Instantie: Rechtbank Haarlem, 8 september 1992

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Vordering ƒ 20.000,= immateriele schadevergoeding. Eiseres, dochter van
gedaagde, is tussen haar achtste en vijftiende jaar vele malen door
gedaagde seksueel misbruikt. Gedaagde is hiervoor strafrechtelijk
veroordeeld. Het verzoek van gedaagde om de gevorderde schadesom wegens
zijn financiele situatie te matigen wijst de rechtbank af Toewijzing ƒ
20.000,=

Volledige tekst

1. Verloop van de procedure. Voor de loop van het geding verwijst de
rechtbank naar de volgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde
stukken waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te beschouwen: – de met
verlof van de President van deze rechtbank op verkorte termijn
uitgebrachte dagvaarding d.d. 30 oktober 1991; – de conclusie van de eis;
– de conclusie van antwoord; – de akte inbreng produkties van eiseres –
de antwoordakte van produkties van gedaagde.

2. De vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan
wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweersproken inhoud
van de overgelegde produkties, staat tussen partijen het volgende vast:

a. Eiseres is de dochter van gedaagde. Op 3 augustus 1971 is zij geboren
uit het -in 1989 ontbonden- huwelijk van gedaagde en J.

b. Tussen haar achtste en vijftiende jaar is eiseres vele malen door
gedaagde seksueel misbruikt.

c. Eiseres heeft daarvan in juli 1990 aangifte gedaan bij de politie.
Gedaagde is vervolgens ter zake strafrechtelijk veroordeeld door de
arrondissementsrechtbank te Alkmaar.

3. De vordering 3.1. Eiseres vordert dat gedaagde zal worden veroordeeld
bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om aan haar te betalen een
schadevergoeding begroot op ƒ 20.000,= dan wel een bedrag dat de rechtbank
redelijk acht, met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze
procedure.

3.2. Eiseres legt tegen de achtergrond van voormelde vaststaande feiten
aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde door zijn handelwijze haar
lichamelijk en geestelijk integriteit heeft aangetast waardoor zij
immaterieel nadeel heeft ondervonden en zal ondervinden.

3.3. Dit nadeel betreft psychische schade en schade wegens gederfde c.q.
te derven levensvreugde. In 1981 heeft zij zich wegens
psychisch-somatische klachten tot de huisarts gewend. Vanaf juli 1989
respectievelijk november/december 1989 is zij bij het Algemeen
Maatschappelijk werk te Uitgeest respectievelijk het RIAGG te Beverwijk
onder behandeling. Zij heeft het gebeurde nog niet verwerkt.

4. Het verweer. 4.1. Gedaagde erkent de onrechtmatigheid van zijn
handelwijze en zijn aansprakelijkheid voor de vergoeding van de door
eiseres geleden immateriele schade.

4.2. Gezien zijn financiele situatie, acht gedaagde zich echter niet in
staat de gevorderde schadesom dan wel een door de rechtbank in
redelijkheid en billijkheid vast te stellen bedrag te voldoen.

4.3. Hij voert in dit verband aan dat het gezamenlijk inkomen van hem en
de met hem samenwonende partner reeds maximaal belast is vanwege de
maandelijkse aflossing van door zijn partner en hem gemaakte schulden
alsmede vanwege het voldoen aan een op hem rustende
alimentatieverplichting. Voorts volgt hij in het kader van de onder 2c
bedoelde strafrechtelijke procedure een therapie, waarvan de kosten voor
zijn rekening komen.

4.4. Voorts voert hij nog aan dat indien hij te zijner tijd onherroepelijk
mocht zijn veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, elke
betaling onmogelijk is.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Aangezien de feiten met betrekking tot de gestelde onrechtmatige daad
hebben plaatsgevonden voor 1 januari 1992 dienen aansprakelijkheid en
schadevergoeding te worden beoordeeld naar het voordien geldende recht

5.2. Nu gedaagde zijn aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad noch de
gestelde omvang van de daardoor geleden schade heeft bestreden, gaat het
er in deze procedure nog om vast te stellen of er reden is tot matiging
van de gevorderde schadevergoeding op grond van de financiele
omstandigheden van gedaagde.

5.3. Aangezien gedaagde eiseres gedurende een lange periode vele malen
seksueel heeft misbruikt, zal zijn beroep op matiging alleen kunnen slagen
indien toewijzing van het gevorderde bedrag, dat de rechtbank gezien de
omstandigheden niet bovenmatig voorkomt, ertoe zou leiden dat gedaagde in
een noodtoestand zou geraken.

5.4. Hetgeen gedaagde heeft gesteld omtrent zijn financiele omstandigheden
wijst naar het oordeel van de rechtbank echter niet in deze richting. In
dit verband overweegt zij het volgende. Eiseres mag er geen nadeel van
ondervinden dat gedaagde is gaan samenwonen met een partner die een
beperkt inkomen heeft en een schuld moet afbetalen. De op gedaagde
rustende alimentatieverplichting ten behoeve van zijn zoon ad ƒ 55,= per
maand is, gelet op het inkomen van eerstgenoemde, van geringe omvang.
Aangenomen kan worden dat deze verplichting inmiddels reeds is, althans
binnenkort zal vervallen. Ook valt niet uit te sluiten dat de kosten welke
gedaagde ten behoeve van zijn therapie maakt te zijner tijd aan hem zullen
worden vergoed. Zijn -eventuele- onherroepelijk veroordeling tot
onvoorwaardelijke vrijheidsstraf leidt wellicht voor gedaagde tijdelijk
tot betalinsproblemen en daarmee tot executieproblemen, maar aangenomen
moet worden dat na zijn invrijheidsstelling de mogelijkheid van betaling
herleeft. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het beroep van gedaagde
op matiging faalt.

5.5. Nu gedaagde zulks niet heeft verzocht en voorts eiseres heeft te
kennen gegeven akkoord te kunnen gaan met maandelijkse betalingen door
gedaagde, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het treffen van een
betalingsregeling.

5.6. De vordering zal worden toegewezen. De rechtbank zal de proceskosten
compenseren nu partijen bloedverwanten zijn in de rechte linie.

6. Beslissing: De rechtbank: 6.1. Veroordeelt gedaagde tot betaling aan
eiseres van ƒ 20.000,= (twintigduizend gulden). 6.2. Compenseert de
proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. 6.3.
Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

mrs. Ten Brink-van Imhoff, Wesseling-Lubberink, Verwoord.

Instantie: Kantonrechter Hoorn, 7 september 1992

Instantie

Kantonrechter Hoorn

Samenvatting


Eiseres werkte als huishoudelijke hulp bij oude vrouw. Vrouw werd
hulpbehoevend en eiseres verzorgde haar tenslotte dag en nacht. Zij
ontving daarvoor slechts ƒ 312,= netto per maand. Na het overlijden van de
vrouw gaven de erfgenamen van de vrouw aan de belastingdienst een veel
hoger loon door, waardoor eiseres moeilijkheden kreeg. Eiseres vordert in
deze procedure minimumloon, vakantietoeslag en vakantiedagen. Na
tussenvonnissen wordt alsnog een schikking bereikt en ontvangt eiseres
plusminus de helft van haar vordering.

Volledige tekst

Verder verloop van het proces: Na het tussenvonnis van 6 april 1992 hebben
partijen – gedaagden bij monde van de heer D- inlichtingen verschaft,
waarna door iedere partij een akte is genomen. De inhoud van deze akten
alsmede die van het ter gelegenheid van de komparitie van partijen d.d.
13 mei 1992 opgemaakte proces- verbaal geldt als hier opgenomen.

Standpunten van partijen: Eiseres vordert thans, ingevolge de vermindering
van haar eis als gedaan ter zitting van 13 juli 1992, -betaling van het
maandelijkse bruto minimumloon voor een werkweek van 40 uur, over de
periode van 1 oktober 1989 tot 10 december 1990, vermeerderd met de
wettelijke verhoging wegens te late betaling en met de wettelijke rente
ingaande 6 juni 1991, op welke betaling in mindering kan strekken de somma
van ƒ 13.097,12 bruto -betaling van 8% vakantiebijslag, berekend over het
voornoemde minimumloon in de genoemde periode, vermeerderd met de
wettelijke verhoging over die vakantiebijslag -uitbetaling van 19 in de
voornoemde periode niet genoten vakantie, berekend naar het bruto
minimumloon -betaling van ƒ 3.816,= als het bedrag dat haar naar
billijkheid toekomt wegens de beeindiging van de dienstbetrekking op 10
december 1990, een en ander onder veroordeling van gedaagden in de
gedingkosten.

Gedaagden hebben (ook) deze aldus verminderde vordering op juistheid
bestreden en gekonkludeerd tot afwijzing van de eis, met veroordeling van
eiseres in de kosten van het geding, althans in een gedeelte daarvan.
Gedaagden hebben vastgehouden aan hun verweer, dat zij eiseres betalingen
hebben gedaan ten minste ten belope van de thans door eiseres gevorderde
bedragen, en zelfs meer dan dat: volgens gedaagden hebben zij eiseres de
somma van ƒ 10.088,= netto uitgekeerd boven het minimumloon en de minimum
vakantiebijslag. Gedaagden hebben voorts subsidiair aangevoerd dat geen
wettelijke verhoging verschuldigd is over niet tijdig betaald
vakantiebijslag noch over uit te betalen niet genoten vakantiedagen.
Gedaagden hebben bestreden dat eiseres rechtens de gevorderde som ad.
ƒ 3.816,= bruto toekomt wegens de eindiging van het dienstverband op 10
december 1990. Gedaagden hebben uitdrukkelijk aanvullende bewijslevering
aangeboden door middel van door de heer Schuijtemaker ter gelegenheid van
de komparitie aangeduide (vier) getuigen.

Verdere beoordeling van het geschil Wij nemen over en verwijzen naar
hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 6 april 1992,
waarbij een inlichtingen komparitie was bevolen waaraan door partijen
uitvoering is gegeven. Terzake zij hier kortheidshalve verwezen naar de
inhoud van het terzake opgemaakt proces- verbaal. Gehoord de verklaringen
zoals deze ter gelegenheid van de voornoemde komparitie door eiseres en
door de heer Dirk Schuijtemaker namens gedaagden zijn afgelegd, alsmede
gelet op de vordering van eiseres zoals deze is komen te luiden na de
vermindering van de eis als in het bovenstaande is weergegeven, zal door
gedaagden nader bewijs dienen te worden bijgebracht voor hun door eiseres
gemotiveerd op juistheid bestreden stelling dat zij eiseres (meer) hebben
betaald dan hetgeen thans door eiseres te betalen is gevorderd. Immers de
door gedaagden overgelegde kwartaaloverzichten jaaropgave 1990 noch de
inhoud van de brief d.d. 26 juni 1991 van de executeur-testamentair zijn
voldoende redengevend voor de gevolgtrekking dat gedaagden eiseres de
betalingen hebben doen toekomen die gedaagden stellen eiseres te hebben
voldaan, te weten de somma van ƒ 500,= per week netto over de periode van
1 oktober 1989 tot 10 december 1990 (naast betalingen van telkens ƒ 200,=
terzake huishoudgeld) en daarna nog in totaal ƒ 1.868,= netto als
“onverplichte” uitkering wegens de eindiging van de dienstbetrekking,
vermeerderd met deelbetalingen ten belope van in totaal ƒ 700,= netto als
door gedaagden ten behoeve van eiseres gedane terugbetaling aan de Sociale
Dienst van de gemeente Hoorn.

Gedaagden hebben ter gelegenheid van de komparitie erkend dat eiseres in
de periode van 1 oktober 1989 tot 1 december 1990 in totaal 2 X 4 dagen
vakantie heeft gehad; gedaagden hebben bij akte d.d. 10 augustus 1992
eveneens erkend dat eiseres over de voornoemde periode nog recht heeft op
uitbetaling van 19 vakantiedagen. Deze uitbetaling dient naar ons oordeel
te geschieden overeenkomstig het dagloon zoals ingevolge de
arbeidsovereenkomst gold op het moment van het eindigen van de
dienstbetrekking, welke eindiging in dit verband te stellen is op 10
december 1990. Voornoemd dagloon bedroeg toen ƒ 94,20 bruto zodat de
vordering terzake uitbetaling van 19 vakantiedagen beloopt de somma van
ƒ 1.789,80 bruto. Over die betaling is -overigens terecht- door eiseres
geen wettelijke verhoging wegens te late voldoening gevorderd; die
verhoging komt de eiseres, gelijk door haar is geeist in beginsel wel toe
over de gevorderde vakantiebijslag, nu deze bijslag in het kader van
wettelijke verhogingen dient te worden aangemerkt als loon (vergelijk in
dit verband: HR 25 januari 1991, NJ 1991 nr. 597). Het voorgaande brengt
mee dat het verweer van gedaagden inhoudende dat de wettelijke verhoging
over niet tijdig uitbetaalde vakantiebijslag rechtens niet verschuldigd
is, wordt verworpen. Daarentegen achten wij wel terecht opgeworpen het
verweer van gedaagden, dat eiseres rechtens geen aanspraak toekomt op de
gevorderde som van ƒ 3.816,= bruto als vergoeding naar billijkheid in
verband met de eindiging van de arbeidsovereenkomst op 10 december 1990.
Immers, ten processe is uit niets gebleken dat eiseres zich na het
overlijden van haar werkgeefster ter beschikking van de erfgenamen heeft
gesteld om de overeengekomen werkzaamheden uit te voeren, terwijl in
tegendeel uit de overgelegde brieven van eiseres aan respectievelijk mr.
Piepers-Praagman en de Sociale Dienst van de gemeente Hoorn moet worden
afgeleid dat eiseres zichzelf na 10 december 1990 als werkloos beschouwt.

Wij laten daarbij overigens in het midden of de tussen werkgeefster en
eiseres gesloten arbeidsovereenkomst rechtens niet meebrengt dat deze
dienstbetrekking eindigt met het overlijden van de werkgeefster, gelet op
het verzorgende karakter van deze dienstbetrekking zoals dat ten processe
is gebleken. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het onderdeel van de
vordering voorzover omvattende betaling van ƒ 3.816,= bruto niet voor
toewijzing in aanmerking kan komen, nu deze eis niet in de feiten is
gegrond. Overigens merken wij op dat is opgevallen dat eiseres, anders dan
door haar is gedaan bij het instellen van haar vordering zoals deze
oorspronkelijk luidde bij het inleidend verzoekschrift, bij haar eis zoals
deze is komen te luiden ingevolge de akte d.d. 13 juli 1992, geen rekening
heeft gehouden met door haar bij haar werkgeefster genoten kost en
inwoning. Volgens eiseres -bij inleidend verzoekschrift- dient van het
haar toekomende maandloon in 1989 een bedrag van telkens ƒ 375,= per maand
te worden afgetrokken wegens genoten kost en inwoning, en in het jaar 1990
telkens ƒ 383,= per maand. Het is ons vooralsnog niet duidelijk waarom
eiseres dit in natura genoten loonbestanddeel niet in de beschouwing heeft
betrokken ter gelegenheid van de vermindering van haar loonvordering. Het
bovenstaande leidt vooralsnog tot de beslissing dat gedaagden
overeenkomstig hun uitdrukkelijk gedaan aanbod tot nadere bewijslevering
door middel van getuigen, kunnen worden toegelaten te bewijzen hetgeen in
het onderstaande is opgenomen.

De beslissing: Alvorens nader te beslissen: Laten gedaagden toe te
bewijzen: “feiten en omstandigheden, waaruit kan blijken, dat eiseres
krachtens haar arbeidsovereenkomst met haar werkgeefster over de periode
van 1 oktober 1989 tot 10 december 1990 loonbetalingen heeft ontvangen ten
minste ten belope van het haar toen in totaal toekomende minimumloon
inclusief 8% vakantiebijslag en inbegrepen een vergoeding voor 19 toen
niet genoten vakantiedagen ten bedrage van ƒ 1.789,90 bruto”. Bepalen dat
gedaagden -met inachtneming van de gebruikelijke formaliteiten- ter
uitvoering van deze bewijsopdracht getuigen kunnen voorbrengen te onzer
terechtzitting van 8 oktober 1992 te 14.00 uur.

Verloop van dit proces: Eiseres heeft een zaak aanhangig gemaakt tegen
gedaagden bij verzoekschrift d.d. 7 juni 1991. Ter zitting is
gekonkludeerd voor eis als in het verzoekschrift omschreven. Vervolgens
hebben partijen gekonkludeerd voor antwoord, repliek en dupliek met
overgelegde bijlagen. Beide partijen hebben nog een akte genomen.

Standpunten van de partijen Eiseres vordert, verkort weergegeven, a. een
verklaring voor recht dat het haar op 10 december 1990 gegeven ontslag
nietig is, nu de dienstbetrekking nimmer is opgezegd, er geen
ontslagvergunning is aangevraagd en zij met ontslag niet heeft ingestemd
alsmede b. veroordeling van gedaagden als erfgenamen, tot afrekening vanaf
1 oktober 1989 tot aan het tijdstip waarop het dienstverband rechtsgeldig
ten einde zal zijn gekomen, op basis van het minimum-uurloon van werkweken
van 168 uur, vermeerderd met de vakantiebijslag en uitbetaling van niet
genoten vakantiedagen, een en ander zoals in het inleidend verzoekschrift
is omschreven en onder aftrek van hetgeen eiseres terzake reeds heeft
ontvangen, alles vermeerderd met de wettelijke verhoging en met de
proceskosten.

Eiseres grondt deze vordering op een arbeidsovereenkomst met haar
werkgeefster bij wie zij sedert 1987 in dienstbetrekking werkzaam is
geweest als huishoudelijke hulp/verzorgster, welke werkgeefster op 10
december 1990 is overleden. Gedaagden hebben de vordering weersproken en
gekonkludeerd tot afwijzing, met veroordeling van eiseres in de
gedingkosten; Gedaagden hebben erkend dat eiseres in 1987 bij haar
werkgeefster als huishoudelijke hulp/verzorgster in diens is getreden maar
zij hebben aangevoerd, verkort weergegeven en voorzover hier van belang:
– in de periode van 1 oktober 1989 tot 10 december 1990 heeft eiseres geen
168 uur per week voor haar werkgeefster gewerkt maar ten hoogste 40 uur
per week, voor welke werkzaamheden eiseres de haar terzake toekomende
betalingen heeft ontvangen, te weten tot en met juli 1989, ƒ 200,= netto
per week + een vergoeding voor autokosten, en daarna tot 10 december 1990,
ƒ 500,= per week netto zonder autokostenvergoeding, benevens een bedrag ad
ƒ 1.868,= netto na 10 december 1990 – het dienstverband van eiseres met
haar werkgeefster is door het overlijden van laatstgenoemde geeindigd,
zowel in verband met de aard en het karakter van de dienstbetrekking
tussen partijen als op grond van de door eiseres bij en na dat overlijden
ingenomen houding, uit welke houding niet anders kan worden gekonkludeerd
dan dat eiseres zich ook zelf op het standpunt stelde dat de
dienstbetrekking op 10 december 1990 is geeindigd – eiseres heeft de haar
toekomende vakantie gehad, zodat haar ook te dier zake geen vordering
toekomt.

Eiseres heeft vervolgens haar vordering toegelicht, de eis verminderd c.q.
de grondslag ervan gewijzigd door te stellen dat zij i.p.v. 168 uur per
week, 158 uur werkzaam is c.q. geweest is, terwijl zij heeft erkend in de
gestelde periode 8 dagen vakantie te hebben genoten. Eiseres heeft voor
het overige aan de vordering vastgehouden. Gedaagden hebben hierna hun
verweer nader uiteengezet en zijn gebleven bij hun standpunt, dat eiseres
(zelfs meer) heeft ontvangen waarop zij aanspraak kon doen gelden. Beide
partijen hebben bewijs aangeboden.

Beoordeling van het geschil: Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben
aangevoerd en op de wijze waarop zij elkaars standpunten bestrijden, mede
gelet op de over en weer in het geding gebrachte produkties, komt het ons
geraden voor om partijen voor ons te doen verschijnen voor het geven van
nadere inlichtingen, bij welke gelegenheid de aanwezigheid van de heer
Schuitemaker dienstig voorkomt.

Ter gelegenheid van de te houden komparitie kan eiseres onder meer
toelichten: – Vordert eiseres betaling van 158 uur per week a het
minimumloon of strekt de eis tot betaling van het normale loon per week
c.q. per maand zoals is bedoeld in de wet minimumloon en
minimum-vakantiebijslag? – Wat heeft eiseres op en na 10 december 1990
jegens gedaagden ondernomen, waaruit kan blijken dat haar wil gericht is
geweest op voortzetting met gedaagden van het door eiseres met haar
werkgeefster aangegane dienstverband? – Welke uitkering c.q. uitkeringen
heeft eiseres sedert 10 december 1990 eventueel ontvangen en tot wanneer
, op welke wijze kan eiseres eventueel bewijs bijbrengen voor haar
stelling dat het dienstverband met haar werkgeefster voornoemd in de
periode van 1 oktober 1989 tot 10 december 1990 werkweken van 158 uur per
week betrof?

Bij de voornoemde gelegenheid kunnen gedaagden onder meer uiteenzetten op
welke wijze zij bewijs kunnen bijbrengen voor hun standpunt – dat het
dienstverband tussen de werkgeefster en eiseres in de periode van 1
oktober tot 10 december 1990 werkweken bedroeg van niet meer dan 40 uur;
– dat eiseres terzake haar dienstverband met haar werkgeefster heeft
ontvangen hetgeen haar toekomt.

De beslissing: Alvorens nader te beslissen: Verzoeken partijen, eiseres
in persoon en de erfgenamen behoorlijk vertegenwoordigd en in
tegenwoordigheid van de heer Schuitemaker, desgewenst vergezeld van de
raadslieden, voor ons te verschijnen op woensdag 13 mei 1992 te 13.30 uur
met het doel als voormeld. Houden iedere verdere beslissing aan.

Rechters

mr. Van den Deure

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 3 september 1992

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


De hardnekkigheid waarmee gedaagde zich aan bepaalde vrouwelijke
ondergeschikten bleef opdringen, was onverenigbaar met zijn positie als hoofd
van het rayonkantoor.

De Centrale Raad heeft het ontslag van gedaagde wegens ongeschiktheid,
anders dan de Ambtenarenrechter, gesauveerd.

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 10 mei 1985 heeft eiser gedaagde, hoofd van het
Rayonkantoor B. van de Gemeentelijke Sociale Dienst, ingaande 24 mei 1985
ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de verdere vervulling van zijn
betrekking anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken en daarbij bepaald
dat gedaagde ter zake van dit ontslag geen aanspraak heeft op wachtgeld
krachtens de Wachtgeldverordening dan wel uitkering krachtens de
Uitkeringsverordening.

Bij uitspraak van 19 december 1986, nr. AW 85/324, heeft het
Ambtenarengerecht te Haarlem het bestreden besluit nietig verklaard.

Eiser is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Mr. P.J. Koeslag, verbonden aan de CFO: CNV-bond voor Overheid,
Gezondheid, Welzijn en Sociale Werkvoorziening, heeft als gemachtigde van
gedaagde van contra-memorie gediend.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van 16 juni 1988. Eiser is
daar verschenen bij gemachtigde mevr. Mr. J.M. Caro, juridisch medewerker bij
de Centrale Afdeling Personeelszaken ter gemeentesecretarie, met als
medegemachtigde mevr. M.J. van Ligten, beleidsmedewerker bij de Gemeentelijke
Sociale Dienst, voorheen personeelsadviseur bij die dienst. Gedaagde is in
persoon verschenen met bijstand van Mr. Koeslag, voornoemd, als zijn
raadsman.

Als getuigen, van de zijde van eiser voorgebracht, zijn gehoord mevr.
J., bedrijfsmaatschappelijk werkster bij de Gemeentelijke Sociale Dienst, en
J., eerste medewerker binnendienst bij het Rayonkantoor Z. van de
Gemeentelijke Sociale Dienst.

Van oordeel zijnde dat het onderzoek niet volledig was geweest, heeft de
Raad bij bevel van 30 juni 1988 een voorbereidend onderzoek gelast. Ter
uitvoering van dit bevel heeft de voorzitter aan Mr. J.O. de Lange, destijds
lid van de Raad, opgedragen om als lid-commissaris een onderzoek in te stellen
naar de aard, de omvang en de inhoud van de jegens gedaagde ingebrachte
bezwaren met betrekking tot zijn gedragingen en handelingen welke werden
omschreven als “ongewenste intimiteiten”.

Genoemd lid-commissaris heeft gedaagde, alsmede – in tegenwoordigheid
van gedaagde en zijn raadsman – een dertiental getuigen gehoord. Een getuige,
mevr. K., heeft geen gevolg gegeven aan de herhaalde oproepingen om voor het
lid-commissaris te verschijnen, waarna deze ervan heeft afgezien deze getuige
te horen ten einde het uitbrengen van zijn eindverslag niet nog langer uit te
stellen. Het lid-commissaris heeft vervolgens op 25 mei 1990 rapport
uitgebracht onder bijvoeging van een uitvoerig proces-verbaal van de door hem
gehouden verhoren.

Eiser en gedaagde hebben, onder dagtekening 2 juli 1990, resp. 10
oktober 1990, schriftelijk gereageerd op de inhoud van het rapport van het
lid-commissaris.

De voorzitter heeft vervolgens bepaald dat de behandeling van de zaak
zou worden voortgezet ter terechtzitting van 24 januari 1991. Deze behandeling
is uitgesteld naar aanleiding van de mededeling van mevr. K., voornoemd, dat
zij om medische redenen verhinderd was gevolg te geven aan de oproeping als
getuige te verschijnen.

De behandeling van het geding is voortgezet ter terechtzitting van 28
februari 1991. Eiser, ambtshalve opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen,
heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door Mr. J.M. Dekker, juridisch
medewerker Centrale Afdeling Personeelszaken ter gemeentesecretarie. Gedaagde,
daartoe ambtshalve opgeroepen, is in persoon verschenen, bijgestaan door Mr.
Koeslag, voornoemd, als zijn raadsman. Mevr. K., voornoemd, ambtshalve
opgeroepen als getuige, is zonder voorafgaand bericht niet verschenen.

II. Motivering

Gedaagde is op 1 november 1983 in dienst getreden bij de gemeente
Amsterdam als hoofd van het rayonkantoor B. van de Gemeentelijke Sociale
Dienst (GSD). Ingaande 1 november 1984 is zijn tijdelijk dienstverband omgezet
in een vast dienstverband.

Eind november 1984 hebben enkele medewerksters een schriftelijke klacht
ingediend ten aanzien van gedragingen en handelingen van gedaagde, welke
werden omschreven als ‘ongewenste intimiteiten’.

De directeur van de GSD heeft gedaagde daarop de toegang tot zijn
werkplek ontzegd en een onderzoekscommissie ingesteld. Na ontvangst van het
advies van deze commissie heeft de directeur gedaagde van zijn werkzaamheden
ontheven. Vervolgens heeft eiser gedaagde geschorst met behoud van bezoldiging
en hem, bij het thans bestreden besluit, ontslag verleend wegens
ongeschiktheid anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken.
Â’
Het Ambtenarengerecht heeft het bestreden besluit nietig verklaard. Het
heeft daartoe overwogen dat de besluitvorming ter zake van het ontslag niet
met de vereiste zorgvuldigheid was omringd (met name als gevolg van de
gebrekkige werkwijze van de onderzoekscommissie), dat geenszins aannemelijk is
geworden dat alle gedaagde ten laste gelegde handelingen inderdaad door hem
zijn begaan, en dat datgene wat als vaststaand mag worden aangenomen volstrekt
onvoldoende grondslag biedt voor het aannemen van ongeschiktheid voor zijn
functie.

De Raad overweegt het volgende:

Ook de Raad is van oordeel dat de werkwijze van de door de directeur van
de GSD ingestelde commissie, mede uit onervarenheid met het uitvoeren van een
onderzoek naar aanleiding van een klacht over ongewenste intimiteiten,
gebreken heeft vertoond.

Deze gebreken zijn echter door het in hoger beroep gehouden
voorbereidend onderzoek geheeld.

Als gevolg van het niet verschijnen van getuige K. is niet komen vast te
staan of gedaagde haar in het keukentje van het rayonkantoor heeft betast op
de door haar gestelde wijze dan wel of er in het keukentje niets laakbaars is
voorgevallen, zoals gedaagde met klem heeft betoogd. De Raad zal het
keuken-incident bij zijn oordeelsvorming buiten beschouwing laten, nu de
overige, wel genoegzaam vaststaande, feiten voldoende grondslag bieden voor
een beslissing van het geding. Om die reden acht de Raad het ook niet
aangewezen de zaak wederom aan te houden om mevr. K. alsnog ter zitting te
doen verschijnen.

Uit het onderzoek van het lid-commissaris is een aantal gedragingen van
gedaagde naar voren gekomen, die elk afzonderlijk en los van gedaagdes positie
als hoofd van het rayonkantoor beschouwd niet van gewichtige betekenis zijn,
maar die tezamen het beeld oproepen en bevestigen van een chef die onvoldoende
distantie tot zijn (vrouwelijke) ondergeschikten weet te bewaren: al dan niet
toevallige aanrakingen in het voorbijgaan, over iemand heenleunen, een
quasi-joviale arm om een schouder, hardnekkige pogingen om een afspraak voor
een etentje te maken e.d.

Gedaagde heeft veel van deze gedragingen toegegeven, doch deze
tegelijkertijd gekwalificeerd als passend in de ongedwongen sfeer die er op
het rayonkantoor heerste.

De Raad is van oordeel dat gedaagde daarmede blijk geeft geen juist
besef te hebben van waar de grens ligt van wat een chef zich tegenover het
onder hem gestelde personeel kan permitteren.

De hardnekkigheid waarmee gedaagde zich aan bepaalde vrouwelijke
ondergeschikten bleef opdringen was onverenigbaar met zijn positie als hoofd
van het rayonkantoor.

De Raad kan de conclusie van eiser, dat gedaagde ongeschikt moest worden
geacht voor de verdere vervulling van zijn betrekking, dan ook niet als
onjuist aanmerken. Daarmee is de bevoegdheid van eiser om gedaagde ontslag te
verlenen in beginsel gegeven.

Het toepasselijke ambtenarenreglement schrijft niet voor dat het bevoegd
gezag, alvorens ontslag wegens ongeschiktheid anders dan uit hoofde van
ziekten of gebreken te verlenen, dient te trachten de betrokken ambtenaar in
een andere functie te herplaatsen, terwijl in het onderhavige geval evenmin
uit het ongeschreven recht een verplichting tot het ondernemen van
herplaatsingspogingen kan worden afgeleid.

De Raad onderschrijft voorts niet het standpunt van de eerste rechter
dat bij de aanzegging van het ontslag is gehandeld in strijd met het ARA. De
Raad volstaat in dit verband met een verwijzing naar zijn uitspraak van 12
januari 1989, TAR 1989, 53.

Aangezien ook overigens niet is gebleken van enige grond waarop het
ontslagbesluit zou kunnen worden aangetast, moet de aangevallen uitspraak
worden vernietigd en het tegen dat besluit ingestelde beroep alsnog ongegrond
worden verklaard.

Gedaagde heeft zich gedragen op een zodanige wijze dat naar het oordeel
van de Raad kan worden gesproken van eigen schuld of toedoen in de zin van
artikel 2, tweede lid onder a van de Wachtgeldverordening, resp. van
verwijtbaar handelen, waarvan hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat hij
daardoor niet in zijn betrekking kon worden gehandhaafd, als bedoeld in
artikel 2, tweede lid onder a van de Uitkeringsverordening. Gedaagdes beroep
tegen dat deel van het bestreden besluit, waarbij aan hem aanspraak op
wachtgeld ingevolge de Wachtgeldverordening, resp. uitkering ingevolge de
Uitkeringsverordening is ontzegd, moet derhalve eveneens alsnog ongegrond
worden verklaard.

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing:

Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende in naam der Koningin!

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het primaire beroep alsnog ongegrond.

Rechters

Mr J. Boesjes als voorzitter en mr J. Janssen en mr Ch. de Vrey alsleden.

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 3 september 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘offset- drukker’ gevraagd wordt
zonder de vermelding ‘m/v’ levert strijd op met de Wet. In de advertentie is
niet zowel de mannelijke als vrouwelijke functiebenaming gebruikt en er is
niet uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

In haar verweer stelt de wederpartij dat de betreffende functie onder
meer het werken inhoudt met 600 grams karton. Dit kan een functie-eis
rechtvaardigen dat betrokkenen over gepaste lichaamskracht moeten beschikken.
Zowel mannen als vrouwen zouden echter in beginsel aan deze functie-eis kunnen
voldoen. Het beroep op geslachtsbepaaldheid kan dan ook niet slagen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 7 februari 1992 verzocht Druk en Papier FNV te Amsterdam
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door
te Oud Gastel (hierna: wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding
van een betrekking in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd.

Verzoeker is van mening dat deze vacaturemelding in strijd is met de
WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee
voldoet verzoeker aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in behandeling
genomen en op grond van artikel 36 van het Procedurereglement besloten om in
deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen. De wederpartij is in de
gelegenheid gesteld tegen deze beslissing bezwaar aan te tekenen. De
wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het tijdschrift van 24 oktober 1991. In deze
advertentie vraagt de wederpartij om een ‘offset-drukker’. In de toelichtende
tekst bij de advertentie wordt halverwege nogmaals het woord ‘offset-drukker’
gebruikt. In de advertentie staat niet vermeld dat zowel mannen als vrouwen
voor de aangeboden functie in aanmerking komen.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen
en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij verwijst voor haar verweer naar een brief die zij
over deze zaak aan verzoeker heeft gestuurd. In deze brief deelt de
wederpartij mee dat het haar bedoeling was voor deze functie een man aan te
nemen. De reden hiervoor is, dat er in de functie met 600 grams karton gewerkt
moet worden, wat zwaar werk is.

Verder merkt de wederpartij op dat het niet bij haar past om dan ook
dames te laten solliciteren, al is het dan misschien tegen de Wet.

Tenslotte deelt de wederpartij mee dat zij niet tegen dames op de
werkvloer is; van de 16 medewerkers in het bedrijf zijn er zes vrouwelijk.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in de onderhavige advertentie om
‘offset-drukker’ te vragen, terwijl zij niet heeft vermeld dat zowel mannen
als vrouwen voor de functie in aanmerking komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit tekst en vormgeving van een
advertentie moet duidelijk blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering, bijvoorbeeld als de
werkgever een voorkeursbeleid voor vrouwen wil voeren of als de functie
geslachtsbepaald is, mag van dit verbod worden afgeweken. De reden van deze
afwijking moet in de advertentie worden vermeld.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat of
zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet worden,
of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

5.4. Op grond van artikel 5 lid 2 van de WGB mag bij de werving en
selectie onderscheid tussen mannen en vrouwen worden gemaakt in die gevallen
waarin vanwege de aard of de voorwaarden voor de uitoefening van de
beroepsactiviteit het geslacht bepalend is. Aan de onderhavige uitzondering is
nadere uitwerking gegeven in de Algemene Maatregel van Bestuur inzake
beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn (Stb. 1989, 207;
hierna: A.M.v.B.)

5.5. De wederpartij heeft in haar verweer impliciet een beroep gedaan op
de geslachtsbepaaldheid van de functie. Zij voert immers aan alleen mannelijke
kandidaten op grond van lichaamskracht geschikt te achten voor de functie.
Daarmee doet de wederpartij kennelijk een beroep op de A.m.v.B.. Artikel 1
daarvan bepaalt (voor zover hier van belang) dat, als beroepsactiviteiten
waarvoor in een voorkomend geval vanwege hun aard of de voorwaarden voor de
uitoefening ervan het geslacht bepalend kan zijn, slechts beschouwd mogen
worden die beroepsactiviteiten die om lichamelijke redenen uitsluitend door
personen van een bepaald geslacht kunnen worden vervuld.

Ter toelichting zij vermeld dat uitzonderingen op het gebod van gelijke
behandeling in het algemeen restrictief dienen te worden uitgelegd, teneinde
te voorkomen dat dat gebod al te zeer wordt uitgehold. Dat geldt ook voor de
onderhavige uitzonderingsgrond.

Slechts in zeer bijzondere gevallen kan een functie geslachtsbepaald
zijn, dat wil zeggen dat de functie alleen door een man of alleen door een
vrouw kan worden verricht.

De betreffende functie houdt onder meer werkzaamheden in als het werken
met 600 grams karton. Dit kan een functie-eis rechtvaardigen dat betrokkenen
over gepaste lichaamskracht moeten beschikken. Zowel mannen als vrouwen zouden
echter in beginsel aan deze functie-eis kunnen voldoen. Er zijn immers ook
vrouwen die de benodigde lichaamskracht bezitten om met zwaar karton te
werken, zoals er ook mannen zijn die die lichaamskracht niet hebben.

Het beroep op geslachtsbepaaldheid kan dan ook niet slagen.

Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op grond
van geslacht in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met
artikel 3 lid 3 en lid 1 WGB.

De Commissie merkt overigens nog op dat ingeval de functie werkelijk
geslachtsbepaald zou zijn geweest, de wederpartij ook in die omstandigheid in
strijd met de WGB zou hebben gehandeld. De WGB stelt namelijk in artikel 3 lid
2 dat de grond voor het onderscheid in de advertentietekst uitdrukkelijk moet
worden vermeld.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Oud Gastel bij de
aanbieding van de betrekking onderscheid heeft gemaakt in strijd met artikel 3
lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen heeft gehandeld.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 3 september 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘offset- drukker’ gevraagd wordt
zonder de vermelding ‘m/v’ levert strijd op met de Wet. In de advertentie is
niet zowel de mannelijke als vrouwelijke functiebenaming gebruikt en er is
niet uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

In haar verweer stelt de wederpartij dat de betreffende functie onder meer
het werken inhoudt met 600 grams karton. Dit kan een functie-eis
rechtvaardigen dat betrokkenen over gepaste lichaamskracht moeten beschikken.
Zowel mannen als vrouwen zouden echter in beginsel aan deze functie-eis
kunnen voldoen. Het beroep op geslachtsbepaaldheid kan dan ook niet slagen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 7 februari 1992 verzocht Druk en Papier FNV te Amsterdam (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door
te Oud Gastel (hierna: wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding
van een betrekking in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd.

Verzoeker is van mening dat deze vacaturemelding in strijd is met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met een
doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee voldoet
verzoeker aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen
en op grond van artikel 36 van het Procedurereglement besloten om in deze
zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen. De wederpartij is in de
gelegenheid gesteld tegen deze beslissing bezwaar aan te tekenen. De
wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt van
verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het tijdschrift van 24 oktober 1991. In deze
advertentie vraagt de wederpartij om een ‘offset-drukker’. In de toelichtende
tekst bij de advertentie wordt halverwege nogmaals het woord ‘offset-drukker’
gebruikt. In de advertentie staat niet vermeld dat zowel mannen als vrouwen
voor de aangeboden functie in aanmerking komen.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het aanbieden van
de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee
in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij verwijst voor haar verweer naar een brief die zij over
deze zaak aan verzoeker heeft gestuurd. In deze brief deelt de wederpartij
mee dat het haar bedoeling was voor deze functie een man aan te nemen. De
reden hiervoor is, dat er in de functie met 600 grams karton gewerkt moet
worden, wat zwaar werk is.

Verder merkt de wederpartij op dat het niet bij haar past om dan ook dames
te laten solliciteren, al is het dan misschien tegen de Wet.

Tenslotte deelt de wederpartij mee dat zij niet tegen dames op de werkvloer
is; van de 16 medewerkers in het bedrijf zijn er zes vrouwelijk.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in de onderhavige advertentie om
‘offset-drukker’ te vragen, terwijl zij niet heeft vermeld dat zowel mannen
als vrouwen voor de functie in aanmerking komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit tekst en vormgeving van
een advertentie moet duidelijk blijken dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering, bijvoorbeeld als de
werkgever een voorkeursbeleid voor vrouwen wil voeren of als de functie
geslachtsbepaald is, mag van dit verbod worden afgeweken. De reden van deze
afwijking moet in de advertentie worden vermeld.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te maken
naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt. Artikel
3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een advertentie
duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder toegespitst
op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat of zowel de
mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet worden, of
uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

5.4. Op grond van artikel 5 lid 2 van de WGB mag bij de werving en selectie
onderscheid tussen mannen en vrouwen worden gemaakt in die gevallen waarin
vanwege de aard of de voorwaarden voor de uitoefening van de
beroepsactiviteit het geslacht bepalend is. Aan de onderhavige uitzondering
is nadere uitwerking gegeven in de Algemene Maatregel van Bestuur inzake
beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn (Stb. 1989, 207;
hierna: A.M.v.B.)

5.5. De wederpartij heeft in haar verweer impliciet een beroep gedaan op de
geslachtsbepaaldheid van de functie. Zij voert immers aan alleen mannelijke
kandidaten op grond van lichaamskracht geschikt te achten voor de functie.
Daarmee doet de wederpartij kennelijk een beroep op de A.m.v.B..
Artikel 1 daarvan bepaalt (voor zover hier van belang) dat, als
beroepsactiviteiten waarvoor in een voorkomend geval vanwege hun aard of de
voorwaarden voor de uitoefening ervan het geslacht bepalend kan zijn,
slechts beschouwd mogen worden die beroepsactiviteiten die om lichamelijke
redenen uitsluitend door personen van een bepaald geslacht kunnen worden
vervuld.

Ter toelichting zij vermeld dat uitzonderingen op het gebod van gelijke
behandeling in het algemeen restrictief dienen te worden uitgelegd, teneinde
te voorkomen dat dat gebod al te zeer wordt uitgehold. Dat geldt ook voor
de onderhavige uitzonderingsgrond.

Slechts in zeer bijzondere gevallen kan een functie geslachtsbepaald zijn,
dat wil zeggen dat de functie alleen door een man of alleen door een vrouw
kan worden verricht.

De betreffende functie houdt onder meer werkzaamheden in als het werken met
600 grams karton. Dit kan een functie-eis rechtvaardigen dat betrokkenen
over gepaste lichaamskracht moeten beschikken. Zowel mannen als vrouwen
zouden echter in beginsel aan deze functie-eis kunnen voldoen. Er zijn
immers ook vrouwen die de benodigde lichaamskracht bezitten om met zwaar
karton te werken, zoals er ook mannen zijn die die lichaamskracht niet
hebben.

Het beroep op geslachtsbepaaldheid kan dan ook niet slagen.

Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op grond
van geslacht in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met
artikel 3 lid 3 en lid 1 WGB.

De Commissie merkt overigens nog op dat ingeval de functie werkelijk
geslachtsbepaald zou zijn geweest, de wederpartij ook in die omstandigheid
in strijd met de WGB zou hebben gehandeld. De WGB stelt namelijk in artikel
3 lid 2 dat de grond voor het onderscheid in de advertentietekst
uitdrukkelijk moet worden vermeld.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Oud Gastel
bij de aanbieding van de betrekking onderscheid heeft gemaakt in strijd met
artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen heeft gehandeld.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 3 september 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘scanner- operator’ en een
‘micro-macro monteur’ wordt gevraagd zonder vermelding ‘m/v’ levert strijd op
met de Wet. In de advertentie is niet zowel de mannelijke als de vrouwelijke
functiebenaming gebruikt en er is niet uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen
als vrouwen in aanmerking komen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 7 februari 1992 verzocht Druk en Papier FNV te Amsterdam
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door
(hierna: wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding van
betrekkingen in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. Verzoeker is van mening dat deze vacaturemelding in strijd is
met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee
voldoet verzoeker aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in behandeling
genomen en op grond van artikel 36 van het Procedurereglement besloten om in
deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen. De wederpartij is in de
gelegenheid gesteld tegen deze beslissing bezwaar aan te tekenen. De
wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in de krant van 5 oktober 1991. In de advertentie
vraagt de wederpartij om een ‘Scanner-operator’, een ‘Micro-macro monteur’ en
een ‘Leerling micro-macro monteur’. In de toelichtende tekst van de
advertentie staat niet vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen voor de functie.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen
en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij stelt dat het geenszins haar bedoeling is geweest in
de betreffende advertentie onderscheid naar geslacht te maken. Zij stelt
voorts dat het feit dat de advertentie niet conform de Wet gelijke behandeling
is opgesteld, te wijten is aan de onervarenheid van de jonge directie van het
bedrijf, waardoor de wettelijke bepalingen bij de directie nog onbekend waren.
De wederpartij merkt op erdoor geschokt te zijn, dat het vermoeden is ontstaan
dat zij onderscheid naar geslacht heeft gemaakt. Tenslotte deelt de
wederpartij mee dat er bij de sollicitatie-procedure zowel mannelijke als
vrouwelijke kandidaten betrokken waren.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekkingen onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in de onderhavige advertentie om een
‘scanner-operator’, een ‘micro-macro monteur’ en een ‘leerling micro-macro
monteur’ te vragen, terwijl zij niet heeft vermeld dat zowel mannen als
vrouwen voor de functie in aanmerking komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. De Wet noemt in artikel 5, twee
toegelaten uitzonderingen op dit verbod. Onderscheid is toegestaan als een
voorkeursbehandeling van vrouwen van toepassing is of als de betreffende
functie geslachtsbepaald is. De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een
van de wettelijke uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen
dat deze zich hier voordoen.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat of
zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet worden,
of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

5.4. In de onderhavige advertentie wordt slechts voor iedere functie een
functiebenaming vermeld, namelijk ‘scanner- operator’, ‘micro-macro monteur’
en ‘leerling micro-macro monteur’. In dat geval stelt de Wet de eis dat
uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen voor de
betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke vermelding ontbreekt
echter in de advertentie.

De Commissie waardeert het, dat de wederpartij in haar reactie laat
blijken dat zij niet de intentie heeft gehad om onderscheid te maken. Dit doet
echter niet af aan het feit dat de advertentie niet voldoet aan de wettelijke
vereiste terzake. Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft
gemaakt op grond van geslacht in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens
in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 WGB.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Roermond te Rotterdam
bij de aanbieding van een betrekking onderscheid heeft gemaakt in strijd met
artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Aldus vastgesteld op 3 september 1992.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 3 september 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘calculator/ordervoorbereider’ wordt
gevraagd zonder vermelding van ‘m/v’ levert strijd op met de Wet. In de
advertentie is niet zowel de mannelijke als vrouwelijke functiebenaming
gebruikt en is niet uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 21 januari 1991 verzocht Druk en Papier FNV (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door te Lelystad
(hierna: wederpartij) bij het aanbieden van een betrekking onderscheid is
gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB;
Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een
‘calculator/ordervoorbereider’.

Verzoeker is van mening dat deze advertentie in strijd is met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
î

doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2e WGB. Hiermee voldoet
verzoeker aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie (hierna: de voorzitter) heeft het
verzoek in behandeling genomen en op grond van artikel 36 van het
Procedurereglement besloten om in deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe
te passen. De wederpartij is in de gelegenheid gesteld tegen die beslissing
bezwaar aan te tekenen. De wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik
gemaakt. De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het
standpunt van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het tijdschrift van 24 oktober 1991. In de advertentie
vraagt de wederpartij om een ‘calculator/ordervoorbereider’. In de advertentie
is niet uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen
voor de aangeboden functie.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en
vrouwen en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij stelde in de onderhavige advertentie geen
onderscheid te hebben gemaakt tussen mannen en vrouwen. Zoals bij zoveel
functies impliceert de mannelijke omschrijving calculator/ordervoorbereider
ook een vrouwelijke calculator/ordervoorbereider. Voorts geeft zij aan met
opzet niet gepraat te hebben over ‘hij’, maar de u-vorm te hebben gebruikt. De
wederpartij is van mening dat men uit de tekst niet de conclusie kan trekken
dat zij alleen mannen voor de functie wilde hebben. Vervolgens deelt de
wederpartij mee dat diverse vrouwelijke kandidaten op de advertentie hebben
gereageerd.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in onderhavige advertentie om een
‘calculator/ordervoorbereider’ te vragen, terwijl zij niet uitdrukkelijk
vermeld heeft dat zowel mannen als vrouwen konden solliciteren.

5.2. Artikel 3 lid 1 van de WGB verbiedt het maken van onderscheid naar
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit tekst en vormgeving van
een advertentie moet duidelijk blijken dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen. Alleen in geval van een wettelijke uitzondering mag van dit
verbod worden afgeweken.

Ingevolge artikel 5 lid 1 WGB mag van het bepaalde in artikel 3 lid 1
worden afgeweken indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een
bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te
heffen.

Ook mag op grond van artikel 5 lid 2 WGB voor zover het betreft de
toegang tot de beroepsactiviteiten of de hiervoor noodzakelijke opleidingen
van artikel 3 lid 1 WGB worden afgeweken in die gevallen, waarin het geslacht
bepalend is voor de functie.

De reden van de afwijking van het verbod van artikel 3 lid 1 WGB moet in
de advertentie worden vermeld.

De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat ofwel
de mannelijke en vrouwelijke functiebenaming wordt vermeld ofwel in andere
gevallen uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

5.4. In de onderhavige advertentie wordt slechts een functiebenaming
vermeld, namelijk ‘calculator/ ordervoorbereider’. In dat geval stelt de Wet
de eis dat uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen voor de
betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke vermelding ontbreekt
echter in de advertentie.

De Commissie is van oordeel dat daardoor bij kennisneming van de
vacature niet aanstonds duidelijk is dat de functie uitdrukkelijk zowel aan
mannen als vrouwen wordt aangeboden.

De wederpartij stelt dat uit de advertentie niet blijkt dat ze perse een
man willen. De Wet ziet echter met name ook toe op de tekst van de aanbieding
van de functie zelf. In de praktijk staan traditioneel door mannen vervulde
functies en beroepen niet of onvoldoende open voor vrouwen en andersom. Om die
reden heeft de wetgever besloten om in alle gevallen van werving voor te
schrijven dat de werving zich

uitdrukkelijk tot beide geslachten moet richten. Op die manier wordt
duidelijk dat vrouwen welkom zijn in ook de traditionele ‘mannenfuncties’ en
‘mannenberoepen’ en mannen welkom zijn in ook de traditionele
‘vrouwenfuncties’ en ‘vrouwenberoepen’.

Daarmee staat vast dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met
artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 1.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Lelystad bij de
aanbieding van de betrekking onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd
met artikel 3 lid 1 en lid 4 van de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

Aldus vastgesteld op 3 september 1992 door de Commissie.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 3 september 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘scanner- operator’ en een
‘micro-macro monteur’ wordt gevraagd zonder vermelding ‘m/v’ levert strijd
op met de Wet. In de advertentie is niet zowel de mannelijke als de
vrouwelijke functiebenaming gebruikt en er is niet uitdrukkelijk vermeld dat
zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 7 februari 1992 verzocht Druk en Papier FNV te Amsterdam (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door
(hierna: wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding van
betrekkingen in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. Verzoeker is van mening dat deze vacaturemelding in strijd is
met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met een
doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee voldoet
verzoeker aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen
en op grond van artikel 36 van het Procedurereglement besloten om in deze
zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen. De wederpartij is in de
gelegenheid gesteld tegen deze beslissing bezwaar aan te tekenen. De
wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt van
verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in de krant van 5 oktober 1991. In de advertentie
vraagt de wederpartij om een ‘Scanner-operator’, een ‘Micro-macro monteur’
en een ‘Leerling micro-macro monteur’. In de toelichtende tekst van de
advertentie staat niet vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen voor de functie.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het aanbieden van
de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee
in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij stelt dat het geenszins haar bedoeling is geweest in de
betreffende advertentie onderscheid naar geslacht te maken. Zij stelt voorts
dat het feit dat de advertentie niet conform de Wet gelijke behandeling is
opgesteld, te wijten is aan de onervarenheid van de jonge directie van het
bedrijf, waardoor de wettelijke bepalingen bij de directie nog onbekend
waren. De wederpartij merkt op erdoor geschokt te zijn, dat het vermoeden is
ontstaan dat zij onderscheid naar geslacht heeft gemaakt. Tenslotte deelt de
wederpartij mee dat er bij de sollicitatie-procedure zowel mannelijke als
vrouwelijke kandidaten betrokken waren.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekkingen onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee
in strijd heeft gehandeld met de WGB, door in de onderhavige advertentie om
een ‘scanner-operator’, een ‘micro-macro monteur’ en een ‘leerling
micro-macro monteur’ te vragen, terwijl zij niet heeft vermeld dat zowel
mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. De Wet noemt in artikel 5,
twee toegelaten uitzonderingen op dit verbod. Onderscheid is toegestaan als
een voorkeursbehandeling van vrouwen van toepassing is of als de betreffende
functie geslachtsbepaald is. De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een
van de wettelijke uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over
aanwijzingen dat deze zich hier voordoen.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te maken
naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt. Artikel
3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een advertentie
duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder toegespitst
op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat of zowel de
mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet worden, of
uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

5.4. In de onderhavige advertentie wordt slechts voor iedere functie een
functiebenaming vermeld, namelijk ‘scanner- operator’, ‘micro-macro monteur’
en ‘leerling micro-macro monteur’. In dat geval stelt de Wet de eis dat
uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen voor de
betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke vermelding ontbreekt
echter in de advertentie.

De Commissie waardeert het, dat de wederpartij in haar reactie laat blijken
dat zij niet de intentie heeft gehad om onderscheid te maken. Dit doet echter
niet af aan het feit dat de advertentie niet voldoet aan de wettelijke
vereiste terzake. Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft
gemaakt op grond van geslacht in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens
in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 WGB.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Roermond te
Rotterdam bij de aanbieding van een betrekking onderscheid heeft gemaakt in
strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 3
en lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Aldus vastgesteld op 3 september 1992.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 3 september 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘calculator/ordervoorbereider’ wordt
gevraagd zonder vermelding van ‘m/v’ levert strijd op met de Wet. In de
advertentie is niet zowel de mannelijke als vrouwelijke functiebenaming
gebruikt en is niet uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 21 januari 1991 verzocht Druk en Papier FNV (hierna: verzoeker) de
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door te Lelystad
(hierna: wederpartij) bij het aanbieden van een betrekking onderscheid is
gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB;
Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een
‘calculator/ordervoorbereider’.

Verzoeker is van mening dat deze advertentie in strijd is met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met een
doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2e WGB. Hiermee voldoet
verzoeker aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie (hierna: de voorzitter) heeft het verzoek
in behandeling genomen en op grond van artikel 36 van het Procedurereglement
besloten om in deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen. De
wederpartij is in de gelegenheid gesteld tegen die beslissing bezwaar aan te
tekenen. De wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt. De
wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt van
verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het tijdschrift van 24 oktober 1991. In de
advertentie vraagt de wederpartij om een ‘calculator/ordervoorbereider’. In
de advertentie is niet uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als vrouwen
in aanmerking komen voor de aangeboden functie.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het aanbieden
van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en
daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij stelde in de onderhavige advertentie geen onderscheid
te hebben gemaakt tussen mannen en vrouwen. Zoals bij zoveel functies
impliceert de mannelijke omschrijving calculator/ordervoorbereider ook een
vrouwelijke calculator/ordervoorbereider. Voorts geeft zij aan met opzet
niet gepraat te hebben over ‘hij’, maar de u-vorm te hebben gebruikt. De
wederpartij is van mening dat men uit de tekst niet de conclusie kan trekken
dat zij alleen mannen voor de functie wilde hebben. Vervolgens deelt de
wederpartij mee dat diverse vrouwelijke kandidaten op de advertentie hebben
gereageerd.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in onderhavige advertentie om een
‘calculator/ordervoorbereider’ te vragen, terwijl zij niet uitdrukkelijk
vermeld heeft dat zowel mannen als vrouwen konden solliciteren.

5.2. Artikel 3 lid 1 van de WGB verbiedt het maken van onderscheid naar
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit tekst en vormgeving van
een advertentie moet duidelijk blijken dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen. Alleen in geval van een wettelijke uitzondering mag van
dit verbod worden afgeweken.

Ingevolge artikel 5 lid 1 WGB mag van het bepaalde in artikel 3 lid 1 worden
afgeweken indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte
positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen.

Ook mag op grond van artikel 5 lid 2 WGB voor zover het betreft de toegang
tot de beroepsactiviteiten of de hiervoor noodzakelijke opleidingen van
artikel 3 lid 1 WGB worden afgeweken in die gevallen, waarin het geslacht
bepalend is voor de functie.

De reden van de afwijking van het verbod van artikel 3 lid 1 WGB moet in de
advertentie worden vermeld.

De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder toegespitst
op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat ofwel de
mannelijke en vrouwelijke functiebenaming wordt vermeld ofwel in
andere gevallen uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als
vrouwen in aanmerking komen.

5.4. In de onderhavige advertentie wordt slechts een functiebenaming
vermeld, namelijk ‘calculator/ ordervoorbereider’. In dat geval stelt de Wet
de eis dat uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen voor
de betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke vermelding
ontbreekt echter in de advertentie.

De Commissie is van oordeel dat daardoor bij kennisneming van de vacature
niet aanstonds duidelijk is dat de functie uitdrukkelijk zowel aan mannen
als vrouwen wordt aangeboden.

De wederpartij stelt dat uit de advertentie niet blijkt dat ze perse een man
willen. De Wet ziet echter met name ook toe op de tekst van de aanbieding
van de functie zelf. In de praktijk staan traditioneel door mannen vervulde
functies en beroepen niet of onvoldoende open voor vrouwen en andersom. Om
die reden heeft de wetgever besloten om in alle gevallen van werving voor
te schrijven dat de werving zich

uitdrukkelijk tot beide geslachten moet richten. Op die manier wordt
duidelijk dat vrouwen welkom zijn in ook de traditionele ‘mannenfuncties’
en ‘mannenberoepen’ en mannen welkom zijn in ook de traditionele
‘vrouwenfuncties’ en ‘vrouwenberoepen’.

Daarmee staat vast dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met artikel
3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 1.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Lelystad
bij de aanbieding van de betrekking onderscheid naar geslacht heeft gemaakt
in strijd met artikel 3 lid 1 en lid 4 van de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

Aldus vastgesteld op 3 september 1992 door de Commissie.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 2 september 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie van
hoogleraar. De wederpartij voert een voorkeursbeleid voor vrouwen. Dit beleid
houdt onder andere in dat in eerste instantie alleen onder vrouwen
geselecteerd werd. Geen van de vrouwelijke kandidaten, waaronder verzoekster,
is uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. Verzoekster werd niet
professorabel geacht. Een mannelijke kandidaat is benoemd. De Commissie stelt
voorop dat selectieprocedures inzichtelijk, controleerbaar en systematisch
dienen te zijn. De onderhavige selectieprocedure voldeed niet aan dit
vereiste. Daardoor nam de wederpartij het risico op zich dat de mannelijke
kandidaten niet aan de hand van dezelfde criteria beoordeld werden als de
vrouwen. Strijd met de Wet.

Volledige tekst


Deze aandachtspunten zijn geen criteria waaraan afgemeten kan worden of
een kandidaat al dan niet professorabel is. Zo is bijvoorbeeld wel vermeld dat
aandacht besteed moet worden aan het wetenschappelijk niveau van een
kandidaat, maar is niet aangegeven hoe dat wetenschappelijk niveau gemeten
moet worden. De wederpartij heeft in dit verband verklaard dat er over de
vraag of een kandidaat al dan niet professorabel is, binnen de BAC geen
discussie bestond. Deze verklaring voldoet echter niet aan het vereiste van
inzichtelijkheid, controleerbaarheid en systematiek, omdat de inhoud van de
norm ‘professorabiliteit’ op deze wijze voor anderen niet kenbaar is.

De wederpartij heeft de Commissie derhalve niet duidelijk gemaakt op
grond waarvan de BAC kandidaten al dan niet professorabel achtte. Het gevolg
hiervan is, dat in het onzekere is gebleven of het begrip ‘professorabel’ van
inhoud veranderd is toen de mannelijke kandidaten beoordeeld werden. De vraag
blijft derhalve of aan de mannen andere, minder zware eisen werden gesteld
alvorens zij voor een gesprek uitgenodigd werden. Dit is des te opvallender
indien men het voorkeursbeleid van de wederpartij bekijkt. Haar
voorkeursbeleid houdt in principe immers in dat vrouwen volgens de richtlijn
bij voldoende geschiktheid benoembaar zijn.

Die term “voldoende geschiktheid” was eveneens niet erg helder. Gebleken
is immers dat niet aan alle eisen voldaan behoefde te worden, maar dat het
minder voldoen op het ene punt gecompenseerd kon worden op een ander punt.

In de tweede selectieronde zijn uitsluitend mannen betrokken, afgezien
van een korte vruchteloze onderbreking waarin nog enkele (andere) vrouwelijke
kandidaten zijn aangezocht. Die tweede ronde was in beginsel een louter
mannelijke, omdat de vrouwelijke kandidaten die gesolliciteerd hadden al
eerder waren afgewezen. Deze tweede ronde was in feite tevens de beslissende:
er moest zo mogelijk tot een voordracht gekomen worden.

Door het enkele onderscheid in een eerste -vrouwelijke- ronde en daarna
een mannelijke, is het moeilijk exact dezelfde maatstaven aan te leggen,
vooral als die al niet a priori helder zijn. Het, ook intern bij de
wederpartij (zie hiervoor paragraaf 3.9.) gesignaleerde, risico bestaat toch
dat op onderdelen met criteria geschoven en gecompenseerd wordt.

Voorkeursbehandeling, zoals in casu toegepast door de wederpartij, houdt
op voorkeursbehandeling te zijn en verkeert in een ongelijke behandeling, als
een vrouw door de gehanteerde procedure van voorkeursbehandeling in een
ongunstiger positie terecht kan komen.

4.6. De Commissie is op grond van bovenstaande van oordeel, dat de
wederpartij, vanwege het risico dat de mannelijke kandidaten niet aan de hand
van dezelfde criteria geselecteerd zouden worden als de vrouwen, er voor had
moeten zorgdragen dat de mannelijke kandidaten niet alleen onderling
vergeleken zouden worden, zoals thans gebeurd is. Zij had dit kunnen voorkomen
door in een tweede selectieronde -dus na de selectieronde onder de vrouwen-,
zowel de vrouwen als de mannen tegelijkertijd te beoordelen.

Nu de wederpartij een dergelijke selectieronde niet heeft ingelast, maar
de mannelijke kandidaten met uitsluiting van de vrouwelijke kandidaten
geselecteerd heeft, heeft zij in strijd met artikel 3 lid 1 WGB onderscheid
naar geslacht gemaakt.

Overigens wijst de Commissie er op, dat een voorkeursbehandeling voor
vrouwen uiteraard ook in een tweede selectieronde, waarbij kandidaten van
beide geslachten beoordeeld worden, toegepast kan worden.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het College van Bestuur
van de Universiteit van Amsterdam jegens mevrouw te Gottingen in Duitsland
onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel 3 lid 1
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de behandeling bij de
vervulling van de hoogleraarsvacature aan desbetreffende universiteit.

Aldus vastgesteld op 2 september 1992 naar aanleiding van de behandeling
in raadkamer d.d. 8 juli 1992.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), dhr mr A.W. Heringa (lidKamer), dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer), mw mr A.C. Possel (lidKamer), dhr mr J.A.M.I. Hoens (plaatsvervangend lid Kamer), mw mr M.M. Hubner(adjunct- secretaris).