Instantie: Commissie gelijke behandeling, 31 augustus 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij is van mening dat verzoekster niet goed functioneert en
heeft om deze reden voor verzoekster een ontslagvergunning ingediend bij de
regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening. Verzoekster meent dat de
wederpartij haar wil ontslaan vanwege het feit dat zij moeder is geworden.
De commissie heeft geoordeeld dat onvoldoende is komen vast te staan dat
verzoekster disfunctioneerde. Deze constatering en het feit dat de aanvraag
om een ontslagvergunning plaatsvond ten tijd van het bevallingsverlof van
verzoekster maakt het aanemelijk dat de zwangerschap bij het nemen dan wel
het uitvoeren van de beslissing een rol heeft gespeeld.

Volledige tekst


Op grond van bovenstaande concludeert de Commissie dat de wederpartij gebruik
heeft gemaakt van de afwezigheid van verzoekster wegens zwangerschap om een
definitieve oplossing te zoeken voor de problemen op de boekhouding. De
wederpartij had, totdat verzoekster was teruggekeerd van haar verlof, een
tijdelijke oplossing kunnen toepassen. Daarna had dan gesproken dienen te
worden over een mogelijke (definitieve) oplossing voor de problemen op de
boekhouding.

Het geheel overziende is de Commissie dan ook van oordeel dat onvoldoende is
komen vast te staan dat verzoekster disfunctioneerde en dat de oplossing voor
de problemen met de boekhouding, waaronder het aanvragen van een
ontslagvergunning voor verzoekster, is gezocht tijdens verzoeksters
afwezigheid vanwege haar zwangerschap.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE GELIJKE BEHANDELING VAN MANNEN EN VROUWEN BIJ
DE ARBEID

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het disfunctioneren van mevrouw
onvoldoende is komen vast te staan. Deze constatering en het
feit dat de aanvraag om een ontslagvergunning plaatsvond ten tijde van het
bevallingsverlof van mevrouw maakt het aannemelijk dat de
zwangerschap bij het nemen dan wel het uitvoeren van de beslissing een rol
heeft gespeeld. Hiermee is komen vast te staan dat de
te Breda jegens mevrouw direct onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

Aldus vastgesteld op 31 augustus 1992 naar aanleiding van behandeling in de
raadkamer van 27 augustus 1992.

Rechters

dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter), mw prof. mr J.E.Goldschmidt (lid Kamer), mw mr C.B. Mol-Bronkhorst (lid Kamer), mw mrM.J.M.G. van Dorsten (plaatsvervangend secretaris).

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 25 augustus 1992

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Een vrouw werd regelmatig lichamelijk en geestelijk mishandeld door
haar man, vanaf hun huwelijk in 1984. In april 1988 ontstond er een
ruzie, waarbij de vrouw weer werd mishandeld. Kort daarna dronk zij
azijnzuur en twee dagen later overleed ze aan de gevolgen. Na het
overlÿden van de vrouw werd de man aangehouden, maar een maand later
besloot het Openbare Ministerie de verdachte niet verder te vervolgen.

De familie van de vrouw verzocht het Hof Amsterdam alsnog een vervolging
te gelasten. Op 14 september beval het Hof het Openbare Ministerie
strafvervolging in te stellen tegen de man terzake van: ‘Opzettelijk
aanzetten tot zelfmoord van zijn echtgenote en/of mishandeling van zijn
echtgenote terwijl dit feit de dood ten gevolge heeft … en
mishandeling van zijn echtgenote meermalen gepleegd …’. Dit is ook
gebeurd.

De Rechtbank Amsterdam legde geen oorzakelijk verband tussen de verweten
mishandelingen en de dood van de vrouw en achtte alleen de
mishandelingen bewezen. Wel vond de Rechtbank aannemelijk dat de vrouw
door de ‘stelselmatige mishandelingen van een ernstig karakter’ geen
andere uitweg meer zag dan zich het leven te benemen. De man werd
veroordeeld tot acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee
jaar.

Volledige tekst

1. Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de
dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging, waarvan de kopieen
als bijlagen aan dit vonnis zijn gehecht.

De in die dagvaarding en die vordering vermelde telastelegging geldt als
hier ingevoegd.

2. Voorvragen.

Ontvankelijkheid van de officier van Justitie.

De raadsman heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat de officier
van Justitie in de vervolging niet kan worden ontvangen wegens
overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.
Hij voert daartoe aan dat sedert de datum van inverzekeringstelling en
aansluitende opening van het gerechtelijk vooronderzoek vier jaar en
ruim drie maanden zijn verlopen. Dit tijdsverloop is onredelijk lang.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

In de door de raadsman weergegeven tijdsperiode is er voortdurend actie
geweest van de kant van het Openbaar Ministerie. De complexe
achtergronden van deze zaak noodzaakten tot uitvoerige rapportage en
verrichten van grondig vooronderzoek. Daaraan is gestaag voortgewerkt.

Derhalve is er geen sprake van een onredelijk lang tijdsverloop.

3. Waardering van het bewijs.

3.1 De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen, hetgeen onder
1. als eerste en als tweede is telastegelegd, zodat verdachte daarvan
dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat de aan verdachte verweten handelingen
ten enenmale het karakter missen om gevat te kunnen worden onder het in
artikel 294 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde
‘opzettelijk aanzetten tot zelfmoord’. Evenmin kan oorzakelijk verband
worden gelegd tussen de aan verdachte – in het tweede onderdeel van het
ten laste gelegde sub 1 – verweten mishandelingen en de dood van het
slachtoffer, zoals bedoeld in de in artikel 300 lid 3 van het Wetboek
van Strafrecht strafbaar gestelde ‘mishandeling de dood ten gevolge
hebbende’.

3.2. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het
telastegelegde heeft begaan zoals is aangegeven op de aan dit vonnis
gehechte – gestreepte – kopie van de telastelegging. De inhoud daarvan
geldt als hier ingevoegd.

4. Het bewijs.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte
heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende
bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden ten aanzien van de verschillende feiten
gebruikt, zoals hierna is aangegeven.

Ten aanzien van het onder 1. als derde telastelegde;

4.1.1. De verklaring die de verdachte op de terechtzitting heeft
afgelegd, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Mijn vrouw, N. werd A. genoemd door haar familie. We zijn getrouwd op 3
oktober 1984. In maart 1986 kregen we de woning in Amsterdam.

Op 16 april 1988 was A. boos omdat ze door haar tante en nichtjes niet
was meegenomen naar de Huishoudbeurs en ik plaagde haar daarmee. A. werd
boos en begon mij te slaan met een riem. Ik pakte de riem van haar af en
heb haar daarmee zeven a acht maal geslagen. Tijdens het afpakken heb ik
haar ook geslagen. Ik was door het dolle heen. Na het slaan was A.
rustig. In totaal heb ik 10 maal geslagen.

4.1.2. Een rapport nummer 88151/VO30 van het Ministerie van Justitie,
Gerechtelijk Geneeskundig Laboratorium, opgemaakt op 7 juni 1988 door de
beedigde deskundige M. Voortman, arts en patholoog-anatoom.

Dit rapport houdt als verklaring van voornoemde deskundige onder meer in
-zakelijk weergegeven-:

Op 18 april 1988 heeft ondergetekende schouwing verricht van het lijk
van N.

Bij de sectie op het lijk van N., oud 23 jaren, is het navolgende
gebleken:

C. Er waren onderhuidse bloedingen aan het hoofd, links zijwaarts in de
heupstreek en aan de armen en aan de rug.

De genoemde letsels waren ontstaan door uitwendig mechanisch botsend
geweld zoals door stoten en slaan kan worden opgeleverd.

Ten aanzien van het onder 2. telastegelegde:

4.2.1. De verklaring die verdachte op de terechtzitting heeft afgelegd,
onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Mijn vrouw, N., werd A. genoemd door haar familie. We zijn getrouwd op 3
oktober 1984.

Tante P. had er voor gezorgd dat we in maart 1986 de woning in Amsterdam
kregen.

Haar ouders wisten dat ik A. weleens sloeg. Ik heb A. driemaal geslagen
sinds haar terugkeer uit Suriname in mei 1987.

Ik heb A. een keer geslagen waardoor zij een barst in haar tand kreeg,
haar tand zat niet los. Zij bloedde aan haar lip. Dat was in augustus
1987, de politie is toen ook nog aan de deur geweest.

Op 22 mei 1987 ontstond een ruzie waarbij gescholden werd. Ik heb toen
A. o.a. met een pantoffel geslagen.

4.2.2. Een proces-verbaal nummer 761-613/88 d.d. 19 april 1988 op
ambtseed opgemaakt door A.W.P. van Beers en R. Boerdam, brigadier en
hoofdagent van gemeentepolitie te Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- als
verklaring van verbalisanten:

Enige maanden geleden is door ons assistentie verleend in verband met
een huiselijke twist in perceel …straat te Amsterdam. Genoemd perceel
werd bewoond door M. en N., die aan haar mond bloedde, wenste geen
aangifte te doen contra M., die toegaf aan ons, verbalisanten, dat hij
zijn echtgenote had mishandeld.

4.2.3. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 6 maart 1991
van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in
deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- als
verklaring van S.:

A. was een volle nicht van mij. A. heeft ongeveer anderhalf jaar met
haar man en kind boven ons gewoond. Op 3 december 1986 heeft M. A. eerst
met een haarborstel met ijzeren pinnetjes geslagen. Hij heeft haar met
haar hoofd tegen de muur geslagen, aan haar haar getrokken en op de
grond gegooid.

Ik was erbij toen M. op 22 mei 1987 ruzie met A. maakte.

Plotseling gaf hij haar een harde klap op haar mond. Hij heeft haar toen
vreselijk mishandeld, o.a. sloeg hij haar vele malen in haar gezicht,
hij bonkte haar hoofd tegen de muur en sloeg een koffer kapot op haar
hoofd. Zij zat onder de blauwe plekken.

Ik mocht van haar niet tegen haar broer zeggen dat zij werd mishandeld.
Op een gegeven moment heeft mijn moeder haar gezegd dat zij de politie
moest bellen. Dat heeft ze toen gedaan en de politie is gekomen.

4.2.4. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 9 september
1991 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van
strafzaken in deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- als
verklaring van P.:

Ik ben de zuster van A’s vader. A. noemde mij tante P. Het was een
probleem dat M.’s ouders hem vaak om geld vroegen. Daarover hadden zij
vaak ruzie. Dan sloeg hij haar. Ik heb regelmatig blauwe plekken op haar
armen gezien.

A. is een keer bij mij gekomen met een losse tand en een bloedneus. Bij
andere gelegenheden heb ik van haar gehoord dat M. haar had geslagen met
een houten lepel of een haarborstel.

4.2.5. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 23 september
1991 van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken
in deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- als
verklaring van K.

Ik heb wel eens blauwe plekken gezien op A.’s arm. Ik vroeg haar of haar
man haar had geslagen. Hoewel ze probeerde het voor mij te verbergen
huilde ze dan en zei dat haar man haar had geslagen, dat gebeurde vrij
regelmatig. Mijn nichtjes kwamen vaker bij A. boven en zagen dan haar
blauwe plekken.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van
een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van
verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst
van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de
persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is
gebleken.

Verdachte heeft gedurende een lange periode regelmatig zijn vrouw
geslagen. Anders dan verdachte zelf stelt vinden deze afstraffingen geen
enkele rechtvaardiging in de eigen culturele achtergrond. Zonder meer is
sprake van stelselmatige mishandelingen van een ernstig karakter.

Het is aannemelijk dat verdachtes vrouw hierdoor geleidelijk aan in een
staat van diepe ontreddering is geraakt waarin zij geen andere uitweg
meer zag dan zich het leven te benemen, op de gruwelijke wijze die in
haar cultuur voorkomt onder vrouwen in een benarde huwelijkssituatie.

De vrijheidsstraf om het aangerichte leed ook maar enigszins te
vereffenen zou derhalve de enig passende sanctie zijn. Anderzijds dient
rekening te worden gehouden met de lange tijdsduur van de tegen
verdachte lopende strafvervolging, een periode die door hem als zeer
kwellend is ervaren en een zeer zware belasting vormde voor zijn
inmiddels nieuw gevormde gezinsleven. Voor verdachte ligt hierin al een
boetedoening. Voorts is verdachte niet eerder in Nederland veroordeeld.
Dit alles tezamen genomen leidt tot de oplegging van een geheel
voorwaardelijke vrijheidsstraf van een na te noemen duur.

In haar verdere overwegingen met betrekking tot de op te leggen straf
betreft de rechtbank tevens het rapport d.d. 15 november 1990 van M,
psychiater te Amsterdam, opgemaakt naar aanleiding van een onderzoek
naar de geestesvermogens van verdachte, de voorlichtingsrapporten
betreffende verdachte, opgemaakt door V, maatschappelijk werker bij de
Stichting Reclassering Amsterdam en ’t Gooi d.d. 3 februari 1989 en 12
juni 1992 en de rapporten d.d. 15 maart 1991 en 20 maart 1992 van
prof.dr. L, hoogleraar in de culturele antropologie aan de G.U. te
Amsterdam, opgemaakt naar aanleiding van een onderzoek naar de
maatschappelijke- en levensbeschouwelijke achtergronden van verdachte en
zijn overleden echtgenote.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 300
en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende
beslissing.

9. Beslissing:

verklaart het onder 1. als eerste en als tweede telastegelegde niet
bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals
hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is
telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte
daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1. als derde en het onder 2. telastegelegde:

mishandeling terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn
echtgenoot, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte M daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht
maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging
van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de
tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later
anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het
einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Gelast de teruggave aan de familie van N van:

– zes (goudkleurige) armbanden;

– een (goudkleurige) ring, met inscriptie A.P. (doorgeknipt);

– een (goudkleurige) gladde damesring (doorgeknipt);

– een (goudkleurige) halsketting, schakels met zwarte steentjes, met
daaraan een hanger, goudkleurig, een dollar van 1859.

Verklaart niet in staat te zijn de teruggave te gelasten van:

– een katoenen rok;

– een katoenen blouse;

– een dames-panty-broekje;

– een dames-slip;

– een flesje met opschrift ‘azijnextract’;

– een zak uit stofzuiger;

– een zak uit badkameremmer;

– enige schriftelijke bescheiden.

Deze annotatie zal veel strafrechtelijke aspecten onbesproken laten.
Liever wil ik me concentreren op het culturele kader waarin deze zaak is
geplaatst en mijn bedenkingen daarbij.

Het tragische verloop van deze zaak wordt door alle betrokken juristen
als vanzelfsprekend tot de Hindoestaanse cultuur gerekend, ondanks het
feit dat echtscheidingen wel degelijk voorkwamen binnen de familie van
deze vrouw, en dat werkelijk iedereen, ook oudere en meer ’traditionele’
familieleden, haar dringend hadden aangeraden bij haar man weg te gaan.
Zo overweegt het hof in zijn beschikking: ‘Een veroordeling terzake van
aanzetten tot zelfmoord is in aanmerking genomen de omstandigheden van
deze zaak waaronder … de maatschappelijke en levensbeschouwelijke
achtergrond van de echtgenoten, niet geheel uitgesloten zij het dat
daarbij het resultaat van een naar die achtergronden in te stellen
deskundigenonderzoek van belang zal zijn …’. Nadat hij het rapport van
een antropoloog had ingewonnen, concludeerde de officier van justitie
dat er sprake was van het opzettelijk aanzetten tot zelfmoord van de
vrouw omdat de man ‘wist hoezeer zijn vrouw vasthield aan de oude
traditionele normen en waarden uit de Hindoestaanse cultuur. Hij moet
geweten hebben dat hij met iedere mishandeling het risico liep dat het
teveel werd voor zijn vrouw en dat zij zelfmoord zou plegen; zoals dit
in die cultuur veelvuldig voorkomt.’ De officier stelde ‘het opzettelijk
aanzetten tot zelfmoord’ primair als aanklacht omdat ‘in Hindoestaanse
kring zelfmoord van een vrouw door het innemen van azijnzuur veelvuldig
voorkomt indien die vrouw haar situatie als uitzichtloos ervaart.’
Behalve het hof en de officier van justitie had de advocaat van de
verdachte kennelijk ook oog voor de exotische kant van deze zaak en
stelde hij dat vrouwenmishandeling betrekkelijk normaal was binnen de
Hindoestaanse cultuur, en dus niet al te zwaar mocht worden gestraft. De
rechtbank zag daarin ‘geen enkele rechtvaardiging’, maar legde wel een
opvallend milde straf op.

Opmerkelijk vind ik het belang dat wordt gehecht aan het door de vrouw
gebruikte middel tot zelfmoord. Voor de officier van justitie is het
gebruik van azijnzuur het belangrijkste argument om deze zaak een
‘cultureel-antropologische achtergrond’ toe te dichten, en ook de
Rechtbank Amsterdam benadrukt dat de vrouw haar leven heeft genomen op
‘de gruwelijke wijze die in haar cultuur voorkomt onder vrouwen in een
benarde huwelijkssituatie.’ Het is ze kennelijk allebei om gelegen dit
als een bizar geval voor te doen. De boodschap is duidelijk. Buiten de
Nederlandse context (in casu onder Hindoestanen) is het een bekend
verschijnsel dat mannen hun vrouwen mishandelen, en dat vrouwen zich
daar niet aan kunnen onttrekken. Binnen de Nederlandse context is het
uitgesloten dat een man door stelselmatige mishandelingen zijn
echtgenote tot zelfmoord zou brengen.

Maar gewelddadige huwelijken met fatale afloop zijn geen exotische
verschijnselen. Juist in ‘westerse’ landen zoals Nederland is er de
laatste tijd aandacht voor het verband tussen stelselmatige mishandeling
en partnerdoding (zie bijvoorbeeld Renee Romkens, Slachtoffers tot het
bittere eind, Nemesis 1992 nr. 6, p. 10-15). Vaak gaat het om vrouwen
die om het leven zijn gebracht nadat ze gevlucht zijn naar een
opvanghuis, of die overleden zijn na een zware mishandeling. Of het gaat
om mannen die om het leven zijn gebracht door de vrouw nadat de vrouw
mishandeld is en geen andere uitweg meer ziet om te ontkomen aan het
aanhoudende geweld. In Noord Amerika is al enige tijd aandacht geweest
voor het belang van de context van chronische dreiging en angst voor een
goed begrip van de motieven van vrouwelijke daders bij partnerdoding.
Dit besef begint ook de Nederlandse rechtszalen binnen te dringen (zie
b.v. Hof s’Gravenhage 16 maart 1992, RN 1992, 293). Het interessante van
deze zaak is dat het Openbaar Ministerie nu probeert een verband te
leggen tussen mishandeling binnen een relatie en zelfmoord door de
vrouw. Maar helaas zoekt hij geen aansluiting bij de ontluikende
juridische discussie rond het verband tussen geweld binnen relaties en
partnerdoding. In tegendeel, net zo goed als de advocaat van de
verdachte, zondert hij deze zaak af van dergelijke algemene discussies
door haar exotisch karakter te benadrukken. Reeds bestaande vooroordelen
over intieme relaties tussen mannen en vrouwen bij ‘cultureel anderen’
worden daardoor als vanzelfsprekend aanvaard en bevestigd. De voor mij
opmerkelijke passiviteit van het Openbaar Ministerie in deze zaak wordt
dan ook niet ter discussie gesteld. Maar waarom heeft het Openbaar
Ministerie in eerste instantie de vervolging van deze ‘stelselmatige
mishandeling van een ernstig karakter’ geseponeerd? Was dat ook omdat
het om geweld tegen een Hindoestaanse vrouw ging?

Sarah van Walsum

Rechters

Mrs. Van der Schroeff, Ventevogel, Van Tongeren.

Instantie: Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing, 21 augustus 1992

Instantie

Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing

Samenvatting


Klaagster heeft visitatie geweigerd en is daarvoor disciplinair
gestraft. Menstruatie is onvoldoende reden voor weigering visitatie. Op de
reactie van de raadsman dat aan de problemen die klaagster heeft bij het
ondergaan van de visitatie ernstige psychische problemen ten grondslag liggen
vanwege incestueuse ervaringen in het verleden, is geantwoord dat van deze
ervaringen ten tijde van het incident en daarvoor nooit iets is gebleken.
Daarna is dit wel bekend geworden. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Volledige tekst

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als
volgt:

1. Inhoud van het beklag en de beslissing van de beklagcommissie:

Het beklag betreft:

a. een disciplinaire straf van drie dagen afzondering op cel, niet
zijnde een strafcel, wegens het niet voldoende meewerken aan visitatie na
bezoek;

b. een disciplinaire straf van 2 dagen afzondering op eigen cel, alsmede
de maatregel van ontzegging van bezoek voor de duur van 14 dagen wegens het
(wederom) onvoldoende meewerken aan visitatie na bezoek; en

c. een maatregel van plaatsing in de isoleercel voor de duur van 1 uur,
voorafgaand aan de onder b. genoemde straf.

De beklagcommissie heeft het beklag ten aanzien van onderdeel a. en b.
ongegrond verklaard, ten aanzien van onderdeel c. van het beklag heeft de
beklagcommissie klaagster niet-ontvankelijk verklaard op de gronden als in de
aangehechte beschikking weergegeven.

2. Standpunten van klaagster en de directeur:

Door of namens klaagster is in beroep verwezen naar het tegenover de
beklagcommissie ingenomen standpunt. Voorts is verwezen naar het door de
raadsman opgestelde en uitvoerig gemotiveerde beroepschrift, welke schriftuur
als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

Door de directeur is aangevoerd dat voor het incident van 8 mei j.l.
klaagster zich eerder heeft onderworpen aan visitaties. Na de tweede weigering
op 10 mei 1992, heeft zij zich opnieuw onderworpen aan de visitaties.

Het feit dat klaagster geen drugs gebruikte was geen reden om haar bij
uitzondering niet aan de visitatie te onderwerpen. Klaagster is overigens wel
gedetineerd op grond van verdenking van handel in drugs.

Op 8 mei 1992 heeft klaagster niet haar menstruatie als weigering voor
de visitatie genoemd maar had zij meer principiele redenen.

Overigens vinden de visitaties plaats door vrouwelijke penitentiaire
inrichtingswerksters.

De maatregel van twee weken ontzegging van bezoek is een maatregel
gebaseerd op de handhaving van de goede orde en veiligheid in de inrichting.

Het betreft hier geen disciplinaire bestraffing zoals de advocaat
stelde.

Op de reactie van de raadsman dat aan de problemen die klaagster heeft
bij het ondergaan van de visitatie ernstige psychische problemen ten grondslag
liggen vanwege incestueze ervaringen in het verleden, is geantwoord dat van
deze ervaringen ten tijde van het incident en daarvoor nooit iets is gebleken.
Daarna is dit wel bekend geworden.

3. Beoordeling:

De beroepscommissie is van oordeel dat de beklagcommissie op goede
gronden tot het juiste oordeel is gekomen. Het beroep dient derhalve op alle
onderdelen te worden verworpen.

4. Beslissing:

De beroepscommissie verklaart het beroep op alle onderdelen ongegrond en
bekrachtigt de beschikking van de beklagcommissie.

Rechters

Mr J.R. Meijeringh, voorzitter, dr. J.P.S. Fiselier en mr. M.J.F.A.Mutsaers, leden, mr. A. Boekhoudt, secretaris

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 20 augustus 1992

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Klaagster heeft wetenschap gehad van het feit dat haar moeder bij herhaling
in eigen huis is verkracht door een SS-er. Klaagster heeft daardoor
lichamelijke en psychische klachten. Volgens de Raad heeft klaagster in de
oorlogsjaren 1940-1945 geen vervolging ondergaan als bedoeld in artikel 2 WUV
en zij heeft geen aanleiding gevonden klaagster met toepassing van artikel 3
lid 2 WUV met de vervolgde gelijk te stellen. Immers volgens de Raad berust
de weigering van verweerder om ten aanzien van klaagster van zijn bevoegdheid
gebruik te maken op het standpunt dat het seksuele vergrijp jegens klaagsters
moeder, sterdragende Joodse vrouw, door een SS-er geen verband met de
vervolging houdt.
De Centrale Raad kan het standpunt van verweerder hieromtrent niet volgen. In
aanmerking genomen dat in onderhavig geval sprake is van een situatie waarin
de moeder van klaagster bescherming van haar niet-Joodse huwelijkspartner
wegens diens gevangenschap moest ontberen, kan naar ’s Raads oordeel van het
in die omstandigheden plaatsgrijpen van seksueel misbruik door een SS-er niet
gezegd worden dat zulks niet als een vervolgingsomstandigheid is aan te
merken.
De Raad verklaart het beroep gegrond.

Volledige tekst

;I Ontstaan en loop van het geding
Onder dagtekening 26 maart 1991 heeft verweerder ten aanzien van klaagster,
na gemaakt bezwaar, een beslissing genomen waarvan een fotokopie aan deze
uitspraak is gehecht.
Van die beslissing is klaagster bij de Raad in beroep gekomen. Namens
klaagster heeft mr. M.E. Baumgarten-Wessel, advocaat en procureur te
Voorburg, in het aanvullend klaagschrift uiteengezet waarom klaagster zich
met de bestreden beslissing niet kan verenigen.
Het geding is behandeld ter terechtzitting van 16 juli 1992. Aldaar is
klaagster in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.E. Baumgarten-Wessel
voornoemd als haar raadsvrouw, terwijl verweerder zich heeft doen
vertegenwoordigen door C.J. van der Zaan, werkzaam bij het Algemeen
burgerlijk pensioenfonds.
II Motivering
In dit geding heeft de Raad de vraag te beantwoorden of de bestreden
beslissing in rechte stand kan houden.
De Raad ontleent aan de gedingstukken het navolgende. Klaagster is op 8
oktober 1932 te Amsterdam geboren uit het huwelijk van een Joodse moeder en
een niet-Joodse vader. toen een zuster van klaagsters moeder werd opgeroepen
voor deportatie heeft deze zuster aan moeder in aanwezigheid van klaagster
een aantal kostbaarheden, sieraden en enkele balen stof, in bewaring
meegegeven.
Na verraad zijn bij een huiszoeking op 22 oktober 1942 deze spullen in de
woning van het gezin waartoe klaagster behoorde aangetroffen. Klaagsters
vader nam volgens klaagster de schuld op zich uit angst dat zijn echtgenote
zou worden gedeporteerd en is daarop gearresteerd en in gevangenschap
gevoerd. De vader van klaagster heeft als gevangene laatstelijk vanaf 16
februari 1943 in kamp Vught verbleven tot zijn vrijlating op 29 mei 1943.
Klaagsters moeder was in de periode van 2 mei 1942 tot 3 december 1943
verplicht de zogenoemde Jodenster te dragen. Klaagster is blijkens haar
verklaringen bij de arrestatie van haar vader aanwezig geweest, terwijl zij
heeft geweten dat toen haar vader elders werd vastgehouden, een SS-er onder
bedreiging van haar moeder de woning wist binnen te komen en dat SS-er – in
de wetenschap dat de echtgenoot van klaagsters moeder afwezig was – de moeder
van klaagster bij herhaling in eigen huis heeft verkracht. Klaagster heeft
lichamelijke en psychische klachten die zij toeschrijft aan hetgeen zij
tijdens de Duitse bezetting heeft meegemaakt.
Als rechtsopvolger van de Uitkeringsraad heeft verweerder bij de bestreden
beslissing zijn standpunt gehandhaafd dat klaagster in de oorlogsjaren
1940-1945 geen vervolging heeft ondergaan als bedoeld in artikel 2 van de Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers, hierna te noemen: de Wet, en geen
aanleiding gevonden klaagster met toepassing van artikel 3, tweede lid, van
de Wet met de vervolgde gelijk te stellen.
De Raad overweegt als volgt.
Uit de gedingstukken blijkt dat verweerder boven weergegeven relaas tot
uitgangspunt heeft genomen bij het nemen van de bestreden beslissing. Mede in
dit licht ziet de Raad onvoldoende grond om aan de juistheid van dit relaas
te twijfelen, zodat ook de Raad hiervan bij het vormen van zijn oordeel
uitgaat.
De ter terechtzitting van de Raad door verweerders gemachtigde alsnog
geplaatste vraagtekens bij klaagsters verklaringen omtrent de verkrachting
van haar moeder, hebben de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
Uit de feiten, die hiervoor zijn weergegeven, blijkt naar het oordeel van de
Raad dat klaagster geen vervolging in de zin van artikel 2 van de Wet heeft
ondergaan.
Klaagster bestrijdt dit ook niet, maar meent dat verweerder gebruik had
dienen te maken van de hem in artikel 3, tweede lid, van de Wet toegekende
bevoegdheid om met een vervolgde gelijk te stellen de persoon ten aanzien van
wie het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.
Die bevoegdheid is discretionair van aard. Dit betekent dat de Raad in dezen,
aangezien van strijd met de wet niet is gebleken, heeft na te gaan of
verweerder bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet in
redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen dan wel of hij anderszins
heeft gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
Naar de Raad uit de bestreden beslissing, gelezen in samenhang met de
weergave in de gedingstukken van het terzake in verweerders vergadering d.d.
8 maart 1991 genomen besluit, is gebleken, berust de weigering van verweerder
om ten aanzien van klaagster van zijn vorenomschreven bevoegdheid gebruik te
maken op het standpunt dat het seksuele vergrijp jegens klaagsters moeder door
een SS-er geen verband met de vervolging houdt.
De Raad kan het standpunt van verweerder hieromtrent niet volgen. In
aanmerking genomen dat in onderhavig geval sprake is van een situatie waarin
de moeder van klaagster als
-sterdragende- Joodse vrouw de – uit hoofde van haar afkomst van belang
zijnde- bescherming van haar niet-Joodse huwelijkspartner wegens diens
gevangenschap moest ontberen, kan naar ’s Raads oordeel van het in die
omstandigheden plaatsgrijpen van seksueel misbruik door een SS-er niet gezegd
worden dat zulks niet als een vervolgingsomstandigheid is aan te merken.
Op grond van het vorenstaande is de Raad dan ook tot de conclusie gekomen dat
de bestreden beslissing niet door haar motivering kan worden gedragen. De
bestreden beslissing kan mitsdien niet in stand blijven.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede het bepaalde in artikel 80a,
vijfde lid, van de Beroepswet, is de Raad van oordeel dat het door klager
gestorte griffierecht door verweerder dient te worden vergoed.
Derhalve wordt beslist als volgt.
III Beslissing
De Centrale raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt de bestreden beslissing voorzover verweerder daarbij geweigerd
heeft ten aanzien van klaagster toepassing te geven aan artikel 3, tweede
lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945;
Verstaat dat verweerder een nadere beslissing zal nemen met inachtneming van
hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Bepaalt dat verweerder op grond van artikel 80a, vijfde lid, van de
Beroepswet aan klaagster het gestorte griffierecht van ƒ 50 vergoedt.

Rechters

Mrs. J.G. Treffers (vz), R.C. Schoemaker, M.W. Hulsman

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 12 augustus 1992

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Het gerechtshof bekrachtigt de beschikking van het medisch tuchtcollege.
Het college sluit zich aan bij de constante jurisprudentie van de medische
tuchtcolleges, volgens welke een arts de therapeutische relatie met een
patiente niet behoort te vermengen met een liefdesrelatie.

Zeker toen de zenuwarts met de patiente begon met haptonomie, had hij zich
moeten realiseren dat er een liefdesrelatie uit voort kon komen. Daardoor
wordt inbreuk gedaan op de waardigheid en de integriteit van de patiente die
door haar ziekte en de noodzaak van behandeling in een afhankelijke positie
jegens de arts verkeert.

Volledige tekst

1. De procedure.

Bij die beschikking, welke in foto-kopie is aangehecht, is aan A., voornoemd,
naar aanleiding van een door de Geneeskundige Inspecteur voor de Geestelijke
Volksgezondheid voor Noord-Brabant en Limburg te I., zijnde thans C. hierna
verder te noemen: klaagster, de maatregel van schorsing in de uitoefening van
de geneeskunst voor de tijd van vier maanden opgelegd en is voorts bepaald,
dat die beslissing met inachtneming van artikel 13b lid 1 van de Medische
Tuchtwet bekend zal worden gemaakt door plaatsing in de Nederlandse
Staatscourant en door toezending met verzoek tot plaatsing aan de redacties
van het “Tijdschrift voor Gezondheidsrecht” en “Medisch contact”.

Tegen deze beslissing is door A. -hierna verder te noemen: appellant- beroep
ingesteld. Het beroepschrift is op 30 januari 1992 -en derhalve tijdig bij
het College voor medisch Tuchtrecht binnengekomen.

Ter niet-openbare terechtzitting van dit Hof van 1 juli 1992 heeft het Hof
gehoord: appellant in persoon bijgestaan door zijn raadsman, de klaagster en
de Procureur-Generaal.

2. De beoordeling

2.1. Appellant heeft in hoger beroep, in afwijking van zijn verklaringen in
eerste aanleg, naar voren gebracht, dat er gedurende de tijd, dat hij met
mevrouw D een seksuele relatie onderhield, geen sprake was van een verhouding
arts-patiente tussen hem en mevrouw D, omdat mevrouw D toen gezond en genezen
was. Mevrouw D zou toen geen klachten meer hebben gehad, waarvoor behandeling
nodig was, noch op neurologisch noch op psychiatrisch gebied en er zouden
zich in die tijd geen problemen hebben voorgedaan die wezen op een psychische
nood. In eerste aanleg heeft appellant – in overeenstemming met zijn eerdere
opgaven tegenover de interne rapporteur van het E – medegedeeld, dat zijn
seksuele relatie met mevrouw D in het begin van 1988 een aanvang heeft genomen
en ruim drie jaar heeft geduurd.

Uit het vorenbedoeld intern rapport blijkt en in hoger beroep is niet
bestreden, dat mevrouw D in die periode herhaaldelijk door appellant in het
E is opgenomen. Uit de daarvoor door appellant aan de huisarts verzonden
verslagen blijkt, dat hij haar heeft opgenomen en behandeld terzake van
klachten en aandoeningen, welke waren terug te voeren op de neurotische
geaardheid en neiging tot depressiviteit, welke bij haar eerder zowel door
appellant als door de psychiater F in zijn schrijven van 26 maart 1986 –
‘neurotische depressie, somatiseringsstoornis, chronische depressieve
persoonlijkheidsstoornis’ – waren geconstateerd, alsook dat appellant nadere
behandeling en begeleiding beoogde.

2.2. Appellant heeft in hoger beroep nader aangevoerd, dat de opnamen slechts
incidentele inzinkingen betroffen bij een overigens herstelde patiente. Naar
het oordeel van het Hof maakt het geen wezenlijk verschil of appellant
voortdurend of slechts incidenteel bij telkens opnieuw gebleken noodzaak als
arts van de patiente, met wie hij een liefdesrelatie onderhield, optrad.

Overigens wordt appellants hier besproken voorstelling van zaken weerlegd
door de inhoud van de berichten aan de huisarts en zijn tussentijds bericht
van 5 februari 1988, waarin geen gewag wordt gemaakt van herstel, doch van
uitingen van steeds hetzelfde ziektebeeld en van de noodzaak van voortdurende
– intensieve – begeleiding. Uit het intern rapport en de bijgevoegde status
blijkt dat de patiente in de hier van belang zijnde periode ook regelmatig
en frequent onder poliklinische behandeling van appellant heeft gestaan.

2.3. In zijn aan het beroepschrift gehecht schriftelijk relaas, alsook bij
de behandeling in hoger beroep, heeft appellant voorts nog opgegeven, dat de
opnamen en behandeling in werkelijkheid niet noodzakelijk of geindiceerd
waren, hetgeen naar ’s Hofs oordeel zou impliceren, dat appellant in zijn
voormelde schriftelijke verslaglegging en berichtgeving een valse
voorstelling van zaken zou hebben gegeven. Dat opnamen en p adequate –
behandeling niet noodzakelijk en geindiceerd waren is echter in genen dele
aannemelijk geworden en evenmin, dat dat door de patiente zo zou zijn
ervaren.

2.4. Uit het vorenstaande volgt, dat het oordeel van het College, dat
appellant gedurende geruime tijd een seksuele relatie heeft onderhouden met
een patiente, die hij tezelfder tijd als arts onder behandeling had, moet
worden onderschreven.

2.5. Appellant heeft nog aangevoerd, dat hij beide relaties gelijktijdig
heeft laten voortduren onder de dwang van de door de patiente geuite
bedreigingen, dat zij aan haar liefdesrelatie met appellant bekendheid zou
geven wanneer appellant deze onderling verknochte relaties zou beeindigen.
Dat appellant wellicht een dergelijke reactie te vrezen had, was echter een
omstandigheid, waarin hij zichzelf had gebracht en welke een voortzetting van
deze vervlochten relaties niet kon rechtvaardigen.

2.6. De door het College opgelegde schorsing voor de duur van vier maanden
vormt ook naar het oordeel van het Hof een adequate tuchtrechtelijke reactie
op het te laken optreden van appellant, ook wanneer wordt rekening gehouden
met de gevolgen, welke volgens appellants opgave bovendien nog aan de
ontdekking van de feiten en de tuchtrechtelijke bestraffing daarvan voor hem
verbonden zijn. Dat het belang van de huidige patienten van appellant in de
weg staat aan een onvoorwaardelijke schorsing, omdat hun behandeling niet
door een andere arts zou kunnen worden overgenomen, is onvoldoende
aannemelijk geworden.

2.7. Uit al het bovenstaande volgt, dat het beroep ongegrond is en dat de
beschikking, waarvan beroep, dient te worden bekrachtigd. De openbaarmaking
van de bestreden beschikking berust op de Wet en komt wenselijk voor, terwijl
hetgeen appellant daartegen heeft aangevoerd, naar ’s Hofs oordeel niet van
zo zwaarwegende aard is, dat het tot een andere beslissing dan die van de
eerste rechter op dit punt zou behoren te leiden.

3. De beslissing: Het gerechtshof bekrachtigt de beschikking, waarvan beroep.

Rechters

Mrs. Jurgens, Langemeijer, Overwater en Smulders

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 3 augustus 1992

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Afwijzing van het verzoek tot beeindiging van de alimentatie wegens
samenwoning van de vrouw met haar partner mevrouw B nu de man ten tijde
van de totstandkoming van het convenant, waarbij hij zich verplichtte tot
betaling van een onderhoudsbijdrage wist dat de vrouw samenleefde met
mevrouw B Geen wijziging van omstandigheden.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep De man is in hoger beroep gekomen van een
beschikking van 4 maart 1992 van de rechtbank te Amsterdam, rekestnr.
91.2450F De vrouw heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld
op 29 juni 1992 door de daartoe aangewezen raadsheer-commissaris.

2. Het geschil in hoger beroep en de feiten en omstandigheden 2.1.
Partijen zijn in 1960 gehuwd. Hun huwelijk is in 1987 ontbonden.

2.2. In geschil is de afwijzing bij de beschikking waarvan beroep van het
verzoek van de man te bepalen dat zijn verplichtingen levensonderhoud te
verschaffen aan de vrouw met ingang van 18 juli 1991 is geeidigd.

De man verzoekt alsnog dit verzoek toe te wijzen. De vrouw verzoekt de
beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3. Ten aanzien van partijen is het volgende gebleken: In september 1986
is de vrouw gaan samenwonen met haar partner mevrouw B. De man was hiervan
op de hoogte toe partijen in december 1986 een convenant ondertekenden,
waarin zij onder meer het volgende zijn overeengekomen: (…) I. Ten
aanzien van de verplichting tot levensonderhoud 1. Met ingang van 1
januari 1987 voldoet de man maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw
een bedrag van ƒ 1.000,= door storting of bijschrijving op een daartoe
door de vrouw aan te wijzen bank- of girorekening. 2. Voormelde uitkering
tot levensonderhoud zal eindigen in de maand, waarin de man de leeftijd
van 65 jaar bereikt. (…) Op 18 juni 1991 hebben de vrouw en haar
partner mevrouw B hun samenleving bevestigd ten overstaan van de
aangewezen ambtenaar/persoon van de gemeente Deventer.

3. De beoordeling van het hoger beroep 3.1. De man verzoekt zijn
verplichting levensonderhoud te verschaffen aan de vrouw te beeindigen,
omdat zij met een ander is gaan samenwonen als waren zij gehuwd. Daarbij
acht hij vooral van belang dat de vrouw en haar partner hun samenwoning
hebben bevestigd bij de Burgelijke Stand te Deventer op 18 juli 1991. 3.2.
Gebleken is echter dat de vrouw reeds tentijde van de totstandkoming van
het convenant samenleefde met haar partner en dat de man, die hiervan op
de hoogte was, het convenant desondanks is aangegaan. 3.3. In de situatie
van de vrouw is geen wijziging gekomen. Formaliseren van de situatie door
ondertekening van een akte ter bevestiging van de samenleving met haar
partner ten overstaan van de aangewezen ambtenaar/persoon van de gemeente
Deventer doet daaraan niets af 3.4. Gezien het vorenstaande bestaat geen
aanleiding het convenant te wijzigen. 3.5. Dit leidt tot de volgende
beslissing.

4. Beslissing Het hof: bekrachtigd de beschikking waarvan beroep;
compenseert de kosten van het hoger beroep aldus, dat iedere partij de
eigen kosten draagt.

Rechters

mrs. Willems-Morsink, De Wild, Boumans

Instantie: Kantonrechter Apeldoorn, 29 juli 1992

Instantie

Kantonrechter Apeldoorn

Samenvatting


X is voor de periode van een jaar aangesteld als groepsleider bij het
Jongenshuis Z te Z. Gedurende weekends verblijven geregeld met instemming van
het Jongenshuis pupillen bij X thuis. Daarbij zouden zich verschillende
seksuele intimiteiten hebben voorgedaan ten aanzien van twee elf- en
veertienjarige pupillen. Op grond daarvan wordt X op staande voet ontslagen.
X betwist gemotiveerd dat de hem verweten feiten zich zouden hebben
voorgedaan. Het proces-verbaal van aangifte bij de politie bevat ook deels
andere feiten dan door de werkgever zijn gesteld. De betwisting door X van
die beschuldiging zou dienen te leiden tot een bewijsopdracht aan het
Jongenshuis Z, in het kader waarvan beide jongens als getuigen gehoord zouden
moeten worden. Ter comparitie van partijen zijn daartegen voor de hand
liggende bezwaren naar voren gebracht. De kantonrechter merkt op dat het in
dit geval gaat om situaties waarin niet meer dan twee personen kunnen
verklaren wat zich heeft voorgedaan, waarbij de geloofwaardigheid van de af
te leggen verklaringen van doorslaggevende betekenis is. In dit geval moet
aan de geloofwaardigheid van de beide jongens worden getwijfeld, omdat niet
bij voorbaat kan worden uitgesloten dat de verklaring van X, dat de relatie
tussen hem en de jongens onder druk stond nadat hij een van hen had betrapt
op het spelen van seksuele spelletjes en hem daarvoor had bestraft, op
waarheid berust. Derhalve kan rancune de bron van de beschuldigingen zijn
geweest. Van Jongenshuis Z verlangen hiervan het tegenbewijs te leveren zou
een onmogelijke bewijsopdracht opleveren. De twijfels dienen ten gunste van X
te worden uitgelegd.
Ontslag op staande voet is een ultimum remedium; deze maatregel mag slechts
worden gebruikt indien van de werkgever niet kan worden gevergd een andere
minder bezwarende methode van beëindiging van de arbeidsovereenkomst te
kiezen. Daarbij kan een rol spelen in hoeverre ook de werkgever een verwijt
treft van het gebeurde. De beslissing om herhaaldelijk pupillen met X naar
huis te laten gaan had slechts genomen behoren te worden wanneer Jongenshuis
Z overtuigd was van een juiste professionele instelling en voldoende
vakbekwaamheid van X. Dienaangaande staat vast dat X nog geen diploma als
groepsleider had en begeleiding nodig had.
De vordering tot vernietiging van het ontslag op staande voet en doorbetaling
van loon wordt toegewezen.

Volledige tekst

…) Beoordeling

In conventie

X is op 1 augustus 1991 in dienst getreden van Jongenshuis Z voor de duur van
een jaar. Zijn salaris bedraagt ƒ 2298,40 bruto per maand op basis van een
32-urige werkweek. Zijn functie is groepsleider.
Jongenshuis Z is een vakinternaat voor moeilijk opvoedbare jongens in de
leeftijd van 11 tot 18 jaar die aldaar onderwijs volgen. De pupillen leven in
leefgroepen van 11 kinderen van nagenoeg dezelfde leeftijd. De leefgroep
wordt begeleid door een team van groepsleiders. De groepsleiders zorgen voor
de verzorging en opvoeding van de kinderen.
Het komt voor dat, wanneer een pupil als enige uit zijn leefgroep het weekend
niet naar huis gaat en daarom samen met de groepsleider zou moeten
achterblijven, de pupil het weekend bij de groepsleider thuis doorbrengt.
De jongens hebben X beticht van onzedelijk gedrag, hetgeen de directie van
Jongenshuis Z heeft doen besluiten X op staande voet te ontslaan bij brief
van 31 januari 1992. De kern van de brief luidt als volgt:
Kort samengevat komen de verklaringen van de jongens erop neer dat in de
periode na de laatste zomervakantie deze pupillen individueel regelmatig in
weekeinden bij u gelogeerd hebben en zich gedurende het verblijf van deze
jongeren bij u thuis het volgende heeft voorgedaan:
– Zeer nadrukkelijk heb u hen gemaand naakt rond te lopen, hetgeen ook
daadwerkelijk gevolg kreeg, terwijl u ook zelf geheel naakt was.
– Tijdens deze weekeinden werd, eveneens op u aandringen en initiatief,
gezamenlijk naakt gezwommen, hetgeen niet spoorde met wensen van deze
kinderen c.q. met hetgeen in het kader van uw hulpverleningsopdracht als
gepast beschouwd kan worden.
– Uw gedrag, zowel verbaal als non-verbaal, is als uitdagend en
aanstootgevend ervaren door beide jongens. Stoeipartijtjes die het karakter
van ongewenste intimiteiten hadden zijn in deze ook een concreet voorbeeld,
evenals het opmeten van geslachtsdelen.
– Het vertonen van, in de beleving van genoemde jongeren, pornofilms.
– Het aanbieden en laten nuttigen van o.a. sterk alcoholische drank.
– Ten aanzien van … het tenminste eenmaal (weekend 10/11 januari jl.)
gericht aangaan van seksueel contact, hetgeen geheel en al tegen de wil van
dit kind inging, maar bovenal als een absoluut ontoelaatbare en onacceptabele
vorm van seksueel misbruik gekwalificeerd moet worden. Dit feit weegt extra
zwaar wanneer het geplaatst wordt in de hulpverleningscontext.

Dit alles passeerde, ondanks het feit dat u op de hoogte bent van uw taak- en
functieomschrijving en onze opvoedingsfilosofie binnen het kader van onze
pedagogische doelstellingen, als vastgelegd in ons organisatie-handboek
(hoofdstukken 4.0 organisatie van de leefgroep en 4.1. Bijzondere
Aandachtspunten voor Groepsleiding), de overdracht- en rapportageplicht en
ons reglement inzake het gebruik van zwak alcoholische dranken door pupillen
als vastgelegd in hoofdstuk 4.12 van eerdergenoemd organisatiehandboek.
Tenslotte mogen wij u er nog op wijzen dat onlangs ook in uw team de nota
‘Seksueel misbruik in hulpverlening- en opvoedingssituaties’ aan de orde is
gesteld, terwijl u daarna nogmaals onze pupil … met het in geen enkel
opzicht toegestane aanstootgevende gedrag geconfronteerd hebt.

Uw daden en gedragingen hebben pupillen, hun ouders, de kinderrechter en uw
collega’s en begeleiders dermate geschokt dat redelijkerwijs niet van ons
gevergd kan worden de dienstbetrekking met u te laten voortduren. Wij baseren
ons besluit op de regels van het arbeidsrecht, als vastgelegd in artikel
1639p van het Burgerlijk Wetboek:
– U hebt in ernstige mate aangetoond de bekwaamheid tot professioneel
handelen in relatie tot de functie waar toe u zich heeft verbonden volstrekt
te missen.
– Door uw handelen is de noodzakelijke vertrouwensrelatie tussen en uw
teamcollega’s en pupillen onherstelbaar verbroken.
– U hebt met uw eerder omschreven gedrag getracht pupillen te verleiden tot
handelingen strijdig met de goede zeden.

In het geding zijn gebracht -voor zover thans van belang- het proces-verbaal
van het opsporingsverzoek en verklaringen van de orthopedagoog van
Jongenshuis Z die met de jongens heeft gesproken en verklaard heeft niet te
twijfelen aan de woorden van de jongens.

X betwist evenwel -gemotiveerd- dat de hem verweten feiten zich hebben
voorgedaan. Hij acht het hem gegeven ontslag op staande voet nietig en
vordert doorbetaling van loon met nevenvorderingen.

Op basis van de inhoud van het proces-verbaal van de politie moet worden
geconstateerd dat op onderdelen van de in de ontslagbrief gestelde feiten het
een en ander valt af te dingen. Zo blijkt niet dat X beide jongens zou hebben
gemaand naakt rond te lopen in zijn flat. Verder is slechts een keer naakt
gezwommen en daarvan zei de jongen dat hij dat wel eens wilde meemaken.
verder heeft X de jongens geen sterk-alcoholische maar zwak-alcoholische
drank laten drinken.

Hiermee wordt niet gebagatelliseerd wat zich overigens wel blijkt te hebben
voorgedaan, maar dit wordt vastgesteld om aan te geven dat verhalen in de
praktijk een eigen leven gaan leiden of al dan niet bewust worden aangedikt.

Van de verst strekkende betekenis is de beschuldiging dat X heeft getracht
met de jongens gericht seksueel contact aan te gaan. X heeft dit met
stelligheid betwist, blijkens de verklaring van de moeder van een van de
jongens terstond nadat hij daarvan was beschuldigd.

De betwisting door X van die beschuldigingen zou dienen te leiden tot een
bewijsopdracht aan Jongenshuis Z in het kader waarvan beide jongens als
getuigen gehoord zouden moeten worden. Ter comparitie van partijen is dit
besproken en zijn de voor de hand liggende bezwaren daarvan aan de orde
gesteld. In dat verband wordt thans opgemerkt dat het in dit geval gaat om
situaties waarin niet meer dan twee personen kunnen verklaren wat zich heeft
voorgedaan, waarbij de geloofwaardigheid van de af te leggen verklaringen van
doorslaggevende betekenis is. De op zich honorabele opvattingen dienaangaande
van genoemde orthopedagoog kunnen niet als in rechte beslissend gelden.

In dit geval valt aan de geloofwaardigheid van de beschuldigingen van de
jongens wel te twijfelen, omdat niet bij voorbaat uitgesloten kan worden
geacht dat waar is, wat X naar voren heeft gebracht, namelijk dat de relatie
met de pupillen onder druk is komen te staan, nadat in het jongenshuis was
gebleken dat jongens met elkaar seksuele spelletjes speelden en nadat tegen
een van de jongens door X een strafmaatregel was getroffen, waarop de
betreffende jongen aan X kenbaar had gemaakt hem dwars te zullen zitten.
Derhalve kan rancune de bron van de -ernstige- beschuldigingen zijn geweest
dan wel de beschuldigingen hebben gekleurd. Van Jongenshuis Z te verlangen
hiervan tegenbewijs te leveren, zou een onmogelijke bewijsopdracht opleveren.
De twijfels dienen ten gunste van X te worden uitgelegd.
Het vorenstaande leidt ertoe dat geen bewijsopdracht zal worden gegeven.
Daarbij is ook – mede ten aanzien van de nadere aan het adres van X gerichte
verwijten – het volgende in aanmerking
genomen.
Ontslag op staande voet geldt als ultimum remedium. Het in art.7A:1639p,
eerste lid, BW geformuleerde criterium leidt ertoe dat van deze maatregel
slechts dan gebruik mag worden gemaakt, wanneer van de werkgever niet gevergd
kan worden een andere – voor de werknemer minder bezwarende – methode van
beëindiging van de arbeidsovereenkomst te kiezen. Daarbij kan een rol spelen
in hoeverre ook de werkgever een verwijt treft van het gebeurde.
In dit geval had het Jongenshuis Z gepast ook de hand in eigen boezem te
steken. Dan was naar voren gekomen dat in het geval van X datgene wat als
uitzondering behoorde te gelden – het verblijf van pupillen bij groepsleiders
in de weekenden – bijna
regel was geworden. Volgens X. is het – gedurende het dienstverband – een
keer of vijftien voorgekomen dat een jongen bij hem thuis verbleef.
Als door X gesteld en door Jongenshuis Z onvoldoende weersproken staat vast
dat X conform de geldende regels telkens heeft gerapporteerd naar aanleiding
van een dergelijk verblijf.

De beslissing om herhaaldelijk pupillen met X naar huis te laten gaan, had
slechts genomen behoren te worden wanneer Jongenshuis Z overtuigd was van een
juist professionele instellingen en voldoende vakbekwaamheid van X.
Dienaangaande staat vast dat X nog geen diploma als groepsleider had en
begeleiding nodig had. Bovendien blijkt uit de verklaring van de – ervaren –
groepsleider F dat deze altijd gevonden heeft dat X niet voldoende afstand
nam van het werk en dat hij het aanbod van X ieder weekend dat hij vrij was,
een jongere thuis te willen opnemen, niet vond getuigen van een professionele
houding. Ook twijfelde hij aan de stabiliteit van X en heeft hij zich
afgevraagd of X wel voldoende voor zijn werk was toegerust.
Ook was bekend dat een van de jongens in het verleden negatieve seksuele
ervaringen had meegemaakt, hetgeen temeer had behoren te leiden tot meer dan
getoonde terughoudendheid bij de afwijking van de regel dat ’thuisopvang’
niet structureel behoort te zijn.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het ontslag op staande voet geen
stand houdt, zodat hetgeen partijen overigens over en weer naar voren hebben
gebracht, geen afzonderlijke bespreking behoeft.
De cijfermatig niet weersproken vordering is derhalve toewijsbaar, waarbij in
aanmerking wordt genomen dat de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor
bepaalde tijd, zodat deze van rechtswege op 31 juli 1992 eindigt. In de
omstandigheden van het geval wordt aanleiding gevonden de wettelijke
verhoging te beperken tot 10%. Jongenshuis Z zal als de in het ongelijk
gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

In reconventie
Deze vordering berust op de stelling dat X terzake de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst schadeplichtig is. Uit het hiervoor in conventie
overwogene vloeit voort, dat deze basis ondeugdelijk is, zodat de vordering
moet worden afgewezen.

Beslissing

In conventie
Verklaart voor recht dat de beëindiging van de tussen partijen bestaande
dienstbetrekking op 31 januari nietig is.
Veroordeelt Jongenshuis Z tot betaling aan X van een bedrag van ƒ 2.298,40
bruto per maand, vermeerderd met 10% wettelijke verhoging over de periode van
31 januari tot en met 31 juli 1992, alsmede 9% vakantietoeslag over genoemd
maandbedrag over de periode 1 augustus 1991 tot en met 31 juli 1992, alsmede
een bedrag van ƒ 34 per week over de periode 1 augustus tot en met 31
december 1991 en een bedrag van ƒ 35,72 per week over de periode 1 januari
1992 tot en met 31 juli 1992, zulks verminderd met een bedrag van ƒ 409,60,
een en ander vermeerderd met de wettelijke rente telkens vanaf de dag waarop
de betreffende bedragen betaalbaar hadden behoren te worden gesteld tot de
dag der voldoening.
Verklaart dit vonnis voor zover uitvoerbaar bij voorraad.
Wijst af het meer of anders gevorderde.
Veroordeelt Jongenshuis Z in de kosten van het geding.

Rechters

Mr. D.J. Buijs

Instantie: President Rechtbank Haarlem, 21 juli 1992

Instantie

President Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Eiseres vordert een voorschot op immateriele schadevergoeding van haar
vader omdat hij haar seksueel heeft misbruikt. De vader ontkent categorisch
en het feit is hoogstwaarschijnlijk strafrechtelijk verjaard. De
strafrechtelijke verjaringstermijn voor incest is twaalf jaar gerekend vanaf
het moment waarop het feit is gepleegd. In het wetsvoorstel (KII, 1989-1990,
nr. 21.237) wordt voorgesteld deze verjaringstermijn in te laten gaan op de
dag na die waarop het slachtoffer meerderjarig is geworden.

Eiseres geeft er bovendien de voorkeur aan een kort geding boven een
strafrechtelijke procedure omdat zij er nog niet aan toe is de zaak uit
handen te geven aan justitie. De civielrechtelijke verjaringstermijn is ten
tijde van het kort geding nog maar dertig jaar maar wordt per 1 januari 1992
teruggebracht tot vijf jaar. Ook hier ligt een wetsvoorstel (KII, 1992-1993,
nr. 22.889) om deze verjaringstermijn voor incest te laten ingaan op de dag
na die waarop het slachtoffer meerderjarig is geworden. De president acht
onvoldoende bewijs aanwezig om het gevorderde zondermeer toe te wijzen. De
basis van het bewijs bestaat uit een de auditu verklaring van de partner die
getuige was van de door haar alter ego herbeleefde ervaringen. De aard van
het kort geding leent zich niet voor uitvoerig onderzoek – middels
deskundigenrapportages en het horen van getuigen – naar de juistheid van
hetgeen door eiseres is gesteld. De president is daarom van mening dat een
bodemprocedure in dit geval beter geschikt is.

Volledige tekst

2. het geschil van partijen

2.1. De vaststaande feiten

Als gesteld en erkend, althans niet of onvoldoende weersproken, alsmede op
basis van de inhoud van – in zoverre – niet betwiste bescheiden, staat tussen
partijen het volgende vast.

a. Eiseres is de 27-jarige, oudste dochter van gedaagde.

b. Sinds december 1990 heeft eiseres nachtmerries/flashbacks waarin zij ‘als
een film’ seksueel misbruik en geweld, gepleegd door haar vader, aan zich
voorbij ziet gaan. Zij slaapwandelt, heeft ’s nachts een neiging tot
auto-mutilatie en is suicidaal. Regelmatig gedraagt eiseres zich ’s nachts
in haar slaap alsof ze een ander persoon is: op vragen van haar partner, mr
Bakker voornoemd, antwoordt zij met een andere stem en noemt zij zichzelf dan
‘Linda’. Het is Linda die in eiseres’nachtmerries/flashbacks slachtoffer is
van het zoeven genoemde misbruik en geweld, waarvan Linda gedetailleerd
verslag doet.

c. Eiseres is voor het onder b. beschrevene sinds juni 1991 onder behandeling
bij de afdeling sociale psychiatrie van de RIAGG Zuid/Nieuw-west te
Amsterdam.

d. O.A. Jansen Heijtmajer en O van der Hart – genoemde onder 1.3 – hebben
vastgesteld dat eiseres te kampen heeft met een meervoudige
persoonlijkheidsstoornis (MPS). De voornaamste kenmerken van MPS zijn volgens
Boon en Van der Hart (Maandblad voor Geestelijke Volksgezondheid, 1988, nr
11, blz. 1208/1209):

“het bestaan in de persoon van twee of meer onderscheiden persoonlijkheden
of (minder ontwikkelde) persoonlijkheidstoestanden, elk met zijn eigen
betrekkelijk duurzaam patroon van waarnemen, van omgaan met en denken over
de omgeving en zichzelf. Ten minste twee van deze persoonlijkheden of
persoonlijkheidstoestanden heeft periodiek de volledige controle over het
gedrag van de persoon”.

In haar rapport van 23 juni 1992 over de geestelijke toestand van eiseres
vermeldt Jansen Heijtmajer dat MPS ontstaat als gevolg van ernstige,
herhaalde trauma’s, opgelopen voor het vijfde levensjaar.

2.2 De grondslag van de vordering

Eiseres legt aan haar vordering tot betaling van een voorschot op immateriele
schadevergoeding het navolgende ten grondslag.

Tussen haar 3e en 12e levensjaar is eiseres door gedaagde seksueel misbruikt
en geestelijk en fysiek mishandeld, onder andere op de wijzen als genoemd in
de dagvaarding. Vanaf december 1990 is het door de onder 2.1.b beschreven
‘herbelevingen’, waarover haar partner haar verslag deed, tot eiseres
doorgedrongen dat zij slachtoffer is geweest van incest. Bij eiseres is door
twee afzonderlijke deskundigen MPS vastgesteld; uit wetenschappelijk
onderzoek is bekend dat MPS in 95% van de gevallen enkel en alleen haar
oorzaak vindt in voor het 5e levensjaar ondervonden herhaald seksueel en/of
lichamelijk geweld. Aangezien niet van enig ander leed in haar kinderjaren
is gebleken is het volgens eiseres ‘meer dan waarschijnlijk’ dat ook haar MPS
het gevolg is van het misbruik en geweld van gedaagde.

Ter staving van het jegens haar gebruikte fysieke geweld wijst eiseres op het
grote aantal botbreuken tijdens haar kinderjaren.

Eiseres lijdt aan materiele en immateriele schade; bij de gevraagde
voorziening in kort geding heeft eiseres belang, in het bijzonder om haar
beter in staat te stellen het aangedane leed te verwerken, verder omdat de
mogelijkheden tot verhaal op het vermogen van gedaagde op korte termijn
gefrustreerd dreigen te worden door echtscheiding.

2.3. Het verweer

Gedaagde ontkent aansprakelijkheid jegens eiseres, waartoe hij het volgende
aanvoert.

Gedaagde heeft zich nooit schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van eiseres;
hij begrijpt niet hoe eiseres tot deze beschuldiging komt. Gedaagde wijst op
het feit dat eiseres tot begin 1991 veelvuldig en in een goede harmonie bij
haar ouders verbleef, zonder ooit iets te laten blijken van de nu gemaakte
verwijten.

Hij heeft – mede in het licht van het voorgaande – zijn twijfels over de bij
eiseres gestelde diagnose MPS, vooral omdat bekend is dat gedragingen die op
MPS wijzen gesimuleerd kunnen worden.

Voorzover aangenomen zou worden dat de door eiseres gestelde gedragingen
werkelijk hebben plaatsgevonden, is het de vraag of er causaal verband
bestaat tussen de MPS van eiseres en gedaagdes handelen; ook andere
ervaringen – bijvoorbeeld de gewelddadige relatie die eiseres tussen haar 16e
en 19e met een vriend heeft gehad – kunnen tot de MPS geleid hebben.

3. beoordeling van het geschil

3.1. Gedaagde heeft het spoedeisend belang bij de door eiseres gevraagde
voorzieningen in twijfel getrokken, echter inhoudelijk alleen waar het de
volgens eiseres in gevaar komende mogelijkheden tot verhaal op het vermogen
van gedaagde betreft. Hij heeft terecht niet betwist dat het spoedeisend
belang aan de zijde van eiseres – uitgaande van haar stellingen – kan bestaan
in het op korte termijn verkrijgen van een civielrechtelijke veroordeling.
Het is immers een uit een oogpunt van spoedeisend belang te respecteren
streven van hen die stellen slachtoffer van incest te zijn, in een civiele
procedure, behalve een veroordeling tot vergoeding van immateriele schade,
impliciet ‘erkenning’ van het aangedane leed te krijgen. Zo’n erkenning kan,
naar valt aan te nemen, in het algemeen de verwerking van het in het verleden
ondergane leed bespoedigen.

Dat eiseres een spoedeisend belang heeft bij haar vordering, kan dan ook
worden aangenomen.

3.2. De onderhavige procedure verschilt van verscheidene andere in Nederland
gevoerde kort geding-procedures waarin de gedaagden seksueel misbruik binnen
het gezin werd verweten, en wel in die zin dat in dit geding niet op voorhand
kan worden aangenomen dat de gestelde gedragingen daadwerkelijk hebben
plaatsgevonden; gedaagde ontkent deze gedragingen categorisch en is niet
strafrechtelijk veroordeeld. Aangifte van de door eiseres gestelde
gedragingen is niet gedaan omdat zij meende dat het feit verjaard was – wat
trouwens betwistbaar is op grond van art. 242 c.q. art. 244, in samenhang met
art. 70 lid 1 sub 4 Sr. – en zij verder, volgens eigen zeggen, nog niet toe
was aan inschakeling van justitie zo kort nadat zij zich realiseerde wat er
tijdens haar jeugd gebeurd moet zijn.

Het bezwaar tegen het entameren van een kort geding onder deze omstandigheden
is dat het juist in incest-zaken vaak moeite kost voldoende bewijs te
vergaren van gedragingen die hebben plaatsgevonden in de intieme gezinssfeer.
Het kort geding leent zich er naar zijn aard niet voor uitvoerig onderzoek
te doen naar de juistheid van het gestelde middels deskundigenberichten en
het horen van getuigen.

3.3. De basis van de vordering van eiseres wordt in wezen gevormd door de
gedetailleerde beschrijvingen van het misbruik die zijn ontleend aan de
herbelevingen van het gestelde misbruik en geweld tussen haar 3e en 12e
levensjaar, via de nachtmerries/flashbacks, beschreven onder 2.1.b. De
beschrijvingen zijn dus, zoals eiseres ter zitting ook aangaf en te lezen is
in de in geding gebrachte delen uit de verslagen van eiseres, niet ontleend
aan ‘eigen’ wetenschap. De verklaring daarvoor is, zo wordt eiseres begrepen,
dat de door haar gestelde traumatische ervaringen zijn verdrongen uit haar
eigen bewustzijn, en zich openbaren als ervaringen van alters, in het
bijzonder van ‘Linda’.

De deskundigen Jansen Heijtmajer en Van der Hart zijn van oordeel dat het
verslag van de gestelde gedragingen, dat eiseres via (met name) ‘Linda’
verkrijgt, geloofwaardig is en moet corresponderen met de werkelijkheid.

Als nadere onderbouwing heeft eiseres aangevoerd dat gedaagde, na haar, ook
zijn pleegzoon Jos tussen zijn 4e en 14e- levensjaar seksueel heeft misbruikt
– hetgeen gedaagde tot op zekere hoogte erkent. Verder heeft zij gewezen op
een groot aantal botbreuken die in haar visie de stelling schragen dat zij
fysiek is mishandeld.

3.4. Daartegenover staat, als gezegd, de categorische ontkenning van
gedaagde. Verder hebben haar twee zusters, I. en O., ontkend zelf seksueel
misbruikt dan wel benaderd te zijn – zoals eiseres beweerd heeft – en te
kennen gegeven niets te weten van seksueel misbruik en geweld jegens eiseres
gedurende haar jeugd. Ook de moeder van eiseres heeft ter zitting de door
eiseres gestelde gedragingen van gedaagde ontkend.

Uit de verklaringen van gedaagde en de moeder van eiseres kwam terloops nog
naar voren dat naar hun mening verschillende beschrijvingen van de
omstandigheden waaronder het seksueel misbruik zou hebben plaatsgevonden
gevonden, niet juist waren. Zo merkte bijvoorbeeld gedaagde op dat de auto
die hij overigens pas sinds 1970 bezat, anders dan uit de beschrijvingen van
eiseres bleek, tweedeurs was en geen kindersloten had. Verder weersprak de
moeder van eiseres dat gedaagde in hun Roermondse periode er elke week alleen
met eiseres met de auto op uit trok om in het bos te wandelen; dat wandelen
gebeurde, volgens haar, altijd met het hele gezin, terwijl gedaagde hoogstens
1 a 2 maal per maand meeging.

3.5. Het over en weer aangevoerde leidt tot de volgende bevindingen.

Het feit dat pleegzoon Jos is misbruikt levert geen direct aanknopingspunt
voor de juistheid van de stellingen van eiseres.

Het grote aantal botbreuken dat eiseres blijkens rapportage van rontgenologen
in de periode van 1975 tot 1982 (grotendeels na haar 12e levensjaar) heeft
opgelopen voert op zichzelf niet tot de gevolgtrekking dat van misbruik en/of
geweld van de zijde van gedaagde sprake is geweest. Eiseres heeft niet
aangegeven onder welke omstandigheden dergelijke botbreuken door toedoen van
gedaagde zouden hebben plaatsgevonden; in haar verslagen van het misbruik en
geweld zijn botbreuken ook niet terug te vinden. De verklaring van A.R.P. van
de Akker – in de periode van circa 1979 tot 1984 huisarts van het gezin
Wagemans -:

‘(…) Het vermoeden van mishandeling heb ik destijds dus wel gehad, althans
ik dacht dat daar best wel eens wat anders aan de hand kon zijn thuis.
(…)’,

bij welke verklaring door de betreffende huisarts overigens inmiddels een
relativerende kanttekening is geplaatst, kan eiseres’ stelling over het
fysiek geweld evenmin dragen.

De stellingen van eiseres vinden wel in ruime mate steun in de verklaringen
van Jansen Heijtmajer en Van der Hart, voor wie zeer aannemelijk is dat alle
door eiseres gestelde gedragingen van gedaagde zich in werkelijkheid hebben
voorgedaan. Maar buiten deze deskundigenverklaringen ontbreekt elk voldoende
relevant feitelijk aanknopingspunt voor de aannemelijkheid van het door
eiseres gestelde. Zeker nu gedaagde bij de diagnose (MPS) van de beide
deskundigen en hun daarop voortbouwende verklaringen dat het gestelde ook
echt moet hebben plaatsgevonden, serieus vraagtekens heeft geplaatst, kan het
treffen van de gevraagde voorziening niet uitsluitend worden gebaseerd op
deze verklaringen, waarvan de gegrondheid in dit kort geding niet nader
onderzocht kan worden.

Slotsom

3.6. De slotsom luidt dat de vordering van eiseres niet voor toewijzing
vatbaar is, omdat in dit geding niet aannemelijk is geworden dat gedaagde het
gestelde seksueel misbruik en geweld jegens eiseres heeft begaan. Eiseres, die
overtuigd is van de juistheid van haar stellingen – welke juistheid door deze
beslissing niet wordt uitgesloten – had beter kunnen kiezen door het starten
van een bodemprocedure, waarin ruimere mogelijkheden bestaan het door haar
gestelde te toetsen.

Eiseres zal worden veroordeeld in de kosten van het geding. Die veroordeling
wordt ingericht op de voet van art. 57 b Rv., omdat gedaagde procedeert met
een toevoeging.

4. beslissing

De President, rechtdoende in kort geding

4.1. Weigert de gevraagde voorzieningen;

4.2. Veroordeelt eiseres in de kosten van het geding, aan de zijde van
gedaagde begroot op ƒ 250,- wegens verschotten en

ƒ 1.500,- wegens procureurssalaris, te voldoen aan de griffier van deze
rechtbank.

Rechters

Mr. C.A. Terwee-Van Hilten

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 17 juli 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Maatschap overweegt haar winstdelingsregeling te wijzigen ingeval een
vrouw toetreedt tot de maatschap. Dit met het oog op een mogelijke
zwangerschap, in verband waarmee deze maat dan langdurig afwezig zal zijn.
Verhindering tot het uitoefenen van beroepsmatige werkzaamheden gedurende
meer dan vier weken, zal vermindering van het winstaandeel tot gevolg hebben.
De maatschap wil hiermee voorkomen dat andere maten het financiele risico
dragen van afwezigheid van een maat in verband met zwangerschap.

Strijd met WGB. Wijziging zal alleen plaats vinden wanneer een vrouw
toetreedt omdat een zwangerschap dan tot de mogelijkheden behoort. Beroep op
buitenwettelijke rechtvaardigingsgrond niet gehonoreerd. Commissie suggereert
collectieve regeling door zelfstandigen, of regeling van overheidswege op dit
punt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

Op 18 juni 1991 verzocht de maatschap (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of een door haar in de
toekomst mogelijk gewenste wijziging van haar winstdelingsregeling in strijd
komt met de WGB (Stb. 1989, 168).

Verzoekster overweegt haar winstdelingsregeling voor de maten te wijzigen
wanneer een vrouwelijke maat toetreedt tot de maatschap. Zij vraagt zich
echter af of zij met deze wijziging in strijd handelt met artikel 2 WGB.

2.DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld.

Verzoekster heeft eenmaal de gelegenheid gehad haar standpunt nader
schriftelijk toe te lichten.

De Commissie heeft tevens informatie opgevraagd bij de Federatie van
Bedrijfsverenigingen, de Nederlandse Vereniging van Ongevallen- en
Ziekteverzekeraars, de Sociale Verzekeringsraad en het Nederlands Instituut
voor Arbeidsomstandigheden.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie verzoekster opgeroepen haar standpunt
nader toe te lichten tijdens een zitting op 16 juni 1992.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– dhr mr (maat)

van de kant van de Commissie

– mw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– mw mr Y. Telenga (lid Kamer)

– mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

2.3.Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3.DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is een maatschap van drie mannelijke maten. Verder zijn een
(vrouwelijke) advocaat-stagiaire en drie secretaresses in loondienst.

De drie maten ontvangen elk eenderde deel van de door de

maatschap gerealiseerde winst.

Verzoekster overweegt haar winstdelingsregeling te wijzigen ingeval een vrouw
toetreedt tot de maatschap. Dit met het oog op een mogelijke zwangerschap,
in verband waarmee deze maat dan langdurig afwezig zal zijn. De wijziging zal
inhouden dat verhindering tot het uitoefenen van beroepsmatige werkzaamheden
gedurende meer dan vier weken, vermindering van het winstaandeel tot gevolg
heeft, naar rato van afwezigheid. Verzoekster wil hiermee voorkomen dat
andere maten het financiele risico dragen van afwezigheid van een maat in
verband met zwangerschap. De wijziging zal gelden voor zowel de zittende als
toetredende maten.

3.2. Ter zitting heeft verzoekster haar verzoek als volgt toegelicht.

In het maatschapcontract zijn voor wat betreft de afwezigheid van maten
alleen de vakantie (maximaal 30 dagen per jaar) en de afwezigheid in verband
met arbeidsongeschiktheid geregeld. Bij arbeidsongeschiktheid van een maat
vloeit de uitkering op grond van de arbeidsongeschiktheidsverzekering in de
maatschapskas. Deze uitkering treedt in de plaats van de wegens
arbeidsongeschiktheid gederfde winst. Duurt de arbeidsongeschiktheid langer
dan een jaar, dan hebben de andere maten het recht de arbeidsongeschikte maat
op te zeggen.

In 1986 heeft verzoekster intern gesproken over de financiele gevolgen van
afwezigheid in verband met een eventuele zwangerschap van een vrouwelijke
maat, die toen zou toetreden. Deze zag echter af van deelname aan de
maatschap en accepteerde elders een functie in loondienst, reden waarom
verzoekster de problematiek toen verder heeft laten rusten. Zou nu opnieuw
de toetreding van een vrouwelijke maat spelen, dan zou deze kwestie opnieuw
aan de orde komen.

3.3. Verzoekster is zich ervan bewust dat de door haar voorgestane wijziging
van de winstdelingsregeling op het moment van toetreden van een vrouwelijke
maat, waarschijnlijk strijd oplevert met de WGB. Zij is echter van mening dat
ingeval van een kleine organisatie zoals de hare, langdurige afwezigheid van
een maat heel zwaar weegt. Daarom acht zij het voorstelbaar dat in een
dergelijke situatie een objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte
onderscheid kan worden aangevoerd. In casu is deze gelegen in het economische
belang van de overige maten. Het feit dat de uitkering uit een
arbeidsongeschiktheidsverzekering in de maatschapskas vloeit, stelt dit
belang niet veilig. Daarmee wordt immers alleen de winst, en niet de
normaliter door de arbeidsongeschikte maat gerealiseerde omzet gecompenseerd.
Omdat de vaste kosten gelijk blijven, zal de winst van de totale maatschap,
en dus ook het winstaandeel van de maten beduidend lager uitvallen.

Wanneer een dergelijk gevolg zou voortvloeien uit de norm van gelijke
behandeling, leidt dit volgens verzoekster tot een geringere bereidheid bij
maatschappen in het algemeen maar ook bij haar eigen maatschap, om vrouwen
toe te laten als maat. Een alternatief ziet verzoekster niet.

Overigens, zo stelt verzoekster, stuiten niet alleen vrouwen maar ook mannen
op problemen wanneer zij willen toetreden tot een maatschap en langdurige
afwezigheid voorzienbaar is. Een man die, bijvoorbeeld in verband met
hooikoorts, jaarlijks een maand afwezig is, zal ook niet zonder meer worden
toegelaten tot de maatschap.

3.4. Voor wat betreft de verzekerbaarheid van het hier besproken risico
blijkt uit de door de Commissie ingewonnen informatie, dat het merendeel van
de bedrijfsverenigingen uitkeert bij arbeidsongeschiktheid in verband met
zwangerschap en bevalling. Bij de particuliere verzekeraars ligt dit anders.
Daar is slechts een verzekeraar die uitkeert bij arbeidsongeschiktheid wegens
een normaal verlopende zwangerschap en bevalling.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of verzoekster handelt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling wanneer zij overgaat tot wijziging van haar
winstdelingsregeling in de hierboven genoemde zin ingeval een vrouw toetreedt
tot de maatschap. Verzoekster zal namelijk alleen tot wijziging overgaan
wanneer een vrouw toetreedt tot de maatschap.

Voor verzoekster is daarbij met name van belang het antwoord op de vraag of
er een objectieve rechtvaardiging mogelijk is indien de Commissie oordeelt
dat met de beoogde wijziging een direct onderscheid gemaakt wordt.

4.2. Artikel 2 WGB bepaalt dat het niet is toegelaten onderscheid te maken
tussen mannen en vrouwen met betrekking tot de voorwaarden voor de toegang
tot en de mogelijkheden tot uitoefening van en ontplooiing binnen het vrije
beroep. Dit artikel richt zich met name op situaties als de onderhavige,
waarin beroepsgenoten de voorwaarden voor toegang tot en de mogelijkheden tot
uitoefening bepalen.

Artikel 1 WGB geeft aan wat moet worden verstaan onder het maken van
onderscheid. Onderscheid op grond van zwangerschap is een vorm van direct
onderscheid. De Wet maakt het niet mogelijk rechtvaardigingsgronden aan te
voeren voor direct onderscheid, anders dan de in de Wet zelf opgenomen
uitzonderingen (artikel 5 WGB). Deze uitzonderingen zijn hier -onbetwist-
niet van toepassing.

4.3. De Commissie overweegt dan als volgt.

Hoewel ook in de huidige situatie de kans bestaat dat een maat langdurig
verzuimt, en daardoor de omzet en winst negatief beinvloedt, is wijziging van
de winstdelingsregeling tot op heden niet aan de orde. Verzoekster zal
daartoe immers alleen overgaan wanneer een vrouw toetreedt omdat dan een
zwangerschap tot de mogelijkheden behoort. Treedt een man toe tot de
maatschap, dan blijft de winstdelingsregeling ongewijzigd. Dit onderscheid
wegens een mogelijke zwangerschap staat op een lijn met het maken van
onderscheid wegens de zwangerschap zelf. Voor het directe onderscheid naar
geslacht dat verzoekster aldus maakt zijn, zoals gezegd, buiten de in de Wet
genoemde gronden geen rechtvaardigingen mogelijk.

Dit neemt niet weg dat de Commissie zich realiseert dat verzoekster, als
kantoor met een klein aantal maten, door een eventuele zwangerschap van een
maat in een moeilijke financiele situatie kan geraken. De Wet en ook de
recente jurisprudentie van de Hoge Raad (Hoge Raad d.d. 13 september 1991 in
de zaak Dekker/Stichting VJV-Centrum, NJ 1992, 225. Het Hof van Justitie van
de EG wees in deze zaak eerder arrest, arrest van 8 november 1990, zaak
C-177/88, NJ 1992, 224) is op dit punt echter duidelijk en biedt geen
mogelijkheid tot het creeren van een buitenwettelijke rechtvaardigingsgrond.
De Commissie wijst in dit verband nog op een andere zaak die zij kreeg
voorgelegd (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, d.d. 2 oktober 1991, oordeelnummer 432-90-68). Ook in die zaak leidde
het verbod op onderscheid op grond van zwangerschap tot ongewenste praktische
en financiele consequenties, maar de Commissie zag desalniettemin geen ruimte
voor het aanvaarden van een buitenwettelijke rechtvaardigingsgrond.

Het beroep van verzoekster op het economisch belang van de maten kan dan ook
niet als rechtvaardiging gelden. Hieruit volgt dat verzoekster wanneer zij
overgaat tot de hierboven besproken wijziging van de winstdelingsregeling
op het moment van toetreden van een vrouwelijke maat, onderscheid maakt naar
geslacht in strijd met artikel 2 WGB.

Mocht dit oordeel van de Commissie ertoe leiden dat verzoekster, zoals zij
ter zitting suggereerde, vrouwen bij voorbaat uitsluit van een plaats in de
maatschap, dan zal dat betekenen dat zij ook op dat punt in strijd handelt
met de WGB. Alsdan belemmert zij immers de toegang voor vrouwen tot het
vrije beroep en handelt daarmee in strijd met artikel 2 WGB.

4.4. De Commissie voegt hier het volgende aan toe.

Het is duidelijk dat verzoekster, mede gelet op de beperkte mogelijkheid tot
verzekering van het hier besproken risico, individueel moeilijk in een
oplossing kan voorzien. Het ligt dan ook meer voor de hand om te komen tot
een collectieve regeling voor zelfstandigen op dit punt. Bij gebreke van een
regeling van overheidswege op dit moment zou deze taak mogelijk kunnen
worden opgepakt door de beroepsgenoten zelf, zoals zij indertijd ook hebben
voorzien in een collectieve regeling voor nabestaanden van mannelijke en
-later- ook vrouwelijke maten.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de maatschap onderscheid zal
maken in strijd met artikel 2 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen,
wanneer zij overgaat tot wijziging van de winstdelingsregeling in de
hierboven genoemde zin ingeval een vrouw toetreedt tot de maatschap.

Aldus vastgesteld op 17 juli 1992 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 16 juni 1992.

Rechters

mw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter), mw mr Y. Telenga (lidKamer), mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer), mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

Instantie: Rechtbank Zwolle, 15 juli 1992

Instantie

Rechtbank Zwolle

Samenvatting


Eiseres stelt een vordering in tegen gedaagde, in
wiens gezin zij is geplaatst door de gezinsvoogdij-instelling.
Gedaagde was tevens werkzaam bij deze instelling als
maatschappelijk werker. Gedaagde heeft eiseres op 14-jarige
leeftijd seksueel misbruikt en is derhalve mede aansprakelijk
voor de schade die hij door zijn daad en door de ontkenning
hiervan aan eiseres heeft berokkend. Hij wordt daarom
veroordeeld tot betaling van ƒ 50.000,- materiele
schadevergoeding en ƒ 10.000,- immateriele schadevergoeding.
Zie ook RN 1991, 196, en RN 1993, 315

Volledige tekst

PROCESGANG

De zaak is bij op 15 februari 1991 uitgebrachte dagvaarding
aanhangig gemaakt. Partijen zijn verschenen, waarna de
volgende processtukken zijn gewisseld:

-een conclusie van eis van de zijde van X.

-een conclusie van antwoord van de zijde van S.

-een conclusie van repliek van de zijde van X.

-een conclusie van dupliek van de zijde van S.

Na het pleidooi is door partijen onder overlegging van de
stukken vonnis gevraagd.

CONCLUSIES VAN PARTIJEN

De vordering van X stekt ertoe bij vonnis, uitvoerbaar bij
voorraad voorzover de wet dit toelaat, alsmede uitvoerbaar op
de minuut en op alle dagen en uren en zonodig met inschakeling
van de sterke arm, te bepalen:

1. dat S onrechtmatig heeft gehandeld jegens X door:

a. zijn seksuele gedragingen jegens X in de periode
oktober/november 1978 – januari 1979:

b. zijn ontkenning van dit gedrag in de periode januari 1979 –
maart 1990 met de gevolgen daarvan voor X.

2. dat S vanwege dit onrechtmatige handelen een
schadevergoeding van ƒ 200.000,– verschuldigd is aan X
waarvan ƒ 60.000,– terzake van immateriele schade,
vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 100.000,– vanaf 2
juni 1990 en over ƒ 100.00,– vanaf 21 februari 1991 tot aan
de dag der voldoening;

3. dat S wordt veroordeeld in de kosten van dit geding.

Daartegen is door S verweer gevoerd met conclusie X in haar
vordering niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar de
vordering te ontzeggen met veroordeling van X in de
proceskosten.

Motivering

1. Vaststaande feiten

1.1 X is bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam
van 29 december 1977 onder toezicht gesteld en geplaatst in
het gezin van S. Zij was toen 13 jaar oud. S was destijds als
maatschappelijk werker in dienst van de Gooise Stichting voor
Jeugd en Gezin te Hilversum, nader te noemen de Stichting. De
Stichting fungeerde als adviserende voogdij-instelling en tot
gezinsvoogdes werd W. benoemd, eveneens maatschappelijk
werkster bij de Stichting en nader te noemen de
gezinsvoogdes.

1.2 S had X in een eerder stadium als hulpverlener bijgestaan
toen zij problemen had met haar ouders en van haar ouderlijk
huis was weggelopen.

1.3 Tot oktober 1978 functioneerde X zowel in het gezin van S
als op school zonder problemen. In de periode van oktober 1978
tot januari 1979 heeft S een aantal malen ontuchtige
handelingen verricht met X, bestaande uit zoenen en het
betasten van haar borsten en geslachtsdelen. X was toen 14
jaar oud en zat in de tweede klas van het VWO. Begin februari
1979 heeft X de echtgenote van S van het seksuele misbruik op
de hoogte gesteld. Nadat de gezinsvoogdes was ingelicht, heeft
S in een gesprek met ondermeer de gezinsvoogdes en X ontkend
ontuchtige handelingen met X te hebben gepleegd. De
gezinsvoogdes heeft toen te kennen gegeven dat zij S wel en X
niet geloofde.

1.4 De gezinsvoogdes heeft zich vervolgens op het standpunt
gesteld dat X onder geen beding opnieuw in een pleeggezin
moest worden geplaatst. In haar advies aan de kinderrechter
van 5 april 1979 stelde de gezinsvoogdes dat X S ten onrechte
van handtastelijkheden had beschuldigd, dat de problemen met X
niet waren afgenomen in een warm en hartelijk gezin en dat X
zich daar niet verantwoordelijk voor voelde. Haar advies was X
in verband met haar onberekenbare gedrag ter observatie en
eventueel behandeling in het Orthopedagogisch Centrum ‘Otto
Gerhard Heldring’ te Zetten, nader te noemen Zetten, te
plaatsen. Op basis van dit advies heeft de kinderrechter X bij
beschikking van 1 mei 1979 voor een periode van drie maanden
in Zetten geplaatst.

1.5 Na het vertrek bij S heeft X korte tijd bij haar ouders
gewoond. In verband met de beschikking van de kinderrechter om
haar in Zetten te plaatsen, is X vervolgens via het Jongeren
Advies Centrum (JAC) ondergedoken. In de periode van april
1979 tot en met juni 1979 is door tussenkomst van de ouders
van X, de huisarts en het JAC door diverse deskundigen over X
gerapporteerd. Daaruit bleek dat plaatsing in Zetten een veel
te zware maatregel voor X was en dat zij in een pleeggezin
thuishoorde. De Stichting bleef echter van oordeel dat dit op
grond van de ervaringen in het gezin van S te veel risico’s
met zich zou meebrengen.

Op 4 juli 1979 is X door de politie opgespoord en naar de
gesloten afdeling van Zetten vervoerd. Na observatie te Zetten
is geconstateerd dat opname aldaar niet geindiceerd was en dat
X zo spoedig mogelijk in een pleeggezin moest worden
geplaatst.

1.6 Eind augustus 1979 is X in een nieuw pleeggezin
geplaatst. Omdat het zowel op school als in het pleeggezin
niet lukte, is zij in december 1979 van klas drie HAVO
overgestapt naar klas drie MAVO en op kamers gaan wonen met
verpleeggeld via de gezinsvoogdes. Zij was toen 15 jaar oud.
In maart 1981 is X zonder diploma van school gegaan, waarna
zij gedurende een jaar als winkelhulp heeft gewerkt en
vervolgens is ingestort. In de daaropvolgende jaren heeft X
meerdere therapieen gevolgd en leefde zij van een RWW-
uitkering. Op een aantal deelcertificaten MAVO na, heeft zij
geen opleiding voltooid.

1.7 Op 7 september 1989 heeft X, toen inmiddels 25 jaar oud,
bij de politie aangifte gedaan van de door S gepleegde
ontuchtige handelingen. S is daarop in verzekering gesteld en
heeft vervolgens een vrijwel volledige bekentenis afgelegd.
Vanaf augustus 1991 volgt X een vierjarige opleiding op HBO-
niveau.

1.8 De strafzaak tegen S is in verband met verjaring van de
feiten geseponeerd.

Ter voorkoming van een kort geding heeft S een bedrag van ƒ
5.000,- aan X betaald als schadevergoeding voor de door hem
gepleegde ontucht.

X heeft naast de onderhavige procedure een bodemprocedure
aangespannen tegen de Stichting. Zij vordert daarin vergoeding
van dezelfde materiele schade en gedeeltelijk dezelfde
immateriele schade als in de onderhavige procedure. X stelt in
totaal ƒ 289.850,- materiele schade te hebben geleden en
vordert daarvan ƒ 149.850,- van de Stichting en ƒ
140.000,- van S. In kort geding is de Stichting veroordeeld
tot betaling aan X van een voorschot op de gevorderde schade
van ƒ 35.900,-.

2. Standpunt X

2.1 X stelt dat S jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld
door ontuchtige handelingen met haar te plegen terwijl zij
minderjarig was en aan zijn zorg als pleegvader was
toevertrouwd. S heeft haar destijds met een regelmaat van een
a twee keer per week niet alleen gezoend en betast, doch heeft
ook met zijn ontblote penis op haar gelegen en getracht haar
over te halen zijn penis te beroeren. X stelt voorts dat S
onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door te ontkennen dat
hij ontuchtige handelingen met haar had verricht, als gevolg
waarvan X naar Zetten werd gestuurd met alle gevolgen van
dien.

2.2 X acht S aansprakelijk voor de schade die zij tengevolge
van de door S gepleegde ontucht en zijn ontkenning daarvan
heeft geleden. Door de ontuchtige handelingen te ontkennen
heeft S bewust de gezinsvoogdes en de Stichting op het
verkeerde been gezet. Hij heeft daarbij misbruik gemaakt van
zijn positie als hulpverlener, pleegvader en directe collega
van de gezinsvoogdes, aldus X. Als gevolg van S’s ontkenning
heeft de gezinsvoogdes geadviseerd X in Zetten te plaatsen. De
hele keten van gebeurtenissen die daarna heeft plaatsgevonden
en waarin het met X bergafwaarts is gegaan, is door toedoen
van S ontstaan. De enorme achterstand in haar opleiding en de
psychische schade die zij daardoor heeft opgelopen, is dan ook
aan S toe te rekenen, aldus X.

2.3 X vordert van S ƒ 140.000,- ter vergoeding van de door
S veroorzaakte materiele schade, bestaande uit schade terzake
van de achterstand in haar opleiding en carriere en de kosten
om deze achterstand in te halen in de vorm van de vierjarige
dagopleiding op HBO-niveau, die X thans volgt en waarvoor zij
geen studiefinanciering ontvangt. Terzake van de door haar
geleden immateriele schade, vordert zij ƒ 60.000,- van S.
Bij de bepaling van de draagkracht van S is van belang dat S
eigenaar is van een woning met een waarde tussen ƒ 200.000,-
en ƒ 225.000,-, welke slechts is belast met een hypotheek
uit 1973 ter hoogte van ƒ 56.000,- en een hypotheek uit 1981
ter hoogte van ƒ 60.000,- in het kader van een lening aan
zijn ex-vrouw, die daarop jaarlijks 10% rente en ƒ 2.000,-
aflossing aan hem betaalt.

3. Standpunt S

3.1 S erkent een aantal malen ontuchtige handelingen te
hebben gepleegd met X. Hij ontkent echter uitdrukkelijk dat
hij met een ontblote penis op haar heeft gelegen en heeft
getracht haar over te halen om zijn penis te beroeren. Gelet
op de relatief lichte aard van de handelingen acht hij zich
niet gehouden tot betaling van een hogere schadevergoeding aan
X dan het door hem reeds betaalde bedrag van ƒ 5.000,-.

3.2 S ontkent onrechtmatig te hebben gehandeld door ontucht
met X te ontkennen en acht zich derhalve niet aansprakelijk
voor de gestelde gevolgen van deze ontkenning.

Voorts ontbreekt, aldus S, het causale verband tussen zijn
ontkenning en de schade. S kan immers niet worden verweten dat
de gezinsvoogdes hem wel en X niet geloofde en dat zij zich
vervolgens op het standpunt stelde dat X naar Zetten moest.
Hij hoorde overigens pas enige jaren later van de plaatsing
van X in Zetten.

Niet hij, doch de personen en instanties, waaronder de
Stichting, die destijds hebben geadviseerd en besloten om X in
Zetten te plaatsen zijn aansprakelijk voor de schade die X als
gevolg daarvan heeft geleden.

Bovendien houdt de plaatsing te Zetten primair verband met de
problemen die X met haar ouders had. Het is dan ook, aldus S,
onduidelijk of het leven van X een positiever verloop had
gekend indien S de ontucht niet had ontkend.

3.3 S acht de aard en de hoogte van de door X gestelde schade
sterk overtrokken. Bovendien rustte op X een
schadebeperkingsplicht.

3.4 Voorzover aan X een schadevergoeding zou toekomen, dient
deze aldus S te worden gematigd, gelet op de omstandigheid dat
naast S ook de Stichting aansprakelijk is gesteld voor
dezelfde schade, de omstandigheid dat hij in 1991 is ontslagen
als gevolg van deze zaak en zijn financiele positie. S
ontvangt een RWW-uitkering van ƒ 1.950,- per maand en
betaalt maandelijks ƒ 650,- alimentatie ten behoeve van zijn
ex-vrouw en kinderen.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 De vordering van X strekt tot betaling van een
schadevergoeding door S uit hoofde van onrechtmatig handelen
dat voor 1 januari 1992 heeft plaatsgevonden. Op grond van de
artikelen 69 en 173 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek
dient de vordering, ook voor wat betreft de aansprakelijkheid
voor de schade die X hierdoor na 1 januari 1992 heeft geleden,
te worden beoordeeld naar het tevoren geldende recht.

4.2 Met betrekking tot de door S gepleegde ontuchtige
handelingen overweegt de rechtbank dat X destijds, nota bene
op advies van S als hulpverlener, uit huis en in een
pleeggezin was geplaatst teneinde in een veilige en stabiele
situatie te verkeren. Toen S jegens X van rol veranderde en
van hulpverlener pleegvader werd, heeft hij X daarentegen in
een zeer onveilige positie gebracht door de door hem erkende
ontuchtige handelingen bij haar te verrichten. De rechtbank is
dan ook van oordeel dat S misbruik heeft gemaakt van zijn
positie van pleegvader en dat hij het vertrouwen dat X in hem
als pleegvader mocht hebben ernstig heeft beschaamd. S kan
worden verweten dat hij X in ernstige mate in haar persoon
heeft aangetast en derhalve onrechtmatig jegens haar heeft
gehandeld.

4.3 S ontkent onrechtmatig te hebben gehandeld door jegens de
gezinsvoogdes te ontkennen dat hij ontuchtige handelingen met
X had gepleegd.

De rechtbank is echter van oordeel dat S welbewust de
gezinsvoogdes op het verkeerde been heeft gezet, doordat hij
in zijn positie van pleegvader en hulpverlener, tevens directe
collega van de gezinsvoogdes, de beschuldiging van X, een 14-
jarige pupil, heeft ontkend. Als hulpverlener bij een
gezinsvoogdij-instelling had S redelijkerwijze kunnen
vermoeden dat een kind dat haar pleegvader valselijk van
ontucht betichtte, niet gemakkelijk plaatsbaar zou zijn in een
nieuw pleeggezin. Het advies van de gezinsvoogdes om X in
Zetten te plaatsen moet, gelet op de inhoud ervan, naar het
oordeel van de rechtbank worden beschouwd als een gevolg van
de ontkenning door S en de waarde die de gezinsvoogdes daaraan
door toedoen van S heeft gehecht. Bovendien waren er verder
geen indicaties om X in Zetten te plaatsen en bleek al vrij
spoedig na de plaatsing dat X daar ook niet op haar plaats
was.

S ontkenning moet onder deze omstandigheden als een aan hem
verwijtbare onrechtmatige daad jegens X worden aangemerkt.

4.4 Met betrekking tot het causale verband tussen de
ontuchtige handelingen en de ontkenning daarvan door S en de
door X gestelde schade overweegt de rechtbank dat eventuele
aansprakelijkheid van derden voor de schade die X tengevolge
van het advies en besluit om haar in Zetten te plaatsen heeft
geleden, niet in de weg staat aan (mede)aansprakelijkheid van
S voor de schade die X tengevolge van zijn gedragingen heeft
geleden.

Met betrekking tot de stelling van S dat de plaatsing van X te
Zetten primair verband houdt met de problemen die X met haar
ouders had, overweegt de rechtbank dat de eventuele invloed
van haar voorgeschiedenis op de schade voor rekening en risico
van S is, nu hij als voormalig hulpverlener van X bij uitstek
op de hoogte was van haar voorgeschiedenis en desondanks
ontucht met haar heeft gepleegd en dit vervolgens heeft
ontkend.

Zoals hiervoor reeds overwogen, is de rechtbank van oordeel
dat de gezinsvoogdes tengevolge van de ontkenning door S heeft
geadviseerd X in Zetten te plaatsen. De hele keten van
gebeurtenissen die daarna heeft plaatsgevonden en die er in
heeft geresulteerd dat X, die startte op VWO-niveau, een
enorme achterstand in haar opleiding alsmede psychische schade
heeft opgelopen, is naar het oordeel van de rechtbank mede een
gevolg van de ontuchtige handelingen door S en zijn ontkenning
daarvan, nu kan worden aangenomen dat deze keten van
gebeurtenissen en de schade die daaruit is voortgevloeid, zou
zijn uitgebleven als S destijds de ontucht niet had gepleegd
en nadien ontkend.

De rechtbank acht S derhalve aansprakelijk voor de schade die
hij door zijn ontkenning aan X heeft berokkend en die bestaat
uit psychische schade en opleidings- en carriereschade.

4.5 Bij de bepaling van de omvang van de door X geleden
schade overweegt de rechtbank dat S destijds had moeten
voorzien dat zijn gedragingen een zeer grote invloed zouden
kunnen hebben op het leven van X, die toen pas 14 jaar oud was
en vanwege moeilijkheden thuis aan zijn zorg als pleegvader
was toevertrouwd. De door X geleden schade kan hem derhalve
worden toegerekend.

De rechtbank houdt daarbij rekening met de draagkracht van S,
zoals die is gebleken uit hetgeen partijen onweersproken
hebben gesteld. Het inkomen is weliswaar bescheiden, omdat S
thans werkloos is, doch daad staat tegenover dat de overwaarde
van de woning van S aanzienlijk is en hij bovendien aflossing
en rente ontvangt op een door hem verstrekte lening.

Voorts zal de rechtbank rekening houden met de omstandigheid
dat X van de Stichting een vergoeding heeft gevorderd terzake
van dezelfde materiele schade, en dat de Stichting in kort
geding is veroordeeld tot betaling van een voorschot terzake.

4.6 Alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen komt
het de rechtbank redelijk en billijk voor dat S aan X een
vergoeding voor de door haar geleden immateriele schade
betaalt van in totaal ƒ 15.000,-. Gelet op de vergoeding van
ƒ 5.000,- die S terzake aan X heeft voldaan, wordt de door S
te betalen vergoeding voor de door X geleden immateriele
schade bepaald op ƒ 10.000,-.

Alles overziende bepaalt de rechtbank de door S te betalen
vergoeding terzake van de door X geleden materiele schade ex
aequo et bono op ƒ 50.000,-.

4.7 S dient, als de voor het merendeel in het ongelijk
gestelde partij, de proceskosten te dragen.

Beslissing

1. Veroordeelt S tot betaling aan X van een bedrag van ƒ
60.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2
juni 1990 tot aan de dag der voldoening.

2. S wordt veroordeeld in de kosten van dit geding. Deze
kosten worden, voorzover tot op heden aan de zijde van X
gevallen, bepaald op ƒ 4.982,96, waarvan ƒ 4.832,96 op de
voet van artikel 57b van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering aan de griffier van deze rechtbank betaald
moet worden.

3. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

4. Wijst het meer of anders gevorderde af.

Rechters

Mrs. Van Dijk, De Vries en Warner-Gorter.