Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 juni 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een “ervaren DTP- er” wordt gevraagd
zonder vermelding van ‘m/v’ levert strijd op met de Wet. In de advertentie is
niet zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenmaing gebruikt en is
niet uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 21 januari 1991 verzocht Druk en Papier FNV (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door te Amsterdam
(hierna: wederpartij) bij het aanbieden van een betrekking onderscheid is
gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB;
Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een “ervaren
DTP-er”.

Verzoeker is van mening dat deze advertentie in strijd is met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2e. Hiermee voldoet
verzoeker aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie (hierna: de voorzitter) heeft het
verzoek in behandeling genomen en op grond van artikel 36 van het
Procedureglement besloten om in deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te
passen. De wederpartij is in de gelegenheid gesteld tegen die beslissing
bezwaar aan te tekenen. De wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik
gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in ‘de Volkskrant’ van 5 oktober 1991.

In de advertentie vraagt de wederpartij om een “ervaren DTP- er”.

In de advertentie is niet uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als
vrouwen in aanmerking komen voor de aangeboden functie.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen
en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij erkent dat in de bewuste advertentie ten onrechte de
toevoeging m/v ontbreekt. Zij wijst erop, dat de persoon die voor de functie
is aangenomen een vrouw is en dat bovendien ongeveer 70% van het personeel dat
bij Uitgeverij Fiets werkzaam is, uit vrouwen bestaat. Zij acht verder
onderzoek door de Commissie dan ook volledig ongegrond.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in onderhavige advertentie om een
“ervaren DTP-er” te vragen, terwijl zij niet uitdrukkelijk vermeld heeft dat
zowel mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 van de WGB verbiedt het maken van onderscheid naar
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit tekst en vormgeving van een
advertentie moet duidelijk blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering mag van dit verbod
worden afgeweken.

Ingevolge artikel 5 lid 1 WGB mag van het bepaalde in artikel 3 lid 1
worden afgeweken, indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een
bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te
heffen.

Ook mag op grond van artikel 5 lid 2 WGB voor zover het betreft de
toegang tot de beroepsactiviteiten of de hiervoor noodzakelijke opleidingen
van artikel 3 lid 1 WGB worden afgeweken in die gevallen, waarin het geslacht
bepalend is voor de functie.

De reden van de afwijking van het verbod van artikel 3 lid 1 WGB moet in
de advertentie worden vermeld.

De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruikt van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat ofwel
de mannelijke en vrouwelijke functiebenaming wordt vermeld ofwel in andere
gevallen uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

In de onderhavige advertentie wordt de functiebenaming “ervaren DTP-er”
vermeld terwijl ook, bijvoorbeeld door de de toevoeging m/v, niet op andere
wijze uitdrukkelijk blijkt dat vrouwen en mannen in aanmerking komen.

Daarmee staat vast dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met
artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 1.

5.4. De wederpartij voert als verweer aan, dat voor de betreffende
functie een vrouw is aangesteld. Dit verweer kan echter niet slagen. Het
verbod om onderscheid te maken bij de werving is een zelfstandig verbod. Het
beoogt te bereiken dat alle mannen en alle vrouwen die zouden willen
solliciteren er uitdrukkelijk zeker van zijn dat zij ongeacht hun geslacht
voor de functie in aanmerking komen. Overtreding van het verbod van werving
kan daarom niet worden gerechtvaardigd door feiten waaruit blijkt dat vrouwen
bij de selectie en de aanstelling toch in aanmerking konden komen.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Amsterdam bij de
aanbieding van de betrekking onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd
met artikel 3 lid 1 en lid 4 van de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter en drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 juni 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘vouwer’ en een ‘machinevoerder’
wordt gevraagd zonder vermelding van ‘m/v’ levert strijd op met de Wet. In de
advertentie is niet zowel de mannelijke als vrouwelijke functiebenaming
gebruikt en is niet uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 21 januari 1991 verzocht Druk en Papier FNV (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door te Amsterdam
(hierna: wederpartij) bij het aanbieden van een betrekking onderscheid is
gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB;
Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft twee personeelsadvertenties van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertenties vraagt de wederpartij om een ‘vouwer’ en
een ‘machine-voerder’.

Verzoeker is van mening dat deze advertenties in strijd zijn met de
WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2e. Hiermee voldoet
verzoeker aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie (hierna: de voorzitter) heeft het
verzoek in behandeling genomen en op grond van artikel 36 van het
Procedureglement besloten om in deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te
passen. De wederpartij is in de gelegenheid gesteld tegen die beslissing
bezwaar aan te tekenen. De wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik
gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft twee personeelsadvertenties van de wederpartij
gesignaleerd in het ‘FNV Magazine’ van 12 oktober 1991.

In de advertentie vraagt de wederpartij om een ‘vouwer’ en een
‘machine-voerder’.

In beide advertenties is niet uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als
vrouwen in aanmerking komen voor de aangeboden functies.

4.2. De wederpartij stelt dat zij helaas vergeten is in de advertenties
de toevoeging m/v te vermelden.

Vervolgens spreekt zij haar verbazing uit over het feit dat de Druk en
Papier F.N.V. de advertenties in zijn eigen blad heeft geplaatst zonder de
wederpartij op deze vergissing te wijzen.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekkingen onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
altijd heeft gehandeld met de WGB, door in onderhavige advertenties om een
‘vouwer’ en een ‘machine- voerder’ te vragen, terwijl zij niet uitdrukkelijk
vermeld heeft dat zowel mannen als vrouwen voor de functies in aanmerking
komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 van de WGB verbiedt het maken van onderscheid naar
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit tekst en vormgeving van een
advertentie moet duidelijk blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering mag van dit verbod
worden afgeweken.

Ingevolge artikel 5 lid 1 WGB mag van het bepaalde in artikel 3 lid 1
worden afgeweken, indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een
bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te
heffen.

Ook mag op grond van artikel 5 lid 2 WGB voor zover het betreft de
toegang tot de beroepsactiviteiten of de hiervoor noodzakelijke opleidingen
van artikel 3 lid 1 WGB worden afgeweken in die gevallen, waarin het geslacht
bepalend is voor de functie.

De reden van de afwijking van het verbod van artikel 3 lid 1 WGB moet in
de advertentie worden vermeld.

De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat ofwel
de mannelijke en vrouwelijke functiebenaming wordt vermeld ofwel in andere
gevallen uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

In de onderhavige advertenties wordt slechts een functiebenaming
namelijk ‘vouwer’ en ‘machine-voerder’ vermeld terwijl ook, bijvoorbeeld door
de toevoeging m/v, niet op andere wijze uitdrukkelijk blijkt dat vrouwen en
mannen in aanmerking komen.

Daarmee staat vast dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met
artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 1.

5.4. Wat betreft de opmerking van de wederpartij dat verzoekster de
advertentie zonder enige reactie of verwijzing in haar blad heeft opgenomen
merkt de Commissie op, dat de wetgever blijkens de Wetsgeschiedenis
uitdrukkelijk heeft afgezien van een wettelijke verantwoordelijkheid van
uitgevers of redakties voor ongewenste advertenties.

Dat neemt uiteraard niet weg, dat er een morele verantwoordelijkheid op
hen kan liggen om plaatsers van advertenties te wijzen op mogelijke strijd met
wettelijke normen zoals vervat in de WGB.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Amsterdam bij
de aanbieding van de betrekkingen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in
strijd met artikel 3 lid 1 en lid 4 van de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter en drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 juni 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘offsetdrukker- Sormz’ wordt
gevraagd zonder vermelding van ‘m/v’ levert strijd op met de Wet. In de
advertentie is niet zowel de mannelijke als vrouwelijke functiebenaming
gebruikt en is niet uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 21 januari 1991 verzocht Druk en Papier FNV (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door te Rotterdam
(hierna: wederpartij) bij het aanbieden van een betrekking onderscheid is
gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB;
Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een
‘offsetdrukker-Sormz’.

Verzoeker is van mening dat deze advertentie in strijd is met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2e. Hiermee voldoet
verzoekster aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie (hierna: de voorzitter) heeft het
verzoek in behandeling genomen en op grond van artikel 36 van het
Procedureglement besloten om in deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te
passen. De wederpartij is in de gelegenheid gesteld tegen die beslissing
bezwaar aan te tekenen. De wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik
gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het het tijdschrift ‘Pers’ van 24 oktober 1991.

In de advertentie vraagt de wederpartij om een ‘offsetdrukker- Sormz’.

In de advertentie is niet uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als
vrouwen in aanmerking komen voor de aangeboden functie.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen
en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij stelt dat het verzuimen van het opnemen van de
toevoeging m/v berust op een misverstand en dat het haar ten zeerste spijt.
Ten eerste gezien de ongelijkheid en ten tweede gezien de schaarste op de
arbeidsmarkt. Normaliter neemt zij de toevoeging m/v wel op in haar
personeelsadvertenties en zij zal dit ook in de toekomst weer doen.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in de onderhavig advertentie om een
‘offsetdrukker-sormz’ te vragen, terwijl zij niet uitdrukkelijk vermeld heeft
dat zowel mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 van de WGB verbiedt het maken van onderscheid naar
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit tekst en vormgeving van een
advertentie moet duidelijk blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering mag van dit verbond
worden afgeweken.

Ingevolge artikel 5 lid 1 WGB mag van het bepaalde in artikel 3 lid 1
worden afgeweken, indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een
bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te
heffen.

Ook mag op grond van artikel 5 lid 2 WGB voor zover het betreft de
toegang tot de beroepsactiviteiten of de hiervoor noodzakelijke opleidingen
van artikel 3 lid 1 WGB worden afgeweken in die gevallen, waarin het geslacht
bepalend is voor de functie.

De reden van de afwijking van het verbond van artikel 3 lid 1 WGB moet
in de advertentie worden vermeld.

De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat ofwel
de mannelijke en vrouwelijke functiebenaming wordt vermeld ofwel in andere
gevallen uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

In de onderhavige advertentie wordt slechts een functiebenaming namelijk
‘drukker’ vermeld terwijl ook, bijvoorbeeld door de toevoeging m/v, niet op
andere wijze uitdrukkelijk blijkt dat vrouwen en mannen in aanmerking komen.

Daarmee staat vast dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met
artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 1.

5.4. Met betrekking tot het verweer van de wederpartij, merkt de
Commissie nog het volgende op.

De Commissie spreekt haar waardering uit voor het feit, dat de
wederpartij normaliter wel de toevoeging m/v opneemt in haar
personeelsadvertenties en dat zij dit ook in de toekomst zal doen.

Verzoeker heeft een oordeel gevraagd over de in paragraaf 4.1.
beschreven advertentie. De Commissie kan dan ook geen uitspraak doen over het
wervingsbeleid van de wederpartij in het algemeen.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Rotterdam bij de
aanbieding van de betrekking onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd
met artikel 3 lid 1 en lid 4 van de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter en drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 juni 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘vlakdrukmonteur m/v’ gevraagd wordt
levert strijd op met de Wet. Hoewel in de advertentie bij beide functies de
toevoeging m/v wordt vermeld staat er in de toelichtende tekst dat men “denkt
aan een grafisch vakman”. Dit kan tot gevolg hebben dat twijfel ontstaat of de
functie echt wel voor mannen als vrouwen openstaat.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 21 januari 1991 verzocht Druk en Papier FNV (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door te Rotterdam
(hierna: wederpartij) bij het aanbieden van een betrekking onderscheid is
gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB;
Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een
‘offsetdrukker-Sormz’.

Verzoeker is van mening dat deze advertentie in strijd is met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbe- voegdheid,
met een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2e. Hiermee voldoet
verzoekster aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie (hierna: de voorzitter) heeft het
verzoek in behandeling genomen en op grond van artikel 36 van het
Procedureglement besloten om in deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te
passen. De wederpartij is in de gelegenheid gesteld tegen die beslissing
bezwaar aan te tekenen. De wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik
gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het het tijdschrift ‘Pers’ van 24 oktober 1991.

In de advertentie vraagt de wederpartij om een ‘offsetdrukker- Sormz’.

In de advertentie is niet uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als
vrouwen in aanmerking komen voor de aangeboden functie.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen
en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij stelt dat het verzuimen van het opnemen van de
toevoeging m/v berust op een misverstand en dat het haar ten zeerste spijt.
Ten eerste gezien de ongelijkheid en ten tweede gezien de schaarste op de
arbeidsmarkt. Normaliter neemt zij de toevoeging m/v wel op in haar
personeelsadvertenties en zij zal dit ook in de toekomst weer doen.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in de onderhavig advertentie om een
‘offsetdrukker-sormz’ te vragen, terwijl zij niet uitdrukkelijk vermeld heeft
dat zowel mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 van de WGB verbiedt het maken van onder scheid naar
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit tekst en vormgeving van een
advertentie moet duidelijk blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering mag van dit verbond
worden afgeweken.

Ingevolge artikel 5 lid 1 WGB mag van het bepaalde in artikel 3 lid 1
worden afgeweken, indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een
bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te
heffen.

Ook mag op grond van artikel 5 lid 2 WGB voor zover het betreft de
toegang tot de beroepsactiviteiten of de hiervoor noodzakelijke opleidingen
van artikel 3 lid 1 WGB worden afgeweken in die gevallen, waarin het geslacht
bepalend is voor de functie.

De reden van de afwijking van het verbond van artikel 3 lid 1 WGB moet
in de advertentie worden vermeld.

De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat ofwel
de mannelijke en vrouwelijke functiebenaming wordt vermeld ofwel in andere
gevallen uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

In de onderhavige advertentie wordt slechts een functiebenaming namelijk
‘drukker’ vermeld terwijl ook, bijvoorbeeld door de toevoeging m/v, niet op
andere wijze uitdrukkelijk blijkt dat vrouwen en mannen in aanmerking komen.

Daarmee staat vast dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met
artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 1.

5.4. Met betrekking tot het verweer van de wederpartij, merkt de
Commissie nog het volgende op.

De Commissie spreekt haar waardering uit voor het feit, dat de
wederpartij normaliter wel de toevoeging m/v opneemt in haar
personeelsadvertenties en dat zij dit ook in de toekomst zal doen.

Verzoeker heeft een oordeel gevraagd over de in paragraaf 4.1.
beschreven advertentie. De Commissie kan dan ook geen uitspraak doen over het
wervingsbeleid van de wederpartij in het algemeen.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Rotterdam
bij de aanbieding van de betrekking onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in
strijd met artikel 3 lid 1 en lid 4 van de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter en drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 juni 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘chef planning’ gevraagd wordt
zonder de vermelding ‘m/v’ levert strijd op met de Wet. In de advertentie is
niet zowel de mannelijke als vrouwelijke functiebenaming gebruikt en is niet
uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 7 februari 1992 verzocht Druk en Papier FNV te Amsterdam
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door de firma …
te Amsterdam (hierna: wederpartij) onderscheid is gemaakt bij
de aanbieding van betrekkingen in strijd met de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd.
Verzoeker is van mening dat deze vacaturemelding in strijd is met de
WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee
voldoet verzoeker aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in behandeling
genomen en op grond van artikel 36 van het Procedurereglement besloten om in
deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen. De wederpartij is in de
gelegenheid gesteld tegen deze beslissing bezwaar aan te tekenen. De
wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het tijdschrift ‘Pers’ van 7 november 1991. Bovenaan de
advertentie staat in grote vetgedrukte letters “Wie heeft de capaciteiten om
80 servicetechnici op tijd op de juiste plaats te krijgen?” Halverwege de
advertentie staat in vetgedrukte letters “Chef Planning (toekomstig Hoofd
Service Binnendienst)”.

In de advertentie staat niet vermeld dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen voor de aangeboden functie.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen
en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij heeft meegedeeld dat de opstelling van de
betreffende advertentie het gevolg is van een fout. Zij betreurt de fout en
heeft maatregelen genomen om herhaling te voorkomen. De wederpartij deelt
verder mee dat zij in het afgelopen jaar vele advertenties geplaatst heeft,
waarin zij zowel mannen als vrouwen heeft opgeroepen te solliciteren. De
wederpartij heeft om dit te staven een andere advertentie overgelegd, waarin
gevraagd wordt om een bedrijfsmaatschappelijk werkster. Daarbij gaat de
voorkeur uit naar een vrouw. Ook stelt de wederpartij dat zij in de laatste
onderhandelingen voor de ondernemings-CAO afgesproken heeft een positief
actiebeleid ten aanzien van vrouwen te voeren.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in de onderhavige advertentie om ‘chef
planning’ te vragen, terwijl zij niet heeft vermeld dat zowel mannen als
vrouwen voor de functie in aanmerking komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit tekst en vormgeving van een
advertentie moet duidelijk blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering, bijvoorbeeld als de
werkgever een voorkeursbeleid voor vrouwen wil voeren, mag van dit verbod
worden afgeweken. De reden van deze afwijking moet in de advertentie worden
vermeld.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat of
zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet worden,
of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

5.4. In de onderhavige advertentie wordt voor de functie slechts een
functiebenaming vermeld, namelijk ‘chef planning’. In dat geval stelt de Wet
de eis dat uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen voor de
betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke vermelding ontbreekt
in de advertentie.

Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op grond
van geslacht in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met
artikel 3 lid 3 en lid 1 WGB.

5.5. Met betrekking tot het verweer van de wederpartij, merkt de
Commissie nog het volgende op.

De Commissie spreekt haar waardering uit voor het feit, dat de
wederpartij inmiddels maatregelen getroffen heeft om een herhaling van
advertentieteksten, die strijdig zijn met artikel 3 van de WGB, te voorkomen.

Verzoeker heeft echter alleen een oordeel gevraagd over de in paragraaf
4.1. beschreven advertentie. De Commissie kan dan ook geen uitspraak doen
over de advertentie die door de wederpartij is overgelegd, noch over het
wervingsbeleid van de wederpartij in het algemeen. De Commissie wijst er
echter ten overvloede op dat, wanneer in een advertentie een voorkeursbeleid
voor vrouwen tot uitdrukking wordt gebracht, de reden daarvoor uitdrukkelijk
in de advertentie moet worden vermeld. De reden moet voorts een wettelijke
grondslag hebben.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Amsterdam bij
de aanbieding van de betrekking onderscheid heeft gemaakt in strijd met
artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen heeft gehandeld.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter en drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 juni 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘offset drukker’ gevraagd wordt
zonder de vermelding ‘m/v’ levert strijd op met de Wet. In de advertentie is
niet zowel de mannelijke als vrouwelijke functiebenaming gebruikt. Hoewel in
de toelichtende tekst van de advertentie gesproken over ‘vakmensen’ is het bij
kennisneming van de vacature niet aanstonds duidelijk dat de functie
uitdrukkelijk aan zowel mannen als vrouwen aangeboden wordt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 7 februari 1992 verzocht Druk en Papier FNV te Amsterdam
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door te Rotterdam
(hierna: wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding van een
betrekking in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. Verzoeker is van mening dat deze vacaturemelding in strijd is
met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee
voldoet verzoeker aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in behandeling
genomen en op grond van artikel 36 van het procedurereglement besloten om in
deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen. De wederpartij is in de
gelegenheid gesteld tegen deze beslissing bezwaar aan te tekenen. De
wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het tijdschrift ‘Pers’ van

10 oktober 1991. In de advertentie vraagt de wederpartij in grote
vetgedrukte letters om een ‘offset drukker’. In de toelichtende tekst van de
advertentie spreekt de wederpartij over “zelfstandige vakmensen”. Dit is de
enige term waaruit zou kunnen blijken dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen voor de aangeboden functie.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen
en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij stelt dat in de betreffende vacature geen enkel
onderscheid wordt gemaakt, noch direkt noch indirekt, tussen mannen en
vrouwen. De wederpartij is van mening dat het feit dat zij in de advertentie
over ‘mensen’ schrijft, daarvoor voldoende bewijs lijkt. Verder is de
wederpartij van mening dat ook voor vrouwen in de CAO de funktiebenaming
‘drukker’ wordt gehanteerd. Tenslotte stelt de wederpartij dat bewust voor de
betreffende redactie van de advertentie is gekozen, omdat naar haar mening de
toevoeging m/v juist aangeeft dat er wel een onderscheid wordt gemaakt tussen
mannelijke en vrouwelijke drukkers.

De wederpartij deelt mee dat diverse vrouwelijke kandidaten gereageerd
hebben op de advertentie; volgens de wederpartij een bewijs dat vrouwen zich
wel degelijk aangesproken hebben gevoeld. De wederpartij wijst erop dat binnen
haar bedrijf 20% vrouwen werkzaam zijn en dat onlangs een vrouwelijke
directeur benoemd is.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in de onderhavige advertentie om een
‘offset drukker’ te vragen, terwijl zij niet uitdrukkelijk vermeld heeft dat
zowel mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. De Wet noemt in artikel 5, twee
toegelaten uitzonderingen op dit verbod. Onderscheid is toegestaan als een
voorkeursbehandeling van vrouwen van toepassing is of als de betreffende
functie geslachtsbepaald is. De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een
van de wettelijke uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen
dat deze zich hier voordoen.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat of
zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet worden,
of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

5.4. In de onderhavige advertentie wordt slechts een functiebenaming
vermeld, namelijk ‘offset drukker’. In dat geval stelt de Wet de eis dat
uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen voor de
betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke vermelding ontbreekt
echter in de advertentie. Wel wordt in kleinere, onopvallende letters de term
‘vakmensen’ gebruikt. De Commissie is echter van oordeel dat daardoor bij
kennisneming van de vacature niet aanstonds duidelijk is dat de functie
uitdrukkelijk zowel aan mannen als vrouwen wordt aangeboden.

Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op grond
van geslacht in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met
artikel 3 lid 3 en lid 1 WGB.

5.5. De Commissie merkt nog het volgende op.

De wederpartij stelt dat in haar bedrijf geen enkel onderscheid wordt
gemaakt tussen mannen en vrouwen. Dit zou blijken uit het taalgebruik en uit
het feit, dat er relatief gezien veel vrouwen in dienst zijn.

Verzoeker heeft echter alleen een oordeel gevraagd over de in paragraaf
4.1. beschreven advertentie. De Commissie kan dan ook geen uitspraak doen over
het wervingsbeleid van de wederpartij in het algemeen.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Rotterdam bij de
aanbieding van een betrekking onderscheid heeft gemaakt in strijd met artikel
3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter en drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 juni 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘all-round account behandelaar
pre-press’ gevraagd wordt zonder de vermelding ‘m/v’ levert strijd op met de
Wet. In de advertentie is niet zowel de mannelijke als vrouwelijke
functiebenaming gebruikt. In de advertentie worden verder de termen ‘een paar
kundige handen’, ‘mensen’, ‘medewerkers’, ‘functionaris’ en ‘kandidaten’
gebruikt. Desondanks is het bij kennisneming van vacature niet aanstonds
duidelijk dat de functie uitdrukkelijk aan zowel mannen als vrouwen aangeboden
wordt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 7 februari 1992 verzocht Druk en Papier FNV te Amsterdam
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door het
te Leiderdorp (hierna: wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding
van een betrekking in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. Verzoeker is van mening dat deze vacaturemelding in strijd is
met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee
voldoet verzoeker aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in behandeling
genomen en op grond van artikel 36 van het procedurereglement besloten om in
deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen. De wederpartij is in de
gelegenheid gesteld tegen deze beslissing bezwaar aan te tekenen. De
wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het tijdschrift ‘Pers’ van

26 september 1991. Bovenaan de advertentie staat in grote vetgedrukte
letters de mededeling “Wij zoeken een paar kundige handen”. Halverwege de
advertentie staat wederom in grote letters om welke functie het gaat; een
‘all-round account- behandelaar pre-press’. In de toelichtende tekst van de
advertentie deelt de wederpartij mee ‘mensen’ te zoeken. Verder gebruikt de
wederpartij onder meer de termen ‘medewerkers’, ‘functionaris’ en
‘kandidaten’.

Dit zijn de enige bewoordingen waaruit zou kunnen blijken dat zowel
mannen als vrouwen in aanmerking komen voor de aangeboden functie.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen
en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij verwijst voor haar verweer naar een brief die zij
over deze zaak aan verzoeker heeft gestuurd. In deze brief biedt de
wederpartij haar excuses aan voor het niet vermelden van de toevoeging m/v
achter de functiebenaming. De wederpartij stelt dat zij normaliter deze
toevoeging wel achter de functiebenaming plaatst. Volgens de wederpartij is
dat in de onderhavige advertentie door onder andere vakantie van vast
personeel, niet gebeurd. Tevens merkt de wederpartij op, dat bij
gelijkwaardige opleiding(en), ervaring en dergelijke, vrouwen in haar
organisatie de voorkeur genieten.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in de onderhavige advertentie om een
‘account behandelaar pre- press’ te vragen, terwijl zij niet uitdrukkelijk
vermeld heeft dat zowel mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking
komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. De Wet noemt in artikel 5, twee
toegelaten uitzonderingen op dit verbod. Onderscheid is toegestaan als een
voorkeursbehandeling van vrouwen van toepassing is of als de betreffende
functie geslachtsbepaald is. De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een
van de wettelijke uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen
dat deze zich hier voordoen. Als er bij werving voor een functie
voorkeursbeleid wordt toegepast, moet dit in de advertentie worden vermeld.
Bovendien moet in de advertentie de reden voor het onderscheid genoemd
worden, conform artikel 3 lid 2 WGB.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat of
zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet worden,
of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

5.4. In de onderhavige advertentie wordt slechts een functiebenaming
vermeld, namelijk ‘account-behandelaar pre- press’. In dat geval stelt de Wet
de eis dat uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen voor de
betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke vermelding ontbreekt
echter in de advertentie. Wel worden in kleinere, onopvallende letters diverse
neutrale termen gebruikt. De Commissie is echter van oordeel dat daardoor bij
kennisneming van de vacature niet aanstonds duidelijk is dat de functie
uitdrukkelijk zowel aan mannen als vrouwen wordt aangeboden.

Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op grond
van geslacht in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met
artikel 3 lid 3 en lid 1 WGB.

5.5. Met betrekking tot het verweer van de wederpartij merkt de
Commissie nog het volgende op. De Commissie spreekt haar waardering uit voor
het feit, dat de wederpartij haar excuses heeft aangeboden voor de onjuiste
melding van de vacature.

De Commissie kan echter geen uitspraak doen over het wervingsbeleid van
de wederpartij in het algemeen.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het te Leiderdorp
bij de aanbieding van een betrekking onderscheid heeft gemaakt in strijd met
artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter en drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 juni 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘bedrijfsleider’ gevraagd wordt
zonder de vermelding ‘m/v’, de term ‘vakman’ en het persoonlijk voornaamwoord
‘hij’ wordt gebruikt, levert strijd op met de Wet. In de advertentie is niet
zowel de mannelijke als vrouwelijke functiebenaming gebruikt en is niet
uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 7 februari 1992 verzocht Druk en Papier FNV te Amsterdam
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door drukkerij
te Stompetoren (hierna: wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding
van een betrekking in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. Verzoeker is van mening dat deze vacaturemelding in strijd is
met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee
voldoet verzoeker aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in behandeling
genomen en op grond van artikel 36 van het Procedurereglement besloten om in
deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen. De wederpartij is in de
gelegenheid gesteld tegen deze beslissing bezwaar aan te tekenen. De
wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het tijdschrift ‘Pers’ van

24 oktober 1991. In de advertentie vraagt de wederpartij in grote
letters om een ‘bedrijfsleider’. In de toelichtende tekst van de advertentie
spreekt de wederpartij over ‘vakman’ en gebruikt de wederpartij het
persoonlijk voornaamwoord ‘hij’.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen
en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij stelt dat zij in de betreffende vacature zonder
opzet de vermelding m/v is vergeten. De wederpartij deelt verder mee dat zij
als kleine ondernemer weinig kontakt heeft met collega-drukkers en dat het
haar daardoor niet bekend is, dat er inmiddels ook vrouwelijke bedrijfsleiders
in de drukkerij bestaan. De wederpartij stelt voorts dat zij bij een volgende
gelegenheid de toevoeging m/v bij de vacature zal vermelden.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in de onderhavige advertentie om een
‘bedrijfsleider’ te vragen, terwijl zij niet vermeld heeft dat zowel mannen
als vrouwen voor de functie in aanmerking komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. De Wet noemt in artikel 5, twee
toegelaten uitzonderingen op dit verbod. Onderscheid is toegestaan als een
voorkeursbehandeling van vrouwen van toepassing is of als de betreffende
functie geslachtsbepaald is. De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een
van de wettelijke uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen
dat deze zich hier voordoen.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat of
zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet worden,
of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

5.4. In de onderhavige advertentie wordt slechts een functiebenaming
vermeld, namelijk ‘bedrijfsleider’. In dat geval stelt de Wet de eis dat
uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen voor de
betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke vermelding ontbreekt
echter in de advertentie.

Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op grond
van geslacht in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met
artikel 3 lid 3 en lid 1 WGB.

5.5. De Commissie merkt nog het volgende op.

De Commissie spreekt haar waardering uit voor het feit, dat de
wederpartij van plan is bij een volgende gelegenheid de vacature op een juiste
wijze, conform de Wet gelijke behandeling, te melden.

Verzoeker heeft echter alleen een oordeel gevraagd over de in paragraaf
4.1. beschreven advertentie. De Commissie kan dan ook geen uitspraak doen over
het wervingsbeleid van de wederpartij in het algemeen.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Stompetoren
bij de aanbieding van een betrekking onderscheid heeft gemaakt in strijd met
artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van
de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter en drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 juni 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Personeelsadvertentie waarin om een ‘offsetdrukker’ wordt gevraagd
zonder vermelding van ‘m/v’ levert strijd op met de Wet. In de advertentie is
niet zowel de mannelijke als vrouwelijke functiebenaming gebruikt en is niet
uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 21 januari 1991 verzocht Druk en Papier FNV (hierna:

verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of door
te Deventer (hierna: wederpartij) bij het aanbieden van een betrekking
onderscheid is gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een
‘offsetdrukker’.

Verzoeker is van mening dat deze advertentie in strijd is met de WGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2e. Hiermee voldoet verzoeker
aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De voorzitter van de Commissie (hierna: de voorzitter) heeft het
verzoek in behandeling genomen en op grond van artikel 36 van het
Procedureglement besloten om in deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te
passen. De wederpartij is in de gelegenheid gesteld tegen die beslissing
bezwaar aan te tekenen. De wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik
gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoeker te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het tijdschrift van 10 oktober 1991. In de advertentie vraagt
de wederpartij om een ‘offsetdrukker’.

In de advertentie is niet uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als
vrouwen in aanmerking komen voor de aangeboden functie.

4.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen
en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

4.3. De wederpartij zegt toe de brief die zij van Druk en Papier FNV
d.d. 14 januari 1992 over deze zaak heeft ontvangen op te nemen in haar
personeelswervingsdossier met het oogmerk om voortaan aan de wettelijke
verplichtingen ten aanzien van de WGB te voldoen. Voorts deelt de wederpartij
mee dat er in haar onderneming 5 vrouwen en 9 mannen werkzaam zijn.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in de onderhavige advertentie om een
‘offsetdrukker’ te vragen, terwijl zij niet uitdrukkelijk vermeld heeft dat
zowel mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking komen.

5.2. Artikel 3 lid 1 van de WGB verbiedt het maken van onderscheid naar
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. Uit tekst en vormgeving van een
advertentie moet duidelijk blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

Alleen in geval van een wettelijke uitzondering mag van dit verbod
worden afgeweken.

Ingevolge artikel 5 lid 1 WGB mag van het bepaalde in artikel 3 lid 1
worden afgeweken, indien het gemaakte

onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te plaatsen
teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen.

Ook mag op grond van artikel 5 lid 2 WGB voor zover het betreft de
toegang tot de beroepsactiviteiten of de hiervoor noodzakelijke opleidingen
van artikel 3 lid 1 WGB worden afgeweken in die gevallen, waarin het geslacht
bepalend is voor de functie.

De reden van de afwijking van het verbod van artikel 3 lid 1 WGB moet in
de advertentie worden vermeld.

De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich
hier voordoen.

5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat ofwel
de mannelijke en vrouwelijke functiebenaming wordt vermeld ofwel in andere
gevallen uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

In de onderhavige advertentie wordt slechts een functiebenaming,
namelijk ‘offset drukker’ vermeld terwijl ook, bijvoorbeeld door de toevoeging
m/v, niet op andere wijze blijkt dat vrouwen en mannen in aanmerking komen.

Daarmee staat vast dat de wederpartij in strijd heeft

gehandeld met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3
lid 1.

5.4. Tenslotte spreekt de Commissie haar waardering uit voor de
toezegging van de wederpartij om in de toekomst aan de wettelijke verplichting
te voldoen ten aanzien van werving en selectie.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Deventer
bij de aanbieding van de betrekking onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in
strijd met artikel 3 lid 1 en lid 4 van de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen.

Rechters

Mr. C.H.S. Evenhuis, voorzitter en drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Hof van Justitie EG, 4 juni 1992

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Volgens º 37 van het Betriebsverfassungsgesetz hebben werknemers die
cursussen volgen die tot de noodzakelijke scholing voor
ondernemingsraadsleden gerekend moeten worden recht om dit tijdens werktijd
te doen, het loon wordt doorbetaald. De gemaakte cursusuren in vrije tijd
worden niet doorbetaald. Volgens het Hof valt het doorbetalen van loon voor
uren dat werknemers scholing volgen onder het loonbegrip van art. 119
EEG-verdrag. Doordat deeltijdwerkers maar een gedeelte van de cursusuren
vergoed krijgen, in tegenstelling tot voltijdswerkers is er sprake van
benadeling van deeltijdwerkers, welke overwegend uit vrouwen bestaat.
Indirecte discriminatie, in casu geen objectieve rechtvaardiging van het
gemaakte onderscheid.

Volledige tekst

Urteil

1. Das Landesarbeitsgericht Berlin hat mit BeschluB vom 24. Oktober 1990,
beim Gerichtshof eingegangen am 10. Dezember 1990, gemaB Artikel 177
EWG-Vertrag eine Frage nach der Auslegung des Artikels 119 EWG-Vertrag und
der Richtlinie 75/117/EWG des Rates vom 10. Februar 1975 zur Angleichung der
Rechtsvorschriften der Mitgliedstaaten uber die Anwendung des Grundsatzes des
gleichen Entgelts fur Manner und Frauen (AB1. L 45, S. 19) zur
Vorabentscheidung vorgelegt, um die Vereinbarkeit einiger Vorschriften des
Betriebsverfassungsgesetzes vom 15. Januar 1972 mit diesem Grundsatz
beurteilen zu konnen.

2. Diese Frage stellt sich in einem Rechtsstreit uber die Vergutung, die Frau
Botel (im folgenden: Klagerin), eine teilzeitbeschaftigte Hauspflegerin, von
ihrem Arbeitgeber, der Arbeiterwohlfahrt der Stadt Berlin (im folgenden:
Beklagte), einem Verein, der im Land Berlin Aufgaben der Wohlfahrtspflege
wahrnimmt, fordert.

3. Die durchschnittliche wochentliche Arbeidszeit der Klagerin betragt 29,25
Stunden. Seit 1985 ist die Klagerin Vorsitzende des Betriebrats eines
Kreisverbands ihres Arbeitgebers. Im Jahr 1989 nahm sie an sechs
Schulungsveranstaltungen teil, die fur die Betriebratsarbeit erforderliche
Kenntnisse im sinne von º 37 Absatz 6 des Betriebsverfassungsgesetzes
(BetrVG) vermittelten und sich unter anderem auf das Arbeitsrecht und das
Betriebsverfassungsrecht bezogen.

4. Nach º 37 Absatz 2 in Verbindung mit Absatz 6 BetrVG sind
Betriebsratsmitglieder, die an derartigen Schulungsveranstaltungen
teilnehmen, von ihrem Arbeitgeber unter Fortzahlung ihrer Bezuge von der
Arbeitsleistung freizustellen.

5. Nach diesen Vorschriften bezahlte der Arbeitgeber der Klagerin
entsprechend ihrer individuellen Arbeitszeit die aufgrund der Teilnahme an
Schulungsveranstaltungen nicht geleisteten Arbeitsstunden. Die Klagerin
erhielt daher keine Vergutung fur die ausserhalb ihrer individuellen
Arbeitszeit geleisteten Fortbildungsstunden.

6. Ware die Klagerin vollzeitbeschaftigt gewezen, so ware die Beklagte
aufgrund der genannten nationalen Vorschriften unstreitig verpflichtet
gewesen, der Klagerin eine Vergutung innerhalb der Grenzen der
Vollarbeitszeit zu gewahren, d. h. in Hohe einer zusatzlichen Bezahlung von
50,3 Stunden.

7. Die Klagerin erhob beim Arbeitsgericht Berlin Klage auf Vergutung dieser
zusatzlichen Stunden in Form von bazahlter Arbeitsfreistellung oder in Form
einer Bezahlung von Uberstunden. Mit Urteil vom 18. Mai 1990 verurteilte das
Arbeitsgericht den Arbeitgeber dazu, der Klagerin eine bezahlte
Arbeitsfreistellung fur die Dauer von 50,3 Stunden zu gewahren.

8 Der Arbeitgeber legte Berufung beim Landesarbeitsgericht in Berlin ein;
dieses hat beschlossen, das Verfahren auszusetzen und dem Gerichtshof
folgende Frage zur Vorabentscheidung vorzulegen:

Ist es mit Artikel 119 EWG-Vertrag und mit der Richtlinie des Rates vom 10.
Februar 1975 zur Angleichung der Rechtsvorschriften der Mitgliedstaaten uber
die Anwendung des Grundsatzes des gleichen Entgelts fur Manner und Frauen
(75/117/EWG) vereinbar, wenn eine gesetzliche Regelung zwar
Betriebsratsmitgliedern fur Arbeitszeit, die wegen der Teilnahme an
Schulungen (welche fur die Betriebsratsarbeit erforderliche Kenntnisse
vermitteln) ausfallt, Vergutung sichert (Lohnausfallprinzip), jedoch
teilzeitbeschaftigten Betriebsratsmitgliedern, die fur die Schulung uber ihre
individuelle Arbeidszeit hinaus Zeit aufwenden mussen, einen Ausgleich in
Freizeit und/oder Geld fur diesen zusatzlichen Zeitaufwand auch bis zur Hohe
der betrieblichen Vollarbeitszeit verweigert, obwohl der Anteil der Frauen,
die von dieser Regelung betroffen werden, wesentlich hoher ist als der Anteil
der Manner?

9. Wegen weiterer Einzelheiten des Sachverhalts des Ausgangsrechtsstreits,
des Verfahrensablaufs sowie der beim Gerichtshof eingereichten schriftlichen
Erklarungen wird auf den Sitzungsbericht verwiesen. Der Akteninhalt wird im
folgenden nur insoweit wiedergegeben, als die Begrundung des Urteils dies
erfordert.

10. Wie sich aus dem Vorlagebeschluss ergibt, mochte des vorlegende Gericht
im wesentlichen wissen, ob der in Artikel 119 EWG-Vertrag und in der
Richtlinie 75/117 niedergelegte Grundsatz des gleichen Entgelts insoweit, als
teilzeitbeschaftigte Betriebsratsmitglieder in der Regel Frauen sind, der
Anwendung einer nationalen Regelung entgegensteht, die die Vergutung, die
teilzeitbeschaftigte Betriebsratsmitglieder von ihrem Arbeitgeber bei
Teilnahme an Schulungsveranstaltungen – die fur die Betriebsratstatigkeit
erforderliche Kenntnisse vermitteln und wahrend der betrieblichen
Vollarbeitszeit veranstaltet werden, deren Dauer aber uber die individuelle
Arbeitszeit dieser Teilzeitbeschaftigten hinausgeht – zu erhalten haben, auf
ihre individuelle Arbeitszeit beschrankt, wahrend vollzeitbeschaftigte
Betriebsratsmitglieder bei Teilnahme an denselben Schulungsveranstaltungen
eine Vergutung bis in Hohe der Vergutung fur Vollzrbeitszeit erhalten.

11. Zunachst ist festzustellen, ob die Vergutung – in Form von bezahlter
Arbeitsfreistellung oder der Bezahlung von Uberstunden – fur
Schulungsveranstaltungen, die fur die Betriebsratstatigkeit erforderliche
Kenntnisse vermitteln, unter den Begriff des ‘Entgelts’ im Sinne des Artikels
199 EWG-Vertrag und der Richtlinie 75/117 fallt.

12. Nach standiger Rechtsprechung des Gerichtshofes (siehe die Urteile vom
13. Juli 1989 in der Rechtssache 171/88, Rinner- Kuhn, Slg. 1989, 2743, und
vom 17. Mai 1990 in der Rechtssache C-262/88, Barber, Slg. 1990, I-1889)
umfasst der Begriff des ‘Entgelts’ im Sinne von Artikel 199 EWG-Vertrag alle
gegenwartigen oder kunftigen in bar oder in Sachleistungen gewahrten
Vergutungen, vorausgesetzt, dass sie der Arbeitgeber dem Arbeitnehmer
wenigstens mittelbar aufgrund des Dienstverhaltnisses gewahrt, sei es
aufgrund eines Arbeitsvertrages, aufgrund von Rechtsvorschriften oder
freiwillig.

13. Diese Definition erfasst auch einen Fall wie denjenigen, der beim
vorlegenden Gericht anhangigen ist.

14. Auch wenn sich eine Vergutung wie die im Ausgangsverfahren streitige als
solche nicht aus dem Arbeitsvertrag ergibt, so wird sie vom Arbeitgeber doch
aufgrund von Rechtsvorschriften und aufgrund eines Arbeitsverhaltnisses
gezahlt. Die Betriebsratsmitglieder haben namlich notwendigerweise die
Eigenschaft eines Arbeitnehmers des Betriebs und sind damit betraut, fur die
Interessen des Personals einzutreten; sie fordern damit das Bestehen
harmonischer Arbeitsbeziehungen innerhalb des Betriebs und liegen in dessen
allgemeinem Interesse.

15. Daruber hinaus soll die Vergutung, die aufgrund einer Regelung wie der
im Ausgangsverfahren streitigen gezahlt wird, den Betriebsratsmitgliedern ein
Einkommen sichern, selbst wenn sie wahrend der Dauer von
Schulungsveranstaltungen keine in ihrem Arbeitsvertrag vorgesehene Tatigkeit
ausuben.

16. Zweitens is festzustellen, ob teilzeitbeschaftigte Betriebsratsmitglieder
in Anwendung der nationalen Regelung bezuglich der Vergutung bei der
Teilnahme an Schulungsveranstaltungen anders behandelt werden als
vollzeitbeschaftigte Betriebsratsmitglieder.

17. Beide Gruppen von Betriebsratsmitgliedern wenden fur die Teilnahme an
diesen Schulungsveranstaltungen die gleiche Stundenzahl auf. Wenn jedoch die
Dauer der wahrend der betrieblichen Vollarbeitszeit veranstalteten Schulungen
uber die individuelle Arbeitszeit der teilzeitbeschaftigten
Betriebsratsmitglieder hinausgeht, erhalten diese vom Arbeitgeber eine
niedrigere Vergutung als die vollzeitbeschaftigten Mitglieder und werden
folglich unterschiedlich behandelt.

18. Drittens is festzustellen, dass dieser Unterschied in der Behandlung der
teilzeitbeschaftigten Betriebsratsmitglieder – sollte sich herausstellen,
dass unter den Betriebsratsmitgliedern ein erheblich geringerer Prozentsatz
Frauen vollzeitbeschaftigt ist als Manner – im Widerspruch zu Artikel 119
EWG-Vertrag und zur Richtlinie 75/117 stunde, wenn diese niedrigere Vergutung
– unter Berucksichtigung der fur weibliche Arbeitnehmer bestehenden
Schwierigkeiten, als Vollzeitbeschaftigte zu arbeiten – nicht durch Umstande
zu erklaren ist, die eine Diskriminierung aufgrund des Geschlechts
ausschliessen (siehe das Urteil vom 13. Mai 1986 in der Rechtssache 170/84,
Bilka, Slg. 1986, 1607, und das Urteil vom 13. juli 1989, Rinner-Kuhn, a. a.
O.).

19. Nach den Ausfuhrungen des vorlegenden Gerichts sind teilzeitbeschaftigte
Betriebsratsmitglieder in der Regel Frauen. Aus den nationalen
Verfahrensakten geht ausserdem hervor, dass es unter den
teilzeitbeschaftigten Betriebsratsmitgliedern des Arbeitgebers viel mehr
Frauen als Manner gibt.

20. In Bezug auf die Vergutung bei Teilnahme an Schulungsveranstaltungen
fuhrt die Anwendung einer gesetzlichen Regelung der im Ausgangsverfahren
streitigen Art daher grundsatzlich beim Entgelt zu einer im Widerspruch zu
Artikel 119 EWG-Vertrag und zur Richtlinie 75/117 stehenden mittelbaren
Diskriminierung der weiblichen Arbeitnehmer gegenuber den mannlichen
Arbeitnehmern.

21. Etwas anderes gilt nur dann, wenn die unterschiedliche Behandlung der
beiden Kategorien von Betriebsratsmitgliedern durch objektive Faktoren
gerechtfertigt ist, die nichts mit einer Diskriminierung aufgrund des
Geschlechts zu tun haben (siehe insbesondere das Urteil in der Rechtssache
171/88, a. a. O.).

22. Vor dem Gerichtshof ist die Auffassung vertreten worden, die
unterschiedliche Behandlung sei allein auf die unterschiedlichen
Arbeidszeiten zuruckzufuhren, da nach deutschem Recht eine Vergutung
unterschiedslos nur fur die Arbeitsstunden gewahrt werde, die wegen der
Teilnahme an den Schulungsveranstaltungen nicht geleistet worden seien. Man
konne daher die Diskriminierung nicht als erwiesen ansehen, es sei denn, man
sehe die Betriebsratstatigkeit als eine Sonderform der nach dem
Arbeitsvertrag zu erbringenden Arbeitsleistung an.

23. Zunachst is festzustellen, dass die rechtlichen Begriffe und
Qualifizierungen des nationalen Rechts die Auslegung oder die Verbintlichkeit
des Gemeinschaftsrechts und damit auch die Tragweite des in Artikel 119
EWG-Vertrag und in der Richtlinie 75/117 niedergelegten und durch die
Rechtsprechung des Gerichtshofes fortentwickelten Grundsatzes des gleichen
Entgelts fur Manner und Frauen unberuhrt lassen (Vgl. fur den Begriff des
Arbeitnehmers das Urteil vom 19. Marz 1964 in der Rechtssache 75/63, Unger,
Slg. 1964, 381).

24. Daruber hinaus andert die Argumentation, die nach nationalem Recht bei
Teilnahme an Schulungsveranstaltungen gewahrte Vergutung werde allein nach
Massgabe der nicht geleisteten Arbeidsstunden berechnet, nichts daran, dass
die teilzeitbeschaftigten Betriebsratsmitglieder eine niedrigere Vergutung
als ihre vollzeitbeschaftigten Kollegen erhalten, obwohl beide
Arbeitnehmergruppen letztlich unterschiedslos an der gleichen Zahl von
Schulungsstunden teilnehmen, um im Interesse guter Arbeidsbeziehungen und zum
allgemeinen Wohl des Betriebs wirksam fur die Interessen der Arbeitnehmer
eintreten zu konnen.

25. Schliesslich ist eine solche Lage auch geeignet, die Gruppe der
teilzeitbeschaftigten Arbeitnehmer, bei der der Frauenanteil unstreitig
uberwiegt, davon abzuhalten, die Tatigkeit eines Betriebsratsmitglieds
auszuuben oder die fur die Ausubung dieser Tatigkeit erforderlichen
Kenntnisse zu erwerben, und erschwert damit die Vertretung dieser
Arbeitnehmerkategorie durch qualifizierte Betriebsratsmitglieder.

26. Die streitige unterschiedliche Behandlung kann insoweit nicht als durch
objektive Faktoren gerechtfertigt angesehen werden, die nichts mit einer
Diskriminierung aufgrund des Geschlechts zu tun haben, es sei denn, der
Betroffene Mitgliedstaat weist vor dem nationalen Gericht das Gegenteil nach.

27. Auf die Frage des vorlegenden Gerichts ist daher zu antworten, dass
Artikel 119 EWG-Vertrag und die Richtlinie 75/117 des Rates einer nationalen
Regelung entgegenstehen, die fur eine erheblich grossere Zahl von Frauen als
von Mannern gilt und die die Vergutung, die teilzeitbeschaftigte
Betriebsratsmitglieder von ihrem Arbeitgeber in Form von bezahlter
Arbeitsfreistellung oder von Bezahlung von Uberstunden bei Teilnahme an
Schulungsveranstaltungen – die fur die Betriebsratstatigkeit erforderliche
Kenntnisse vermitteln und die wahrend der betrieblichen Vollarbeitszeit
veranstaltet werden, deren Dauer aber uber die individuelle Arbeitszeit
dieser Teilzeitbeschaftigten hinausgeht – zu erhalten haben, auf ihre
individuelle Arbeitszeit beschrankt, wahrend vollzeitbeschaftigte
Betriebsratsmitglieder bei Teilnahme an denselben Schulungsveranstaltungen
eine Vergutung bis in hohe der Vergutung fur vollarbeitszeit erhalten. Es
bleibt dem Mitgliedstaat unbenommen, nachzuweisen, dass diese Regelung durch
objektive Faktoren gerechtfertigt is, die nichts mit einer Diskriminierung
aufgrund des Geschlechts zu tun haben.

Kosten

28 Die Auslagen der Regierung der Bundesrepublik Deutschland und des
Vereinigten Konigreichs sowie der Kommission der Europaischen Gemeinschaften,
die Erklarungen vor dem Gerichtshof abgegeben haben, sind nicht
erstattungsfahig. Fur die Parteien des Ausgangsverfahrens ist das Verfahren
ein Zwischenstreit in dem bei dem vorlegenden Gericht anhangigen
Rechtsstreit. Die Kostenentscheidung ist daher Sache dieses Gerichts.

Aus diesen Grunden hat der Gerichtshof (Sechste Kammer) auf die ihm vom
Landesarbeitsgericht Berlin mit beschluB vom 24. Oktober 1990 vorgelegte
Frage fur Recht erkannt:

Artikel 119 EWG-Vertrag und die Richtlinie 75/117/EWG des Rates vom 10.
Februar 1975 zur Angleichung der Rechtsvorschriften der Mitgliedstaaten uber
die Anwendung des Grundsatzes des gleichen Entgelts fur Manner und Frauen
stehen einer nationalen Regelung entgegen, die fur eine erheblich groBere
Zahl von Frauen als von Mannern gilt und die die Vergutung, die
teilzeitbeschaftigte Betriebsratsmitglieder von ihrem Arbeitgeber in Form von
bezahlter Arbeitsfreistellung oder von Bezahlung von Uberstunden bei
Teilnahme an Schulungsveranstaltungen – die fur die Betriebsratstatigkeit
erforderliche Kenntnisse vermitteln und die wahrend der betrieblichen
Vollarbeitszeit veranstaltet werden, deren Dauer aber uber die individuelle
Arbeitszeit dieser Teilzeitbeschaftigten hinausgeht – zu erhalten haben, auf
ihre individuelle Arbeitszeit beschrankt, wahrend vollzeitbeschaftigte
Betriebsratsmitglieder bei Teilnahme an denselben Schulungsveranstaltungen
eine Vergutung bis in Hohe der Vergutung fur Vollarbeitszeit erhalten. Es
bleibt dem Mitgliedstaat unbenommen, nachzuweisen, daB diese Regelung durch
objektive Faktoren gerechtfertigt is, die nichts mit einer Diskriminierung
aufgrund des Geschlechts zu tun haben.

Noot

De aandacht voor rechten op gelijke beloning en behandeling van vrouwen is
tot dusver vooral gericht geweest op het verwezenlijken van die rechten die
met het werk als zodanig te maken hebben. Dat deelname aan allerlei meer
indirect met het werk verbonden activiteiten als medezeggenschap en
vakbondswerk in de onderneming de positie van vrouwen in een onderneming mede
bepalen is slechts door weinigen onderkend. Het is niet uitgesloten dat deze
opstelling (lange tijd in elk geval) werd en deels wordt ingegeven door de
visie op vrouwen als werknemers. Vrouwen worden weliswaar aangemoedigd
betaald werk te verrichten, maar hun werkelijke betrokkenheid wordt zeker als
zij een partner en kinderen hebben primair geacht elders te liggen (zie in
dit verband het proefschrift ‘Mijn kinderen hebben er niets van gemerkt.
Buitenshuis werkende moeders tussen 1950 en nu’ waarop M. Moree op 17
september 1992 promoveerde). Deelname aan medezeggenschap vergt een
betrokkenheid bij de werknemers in de onderneming die voor vrouwen nog niet
vanzelfsprekend wordt geacht.

Dit gebrek aan aandacht voor medezeggenschapsrechten in relatie tot gelijke
behandeling weerspiegelde zich, althans voor wat het beroep op artikel 119
EEG-verdrag en de gelijke behandelingsrichtlijn (rl. 76/207 Pb. 1976 L 39)
betreft in het ontbreken van zaken die betrekking hadden op lidmaatschap van
ondernemingsraden. En dat terwijl er in een aantal nationale wetten en
regelingen met betrekking tot medezeggenschap bepalingen zijn opgenomen die
in het licht van richtlijn (76/207) twijfelachtig zijn, omdat ze meer vrouwen
dan mannen benadelen. Men kan hierbij denken aan de regelingen met betrekking
tot het actieve en passieve kiesrecht, die meestal op grond van sekse-neutraal
geformuleerde criteria categorieen werknemers uitsluiten die voornamelijk uit
vrouwen bestaan (zie E. Steyger, Medezeggenschap bij veiligheid en
gezondheid, Deventer 1990, p. 97-100 en 265-267).

Dat het EEG-recht in volle omvang van toepassing is op wettelijke rechten van
ondernemingsraadsleden blijkt uit bovenstaande zaak.

Mevrouw Botel is werkzaam voor gemiddeld een kleine dertig uur per week
werkzaam bij de Arbeiterwohlfahrt der Stadt Berlin en sedert 1985 voorzitster
van de ondernemingsraad. In 1989 volgde zij een cursus welke moest worden
gerekend tot de noodzakelijke scholing voor ondernemingsraadsleden in de zin
van º37, tweede jo. zesde lid, Betriebsverfassungsgesetz (BetrVG, de Duitse
bedrijfsorganisatiewet die de ondernemingsraad regelt). Volgens º37 BetrVG
hebben werknemers die een dergelijke cursus volgen recht deze tijdens
werktijd te volgen hetgeen uiteraard inhoudt dat het loon over die tijd wordt
doorbetaald. Dit gold ook voor mevrouw Botel, met dien verstande dat zij
alleen het loon doorbetaald kreeg over de uren die binnen de normale werktijd
vielen. Cursusuren die in haar vrije tijd vielen werden niet doorbetaald.
Deze interpretatie van de BetrVG betekent concreet dat deeltijdwerkers die
in ondernemingsraden zitten daarin meer eigen tijd moeten investeren dan
voltijdswerknemers die wel alle cursusuren doorbetaald krijgen.

Het Hof overweegt dat de doorbetaling van loon, ook in geval van scholing in
verband met ondernemingsraadslidmaatschap, loon in de zin van artikel 119
EEG-verdrag is. Ondernemingsraadsleden zijn per definitie werknemers van de
onderneming (anders konden zij geen lid zijn) en hun optreden is in het
belang van de onderneming.

Doordat deeltijdwerkers die ondernemingsraadslid zijn niet het volledige
aantal cursusuren vergoed krijgen maar slechts die uren waarop zij anders
gewerkt zouden hebben wordt er een onderscheid gemaakt dat deeltijdwerknemers
ten opzichte van voltijdwerknemers benadeelt. Nu er meer vrouwen dan mannen
als deelijdwerknemer werkzaam zijn kan een dergelijk onderscheid slechts
worden gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets met discriminatie
naar geslacht te maken hebben.

De Duitse regering stelt dat de doorbetaling van loon naar Duits recht, niet
wordt gerelateerd aan het aantal cursusuren, maar met het aantal arbeidsuren
dat niet gewerkt is. Het ligt volgens de Duitse regering dan ook in de natuur
van de º37 BetrVG dat er een verschillende doorbetaling voor de
scholingsuren geldt, omdat er nu eenmaal verschillende arbeidsovereenkomsten
zijn. Dit zou, zo betoogt de regering slechts anders zijn wanneer deelname
aan ondernemingsraadsactiviteiten als een bijzondere vorm van arbeid wordt
gezien die los staat van de uren welke in de arbeidsovereenkomst zijn
neergelegd.

Het Hof aanvaardt de rechtvaardiging van de Duitse regering niet, maar gaat
er ook niet op in. Volgens het Hof is deelname aan scholing om de belangen
van de werknemers goed te kunnen vertegenwoordigen van een dermate groot
belang voor de goede verhoudingen binnen de onderneming dat het in strijd
komt met artikel 119 EEG-verdrag om aan gelijke uren van scholing een
verschillende beloning te verbinden. Bovendien zo overweegt het Hof, wordt
het, voor deeltijdwerknemers aanzienlijk zwaarder om lid te worden van de
ondernemingsraad, dan wel de daarvoor benodigde kennis te verwerven, wanneer
zij daardoor een beloningsnadeel ondervinden. Nu meer vrouwen dan mannen
deeltijdwerk verrichten wordt daardoor de kans kleiner dat deze categorie
werknemers door gekwalificeerde ondernemingsraadsleden vertegenwoordigd
wordt.

Met dit arrest bouwt het Hof de traditie van de arresten Rinner-Kuhn (171/88,
Jur. 1989, p. 2742, RN 1989 57) en Ruzius-Wilbrink (102/88, RN 1990, 84). Om
te beginnen accepteert het Hof geen slechts een gelegitimeerd sociaal doel
wanneer een wettelijke regeling een indirect discriminerend effect heeft. In
dit geval kan de Duitse rechtvaardiging niet als zodanig worden aangemerkt.
Voorts accepteert het Hof niet zonder meer dat deeltijdwerkers benadeeld
worden door een simpele koppeling van het gewerkte of te werken aantal uren
aan het verdiende (en teloor gegane) inkomen. Deeltijdwerknemers moeten op
vergelijkbare wijze behandeld worden als anderen, daar waar de voordelen (of
dat nu om loon gaat of om een sociale minimum-uitkering) waarop zij rechten
kunnen doen gelden niet direct aan het aantal gewerkte uren zijn gerelateerd,
maar aan andere omstandigheden. In het Ruzius-arrest was dat de
gelijkstelling van ex- deeltijdwerknemers met andere uitkeringsgerechtigden
die wel een minimumuitkering konden ontvangen, ook al hadden zij geen
inkomsten verworven; in deze zaak betreft het de gelijkstelling met andere
ondernemingsraadsleden die voltijds werken.

Het zijn met name de overwegingen met betrekking tot het belang van het
ondernemingslidmaatschap en de daaraan verbonden activiteiten die het arrest
zo interessant maken. Ondernemingsraden zijn, althans in een aantal
EG-lidstaten, bij wet voorgeschreven. In deze wetten is meestal voorzien in
vrijstellingsregelingen voor de leden. Deeltijdwerknemers lopen echter de
kans dat vergaderingen, scholings- en vormingsactiviteiten en eventuele
toezichtsactiviteiten buiten hun reguliere arbeidstijd vallen. Daarmee wordt
deze categorie werknemers veelal geacht deze werkzaamheden in hun vrije tijd
erbij te doen.

Het Hof stelt in rechtsoverweging 25 echter dat aan deze activiteiten zoveel
waarde moet worden gehecht dat de ondernemingsraadsleden, ook als zij in
deeltijd werken recht hebben op een volledige vergoeding van de door hen
gemaakte uren ten behoeve van ondernemingsraadsacitviteiten. Het Hof koppelt
dit niet alleen aan scholing en vorming, maar aan alle activiteiten waarvoor
vrijstellingsregelingen gelden. Dit betekent dat vrouwen, wier vrije tijd
wordt opgesoupeerd door ondernemingsraden die niet op uren kunnen of willen
vergaderen die binnen hun reguliere arbeidstijd vallen een claim hebben ten
opzichte van de werkgever om die uren in elk geval door te betalen (altijd
handig als je voor die uren een babysit in moet huren).

De dreiging van dergelijke claims kan voor werkgevers een reden zijn het
vergaderen en verrichten van andere ondernemingsraadsactiviteiten tijdens
uren waarop zoveel mogelijk werknemers aanwezig zijn te gaan stimuleren. En
dat kan een aanzuigende werking hebben op deeltijdwerknemers, die zich best
kandidaat willen stellen voor raden, maar dit na lieten, omdat het hen te
veel tijd zou kosten.

Elies Steyger.

Rechters

Mrs. Schockweiler, Mancini, Kakouris, Diez de Velasco, Murray, A-GDarmon