid Kamer), mw mr M.J.M.G. van Dorsten (plv.secretaris).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 7 oktober 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In de bedrijfstak waar de wederpartij deel van uit maakt is een
toelageregeling voor kinderopvang van toepassing. Deze regeling bepaalt dat
slechts vrouwen in aanmerking komen voor een financiele tegemoetkoming in de
kosten van kinderopvang. Aangezien de toelage wordt verstrekt uit hoofde van
de dienstbetrekking tussen werkneemsters en de werkgever is de werkgever van
verzoeker als wederpartij te beschouwen.

De Commissie acht deze vorm van voorkeursbehandeling niet geschikt om het
doel dat de wederpartij zich kennelijk stelt, namelijk de instroom van
vrouwelijke werknemers te vergroten, te realiseren. Het knelpunt voor vrouwen
is in het algemeen immers vooral gelegen in het tekort aan
kinderopvangplaatsen. Door slechts een beperkte financiele bijdrage te
verstrekken indien een kinderopvangplaats beschikbaar is en geen plaats in
een kinderdagverblijf te zoeken of te creeeren voor werkneemsters, zal dit
tekort naar verwachting niet worden opgeheven.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 6 januari 1992 verzocht de heer te Vught (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of te
Helmond (hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid maakt op grond van
geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

1.2. Verzoeker is werkzaam bij de wederpartij. Hij heeft op grond van een
kinderopvangregeling in de betreffende bedrijfstak een aanvraag ingediend
voor een financiele tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. Deze
aanvraag is afgewezen omdat alleen vrouwelijke werknemers hiervoor in
aanmerking komen. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee
onderscheid naar geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder meerdere malen de gelegenheid gehad hun
standpunten schriftelijk toe te lichten.

2.2. De Commissie heeft voor deze zaak informatie gebruikt die zij in een
soortgelijke andere zaak (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid, oordeelnummer 371-91-80, 5 december 1991) heeft ingewonnen bij
de Raad van Overleg in de Metaalindustrie te Leidschendam (hierna: de ROM).

2.3. De Commissie heeft vervolgens partijen uitgenodigd hun standpunten nader
toe te lichten tijdens een zitting op

27 augustus 1992.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker

dhr (verzoeker)

mw mr C.E.M. Renckens (advocaat)

van de kant van de Commissie

dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter)

mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer)

mw drs A.J. Huber (lid Kamer)

mw mr M.J.M.G. van Dorsten (plaatsvervangend secretaris).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De ROM is een overlegorgaan in de bedrijfstak van de metaal- en
electrotechnische industrie. De wederpartij maakt deel uit van deze
bedrijfstak. Een aantal werkgevers- en werknemersorganisaties zijn in dit
overlegorgaan vertegenwoordigd. De wederpartij is lid van een van deze
werkgeversverenigingen.

De ROM heeft als uitvloeisel van afspraken die tijdens onderhandelingen over
de CAO 1989/1990 zijn gemaakt, een toelageregeling voor kinderopvang
getroffen. Deze regeling maakt geen deel uit van de van toepassing zijnde
CAO.

De reden voor het treffen van een dergelijke regeling was dat een relatief
beperkt aantal vrouwen werkzaam is in de technische beroepen in de metaal-
en electrotechnische industrie. Met het treffen van de toelageregeling werd
een vergroting van de instroom en een verkleining van de uitstroom van
vrouwelijke werknemers beoogd.

De ROM noch de wederpartij hebben exacte gegevens overgelegd over het aantal
mannen en vrouwen dat werkzaam is in de desbetreffende bedrijfstak en evenmin
over het aantal mannen en vrouwen dat werkzaam is in de technische beroepen.
De ROM heeft wel gegevens overgelegd, afkomstig uit het jaarverslag 1989 van
de bedrijfsvereniging voor de metaal- en electro- technische industrie over
het aantal verzekerde personen met een of meer arbeidsverhoudingen,
uitgesplitst naar leeftijd en geslacht. Daarbij moet worden aangetekend dat
bepaalde ondernemingen een eigen CAO hebben, terwijl de daar werkzame
personen wel in het bestand van de bedrijfsvereniging zijn opgenomen. De
hierna volgende cijfers geven derhalve slechts een indicatie over het aantal
werknemers dat onder de CAO in de metaal- en electrotechnische industrie
valt.

Aantal verzekerde personen uitgesplitst naar leeftijd en geslacht

leeftijd mannen vrouwen

15 t/m 19 4.170 600

20 t/m 34 88.020 18.000

35 t/m 49 89.180 9.140

50 t/m 65 48.340 3.060

totaal 229.710 30.800

Gezien het relatief kleine aantal vrouwelijke werknemers binnen de
bedrijfstak en in verband met de schaarste van technisch geschoolde vrouwen
op de arbeidsmarkt is op bedrijfstakniveau een aantal maatregelen genomen om
de instroom van vrouwelijke werknemers te vergroten, waaronder “de regeling
toelage kinderopvang”.

De wederpartij heeft geen onderzoek gedaan naar de uitstroom of de
verminderde instroom van vrouwen in verband met de verzorging van kinderen.

3.2. In januari 1989 is de regeling toelage kinderopvang ingegaan. Zoals
hiervoor vermeld is deze regeling door de ROM opgesteld. De kosten voor de
kinderopvangregeling worden betaald uit een fonds waarvan de middelen door
CAO-partijen zijn opgebracht. De regeling was eerst alleen toegankelijk voor
vrouwen in technische beroepen, die in dienst waren van een onderneming die
viel onder de werkingssfeer van de van toepassing zijnde CAO. Aangezien het
onderscheid naar technische beroepen in de praktijk teveel problemen opriep,
is in de daarop volgende CAO-periode van januari 1990 tot april 1991 dit
experiment uitgebreid tot alle vrouwen in de bedrijfstak, ongeacht hun
functie.

De regeling is ook na maart 1991 verlengd.

De ROM voert de regeling uit. Deze heeft daartoe een commissie kinderopvang
ingesteld.

Vrouwen die gebruik willen maken van de regeling dienen de toelage bij de ROM
aan te vragen.

De hoogte van de toelage wordt als volgt berekend. De toelage bedraagt
maximaal 50% van de door de betreffende ouder/verzorger feitelijk te betalen
ouderbijdrage, met een maximum van ƒ 300,- per maand voor voltijdse opvang.
De toelage kan worden toegekend aan de vrouwelijke werknemer of wordt op
verzoek ten behoeve van haar uitbetaald aan de desbetreffende instelling voor
kinderopvang. Vanaf januari 1990 kan de toelage ook aan de werkgever worden
uitgekeerd. De werkgever komt hiervoor in aanmerking indien hij een
kindplaats bij een instelling voor kinderopvang heeft gereserveerd waarvan
de werkneemster gebruik maakt. In zo’n geval ontvangt niet de werkneemster
maar de werkgever een subsidie en wel ter hoogte van de helft van de kosten
van de kinderopvang.

Overigens stelt de wederpartij geen kindplaatsen ter beschikking aan haar
werkneemsters. Eventuele bijdragen uit de regeling worden in het onderhavige
geval dus rechtstreeks toegekend aan de vrouwelijke werknemers.

3.3. Verzoeker is werkzaam bij de wederpartij. Op 29 december 1990 is
verzoeker vader geworden. Hij heeft bij de ROM een aanvraag ingediend voor
een financiele tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De ROM heeft
zijn aanvraag afgewezen, omdat de toelageregeling niet op mannelijke
werknemers van toepassing is.

3.4. Ten tijde van de toelageregeling 1989/1990 heeft de ROM

15 aanvragen ontvangen, waarvan er vier werden afgewezen. In de periode van
januari 1990 tot augustus 1991 zijn er 118 aanvragen binnengekomen, waarvan
er zeven zijn afgewezen.

Hieronder bevonden zich drie mannelijke werknemers.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoeker stelt het volgende.

Onder loon dient te worden verstaan alle vergoedingen aan de werknemer
verschuldigd terzake van diens arbeid. De kosten van kinderopvang vallen hier
dus ook onder.

De Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168)
verbiedt dat mannen en vrouwen ongelijk worden beloond. Dit is af te leiden
uit de systematiek van de Wet.

De WGB bevat in artikel 5 lid 1 een mogelijkheid om een uitzondering te maken
op het verbod van het maken van onderscheid tussen mannen en vrouwen,
namelijk indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte
positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen. Dit
artikel verwijst echter naar de artikelen 1a, 2, 3 en 4 in paragraaf 1 van
de WGB.

De verplichting om aan mannen en vrouwen gelijk loon te betalen is echter
opgenomen in de tweede paragraaf van de WGB, te weten in artikel 7. Volgens
verzoeker bevat artikel 7 WGB noch enig ander artikel in deze paragraaf een
uitzondering op het discriminatieverbod zoals geformuleerd in artikel 5 lid
1 WGB.

Op grond van het bovenstaande is verzoeker van mening dat, nu de regeling
kinderopvang uitsluitend van toepassing is op vrouwelijke werknemers, deze
regeling in strijd is met de WGB.

Voor het geval de Commissie voorkeursbeleid bij beloning wel toelaatbaar
acht, voert verzoeker aan dat de onderhavige regeling in haar huidige vorm
wettelijk niet is toegestaan, omdat het geen geschikt middel is om de
achterstand van vrouwen op de arbeidsmarkt weg te werken.

3.6. De wederpartij stelt het volgende.

De toelageregeling kinderopvang houdt in dat vrouwelijke werknemers jegens
de ROM en niet jegens de werkgever aanspraak hebben op een tegemoetkoming.
De regeling wordt volledig uitgevoerd door de ROM. De bij de CAO betrokken
werkgevers hebben daar geen bemoeienis mee. De regeling maakt ook geen deel
uit van de CAO in de metaal- en electrotechnische industrie. De wederpartij
stelt derhalve vraagtekens bij de toepasselijkheid van artikel 7A:1637ij
Burgelijk Wetboek (BW) danwel artikel 7 WGB.

De wederpartij stelt dat de regeling geen onderdeel uitmaakt van haar
arbeidsvoorwaarden en dat artikel 7A:1637ij BW derhalve niet van toepassing
is.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker in de
arbeidsvoorwaarden onderscheid naar geslacht maakt in strijd met artikel
7A:1637ij lid 1 BW, doordat hij vanwege zijn geslacht niet in aanmerking komt
voor een financiele tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang.

De Commissie gelijke behandeling toetst de toelageregeling aan artikel
7A:1637ij lid 1 BW omdat het hier arbeidsvoorwaarden betreft zoals in dat
artikel bedoeld. Het betreft geen loon in de zin van artikel 7 WGB, aangezien
het hier niet gaat om een bedongen tegenprestatie voor de arbeid.

4.2. Gelet op het verweer van de wederpartij dat niet zij, maar de ROM als
wederpartij moet worden beschouwd, moet hier allereerst aan de orde worden
gesteld of de werkgever van verzoeker kan worden aangesproken in het kader
van deze procedure.

De Commissie acht van doorslaggevende betekenis voor het antwoord op deze
vraag dat in casu de bijdrage wordt verstrekt uit hoofde van de
dienstbetrekking tussen werkneemster en de werkgever (Vergelijk Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen, Barber versus Guardian Exchange
Assurance Group, rechtsoverweging 26, zaak C-262/88, d.d. 17 mei 1990,
Nemesis 1990, nummer 116″ [ …] Secondly, such scemes are not compulsorily
applicable to general categories of workers. On the contrary, they apply only
to workers employed by certain undertakings, with the result that affiliation
to those schemes derives of necessity from the employment relationship with
a given employer. [ …]”). Vast staat immers dat vrouwelijke werknemers de
bijdrage ontvangen vanwege het bestaan van de dienstbetrekking en dat de
regeling gefinancierd wordt door de werkgevers- en werknemerspartijen bij de
CAO.

Op grond van het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat de werkgever
van verzoeker als wederpartij is te beschouwen. De Commissie wijst er
bovendien op dat de ROM weliswaar de regeling uitvoert, maar dat de
werkgevers- en werknemersorganisaties de omstreden regeling hebben getroffen.
Aangezien de wederpartij lid is van een van deze werkgeversorganisaties, kan
zij ook invloed uitoefenen op de inhoud van de toelageregeling kinderopvang.

De Commissie voegt hier overigens aan toe dat zij de ROM, gelet op zijn
betrokkenheid bij de onderhavige materie, haar oordeel ter kennisname zal
toezenden.

4.3. Met betrekking tot de in geding zijnde vraag overweegt de Commissie als
volgt.

Van het bepaalde in artikel 7A:1637ij BW mag worden afgeweken indien het
bedingen betreft die beogen vrouwelijke arbeiders in een bevoorrechte positie
te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen (artikel 7A:1637ij
lid 4 BW).

Reeds eerder heeft de Commissie uitgemaakt dat, wil een regeling die vrouwen
bevoordeelt niet in strijd komen met de WGB er niet alleen sprake moet zijn
van feitelijke ongelijkheden tussen mannen en vrouwen, maar er tevens sprake
moet zijn van een regeling die in ieder geval geschikt is voor en in
redelijke verhouding staat tot het daarmee te bereiken doel (Zie bijvoorbeeld
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid,
oordeelnummer 130-90-121, 22 oktober 1990).

Evenals in eerdere zaken omtrent voorkeursbehandeling bij regelingen die
betrekking hebben op kinderopvang (Zie bijvoorbeeld Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, oordeelnummer 386-92-05, 26
maart 1992), constateert de Commissie dat het een feit van algemene
bekendheid is dat vrouwen in verband met de verzorging van kinderen vaker
afzien van (de voortzetting van) een dienstverband dan mannen. In zoverre
concludeert de Commissie dan ook dat er in zijn algemeenheid op dit punt
feitelijke ongelijkheden zijn van vrouwen ten opzichte van mannen.

Niet gebleken is dat de vrouwen die bij de onderhavige arbeidsorganisatie
(willen) werken zich wat dit betreft zouden onderscheiden van vrouwen in het
algemeen. Overigens wijst de Commissie erop dat cijfers over de in- en
uitstroom van vrouwen en mannen in de onderhavige organisatie een indicatie
zouden kunnen geven over de mate waarin genoemd knelpunt bij vrouwen
optreedt. Deze cijfers zijn de Commissie echter niet bekend.

Vervolgens moet worden onderzocht of het middel geschikt is om het doel dat
de wederpartij zich kennelijk stelt, te realiseren.

De wederpartij heeft geen cijfers overgelegd waaruit blijkt dat de invoering
van de toelageregeling kinderopvang als gevolg heeft gehad dat het aandeel
vrouwelijke werknemers binnen haar organisatie is toegenomen. Daarbij komt
dat de wederpartij niet duidelijk heeft gemaakt hoe de onderhavige regeling
zich verhoudt tot andere maatregelen die zijn getroffen, om het aandeel van
vrouwelijke werknemers binnen de organisatie van de wederpartij te vergroten,
noch waarom juist voor deze maatregel is gekozen.

Mede in dit verband acht de Commissie het onvoldoende aannemelijk gemaakt dat
de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang de geformuleerde doelstelling
helpt te bereiken. Het knelpunt voor vrouwen is in het algemeen immers vooral
gelegen in het tekort aan kinderopvangplaatsen. Door alleen een beperkte
financiele bijdrage te verstrekken indien een plaats beschikbaar is en geen
plaats in een kinderdagverblijf te zoeken of te creeren voor de
werkneemsters, zal dit tekort naar verwachting niet opgeheven worden. De
werkneemster dient immers zelf een kinderdagverblijfplaats te zoeken en is
daarbij aangewezen op de bestaande schaarse mogelijkheden.

De Commissie is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de financiele
tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang geen geschikt middel is om het
daarmee beoogde doel te bereiken dan wel om daaraan een bijdrage te leveren.

Hiermee staat vast dat de wederpartij in strijd met artikel 7A:1637ij lid 1
BW jegens verzoeker onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in de
arbeidsvoorwaarden.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

5.1. De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Helmond
door geen bijdrage in de kosten van kinderopvang te verstrekken, jegens de
heer te Vught onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd
met artikel 7A:1637ij lid 1 Burgelijk Wetboek.

Aldus vastgesteld op 7 oktober naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 27 augustus 1992.

Rechters

dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter), mw prof. mr J.E.Goldschmidt (lid Kamer), mw drs A.J. Huber (lid Kamer), mw mr M.J.M.G. vanDorsten (plaatsvervangend secretaris).

Instantie: Raad van State, 6 oktober 1992

Instantie

Raad van State

Samenvatting


Vrouw wordt na arbeidsverleden bijstand geweigerd omdat haar
echtgenoot een inkomen heeft boven de bijstandsnorm. Haar beroep op het
in internationale bepalingen vastgelegde verbod van discriminatie wordt
door de Afdeling verworpen. De artt. 5 en 5a ABW regelen de
gezinsbijstand. Dit betekent dat deze artikelen in hun uitwerking niet de
vrouw (of man) afzonderlijk aangaan, doch de man en vrouw tezamen
gelijkelijk. Dit levert geen discriminatie op. Derhalve hoeft de Afdeling
niet te onderzoeken of sprake is van indirecte discriminatie.

Volledige tekst

Overzicht van het geschil

De commissie voor de verlening van bijstand te Enkhuizen heeft op 12 april
1988 naar aanleiding van de door V. op 7 maart 1988 ingediende aanvraag
om bijstand ingevolge de Algemene Bijstandswet ter voorziening in de
algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan afwijzend beschikt.

De beschikking is aan deze uitspraak gehecht.

Nadat V. tegen deze beschikking een bezwaarschrift had ingediend, hebben
burgemeester en wethouders van Enkhuizen de daarin vervatte bezwaren bij
hun beslissing van 29 augustus 1988, kenmerk 882196, ongegrond verklaard.

De beslissing is aan deze uitspraak gehecht.

Vervolgens is V. in beroep gekomen bij gedeputeerde staten van
Noord-Holland, welk beroep verweerster bij haar besluit van 29 mei 1989,
Afdeling WEB, nummer AZ-89-434, ongegrond heeft verklaard.

Het besluit is aan deze uitspraak gehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld krachtens artikel 43
der Algemene Bijstandswet.

Het beroepschrift is aan deze uitspraak gehecht.

Desgevraagd is een verweerschrift ingediend.

Het geschil is op 29 september 1992 behandeld in een openbare vergadering
van een Enkelvoudige Kamer van de Afdeling, waarin appellante,
vertegenwoordigd door mr G.A.M. van Dijk, en verweerster, vertegenwoordigd
door W.J. Ardewijn, hun standpunten nader hebben uiteengezet.

Burgemeester en wethouders van Enkhuizen zijn niet ter zitting verschenen.

In rechte

Bij haar bestreden besluit heeft verweerster de afwijzing van de aanvraag
om bijstand van appellante, nu de inkomsten van haar echtgenoot toereikend
waren om in de noodzakelijke kosten van het gezin te voorzien, bevestigd.

Appellante kan zich hiermee niet verenigen en stelt hier dat sprake is van
indirecte discriminatie.

Appellante is van mening dat artikel 5 van de Algemene Bijstandswet
(hierna te noemen: ABW) tot gevolg heeft dat vrouwen vaker hun
uitkeringsrechten zullen verliezen of niet kunnen doen gelden. In verband
hiermede heeft appellante betoogd dat artikel 5 ABW in strijd is met de
Richtlijn van de Raad van de Europese gemeenschappen van 19 december 1978
betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid
(nos. 79/7/EEG, hier te noemen derde EG-richtlijn).

Voorts heeft appellante aangevoerd dat artikel 5 van de ABW eveneens
strijdig is met artikel 26 van het Internationale Verdrag inzake
Burgerrechten en Politieke Rechten van 19 december 1966, artikel 2, tweede
lid, en artikel 3 juncto artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake
Economische, Sociale en Culturele Rechten van 19 december 1966 en artikel
14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en
de fundamentele vrijheden van 4 november 1950.

Appellante heeft tevens nog aangevoerd dat verweerster onvoldoende is
ingegaan op de door haar aangevoerde strijdigheid met de internationale
verdragsbepalingen.

De Afdeling overweegt allereerst als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 5, eerste lid, van de ABW wordt de
bijstand aan echtelieden als gezinsbijstand toegekend.

Artikel 5, derde lid, bepaalt dat bij het verlenen van gezinsbijstand
rekening wordt gehouden met wettelijke aanspraken op onderhoud of
vruchtgenot bestaande tussen betrokken personen.

Ingevolge artikel 5, vierde lid, komt de gezinsbijstand de echtelieden
gelijkelijk toe. De bijstand kan door elk van de echtelieden worden
aangevraagd. Op verzoek van de echtelieden, of een van hen, wordt de
bijstand aan ieder voor de helft uitgekeerd.

Uit de stukken blijkt dat appellante eerst een uitkering op grond van de
Werkloosheidswet en vervolgens tot 20 november 1987 een uitkering
ingevolge de Wet Werkloosheidsvoorziening heeft ontvangen.

Inmiddels had appellante zich op 8 oktober 1987 bij de bedrijfsvereniging
ziek gemeld.

Na een keuring is appellante met ingang van 8 november 1988
arbeidsongeschikt verklaard.

Appellante heeft eerst met ingang van laatstgenoemde datum een uitkering
ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering/Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet ontvangen.

Ter overbrugging van de periode van 20 november 1987 tot 8 november 1988
heeft appellante op 7 maart 1988 een uitkering op grond van de ABW in de
kosten van levensonderhoud aangevraagd.

Het staat vast dat de echtgenoot van appellante over een netto-inkomen van
destijds ƒ 3.268,15 per maand beschikte, welk bedrag derhalve de voor
appellante en haar echtgenoot geldende bijstandsnorm te boven ging.

Mede gelet op het bepaalde in artikel 5 van de ABW bestond er geen
aanleiding om aan appellante bijstand te verlenen. Verweerster kon dan ook
in zoverre de afwijzing van appellantes aanvraag bevestigen.

Met betrekking tot de stelling van appellante dat artikel 5 van de ABW
leidt tot indirecte discriminatie overweegt de Afdeling het volgende.

Appellante heeft onder meer gewezen op artikel 2, tweede lid, en artikel
3 juncto artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake Economische,
Sociale en Culturele Rechten, waarin de Nederlandse staat zich heeft
verbonden zonder discriminatie de gelijke rechten van mannen en vrouwen
in de sociale zekerheid te erkennen.

Naar het oordeel van de Afdeling richten evenbedoelde bepalingen zich tot
de verdragsluitende staten en kunnen derhalve niet worden aangemerkt als
een ieder verbindende bepaling als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet.

Appellante kan zich om die redenen niet voor de nationale rechter op deze
artikelen beroepen.

Om die reden heeft verweerster het beroep van appellante op evengenoemde
verdragsbepalingen niet kunnen honoreren.

Artikel 4, eerste lid, van de derde EG-richtlijn, voor zover te dezen van
belang, luidt als volgt:

Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van
discriminatie op grond van geslacht hetzij direct hetzij indirect door
verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is
uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot:

– de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake
toelating tot de regelingen.

– de berekening van de prestaties, waaronder begrepen verhogingen
verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende
personen, alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op
de prestaties.

Artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en
Politieke Rechten luidt als volgt:

Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op
gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet
discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en
doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras,
huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging,
nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere
status.

Artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden luidt als volgt:

Het genot van de rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld,
is verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht,
ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale
of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid,
vermogen, geboorte of andere status.

Verweerster heeft zich, blijkens het bestreden besluit, op het standpunt
gesteld dat de ABW geen sociale verzekering is waarvoor premie wordt
betaald, doch een sluitstuk vormt van de sociale verzekering, waarbij
wordt uitgegaan van een behoeftecriterium. Verweerster is er voorts vanuit
gegaan dat het door appellante bedoelde onderscheid tussen mannen en
vrouwen door objectieve en redelijke gronden, neergelegd in de ABW en de
daarop gebaseerde regelingen wordt gerechtvaardigd. De Afdeling overweegt
ten aanzien van artikel 4, eerste lid, derde EG-richtlijn met inachtneming
van haar uitspraak van 20 juni 1990, no. G04.88.1603.668.89, het volgende.

De Afdeling laat in het midden of appellante, zoals zijzelf stelt, kan
worden gerekend tot de beroepsbevolking in de zin van artikel 2 van de
derde EG-richtlijn en of – en zo ja in hoeverre – de ABW een sociale
bijstandsregeling in de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b,
van de richtlijn is.

De artikelen 5 en 5a van de ABW betreffen een uitkering welke toekomt aan
een gezin respectievelijk een gezamenlijke huishouding.

Doordat men huwt respectievelijk een gezamenlijke huishouding gaat voeren,
bestaat – anders dan appellante meent – geen aanspraak meer op een
individuele bijstandsuitkering doch wordt men deelgerechtigde in het gezin
respectievelijk de gezamenlijke huishouding, welk(e) als zodanig aanspraak
heeft op een bijstandsuitkering.

In dit verband wijst de Afdeling op artikel 5, vierde lid, en artikel 5a,
derde lid, van de ABW op grond waarvan de aan het gezin respectievelijk
aan de gezamenlijke huishouding toegekende bijstand, de echtelieden
respectievelijk de personen die een gezamenlijke huishouding voeren,
gelijkelijk toekomt.

Een en ander betekent dat de artikelen 5 en 5a van de ABW, in hun
uitwerking, niet de vrouw – of man – afzonderlijk aangaan, doch de man en
vrouw tezamen gelijkelijk.

Het vorenstaande leidt de Afdeling tot het oordeel dat de toepassing van
de artikelen 5 en 5a van de ABW reeds hierom geen op grond van artikel 4,
eerste lid, van de derde EG- richtlijn verboden discriminatie oplevert.

Evenmin kan er, zo stelt de Afdeling vast, redelijkerwijs ruimte voor
twijfel bestaan of deze uitleg zich wel verdraagt met de regelgeving van
de Europese Gemeenschap.

De Afdeling ziet mitsdien geen aanleiding om, zoals door appellante in de
openbare vergadering van de Afdeling is verzocht, aan het Hof van Justitie
van de Europese Gemeenschappen prejudiciele vragen voor te leggen.

De Afdeling komt, gelet op het vorenoverwogene, niet toe aan beantwoording
van de vraag of aanzienlijk meer tot de beroepsbevolking in de zin van
artikel 2 van de derde EG- richtlijn behorende vrouwen dan mannen als
gevolg van de toepassing van de artikelen 5 en 5a van de ABW een
bijstandsuitkering wordt geweigerd. Evenmin behoeft de Afdeling zich uit
te laten over de vraag of in casu objectieve rechtvaardigingsgronden
aanwezig zijn.

In verband met het vorenstaande moet tevens worden geoordeeld, dat ook in
zoverre het beroep op artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake
Burgerrechten en Politieke Rechten en artikel 14 van het Europees Verdrag
ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
juist vanwege het bestaan van deze objectieve rechtvaardigingsgronden in
de ABW en de daarop gebaseerde rijksgroepsregelingen heeft afgewezen, het
bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, niet kan worden gedragen
door de daaraan gegeven motivering.

Het bestreden besluit dient derhalve in zoverre te worden vernietigd op
de in artikel 2, eerste lid, onder d, van de Tijdelijke wet
Kroongeschillen genoemde grond.

De Afdeling acht in casu termen aanwezig om met toepassing van artikel 5,
eerste lid, van de Tijdelijke wet Kroongeschillen zelf in de zaak te
voorzien op de wijze zoals in het dictum is aangegeven.

Beslissing

De Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State;

Gezien de Tijdelijke wet Kroongeschillen, de Wet op de Raad van State en
de Algemene Bijstandswet;

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt het besluit van verweerster van 29 mei 1989, Afdeling WEB,
no. AZ-89-434, voor zover daarbij het beroep van appellante op de derde
EG-richtlijn, artikel 26 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en
Politieke Rechten en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming
van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, op grond van de
gegeven motivering ongegrond is verklaard;

II. verklaart het beroep van appellante op de derde EG- richtlijn, artikel
26 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten en
artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden op de hiervoren genoemde gronden
ongegrond;

III. verwerpt het beroep voor het overige;

IV. gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellante het door haar
ingevolge artikel 32, vijfde lid, van de Wet op de Raad van State gestorte
recht, zijnde ƒ 150,-, vergoedt.

Rechters

Mr. Gardeniers-Berendsen, De Vette.

Instantie: Arrondissementsrechtbank Alkmaar, 1 oktober 1992

Instantie

Arrondissementsrechtbank Alkmaar

Samenvatting


Seksueel misbruik door zwemtrainer. Eerder seksueel
misbruik kan leiden tot toekennen van een lagere (immateriele)
schadevergoeding. Eiseres vorderde ƒ 75.000,-, de rechtbank
legt ƒ 15.000,- schadevergoeding op. Vastgesteld zal moeten
worden of er sprake is van causaal verband tussen het handelen
van gedaagde en de gevorderde schade. In casu heeft de
gedaagde het bewijsaanbod, welk gedeelte van de schade niet
door hem veroorzaakt is, niet gedaan.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

De rechtbank verwijst naar en neemt hier over hetgeen
hieromtrent werd overwogen in het op 14 februari 1991
uitgesproken tussenvonnis.

Bij dat tussenvonnis is tot deskundige benoemd de psychiater
H., die zijn deskundigenrapport blijkens daarvan onder nummer
72/1991 door de griffier van deze rechtbank opgemaakte akte op
25 juni 1991 ter griffie van deze rechtbank heeft
gedeponeerd.

Vervolgens heeft eiseres een conclusie na deskundigenbericht
genomen waarin zij bij haar vordering is gebleven.

Hierna heeft gedaagde een conclusie van antwoord na
deskundigenbericht genomen waarin ook hij bij zijn standpunt
heeft volhard.

Gedaagde heeft vervolgens de stukken, waaronder thans ook de
hiervoor genoemde, aan de rechtbank overgelegd en vonnis
gevraagd. De inhoud van al deze stukken geldt als hier
ingelast.

De behandeling van de zaak

De vordering

Aan de orde is thans nog de vordering van X groot ƒ 75.000,-
tot vergoeding van de immateriele schade welke zij stelt
geleden te hebben door het onrechtmatig handelen van W als
weergegeven in het vonnis uitgesproken op 26 juli 1990.

Aangezien W die schade betwist heeft, heeft de rechtbank een
deskundigenbericht nodig geoordeeld. Aan de tot deskundige
benoemde psychiater J. Hage zijn de volgende vragen gesteld:

1. In welke psychische dan wel psycho-somatische toestand
verkeert X op dit moment?

2. In hoeverre is de sub 1. bedoelde en door u geconstateerde
toestand psychiatrisch-medisch gezien het gevolg van de
ontucht van W met X gepleegd?

3. Hoe is het ziektebeeld van X van begin 1987 verlopen, welke
therapieen heeft zij moeten ondergaan en welk leed heeft zij
gedurende die tijd en overigens gedurende de periode dat de
ontucht met W plaatsvond ondervonden?

4. Bestaat er kans op genezing en binnen welke tijd?

5. Heeft u in uw hoedanigheid van deskundige nog aanvullende
opmerkingen?

De deskundige heeft onder meer op de vragen 1. en 4.
geantwoord dat bij X sprake is van ernstige psychische
problematiek die het gevolg is van seksueel misbruik op de
kinderleeftijd. Er is sprake van zelfdestructief gedrag met
zelfmoordpogingen en automutilatie en van
dissociatieverschijnselen die hebben geleid tot verlies van
realiteitsgevoel en tot sociaal isolement. X ondergaat sinds
1987 psychiatrisch-psychotherapeutische behandeling van een
wisselend intensieve vorm, waardoor haar toestand wel wat is
verbeterd, maar die nog onvoldoende lijkt omdat X zich niet
durft open te stellen voor de kern van de problemen. Genezing
kan misschien slechts in beperkte mate en na nog vele jaren
bereikt worden. Haar persoonlijkheidsstructuur en haar
onvermogen traumatische kwetsuren te verwerken baren de meeste
zorgen.

Op vraag 2. heeft de deskundige geantwoord dat traumatisering
ten gevolge van het seksueel misbruik door W voor X zeker niet
de belangrijkste oorzaak van traumatisering is, doch dat dit
misbruik samenhangt met eenzelfde soort misbruik dat wellicht
eerder thuis plaats vond en doorgaans meer funeste gevolgen
heeft dan een door vreemden gepleegd misbruik. Het ene trauma
heeft het andere mogelijk dan wel waarschijnlijker gemaakt;
tussen beide valt niet zomaar een onderscheid te maken. Wel
kan W als zwemtrainer van X zeker niet met een onbekende
aanrander vergeleken worden en mag aangenomen worden dat dit
feit de reeds bestaande traumatisering aanzienlijk heeft
verergerd.

W heeft bij conclusie na deskundigenbericht gesteld dat het
seksueel misbruik door de vader van X heeft geleid tot de
psychische toestand waarin zij thans verkeert en dat het
causaal verband tussen de schade en de door W gepleegde
onrechtmatige daad niet kan worden aangenomen. De door de
deskundige geconstateerde psychische schade bij X heeft W niet
(langer gemotiveerd) betwist.

De rechtbank overweegt als volgt

Voorop dient gesteld te worden dat bij X sprake is van
ernstige (psychische) schade, zoals duidelijk blijkt uit het,
niet betwiste, rapport van de deskundige.

Voorts is algemeen bekend dat feiten als door W gepleegd
(ontucht bestaande in onder meer het hebben van vleselijke
gemeenschap met een aan hem als zwemtrainer toevertrouwd
meisje tussen haar veertiende en zestiende jaar) psychische
schade tot gevolg kunnen hebben. Uit het rapport van de
deskundige, waarvan de rechtbank de conclusies overneemt en
tot de hare maakt, blijkt dat zulks ook bij X het geval is,
zij het dat volgens de deskundige ook het seksueel misbruik
door de vader van X bij het veroorzaken van de schade een
(grote) rol heeft gespeeld.

De deskundige heeft niet kunnen vaststellen of de schade door
het misbruik van W, dan wel door de vader van X is ontstaan.

Gelet op het voorgaande is W voor de schade van X
aansprakelijk nu deze redelijkerwijs aan hem toegerekend kan
worden, tenzij hij bewijst dat de schade niet door zijn
onrechtmatige daad is veroorzaakt.

Een bewijsaanbod van die strekking heeft W niet gedaan. De
rechtbank vindt geen termen aanwezig hem ambtshalve tot
bewijslevering toe te laten.

Met betrekking tot de hoogte van de toe te kennen
schadevergoeding overweegt de rechtbank voorts:

Ten gevolge van de onrechtmatige daad van W beoefent X de
zwemsport niet meer op nationaal niveau, heeft zij
leerproblemen gehad en is er thans bij haar sprake van ernstig
psychisch leed. Genezing is slechts in beperkte mate te
verwachten en zal nog jaren duren.

Omtrent zijn financiele draagkracht heeft W niets gesteld. de
rechtbank acht in de omstandigheden van dit geval een bedrag
van ƒ 15.000, terzake van immateriele schadevergoeding
redelijk en billijk.

W zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de
proceskosten veroordeeld worden, die van het
deskundigenrapport daaronder begrepen.

De beslissing

De rechtbank:

Veroordeelt gedaagde aan eiseres tegen kwijting te betalen de
somma van ƒ 15.000,- (vijftien duizend gulden) vermeerderd
met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding
tot aan die der voldoening.

Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde
van eiseres gevallen en tot op deze uitspraak begroot op ƒ
2.155,25 aan verschotten en op ƒ 4.200,– aan salaris van de
procureur, op de voet van artikel 57 b Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering te voldoen aan de griffier van deze
rechtbank.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Noot

Het arrest gaat over de aansprakelijkheid van een zwemtrainer
voor het door hem gepleegde seksueel misbruik met een van zijn
pupillen, terzake waarvan immateriele schadevergoeding wordt
geeist. Interessant aan deze uitspraak is de manier waarop de
(omvang van de) aansprakelijkheid wordt bepaald door de
rechtbank. De rechterlijke macht hanteert in dergelijke
uitspraken als uitgangspunt steeds de stelling dat ‘het naar
de huidige maatschappelijke opvattingen een feit van algemene
bekendheid is dat ontucht met minderjarigen schadelijke
gevolgen kan hebben’ (vgl. Rechtbank Rotterdam 3 juni 1983, RN
1988, 15). Aan de hand van een aantal relevante factoren wordt
vervolgens de omvang van de schade vastgesteld. Te noemen
zijn: de wijze van plegen, de duur van het seksueel misbruik,
de leeftijd en de (geleden en voorzienbare) schade (vgl.
Rechtbank Arnhem 11 mei 1989, RN 1990, 101). Blijkens de
onderhavige uitspraak kan daar nog een factor bij worden
gerekend, namelijk de aanwezigheid van eerder seksueel
misbruik.

De stelling dat er sprake is van eerder seksueel misbruik kan
op twee manieren een rol spelen. In de eerste plaats bij het
vaststellen of er sprake is van causaal verband tussen het
handelen van gedaagde en de gevorderde schade. Het probleem
ligt dan in de sfeer van het bewijs, dat in beginsel vrijwel
onmogelijk is. In deze zaak ‘lost’ de rechtbank de
moeilijkheid op door het verweer te verwerpen met het argument
dat gedaagde geen bewijsaanbod terzake heeft gedaan.

Wanneer de causaliteit is vastgesteld komt een tweede aspect
aan de orde, namelijk de vraag in hoeverre eerder seksueel
misbruik van invloed is op de omvang van de aansprakelijkheid.
Zo wordt uit de uitspraak van de Rechtbank Roermond van 12
januari 1989, RN 1989, 46 duidelijk dat ‘gelijktijdig werkende
factoren’ van invloed kunnen zijn. Mijn inziens is in de
onderhavige zaak ook sprake van een zekere matiging van de
aansprakelijkheid, die wordt ontleend aan het eerdere seksueel
misbruik. Ik leid dat af uit de hoogte van het toegewezen
schadebedrag (vordering van 75.000, waarvan 15.000 gulden
wordt toegekend) en een tweetal overwegingen. Ten eerste neemt
de rechtbank de conclusie van de deskundige over dat het
seksueel misbruik van gedaagde ‘zeker niet de belangrijkste
oorzaak van traumatisering is’. Daarna overweegt ze, nadat is
vastgesteld dat het plegen van ontucht met minderjarigen
psychische schade tot gevolg kan hebben, als volgt: ‘…zij
het dat volgens de deskundige ook het seksueel misbruik door de
vader van X bij het veroorzaken van de schade een (grote) rol
heeft gespeeld. De deskundige heeft niet kunnen vaststellen of
de schade door het misbruik van W dan wel door de vader van X
is ontstaan.’ Overigens lijkt het voor zo’n minderend effect
wel noodzakelijk dat de gedaagde geen voorkennis had van het
eerder seksueel misbruik. Wanneer dat wel het geval is, veelal
binnen hulpverleningsrelaties, leidt dit tot een aanscherpen
van het verwijt (vgl. Rechtbank Arnhem 17 november 1989, RN
1990, 78 en Rechtbank Utrecht 25 juli 1991, RN 1991, 140).

De vraag is echter of deze uitspraak ‘recht’ doet aan de
onderliggende belangenschending. Ik doel daarbij met name op
het gebrek aan aandacht voor het feit dat het seksueel misbruik
zich afspeelde binnen een afhankelijkheidsrelatie. De zaak
draait in feite om het vaststellen van het oorzakelijk
verband, en de omvang van de bijbehorende aansprakelijkheid
van gedaagde. Uiteindelijk wordt het eerdere seksuele misbruik
mindering gebracht op de omvang van de schade ten gevolge van
de hier aangeklaagde handelingen. Dusdoende wordt er geen
aandacht besteed aan een belangrijk zelfstandige aspect van
het handelen van gedaagde, namelijk het feit dat er sprake is
van misbruik van een vertrouwensband.

Het belang hiervan wordt duidelijker wanneer een vergelijking
wordt getrokken met de strafrechtelijke norm terzake: artikel
249 Sr. Strafbaar gesteld wordt het schenden van de zorgplicht
ten opzichte van een minderjarige, door misbruik te maken van
de afhankelijkheidspositie waarin deze verkeert. Niet de aard
of omvang van de seksuele gedragingen zijn hier bepalend, maar
het misbruik van macht ten opzichte van een afhankelijke
persoon (vgl. ten deze ook het wetsontwerp ter herziening van
de artikelen 242-249 en van enkele nadere bepalingen van het
Wetboek van Strafrecht, TK 1988-1989, nr.20930). Voor dit
belangrijke gegeven heeft de onderhavige uitspraak onvoldoende
aandacht. Wanneer dat wel het geval zou zijn geweest komt het
seksueel misbruik van de gedaagde in een ander, zelfstandig
licht te staan. De onrechtmatigheid wordt dan niet gerelateerd
aan het handelen van een ander (in casu de vader van eiseres,
die haar eerder seksueel misbruikte), maar de
verantwoordelijkheid wordt gelegd waar deze thuis hoort: bij
de persoon van de gedaagde. Er is hier geen sprake van
‘gelijktijdig werkende factoren’, die zouden moeten leiden tot
mindering van de aansprakelijkheid (Rechtbank Roermond 12
januari 1989, RN 1989), maar van onafhankelijke variabelen.
Ook binnen zo’n kader is er voldoende ruimte om nuancering aan
te brengen in de toerekening van de aanprakelijkheid.

Renee Kool

Rechters

Mrs. Doedens, Out, Vriezen

Instantie: Rechtbank Assen, 29 september 1992

Instantie

Rechtbank Assen

Samenvatting


Sinds het arrest van de Hoge Raad d.d. 3 november 1978, NJ 1979, 120
zijn de maatschappelijke opvattingen over homoseksuele relaties dusdanig
gewijzigd dat – in navolging van de wetgeving op het gebied van de sociale
zekerheid – ook met betrekking tot art. 1:160 BW gehuwden en ongehuwden
aan elkaar worden gelijkgesteld evenals ongehuwden van verschillend en
gelijk geslacht. Wel verdient het volgens de rechtbank aanbeveling als de
wetgever aandacht zou besteden aan een sluitend geheel van
civielrechtelijke onderhoudsverplichtingen.

Volledige tekst

Overwegingen

1. De procedure

1.1. Bij op 31 maart 1992 ter griffie ingekomen rekest heeft verzoeker,
verder de man te noemen, verzocht de door hem te betalen bijdrage in het
levensonderhoud van gerekwestreerde met ingang van de datum van indiening
van het rekest te bepalen op nihil.

1.2. Bij tijdig ingekomen verweerschrift betwist gerekwestreerde, verder
de vrouw te noemen, het door de man verzochte; zij concludeert tot
afwijzing van zijn verzoek.

1.3. Verzoeker heeft op 27 mei 1992 een aanvullend rekest ingediend,
houdende aanvulling van de grondslagen van zijn verzoek.

1.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van
2 juni 1992.

1.5. De behandelend rechter heeft de zaak verwezen naar de meervoudige
kamer.

1.6. De rechtbank heeft kennisgenomen van de brieven van de raadsman van
de vrouw d.d. 9 juni, 19 juni en 14 juli 1992 en van de brief van de
raadsman van de man d.d. 16 juni 1992.

2. Motivering

2.1. Het huwelijk van partijen is op 5 juni 1989 ontbonden door
inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van het op 2 mei
1989 tussen hen gewezen echtscheidingsvonnis.

2.2. Bij beschikking van 22 mei 1989 is bepaald, dat de man aan de vrouw
voor haar levensonderhoud ƒ 350,- per maand diende te betalen.

2.3. De man heeft verzocht deze onderhoudsverplichting met ingang van 31
maart 1992 te stellen op nihil, zulks op grond van het feit, dat de vrouw
in lesbisch concubinaat leeft, welke situatie te vergelijken is met de
situatie als bedoeld in art. 160 boek I BW, zodat hij zich niet meer
gehouden voelt nog enige bijdrage voor haar te voldoen en op grond van het
feit, dat de vrouw geen behoefte meer heeft aan een onderhoudsbijdrage.
Meer subsidiair voert de man aan, dat zijn financiele omstandigheden
zodanig zijn gewijzigd, dat hij geen draagkracht heeft om nog enige
bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen.

2.4. De vrouw ontkent primair de door de man gestelde relatie. Subsidiair
ontkent de vrouw, dat een dergelijke relatie automatisch leidt tot
toepassing van art. 1:160 BW. Volgens HR 3 november 1978, NJ 1979, 120 is
genoemd artikel niet van toepassing op een lesbische relatie.

Meer subsidiair stelt de vrouw, dat zij nog wel degelijk behoefte heeft
aan een bijdrage van de man, omdat zij een aanvullende bijstandsuitkering
ontvangt en nog meer subsidiair betwist de vrouw dat de financiele
omstandigheden van de man zodanig zijn gewijzigd, dat de huidige
alimentatieverplichting niet meer zou voldoen aan de wettelijke
maatstaven.

2.5. Allereerst dient beslist te worden op de vraag, of een lesbisch
concubinaat leidt tot eindigen van de alimentatieverplichting van de
gewezen echtgenoot van de alimentatiegerechtigde op grond van art. 1:160
BW, zoals de raadsman van de man heeft betoogd. De subsidiaire geschillen
komen eerst aan bod nadat voormelde kwestie is beslist.

Vooropgesteld zij, dat de letterlijke tekst van art. 1:160 BW niet spreekt
over man of vrouw, doch dat bij de invoering van art. 1:160 BW slechts
bedoeld werd op heteroseksuele relaties. In het door de raadsman van de
vrouw aangehaalde arrest bevestigde de Hoge Raad dat dit artikel niet van
toepassing is op een homofiele relatie.

Sinds dit arrest zijn de maatschappelijke opvattingen over andere dan de
destijds als normaal aanvaarde samenlevingsvormen aanmerkelijk gewijzigd.
Deze wijziging in maatschappelijke opvattingen heeft geleid tot wijziging
in wetgeving, met name op het terrein van de sociale zekerheid. Sinds 1
januari 1987 – de invoeringsdatum van de stelselherziening sociale
zekerheid – is in een groot aantal sociale zekerheidswetten de gelijke
behandeling van ongehuwd samenwonenden en gehuwden geregeld.

In al deze wetten valt te lezen, dat met gehuwden gelijk gesteld worden
niet gehuwden van verschillend of gelijk geslacht, die duurzaam een
gezamenlijke huishouding vormen (bepaalde bloedverwanten uitgezonderd).
Van een gezamenlijke huishouding is in die wetten slechts sprake indien
twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien
een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere
wijze in elkaars verzorging voorzien.

In de MvT bij de wijziging van art. 5 van de Algemene Bijstandswet werd
bijvoorbeeld gesteld dat door het opnemen van een nieuw art. 5a wordt
geformaliseerd dat de bijstand aan niet gehuwde personen, die een duurzame
gezamenlijke huishouding voeren en van die de situatie ook overigens niet
feitelijk verschilt van die van gehuwde partners, op overeenkomstige wijze
wordt vastgesteld als de bijstand aan echtelieden ingevolge art. 5 ABW.
Daarbij is gesteld, dat bij de beoordeling of sprake is van een
gezamenlijke huishouding niet maatgevend mag zijn of er al dan niet sprake
is van een seksuele relatie. Alleen objectieve criteria mogen een rol
spelen.

De vroegere opvatting omtrent art. 1:160 BW leidt tot een onredelijk en
onbillijk uitwerkend en daarom niet langer houdbaar verschil in
rechtspositie van de gewezen echtgenoten: als de ex-partner gaat
samenleven met iemand van het andere geslacht is de alimentatieplicht
geeindigd, terwijl dat niet het geval is als de ex-partner gaat samenleven
met iemand van hetzelfde geslacht.

Gelet op de voormelde gewijzigde opvattingen is de rechtbank van oordeel,
dat met een samenleving als bedoeld in art. 1:160 BW gelijkgesteld moet
worden een samenleving tussen twee partners van hetzelfde geslacht, die
voor het overige niet verschilt van de in dat artikel bedoelde relatie.
Gelet op de tekst van art. 1:160 BW is een wetswijziging niet nodig om tot
deze interpretatie te komen.

Wel zou het aanbeveling verdienen, als de wetgever, in het licht van de
geschetste maatschappelijke veranderingen, aandacht zou besteden aan een
sluitend stelsel van civielrechtelijke onderhoudsverplichtingen en zich
(meer diepgaand dan bij de totstandkoming van art. 1:160 BW het geval is
geweest) zou beraden omtrent de vraag of een alimentatieverplichting van
een ex-echtgenoot onder alle omstandigheden voorgoed ten einde moet komen
door een samenwoningsrelatie die geen civielrechtelijke aanspraken tot
onderhoud schept gedurende het bestaan van die relatie, laat staan na de
verbreking daarvan.

2.6. De slotsom in de onderhavige zaak luidt dat de alimentatieplicht van
de man geeindigd is, indien komt vast te staan dat de vrouw met mevrouw
Z in concubinaat leeft.

Daar de vrouw een dergelijke relatie betwist, zal de man overeenkomstig
zijn aanbod, hiervan bewijs mogen leveren. Ten aanzien van het bewijs van
de in art. 1:160 BW bedoelde relatie is het volgens de rechtspraak in
alimentatiekwesties niet van doorslaggevende betekenis of er geslachtelijk
verkeer plaatsvindt tussen de partners; een eventuele intieme relatie is
niet meer dan een van de afwegingsfactoren.

2.7. De rechtbank verwijst de zaak voor de verdere afdoening naar de
enkelvoudige kamer.

Beslissingen

De rechtbank:

1. Draagt de man op te bewijzen, dat de vrouw samenleeft met mevrouw Z als
waren zij gehuwd.

2. Verwijst de zaak naar de enkelvoudige kamer (mr. A.
Rombouts-Nieuwstraten) ter verdere afdoening.

3. Bepaalt dat de enquete zal plaatshebben op maandag 19 oktober 1992 te
13.30 uur, in het gerechtsgebouw te Assen, Stationsstraat 29a.

Rechters

Mrs. le Poole, Dijkers, Rombouts-Nieuwstraten.

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 25 september 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘zelfstandige orderbegeleider’
gevraagd wordt levert strijd op met de Wet. In de advertentie is niet zowel
mannelijk als vrouwelijke functiebenaming gebruikt. De toevoeging ‘m/v’ is
wel in de advertentie vermeld, maar niet direct achter de functienaam en in
kleine onopvallende letters. Daardoor is het bij kennisneming van de vacature
niet aanstonds duidelijk dat de functie uitdrukkelijk zowel aan mannen als
vrouwen wordt aangeboden.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 21 januari 1991 verzocht Druk en Papier FNV (hierna: verzoeker) de
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door te
Amsterdam (hierna: de wederpartij) bij het aanbieden van een betrekking
onderscheid is gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een ‘zelfstandige
orderbegeleider’. Verzoeker is van mening dat deze advertentie in strijd is
met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met een
doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2e WGB. Hiermee voldoet
verzoeker aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie (hierna: de voorzitter) heeft het verzoek
in behandeling genomen en op grond van artikel 36 van het Procedurereglement
besloten om in deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen. De
wederpartij is in de gelegenheid gesteld tegen die beslissing bezwaar aan te
tekenen. De wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt. De
wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt van
verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het tijdschrift ‘Pers’ van 24 oktober 1991.

In deze advertentie vraagt de wederpartij om een ‘zelfstandige
orderbegeleider’.

In de advertentie is de toevoeging m/v wel vermeld, echter in kleine
onopvallende letters en niet direct achter de functienaam.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het aanbieden van
de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee
in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij heeft ondanks herhaalde aanmaningen zelf niet op het
verzoekschrift gereageerd. Zij heeft telefonisch laten weten van mening te
zijn dat niet zij, maar het adviesbureau te Maarssen als
wederpartij moet worden beschouwd.

Dit adviesbureau heeft op verzoek van zijn opdrachtgever schriftelijk
gereageerd. Het stelt dat het op geen enkele wijze onderscheid maakt tussen
mannen en vrouwen bij het oproepen van belangstellenden voor de omschreven
functie. De aanduiding m/v geeft dit aan. Het wijst op zijn vooraanstaande
positie en ruime ervaring in de grafische sector. In meerdere gevallen heeft
het een vrouwelijke kandidaat voorgedragen.

Voorts erkent het adviesbureau dat in de tekst van de advertentie taalkundig
niet consequent hij/zij en hem/haar wordt gebruikt. Dit komt voort uit
praktische overwegingen.

Het acht iedere lezer in staat om te begrijpen dat geen onderscheid gemaakt
wordt; de aanduiding m/v spreekt voor zich.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in onderhavige advertentie om een
‘zelfstandige orderbegeleider’ te vragen, terwijl zij niet uitdrukkelijk
vermeld heeft dat zowel mannen als vrouwen konden solliciteren.

5.2. Artikel 3 lid 1 van de WGB verbiedt het maken van onderscheid naar
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit tekst en vormgeving van
een advertentie moet duidelijk blijken dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering mag van dit verbod worden
afgeweken.

Ingevolge artikel 5 lid 1 WGB mag van het bepaalde in artikel 3 lid 1 worden
afgeweken indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte
positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen.

Ook mag op grond van artikel 5 lid 2 WGB voor zover het betreft de toegang
tot de beroepsactiviteiten of de hiervoor noodzakelijke opleidingen van
artikel 3 lid 1 WGB worden afgeweken in die gevallen, waarin het geslacht
bepalend is voor de functie.

De reden van de afwijking van het verbod van artikel 3 lid 1 WGB moet in de
advertentie worden vermeld.

De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te maken
naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt. Artikel
3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een advertentie
duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder toegespitst
op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat ofwel de
mannelijke en vrouwelijke functiebenaming wordt vermeld ofwel in andere
gevallen uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

5.4. Ten aanzien van het verweer van de drukkerij dat niet zij zelf maar het
adviesbureau als wederpartij moet worden beschouwd, merkt de
Commissie het volgende op.

Blijkens de tekst van artikel 3 WGB en de Memorie van Toelichting op dit
artikel, richt artikel 3 zich zowel tot de werkgever als tot een derde die
door deze werkgever wordt betrokken bij de wervings- en selectieprocedure
(Tweede kamer, vergaderjaar 1986-1987, 19.908, nr. 3, blz. 18. Zie Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 17 juni 1991,
oordeelnummers 336A-91-35 en 336B-91-36).

In beginsel is de werkgever verantwoordelijk voor de naleving van het geheel
van de wervings-, selectie- en aanstellingsfase. Daarnaast is een door de
werkgever ingeschakelde derde verantwoordelijk voor dat deel van de wervings-
en selectieprocedure waar deze bij betrokken is.

De verantwoordelijkheid van de derde heft de eigen verantwoordelijkheid van
de werkgever echter niet op. Dit geldt voor de werving via alle
intermediaires, dus ook voor de werving door een personeelsadviesbureau.

Verzoeker had derhalve naast een verzoek om een oordeel over de handelwijze
van , eveneens een verzoek aan de Commissie kunnen
richten over de handelwijze van het adviesbureau. Verzoeker heeft de
Commissie echter alleen om een oordeel gevraagd over de handelwijze van
5.5. In de onderhavige advertentie wordt de functiebenaming
‘zelfstandige orderbegeleider’ vermeld. De toevoeging m/v is wel in de
advertentie opgenomen, echter in kleine, onopvallende letters in de tekst en
niet bijvoorbeeld direct achter de functienaam of op andere in het oog
springende wijze. De Commissie stelt vast dat daardoor bij de kennisneming
van de vacature niet aanstonds duidelijk is dat de functie uitdrukkelijk
zowel aan mannen als vrouwen wordt aangeboden.

Daarmee staat vast dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met artikel
3 lid 3 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 1.

5.6. Wat betreft de opmerkingen van het personeelsadviesbureau voegt de
Commissie het volgende toe.

De Commissie spreekt haar waardering uit voor de kennelijke bedoeling van het
adviesbureau om geen onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen in werving
en selectie.

De wettelijke eisen richten zich echter niet tot de lezers of lezeressen,
maar tot degenen die verantwoordelijk zijn voor tekst en vormgeving van de
advertentie. Zij moeten uitdrukkelijk aangeven dat zij zowel mannelijke als
vrouwelijke kandidaten uitnodigen om te solliciteren. Deze strikte eisen zijn
mede ingegeven door het feit dat in de dagelijkse praktijk vrouwen, zeker tot
traditionele mannenberoepen en mannenfuncties minder toegang blijken te
hebben dan mannen en, zij het in mindere mate, ook andersom.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat Drukkerij

te Amsterdam bij de aanbieding van de betrekking onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel 3 lid 1 en lid 3 van de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Aldus vastgesteld op 25 september 1992 door de Commissie.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter, mr. J.M.G. van Dorsten,plaatsvervangend secretaris

Instantie: Rechtbank Assen, 22 september 1992

Instantie

Rechtbank Assen

Samenvatting


Vordering ƒ 15.000,= immateriele schadevergoeding. Gedaagde is
strafrechtelijk veroordeeld. Eiseres was ten tijde van het misbruik
minderjarig. Rekening houdend met het inkomen van gedaagde, de
vermogenspositie van eiseres en de aard van de gedragingen van gedaagde,
wijst de rechtbank een bedrag van ƒ 10.000,= toe.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure

1.1. X en Y hebben in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van
hun destijds nog minderjarige dochter, geboren te Emmen, 11 juni 1974, bij
conclusie van eis, overeenkomstig de dagvaarding, gevorderd dat de
rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
gedaagde zal veroordelen om aan voornoemde minderjarige, tegen behoorlijk
bewijs van kwijting te betalen de som ƒ 15.000,= vermeerderd met de
wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot die der
algehele voldoening, voorts van waarde zal verklaren het bij dagvaarding
betekende conservatoire beslag op het daarin vermelde roerend goed, met
voormeld beslag daaronder begrepen.

1.2. Gedaagde heeft bij conclusie van antwoord de vordering gemotiveerd
betwist en stukken ter griffie gedeponeerd.

1.3. Partijen hebben gerepliceerd en gedupliceerd en hebben daarbij over
en weer stukken in het geding gebracht.

1.4. Beide partijen hebben ook bij akte nog een stuk in het geding
gebracht, Van de zijde van de eisende partij is voorts nog akte gevraagd
van het feit dat de dochter op 11 juni 1992 meerderjarig is geworden en
de stellingen en vorderingen als in de procedure tot op h eden
geformuleerd overneemt en als eiseres zal voortprocederen. Vervolgens
hebben partijen om vonnis verzocht onder overlegging van de
procesdossiers.

2. De feiten

2.1 Het gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 19 december 1989
bewezen verklaard dat verdachte: a. Op verscheidene tijdstippen, in de
periode van 11 juni 1987 tot en met 15 april 1988 in Nederland buiten echt
vleselijke gemeenschap heeft gehad met de vrouw, eiseres, geboren 11 juni
1974, die aldus de leeftijd van 12, maar nog niet die van 16 jaren had
bereikt. b. op verscheidene tijdstippen, in de periode van 11 juni 1987
tot en met 15 april 1988 in Nederland met eiseres, geboren 11 juni 1974,
die aldus beneden de leeftijd van 16 jaren was, ontuchtige handelingen
heeft gepleegd en/of haar tot het plegen of dulden van ontuchtige
handelingen heeft verleid, (telkens) hierna bestaande dat verdachte de
borsten van de eiseres heeft betast en/of zich door haar heeft laten
aftrekken. Het Hof heeft de door deze rechtbank op 3 mei 1989 gegeven
vrijspraak van gedaagde vernietigd en hem terzake van de bewezen
verklaarde feiten veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van
vijftien maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van
twee jaar.

2.2. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van gedaagde tegen dit arrest
verworpen.

2.3. Eiseres heeft op 21 maart 1991 conservatoir beslag laten leggen op
een aan gedaagde toebehorende personenauto, merk Opel, type Ascona,
gekentekend XX. Gedaagde heeft deze auto in weerwil van het gelegde beslag
verkocht en in plaats een BMW, type 318, gekentekend XX aangeschaft.

3. De grondslag van de vordering

3.1. Eiseres grondt haar vordering op onrechtmatige daad. Zij stelt dat
gedaagde haar lichamelijke en geestelijke integriteit heeft aangetast toen
zij nog een kind was door te handelen, zoals bewezen is verklaard bij
genoemd arrest van 19 december 1989. Ten gevolge hiervan heeft eiseres
schade gelden, onder meer doordat zij thans, ten gevolge van het seksueel
misbruik door gedaagde dat zij niet kan verwerken, het volgende gedrag
vertoont: – zij heeft angst voor mannen; – zij wordt iedere nacht in
paniek wakker; – zij is agressief en onhandelbaar, gedroeg zich op school
zeer onaangepast en is met de opleiding gestopt, is haar vriendinnen
kwijtgeraakt en gaat in de weekeinden niet meer uit. Mede gelet op de
wederzijdse stand en fortuin van de betrokkenen (eiseres heeft geen
inkomen of vermogen, gedaagde heeft een WAO-uitkering en inkomsten uit
werkzaamheden in een buurthuis) dient de immateriele schade op ƒ 15.000,=
te worden gesteld.

3.2 Eiseres verzoekt dat het gelegde conservatoire beslag, in plaats van
voor de Opel, van waarde verklaard wordt voor de BMW van gedaagde.

4. Het Verweer

4.1. Gedaagde heeft aangevoerd dat eiseres niet-ontvankelijk verklaard
moet worden omdat haar ouders destijds geen machtiging aan de
Kantonrechter hebben verzocht om namens haar in rechte te kunnen optreden.

4.2. Gedaagde ontkent dat hij eiseres op enigerlei wijze onheus zou hebben
bejegend. Hij stelt dat nog steeds voldoende ruimte is om te twijfelen aan
het waarheidsgehalte van de verklaringen van eiseres, die ten grondslag
hebben gelegen aan de strafrechtelijke veroordeling door het Gerechtshof
te Leeuwarden, voornoemd.

4.3. Voorts ontkent gedaagde dat eiseres het hiervoor vermelde gedrag
vertoont; hij stelt dat eiseres niet schroomt om heel uitdagend langs zijn
woning te lopen en dat hij heeft vernomen dat eiseres met iedereen meegaat
die dat maar wil. Voorts stelt gedaagde dat als eiseres al het gemelde
gedrag vertoont, geenszins vast staat dat dit te wijten is aan gedragingen
van hem. Subsidiair ontkent gedaagde inkomsten te hebben uit werkzaamheden
in een buurthuis.

5.Het toepasselijk recht

5.1. Aangezien alle gestelde feiten die de wet voor een vorderingsrecht
uit onrechtmatige daad vereist, reeds voor het in werking treden van het
nieuwe recht waren voltooid of, voor zover het de gestelde schade betreft,
in ieder geval gedeeltelijk was geleden, is ingevolge de artikelen 69 en
173 van de overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek het voor 1 januari 1992
geldende recht van toepassing op de vordering uit onrechtmatige daad. Het
conservatoire beslag is op 21 maart 1991 gelegd. Ingevolge artikel 18 van
het twaalfde gedeelte van de Invoeringswet Boeken 3,5 en 6 Nieuw
Burgerlijk Wetboek moet dit beslag naar het voor 1 januari 1992 geldende
recht worden afgewikkeld.

6. Beoordeling

6.1. Anders dan gedaagde stelt hebben de ouders en wettelijk
vertegenwoordigers van eiseres wel degelijk de kantonrechter te Emmen om
een machtiging als bedoeld in artikel 1:349 BW verzocht, welke machtiging
op 2 april 1991 is verleend. Het bestaand van deze machtiging is vermeld
in de inleidende dagvaarding en voorts is de machtiging bij akte in het
geding gebracht.

6.2. De bewezenverklaring van het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden
van 19 december 1989, welke hiervoor is weergegeven, levert ingevolge
artikel 188 RV dwingend bewijs op van die feiten. Gedaagde heeft de
juistheid van deze bewezenverklaring betwist. Gedaagde verwijst naar het
gestelde in de pleitnota, voorgedragen op de strafzitting van deze
rechtbank van 19 april 1989. De rechtbank overweegt dat hetgeen in deze
pleitnota staat, door het Gerechtshof door het Gerechtshof bij zijn
beraadslaging is betrokken. Gedaagde heeft thans niet gewezen op relevante
verklaringen, feiten of omstandigheden die niet bekend waren ten tijde van
de strafrechtelijke veroordeling door het Gerechtshof De rechtbank acht
het aan het eind van de conclusie van antwoord gedane aanbod van gedaagde
zijn stellingen te bewijzen door alle middelen rechtens, speciaal door
middel van getuigen, in deze omstandigheden onvoldoende gepreciseerd.
Mitsdien staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat gedaagde, op
verscheidene tijdstippen, in de periode van 11 juni 1987 tot en met 15
april 1988 in Nederland buiten echt vleselijke gemeenschap heeft gehad met
de vrouw, geboren op 11 juni 1974, die aldus de leeftijd van twaalf, maar
nog niet die van zestien jaren had bereikt en dat gedaagde op verscheidene
tijdstippen in de periode van 11 juni 1987 tot en met 15 april 1988 in
Nederland met het meisje ontuchtige handelingen heeft gepleegd en/of haar
tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen heeft verleid,
(telkens) hierin bestaande dat verdachte de borsten van haar heeft betast
en/of zich door haar heeft laten aftrekken.

6.3. De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen, welke in strijd
zijn met de wet, jegens eiseres onrechtmatig zijn. Voorts acht de
rechtbank het een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik van
een minderjarige ernstig psychisch letsel bij de minderjarig kan
veroorzaken, dat zeer lange tijd kan doorwerken. De rechtbank acht
onvoldoende aannemelijk geworden dat gedaagde naast zijn WAO-uitkering
over ander inkomsten beschikt. Gelet op de hoogte van deze uitkering
(ongeveer ƒ 1550 netto per maand) en op de vermogenspositie van eiseres
en voorts gezien de aard van de gedragingen van gedaagde, stelt de
rechtbank het bedrag, dat gedaagde uit hoofde van schadevergoeding aan
eiseres dient te betalen naar redelijkheid en billijkheid vast op ƒ
10.000,=.

6.4. Ten aanzien van het gelegde beslag overweegt de rechtbank als volgt.
Gedaagde heeft in weerwil van het gelegde conservatoire beslag zijn Opel
Ascona verkocht en in plaats daarvan een BMW 318 aangeschaft. De
procureurs van partijen hebben onderling afgesproken dat het op de Opel
gelegde conservatoire beslag thans op de BMW rust en zij verzoeken de
rechtbank deze afspraak over te nemen. De rechtbank is van oordeel dat een
dergelijke zaakvervanging in strijd is met het systeem van het
beslagrecht. In het voor 1 januari 1992 geldende beslagrecht kwam geen
bepaling voor waaruit kan worden afgeleid dat een zodanige zaaksvervanging
bij beslag is toegestaan. Artikel 455a RV (nieuw) geeft weliswaar een
regeling voor zaaksvervanging, doch deze betreft slechts de vorderingen
tot vergoeding die na inbeslagneming in de plaats van de beslagen zaak
zijn getreden. Daarbij moet bijvoorbeeld gedacht worden aan
verzekeringspenningen, maar de inruil van een auto voor een andere valt
niet onder de werking van dit artikel. Eiseres had zich kunnen beroepen
op de nietigheid van de vervreemding van de Opel Ascona, of wel, met
verlof van de president en met tussenkomst van de deurwaarder, beslag
moeten leggen op de BMW. Gelet hierop zal de rechtbank de vordering tot
van waardeverklaring van het op de Opel Ascona gelegde conservattoire
beslag afwijzen. Wel acht de rechtbank termen aanwezig om eiseres toe te
staan om terstond na de betekening en het bevel om daaraan te voldoen,
executoriaal beslag te leggen op de BMW. De rechtbank verleent eiseres
daarom ambtshalve toestemming tot inkorting van de termijn, bedoeld in
artikel 439 RV, eerste lid.

6.5. De rechtbank zal gedaagde, als in het ongelijk te stellen partij, in
de kosten an dit geding veroordelen.

Beslissingen De rechtbank:

1. Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan
eiseres te betalen de som van ƒ 10.000,= (zegge: tienduizend gulden),
vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der
dagvaarding tot die der algehele voldoening.

2. Veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure, tot op heden aan
de zijde van eiseres begroot op ƒ 1.200,= voor salaris en ƒ 552,70 voor
verschotten waarvan te voldoen aan: a. de griffier van deze rechtbank ƒ
1.584,96 (bestaande uit in debet gestelde recht ƒ 225,= uitgebrachte
exploiten en opgemaakte processen-verbaal ƒ 159,96 en ƒ 1.200,= voor
salaris en verschotten van de procureur van eiseres) middels
overschrijving op postrekeningnummer t.n.v. de gerechten in het
arrondissement Assen, en b. het restant aan (de procureur van) eiseres.

3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad 4. Wijst af het
meer of anders gevorderde. 5. Verleent eiseres toestemming tot verkorting
van de termijn, bedoeld in artikel 439 RV, eerste lid, indien zij beslag
wenst te leggen op de aan gedaagde toebehorende BMW, gekentekend XX, in
die zin dat het beslag terstond na betekening van dit vonnis en het bevel
daaraan te voldoen kan worden gelegd.

Rechters

mrs. Le Poole, Dijkers, Boon-Niks