Instantie: Commissie gelijke behandeling, 14 juli 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Op de school waar verzoeker werkzaam is, is sinds 1985 een
arbeidsduurverkortings-regeling (ADV) van toepassing, die in 1989 gewijzigd
is. De mogelijke aanspraak op ADV- verlof, hangt onder andere af van de
omvang van het dienstverband. Verzoeker werkt op genoemde school slechts 13
3/4 uur per week en komt daardoor niet in aanmerking voor het verlof. De
Commissie is van oordeel dat de ADV-regelingen vrouwen in overwegende mate
nadelig treffen, omdat er relatief meer vrouwen dan mannen in kleine
deeltijdbanen werken. Hiervoor zijn geen objectieve rechtvaardiging
aangedragen. Verzoeker, die man is, kan een beroep doen op het gegeven dat
de ADV-regeling in strijd met de Wet is. Hij ondervindt hiervan immers,
eveneens nadeel, zodat hij daarmee voldoet aan het vereiste van artikel 14
lid 2 onder a WGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 8 april 1991 verzocht de heer te Zevenbergen (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of zijn werkgever, de
te Tilburg, jegens hem onderscheid naar geslacht maakt, in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb.
1989, 168).

1.2. Verzoeker is werkzaam als docent in het . In het
MBO is er een verlofdagenregeling ingevoerd. Docenten hebben volgens deze
regeling recht op arbeidsduurverkorting (ADV), indien men een bepaald aantal
uren werkt. Verzoeker heeft, omdat hij te weinig uren werkt in het MBO, geen
recht op ADV. Verzoeker is van mening dat deze regeling ongeoorloofd
onderscheid aanbrengt tussen docenten die wel de urengrens halen en degenen
die deze grens niet halen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Lopende de procedure bij de Commissie, is het bestuur over de
school waar verzoeker werkzaam was, overgedragen aan de
te Roosendaal per 1
augustus 1991. De Commissie heeft daarna deze Stichting als wederpartij
aangewezen.

Partijen hebben ieder meerdere malen de gelegenheid gehad hun standpunten
weer te geven.

2.2. De Commissie heeft de Minister van Onderwijs en Wetenschappen verzocht
om nadere informatie op grond van artikel 18 WGB.

2.3. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd om tijdens een
zitting op 23 juni 1992 hun standpunten nogmaals toe te lichten. Partijen
hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Bij deze zitting waren van de kant van de Commissie aanwezig:

– dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter)

– mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer)

– mw drs A.J. Huber (lid Kamer)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II. In deze Kamer hebben zitting
de leden als genoemd onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker is als docent werkzaam, deels in het MBO, deels in het HBO.
In het HBO is voor alle docenten arbeidsduurverkorting (ADV) ingevoerd, wat
verwerkt is in de wekelijkse arbeidstijd.

Voor het onderwijzend personeel in (onder andere) een deel van het MBO is
een ADV-verlofregeling van toepassing. De eerste verlofregeling dateert van
30 mei 1985 (Ministeriele circulaire, kenmerk DI/AB 85-15). Op 1 augustus
1989 is er een nieuwe ADV-regeling in werking getreden (Ministeriele
circulaire, kenmerk DI/AB 89-11, d.d. 8 juni 1989). Op grond van deze
regeling kwamen meer docenten in aanmerking voor ADV- verlof. Deze verruiming
was met name ingegeven door het feit dat deeltijdwerkers in een aantal
gevallen niet in aanmerking kwamen voor ADV-verlof.

Het doel van de ADV-regeling is tweeledig, namelijk om

– door middel van deze arbeidsduurverkorting meer onderwijsgevenden aan een
baan te helpen door volledige herbezetting van de vrijgekomen uren;

-aan onderwijsgevenden die een bepaalde leeftijd hebben bereikt en een
bepaalde omvang van de dienstbetrekking hebben, van rechtswege verplichte
arbeidsduurverkorting bij wijze van verlof toe te kennen met behoud van
volledige bezoldiging.

Het aantal uren/formatie-eenheden waarmee de onderwijstaak wordt
teruggebracht is afhankelijk van leeftijd en van de omvang van de
dienstbetrekking. De uren die men werkzaam is in het HBO, worden niet
meegeteld bij het bepalen van de omvang van de dienstbetrekking in het MBO.

3.2. Verzoeker, die in 1942 geboren is, heeft in september 1988 aan de
wederpartij gevraagd of hij volgens de ADV- regeling in het MBO in aanmerking
kwam voor ADV-verlof. Zijn verzoek is afgewezen, omdat het aantal uren dat
hij werkzaam was onder de destijds geldende grens van 22 uren zat.

Verzoeker had volgens de ADV-regeling van 1989 evenmin recht op ADV. Hij
werkte namelijk 13 3/4 uur per week in het MBO, terwijl de omvang van de
dienstbetrekking minstens 15 uren moest bedragen, wilde men in aanmerking
komen voor ADV.

Per 1 augustus 1991 is er een nieuwe ADV-regeling van kracht geworden
(Ministeriele circulaire d.d. 10 april 1991, kenmerk DI/AB/JZ). In deze
regeling wordt een leeftijdsgrens noch een minimumeis gesteld wat betreft de
omvang van het dienstverband. De taakverkorting wordt tot stand gebracht via
een groeimodel. Uiteindelijk dient in 1993/1994 een ieder 3,57% van de omvang
van de dienstbetrekking als ADV-verlof op te kunnen nemen.

3.3. De wederpartij kan, gelet op de omvang van het personeelsbestand
(ongeveer 4000 mensen) en de complexiteit van de ADV-regeling, niet aangeven
hoeveel mannen en hoeveel vrouwen in 1989/1990 ADV-gerechtigd waren.

3.4. De Minister van Onderwijs en Wetenschappen heeft desgevraagd evenmin
cijfers overgelegd over het aantal mannen en vrouwen dat in aanmerking komt
voor de ADV-regeling van 1989.

Hij verwijst naar de gegevens die reeds in eerdere procedures over de
ADV-regeling van 1985 gebruikt zijn.

Aan de (oude) Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid is destijds al de vraag gesteld of de ADV-regeling van 1985 middellijk
onderscheid (“Middellijk onderscheid” heet sinds de wetswijziging van 1 juli
1989 (WGB, Stb. 1989, 168) “indirect onderscheid”) naar geslacht in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen maakt. De
Commissie heeft destijds uitgesproken (op 25 november 1985) dat zulks het
geval is omdat in het bijzonder vrouwen benadeeld worden, terwijl niet is
aangetoond dat het doel van de regeling opweegt tegen het verbod om mannen
en vrouwen ongelijk te behandelen. Daardoor was er volgens de Commissie geen
sprake van een objectieve rechtvaardigingsgrond.

Vervolgens is de zaak in kort geding voorgelegd aan de President van de
Rechtbank te ‘s-Gravenhage, welke vonnis heeft gewezen op 21 februari 1986
(KG 1986, 146). De President is van oordeel dat er in beginsel een
ongeoorloofd onderscheid tussen mannen en vrouwen aanwezig is, maar dat
echter aannemelijk is dat bij uitstek voor vrouwen een positief effect van
de maatregelen uitgaat. Dit, omdat te verwachten is dat de uren die
vrijkomen, zullen worden opgevuld door deeltijdwerkers, dus met name vrouwen.
Deze voordelen wegen ruimschoots op tegen de nadelen, aldus de President. De
President ziet hierin een objectieve rechtvaardigingsgrond voor de
ADV-regeling, waardoor het ontoelaatbare karakter er aan ontnomen wordt.

Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage bekrachtigt op 9 juli 1987 in hoger beroep
het vonnis van de President (Gerechtshof te ‘s- Gravenhage, 9 juli 1987; KG
1987, 335). Het Hof stelt voorop, dat voor het antwoord op de vraag of door
de Staat onrechtmatig wordt gehandeld het maatregelen-pakket in zijn
totaliteit bezien moet worden, waarbij -naast de inhoud van de regeling- mede
rekening gehouden moet worden met de wijze van totstandkoming (vooraf) en de
effecten van de regeling (achteraf). Volgens het Hof is het niet aanvaardbaar
de regeling in een aantal afzonderlijk facetten te ontbinden en die
vervolgens geisoleerd te beschouwen, maar gaat het om toetsing van het
totaal-beleid.

Het Hof had, anders dan de President, inmiddels de beschikking over cijfers
aangaande de herbezetting van de vrijgekomen uren. Uit deze cijfers blijkt
volgens het Hof dat de ADV- maatregel een voor vrouwen gunstig effect heeft
ten aanzien van de werkgelegenheid.

Het Hof overweegt verder: “Beschouwt men de regeling in haar totaliteit,
tegen de achtergrond van de nagestreefde doelstellingen en in de verdere
omstandigheden van het geval, dan is hier naar het oordeel van het Hof sprake
van een regeling waaraan wellicht voor sommige vrouwen nadelige effecten
kleven, maar die anderzijds voor andere vrouwen juist weer voordelen met zich
mee brengt, zodanig dat deze effecten elkaar in evenwicht houden”.

3.5. Naar aanleiding van bovengenoemde procedures, heeft de Stichting
Landelijke Ombudsvrouw (die procespartij was) een deskundige de opdracht
gegeven onderzoek te doen naar de ADV- regeling van 1985 (J.J. Siegers,
Arbeidsduurverkorting in het onderwijs, statistische analyse van de gevolgen
voor vrouwen in het onderwijs van de Regeling ADV-verlof onderwijsgevend
personeel. Extern rapport in opdracht van en uitgebracht aan de Stichting
Landelijke Ombudsvrouw, Economisch Instituut/CIAV, RUU, Utrecht, maart 1989).
en 1989 (J.J. Siegers, Verschillen tussen mannen en vrouwen in recht op
arbeidsduurverkorting in het onderwijs. Extern rapport in opdracht van en
uitgebracht aan de Stichting Landelijke Ombudsvrouw, Economisch
Instituut/CIAV, RUU, Utrecht, augustus 1989). Later heeft de Stichting
nogmaals onderzoek gedaan naar de ADV-regeling van 1989 gecombineerd met die
van 1991. Het doel van de onderzoeken was om na te gaan hoe de betreffende
ADV-regelingen uitwerken ten aanzien van de vrouwen respectievelijk ten
aanzien van de mannen die in het onderwijs werken. Met andere woorden:
hoeveel mannen en hoeveel vrouwen profiteren, relatief gezien (dat wil
zeggen: ten opzichte van hun aandeel in het zittend personeel), van de
bewuste ADV-regelingen?

In het opgestelde rapport met betrekking tot de ADV-regelingen van 1989 en
1991 staat -voor zover hier van belang- het volgende vermeld.

Allereerst wordt verwezen naar de resultaten van het onderzoek over de
ADV-regeling van 1985. Daar werd geconcludeerd dat mannen relatief gezien het
meest profiteerden van de ADV- regeling, hetzij vanwege de
arbeidsduurverkorting, hetzij wegens herbezetting.

Met betrekking tot de ADV-regeling van 1989 werd

geconcludeerd -waarbij het aspect van de herbezetting achterwege is gelaten
bij gebrek aan gegevens- dat mannen relatief gezien oververtegenwoordigd zijn
in het aantal ADV- gerechtigden; vrouwen zijn daarin ondervertegenwoordigd.
Deze conclusie was gebaseerd op gegevens van het personeelsbestand 1987/1988.

Ook op basis van het personeelsbestand 1989/1990 (welke gegevens verkregen
zijn van het Centraal Bureau voor de Statistiek), wordt in het rapport
bovenstaande conclusie gehandhaafd. Van de mannen heeft namelijk 88% recht
op ADV, terwijl van de vrouwen 57% recht heeft op ADV.

Van het totale aantal onderwijsgevenden is 54% man en 46% vrouw.

Het Gerechtshof noemt in zijn uitspraak van 9 juli 1987 iets andere cijfers,
te weten 51,2% van de vrouwen en rond 85% van de mannen heeft recht op ADV.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoeker stelt het volgende. Zijn claim dateert van 7 september
1988. Zijns inziens heeft hij derhalve, ondanks de verruimde ADV-regeling van
1991, belang bij een oordeel van de Commissie over de periode 7 september
1988 tot 1 augustus 1991. Verzoeker is van mening dat de wederpartij -in
ieder geval voor 1 augustus 1991- een ongeoorloofd onderscheid aanbrengt
tussen docenten in het MBO die wel de gestelde drempel halen en docenten die
deze drempel niet halen. Mogelijk is dit in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

3.7. De wederpartij stelt het volgende. In de ADV-regeling wordt geen
onderscheid tussen mannen en vrouwen gemaakt. Er worden slechts eisen gesteld
aan de omvang van de dienstbetrekking. Zij stelt de grens van 15 uren, omdat
dat zo voorgeschreven is in de genoemde ADV-regeling.

Voorts brengt de wederpartij naar voren dat er per 1 augustus 1991 voor
verzoeker een andere ADV-regeling van kracht is geworden, waarin geen eisen
meer gesteld worden aan de omvang van het dienstverband. Daarmee is derhalve
tegemoetgekomen aan de bezwaren van verzoeker.

Bij het rapport van de Stichting Landelijke Ombudsvrouw plaatst de
wederpartij de volgende kanttekeningen.

Haars inziens ontbreken bepaalde cijfers, namelijk die welke betrekking
hebben op het HBO, waar reeds gedurende geruime tijd een andere ADV-regeling
van toepassing is. Ook wordt geen melding gemaakt van belangrijke delen van
het MBO waar met ingang van 1 augustus 1990 respectievelijk 1 augustus
1991 eenzelfde regeling van toepassing is als bij het HBO. Verder is geen
onderzoek gedaan op het terrein van de basiseducatie. Bij instellingen voor
basiseducatie werken erg veel vrouwen in deeltijdbanen met een ADV-regeling
die onafhankelijk is van de betrekkingsomvang.

Het standpunt van de Minister

3.8. De Minister heeft desgevraagd door de Commissie het volgende naar voren
gebracht.

Voor de achtergrond van de ADV-regeling van 1985 verwijst hij naar de
destijds gevoerde procedure bij de oude Commissie. Toen is van de zijde van
de toenmalige Minister het volgende verweer gevoerd. Het was noodzakelijk om
te beslissen voor welke groep onderwijsgevenden ADV ging gelden en voor welke
groep niet. De redenen waarom niet voor een arbeidsduurverkorting voor het
gehele personeel (de -naar rato- 38-urige werkweek) is gekozen, zijn de
volgende:

1. De belangrijkste reden: het voor herbezetting beschikbare budget was te
beperkt om de door ADV-verlof vrijkomende uren volledig te bezetten; het
uitgangspunt was echter dat het onderwijsaanbod aan de leerlingen door
ADV-maatregelen niet mocht worden verminderd;

2. Bij het bepalen van een keuze voor ADV-maatregelen is de hoogste
prioriteit gegeven aan een substantiele taakvermindering van oudere
onderwijsgevenden;

3. Een naar de omvang van de betrekking evenredige ADV, kan niet worden
gerealiseerd, gezien de schoolorganisatie waar de taakomvang aan leseenheden
is gekoppeld. Herbezetting zou als gevolg daarvan plaatsvinden door zittende
deeltijdwerkers. Deze zouden dan hun oorspronkelijke omvang van de
dienstbetrekking behouden, maar daarvoor een hoger salaris ontvangen. Dit zou
ten koste gaan van het herbezettingsbudget.

De Minister wijst op het arrest van het Gerechtshof Den Haag. Zijn
ambtsvoorganger heeft het oordeel van het Gerechtshof zwaarder laten wegen,
mede gezien de overeenstemming die met drie van de vier centrales van
overheidspersoneel ten aanzien van de ADV-regeling was bereikt.

De verruiming van de ADV-regeling per 1 augustus 1989 was financieel
mogelijk, omdat de regering in overeenstemming met de personeelsorganisaties
en de meerderheid van de organisaties van schoolbesturen, hadden besloten de
middelen die beschikbaar waren voor decentraal arbeidsvoorwaardenbeleid te
besteden aan een verruiming van de ADV-regeling van 1985. Deze extra middelen
zijn volledig ingezet voor de verbetering van de positie van part-timers.

Hoewel er naar gestreefd is de verruiming van de ADV- verlofregeling voor
zoveel mogelijk deeltijdwerkers te laten gelden, bleek een algemene verlaging
van de normbetrekking, mede gelet op de noodzakelijke volledige herbezetting
in 1989 nog niet mogelijk. De Minister wijst er met nadruk op dat er thans
in 1991 geen eisen ten nadele van deeltijdwerkers worden gesteld, waarmee dus
ieder risico van het -indirect- maken van een ongeoorloofd onderscheid tussen
mannen en vrouwen is verdwenen.

Met betrekking tot het onderzoeksrapport van de Stichting Landelijke
Ombudsvrouw, merkt de Minister op dat zijn voorganger schriftelijk gereageerd
heeft op de twee onderzoeken betreffende de ADV-regelingen van 1985 en 1989.
In de brief die zijn voorganger heeft geschreven, verwijst deze eveneens naar
de uitspraak van het Gerechtshof.

De Minister memoreert hoe zijn voorganger reageerde op de conclusie in het
rapport van april 1989 dat het voordeel van vrouwen bij de herbezetting niet
opwoog tegen het nadeel van uitsluiting van de arbeidsduurverkorting. Zijn
voorganger meende dat deze conclusie uitermate aanvechtbaar was op grond van
het volgende. In het rapport wordt het aantal mensen dat voordeel heeft
vanwege de arbeidsduurverkorting opgeteld bij het aantal mensen dat voordeel
heeft vanwege de herbezetting. Deze voordelen kunnen niet klakkeloos bij
elkaar opgeteld worden. Voor zover de beide voordelen al met elkaar
vergeleken kunnen worden, moet de omvang ervan meegewogen worden. Het
voordeel van het ADV-gerechtigd zijn heeft gemiddeld genomen een omvang van
een uur per week. Het voordeel van ADV- herbezetting heeft gemiddeld genomen
een omvang van zes uren per week. Het herbezettingsvoordeel zou men daarom,
aldus de voorganger, zes keer zo zwaar moeten laten wegen als het ADV-
voordeel.

De Minister wijst er op dat in de vervolgonderzoeken van de Stichting
Landelijke Ombudsvrouw geen aandacht meer besteed is aan het aspect
herbezetting. Dit, terwijl volgens de uitspraak van het Hof bij het
beoordelen van de regeling op een mogelijk indirect onderscheid naar
geslacht, juist dit element van belang is.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij indirect onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

Artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) schrijft voor dat een
werkgever direct noch indirect onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen
in onder andere de arbeidsvoorwaarden.

Onder indirect onderscheid wordt verstaan: onderscheid op grond van andere
hoedanigheden dan het geslacht, bijvoorbeeld echtelijke staat of
gezinsomstandigheden, dat onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft,
tenzij dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is (7A:1637ij lid 5 BW).

Het vermoeden van indirect onderscheid ontstaat, indien in overwegende mate
personen van een geslacht nadelig getroffen worden.

Voorzover het verzoek betrekking heeft op de periode voor 1 juli 1989, is de
oude wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1980, 86)
van toepassing. Artikel 7A:1637ij BW had destijds een gelijke inhoud als nu,
met dien verstande dat daarin werd gesproken van onmiddellijk en middellijk
onderscheid, waar thans onder verstaan wordt direct respectievelijk indirect
onderscheid.

4.2. Allereerst moet, gelet op het verweer van de wederpartij, de vraag
beantwoord worden, of verzoeker nog belang heeft bij een oordeel van de
Commissie.

De wederpartij stelt immers dat met de nieuwe regeling van 1 augustus 1991,
waarin geen minimum-eisen wat betreft de omvang van het dienstverband meer
worden gesteld, tegemoet is gekomen aan het bezwaar van verzoeker.

Met verzoeker is de Commissie van mening dat zijn belang in ieder geval
gelegen is bij een uitspraak over de periode 7 september 1988, de datum
waarop hij verzocht heeft om toekenning van ADV-verlof, tot 1 augustus 1991.

4.3. Om de in geding zijnde vraag te kunnen beantwoorden moet het effect naar
geslacht gemeten worden van de ADV-regelingen van 1985 en 1989.

Wat betreft de regeling van 1985, is zowel door de Stichting Landelijke
Ombudsvrouw als door het Gerechtshof te ‘s- Gravenhage geconcludeerd dat er
meer vrouwen in deeltijd werken in het onderwijs dan mannen. En dat derhalve
relatief aanzienlijk (+ 30%) meer mannen dan vrouwen voor de ADV- regeling
van 1985 in aanmerking kwamen. Voor wat betreft deze regeling bestaat
derhalve een vermoeden van indirect onderscheid, dat slechts door een
objectieve rechtvaardigingsgrond kan worden ongedaan gemaakt.

De wederpartij noch de Minister heeft gegevens overgelegd waaruit blijkt
hoeveel mannen respectievelijk hoeveel vrouwen -relatief gezien-
ADV-gerechtigd waren, voor zover het betreft de ADV-regeling van 1989.
Derhalve resteren alleen de gegevens zoals verwerkt in het laatste rapport
uit 1991 van de Stichting Landelijke Ombudsvrouw. Uit deze gegevens blijkt
dat van de mannen 88% recht heeft op ADV, terwijl van de vrouwen slechts 57%
recht op ADV heeft. Ook hier is er, evenals in 1985, een verschil van + 30%.

De Commissie is van oordeel dat relatieve cijfers gehanteerd dienen te worden
bij het beoordelen van het effect naar geslacht. Daardoor wordt rekening
gehouden met het aandeel dat mannen respectievelijk vrouwen hebben in het
onderwijzend personeel waarvoor de ADV-regeling bedoeld is.

Bij een bestand waarin mannen en vrouwen niet een ongeveer gelijk aandeel
hebben, zouden absolute aantallen een vertekend beeld kunnen geven.

Gelet op bovengenoemd effect naar geslacht, rijst zowel voor de regeling van
1985 als voor die van 1989 het vermoeden dat de wederpartij indirect
onderscheid tussen mannen en vrouwen maakt, ten nadele van vrouwen.

4.4. De vraag is nu of verzoeker, die van het mannelijk geslacht is, een
beroep kan doen op het gegeven dat de ADV- regeling een vermoeden van
indirect onderscheid jegens vrouwen teweeg brengt.

Hieromtrent is het volgende van belang. In artikel 14 lid 2 onder a WGB is
bepaald dat een verzoekschrift kan worden ingediend bij de Commissie door
degene die meent, dat te zijnen nadele een onderscheid is of wordt gemaakt
als bedoeld in artikel 7A:1637ij van het BW. Aangezien hier sprake is van een
vermoeden van indirect onderscheid in de zin van artikel 7A:1637ij BW, en
onbetwist is dat verzoeker nadeel ondervindt van de bewuste ADV-regeling, is
de Commissie van oordeel dat bovenstaande vraag bevestigend beantwoord dient
te worden.

4.5. Vervolgens komt aan de orde de vraag of er voor het geconstateerde
onderscheid een objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat. De Commissie merkt
hierover op dat het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage in zijn uitspraak van 9 juli
1987 de onrechtmatigheid van de ADV-regeling van 1985 beoordeelt door de
ADV-maatregel in zijn totaliteit te bezien. Het Gerechtshof is van mening dat
-naast de inhoud van de regeling- rekening gehouden moet worden met de wijze
van totstandkoming (vooraf) en de effecten van de regeling (achteraf).

De Commissie is echter van oordeel dat, zoals in artikel 7A:1637ij lid 5 BW
is aangegeven, het vermoeden van indirect onderscheid naar geslacht alleen
weerlegd kan worden, indien er een objectieve rechtvaardigingsgrond is voor
het in casu gemaakte onderscheid naar de omvang van de dienstbetrekking.

Onder objectieve rechtvaardiging dient, naar het oordeel van de Commissie,
te worden verstaan

– dat het onderscheid gemaakt wordt om een objectief gerechtvaardigd doel te
dienen en

– daartoe middelen zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel
te bereiken, terwijl

– dit doel niet is te bereiken op andere wijze waarbij geen indirect
onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

Het ligt op de weg van de wederpartij om aan te tonen dat er een objectieve
rechtvaardiging bestaat.

De Commissie vindt voor haar opvatting omtrent de definitie van een
objectieve rechtvaardiging ingeval van indirect onderscheid naar geslacht,
steun in verschillende uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Zie o.a.
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, Bilka Kaufhaus versus Weber
von Hartz, d.d. 13 mei 1986, zaak 170/84; Rinner-Kuhn versus FWW Spezial
Gebaudereinigung GmbH & CO.Kg, d.d. 13 juli 1989, zaak 171/88).

De Commissie zal derhalve de aangevoerde rechtvaardigingsgronden toetsen aan
de hiervoor genoemde criteria.

4.6. Zoals in 3.1. is beschreven, is het doel van de ADV- regeling tweeledig.
De Commissie is van oordeel dat het bevorderen van de werkgelegenheid en het
verminderen van de taken van oudere onderwijsgevenden als een objectief
gerechtvaardigd doel aangemerkt kan worden.

De Commissie is echter van oordeel dat de Minister niet heeft aangetoond dat
de middelen die daartoe gekozen zijn (uitsluiting van bepaalde groepen
deeltijdwerkers) noodzakelijk zijn en dat het doel niet te bereiken is op een
andere wijze waarbij geen indirect onderscheid naar geslacht gemaakt wordt.

De hoofdreden die de Minister aanvoert voor het feit dat bepaalde
deeltijdwerkers uitgesloten waren van de ADV- regelingen, is, dat het budget
niet toereikend was om alle onderwijzers ADV toe te kennen.

De Commissie heeft reeds eerder (Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid, 18 oktober 1990, oordeel 35-90-138, Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 4 april 1991, oordeel
339-91-16).) uitgesproken dat een financieel argument, zoals door de Minister
aangevoerd, op zich niet voldoende is om als een zelfstandige en objectieve
rechtvaardigingsgrond te fungeren voor het maken van onderscheid als bedoeld
in de wet. Het blijkt ook, gelet op het feit dat de ADV-regeling van 1991 tot
stand is gekomen, dat er een andere oplossing mogelijk was waarbij
deeltijdwerkers niet uitgesloten werden. In 1991 bleek het wel mogelijk om
de beschikbare middelen aan te wenden ten behoeve van de verbetering van de
positie van deeltijdwerkers.

Ook uit de overige aangevoerde argumenten (genoemd onder 3.8.) kan niet
afgeleid worden dat de keuze voor een ADV-regeling waarbij bepaalde
deeltijdwerkers uitgesloten worden, noodzakelijk was.

Bovenstaande leidt tot de conclusie dat de wederpartij noch de Minister
argumenten heeft aangedragen die het teweeg gebrachte nadelige effect voor
overwegend vrouwen objectief kunnen rechtvaardigen.

Hieraan doet niet af, zoals het Gerechtshof in zijn arrest uitsprak, dat
vrouwen in overwegende mate voordeel ondervinden van de herbezetting.

Dit resultaat (voorzover beoogd) zou immers ook bereikt kunnen worden door
alle onderwijzenden, zowel voltijds als in deeltijd werkend, ADV-verlof toe
te kennen. Niet valt in te zien waarom daarmee objectief gerechtvaardigd is
dat in overwegende mate andere vrouwen (het zittend vrouwelijk personeel)
nadelig getroffen moeten worden.

Hiermee staat vast dat de wederpartij indirect onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt in strijd met de Wet.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de te Roosendaal
indirect onderscheid naar geslacht maakt in strijd met artikel 7A:1637ij lid
1 Burgerlijk Wetboek waardoor de heer te Zevenbergen benadeeld wordt.

Aldus vastgesteld op 14 juli 1992 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 23 juni 1992.

Rechters

dhr prof. mr P.F. van der Heijden, (Kamervoorzitter), mw prof. mr J.E.Goldschmidt (lid Kamer), mw drs A.J. Huber (lid Kamer), mw drs C.M. Sjerps(secretaris).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 10 juli 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was voltijds in dienst bij de wederpartij. Verzoekster werd
zwanger en kwam met de wederpartij overeen dat zij na haar
zwangerschapsverlof in deeltijd zou gaan werken.

De wederpartij heeft vlak voordat het verlof ten einde liep een
ontslagvergunning aangevraagd voor verzoekster wegens ernstige fouten die
verzoekster veroorzaakt zou hebben. Verzoekster stelt dat de ware reden voor
het voorgenomen ontslag is dat zij moeder is geworden en in verband hiermee
in deeltijd zou gaan werken. De Commissie oordeelt dat onvoldoende is komen
vast te staan dat de wederpartij verzoekster om de redenen die verzoekster
aanvoert wil ontslaan. Overigens is de Commissie van mening dat de
wederpartij uit zorgvuldigheidsoverwegingen eerst de vermeende fouten met
verzoekster had kunnen bespreken alvorens te besluiten verzoekster te
ontslaan. Geen strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 4 juni 1992 verzocht mevrouw (hierna: verzoekster) te
Nijmegen de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid
haar oordeel uit te spreken over de vraag of (hierna: de
wederpartij) te Arnhem jegens haar onderscheid naar geslacht maakt in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. De wederpartij heeft ten behoeve van verzoekster een ontslagaanvraag
ingediend bij de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening.

Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee in strijd handelt met
de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en conform het
verzoek van verzoekster de spoedprocedure toegepast.

Partijen zijn opgeroepen voor een zitting op 23 juni 1992. Voorafgaand aan
de zitting is bij beide partijen nadere informatie opgevraagd.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw (verzoekster)

– dhr (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij

– dhr (directeur)

– dhr mr E.R. Looyen (advocaat)

– dhr (administrateur)

– mw (medewerkster van de wederpartij)

van de kant van de Commissie

– dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter)

– mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer)

– mw drs A.J. Huber (lid Kamer)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is vanaf 1 september 1989 in dienst van de wederpartij, een
uitgeverij van branche-bladen. Deze uitgeverij is een jong en snel groeiend
bedrijf. Verzoekster was de tweede werkneemster die werd aangetrokken. Zij
verzorgt de volledige administratie van de wederpartij, functioneert als
telefoniste en verricht veel secretariele en anderszins ondersteunende
werkzaamheden.

De directeur van de wederpartij drijft drie ondernemingen. De
personeelsbezetting van twee van deze ondernemingen, waaronder die waar
verzoekster in werkt, is als volgt. Afgezien van verzoekster zijn 12 vrouwen
en 2 mannen in dienst. Twee van de vrouwen, waarvan een kinderen heeft,
werken in deeltijd.

Op 16 december 1991 is verzoekster met zwangerschapsverlof gegaan. Voor haar
verlof heeft verzoekster aan de wederpartij verzocht haar voltijd
dienstverband na het verlof om te zetten in een deeltijd dienstverband van
20 uur per week. Verzoekster wilde dit graag in verband met haar aankomende
moederschap.

Omdat de functie van verzoekster zich naar de mening van de wederpartij niet
goed leende voor werken in deeltijd, was de wederpartij aanvankelijk weinig
gelukkig met dit verzoek. Zij heeft bij haar advocaat geinformeerd over haar
eventuele plicht om werken in deeltijd toe te staan. De advocaat heeft in dit
verband de wederpartij gewezen op het recht van verzoekster om
ouderschapsverlof op te nemen. Uiteindelijk is de wederpartij akkoord gegaan
met het verzoek van verzoekster. Deze overeenkomst is schriftelijk
vastgelegd.

Op 10 april 1992, zes dagen voordat verzoekster haar werkzaamheden zou
hervatten, heeft de wederpartij aan verzoekster medegedeeld dat zij op
non-actief werd gesteld en dat de wederpartij een ontslagvergunning bij het
Arbeidsbureau had aangevraagd. De reden die de werkgever hiervoor aangaf was
dat tijdens de afwezigheid van verzoekster was gebleken, dat verzoekster in
ernstige mate verzuimd had haar werkzaamheden naar behoren te verrichten.

Thans hebben twee medewerksters van de wederpartij het werk van verzoekster
overgenomen. Deze medewerksters doen ook deels ander werk.

3.2. Het vaste administratiekantoor van de wederpartij, dat sedert de
oprichting van de wederpartij elk kwartaal de boekhouding controleert, heeft
tijdens het zwangerschapsverlof een aantal administratieve werkzaamheden van
verzoekster overgenomen. Dit kantoor heeft mondeling aan de wederpartij
medegedeeld dat er fouten waren geconstateerd. Op verzoek van de wederpartij
heeft het administratiekantoor de fouten op schrift gesteld en per brief d.d.
24 februari 1992 aan de wederpartij opgestuurd. In deze brief stond, voor
zover hier van belang, dat:

– de administratie niet was bijgewerkt;

– de ontbrekende debiteurenlijsten niet waren gemaakt;

– in diverse laden van het bureau van verzoekster de volgende bescheiden
werden gevonden: bankafschriften, onbetaalde rekeningen, uitgeschreven
en ondertekende bankgiro’s, gesloten enveloppen met ondertekende bankgiro’s;

– de originele facturen van de crediteuren en de debiteuren niet aanwezig
waren;

– onbetaalde rekeningen als betaald waren opgeborgen;

– betaalde rekeningen in de ‘mappen onbetaald’ waren aangetroffen;

– het adressenbestand niet was bijgehouden;

– er onbetaalde rekeningen waren aangetroffen van juni 1991;

– de zogenaamde ‘dispuutmeldingen’ onjuist waren afgehandeld;

– zogenaamde ‘schade-aangiften’ niet waren ingediend.

Deze bevindingen betroffen met name het laatste kwartaal van 1991. In oktober
1991 had het administratiekantoor de boekhouding van de wederpartij voor het
laatst nagekeken. Op dat moment was de boekhouding in orde. Ook hiervoor
heeft het administratiekantoor nooit onregelmatigheden geconstateerd in de
administratie.

Een ex-collega van verzoekster heeft verklaard dat zij het niet gek vindt dat
de administratie niet geheel op orde was, aangezien er pas enkele weken nadat
verzoekster met verlof ging een vervanger voor verzoekster is aangenomen.

Zij verklaart ook dat er in de tijd dat zij bij de wederpartij werkte nooit
genoeg geld op de bank stond om de rekeningen te betalen. Zij vindt het
daarom niet vreemd dat er onbetaalde rekeningen zijn aangetroffen.

3.3. In de tijd dat verzoekster bij de wederpartij heeft gewerkt heeft zij
een drietal functioneringsgesprekken gehad. Deze gesprekken waren informeel
van aard. Ook hebben er 4 a 5 werkbesprekingen plaatsgevonden tussen
verzoekster en de wederpartij. Tijdens deze werkbesprekingen heeft de
wederpartij incidentele fouten van verzoekster aangekaart.

De functioneringsgesprekken en werkbesprekingen zijn niet op schrift gesteld.

Globaal gezien was de wederpartij voor bovengenoemde bevindingen tevreden
over de prestaties van verzoekster. Als positieve prikkel heeft de
wederpartij het loon van verzoekster periodiek verhoogd.

3.4. De functie van verzoekster is er een die veel stress kan veroorzaken.
Voordat verzoekster met verlof ging heeft de wederpartij meerdere malen tegen
haar gezegd dat als zij in de problemen kwam door de grote hoeveelheden werk,
zij dit aan de wederpartij kon melden om hiervoor een oplossing te zoeken.
Dit heeft verzoekster niet gedaan.

In maart 1991 is er tussen verzoekster en de wederpartij besproken dat
verzoekster office-manager zou kunnen worden. De wederpartij heeft
hieromtrent echter nooit toezeggingen gedaan.

Een medewerkster van de wederpartij geeft als mogelijke verklaring voor het
feit dat verzoekster plotseling slechter zou zijn gaan functioneren, dat zij
niet was gepromoveerd tot office-manager en de hiermee samenhangende opslag
was misgelopen.

Een medewerkster van de wederpartij, die zich voornamelijk met de
abonnementenadministratie bezighoudt, heeft verklaard dat zij ruim een half
jaar in deeltijd heeft gewerkt en geen moeilijkheden heeft ondervonden bij
het regelen hiervan met de wederpartij.

Standpunten van partijen

3.5. Verzoekster stelt dat de mededeling van de wederpartij over haar
functioneren haar zeer heeft verbaasd. Er waren nooit eerder problemen
geweest of fouten, anders dan incidentele, geconstateerd. Volgens verzoekster
was de wederpartij altijd tevreden over haar. Dit blijkt onder andere uit het
feit dat haar salaris een aantal malen is verhoogd: zij begon in 1989 met een
salaris van ƒ 2.500,- bruto per maand en verdiende laatstelijk ƒ 3.375,-
bruto per maand.

Ook heeft de wederpartij tijdens functioneringsgesprekken of anderszins niet
laten blijken dat verzoekster haar werk niet goed zou doen. Verder heeft het
administratiekantoor van de wederpartij tijdens de drie-maandelijkse controle
nooit onregelmatigheden geconstateerd.

Volgens verzoekster is de reden die de wederpartij aanvoert niet de ware
reden om verzoekster te ontslaan. Aangezien de wederpartij nooit eerder
kritiek heeft gehad op haar functioneren, meent verzoekster dat de enige
reden voor het ontslag kan zijn dat zij onlangs een kind heeft gekregen en
in deeltijd zou gaan werken.

Volgens verzoekster probeert de wederpartij op deze manier onder de
overeenkomst uit te komen waarin is vastgelegd dat verzoekster 20 uur per
week zou gaan werken. Verzoekster denkt dat de wederpartij handelt in de
vooronderstelling dat zij in geval van ziekte van haar kind zich ook ziek zal
melden en dat zij waarschijnlijk nog een kind wil.

Verzoekster merkt op dat een ex-collega die twee kinderen had ook is
ontslagen. Toen deze vrouw nog in dienst was en een keer opbelde om zich ziek
te melden, maakte de wederpartij na het telefoongesprek de opmerking dat zij
zich vast ziek had gemeld omdat haar kind ziek was.

Er is volgens verzoekster in de onderneming van de wederpartij geen plaats
voor een jonge moeder die in deeltijd werkt.

3.6. Wat betreft de verwijten die de wederpartij aan verzoekster maakt stelt
verzoekster het volgende:

– Het klopt dat de administratie niet geheel was bijgewerkt, maar zij heeft
haar uiterste best gedaan om orde op zaken te stellen. Zij heeft in de
laatste week voor haar zwangerschapsverlof elke dag overgewerkt.
Bovendien loopt een administratie altijd achter;

– Zij heeft de ontbrekende debiteurenlijsten wel degelijk gemaakt;

– Het ontbreken van de originele facturen is niet vreemd, omdat wel vaker
post uit de brievenbus werd ontvreemd;

– Het kwam regelmatig voor dat rekeningen enige tijd onbetaald bleven, omdat
er niet altijd voldoende geld was om deze gelijk te betalen. Bovendien waren
de betalingen de verantwoordelijkheid van de directeur van de wederpartij,
aangezien deze zijn fiat en handtekening moest zetten. Als het hem om wat
voor reden dan ook niet uitkwam, gebeurde dit niet;

– Toen zij met verlof ging was de achterstand niet zo dramatisch als de
wederpartij beweert en was de wederpartij hiervan door haar op de hoogte
gesteld. Voorzover er wel sprake was van een achterstand is deze grotendeels
ontstaan nadat verzoekster met verlof ging en is deze te wijten aan slecht
management van de wederpartij.

3.7. Verzoekster stelt dat zij nimmer heeft geweigerd gedurende haar
afwezigheid telefonische informatie te geven, hetgeen de wederpartij beweert.
Op haar laatste werkdag heeft verzoekster slechts aangegeven liever niet
gestoord te worden tijdens haar verlof. Van een absolute neen was zeker geen
sprake. Tijdens haar verlof heeft verzoekster de wederpartij twee keer
telefonisch te woord gestaan naar aanleiding van vragen die waren gerezen.
Bij deze gelegenheden heeft de wederpartij niets opgemerkt over
onregelmatigheden of fouten die verzoekster veroorzaakt zou hebben.
Verzoekster vindt dat de wederpartij haar eerder op de hoogte had moeten
stellen van de geconstateerde ‘fouten’, zodat zij hier adequaat op had kunnen
reageren.

Verzoekster stelt dat zij er nooit op heeft gerekend dat zij office-manager
zou worden. Bovendien wist zij op het moment dat het ter sprake kwam al dat
zij een kind wilde en dat haar de functie van office-manager niet geschikt
leek om te combineren met de verzorging van een kind.

3.8. De wederpartij stelt het volgende. De lijst met
klachten van het administratiekantoor vormde de aanleiding voor het ontslag.
Naar aanleiding van deze klachten heeft de directeur van de wederpartij de
administratie zelf gecontroleerd en kwam tot de ontdekking dat er een bedrag
van

ƒ 30.000,- a ƒ 40.000,- niet was gefactureerd. De wederpartij had zo’n
grote achterstand niet verwacht.

Het is juist dat de ingekomen facturen nooit meteen worden voldaan en dat
betaalopdrachten niet onmiddellijk worden uitgevoerd. In dit geval zijn er
echter rekeningen aangetroffen, waarvan de betalingstermijn al lang was
verstreken en waarvoor werd gerappelleerd. Verzoekster heeft de wederpartij
het risico laten lopen dat er incassomaatregelen jegens de wederpartij
getroffen zouden worden. De bezwaren van de wederpartij richten zich niet
tegen een als normaal te beschouwen achterstand, maar tegen de ontstane
structurele achterstand.

De ontbrekende debiteurenlijsten die verzoekster beweert te hebben gemaakt
zijn door de wederpartij noch door het administratiekantoor van de
wederpartij aangetroffen.

3.9. Het is niet juist dat de wederpartij niet eerder kritiek zou hebben
geuit op het functioneren van verzoekster. Onregelmatigheden werden door de
wederpartij echter altijd als incidenten beschouwd en zijn ad hoc bij
verzoekster aangekaart. De ontdekkingen van het administratiekantoor hebben
het standpunt van de wederpartij echter gewijzigd. Zij is op grond hiervan
van mening dat verzoekster over de gehele linie een ondermaatse prestatie
leverde.

De wederpartij meent dat de geconstateerde fouten niet te wijten zijn aan
slecht management van haar zijde. Zij heeft haar best gedaan om een vervanger
te regelen voordat verzoekster met verlof ging. Degene die als vervanger was
aangesteld werd echter na een week ziek. De fouten zijn volgens de
wederpartij geheel en al aan verzoekster te wijten. Deze fouten waren volgens
de wederpartij zo essentieel dat zij heeft besloten verzoekster te ontslaan
zonder hieraan voorafgaand een gesprek te voeren met verzoekster.

De wederpartij heeft verzoekster niet eerder op de hoogte gesteld van de
geconstateerde fouten omdat zij het op zichzelf vreugdevolle verlof niet
onnodig vroeg wilde bederven. Bovendien stelt de wederpartij dat verzoekster,
voordat zij met verlof ging, heeft medegedeeld dat zij tijdens haar verlof
niet gebeld wenste te worden inzake administratieproblemen en/of vragen.

De wederpartij stelt dat het niet waar is dat zij verzoekster wil ontslaan
wegens haar moederschap en haar hiermee verband houdende wens om in deeltijd
te gaan werken. De wederpartij merkt op dat verzoekster niet haar enige
personeelslid is dat heeft gekozen voor het moederschap in combinatie met een
deeltijd functie. Hieruit blijkt dat er binnen haar onderneming wel degelijk
ruimte is voor jonge moeders.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. Aan de orde in deze kwestie is artikel 7A:1637ij BW. Lid 1 van dit
artikel bepaalt onder andere dat de werkgever geen onderscheid mag maken
tussen mannen en vrouwen bij de beeindiging van de arbeidsovereenkomst.
Alleen in geval van een van de wettelijke uitzonderingsgronden mag van dit
verbod worden afgeweken, doch hieromtrent is niets gesteld of gebleken.

Onderscheid op grond van zwangerschap is direct onderscheid en niet
toegestaan. In eerdere oordelen heeft de Commissie bepaald dat ook als
zwangerschap een van de redenen en niet de enige reden voor het gemaakte
onderscheid is, dit strijd met de Wet oplevert (Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid, oordeelnummers 42-89-13 en 172-90-31).

4.2. In de onderhavige zaak stelt de wederpartij dat zij verzoekster wil
ontslaan omdat zij niet goed zou functioneren.

Onbetwist is dat verzoekster tot oktober 1991 goed functioneerde. Gebleken
is dat, ondanks een poging daartoe van de wederpartij, het werk van
verzoekster niet onmiddellijk aan een ander is overgedragen op het moment dat
zij met verlof ging. Het is naar de mening van de Commissie niet
onaannemelijk dat de ontstane achterstand deels is veroorzaakt door deze
omstandigheid en niet direct aan verzoekster te wijten is.

Verzoekster is van mening dat, aangezien het ontslag niet gelegen kan zijn
in het feit dat zij slecht functioneerde, geconcludeerd moet worden dat de
reden voor het ontslag is ingegeven door het feit dat verzoekster een kind
heeft gekregen en in deeltijd zou gaan werken.

De Commissie is van oordeel dat, hoewel het mogelijk is dat de geconstateerde
fouten niet uitsluitend aan verzoekster te wijten zijn, onvoldoende is komen
vast te staan dat het jonge moederschap van verzoekster en/of de wens van
verzoekster om in deeltijd te gaan werken (een van) de reden(en) is voor het
voorgenomen ontslag van verzoekster. Dit neemt niet weg dat de Commissie van
mening is dat de wederpartij uit zorgvuldigheidsoverwegingen de periode na
het bevallingsverlof had kunnen aangrijpen om met verzoekster de
geconstateerde fouten te bespreken, alvorens tot het besluit te komen voor
verzoekster een ontslagvergunning aan te vragen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat niet is komen vast te staan dat
te Arnhem bij de procedure rondom het ontslag van mw
te Nijmegen jegens haar onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

Aldus vastgesteld op 23 juni 1992 naar aanleiding van de behandeling in de
raadkamer van 23 juni 1992.

Rechters

dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter), mw prof. mr J.E.Goldschmidt (lid Kamer), mw drs A.J. Huber (lid Kamer), mw drs C.M. Sjerps(secretaris).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 10 juli 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij heeft vlak voordat het verlof ten einde liep een
ontslagvergunning aangevraagd voor verzoekster wegens ernstige fouten die
verzoekster veroorzaakt zou hebben. Verzoekster stelt dat de ware reden
voor het voorgenomen ontslag is dat zij moeder is geworden en in verband
hiermee in deeltijd zou gaan werken. De Commissie oordeelt dat onvoldoende
is komen vast te staan dat de wederpartij verzoekster om de redenen die
verzoekster aanvoert wil ontslaan. Overigens is de Commissie van mening
dat de wederpartij uit zorgvuldigheidsoverwegingen eerst de vermeende
fouten met verzoekster had kunnen bespreken alvorens te besluiten
verzoekster te ontslaan. Geen strijd met de wet.

Volledige tekst

( …) 4. De overwegingen van de commissie ( …) 4.2. In de onderhavige
zaak stelt de wederpartij dat zij verzoekster wil ontslaan omdat zij niet
goed zou functioneren. Onbetwist is dat verzoekster tot oktober 1991 goed
functioneerde. Gebleken is dat, ondanks een poging daartoe van de
wederpartij, het werk van verzoekster niet onmiddellijk aan een ander is
overgedragen op het moment dat zij met verlof ging. Het is naar de mening
van de Commissie niet onaannemelijk dat de ontstane achterstand deels is
veroorzaakt door deze omstandigheid en niet direct aan verzoekster te
wijten is. Verzoekster is van mening dat, aangezien het ontslag niet
gelegen kan zijn in het feit dat zij slecht functioneerde, geconcludeerd
moet worden dat de reden voor het ontslag is ingegeven door het feit dat
verzoekster een kind heeft gekregen en in deeltijd zou gaan werken. De
Commissie is van oordeel dat, hoewel het mogelijk is dat de geconstateerde
fouten niet uitsluitend aan verzoekster te wijten zijn, onvoldoende is
komen vast te staan dat het jonge moederschap van verzoekster en/of de
wens van verzoekster om in deeltijd te gaan werken (een van) de reden(en)
is voor het voorgenomen ontslag van verzoekster. Dit neemt niet weg dat
de Commissie van mening is dat de wederpartij uit
zorgvuldigheidsoverwegingen de periode na het bevallingsverlof had kunnen
aangrijpen om met verzoekster de geconstateerde fouten te bespreken,
alvorens tot het besluit te komen voor verzoekster een ontslagvergunning
aan te vragen.

5. Het oordeel van de commissie De Commissie spreekt als haar oordeel uit
dat niet is komen vast te staan dat Y bij de procedure rondom het ontslag
van mw X jegens haar onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling.

Rechters

Mrs Van der Heijden, Goldschmidt, drs Huber, Sjerps

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 9 juli 1992

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Eiseres werd door hulpverleningsinstelling ‘De
Gooise Stichting’ voor Jeugd en Gezin in een pleeggezin
geplaatst, waar zij seksueel werd misbruikt door haar
pleegvader. Eiseres moet in het kader van de ABW al het
mogelijke doen om een uitspraak te verkrijgen met betrekking
tot haar aanspraak op schadevergoeding jegens de stichting
voor gezinsvoogdij. Zij heeft hiertoe een bodemprocedure
aangespannen en vordert nu in kort geding een tweede voorschot
op de door de stichting veroorzaakte schade. Er is echter geen
grond voor een nader voorschot ter zake van immateriele
schade. Vervolg op RN 1991, 196, en RN 1993, 314

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

Ter terechtzitting van 25 juni 1992 heeft X gesteld en
gevorderd overeenkomstig de in fotocopie aan dit vonnis
gehechte dagvaarding.

De Stichting heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering
van de gevraagde voorziening.

Na verder debat hebben partijen stukken, waaronder van
weerszijden produkties en pleitnotities, overgelegd voor
vonniswijziging.

Gronden van de beslissing:

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de feiten als vermeld in
het kort geding vonnis van 18 juli 1991, rolnummer KG
91/11376A, dat als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd,
en van het volgende:

a. De stichting heeft op 30 juli 1991 hoger beroep ingesteld
tegen dat vonnis, in welk beroep nog geen beslissing is
gevallen.

b. De gemeente Naarden heeft X bij brief van 15 augustus 1991
meegedeeld haar medewerking te zullen verlenen aan haar
voornemen de HBO-dagopleiding aan het Nederlandse College voor
Natuurgeneeswijzen te Hilversum te volgen. Daartoe dient X van
het door de stichting te betalen voorschot op schadevergoeding
van ƒ 35.900,- een bedrag van ƒ 27.550,- volledig in te
zetten voor die opleiding. De gemeente heeft X toegezegd de
kosten van levensonderhoud voor de restant-studiejaren op
grond van de Algemene Bijstandswet voor haar rekening te
zullen nemen. Aan die toezegging verbindt zij de volgende
voorwaarde:

‘Teneinde uw resterende schadeclaim ad ƒ 149.850,- voor
levensonderhoud en studie niet met vorenstaande uitspraak te
ondergraven, attenderen wij u erop dat de Algemene
bijstandswet complementair is, zodat wij aan onze toezegging
de voorwaarde verbinden, dat u al het mogelijke doet om op zo
kort mogelijke termijn met betrekking tot uw claim een
rechterlijke uitspraak te verkrijgen, c.q. over een tweede
voorschot voor het volgende studiejaar. De eventueel
verstrekte bijstand blijft verhaalbaar op een mogelijke
schadevergoeding, indien deze bestemd is voor een periode
waarover reeds bijstand werd verstrekt.’

c. X is met ingang van 1 september 1991 met haar opleiding
begonnen. Zij heeft op 9 december 1991 een bodemprocedure
aanhangig gemaakt tegen de stichting, waarin zij
schadevergoeding vordert van ƒ 237.950,-, waarvan ƒ
100.000,- wegens immateriele schade.

2. X vordert op in de dagvaarding vermelde en ter zitting
nader toegelichte gronden van de stichting een tweede
voorschot op de door de stichting veroorzaakte schade,
bestaande uit een bedrag van ƒ 35.000,- voor de kosten van
haar studie en levensonderhoud gedurende het tweede jaar van
haar opleiding, een bedrag van ƒ 10.000,- in verband met de
kosten van het afgelopen studiejaar, en een vergoeding van ƒ
10.000,- wegens geleden immateriele schade.

3. De stichting heeft daartegen aangevoerd dat X, gezien de
toezegging van de gemeente Naarden, geen spoedeisend belang
heeft bij haar vordering in kort geding. Op grond van artikel
59 van de Algemene Bijstandswet zal X hetzij een eventueel
nader voorschot aan de gemeente moeten afdragen, hetzij geen
uitkeringen van de gemeente ontvangen totdat het gevorderde
bedrag is ‘opgesoupeerd’, aldus de stichting. Daarnaast heeft
de stichting gewezen op het restitutie-risico dat aanwezig is,
wanneer achteraf zou blijken dat zij X ten onrechte een
voorschot heeft verstrekt.

4. Dit verweer wordt verworpen. In dit geding staat artikel 59
van de Algemene Bijstandswet (ABW) niet in de weg aan de
toewijzing van de vordering van X op grond van de
aansprakelijkheid van de stichting voor de schade die aan X is
berokkend. De aanspraak van X op een nader voorschot, in
afwachting van de uitslag van de bodemprocedure, moet in het
licht van de toezeggingen van de gemeente en de daaraan
verbonden voorwaarde worden beschouwd als een voorliggende
voorziening, die moet zijn uitgeput, alvorens X recht heeft op
bijstand krachtens de ABW.

5. Met betrekking tot het door de stichting genoemde
restitutie-risico is het volgende van belang. De brief van de
gemeente Naarden biedt voldoende aanknopingspunten voor de
conclusie dat de gemeente Naarden zich heeft verbonden aan X
ook met terugwerkende kracht bijstand te verschaffen indien en
voor zover uit een onherroepelijk vonnis in de bodemprocedure
zou blijken dat de door de stichting verstrekte voorschotten
onverschuldigd zijn betaald.

6. Het is volstrekt aannemelijk dat X zich in dat geval,
geconfronteerd met een vordering van de stichting tot
restitutie van de voorschotten, tot de gemeente zal wenden om
bijstand te verkrijgen, indien zij op dat tijdstip nog niet
over voldoende eigen inkomsten zou beschikken.

7. Onder die omstandigheden is geen sprake van een restitutie-
risico voor de stichting.

8. Uit het voorgaande volgt dat een nader voorschot op de door
X geleden materiele schade gerechtvaardigd is. Voor de
bestrijding van de kosten van studie en levensonderhoud voor
het tweede jaar en de extra kosten in het afgelopen studiejaar
komt een bedrag van ƒ 37.000,- redelijk voor.

9. Ten aanzien van het gevorderde tweede voorschot op
immateriele schade geldt het volgende. In het vonnis van 18
juli 1991 is een voorschot toegekend van ƒ 10.000,- dat,
anders dan het voorschot op materiele schade, niet is beperkt
tot het eerste jaar van de opleiding. Nu is gesteld noch
gebleken dat zich na het vonnis van 18 juli 1991 nieuwe feiten
of omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan een nader
voorschot op geleden immateriele schade is gerechtvaardigd,
moet die vordering als ongegrond worden afgewezen.

10. Het bedrag tot voldoening waarvan de stichting zal worden
veroordeeld, geldt als voorschot ter nadere verrekening met
hetgeen zij ten gronde zal blijken verschuldigd te zijn.

11. De stichting wordt als de grotendeels in het ongelijk
gestelde partij belast met de proceskosten.

Beslissing:

1. Veroordeelt de stichting om aan X te voldoen een bedrag van
ƒ 37.000,- (zevenendertig duizend gulden).

2. Veroordeelt de stichting in de kosten van dit geding, tot
heden aan de zijde van X begroot op en te voldoen als volgt:

– aan X:

ƒ 150,– aan de bij haar gevallen kosten van vastrecht, en

– aan de griffier van deze rechtbank:

ƒ 730,– aan overig vastrecht,

ƒ 55,95 aan exploitkosten, en

ƒ 1.500,– aan salaris procureur.

3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

4. Wijst het meer of anders gevorderde af.

Noot

Het betreft hier een tweetal samenhangende zaken, die
betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex. De gedaagden
zijn een hulpverleningsinstelling en de vroegere pleegvader
van eiseres. Het belang van de uitspraken ligt in beide
gevallen in de norm die wordt aangelegd bij het vaststellen
van de aansprakelijkheid. Voor een goed begrip van zaken is
het wenselijk eerst de feiten op een rijtje te zetten. Deze
luiden als volgt: in 1977 wordt eiseres onder toezicht gesteld
en geplaatst in een pleeggezin. Pleegvader S heeft eiseres
eerder als hulpverlener begeleid. Een van de collega’s van S,
werkzaam bij dezelfde stichting wordt benoemd tot
gezinsvoogdes. Na een tijdje meldt eiseres aan de
gezinsvoogdes dat S haar seksueel misbruikt heeft. Op navraag
ontkent S, waarop de gezinsvoogdes negatief rapporteert over
eiseres en adviseert tot plaatsing in Zetten (een justitiele
kinderbeschermingsinrichting). Eiseres duikt onder, in welke
tijd een aantal deskundigen over haar rapporteren. Hieruit
komt eenduidig naar voren dat er geen indicatie is voor een
plaatsing in Zetten, maar dat opvang in een pleeggezin
wenselijk is. De gezinsvoogdes, in overleg met haar
praktijkbegeleidster (in dienst van dezelfde stichting),
volhardt in haar advies. Hierop volgt gedwongen plaatsing ter
observatie in Zetten, waar men na korte tijd tot de conclusie
komt dat eiseres zo snel mogelijk in een pleeggezin moet
worden geplaatst. Alsdus geschiedt.

Deze tweede plaatsing verloopt echter niet goed. Eiseres gaat
van school af en op zichzelf wonen. Relevant is om te
vermelden dat eiseres goede opleidingsvooruitzichten had. Tien
jaar later, in 1989, doet zij (inmiddels vijfentwintig jaar
oud) alsnog aangifte van seksueel misbruik door S. Er is echter
sprake van strafrechtelijke verjaring, waarop eiseres haar
toevlucht neemt tot het civiele recht.

In de daarop volgende procedures worden twee wegen gevolgd:
zowel de pleegvader, als de stichting worden zelfstandig
aansprakelijk gesteld voor de door hen gepleegde onrechtmatige
daad. Tegen de stichting zijn tot nu toe een tweetal kort
gedingen gevoerd (President Rechtbank Amsterdam 18 juli 1991,
RN 196 en President Rechtbank Amsterdam 9 juli 1992, hier
gepubliceerd) en is een bodemprocedure aangespannen (nog geen
uitspraak bekend). De stichting stelt dat er geen causaal
verband bestaat tussen enig handelen van haar zijde. Deze zou
zijn terug te voeren op respectievelijk het handelen van de
pleegvader en de kinderrechter die tot plaatsing besloot. Voor
beider handelen acht de stichting zich niet aansprakelijk.

Dit verweer wordt – terecht – verworpen. Uit de geschetste
feiten wordt duidelijk dat de schade uiteindelijk (mede) kan
worden teruggevoerd op handelingen verricht in dienstverband
van de stichting. Daar immers werd de beslissing genomen om
W., een collega van S, tot gezinsvoogdes te benoemen.
Bovendien werd het handelen van W. bekrachtigd door haar
praktijkbegeleidster, eveneens in dienst van dezelfde
stichting. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van
een onrechtmatige daad van W., die direct wordt toegerekend
aan de stichting. Deze laatste is tekort geschoten in haar
professionele zorgplicht ten opzichte van haar cliente,
hetgeen een onrechtmatige daad oplevert op grond van artikel
6:162 BW. Aan eiseres wordt een voorschot op de (materiele en
immateriele) schadevergoeding toegewezen. Deze uitspraak
benadrukt dat sociale hulpverleningsinstellingen zorgvuldig
met de belangen van hun clienten dienen om te gaan, en steeds
oog moeten houden voor de kwetsbare en afhankelijk positie
waarin clienten (ook) ten opzichte van de instelling verkeren.
Het feit dat de stichting hier zelfstandig ter verantwoording
wordt geroepen, en niet op grond van haar werkgeverschap
(artikel 6:170 BW) is mijns inziens terecht nu het gaat om een
zelfstandige, institutionele verantwoordelijkheid.

Nadat de stichting tegen dit kort geding hoger beroep had
ingesteld (en verloren) spande eiseres een bodemprocedure aan
tegen de stichting. Voordat een beslissing in deze zaak is
gevallen volgt een tweede kort geding (hier gepubliceerd). Ook
deze procedure werd (gedeeltelijk) gewonnen. Het tweede kort
geding levert voor de vraag naar de aansprakelijkheid geen
nieuw materiaal op. Wel wordt bevestigd dat de
aansprakelijkheidstelling van de stichting, als geconstrueerd
in het eerste kort geding, financieel een behoorlijke omvang
heeft.

Kort na dit tweede geding werd de bodemprocedure tegen
pleegvader S gevoerd (Rechtbank Zwolle 15 juli 1992). Een
tweetal overwegingen is hier van belang. In de eerste plaats
komt de vraag aan de orde of de ontkenning van het seksueel
misbruik door de gedaagde tegenover de gezinsvoogdes op
zichzelf als onrechtmatig is aan te merken. Deze vraag wordt
door de rechtbank positief beantwoord. Het handelen van S
wordt beoordeeld tegen diens professionele achtergrond,
waardoor het verwijt wordt aangescherpt (in het strafrecht zou
hier sprake zijn van een zgn. ‘Garantenstellung’). Het
beginpunt van de relatie is immers gelegen in de hulpvraag van
de client, die in een afhankelijke positie staat ten opzichte
van de hulpverlener. Het gaat hier niet om het strafbaar
stellen van seksuele contacten als zodanig, maar om het
schenden van de zorgplicht ten opzichte van de hulpvrager
(vgl. artikel 249 Wetboek van Strafrecht). Hiermee sluit deze
uitspraak aan op eerder verschenen jurisprudentie inzake
seksueel misbruik binnen hulpverleningsrelaties (vgl. President
Rechtbank Amsterdam 14 juni 1990, RN 1990, 124 en Rechtbank
Amsterdam 16 juni 1990, RN 1990, 125; zie ook Medisch
Tuchtcollege Eindhoven 18 december 1989, RN 1990, 93).

De overweging dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld door
het seksueel misbruik te ontkennen roept de vraag op naar de
verhouding tot het strafrechtelijk non-incriminatie-beginsel,
als neergelegd in artikel 29 Wetboek van Strafvordering. In
dat kader is ontkennen immers een ‘goed’ recht van de
verdachte. Het feit dat het non-incriminatie-beginsel moet
worden gezien in het licht van het inquisitoire vooronderzoek
neemt niet weg dat er bedenkingen kunnen worden gekoesterd
tegen de onderhavige uitspraak. Dat was wellicht anders
geweest wanneer de rechtbank haar overweging anders had
aangekleed. Nu lijkt het erop dat het enkele feit dat gedaagde
heeft ontkend de grondslag vormt voor het verwijt; immers de
schade is daar een rechtstreeks gevolg van. In werkelijkheid
ligt het verwijt niet in de ontkenning van het handelen, maar
in het volledig nalaten van enige activiteit om de schadelijke
gevolgen daarvan te beperken. Uit de feiten blijkt duidelijk
dat de gezinsvoogdes ontvankelijk was voor het oordeel van de
gedaagde. Het feit dat gedaagde deze invloed enkel ten eigen
behoeve heeft aangewend en niet ten bate van eiseres is hem te
verwijten. Hij had minimaal kunnen proberen om een nieuwe
pleeggezinplaatsing te realiseren voor eiseres. Daarmee
schendt hij in feite voor de tweede maal zijn professionele
zorgplicht ten opzichte van eiseres.

Een tweede interessant aspect van deze zaak is gelegen in de
stelling van gedaagde dat eiseres uit hoofde van de
moeilijkheden in het gezin min of meer voorbestemd was om een
problematische levensloop te hebben. Ook zonder zijn handelen
zou eiseres de gestelde schade hebben geleden (vgl. President
Rechtbank Haarlem 15 juni 1990, RN 1991, 196). Zelfs wanneer
dit feitelijk zo zou zijn geweest, een op zichzelf
onbewijsbare zaak, dan nog doet dit geen afbreuk aan de
aansprakelijkheid voor de schade, die als voorzienbaar kan
worden teruggevoerd op het handelen van gedaagde. Het zij voor
de volledigheid nog maar eens herhaald: hetgeen ter
beoordeling staat is het schenden van de professionele
zorgplicht door de gedaagde, en niet het handelen van derden
en nog minder de persoon van eiseres. In feite stelt de
gedaagde dat er een B-categorie slachtoffers zou bestaan –
namelijk zij die een problematische jeugd hebben gehad, dan
wel anderszins problemen hebben – ten opzichte van wie seksueel
misbruik minder verwijtbaar is! Het gaat hier echter om een
schending van de lichamelijke integriteit van een minderjarige
door misbruik van feitelijk overwicht, hetgeen onder alle
omstandigheden onrechtmatig is te achten.

De rechtbank houdt in haar eindoordeel uiteindelijk wel
rekening met de mede-aansprakelijkheid van de stichting en
veroordeelt S tot het betalen van 15.000 gulden immateriele
schadevergoeding (met aftrek van de eerder betaalde 5000
gulden), waarnaast 50.000 gulden materiele schade wordt
toegekend. Samenvattend kan worden gezegd dat deze drie
rechterlijke beslissingen een duidelijke normstelling inhouden
ten opzichte van het handelen van professionele
hulpverleningsinstellingen, en de personen in dienst daarvan.
Gezien de aard van de problematiek (seksueel misbruik), de
kwetsbaarheid van de slachtoffers en de verstrekkende (naar
aard en tijd) gevolgen van onzorgvuldig handelen van die zijde
is een dergelijke normstelling toe te juichen. Ook vanuit
financieel oogpunt zijn deze uitspraken in beginsel van belang
vanwege het feit dat het een uitbreiding betekent van de
verhaalsmogelijkheden voor seksueel misbruik.

Renee Kool

Rechters

President Mr. Asscher

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 7 juli 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie van
administrateur. Verzoekster is afgewezen en een mannelijke kandidaat is
benoemd. In de afwijzingsbrief staat vermeld dat de personeelsopbouw van de
wederpartij mede doorslaggevend is geweest voor de afwijzing. Later stelt de
wederpartij dat de ware reden voor de afwijzing was dat het karkater van
verzoekster niet bij de organisatie paste. De wederpartij heeft onvoldoende
aannemelijk gemaakt dat haar eenzijdige personeelsopbouw geen enkele rol heeft
gespeeld bij haar beslissing om verzoekster niet in dienst te nemen. De
wederpartij heeft geen beroep gedaan op een wettelijk toegestane
uitzonderingsgrond. Onderscheid naar geslacht in strijd met de wet. De
wederpartij stelt aan alle vrouwelijke sollicitanten de vraag of hun
echtgenoten er bezwaar tegen hebben als zij zouden moeten overwerken, zo ook
aan verzoekster. Deze vraag wordt niet aan mannelijke kandidaten gesteld. Ook
in dit opzicht onderscheid naar geslacht in strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 30 september 1991 verzocht mevrouw te Huizen
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door de
(hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid is gemaakt in strijd met de
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoekster heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie
van administrateur. Verzoekster is uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek
met het bestuur. Vervolgens is verzoekster schriftelijk afgewezen. Een
mannelijke kandidaat is benoemd. Verzoekster is van mening dat de wederpartij
in strijd heeft gehandeld met de WGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Aanvankelijk heeft de voorzitter van de Commissie
besloten om op grond van artikel 36 van het Procedurereglement de
vereenvoudigde procedure toe te passen. Op grond van informatie die de
wederpartij hierna heeft verstrekt heeft zij echter besloten alsnog tot de
normale procedure over te gaan.

Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun standpunten schriftelijk
toe te lichten.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen te verschijnen
tijdens een zitting op 20 mei 1992. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw (verzoekster)

– mw (gemachtigde)

van de kant van wederpartij

– mw (directrice)

– dhr (voorzitter bestuur)

– mw (bestuurslid)

van de kant van de Commissie

– mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)

– dhr mr A.W. Heringa (Kamerlid)

– dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (Kamerlid)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. De feiten

Naar aanleiding van een advertentie in het Utrechts Nieuwsblad d.d. 6
juli 1991 heeft verzoekster bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie
van administrateur. De advertentie vermeldt dat op korte termijn een
“full-time administrateur m/v” wordt gezocht.

Hierbij wordt geen voorkeur voor een man of een vrouw aangegeven.

Vervolgens is verzoekster opgeroepen voor een gesprek met het bestuur
van de wederpartij. Dit gesprek heeft op 26 augustus 1991 plaatsgevonden.
Aangezien de functie administrateur het leiding geven aan de receptie inhoudt,
heeft verzoekster aansluitend op dit gesprek met twee receptionistes
gesproken. Vervolgens heeft verzoekster op 29 augustus 1991 een gesprek gehad
met het hoofd van de huishoudelijke dienst.

3.2. Tijdens een van de sollicitatiegesprekken heeft de voorzitter van
de wederpartij aan verzoekster gevraagd of haar echtgenoot bezwaren zou kunnen
hebben tegen afwezigheid van verzoekster tijdens avonduren in verband met
avondvergaderingen. Deze vraag heeft de voorzitter gesteld naar aanleiding van
eerdere negatieve ervaringen die hij heeft opgedaan met gehuwde vrouwelijke
werknemers.

De wederpartij stelt aan alle vrouwelijke sollicitanten de vraag of hun
echtgenoten er bezwaren tegen hebben als zij zouden moeten overwerken.

Aan mannelijke sollicitanten vraagt de wederpartij of zij er zelf
bezwaren tegen hebben om af en toe te moeten overwerken.

3.3. Op 15 september 1991 heeft verzoekster een schriftelijke afwijzing
ontvangen. In de brief staat vermeld dat, hoewel verzoekster voldoet aan de
gestelde functie-eisen en wederpartij de gesprekken die zij met verzoekster
heeft gevoerd als zeer positief ervoer, de keus niet op haar is gevallen.
Daarbij wordt vermeld dat de personeelsopbouw in het tehuis mede
doorslaggevend is geweest en de keus dan ook op een mannelijke kandidaat is
gevallen.

In een brief d.d. 26 februari 1992, waarin wederpartij antwoord geeft op
een aantal vragen van de Commissie, schrijft de wederpartij onder punt 1a:
“Het personeelsbestand van Puntenburg bestaat voor het overgrote deel uit
vrouwelijke werknemers, derhalve is de personeelsopbouw genoemd als een van de
redenen voor de benoeming van een mannelijke kandidaat.” Verder staat er in
deze brief dat van de 48 personen die werkzaam zijn bij de wederpartij 41
vrouw en 7 man zijn.

Een aantal personeelsleden van de wederpartij heeft wel eens aan de
directrice van de wederpartij gevraagd of er niet wat meer mannen konden komen
werken.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster is van mening dat de wederpartij heeft gediscrimineerd
bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking en daarmee
in strijd heeft gehandeld met de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

Verzoekster stelt dat de voorzitter van het bestuur tijdens het gesprek
op 26 augustus 1991 enige malen heeft gevraagd of zij de sollicitatie wel door
wilde zetten en of haar echtgenoot eventueel bezwaar zou maken tegen
overwerken. Door ervaringen uit het verleden had de voorzitter het vermoeden
dat vanwege het feit dat verzoekster gehuwd was, en in deze functie soms zou
moeten overwerken, een frictie zou optreden. Om deze reden had hij verzoekster
(als vrouw) liever niet opgeroepen. Tijdens dit gesprek kreeg verzoekster de
indruk dat zij ondanks het feit dat zij vrouw was voor het sollicitatiegesprek
was uitgenodigd.

3.5. In een brief aan de Commissie d.d. 8 oktober 1991 stelt de
wederpartij dat verzoekster in de gesprekken niet altijd even plezierig
overkwam. Voor zover de wederpartij hiermee doelt op de telefonische
gesprekken die zij met verzoekster heeft gevoerd, merkt verzoekster het
volgende op. Tijdens haar loopbaan heeft zij ervaring opgedaan met het
telefonisch verkopen van hout- en plaatmaterialen. Bij vertrek uit deze
werkkring kreeg zij positieve reacties van klanten die zij altijd telefonisch
te woord had gestaan. In de tijd dat zij dit werk deed heeft zij nooit gehoord
dat haar toon niet plezierig overkwam.

Verzoekster merkt op dat zij het vreemd vindt dat de wederpartij in haar
afwijzingsbrief schrijft dat zij de gesprekken met verzoekster als zeer
positief heeft ervaren, terwijl zij later aangeeft verzoekster niet te hebben
aangenomen omdat zij in de gesprekken minder vriendelijk overkwam.

Verder stelt verzoekster slechts tweemaal telefonisch contact met de
directrice van de wederpartij te hebben gehad. Eenmaal om een afspraak te
maken voor het eerste gesprek, de tweede maal om de uitslag van het
sollicitatiegesprek te vernemen. Dit gesprek werd afgebroken omdat de
directrice in bespreking was.

Ten aanzien van het tweede gesprek deelt verzoekster het volgende mee.

De wederpartij zou verzoekster op 6 september 1991 bellen om de uitslag
van het sollicitatiegesprek mee te delen. Aan verzoekster was herhaaldelijk
meegedeeld dat de uitslag dan bekend zou zijn. Nadat verzoekster op 10
september 1991 nog niets had vernomen, heeft zij zelf naar de wederpartij
gebeld. De receptioniste liet weten dat de directrice op dat moment niet
bereikbaar was. Wegens het feit dat verzoekster overdag moeilijk te bereiken
was, heeft zij met de receptioniste afgesproken zelf terug te bellen. Dit
heeft zij op 11 september 1991 gedaan. De receptioniste zei tegen haar dat de
directrice in bespreking was en dat haar was opgedragen te zeggen dat de
directrice zelf naar verzoekster zou bellen. Verzoekster stelt dat de
wederpartij haar niet meer heeft teruggebeld.

3.6. Verzoekster geeft aan dat de wederpartij tot twee maal toe heeft
geschreven dat haar personeelsopbouw mede doorslaggevend is geweest voor het
besluit om verzoekster af te wijzen, namelijk in haar afwijzingsbrief d.d. 13
september 1991 en in haar brief aan de Commissie d.d.

26 februari 1992. Volgens verzoekster blijkt hieruit dat de
samenstelling van het personeelsbestand een rol heeft gespeeld bij het nemen
van de beslissing om verzoekster af te wijzen en om een man in dienst te
nemen. De wederpartij had in haar afwijzingsbrief immers makkelijk kunnen
schrijven dat de keuze op een andere kandidaat was gevallen zonder in te gaan
op de personeelsopbouw.

3.7. De wederpartij erkent dat de formulering in de brief d.d. 13
september 1991 een vermoeden van onderscheid begrijpelijk maakt. Met name de
zinnen “Mede doorslaggevend is de personeelsopbouw in ons tehuis geweest. Onze
keuze is dan ook op een mannelijke kandidaat gevallen” wekken die indruk. De
wederpartij stelt niet de bedoeling te hebben gehad om te discrimineren.

Voorts deelt de wederpartij mee dat de woorden “mede doorslaggevend” op
andere overwegingen slaan, die niet in de brief vermeld zijn. Verzoekster kwam
namelijk minder vriendelijk over in de gesprekken. Dit gaf zorgen met
betrekking tot het in de toekomst onderhouden van menselijke relaties met
medewerkers en bewoners van het verzorgingscentrum. De wederpartij heeft de
ware reden voor de afwijzing niet willen schrijven,

omdat dit kwetsend zou zijn tegenover verzoekster. Om de pijn te
verzachten heeft de wederpartij geschreven dat de personeelsopbouw mede
doorslaggevend is geweest voor de afwijzing.

Verzoekster heeft enkele malen gebeld tijdens de procedure. Deze wijze
van handelen ervoer de wederpartij als “opjagen”. Hierdoor werd de minder
plezierige indruk bevestigd die reeds van verzoekster was ontstaan met
betrekking tot het onderhouden van relaties op het menselijke vlak.

3.8. De wederpartij stelt dat er van een misverstand sprake moet zijn
geweest over wanneer de wederpartij verzoekster zou bellen om de uitslag van
de sollicitieprocedure bekend te maken. De directrice ging namelijk van eind
augustus tot en met 5 september 1991 op vakantie en moest daarna nog met
anderen overleggen over de kandidaten van de sollicitatieprocedure. Zij had
dus onmogelijk op 6 september 1991 verzoekster al kunnen melden of zij al dan
niet was aangenomen. Zij zou hoogstens gezegd kunnen hebben dat verzoekster na
6 september 1991 hierover zou worden bericht. Overigens merkt de directrice op
dat zij na haar vakantie twee maal heeft geprobeerd om verzoekster thuis te
bellen. Dit is niet gelukt.

3.9. De wederpartij verklaart dat uit de sollicitatiegesprekken bleek
dat verzoekster zeer belangstellend was en dat zij kennis van zaken had.
Daarom heeft de wederpartij in de afwijzingsbrief geschreven dat zij de
gesprekken met verzoekster als zeer positief heeft ervaren. Toch was de
wederpartij er niet zeker van of verzoekster qua karakterstructuur in het team
zou passen. Daarom durfde zij het niet aan om verzoekster in dienst te nemen.

De bedenkingen over verzoekster werden nog versterkt door het in
belangrijke mate betere contact met de andere -toevallig- mannelijke
kandidaat.

3.10. De directrice stelt dat zij, in die gevallen waarin
personeelsleden hebben gevraagd of er niet wat meer mannen bij de wederpartij
konden komen werken, steeds heeft geantwoord dat bij een vacature de meest
geschikte kandidaat gekozen zou worden, ongeacht het geslacht.

De wederpartij deelt mee dat ingeval er geen overeenstemming zou zijn
bereikt met de mannelijke kandidaat, een nieuwe sollicitatieprocedure zou zijn
gestart.

3.11. Tenslotte wijst de wederpartij nog op het feit dat niet de
voorzitter van het bestuur, maar een ander -niet bij het sollicitatiegesprek
aanwezig- bestuurslid bezwaar had tegen de oproep van verzoekster. De reden
hiervoor lag niet in het geslacht van verzoekster maar in haar te beperkte
praktische ervaring.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij door verzoekster niet te
benoemen in de functie van administrateur jegens verzoekster onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking (artikel 3 lid 1 WGB) en/of bij het aangaan van een
arbeidsovereenkomst (artikel 7A:1637ij lid 1 BW).

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB schrijft voor dat het niet is toegelaten bij de
behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking onderscheid te
maken tussen mannen en vrouwen.

Artikel 7A:1637ij lid 1 BW schrijft voor dat een werkgever geen
onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen bij het aangaan van de
arbeidsovereenkomst.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering mag van deze verboden
worden afgeweken.

Van het verbod op het maken van onderscheid mag worden afgeweken indien
het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te
plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen (artikel 5 lid 1 WGB
en artikel 7A:1637ij lid 4 BW). Voorkeursbeleid voor mannen is niet
toegestaan.

Ook mag van het verbod op het maken van onderscheid worden afgeweken in
die gevallen waarin het geslacht bepalend is voor de functie (artikel 5 lid 2
WGB en artikel 7A:1637ij lid 2).

Er is in deze zaak geen sprake van een voorkeursbehandeling voor vrouwen
noch heeft de wederpartij omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan
zij de onderhavige functie geslachtsbepaald zou kunnen achten.

Er zijn ook geen andere gegevens naar voren gekomen die duiden op
geslachtsbepaaldheid van de functie.

4.3. Verzoekster is van mening dat zij vanwege haar geslacht is
afgewezen voor de functie van administrateur. Zij baseert dit op de reden die
de wederpartij in haar afwijzingsbrief expliciet heeft genoemd, namelijk de
personeelsopbouw, en tevens op de vraag tijdens het sollicitatiegesprek of
haar echtgenoot bezwaar zou hebben tegen overwerk tijdens de avonduren.

De latere brieven van de wederpartij aan de Commissie, waarin de
wederpartij wederom de personeelsopbouw als reden voor afwijzing noemt,
bevestigen haar mening.

De wederpartij ontkent dat de personeelsopbouw de werkelijke reden voor
afwijzing is geweest. In haar afwijzingsbrief heeft zij dit argument alleen
gebruikt om verzoekster niet te kwetsen door de ware reden te noemen. Zij
stelt dat de ware reden voor afwijzing was, dat het karakter van verzoekster
niet past bij haar organisatie. Verzoekster was in het sollicitatiegesprek
niet prettig over gekomen. Haar herhaalde pogingen om telefonisch de uitslag
van de sollicitatie te horen ervoer zij bovendien als “opjagen”.

Dat de wederpartij in haar brief d.d. 26 februari 1992 de reden van
personeelsopbouw heeft herhaald, moet zo worden uitgelegd, dat zij daarmee
slechts inging op de vraag van de Commissie cijfers te geven over de
man-vrouw-verhouding in haar personeelsbestand. De wederpartij wijst erop dat
zij op vragen vanuit de organisatie om mannen te benoemen, steevast antwoordt
dat zij alleen de beste kandidaat wil hebben, ongeacht het geslacht.

4.4. De Commissie stelt vast dat de wederpartij in haar afwijzingsbrief
uitdrukkelijk de personeelsopbouw heeft genoemd als een van de doorslaggevende
redenen voor het afwijzen van verzoekster en het benoemen van een mannelijke
kandidaat.

Het is dan ook aan de wederpartij om alsnog aannemelijk te maken dat de
personeelsopbouw desondanks toch geen rol heeft gespeeld in haar beslissing
tot afwijzing. Of de personeelsopbouw daarbij meer of minder doorslaggevend is
geweest, is niet relevant. Het enkele feit dat het behoren tot een geslacht
een van de redenen voor de afwijzing was, brengt mee dat onderscheid is
gemaakt in strijd met de Wet.

4.5. De Commissie overweegt hierover als volgt.

De wederpartij heeft eerst in haar afwijzingsbrief de personeelsopbouw
als een van de doorslaggevende redenen genoemd. Daarna schrijft zij in haar
brief d.d. 8 oktober 1991: “De woorden ‘mede doorslaggevend’ slaan op nog
andere overwegingen…”. In haar brief d.d. 26 februari 1992 schrijft zij:
“Het personeelsbestand bestaat voor het overgrote deel uit vrouwelijke
werknemers, derhalve is de personeelsopbouw genoemd als een van de redenen
voor de benoeming van een mannelijke kandidaat”.

De Commissie stelt vast dat de wederpartij driemaal schriftelijk de
personeelsopbouw als een van de gronden voor afwijzing heeft genoemd. Het
verweer van de wederpartij dat zij met de woorden in haar laatste brief
slechts bedoelde in te gaan op de door de Commissie gevraagde cijfers over de
personeelsopbouw is, gelet op de letterlijke bewoordingen, weinig
overtuigend.

In haar verweer noemt de wederpartij een aantal redenen die bij de
afwijzingsbeslissing een rol hebben gespeeld. Zij wijst op de persoonlijkheid
van verzoekster die niet in het team zou passen. Zij wijst op de herhaalde
telefonische pogingen van verzoekster om de uitslag van het
sollicitatiegesprek te vernemen, hetgeen zij als bevestiging opvatte van haar
eerdere mening dat verzoekster qua persoonlijkheid samenwerkingsproblemen in
het team zou oproepen. Dit leidde overigens vooral tot de conclusie dat ook
ingeval de mannelijke kandidaat niet beschikbaar zou zijn, verzoekster als
tweede laatst overgebleven kandidaat niet alsnog voor benoeming in aanmerking
zou komen.

De Commissie stelt vast dat de wederpartij in haar verweer slechts
verwijst naar andere redenen die bij de beslissing tot afwijzing een rol
hebben gespeeld. Dat er naast de personeelsopbouw ook inderdaad andere redenen
bestonden bleek echter ook al uit de afwijzingsbrief d.d. 15 september
1991. De Commissie is dan ook van mening dat de wederpartij in haar verweer
niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat haar eenzijdige personeelsopbouw
geen enkele rol heeft gespeeld bij haar beslissing om verzoekster niet in
dienst te nemen.

In welke mate de reden van personeelsopbouw meer of minder
doorslaggevend is geweest is, zoals de Commissie reeds heeft vastgesteld, niet
relevant.

Daarmee staat vast dat de wederpartij in het nadeel van verzoekster
direct onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht, in strijd met artikel
3 lid 1 WGB en/of artikel 7A:1637ij lid 1 BW.

4.6. De wederpartij heeft aangegeven dat zij aan vrouwelijke
sollicitanten de vraag stelt of hun echtgenoten er problemen mee hebben als
zij zouden moeten overwerken. Aan mannen wordt deze vraag niet gesteld, maar
vraagt de wederpartij of zij er zelf bezwaren tegen hebben om af en toe te
moeten overwerken.

Hiermee geeft de wederpartij aan dat het soort vragen dat zij tijdens
sollicitatiegesprekken stelt in sommige gevallen afhankelijk is van het
geslacht van de sollicitant.

Ook in dit opzicht is de Commissie van oordeel dat de wederpartij
onderscheid naar geslacht maakt en in strijd met artikel 3 lid 1 WGB handelt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de jegens mevrouw
te Huizen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel 3 lid
1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en/of artikel 7A:1637ij
lid 1 Burgerlijk Wetboek.

Aldus vastgesteld op 7 juli 1992 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 20 mei 1992.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), dhr mr A.W. Heringa (Kamerlid),dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (Kamerlid), mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 7 juli 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie van
administrateur. Verzoekster is afgewezen en een mannelijke kandidaat is
benoemd. In de afwijzingsbrief staat vermeld dat de personeelsopbouw van de
wederpartij mede doorslaggevend is geweest voor de afwijzing. Later stelt de
wederpartij dat de ware reden voor de afwijzing was dat het karkater van
verzoekster niet bij de organisatie paste. De wederpartij heeft onvoldoende
aannemelijk gemaakt dat haar eenzijdige personeelsopbouw geen enkele rol
heeft gespeeld bij haar beslissing om verzoekster niet in dienst te nemen.
De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een wettelijk toegestane
uitzonderingsgrond. Onderscheid naar geslacht in strijd met de wet. De
wederpartij stelt aan alle vrouwelijke sollicitanten de vraag of hun
echtgenoten er bezwaar tegen hebben als zij zouden moeten overwerken, zo ook
aan verzoekster. Deze vraag wordt niet aan mannelijke kandidaten gesteld. Ook
in dit opzicht onderscheid naar geslacht in strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 30 september 1991 verzocht mevrouw te Huizen (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door de (hierna:
de wederpartij) jegens haar onderscheid is gemaakt in strijd met de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoekster heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie van
administrateur. Verzoekster is uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek met
het bestuur. Vervolgens is verzoekster schriftelijk afgewezen. Een mannelijke
kandidaat is benoemd. Verzoekster is van mening dat de wederpartij in strijd
heeft gehandeld met de WGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Aanvankelijk heeft de voorzitter van de Commissie besloten om op
grond van artikel 36 van het Procedurereglement de vereenvoudigde procedure
toe te passen. Op grond van informatie die de wederpartij hierna heeft
verstrekt heeft zij echter besloten alsnog tot de normale procedure over te
gaan.

Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun standpunten schriftelijk toe
te lichten.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen te verschijnen tijdens
een zitting op 20 mei 1992. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw (verzoekster)

– mw (gemachtigde)

van de kant van wederpartij

– mw (directrice)

– dhr (voorzitter bestuur)

– mw (bestuurslid)

van de kant van de Commissie

– mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter)

– dhr mr A.W. Heringa (Kamerlid)

– dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (Kamerlid)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. De feiten

Naar aanleiding van een advertentie in het Utrechts Nieuwsblad d.d. 6 juli
1991 heeft verzoekster bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie van
administrateur. De advertentie vermeldt dat op korte termijn een “full-time
administrateur m/v” wordt gezocht.

Hierbij wordt geen voorkeur voor een man of een vrouw aangegeven.

Vervolgens is verzoekster opgeroepen voor een gesprek met het bestuur van de
wederpartij. Dit gesprek heeft op 26 augustus 1991 plaatsgevonden. Aangezien
de functie administrateur het leiding geven aan de receptie inhoudt, heeft
verzoekster aansluitend op dit gesprek met twee receptionistes gesproken.
Vervolgens heeft verzoekster op 29 augustus 1991 een gesprek gehad met het
hoofd van de huishoudelijke dienst.

3.2. Tijdens een van de sollicitatiegesprekken heeft de voorzitter van de
wederpartij aan verzoekster gevraagd of haar echtgenoot bezwaren zou kunnen
hebben tegen afwezigheid van verzoekster tijdens avonduren in verband met
avondvergaderingen. Deze vraag heeft de voorzitter gesteld naar aanleiding
van eerdere negatieve ervaringen die hij heeft opgedaan met gehuwde
vrouwelijke werknemers.

De wederpartij stelt aan alle vrouwelijke sollicitanten de vraag of hun
echtgenoten er bezwaren tegen hebben als zij zouden moeten overwerken.

Aan mannelijke sollicitanten vraagt de wederpartij of zij er zelf bezwaren
tegen hebben om af en toe te moeten overwerken.

3.3. Op 15 september 1991 heeft verzoekster een schriftelijke afwijzing
ontvangen. In de brief staat vermeld dat, hoewel verzoekster voldoet aan de
gestelde functie-eisen en wederpartij de gesprekken die zij met verzoekster
heeft gevoerd als zeer positief ervoer, de keus niet op haar is gevallen.
Daarbij wordt vermeld dat de personeelsopbouw in het tehuis mede
doorslaggevend is geweest en de keus dan ook op een mannelijke kandidaat is
gevallen.

In een brief d.d. 26 februari 1992, waarin wederpartij antwoord geeft op een
aantal vragen van de Commissie, schrijft de wederpartij onder punt 1a: “Het
personeelsbestand van Puntenburg bestaat voor het overgrote deel uit
vrouwelijke werknemers, derhalve is de personeelsopbouw genoemd als een van
de redenen voor de benoeming van een mannelijke kandidaat.” Verder staat er
in deze brief dat van de 48 personen die werkzaam zijn bij de wederpartij 41
vrouw en 7 man zijn.

Een aantal personeelsleden van de wederpartij heeft wel eens aan de
directrice van de wederpartij gevraagd of er niet wat meer mannen konden
komen werken.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster is van mening dat de wederpartij heeft gediscrimineerd bij
de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking en daarmee
in strijd heeft gehandeld met de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

Verzoekster stelt dat de voorzitter van het bestuur tijdens het gesprek op
26 augustus 1991 enige malen heeft gevraagd of zij de sollicitatie wel door
wilde zetten en of haar echtgenoot eventueel bezwaar zou maken tegen
overwerken. Door ervaringen uit het verleden had de voorzitter het vermoeden
dat vanwege het feit dat verzoekster gehuwd was, en in deze functie soms zou
moeten overwerken, een frictie zou optreden. Om deze reden had hij
verzoekster (als vrouw) liever niet opgeroepen. Tijdens dit gesprek kreeg
verzoekster de indruk dat zij ondanks het feit dat zij vrouw was voor het
sollicitatiegesprek was uitgenodigd.

3.5. In een brief aan de Commissie d.d. 8 oktober 1991 stelt de wederpartij
dat verzoekster in de gesprekken niet altijd even plezierig overkwam. Voor
zover de wederpartij hiermee doelt op de telefonische gesprekken die zij met
verzoekster heeft gevoerd, merkt verzoekster het volgende op. Tijdens haar
loopbaan heeft zij ervaring opgedaan met het telefonisch verkopen van hout-
en plaatmaterialen. Bij vertrek uit deze werkkring kreeg zij positieve
reacties van klanten die zij altijd telefonisch te woord had gestaan. In de
tijd dat zij dit werk deed heeft zij nooit gehoord dat haar toon niet
plezierig overkwam.

Verzoekster merkt op dat zij het vreemd vindt dat de wederpartij in haar
afwijzingsbrief schrijft dat zij de gesprekken met verzoekster als zeer
positief heeft ervaren, terwijl zij later aangeeft verzoekster niet te hebben
aangenomen omdat zij in de gesprekken minder vriendelijk overkwam.

Verder stelt verzoekster slechts tweemaal telefonisch contact met de
directrice van de wederpartij te hebben gehad. Eenmaal om een afspraak te
maken voor het eerste gesprek, de tweede maal om de uitslag van het
sollicitatiegesprek te vernemen. Dit gesprek werd afgebroken omdat de
directrice in bespreking was.

Ten aanzien van het tweede gesprek deelt verzoekster het volgende mee.

De wederpartij zou verzoekster op 6 september 1991 bellen om de uitslag van
het sollicitatiegesprek mee te delen. Aan verzoekster was herhaaldelijk
meegedeeld dat de uitslag dan bekend zou zijn. Nadat verzoekster op 10
september 1991 nog niets had vernomen, heeft zij zelf naar de wederpartij
gebeld. De receptioniste liet weten dat de directrice op dat moment niet
bereikbaar was. Wegens het feit dat verzoekster overdag moeilijk te bereiken
was, heeft zij met de receptioniste afgesproken zelf terug te bellen. Dit
heeft zij op 11 september 1991 gedaan. De receptioniste zei tegen haar dat
de directrice in bespreking was en dat haar was opgedragen te zeggen dat de
directrice zelf naar verzoekster zou bellen. Verzoekster stelt dat de
wederpartij haar niet meer heeft teruggebeld.

3.6. Verzoekster geeft aan dat de wederpartij tot twee maal toe heeft
geschreven dat haar personeelsopbouw mede doorslaggevend is geweest voor het
besluit om verzoekster af te wijzen, namelijk in haar afwijzingsbrief d.d.
13 september 1991 en in haar brief aan de Commissie d.d.

26 februari 1992. Volgens verzoekster blijkt hieruit dat de samenstelling van
het personeelsbestand een rol heeft gespeeld bij het nemen van de beslissing
om verzoekster af te wijzen en om een man in dienst te nemen. De wederpartij
had in haar afwijzingsbrief immers makkelijk kunnen schrijven dat de keuze
op een andere kandidaat was gevallen zonder in te gaan op de
personeelsopbouw.

3.7. De wederpartij erkent dat de formulering in de brief d.d. 13 september
1991 een vermoeden van onderscheid begrijpelijk maakt. Met name de zinnen
“Mede doorslaggevend is de personeelsopbouw in ons tehuis geweest. Onze keuze
is dan ook op een mannelijke kandidaat gevallen” wekken die indruk. De
wederpartij stelt niet de bedoeling te hebben gehad om te discrimineren.

Voorts deelt de wederpartij mee dat de woorden “mede doorslaggevend” op
andere overwegingen slaan, die niet in de brief vermeld zijn. Verzoekster
kwam namelijk minder vriendelijk over in de gesprekken. Dit gaf zorgen met
betrekking tot het in de toekomst onderhouden van menselijke relaties met
medewerkers en bewoners van het verzorgingscentrum. De wederpartij heeft de
ware reden voor de afwijzing niet willen schrijven,

omdat dit kwetsend zou zijn tegenover verzoekster. Om de pijn te verzachten
heeft de wederpartij geschreven dat de personeelsopbouw mede doorslaggevend
is geweest voor de afwijzing.

Verzoekster heeft enkele malen gebeld tijdens de procedure. Deze wijze van
handelen ervoer de wederpartij als “opjagen”. Hierdoor werd de minder
plezierige indruk bevestigd die reeds van verzoekster was ontstaan met
betrekking tot het onderhouden van relaties op het menselijke vlak.

3.8. De wederpartij stelt dat er van een misverstand sprake moet zijn geweest
over wanneer de wederpartij verzoekster zou bellen om de uitslag van de
sollicitieprocedure bekend te maken. De directrice ging namelijk van eind
augustus tot en met 5 september 1991 op vakantie en moest daarna nog met
anderen overleggen over de kandidaten van de sollicitatieprocedure. Zij had
dus onmogelijk op 6 september 1991 verzoekster al kunnen melden of zij al dan
niet was aangenomen. Zij zou hoogstens gezegd kunnen hebben dat verzoekster
na 6 september 1991 hierover zou worden bericht. Overigens merkt de
directrice op dat zij na haar vakantie twee maal heeft geprobeerd om
verzoekster thuis te bellen. Dit is niet gelukt.

3.9. De wederpartij verklaart dat uit de sollicitatiegesprekken bleek dat
verzoekster zeer belangstellend was en dat zij kennis van zaken had. Daarom
heeft de wederpartij in de afwijzingsbrief geschreven dat zij de gesprekken
met verzoekster als zeer positief heeft ervaren. Toch was de wederpartij er
niet zeker van of verzoekster qua karakterstructuur in het team zou passen.
Daarom durfde zij het niet aan om verzoekster in dienst te nemen.

De bedenkingen over verzoekster werden nog versterkt door het in belangrijke
mate betere contact met de andere -toevallig- mannelijke kandidaat.

3.10. De directrice stelt dat zij, in die gevallen waarin personeelsleden
hebben gevraagd of er niet wat meer mannen bij de wederpartij konden komen
werken, steeds heeft geantwoord dat bij een vacature de meest geschikte
kandidaat gekozen zou worden, ongeacht het geslacht.

De wederpartij deelt mee dat ingeval er geen overeenstemming zou zijn bereikt
met de mannelijke kandidaat, een nieuwe sollicitatieprocedure zou zijn
gestart.

3.11. Tenslotte wijst de wederpartij nog op het feit dat niet de voorzitter
van het bestuur, maar een ander -niet bij het sollicitatiegesprek aanwezig-
bestuurslid bezwaar had tegen de oproep van verzoekster. De reden hiervoor
lag niet in het geslacht van verzoekster maar in haar te beperkte praktische
ervaring.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij door verzoekster niet te
benoemen in de functie van administrateur jegens verzoekster onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking (artikel 3 lid 1 WGB) en/of bij het aangaan van een
arbeidsovereenkomst (artikel 7A:1637ij lid 1 BW).

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB schrijft voor dat het niet is toegelaten bij de
behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking onderscheid te
maken tussen mannen en vrouwen.

Artikel 7A:1637ij lid 1 BW schrijft voor dat een werkgever geen onderscheid
mag maken tussen mannen en vrouwen bij het aangaan van de
arbeidsovereenkomst.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering mag van deze verboden worden
afgeweken.

Van het verbod op het maken van onderscheid mag worden afgeweken indien het
gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te plaatsen
teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen (artikel 5 lid 1 WGB en
artikel 7A:1637ij lid 4 BW). Voorkeursbeleid voor mannen is niet toegestaan.

Ook mag van het verbod op het maken van onderscheid worden afgeweken in die
gevallen waarin het geslacht bepalend is voor de functie (artikel 5 lid 2 WGB
en artikel 7A:1637ij lid 2).

Er is in deze zaak geen sprake van een voorkeursbehandeling voor vrouwen noch
heeft de wederpartij omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan zij
de onderhavige functie geslachtsbepaald zou kunnen achten.

Er zijn ook geen andere gegevens naar voren gekomen die duiden op
geslachtsbepaaldheid van de functie.

4.3. Verzoekster is van mening dat zij vanwege haar geslacht is afgewezen
voor de functie van administrateur. Zij baseert dit op de reden die de
wederpartij in haar afwijzingsbrief expliciet heeft genoemd, namelijk de
personeelsopbouw, en tevens op de vraag tijdens het sollicitatiegesprek of
haar echtgenoot bezwaar zou hebben tegen overwerk tijdens de avonduren.

De latere brieven van de wederpartij aan de Commissie, waarin de wederpartij
wederom de personeelsopbouw als reden voor afwijzing noemt, bevestigen haar
mening.

De wederpartij ontkent dat de personeelsopbouw de werkelijke reden voor
afwijzing is geweest. In haar afwijzingsbrief heeft zij dit argument alleen
gebruikt om verzoekster niet te kwetsen door de ware reden te noemen. Zij
stelt dat de ware reden voor afwijzing was, dat het karakter van verzoekster
niet past bij haar organisatie. Verzoekster was in het sollicitatiegesprek
niet prettig over gekomen. Haar herhaalde pogingen om telefonisch de uitslag
van de sollicitatie te horen ervoer zij bovendien als “opjagen”.

Dat de wederpartij in haar brief d.d. 26 februari 1992 de reden van
personeelsopbouw heeft herhaald, moet zo worden uitgelegd, dat zij daarmee
slechts inging op de vraag van de Commissie cijfers te geven over de
man-vrouw-verhouding in haar personeelsbestand. De wederpartij wijst erop dat
zij op vragen vanuit de organisatie om mannen te benoemen, steevast antwoordt
dat zij alleen de beste kandidaat wil hebben, ongeacht het geslacht.

4.4. De Commissie stelt vast dat de wederpartij in haar afwijzingsbrief
uitdrukkelijk de personeelsopbouw heeft genoemd als een van de
doorslaggevende redenen voor het afwijzen van verzoekster en het benoemen van
een mannelijke kandidaat.

Het is dan ook aan de wederpartij om alsnog aannemelijk te maken dat de
personeelsopbouw desondanks toch geen rol heeft gespeeld in haar beslissing
tot afwijzing. Of de personeelsopbouw daarbij meer of minder doorslaggevend
is geweest, is niet relevant. Het enkele feit dat het behoren tot een
geslacht een van de redenen voor de afwijzing was, brengt mee dat onderscheid
is gemaakt in strijd met de Wet.

4.5. De Commissie overweegt hierover als volgt.

De wederpartij heeft eerst in haar afwijzingsbrief de personeelsopbouw als
een van de doorslaggevende redenen genoemd. Daarna schrijft zij in haar brief
d.d. 8 oktober 1991: “De woorden ‘mede doorslaggevend’ slaan op nog andere
overwegingen …”. In haar brief d.d. 26 februari 1992 schrijft zij: “Het
personeelsbestand bestaat voor het overgrote deel uit vrouwelijke werknemers,
derhalve is de personeelsopbouw genoemd als een van de redenen voor de
benoeming van een mannelijke kandidaat”.

De Commissie stelt vast dat de wederpartij driemaal schriftelijk de
personeelsopbouw als een van de gronden voor afwijzing heeft genoemd. Het
verweer van de wederpartij dat zij met de woorden in haar laatste brief
slechts bedoelde in te gaan op de door de Commissie gevraagde cijfers over
de personeelsopbouw is, gelet op de letterlijke bewoordingen, weinig
overtuigend.

In haar verweer noemt de wederpartij een aantal redenen die bij de
afwijzingsbeslissing een rol hebben gespeeld. Zij wijst op de persoonlijkheid
van verzoekster die niet in het team zou passen. Zij wijst op de herhaalde
telefonische pogingen van verzoekster om de uitslag van het
sollicitatiegesprek te vernemen, hetgeen zij als bevestiging opvatte van haar
eerdere mening dat verzoekster qua persoonlijkheid samenwerkingsproblemen in
het team zou oproepen. Dit leidde overigens vooral tot de conclusie dat ook
ingeval de mannelijke kandidaat niet beschikbaar zou zijn, verzoekster als
tweede laatst overgebleven kandidaat niet alsnog voor benoeming in aanmerking
zou komen.

De Commissie stelt vast dat de wederpartij in haar verweer slechts verwijst
naar andere redenen die bij de beslissing tot afwijzing een rol hebben
gespeeld. Dat er naast de personeelsopbouw ook inderdaad andere redenen
bestonden bleek echter ook al uit de afwijzingsbrief d.d. 15 september
1991. De Commissie is dan ook van mening dat de wederpartij in haar verweer
niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat haar eenzijdige
personeelsopbouw geen enkele rol heeft gespeeld bij haar beslissing om
verzoekster niet in dienst te nemen.

In welke mate de reden van personeelsopbouw meer of minder doorslaggevend is
geweest is, zoals de Commissie reeds heeft vastgesteld, niet relevant.

Daarmee staat vast dat de wederpartij in het nadeel van verzoekster direct
onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht, in strijd met artikel 3 lid
1 WGB en/of artikel 7A:637ij lid 1 BW.

4.6. De wederpartij heeft aangegeven dat zij aan vrouwelijke sollicitanten
de vraag stelt of hun echtgenoten er problemen mee hebben als zij zouden
moeten overwerken. Aan mannen wordt deze vraag niet gesteld, maar vraagt de
wederpartij of zij er zelf bezwaren tegen hebben om af en toe te moeten
overwerken.

Hiermee geeft de wederpartij aan dat het soort vragen dat zij tijdens
sollicitatiegesprekken stelt in sommige gevallen afhankelijk is van het
geslacht van de sollicitant.

Ook in dit opzicht is de Commissie van oordeel dat de wederpartij onderscheid
naar geslacht maakt en in strijd met artikel 3 lid 1 WGB handelt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de jegens
mevrouw te Huizen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd
met artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
en/of artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek.

Aldus vastgesteld op 7 juli 1992 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 20 mei 1992.

Rechters

mw mr C.H.S. Evenhuis (Kamervoorzitter), dhr mr A.W. Heringa(Kamerlid), dhr mr R.A.C.M. Langemeijer (Kamerlid), mw drs C.M. Sjerps(secretaris).

Instantie: Bundesverfassungsgericht, 7 juli 1992

Instantie

Bundesverfassungsgericht

Samenvatting


De Hinterbliebenenrenten- und Erziehungszeiten- Gesetz en de
Kindererziehungsleistungs- Gesetz zijn niet in strijd met de Grondwet wegens
het feit dat de periode besteed aan kinderverzorging niet in algemene zin
gelijk wordt gesteld aan de perioden waarover premie wordt geheven volgens
de wettelijke pensioenverzekering. Wel is de wetgever grondwettelijk
verplicht de nog bestaande tekortkomingen van het pensioensysteem – de ten
gevolge van kinderverzorging ontoereikende oudedagsvoorziening – op te
heffen.

Volledige tekst

URTEIL

(…)

II.

Das HEZG und das KLG verstiessen nicht dadurch gegen das Grundgezetz, dass
sie Zeiten der Kindererziehung nicht generell mit Beitragszeiten zur
gesetzlichen Rentenversicherung gleichsetzten. Der Gesetzgeber ist jedoch
verpflichtet, den Mangel des Rentenversicherungssystems, der in den durch
Kindererziehung bedingten Nachteilen bei der Alterversorgung liegt, in
weiterem Umfang als bisher auszugleichen.

1. Aus Art. 6 Abs. 1 GG lasst sich eine Verpflichtung des Gesetzgebers, im
Rahmen der Alterversorgung hohere Leistungen fur Kindererziehung vorzusehen,
als dies im HEZG und im KLG geschehen ist, nicht herleiten.

Als Freiheitsrecht verpflichtet Art. 6 Abs. 1 GG den Staat, Eingriffe in die
Familie zu unterlassen (Vgl. BVerfGE 6, 55 <76>; 80,81 <92>). Daruber hinaus
enthalt Art. 6 Abs. 1 GG eine ‘Wertentscheidende Grundsatznorm’, die fur den
Staat die Pflicht begrundet, Ehe und Familie zu schutzen und zu fordern (Vgl.
BVerfGE 6, 55 <76>; 82, 60 <81>; st. Rspr.).

Allerdings is der Staat nicht gehalten, jegliche die Familie treffende
Belastung auszugleichen oder jeden Unterhaltspflichtigen zu entlasten (Vgl.
BVerfGE 82, 60 <81> m.w.N.).

Ebensowenig folgt aus Art. 6 Abs. 1 GG, dass der Staat die Familie ohne
Rucksicht auf sonstige offentliche Belange zu fordern hatte. Die staatliche
Familienforderung durch finanzielle Leistungen steht unter dem Vorbehalt des
Moglichen im Sinne dessen, was der Einzelne vernunftigerweise von der
Gesellschaft beanspruchen kann. Der Gesetzgeber hat im Interesse des
Gemeinwohls neben der Familienforderung auch andere Gemeinschaftsbelange bei
seiner Haushaltswirtschaft zu berucksichtigen und dabei vor allem auf die
Funktionsfahigkeit und das Gleichgewicht des Ganzen zu achten. Nur unter
Beachtung dieser Grundsatze lasst sich ermitteln, ob die Familienforderung
durch den Staat offensichtlich unangemessen ist und dem Forderungsgebot des
Art. 6 Abs. 1 GG nicht mehr genugt (Vgl. BVerfGE, a.a.O., S. 81 f.).
Demgemass lasst zich aus der Wertentscheidung des Art. 6 Abs. 1 GG in
Verbindung mit dem Sozialstaatsprinzip zwar die allgemeine Pflicht des
Staates zu einem Familienlastenausgleich entnehmen, nicht aber die
entscheidung daruber, in welchem Umfang und in welcher Weise ein solcher
socialer Ausgleich vorzunehmen ist. Aus dem Verfassungsauftrag, einem
wirksamen Familienentlastenausgleich zu schaffen, lassen sich konkrete
Folgerungen fur die einzelnen Rechtsgebiete und Teilsysteme, in denen der
Familienlastenausgleich zu verwirklichen ist, nicht ableiten. Insoweit
besteht vielmehr grundsatzlich Gestaltungsfreiheit des Gesetzgebers (Vgl.
BVerfGE 39, 316 <326>; 82, 60 <81> m.w.N.).

2. Prufungsmassstab ist vielmehr in erster Linie Art. 3 Abs. 1 GG, der jedoch
in Verbindung mit Art. 6 Abs. 1 GG gesehen werden muss.

a) Art. 3 Abs 1 GG gebietet, alle Menschen vor dem Gesetz gleich zu
behandeln. Damit ist dem Gesetzgeber allerdings nicht jede Differenzierung
verwehrt. Der gleichheitsgrundsatz will vielmehr ausschliessen, dass eine
Gruppe von Normadressaten im Vergleich zu anderen Normadressaten anders
behandelt wird, obwohl zwischen beiden Gruppen keine Unterschiede von solcher
Art und solchem Gewicht bestehen, dass sie die ungleiche Behandlung
rechtfertigen konnten (BVerfGE 55, 72 <88>). Die rechtliche Unterscheidung
muss also in sachlichen Unterschieden eine ausreichende Stutze finden. Die
Anwendung dieses Grundsatzes verlangt den Vergleich von Lebenssachverhalten,
die einander nie in allen, sondern stets nur in einzelnen Merkmalen gleichen.
Unter diesen Umstanden ist es grundsatzlich Sache des Gesetzgebers zu
entscheiden, welche von diesen Merkmalen er als Massgebend fur eine Gleich-
oder Ungleichbehandlung ansieht (Vgl. BVerfGE 83, 395 <401>. Art. 3 Abs. 1
GG verbietet es ihm nur, dabei Art und Gewicht der tatsachlichen Unterschiede
sachwidrig ausser acht zu lassen. Innerhalb dieser Grenzen ist er in seiner
Entscheidung frei. Allerdings kann sich eine weitergehende Einschrankung aus
anderen Verfassungsnormen ergeben. Differenziert der Gesetzgeber zum Nachteil
der Familie, so ist der besondere Schutz zu beachten, den der Staat nach Art.
6 Abs. 1 GG der Familie schuldet (Vgl. BVerfGE 18, 257 <269>; 67, 186 <195
f.>).

b) Das bestehende Alterssicherungssystem fuhrt zu einer Benachteiligung von
Personen, die sich innerhalb der Familie der Kindererziehung widmen,
gegenuber kinderlosen Personen, die durchgangig einer Erwerbstatigkeit
nachgehen konnen. Zwar macht das Rentenrecht keinen Unterschied zwischen
Personen mit und ohne Familie. Rentenleistungen werden vielmehr unabhangig
vom familiaren Status allein an die vorherige Beitragszahlung aus dem
Arbeitslohn geknupft. Diese bestimmt den Rentenanspruch. Auf die Grunde, die
zum Ausscheiden aus dem Erwerbsleben und infolgedessen zum Ausfall von
Beitragszahlungen fuhren, kommt es nicht an. Rentenrechtlich werden Personen,
die wegen Kindererziehung aus dem Erwerbsleben ausscheiden, wie jeder andere
nicht Erwerbstatige behandelt.

Im Unterschied zu den Grunden, die sonst fur die Erwerbslosigkeit und damit
den Ausfall von Beitragszahlungen ursachlich sein mogen, hat die
Kindererziehung allerdings bestandssichernde Bedeutung fur das System der
Altersversorgung. Denn die als Generationenvertrag ausgestaltete
Rentenversicherung lasst sich ohne die nachruckende Generation nicht aufrecht
erhalten. Diese bringt die Mittel fur die Alterssicherung der jetzt
erwerbstatigen Generation auf. Ohne nachruckende Generation hatte sie zwar
Beitrage zur Rentenversicherung gezahlt, konnte aber keine Leistungen aus der
Rentenversicherung erwarten. Dabei kann angesichts der Breitenwirkung der
Rentenversicherung vernachlassigt werden, dass nicht jedes Kind spater zum
Betragszahler wird.

Die bisherige Ausgestaltung der Rentenversicherung fuhrt im Ergebnis zu einer
Benachteiligung der Familie, namentlich der Familie mit mehreren Kindern. Die
Familie, in der ein Elternteil zugunsten der Kindererziehung aus dem
Erwerbsleben ausscheidet, nimmt im Vergleich zu kinderlosen nicht nur
Einkommenseinbussen hin, sie muss das gesunkene Einkommen vielmehr auch auf
mehrere kopfe verteilen. Wenn die Kinder in das Erwerbsleben eingetreten sind
und durch ihre Beitrage die Alterssicherung der Elterngeneration mittragen,
haben die Eltern selbst eine geringere Rente zu erwarten.

c) Die benachteiligung von Familien, in denen ein Elternteil sich der
Kindererziehung widmet, wird weder durch staatliche Leistungen noch auf
andere Weise ausgeglichen.

Die Altersicherung, die vor Einfuhrung der Rentenversicherung von den eigenen
Kindern gewahrleistet wurden, ist gerade infolge des
Zwangsversicherungssystems erheblich vermindert. Die Pflicht zur zahlung von
Versicherungsbeitragen beeintrachtigt die finanzielle Leistungsfahigkeit der
Kinder. Geldmittel, die sie ohne den Beitragszwang zum Unterhalt ihrer nicht
mehr erwerbstatigen Eltern aufbringen konnten, werden ihnen entzogen und auf
die Solidargemeinschaft ubergeleitet, die sie zur Rentenzahlung an die
Versicherten insgesamt verwendet.

Die Hinterbliebenenrente, die zu der Zeit, als Frauen typischerweise nicht
im Erwerbsleben standen, einen gewissen Ausgleich fur den durch
Kindererziehung verursachten Verzicht auf eine eigene Alterversorgung
verschaffte, hat diese Funktion weitgehend eingebusst, seitdem die
Berufstatigkeit beider Ehegatten zugenommen hat und die Zahl der Kinder
zuruckgegangen ist. Auch die verschiedenen Leistungen im Rahmen des
Familienlastenausgleichs (Erziehungsgeld, Kindergeld, Kinderfreibeitrag,
Ausbildungsforderung) machen die Einbussen, die Eltern gegenuber Kinderlosen
in der Alterssicherung erleiden, nicht wtt. Dasselbe gilt fur die Regelungen
uber das ‘Baby-jahr’ im HEZG und im KLG. Sie haben die Benachteiligung, die
Familien trifft, ebenfalls nur in verhaltnismassig geringem Umfang
ausgeglichen.

Im Kern bleibt es auf diese Weise trotz der staatlichen Bemuhungen um einen
Familienlastenausgleich dabei, dass die Kindererziehung als Privatsache, die
Alterssicherung dagegen als gesellschaftliche Aufgabe gilt. Die
benachteiligung der Familie, wie sie die Beschwerdefuhrerinnen auf der
Grundlage einer transferrechtlichen Betrachtung dargelegt haben, ist auch in
der mundlichen Verhandlung nicht grundsatzlich in Abrede gestellt worden.

d) Fur die auf der Gesetzeslage beruhende Benachteiligung der Familie fehlt
es angesichts der Forderungspflicht aus Art. 6 Abs. 1 GG, die den von Art.
3 Abs. 1 GG gelassenen Gestaltungsrahmen einengt, an einem zureichenden
Grund. Namentlich ist die derzeitige Ausgestaltung der Rentenversicherung,
die auf den Versicherungsprinzip sowie der Lohnersatzfunktion der Rente
beruht und ihre Leistungen in einem Umlageverfahren finanziert, kein
zureichender Grund, die Erzieher von Kindern gegenuber Kinderlosen im
Ergebnis erheblich zu benachteiligen. Wie die Regelungen des HEZG zeigen,
gibt es Wege, die Anerkennung von Kindererziehungsleistungen in die Struktur
der Rentenversicherung einzufugen. Diese Feststellung fuhrt aber nicht zu
einer verfassungsrechtlichen Beanstandung der zur Prufung gestellten und mit
den Verfassungsbeschwerden angegriffenen Regelungen des geltenden
Rentenrechts, sondern nur zu einer Verpflichtung des Gesetzgebers, die
Benachteiligung in weiterem Umfang als bisher schrittweise abzubauen.

Die festgestellten Nachteile haben ihre Wurzel nicht allein im Rentenrecht
und brauchten folglich auch nicht nur dort behoben zu werden. Der von den
Beschwerdefuhrerinnen in den Vordergrund geruckte Umstand, dass aufgrund der
gegenwartigen Rechtslage Transferleistungen von Familien mit mehreren Kindern
an die ohnehin schon besser gestellten Familien mit einem Kind und die
Kinderlosen stattfinden, betrifft nicht nur das Rentenrecht, sondern daruber
hinaus den Familienlastenausgleich im allgemeinen. Er erlaubt zwar den
Schluss, dass der Gesetzgeber den Schutzauftrag des Art. 6 Abs. 1 GG bisher
nur unvollkommen erfullt hat. Konkrete Folgerungen fur die gesetzliche
Rentenversicherung lassen sich daraus aber nicht ableiten. Der Gesetzgeber
ist vielmehr in seiner Entscheidung, wie er die Benachteiligung der Familie
beseitigen will, grundsatzlich frei.

Soweit sich die Benachteiligung gerade in der Alterssicherung der
kindererziehenden Familienmitglieder niederschlagt, ist sie vornehmlich durch
rentenrechtliche Regelungen auszugleichen. Auch dabei steht dem Gesetzgeber
aber ein nicht unerheblicher Gestaltungsrahmen zur Verfugung. Insbesondere
ergibt sich aus Art. 3 Abs 1 in Verbindung mit Art. 65 Abs. 1 GG keine
Pflicht des Gesetzgebers, hinsichtlich der Begrundung von
Rentenanwartschaften die Kindererziehung der Beitragszahlung gleichzustellen.
Angesichts des in der Rentenversicherung seit 1957 gegen Umlageverfahrens,
das verfassungsrechtlich nicht zu beanstanden ist, sind Kindererziehung und
Beitragszahlung nicht gleichartig. Der Beitrag zur Aufrechterhaltung der
Rentenversicherung, der in Form von Kindererziehung geleistet wird, kann im
unterschied zu den monetaren Beitragen der Erwerbstatigen nicht sogleich
wieder in Form von Rentenzahlungen an die altere Generation ausgeschuttet
werden. Die unterschliedliche Funktion der beiden Leistungen fur das
Rentensystem rechtfertigt auch ihre Ungleichbehandlung bei der Begrundung von
Rentenanwartschaften.

Andererseits ist die rentenrechtliche Berucksichtigung der Kindererziehung
ein geeignetes und systemgerechtes Mittel zum Ausgleich der Benachteiligung
in der Alterssicherung. Mit der Anerkennung von Kindererziehungszeiten als
rentenbegrundendem und rentensteigerndem Tatbestand im HEZG hat der
Gesetzgeber bereits einen ersten Schritt zur Verbesserung der Altersicherung
kindererziehender Personen in Rahmen der gesetzlichen Rentenversicherung
getan, wenngleich fur die Begrenzung auf einen Wert von 75 vom Hundert der
Durchschnittseinkommens ein sachlicher Grund nicht ohne weiteres ersichtlich
ist. Ein zusatzlicher Schritt besteht in der Verlangerung der
anrechnungsfahigen Kindererziehungszeiten, die das RRG 1992 gebracht hat.
Dass mit dieser Reform, die erst in fernerer Zukunft zu erhohten Altersrenten
fuhrt, die Bemuhungen um einen weiteren Ausgleich nicht abgeschlossen sein
sollen, zeigt der vom Bundestag angenommene Entschliessungsantrag der
Fraktionen von CDU/CSU, SPD ung F.D.P. vom 21. Juni 1991 (BTDrucks. 12/837),
demzufolge die Zeit bis zum Auslaufen der Bestandsschutzregelungen im Rahmen
des RUG dazu genutzt werden soll, gerade die Alterssicherung der Frauen in
der leistungsbezogenen Rentenversicherung zu verbessern. Hierzu soll vor
allem auch eine Ausweitung der Anerkennung von Kindererziehungszeiten zahlen.

e) Dem Gesetzgeber gebuhrt bei der Erfullung des verfassungsrtechtlichen
Auftrags eine ausreichene Anpassungszeit (Vgl. BVerfGE 54, 11 <37>; 80, 1
<26>). Das gilt besonders fur Reformen, die – wie hier – einen hohen
Regelungsaufwand in verschiedenen Rechtsgebieten und betrachtliche
finanzielle Mittel erfordern. Die Gestaltungsfreiheit des Gesetzgebers wurde
unzulassig beschrankt, wenn es ihm verwehrt ware, eine derartig komplexe
Reform wie die Berucksichtigung von Kindererziehungszeiten bei der
Altersversorgung in mehreren Stufen zu verwirklichen, um den Regelungsaufwand
sowie die finanziellen Folgen zu begrenzen und sich fur Erfahrungen, die im
Zuge der Reform gewonnen werden, offenzuhalten (Vgl. BVerfG, Beschluss vom
5. November 1991 – 1 BvR 1256/89 -, FamRZ 1992, S. 157 <160>).

Bei der Festlegung der Reformschritte darf der Gesetzgeber die jeweilige
Hanshaltslage und die finanzielle Situation der gesetzlichen
Rentenversicherung berucksichtigen. Allerdings mussen Bundesregierung und
gesetzgebende Korperschaften den Verfassungsauftrag bei der Fortentwicklung
der Rentenversicherung sowie der mittel- und langerfristigen Finanzplanung
beachten. Sie sind dabei nicht von Verfassungs wegen darauf beschrankt, nur
Mittel des Bundes fur den Ausgleich heranzuziehen. Der Schutz der
Rentenanwartschaften durch Art. 14 Abs. 1 GG steht einer massvollen
Umverteilung innerhalb der gesetzlichen Rentenversicherung zu Lasten
Kinderloser und Kinderarmer Personen nicht entgegen. Ebenso lasst des
Grundgesetz Raum fur eine Anderung der Hinterbliebenenversorgung mit dem
Ziel, bei Witwen- und Witwerrenten starker auf die Dauer der Ehe sowie darauf
abzustellen, ob der uberlebende Ehepartner durch Kindererziehung oder
Pflegeleistungen in der Familie am Erwerb

einer eigenen Altersversorgung gehindert war. Unabhangig davon, auf welche
Weise die Mittel fur den Ausgleich aufgebracht werden, ist jedenfalls
sicherzustellen, dass sich mit jedem Reformschritt die Benachteiligung der
Familie tatsachlich verringert. Dem muss der an den Verfassungsauftrag
gebundene Gesetzgeber erkennbar Rechnung tragen.

3. Art. 6 Abs. 4 GG scheidet als Prufungsmassstab aus. Ob diese Norm Muttern
uber die Zeit der Schwangerschaft und uber die ersten Monate nach der Geburt
hinaus Schutz gewahrt, kann dahingestellt bleiben. Jedenfalls konnen aus ihr
fur Sachverhalte, die nicht allein mutter betreffen, keine besondern Rechte
hergeleitet werden. Einer Auslegung des Art. 6 Abs. 4 GG in dem Sinne, dass
(nur) Muttern in der gesetzlichen Rentenversicherung ein Ausgleich fur ihre
Erziehungsleistung zu gewahren ist, steht auch Art. 3 Abs. 2 GG entgegen,
drer eine Festschreibung uberkommener Rollenverteilungen verbietet (Vgl.
BVerfG, Urteil vom 28. Januar 1992 – 1 BvR 1025/82 u.a. -, EuGRZ, S. 17
<21>).

Allerdings wirkt sich die unzureichende Berucksichtigung der Kindererziehung
in der gesetzlichen Rentenversicherung tatsachlich vor allem zu Lasten der
Mutter aus, weil diese

auch heute noch uberwiegend die Kindererziehung ubernehmen und deshalb ihre
Berufstatigkeit einschranken, unterbrechen oder ganz aufgeben. Diese Folgen
beruhren jedoch nicht den Schutzbereich des Art. 6 Abs. 4 GG. Die deutlichen
hohere Betroffenheit von Frauen lost vielmehr die aus Art. 3 Abs. 2 GG
folgende Pflicht des Gesetzgebers aus, auf eine Angleichung der
Lebensverhaltnisse von Frauen und Mannern hinzuwirken (Vgl. BVerfG, a.a.O.).
Auch dies wird der Gesetzgeber zu berucksichtigen haben.

4. Mit den angegriffenen Regelungen hat der Gesetzgeber nicht in durch Art.
14 Abs. 1 GG geschutzte Rechtpositionen eingegriffen. Der Eigentumsschutz
setzt eine gesetzlich anerkannte Rechtsposition voraus (Vgl. BVerfGE 83, 201
<208 f>). Vor Erlass des HEZG war jedoch keine individuelle Rechtsposition
hinsichtlich der Anrechnung von Kindererziehungszeiten vorhanden, in die der
Gesetzgeber hatte eingreifen konnen. Das HEZG hat diese Positionen erst
geschaffen. Gleiches gilt fur die Kindererziehungsleistungen nach dem KLG.

5. Uber Einzelheiten der im HEZG getroffenen Regelungen, die keine
Auswirkungen auf das KLG haben, wie etwa uber die Vorschriften, die das
Zusammentreffen von Kindererziehungszeiten mit Beitragszeiten regeln, ist
hier nicht zu entscheiden. Die Beschwerdefuhrerinnen und die Klagerinnen in
den Ausgangsverfahren der Richtervorlagen sind in verfassungsmassiger Weise
vom Geltungsbereich der HEZG ausgenommen worden. Fur sie gilt allein das KLG.

(…)

Rechters

Mrs. Herzog, Henschel, Seidl, Grimm, Sollner, Dieterich, Kuhling,Seibert

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 3 juli 1992

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De verplichting tot geheimhouding van
vertrouwelijke gegevens brengt niet met zich mee dat de
stichting zich tegenover een ieder van het verstrekken van
informatie kan onthouden. De stichting mag derhalve de afgifte
van de betreffende kinderen aan de over hen gestelde
gezagsdrager niet frustreren.

Omdat de uitspraak in het kort geding gebaseerd was op door de
eiser verstrekte onjuiste gegevens en de voogdij inmiddels
weer aan de moeder is toegewezen, is het hof van mening dat de
eis van de vader niet meer terecht is.

Het vonnis in kort geding is met terugwerkende kracht
vernietigd. De betaalde dwangsom van ƒ 50.000,- moet aan de
VOR worden terugbetaald. Zie ook Rechtbank Rotterdam 4
februari 1991, RN 1992, 252, m.nt. Ria Kempen.

Volledige tekst

Het geding

Voor de loop van het geding wordt verwezen naar hetgeen
daarover in het in deze zaak gewezen tussenarrest van het hof
van 27 maart 1992 is vermeld.

Ingevolge dit arrest heeft op 27 april 1992 een comparitie van
partijen plaatsgevonden. De raadslieden van partijen hebben
daarbij de wederzijdse standpunten mondeling toegelicht.

Vervolgens hebben partijen wederom hun procesdossiers
overgelegd en arrest gevraagd.

De feiten

1. De feiten en omstandigheden welke zijn vermeld in voornoemd
tussenarrest dienen als hier herhaald en ingevoegd te worden
beschouwd.

2.1 Het hof heeft ambtshalve kennis genomen van het
procesdossier O/G, rolnr. 90/1358, inzake het hoger beroep van
de moeder tegen het op 9 oktober 1990 door de president van de
rechtbank te s’-Gravenhage in kort geding gewezen vonnis tot
afgifte van de kinderen aan de vader, waaraan de volgende
gegevens worden ontleend.

2.2 Naar aanleiding van het verzoek van de moeder tot
wijziging van de door de kantonrechter te ‘s-Gravenhage bij
beschikking van 22 januari 1990 bepaalde gezagsregeling ten
aanzien van zowel C. en V., de minderjarigen in kwestie, als
van de oudste zoon, R. heeft op verzoek van de raad voor de
kinderbescherming te ‘s-Gravenhage het Psychiatrisch
Psychologisch Pedagogisch Adviesbureau Randstad te Rotterdam,
verder te noemen: het PPPAR, een onderzoek ingesteld en
daarover gerapporteerd op 19 april 1991. De raad voor de
kinderbescherming bracht op 4 juni 1991 aan de kantonrechter
rapport en advies uit.

2.3 Uit beide onderzoeken komt naar voren dat de kinderen tot
maart 1989 zonder onderbreking door de moeder werden
verzorgd. De vader woonde in die periode afwisselend wel en
niet bij het gezin. Financiele motieven, maar ook veelvuldige
problemen in de onderlinge relatie van de ouders die soms
gepaard gingen met handgemeen, vormden daarvan de reden. Na
het huwelijk, op 1 maart 1989, van de moeder met een neef van
de vader – de mededelingen van de ouders, hoezeer ook
tegenstrijdig, stemmen in zoverre overeen dat het verkrijgen
van een verblijfsvergunning bij het sluiten van dit huwelijk
een belangrijke rol speelde – werden de kinderen ingeschreven
op het adres van de vader. Vanaf augustus of september tot
medio oktober 1989 en van eind november 1989 tot 25 januari
1990 verbleef de moeder in Suriname in verband met het
overlijden van haar moeder en de afwikkeling van de daarop
opengevallen nalatenschap. Onduidelijk is, waar zij tussen
maart en augustus 1989 verbleef.

De moeder heeft steeds ontkend dat zij het verzoek tot
voogdijwijziging, dat in juni 1989 bij de kantonrechter te
Delft werd ingediend, mede zou hebben ondertekend; ter
gelegenheid van de comparitie van 27 april 1992 bij het hof
heeft zij een handschriftkundig onderzoek in het geding
gebracht, waarin als conclusie gegeven is dat de bedoelde
handtekening hoogstwaarschijnlijk niet door haar geschreven
is. Uit de onderzoekgegevens waaruit de mate van betrokkenheid
van de kinderen op elk van beide ouders blijkt, trekt het PPAR
de conclusie dat de moeder in het verleden de belangrijkste
rol in de verzorging en opvoeding van de kinderen heeft
gespeeld en deze taak kennelijk adequaat vervulde. Op basis
hiervan heeft de raad voor de kinderbescherming de
kantonrechter geadviseerd de voogdij over de beide meisjes
weer op te dragen aan de moeder. Tijdens voornoemde comparitie
is ook van de zijde van de vader verklaard dat hij er van
uitgaat dat de beide kinderen het goed hebben bij de moeder.

2.4. Bij beschikking van de kantonrechter te Delft van 10
oktober 1991 is de moeder belast met de voogdij over de
minderjarigen C. en V. en is de afgifte van deze minderjarigen
aan haar bevolen. De vader heeft van deze beslissing geen
hoger beroep ingesteld.

3. Ter voornoemde comparitie is komen vast te staan dat de
Stichting de dwangsom ten bedrage van ƒ 50.000,- heeft
betaald aan de advokaat van de man, die deze som hangende de
onderhavige procedure onder zich houdt.

De beoordeling van het beroep

4. In verband met de voogdijwijziging in oktober 1991 zijn de
vorderingen van de vader, ertoe strekkende dat de Stichting er
aan meewerkt dat hij de beide kinderen te zijnen huize zal
kunnen verzorgen en opvoeden, niet meer voor inwilliging
vatbaar en dient het bestreden vonnis te worden vernietigd. De
eerste vier grieven behoeven dan ook geen behandeling meer,
doch het hof zal daaraan, zij het ten overvloede, hierna enige
overwegingen wijden.

5.1. De vijfde en zesde grief keren zich op financiele gronden
tegen de hoogte van de opgelegde dwangsom. Het hof acht
echter, gelet op de betrokken belangen voor zover toen kenbaar
en op hetgeen ter comparitie met betrekking tot de
geldmiddelen van de Stichting is gebleken, het bedrag van de
dwangsom als prikkel tot nakoming van de bevolen voorziening
niet bovenmatig, zodat de grieven worden verworpen.

5.2. Namens de vader heeft diens advocaat ter gelegenheid van
de comparitie betoogd dat, waar zijns inziens het bestreden
vonnis door de president terecht is gewezen en uitvoering
daarvan slechts als gevolg van een nadien ingetreden
gewijzigde omstandigheid – namelijk de voogdijwijziging op 10
oktober 1991 – zinloos is geworden, een vernietiging van dit
vonnis voor wat betreft de opgelegde dwangsom eerst vanaf de
datum van ’s hofs arrest dient te werken, zodat de reeds
verbeurde dwangsom niet behoeft te worden terugbetaald.

Het hof kan de vader hierin niet volgen. De rechterlijke
uitspraak waarbij het bestreden vonnis wordt vernietigd, heeft
tot gevolg dat dit vonnis terstond van rechtswege met
terugwerkende kracht zijn rechtskracht, ook ten aanzien van de
opgelegde dwangsom, verliest. Daarbij komt dat de beschikking
van de kantonrechter te Delft niet kan worden beschouwd als
een momentopname, maar als de weergave van een reeds ten tijde
van het kort geding bestaande situatie op grond waarvan, naar
achteraf moet worden vastgesteld, de afgifte van de kinderen
aan de vader en de daarmee samenhangende informatieplicht van
de Stichting, toen al niet meer in het belang van de kinderen
kon worden geacht en slechts op een formele gezagsuitoefening
berustte. De vernietiging van het bestreden vonnis brengt dan
ook terecht mee, dat de door de Stichting verbeurde dwangsom
onverschuldigd werd betaald en aan haar dient te worden
gerestitueerd.

6. Onverminderd het bovenstaande zal, zij het ten overvloede,
nog op de eerste vier grieven worden ingegaan.

7.1. De eerste grief houdt in dat de president van de
rechtbank te Rotterdam in het bestreden vonnis ten onrechte is
voorbij gegaan aan het verweer van appellante dat overtreding
door haar van de artikelen 279 en 280 Sr – voor zover daarvan
sprake zou zijn – geen onrechtmatige daad ten opzichte van de
vader oplevert.

Deze grief mist feitelijke grondslag omdat zij, zoals ook de
vader in zijn verweer tegen deze grief opmerkt, gebaseerd is
op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis. Het
onrechtmatig handelen van de Stichting wordt in dit vonnis
niet gebaseerd op een – mogelijke – overtreding van voornoemde
artikelen uit het Wetboek van Strafrecht, maar op het niet
respecteren van een voogdijvoorziening, te weten de
beschikking van de kantonrechter te ‘s-Gravenhage van 22
januari 1990. Krachtens artikel 925 Rv dient daarin te zijn
opgenomen het, tegenover ieder geldende, bevel tot afgifte van
de betreffende minderjarigen aan degene aan wie zij zijn
toevertrouwd.

Degene die bij een beschikking zoals in artikel 925 Rv bedoeld
met de voogdij is belast, in dit geval de vader, is bij
uitstek de rechthebbende. De beschikking van de kantonrechter
van 22 januari 1990 is, nadat de moeder het door haar
ingestelde verzet daartegen had ingetrokken, in kracht van
gewijsde gegaan. Dat naderhand een verzoek tot wijziging van
die beschikking kan worden of is gedaan, kan aan het
definitieve karakter van die beschikking niet afdoen.

7.2. Uit het voorgaande vloeit voort dat de Stichting, waar
zij door handelen of nalaten de uitvoering van een beschikking
betreffende gezagsuitoefening over minderjarigen frustreert,
daarmee zelfstandig tegenover de in die beschikking aangewezen
voogd onrechtmatig handelt. De vraag of de Stichting ook
aangesproken zou kunnen worden in verband met onrechtmatig
handelen van haar cliente, de moeder, behoeft daarom geen
bespreking.

8.1. In de door haar als tweede en derde aangevoerde grief
betoogt de Stichting – zakelijk weergegeven – dat de president
in het bestreden vonnis ten onrechte haar stelling heeft
verworpen dat zij zich kan beroepen op een verschoningsrecht
dat zich ook tot informatie betreffende de kinderen
uitstrekt.

Hoewel de Stichting in de onderhavige procedure geen getuige
is in de zin van artikel 191 lid 2 sub b Rv dient bij de
beoordeling van een vordering strekkende tot het opleggen van
een verplichting tot het geven van informatie te worden
meegewogen dat de aard van de maatschappelijke functie van de
Stichting – opvang en bescherming van vrouwen die zich willen
onttrekken aan een relatie waarin zij stellen mishandeld te
worden – met zich mee brengt dat zij en haar medewerkers een
verplichting tot geheimhouding hebben met betrekking tot
gegevens van vertrouwelijke aard die hen door clienten in het
kader van de hulpverlening worden toevertrouwd.

Deze verplichting brengt niet met zich mee dat de Stichting
zich steeds tegenover een ieder van het verstrekken van
informatie zal kunnen onthouden; in het onderhavige geval
staat daar tegenover de voor de Stichting evenzeer bestaande
verplichting, de afgifte van de betreffende kinderen aan de
over hen gestelde gezagsdrager niet te frustreren.

8.2. De stelling van de Stichting, dat de plicht tot
geheimhouding zich zou uitstrekken tot de kinderen omdat die
deel uitmaken van het persoonlijk leven van de moeder, vindt
naar het oordeel van het hof geen steun in het recht. Kinderen
zijn zelfstandige rechtssubjecten, zij het dat gedurende hun
minderjarigheid hun belangen worden behartigd door hun
wettelijk vertegenwoordiger, ouders of voogden. In het
onderhavige geval was deze taak opgedragen aan de vader.

8.3. Door het verstrekken van die informatie over de
minderjarigen in kwestie waarover zij beschikt aan de Afdeling
Jeugd- en Zedenpolitie van de gemeentepolitie te Rotterdam,
kon de Stichting voldoen aan haar verplichting om de afgifte
van die minderjarigen niet te frustreren, zonder daarmee het
doel van de hulpverlening – de moeder in staat te stellen zich
te onttrekken aan de relatie met de vader door wie zij stelt
te worden mishandeld – in gevaar te brengen. Dat de belangen
van die hulpverlening ook een doorbreking van de geheimhouding
op deze wijze zouden verhinderen, acht het hof niet
aannemelijk gemaakt.

8.4. Het onder 8.3. overwogene brengt wel met zich mee dat de
primaire vordering van de vader om die informaties aan hemzelf
te verstrekken terecht is afgewezen.

9.1. In de als vierde aangevoerde grief wordt gesteld, kort
samengevat, dat de Stichting niet verplicht kan worden tot het
geven van informatie als vaststaat dat zij zich daarmee
strafrechtelijk belast.

Met betrekking tot deze grief merkt het hof allereerst op dat
de Stichting in de onderhavige procedure noch verdachte, noch
getuige is. Een ‘zwijgrecht’ en ‘recht om niet aan eigen
veroordeling mee te werken’ – waarbij de Stichting kennelijk
doelt op toepassing van de artikelen 29 en 219 Sv – zijn
derhalve niet rechtstreeks aan de orde. Wel dient betekenis te
worden toegekend aan het belang van de Stichting om geen voor
zichzelf in een lopende strafvervolging belasten verklaringen
af te hoeven leggen.

Dit belang diende te worden afgezet, niet alleen tegen de
belangen van de vader bij toewijzing van zijn vordering maar
ook en vooral tegen de civielrechtelijke verplichting van de
Stichting om de afgifte van de betreffende minderjarigen aan
de gezagsdrager niet te frustreren.

9.2. Gelet op de betreffende overwegingen in het bestreden
vonnis, in hoger beroep niet bestreden, beschikte de Stichting
over informatie omtrent de verblijfplaats van de kinderen. Zij
was dan ook in staat om te voldoen aan haar verplichting, de
afgifte van de kinderen aan de gezagsdrager niet te
belemmeren. Gezien het zwaarwegende karakter van deze
verplichting acht het hof het onacceptabel dat de Stichting
zich daaraan zou kunnen onttrekken met een beroep op een voor
haar bestaand belang, de verblijfplaats van de kinderen niet
mee te delen. Waar aan het geven van de beschikking van 22
januari 1990, het oordeel ten grondslag ligt dat opdracht van
de zorg en de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van die
kinderen aan de vader in hun belang wenselijk te achten was,
moest het ervoor gehouden worden, nu het tegendeel door de
Stichting niet was gesteld of aannemelijk gemaakt, dat bij het
verhinderen van afgifte aan de vader, de belangen van de
kinderen ernstig in het gedrang zouden komen.

10. Het bovenstaande brengt met zich mee dat de eerste vier
grieven die door de Stichting werden aangevoerd, niet tot
vernietiging van het bestreden vonnis hadden kunnen leiden.

Beslissing

het hof:

vernietigt het vonnis door de president van de rechtbank te
Rotterdam in kort geding gewezen op 4 februari 1991 en opnieuw
rechtdoende:

wijst de vorderingen van de vader af;

veroordeelt de vader, als de in het ongelijk gestelde partij,
in de kosten van de procedure in beide instanties, tot op
heden aan de zijde van de Stichting begroot als volgt:

in eerste aanleg ƒ 250,- aan griffierecht en ƒ 1000,- aan
salaris procureur;

in hoger beroep ƒ 51,84 aan door M. de N. deurwaarder te ‘s-
Gravenhage in debet gestelde exploitkosten ƒ 300,- aan
griffierecht en ƒ 2800,- aan salaris procureur, in totaal ƒ
4401,84 te betalen aan de griffier van dit hof.

Deze zaak is gegarandeerd door het Proefprocessenfonds
Rechtenvrouw.

Ingezonden brief

Pensioenverrekening: Rechtbank Utrecht 14 augustus 1991, RN
1992, 286 m.nt. Janny Dierx.

Naar het mij voorkomt bevat de noot onder de uitspraak van de
Rechtbank Utrecht d.d. 14 augustus 1991 van de hand van
mevrouw Mr Janny Dierx een onjuistheid.

De Hoge Raad heeft van de pensioenverrekening niet uitgesloten
de gevallen waarin reeds een echtscheiding tot stand was
gekomen, doch de gevallen waarin de huwelijksgemeenschap reeds
was verdeeld. De Hoge Raad overwoog in rechtsoverweging 14:

‘Aangenomen moet worden dat sindsdien (namelijk sinds de
voorgaande uitspraak van de Hoge Raad op dit punt van 7
oktober 1959, v.O.) vele huwelijksgemeenschappen zijn verdeeld
zonder dat met pensioenrechten als de onderhavige rekening is
gehouden, hetgeen in beginsel aanleiding zou kunnen zijn tot
een vordering als bedoeld in artikel 1158, 2e lid BW. De eisen
van redelijkheid en billijkheid zullen echter in verband met
het belang van de rechtszekerheid in de regel meebrengen dart
in deze gevallen zodanige vordering – die de wederpartij niet
meer behoefde te verwachten – thans niet meer geldend gemaakt
kan worden.’

In het onderhavige geval was de echtscheiding tot stand
gekomen in 1979, derhalve voor het pensioenarrest. Een
verdeling van de tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap
van vruchten en inkomsten was evenwel nog niet tot stand
gekomen. Gezien het feit dat de Hoge Raad voor het al dan niet
toepasselijk zijn van de regels, neergelegd in het
pensioenarrest, beslissend achtte het al dan niet tot stand
gekomen zijn van een verdeling, was de man in het onderhavige
geval simpelweg gehouden tot pensioenverrekening.

Het lijkt mij zinvol dat deze onjuistheid in Nemesis wordt
rechtgezet aangezien het pensioenarrest voor een aantal
vrouwen gunstiger is dan mevrouw Dierx geschreven heeft.
Indien een echtscheiding heeft plaatsgevonden voor 27 november
1981, doch de verdeling van de huwelijksgemeenschap nog niet
heeft plaatsgevonden kan in beginsel alsnog
pensioenverrekening gevorderd worden.

Overigens bevat de noot nog een tweede onjuistheid die ik even
wil rechtzetten (hoewel deze van aanmerkelijk minder belang is
dan het voorgaande).

De vrouw was in casu vier jaar ouder dan de man en niet vier
jaar jonger, zoals in de noot gesuggereerd wordt. Er was dan
ook een zeer groot verschil in uitgangspunten tussen de
berekening van de AMEV (die uitging van het gemiddelde: een
drie jaar jongere vrouw) en van de pensioenadviseur van
mevrouw (die uitging van het werkelijke leeftijdsverschil).
Dit verklaart het verschil tussen de berekening van de AMEV
die op een jaarlijkse betaling kwam van ƒ 8.362,- en de
berekening van de pensioenadviseur uitkomende op een betaling
van ƒ 16.435,- per jaar. Het verschil was derhalve veel
pregnanter dan uit de noot blijkt.

Het misverstand is kennelijk ontstaan doordat u niet de gehele
uitspraak gepubliceerd hebt. In rechtsoverweging 2 (i) (die u
niet gepubliceerd hebt) staan de geboortedata van de man en de
vrouw vermeld.

J.W.D. van Oldenborgh

Rechters

Mrs. Pieters, Luteijn, Van den Wildenberg

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 2 juli 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is actief lid van de Rooms-Katholieke kerk. Zij wilde, omdat
zij een roeping voelt voor het gewijde ambt, toegelaten worden tot de
diakenopleiding. Haar is de toegang geweigerd, omdat zij vrouw is. In de
statuten van het desbetreffende kerkgenootschap is namelijk bepaald dat
alleen (gedoopte) mannen tot diaken gewijd kunnen worden. De Commissie is van
oordeel dat een geestelijk ambt niet per definitie geslachtsbepaald is.
Echter, de vrijheid om het geestelijk ambt slechts open te stellen voor een
van beide geslachten, is voorbehouden aan de desbetreffende
kerkgenootschappen. Het oordeel over de juiste uitleg van de geloofsleer van
enige godsdienstige gezindte komt de Commissie niet toe.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 9 april 1991 verzocht mevrouw te Volkel
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of het
onderscheid maakt/maken op grond van geslacht in strijd met de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoekster heeft het Seminarie/Bisdom verzocht haar tot de
diakenopleiding van het toe te laten. Verzoekster
werd niet toegelaten omdat zij vrouw is. Zij is van mening dat hiermee door
de wederpartij(en) onderscheid naar geslacht wordt gemaakt in strijd met de
WGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld.

Verzoekster had, alvorens zij bovenstaande vraag aan de Commissie voorlegde,
reeds een procedure gestart bij de arrondissementsrechtbank te
‘s-Hertogenbosch. Verzoekster heeft in eerste instantie het Bisdom gedagvaard
en in tweede instantie tevens het Seminarie. Zij heeft gevorderd dat het
Bisdom en het Seminarie haar toelaten tot de diakenopleiding. De rechtbank
heeft op 26 april 1991, dus lopende de procedure bij de Commissie, vonnis
gewezen. Verzoekster is daarin niet ontvankelijk verklaard in haar
vorderingen omdat niet het Seminarie/Bisdom maar de diocesane Bisschop
beslissingsbevoegdheid heeft inzake toelating tot de opleiding ingevolge
canon 241 paragraaf 1 van het Wetboek van Canoniek recht ofwel Codex Iuris
Canonici (hierna: Codex).

2.2. Op grond van bovengenoemde uitspraak van de Rechtbank beschouwt ook de
Commisse de in deze procedure als wederpartij.
Daarbij is mede in aanmerking genomen dat de wederpartij beoordeelt of een
kandidaat de vereiste hoedanigheden bezit om tot de wijding van het diakonaat
toegelaten te worden (canon 1025, paragraaf 1 Codex). Bovendien komt het
hoogste bestuur en beheer van het Seminarie toe aan de wederpartij (canon
259, paragraaf 1 van de Codex).

2.3. Partijen hebben ieder meerdere malen de gelegenheid gehad op elkaars
standpunten te reageren.

De Commissie heeft hen vervolgens uitgenodigd om hun standpunten nogmaals toe
te lichten op een zitting op

7 mei 1992. De wederpartij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw (verzoekster)

– mw mr A. van Bon-Moors (advocate)

– mw drs (voorzitter )

– dhr drs. (lid studiecommissie )

van de kant van de Commissie

– mw mr. E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– mw drs J.A.M. Stolwijk (lid Kamer)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III. In deze Kamer hebben zitting
de leden als genoemd onder paragraaf 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. Verzoekster is actief lid van de Rooms-Katholieke kerk. Sinds haar
vroegste jeugd voelt zij volgens haar eigen verklaring een roeping voor het
gewijde ambt binnen de kerk. Dit gevoelen wordt op zich niet in twijfel
getrokken door de wederpartij. Deze stelt zich echter op het standpunt dat
de kerkgenootschappelijke regelingen van de Rooms-Katholieke kerk wijding van
een vrouw tot diaken in de weg staan.

Desondanks heeft verzoekster het Seminarie/Bisdom verzocht haar toe te laten
tot de diakenopleiding van het betreffende Bisdom. Deze diakenopleiding
geeft, indien met goed gevolg afgerond, toegang tot het gewijde ambt van
diaken of priester. Een permanente diaken (men kan het diakonaat ook als
nevenfunctie uitoefenen) is een officiele kerkelijke verkondiger in prediking
en in katechese. Hij heeft de bevoegdheid binnen de kerkgemeenschap het
sacrament van het doopsel toe te dienen, de huwelijksbevestiging en
-inzegening te doen, de heilige communie uit te reiken en de begrafenisrite
te verrichten. De diakenopleiding duurt vier jaren. De eerste drie jaren
hebben een theoretisch karakter, het vierde jaar is bestemd om stage te
lopen.

3.2. Verzoekster is de toegang tot de opleiding geweigerd met als argument
dat de Codex voorschrijft dat alleen (gedoopte) mannen tot diaken gewijd
kunnen worden (canon 1024 Codex).

3.3. Verzoekster kan zich met die weigering niet verenigen. Zij belijdt de
Rooms-Katholieke godsdienst en behoort tot een emancipatorische stroming
binnen de Rooms-Katholieke kerk, die stelt dat het overeenkomstig Gods wil
is dat ook vrouwen tot het gewijde ambt toegelaten worden. De toelating tot
de diakenopleiding ziet zij als een van de wijding losstaande kwestie. Hoewel
zij zowel de toelating tot de opleiding als de wijding ambieert, richt zij
zich in dit verzoek op de opleiding als de eerste stap.

Haar is de toegang tot de diakenopleiding geweigerd omdat zij vrouw is. Zij
acht dit in strijd met het beginsel van gelijke behandeling als neergelegd
in de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen en in
internationale verdragen, zoals artikel 26 Internationaal verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten, EEG-richtlijnen, VN-Vrouwenverdrag,
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het VN- Verdrag inzake
Economische, Sociale en Culturele rechten.

De wederpartij heeft als verweer aangevoerd dat zij geen onderscheid naar
geslacht in strijd met de WGB maakt, aangezien het ambt van diaken -en dus
de opleiding- valt onder de uitzondering van artikel 5 lid 3 onder a WGB en
dus als geslachtsbepaald aan te merken is (zie 3.6.).

Verzoekster merkt op dat de wederpartij zich, wat betreft de
geslachtsbepaaldheid, op de scheiding van Kerk en Staat beroept en op de
inrichtingsvrijheid die dat met zich meebrengt. De wederpartij stelt dat
zowel de Rooms-Katholieke kerk als het Bisdom geregeerd worden door hun eigen
statuut (artikel 2 lid 2 boek 2 Burgerlijk Wetboek). Daaruit zou men de
conclusie kunnen trekken dat de vraag of de beroepsactiviteiten van priester
of diaken vanwege hun aard of de voorwaarden voor de uitoefening ervan
geslachtsbepaald zijn, dus beantwoord moet worden naar genootschappelijk
recht in overeenstemming met dat eigen statuut.

Die conclusie onderschrijft verzoekster niet. Zij meent dat dit wel het geval
is, indien de Rooms-Katholieke kerk of het Bisdom zelf priesters te werk
stelt als pastoor of kapelaan in een Rooms-Katholieke parochie. Zij opereren
dan binnen de grenzen van artikel 2 lid 2 boek 2 Burgerlijk Wetboek. De
Rooms-Katholieke kerk en het Bisdom hebben echter volgens verzoekster niet
onder alle omstandigheden absolute zeggenschap over de aard van de
beroepsactiviteit van een priester of diaken (of de daarvoor noodzakelijke
opleidingen) die in dienst zijn van derden.

De wederpartij brengt inhoudelijk als bron voor de uitsluiting van vrouwen
naar voren: traditie en kerkgenootschappelijke regelingen, zoals de Codex.

Verzoekster is echter van mening dat de Commissie alleen op grond van de WGB,
waaraan ook de Rooms-Katholieke kerk zich moet houden, tot een oordeel dient
te komen. Artikel 6 Grondwet garandeert immers weliswaar de vrijheid van
godsdienst, doch met een zeer belangrijke beperking: “behoudens ieders
verantwoordelijkheid voor de wet”.

De WGB nu, zegt niet rechtstreeks wanneer het geslacht bepalend is; zij geeft
een opsomming van de gevallen waarin het geslacht bepalend kan zijn. In deze
opsomming komt ook het geestelijk ambt voor. Dit betekent niet, aldus
verzoekster, dat het enkele feit dat er sprake is van toegang tot een
geestelijk ambt of een hiervoor noodzakelijke opleiding, toereikend is om te
concluderen dat het geslacht bepalend is. Er moet, integendeel, onderzocht
worden of in deze concrete zaak sprake is van een functie of een opleiding
daartoe, waarbij het geslacht zo bepalend is, dat die slechts door mannen kan
worden uitgeoefend c.q. gevolgd.

Blijkens het feit dat in andere kerkgenootschappen ook vrouwen geestelijke
ambten vervullen, is het geestelijk ambt op zichzelf niet geslachtsbepaald.
In artikel 5 lid 2 en 3 WGB is kortom, volgens de interpretatie van
verzoekster, geen absolute uitzondering gemaakt voor het geestelijk ambt
(Verzoekster verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar de Memorie van
Toelichting (nr. 3 pagina 21) bij het wetsvoorstel 19908 TK 86/87).
Verzoekster is van mening dat het grote belang van het principe van gelijke
behandeling ertoe leidt, dat genoemde uitzondering zo beperkt mogelijk van
toepassing verklaard moet worden.

Verzoekster is bovendien van mening dat artikel 6 Grondwet niet altijd gaat
boven ieder ander grondrecht. Het is evenmin zo dat per definitie regels
binnen een instelling van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard gaan
boven de regelingen van de overheid. De volgende voorbeelden haalt zij aan
ter illustratie:

– het is in Nederland verboden om een kerkelijk huwelijk te sluiten voor het
burgerlijk huwelijk;

– het is in Nederland verboden om met meerdere vrouwen een huwelijk te
sluiten (denk aan de Islam);

– het standpunt van een predikant die met een beroep op de vrijheid van
godsdient weigerde om de premie AOW/AWW te betalen, werd door de rechter
afgewezen.

Verzoekster stelt verder dat de eisen die gelden voor de latere priester- of
diakenwijding niet dezelfde hoeven te zijn voor de toelating tot de
opleiding. Het is haars inziens denkbaar dat de opleiding openstaat voor
beide geslachten, terwijl de kerk daarnaast de eis handhaaft dat alleen
mannen voor de wijding in aanmerking komen. Vrouwen die de opleiding voltooid
hebben maken namelijk meer kans op functies als pastoraal werker, geestelijk
verzorger en dergelijke. Er is volgens verzoekster geen rechtstreekse band
tussen de opleiding en de status van diaken. Mannen die de diakenopleiding
volgen zijn niet verplicht diaken te worden. Zij kunnen genoegen nemen met
het afronden van de opleiding. Verzoekster heeft wel aangegeven dat zij geen
personen kent die in het ambt van diaken werken zonder de wijding te hebben
ontvangen.

3.4. De wederpartij voert -naast hetgeen hiervoor reeds is aangegeven- het
volgende verweer. Allereerst verwijst zij naar haar standpunt zoals uitvoerig
uiteengezet in de conclusie van antwoord en de pleitnotitie in de procedure
voor de Rechtbank. Het verweer is (kort samengevat en voor zover hier van
belang):

* Verzoekster is niet ontvankelijk voor zover zij het Seminarie als
wederpartij aanwijst, aangezien in casu alleen zijzelf omtrent toelating tot
de opleiding beslist (ex canon 241, paragraaf 1 Codex);

* Uit geen enkele rechtsregel neergelegd in de Grondwet of verdragen of de
wetsgeschiedenis van de grondrechts- artikelen volgt dat het
discriminatieverbod voorrang zou verdienen boven andere grondrechten, zoals
in casu de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van onderwijs. Volgens de
wederpartij gaat het bij botsing van grondrechten veeleer om een zorgvuldige
afweging van die grondrechten, toegespitst op de in een bepaalde context aan
de orde zijnde belangen.

De wetsgeschiedenis met betrekking tot de wetten gelijke behandeling toont
aan dat er eenstemmigheid bestaat over het feit dat die regelgeving onverlet
dient te laten het recht van kerkgenootschappen, om bij de bekleding van
geestelijke ambten een onderscheid te maken naar geslacht. Hiervoor is steun
te vinden in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB) (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22 014, nr.
3). Artikel 3 AWGB luidt:

“Deze wet is niet van toepassing op:

a) rechtsverhoudingen binnen kerkgenootschappen en hun zelfstandige
onderdelen, alsmede binnen andere genootschappen op geestelijke grondslag;

b) het geestelijk ambt”.

In de procedure voor de Rechtbank is met betrekking tot artikel 3 AWGB verder
het volgende aangevoerd. In de Memorie van Toelichting staat over dit
artikel geschreven: “Deze bepaling vloeit voort uit de eerbiediging van de
vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en het beginsel van scheiding
van kerk en staat”. Aangesloten is bij de formulering van artikel 18 boek II
van het Burgerlijk Wetboek. De desbetreffende genootschappen komt de vrijheid
toe om zich naar de eigen overtuiging in te richten en de verhoudingen binnen
het genootschap dienovereenkomstig te regelen. De in de wet genoemde
aangelegenheden houden immers rechtstreeks verband met de belijdenis van de
religieuze levensbeschouwelijke overtuiging.

Op grond van bovenstaande moet volgens de wederpartij geconcludeerd worden,
dat de overheid zich terughoudend heeft op te stellen met betrekking tot de
levensbeschouwelijke overtuiging binnen een (kerk)genootschap en de directe
uitdrukking daarvan in regelingen in genootschappelijk verband.

3.5. Gedurende de procedure bij de Commissie heeft de wederpartij ter
aanvulling van het voorgaande het volgende naar voren gebracht.

Zij constateert dat verzoekster bij de Commissie betoogt dat de
diakenopleiding in feite een beroepsopleiding is, zoals bedoeld in artikel
5 lid 2 WGB. De wederpartij meent dat deze stelling onjuist is.

Het zijn van diaken is voor alles als een levensstaat aan te merken, die als
zodanig ook los staat van feitelijke werkzaamheden. Eenvoudig zichtbaar is
zulks bij een diaken op vergevorderde leeftijd die, kerkrechtelijk bezien,
in alle opzichten nog diaken is, doch dan vaak niet meer in de dagelijkse
praktijk van het diakonaat werkzaam is. Men kan de werkzaamheden van een
diaken bij een parochie ook niet duiden als krachtens een arbeidsovereenkomst
verricht. Een diaken is werkzaam krachtens wijding en de daaraan gekoppelde
bisschoppelijke pastorale opdracht. De relatie wordt niet gekenmerkt door
ondergeschiktheid van de diaken. Over het algemeen zal ook het element loon
ontbreken, aangezien de opleiding binnen het Seminarie bedoeld is voor het
onbezoldigde diakonaat.

3.6. Bovenstaande leidt, naar het oordeel van de wederpartij, tot de
conclusie dat de hier aan de orde zijnde kwestie in feite geen aangelegenheid
betreft waarvoor de Commissie bedoeld is.

Voorzover de Commissie een andere mening is toegedaan, staat in ieder geval
vast dat in artikel 5 lid 3 WGB een uitzondering is voorzien voor geestelijke
ambten. Er kan geen twijfel over bestaan dat het gewijde ambt van diaken kan
worden aangemerkt als een geestelijk ambt als bedoeld in artikel 5 lid 3.
Zowel de Rooms-Katholieke kerk als het Bisdom worden geregeerd door hun eigen
statuut. De vraag of de beroepsactiviteiten van priester of diaken vanwege
hun aard of de voorwaarden voor de uitoefening ervan geslachtsbepaald zijn,
moet dus beantwoord worden in overeenstemming met dat statuut.

Ter nadere onderbouwing van de geslachtsbepaaldheid van het ambt van diaken
verwijst de wederpartij naar canon 1009, paragraaf 1 Codex (“de wijdingen
zijn het episcopaat, het presbyteriaat en het diakonaat”) en naar canon 1024
Codex “alleen een gedoopte man ontvangt geldig de heilige wijding”. De
beperking tot mannen voor wat betreft de opleiding en wijding berust op
theologische uitgangspunten en is een gegeven van de inrichting van de
Rooms-Katholieke kerk. Aan deze artikelen van de Codex ligt binnen de
Rooms-Katholieke kerk een eeuwenlange vaste en algemene traditie ten
grondslag. Het betreft hier een element van de leer van de Rooms- Katholieke
kerk vastgesteld door het hoogste gezag binnen die kerk. Het Bisdom ‘s-
Hertogenbosch vormt van deze wereldomvattende geloofsgemeenschap een relatief
beperkt onderdeel. De wederpartij benadrukt dat zij zich uiteraard in
opvattingen en handelen naar de officiele leer van de Rooms- Katholieke kerk
richt.

Over de samenhang tussen de opleiding tot diaken en de wijding tot diaken
merkt de wederpartij het volgende op.

Verzoekster is van mening dat er een scheiding mogelijk is tussen opleiding
en beroep.

De wederpartij is van mening dat de opleiding tot diaken en vervolgens de
wijding tot diaken niet los van elkaar gezien kunnen worden. Uit de
constatering dat personen die de opleiding tot diaken hebben gevolgd niet
gedwongen kunnen worden om de wijding te ontvangen, kan niet de conclusie
getrokken worden dat er geen rechtstreekse band is tussen opleiding en
wijding. Een zodanige dwang is immers onverenigbaar met een aantal wezenlijke
kenmerken van het geestelijk ambt van diaken. Bovendien is het zo dat iemand
waarvan in de loop van de opleiding duidelijk wordt dat hij niet tot de
wijding van diaken toegelaten zal kunnen worden, niet meer in de gelegenheid
wordt gesteld de opleiding verder te volgen.

De wederpartij is van mening dat deze bij de Commissie aanhangige procedure
in ieder geval niet het geeigende kader biedt om over de theologische en/of
kerkrechtelijke achtergronden van dit deel van de kerk in discussie te treden
en/of de Commissie te verzoeken daarover een standpunt in te nemen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de toelating tot de
diakenopleiding onderscheid maakt op grond van geslacht in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

4.2. Artikel 4 lid 2 WGB schrijft onder andere voor dat de natuurlijke
persoon of de rechtspersoon, die een beroepsopleiding, voortgezette
beroepsopleiding, of cursus voor bijscholing of omscholing onder welke naam
dan ook in stand houdt geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen
bij de toelating tot de opleiding.

In artikel 5 lid 2 WGB is bepaald dat van het bepaalde in artikel 4 mag
worden afgeweken in gevallen waarin vanwege de aard of de voorwaarden voor
de uitoefening van de betreffende beroepsactiviteit het geslacht bepalend is.

In lid 3 van artikel 5 staat vermeld: “Als beroepsactiviteit en hiervoor
noodzakelijke opleidingen waarvoor vanwege hun aard of de voorwaarden voor
de uitoefening ervan het geslacht bepalend kan zijn, worden slechts beschouwd
die welke behoren tot respectievelijk opleiden voor een of meer van de
volgende categorieen:

a. geestelijke ambten [ …]”.

4.3. Allereerst is hier de vraag aan de orde of het ambt van diaken een
geestelijk ambt is.

In de Memorie van Toelichting bij de herziening van de WGB (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1986-1987, 19 908, nr. 3) staat over het geestelijk ambt het
volgende vermeld: “[
..] Een geestelijk ambt bekleden die personen, die binnen een kerkgenootschap
of een ander genootschap op geestelijke grondslag zijn aangewezen om voor te
gaan in de eredienst dan wel op andere wijze aan het geestesgoed van het
genootschap uiting te geven.”

De taken van een diaken zijn het toedienen van het sacrament van het doopsel,
de huwelijksbevestiging en -inzegening verrichten, de heilige communie
uitreiken en de begrafenisrite verrichten.

De wederpartij noch verzoekster betwisten dat het gewijde ambt van diaken een
geestelijk ambt is ingevolge canon 266, paragraaf 1 Codex. Gelet op de taken
van een diaken, concludeert de Commissie dat het ambt valt onder de definitie
zoals omschreven in de Memorie van Toelichting, zodat het ambt van diaken is
aan te merken als een geestelijk ambt als bedoeld in artikel 5 lid 3 onder
a WGB.

4.4. De volgende vraag die in het verlengde van het vorenstaande beantwoord
moet worden is of de diakenopleiding beschouwd kan worden als een
beroepsopleiding in de zin van artikel 4 lid 2 WGB.

De wederpartij betwist dit immers (in 3.5.) en verbindt hieraan de conclusie
dat de Commissie niet bevoegd is haar oordeel uit te spreken over de
onderhavige kwestie.

De Commissie kan deze visie van de wederpartij niet delen. In zijn
algemeenheid kan niet gezegd worden dat het uitoefenen van een geestelijk
ambt geen beroepsuitoefening is. Dat het ambt in principe levenslang en niet
altijd betaald wordt uitgeoefend verzet zich daar niet tegen. Het feit dat
de tekst van artikel 5 lid 2 en 3 WGB de beroepsactiviteit van het
“geestelijk ambt” en de daarvoor noodzakelijke opleiding op zich wel onder
het bereik van de WGB schaart, wijst er op dat ook de wetgever het geestelijk
ambt als een beroep beschouwt en de opleiding daartoe als een
beroepsopleiding. De opleiding tot diaken is naar het oordeel van de
Commissie dan ook een beroepsopleiding in de zin van artikel 4 lid 2 WGB.

4.5. De Commissie komt dan aan de -tussen partijen met name in geschil
zijnde- vraag, namelijk of op grond van het bepaalde in artikel 5 lid 2 en
3 van de WGB het ambt van diaken en de diakenopleiding vanwege zijn aard of
voorwaarden voor de uitoefening daarvan geslachtsbepaald is, zodat vrouwen
daarvan uitgesloten mogen worden. Voor het antwoord op deze vraag is van
doorslaggevend belang of de geslachtsbepaaldheid van de beroepsactiviteit
en/of de beroepsopleiding beoordeeld moet worden aan de hand van hetgeen het
kerkgenootschap daaronder zelf verstaat of dat de Commissie zelfstandig kan
beoordelen of het ambt en/of de beroepsopleiding al dan niet door vrouwen
vervuld kan worden op grond van bepaalde aan vrouwen dan wel aan mannen
voorbehouden fysieke/psychische kenmerken.

De Commissie onderschrijft het standpunt van verzoekster waar deze stelt dat
een geestelijk ambt niet per definitie geslachtsbepaald is. Er zijn immers
diverse religies waar vrouwen en mannen de geestelijke ambten kunnen
bekleden. Anders dan verzoekster, is de Commissie echter van oordeel dat de
vrijheid om het geestelijk ambt slechts open te stellen voor een van beide
geslachten (de kan-bepaling van artikel 5 lid 3 WGB), voorbehouden is aan de
desbetreffende kerkgenootschappen. De “aard of voorwaarden voor de
uitoefening” als bedoeld in artikel 5 lid 2 en 3 dienen zo opgevat te worden,
dat vrijheid van godsdienst en de daarmee samenhangende vrijheid van
inrichting zo zwaar wegen, dat het aan degene die een beroepsopleiding voor
een geestelijk ambt in stand houdt, krachtens de uitdrukkelijke bewoordingen
van de WGB vrijstaat onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen op grond
van zijn levensbeschouwing. Het oordeel over de juiste uitleg van de
geloofsleer van enige godsdienstige gezindte komt de Commissie niet toe; zij
kan dan ook niet treden in de beoordeling van de geloofsvragen die
verzoekster en wederpartij ten aanzien van de diakenopleiding en wijding
verdeeld houden (Zie pagina 21 van de Memorie van Toelichting, Tweede Kamer
vergaderjaar 1986-1987, 19 908, nr 3). Daaraan kan niet afdoen dat volgens
beide partijen verzoekster een roeping gevoelt voor het ambt van diaken en
dat zij een op sterke en redelijke gronden berustend verlangen heeft om de
diakenopleiding te volgen.

Uit bovenstaande leidt de Commissie af dat de wederpartij een uitleg aan
geslachtsbepaaldheid kan geven conform de Codex. In canon 259, paragraaf 1
Codex is bepaald dat de wederpartij beslist welke personen tot het Seminarie
toegelaten worden, met dien verstande dat -ingevolge canon 1024- alleen
(gedoopte) mannen tot diaken gewijd kunnen worden. Op die laatste bepaling
baseert de wederpartij ook haar weigering vrouwen -en in het bijzonder
verzoekster- tot de diakenopleiding toe te laten. Gelet op die duidelijke
bepaling, staat voor de Commissie vast dat het ambt van diaken door de
Commissie bij de uitleg van de WGB moet worden gerespecteerd als zijnde
geslachtsbepaald.

In hetgeen door verzoekster verder is aangevoerd, heeft de Commissie
onvoldoende aanknopingspunten aanwezig geacht voor een andersluidende
conclusie. Verzoekster heeft wel een aantal voorbeelden gegeven waaruit
volgens haar bleek dat de regels binnen een godsdienstige organisatie niet
altijd gaan boven regelgeving van de nationale overheid. In de voorbeelden
die verzoekster noemt, zijn echter dusdanige belangen van de Nederlandse
openbare orde betrokken, dat de wetgever daarin kennelijk aanleiding zag om
deze expliciet voorrang te geven boven het eigen statuut van een
kerkgenootschap. Die situatie doet zich hier echter niet voor. Evenmin zijn
in de internationale verdragen aanknopingspunten te vinden, die dwingen tot
een andere uitleg van de WGB dan hiervoor gegeven. Verzoekster heeft wel
diverse verdragen genoemd, maar zij heeft daarbij niet aangegeven welke
concrete verdragsbepaling toegespitst op de onderhavige situatie tot het door
haar gewenste resultaat moet leiden. De Commissie ziet die strijdigheid met
het internationale recht in ieder geval niet.

4.6. Verzoekster heeft tenslotte aan de orde gesteld dat de opleiding tot
diaken en het ambt diaken gescheiden gezien moeten worden wat betreft de
geslachtsbepaaldheid. Uit de bepalingen in artikel 5 lid 2 en 3 WGB blijkt
immers dat indien er een noodzakelijke samenhang is tussen de
beroepsactiviteit en de opleiding, daaruit volgt dat, indien de
beroepsactiviteit geslachtsbepaald is, ook de opleiding geslachtsbepaald is.

Verzoekster baseert haar betoog om beroep en opleiding te scheiden op de
volgende redenering.

Zij leidt uit het feit dat diakens en priesters ook beroepsactiviteiten
verrichten waarvoor geen wijding nodig is en die derhalve niet
geslachtsbepaald zijn af, dat ook de diakenopleiding niet geslachtsbepaald
is. Bovendien wijst zij er op dat leerlingen niet gedwongen kunnen worden om
diaken te worden.

De Commissie is echter van oordeel dat uit het hiervoor vermelde nog niet
volgt dat niet het vereiste verband bestaat tussen de opleiding en het ambt.
Vast staat dat een persoon die de diakenopleiding niet gevolgd heeft, nimmer
voor wijding tot diaken in aanmerking zal komen. Aldus is er volgens de
Commissie een noodzakelijke samenhang tussen de diakenopleiding en het ambt
van diaken. Het doel van de opleiding is om uiteindelijk tot diaken gewijd
te worden, hetgeen verzoekster overigens ook niet betwist. Hieraan doet niet
af dat leerlingen daartoe niet gedwongen kunnen worden.

De Commissie concludeert op grond van bovenstaande dat het ambt van diaken
en de daarvoor noodzakelijke opleiding een geestelijk ambt is in de zin van
artikel 5 lid 3 onder a WGB, welke op grond van het eigen statuut van het
kerkgenootschap, de Codex, als geslachtsbepaald beschouwd kan worden. Hiermee
staat vast dat de wederpartij geen onderscheid naar geslacht maakt in strijd
met artikel 4 lid 2 WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat jegens mevrouw
te Volkel geen onderscheid naar geslacht in
strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen heeft gemaakt
door haar de toegang tot de diakenopleiding te weigeren.

Aldus vastgesteld op 2 juli 1992 naar aanleiding van de behandeling in
raadkamer d.d. 7 mei 1992.

Rechters

mw mr. E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter), mw mr C.E. van Vleuten(lid Kamer), mw drs J.A.M. Stolwijk (lid Kamer), mw drs C.M. Sjerps(secretaris).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 1 juli 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Bij een aanstellingskeuring wordt vrouwen (schriftelijk) gevraagd naar
de laatste menstruatie en het verloop van de menstruatie. De keuringsinstantie
en de opdrachtgever zijn bij de aanstellingskeuring verantwoordelijk voor het
naleven van de WGB. Beide vragen leveren strijd op met de Wet. De eerste omdat
hiermee wordt geinformeerd naar evenstuele zwangerschap. De tweede omdat
alleen voor vrouwen specifieke vragen zijn opgenomen in de vragenformulieren
en alleen hier wordt gevraagd naar verzuim in verband met klachten.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 11 oktober 1991 verzocht het te Alkmaar (hierna: verzoeker) de
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel
uit te spreken over de vraag of hij onderscheid maakt op grond van geslacht
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

Nieuwe medewerkers van verzoeker dienen voor de medische
aanstellingskeuring een vragenformulier in te vullen. Enkele vragen van dit
formulier zijn alleen voor vrouwen bedoeld. Verzoeker vraagt zich af of hij
door het hanteren van deze vragen handelt in strijd met de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168) en/of artikel
7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW).

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld.

Verzoeker heeft enkele malen de gelegenheid gehad zijn standpunt nader
schriftelijk toe te lichten.

De Commissie heeft tevens de betrokken keuringsinstantie om nadere
informatie gevraagd ex artikel 18 WGB.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie verzoeker uitgenodigd zijn standpunt
nader toe te lichten tijdens een zitting op

14 mei 1992. Verzoeker heeft van deze mogelijkheid geen gebruik
gemaakt.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van de Commissie

– dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter)

– mw mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer)

– mw drs A.J. Huber (lid Kamer)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker laat de medische aanstellingskeuringen van nieuwe
medewerkers verrichten door de GGD (hierna: de keuringsinstantie) in zijn
vestigingsplaats. Een nieuwe medewerkster van verzoeker die ten behoeve van
deze aanstellingskeuring een vragenformulier moest invullen, wees verzoeker op
enkele volgens haar discriminerende vragen. Het betreft de volgende vragen op
dit formulier:

“Alleen voor vrouwen

53. Heeft u last van de menstruatie?

– Moet u daar ooit voor thuisblijven?

54. Wanneer had U de laatste menstruatie? (datum)”

Als reactie op de klacht van zijn medewerkster, heeft verzoeker de
onderhavige vragenlijst op dit punt ter beoordeling voorgelegd aan de
Commissie.

3.2. Het onderzoek van de Commissie naar de werkwijze rond de medische
aanstellingskeuring heeft de volgende informatie opgeleverd.

De keurende instantie, dus niet de organisatie die opdracht geeft tot
keuring, bepaalt welk vragenformulier wordt gebruikt bij
aanstellingskeuringen. De keuringsinstantie die voor verzoeker keuringen
verricht, gebruikt hiervoor een standaardformulier dat is ontwikkeld in een
landelijk overleg van gezondheidsdiensten. Verzoeker heeft als opdrachtgever
niet de bevoegdheid vragen van het formulier te schrappen. Wel kan hij bij
bepaalde vragen beantwoording door de kandidaten facultatief laten. Van deze
bevoegdheid heeft verzoeker tot op heden geen gebruik gemaakt.

Volgens verzoeker worden tijdens de keuring geen vragen gesteld die
specifiek voor mannen zijn bedoeld. Volgens de keuringsinstantie zijn er wel
vragen die speciaal aan mannen worden gesteld, zij het dat deze vragen niet in
het vragenformulier zijn opgenomen, maar mondeling worden gesteld. Deze vragen
hebben betrekking op het functioneren van het mannelijke urogenitale stelsel
en hebben als doel het in beeld brengen van eventuele prostaatklachten.

3.3. De Commissie heeft de betrokken keuringsinstantie gevraagd naar de
reden voor het opnemen van de in geding zijnde vragen.

Volgens de keuringsinstantie maakt het vragen naar de menstruatie (vraag
53.) integraal onderdeel uit van een medisch onderzoek. Problemen met de
menstruatie kunnen de arts op het spoor brengen van andere
gezondheidsproblemen. De vraag of iemand wel eens thuis moet blijven in
verband met menstruatieklachten wordt gebruikt als een grove zeef om de ernst
van de klachten helder te krijgen.

In het vragenformulier informeert de keuringsinstantie alleen bij de
vraag over menstruatieklachten naar eventueel verzuim in verband met aan de
orde zijnde klachten.

De datum van de laatste menstruatie (vraag 54.) is erop gericht om vast
te stellen of een aanstaande werkneemster zwanger is en om (andere)
menstruatiestoornissen op te sporen.

3.4. Na afloop van de keuring verneemt verzoeker van de
keuringsinstantie of de keurling al dan niet geschikt is voor de functie
waarvoor werd gekeurd. Verdere informatie geeft de keuringsinstantie niet.
Verzoeker heeft dit bevestigd. Wanneer een vrouw zwanger is en zij een beroep
zal gaan uitoefenen waarbij de vrucht beschadigd zou kunnen worden, dan
informeert de keuringsinstantie haar wel over de risico’s. De zwangerschap als
zodanig heeft geen negatieve invloed op de uitslag van de keuring. Ingeval van
menstruatieklachten die geen gevaar opleveren voor betrokkene of anderen bij
het uitoefenen van de functie, wordt de keuringsuitslag niet negatief
beinvloed.

Verzoeker voegde hier aan toe dat mocht de keuringsinstantie hem
informeren over een eventuele zwangerschap of menstruatieklachten van een
sollicitante, dit geen invloed zal hebben op de beslissing over het al dan
niet aannemen van de betrokken vrouw.

3.5. Uit een door verzoeker overgelegd krantenbericht van begin 1992
blijkt dat het onderhavige formulier op de gewraakte punten wordt gewijzigd.
Ook de keuringsinstantie die voor verzoeker de keuringen verricht zal op
termijn, als de oude voorraad op is, dit nieuwe formulier gaan gebruiken.

Het standpunt van verzoeker

3.6. Verzoeker is van mening dat de vraagstelling bij de vragen 53. en
54. van het onderhavige vragenformulier, wellicht onbedoeld, tendeert naar
discriminatie op grond van geslacht. Hij acht de vragen 53. en 54. vanuit zijn
belangen als werkgever niet relevant. Verzoeker acht deze kwestie van meer dan
lokaal belang. Dit bracht hem ertoe de vragen voor te leggen aan de Commissie.
Ook nu de desbetreffende keuringsinstantie voornemens is haar beleid op dit
punt te wijzigen, blijft het volgens verzoeker voor hem van belang dat de
Commissie zich uitspreekt over deze kwestie.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of verzoeker handelt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling wanneer bij de medische aanstellingskeuring een
vragenformulier wordt gebruikt, waarop enkele vragen voorkomen die alleen voor
vrouwen zijn bedoeld.

Zoals de Commissie reeds eerder heeft vastgesteld (Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 21 september 1990,
oordeelnummer 40-90-135; 17 juni 1991, oordeelnummer 336A-91-35 en 336B-91-36)
, maakt de aanstellingskeuring deel uit van zowel de selectieprocedure als de
aanstellingsprocedure. Artikel 3 lid 1 WGB en artikel 7A:1637ij lid 1 BW
bepalen dat het niet is toegestaan om onderscheid te maken bij de behandeling
bij de vervulling van een openstaande betrekking (selectiefase),
respectievelijk bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst (aanstellingsfase).
Artikel 7A:1637ij lid 2, 3 en 4 BW bepalen dat slechts in drie gevallen van
het verbod in lid 1 van dit artikel mag worden afgeweken. Namelijk in die
gevallen waarin 1) het geslacht bepalend is voor de functie, 2) er sprake is
van een voorkeursbeleid voor vrouwen, 3) er sprake is van bedingen die
betrekking hebben op de bescherming van vrouwen, met name in verband met
zwangerschap en moederschap.

In artikel 5 lid 1 en 2 WGB is bepaald dat van de norm in artikel 3 lid
1 WGB mag worden afgeweken indien er sprake is van een geslachtsbepaalde
functie, respectievelijk als er sprake is van voorkeursbeleid voor vrouwen.

De uitzonderingsbepalingen betreffende het voorkeursbeleid voor vrouwen
en de geslachtsbepaaldheid van een functie zijn in deze zaak niet van
toepassing.

De uitzonderingsbepaling die de bescherming van vrouwen betreft geldt
niet voor artikel 3 lid 1 WGB en geldt dus niet voor de selectiefase. Waar het
gaat om de aanstellingsfase als bestreken door artikel 7A:1637ij BW, geldt dat
de uitzonderingsgrond van de bescherming van de vrouw alleen mogelijk is bij
bedingen die betrekking hebben op de bescherming van vrouwen. Gelet op de term
‘bedingen’ en de samenhang tussen artikel 3 WGB en 7A:1637ij BW moet worden
geconcludeerd dat de uitzonderingsgrond van de bescherming van de vrouw ook
niet geldt voor het aangaan van de arbeidsovereenkomst.

4.2. Blijkens de tekst van artikel 3 WGB en de Memorie van Toelichting
op dit artikel, richt artikel 3 zich zowel tot de werkgever als tot een derde
die door deze werkgever wordt betrokken bij de wervings- en selectieprocedure
(Tweede kamer, vergaderjaar 1986-1987, 19.908, nr. 3, blz. 18. Zie ook de
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 17 juni
1991, oordeelnummers 336A-91-35 en 336B-91- 36.).

In beginsel is de werkgever verantwoordelijk voor de naleving van de WGB
voor het geheel van de wervings-, de selectie- en de aanstellingsfase.
Daarnaast is een door de werkgever ingeschakelde derde aanspreekbaar op de
naleving van de WGB voor dat deel van de sollicitatieprocedure waar deze bij
betrokken is. De eigen verantwoordelijkheid van de derde voor het naleven van
de WGB heft de verantwoordelijkheid van de werkgever dus niet op.

4.3. In de onderhavige zaak schakelt verzoeker in de laatste fase van de
selectieprocedure een keuringsinstantie in voor het uitvoeren van de
aanstellingskeuring.

Zowel deze keuringsinstantie als verzoeker zijn verantwoordelijk voor de
handelingen van de keuringsinstantie in het kader van de aanstellingskeuring
ten behoeve van verzoeker.

Gelet op de verantwoordelijkheid van verzoeker voor het naleven van de
WGB door de keuringsinstantie, komt hieronder de vraag naar de verenigbaarheid
van de vragen onder 53. en 54. met de WGB aan de orde.

4.4. De vragen onder 53. zijn alleen gericht tot vrouwen. Volgens de
keuringsinstantie is de vraag naar verzuim een middel om de ernst van de
klachten te kunnen inschatten. Dat de specifiek op het geslacht van een
medewerker betrekking hebbende informatie relevant kan zijn voor het vormen
van een compleet beeld van zijn of haar gezondheidstoestand wordt door de
Commissie erkend. Zij stelt echter vast dat op het vragenformulier alleen voor
vrouwen specifieke vragen zijn opgenomen. Daarnaast stelt de Commissie vast
dat de keuringsinstantie alleen bij de hier in het geding zijnde vraag
informeert naar eventueel verzuim in verband met aan de orde zijnde klachten.
Het is niet duidelijk waarom deze vraag hier wel en bij de andere vragen op
het formulier niet van belang is. Deze vaststellingen in hun onderlinge
samenhang beschouwd, brengen de Commissie tot het oordeel dat de wederpartij
direct onderscheid maakt op grond van geslacht in het nadeel van vrouwen.

4.5. Ook de vraag onder 54. is alleen gericht tot vrouwen. De
keuringsinstantie geeft als een van de redenen voor het stellen van de vraag
naar de laatste menstruatiedatum dat zij vast wil stellen of een vrouw zwanger
is, zodat zij zwangere vrouwen die bepaalde risicoberoepen zullen gaan
uitoefenen kan wijzen op de risico’s voor de vrucht.

Voor zover deze reden aan te merken is als een beroep op de
uitzonderingsgrond ter bescherming van de vrouw van 7A:1637ij lid 3 BW zij
opgemerkt dat, aangezien deze uitzonderingsgrond niet voor de selectiefase
geldt en er evenmin bij de aanstelling sprake kan zijn van een beding ter
bescherming van vrouwen, dit beroep niet kan slagen.

Het vragen naar de laatste menstruatiedatum is een vraag die specifiek
aan vrouwen wordt gesteld. Bovendien brengt deze vraag in deze fase van de
selectie- en aanstellingsprocedure het risico met zich mee dat wanneer uit de
beantwoording van de vraag blijkt dat een vrouw zwanger is, zij mogelijk niet
wordt aangenomen. Weliswaar heeft de keuringsinstantie aangegeven dat
zwangerschap geen negatieve invloed heeft op de keuringsuitslag en heeft
verzoeker aangegeven dat zwangerschap geen reden is om een vrouw af te wijzen,
maar controle op de handelwijze van verzoeker en de keuringsinstantie is niet
goed mogelijk.

Hiermee staat vast dat verzoeker door het stellen van de vraag onder 54.
van het vragenformulier een door de Wet verboden onderscheid naar geslacht
maakt.

4.6. Overigens wijst de Commissie erop dat als de vragen in 53. en 54.
tijdens de keuring mondeling op overeenkomstige wijze zouden worden gesteld
dit ook strijd met de Wet zou opleveren.

In de onderhavige zaak, waarbij de keuringsinstantie mondeling ook aan
mannen sekse-specifieke vragen stelt, vervalt dan weliswaar het argument dat
alleen aan vrouwen sekse-specifieke vragen worden gesteld. Het gevaar dat deze
concrete vragen juist voor vrouwen het effect van een verminderde kans op
aanstelling hebben, blijft echter bestaan.

4.7. De Commissie waardeert het initiatief van verzoeker om te
bewerkstelligen dat de gewraakte vragen van het vragenformulier worden
verwijderd. Tegelijkertijd wijst de Commissie erop dat, zolang de oude
formulieren worden gebruikt zonder aan te geven dat de vragen 53. en 54.
onbeantwoord dienen te blijven, verzoeker in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling zal blijven handelen.

5.HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het te Alkmaar door
bij de aanstellingskeuring de vragen onder 53. en 54. van het vragenformulier
te laten stellen, onderscheid maakt in strijd met artikel 3 lid 1 Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen en artikel 7A:1637ij lid 1 van het
Burgerlijk Wetboek.

Aldus vastgesteld op 1 juli 1992 naar aanleiding van de behandeling in
de raadkamer d.d. 14 mei 1992.

Rechters

dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter), mw mr J.E.Goldschmidt (lid Kamer), mw drs A.J. Huber (lid Kamer), mw drs C.M. Sjerps(secretaris).