Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 juni 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘vlakdrukmonteur/kopiist’ gevraagd
wordt zonder de vermelding ‘m/v’ levert strijd op met de Wet. In de
advertentie is niet zowel de mannelijke als vrouwelijke functiebenaming
gebruikt en is niet uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 7 februari 1992 verzocht Druk en Papier FNV te Amsterdam
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door te Rotterdam
(hierna: wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding van een
betrekking in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd.

Verzoeker is van mening dat deze vacaturemelding in strijd is met de
WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee
voldoet verzoeker aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in behandeling
genomen en op grond van artikel 36 van het procedurereglement besloten om in
deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen. De wederpartij is in de
gelegenheid gesteld tegen deze beslissing bezwaar aan te tekenen. De
wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het tijdschrift ‘Pers’ van 26 september 1991. In deze
advertentie vraagt de wederpartij om een ‘ervaren vlakdrukmonteur/kopiist’. In
de advertentie staat niet vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen voor de aangeboden functie.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen
en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij heeft erkend dat zij bij het gebruik van de
functiebenaming ‘vlakdrukmonteur/kopiist’ de toevoeging m/v is vergeten.
Tevens heeft de wederpartij met haar verweerschrift een aantal advertenties
meegestuurd waaruit blijkt dat het gebruik van de toevoeging m/v bij haar een
goed gebruik is. De wederpartij deelt naar aanleiding van een van deze
advertenties mee dat zij op deze advertentie een vrouw heeft aangenomen.
Daaruit blijkt volgens de wederpartij dat de toevoeging m/v bij haar geen loze
kreet is.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in de onderhavige advertentie om een
‘vlakdruk-

monteur/kopiist’ te vragen, terwijl zij niet

uitdrukkelijk vermeld heeft dat zowel mannen als vrouwen voor de functie
in aanmerking komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit tekst en vormgeving van een
advertentie moet duidelijk blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering, bijvoorbeeld als de
werkgever een voorkeursbeleid voor vrouwen wil voeren, mag van dit verbod
worden afgeweken. De reden van deze afwijking moet in de advertentie worden
vermeld.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat of
zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet worden,
of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

5.4. In de onderhavige advertentie wordt voor de functie slechts een
functiebenaming vermeld, namelijk ‘vlakdrukmonteur/kopiist’. In dat geval
stelt de Wet de eis dat uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als
vrouwen voor de betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke
vermelding ontbreekt in de advertentie.

Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op grond
van geslacht in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met
artikel 3 lid 3 en lid 1 WGB.

5.5. Met betrekking tot het verweer van de wederpartij merkt de
Commissie nog het volgende op.

Verzoeker heeft een oordeel gevraagd over de in paragraaf 4.1.
beschreven advertentie. De Commissie kan dan ook geen uitspraak doen over de
advertenties die door de wederpartij zijn overgelegd, noch over het
wervingsbeleid van de wederpartij in het algemeen. De Commissie waardeert
echter het kennelijk streven van de wederpartij om de regels zoals die in
artikel 3 van de WGB zijn neergelegd na te leven.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Rotterdam bij
de aanbieding van de betrekking onderscheid heeft gemaakt in strijd met
artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen heeft gehandeld.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter, drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 juni 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om twee ‘ontwerpers/werktekenaars’ gevraagd
wordt zonder de vermelding ‘m/v’ levert strijd op met de Wet. In de
advertentie is niet zowel de mannelijke als vrouwelijke functiebenaming
gebruikt en is niet uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 7 februari 1992 verzocht Druk en Papier FNV te Amsterdam
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door te
Rotterdam (hierna: wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding van
een betrekking in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd.

Verzoeker is van mening dat deze vacaturemelding in strijd is met de
WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee
voldoet verzoeker aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in behandeling
genomen en op grond van artikel 36 van het procedurereglement besloten om in
deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen. De wederpartij is in de
gelegenheid gesteld tegen deze beslissing bezwaar aan te tekenen. De
wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het tijdschrift ‘Pers’ van 26 september 1991. In deze
advertentie vraagt de wederpartij om een ‘ervaren vlakdrukmonteur/kopiist’. In
de advertentie staat niet vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen voor de aangeboden functie.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen
en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij heeft erkend dat zij bij het gebruik van de
functiebenaming ‘vlakdrukmonteur/kopiist’ de toevoeging m/v is vergeten.
Tevens heeft de wederpartij met haar verweerschrift een aantal advertenties
meegestuurd waaruit blijkt dat het gebruik van de toevoeging m/v bij haar een
goed gebruik is. De wederpartij deelt naar aanleiding van een van deze
advertenties mee dat zij op deze advertentie een vrouw heeft aangenomen.
Daaruit blijkt volgens de wederpartij dat de toevoeging m/v bij haar geen loze
kreet is.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in de onderhavige advertentie om een
‘vlakdruk-

monteur/kopiist’ te vragen, terwijl zij niet

uitdrukkelijk vermeld heeft dat zowel mannen als vrouwen voor de functie
in aanmerking komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit tekst en vormgeving van een
advertentie moet duidelijk blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering, bijvoorbeeld als de
werkgever een voorkeursbeleid voor vrouwen wil voeren, mag van dit verbod
worden afgeweken. De reden van deze afwijking moet in de advertentie worden
vermeld.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat of
zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet worden,
of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

5.4. In de onderhavige advertentie wordt voor de functie slechts een
functiebenaming vermeld, namelijk ‘vlakdrukmonteur/kopiist’. In dat geval
stelt de Wet de eis dat uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als
vrouwen voor de betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke
vermelding ontbreekt in de advertentie.

Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op grond
van geslacht in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met
artikel 3 lid 3 en lid 1 WGB.

5.5. Met betrekking tot het verweer van de wederpartij merkt de
Commissie nog het volgende op.

Verzoeker heeft een oordeel gevraagd over de in paragraaf 4.1.
beschreven advertentie. De Commissie kan dan ook geen uitspraak doen over de
advertenties die door de wederpartij zijn overgelegd, noch over het
wervingsbeleid van de wederpartij in het algemeen. De Commissie waardeert
echter het kennelijk streven van de wederpartij om de regels zoals die in
artikel 3 van de WGB zijn neergelegd na te leven.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Rotterdam bij de
aanbieding van de betrekkingen onderscheid heeft gemaakt in strijd met artikel
3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen heeft gehandeld.

Rechters

mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter en drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 juni 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘Cad/Cam/ ontwerper’ gevraagd wordt
zonder de vermelding ‘m/v’ levert strijd op met de Wet. In de advertentie is
niet zowel de mannelijke als vrouwelijke functiebenaming gebruikt. Hoewel in
de toelichtende tekst een zinsnede staat (….) zijn of haar repertoir (…)
waaruit blijkt dat zowel mannen als vrouwen op de aangeboden advertentie
kunnen solliciteren, is het bij kennisneming van de vacature niet aanstonds
duidelijk dat de functie uitdrukkelijk zowel aan mannen als aan vrouwen wordt
aangeboden.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 7 februari 1992 verzocht Druk en Papier FNV te Amsterdam
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door
te

‘s-Gravenhage (hierna: wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de
aanbieding van een betrekking in strijd met de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een ‘professioneel
Cad/Cam ontwerper’. Verzoeker is van mening dat deze vacaturemelding in strijd
is met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee
voldoet verzoeker aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in behandeling
genomen en op grond van artikel 36 van het procedurereglement besloten om in
deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen. De wederpartij is in de
gelegenheid gesteld tegen deze beslissing bezwaar aan te tekenen. De
wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het tijdschrift ‘Pers’ van

26 september 1991.

In de advertentie staat in grote vetgedrukte letters de mededeling “Als
professioneel Cad/Cam ontwerper verlegt u bij Design Support voortdurend
grenzen”. Onderaan de advertentie is in kleine letters over drie kolommen meer
informatie over de betreffende functie afgedrukt. Halverwege de derde kolom
staat de volgende zinsnede: “We denken aan […] die het een uitdaging vindt
zijn of haar repertoire voortdurend uit te breiden […].”. Dit is de enige
zin waaruit blijkt dat zowel mannen als vrouwen op de aangeboden funktie
kunnen solliciteren.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen
en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij heeft erkend dat zij bij het gebruik van de
functiebenaming ‘Cad/Cam ontwerper’ heeft verzuimd de letters m/v achter de
betreffende functiebenaming te plaatsen. Volgens de wederpartij werd deze
toevoeging abusievelijk niet geplaatst. De wederpartij maakt dit op uit een
brief van een wervingsbureau, dat de advertentie in samenspraak met de
wederpartij heeft opgesteld.

De wederpartij wijst erop dat in de beschrijvende tekst bij de
advertentie wel is aangegeven en volgens de wederpartij niet voor misverstand
vatbaar, dat door de advertentie zowel mannen als vrouwen worden aangesproken.
De wederpartij verwijst hierbij naar de zinsnede als geciteerd in paragraaf
4.1. De wederpartij deelt naar aanleiding hiervan mee dat zij geenszins de
intentie heeft gehad om in de advertentie onderscheid te maken tusen mannen en
vrouwen. Dit zou volgens de wederpartij ook niet stroken met haar
personeelsbeleid.

De wederpartij geeft verder aan dat bij nog te plaatsen
personeelsadvertenties de toevoeging m/v niet meer zal ontbreken.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in de onderhavige advertentie om een
‘Cad/Cam ontwerper’ te vragen, terwijl zij niet uitdrukkelijk vermeld heeft
dat zowel mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. De Wet noemt in artikel 5, twee
toegelaten uitzonderingen op dit verbod. Onderscheid is toegestaan als een
voorkeursbehandeling van vrouwen van toepassing is of als de betreffende
functie geslachtsbepaald is. De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een
van de wettelijke uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen
dat deze zich hier voordoen.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat of
zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet worden,
of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

5.4. In de onderhavige advertentie wordt slechts een functiebenaming
vermeld, namelijk ‘Cad/Cam ontwerper’. In dat geval stelt de Wet de eis dat
uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen voor de
betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke vermelding wordt in de
betreffende advertentie slechts eenmaal gedaan, in kleine, onopvallende
letters midden in een lang stuk tekst onder aan de advertentie. De Commissie
is van oordeel dat daardoor bij kennisneming van de vacature niet aanstonds
duidelijk is dat de functie uitdrukkelijk zowel aan mannen als vrouwen wordt
aangeboden.

Daarmee staat vast dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met
artikel 3 lid 3 en lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 1 WGB.

5.5. Overigens spreekt de Commissie haar waardering uit voor de
toezegging van de wederpartij de regels zoals neergelegd in artikel 3 van de
WGB, na te zullen leven.

5.6. Naar aanleiding van de mededeling van de wederpartij dat de
betreffende advertentie is opgesteld in samenspraak met een wervingsbureau,
wijst de Commissie -hoewel de wederpartij dit niet als verweer aanvoert-
wellicht ten overvloede nog op het volgende. De wederpartij kan zich ter
rechtvaardiging voor haar handelen niet beroepen op afspraken die met een voor
haar optredend wervingsbureau zijn gemaakt. Een werkgever heeft op grond van
artikel 3 lid 1 WGB een eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot het
naleven van de WGB.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te ‘s- Gravenhage
bij de aanbieding van een betrekking onderscheid heeft gemaakt in strijd met
artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen heeft gehandeld.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter, drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 juni 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘vlakdrukmonteur’gevraagd wordt
zonder de vermelding ‘m/v’ levert strijd op met de Wet. In de advertentie is
niet zowel de mannelijke als vrouwelijke functiebenaming gebruikt en is niet
uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 7 februari 1992 verzocht Druk en Papier FNV te Amsterdam
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door te
Zoetermeer (hierna: wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding van
een betrekking in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een
‘vlakdrukmonteur’. Verzoeker is van mening dat deze vacaturemelding in strijd
is met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee
voldoet verzoeker aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in behandeling
genomen en op grond van artikel 36 van het procedurereglement besloten om in
deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen. De wederpartij is in de
gelegenheid gesteld tegen deze beslissing bezwaar aan te tekenen. De
wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het tijdschrift ‘Pers’ van

24 september 1991. In de advertentie vraagt de wederpartij om een
‘vlakdrukmonteur’. In de advertentie staat niet vermeld dat zowel mannen als
vrouwen in aanmerking komen voor de aangeboden functie.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen
en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij heeft erkend dat zij bij het gebruik van de
functiebenaming ‘vlakdrukmonteur’, heeft verzuimd de letters m/v achter de
betreffende functie te plaatsen. Volgens de wederpartij was er geen sprake van
moedwil, maar werd de toevoeging waarschijnlijk in de haast vergeten. Tevens
heeft de wederpartij meegedeeld er in de toekomst alert op te zullen zijn dat
dit niet meer gebeurt.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in de onderhavige advertentie om een
‘vlakdrukmonteur’ te vragen, terwijl zij niet uitdrukkelijk vermeld heeft dat
zowel mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. De Wet noemt in artikel 5, twee
toegelaten uitzonderingen op dit verbod. Onderscheid is toegestaan als een
voorkeursbehandeling van vrouwen van toepassing is of als de betreffende
functie geslachtsbepaald is. De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een
van de wettelijke uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen
dat deze zich hier voordoen.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat of
zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet worden,
of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

5.4. In de onderhavige advertentie wordt slechts een functiebenaming
vermeld, namelijk ‘vlakdrukmonteur’. In dat geval stelt de Wet de eis dat
uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen voor de
betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke vermelding ontbreekt
echter in de advertentie.

Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op grond
van geslacht in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met
artikel 3 lid 3 en lid 1 WGB.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te
Zoetermeer bij de aanbieding van een betrekking onderscheid heeft gemaakt in
strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 en lid 1
van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen heeft gehandeld.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter en drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 juni 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘Hoofd Prepress’ gevraagd wordt
zonder de vermelding ‘m/v’ levert strijd op met de Wet. Bovenaan de
advertentie wordt een vraag gericht tot een ‘vakman’. In de advertentie is
niet zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt en is
niet uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als vrouwen op de aangeboden
functie kunnen solliciteren.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 7 februari 1992 verzocht Druk en Papier FNV te Amsterdam
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door
te Budel (hierna: wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding van
een betrekking in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. Verzoeker is van mening dat deze vacaturemelding in strijd is
met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee
voldoet verzoeker aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in behandeling
genomen en op grond van artikel 36 van het procedurereglement besloten om in
deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen. De wederpartij is in de
gelegenheid gesteld tegen deze beslissing bezwaar aan te tekenen. De
wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het tijdschrift ‘Pers’ van

26 september 1991. Bovenaan de advertentie staat in duidelijke letters
de volgende vraag afgedrukt: “Bent u vakman prepress en wilt u hogerop?”.

Halverwege de advertentietekst vraagt de wederpartij vervolgens in grote
vetgedrukte letters om een ‘Hoofd Prepress’. In de advertentie is niet vermeld
dat ook vrouwen op de aangeboden functie kunnen solliciteren.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen
en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij verwijst voor haar verweer naar een brief die zij
over deze zaak aan verzoeker heeft gestuurd. In deze brief erkent de
wederpartij dat zij bij het gebruik van de functiebenaming ‘Hoofd Prepress’
heeft verzuimd de letters m/v achter de betreffende functiebenaming te
plaatsen. Volgens de wederpartij is dit te wijten aan een vergissing bij het
zetwerk en de correctie-uitvoering. De wederpartij merkt echter op dat zelfs
zonder de toevoeging niet uit de advertentie is op te maken of het gaat om de
keuze van een mannelijke of vrouwelijke kandidaat. De wederpartij vraagt zich
af of dit opgemaakt zou moeten worden uit de ‘heading’ van de advertentie.

De wederpartij deelt verder mee dat zij inmiddels maatregelen heeft
getroffen om in de toekomst nog zorgvuldiger te zijn bij het opstellen van de
tekst in advertenties. Volgens de wederpartij is haar beleid erop gericht om,
zeker wanneer dat past, vrouwelijke medewerkers aan te trekken. De wederpartij
wijst hierbij op haar opleidingsaktiviteiten en de keuze van vrouwelijke
leerlingen binnen de onderneming. Tenslotte deelt de wederpartij mee dat bij
haar tien vrouwelijke medewerkers in dienst zijn, 20% van het totaal aantal
medewerkers.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in de onderhavige advertentie om een
‘vakman’ en een ‘Hoofd Prepress’ te vragen, terwijl zij niet uitdrukkelijk
vermeld heeft dat zowel mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking
komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit tekst en vormgeving van
een advertentie moet duidelijk blijken dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering, bijvoorbeeld als de
werkgever een voorkeursbeleid voor vrouwen wil voeren, mag van dit verbod
worden afgeweken. De reden van deze afwijking moet in de advertentie worden
vermeld.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat of
zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet worden,
of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

5.4. In de onderhavige advertentie wordt slechts een functiebenaming
vermeld, namelijk ‘Hoofd Prepress’. In dat geval stelt de Wet de eis dat
uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen voor de
betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke vermelding ontbreekt
echter in de advertentie. Bovendien wordt de vraag bovenaan de advertentie
gericht tot een ‘vakman’. In de advertentie wordt op geen enkele wijze
aangegeven dat zowel mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking komen.
Ofschoon de Commissie de intentie van de wederpartij om in de toekomst
zorgvuldiger te werk te gaan bij het opstellen van personeelsadvertenties
waardeert, doet dat niet af aan het feit dat de onderhavige advertentie in
strijd is met de regels zoals die in artikel 3 WGB zijn neergelegd.

Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op grond
van geslacht in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met
artikel 3 lid 3 en lid 1 WGB.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Budel bij
de aanbieding van een betrekking onderscheid heeft gemaakt in strijd met
artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen heeft gehandeld.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter en drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 juni 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘offsetdrukker’en een
‘micro-macromonteur’ gevraagd wordt zonder de vermelding ‘m/v’ levert strijd
op met de Wet. In de advertentie is niet zowel de mannelijke als vrouwelijke
functiebenaming gebruikt en is niet uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als
vrouwen in aanmerking komen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 7 februari 1992 verzocht Druk en Papier FNV te Amsterdam
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door te
Amsterdam (hierna: wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding van
betrekkingen in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. Verzoeker is van mening dat deze vacaturemelding in strijd is
met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee
voldoet verzoeker aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in behandeling
genomen en op grond van artikel 36 van het procedurereglement besloten om in
deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen. De wederpartij is in de
gelegenheid gesteld tegen deze beslissing bezwaar aan te tekenen. De
wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het tijdschrift ‘Pers’ van

26 september 1991. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een
‘offsetdrukker’ en een ‘micro-macromonteur’. In de advertentie staat niet
vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen voor de aangeboden
functies.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekkingen onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en
vrouwen en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij heeft erkend dat zij bij het gebruik van de
functiebenamingen ‘offsetdrukker’ en ‘micro-macromonteur’ geen aandacht heeft
geschonken aan de toevoeging m/v. De wederpartij deelt verder mee dat zij op
grond van een brief van verzoeker in de advertentie na de onderhavige
advertentie, wel de toevoeging m/v heeft gebruikt. De wederpartij betreurt de
niet correcte advertentie en zegt toe in de toekomst de regels van de WGB te
zullen hanteren. Tenslotte deelt de wederpartij mee dat in haar bedrijf op
geen enkele wijze regels of beleidslijnen gelden welke in strijd zijn met de
WGB.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekkingen onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in de onderhavige advertentie om een
‘offsetdrukker’ en een ‘micro-macromonteur’ te vragen, terwijl zij niet
uitdrukkelijk vermeld heeft dat zowel mannen als vrouwen voor de functies in
aanmerking komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit tekst en vormgeving van
een advertentie moet duidelijk blijken dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering, bijvoorbeeld als de
werkgever een voorkeursbeleid voor vrouwen wil voeren, mag van dit verbod
worden afgeweken. De reden van deze afwijking moet in de advertentie worden
vermeld.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat of
zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet worden,
of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

5.4. In de onderhavige advertentie wordt voor elk van de functies
slechts een functiebenaming vermeld, namelijk ‘offsetdrukker’, respectievelijk
‘micro-macromonteur’. In dat geval stelt de Wet de eis dat uitdrukkelijk wordt
aangegeven dat zowel mannen als vrouwen voor de betreffende functie in
aanmerking komen. Een dergelijke vermelding ontbreekt in de advertentie.

5.5. Overigens waardeert de Commissie de toezegging van de wederpartij
om in de toekomst de regels zoals neergelegd in artikel 3 van de WGB, na te
zullen leven.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Amsterdam bij de
aanbieding van de betrekkingen onderscheid heeft gemaakt in strijd met artikel
3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen heeft gehandeld.

Rechters

Mr. C.H. Evenhuis; voorzitter en drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 juni 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘calculator’ gevraagd wordt levert
strijd op met de Wet. In de advertentie is de toevoeging m/v wel opgenomen,
echter in kleine, onopvallende letters. De Commissie stelt vast dat daardoor
bij kennisneming van de vacature niet aanstonds duidelijk is dat de functie
zowel aan mannen als vrouwen wordt aangeboden.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 21 januari 1991 verzocht Druk en Papier FNV (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door te
Alphen a/d Rijn (hierna: wederpartij) bij het aanbieden van een betrekking
onderscheid is gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een ‘calculator’.

Verzoeker is van mening dat deze advertentie in strijd is met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2e. Hiermee voldoet verzoeker
aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie (hierna: de voorzitter) heeft het
verzoek in behandeling genomen en op grond van artikel 36 van het
Procedureglement besloten om in deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te
ï

sen. De wederpartij is in de gelegenheid gesteld tegen die beslissing
bezwaar aan te tekenen. De wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik
gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het het tijdschrift ‘Pers’ van 7 november 1991.

In de advertentie vraagt de wederpartij om een ‘calculator’.

In de advertentie is de toevoeging m/v wel vermeld, echter in kleine en
onopvallende letters en niet direct achter de functienaam.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen
en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij stelt verbaasd te zijn dat de advertentie is
voorgelegd aan de Commissie, gezien de aangebrachte toevoeging m/v en de
neutrale opmaak van de advertentietekst. Tevens deelt zij mee dat het bedrijf
al jaren bekend staat om haar positieve beleid inzake gelijke behandeling van
mannen en vrouwen in de arbeid.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in onderhavige advertentie om een
‘calculator’ te vragen, onder vermelding in de tekst van m/v.

5.2. Artikel 3 lid 1 van de WGB verbiedt het maken van onder scheid naar
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit tekst en vormgeving van een
advertentie moet duidelijk blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering mag van dit verbod
worden afgeweken.

Ingevolge artikel 5 lid 1 WGB mag van het bepaalde in artikel 3 lid 1
worden afgeweken indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een
bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te
heffen.

Ook mag op grond van artikel 5 lid 2 WGB voor zover het betreft de
toegang tot de beroepsactiviteiten of de hiervoor noodzakelijke opleidingen
van artikel 3 lid 1 WGB worden afgeweken in die gevallen, waarin het geslacht
bepalend is voor de functie.

De reden van de afwijking van het verbod van artikel 3 lid 1 WGB moet in
de advertentie worden vermeld.

De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat ofwel
de mannelijke en vrouwelijke functiebenaming wordt vermeld ofwel in andere
gevallen uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

In de onderhavige advertentie wordt de functiebenaming calculator
vermeld. De toevoeging m/v is wel in de advertentie opgenomen, echter in
kleine, onopvallende letters in de tekst en niet bijvoorbeeld direct achter de
functienaam of op andere in het oog springende wijze.

De Commissie stelt vast dat daardoor bij kennisneming van de vacature
niet aanstonds duidelijk is dat de functie uitdrukkelijk zowel aan mannen als
vrouwen wordt aangeboden.

Daarmee staat vast dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met
artikel 3 lid 3 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 1.

5.4. Met betrekking tot het verweer van de wederpartij, merkt de
Commissie nog het volgende op.

De Commissie spreekt haar waardering uit voor het feit, dat de
wederpartij kennelijk trots is op haar positieve beleid inzake gelijke
behandeling van mannen en vrouwen in de arbeid.

Verzoeker heeft echter een oordeel gevraagd over de in paragraaf 4.1.
beschreven advertentie. De Commissie kan dan ook geen uitspraak doen over het
algemene beleid van de wederpartij inzake gelijke behandeling.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Alphen a/d Rijn
bij de aanbieding van de betrekking onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in
strijd met artikel 3 lid 1 en lid 3 van de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter en drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 juni 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een “zeer ervaren dtp-operator gevraagd
wordt zonder de vermelding ‘m/v’, levert strijd op met de Wet. Hoewel in de
toelichtende tekst van de advertentie vermeld staat ” De gedachten gaan uit
naar een man of een vrouw” is het bij kennisneming van de vacature niet
aanstonds duidelijk dat de functie zowel aan mannen als vrouwen wordt
aangeboden.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 21 januari 1991 verzocht Druk en Papier FNV (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door te Amsterdam (hierna:
wederpartij) bij het aanbieden van een betrekking onderscheid is gemaakt in
strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989,
168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een “zeer ervaren
dtp-operator”.

Verzoeker is van mening dat deze advertentie in strijd is met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbe- voegdheid,
met een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2e. Hiermee voldoet
verzoeker aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie (hierna: de voorzitter) heeft het
verzoek in behandeling genomen en op grond van artikel 36 van het
Procedureglement besloten om in deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te
passen. De wederpartij is in de gelegenheid gesteld tegen die beslissing
bezwaar aan te tekenen. De wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik
gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het het tijdschrift ‘Pers’ van 7 november 1991.

In de advertentie vraagt de wederpartij om een “zeer ervaren
dtp-operator”, zonder de toevoeging m/v.

In het midden van de tekst is in kleine letters vermeld

“De gedachten gaan uit naar een man of een vrouw”. Dit is de enige zin
waaruit blijkt dat zowel mannen als vrouwen op de aangeboden functie kunnen
solliciteren.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen
en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij stelt dat in hun ‘heading’ gesproken wordt van een
dtp-operator die het geslacht van betrokkene in het midden laat.

Voorts is zij van mening dat de boodschap uit de zinsnede “onze
gedachten gaan uit naar een man of vrouw..” is overgekomen gezien de 16
reacties op de advertentie, waarvan negen vanvrouwen. Uit de reacties hebben
zij drie mensen een dienstverband aangeboden, waarvan twee vrouwen.

Zij erkent dat een nog evenwichtiger spreiding van vrouwen en mannen in
een arbeidsorganisatie dient te worden nagestreefd. Zij is van mening dat zij
met 24,3% vrouwen in het arbeidsbestand niet geheel onsuccesvol is in het
concretiserenvan het bij CAO-protocol overeengekomen beleid.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in onderhavige advertentie om een
“zeer ervaren dtp-operator” te vragen, terwijl zij niet uitdrukkelijk vermeld
heeft dat zowel mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 van de WGB verbiedt het maken van onder scheid naar
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit tekst en vormgeving van een
advertentie moet duidelijk blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering mag van dit verbod
worden afgeweken.

Ingevolge artikel 5 lid 1 WGB mag van het bepaalde in artikel 3 lid 1
worden afgeweken, indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een
bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te
heffen.

Ook mag op grond van artikel 5 lid 2 WGB voor zover het betreft de
toegang tot de beroepsactiviteiten of de hiervoor noodzakelijke opleidingen
van artikel 3 lid 1 WGB worden afgeweken in die gevallen, waarin het geslacht
bepalend is voor de functie.

De reden van de afwijking van het verbod van artikel 3 lid 1 WGB moet in
de advertentie worden vermeld.

De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

Reeds in eerdere oordelen heeft de Commissie aangegeven dat deze
bepaling zo moet worden begrepen dat bij eerste kennisneming van de
advertentie aanstonds duidelijk moet zijn dat de functie zowel voor vrouwen
als voor mannen openstaat.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat ofwel
de mannelijke en vrouwelijke functiebenaming wordt vermeld ofwel in andere
gevallen uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

5.4. De Commissie spreekt haar waardering uit voor het feit, dat de
wederpartij streeft naar een evenwichtiger spreiding van vrouwen en mannen in
de arbeidsorganisatie.

Wat betreft de onderhavige advertentie stelt zij vast dat de
functiebenaming “zeer ervaren dtp-operator” wordt vermeld. In dat geval stelt
de Wet de eis dat uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen
voor de betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke vermelding
wordt in de onderhavige advertentie alleen in kleine, onopvallende letters
midden in een stuk tekst gedaan.

Indien en voorzover degene die van de onderhavige advertentie kennis
neemt, de overige tekst ook nauwgezet leest, zou zij of hij weliswaar kunnen
concluderen dat personen van beide seksen in aanmerking komen. Desondanks is
de Commissie van oordeel dat in casu niet voldaan is aan de eis dat deze
conclusie reeds bij eerste kennisneming aanstonds duidelijk is.

Daarmee staat vast dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met
artikel 3 lid 3 en lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 1.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Amsterdam bij
de aanbieding van de betrekking onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in
strijd met artikel 3 lid 1, lid 3 en lid 4 van de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter en drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 juni 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘drukker’ wordt gevraagd zonder
vermelding van ‘m/v’ levert strijd op met de Wet. In de advertentie is niet
zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt en is niet
uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 21 januari 1991 verzocht Druk en Papier FNV (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door te Badhoevedorp
(hierna: wederpartij) bij het aanbieden van een betrekking onderscheid is
gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB;
Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een ‘drukker’.

Verzoeker is van mening dat deze advertentie in strijd is met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2e. Hiermee voldoet
verzoeker aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie (hierna: de voorzitter) heeft het
verzoek in behandeling genomen en op grond van artikel 36 van het
Procedureglement besloten om in deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te
passen. De wederpartij is in de gelegenheid gesteld tegen die beslissing
bezwaar aan te tekenen. De wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik
gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het tijdschrift ‘Pers’ van 7 november 1991.

In de advertentie vraagt de wederpartij om een ‘drukker’.

In de advertentie is niet uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als
vrouwen in aanmerking komen voor de aangeboden functie.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen
en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij stelde dat zij in de veronderstelling verkeerde dat
een vrouwelijke drukker ook drukker heet en niet ‘drukster’ en meende dat op
de advertentie zowel mannen als vrouwen konden solliciteren.

Zij gaf aan geen enkel bezwaar te hebben tegen het werken van vrouwen
aan haar drukpersen, gezien het feit dat zij een meisje als leerling heeft
waar zij tevreden mee is en die zich prima bij haar thuis voelt.

Tenslotte verklaarde de wederpartij zich bereid om in het vervolg ook de
toevoeging m/v in haar advertenties op te nemen.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in onderhavige advertentie om een
“drukker” te vragen, terwijl zij niet uitdrukkelijk vermeld heeft dat zowel
mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 van de WGB verbiedt het maken van onder scheid naar
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit tekst en vormgeving van een
advertentie moet duidelijk blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering mag van dit verbod
worden afgeweken.

Ingevolge artikel 5 lid 1 WGB mag van het bepaalde in artikel 3 lid 1
worden afgeweken, indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een
bevoorrechte positie te plaatsenteneinde feitelijke ongelijkheden op te
heffen.

Ook mag op grond van artikel 5 lid 2 WGB voor zover het betreft de
toegang tot de beroepsactiviteiten of de hiervoor noodzakelijke opleidingen
van artikel 3 lid 1 WGB worden afgeweken in die gevallen, waarin het geslacht
bepalend is voor de functie.

De reden van de afwijking van het verbod van artikel 3 lid 1 WGB moet in
de advertentie worden vermeld.

De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat ofwel
ù

mannelijke en vrouwelijke functiebenaming wordt vermeld ofwel in andere
gevallen uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

In de onderhavige advertentie wordt slechts een functiebenaming
‘drukker’ vermeld terwijl ook, bijvoorbeeld door de toevoeging m/v, niet op
andere wijze uitdrukkelijk blijkt datvrouwen en mannen in aanmerking komen.

Daarmee staat vast dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met
artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 1.

5.4. Met betrekking tot het verweer van de wederpartij, merkt de
Commissie nog het volgende op.

De Commissie heeft kennis genomen van de opmerking van de wederpartij
dat zij geen enkel bezwaar heeft tegen het werken van vrouwen aan haar
drukpersen en spreekt haar waardering uit voor de bereidheid van de
wederpartij om voortaan de toevoeging m/v in haar personeelsadvertenties op te
nemen.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te
Badhoevedorp bij de aanbieding van de betrekking onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt in strijd met artikel 3 lid 1 en lid 4 van de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter en drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 juni 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘maro-monteur’ wordt gevraagd zonder
vermelding van ‘m/v’ levert strijd op met de Wet. In de advertentie is niet
zowel de mannelijke als vrouwelijke functiebenaming gebruikt en is niet
uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 21 januari 1991 verzocht Druk en Papier FNV (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door te Tilburg (hierna:
wederpartij) bij het aanbieden van een betrekking onderscheid is gemaakt in
strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989,
168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een ‘macro
monteur’.

Verzoeker is van mening dat deze advertentie in strijd is met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2e. Hiermee voldoet verzoeker
aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie (hierna: de voorzitter) heeft het
verzoek in behandeling genomen en op grond van artikel 36 van het
Procedureglement besloten om in deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te
passen. De wederpartij is in de gelegenheid gesteld tegen die beslissing
bezwaar aan te tekenen. De wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik
gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het tijdschrift ‘Pers’ van 10 oktober 1991.

In de advertentie vraagt de wederpartij om een ‘macro monteur’.

In de advertentie is niet uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als
vrouwen in aanmerking komen voor de aangeboden functie.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen
en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij stelt dat de functienaam gebruikt wordt voor zowel
vrouwen als mannen. Zij stemt in met het feit dat de toevoeging m/v meer recht
doet aan de gelijke behandeling.

Voorts geeft zij aan dat zij een bedrijfscultuur heeft die volledig
recht doet aan maatschappelijke verantwoordelijkheden binnen onze samenleving.
Bij Pabo Print werken circa 70 mensen waarvan 17 vrouwen, verdeeld over de
diverse afdelingen. Ten slotte zegt zij toe in de toekomst uiterst zorgvuldig
te zullen zijn bij het opstellen van de personeelsadvertenties.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in onderhavige advertentie om een
“macro monteur” te vragen, terwijl zij niet uitdrukkelijk vermeld heeft dat
zowel mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 van de WGB verbiedt het maken van onder scheid naar
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit tekst en vormgeving van een
advertentie moet duidelijk blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering mag van dit verbod
worden afgeweken.

Ingevolge artikel 5 lid 1 WGB mag van het bepaalde in artikel 3 lid 1
worden afgeweken, indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een
bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te
heffen.

Ook mag op grond van artikel 5 lid 2 WGB voor zover het betreft de
toegang tot de beroepsactiviteiten of de hiervoor noodzakelijke opleidingen
van artikel 3 lid 1 WGB worden afgeweken in die gevallen, waarin het geslacht
bepalend is voor de functie.

De reden van de afwijking van het verbod van artikel 3 lid 1 WGB moet in
de advertentie worden vermeld.

De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat ofwel
de mannelijke en vrouwelijke functiebenaming wordt vermeld ofwel in andere
gevallen uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

In de onderhavige advertentie wordt slechts een functiebenaming namelijk
‘macro monteur’ vermeld terwijl ook, bijvoorbeeld door de toevoeging m/v, niet
op andere wijze blijkt dat vrouwen en mannen in aanmerking komen.

Daarmee staat vast dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met
artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 1.

5.4. Met betrekking tot het verweer van de wederpartij, merkt de
Commissie nog het volgende op.

De Commissie spreekt haar waardering uit voor de uitdrukkelijke
toezegging van de wederpartij om in de toekomst uiterst zorgvuldig te zijn bij
het opstellen van personeelsadvertenties.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Tilburg bij
de aanbieding van de betrekking onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in
strijd met artikel 3 lid 1 en lid 4 van de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter en drs. C.M. Sjerps, secretaris