Instantie: Raad van State afdeling Geschillen van Bestuur, 21 september 1992

Instantie

Raad van State afdeling Geschillen van Bestuur

Samenvatting


Bij gezinsbijstand kan in beginsel aan elk van beide partners
arbeidsplicht worden opgelegd. Blijkens de wetsgeschiedenis art. 5 ABW
wordt echter rekening gehouden met de traditionele rolverdeling. Blijkt
evenwel dat de partner die het op zich heeft genomen om betaalde arbeid
te verrichten geen of weinig kans (meer) maakt op inschakeling in de
arbeid, dan mag van de partner die de huishoudelijke taken verricht worden
verwacht dat deze zich voor arbeid beschikbaar stelt, tenzij redenen van
medische, sociale of andere aard zich daartegen verzetten. De afdeling
overweegt dat appellanten bij hun beslissing tot oplegging voorwaarden tot
arbeidsinschakeling van de vrouw met de negatieve opstelling van de man
ten aanzien van de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling in herverleden.
Appellanten konden aannemen dat de man geen arbeid in dienstbetrekking
meer zal aanvaarden.

Volledige tekst

Overzicht van het geschil. B en W van Horst hebben op 10 oktober 1988
besloten de aan X toegekende uitkering ingevolge de RWW voorlopig
ongewijzigd voort te zetten doch hem wel op korte termijn een oproep te
sturen voor een medisch onderzoek bij de vertrouwensarts zulks ter
vaststelling van zijn beperkingen tot inschakeling in de arbeid. Voorts
hebben zij besloten dat zijn echtgenote zich dient te doen inschrijven als
werkzoekende en sollicitatie- activiteiten dient te ondernemen. De
beschikking is aan deze uitspraak gehecht (niet opgenomen, red.) Nadat X
tegen deze beschikking een bezwaarschrift had ingediend, hebben B en W
Horst de daarin vervatte bezwaren bij hun beslissing van 13 januari 1989
ongegrond verklaard. De beslissing is aan deze uitspraak gehecht (niet
opgenomen, red.) Vervolgens is Y in beroep gekomen bij GS van Limburg,
naar aanleiding waarvan verweersters bij haar besluit van 24 mei 1989,
bureau AJZ, nr. BS78989/11163F, het volgende heeft besloten: Vernietiging
van de beschikking van de cie. voor sociale zaken van Horst van 10 oktober
1988, voor zover daarbij aan appellante voorwaarden gericht op
inschakeling in de arbeid zijn opgelegd.

Het besluit is aan deze uitspraak gehecht (niet opgenomen, red.) Tegen dit
besluit hebben appellanten beroep ingesteld krachtens art. 43 ABW. Het
beroepschrift is aan deze uitspraak gehecht (niet opgenomen, red.)
Desgevraagd is een verweerschrift ingediend. Het geschil is op 14
september 1992 behandeld in een openbare vergadering van de Afdeling
geschillen, waarin appellanten vertegenwoordigd door GA. Zondag en
verweerster vertegenwoordigd door mr. L.J.M. Direks, hun standpunten nader
hebben uiteengezet. In rechte. Verweerster heeft bij haar besluit van 24
mei 1989 de beslissing van appellanten van 13 januari 1989 vernietigd,
voor zover daarbij aan Y (hierna te noemen: betrokkene) voorwaarden zijn
opgelegd om zich bij het Gewestelijk Arbeidsbureau te doen inschrijven als
werkzoekende en sollicitatie-activiteiten te ondernemen. Verweerster heeft
haar besluit doen steunen op de overwegingen dat in geval van
gezinsbijstand recht wordt gedaan aan de eigen verantwoordelijkheid voor
de voorziening in het bestaan indien een van beide partners, mits
arbeidsgeschikt een reeel bemiddelbaar, zich beschikbaar stelt voor de
arbeid. Verweerster heeft voorts overwogen dat, nu geenszins vaststaat dat
de echtgenoot van betrokkene niet door middel van arbeid in de kosten van
het bestaan zou kunnen voorzien – omdat onvoldoende is onderbouwd dat de
echtgenoot niet reeel bemiddelbaar is – het opleggen van de voorwaarden
aan betrokkene ten minste prematuur is. Appellanten kunnen zich met het
besluit van verweerster niet verenigen. Huns inziens heeft verweerster een
onjuiste waardering gegeven aan de kans op arbeidsinschakeling van de
echtgenoot van de betrokkene. Appellanten erkennen dat in de huidige RWW
niet is gekozen voor een arbeidsplicht voor beide echtelieden, doch
stellen daartegenover dat rekening dient te worden gehouden met middelen
en mogelijkheden van beide partners om in hun bestaan te voorzien.

De rolkeuze van de partners is niet in alle gevallen houdbaar. Naar hun
mening kan dit zeker niet in een situatie als die van het desbetreffende
echtpaar het geval zijn, aangezien de echtgenoot niet als reeel
bemiddelbaar kan worden beschouwd. Ten aanzien van betrokkene is niet
gebleken dat er belemmeringen zijn op grond waarvan aan haar de
arbeidsvoorwaarden niet zouden kunnen worden opgelegd. Appellanten achten
het in de gegeven omstandigheden dan ook wenselijk om aan beide partners
de arbeidsvoorwaarden op te leggen. De Afdeling geschillen stelt voorop
dat aan de ABW en de daarop gebaseerde regelgeving het beginsel ten
grondslag ligt dat een ieder in de eerste plaats zelf verantwoordelijk is
voor de voorziening in het bestaan. Als uitvloeisel in dit beginsel
bepaalt art. 1 tweede lid ABW dat de bijstand wordt afgestemd op de
omstandigheden en mogelijkheden van persoon en gezin. Ingevolge art. 3
eerste lid ABW worden aan de bijstand voorwaarden verbonden welke strekken
tot inschakeling in de arbeid, tenzij redenen van medische, sociale of
andere aard zich hiertegen verzetten. Ingevolge art. 5 ABW wordt aan
echtelieden de bijstand als gezinsbijstand verleend. Bij de toekenning
daarvan dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheden die het
gezin heeft om de bestaansvoorziening op minimumniveau mogelijk te maken.
Uit het vorenoverwogene volgt dat een voorwaarde als hier in het geding
in beginsel elk van beide partners, voor zover daarvoor geen belemmeringen
zijn kan betreffen. Blijkens de wetsgeschiedenis van art. 5 ABW wordt
echter de keuze van partners voor een traditionele rolverdeling in
beginsel aanvaard.

Indien evenwel aan de partner die het op zich heeft genomen om betaalde
arbeid te verrichten, geen voorwaarde meer kan worden opgelegd, dan wel
moet worden aangenomen dat deze partner weinig of geen kans (meer) maakt
op inschakeling in de arbeid, mag naar het oordeel van de Afdeling
geschillen, gelet op eerderbedoelde eigen verantwoordelijkheid, welke in
geval van gezinsbijstand op beiden rust, van de partner die de
huishoudelijke taken verricht worden verwacht dat deze zich voor arbeid
beschikbaar stelt, tenzij redenen van medische, sociale of andere aard
zich daartegen verzetten. Blijkens de stukken is de echtgenoot van
betrokkene sinds aug. 1978 ononderbroken werkloos. In 1979 heeft de
echtgenoot een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschitheidsverzekering/ Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. Deze
aanvraag is afgewezen aangezien hij niet arbeidsongeschikt in de zin van
deze wetten werd geacht. In dec. 1980 werd bij keuring door het
Gewestelijk Arbeidsbureau vastgesteld dat de echtgenoot geschikt werd
geacht voor onderhoudswerk en licht buitenwerk. Bij de zogeheten
hercontrole in okt. 1988 door de gemeentelijke sociale dienst bleek dat
de echtgenoot in de voorafgaande periode – evenals in de daarvoor gelegen
periodes – wederom niet had gesolliciteerd. Wel is sprake geweest van
incidenteel verrichte seizoenarbeid. Voor het achterwege laten van
sollicitaties voerde en voert de echtgenoot steeds dezelfde klachten van
medische aarde aan. Een medisch onderzoek werd dan ook geindiceerd geacht.
Ten aanzien van betrokkene hebben appellanten geconstateerd dat er geen
belemmeringen waren voor het zich beschikbaar stellen voor de
arbeidsmarkt. Appellanten hebben bij de beschikking in eerste aanleg aan
de echtgenoot – voor zo ver van belang – het volgende te kennen gegeven:

“a. In verband met de eerder aan u toegekende uitkering ingevolge de RWW
heeft onlangs een heronderzoek plaats gehad. b. Tijdens dit onderzoek
heeft u te kennen gegeven, dat u als gevolg van een aantal medische
beperkingen beperkt bent in het solliciteren naar openstaande vacatures.
c. Op grond van dit gegeven hebben wij in onze vergadering van 10 oktober
1988 besloten de eerder aan u toegekende uitkering voorlopig ongewijzigd
voort te zetten doch wel zult u op korte termijn een oproep krijgen voor
een medisch onderzoek bij de vertrouwensarts zulks ter vaststelling van
uw beperkingen tot inschakeling in de arbeid. d. Voorts hebben wij
besloten ook aan uw echtgenote de voorwaarden tot arbeidsinschakeling op
te leggen daar de gezinssamenstelling het aanvaarden van werk in
loondienst niet in de weg staat. Een en ander betekent dat ook uw
echtgenote zich dient te doen inschrijven als werkzoekende en
sollicitatieactiviteiten dient te ondernemen. Verweerster heeft overwogen
dat zij het standpunt van burgemeester en wethouders, dat het een algemeen
aanvaarde opinie is, dat partners beiden verantwoordelijk zijn voor de
bestaansvoorziening en dat het onder bepaalde omstandigheden dan ook
wenselijk kan zijn om aan beide partners de arbeidsvoorwaarden op te
leggen, niet zonder meer kan delen. Verweerster heeft erop gewezen dat bij
de totstandkoming van de RWW er uitdrukkelijk voor is gekozen in het
algemeen nog niet over te gaan tot het opleggen van de arbeidsplicht aan
beide echtgenoten die zijn aangewezen op een uitkering ingevolge de RWW
en is, in overeenstemming met de op dit punt bestaande jurisprudentie van
mening dat ten aanzien van echtgenoten derhalve aan de voorwaarden om voor
een uitkering ingevolge de RWW in aanmerking te komen in beginsel in
voldoende mate is voldaan indien een van hen zich volledig en reeel voor
arbeid in loondienst beschikbaar stelt.

Hoewel verweerster terecht opmerkt dat bij de totstandkoming van de RWW
wat betreft het gestalte geven aan de gelijke behandeling van man en vrouw
een afwachtende houding ten opzichte van de ontwikkelingen in het sociale
zekerheidsstelsel is aangenomen en derhalve met beschikbaarstelling voor
arbeid van een partner in beginsel recht wordt gedaan aan meerbedoelde
eigen verantwoordelijkheid, is het niettemin gelet op art. 3 eerste lid
ABW mogelijk dat onder bepaalde omstandigheden van echtgenoten/partners
wordt verwacht dat beiden zich voor arbeid beschikbaar stellen. Aan de
eenmaal gemaakte rolkeuze behoeft niet in alle gevallen onbeperkt te
worden vastgehouden. Het moet immers voor het bijstandverlenend orgaan
mogelijk blijven dat dit orgaan, bij wijziging van omstandigheden dan wel
het nader bekend worden van feiten en omstandigheden of op andere gronden
beziet in hoeverre het nog verantwoord is met de gewenste rolkeuze
rekening te houden en zonodig een nadere invulling geeft aan de
gezamelijke rechten en verplichtingen van de betrokken echtelieden.
Verweerster heeft overwogen dat niet vaststaat dat de echtgenoot van
betrokkene niet door middel van arbeid, anders dan als grondwerker, in de
kosten van het bestaan zou kunnen voorzien en onvoldoende is onderbouwd
dat hij niet reeel bemiddelbaar is.

Verweerster wijst er daarbij op dat niet is gebleken dat het Gewestelijk
Arbeidsbureau tot de conclusie is gekomen dat de echtgenoot van betrokkene
niet reeel bemiddelbaar is en dat hij zelfs eind 1987 nog is verwezen naar
eenvoudig werk en dat hij ondanks de medische beperkingen door het
Gewestelijk Arbeidsbureau plaatsbaar werd geacht in het vrije bedrijf
Hoewel aan het oordeel van het Gewestelijk Arbeidsbureau in deze een groot
gewicht toekomt kunnen burgemeester en wethouders naar het oordeel van de
Afdeling geschillen ook zelfstandig op grond van de zich in het geval
voordoende feiten en omstandigheden tot een oordeel over de
bemiddelbaarheid komen. Uit de stukken blijkt dat de oorzaak van de
werkloosheid van de echtgenoot voornamelijk is te wijten aan zijn
opstelling, aangezien hij zich steeds arbeidsongeschikt is blijven achten.
Appellanten hebben op grond van het gerapporteerde dan ook aanleiding
gezien om wat betreft de echtgenoot een medisch onderzoek te doen
instellen ter vaststelling van de beperking tot inschakeling in de arbeid.
Naar het oordeel van de Afdeling geschillen hebben verweerders ten
onrechte geen gewicht toegekend aan de gebleken, negatieve opstelling van
de echtgenoot ten aanzien van de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling in
de periode van 1983 tot 1989. Dit brengt met zich dat de verweerders eraan
zijn voorbijgegaan dat appellanten konden aannemen dat de aan de
echtgenoot opgelegde voorwaarden tot arbeidsinschakeling er niet meer toe
zullen leiden, dat hij arbeid in dienstbetrekking zal aanvaarden. Ten
aanzien van de aan betrokkene opgelegde arbeidsvoorwaarden overweegt de
Afdeling geschillen het volgende. Uit het medisch advies van 7 dec. 1988
dat op verzoek van appellanten over betrokkene is uitgebracht, blijkt dat,
medisch gezien er geen bezwaar tegen is betrokkene zich voor de
arbeidsmarkt beschikbaar stelt. De medisch adviseur heeft eraan toegevoegd
dat bij betrokkene zelf nog wel emotionele bezwaren bestaan.

Hoewel betrokkene bij verweerster en bij appellanten in de
bezwaarschriftenprocedure als argument heeft ingebracht dat het zeker niet
meer recente arbeidsverleden haar, mede gelet op het in de huishouding
verrichtte werk, moeilijk inpaspaar maakt en zij reeds vanaf het huwelijk
in 1972 heeft gekozen voor de bestaande rolverdeling, is de Afdeling
geschillen van oordeel dat deze bezwaren er niet aan in de weg behoeven
te staan dat betrokkene zich in beginsel beschikbaar stelt voor de
arbeidsinschakeling. Appellanten hebben in dit verband terecht in
aanmerking genomen dat betrokkene – en haar echtgenoot – niet de zorg
hebben voor kinderen in het gezin en dat betrokkene geen ongunstige
leeftijd heeft. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat bezwaren van
sociale of andere aard aan arbeidsinschakeling in de weg staan. De
Afdeling geschillen is van oordeel dat appellanten onder vorenbedoelde
omstangdigheden een juiste toepassing van de RWW hebben gegeven door
enerzijds ten aanzien van de echtgenoot uitsluitsel te vragen over zijn
arbeids(on)geschiktheid en door anderzijds van de betrokkene door middel
van het stellen van de voorwaarden strekkende tot arbeidsinschakeling
deelname aan het arbeidsproces te verlangen, zodat gestalte kan worden
gegeven aan de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de
bestaansvoorziening. Verweerster kon, naar het oordeel van de Afdeling
geschillen, dan ook niet het standpunt innemen dat het mede opleggen van
de voorwaarden gericht op arbeidsinschakeling aan betrokkene, prematuur
is. Het besluit van verweerster strekkende tot het doen vervallen van de
aan betrokkene opgelegde voorwaarden tot inschakeling in de arbeid, komt
gelet op het vorenoverwogene in aanmerking voor vernietiging op de in art.
2 eerste lid onder a Tijdelijke wet Kroongeschillen (TwK) genoemde grond.
De afdeling geschillen ziet in het vorenstaande aanleiding om met
toepassing van art. 5 eerste lid TwK zelf in de zaak te voorzien.

Beslissing De Afdeling geschillen; Gezien de TwK, de Wet RvS en de ABW
Recht doende: I. vernietigd het besluit van de cie. beroepszaken
administratieve geschillen in de prov. Limburg van 24 mei 1989, nr.
BS78989/11163F; II. verklaart het bij de commissie genoemd onder I
ingestelde beroep van Y ongegrond; III. gelast dat de prov. Limburg aan
appellanten het door hen ingevolge art. 32 vijfde lid Wet RvS gestorte
recht, zijnde ƒ 150, vergoedt.

Rechters

Gardeniers-Berentsen, Wijtzes, Van den Berg.

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 20 september 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘vertegenwoordiger grafische
branche’ gevraagd wordt levert strijd op met de Wet. In de advertentie is
niet zowel de mannelijke als vrouwelijke functiebenaming gebruikt. De
toevoeging ‘m/v’ is wel in de advertentie vermeld, maar niet direct achter
de functienaam en in kleine opvallende letters. Daardoor is het bij
kennisneming van de vacature niet aanstonds duidelijk dat dat de functie
uitdrukkelijk zowel aan mannen als vrouwen wordt aangeboden.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 21 januari 1991 verzocht Druk en Papier FNV (hierna: ver zoeker) de
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door te
Roermond (hierna: wederpartij) bij het aanbieden van een betrekking
onderscheid is gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een
‘vertegenwoordiger grafische branche’. Verzoeker is van mening dat deze
advertentie in strijd is met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met een
doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2e WGB. Hiermee voldoet
verzoeker aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie (hierna: de voorzitter) heeft het
verzoek in behandeling genomen en op grond van artikel 36 van het
Procedureglement besloten om in deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe
te passen. De wederpartij is in de gelegenheid gesteld tegen die beslissing
bezwaar aan te tekenen. De wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik
gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt van
verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in de ‘Limburger’ van 28 september 1991.

In de advertentie vraagt de wederpartij om een ‘vertegenwoordiger grafische
branche’.

In de advertentie is de toevoeging m/v wel vermeld, in kleine onopvallende
letters onderaan in de tekst.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het aanbieden van
de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee
in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij stelt dat het geenszins de bedoeling was onderscheid te
maken tussen vrouwen en mannen vooral omdat zij reeds een vrouwelijk kracht
op de afdeling verkoop heeft. Tevens zegt zij toe in de toekomst eventuele
advertenties op het punt van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid scherper te controleren.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in onderhavige advertentie om een
‘vertegenwoordiger grafische branche’ te vragen, terwijl zij niet
uitdrukkelijk vermeld heeft dat zowel mannen als vrouwen konden
solliciteren.

5.2. Artikel 3 lid 1 van de WGB verbiedt het maken van onderscheid naar
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit tekst en vormgeving van
een advertentie moet duidelijk blijken dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering mag van dit verbod worden
afgeweken.

Ingevolge artikel 5 lid 1 WGB mag van het bepaalde in artikel 3 lid 1 worden
afgeweken indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte
positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen.

Ook mag op grond van artikel 5 lid 2 WGB voor zover het betreft de toegang
tot de beroepsactiviteiten of de hiervoor noodzakelijke opleidingen van
artikel 3 lid 1 WGB worden afgeweken in die gevallen, waarin het geslacht
bepalend is voor de functie.

De reden van de afwijking van het verbod van artikel 3 lid 1 WGB moet in de
advertentie worden vermeld.

De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wette lijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwij zingen dat deze zich
hier voordoen.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onder scheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder toegespitst
op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat ofwel de
mannelijke en vrouwelijke functiebenaming wordt vermeld ofwel in andere
gevallen uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

5.4. In de onderhavige advertentie wordt de functiebenaming
‘vertegenwoordiger grafische branche’ vermeld. De toevoeging m/v is wel in
de advertentie opgenomen, echter in kleine en onopvallende letters in de
tekst en niet bijvoorbeeld direct achter de functienaam of op andere in het
oog springende wijze.

De Commissie stelt vast dat daarmee niet aanstonds duidelijk is dat de
functie uitdrukkelijk zowel aan mannen als aan vrouwen wordt aangeboden.

Daarmee staat vast dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met artikel
3 lid 3 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 1.

De Commissie heeft overigens met waardering kennisgenomen van de toezegging
van de wederpartij om in de toekomst eventuele advertenties op het punt van
de gelijke behandeling van mannen en vrouwen scherper te controleren.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Roermond bij
de aanbieding van de betrekking onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in
strijd met artikel 3 lid 1 en lid 3 van de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

Aldus vastgesteld op 20 september 1992 door de Commissie.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter; mr. M.J.M.G. van Dorsten,plaatsvervangend secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 17 september 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is een vrijgevestigd fysiotherapeute. De kosten van
fysiotherapeutische hulp die zij verleent aan ziekenfondsverzekerden komen
ten laste van de wederpartij. Op grond van bezuinigingsmaatregelen is er een
regeling getroffen waardoor het aantal te declareren uren beperkt werd. Als
maatstaf werd genomen het aantal gedeclareerde uren in 1990.

Verzoekster was in dat jaar zwanger. In dat jaar heeft zij – vooral in de
periode dat zij borstvoeding gaf- minder patienten behandeld dan normaal.
De Commissie is van oordeel dat verzoekster in die periode een waarneemster
had kunnen aantrekken, aangezien het aantal voor waarneming beschikbare
fysiotherapeuten zodanig groot is, dat daarop altijd en op elk tijdstip een
beroep gedaan kon worden. Geen uitzondering geboden aangezien de
waarnemingsregeling voldoet voor de situatie van regelmatige afwezigheid in
verband met borstvoeding. Geen strijd met de Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 20 juni 1991 verzocht mevrouw (hierna:
verzoekster) te Soest de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of het
(hierna: de wederpartij) te Amersfoort jegens haar onderscheid
maakt op grond van geslacht in strijd met de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoekster is vrijgevestigd fysiotherapeut en ontvangt, op grond van
een overeenkomst, van de wederpartij vergoedingen voor de behandeling van
ziekenfondspatienten.

In 1991 heeft de wederpartij verzoekster een nieuwe overeenkomst aangeboden
waarin bepaald is dat het aantal te vergoeden declaraties beperkt is tot het
aantal gedeclareerde ziekenfondsverrichtingen in 1990. Verzoekster is van
mening dat de wederpartij hiermee onderscheid naar geslacht maakt in strijd
met de WGB, aangezien zij in 1990 zwanger was en borstvoeding gaf, waardoor
zij minder patienten behandeld had dan in voorgaande jaren.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Beide partijen hebben meerdere malen de gelegenheid gehad hun
standpunten naar voren te brengen en op elkaars standpunten te reageren.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen om hun standpunten toe
te lichten tijdens een zitting op 16 juni 1992.

De wederpartij was vanwege bijzondere omstandigheden niet in de gelegenheid
om de zitting bij te wonen.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw (verzoekster)

– mw (gemachtigde, Stichting Landelijke Ombudsvrouw)

van de kant van de Commissie

– mw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– mw mr Y. Telenga (lid Kamer)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

2.3. Bij de beraadslagingen over deze zaak bleek dat de Commissie niet
voldoende informatie tot haar beschikking had, met name niet van de zijde van
de wederpartij, om tot een oordeel te komen.

De Commissie heeft daarom wederom een zitting gehouden op

23 juli 1992, waarbij beide partijen zijn opgeroepen.

Tevens heeft de Commissie ex artikel 18 WGB nadere informatie opgevraagd bij
de Vereniging van Nederlandse Zorgverzekeraars (hierna: de Vereniging) te
Zeist.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw (verzoekster)

– mw (gemachtigde, Stichting Landelijke Ombudsvrouw)

van de kant van de wederpartij

– dhr mr (directiesecretaris)

van de kant van de Commissie

– mw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– mw drs J.A.M Stolwijk (lid Kamer)

– mw mr M.J.M.G. van Dorsten (plaatsvervangend secretaris).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder paragraaf 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is werkzaam als vrijgevestigd fysiotherapeute. Zij werkt
gemiddeld 30 uur per week. De wederpartij is een ziekenfonds. Op 1 augustus
1987 heeft de wederpartij met verzoekster een overeenkomst gesloten. In deze
overeenkomst is bepaald dat de fysiotherapeut onder eigen
verantwoordelijkheid en voor eigen rekening fysiotherapeutische hulp verleent
aan verzekerden. De kosten van deze hulp komen ten laste van de wederpartij
op grond van de Ziekenfondswet. De overeenkomst van verzoekster was
ongeclausuleerd, wat wil zeggen dat daarin geen beperking van het te
declareren aantal uren was vastgelegd.

Vanwege budgettering van de ziekenfondsen en de hen van overheidswege
opgelegde ombuigingstaakstelling, waren de ziekenfondsen genoodzaakt te
streven naar kostenbeheersing.

Daarom zijn er door de representatieve organisaties in de fysiotherapie
afspraken gemaakt over de beperking van het aantal te declareren
patientenverrichtingen (zogenaamde ‘volume-afspraken’). Deze afspraken zijn
in de vorm van bindende normen op landelijk niveau vastgelegd in de
modelovereenkomst ziekenfonds-fysiotherapeut. Met ingang van 1 april 1991 is
deze overeenkomst van kracht geworden. In 1991 heeft de wederpartij deze
nieuwe overeenkomst aangeboden aan bij haar aangesloten fysiotherapeuten,
waaronder verzoekster. Het aantal declaraties dat bij de wederpartij
ingediend kan worden, wordt in deze overeenkomst beperkt tot het aantal
verrichtingen dat in 1990 was uitgevoerd.

Voor verzoekster was het zittingenmaximum (voorlopig) vastgesteld op 1.716
zittingen op basis van het jaar 1990. Het definitieve zittingenmaximum werd
1.708. Dit vastgestelde zittingenmaximum geldt voor de duur van de
overeenkomst, welke eindigt per 1 januari 1994 (artikel 24 van de model-
overeenkomst).

3.2. Verzoekster heeft bij de wederpartij bezwaar aangetekend tegen het
vastgestelde aantal zittingen. Als reden voor haar bezwaar voerde zij aan dat
zij in 1990 haar praktijk niet volledig kon uitoefenen omdat zij toen zwanger
was. Zij heeft de wederpartij daarom voorgesteld om 1989 als meetjaar te
nemen, omdat het aantal verrichtingen in dat jaar naar haar mening een reeler
beeld geeft van de omvang van haar werkzaamheden.

De wederpartij heeft verzoekster, naar aanleiding van haar bezwaarschrift,
in een brief d.d. 17 april 1991 meegedeeld dat de door haar genoemde
omstandigheden geen reden vormen om het aantal zittingen te wijzigen. Zij
acht het de verantwoordelijkheid van de zelfstandige fysiotherapeut om
ingeval van uitval al dan niet te kiezen voor het aantrekken van een
waarnemer. De verrichtingen van een waarnemer, zo deelde de wederpartij
verder mee, worden meegeteld bij het bepalen van het aantal zittingen. Deze
regeling wordt hierna aangeduid als ‘de waarnemingsregeling’.

Verzoekster heeft vervolgens de Commissie van Overleg (een
bemiddelingscommissie) aangeschreven over deze kwestie. Verzoekster vermeldt
in haar brief aan de Commissie van Overleg dat het aantal verrichtingen in
1990 gedaald is, ondanks het feit dat zij een waarneemster heeft
aangetrokken. De Commissie van Overleg was echter van oordeel dat het aantal
zittingen juist berekend was en achtte in redelijkheid geen argument aanwezig
om de wederpartij te adviseren het aantal zittingen van verzoekster aan te
passen.

Verzoekster heeft zich daarop tot de Geschillencommissie
ziekenfondsen-fysiotherapeuten gewend, die volgens artikel 25 van de
modelovereenkomst met uitsluiting van de gewone rechter bevoegd is te
oordelen over geschillen naar aanleiding van deze overeenkomst. Zij heeft de
Geschillencommissie verzocht haar beslissing omtrent deze kwestie aan te
houden, totdat het oordeel van de Commissie gelijke behandeling van mannen
en vrouwen bij de arbeid bekend is. De Geschillencommissie heeft aan dit
verzoek voldaan.

3.3. In artikel 7 van de modelovereenkomst 1979 en artikel 10 van de
modelovereenkomst 1991 staat vermeld dat de fysiotherapeut bij afwezigheid
of ziekte zorgt voor een behoorlijke waarneming door een fysiotherapeut.

Verzoekster heeft zich in het jaar 1990 gedurende haar zwangerschaps- en
bevallingsverlof in de maanden april, mei en juni door een waarnemer laten
vervangen, wat naar tevredenheid van verzoekster verlopen is.

Desondanks is het aantal patienten van verzoekster in deze periode verminderd
in vergelijking met het jaar 1989. In dat jaar heeft verzoekster 2.232
verrichtingen gedeclareerd.

Verzoekster heeft in de jaren ’89, ’90 en ’91 de volgende aantallen
verrichtingen gedeclareerd in de maanden januari tot en met maart:

1989 1990 1991

januari 188 211 149

februari 205 155 137

maart 251 199 157

Verzoekster heeft met betrekking tot de cijfers over 1991 opgemerkt dat het
aantal verrichtingen zo laag is (normaal een drukke tijd) omdat zij
geconfronteerd werd met haar nieuwe contract. Daardoor heeft zij het aantal
ziekenfondspatienten laag gehouden, zodat zij het hele jaar aan het werk kon
blijven.

Verzoekster danwel haar waarnemer heeft in de maanden april tot en met
december 1990 de volgende aantallen verrichtingen gedeclareerd:

april 178 waarnemer

mei 198 idem

juni 156 idem

juli 131 verzoekster

augustus 118 idem

september 135 idem

oktober 158 idem

november 156 idem

december 95 idem

In de maanden juli tot en met december heeft verzoekster borstvoeding
gegeven. In de maand december was verzoekster bovendien ziek.

3.4. De Vereniging (zie 2.3.), een overkoepelende organisatie voor de
ziekenfondsen, heeft aan de Commissie de volgende informatie verstrekt.
Afwijking van het eenmaal vastgestelde zittingenmaximum is in beginsel
mogelijk. Op zich is er geen regel die verhindert dat een ziekenfonds meer
of minder zittingen uitgeeft dan in het jaar 1990 het geval was. Wel kan een
ziekenfonds daardoor in budgettaire problemen raken of te maken krijgen met
een volumekorting indien en voor zover mocht blijken dat de van overheidswege
opgelegde ombuigingstaakstelling voor de fysiotherapeutische hulpverlening
aan ziekenfondsverzekerden niet of niet voldoende zal worden gerealiseerd
(bepaald in artikel 3 van de modelovereenkomst 1991).

Om ziekenfondsen een richtlijn te geven ten aanzien van een aantal te
verwachten problemen met betrekking tot het volumebeleid, is een gezamenlijke
circulaire van de representatieve organisaties uitgegaan.

Daarin staat het volgende:

“Basis van de afspraken in de modelovereenkomst over het volume 1991 is dat
het aantal patientencontacten in 1991 maximaal gelijk is aan het aantal
patentencontacten in 1990. Het aantal patientencontacten kan worden
vastgesteld op basis van het aantal gedeclareerde codes 121 over 1990.

In het algemeen verdient het aanbeveling om het aantal gedeclareerde codes
121 te accepteren als volume-afspraak 1991. Van de algemene regel kan om een
drietal redenen worden afgeweken:

1. het aantal codes 121 is hoger dan op grond van de volume- afspraak 1990
zou mogen worden verwacht;

2. de praktijk van de fysiotherapeut is in een opbouwfase omdat deze, met
toestemming van het ziekenfonds, in 1990 is gevestigd. [ …];

3. het aantal zittingen in 1990 is extreem hoog en is met behulp van derden
gerealiseerd. [ …]”.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster stelt het volgende.

Verzoekster is van mening dat de wederpartij artikel 2 WGB schendt. Voor de
toepasselijkheid van artikel 2 WGB is niet van belang, zoals de wederpartij
meent (zie hieronder), dat er een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is.
Dit artikel is uitdrukkelijk geschreven teneinde de vrije beroepsbeoefenaar
te beschermen tegen discriminerende voorwaarden die zouden kunnen voorkomen
in verordeningen of regelingen, die de beroepsgroep zelf of een ander bevoegd
gezag wenst toe te passen op de beroepsgroep. Verzoekster verwijst op dit
punt naar oordeel 3068-89-1 d.d. 18 oktober 1989 van de Commissie.

Verzoekster is voorts, anders dan de wederpartij, van mening dat de
Commissie, ondanks artikel 25 van de modelovereenkomst (zie paragraaf 3.2.),
bevoegd is haar oordeel over de onderhavige kwestie uit te spreken. De
Commissie wordt in ons staatsbestel immers niet tot de rechterlijke macht
gerekend.

Bovendien is verzoekster van mening dat een beroep op de rechter alleszins
mogelijk is. Het nationale recht, of het nu gaat om wetgeving in formele dan
wel materiele zin, pseudowetgeving of regelgeving, kan volgens verzoekster
nooit verhinderen dat een burger in rechte naleving van communautair recht
(in het kader van het EEG-Verdrag en de EG-richtlijnen) vordert.

Verzoekster is van mening dat de wederpartij onderscheid op grond van
geslacht maakt door er geen rekening mee te houden dat haar zwangerschap,
bevalling en jong moederschap een terugval in het aantal patienten
veroorzaakte. Het zonder uitzondering toepassen van de volumeregel, leidt tot
ongelijke behandeling tussen mannen en vrouwen. Het zou volgens verzoekster
rechtvaardiger zijn wanneer het zittingenmaximum bepaald wordt aan de hand
van het gemiddelde aantal zittingen over 2 a 3 jaar.

Het aantal patienten is tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de
daarmee samenhangende vervanging duidelijk verminderd. Tot vlak voor het
zwangerschaps- en bevallingsverlof was het aantal verrichtingen vergelijkbaar
met dat van dezelfde periode in 1989.

Afgezien van de drie maanden afwezigheid in verband met zwangerschap en
bevalling, eindigde de zwangerschap in een zware bevalling met een operatieve
ingreep en langdurige nazorg. Daarna waren er tevens problemen met de baby
(narcose- baby).

Verzoekster betwist niet dat waarneming meetelt bij het bepalen van het
aantal zittingen, maar is wel van mening dat met waarneming niet alles op te
lossen is. In de eerste plaats is het volgens verzoekster niet meer dan
gebruikelijk dat de toeloop tot een praktijk in perioden van waarneming
terugloopt. De oorzaak van de terugloop van het aantal patienten ligt zowel
in het gedrag van patienten als van verwijzers. Zowel verwijzers (huisartsen)
als patienten kunnen de voorkeur geven aan een andere fysiotherapeut boven
de waarnemer. Een waarnemer is in het algemeen minder ervaren.

Verzoekster vermoedt ook dat patienten dachten dat het fysiotherapeutisch
werk tijdens haar zwangerschap eigenlijk te zwaar voor haar zou zijn. En dat
zij dachten dat zij niet meer goed behandeld zouden worden.

Het persoonlijke contact en het vertrouwelijke karakter van de hulpverlening
speelt onmiskenbaar een grote rol in de fysiotherapie.

En verder zijn er ook situaties waarin waarneming niet mogelijk is,
bijvoorbeeld bij ziekte van korte duur of bijvoorbeeld in geval van
borstvoeding.

Zijzelf heeft vanaf juli tot en met december 1990 borstvoeding aan haar kind
gegeven, waarvoor zij driemaal daags (a + 1 uur) naar het kinderdagverblijf
moest. Gedurende de tijd dat zij haar kind borstvoeding gaf, heeft zij geen
waarnemer aangetrokken, omdat het haars inziens onmogelijk was om voor drie
-over de dag verspreide- uren een waarnemer aan te trekken. Het aantal
verrichtingen was daardoor in deze maanden ook lager. In december was het
aantal verrichtingen extreem laag omdat zij in die maand ziek was en geen
waarnemer had aangetrokken. De waarnemer die gewoonlijk voor haar inviel, was
namelijk niet beschikbaar. Verzoekster heeft daarom patienten doorverwezen
naar collega’s omdat zij haar patienten niet wilde confronteren met een
nieuwe waarnemer die, zoals gezegd, in het algemeen weinig praktijkervaring
heeft.

Verzoekster is van mening dat de terugloop in het aantal patienten in geen
andere oorzaak gelegen is dan haar zwangerschap, bevalling en jong
moederschap. Er hebben zich namelijk in 1990 geen andere werkbeinvloedende
factoren voorgedaan dan de genoemde zwangerschap, bevalling en moederschap.
Dit is een omstandigheid die per definitie alleen een vrouw treft. De
wederpartij kan zich, naar de mening van verzoekster, ter rechtvaardiging van
het feit dat alleen vrouwen nadelig getroffen worden, niet beroepen op de
omstandigheid dat iedere fluctuatie voor rekening van de fysiotherapeut
persoonlijk komt, ongeacht de oorzaak. Geen enkele mannelijke fysiotherapeut
zal om reden van zwangerschap en bevalling geconfronteerd worden met een
dergelijke terugloop in de vaststelling van het aantal verrichtingen.

Mogelijk is de Commissie van oordeel dat er sprake is van indirect
onderscheid naar geslacht. In dat geval dient de conclusie te zijn dat het
ogenschijnlijk neutrale criterium – het aantal zittingen in 1990- vrouwen
vaker treft dan mannen. Zowel mannen als vrouwen kunnen immers getroffen
worden door ziekte en dergelijke maar vrouwen hebben daarnaast nog de kans
dat zij een tijdlang niet of minder kunnen werken ten gevolge van
zwangerschap, bevalling en borstvoeding.

3.6. De wederpartij stelt het volgende.

In de eerste plaats dient verzoekster niet ontvankelijk verklaard te worden
omdat

a. er geen sprake is van een gezagsverhouding tussen verzoekster en de
wederpartij, zoals bedoeld in artikel 1 sub a en b van de WGB;

b. alle geschillen naar aanleiding van de modelovereenkomst, bij uitsluiting
van de gewone rechter, voorgelegd dienen te worden aan de Geschillencommissie
ex artikel 25 lid 1 van de overeenkomst.

Voor zover de Commissie een andere mening is toegedaan, voert de wederpartij
met betrekking tot de stellingen van verzoekster het volgende aan. Naar de
mening van de wederpartij draagt verzoekster een zwakke en niet erg hechte
bewijsvoering aan voor de door haar vastgestelde teruggang in het aantal
patienten. In haar verhaal ontbreekt, volgens de wederpartij, de positie van
de waarnemer die verzoekster toch aangetrokken had. Deze waarnemer had alle
gelegenheid om de patienten van verzoekster op te vangen. Verzoekster had
hierover ook kunnen overleggen met de eerder door verzoekster genoemde
huisartsen. Waarneming is ook mogelijk in geval van afwezigheid in verband
met borstvoeding zelfs gedurende drie uren over de dag verspreid. Er zijn
namelijk veel fysiotherapeuten werkloos, zodat er een lange wachtlijst met
waarnemers is. Verzoekster heeft volgens de wederpartij niet eens getracht
om een waarnemer aan te trekken voor de periode dat zij borstvoeding gaf.

Bovendien is er geen enkele garantie dat verzoekster hetzelfde
productie-niveau bereikt zou hebben als in 1989, indien zij wel het gehele
jaar 1990 aanwezig geweest zou zijn in de praktijk. Fluctuaties in het aanbod
van verzekerden zullen zich namelijk altijd blijven voordoen bij een vrij
gevestigd fysiotherapeut.

De wederpartij is op grond van bovenstaande van mening dat van discriminatie
op grond van afwezigheid in verband met zwangerschap, bevalling en
moederschap geen sprake is.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
naar geslacht maakt in strijd met de WGB, door in geval van zwangerschap,
bevalling en moederschap geen uitzondering te maken op de algemene regel dat
het aantal verrichtingen in 1990 maatstaf is voor het toe te kennen
zittingenmaximum.

4.2. De Commissie gaat hier allereerst in op de vraag of verzoekster
ontvankelijk is in haar verzoek dan wel de Commissie bevoegd is haar oordeel
uit te spreken over voorliggende kwestie. De wederpartij betwist immers de
bevoegdheid van de Commissie omdat

a. in artikel 25 van de modelovereenkomst de gang naar de gewone rechter is
uitgesloten

b. de relatie tussen het ziekenfonds en verzoekster niet gekenmerkt kan
worden als een gezagsverhouding zoals omschreven in artikel 1a of 1b WGB.

De Commissie overweegt omtrent hetgeen onder a vermeld staat als volgt.

Allereerst wijst zij er op dat de Commissie geen rechterlijke instantie is
en geen voor partijen bindende uitspraken doet. Zij behoort derhalve niet tot
de rechterlijke macht. Bovendien, maar dit terzijde, staat genoemd artikel
25 van de modelovereenkomst naar het oordeel van de Commissie op gespannen
voet met artikel 17 van de Grondwet (GW) en artikel 6 van het Europees
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM). Artikel 17 GW schrijft namelijk voor: “Niemand kan tegen
zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.” En in
artikel 6 EVRM is onder andere bepaald dat een ieder recht heeft op een
eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en
onpartijdige rechterlijke instantie, welke bij de wet is ingesteld.

Met betrekking tot hetgeen onder b vermeld is, merkt de Commissie het
volgende op. In artikel 1a en 1b WGB juncto 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk
Wetboek (BW) is bepaald dat het bevoegd gezag/de werkgever geen onderscheid
tussen mannen en vrouwen mag maken in -onder andere- de arbeidsvoorwaarden.
Verzoekster stelt echter niet artikel 1a of 1b WGB juncto 7A:1637ij BW aan
de orde, maar artikel 2 WGB. Artikel 2 WGB bepaalt dat het niet is toegelaten
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen met betrekking tot de
voorwaarden voor de toegang tot en de mogelijkheden tot uitoefening van en
ontplooiing binnen het vrije beroep.

Derhalve hoeft de vraag of tussen partijen sprake is van een
gezagsverhouding, niet beantwoord te worden. Wel moet de vraag beantwoord
worden of de wederpartij als wederpartij beschouwd kan worden in deze
procedure. In de tekst van artikel 2 WGB is namelijk niet bepaald tot wie het
verbod om onderscheid naar geslacht te maken zich richt. De Commissie heeft
eerder (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid,
17 juli 1992, oordeelnummer 423-92-41) uitgesproken dat dit artikel zich met
name richt op situaties waarin beroepsgenoten de voorwaarden voor toegang tot
en de mogelijkheden tot uitoefening van het beroep bepalen. De regeling moet,
met andere woorden, in de (beinvloedings)sfeer van de beroepsgenoten liggen.

De wederpartij is geen organisatie waarin beroepsgenoten vertegenwoordigd
zijn. Zij is wel een organisatie die een grote zeggenschap heeft over de
inhoud en uitvoering van de hier omstreden regeling, welke zij tezamen met
verschillende (representatieve) verenigingen van fysiotherapeuten tot stand
gebracht heeft. Deze zeggenschap ontleent zij aan het feit dat zij een
monopoliepositie heeft wat betreft de ziekenfondsverzekerden. De wederpartij
kan bepalen hoeveel patientenverrichtingen er bij haar gedeclareerd mogen
worden door fysiotherapeuten. Gelet op deze bijzondere positie van de
wederpartij met betrekking tot de onderhavige regeling, stelt de Commissie
vast dat het verbod van artikel 2 WGB zich ook tot de wederpartij richt.

Het is verder onbetwist dat de onderhavige regeling een voorwaarde vormt voor
de toegang tot c.q. de uitoefening van en ontplooiing binnen het beroep van
fysiotherapeut.

De Commissie concludeert derhalve op grond van bovenstaande dat de Commissie,
ondanks artikel 25 van de modelovereenkomst, bevoegd is haar oordeel uit te
spreken over de voorliggende zaak en dat verzoekster ontvankelijk is in haar
verzoek.

4.3. Thans komt de Commissie toe aan de -in feite- tussen partijen in geding
zijnde vraag.

Men kan zich afvragen of hier mogelijk sprake is van direct dan wel van
indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen.

Onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap is volgens
artikel 1 WGB een vorm van direct onderscheid. De Wet kent geen andere
rechtvaardigingsgronden voor direct onderscheid dan die in de Wet zelf, in
artikel 5 WGB, zijn opgenomen.

Indirect onderscheid ontstaat wanneer onderscheid op grond van andere
hoedanigheden dan het geslacht wordt gemaakt, bijvoorbeeld echtelijke staat
of gezinsomstandigheden, dat onderscheid op grond van geslacht tot gevolg
heeft, tenzij dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is (artikel 1 WGB).

De Commissie is van oordeel dat, hoewel de regeling op zich sekseneutraal is
geformuleerd, hetgeen veeleer wijst op mogelijk indirect onderscheid, hier
in feite de vraag naar direct onderscheid op grond van geslacht aan de orde
is. Zwangerschap, bevalling en moederschap zijn immers omstandigheden
waardoor alleen vrouwen getroffen kunnen worden en deze omstandigheden kunnen
derhalve niet zonder meer gelijkgesteld worden met ziekte.

Naar het oordeel van de Commissie zou er direct onderscheid tussen mannen en
vrouwen gemaakt worden, indien ingeval van zwangerschap, bevalling en
moederschap geen bijzondere regeling gemaakt zou worden als dit wel geboden
zou zijn, omdat de ‘waarnemingsregeling’ in die situatie niet voldoet.

De wederpartij stelt dat een dergelijke bijzondere regeling niet nodig
is/niet geboden is in het geval van zwangerschap, bevalling en moederschap.
Immers, evenals bij ziekte kan een fysiotherapeute ook dan zorgen voor een
adequate waarneming. Zelfs in het geval van verzoekster, die borstvoeding
gaf, was het volgens de wederpartij mogelijk geweest om voor die
verschillende tijdstippen (driemaal een uur per dag) een waarnemer te vinden.

Verzoekster betwist het standpunt van de wederpartij. Zij stelt in de eerste
plaats dat het niet meer dan gebruikelijk is dat de toeloop tot een praktijk
in perioden van waarneming terugloopt. Bovendien zijn er geen andere oorzaken
aan te wijzen voor de teruggang in het aantal verrichtingen

-ondanks de waarneming- dan haar zwangerschap, bevalling en moederschap.

In de tweede plaats stelt zij dat waarneming in geval van borstvoeding niet
mogelijk is.

De Commissie overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de cijfers die verzoekster heeft overgelegd blijkt dat het aantal
verrichtingen in de periode dat de waarnemer voor verzoekster inviel niet
extreem laag is, hoewel in de maand juni het aantal verrichtingen weer lager
is (156). In de periode voor de waarneming is alleen in de maand februari het
aantal verrichtingen laag (155).

De Commissie kan op grond van die cijfers niet de conclusie trekken dat het
aantal verrichtingen in geval van zwangerschap en waarneming daalt, hoewel
er wel sprake is van schommelingen in het aantal patientenverrichtingen. Van
deze fluctuaties staat echter niet vast dat deze niet voorgekomen zouden zijn
indien verzoekster niet zwanger was geweest.

In de periode dat verzoekster borstvoeding gaf, dus na de waarneming, valt
wel op dat het aantal verrichtingen veel lager is dan bijvoorbeeld in de
eerste drie maanden van 1989 of 1990 (behalve de maand februari). Het geschil
spitst zich derhalve naar het oordeel van de Commissie toe op de vraag of
de waarnemingsregeling voldoet voor de situatie van regelmatige afwezigheid
in verband met borstvoeding.

Op grond van al hetgeen ter zitting van de Commissie aan de orde is geweest,
moet deze vraag volgens de Commissie bevestigend worden beantwoord. Daarbij
is van doorslaggevend belang geacht dat het aantal voor waarneming
beschikbare fysiotherapeuten onbetwist zodanig groot is, dat daarop altijd
en op elk tijdstip een beroep gedaan kon worden. Wellicht zou het niet
eenvoudig geweest zijn om een waarnemer te vinden voor de tijdstippen dat
verzoekster borstvoeding gaf, maar niet gezegd is dat een waarnemer per se
op die tijdstippen had moeten waarnemen. Verzoekster werkte immers in
principe 30 uur per week en was dus niet vijf volle dagen per week in de
praktijk aanwezig. Wellicht was ook een andere oplossing mogelijk geweest.

Verzoekster heeft uitvoerig aangegeven waarom zij in feite niet heeft gezocht
naar waarneming voor die uren en niet heeft gekozen voor de
waarnemingsregeling.

De Commissie kan op grond van het bovenstaande dan ook niet tot de conclusie
komen dat de wederpartij voor situaties als de onderhavige een bijzondere
regeling had moeten maken in afwijking van de algemene regel dat het aantal
verrichtingen in 1990 het zittingenmaximum bepaalt.

Dit neemt overigens niet weg, dat bij de Commissie twijfels bestaan over de
redelijkheid van het standpunt van de wederpartij. Immers nergens is gesteld
dat bij verzoekster voor 1990 geheel ten onrechte de verwachting heeft
bestaan dat bij het vaststellen van het zittingenmaximum rekening gehouden
zou worden met de situatie van zwangerschap waarin verzoekster zich bevond.
Een aanbeveling voor een soepelere benadering in dit soort situaties lijkt
ook gegeven te worden in de gezamenlijke circulaire van de Vereniging van
Nederlandse Zorgverzekeraars VNZ, de Vereniging van Vrijgevestigde
Fysiotherapeuten en de Vereniging van Medewerkers Fysiotherapeuten in een
Vrijgevestigde Praktijk inzake de modelovereenkomst
ziekenfonds-fysiotherapeut 1991 onder 2. NB.

Wat hiervan ook zij, gelet op het bovenstaande kan de Commissie tot geen
andere konklusie komen dan dat niet gebleken is dat de wederpartij
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel 2 WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het te Amersfoort
jegens mevrouw

te Soest geen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt dat in strijd is met
artikel 2 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Aldus vastgesteld op 17 september 1992 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 23 juli 1992.

Rechters

mw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter), mw mr C.E. van Vleuten(lid Kamer), mw mr Y. Telenga (lid Kamer), mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 17 september 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is werkzaam als zelfstandige. Zij heeft een
arbeidsongeschiktheids- en ongevallenverzekering afgesloten bij de
wederpartij. Op grond van deze verzekering krijgt verzoekster bij
arbeidsongeschiktheid een uitkering. Gedurende het eerste jaar ontvangt zij
echter geen uitkering wanneer de arbeidsongeschiktheid is ontstaan door
zwangerschap of bevalling, tenzij hierbij complicaties optreden. Commissie
acht zich in deze zaak niet bevoegd. Voor wat betreft de vraag of het terrein
van de (bovenwettelijke) sociale zekerheid wordt bestreken door artikel 2
WGB, sluit de Commissie in beginsel aan bij de begrenzing, zoals die geldt
voor artikel 7A: 1637ij BW. De bovenwettelijke sociale zekerheid is in
beginsel uitgesloten van de werkingssfeer van dit artikel. Richtlijnen EG en
jurisprudentie Hof van Justitie EG, noch de specifieke omstandigheden in deze
zaak nopen tot een andere interpretatie van artikel 2 WGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

Op 24 april 1992 verzocht mevrouw te

Ermelo (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of
verzekeringsmaatschappij te Amersfoort (hierna: de wederpartij) jegens
haar onderscheid heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

Verzoekster is werkzaam als zelfstandige. Zij heeft een
arbeidsongeschiktheids- en ongevallenverzekering afgesloten bij de
wederpartij. Op grond van deze verzekering krijgt verzoekster bij
arbeidsongeschiktheid een uitkering. Gedurende het eerste jaar ontvangt zij
echter geen uitkering wanneer de arbeidsongeschiktheid is ontstaan door
zwangerschap of bevalling, tenzij hierbij complicaties optreden. Verzoekster
is van mening dat de wederpartij hiermee heeft gehandeld in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1 De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld.

2.2. Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun standpunten schriftelijk
toe te lichten.

2.3. Vervolgens heeft de Commissie partijen uitgenodigd hun standpunten nader
toe te lichten tijdens een zitting op

23 juli 1992. Partijen hebben van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van de Commissie

– mw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– mw drs J.A.M. Stolwijk (lid Kamer)

– mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– mw mr M.J.M.G. van Dorsten (plaatsvervangend secretaris).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.3..

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is zelfstandige. Zij heeft op 21 oktober 1991 een
arbeidsongeschiktheids- en ongevallenverzekering afgesloten bij de
wederpartij. De wederpartij is een particuliere verzekeringsmaatschappij. Een
maand na het ingaan van deze verzekering is verzoekster zwanger geworden. In
de polisvoorwaarden staat vermeld dat voor een uitkering gedurende het eerste
jaar een aantal uitsluitingen gelden. In dit verband is de volgende
uitsluiting van belang:

“Geen uitkering wordt verleend terzake van ongeval en/of
arbeidsongeschiktheid, welke is ontstaan, bevorderd of verergerd:

door zwangerschap of bevalling, tenzij hierbij complicaties optreden, in welk
geval alleen recht op uitkering bestaat bij volledige arbeidsongeschiktheid”.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster is van mening dat de uitsluiting vanwege zwangerschap in de
arbeidsongeschiktheids- en ongeval- lenverzekering in strijd is met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Naar aanleiding van een
artikel in een tijdschrift van maart 1992 en een hieropvolgend gesprek met
de Stichting Landelijke Ombudsvrouw besloot verzoekster de onderhavige
kwestie aan de Commissie voor te leggen. Verzoekster is 25 augustus 1992
uitgerekend. In verband met de planning van haar werk tot aan de
vermoedelijke datum van de bevalling, wil zij weten of er eventueel toch een
mogelijkheid van recht op uitkering bestaat.

3.3. De wederpartij is van mening dat het werkingsgebied van de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen (WGB, Stb. 1989, 168) beperkt is tot de
arbeidsrelationele sfeer. Het verbod onderscheid te maken tussen mannen en
vrouwen geldt voor iedere arbeidsverhouding, waar een persoon onder gezag van
een ander arbeid verricht. Ook het vrije beroep is onder de vleugels van de
Wet gebracht. Tussen de vrije beroepsbeoefenaren binnen een samenwerkings-
verband gelden (vaak) weliswaar geen gezagsverhoudingen, maar ook binnen deze
samenwerkingsverbanden dient men rekening te houden met de wetgeving gelijke
behandeling. Ook hier is sprake van een arbeidsrelatie.

Artikel 2 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bestrijkt immers deze
arbeidsrelatie. De wederpartij stelt dat zij als particuliere
arbeidsongeschiktheidsverzekeraar in deze arbeidsrelaties echter een derde
is. Als derde betrokkene valt zij niet onder de werking van de WGB.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij heeft gehandeld in strijd met
artikel 2 WGB door in het eerste uitkeringsjaar van de
arbeidsongeschiktheids- en ongevallenverzekering een uitsluiting voor
arbeidsongeschiktheid/ongeval in verband met zwangerschap/bevalling op te
nemen.

De tekst van artikel 2 WGB luidt aldus:

“Het is niet toegelaten onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen met
betrekking tot de voorwaarden voor de toegang tot en de mogelijkheden tot
uitoefening van en ontplooiing binnen het vrije beroep”.

4.2. Voordat de Commissie over kan gaan tot beantwoording van de in geding
zijnde vraag, moet zij beoordelen of zij bevoegd is naar aanleiding van het
onderhavige verzoek een oordeel uit te spreken.

In de tekst van artikel 2 WGB is niet bepaald tot wie het verbod om
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen is gericht. Evenmin is
aangegeven of dit verbod zich beperkt tot een bepaald terrein.

Een dergelijke beperking heeft de wetgever wel aangebracht in de artikelen
7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) en 1a WGB. In deze artikelen wordt de
reikwijdte van het verbod om onderscheid te maken immers beperkt tot die
handelingen en regelingen, afkomstig van of toe te rekenen aan de werkgever
respectievelijk het bevoegd gezag. Verder worden uitkeringen of aanspraken
ingevolge pensioenregelingen van de werkingssfeer van deze artikelen
uitgezonderd. Dit betekent dat het terrein van de (wettelijke) sociale
zekerheid in beginsel niet wordt bestreken door genoemde artikelen.

Gelet op deze duidelijke begrenzing in genoemde artikelen komt het de
Commissie aannemelijk voor dat een vergelijkbare begrenzing ook is beoogd in
de regeling voor het vrije beroep in artikel 2 WGB. Dat op grond van
jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
inmiddels een deel van de (bovenwettelijke) sociale zekerheid wel binnen het
bereik van de artikelen 7A:1637ij BW en 1a WGB is gebracht, is voor de
onderhavige zaak zonder betekenis. Het betreft hier dat deel van de sociale
zekerheid dat valt onder artikel 119 EEG-verdrag (Deze jurisprudentie bracht
overigens niet alleen delen van de sociale zekerheid, maar ook bijvoorbeeld
door de werkgever na pensionering bekostigde reisfaciliteiten onder de
werkingssfeer van artikel 119 EEG-verdrag. Zie Garland tegen British Rail
Engineering Ltd, arrest van 9-2-1982 in zaak 12/81. Jurisprudentie 1982, 359;

Barber tegen Guardian Royal Exchange Assurance Group, arrest van 17-5-1990
in zaak C-262/88. Zie ook Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid, 3 april 1991, oordeelnummer 143-91-15). Genoemd artikel
betreft evenwel niet de positie van zelfstandigen.

Dit leidt tot de conclusie dat de onderhavige materie in beginsel niet binnen
het bereik van artikel 2 WGB valt. Voor deze opvatting is ook steun te vinden
in de parlementaire geschiedenis (Tweede Kamer, vergaderjaar 1987-1988,
19.908, nrs 6, blz. 35) van deze wet. Immers, de vraag of onderscheid tussen
mannen en vrouwen, gemaakt door onder andere verzekeringsmaatschappijen,
onder de WGB viel, werd door het Kabinet ontkennend beantwoord. Weliswaar
werd erkend dat een dergelijk onderscheid de toegang tot en de mogelijkheden
tot ontplooiing binnen het vrije beroep kon belemmeren, maar dit nam niet weg
dat het een materie betrof die volgens het kabinet eerst in de Algemene wet
gelijke behandeling zou worden geregeld.

Bovenstaande betekent echter niet dat de Commissie op het terrein van het
vrije beroep nooit bevoegd zou zijn wanneer de sociale zekerheid, en in het
bijzonder de bovenwettelijke sociale zekerheid, in geding is. De Commissie
heeft zich bijvoorbeeld eerder bevoegd geacht waar het ging om een regeling
die ligt in de (beinvloedings)sfeer van de beroepsgenoten. In dit verband
wijst zij op haar oordeel

335A-91-71 (d.d. 23 september 1991), betreffende een pensioenregeling.
Deelname aan deze pensioenregeling was verplicht voor de beroepsgenoten,
waardoor de regeling in feite een voorwaarde voor de toegang c.q. de
uitoefening van het beroep schiep.

Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor.

Voorts sluit de Commissie niet uit dat wetsvoorstel

20.890 (Dit wetsvoorstel strekt tot uitvoering van de zogenaamde 4e
EG-Richtlijn. Dit is de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 24 juli 1986 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van
gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriele
regelingen inzake sociale zekerheid (86/378/EEG). Publicatieblad van de
Europese Gemeenschappen, nr. L 225/40 d.d. 12-9-1986), dat onder meer een
wijziging van artikel 2 WGB beoogt, in de toekomst tot een andere
interpretatie van artikel 2 WGB zal leiden. De parlementaire behandeling van
dit wetsvoorstel is evenwel nog niet afgerond, zodat dit vooralsnog buiten
beschouwing kan blijven.

Uit het vorenstaande volgt dat de Commissie zich in beginsel niet bevoegd
acht in de onderhavige zaak een oordeel uit te spreken. Dit is slechts dan
anders, wanneer op grond van het hogere Europese gemeenschapsrecht een andere
interpretatie van artikel 2 WGB geboden is. De Commissie heeft onderzocht of
de EG-Richtlijnen op het gebied van gelijke behandeling van mannen en vrouwen
tot een andere uitleg van artikel 2 WGB noodzaken.

Artikel 2 WGB vloeit voort uit de zogenaamde 2e EG-Richtlijn. (Richtlijn van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van februari 1976 betreffende de
tenuitvoerlegging van het begisel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding
en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (76/207/EEG).
Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, nr. L 39/40 d.d. 14-2-1976).
Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt dat het beginsel van gelijke behandeling
op het gebied van de sociale zekerheid niet onder deze richtlijn valt.
Daarmee blijft de onderhavige materie buiten het bereik van deze richtlijn.

In de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in (onder meer) het vrije
beroep op het gebied van de bovenwettelijke sociale zekerheid, is wel
voorzien in de 4e EG-Richtlijn. Het hierboven genoemde wetsvoorstel 20.890
strekt tot uitvoering van deze richtlijn. De uitvoeringstermijn van deze
richtlijn, dat is de termijn waarbinnen met de richtlijn strijdige bepalingen
dienen te worden herzien, is nog niet verstreken (deze loopt af op 1 januari
1993). Dientengevolge noodzaakt deze richtlijn vooralsnog niet tot een andere
interpretatie van artikel 2 WGB dan hierboven aangegeven.

Van de overige richtlijnen op het gebied van gelijke behandeling van mannen
en vrouwen, bestrijkt alleen de

5e EG-Richtlijn het terrein van, onder meer, de (bovenwettelijke) sociale
zekerheid voor zelfstandigen.

Deze richtlijn betreft de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling
van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen, de landbouwsector daarbij
inbegrepen en strekt tot bescherming van het moederschap van zelfstandig
werkzame vrouwen en echtgenoten van zelfstandigen (Richtlijn van 11 december
1986 (86/613/EEG). Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, nr. L
359/56 d.d. 19-12-86). Met name artikel 8 van deze richtlijn ziet toe op de
onderhavige materie. In dit artikel is bepaald dat de Lid-Staten dienen te
onderzoeken of en op welke wijze vrouwelijke zelfstandigen tijdens de
onderbreking van hun werkzaamheden wegens zwangerschap of moederschap in
aanmerking kunnen komen voor uitkeringen in het kader van (bijvoorbeeld) een
stelsel van sociale zekerheid. De Commissie is van oordeel dat deze
normgeving, waarin op dit punt sprake is van een onderzoeksplicht en niet van
een verplichting tot regelgeving, onvoldoende aanknopingspunten biedt om te
komen tot een andere interpretatie van artikel 2 WGB dan hiervoor weergegeven
is.

Hieruit volgt dat het gemeenschapsrecht geen verplichting geeft tot een
andere uitleg van artikel 2 WGB dan blijkens de (nationale) wetsgeschiedenis
is beoogd. De Commissie is in de onderhavige zaak dan ook niet bevoegd.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie acht zich niet bevoegd een oordeel uit te spreken over de
vermeende ongelijke behandeling van mevrouw

te Ermelo door de verzekeringsmaatschappij te Amersfoort op het punt van
de uitsluiting van arbeidsongeschiktheid/ongeval in verband met
zwangerschap/bevalling in het eerste uitkeringsjaar van de vrijwillige
arbeidsongeschiktheid- en ongevallenverzekering.

Rechters

mr. E.F.A. van Buitenen, kamervoorzitter, dr. J.A.M. Stolwijk, mr. C.E.van Vleuten, mr. M.J.M.G. van Dorsten, plaatsvervangend secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 september 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster wilde in aanmerking komen voor de functie van hoogleraar.
Verzoekster is na voordracht door een derde niet in de gelegenheid gesteld
zich als kandidaat te presenteren.

In de advertentie werd promotie of gelijkwaardige wetenschappelijke prestatie
als functie-eis genoemd.

Verzoekster was ten tijde van de sollicitatie bezig met haar proefschrift in
de laatste fase van bewerking. De wederpartij stelt dat zij als algemeen
beleid heeft dat ten aanzien van de benoeming voor hoogleraar de kandidaat
in eerste instantie gepromoveerd moet zijn. De wederpartij houdt een
voorkeursbeleid voor vrouwen. Dit houdt onder andere in dat alle vrouwelijke
sollicitanten die voldoen aan de functie- eisen worden uitgenodigd voor een
gesprek en geen hogere eisen zullen worden gesteld dan die welke nodig zijn
voor een goed uitoefenen van de functie. Verzoekster is niet uitgenodigd
omdat zij nog niet was gepromoveerd. De Commissie stelt voorop dat de
selectieprocedures inzichtelijk, controleerbaar en systematisch dienen te
zijn. De Commissie constateert dat de afspraken in de onderhavige situatie
niet alleen zijn nageleefd. Niet alle vrouwelijke kandidaten zijn uitgenodigd
voor een gesprek. Evenmin is de regel nageleefd dat als scholingseis evenzeer
wordt uitgegaan van een gewenst niveau van ontwikkeling als het bezit van een
bepaald diploma.

Volledige tekst


De Commissie concludeert hieruit dat in de onderhavige situatie de eis van
promotie feitelijk een functie-eis was.

Dat de b.a.commissie deze functie-eis stelde, of heeft mogen of willen
stellen, komt echter niet tot uitdrukking in de advertentie, maar evenmin in
voor de hand liggende stukken als het structuurrapport en/of haar rapport aan
het College van Bestuur waarin de b.a.commissie de door haar gehanteerde
selectie-criteria heeft aangegeven.

De Commissie neemt daarnaast in aanmerking dat de wederpartij juist in de
onderhavige situatie niet van een algemene kenbaarheid uit had kunnen gaan
omdat zij uitdrukkelijk zocht naar kandidaten die deskundig waren op
niet-juridische aspecten, en dus naar personen die niet op voorhand geacht
kunnen worden van deze beleidslijn op de hoogte te zijn. Immers, niet alle
faculteiten in Nederland hanteren het gepromoveerd zijn als even strenge
functie-eis.

Bovendien had het naast elkaar stellen van beide eisen ook een uitdrukking
kunnen zijn van het geldende voorkeursbeleid voor vrouwen, in die zin dat de
eis van promotie, waar vrouwen gemiddeld minder aan kunnen voldoen dan
mannen, juist geen strikte functie-eis was.

Tenslotte merkt de Commissie op dat ook in het telefoongesprek van 29
augustus 1989 niet ondubbelzinnig aan verzoekster is meegedeeld dat de eis
van promotie feitelijk een functie-eis was.

Samenvattend: de wederpartij beroept zich op een functie-eis die in de
onderhavige situatie niet uitdrukkelijk in het structuurrapport is genoemd,
noch in het rapport aan het College van

Bestuur bekend is gesteld, noch ondubbelzinnig kenbaar was voor alle
kandidaten noch voor verzoekster. De wijze waarop de functie-eisen steeds wel
zijn vermeld is voor meerdere uitleg vatbaar.

4.7. De wederpartij erkent haar gebondenheid aan de beleidsafspraken
emancipatie tussen het bestuur van de Faculteit Rechtsgeleerdheid en het
College van Bestuur, gemaakt ter uitvoering van de nota “Emancipatiebeleid
RUU, een plan voor positieve actie”.

In deze beleidsafspraak is voorzien in een aantal aanbevelingen en
maatregelen bij functies waarin vrouwen zijn ondervertegenwoordigd. Deze
beperken zich niet tot een voorkeursbehandeling voor vrouwen bij gebleken
gelijke geschiktheid, maar hebben betrekking op alle onderdelen van de
werving en selectie.

De Commissie merkt op dat sommige van deze procedure-afspraken kennelijk
bedoelen, de toepassing van gelijke behandeling te garanderen. Dat is
duidelijk het geval bij de afspraak dat aan vrouwen geen andere vragen zullen
worden gesteld dan aan mannen. Ook de afspraak dat ook geadverteerd zal
worden in bladen die zich tot (bepaalde groepen) vrouwen richten kan worden
gezien als een maatregel ter garantie van gelijke behandeling. Het is immers
een manier om alle potentiele vrouwelijke kandidaten te bereiken. Hetzelfde
geldt voor de afspraak dat alle relevante werkervaring buiten betaalde
werksituaties meetelt. Het gaat hier immers om een algemeen criterium, en het
is niet goed denkbaar dat dit criterium alleen van toepassing is als zich een
ondervertegenwoordiging van vrouwen voordoet.

De Commissie kan dan ook moeilijk inzien waarom elk der afspraken alleen
gelden bij een ondervertegenwoordiging, en per definitie deel zouden uitmaken
van een voorkeursbeleid. Afhankelijk van de aard en inhoud van ieder der
afspraken moeten deze gezien worden als onderdeel van inzichtelijke,
controleerbare en systematische procedures om gelijke behandeling te
garanderen, of als onderdeel van voorkeursbeleid.

De Commissie constateert vervolgens, dat de afspraken in de onderhavige
situatie niet allen zijn nageleefd. Bijvoorbeeld de regel dat geen hogere
eisen zullen worden gesteld dan die welke nodig zijn voor een goed uitoefenen
van de functie. De functie-eis ‘promotie’ is zwaarder dan de eis van promotie
of gelijkwaardige wetenschappelijke prestaties. In de onderhavige selectie
is een formeel als voldoende beschouwde eis reeds bij de eerste selectie
vervangen door een zwaardere eis.

Ook zijn niet alle vrouwelijke kandidaten die aan de functie- eisen voldeden
uitgenodigd voor een gesprek. Evenmin is de regel nageleefd dat als
scholingseis evenzeer wordt uitgegaan van een gewenst niveau van ontwikkeling
als het bezit van een bepaald diploma. Sterker, verzoekster is zelfs niet
ondubbelzinnig op de hoogte gesteld van de werkelijke functie- eis, en is
niet in de gelegenheid gesteld om haar niveau van ontwikkeling aan te tonen.

4.8. De Commissie concludeert dat de wederpartij enerzijds zelf aanleiding
heeft gezien, procedures op te stellen om gelijke behandeling van vrouwen en
mannen te garanderen teneinde het maken van onderscheid te voorkomen en om
voorkeursbeleid voor vrouwen toe te passen, en anderzijds, in de allereerste
fase, namelijk het kandidaten in de gelegenheid stellen hun geschiktheid voor
de functie aan te tonen, deze regels alleen jegens verzoekster, een
vrouwelijke kandidaat, niet heeft nageleefd.

Zij is, gelet op de gebleken feiten, van oordeel dat de wederpartij
onvoldoende aannemelijk heeft weten te maken dat zij desondanks jegens
verzoekster geen onderscheid heeft gemaakt naar geslacht.

Daarmee staat vast dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met artikel
3 lid 1 WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Rijksuniversiteit van
Utrecht te Utrecht jegens mevrouw dr te Heemstede, door haar niet
in de gelegenheid te stellen zich als kandidaat te presenteren, onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt bij de behandeling van de vervulling van een
openstaande betrekking in strijd met artikel 3 lid 1 Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

Aldus vastgesteld op 15 september 1992 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 20 mei 1992.

Rechters

mr. C.H.S. Evenhuis, kamervoorzitter, mr. R.A.C.M. Langemeijer, mr.A.C. Possel, drs. C.M. Sjerps

Instantie: Beroepscommissie woonruimteverdeling Eindhoven, 11 september 1992

Instantie

Beroepscommissie woonruimteverdeling Eindhoven

Samenvatting


Om in aanmerking te komen voor ‘woningtoewijzing
bij verbroken relatie, met thuiswonende kinderen’, moeten
beide ouders belast zijn met de ouderlijke zorg in de vorm van
co-ouderschap. Aan deze eis kunnen twee vrouwen die samenwonen
niet voldoen en is er aldus sprake van een onterecht
onderscheid. De feitelijke situatie verschilt immers
geenszins. De Beroepscommissie besluit dat de materiele
bedoelingen van de regeling bepalend dienen te zijn.

Volledige tekst

Geachte mevrouw H,

Uw beroepschrift, als vervat in uw schrijven van 24 augustus
1992 hebben wij behandeld in de vergadering van onze
beroepscommissie van 1 september 1992.

Tijdens deze behandeling hebben wij overwogen dat:

– uw beroep zich richt tegen de wijze van berekenen van uw
urgentiescore als woningaanvraagster;

– u voor wat de berekening van uw urgentie betreft strikt
formeel juridisch gezien ‘slechts’ aanspraak kunt maken op een
berekening als alleenstaande inwonende vrouw zonder
zelfstandige woonruimte;

– u in uw beroepschrift duidelijk maakt, dat u er in materiele
zin alles aan gedaan heeft om een situatie te creeren, die
vergelijkbaar is met de situatie van een huishouden van man
plus vrouw plus kind;

– wij van opvatting zijn, dat in dit specifieke geval uw
materiele bedoelingen voor uw urgentieberekening bepalend
dienen te zijn.

Op grond van vorenstaande overwegingen hebben wij besloten u
de ‘vonnisstatus’ toe te kennen, hetgeen inhoudt, dat voor uw
situatie 60 urgentiepunten moeten worden bijgeteld als ware er
sprake van een echtscheiding bij een huishouden van man plus
vrouw met inwonend kind.

Rechters

Mrs. Kaan, Snel

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 11 september 1992

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Bij een samenloop van alimentatieverplichtingen
tussen twee ex-echtgenoten geldt dat de rechter de
alimentatieruimte in beginsel niet gelijkelijk kan verdelen.
Bij een wijzigingsverzoek zal de alimentatieplicht jegens de
andere ex-echtgenote als vaststaand gegeven worden
gehanteerd.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 31 oktober 1989 gedateerd verzoekschrift heeft
verweerder in cassatie – verder te noemen de man – zich gewend
tot de Rechtbank te Zutphen met verzoek de door het
Gerechtshof te Arnhem bij beschikking van 18 december 1985
tussen hem en verzoekster in cassatie – verder te noemen de
vrouw – vastgestelde alimentatie te wijzigen in dier voege dat
deze over de maanden november en december 1988 ƒ 1.354,- en
vanaf 1 januari 1989 ƒ 1.385,- per maand zal bedragen.

Nadat de vrouw tegen het verzoek verweer had gevoerd, heeft de
Rechtbank – na op 20 januari 1990 een tussenbeschikking te
hebben gegeven – bij eindbeschikking van 19 juni 1990 het
verzoek van de man toegewezen. Tegen beide beschikkingen heeft
de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te
Arnhem.

Na op 28 mei 1991 een tussenbeschikking te hebben gegeven
heeft het Hof bij eindbeschikking van 26 november 1991 de
bestreden beschikkingen van de Rechtbank bekrachtigd. De
beschikkingen van het Hof zijn aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikkingen van het Hof heeft de vrouw beroep in
cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking
gehecht en maakt daarvan deel uit. De conclusie van de
Advocaat-Generaal Moltmaker strekt tot verwerping van het
beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het gaat hier om een beslissing omtrent wijziging van de
alimentatie die de man ingevolge een eerdere rechterlijke
beslissing verschuldigd is aan de vrouw, van wie hij in 1982
van echt is gescheiden. de man is ingevolge een rechterlijke
uitspraak ook alimentatie verschuldigd aan zijn eerste
echtgenote, van wie hij van echt was gescheiden voordat hij
met de vrouw huwde.

Het Hof heeft in rov. 11 van zijn tussenbeschikking geoordeeld
dat bij de bepaling van de draagkracht van de man de door deze
ten behoeve van zijn eerste echtgenote betaalde alimentatie ‘
in elk geval volledig (zal) moeten worden meegerekend’.

Hiertegen richt zich onderdeel I van het middel met het betoog
dat ‘indien de draagkracht van de man niet voldoende is om aan
zijn onderhoudsverplichtingen jegens beide ex-echtgenoten te
voldoen, redelijke wetstoepassing meebrengt dat de voor
onderhoud beschikbare draagkrachtruimte in beginsel
gelijkelijk tussen de beide ex-echtgenotes zal moeten worden
verdeeld’.

Dit betoog faalt. In een geval als het onderhavige zal de
rechter bij de bepaling van de draagkracht van de man de ten
behoeve van de andere echtgenote vastgestelde of in
werkelijkheid betaalde alimentatie in beginsel ten volle in
aanmerking hebben te nemen. Onder bijzondere omstandigheden
kan dit anders zijn, maar op zulke omstandigheden beroept het
onderdeel zich niet.

In HR 13 december 1991, NJ 1992, 178, op welke beschikking het
onderdeel zich beroept, is beslist – kort gezegd – dat indien
iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit zijn
eerste en uit zijn tweede huwelijk en zijn draagkracht niet
voldoende is om aan die verplichtingen volledig te voldoen,
een redelijke wetstoepassing meebrengt dat het voor onderhoud
beschikbare bedrag in beginsel gelijkelijk tussen die kinderen
wordt verdeeld. Deze beslissing kan echter niet afdoen aan het
vorenstaande, omdat de aan een gescheiden echtgenote
verschuldigde alimentatie van zo vele factoren afhankelijk is
dat de rechter niet – op de wijze waarop hij dat ingevolge
bedoelde beschikking bij kinderalimentatie moet doen – de aan
de ene echtgenote verschuldigde alimentatie kan vaststellen op
het bedrag dat hij zou hebben vastgesteld, wanneer hij
tegelijkertijd over wijziging van de aan de andere echtgenote
verschuldigde alimentatie te oordelen zou hebben gehad.

’s Hofs oordeel is dus juist, wat er zij van ’s Hofs
motivering. Het onderdeel stuit op het vorenstaande in zijn
geheel af.

3.2. Onderdeel II faalt op de gronden vermeld in de conclusie
van het Openbaar Ministerie onder 2.2.2-2.2.5.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat
iedere partij de eigen kosten draagt.

Noot

Samenloop. Binnen een jaar heeft de Hoge Raad kunnen oordelen
over de verschillende vormen van samenloop van
alimentatieverplichtingen. Daarbij moet onderscheid worden
gemaakt tussen alimentatieplichten jegens kinderen en jegens
ex-echtgenoten. Kinderen hebben in beginsel allen recht op een
bijdrage van gelijke hoogte. Dit impliceert dat de rechter,
bij vaststelling of wijziging van het alimentatiebedrag jegens
een van de kinderen van de alimentatieplichtige, de totale
alimentatieruimte gelijkelijk over de kinderen mag verdelen en
er van uit mag gaan dat de bedragen die jegens de andere
kinderen verschuldigd zijn eventueel zullen worden aangepast.
Gaat het om samenloop van alimentatieplichten jegens kinderen
en ex-echtgenote, dan zal de rechter onder omstandigheden dit
laatste bedrag als vaststaand – en dus de draagkracht
beinvloedend – gegeven moeten accepteren (zie hierover mijn
noot bij RN 1992, 275 en 276).

Inmiddels heeft de Hoge Raad zich ook uitgesproken over de
samenloop van onderhoudsverplichtingen tussen twee ex-
echtgenoten. Hier geldt dat de rechter de alimentatieruimte in
beginsel niet gelijkelijk kan verdelen, omdat bij de bepaling
van deze alimentatie ook andere factoren dan de draagkracht
van de man een rol spelen. Bij een wijzigingsverzoek zal dus
de alimentatieplicht jegens de andere ex-echtgenote als
vaststaand gegeven worden gehanteerd.

Gaat de eerste echtgenote voor? In deze zaak oordeelden
rechtbank en hof dat de alimentatie voor de eerste echtgenote
ten volle in aanmerking moest worden genomen, omdat de man
tijdens zijn huwelijk met de vrouw altijd een (hoge)
alimentatie aan de eerste echtgenote heeft betaald. De vrouw
vecht dit oordeel aan. De Hoge Raad geeft aan (‘wat er zij van
’s hofs motivering’) dat deze redenering niet opgaat. De
eerste echtgenote gaat dus niet voor. Niettemin leidt het
oordeel van de Hoge Raad, als ik het goed zie, tot een
merkwaardige situatie. Uitgangspunt blijft dat beide ex-
echtgenoten in gelijke mate recht hebben op financiele
ondersteuning, afhankelijk van hun eigen behoefte en de
draagkracht van de man. Dit hoeft niet tot een gelijk bedrag
te leiden omdat bijvoorbeeld de mogelijkheden om in eigen
inkomen te voorzien wisselend kunnen zijn. Nu de alimentatie
voor de andere echtgenote als vaststaand gegeven wordt
beschouwd, dreigt er willekeur: de alimentatieplichtige kan
kiezen wie hij bij een vermindering van zijn draagkracht eens
zal verrassen met een wijzigingsverzoek. De lasten van een
eventuele draagkrachtvermindering worden daardoor in beginsel
niet over beide alimentatiegerechtigden verdeeld. En omgekeerd
geldt dat, mocht de draagkracht van de man zijn verhoogd, de
snelst geinformeerde ex-echtgenote daar gebruik van kan
maken.

Wendelien Elzinga.

Rechters

Mrs. Royer, Bloembergen, Davids, Neleman,Nieuwenhuis, A-G Moltmaker

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 10 september 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om ‘offsetdrukkers’ gevraagd wordt zonder
de vermelding ‘m/v’ levert strijd op met de Wet. In de advertentie is niet
zowel de mannelijke als vrouwelijke functiebenaming gebruikt en er is niet
uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 7 februari 1992 verzocht Druk en Papier FNV te Amsterdam
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door te
Geleen

(hierna: wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de

aanbieding van betrekkingen in strijd met de Wet gelijke

behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd.

Verzoeker is van mening dat deze vacaturemelding in strijd is

met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige

rechtsbevoegdheid, met een doelstelling zoals bedoeld in

artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee voldoet verzoeker aan

de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in

behandeling genomen en op grond van artikel 36 van het

Procedurereglement besloten om in deze zaak de vereenvoudigde

behandeling toe te passen. De wederpartij is in de

gelegenheid gesteld tegen deze beslissing bezwaar aan te

tekenen. De wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik

gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het

standpunt van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de

voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij

gesignaleerd in ‘de Banenkrant’ van 10 november 1991.

In deze advertentie vraagt de wederpartij om ‘offsetdrukkers’.

In de advertentie staat niet vermeld dat zowel mannen als vrouwen voor
de aangeboden functie in aanmerking komen.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het

aanbieden van de betrekkingen onderscheid heeft gemaakt tussen

mannen en vrouwen en daarmee in strijd heeft gehandeld met de

WGB.

4.3. In eerste aanleg heeft op verzoek van de wederpartij het
personeelsadviesbureau op het verzoekschrift gereageerd. Zij meende dat alleen
dit bureau verantwoordelijk was voor de tekst en inhoud van de advertentie.

Bij schrijven van 9 juli 1992 heeft de wederpartij alsnog zelf een
reactie gegeven. Zij lichtte daarbij toe dat de aanspreekvorm ‘U’ is gebruikt
omdat deze vorm zowel mannelijk als vrouwelijk is. De toevoeging m/v staat
door een slip of the pen niet in de tekst vermeld. De wederpartij biedt haar
verontschuldigingen aan wanneer zij, zoals zij stelt, niet vrouwvriendelijk
geweest zou zijn.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekkingen onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en

vrouwen en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB, door

in de onderhavige advertentie om ‘offsetdrukkers’ te vragen,

terwijl zij niet heeft vermeld dat zowel mannen als vrouwen

voor de functies in aanmerking komen.

5.2 Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op

grond van geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit

tekst en vormgeving van een advertentie moet duidelijk

blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering, bijvoorbeeld

als de werkgever een voorkeursbeleid voor vrouwen wil voeren

of als de functie geslachtsbepaald is, mag van dit verbod

worden afgeweken. De reden van deze afwijking moet in de

advertentie worden vermeld.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om

onderscheid te maken naar geslacht bij de aanbieding van een

betrekking nader uitgewerkt. Artikel 3 lid 3 schrijft voor

dat uit de tekst en vormgeving van een advertentie duidelijk

moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking

komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens

verder toegespitst op het gebruik van functiebenamingen.

Hierin is bepaald dat of zowel de mannelijke als de

vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet worden, of

uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als

vrouwen in aanmerking komen.
O

5.4. Blijkens de tekst van artikel 3 WGB en de Memorie van Toelichting
op dit artikel, richt artikel 3 zich zowel tot de werkgever als tot een derde
die door deze werkgever wordt betrokken bij de wervings- en selectieprocedure.
(Tweede Kamer, vergaderjaar 1986-1987, 19.908, nr. 3, blz. 18. Zie Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 17 juni 1991,
oordeelnummers 336A-91-35 en 336B-91- 36.)

In beginsel is de werkgever verantwoordelijk voor de naleving van het
geheel van de wervings-, selectie- en aanstellingsfase. Daarnaast is een door
de werkgever inschakelde derde verantwoordelijk voor dat deel van de wervings-
en selectieprocedure waar deze bij betrokken is. De verantwoordelijkheid van
de derde heft de eigen verantwoordelijkheid van de werkgever echter niet op.

Dit geldt voor de werving via alle intermediaires, dus ook voor de
werving door een personeelsadviesbureau.

5.5. In de onderhavige advertentie wordt voor de functies slechts een
functiebenaming vermeld, namelijk ‘offsettdrukkers’. In dat geval stelt de Wet
de eis dat uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen voor de
functie in aanmerking komen. Een dergelijke vermelding ontbreekt in de
advertentie.

De Commissie heeft kennnis genomen van de verontschuldigingen van de
wederpartij. Indien en voorzover de wederpartij met haar verwijzing naar
vrouwvriendelijkheid bedoelt te zeggen dat een uitdrukkelijke ‘m/v’-vermelding
niet strikt noodzakelijk is, maar slechts een overweging van beleid, wijst de
Commissie op het volgende.

De Wet ziet met name ook toe op de tekst van de aanbieding van de
functie zelf. In de praktijk staan traditioneel door mannen vervulde functies
en beroepen niet of onvoldoende open voor vrouwen en andersom. Om die reden
heeft de wetgever besloten om in alle gevallen van werving voor te schrijven
dat de werving zich uitdrukkelijk tot beide geslachten moet richten. Op die
manier wordt duidelijk dat vrouwen welkom zijn in ook de traditionele
‘mannenfuncties’ en ‘mannenberoepen’ en mannen welkom zijn in ook de
traditionele ‘vrouwenfuncties’ en ‘vrouwenberoepen’. In de onderhavige
advertentie ontbreekt een dergelijke uitdrukkelijke vermelding.

Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft

gemaakt op grond van geslacht in strijd met artikel 3 lid 4

en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 WGB.

6.HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Geleen bij de
aanbieding van de betrekkingen onderscheid heeft gemaakt in strijd met artikel
3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en

Rechters

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 10 september 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om ‘offsetdrukkers’ gevraagd wordt zonder
de vermelding ‘m/v’ levert strijd op met de Wet. In de advertentie is niet
zowel de mannelijke als vrouwelijke functiebenaming gebruikt en er is niet
uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 7 februari 1992 verzocht Druk en Papier FNV te Amsterdam (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door te
Geleen

(hierna: wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de

aanbieding van betrekkingen in strijd met de Wet gelijke

behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd.

Verzoeker is van mening dat deze vacaturemelding in strijd is

met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige

rechtsbevoegdheid, met een doelstelling zoals bedoeld in

artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee voldoet verzoeker aan

de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in

behandeling genomen en op grond van artikel 36 van het

Procedurereglement besloten om in deze zaak de vereenvoudigde

behandeling toe te passen. De wederpartij is in de

gelegenheid gesteld tegen deze beslissing bezwaar aan te

tekenen. De wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik

gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het

standpunt van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de

voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij

gesignaleerd in ‘de Banenkrant’ van 10 november 1991.

In deze advertentie vraagt de wederpartij om ‘offsetdrukkers’.

In de advertentie staat niet vermeld dat zowel mannen als vrouwen voor de
aangeboden functie in aanmerking komen.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het

aanbieden van de betrekkingen onderscheid heeft gemaakt tussen

mannen en vrouwen en daarmee in strijd heeft gehandeld met de

WGB.

4.3. In eerste aanleg heeft op verzoek van de wederpartij het
personeelsadviesbureau op het verzoekschrift gereageerd. Zij meende dat
alleen dit bureau verantwoordelijk was voor de tekst en inhoud van de
advertentie.

Bij schrijven van 9 juli 1992 heeft de wederpartij alsnog zelf een reactie
gegeven. Zij lichtte daarbij toe dat de aanspreekvorm ‘U’ is gebruikt omdat
deze vorm zowel mannelijk als vrouwelijk is. De toevoeging m/v staat door een
slip of the pen niet in de tekst vermeld. De wederpartij biedt haar
verontschuldigingen aan wanneer zij, zoals zij stelt, niet vrouwvriendelijk
geweest zou zijn.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekkingen onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en

vrouwen en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB, door

in de onderhavige advertentie om ‘offsetdrukkers’ te vragen,

terwijl zij niet heeft vermeld dat zowel mannen als vrouwen

voor de functies in aanmerking komen.

5.2 Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op

grond van geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit

tekst en vormgeving van een advertentie moet duidelijk

blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering, bijvoorbeeld

als de werkgever een voorkeursbeleid voor vrouwen wil voeren

of als de functie geslachtsbepaald is, mag van dit verbod

worden afgeweken. De reden van deze afwijking moet in de

advertentie worden vermeld.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om

onderscheid te maken naar geslacht bij de aanbieding van een

betrekking nader uitgewerkt. Artikel 3 lid 3 schrijft voor

dat uit de tekst en vormgeving van een advertentie duidelijk

moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking

komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens

verder toegespitst op het gebruik van functiebenamingen.

Hierin is bepaald dat of zowel de mannelijke als de

vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet worden, of

uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als

vrouwen in aanmerking komen.

5.4. Blijkens de tekst van artikel 3 WGB en de Memorie van Toelichting op dit
artikel, richt artikel 3 zich zowel tot de werkgever als tot een derde die
door deze werkgever wordt betrokken bij de wervings- en selectieprocedure.
(Tweede Kamer, vergaderjaar 1986-1987, 19.908, nr. 3, blz. 18. Zie Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 17 juni 1991,
oordeelnummers 336A-91-35 en 336B-91- 36.)

In beginsel is de werkgever verantwoordelijk voor de naleving van het geheel
van de wervings-, selectie- en aanstellingsfase. Daarnaast is een door de
werkgever inschakelde derde verantwoordelijk voor dat deel van de wervings-
en selectieprocedure waar deze bij betrokken is. De verantwoordelijkheid van
de derde heft de eigen verantwoordelijkheid van de werkgever echter niet op.

Dit geldt voor de werving via alle intermediaires, dus ook voor de werving
door een personeelsadviesbureau.

5.5. In de onderhavige advertentie wordt voor de functies slechts een
functiebenaming vermeld, namelijk ‘offsettdrukkers’. In dat geval stelt de
Wet de eis dat uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen
voor de functie in aanmerking komen. Een dergelijke vermelding ontbreekt in
de advertentie.

De Commissie heeft kennnis genomen van de verontschuldigingen van de
wederpartij. Indien en voorzover de wederpartij met haar verwijzing naar
vrouwvriendelijkheid bedoelt te zeggen dat een uitdrukkelijke
‘m/v’-vermelding niet strikt noodzakelijk is, maar slechts een overweging van
beleid, wijst de Commissie op het volgende.

De Wet ziet met name ook toe op de tekst van de aanbieding van de functie
zelf. In de praktijk staan traditioneel door mannen vervulde functies en
beroepen niet of onvoldoende open voor vrouwen en andersom. Om die reden
heeft de wetgever besloten om in alle gevallen van werving voor te schrijven
dat de werving zich uitdrukkelijk tot beide geslachten moet richten. Op die
manier wordt duidelijk dat vrouwen welkom zijn in ook de traditionele
‘mannenfuncties’ en ‘mannenberoepen’ en mannen welkom zijn in ook de
traditionele ‘vrouwenfuncties’ en ‘vrouwenberoepen’. In de onderhavige
advertentie ontbreekt een dergelijke uitdrukkelijke vermelding.

Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft

gemaakt op grond van geslacht in strijd met artikel 3 lid 4

en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 WGB.

6.HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Geleen bij de
aanbieding van de betrekkingen onderscheid heeft gemaakt in strijd met
artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen heeft gehandeld.

Aldus vastgesteld op 10 september 1992.

Rechters

mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter, mr. J.M.G. Dorsten, plaatsvervangendsecretaris

Instantie: Rechtbank Arnhem, 10 september 1992

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Voor beantwoording van de vraag of de psychische problemen van de
dochter zijn toe te rekenen aan de incestueuze handelingen van de vader,
gaat de rechtbank over tot benoeming van 3 deskundigen (psychologen en
psychiaters).

Door gedaagde is aangevoerd dat oorzakelijk verband tussen zijn
handelingen en de gestelde psychische problemen van eiseres door de
deskundigen niet alleen aannemelijk moet worden gemaakt, maar moet
worden vastgesteld met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid. Dit
standpunt wordt verworpen. De beantwoording van de vraag of de
psychische problemen van eiseres aan het handelen van gedaagde moeten
worden toegerekend is voor een belangrijk deel een juridisch oordeel,
waartoe aan de deskundigen vragen van feitelijke aard worden gesteld. De
vraagstelling aan de deskundigen behelst derhalve niet reeds het oordeel
van de rechtbank over de vraag of causaal verband aanwezig is tussen het
onrechtmatig handelen van gedaagde en de psychische problemen die
eiseres stelt te ondervinden.

Volledige tekst

1. De procedure

Voor het eerdere verloop van deze procedure wordt verwezen naar het in
deze zaak gewezen tussenvonnis van deze rechtbank van 27 februari 1992.

Naar aanleiding van dat tussenvonnis heeft eiseres akte ter rolle
gevraagd. Daarop heeft gedaagde een conclusie na tussenvonnis genomen.

Vervolgens hebben partijen de stukken van het geding aan de rechtbank
overgelegd en weer vonnis gevraagd.

2. Het geschil en de verdere beoordeling daarvan

2.1. Eiseres is bereid zich aan een onderzoek door een deskundige te
onderwerpen. Daarbij stelt zij als voorwaarde dat de deskundige een
vrouw is. Als te benoemen deskundige wordt door haar voorgesteld drs.
J., psychiater en psychotherapeut te Amsterdam. Zij heeft ervaring met
de specifieke problematiek van slachtoffers van seksueel misbruik. Tevens
is door eiserers een aantal vragen geformuleerd die aan de deskundige
gesteld zouden kunnen worden.

2.2. Gedaagde is van oordeel dat niet kan worden volstaan met de
benoeming van een deskundige. Hij is van mening dat het complexe
karakter van de zaak voorschrijft dat een onderzoek moet plaatsvinden
door meerdere deskundigen. Hij stelt voor om drie deskundigen te
benoemen. Ook door gedaagde is een aantal vragen geformuleerd die aan de
deskundigen gesteld zouden kunnen worden.

2.3 Nu gedaagde de benoeming van meerdere deskundigen noodzakelijk acht,
de psychische problemen van eiseres uitvoerig zijn en het bij de
beoordeling van het geschil een belangrijk vraagpunt is of de psychische
problemen van eiseres uitvoerig zijn en het bij de beoordeling van het
geschil een belangrijk vraagpunt is of de psychische problemen aan de,
inmiddels door de rechtbank vastgestelde, handelingen van de vader zijn
toe te rekenen, acht de rechtbank de benoeming van meerdere deskundigen
aangewezen.

2.4 Tegen de door eiseres bij akte voorgestelde deskundige drs. J.,
psychiater en psychotherapeut te Amsterdam heeft gedaagde geen bezwaar
gemaakt. Drs. J. heeft zich bereid verklaard een benoeming te
aanvaarden. De rechtbank zal haar daarom tot deskundige benoemen.

Voorts heeft de rechtbank de volgende personen bereid gevonden om aan de
deskundigenrapportage hun medewerking te verlenen:

-dr. D. te Amsterdam, klinisch psycholoog;

-dr. H. te Arnhem, klinisch psycholoog en psychotherapeut;

Deze personen zullen eveneens door de rechtbank tot deskundigen worden
benoemd. Het te dezen in te stellen onderzoek zal door dr. D. worden
gecoordineerd.

2.5 Zowel eiseres als gedaagde hebben bij akte enige suggesties gedaan
omtrent de aan de deskundigen te stellen vragen. De rechtbank heeft deze
suggesties in de hieronder geformuleerde vragen ten dele overgenomen.

2.6 Aan de deskundigen worden de volgende vragen voorgelegd -waarbij de
deskundigen de vrijheid zullen hebben ook andere haars inziens tot goed
begrip noodzakelijke bevindigen te rapporteren die samenhangen met dit
onderzoek, ook indien niet vervat in de voorgelegde vragen:

a. Wat is de aard en de omvang van de psychische problemen die zich bij
eiseres thans voordoen en die zich in het verleden hebben voorgedaan?

b. Wat is het verband tussen de hierboven onder a. bedoelde psychische
problemen en de volgende handelingen van gedaagde bij eiseres in de
periode 1979/1980, te weten:

– het betasten van haar borsten;

– eenmaal bij haar in bed stappen;

– het voeren van seksueel getinte gesprekken met haar?

Wanneer slechts een deel van de psychische problemen van eiseres aan het
handelen van gedaagde te wijten is, om welke psychische problemen van
eiseres aan eiseres aan het handelen van gedaagde te wijten is, om welke
psychische prblemen gaat het dan?

c. Zijn er wellicht andere factoren die een bijdrage leveren aan de
klachten en problemen van eiseres en/of waren er pre-existence factoren
die eiseres extra kwetsbaar maakten voor deze klachten en problemen?

d. Hoe zouden de problemen van eiseres behandeld kunnen worden en wat
zijn de vooruitzichten met betrekking tot genezing?

Is volledig herstel mogelijk en zo ja op welke termijn? Zo niet, waaruit
bestaat de restinvaliditeit?

e. Welke andere feiten of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek,
kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?

2.7 Door gedaagde is aangevoerd dat oorzakelijk verband tussen zijn
handelingen en de gestelde psychische problemen van eiseres door de
deskundigen niet alleen aannemelijk moet worden gemaakt, maar moet
worden vastgesteld met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid. Dit
standpunt wordt verworpen. De beantwoording van de vraag of de
psychische problemen van eiseres aan het handelen van gedaagde moeten
worden toegerekend is voor een belangrijk deel een juridisch oordeel,
waartoe aan de deskundigen vragen van feitelijke aard worden gesteld. De
vraagstelling aan de deskundigen behelst derhalve niet reeds het oordeel
van de rechtbank over de vraag of causaal verband aanwezig is tussen het
onrechtmatig handelen van gedaagde en de psychische problemen die
eiseres stelt te ondervinden. Deze vraag kan eerst na het uitbrengen van
het deskundigenrapport beantwoord worden.

2.8 Gelet op de aard en de inhoud van het onderzoek zal dit naar het
oordeel van de rechtbank buiten aanwezigheid van de procureurs van
partijen dienen plaats te vinden. Aan de procureurs zal overeenkomstig
het bepaalde in de tweede volzin van lid 5 van artikel 223 Rv de
gelegenheid worden geboden opmerkingen te maken en verzoeken te doen
terzake van het (voorlopige) deskundigenbericht binnen een maand na
ontvangst daarvan ter griffie. Vervolgens zal de griffier zorg dragen
dat eventuele opmerkingen en/of verzoeken van de procureurs worden
doorgestuurd naar de deskundigen. Naar aanleiding daarvan kunnen de
deskundigen eventueel nader onderzoek doen, waarna zij een tweede
(definitief) deskundigenbericht aan de griffie versturen. Alles zoals
hieronder bepaald.

2.9 Hoger beroep van dit tussenvonnis zal worden uitgesloten als hierna
te melden.

2.10 Iedere verdere beslissing moet worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank rechtdoende,

3.1 beveelt een onderzoek door drie deskundigen naar de in
rechtsoverweging 2.6 gestelde vragen;

3.2 benoemt tot deskundigen om dit onderzoek te verrichten:

-mw. dr. D., klinisch psycholoog, Vrije Universiteit te Amsterdam;

-mw. dr. H. klinisch psycholoog en psychotherapeut,

-mw. drs. J. psychiater en psychotherapeut.

3.3 bepaalt dat de griffier een copie van dit vonnis aan de deskundigen
zal toezenden;

3.4 bepaalt dat partijen aan de deskundigen de processtukken, waaronder
de brief met bijlagen van 15 november 1990 van de raadsvrouwe van
eiseres en -voor zover mogelijk- de andere door de deskundigen
noodzakelijk geachte stukken ter hand zullen stellen;

3.5 bepaalt dat de deskundigen een schriftelijk bericht zullen inleveren
ter griffie van deze rechtbank voor 1 december 1992.

3.6 bepaalt dat de procureurs naar aanleiding van dat bericht desgewenst
opmerkingen of verzoeken kunnen versturen naar de deskundigen tot
uiterlijk 15 januari 1993 en dat zij daarvan afschriften versturen aan
de procureur van de wederpartij en de griffie van deze rechtbank;

3.7 bepaalt dat de deskundigen eventueel een tweede bericht zullen
inleveren ter griffie van deze rechtbank voor 15 februari 1993;

3.8 bepaalt dat, nadat de procureurs hun eventuele opmerkingen of
verzoeken hebben gemaakt en de deskundigen een eventuele tweede bericht
hebben ingezonden, de deskundigen hun declaratie ter griffie zullen
indienen onder vermelding van: Rb. rolnummer 1990/232;

3.9 bepaalt dat de zaak ter rolle zal worden afgeroepen van 18 februari
1993 voor conclusie na deskundigenbericht aan de kant van eiseres;

3.10 houdt iedere verdere beslissing aan;

3.11 bepaalt dat van dit vonnis geen hoger beroep mogelijk is dan
tegelijk met dat tegen het eindvonnis;

Rechters

mr. Schoute-Dijkstra