Instantie: Commissie gelijke behandeling, 2 september 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij (een uitzendbureau) heeft een personeelsadvertentie
geplaatst om uitzendkrachten te werven ten behoeve van een inlener. De inlener
heeft aan de wederpartij meegedeeld dat zij per se een man wilde hebben voor
de openstaande betrekking. De wederpartij heeft deze voorkeur kenbaar gemaakt
aan verzoekster, die zich in de functie geinteresseerd toonde.

De wederpartij heeft niet nadrukkelijk aangegeven dat zij zich van deze
voorkeur in haar bemiddeling niets aantrok. Ook heeft zij geen deugdelijk
bewijs geleverd voor haar stelling dat zij verzoekster bij de inlener heeft
voorgedragen. Strijd met de WGB. Advertentie niet in strijd met WGB. Geen
oordeel over aangaan dienstverband, nu sollicitatieprocedure nog niet in de
aanstellingsfase was overgegaan.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 21 november 1991 verzocht mevrouw te Maastricht
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of te Maastricht
(hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid naar geslacht heeft gemaakt
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. De wederpartij heeft ten behoeve van een drukkerij (hierna: de
inlener) een personeelsadvertentie geplaatst om uitzendkrachten te werven voor
de functie van commercieel medewerker. Verzoekster heeft naar aanleiding van
deze advertentie gesolliciteerd bij de wederpartij, maar is volgens
verzoekster wegens een voorkeur voor een man niet bij de inlener
voorgedragen.

Verzoekster is van mening dat de wederpartij, door rekening te houden
met de voorkeur van de inlener voor een man, in strijd heeft gehandeld met
artikel 7A:1637ij lid 1 BW en artikel 3 lid 1 WGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Aanvankelijk besloot de voorzitter van de Commissie om op
grond van artikel 36 van het Procedurereglement de vereenvoudigde procedure
toe te passen. Op grond van informatie die de wederpartij hierna verstrekte,
besloot zij echter alsnog de normale procedure te volgen. Partijen hebben
ieder meerdere malen de gelegenheid gehad om hun standpunten schriftelijk toe
te lichten, respectievelijk op elkaars standpunten te reageren. De Commissie
heeft verder ook de inlener om informatie verzocht.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen te verschijnen
tijdens een zitting op 8 juli 1992. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw (verzoekster)

– dhr (gemachtigde)

– dhr (huisgenoot van verzoekster, getuige)

van de kant van wederpartij

– dhr (afgevaardigde van het hoofdkantoor )

– dhr Theunissen (medewerker van de vestiging van )

– dhr J.J.W. van Mens (advocaat)

van de kant van de Commissie

– mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)

– dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer)

– dhr mr J.A.M.I. Hoens (plv.lid Kamer)

– dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer)

– mw mr A.C. Possel (lid Kamer)

– mw mr A.K. de Jongh (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1 De wederpartij heeft ten behoeve van een aantal inleners op 5
oktober 1991 een personeelsadvertentie geplaatst in een regionaal dagblad. In
de desbetreffende advertentie waren 8 vacatures vermeld, waaronder die van
commercieel medewerker bij de inlener.

Bovenaan de advertentie staat een afbeelding van een man en een vrouw en
is tevens een tekst opgenomen die op alle daaronder genoemde vacatures
betrekking heeft.

In de eerste zin van deze tekst staat onder andere dat de wederpartij
“vacatures m/v vervult op middelbaar en hoger niveau”. Het lettertype dat
hiervoor is gebruikt is iets groter dan dat van de functieomschrijvingen, maar
een stuk kleiner dan dat van de functiebenamingen eronder.

Per afzonderlijke vacature is steeds de mannelijke of neutrale
functiebenaming gebruikt.

3.2. De inlener, in wiens bedrijf bovengenoemde vacture voor commercieel
medewerker ontstond, heeft bevestigd dat hij bij de aanbieding van de vacature
aan de wederpartij heeft aangegeven per se een man te willen hebben. Reden was
dat een man beter zou passen in het team en, volgens informatie van de
wederpartij, beter zou aansluiten op de aard van het klantenbestand. Bovendien
vond de inlener dat een vrouw, gezien de zwaarte van de functie en de lange
dagen die gemaakt moesten worden, dit werk niet aan zou kunnen.

Deze voorkeur voor een man is niet in bovengenoemde advertentie
opgenomen.

De inlener kan zich niet herinneren of de wederpartij verzoekster bij
hem heeft voorgedragen.

3.3. Naar aanleiding van de advertentie heeft verzoekster zich op 7
oktober 1991 bij de wederpartij aangemeld voor bovengenoemde functie. Zij
heeft een gesprek gehad met een medewerker van de wederpartij. In dat gesprek
bleek dat twee commercieel medewerkers gezocht werden ten behoeve van de
betreffende inlener. De wederpartij deelde aan verzoekster mee dat de inlener
alleen mannen wilde hebben voor de betreffende vacature. Verzoekster zei
hierop dat zo’n voorkeur verboden is en wees tevens op de advertentie,

waarin stond dat de vacature voor zowel vrouwen als mannen openstond.
Verder gaf zij aan dat zij voor de functie in aanmerking wilde komen indien de
wederpartij geen geschikte mannen kon vinden.

Een week later heeft verzoekster telefonisch contact opgenomen met de
wederpartij om te informeren of in de vacature reeds was voorzien. De
wederpartij deelde aan verzoekster mee dat de inlener drie mannelijke
kandidaten, afkomstig uit de bestanden van de wederpartij, had uitgenodigd
voor een gesprek.

Op 22 oktober 1991 heeft verzoekster in gezelschap van een huisgenoot
het bureau van de wederpartij wederom bezocht en de medewerker van de
wederpartij opnieuw gesproken over de betreffende vacature. Verzoekster had
haar huisgenoot op aanraden van een Bureau voor Rechtshulp als getuige
meegenomen. Het doel van hun bezoek was om de medewerker van de wederpartij
hetgeen hij in de eerdere gesprekken met verzoekster had gezegd te laten
herhalen.

Partijen zijn het eens dat de medewerker van de wederpartij tijdens dit
gesprek ongeveer heeft gezegd dat de wederpartij een commerciele instelling
is, die niet zou bemiddelen voor een bedrijf dat vraagt alleen onder blanken
te selecteren, maar die wel bemiddelt voor een bedrijf dat een voorkeur voor
mannen uitspreekt. Over de inhoud van de rest van het gesprek verschillen
partijen van mening (zie onder “de standpunten van partijen”).

3.4. De wederpartij heeft een intern memo overgelegd d.d.

24 oktober 1991 over het onderwerp discriminatie. Daarin staat onder
andere dat inleners slechts functie-eisen mogen stellen die voor de normale
uitoefening van de functie relevant zijn. Huidskleur, sekse, geaardheid,
etnische afkomst et cetera. mogen dan ook niet geaccepteerd worden als
selectie-eis. Inleners die hier wel op zinspelen dienen tot andere gedachten
gebracht te worden en, indien dit niet lukt, geweerd te worden.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster stelt het volgende.

Niet alleen op 22 oktober 1991, wat de wederpartij erkent, maar ook in
het gesprek van 7 oktober 1991 heeft de mdedewerker van de wederpartij de
opmerking gemaakt over het niet werven voor bedrijven die slechts blanken in
dienst willen, maar wel voor bedrijven met een voorkeur voor mannen.

Ook heeft hij in beide gesprekken meegedeeld dat hij niet voor haar kon
bemiddelen omdat slechts mannen geschikt zouden zijn voor de functie.

Wat betreft de stelling van de wederpartij dat zij verzoekster heeft
aangekaart bij de inlener stelt verzoekster dat de medewerker van de
wederpartij in geen van de gevoerde gesprekken tegen haar heeft gezegd dat hij
haar zou doorverwijzen en dat ook nergens uit blijkt dat dit wel is gebeurd.

3.6. Verzoekster is op grond van bovenstaande van mening dat de
wederpartij jegens haar in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt.

Lid 1 van artikel 7A:1637ij BW vermeldt onder andere dat de werkgever
geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen bij het aangaan van een
arbeidsovereenkomst.

Dit betekent volgens verzoekster dat ook bij het niet aangaan van een
arbeidsovereenkomst geen onderscheid mag worden gemaakt. Hierbij verwijst zij
naar het Hof van Justitie van de EG, dat in de zaak Dekker/Stichting
Vormingscentrum VJV uitmaakte dat een werkgever direct in strijd met het
beginsel van gelijke behandeling handelt, wanneer hij weigert met een door hem
geschikt bevonden sollicitante een arbeidsovereen- komst aan te gaan (HvJ EG,
8 november 1990; Nemesis 1991, nr. 594.).

Verder merkt verzoekster op dat het interne memo met betrekking tot het
onderwerp discriminatie van de wederpartij na het onderhavige voorval is
opgesteld en overigens het gemaakte onderscheid op geen enkele wijze kan
rechtvaardigen.

3.7. Voorts is verzoekster van mening dat in de advertentie niet
duidelijk is aangegeven dat zowel mannen als vrouwen kunnen reageren, nu alle
functies alleen in de mannelijke vorm zijn benoemd en slechts eenmaal wordt
Ü

meld dat de wederpartij “vacatures m/v” vervult.

Verzoekster heeft ter zitting aan de Commissie verzocht om het oordeel
in deze zaak, onder toepassing van haar sanctiebevoegdheid ex artikel 14 lid 6
WGB, openbaar te maken.

3.8. De wederpartij betwist dat zij alleen of bij voorkeur naar
mannelijke kandidaten heeft gezocht voor de inlener. Zij stelt het volgende.

Op het moment dat de inlener de bewuste vacature aanbood en hierbij
aangaf alleen maar mannelijke kandidaten te willen hebben, heeft de
wederpartij tegen de inlener gezegd dat zij ook vrouwelijke kandidaten had die
aan de functie-eisen voldeden. Voorts heeft zij te kennen gegeven dat zij op
zoek zou gaan naar de best passende kandidaten, daar het haar inziens niet
juist was louter en alleen mannelijke kandidaten te werven en te selecteren.
De wederpartij heeft de inlener meegedeeld dat zij in haar werving en selectie
geen onderscheid maakt tussen mannelijke en vrouwelijke kandidaten. De
wederpartij is vervolgens te werk gegaan zonder rekening te houden met de eis
van de inlener.

De betreffende inlener had overigens al vaker vacatures bij haar
aangemeld. Daarbij sprak de inlener weleens een voorkeur voor een bepaald
geslacht uit.

Bij vacatures voor secretarieel werk vroeg de inlener bijvoorbeeld om
vrouwen.

De wederpartij stelt dat zij bij een discriminatoir verzoek van een
inlener steeds zegt dat het om de kwaliteiten van een kandidaat gaat en niet
om het geslacht.

3.9. De wederpartij heeft zijn bestand doorgelopen en hier drie
kandidaten uitgehaald, die zij vervolgens bij de inlener heeft “aangekaart”.
Het waren allen mannelijke kandidaten. Geschikte vrouwelijke kandidaten waren
naar haar mening niet voorhanden op dat moment. Omdat de wederpartij niet
geheel overtuigd was van de kwaliteit van de geselecteerde kandidaten heeft
zij de eerdergenoemde personeelsadvertentie geplaatst.

Dat zij niet uitsluitend op zoek is gegaan naar mannelijke kandidaten
blijkt volgens de wederpartij uit de advertentie waarin zij duidelijk aangeeft
dat zowel mannen als vrouwen kunnen reageren.

Op een later tijdstip heeft de wederpartij ook verzoekster voorgedragen.
Dit blijkt volgens de wederpartij uit aantekeningen die haar medewerker heeft
gemaakt naar aanleiding van gesprekken die deze heeft gevoerd met in de
vacature geinteresseerde kandidaten. De wederpartij heeft ter zitting een
copie van deze aantekeningen overhandigd.

In deze aantekeningen staan achter verschillende data namen van
personen. Voor sommige namen staat een pijltje. De naam van verzoekster staat
achter de datum 8 oktober. Deze datum staat geschreven op een regel tussen de
data 21 augustus en 4 september in. Er staat een pijltje voor haar naam.

Volgens de wederpartij betekenen de pijltjes dat de personen die hier
achter staan vermeld, aan een inlener zijn voorgedragen.

Als verklaring voor het feit dat de datum die voor haar naam staat
tussen twee data is geschreven van de maanden ervoor en niet in chronologische
volgorde, is dat er ruimtegebrek was op het formulier. Volgens de wederpartij
is de naam van verzoekster er dus niet op een later tijdstip tussen
geschreven.

3.10. De wederpartij is van mening dat verzoekster een potentiele
kandidate was en is voor de functie. De medewerker van de wederpartij heeft
verzoekster in het gesprek van

7 oktober 1991 beloofd om haar aan de opdrachtgever voor te stellen als
een geschikte kandidate, hoewel er al eerder kandidaten door de wederpartij
naar voren waren gebracht. Zij heeft verzoekster op 8 oktober 1991 zowel per
fax als telefonisch bij de opdrachtgever aangekaart. De inlener had op dat
moment echter al besloten om met de drie mannelijke kandidaten te praten. Toen
verzoekster op 22 oktober het uitzendbureau bezocht heeft de medewerker haar,
net als in het telefoongesprek van 14 oktober 1991, verteld dat de wederpartij
haar aan de inlener had voorgedragen. Helaas is in dit gesprek wellicht de
indruk gewekt dat verzoekster niet zou zijn opgeroepen omdat de inlener het
liefst mannen wilde voor de functie. Als deze suggestie al gewekt is,

dan is dit onjuist en ten onrechte.

3.11. Ten aanzien van de opmerking van de medewerker dat de wederpartij
niet werft voor inleners die een voorkeur voor een blanke uitspreken, maar wel
voor inleners die een voorkeur voor een man hebben, stelt de wederpartij het
volgende. Volgens de wederpartij heeft haar medewerker dit alleen gezegd
tijdens het gesprek van 22 oktober 1991 en niet, zoals verzoekster stelt,
tijdens het gesprek op

7 oktober 1991. De reden voor deze uitlating was dat de medewerker het
erg druk had en de discussie, die al een tijdje gaande was, snel wilde
beeindigen. Normaal gesproken zou deze zich niet laten verleiden tot het maken
van zo’n opmerking.

3.12. De wederpartij geeft aan dat de drie genoemde kandidaten door de
inlener zijn afgewezen. De vacatures waren ten tijde van de zitting nog niet
vervuld omdat het bedrijf intussen van eigenaar is veranderd. Op het moment
dat de vacatures weer vrijkomen, zal de wederpartij verzoekster zeker weer bij
de inlener onder de aandacht brengen.

Tot slot merkt de wederpartij op dat zij zich terdege bewust is van haar
verantwoordelijkheid met betrekking tot het vermijden van discriminerend
gedrag, zoals moge blijken uit de advertentie en uit de interne memo.

3.13. De wederpartij verzoekt de Commissie het oordeel, indien deze in
het nadeel van de wederpartij mocht uitvallen, niet openbaar te maken omdat er
sprake is van een incident.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding zijn de volgende vragen. Heeft de wederpartij jegens
verzoekster onderscheid naar geslacht gemaakt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168.)

1) bij de aanbieding van een betrekking en/of

2) bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking
en/of

3) bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB schrijft voor dat het niet is toegestaan bij
de aanbieding van een betrekking of bij de behandeling bij de vervulling van
een openstaande betrekking onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen.

Artikel 7A:1637ij BW bepaalt dat een werkgever geen onderscheid mag
maken tussen mannen en vrouwen, onder andere bij het aangaan van de
arbeidsovereenkomst.

Er mag alleen van de verboden in de artikelen 3 WGB en 7A:1637ij BW
worden afgeweken als er sprake is van een van de wettelijke
uitzonderingsgronden genoemd in de artikelen 5 lid 1 en 2 WGB, respectievelijk
in 7A:1637ij lid 2,3 en 4 BW.

In de onderhavige zaak is gesteld noch gebleken dat een van deze
wettelijke uitzonderingsgronden van toepassing is.

4.3. Vooraleer de Commissie overgaat tot de onder 4.1. genoemde vragen,
merkt zij het volgende op.

De Commissie heeft eerder uitgesproken dat indien een uitzendbureau voor
iemand bemiddelt die door een inlener in dienst wordt genomen, er bij normale
uitzendsituaties zoals die worden beheerst door de collectieve
arbeidsovereenkomst voor arbeidskrachten, een arbeidsovereenkomst tussen het
uitzendbureau en de uitzendkracht ontstaat. Er ontstaat in dit soort situaties
dus niet een arbeidsovereenkomst tussen de uitzendkracht en de inlener. De
Commissie baseert zich hierbij op rechtspraak en literatuur (Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 28 februari 1990,
oordeelnummers 3-90-6 en 3-90-7). Op grond hiervan kan worden gesteld dat de
wederpartij, en dus niet de inlener, als potentiele werkgever van verzoekster
kan worden aangemerkt.

Blijkens de tekst van artikel 3 WGB en de Memorie van Toelichting op dit
artikel, richt artikel 3 zich zowel tot de werkgever als tot een derde die
door deze werkgever wordt betrokken bij de werving- en selectieprocedure.
(Tweede kamer, vergaderjaar 1986-1987, 19.908, nr. 3, blz. 18.

Zie ook Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, 17 juni 1991, oordeelnummers 336A-91-35 en 336B-91-36.)

In beginsel is de werkgever verantwoordelijk voor de naleving van de WGB
voor het geheel van de wervings- de selectie- en de aanstellingsfase.
Daarnaast is een door de werkgever ingeschakelde derde verantwoordelijk voor
de naleving van de WGB voor dat deel van de procedure waar deze bij betrokken
is.

Aangezien de wederpartij in de onderhavige zaak zowel aan te merken is
als potentiele werkgever van verzoekster en als bemiddelaar voor de inlener,
is zij in tweeerlei opzicht gehouden om artikel 3 WBG na te leven.

4.4. Over de eerste in het geding zijnde vraag, waar het gaat om de
aanbieding van de betrekking, overweegt de Commissie als volgt.

Verzoekster stelt dat uit de advertentie niet duidelijk blijkt dat de
betreffende functie voor zowel mannen als vrouwen openstaat.

De Commissie heeft reeds eerder uitgesproken dat bij kennisneming van
een advertentie aanstonds duidelijk moet zijn dat elk van de functies
uitdrukkelijk zowel aan mannen als aan vrouwen wordt aangeboden (Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 15 oktober 1990,
324-90-131).

In de onderhavige advertentie staat een afbeelding van een man en een
vrouw.

Tevens is in de advertentietekst aangegeven dat de wederpartij
vacatures m/v vervult. Het is weliswaar zo dat m/v niet zodanig is aangegeven
dat het onmiddelijk in het oog springt, maar de Commissie is van mening dat
de letters m/v in samenhang met de afbeelding, voldoende duidelijk aangeven
dat mannen en vrouwen voor de vacature in aanmerking komen.

Op grond hiervan is de Commissie van oordeel dat de advertentie op dit
punt aan de eisen van de Wet voldoet.

4.5. Over de tweede in het geding zijnde vraag, waar het gaat om de
behandeling bij de vervulling van de betrekking, overweegt de Commissie als
volgt.

Vaststaat dat de wederpartij verzoekster een of meermalen heeft
meegedeeld dat de inlener een voorkeur had voor een man. Die mededeling heeft
ook het gedrag van verzoekster beinvloed.

De wederpartij heeft zich niet nadrukkelijk van die voorkeur
gedistantieerd en/of de uitdrukkelijke verzekering gegeven dat zij jegens
verzoekster geen verboden onderscheid naar geslacht zou maken of dulden.

Voorts is niet komen vast te staan dat de wederpartij verzoekster bij de
inlener heeft aangemeld als kandidate. De overgelegde aantekeningen van de
medewerker zijn niet voor een interpretatie vatbaar. De inlener kan zich niet
herinneren dat verzoekster is aangemeld. De relevante fax-journaals van de
bewuste dag van 8 oktober 1991 zijn niet meer beschikbaar.

De Commissie concludeert dat de wederpartij, door verzoekster de bewuste
voorkeur van de inlener mee te delen en zelfs niet nadrukkelijk aan te geven
dat zij zich bij de vervulling van de vacature hiervan niets aantrok en geen
deugdelijk bewijs te leveren dat zij haar bij de inlener heeft voorgedragen,
in strijd heeft gehandeld met artikel 3 lid 1 WGB.

Gelet op deze met de WGB strijdige handelwijze komt het de Commissie
voor dat de wederpartij geen juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 93
lid 2 van de Arbeidsvoorzieningenwet. Dit wetsartikel verplicht de
vergunninghouder er toe om aan allen die behoren tot de categorieen van
arbeidskrachten voor wier terbeschikkingsstelling vergunning is verleend, zijn
diensten gelijkelijk te verlenen.

4.6. Wat betreft de derde in het geding zijnde vraag, waar het gaat om
het aangaan van de arbeidsovereenkomst, overweegt de Commissie als volgt.

Artikel 7A:1637ij BW heeft (onder andere) betrekking op de
aanstellingsfase van een sollicitatieprocedure.

De Commissie is van oordeel dat, aangezien er slechts gesprekken zijn
gevoerd met enkele potentiele kandidaten die allen zijn afgewezen, de
sollicitatieprocedure nog niet in de aanstellingsfase verkeerde en artikel
7A:1637ij BW derhalve niet van toepassing is.

4.7. Ten aanzien van het verzoek tot toepassing van artikel 14 lid 6
WGB en het oordeel openbaar te maken, overweegt de Commissie dat de
wederpartij, zover haar bekend, artikel 3 WGB niet eerder heeft overtreden.
De Commissie ziet derhalve onvoldoende aanleiding voor toepassing van artikel
14 lid 6 WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het te ‘s-Hertogenbosch
bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking jegens
mevrouw te Maastricht onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in
strijd met artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

Aldus vastgesteld op 2 september 1992 naar aanleiding van de behandeling
in de raadkamer d.d. 8 juli 1992.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), dhr mr A.W. Heringa (lidKamer), dhr mr J.A.M.I. Hoens (plv.lid Kamer), dhr mr R.A.C.M. Langemeijer(lid Kamer), mw mr A.C. Possel (lid Kamer), mw mr A.K. de Jongh(adjunct-secretaris).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 2 september 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een werkgever heeft bij een intermediair (de wederpartij) een vacature
aangemeld, waarbij hij aangaf een lichte voorkeur voor een man te hebben. De
wederpartij heeft de voorkeur van de werkgever meegedeeld aan verzoekster, die
zich in de betreffende vacature geinteresseerd toonde. Aangezien de
wederpartij de werkgever er niet op heeft gewezen dat een voorkeur voor een
man wettelijk niet is toegestaan, noch dat zij zich van deze voorkeur in haar
bemiddeling niets aantrok en bovendien deze voorkeur aan verzoekster heeft
meegedeeld, heeft de wederpartij in strijd met de WGB gehandeld.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 13 maart 1992 verzocht mevrouw te ‘s- Hertogenbosch
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of het Centraal Bureau
voor de Arbeidsvoorziening te Rijswijk (hierna: de wederpartij)
onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Via het plaatselijke Arbeidsbureau vernam verzoekster dat er een
vacature was voor de functie van “beoordelaar WW” bij een bedrijfsvereniging.
Een consulent personeelsvoorziening van het Arbeidsbureau (hierna: de
consulent) liet verzoekster weten dat de bedrijfsvereniging een voorkeur voor
een man had uitgesproken voor de betreffende functie.

Verzoekster is van mening dat de wederpartij hierdoor in strijd heeft
gehandeld met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb.
1989, 168).

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. Verzoekster heeft gelijktijdig met het onderhavige verzoekschrift
een verzoekschrift ingediend waarbij zij als wederpartij de bedrijfsvereniging
aanwijst. In die zaak wordt eveneens een oordeel uitgebracht (Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, oordeelnummer
507A-92-46, 2 september 1992).

De Commissie heeft het verzoek van de wederpartij in behandeling genomen
en een onderzoek ingesteld. Zij heeft zowel bij de wederpartij als bij de
bedrijfsvereniging informatie opgevraagd. Partijen hebben ieder de gelegenheid
gehad hun standpunten schriftelijk toe te lichten.

2.2 De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen te verschijnen
tijdens een zitting op 8 juli 1992. Het verzoek met betrekking tot de
wederpartij is ter zitting gevoegd behandeld met het verzoek jegens de
bedrijfsvereniging. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw

van de kant van de wederpartij

– mw mr (gemachtigde CBA)

– dhr (medewerker Arbeidsbureau ‘s- Hertogenbosch)

van de kant van de bedrijfsvereniging

– mw (assistent adjuncthoofd afdeling juridische
zaken)

– dhr (districtsmanager, tevens getuige in de zaak
van de kant van de Commissie

– mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)

– dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer)

– dhr mr J.A.M.I. Hoens (plv.lid Kamer)

– dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer)

– mw mr A.C. Possel (lid Kamer)

– mw mr A.K. de Jongh (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De districtsmanager van de bedrijfsvereniging heeft in januari 1992
een vacature voor een “beoordelaar WW” aangemeld bij het Arbeidsbureau
‘s-Hertogenbosch, dat onder de wederpartij ressorteert. Hierbij heeft hij
aangegeven dat de bedrijfsvereniging, gelet op de samenstelling van het team,
bij gelijke geschiktheid van kandidaten een voorkeur had voor een man. Hij
heeft hierbij vermeld dat dit niet wilde zeggen dat vrouwen niet konden
solliciteren, daar het in eerste instantie ging om de kwaliteiten van de
persoon die de vacature zou gaan vervullen. De wens een man voor de vacature
aan te trekken was aan de districtsmanager te kennen gegeven door het team
waarbinnen de vacature was ontstaan. Het team bestond uit vier vrouwen en twee
mannen.

Het Arbeidsbureau heeft niet tegen de districtsmanager gezegd dat een
voorkeur voor mannen wettelijk verboden is.

In het informatiecentrum van het Arbeidsbureau is bovengenoemde vacature
bekend gemaakt.

Bovenin de vacaturetekst stond bij de gevraagde functie: “MEDEW.
BEOORDELEN VAN WW-AANVRAGEN”. In deze tekst stond nergens uitdrukkelijk
vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking kwamen voor de functie. De
vacaturetekst vermeldde evenmin dat de voorkeur naar een man uitging.

3.2. Naar aanleiding van deze vacaturetekst heeft verzoekster op 5 maart
1992 een consulent personeelsvoorziening van het Arbeidsbureau om meer
informatie over de vacature gevraagd. De taak van de consulent is, om in
gesprekken met geinteresseerde werkzoekenden functies toe te lichten,
bijzondere wensen van de werkgever te vermelden, en na te gaan in hoeverre een
geinteresseerde een geschikte kandidaat zou zijn voor de betreffende
vacature.

In het gesprek met verzoekster over de onderhavige vacature liet de
consulent haar weten dat de bedrijfsvereniging in dit geval een voorkeur voor
een man had. Verzoekster heeft de consulent erop gewezen dat de Wet verbiedt
om bij de vervulling van een vacature een voorkeur voor een man uit te
spreken. Hierop heeft de consulent geantwoord dat in een aantal gevallen de
voorkeur voor een man wel mag worden aangegeven.

Naar aanleiding van bovengenoemde opmerkingen van de consulent heeft
verzoekster afgezien van het vragen om nadere informatie over de functie en
heeft zij ook geen gegevens van zichzelf meer achtergelaten. De
personeelsconsulent kon haar daarom niet doorverwijzen naar de
bedrijfsvereniging.

3.3. Voor bovengenoemde vacature heeft het Arbeidsbureau acht mannen en
vier vrouwen doorverwezen naar de bedrijfsvereniging. Verzoekster bevond zich
niet onder deze kandidaten. De bedrijfsvereniging heeft vervolgens gesprekken
gevoerd met vijf kandidaten, waaronder drie mannen en twee vrouwen. De meest
geschikte kandidaat was een vrouw. Voordat zij kon worden benoemd trok zij
zich echter terug uit de sollicitatieprocedure. Aangezien er verder geen
geschikte kandidaten bij waren, heeft de bedrijfsvereniging een advertentie
laten plaatsen in een regionaal dagblad. In deze advertentie stond aangegeven
dat de bedrijfsvereniging zocht naar een “Beoordelaar werkloosheidswet (m/v)”.
In de advertentie was geen voorkeur voor een man vermeld.

Naar aanleiding van de advertentie zijn op 9 april 1992 de eerste
sollicitatiegesprekken gevoerd. Er zijn twee kandidaten overgebleven: een man
en een vrouw. Uiteindelijk is de mannelijke kandidaat benoemd.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster is van mening dat het Arbeidsbureau onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt bij de behandeling bij de vervulling van een
openstaande betrekking en daarmee in strijd heeft gehandeld met de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen. Volgens verzoekster is het Arbeidsbureau
ten onrechte ingegaan op de discriminatoire wens van de bedrijfsvereniging.

Wat betreft de opmerking van de wederpartij dat de consulent slechts
gezegd zou hebben dat de bedrijfsvereniging een ‘lichte’ voorkeur had
uitgesproken voor een man, stelt verzoekster dat de consulent vrij stellig
heeft aangegeven dat de bedrijfsvereniging een voorkeur voor een man had. Naar
de mening van verzoekster is de reden die de bedrijfsvereniging heeft
opgegeven voor een voorkeur voor een man, namelijk de samenstelling van het
team, niet steekhoudend.

Verzoekster vindt het vreemd dat de consulent niet tegen de
bedrijfsvereniging heeft gezegd dat een voorkeur voor mannen wettelijk
verboden is. Ook verbaast verzoekster zich over het feit dat de consulent
kennelijk niet voldoende op de hoogte is van de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

Naar aanleiding van het feit dat er door het arbeidsbureau vier vrouwen
zijn doorverwezen naar de bedrijfsvereniging, wijst verzoekster er op dat het
juist de vraag is hoeveel vrouwen evenals zijzelf zijn afgeschrikt door de
aangekondigde voorkeursbehandeling van de bedrijfsvereniging en van een
sollicitatie hebben afgezien.

3.5. De wederpartij stelt dat de opdrachtgever zo’n lichte voorkeur voor
een man had uitgesproken, dat de consulent geen aanleiding zag hier op in te
gaan. De consulent erkent overigens dat hij verkeerd heeft gehandeld. Hij wist
niet dat ook een lichte voorkeur voor mannen wettelijk verboden is.

De consulent meende in de vacature geinteresseerde vrouwen te moeten
informeren over de voorkeur van de bedrijfsvereniging. Reden hiervoor was dat
uit de praktijk was gebleken dat, met name langdurig werklozen die al veel
teleurstellingen hebben gehad op het gebied van solliciteren, bij een nieuwe
teleurstelling sneller gedemotiveerd raken.

Naar de inschatting van de consulent zijn er meer vrouwen geweest die
door zijn opmerking over de voorkeur van de bedrijfsvereniging voor een man
hebben afgezien van een sollicitatie naar bovengenoemde functie.

De wederpartij stelt dat zij een strikt beleid ten aanzien van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen hanteert. Dit beleid is gebaseerd op de
verantwoordelijkheid van de wederpartij voor de werving- en selectiefase van
de sollicitatieprocedure. De beleidsregels van de wederpartij schrijven voor
dat indien een opdrachtgever een voorkeur voor een man uitspreekt de
medewerkers van het Arbeidsbureau aan de opdrachtgever dienen mee te delen dat
zo’n voorkeur verboden is. Indien de opdrachtgever volhardt in zijn voorkeur
geldt de regel dat voor deze opdracht niet verder wordt bemiddeld.

Voorts stelt de wederpartij dat zij zich houdt aan een landelijk
meerjarig beleidskader, waarin extra aandacht wordt besteed aan het verbeteren
van de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt. De wederpartij neemt allerlei
initiatieven om gelijke behandeling van mannen en vrouwen te bevorderen. Dit
blijkt onder andere uit het feit dat zij een bulletin uitgeeft waarin zij
aandacht besteed aan oordelen van de Commissie. Verder wordt de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen behandeld bij introductiecursussen voor
nieuwe medewerkers. De wederpartij erkent dat desondanks kennelijk nog niet al
haar medewerkers weten dat ook een lichte voorkeur voor mannen in strijd is
met de Wet.

Volgens de wederpartij is het niet zo dat Arbeidsbureaus structureel in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling handelen. Er is hier weliswaar
geen onderzoek naar verricht, maar zij concludeert uit het aantal klachten dat
haar bereikt dat dit slechts incidenteel voorkomt.

Wat betreft de vacaturetekst uit het informatiecentrum van het
Arbeidsbureau, stelt de wederpartij dat hieruit duidelijk blijkt dat zowel
mannen als vrouwen voor deze vacature in aanmerking komen.

De wederpartij stelt dat in haar vacatureteksten meestal expliciet wordt
aangegeven dat een functie zowel voor mannen en als voor vrouwen openstaat. De
reden waarom dit in het onderhavige geval niet is gebeurd is niet dat de
bedrijfsvereniging een voorkeur voor een man had, maar dat er sprake was van
ruimtegebrek.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de behandeling bij de vervulling van een
openstaande betrekking door de voorkeur van de opdrachtgever voor een man
kenbaar te maken.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB schrijft voor dat het niet is toegelaten bij de
behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking onderscheid te
maken tussen mannen en vrouwen.

Artikel 3 lid 2 WGB bepaalt dat alleen in geval van een wettelijk
toegelaten uitzonderingsgrond van dit verbod mag worden afgeweken.

Zo bepaalt artikel 5 lid 2 WGB dat van het verbod op het maken van
onderscheid mag worden afgeweken in die gevallen waarin het geslacht bepalend
is voor de functie.

Verder schrijft artikel 5 lid 1 WGB voor dat van de norm van gelijke
behandeling in artikel 3 WGB mag worden afgeweken indien het gemaakte
onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde
feitelijke ongelijkheden op te heffen.

De wet staat een voorkeursbehandeling voor mannen niet toe. Ook een
‘lichte’ voorkeur voor mannen mag derhalve niet worden uitgesproken.

De beperking van voorkeursbeleid tot vrouwen betreft een bewuste keuze
van de wetgever. De betrokken ministers merkten tijdens de parlementaire
behandeling van de herziening van de WGB het volgende op (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1987-1988, nr. 6, blz. 2):

“Gelet op de huidige positie van vrouwen, zowel wat betreft de deelname
aan de arbeid als wat betreft de spreiding over functies en beroepen en de
niveau’s daarbinnen, verkeren vrouwen nog steeds in een achterstandssituatie.
Dit is een belangrijke overweging geweest voor de beperking van de
voorkeursbehandeling tot vrouwen. De huidige algemene arbeidssituatie van
mannen is anderzijds zodanig dat er geen grond zal zijn om een beroep te doen
op deze uitzondering om feitelijke ongelijkheden op te heffen. Het achterwege
laten van een toepassingsmogelijkheid voor mannen in individuele gevallen
achten wij met het oog op de algemene achterstandssituatie van vrouwen
alleszins verantwoord. Hierbij zij tevens opgemerkt dat het percentage mannen
dat in “vrouwenberoepen” werkzaam is sneller gestegen is dan dat van vrouwen
in “mannenberoepen”.[…]”

4.3. Er is in deze zaak geen sprake van een voorkeursbeleid voor
vrouwen, noch is gebleken of gesteld dat de onderhavige functie
geslachtsbepaald zou kunnen zijn.

4.4. Blijkens de tekst van artikel 3 WGB en de Memorie van Toelichting
op dit artikel, richt artikel 3 zich zowel tot de werkgever als tot alle
anderen die bij de wervings- en selectieprocedure betrokken zijn (Tweede
Kamer, vergaderjaar 1986-1987, 19.908, nr. 3, blz. 18. Zie ook Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 17 juni 1991,
oordeelnummers 336A-91-35 en 336B-91-36).

Zoals de Commissie al eerder heeft uitgesproken heeft de wederpartij als
instantie die in opdracht van derden diensten verleent bij werving en selectie
van kandidaten dan ook een eigen verantwoordelijkheid voor de naleving van
artikel 3 WGB voor die onderdelen van de werving en selectie waarbij zij
betrokken is.

4.5. Vast staat dat de wederpartij de opdrachtgever niet heeft
aangegeven dat een voorkeur voor een man wettelijk niet is toegestaan. Ook
staat vast dat zij in ieder geval verzoekster, en overigens ook andere
geinteresseerde vrouwen, heeft meegedeeld dat de opdrachtgever een voorkeur
had voor een man in verband met de samenstelling van het team. Die mededeling
heeft zeker het gedrag van verzoekster -en wellicht ook andere geinteresseerde
vrouwen- beinvloed, in de zin dat zij zelfs niet verder informeerde naar de
functie-inhoud om een eventuele doorverwijzing te overwegen.

Ondanks het feit dat verzoekster naar voren bracht dat een dergelijke
voorkeur wettelijk niet is toegestaan, heeft de wederpartij zich niet van deze
voorkeur gedistantieerd en/of de nadrukkelijke verzekering gegeven dat zij in
haar bemidddelende taak jegens verzoekster geen verboden onderscheid naar
geslacht zou maken. Daarmee handelde de wederpartij overigens in strijd met
haar eigen beleid.

De Commissie concludeert dat de wederpartij, door verzoekster de bewuste
voorkeur van de opdrachtgever mee te delen en niet nadrukkelijk aan te geven
dat zij zich hier in haar bemiddeling niets van aantrok en zelfs niet te
erkennen dat deze voorkeur wettelijk niet is toegestaan, in strijd heeft
gehandeld met artikel 3 lid 1 WGB.

4.6. De Commissie wijst ten overvloede op het volgende. De wederpartij
stelt dat uit de vacaturetekst die in het informatiecentrum van het
Arbeidsbureau was bekend gemaakt, duidelijk blijkt dat zowel mannen als
vrouwen voor deze vacature in aanmerking kwamen.

De Commissie wijst op artikel 3 lid 4 WGB. Dit artikel schrijft voor
dat, indien voor de aangeboden betrekking een functiebenaming wordt gebruikt,
zowel de mannelijke als de vrouwelijke vorm moet worden gebruikt of
uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel vrouwen als mannen voor de functie
in aanmerking komen.

In de onderhavige vacaturetekst staat bij de gevraagde functie: “MEDEW.
BEOORDELEN VAN WW-AANVRAGEN”. Er staat echter, in afwijking van het voornoemd
wettelijk voorschrift, nergens in de vacaturetekst vermeld dat de functie voor
zowel vrouwen als mannen openstond, noch zijn zowel de mannelijke als de
vrouwelijke functiebenamingen aangegeven.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het Centraal Bureau voor
de Arbeidsvoorziening te Rijswijk jegens mevrouw te ‘s-Hertogenbosch bij de
behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

Aldus vastgesteld op 2 september 1992 naar aanleiding van de behandeling
in de raadkamer op 8 juli 1992.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), dhr mr A.W. Heringa (lidKamer), dhr mr J.A.M.I. Hoens (plv.lid Kamer), dhr mr R.A.C.M. Langemeijer(lid Kamer), mw mr A.C. Possel (lid Kamer), mw mr A.K. de Jongh (adjunct-secretaris).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 2 september 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie van
hoogleraar. De wederpartij voert een voorkeursbeleid voor vrouwen. Dit beleid
houdt onder andere in dat in eerste instantie alleen onder vrouwen
geselecteerd werd. Geen van de vrouwelijke kandidaten, waaronder verzoekster,
is uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. Verzoekster werd niet
professorabel geacht. Een mannelijke kandidaat is benoemd. De Commissie stelt
voorop dat selectieprocedures inzichtelijk, controleerbaar en systematisch
dienen te zijn. De onderhavige selectieprocedure voldeed niet aan dit
vereiste. Daardoor nam de wederpartij het risico op zich dat de mannelijke
kandidaten niet aan de hand van dezelfde criteria beoordeld werden als de
vrouwen. Strijd met de Wet.

Volledige tekst


Deze aandachtspunten zijn geen criteria waaraan afgemeten kan worden of een
kandidaat al dan niet professorabel is. Zo is bijvoorbeeld wel vermeld dat
aandacht besteed moet worden aan het wetenschappelijk niveau van een
kandidaat, maar is niet aangegeven hoe dat wetenschappelijk niveau gemeten
moet worden. De wederpartij heeft in dit verband verklaard dat er over de
vraag of een kandidaat al dan niet professorabel is, binnen de BAC geen
discussie bestond. Deze verklaring voldoet echter niet aan het vereiste van
inzichtelijkheid, controleerbaarheid en systematiek, omdat de inhoud van de
norm ‘professorabiliteit’ op deze wijze voor anderen niet kenbaar is.

De wederpartij heeft de Commissie derhalve niet duidelijk gemaakt op grond
waarvan de BAC kandidaten al dan niet professorabel achtte. Het gevolg
hiervan is, dat in het onzekere is gebleven of het begrip ‘professorabel’ van
inhoud veranderd is toen de mannelijke kandidaten beoordeeld werden. De vraag
blijft derhalve of aan de mannen andere, minder zware eisen werden gesteld
alvorens zij voor een gesprek uitgenodigd werden. Dit is des te opvallender
indien men het voorkeursbeleid van de wederpartij bekijkt. Haar
voorkeursbeleid houdt in principe immers in dat vrouwen volgens de richtlijn
bij voldoende geschiktheid benoembaar zijn.

Die term “voldoende geschiktheid” was eveneens niet erg helder. Gebleken is
immers dat niet aan alle eisen voldaan behoefde te worden, maar dat het
minder voldoen op het ene punt gecompenseerd kon worden op een ander punt.

In de tweede selectieronde zijn uitsluitend mannen betrokken, afgezien van
een korte vruchteloze onderbreking waarin nog enkele (andere) vrouwelijke
kandidaten zijn aangezocht. Die tweede ronde was in beginsel een louter
mannelijke, omdat de vrouwelijke kandidaten die gesolliciteerd hadden al
eerder waren afgewezen. Deze tweede ronde was in feite tevens de beslissende:
er moest zo mogelijk tot een voordracht gekomen worden.

Door het enkele onderscheid in een eerste -vrouwelijke- ronde en daarna een
mannelijke, is het moeilijk exact dezelfde maatstaven aan te leggen, vooral
als die al niet a priori helder zijn. Het, ook intern bij de wederpartij (zie
hiervoor paragraaf 3.9.) gesignaleerde, risico bestaat toch dat op onderdelen
met criteria geschoven en gecompenseerd wordt.

Voorkeursbehandeling, zoals in casu toegepast door de wederpartij, houdt op
voorkeursbehandeling te zijn en verkeert in een ongelijke behandeling, als
een vrouw door de gehanteerde procedure van voorkeursbehandeling in een
ongunstiger positie terecht kan komen.

4.6. De Commissie is op grond van bovenstaande van oordeel, dat de
wederpartij, vanwege het risico dat de mannelijke kandidaten niet aan de hand
van dezelfde criteria geselecteerd zouden worden als de vrouwen, er voor had
moeten zorgdragen dat de mannelijke kandidaten niet alleen onderling
vergeleken zouden worden, zoals thans gebeurd is. Zij had dit kunnen
voorkomen door in een tweede selectieronde -dus na de selectieronde onder de
vrouwen-, zowel de vrouwen als de mannen tegelijkertijd te beoordelen.

Nu de wederpartij een dergelijke selectieronde niet heeft ingelast, maar de
mannelijke kandidaten met uitsluiting van de vrouwelijke kandidaten
geselecteerd heeft, heeft zij in strijd met artikel 3 lid 1 WGB onderscheid
naar geslacht gemaakt.

Overigens wijst de Commissie er op, dat een voorkeursbehandeling voor vrouwen
uiteraard ook in een tweede selectieronde, waarbij kandidaten van beide
geslachten beoordeeld worden, toegepast kan worden.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het College van Bestuur van de
Universiteit van Amsterdam jegens mevrouw te Gottingen in Duitsland
onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel 3 lid
1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de behandeling bij de
vervulling van de hoogleraarsvacature aan desbetreffende universiteit.

Aldus vastgesteld op 2 september 1992 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 8 juli 1992.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), dhr mr A.W. Heringa (lidKamer), dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer), mw mr A.C. Possel (lidKamer), dhr mr J.A.M.I. Hoens (plaatsvervangend lid Kamer), mw mr M.M. Hubner(adjunct- secretaris).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 2 september 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij (een uitzendbureau) heeft een personeelsadvertentie
geplaatst om uitzendkrachten te werven ten behoeve van een inlener. De
inlener heeft aan de wederpartij meegedeeld dat zij per se een man wilde
hebben voor de openstaande betrekking. De wederpartij heeft deze voorkeur
kenbaar gemaakt aan verzoekster, die zich in de functie geinteresseerd
toonde.

De wederpartij heeft niet nadrukkelijk aangegeven dat zij zich van deze
voorkeur in haar bemiddeling niets aantrok. Ook heeft zij geen deugdelijk
bewijs geleverd voor haar stelling dat zij verzoekster bij de inlener heeft
voorgedragen. Strijd met de WGB. Advertentie niet in strijd met WGB. Geen
oordeel over aangaan dienstverband, nu sollicitatieprocedure nog niet in de
aanstellingsfase was overgegaan.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 21 november 1991 verzocht mevrouw te Maastricht (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of
te Maastricht (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

1.2. De wederpartij heeft ten behoeve van een drukkerij (hierna: de inlener)
een personeelsadvertentie geplaatst om uitzendkrachten te werven voor de
functie van commercieel medewerker. Verzoekster heeft naar aanleiding van
deze advertentie gesolliciteerd bij de wederpartij, maar is volgens
verzoekster wegens een voorkeur voor een man niet bij de inlener
voorgedragen.

Verzoekster is van mening dat de wederpartij, door rekening te houden met de
voorkeur van de inlener voor een man, in strijd heeft gehandeld met artikel
7A:1637ij lid 1 BW en artikel 3 lid 1 WGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Aanvankelijk besloot de voorzitter van de Commissie om op grond
van artikel 36 van het Procedurereglement de vereenvoudigde procedure toe
te passen. Op grond van informatie die de wederpartij hierna verstrekte,
besloot zij echter alsnog de normale procedure te volgen. Partijen hebben
ieder meerdere malen de gelegenheid gehad om hun standpunten schriftelijk
toe te lichten, respectievelijk op elkaars standpunten te reageren. De
Commissie heeft verder ook de inlener om informatie verzocht.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen te verschijnen
tijdens een zitting op 8 juli 1992. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw (verzoekster)

– dhr (gemachtigde)

– dhr (huisgenoot van verzoekster, getuige)

van de kant van wederpartij

– dhr (afgevaardigde van het hoofdkantoor )

– dhr Theunissen (medewerker van de vestiging van )

– dhr J.J.W. van Mens (advocaat)

van de kant van de Commissie

– mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)

– dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer)

– dhr mr J.A.M.I. Hoens (plv.lid Kamer)

– dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer)

– mw mr A.C. Possel (lid Kamer)

– mw mr A.K. de Jongh (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1 De wederpartij heeft ten behoeve van een aantal inleners op 5 oktober
1991 een personeelsadvertentie geplaatst in een regionaal dagblad. In de
desbetreffende advertentie waren 8 vacatures vermeld, waaronder die van
commercieel medewerker bij de inlener.

Bovenaan de advertentie staat een afbeelding van een man en een vrouw en is
tevens een tekst opgenomen die op alle daaronder genoemde vacatures
betrekking heeft.

In de eerste zin van deze tekst staat onder andere dat de wederpartij
“vacatures m/v vervult op middelbaar en hoger niveau”. Het lettertype dat
hiervoor is gebruikt is iets groter dan dat van de functieomschrijvingen,
maar een stuk kleiner dan dat van de functiebenamingen eronder.

Per afzonderlijke vacature is steeds de mannelijke of neutrale
functiebenaming gebruikt.

3.2. De inlener, in wiens bedrijf bovengenoemde vacture voor commercieel
medewerker ontstond, heeft bevestigd dat hij bij de aanbieding van de
vacature aan de wederpartij heeft aangegeven per se een man te willen
hebben. Reden was dat een man beter zou passen in het team en, volgens
informatie van de wederpartij, beter zou aansluiten op de aard van het
klantenbestand. Bovendien vond de inlener dat een vrouw, gezien de zwaarte
van de functie en de lange dagen die gemaakt moesten worden, dit werk niet
aan zou kunnen.

Deze voorkeur voor een man is niet in bovengenoemde advertentie opgenomen.

De inlener kan zich niet herinneren of de wederpartij verzoekster bij hem
heeft voorgedragen.

3.3. Naar aanleiding van de advertentie heeft verzoekster zich op 7 oktober
1991 bij de wederpartij aangemeld voor bovengenoemde functie. Zij heeft een
gesprek gehad met een medewerker van de wederpartij. In dat gesprek bleek dat
twee commercieel medewerkers gezocht werden ten behoeve van de betreffende
inlener. De wederpartij deelde aan verzoekster mee dat de inlener alleen
mannen wilde hebben voor de betreffende vacature. Verzoekster zei hierop dat
zo’n voorkeur verboden is en wees tevens op de advertentie,

waarin stond dat de vacature voor zowel vrouwen als mannen openstond. Verder
gaf zij aan dat zij voor de functie in aanmerking wilde komen indien de
wederpartij geen geschikte mannen kon vinden.

Een week later heeft verzoekster telefonisch contact opgenomen met de
wederpartij om te informeren of in de vacature reeds was voorzien. De
wederpartij deelde aan verzoekster mee dat de inlener drie mannelijke
kandidaten, afkomstig uit de bestanden van de wederpartij, had uitgenodigd
voor een gesprek.

Op 22 oktober 1991 heeft verzoekster in gezelschap van een huisgenoot het
bureau van de wederpartij wederom bezocht en de medewerker van de
wederpartij opnieuw gesproken over de betreffende vacature. Verzoekster had
haar huisgenoot op aanraden van een Bureau voor Rechtshulp als getuige
meegenomen. Het doel van hun bezoek was om de medewerker van de wederpartij
hetgeen hij in de eerdere gesprekken met verzoekster had gezegd te laten
herhalen.

Partijen zijn het eens dat de medewerker van de wederpartij tijdens dit
gesprek ongeveer heeft gezegd dat de wederpartij een commerciele instelling
is, die niet zou bemiddelen voor een bedrijf dat vraagt alleen onder blanken
te selecteren, maar die wel bemiddelt voor een bedrijf dat een voorkeur voor
mannen uitspreekt. Over de inhoud van de rest van het gesprek verschillen
partijen van mening (zie onder “de standpunten van partijen”).

3.4. De wederpartij heeft een intern memo overgelegd d.d.

24 oktober 1991 over het onderwerp discriminatie. Daarin staat onder andere
dat inleners slechts functie-eisen mogen stellen die voor de normale
uitoefening van de functie relevant zijn. Huidskleur, sekse, geaardheid,
etnische afkomst et cetera. mogen dan ook niet geaccepteerd worden als
selectie-eis. Inleners die hier wel op zinspelen dienen tot andere gedachten
gebracht te worden en, indien dit niet lukt, geweerd te worden.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster stelt het volgende.

Niet alleen op 22 oktober 1991, wat de wederpartij erkent, maar ook in het
gesprek van 7 oktober 1991 heeft de mdedewerker van de wederpartij de
opmerking gemaakt over het niet werven voor bedrijven die slechts blanken
in dienst willen, maar wel voor bedrijven met een voorkeur voor mannen.

Ook heeft hij in beide gesprekken meegedeeld dat hij niet voor haar kon
bemiddelen omdat slechts mannen geschikt zouden zijn voor de functie.

Wat betreft de stelling van de wederpartij dat zij verzoekster heeft
aangekaart bij de inlener stelt verzoekster dat de medewerker van de
wederpartij in geen van de gevoerde gesprekken tegen haar heeft gezegd dat
hij haar zou doorverwijzen en dat ook nergens uit blijkt dat dit wel is
gebeurd.

3.6. Verzoekster is op grond van bovenstaande van mening dat de wederpartij
jegens haar in strijd met de wetgeving gelijke behandeling onderscheid op
grond van geslacht heeft gemaakt.

Lid 1 van artikel 7A:1637ij BW vermeldt onder andere dat de werkgever geen
onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen bij het aangaan van een
arbeidsovereenkomst.

Dit betekent volgens verzoekster dat ook bij het niet aangaan van een
arbeidsovereenkomst geen onderscheid mag worden gemaakt. Hierbij verwijst
zij naar het Hof van Justitie van de EG, dat in de zaak Dekker/Stichting
Vormingscentrum VJV uitmaakte dat een werkgever direct in strijd met het
beginsel van gelijke behandeling handelt, wanneer hij weigert met een door
hem geschikt bevonden sollicitante een arbeidsovereen- komst aan te gaan
(HvJ EG, 8 november 1990; Nemesis 1991, nr. 594.).

Verder merkt verzoekster op dat het interne memo met betrekking tot het
onderwerp discriminatie van de wederpartij na het onderhavige voorval is
opgesteld en overigens het gemaakte onderscheid op geen enkele wijze kan
rechtvaardigen.

3.7. Voorts is verzoekster van mening dat in de advertentie niet duidelijk
is aangegeven dat zowel mannen als vrouwen kunnen reageren, nu alle functies
alleen in de mannelijke vorm zijn benoemd en slechts eenmaal wordt vermeld
dat de wederpartij “vacatures m/v” vervult.

Verzoekster heeft ter zitting aan de Commissie verzocht om het oordeel in
deze zaak, onder toepassing van haar sanctiebevoegdheid ex artikel 14 lid 6
WGB, openbaar te maken.

3.8. De wederpartij betwist dat zij alleen of bij voorkeur naar mannelijke
kandidaten heeft gezocht voor de inlener. Zij stelt het volgende.

Op het moment dat de inlener de bewuste vacature aanbood en hierbij aangaf
alleen maar mannelijke kandidaten te willen hebben, heeft de wederpartij
tegen de inlener gezegd dat zij ook vrouwelijke kandidaten had die aan de
functie-eisen voldeden. Voorts heeft zij te kennen gegeven dat zij op zoek
zou gaan naar de best passende kandidaten, daar het haar inziens niet juist
was louter en alleen mannelijke kandidaten te werven en te selecteren. De
wederpartij heeft de inlener meegedeeld dat zij in haar werving en selectie
geen onderscheid maakt tussen mannelijke en vrouwelijke kandidaten. De
wederpartij is vervolgens te werk gegaan zonder rekening te houden met de eis
van de inlener.

De betreffende inlener had overigens al vaker vacatures bij haar aangemeld.
Daarbij sprak de inlener weleens een voorkeur voor een bepaald geslacht uit.

Bij vacatures voor secretarieel werk vroeg de inlener bijvoorbeeld om
vrouwen.

De wederpartij stelt dat zij bij een discriminatoir verzoek van een inlener
steeds zegt dat het om de kwaliteiten van een kandidaat gaat en niet om het
geslacht.

3.9. De wederpartij heeft zijn bestand doorgelopen en hier drie kandidaten
uitgehaald, die zij vervolgens bij de inlener heeft “aangekaart”. Het waren
allen mannelijke kandidaten. Geschikte vrouwelijke kandidaten waren naar haar
mening niet voorhanden op dat moment. Omdat de wederpartij niet geheel
overtuigd was van de kwaliteit van de geselecteerde kandidaten heeft zij de
eerdergenoemde personeelsadvertentie geplaatst.

Dat zij niet uitsluitend op zoek is gegaan naar mannelijke kandidaten blijkt
volgens de wederpartij uit de advertentie waarin zij duidelijk aangeeft dat
zowel mannen als vrouwen kunnen reageren.

Op een later tijdstip heeft de wederpartij ook verzoekster voorgedragen. Dit
blijkt volgens de wederpartij uit aantekeningen die haar medewerker heeft
gemaakt naar aanleiding van gesprekken die deze heeft gevoerd met in de
vacature geinteresseerde kandidaten. De wederpartij heeft ter zitting een
copie van deze aantekeningen overhandigd.

In deze aantekeningen staan achter verschillende data namen van personen.
Voor sommige namen staat een pijltje. De naam van verzoekster staat achter
de datum 8 oktober. Deze datum staat geschreven op een regel tussen de data
21 augustus en 4 september in. Er staat een pijltje voor haar naam.

Volgens de wederpartij betekenen de pijltjes dat de personen die hier achter
staan vermeld, aan een inlener zijn voorgedragen.

Als verklaring voor het feit dat de datum die voor haar naam staat tussen
twee data is geschreven van de maanden ervoor en niet in chronologische
volgorde, is dat er ruimtegebrek was op het formulier. Volgens de
wederpartij is de naam van verzoekster er dus niet op een later tijdstip
tussen geschreven.

3.10. De wederpartij is van mening dat verzoekster een potentiele kandidate
was en is voor de functie. De medewerker van de wederpartij heeft
verzoekster in het gesprek van

7 oktober 1991 beloofd om haar aan de opdrachtgever voor te stellen als een
geschikte kandidate, hoewel er al eerder kandidaten door de wederpartij naar
voren waren gebracht. Zij heeft verzoekster op 8 oktober 1991 zowel per fax
als telefonisch bij de opdrachtgever aangekaart. De inlener had op dat
moment echter al besloten om met de drie mannelijke kandidaten te praten.
Toen verzoekster op 22 oktober het uitzendbureau bezocht heeft de medewerker
haar, net als in het telefoongesprek van 14 oktober 1991, verteld dat de
wederpartij haar aan de inlener had voorgedragen. Helaas is in dit gesprek
wellicht de indruk gewekt dat verzoekster niet zou zijn opgeroepen omdat de
inlener het liefst mannen wilde voor de functie. Als deze suggestie al
gewekt is,

dan is dit onjuist en ten onrechte.

3.11. Ten aanzien van de opmerking van de medewerker dat de wederpartij niet
werft voor inleners die een voorkeur voor een blanke uitspreken, maar wel
voor inleners die een voorkeur voor een man hebben, stelt de wederpartij het
volgende. Volgens de wederpartij heeft haar medewerker dit alleen gezegd
tijdens het gesprek van 22 oktober 1991 en niet, zoals verzoekster stelt,
tijdens het gesprek op

7 oktober 1991. De reden voor deze uitlating was dat de medewerker het erg
druk had en de discussie, die al een tijdje gaande was, snel wilde
beeindigen. Normaal gesproken zou deze zich niet laten verleiden tot het
maken van zo’n opmerking.

3.12. De wederpartij geeft aan dat de drie genoemde kandidaten door de
inlener zijn afgewezen. De vacatures waren ten tijde van de zitting nog niet
vervuld omdat het bedrijf intussen van eigenaar is veranderd. Op het moment
dat de vacatures weer vrijkomen, zal de wederpartij verzoekster zeker weer
bij de inlener onder de aandacht brengen.

Tot slot merkt de wederpartij op dat zij zich terdege bewust is van haar
verantwoordelijkheid met betrekking tot het vermijden van discriminerend
gedrag, zoals moge blijken uit de advertentie en uit de interne memo.

3.13. De wederpartij verzoekt de Commissie het oordeel, indien deze in het
nadeel van de wederpartij mocht uitvallen, niet openbaar te maken omdat er
sprake is van een incident.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding zijn de volgende vragen. Heeft de wederpartij jegens
verzoekster onderscheid naar geslacht gemaakt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168.)

1) bij de aanbieding van een betrekking en/of

2) bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking
en/of

3) bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB schrijft voor dat het niet is toegestaan bij de
aanbieding van een betrekking of bij de behandeling bij de vervulling van
een openstaande betrekking onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen.

Artikel 7A:1637ij BW bepaalt dat een werkgever geen onderscheid mag maken
tussen mannen en vrouwen, onder andere bij het aangaan van de
arbeidsovereenkomst.

Er mag alleen van de verboden in de artikelen 3 WGB en 7A:1637ij BW worden
afgeweken als er sprake is van een van de wettelijke uitzonderingsgronden
genoemd in de artikelen 5 lid 1 en 2 WGB, respectievelijk in 7A:1637ij lid
2,3 en 4 BW.

In de onderhavige zaak is gesteld noch gebleken dat een van deze wettelijke
uitzonderingsgronden van toepassing is.

4.3. Vooraleer de Commissie overgaat tot de onder 4.1. genoemde vragen,
merkt zij het volgende op.

De Commissie heeft eerder uitgesproken dat indien een uitzendbureau voor
iemand bemiddelt die door een inlener in dienst wordt genomen, er bij
normale uitzendsituaties zoals die worden beheerst door de collectieve
arbeidsovereenkomst voor arbeidskrachten, een arbeidsovereenkomst tussen het
uitzendbureau en de uitzendkracht ontstaat. Er ontstaat in dit soort
situaties dus niet een arbeidsovereenkomst tussen de uitzendkracht en de
inlener. De Commissie baseert zich hierbij op rechtspraak en literatuur
(Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 28
februari 1990, oordeelnummers 3-90-6 en 3-90-7). Op grond hiervan kan worden
gesteld dat de wederpartij, en dus niet de inlener, als potentiele werkgever
van verzoekster kan worden aangemerkt.

Blijkens de tekst van artikel 3 WGB en de Memorie van Toelichting op dit
artikel, richt artikel 3 zich zowel tot de werkgever als tot een derde die
door deze werkgever wordt betrokken bij de werving- en selectieprocedure.
(Tweede kamer, vergaderjaar 1986-1987, 19.908, nr. 3, blz. 18.

Zie ook Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid,
17 juni 1991, oordeelnummers 336A-91-35 en 336B-91-36.)

In beginsel is de werkgever verantwoordelijk voor de naleving van de WGB
voor het geheel van de wervings- de selectie- en de aanstellingsfase.
Daarnaast is een door de werkgever ingeschakelde derde verantwoordelijk voor
de naleving van de WGB voor dat deel van de procedure waar deze bij
betrokken is.

Aangezien de wederpartij in de onderhavige zaak zowel aan te merken is als
potentiele werkgever van verzoekster en als bemiddelaar voor de inlener, is
zij in tweeerlei opzicht gehouden om artikel 3 WBG na te leven.

4.4. Over de eerste in het geding zijnde vraag, waar het gaat om de
aanbieding van de betrekking, overweegt de Commissie als volgt.

Verzoekster stelt dat uit de advertentie niet duidelijk blijkt dat de
betreffende functie voor zowel mannen als vrouwen openstaat.

De Commissie heeft reeds eerder uitgesproken dat bij kennisneming van een
advertentie aanstonds duidelijk moet zijn dat elk van de functies
uitdrukkelijk zowel aan mannen als aan vrouwen wordt aangeboden (Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 15 oktober 1990,
324-90-131).

In de onderhavige advertentie staat een afbeelding van een man en een vrouw.

Tevens is in de advertentietekst aangegeven dat de wederpartij vacatures
m/v vervult. Het is weliswaar zo dat m/v niet zodanig is aangegeven dat het
onmiddelijk in het oog springt, maar de Commissie is van mening dat de
letters m/v in samenhang met de afbeelding, voldoende duidelijk aangeven dat
mannen en vrouwen voor de vacature in aanmerking komen.

Op grond hiervan is de Commissie van oordeel dat de advertentie op dit punt
aan de eisen van de Wet voldoet.

4.5. Over de tweede in het geding zijnde vraag, waar het gaat om de
behandeling bij de vervulling van de betrekking, overweegt de Commissie als
volgt.

Vaststaat dat de wederpartij verzoekster een of meermalen heeft meegedeeld
dat de inlener een voorkeur had voor een man. Die mededeling heeft ook het
gedrag van verzoekster beinvloed.

De wederpartij heeft zich niet nadrukkelijk van die voorkeur gedistantieerd
en/of de uitdrukkelijke verzekering gegeven dat zij jegens verzoekster geen
verboden onderscheid naar geslacht zou maken of dulden.

Voorts is niet komen vast te staan dat de wederpartij verzoekster bij de
inlener heeft aangemeld als kandidate. De overgelegde aantekeningen van de
medewerker zijn niet voor een interpretatie vatbaar. De inlener kan zich
niet herinneren dat verzoekster is aangemeld. De relevante fax-journaals
van de bewuste dag van 8 oktober 1991 zijn niet meer beschikbaar.

De Commissie concludeert dat de wederpartij, door verzoekster de bewuste
voorkeur van de inlener mee te delen en zelfs niet nadrukkelijk aan te geven
dat zij zich bij de vervulling van de vacature hiervan niets aantrok en geen
deugdelijk bewijs te leveren dat zij haar bij de inlener heeft voorgedragen,
in strijd heeft gehandeld met artikel 3 lid 1 WGB.

Gelet op deze met de WGB strijdige handelwijze komt het de Commissie voor
dat de wederpartij geen juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 93 lid
2 van de Arbeidsvoorzieningenwet. Dit wetsartikel verplicht de
vergunninghouder er toe om aan allen die behoren tot de categorieen van
arbeidskrachten voor wier terbeschikkingsstelling vergunning is verleend,
zijn diensten gelijkelijk te verlenen.

4.6. Wat betreft de derde in het geding zijnde vraag, waar het gaat om het
aangaan van de arbeidsovereenkomst, overweegt de Commissie als volgt.

Artikel 7A:1637ij BW heeft (onder andere) betrekking op de aanstellingsfase
van een sollicitatieprocedure.

De Commissie is van oordeel dat, aangezien er slechts gesprekken zijn
gevoerd met enkele potentiele kandidaten die allen zijn afgewezen, de
sollicitatieprocedure nog niet in de aanstellingsfase verkeerde en artikel
7A:1637ij BW derhalve niet van toepassing is.

4.7. Ten aanzien van het verzoek tot toepassing van artikel 14 lid 6 WGB en
het oordeel openbaar te maken, overweegt de Commissie dat de wederpartij,
zover haar bekend, artikel 3 WGB niet eerder heeft overtreden. De Commissie
ziet derhalve onvoldoende aanleiding voor toepassing van artikel 14 lid 6
WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het te
‘s-Hertogenbosch bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking jegens mevrouw te Maastricht onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt in strijd met artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

Aldus vastgesteld op 2 september 1992 naar aanleiding van de behandeling in
de raadkamer d.d. 8 juli 1992.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), dhr mr A.W. Heringa (lidKamer), dhr mr J.A.M.I. Hoens (plv.lid Kamer), dhr mr R.A.C.M. Langemeijer(lid Kamer), mw mr A.C. Possel (lid Kamer), mw mr A.K. de Jongh(adjunct-secretaris).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 2 september 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een werkgever heeft bij een intermediair (de wederpartij) een vacature
aangemeld, waarbij hij aangaf een lichte voorkeur voor een man te hebben. De
wederpartij heeft de voorkeur van de werkgever meegedeeld aan verzoekster,
die zich in de betreffende vacature geinteresseerd toonde. Aangezien de
wederpartij de werkgever er niet op heeft gewezen dat een voorkeur voor een
man wettelijk niet is toegestaan, noch dat zij zich van deze voorkeur in haar
bemiddeling niets aantrok en bovendien deze voorkeur aan verzoekster heeft
meegedeeld, heeft de wederpartij in strijd met de WGB gehandeld.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 13 maart 1992 verzocht mevrouw te ‘s- Hertogenbosch (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of het Centraal Bureau voor
de Arbeidsvoorziening te Rijswijk (hierna: de wederpartij)
onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Via het plaatselijke Arbeidsbureau vernam verzoekster dat er een
vacature was voor de functie van “beoordelaar WW” bij een bedrijfsvereniging.
Een consulent personeelsvoorziening van het Arbeidsbureau (hierna: de
consulent) liet verzoekster weten dat de bedrijfsvereniging een voorkeur voor
een man had uitgesproken voor de betreffende functie.

Verzoekster is van mening dat de wederpartij hierdoor in strijd heeft
gehandeld met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb.
1989, 168).

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. Verzoekster heeft gelijktijdig met het onderhavige verzoekschrift een
verzoekschrift ingediend waarbij zij als wederpartij de bedrijfsvereniging
aanwijst. In die zaak wordt eveneens een oordeel uitgebracht (Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, oordeelnummer
507A-92-46, 2 september 1992).

De Commissie heeft het verzoek van de wederpartij in behandeling genomen en
een onderzoek ingesteld. Zij heeft zowel bij de wederpartij als bij de
bedrijfsvereniging informatie opgevraagd. Partijen hebben ieder de
gelegenheid gehad hun standpunten schriftelijk toe te lichten.

2.2 De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen te verschijnen tijdens
een zitting op 8 juli 1992. Het verzoek met betrekking tot de wederpartij is
ter zitting gevoegd behandeld met het verzoek jegens de bedrijfsvereniging.
Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw

van de kant van de wederpartij

– mw mr (gemachtigde CBA)

– dhr (medewerker Arbeidsbureau ‘s- Hertogenbosch)

van de kant van de bedrijfsvereniging

– mw (assistent adjuncthoofd afdeling juridische
zaken)

– dhr (districtsmanager, tevens getuige in de zaak
)

van de kant van de Commissie

– mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)

– dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer)

– dhr mr J.A.M.I. Hoens (plv.lid Kamer)

– dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer)

– mw mr A.C. Possel (lid Kamer)

– mw mr A.K. de Jongh (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De districtsmanager van de bedrijfsvereniging heeft in januari 1992 een
vacature voor een “beoordelaar WW” aangemeld bij het Arbeidsbureau
‘s-Hertogenbosch, dat onder de wederpartij ressorteert. Hierbij heeft hij
aangegeven dat de bedrijfsvereniging, gelet op de samenstelling van het team,
bij gelijke geschiktheid van kandidaten een voorkeur had voor een man. Hij
heeft hierbij vermeld dat dit niet wilde zeggen dat vrouwen niet konden
solliciteren, daar het in eerste instantie ging om de kwaliteiten van de
persoon die de vacature zou gaan vervullen. De wens een man voor de vacature
aan te trekken was aan de districtsmanager te kennen gegeven door het team
waarbinnen de vacature was ontstaan. Het team bestond uit vier vrouwen en
twee mannen.

Het Arbeidsbureau heeft niet tegen de districtsmanager gezegd dat een
voorkeur voor mannen wettelijk verboden is.

In het informatiecentrum van het Arbeidsbureau is bovengenoemde vacature
bekend gemaakt.

Bovenin de vacaturetekst stond bij de gevraagde functie: “MEDEW. BEOORDELEN
VAN WW-AANVRAGEN”. In deze tekst stond nergens uitdrukkelijk vermeld dat
zowel mannen als vrouwen in aanmerking kwamen voor de functie. De
vacaturetekst vermeldde evenmin dat de voorkeur naar een man uitging.

3.2. Naar aanleiding van deze vacaturetekst heeft verzoekster op 5 maart 1992
een consulent personeelsvoorziening van het Arbeidsbureau om meer informatie
over de vacature gevraagd. De taak van de consulent is, om in gesprekken met
geinteresseerde werkzoekenden functies toe te lichten, bijzondere wensen van
de werkgever te vermelden, en na te gaan in hoeverre een geinteresseerde een
geschikte kandidaat zou zijn voor de betreffende vacature.

In het gesprek met verzoekster over de onderhavige vacature liet de consulent
haar weten dat de bedrijfsvereniging in dit geval een voorkeur voor een man
had. Verzoekster heeft de consulent erop gewezen dat de Wet verbiedt om bij
de vervulling van een vacature een voorkeur voor een man uit te spreken.
Hierop heeft de consulent geantwoord dat in een aantal gevallen de voorkeur
voor een man wel mag worden aangegeven.

Naar aanleiding van bovengenoemde opmerkingen van de consulent heeft
verzoekster afgezien van het vragen om nadere informatie over de functie en
heeft zij ook geen gegevens van zichzelf meer achtergelaten. De
personeelsconsulent kon haar daarom niet doorverwijzen naar de
bedrijfsvereniging.

3.3. Voor bovengenoemde vacature heeft het Arbeidsbureau acht mannen en vier
vrouwen doorverwezen naar de bedrijfsvereniging. Verzoekster bevond zich niet
onder deze kandidaten. De bedrijfsvereniging heeft vervolgens gesprekken
gevoerd met vijf kandidaten, waaronder drie mannen en twee vrouwen. De meest
geschikte kandidaat was een vrouw. Voordat zij kon worden benoemd trok zij
zich echter terug uit de sollicitatieprocedure. Aangezien er verder geen
geschikte kandidaten bij waren, heeft de bedrijfsvereniging een advertentie
laten plaatsen in een regionaal dagblad. In deze advertentie stond aangegeven
dat de bedrijfsvereniging zocht naar een “Beoordelaar werkloosheidswet
(m/v)”. In de advertentie was geen voorkeur voor een man vermeld.

Naar aanleiding van de advertentie zijn op 9 april 1992 de eerste
sollicitatiegesprekken gevoerd. Er zijn twee kandidaten overgebleven: een man
en een vrouw. Uiteindelijk is de mannelijke kandidaat benoemd.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster is van mening dat het Arbeidsbureau onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt bij de behandeling bij de vervulling van een
openstaande betrekking en daarmee in strijd heeft gehandeld met de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Volgens verzoekster is het
Arbeidsbureau ten onrechte ingegaan op de discriminatoire wens van de
bedrijfsvereniging.

Wat betreft de opmerking van de wederpartij dat de consulent slechts gezegd
zou hebben dat de bedrijfsvereniging een ‘lichte’ voorkeur had uitgesproken
voor een man, stelt verzoekster dat de consulent vrij stellig heeft
aangegeven dat de bedrijfsvereniging een voorkeur voor een man had. Naar de
mening van verzoekster is de reden die de bedrijfsvereniging heeft opgegeven
voor een voorkeur voor een man, namelijk de samenstelling van het team, niet
steekhoudend.

Verzoekster vindt het vreemd dat de consulent niet tegen de
bedrijfsvereniging heeft gezegd dat een voorkeur voor mannen wettelijk
verboden is. Ook verbaast verzoekster zich over het feit dat de consulent
kennelijk niet voldoende op de hoogte is van de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

Naar aanleiding van het feit dat er door het arbeidsbureau vier vrouwen zijn
doorverwezen naar de bedrijfsvereniging, wijst verzoekster er op dat het
juist de vraag is hoeveel vrouwen evenals zijzelf zijn afgeschrikt door de
aangekondigde voorkeursbehandeling van de bedrijfsvereniging en van een
sollicitatie hebben afgezien.

3.5. De wederpartij stelt dat de opdrachtgever zo’n lichte voorkeur voor een
man had uitgesproken, dat de consulent geen aanleiding zag hier op in te
gaan. De consulent erkent overigens dat hij verkeerd heeft gehandeld. Hij
wist niet dat ook een lichte voorkeur voor mannen wettelijk verboden is.

De consulent meende in de vacature geinteresseerde vrouwen te moeten
informeren over de voorkeur van de bedrijfsvereniging. Reden hiervoor was dat
uit de praktijk was gebleken dat, met name langdurig werklozen die al veel
teleurstellingen hebben gehad op het gebied van solliciteren, bij een nieuwe
teleurstelling sneller gedemotiveerd raken.

Naar de inschatting van de consulent zijn er meer vrouwen geweest die door
zijn opmerking over de voorkeur van de bedrijfsvereniging voor een man hebben
afgezien van een sollicitatie naar bovengenoemde functie.

De wederpartij stelt dat zij een strikt beleid ten aanzien van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen hanteert. Dit beleid is gebaseerd op de
verantwoordelijkheid van de wederpartij voor de werving- en selectiefase van
de sollicitatieprocedure. De beleidsregels van de wederpartij schrijven voor
dat indien een opdrachtgever een voorkeur voor een man uitspreekt de
medewerkers van het Arbeidsbureau aan de opdrachtgever dienen mee te delen
dat zo’n voorkeur verboden is. Indien de opdrachtgever volhardt in zijn
voorkeur geldt de regel dat voor deze opdracht niet verder wordt bemiddeld.

Voorts stelt de wederpartij dat zij zich houdt aan een landelijk meerjarig
beleidskader, waarin extra aandacht wordt besteed aan het verbeteren van de
positie van vrouwen op de arbeidsmarkt. De wederpartij neemt allerlei
initiatieven om gelijke behandeling van mannen en vrouwen te bevorderen. Dit
blijkt onder andere uit het feit dat zij een bulletin uitgeeft waarin zij
aandacht besteed aan oordelen van de Commissie. Verder wordt de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen behandeld bij introductiecursussen voor
nieuwe medewerkers. De wederpartij erkent dat desondanks kennelijk nog niet
al haar medewerkers weten dat ook een lichte voorkeur voor mannen in strijd
is met de Wet.

Volgens de wederpartij is het niet zo dat Arbeidsbureaus structureel in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling handelen. Er is hier weliswaar
geen onderzoek naar verricht, maar zij concludeert uit het aantal klachten
dat haar bereikt dat dit slechts incidenteel voorkomt.

Wat betreft de vacaturetekst uit het informatiecentrum van het Arbeidsbureau,
stelt de wederpartij dat hieruit duidelijk blijkt dat zowel mannen als
vrouwen voor deze vacature in aanmerking komen.

De wederpartij stelt dat in haar vacatureteksten meestal expliciet wordt
aangegeven dat een functie zowel voor mannen en als voor vrouwen openstaat.
De reden waarom dit in het onderhavige geval niet is gebeurd is niet dat de
bedrijfsvereniging een voorkeur voor een man had, maar dat er sprake was van
ruimtegebrek.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de behandeling bij de vervulling van een
openstaande betrekking door de voorkeur van de opdrachtgever voor een man
kenbaar te maken.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB schrijft voor dat het niet is toegelaten bij de
behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking onderscheid te
maken tussen mannen en vrouwen.

Artikel 3 lid 2 WGB bepaalt dat alleen in geval van een wettelijk toegelaten
uitzonderingsgrond van dit verbod mag worden afgeweken.

Zo bepaalt artikel 5 lid 2 WGB dat van het verbod op het maken van
onderscheid mag worden afgeweken in die gevallen waarin het geslacht bepalend
is voor de functie.

Verder schrijft artikel 5 lid 1 WGB voor dat van de norm van gelijke
behandeling in artikel 3 WGB mag worden afgeweken indien het gemaakte
onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde
feitelijke ongelijkheden op te heffen.

De wet staat een voorkeursbehandeling voor mannen niet toe. Ook een ‘lichte’
voorkeur voor mannen mag derhalve niet worden uitgesproken.

De beperking van voorkeursbeleid tot vrouwen betreft een bewuste keuze van
de wetgever. De betrokken ministers merkten tijdens de parlementaire
behandeling van de herziening van de WGB het volgende op (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1987-1988, nr. 6, blz. 2):

“Gelet op de huidige positie van vrouwen, zowel wat betreft de deelname aan
de arbeid als wat betreft de spreiding over functies en beroepen en de
niveau’s daarbinnen, verkeren vrouwen nog steeds in een achterstandssituatie.
Dit is een belangrijke overweging geweest voor de beperking van de
voorkeursbehandeling tot vrouwen. De huidige algemene arbeidssituatie van
mannen is anderzijds zodanig dat er geen grond zal zijn om een beroep te doen
op deze uitzondering om feitelijke ongelijkheden op te heffen. Het achterwege
laten van een toepassingsmogelijkheid voor mannen in individuele gevallen
achten wij met het oog op de algemene achterstandssituatie van vrouwen
alleszins verantwoord. Hierbij zij tevens opgemerkt dat het percentage mannen
dat in “vrouwenberoepen” werkzaam is sneller gestegen is dan dat van vrouwen
in “mannenberoepen”.[ …]”

4.3. Er is in deze zaak geen sprake van een voorkeursbeleid voor vrouwen,
noch is gebleken of gesteld dat de onderhavige functie geslachtsbepaald zou
kunnen zijn.

4.4. Blijkens de tekst van artikel 3 WGB en de Memorie van Toelichting op dit
artikel, richt artikel 3 zich zowel tot de werkgever als tot alle anderen die
bij de wervings- en selectieprocedure betrokken zijn (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1986-1987, 19.908, nr. 3, blz. 18. Zie ook Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 17 juni 1991, oordeelnummers
336A-91-35 en 336B-91-36).

Zoals de Commissie al eerder heeft uitgesproken heeft de wederpartij als
instantie die in opdracht van derden diensten verleent bij werving en
selectie van kandidaten dan ook een eigen verantwoordelijkheid voor de
naleving van artikel 3 WGB voor die onderdelen van de werving en selectie
waarbij zij betrokken is.

4.5. Vast staat dat de wederpartij de opdrachtgever niet heeft aangegeven
dat een voorkeur voor een man wettelijk niet is toegestaan. Ook staat vast
dat zij in ieder geval verzoekster, en overigens ook andere geinteresseerde
vrouwen, heeft meegedeeld dat de opdrachtgever een voorkeur had voor een man
in verband met de samenstelling van het team. Die mededeling heeft zeker het
gedrag van verzoekster -en wellicht ook andere geinteresseerde vrouwen-
beinvloed, in de zin dat zij zelfs niet verder informeerde naar de
functie-inhoud om een eventuele doorverwijzing te overwegen.

Ondanks het feit dat verzoekster naar voren bracht dat een dergelijke
voorkeur wettelijk niet is toegestaan, heeft de wederpartij zich niet van
deze voorkeur gedistantieerd en/of de nadrukkelijke verzekering gegeven dat
zij in haar bemidddelende taak jegens verzoekster geen verboden onderscheid
naar geslacht zou maken. Daarmee handelde de wederpartij overigens in strijd
met haar eigen beleid.

De Commissie concludeert dat de wederpartij, door verzoekster de bewuste
voorkeur van de opdrachtgever mee te delen en niet nadrukkelijk aan te geven
dat zij zich hier in haar bemiddeling niets van aantrok en zelfs niet te
erkennen dat deze voorkeur wettelijk niet is toegestaan, in strijd heeft
gehandeld met artikel 3 lid 1 WGB.

4.6. De Commissie wijst ten overvloede op het volgende. De wederpartij stelt
dat uit de vacaturetekst die in het informatiecentrum van het Arbeidsbureau
was bekend gemaakt, duidelijk blijkt dat zowel mannen als vrouwen voor deze
vacature in aanmerking kwamen.

De Commissie wijst op artikel 3 lid 4 WGB. Dit artikel schrijft voor dat,
indien voor de aangeboden betrekking een functiebenaming wordt gebruikt,
zowel de mannelijke als de vrouwelijke vorm moet worden gebruikt of
uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel vrouwen als mannen voor de
functie in aanmerking komen.

In de onderhavige vacaturetekst staat bij de gevraagde functie: “MEDEW.
BEOORDELEN VAN WW-AANVRAGEN”. Er staat echter, in afwijking van het voornoemd
wettelijk voorschrift, nergens in de vacaturetekst vermeld dat de functie
voor zowel vrouwen als mannen openstond, noch zijn zowel de mannelijke als
de vrouwelijke functiebenamingen aangegeven.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het Centraal Bureau voor de
Arbeidsvoorziening te Rijswijk jegens mevrouw te ‘s-Hertogenbosch bij de
behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

Aldus vastgesteld op 2 september 1992 naar aanleiding van de behandeling in
de raadkamer op 8 juli 1992.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), dhr mr A.W. Heringa (lidKamer), dhr mr J.A.M.I. Hoens (plv.lid Kamer), dhr mr R.A.C.M. Langemeijer(lid Kamer), mw mr A.C. Possel (lid Kamer), mw mr A.K. de Jongh (adjunct-secretaris).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 2 september 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een werkgever heeft een vacature bij het arbeidsbureau aangemeld.
Hierbij heeft hij aangegeven, gelet op de samenstelling van het team, bij
gelijke geschiktheid een lichte voorkeur voor een man te hebben. Strijd met de
wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 13 maart 1992 verzocht mevrouw te

‘s-Hertogenbosch (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag
of de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen te
‘s-Hertogenbosch (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft
gemaakt op grond van geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

1.2. Via het plaatselijke Arbeidsbureau vernam verzoekster dat er een
vacature was voor de functie van “beoordelaar WW” bij de wederpartij. Een
consulent personeelsvoorziening van het Arbeidsbureau liet haar weten dat de
wederpartij een voorkeur voor een man had uitgesproken voor de betreffende
functie.

Verzoekster is van mening dat de wederpartij hierdoor in strijd heeft
gehandeld met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid
(WGB; Stb. 1989, 168).

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. Verzoekster heeft gelijktijdig met het onderhavige verzoek een
verzoekschrift ingediend waarbij zij als wederpartij het Centraal Bureau voor
de Arbeidsvoorziening (CBA) aanwijst. In die zaak wordt eveneens een oordeel
uitgebracht (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, oordeelnummer 47, 2 september 1992). De Commissie heeft het verzoek
van de wederpartij in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld. Zij
heeft zowel bij de wederpartij als bij het informatie opgevraagd.

Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun standpunten schriftelijk
toe te lichten.

2.2 De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op

8 juli 1992. Het verzoek met betrekking tot de wederpartij is ter
zitting gevoegd behandeld met het verzoek jegens het .

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw (verzoekster)

van de kant van de wederpartij

– mw (assistent adjuncthoofd afdeling juridische zaken)

– dhr (districtsmanager)

van de kant van het Centraal Bureau voor de Arbeidsvoorziening

– mw mr (gemachtigde CBA)

– dhr (medewerker Arbeidsbureau ‘s-Hertogenbosch)

van de kant van de Commissie

– mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)

– dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer)

– dhr mr J.A.M.I. Hoens (plv.lid Kamer)

– dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer)

– mw mr A.C. Possel (lid Kamer)

– mw mr A.K. de Jongh (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De districtsmanager van de wederpartij heeft in januari 1992 een
vacature voor een beoordelaar WW aangemeld bij het Regionaal Bureau voor de
Arbeidsvoorziening. Hierbij heeft hij aangegeven dat de wederpartij, gelet op
de samenstelling van het team, bij gelijke geschiktheid van kandidaten een
lichte voorkeur voor een man had. Deze wens was aan de districtsmanager van de
wederpartij te kennen gegeven door het team waarin de vacature was ontstaan.
Het team bestond uit vier vrouwen en twee mannen. De districtsmanager van de
wederpartij heeft niet negatief gereageerd op deze wens van het team.

In het informatiecentrum van het Arbeidsbureau ‘s-Hertogenbosch is de
vacature bekend gemaakt. Bovenin de vacaturetekst stond bij de gevraagde
functie: “MEDEW. BEOORDELEN VAN WW-AANVRAGEN”. In de vacaturetekst werd
nergens vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking kwamen voor de
functie. De vacaturetekst vermeldde evenmin dat de voorkeur uitging naar een
man.

3.2. Naar aanleiding van deze vacaturetekst heeft verzoekster op 5 maart
1992 een consulent personeelsvoorziening van het Arbeidsbureau om meer
informatie omtrent deze vacature gevraagd. De consulent liet verzoekster weten
dat de wederpartij, die de opdracht had gegeven om mensen te werven voor de
betreffende vacature, een voorkeur voor een man had uitgesproken.

Verzoekster heeft de consulent erop gewezen dat de Wet verbiedt om bij
de vervulling van een vacature een voorkeur voor een man uit te spreken.
Hierop heeft de consulent geantwoord dat in een aantal gevallen de voorkeur
voor een man wel mag worden aangegeven.

Naar aanleiding van de vermelding van de consulent dat de wederpartij
een voorkeur voor een man had, heeft verzoekster afgezien van het vragen om
nadere informatie over de functie en heeft zij ook geen gegevens van zichzelf
meer achtergelaten. De personeelconsulent kon haar daarom niet doorverwijzen
naar de wederpartij.

3.3. Voor bovengenoemde vacature zijn acht mannen en vier vrouwen
doorverwezen naar de wederpartij. Verzoekster bevond zich niet onder deze
kandidaten. De wederpartij heeft vervolgens gesprekken gevoerd met vijf
kandidaten, waaronder drie mannen en twee vrouwen. De meest geschikte
kandidaat was een vrouw. Voordat zij kon worden benoemd trok zij zich echter
terug uit de sollicitatieprocedure. Aangezien er verder geen geschikte
kandidaten waren, heeft de wederpartij een advertentie laten plaatsen in een
regionaal dagblad. In deze advertentie stond aangegeven dat de wederpartij
zocht naar een “Beoordelaar werkloosheidswet (m/v)”.

Naar aanleiding van de advertentie zijn op 9 april 1992 de eerste
sollicitatiegesprekken gevoerd. Er zijn twee kandidaten overgebleven: een man
en een vrouw. Uiteindelijk is de mannelijke kandidaat benoemd.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster is van mening dat de wederpartij onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt bij de behandeling bij de vervulling van een
openstaande betrekking en daarmee in strijd heeft gehandeld met de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

Naar de mening van verzoekster is de reden die de wederpartij heeft
opgegeven voor een voorkeur voor een man, namelijk de samenstelling van het
team, niet steekhoudend.

Volgens verzoekster handelt de wederpartij in strijd met de Wet door een
voorkeur voor een man uit te spreken voor de bovengenoemde functie.

3.5. De wederpartij stelt het volgende. In principe maakt zij geen
onderscheid naar geslacht bij de aanbieding en vervulling van vacatures. Er
wordt door de wederpartij een actief beleid gevoerd om gelijke kansen voor
mannen en vrouwen te bevorderen, zoals voorgeschreven in het Protocol Sociaal
Beleid en Werkgelegenheid. Dit Protocol maakt deel uit van een CAO waar de
wederpartij aan gebonden is. Bij de vervulling van hogere posities wordt,
gezien de feitelijke achterstand van vrouwen op de arbeidsmarkt, de voorkeur
aan vrouwen gegeven en worden zij uitdrukkelijk uitgenodigd te solliciteren.
Met name de laatste jaren zijn er bij de wederpartij meer vrouwen op hogere
posities aangenomen.

Bij de vervulling van een vacature adviseert de afdeling personeelszaken
van de wederpartij omtrent de te benoemen kandidaat en hanteert daarbij geen
voorkeur voor mannen of vrouwen. De voorkeur voor een man die in de
onderhavige zaak is uitgesproken, is een uitzondering op het normale beleid
van de wederpartij.

3.6. De wederpartij stelt dat zij in het onderhavige geval van plan was
de beste kandidaat aan te stellen. Zij stelt dat de voorkeur voor een man, die
de afdeling had uitgesproken, geen invloed heeft gehad op de
selectieprocedure. Het was niet bij voorbaat uitgesloten dat er een vrouw
benoemd zou worden. Het was de bedoeling om uiteindelijk, aan het einde van de
selectieprocedure, bij gelijk gekwalificeerde kandidaten van verschillende
sekse de voorkeur aan een man te geven.

De districtsmanager van de wederpartij stelt dat hij niet wist dat een
voorkeursbehandeling voor mannen niet is toegestaan. Als hij hier wel van op
de hoogte was geweest had hij dit meegedeeld aan de afdeling die een voorkeur
voor een man had uitgesproken.

De wederpartij betreurt dat er een voorkeur voor een man is uitgesproken
en dat dit is doorgegeven aan het Regionaal Bureau voor de Arbeidsvoorziening.
Ook spijt het de wederpartij dat verzoekster hierdoor niet op de bovengenoemde
vacature heeft gesolliciteerd. Indien verzoekster wel was doorverwezen zou zij
als serieuze kandidaat zijn beschouwd.

Ter zitting heeft de wederpartij aangeboden om, indien verzoekster nog
geen passende functie heeft, te zoeken naar mogelijkheden om binnen haar
organisatie alsnog een (tijdelijke) baan voor haar te vinden.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij door voor de vacature van
“beoordelaar WW” een voorkeur voor een man uit te spreken, jegens verzoekster
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

4.2. Blijkens de tekst van artikel 3 WGB en de Memorie van Toelichting
op dit artikel, richt artikel 3 zich zowel tot de werkgever als tot een derde
die door deze werkgever wordt betrokken bij de wervings- en selectieprocedure
(Tweede Kamer, vergaderjaar 1986-1987, 19.908, nr. 3, blz. 18. Zie ook
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 17 juni
1991, oordeelnummers 336A-91-35 en 336B-91- 36).

In beginsel is de werkgever verantwoordelijk voor de naleving van de WGB
voor het geheel van de wervings-, de selectie- en de aanstellingsfase.
Daarnaast is een door de werkgever ingeschakelde derde aanspreekbaar op de
naleving van de WGB voor dat deel van de sollicitatieprocedure waar deze bij
betrokken is. De verantwoordelijkheid van de derde voor het naleven van de WGB
heft de eigen verantwoordelijkheid van de werkgever dus niet op.

Dit geldt voor de werving via alle intermediairs, dus ook voor de
werving via een arbeidsbureau.

4.3. Artikel 3 lid 1 WGB schrijft voor dat het niet is toegelaten bij de
behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking onderscheid te
maken tussen mannen en vrouwen.

Artikel 3 lid 2 WGB bepaalt dat alleen in geval van een wettelijk
toegestane uitzonderingsgrond van dit verbod mag worden afgeweken.

Artikel 5 lid 2 WGB bepaalt dat van het verbod op het maken van
onderscheid mag worden afgeweken in die gevallen waarin het geslacht bepalend
is voor de functie.

Artikel 5 lid 1 WGB schrijft voor dat van de norm van gelijke
behandeling in artikel 3 WGB mag worden afgeweken, indien het gemaakte
onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde
feitelijke ongelijkheden op te heffen.

4.4. Uit de parlementaire behandeling van de herziening van de WGB
blijkt dat de in het laatstgenoemde artikellid vermelde beperking een bewuste
keuze van de wetgever is geweest. De visie van de betrokken ministers, welke
door de Tweede Kamer wordt ondersteund, wordt in de Memorie van Antwoord
(Tweede Kamer, vergaderjaar 1987-1988, 19.908, nr. 6, blz. 2) als volgt
verwoord:

“Gelet op de huidige positie van vrouwen, zowel wat betreft de deelname
aan de arbeid als wat betreft de spreiding over functies en beroepen en de
niveau’s daarbinnen, verkeren vrouwen nog steeds in een achterstandssituatie.
Dit is een belangrijke overweging geweest voor de beperking van de
voorkeursbehandeling tot vrouwen. De huidige algemene arbeidssituatie van
mannen is anderzijds zodanig dat er geen grond zal zijn om een beroep te doen
op deze uitzondering om feitelijke ongelijkheden op te heffen. Het achterwege
laten van een toepassingsmogelijkheid voor mannen in individuele gevallen
achten wij met het oog op de algemene achterstandssituatie van vrouwen
alleszins verantwoord. Hierbij zij tevens opgemerkt dat het percentage mannen
dat in “vrouwenberoepen” werkzaam is sneller gestegen is dan dat van vrouwen
in “mannenberoepen”.[…]”

Gezien de wettekst en de achterliggende bedoeling daarvan met betrekking
tot dit aspect van voorkeursbeleid, is een voorkeursbehandeling van mannen
niet toegestaan. Een ‘lichte’ voorkeur voor mannen mag derhalve ook niet
worden uitgesproken.

4.5. De wederpartij heeft verklaard dat bij gelijke capaciteiten de
voorkeur uitging naar een man. Als redenen hiervoor wijst zij op de
personeelsopbouw van de afdeling waar de vacature was ontstaan en de wens van
de betreffende afdeling om de vacature door een man te laten vervullen.

Indien en voor zover deze redenen zijn aan te merken als een beroep op
een voorkeursbehandeling, merkt de Commissie op dat voorkeursbehandeling van
mannen strijdig is met artikel 5

lid 1 WGB, dat slechts voorkeursbeleid voor vrouwen toestaat.

Gesteld noch gebleken is dat er in dit geval sprake is van een
geslachtsbepaalde functie.

Hiermee staat vast dat de wederpartij door een voorkeur voor een man uit
te spreken onderscheid naar geslacht heeft gemaakt bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking in strijd met de WGB.

4.6. De wederpartij heeft aangegeven dat zij een actief beleid voert om
gelijke kansen voor mannen en vrouwen te bevorderen. Ook heeft zij naar voren
gebracht dat zij spijt heeft van haar wijze van handelen in de onderhavige
zaak en heeft zij verzoekster aangeboden te zoeken naar mogelijkheden om
binnen haar organisatie een (tijdelijke) baan voor haar te vinden.

Ofschoon dit niet als rechtvaardiging kan dienen voor het maken van
onderscheid naar geslacht, wil de Commissie haar waardering uitspreken voor de
intenties en inspanningen van de wederpartij.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Bedrijfsvereniging voor
Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen te ‘s-Hertogenbosch door bij de
behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking een voorkeur voor
een man uit te spreken, jegens mevrouw te ‘s- Hertogenbosch
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel 3 lid 1 van de
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Aldus vastgesteld op 2 september 1992 naar aanleiding van de
behandeling in de raadkamer d.d. 8 juli 1992.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), dhr mr A.W. Heringa (lidKamer), dhr mr J.A.M.I. Hoens (plv.lid Kamer), dhr mr R.A.C.M. Langemeijer(lid Kamer), mw mr A.C. Possel (lid Kamer), mw mr A.K. de Jongh(adjunct-secretaris).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 2 september 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een werkgever heeft een vacature bij het arbeidsbureau aangemeld.
Hierbij heeft hij aangegeven, gelet op de samenstelling van het team, bij
gelijke geschiktheid een lichte voorkeur voor een man te hebben. Strijd met
de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 13 maart 1992 verzocht mevrouw te

‘s-Hertogenbosch (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag
of de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen te
‘s-Hertogenbosch (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft
gemaakt op grond van geslacht in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Via het plaatselijke Arbeidsbureau vernam verzoekster dat er een
vacature was voor de functie van “beoordelaar WW” bij de wederpartij. Een
consulent personeelsvoorziening van het Arbeidsbureau liet haar weten dat
de wederpartij een voorkeur voor een man had uitgesproken voor de
betreffende functie.

Verzoekster is van mening dat de wederpartij hierdoor in strijd heeft
gehandeld met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid
(WGB; Stb. 1989, 168).

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. Verzoekster heeft gelijktijdig met het onderhavige verzoek een
verzoekschrift ingediend waarbij zij als wederpartij het Centraal Bureau
voor de Arbeidsvoorziening (CBA) aanwijst. In die zaak wordt eveneens een
oordeel uitgebracht (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid, oordeelnummer 47, 2 september 1992). De Commissie heeft het
verzoek van de wederpartij in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld.
Zij heeft zowel bij de wederpartij als bij het informatie opgevraagd.

Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun standpunten schriftelijk toe
te lichten.

2.2 De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd hun standpunten nader
toe te lichten tijdens een zitting op

8 juli 1992. Het verzoek met betrekking tot de wederpartij is ter zitting
gevoegd behandeld met het verzoek jegens het .

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw (verzoekster)

van de kant van de wederpartij

– mw (assistent adjuncthoofd afdeling juridische
zaken)

– dhr (districtsmanager)

van de kant van het Centraal Bureau voor de Arbeidsvoorziening

– mw mr (gemachtigde CBA)

– dhr (medewerker Arbeidsbureau ‘s-Hertogenbosch)

van de kant van de Commissie

– mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)

– dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer)

– dhr mr J.A.M.I. Hoens (plv.lid Kamer)

– dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (lid Kamer)

– mw mr A.C. Possel (lid Kamer)

– mw mr A.K. de Jongh (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De districtsmanager van de wederpartij heeft in januari 1992 een
vacature voor een beoordelaar WW aangemeld bij het Regionaal Bureau voor de
Arbeidsvoorziening. Hierbij heeft hij aangegeven dat de wederpartij, gelet
op de samenstelling van het team, bij gelijke geschiktheid van kandidaten een
lichte voorkeur voor een man had. Deze wens was aan de districtsmanager van
de wederpartij te kennen gegeven door het team waarin de vacature was
ontstaan. Het team bestond uit vier vrouwen en twee mannen. De
districtsmanager van de wederpartij heeft niet negatief gereageerd op deze
wens van het team.

In het informatiecentrum van het Arbeidsbureau ‘s-Hertogenbosch
is de vacature bekend gemaakt. Bovenin de vacaturetekst stond bij de
gevraagde functie: “MEDEW. BEOORDELEN VAN WW-AANVRAGEN”. In de vacaturetekst
werd nergens vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking kwamen voor
de functie. De vacaturetekst vermeldde evenmin dat de voorkeur uitging naar
een man.

3.2. Naar aanleiding van deze vacaturetekst heeft verzoekster op 5 maart 1992
een consulent personeelsvoorziening van het Arbeidsbureau om meer informatie
omtrent deze vacature gevraagd. De consulent liet verzoekster weten dat de
wederpartij, die de opdracht had gegeven om mensen te werven voor de
betreffende vacature, een voorkeur voor een man had uitgesproken.

Verzoekster heeft de consulent erop gewezen dat de Wet verbiedt om bij de
vervulling van een vacature een voorkeur voor een man uit te spreken. Hierop
heeft de consulent geantwoord dat in een aantal gevallen de voorkeur voor een
man wel mag worden aangegeven.

Naar aanleiding van de vermelding van de consulent dat de wederpartij een
voorkeur voor een man had, heeft verzoekster afgezien van het vragen om
nadere informatie over de functie en heeft zij ook geen gegevens van zichzelf
meer achtergelaten. De personeelconsulent kon haar daarom niet doorverwijzen
naar de wederpartij.

3.3. Voor bovengenoemde vacature zijn acht mannen en vier vrouwen
doorverwezen naar de wederpartij. Verzoekster bevond zich niet onder deze
kandidaten. De wederpartij heeft vervolgens gesprekken gevoerd met vijf
kandidaten, waaronder drie mannen en twee vrouwen. De meest geschikte
kandidaat was een vrouw. Voordat zij kon worden benoemd trok zij zich echter
terug uit de sollicitatieprocedure. Aangezien er verder geen geschikte
kandidaten waren, heeft de wederpartij een advertentie laten plaatsen in een
regionaal dagblad. In deze advertentie stond aangegeven dat de wederpartij
zocht naar een “Beoordelaar werkloosheidswet (m/v)”.

Naar aanleiding van de advertentie zijn op 9 april 1992 de eerste
sollicitatiegesprekken gevoerd. Er zijn twee kandidaten overgebleven: een man
en een vrouw. Uiteindelijk is de mannelijke kandidaat benoemd.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster is van mening dat de wederpartij onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking en daarmee in strijd heeft gehandeld met de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

Naar de mening van verzoekster is de reden die de wederpartij heeft opgegeven
voor een voorkeur voor een man, namelijk de samenstelling van het team, niet
steekhoudend.

Volgens verzoekster handelt de wederpartij in strijd met de Wet door een
voorkeur voor een man uit te spreken voor de bovengenoemde functie.

3.5. De wederpartij stelt het volgende. In principe maakt zij geen
onderscheid naar geslacht bij de aanbieding en vervulling van vacatures. Er
wordt door de wederpartij een actief beleid gevoerd om gelijke kansen voor
mannen en vrouwen te bevorderen, zoals voorgeschreven in het Protocol Sociaal
Beleid en Werkgelegenheid. Dit Protocol maakt deel uit van een CAO waar de
wederpartij aan gebonden is. Bij de vervulling van hogere posities wordt,
gezien de feitelijke achterstand van vrouwen op de arbeidsmarkt, de voorkeur
aan vrouwen gegeven en worden zij uitdrukkelijk uitgenodigd te solliciteren.
Met name de laatste jaren zijn er bij de wederpartij meer vrouwen op hogere
posities aangenomen.

Bij de vervulling van een vacature adviseert de afdeling personeelszaken van
de wederpartij omtrent de te benoemen kandidaat en hanteert daarbij geen
voorkeur voor mannen of vrouwen. De voorkeur voor een man die in de
onderhavige zaak is uitgesproken, is een uitzondering op het normale beleid
van de wederpartij.

3.6. De wederpartij stelt dat zij in het onderhavige geval van plan was de
beste kandidaat aan te stellen. Zij stelt dat de voorkeur voor een man, die
de afdeling had uitgesproken, geen invloed heeft gehad op de
selectieprocedure. Het was niet bij voorbaat uitgesloten dat er een vrouw
benoemd zou worden. Het was de bedoeling om uiteindelijk, aan het einde van
de selectieprocedure, bij gelijk gekwalificeerde kandidaten van verschillende
sekse de voorkeur aan een man te geven.

De districtsmanager van de wederpartij stelt dat hij niet wist dat een
voorkeursbehandeling voor mannen niet is toegestaan. Als hij hier wel van op
de hoogte was geweest had hij dit meegedeeld aan de afdeling die een voorkeur
voor een man had uitgesproken.

De wederpartij betreurt dat er een voorkeur voor een man is uitgesproken en
dat dit is doorgegeven aan het Regionaal Bureau voor de Arbeidsvoorziening.
Ook spijt het de wederpartij dat verzoekster hierdoor niet op de
bovengenoemde vacature heeft gesolliciteerd. Indien verzoekster wel was
doorverwezen zou zij als serieuze kandidaat zijn beschouwd.

Ter zitting heeft de wederpartij aangeboden om, indien verzoekster nog geen
passende functie heeft, te zoeken naar mogelijkheden om binnen haar
organisatie alsnog een (tijdelijke) baan voor haar te vinden.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij door voor de vacature van
“beoordelaar WW” een voorkeur voor een man uit te spreken, jegens verzoekster
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

4.2. Blijkens de tekst van artikel 3 WGB en de Memorie van Toelichting op dit
artikel, richt artikel 3 zich zowel tot de werkgever als tot een derde die
door deze werkgever wordt betrokken bij de wervings- en selectieprocedure
(Tweede Kamer, vergaderjaar 1986-1987, 19.908, nr. 3, blz. 18. Zie ook
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 17 juni
1991, oordeelnummers 336A-91-35 en 336B-91- 36).

In beginsel is de werkgever verantwoordelijk voor de naleving van de WGB voor
het geheel van de wervings-, de selectie- en de aanstellingsfase. Daarnaast
is een door de werkgever ingeschakelde derde aanspreekbaar op de naleving van
de WGB voor dat deel van de sollicitatieprocedure waar deze bij betrokken is.
De verantwoordelijkheid van de derde voor het naleven van de WGB heft de
eigen verantwoordelijkheid van de werkgever dus niet op.

Dit geldt voor de werving via alle intermediairs, dus ook voor de werving via
een arbeidsbureau.

4.3. Artikel 3 lid 1 WGB schrijft voor dat het niet is toegelaten bij de
behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking onderscheid te
maken tussen mannen en vrouwen.

Artikel 3 lid 2 WGB bepaalt dat alleen in geval van een wettelijk toegestane
uitzonderingsgrond van dit verbod mag worden afgeweken.

Artikel 5 lid 2 WGB bepaalt dat van het verbod op het maken van onderscheid
mag worden afgeweken in die gevallen waarin het geslacht bepalend is voor de
functie.

Artikel 5 lid 1 WGB schrijft voor dat van de norm van gelijke behandeling in
artikel 3 WGB mag worden afgeweken, indien het gemaakte onderscheid beoogt
vrouwen in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke
ongelijkheden op te heffen.

4.4. Uit de parlementaire behandeling van de herziening van de WGB blijkt dat
de in het laatstgenoemde artikellid vermelde beperking een bewuste keuze van
de wetgever is geweest. De visie van de betrokken ministers, welke door de
Tweede Kamer wordt ondersteund, wordt in de Memorie van Antwoord (Tweede
Kamer, vergaderjaar 1987-1988, 19.908, nr. 6, blz. 2) als volgt verwoord:

“Gelet op de huidige positie van vrouwen, zowel wat betreft de deelname aan
de arbeid als wat betreft de spreiding over functies en beroepen en de
niveau’s daarbinnen, verkeren vrouwen nog steeds in een achterstandssituatie.
Dit is een belangrijke overweging geweest voor de beperking van de
voorkeursbehandeling tot vrouwen. De huidige algemene arbeidssituatie van
mannen is anderzijds zodanig dat er geen grond zal zijn om een beroep te doen
op deze uitzondering om feitelijke ongelijkheden op te heffen. Het achterwege
laten van een toepassingsmogelijkheid voor mannen in individuele gevallen
achten wij met het oog op de algemene achterstandssituatie van vrouwen
alleszins verantwoord. Hierbij zij tevens opgemerkt dat het percentage mannen
dat in “vrouwenberoepen” werkzaam is sneller gestegen is dan dat van vrouwen
in “mannenberoepen”.[ …]”

Gezien de wettekst en de achterliggende bedoeling daarvan met betrekking tot
dit aspect van voorkeursbeleid, is een voorkeursbehandeling van mannen niet
toegestaan. Een ‘lichte’ voorkeur voor mannen mag derhalve ook niet worden
uitgesproken.

4.5. De wederpartij heeft verklaard dat bij gelijke capaciteiten de voorkeur
uitging naar een man. Als redenen hiervoor wijst zij op de personeelsopbouw
van de afdeling waar de vacature was ontstaan en de wens van de betreffende
afdeling om de vacature door een man te laten vervullen.

Indien en voor zover deze redenen zijn aan te merken als een beroep op een
voorkeursbehandeling, merkt de Commissie op dat voorkeursbehandeling van
mannen strijdig is met artikel 5

lid 1 WGB, dat slechts voorkeursbeleid voor vrouwen toestaat.

Gesteld noch gebleken is dat er in dit geval sprake is van een
geslachtsbepaalde functie.

Hiermee staat vast dat de wederpartij door een voorkeur voor een man uit te
spreken onderscheid naar geslacht heeft gemaakt bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking in strijd met de WGB.

4.6. De wederpartij heeft aangegeven dat zij een actief beleid voert om
gelijke kansen voor mannen en vrouwen te bevorderen. Ook heeft zij naar voren
gebracht dat zij spijt heeft van haar wijze van handelen in de onderhavige
zaak en heeft zij verzoekster aangeboden te zoeken naar mogelijkheden om
binnen haar organisatie een (tijdelijke) baan voor haar te vinden.

Ofschoon dit niet als rechtvaardiging kan dienen voor het maken van
onderscheid naar geslacht, wil de Commissie haar waardering uitspreken voor
de intenties en inspanningen van de wederpartij.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Bedrijfsvereniging voor
Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen te ‘s-Hertogenbosch door bij de
behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking een voorkeur
voor een man uit te spreken, jegens mevrouw te ‘s-
Hertogenbosch onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel
3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Aldus vastgesteld op 2 september 1992 naar aanleiding van de behandeling
in de raadkamer d.d. 8 juli 1992.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), dhr mr A.W. Heringa (lidKamer), dhr mr J.A.M.I. Hoens (plv.lid Kamer), dhr mr R.A.C.M. Langemeijer(lid Kamer), mw mr A.C. Possel (lid Kamer), mw mr A.K. de Jongh(adjunct-secretaris).

Instantie: President Rechtbank Utrecht, 2 september 1992

Instantie

President Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Een ambtenaar van de burgerlijke stand hield bij de
voltrekking van een huwelijk een toespraak waarin verwezen
werd naar de zogenoemde schijnhuwelijken tussen Nederlanders
en buitenlanders met het oog op de verwerving van een
vergunning tot verblijf.

Voornoemde uitlatingen acht de rechtbank onrechtmatig jegens
eisers. Nu de gemeente in beginsel aansprakelijk is voor de
schade voortvloeiend uit een onrechtmatige daad van een
ambtenaar burgerlijke stand begaan bij de voltrekking van een
huwelijk, wijst de rechtbank een bedrag van

ƒ 10.000,- toe als voorschot op een in een bodemprocedure te
vorderen volledige schadevergoeding.

Volledige tekst

1. Het verloop van het geding

Eiseres, hierna ook te noemen: H en T hebben gedaagde, hierna
ook te noemen: de gemeente, in kort geding doen dagvaarden en
op de dienende dag, 24 augustus 1992, van eis geconcludeerd
overeenkomstig de inhoud van het exploot van dagvaarding,
waarvan een fotokopie aan dit vonnis is gehecht.

H en T hebben, nadat zij een videoband hadden vertoond, hun
vordering bij monde van hun procureur toegelicht, mede aan de
hand van een overgelegde pleitnotitie en produkties.

De gemeente heeft daarop bij monde van haar procureur verweer
gevoerd, mede aan de hand van een overgelegde pleitnota en
produkties.

Na voortgezet debat, waarbij ook door H zelf, en de heer S,
chef burgerzaken bij de gemeente, enige inlichtingen zijn
verschaft, hebben partijen de stukken overgelegd en vonnis
gevraagd.

2. De vaststaande feiten

2.1. H heeft de Nederlandse nationaliteit, T heeft de Poolse
nationaliteit.

2.2. H en T hebben elkaar enige jaren geleden in IJselstein
ontmoet. Sindsdien hebben zij met elkaar gecorrespondeerd en
hebben zij ook anderszins contacten met elkaar gehouden.

2.3. Eind 1991 zijn H en T gaan samenwonen in de flat van H te
IJsselstein.

2.4. Op 12 februari 1992 zijn H en T in het huwelijk getreden
in het stadskantoor van de gemeente.

2.5. Het huwelijk is voltrokken ten overstaan van mevrouw J,
ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente, verder te
noemen: J.

2.6. J is als ambtenaar van de burgerlijke stand benoemd bij
besluit van 29 april 1982 van de gemeenteraad van
IJsselstein.

2.7. Ter gelegenheid van de huwelijksvoltrekking van eisers
(een Nederlandse man en een Poolse vrouw) op 12 februari 1992
hield de ambtenaar de volgende toespraak die op een videoband
werd opgenomen:

‘H en T, hoe is het met de zenuwen? Want vorige week was je
nogal nerveus H, en toen je me vanochtend nog even belde klonk
je ook niet helemaal ontspannen. En ook jij T zou redenen
genoeg kunnen hebben om gespannen te zijn. Want dit huwelijk
is niet zomaar iets, en deze dag evenmin. Je laat nogal wat
achter. Ik weet het, in Polen is het ook niet alles even
rooskleurig, maar het is wel je vaderland. (…) Maar jij zag
het wel zitten. In ieder geval heb je er toch zelf de aanzet
toe gegeven door de zeer levendige correspondentie die
ontstond nadat jullie elkaar, op een bijzondere manier, hadden
ontmoet.

Over die ontmoeting zal ik hier niet verder uitweiden. Jullie
hebben elkaar ontmoet, daar gaat het om. H had volgens mij wel
plezier in de correspondentie, maar een volgende stap, dat
was nogal wat. Daar had je je redenen voor, en daar kwam nog
bij dat je het nogal wat vond om iemand uit z’n land te halen,
om de redenen die ik zojuist heb genoemd. Een hele
verantwoording noemde je het. En dat is ook zo. Je durft het
toch aan.

Moet je nagaan hoe iemand vooroordelen kan hebben, als ze
niets van de achtergronden weet. Want ik zei vorige week tegen
H, en dat zullen jullie ongetwijfeld samen besproken hebben,
klopt dit huwelijk wel. Is het niet alleen een manier om
mevrouw T aan een mogelijkheid te helpen om in een land te
komen wonen waar ze het misschien beter heeft, ondanks dat ze
daarvoor zoveel moet achterlaten. Misschien heb je wel
gedacht, waar bemoeit dat mens zich mee, maar het is voor mij
als ambtenaar van de burgerlijke stand een onbehaaglijk gevoel
als je denkt dat het niet helemaal klopt. Bovendien krijg ik
dan ook zoiets van, waar schrijf ik mijn speech dan voor. Maar
gelukkig wist je me er al snel van te overtuigen dat mijn
gedachten wat dat betreft de verkeerde kant opgingen. Jullie
zijn bepaald niet lichtzinnig aan deze relatie begonnen, niet
over een nacht ijs gegaan.

Jullie mogen van mij van harte bewijzen dat mijn vermoedens
niet juist waren. Trouwens daar zijn jullie al mee begonnen,
want sinds je in Nederland bent woon je hier al aan de
overkant. En dat is kennelijk zo goed bevallen T dat je niet
je biezen hebt gepakt. Laten we gezamenlijk deze relatie dan
maar eens officieel maken door het huwelijk te voltrekken.

(…)

En er zijn geen bezwaren ingediend. Aan een kant hebben mensen
daar weinig kans toe sinds een huwelijk niet meer in de
vitrine van het stadskantoor wordt aangekondigd, aan de andere
kant heb je ook voldoende rondgebazuind dat je de boot in zal
gaan, dus was er gelegenheid genoeg om er een stokje voor te
steken, maar dan moet er wel een heel bijzonder motief voor
zijn. En je zou je ook niet zo gauw laten weerhouden. Want,
daarmee het laatste restje twijfel bij mij wegnemend, je zei:
: Al zou de hele wereld er tegen zijn, dan trouwen we nog met
elkaar, want we zijn samen dolgelukkig.’

Nu wat valt daar dan nog tegenin te brengen?

2.8. De toespraak is steeds onderbroken in verband met de
vertaling ervan door een tolk in de Poolse taal ten behoeve
van T en haar Poolse familieleden die bij de
huwelijksvoltrekking aanwezig waren.

2.9. J heeft ongeveer een week voor de huwelijkssluiting
telefonisch contact opgenomen met H. Tijdens dit gesprek, dat
in ieder geval een uur heeft geduurd, heeft J aan H de vraag
gesteld waarom zij, H en T, met elkaar wensten te huwen en of
hun voorgenomen huwelijk niet (uitsluitend) ten doel had om
het voor T mogelijk te maken in een land te leven met betere
economische perspectieven dan Polen.

2.10. Enige dagen voor 12 februari 1992 heeft J contact
opgenomen met S, voornoemd, waarbij zij, J aan S twijfel over
het voorgenomen huwelijk heeft geuit en heeft gevraagd of de
stukken in orde waren. S heeft daarop geantwoord dat de
stukken in orde waren en dat overigens de ambtenaar van de
burgerlijke stand de motieven van een bruidspaar niet behoeft
te onderzoeken en voorts dat het mogelijk was dat een andere
ambtenaar van de burgerlijke stand het huwelijk zou voltrekken
indien zij, J, gewetensbezwaren had.

2.11. Op 27 februari heeft H, mede namens T, een brief aan de
gemeente gestuurd, waarin hij heeft medegedeeld grote moeite
te hebben met de gehouden toespraak en waarin hij als volgt
besluit:

“Ik heb deze band inmiddels ook laten bekijken, door een
jurist en die adviseerde mij een procedure te beginnen omdat
dit echt niet door de beugel kan. Maar hetgeen wat gebeurd is
is onomkeerbaar en niet meer terug te draaien. Wij willen ook
niet tot het uiterste gaan zoals reeds boven in de brief is
vermeld maar willen alleen met deze brief bevorderen dat
dergelijke zaken niet meer zullen plaatsvinden (…).”

2.12. Op 23 maart 1992 hebben H en T zich voor advies gewend
tot het Steunpunt Antirassendiscriminatie STARD te Utrecht,
verder te noemen: STARD.

2.13. Bij brief van 15 april 1992 heeft de gemeente aan H en T
als volgt medegedeeld:

“(…) Wij betreuren het dat uw huwelijksvoltrekking niet
geheel beantwoord aan uw verwachtingen, hiervoor bieden wij u
onze excuses aan.

Daarnaast delen wij u mede dat wij de nodige maatregelen
hebben getroffen om een en ander in de toekomst te voorkomen
(…).”

2.14. Bij brief van 16 april 1992 hebben H en T aan de
gemeente onder meer als volgt medegedeeld:

“(…) Bij schrijven van onze brief van 27 februari j.l.
hebben wij niet kunnen voorzien wat de gevolgen voor ons
zouden zijn met betrekking tot de gewraakte uitspraken. Een
gevolg daarvan is dat wij in de IJsselsteinse samenleving in
negatieve zin onderwerp van bespreking zijn geworden.

(…)

Wij verzoeken U, gezien het feit dat wij in ernstige mate in
opspraak zijn gebracht, door middel van een publikatie in de
Zenderstreek afstand te nemen van de gewraakte uitspraken waar
door mogelijk een eerherstel kan plaats vinden.

Daarnaast delen wij u mee dat wij er ernstig overwegen om uit
Ijselstein te gaan verhuizen omdat wij door deze zaak
omstreden zijn geworden. In de flat waarin wij wonen worden
wij door deze zaak door de buren totaal genegeerd waardoor ons
woongenot aanmerkelijk is verminderd. Omdat ik gehandicapt ben
en daardoor extra kosten heb en een lage uitkering zal dit de
nodige problemen opleveren ter meer daar wij in een aangepaste
woning wonen.

2.15. Bij brief van 6 mei 1992 heeft STARD namens H en T een
klacht bij de gemeente ingediend, daarbij stellende dat de
toespraak “naar discriminatie riekt en niet kan worden
getolereerd”. Voorts heeft STARD verzocht een zorgvuldig
onderzoek in te stellen.

2.16. Op 22 mei heeft H bij de rijkspolitie te IJsselstein
aangifte gedaan tegen J ter zake van smaad en laster.

2.17. Vanaf 22 mei 1992 is een stroom publikaties over deze
zaak in de media op gang gekomen.

2.18. Bij brief van 18 juni 1992 heeft de raadsman van H en T
de gemeente aansprakelijk gesteld voor alle materiele en
immateriele schade die H en T hebben geleden en nog zullen
lijden en de gemeente gesommeerd een vergoeding van ƒ
75.000,– te betalen.

2.19. Bij brief van 9 juli 1992 heeft de gemeente aan H en T
medegedeeld dat het college van burgemeester en wethouders op
23 juni 1992 heeft besloten, na ontvangst van een advies van
een voor de behandeling van deze klacht ingestelde commissie,
de klacht die namens hen door STARD was ingediend, ongegrond
te verklaren en dat de gemeenteraad dit besluit op 2 juli 1992
heeft bevestigd. De tekst van het hier bedoelde besluit luidt,
voor zoveel hier van belang:

“BESLUIT:

1. de klacht dat de gehouden toespraak naar discriminatie
riekt ongegrond te verklaren;

2. de gedane uitlatingen van mevrouw J tijdens de
huwelijksvoltrekking van het bruidspaar H-T als onverstandig
en niet gelukking aan te merken;

3. mevrouw J de werkzaamheden in nader overleg te doen
continueren.

(…).”

2.20. In de periode vanaf maart 1992 tot juli 1992 heeft H een
aantal bestuurlijke functies van organisaties in IJsselstein
opgegeven.

2.21. J heeft na de door H en T ingediende klacht geen
huwelijken meer in IJsselstein voltrokken.

2.22. T is op 20 augustus 1992 bevallen van een kind.

3. Het geschil van partijen en de beoordeling ervan

3.1 Eisers vorderen dat de gemeente wordt veroordeeld tot
betaling van ƒ 35.000,-, bestaande uit ƒ 25.000,- als
vergoeding wegens materiele schade en ƒ 10.000,- als
voorschot wegens immateriele schade. Zij leggen aan deze
vordering ten grondslag dat zij door de uitlatingen in de
toespraak zoals weergegeven onder 2.7, gedaan door J in haar
hoedanigheid van ambtenaar van de burgerlijke stand van de
gemeente in hun eer en goede naam zijn aangetast, dat J
derhalve jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld en dat de
gemeente voor het handelen van J aansprakelijk is.

Zij hebben aangevoerd dat als gevolg van de uitlatingen van J
het leefklimaat in Y voor hen onmogelijk is geworden en dat
zij daardoor naar een andere gemeente zullen moeten verhuizen
en dat zij ook overigens ernstig leed ondervinden als gevolg
van de gewraakte uitlatingen.

Zij hebben voorts aangevoerd dat de materiele schade kan
worden begroot op ƒ 25.000,- en bestaat uit verhuiskosten en
kosten voor aanpassing van de nieuwe woning aan de handicap
van K.

3.2 De gemeente heeft als verweer -zakelijk weergegeven-
aangevoerd dat zij niet aansprakelijk is voor mogelijk
onrechtmatige gedragingen van een ambtenaar van de burgerlijke
stand, nu de rechtsverhouding tussen de gemeente en deze
ambtenaar geen arbeidsverhouding is, noch op enige andere
wijze sprake is van een gezagsrelatie. Voorts heeft de
gemeente aangevoerd dat niet zij, doch J gedagvaard had moeten
worden en dat H en T, nu zij J niet hebben gedagvaard hebben
veroorzaakt dat geen reele beoordeling van het geschil kan
plaatsvinden, nu J zich niet zelf kan verdedigen.

Vervolgens heeft de gemeente aangevoerd dat de uitlatingen van
J ook op zichzelf beschouwd niet onrechtmatig zijn en dat H en
T een passage uit de toespraak overbelichten en daarmee
miskennen dat die uitlatingen onderdeel zijn van een gehele
toespraak en dat J tijdens haar toespraak een reeds met H en T
besproken vraag heeft besproken en het reeds tevoren door haar
geformuleerde antwoord daarop heeft gegeven.

Tenslotte heeft de gemeente bij gebrek aan wetenschap ontkent
dat H en T schade hebben geleden. Volgens haar heeft H. uit
eigen beweging en om andere, niet uit de toespraak
voortvloeiende redenen enige bestuurlijke functies opgezegd en
hebben H en T zelf de publiciteit gezocht, als gevolg waarvan
de inhoud van de toespraak van J in zeer brede kring bekend is
geworden. Zij hebben dit dus aan zichzelf te wijten.

3.3. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of een
gemeente aansprakelijk kan worden gehouden voor mogelijke
onrechtmatige gedragingen, verricht door een ambtenaar van de
burgerlijke stand (hierna ook: a.b.s.) in de uitoefening van
zijn functie.

3.4. Voor de beantwoording van deze vraag is het navolgende
van belang.

(1) De a.b.s. vervult een overheidstaak. Hij wordt benoemd en
ontslagen door de gemeenteraad, die ook de bevoegdheid heeft
hem te schorsen en voorts zijn bezoldiging vaststelt. Gelet op
dit een en ander staat de a.b.s. in een publiekrechtelijke
rechtsbetrekking tot de overheid, in casu de gemeente, die hem
in zijn openbare ambt heeft aangesteld. Hij verricht zijn taak
in de regel in lokaliteiten die daartoe van gemeentewege zijn
aangewezen.

(2) Degenen die in het huwelijk willen treden zijn afhankelijk
van de ambtsverrichtingen van de a.b.s. Zij dienen zich
hiervoor te wenden tot de a.b.s. van de woonplaats (dat wil
zeggen: gemeente) van een van hen. Afgezien van een wettelijke
keuzemogelijkheid die hier niet van belang is, wordt het
huwelijk voltrokken ten overstaan van de a.b.s. van die
woonplaats.

(3) De a.b.s. staat bij de vervulling van de hem opgedragen
taak niet in een hierarchisch verband tot de gemeente (raad,
college van burgemeester en wethouders, secretaris van de
gemeente). Hij neemt als zodanig een onafhankelijke positie
in, die mede tot uitdrukking komt in de door hem af te leggen
ambtseed of ambtsbelofte.

3.5. Met dit stelsel is niet verenigbaar dat een a.b.s. die
bij de vervulling van de hem opgedragen taak een onrechtmatige
daad jegens een derde pleegt, slechts in prive aansprakelijk
zou zijn. Aansprakelijk is dan – in elk geval ook – de
overheid. Hierbij rijst nog de vraag welke overheid dit
aangaat. De a.b.s. vervult, ook in een geval als het
onderhavige, te weten bij de huwelijksvoltrekking, niet bij
uitstek, althans niet uitsluitend, taken van de gemeentelijke
overheid. Niet beslissend is ook het feit dat het wettelijke
voorschrift waarbij zijn benoeming en ontslag zijn geregeld,
deel uitmaakt van een titel van de gemeentewet met het
opschrift: ” Van de regeling en het bestuur van de huishouding
der gemeente”.

Niettemin moet hier worden uitgegaan van -vooralsnog slechts
eventuele- aansprakelijkheid van de desbetreffende gemeente,
nu haar raad de a.b.s. benoemt en ontslaat.

3.6. In dit kort geding kan in het midden blijven of de hier
aangenomen aansprakelijkheid van een gemeente een rechtsreekse
aansprakelijkheid is (op grond van artikel 6:162 BW) dan wel
een afgeleide aansprakelijkheid (op grond van
ondergeschiktheid van de a.b.s., in de zin van artikel 6:170
BW). Ten minste een van deze grondslagen moet hier toereikend
worden geacht.

3.7. Het tot dusver overwogene leidt tot een bevestigend
antwoord op de onder 3.3. vermelde vraag. Een gemeente is in
beginsel aansprakelijk voor de schade die voortvloeit uit een
onrechtmatige daad van een ambtenaar van de burgerlijke stand,
begaan in het kader van diens verrichtingen bij de voltrekking
van een huwelijk. Tot deze verrichtingen moet ook worden
gerekend de daarbij te houden toespraak, die niet behoort tot
de wettelijk omschreven taken van de ambtenaar maar op een
algemeen aanvaard en kenbaar gebruik bij de uitoefening van
die taken berust.

3.8. Thans dient te worden beoordeeld of de gedragingen van J
in het onderhavige geval een onrechtmatig karakter hebben. Het
houden van een toespraak bij een, openbare,
huwelijksvoltrekking valt, zoals hierboven reeds is overwogen,
buiten de eigenlijke taak van de a.b.s. en is bedoeld om de
huwelijksvoltrekking een “feestelijk tintje” te geven.

J heeft in haar toespraak in het openbaar de volgende vragen
gesteld: ‘Klopt dit huwelijk wel?

Is het niet alleen een manier om mevrouw T aan een
mogelijkheid te helpen om in een land te komen wonen waar ze
het misschien beter heeft?’ Hiermee heeft zij onmiskenbaar
verwezen naar de publieke discussie over het sluiten van
zogenoemde schijnhuwelijken tussen Nederlanders en
buitenlanders met als doel die buitenlanders in het bezit te
doen komen van een vergunning tot verblijf. In haar toespraak
heeft J zich in het openbaar uitgelaten over vragen die voor
het verrichten van haar ambt niet terzake doende is en die zij
niet behoeft te onderzoeken. In elk geval passen dergelijke
uitingen niet in een toespraak met een “feestelijk tintje”.

Voorshands wordt geoordeeld dat de gewraakte uitspraken van J
jegens H en T onrechtmatig zijn. Alleen al door het
publiekelijk opwerpen van de aangehaalde vragen heeft zij de
integriteit van de huwenden ter discussie gesteld. Het
onrechtmatige karakter van deze uitspraken wordt niet
weggenomen door de constatering van J dat H en T haar, J er
van hadden overtuigd dat haar “gedachten wat dat betreft de
verkeerde kant opgingen”, zulks te minder nu zij even later
mededeelde dat H en T van haar, J, “van harte (mogen) bewijzen
dat mijn vermoedens niet juist waren.”

J heeft derhalve bovendien geen ondubbelzinnig negatief
antwoord op de door haar opgeworpen vraag over de juistheid
van dit huwelijk gegeven.

Hier komt nog het volgende bij. J had behoren te beseffen dat
gedeelten uit haar toespraak een eigen leven zouden gaan
leiden. Zeker is dit het geval bij passages die zo
ongebrikelik en opmerkelijk zijn als die waarover het hier
gaat. Geheel ten overvloede wordt nog overwogen dat uit niets
is gebleken dat in dit geval sprake zou zijn van een
schijnhuwelijk

3.9. Voorshand is op zichzelf aannemelijk dat H en T schade
hebben geleden, en mogelijk nog zullen lijden. Zij hebben
voldoende aannemelijk gemaakt dat over hen op een negatieve
manier is en wordt gesproken door inwoners van IJsselstein en
dat zij zijn aangetast in hun eer en goede naam en hierdoor
binnen de IJsselsteinse gemeenschap in een geisoleerde positie
terechtgekomen zijn en dat zij daarvan leed ondervinden.

3.10. Ook wordt voorshands een voldoende oorzakelijk verband
aanwezig geacht tussen het optreden van J en de door H en T
geleden schade.

De gemeente heeft weliswaar als verweer gevoerd dat H en T
zelf de publiciteit hebben gezocht, doch zij heeft dit niet
aannemelijk gemaakt. De brieven van H en T zoals weergegeven
onder 2.11 en 2.14 zijn zeer gematigd en uit niets blijkt dat
zij toen reeds publiekelijk in de media zelf enig bericht
hebben doen plaatsen. Bovendien geldt hierbij dat de gewraakte
toespraak in een voor het publiek toegankelijke bijeenkomst is
gehouden en dat ook anderen dan H en T, hun familieleden en
getuigen daarbij aanwezig waren en dat H en T niet konden
voorkomen dat over deze toespraak ook buiten hun aanwezigheid
is gepraat en dat mede daardoor aan de inhoud van de toespraak
van J bekendheid is gegeven. Bovendien is aannemelijk geworden
dat de negatieve gevolgen voor H en T reeds voor de stroom van
publiciteit, die is begonnen op 22 mei 1992 merkbaar waren,
hetgeen onder meer blijkt uit hun brief van 16 april 1992 aan
de gemeente.

Daaraan kan nog worden toegeveogd dat H en T in hun brief van
16 april de gemeente uitdrukkelijk hebben gevraagd in een
publicatie in het huis-aan-huisblad “Zenderstreeknieuws”
mededeling te doen dat het gemeentebestuur afstand neemt van
de uitspraken van J. De gemeente heeft op dit verzoek niet
gereageerd.

3.11 Op grond van bovenstaande luidt de conclusie dat de
uitlatingen van J een onrechtmatig karakter dragen, dat H en T
als gevolg daarvan schade hebben ondervonden en dat de
gemeente hiervoor aansprakelijk is.

3.12 Bij toewijzing van een geldvordering in kort geding dient
de rechter zich terughoudend op te stellen. Ten aanzien van de
hoogte van de schade wordt overwogen dat niet voldoende
aannemelijk is geworden in hoeverre H enkel of in hoofdzaak
als gevolg van de toespraak en de daardoor ontstane commotie
uit diverse besturen van instellingen is gegaan, dan wel om
andere redenen, en voorts is niet met voldoende zekerheid vast
te stellen of een verhuizing door H en T noodzakelijk is –
waarmee niet is vastgesteld dat een verhuizing niet
noodzakelijk is – dan wel feitelijk zal plaatsvinden.

Wel is zonder meer aannemelijk geworden dat H en T in hun eer
en goede naam zijn aangetast en dat zij daarvan ernstige
gevolgen hebben ondervonden, en nog steeds ondervinden.

In verband hiermee hebben zij een spoedeisend belang bij een
voorziening in kort geding.

Op grond van dit een ander zal naar billijkheid een bedrag van
ƒ 10.000,- als voorschot op een in een bodemprocedure te
vorderen volledige schadevergoeding worden toegewezen.

3.13. De gevorderde uitvoerbaarverklaring op de minuut zal
worden afgewezen, nu H en T, voor wie terstond na deze
uitspraak een grosse beschikbaar zal zijn, daarbij geen belang
hebben.

3.14. De gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij
in de kosten van dit geding worden veroordeeld. Aangezien aan
H en T een toevoeging is verleend op grond van de Wet
rechtsbijstand aan on- en minvermogenden zal de gemeente deze
kosten aan de griffier van de rechtbank dienen te voldoen.

4. De beslissing

De fungerend president:

4.1. veroordeelt de gemeente om aan H en T tegen behoorlijk
bewijs van kwijting te betalen een bedrag van ƒ 10.000,-
(TIENDUIZEND GULDEN);

4.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.3. Wijst af het meer of anders gevorderde;

4.4. veroordeelt de gemeente in de kosten van dit geding, tot
aan de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van H en T
begroot op ƒ 1.500,- voor salaris van hun procureur en op ƒ
232,49 aan verschotten, met bepaling dat de gemeente voormelde
kosten dient uit te betalen aan de griffier van de rechtbank,
zulks op voet van het bepaalde in artikel 57b Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering.

Noot

De Rechtbank Utrecht overwoog in haar vonnis dat de ambtenaar
van de burgerlijke stand, door te verwijzen naar de publieke
discussie over het sluiten van zogenoemde schijnhuwelijken
tussen Nederlanders en buitenlanders met als doel het
verwerven van een verblijfsvergunning, zich hiermee uitliet
over vragen die voor het verrichten van haar ambt niet ter
zake doende waren en die zij niet behoefde te onderzoeken.

Wanneer de wetsvoorstellen 21 847 en 22 488 van de
staatssecretaris van Justitie om schijnhuwelijken tegen te
gaan worden aangenomen, is het juist de ambtenaar van de
burgerlijke stand die een antwoord op voornoemde vragen moet
trachten te krijgen. De ambtenaar is dan verplicht te
onderzoeken of het oogmerk van de aanstaande echtgenoten, of
een hunner, niet is gericht op de vervulling van de door de
wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten, maar op het
verkrijgen van toelating tot Nederland. (Verwezen wordt naar
de bespreking van Van Blokland hierover in Nemesis 1992, nr.
5, actualiteiten katern p. 25-28)

Ondanks erkenning van de staatssecretaris dat op dit terrein
zich ongetwijfeld bewijsproblemen zullen voordoen, dient de
ambtenaar aan de hand van indicaties te werk te gaan.
Indicaties zijn aldus de memorie van toelichting de
omstandigheid dat de partners elkaar niet kennen en zich
bedienen van een tolk of bemiddelaar, een buitensporig
leeftijdsverschil, het feit dat de in Nederland gevestigde
partner verscheidene malen gedurende korte tijd met een
vreemdeling gehuwd is geweest, of het feit dat de in Nederland
gevestigde partner in de prostitutie werkzaam is, de
kennelijke haast waarmee de beslissing om te trouwen is
genomen, of de verblijfsrechtelijke status van niet-
Nederlandse partijen.

Genoemde indicaties zijn niet alleen subjectief als ook op
zich of in onderling verband niet toereikend voor een
ambtenaar van de burgerlijke stand om zich een oordeel te
vormen over de intenties van de aanstaande echtgenoten. Als
huwelijken op dit soort vermoedens gestuit worden, is de kans
dat meer kort gedingen tegen gemeenten zoals die tegen de
gemeente Y zullen volgen, niet ondenkbeeldig.

De door de staatssecretaris in de memorie van toelichting
uitgesproken verwachting van arbeidsbesparingen voor de
rechterlijke organisaties als gevolg van het uitblijven van
andere familierechtelijke procedures als echtscheidingen, zal
waarschijnlijk dan ook niet uitkomen. (TK, 1991-1992, 22 488,
nr. 3, p. 6)

De voorgenomen maatregelen van de staatssecretaris van
Justitie om eerder genoemde huwelijken te stuiten, dan wel
nietig te verklaren, kunnen voorts in strijd komen met het
fundamentele recht om te huwen zoals neergelegd in artikel 12
EVRM :’ Men and women of marriageable age have the right to
marry and found a family according to the national laws
governing the exercise of this right’. De nationale wetgever
kan voorwaarden stellen voor de uitoefening van dit recht,
maar mag niet zodanig discrimineren dat het recht om te huwen
onnodig wordt bemoeilijkt en evenmin dat daardoor het recht in
zijn wezen wordt aangetast. (Zie Van Dijk en Van Hoof in: De
Europese conventie in theorie en praktijk, 1990, p. 488-502.)

Zo kan volgens vaste jurisprudentie artikel 12 EVRM ook tegen
een (dreigende) maatregel tot uitzetting of uitlevering en ook
tegen weigering toelating worden ingeroepen wanneer
betrokkenen concrete huwelijksplannen hebben en voldoende
aannemelijk kunnen maken dat zij niet buiten het land kunnen
huwen. Dat is het geval volgens de Hoge Raad wanneer het hun
aan financiele middelen ontbreekt om zich gezamenlijk naar het
buitenland te begeven en daar zo lang te verblijven als
vereist is om een huwelijk aan te gaan. (Hoge Raad 27 november
1987, RvdW 1987, nr. 225).

Daarbij komt dat de staatssecretaris van Justitie met zijn
wetsvoorstellen een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen
huwelijken met als doel toelating tot Nederland en alle andere
‘marriages de raisons’. Voorbeelden van de laatste zijn
huwelijken gesloten om de continuiteit van dynastieen te
waarborgen, om het familiekapitaal in stand te houden, om
kinderen te wettigen, om de partner een weduwenpensioen te
bezorgen, om aan de militaire dienst te ontkomen, om
homoseksuele of lesbische relaties bescherming te bieden
enzovoort.

In het Burgerlijk Wetboek hebben echtgenoten de plicht tot
getrouwheid, hulp en bijstand (artikel 1: 81 BW), en niet dat
zij ook hun liefde voldoende aannemelijk moeten maken voor de
overheid. Zo schreef Van Houten reeds in zijn Bijdragen tot
den strijd over God, eigendom en familie uit 1883: ‘Men kan
uit de studie der huwelijkswetten niet ontdekken, dat liefde
en huwelijk iets met elkander te maken hebben’.

Tenslotte, de door De Lange gesignaleerde vrees bij het
ministerie van Justitie voor de donkere buitenlandse man is
niet alleen racistisch, maar ook sexistisch te noemen. (Recht
en Kritiek 18 (1992) 3, p. 211). De in Nederland wonende
vrouwen hebben geen bescherming van overheidswege nodig bij
het kiezen van hun partners.

Nu de staatssecretaris nog niet in staat is gebleken zijn
verontrusting over de toename van het aantal huwelijken om een
verblijfsvergunning te verkrijgen met cijfers te onderbouwen,
zijn de voorgenomen maatregelen disproportioneel aan het
nagestreefde doel en tasten hiermee ook het recht om te huwen
in zijn kern aan.

Hier is opnieuw, zoals Jessurun d’Oliveira indertijd al
schreef bij de discussie over het subjectief begrip
inburgering in de Wet op het Nederlanderschap, ‘niet de
rechtsstaat maar de beleidsstaat aan het woord’. (NJB, 11 juni
1977, p. 594).

Lioe Tan

Rechters

Mr. Hofhuis

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 2 september 1992

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Eiseressen vorderen ieder ƒ 50.000.- immateriele schadevergoeding en
ƒ 30.000.- materiele schadevergoeding omdat gedaagde, haptonoom, hen
seksueel heeft misbruikt tijdens de behandeling. De rechtbank is niet
overtuigd van de eigen schuld van de slachtoffers. De rechtbank veroordeelde
gedaagde aan – ƒ 15.000, p, aan R ƒ 10.000, p en aan S ƒ 5.000.-
immateriele schadevergoeding te betalen. Hiervan moet worden afgetrokken de
ƒ 5.000.- die in kort geding is toegewezen.

Volledige tekst

Verloop van de procedure.

Bij conclusie van eis hebben P., R en S. gesteld en gevorderd overeenkomstig
de inleidende dagvaarding. Bij conclusie van antwoord met bewijsstukken,
waaronder een tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van 14 juni 1990,
heeft D. de vordering bestreden. Bij conclusies van repliek en dupliek hebben
partijen -P., R. en S. onder overlegging van bewijsstukken- hun standpunt
nader toegelicht en daarbij volhard. Daarna hebben P., R. en S. nog een akte
genomen, waarbij door hen werd overgelegd een tussen partijen door het
Gerechtshof te Amsterdam gewezen arrest van 11 juli 1991, waarbij het
hiervoor genoemde vonnis van 14 juni 1990 werd bekrachtigd. Tenslotte hebben
partijen stukken overgelegd ter verkrijging van vonnis.

Gronden van beslissing.

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet (voldoende)
weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van
overgelegde bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:

a. D. oefent een praktijk uit als haptonoom, eerst aan de ….. en na 1986
aan de …..

b. R. en S. zijn door het Buro vertrouwensarts voor behandeling naar D.
doorverwezen, R. wegens depressiviteit en S. wegens incest-ervaringen;

c1. P. is van november 1987 tot eind november 1988 bij D. in behandeling
geweest voor psoriasis. Tijdens de therapie is D. gebleken dat P.
incest-ervaringen had;

c2. Vanaf eind december 1987 hebben P. en D. een seksuele relatie gehad. Zij
hebben gedurende vier maanden nagenoeg wekelijks seksueel contact gehad,
zowel in de praktijkruimte van D. als bij P. thuis, niet alleen tijdens de
therapie-uren maar ook daarbuiten;

d.1. R. is van april 1987 tot december 1987 in behandeling geweest bij D.;

d.2. D. is tijdens de tweede haptonomie-sessie begonnen R. innig te omarmen
en zei haar dat ook bij hem te doen. Hij heeft haar later, in augustus 1987,
voorafgaande aan een vrijpartij, gezoend. Enige weken later hebben D. en R.
geslachtsgemeenschap gehad in de woning van R. Daarna hebben D. en R. nog een
seksueel contact gehad in de praktijkruimte van D. door elkaar met de hand
te bevredigen;

e.1. S. is van december 1985 tot december 1988 in behandeling geweest bij D.;

e.2. in juli 1986 heeft D., S. verzocht haar bovenlichaam te ontbloten en is
hij met eveneens ontbloot bovenlichaam op haar gaan liggen.

2. P, R en S vorderen veroordeling van D tot betaling aan ieder van hen van
een bedrag van ƒ 50.000.- aan immateriele schadevergoeding en een bedrag
van ƒ 30.000.- aan materiele schadevergoeding, beide bedragen verminderd
met het in kort geding toegewezen voorschot van ƒ 5.000 maar vermeerderd
met wettelijke rente en kosten.

Zij verwijten D dat hij onrechtmatig heeft gehandeld door seksueel misbruik
van hen te maken, terwijl hij als hulpverlener in een machtspositie verkeerde
en zij als patienten voor hun welzijn van hem afhankelijk waren. Zij stellen
dat zij daardoor immateriele schade hebben geleden, immers veel verdriet
hebben gehad, last hebben van een negatief zelfbeeld en gering vertrouwen in
hulpverleners. De door hen gevorderde materiele schade bestaat uit verlies
aan verdiencapaciteit en extra kosten van (psycho)therapie.

3. D verweert zich tegen de vordering. Ten aanzien van – en R beroept hij
zich op eigen schuld van beiden, terwijl hij ontkent zich tegenover S
onrechtmatig te hebben gedragen. Daarnaast ontkent hij dat P, R en S enige
schade hebben geleden.

4. De eigen schuld van – is volgens D daarin gelegen dat hun relatie na het
staken van de behandeling met haar volledige instemming heeft voortgeduurd.
Deze omstandigheid levert echter geen eigen schuld van – op, waar de door
haar aan D verweten onrechtmatigheid immers daaruit bestaat dat hij tijdens
de behandeling seksueel misbruik van haar maakte.

5. De eigen schuld van R is volgens D daarin gelegen dat zij, door haar
verliefdheid aan hem te verklaren, het ‘startsein’ heeft gegeven voor een
achteraf in haar ogen betreurde situatie. Ook uit deze omstandigheid, indien
al juist, kan geen eigen schuld worden afgeleid, nu in de therapeutische
vertrouwensrelatie tussen hen beiden met de daaruit voortvloeiende
afhankelijkheidspositie van R het geheel op de weg van D lag om ervoor te
zorgen dat het door hem gestelde ‘startsein’ niet leidde tot de feiten als
hiervoor onder d.2. vastgesteld.

6. Ten aanzien van S stelt D dat de handelingen genoemd onder 1.e.2. deel
uitmaakten van de therapie en tot doel hadden S ‘over de drempel te helpen’.
Deze waren daarom volgens hem niet onrechtmatig. De rechtbank deelt deze
mening niet. Zelfs wanneer het gedrag van D zich heeft beperkt tot de hier
bedoelde handelingen (volgens S heeft D daarbij bovendien ‘neuk-bewegingen’
gemaakt en haar aan zijn stijf geslachtsdeel laten voelen), dan nog heeft hij
daarbij de grenzen van het toelaatbare overschreden. Niet als juist kan
worden aanvaard dat dit deel uitmaakte van de door hem beoogde therapie,
teminder waar S bij hem in behandeling was wegens vroegere incestervaringen.

7. Uit hetgeen hiervoor onder 3. tot en met 6. werd overwogen volgt dat D aan
P, R en S de schade zal hebben te vergoeden, die voor hen uit zijn jegens hen
gepleegd onrechtmatig gedrag is voortgevloeid.

8. De vordering tot vergoeding van materiele schade zal echter terstond als
onvoldoende gegrond van de hand worden gewezen. Waar op zichzelf al
onwaarschijnlijk is dat ieder van eiseressen deze schade in dezelfde omvang
hebben geleden, hebben zij bovendien nagelaten deze schade in enigerlei mate
te specificeren dan wel met bewijsstukken te staven, waartoe zij zo niet bij
de aanvang dan toch in ieder geval in de loop van de procedure in staat
zouden moeten zijn geweest.

9. Voor toewijzing van immateriele schadevergoeding is echter wel plaats. Dat
aan P, R en S als gevolg van D’s onrechtmatig handelen uiteindelijk psychisch
leed is toegebracht, is zonder meer aannemelijk, zij het – gelet op het
verschil in aard en duur van D’s gedragingen ten opzichte van ieder van hen –
niet in gelijke mate. Ten aanzien van S is de rechtbank van oordeel dat naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid de haar toekomende immateriele
schade, gelet op het eenmalige karakter van hetgeen zij aan D verwijt – hoe
schokkend deze ervaring voor haar ook geweest moge zijn p, voldoende is
vergoed met het haar in kort geding toegewezen voorschot van ƒ 5.000.
Naar dezelfde maatstaven begroot de rechtbank de aan – en R toekomende
immateriele schade op onderscheidelijk ƒ 15.000.- en ƒ 10.000, waarop
de aan hem uitgekeerde voorschotten van eveneens telkens ƒ 5.000.- in
mindering strekken. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

De rechtbank:

veroordeelt D om te betalen aan – een bedrag van ƒ 10.000.- (tienduizend
gulden) en aan R een bedrag van ƒ 5.000.- (vijfduizend gulden) met de
wettelijke rente over beide bedragen sedert 8 oktober 1990 tot de dag der
voldoening;

verwijst D. in de kosten van het geding, tot deze uitspraak aan de zijde van
eiseressen begroot op en als volgt te voldoen:

aan eiseressen: ƒ 150,- als vergoeding voor bij hen gevallen kosten aan
vastrecht

en aan de griffier van deze rechtbank: ƒ 1.500,- aan salaris van de
procureur, ƒ 3.690,- aan het overig vastrecht en ƒ 65,45 aan exploitkosten;

-verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

-wijst het meer of anders gevorderde af.

Rechters

Mr. van Imhoff

Instantie: Schadefonds geweldsmisdrijven, 31 augustus 1992

Instantie

Schadefonds geweldsmisdrijven

Samenvatting


Een slachtoffer van Finkensieper verzoekt om schadevergoeding. In dit geval
ging het om sexueel contact tussen een cliënt en Finkensieper dat ten tijde
van de therapie ook door cliënte gewenst was maar met terugwerkende kracht
als ongewenst werd beschouwd. Uit deze relatie wordt een kind geboren.
Het sexueel contact vond plaats in 1988. De commissie beschouwt het als een
misdrijf terwijl het pas sinds oktober 1991 in de strafwet staat.
De kosten voor het kind vallen niet onder de letselschade, volgens de
commissie van het schadefonds. De commissie erkent dat zij psychisch letsel
heeft opgelopen door dit sexuele contact en vergoedt tevens de
therapiekosten.

Volledige tekst

Geachte mevrouw W,
1. Op 13 december 1990 heeft mevrouw mr. A. van Bon-Moors, advocaat te
Nijmegen, namens u de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven verzocht een
uitkering uit het fonds aan u toe te kennen.
De door u en uw gemachtigde verstrekte inlichtingen zijn bevestigd en zo
nodig aangevuld door het onderzoek, namens de Commissie ingesteld.
Aldus is voor de Commissie komen vast te staan dat jegens u in de periode van
augustus 1987 tot december 1989 te Nijmegen opzettelijk een geweldsmisdrijf
is gepleegd, waardoor aan u zwaar letsel is toegebracht.
2. Materiële letselschade
Ingevolge artikel 4 van de Wet voorlopige regeling schadefonds
geweldsmisdrijven kan een uitkering worden verstrekt voor de schade die door
het toegebrachte letsel is veroorzaakt.
Op grond van de door u geleden materiële letselschade, zoals deze uit het
onderzoek is gebleken, stelt de Commissie het bedrag van de voor uitkering
vatbare schade naar redelijkheid en billijkheid vast op ƒ 2700wegens kosten
van therapie.
U hebt ook een uitkering gevraagd voor de kosten die verband houden met de
verzorging en opvoeding van uw kind. De Commissie is echter van oordeel dat
deze kosten weliswaar zijn ontstaan door het jegens u gepleegde misdrijf,
maar niet het gevolg zijn van het u toegebrachte letsel. Derhalve komt op
grond van de Wet deze schade niet voor uitkering in aanmerking.
3. Immateriële letselschade
Een uitkering is ook mogelijk voor andere dan vermogensschade, te weten voor
verlies van levensvreugde. De Commissie bepaalt naar redelijkheid en
billijkheid dat aan u voor de door u geleden en mogelijk nog te lijden
immateriële schade ƒ 10 000 toekomt.
Dit is het hoogste bedrag dat ingevolge de Wet wegens immateriële schade kan
worden uitgekeerd.
4. De Commissie kent u derhalve een uitkering uit het Schadefonds
Geweldsmisdrijven toe ten bedrage van ƒ 12 700 (twaalfduizend zevenhonderd
gulden), gespecificeerd als volgt:

materiële schade ƒ 2 700
immateriële schade ƒ 10 000
totaal ƒ 12 700

Rechters

Mr. B. De Hoogh (vz), drs. M.A.L.M. Brand, drs. G. Van Essen, mw. dr. J.Smit, mw. mr. M.A.F. Tan-de Sonnaville