Instantie: President Rechtbank Amsterdam, 4 juni 1992

Instantie

President Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Toewijzing kontakt en straatverbod op straffe van een dwangsom tot
maximaal ƒ 10.000= voor de periode van 1 jaar. Toewijzing voorschot
immateriele schadevergoeding van respectievelijk ƒ 5000= en ƒ 7500=.
Verloop van de procedure: Ter terechtzitting van 29 mei 1992 hebben
eiseressen gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit
vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagde heeft verweer gevoerd met conclusie
tot weigering van de gevraagde voorziening. Na verder debat hebben
partijen stukken, waaronder van weerszijden produkties en pleitnotities,
overgelegd voor vonniswijzing.

Gronden van de beslissing: 1. Eiseressen vorderen van haar oom
respectievelijk tevens stiefvader ieder een contact- en een wijkverbod,
te handhaven met de sterke arm en op straffe van een dwangsom, en ieder
een voorschot op immateriele schadevergoeding.

2. gedaagde heeft de voorziening bestreden.

3. Het is in het licht van de inhoud van de diverse verklaringen in het
overlegde strafrechtelijke procesverbaal niettegenstaande de ontkenning
van gedaagde jegens eiseressen onrechtmatig heeft gehandeld door ontucht
met haar te plegen. Dit handelen was gelet op de aard er van, de leeftijd
van eiseressen en gedaagde onrechtmatig en strafbaar.

4. Er zijn aldus termen voor de gevraagde verboden, zoals hieronder
bevolen. Overigens heeft eiseres onder 1 bij de behandeling verklaard dat
zij er geen bezwaar tegen heeft indien gedaagde het wijkverbod overtreedt
ten behoeve van zijn beroepsuitoefening als rijschoolhouder.

5. Het contactverbod uit hoofde van de beslissing tot schorsing van de
voorlopige hechtenis van gedaagde, staat de bevelen in kwestie niet in de
weg. Het kan zijn dat gedaagde geen contact heeft gelegd in de afgelopen
periode, maar dat neemt niet de dreiging weg dat hij dit wel zal proberen.
Daarom past een bevel in kort geding.

6. Evenzo is er reeds thans aanleiding voor een bevel tot betaling van
schadevergoeding als gevorderd. Aldus wordt niet vooruitgelopen op een
strafrechtelijke beslissing, maar op het civielrechtelijk oordeel. Het is
reeds thans genoegzaam aannemelijk dat ontucht is gepleegd.

7. De bedragen van de voorschotten zijn door gedaagde niet bestreden. De
voorschotten komen in redelijkheid en billijkheid gepast voor gelet op de
aard en ernst van de verweten gedragingen, die terzake van beide
eiseressen naast herhaalde ander ontuchtigheden tevens cohabitatie
inhielden. Het is aannemelijk dat eiseressen daarbij ernstig psychisch
nadeel hebben ondervonden en thans nog ondervinden, in het bijzonder ook
eiseres onder 2 die – naar kan worden aangenomen – gedurende vele jaren
onderworpen is geweest aan toenaderingen en ontuchtigheden door gedaagde
veelal tot en met geslachtsgemeenschap. De schadeloosstellingen zouden
ertoe kunnen bijdragen dat eiseressen de gebeurtenissen sneller kunnen
verwerken, ook door het inroepen van professionele hulp. De hieronder te
bevelen voorschotten houden rekening met de financiele omstandigheden van
de partijen, zoals bij de behandeling naar voren gebracht. Gedaagde heeft
gesteld maandelijkse inkomsten te hebben van ongeveer ƒ 2500,= en moet op
die voet in staat worden geacht de te bevelen bedragen te voldoen. 8. Het
bedrag tot voldoening waarvan gedaagde zal worden veroordeeld, geldt als
voorschot ter nadere verrekening met hetgeen hij ten gronde zal blijken
verschuldigd te zijn.

9. De dwangsom wordt gemaximeerd op ƒ 10.000,= jegens elk van de
eiseressen. De duur van de voorziening wordt, gelet op het voorlopige
karakter ervan beperkt tot 1 jaar. Gedaagde wordt als de in het ongelijk
gestelde partij veroordeeld in de kosten van het geding.

De beslissing: 1. Verbiedt gedaagde om gedurende een periode van 1 jaar
na de betekening van dit vonnis: a. zich te begeven naar en/of zich te
bevinden binnen de zeshoek die wordt gevormd door de Meerkerkdreef, het
Reigersbos, het Tjepmapas, de Oudenrijnlaan en de Holendrechtdreef te
Amsterdam; b. op straat B te volgen c. op enigerlei wijze contact op te
nemen met haar; op straffe van een dwangsom van ƒ 500,= voor iedere
overtreding van een van deze verboden, tot een maximum van ƒ 10.000,= en
met machtiging op B om de verboden onder a en b zonodig te doen naleven
met behulp van de sterke arm. Dit bevel is niet van toepassing indien
gedaagde strikt handelt in de uitoefening van zijn bedrijf als
rijschoolhouder.

2. veroordeelt gedaagde om aan B te voldoen een bedrag van ƒ 5000,= als
voorschot op de door haar gelden schade, met wettelijke rente vanaf de
datum van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening.

3. Verbiedt gedaagde om gedurende een periode van 1 jaar na de betekening
van dit vonnis: a. zich te begeven naar en/of zich te bevinden binnen de
vijfhoek die wordt gevormd door: de Druivenstraat, de Scheepsbouwweg, de
Klinkerweg, de Stenendokweg, de Frambozenstraat, de Pomonastraat steeds
te Amsterdam; b. op straat G te volgen c. op enigerlei wijze contact op
te nemen met haar; op straffe van een dwangsom van ƒ 500,= voor ieder
overtreding van een van deze verboden, tot een maximum van ƒ 10.000,= en
met machtiging op G om de verboden onder a en b zonodig te doen naleven
met behulp van de sterke arm.

4. Veroordeelt gedaagde om aan G te voldoen een bedrag van ƒ 7500,= als
voorschot op de door haar geleden, met wettelijke rente vanaf de datum van
dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening.

5. Veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding tot heden aan de zijde
van B en G begroot op en te voldoen als volgt: – aan B en G totaal ƒ 62.50
aan de bij haar gevallen kosten van vastrecht, – aan de griffier van deze
rechtbank: ƒ 187,50 aan overig vastrecht en ƒ 66,30 aan exploitatiekosten,
en ƒ 800 aan salaris procureur.

6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

7. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Volledige tekst

Rechters

mr. J.M. Vrakking

Instantie: Raad van Beroep Roermond, 29 mei 1992

Instantie

Raad van Beroep Roermond

Samenvatting


Nadat klaagster in 1979 via uitzendbureaus gewerkt
heeft is zij werkloos geworden en heeft zij van 11 december
1979 tot en met 6 juni 1980 een WW-uitkering ontvangen. Zij
deed toen geen aanvraag voor een WWV-uitkering omdat zij geen
kostwinner was. Pas op 23 juli 1990 doet klaagster alsnog een
aanvraag voor een WWV-uitkering. Echter op dat moment is zij
niet werkloos omdat zij als meewerkend echtgenoot in het
bedrijf van haar man werkt.

Met toepassing van het arrest Emmott (RN 1992, 220, m.nt.
Sacha Prechal) oordeelt de Raad dat de te late aanvraag
klaagster niet kan worden tegengeworpen; klaagster heeft in
beginsel vanaf 23 december 1984 recht op WWV-uitkering.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding.

Op 23 juli 1990 heeft klaagster van het College van
Burgemeester en Wethouders van de toenmalige gemeent Ohe en
Laak gevraagd om in aanmerking te komen voor uitkering
ingevolge de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV) terzake van
beeidiging van een tijdelijk dienstverband op 14 maart 1980.
Bij beslissing van verweerder d.d. 30 januari 1991 is
klaagsters aanvraag afgewezen. Tegen die beslissing heeft
klaagster een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Bij de
bestreden beslissing is klaagsters bezwaar ongegrond
verklaard.

Namens klaagster is tegen laatstvermelde beslissing beroep
ingesteld en is gevorderd te bepalen dat aan klaagster met
ingang van 23 december 1984 uitkering ingevolge de WWV
toekomt.

Op 3 juni 1991 heeft verweerder van contra-memorie gediend en
de op dit beroep betrekking hebbende stukken ingezonden. Die
stukken zijn op 30 september 1991 in afschrift aan klaagsters
gemachtigde gezonden.

Het beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van 8 mei
1992, waar klaagster in persoon is verschenen, bijgestaan door
mr. W.J.A. Vis, verbonden aan DAS-Rechtsbijstand te Diemen, en
waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door de heer
G.J.J. Maat, ambtenaar van de gemeente Maasbracht.

II Overwegingen

Klaagster heeft in 1979 via enkele uitzendbureaus gewerkt als
administratief medewerkster en heeft naar aanleiding van het
beeindigen van die werkzaamheden van 11 december 1979 tot en
met 6 juni 1980 uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW)
ontvangen van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. Ter
terechtzitting van de raad op 8 mei 1992 heeft klaagster
gesteld dat zij in 1980 geen aanvraag gedaan heeft om
aansluitend aan de uitkering krachtens de WW in aanmerking te
komen voor uitkering ingevolge de WWV, omdat zij ervan op de
hoogte was dat zij vanwege de destijds geldende zogenaamde
kostwinnerseis, gelet op het inkomen van haar echtgenoot, geen
recht op WWV-uitkering zou kunnen doen gelden. Pas in juli
1990 heeft zij alsnog uitkering krachtens de WWV aangevraagd
naar aanleiding van de publiciteit (over de jurisprudentie)
met betrekking tot de ongeldigheid van de kostwinnerseis en de
mogelijkheid voor vrouwen die al voor 23 december 1984
werkloos geworden waren, om alsnog voor WWV-uitkering in
aanmerking te komen.

Verweerder heeft geweigerd om de gevraagde uitkering toe te
kennen omdat klaagster op de mogelijke ingangsdatum van de
uitkering, te weten de datum van aanvraag, 23 juli 1990, gelet
op de door haar verrichte arbeid in de eenmanszaak van haar
echtgenoot, niet werkloos zou zijn, subsidiair niet als
werkloze werkneemster zou kunnen worden aangemerkt.

Het door klaagster ingediende bezwaarschrift vormde voor
verweerder geen aanleiding om zijn standpunt te herzien. In de
bestreden beslissing is omtrent de mogelijke ingangsdatum van
WWV-uitkering voor klaagster onder meer overwogen dat:

‘ 2. uit de circulaire van 14 augustus 1989 van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid blijkt dat het recht op
WWV uitkering niet op grond van de rechtstreekse werking van
artikel 26 BUPO-verdrag op een eerder tijdstip kon ontstaan
dan op 23 december 1984;

3. uit de onder 2. genoemde circulaire, alsook uit de
circulaire van 14 mei 1990, de Memorie ven Antwoord van de
staatssecretaris op het voorlopig verslag van de vaste
commissie voor Sociale Zaken en Welzijn, alsook uit de
jurisprudentie naar voren komt dat ten aanzien van vrouwen die
voor 23 december 1984 reeds een aanvraag voor WWV-uitkering
hebben ingediend, laatstgenoemde datum als ingangsdatum moet
worden aangemerkt en dat ten aanzien van vrouwen die op of na
23 december 1984 voor het eerst een aanvraag om WWV uitkering
hebben ingediend, vanaf de dag van indiening van de aanvraag
WWV uitkering zullen krijgen, mits voldaan is aan de overige
aan WWV uitkering verbonden voorwaarden;’.

In de procedure bij deze raad betreft het verschil van mening
tussen partijen de vraag of verweerder terecht en op goede
gronden de datum van klaagsters aanvraag als (theoretische)
ingangsdatum van het recht op uitkering ingevolge de WWV heeft
beschouwd en in verband daarmee terecht heeft getoetst of
klaagster op die datum aan de voorwaarden voor dat recht
voldeed.

Namens klaagster is gewezen op het bepaalde in artikel 18 van
de WWV, dat – voor zover hier van belang – luidt:

‘De uitkering gaat niet eerder in dan op de dag van indiening
van de aanvrage, tenzij voldoende termen aanwezig zijn de
uitkering op een vroegere dag te doen ingaan.’.

In de visie van klaagsters gemachtigde zijn er in casu termen
aanwezig de uitkering op 23 december 1984 te doen ingaan.

De raad overweegt dienaangaande het volgende.

De vraag of er in dit geval termen aanwezig zijn om de
(theoretische) ingangsdatum van klaagsters uitkering ingevolge
de WWV te stellen op 23 december 1984, althans eerder dan 23
juli 1990, dient te worden beantwoord tegen de achtergrond van
de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen (het Hof) en de Centrale Raad van Beroep (CRvB)
betreffende de kostwinnerseis van de WWV in relatie tot de
richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen nr. 79/7
(de derde richtlijn), in welke richtlijn – kort gezegd – is
bepaald dat voor 23 december 1984 iedere bepaling waarbij
onderscheid wordt gemaakt tussen mannen en vrouwen, uit de
sociale zekerheidswetgeving van de Lid-Staten (waartoe ook de
WWV behoort) verwijderd dient te zijn.

In zijn uitspraak dd. 10 mei 1989 (WWV 1988/101) heeft de CRvB
onder meer aangegeven:

‘Blijkens de overwegingen van het Hof in zijn arrest van 8
maart 1988 inzake A. Dik c.s., zaak 80/87, hebben vrouwen
vanaf 23 december 1984 recht op dezelfde behandeling en op
toepassing van dezelfde regeling als mannen die in een gelijke
situatie verkeren, waarbij die regeling, de Wet
Werkloosheidsvoorziening – zoals deze luidde zonder de
vervallen kostwinnersbepaling – het referentiekader blijft
zolang aan de richtlijn geen juiste uitvoering is gegeven.’.

Tevens heeft de Centrale Raad in die uitspraak als zijn
oordeel te kennen gegeven dat de betrokken vrouw (die sinds 19
september 1983 werkloos was) ‘ingaande 23 december 1984
gedurende de voor haar ingevolge artikel 19, eerste lid, van
de Wet Werkloosheidsvoorziening geldende maximale termijn
recht kon doen gelden op uitkering ingevolge de Wet
Werkloosheidsvoorziening indien en voor zover de bepalingen
van de Wet Werkloosheidsvoorziening zich daar overigens niet
tegen verzetten.’

De raad knoopt daaraan het oordeel vast dat in beginsel iedere
vrouw, die reeds voor 23 december 1984 werkloos was geworden,
maar destijds uitsluitend vanwege de toenmalige kostwinnerseis
niet voor WWV-uitkering in aanmerking kwam, ingaande die datum
recht op uitkering ingevolge die wet heeft, zij het dat
getoetst dient te worden of per die datum (nog steeds) aan de
overige voorwaarden daarvoor is voldaan. Zulks in weerwil van
de omstandigheid dat bij de Wet van 24 april 1985 (Staatsblad
230) was bepaald, dat de kostwinnerseis van kracht bleef voor
vrouwen die voor 23 december 1984 werkloos geworden waren.

Voorts acht de raad van belang het arrest van het Hof inzake
Theresa Emmott dd. 25 juli 1991, waarvan de authentieke,
Engelstalige tekst is gepubliceerd in AB/NJ 1992, nr. 1. Voor
de duidelijkheid wordt hier volstaan met het weergeven van de
Nederlands-talige samenvatting van dat arrest zoals die door
de redactie van voornoemd tijdschrift is geformuleerd:

‘ 1. De Lidstaten zijn gehouden daadwerkelijk de volledige
toepassing van richtlijnen op voldoende duidelijke en
nauwkeurige wijze te verzekeren, zodat, ingeval een richtlijn
rechten voor particulieren in het leven beoogt te roepen, de
begunstigden al hun rechten kunnen kennen en deze zonodig voor
de nationaal rechterlijke instanties kunnen doen gelden.

2. Zolang een richtlijn niet op de juiste wijze is omgezet in
nationaal recht, zijn de rechtzoekenden niet in staat hun
rechten in volle omvang aan de uit hoofde van de richtlijn op
hem rustende verplichtingen, ook indien het Hof heeft erkend
dat een richtlijnbepaling voldoende nauwkeurig en zonder
voorbehoud is geformuleerd om voor de nationale rechter te
worden ingeroepen.

3. Slechts de juiste omzetting van de richtlijn maakt aan die
onzekerheid een einde. Eerst op dat tijdstip wordt de
rechtszekerheid geschapen, die nodig is om van de
rechtzoekenden te verlangen, dat zij hun rechten doen gelden.
Tot het tijdstip van juiste omzetting van de richtlijn kan
derhalve een nalatige lidstaat, waartegen door een particulier
een geding in rechte aanhangig is gemaakt met het oog op
bescherming van de hem ingevolge de richtlijn toekomende
rechten, betrokkene niet tegenwerpen dat het beroep niet
tijdig is ingesteld. Eerst vanaf bedoeld tijdstip kan een naar
nationaal recht geldende beroepstermijn een aanvang nemen.’.

De raad destilleert uit dat arrest

– dat de burger zich dient te kunnen orienteren op de
nationale wetgeving om zijn rechten te kennen en dat van de
betrokkene niet zonder meer verwacht kan worden dat hij
onderkent dat die wetgeving in strijd is met een direct
werkend voorschrift van een richtlijn van de Raad van de
Europese Gemeenschappen;

– dat de omstandigheid dat onjuist of onvolledig uitvoering is
gegeven aan een richtlijn voor risico van de desbetreffende
Lid-Staat en niet van de daardoor benadeelde burger komt;

– dat het de burger, zolang de wetgeving van de Lid-Staat niet
afdoende is aangepast aan een richtlijn, niet tegengeworpen
kan worden dat hij te laat actie onderneemt om de rechten die
hij daaraan kan ontlenen, geldend te maken.

De raad is in dit verband van mening dat, waar in het Emmott-
arrest met zoveel woorden wordt gezegd dat aan de burger, die
zich ten overstaan van de rechter beroept op uit een richtlijn
voortvloeiende rechten, overschrijding van de beroepstermijn
niet tegengeworpen mag worden, het er a fortiori voor moet
worden gehouden dat, indien het beroep op bedoelde rechten
gestalte krijgt in een aanvraag bij een uitvoeringsorgaan, het
tijdstip van de aanvraag niet het gevolg kan hebben dat deze
rechten geheel of ten dele verloren gaan. Voor de vrouw die
voor 23 december 1984 werkloos geworden is en destijds niet
voor uitkering in aanmerking kwam uitsluitend vanwege de
kostwinnerseis, betekent dit dat, in geval zij op 23 december
1984, althans op een eerdere datum dan die waarop de aanvraag
gedaan is, ook overigens aan de voorwaarden voor WWV-uitkering
voldeed, haar aanspraken ingaande die datum geeffectueerd
moeten kunnen worden, teneinde te voorkomen dat deze
aanspraken door zich later voordoende omstandigheden die een
uitsluitingsgrond vormen, verloren gaan.

Dat valt in zo’n geval in het systeem van de WWV in te passen,
door aldus toepassing te geven aan artikel 18 van die wet dat
termen aanwezig bevonden worden om de uitkering te doen ingaan
op 23 december 1984, althans op een eerdere datum dan de dag
van aanvraag. Ervan uitgaande dat in 1980 uitsluitend de
kostwinnerseis aan klaagsters recht op uitkering ingevolge de
WWV in de weg stond -de voorhanden gegevens wijzen in die
richting – dient zulks naar het oordeel van de raad derhalve
ook voor klaagster te gelden.

De raad merkt nog op dat aan de hiervoor geformuleerde
conclusie allerminst af kan doen dat de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid in een circulaire heeft aangegeven
van mening te zijn dat slechts in het geval dat een vrouw voor
23 december 1984 een aanvraag om WWV-uitkering heeft gedaan,
die datum als ingangsdatum kan worden aangemerkt. Re raad
vestigt er de aandacht op dat deze zienswijze tot gevolg zou
hebben dat degenen die een aanvraag gedaan hebben op een
moment dat ze noch aan de WWV noch aan de derde richtlijn een
recht op uitkering konden ontlenen, worden bevoordeeld in
vergelijking met degenen die zulks gedaan hebben op een moment
dat er voor hen in verband met de rechtstreekse werking van de
derde richtlijn, wel (in beginsel) een aanspraak op uitkering
bestond.

Re raad is dan ook tot de slotsom gekomen dat verweerder ten
onrechte het standpunt heeft ingenomen dat voor klaagster 23
juli 1990 de mogelijke ingangsdatum van uitkering ingevolge de
WWV was en dat hij derhalve ook ten onrechte die datum als
toetsingsmoment voor het vervuld zijn van de
uitkeringsvoorwaarden heeft genomen. De bestreden beslissing
alsmede de daaraan voorafgaande primaire weigeringsbeslissing
komen dan ook voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal
een nieuwe beslissing dienen te nemen en daaraan voorafgaand
met name dienen na te gaan of klaagster op 23 december 1984,
dan wel op een datum gelegen tussen 23 december 1984 en 23
juli 1990, wel aan de voorwaarden voor het recht op uitkering
ingevolge de WWV voldeed en, zo dit het geval is, uitkering
dienen toe te kennen tot het tijdstip dat bedoelde
voorwaarden niet langer zijn vervuld of de maximale
uitkeringsduur is bereikt.

Beslist wordt mitsdien als volgt.

III. BESLISSING.

De raad van beroep te Roermond,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de bestreden beslissing alsmede verweerders
primaire beslissing d.d. 30 januari 1991;

bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing neemt omtrent
klaagsters aanspraken ingevolge de WWV met inachtneming van
het in deze uitspraak overwogene;

bepaalt dat verweerder aan klaagster het door haar terzake van
dit beroep gestorte griffierecht volledig vergoedt.

Rechters

Mrs. Schelfhout, Magnee en Smeenk-van der Weijden

Instantie: Raad van beroep Roermond, 29 mei 1992

Instantie

Raad van beroep Roermond

Samenvatting


Bij een voor beroep vatbare beschikking d.d. 16 juli 1987 is aan
klaagster met ingang van 1 maart 1987 AOW- pensioen toegekend met een korting
van tien procent wegens niet verzekerde tijdvakken, tegen welke beslissing
zij niet in beroep is gekomen. Wegens het overlijden van haar echtgenoot op
3 juni 1990 heeft de SVB bij de beslissing van 3 juni 1990 klaagsters
AOW-pensioen met ingang van 1 juli 1990 herzien naar de ongehuwden-norm.
Klaagsters beroep tegen de beslissing van 3 juni 1990 wordt geacht mede te
zijn gericht tegen de beslissing van 16 juli 1987 omdat klaagster niet tot
de personenkring van de Derde richtlijn kan worden gerekend. Kan zij die
richtlijn niet inroepen met analoge toepassing Emmott- redenering (inhoudende
dat de burger zich dient te kunnen orienteren op de nationale wetgeving om
zijn rechten te kennen en dat van de betrokkene niet zonder meer verwacht kan
worden dat hij onderkent dat die wetgeving in strijd is met een voorschrift
van inter- of supranationaal recht) in gevallen waarin sprake is van
discriminatie op grond van art. 1 Grondwet en art. 26 BuPo-verdrag leidt tot
het ambtshalve oordeel dat overschrijding van de beroepstermijn ingevolge
art. 84 lid 2 Beroepswet wordt verontschuldigd.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Bij beslissing van 16 juli 1987 heeft verweerder aan klaagster een
ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend met
ingang van 1 maart 1987. Dat pensioen is door verweerder vastgesteld op 90%
van het krachtens de AOW geldende volledige ouderdomspensioen, zulks omdat
klaagster niet verzekerd zou zijn geweest ingevolge de AOW van 30 september
1962 tot 30 september 1967. Tegen de beslissing van 16 juli 1987 is destijds
geen beroep ingesteld.

In verband met het overlijden op 3 juni 1990 van klaagsters tweede
echtgenoot, de heer H. heeft verweerder bij de bestreden beslissing het
ouderdomspensioen van klaagster met ingang van 1 juli 1990 herzien naar de
voor een ongehuwde geldende norm.

Tegen verweerders beslissing van 28 augustus 1990 is op 21 september 1990
beroep ingesteld door de heer H.M. Feijen als gemachtigde van klaagster.

Op 7 december 1990 heeft verweerder de op deze zaak betrekking hebbende
stukken ingezonden. Deze stukken zijn op 6 februari 1991 in afschrift aan de
gemachtigde van klaagster gestuurd. Op 7 maart 1991 heeft verweerder een
contra-memorie ingediend, die op 21 januari 1992 in afschrift aan klaagsters
gemachtigde is gezonden. Bij brief van 29 oktober 1991 heeft de voorzitter
van de raad nadere informatie gevraagd aan de gemachigde van klaagster. De
gevraagde informatie is op 26 november 1991 verstrekt.

Het beroep is behandeld ter terechtzitting van 8 mei 1992. Noch klaagster,
noch haar gemachtigde is ter terechtzitting verschenen. Verweerder heeft zich
ter zitting doen vertegenwoordigen door de heer H. Janssen en mevr. H.
Offergelt-Holthuizen.

II MOTIVERING

Het bezwaar van klaagster richt zich tegen toepassing van een korting van 10%
op het haar toekomende ouderdomspensioen ingevolge de AOW.

Allereerst dient te worden ingegaan op de vraag of klaagster in haar beroep
kan worden ontvangen.

De beslissing om op klaagsters ouderdomspensioen wegens niet verzekerde
tijdvakken een korting van 10% toe te passen, heeft verweerder reeds op 16
juli 1987 genomen in de beslissing waarbij aan klaagster uitkering ingevolge
de AOW is toegekend. Klaagster heeft eerst op 21 september 1990 ten overstaan
van deze raad bezwaar gemaakt tegen die korting, zulks naar aanleiding van
verweerders beslissing d.d. 28 augustus 1990, in welke beslissing echter over
toepassing van een korting als zodanig geen nieuw standpunt is ingenomen.

De raad leest het klaagschrift aldus dat klaagster (ook) beroep beoogt in te
stellen tegen de beslissing van verweerder van 16 juli 1987. Ter
terechtzitting hebben de gemachtigden van verweerder verklaard er geen
bezwaar tegen te hebben dat het klaagschrift d.d. 21 september 1990 ook tegen
de beslissing van 16 juli 1987 wordt geacht te zijn gericht.

Voor zover het beroep geacht wordt te zijn gericht tegen verweerders
beslissing d.d. 28 augustus 1990 merkt de raad op dat reeds geconstateerd is
dat deze beslissing geen nieuw standpunt bevat omtrent het punt waar
klaagster bezwaar tegen heeft. De door klaagster aangevochten korting vormt
derhalve geen constitutief element van die beslissing, zodat het beroep
buiten die beslissing om gaat en derhalve in zoverre niet- ontvankelijk moet
worden geacht.

Voor zover het beroep zich richt tegen verweerders beslissing van 16 juli
1987, moet worden geconstateerd dat de ingevolge artikel 83 van de Beroepswet
geldende beroepstermijn van een maand ruimschoots is overschreden. Gesteld
noch gebleken is dat klaagster niet aanstonds na verzending van de beslissing
van 16 juli 1987 daarvan kennis heeft genomen. Er is dan ook geen reden om
op grond van artikel 84, eerste lid, van de Beroepswet het klaagschrift voor
zover dat is gericht tegen de beslissing van 16 juli 1987, als tijdig
ingekomen te beschouwen. Voorts is in hetgeen door klaagster en haar
gemachtigde is aangevoerd geen beroep op het bepaalde in artikel 84, tweede
lid, van de Beroepswet te lezen.

Desalniettemin is de raad van mening dat er voldoende reden is om niet zonder
meer tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, voor zover gericht tegen
de beslissing van 16 juli 1987, over te gaan. Aanleiding daarvoor vormt het
arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inzake Theresa
Emmott d.d. 25 juli 1991, waarvan de authentieke, Engelstalige, tekst is
gepubliceerd in AB/NJ 1992, nr. 1. Voor de duidelijkheid wordt hier volstaan
met het weergeven van de Nederlandstalige samenvatting van dat arrest, zoals
die door de redactie van voornoemd tijdschrift is geformuleerd:

‘1. De lidstaten zijn gehouden daadwerkelijk de volledige toepassing van
richtlijnen op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze te verzekeren,
zodat, ingeval een richtlijn rechten voor particulieren in het leven beoogt
te roepen, de begunstigden al hun rechten kunnen kennen en deze zonodig voor
de nationale rechterlijke instanties kunnen doen gelden.

2. Zolang een richtlijn niet op de juiste wijze is omgezet in nationaal
recht, zijn de rechtzoekenden niet in staat hun rechten in volle omvang te
kennen. De uit die situatie voortvloeiende onzekerheid blijft bestaan na een
arrest van het Hof, waarin is geoordeeld dat de betrokken lidstaat niet heeft
voldaan aan de uit hoofde van de richtlijn op hem rustende verplichtingen,
ook indien het Hof heeft erkend dat een richtlijnbepaling voldoende
nauwkeurig en zonder voorbehoud is geformuleerd om voor de nationale rechter
te worden ingeroepen.

3. Slechts de juiste omzetting van de richtlijn maakt aan die onzekerheid een
einde. Eerst op dat tijdstip wordt de rechtszekerheid geschapen, die nodig
is om van de rechtzoekenden te verlangen, dat zij hun rechten doen gelden.

Tot het tijdstip van juiste omzetting van de richtlijn kan derhalve een
nalatige lidstaat, waartegen door een particulier een geding in rechte
aanhangig is gemaakt met het oog op bescherming van de hem ingevolge de
richtlijn toekomende rechten, betrokkene niet tegenwerpen dat het beroep niet
tijdig is ingesteld. Eerst vanaf bedoeld tijdstip kan een naar nationaal
recht geldende beroepstermijn een aanvang nemen.’.

Het onderwerpelijke beroep kan geacht worden ertoe te strekken dat op de in
het vorenstaande citaat bedoelde richtlijn van de Raad van de Europese
Gemeenschappen (de derde richtlijn), althans op (internationaalrechtelijke)
voorschriften waarbij discriminatie naar geslacht wordt verboden, een beroep
gedaan wordt teneinde te verhinderen dat een korting op het aan klaagster
toekomende pensioen ingevolge de AOW wordt toegepast. Gelet op het
Emmott-arrest ontkomt de raad er niet aan om in het kader van de beoordeling
van de ontvankelijkheid van het beroep eerst in te gaan op de vraag of ten
aanzien van de in het onderhavige geval toegepaste kortingsbepalingen gezegd
moet worden dat aan de derde richtlijn door de Nederlandse wetgever niet of
niet correct uitvoering is gegeven. Daaromtrent wordt het volgende overwogen.

De in het geding zijnde korting is gebaseerd op een voor 1 april 1985
geldende bepaling, welke was vervat in opeenvolgende Koninklijke Besluiten
inzake uitbreiding en beperking van de kring van verzekerden ingevolge
volksverzekeringen, zulks laatstelijk in artikel 2, eerste lid, sub j, van
het Koninklijk Besluit van 19 oktober 1976, Staatsblad 557. Die bepaling
hield in dat van verzekering krachtens (onder andere) de AOW was uitgezonderd
de echtgenote van een man die wegens (onder meer) arbeid in het buitenland
zelf niet ingevolge de AOW verzekerd was. Die uitsluiting was van kracht,
zelfs al had de desbetreffende vrouw, gedurende de periode(s) van arbeid in
het buitenland van de echtgenoot in Nederland als werkneemster gewerkt. Een
dergelijke uitsluiting gold echter niet voor de man wiens echtgenote in het
buitenland werkzaam was.

In het kader van de bedoeling van de wetgever om ingaande 1 april 1985 de
gelijkstelling van mannen en vrouwen in de AOW te bewerkstelligen, is de
vorenbedoelde bepaling van het Besluit inzake uitbreiding en beperking van
de kring van verzekerden ingevolge de volksverzekeringen per die datum
geschrapt. Na 1 april 1985 is echter in de AOW (artikel 13) – zij het in
gewijzigde vorm – het systeem gehandhaafd waarbij een korting op het
ouderdomspensioen wordt toegepast voor in het verleden – op basis van de
destijds geldende bepalingen – niet verzekerde tijdvakken.

Vastgesteld moet dan ook worden dat de vorenomschreven vervallen bepaling van
het Besluit inzake uitbreiding en beperking van de kring van verzekerden
ingevolge de volksverzekeringen na 1 april 1985 blijft doorwerken zowel in
de reeds toegekende als in nog toe te kennen ouderdomspensioenen. Gevolg
daarvan is dat een aantal vrouwen door de toepassing van deze bepaling wordt
getroffen, terwijl dit voor mannen die overigens in gelijke omstandigheden
verkeren, niet het geval is.

In eerdere uitspraken heeft deze raad als zijn oordeel te kennen gegeven dat
een zodanige doorwerking in strijd is met de derde richtlijn en heeft hij
toepassing van de desbetreffende bepalingen in zoverre als ontoelaatbaar
gekenschetst. Voor zover aan de juistheid van dat oordeel twijfel zou
bestaan, wordt deze weggenomen door het arrest van het Hof d.d. 11 juni 1991
inzake onder meer Verholen, waarin in antwoord op vragen van de raad van
beroep te ‘s- Hertogenbosch omtrent de onderhavige materie onder meer voor
recht is verklaard.

‘ Richtlijn 79/7 moet aldus worden uitgelegd, dat het de Lid- Staten niet is
toegestaan, na het verstrijken van de in art. 8 vastgestelde
omzettingstermijn de gevolgen te handhaven van een oudere nationale
wettelijke regeling die onder bepaalde omstandigheden gehuwde vrouwen van het
recht op ouderdomspensioen uitsloot.’.

Geconcludeerd moet dan ook worden dat de Nederlandse wetgeving, voor zover
deze voorziet in korting op het ouderdomspensioen van gehuwde vrouwen als
afgeleide van niet verzekerde tijdvakken van haar echtgenoot, niet afdoende
is aangepast aan de derde richtlijn. Een correcte omzetting van de richtlijn
in de Nederlandse wetgeving had ten tijde hier van belang nog niet
plaatsgevonden, terwijl er evenmin sprake was van een (kenbare)
uitvoeringspraktijk conform de eisen van de derde richtlijn.

De raad verbindt aan het vorenstaande de gevolgtrekking dat de gehuwde vrouw
ten aanzien van wie een korting als vorenbedoeld is toegepast, indien zij
tegen de desbetreffende beslissing in rechte opkomt, overschrijding van de
beroepstermijn niet tegengeworpen kan worden zolang de Nederlandse wetgeving
op dit punt niet in overeenstemming gebracht is met de derde richtlijn, zij
het dat op grond van artikel 2 van die richtlijn een voorwaarde daarvoor is
dat de betrokken vrouw tot de personenkring daarvan behoort.

Uit de door klaagster verstrekte informatie blijkt dat zij laatstelijk van
1947 tot 1971 werkzaam is geweest als directrice van N.V. Lacta, waarna zij
aansluitend twee jaar uitkering ingevolge de Werkloosheidswet en de Wet
Werkloosheidsuitkering heeft ontvangen.

Zij kan derhalve niet tot de personenkring van de derde richtlijn worden
gerekend en kan dus die richtlijn niet inroepen om haar rechten in het kader
van de AOW te beschermen. Die richtlijn kan daarom ook niet het effect hebben
dat overschrijding van de beroepstermijn haar niet tegengeworpen kan worden.

Dat betekent echter niet dat klaagster niet-ontvankelijk in haar beroep moet
worden verklaard. De raad is namelijk van oordeel dat aan het Emmott-arrest
voor degenen die niet onder de werkingssfeer van de derde richtlijn vallen
betekenis toekomt in het raam, van (ambtshalve) toepassing van artikel 84,
tweede lid, van de Beroepswet. In die bepaling – die inhoud dart de raad van
beroep bevoegd is te bepalen dat een na de beroepstermijn ingediend
klaagschrift geacht wordt tijdig te zijn ingekomen, indien de klager
redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest – is aan de
raad van beroep een zekere beoordelingsvrijheid toegekend ten aanzien van
omstandigheden die termijnoverschrijding kunnen verontschuldigen. Re raad
acht in dit verband in de eerste plaats van belang dat – althans naar zijn
oordeel – materieelrechtelijk gezien de positie van vrouwen die niet onder
de werkingssfeer van de derde richtlijn vallen ten aanzien van de
onderwerpelijke kortingsbepaling dezelfde is als die van vrouwen die wel tot
de personenkring van die richtlijn behoren. In een aantal uitspraken
(bijvoorbeeld die van 6 februari 1991, nr. AOW 90/1420.B) heeft de raad de
zienswijze neergelegd dat ook artikel 26 van het Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), welke verdragsbepaling een
algemeen verbod voor de wetgever om onderscheid te maken naar – onder meer
– geslacht bevat, vanaf 23 december 1984 in de weg staan aan het toepassen
van een korting op een ouderdomspensioen ingevolge de AOW op grond van de
litigieuze kortingsbepaling. Daaraan kan worden toegevoegd dat de Centrale
Raad van Beroep in zijn uitspraak van 21 december 1990 (AAW 1985/S 79) –
overigens in het kader van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet – heeft
overwogen dat het bewuste voorschrift, zijnde een bepaling van een Koninklijk
Besluit dat vatbaar is voor toetsing aan de Grondwet, met ingang van 17
februari 1983 buiten toepassing moet worden gelaten wegens het missen van
verbindende kracht uit hoofde van strijd met artikel 1 van de Grondwet.

In samenhang met de vorenaangegeven overwegingen van gelijkheid is de raad
– daargelaten of uit artikel 26 IVBPR en/of artikel 1 van de Grondwet
rechtstreeks kan voortvloeien dat de beroepstermijn wordt opgeschort – voorts
van opvatting dat in verband met de genoemde discriminatieverboden, welke
fundamentele burgerrechten inhouden, in ieder geval gesteld kan worden dat
bij de beoordeling in het kader van artikel 84, tweede lid, van de
Beroepswet, substantieel gewicht toekomt aan de centrale overweging van het
Emmott-arrest, inhoudende dat de burger zich dient te kunnen orienteren op
de nationale wetgeving om zijn rechten te kennen en dat van de betrokkene
niet zonder meer verwacht kan worden dat hij onderkent dat die wetgeving in
strijd is met een voorschrift van inter- of supranationaal recht.

Op basis van (de combinatie van) voorgaande overwegingen acht de raad het al
met al aangewezen om in een geval als het onderhavige de beoordelingsvrijheid
als gegeven in artikel 84, tweede lid, van de Beroepswet aldus in te vullen
dat overschrijding van de beroepstermijn wordt verontschuldigd, In dit geval
ambtshalve toepassing gevend aan laatstgenoemde bepaling, is de raad dan ook
van oordeel dat klaagster in haar beroep, voor zover dat geacht wordt te zijn
gericht tegen de beslissing van verweerder d.d. 16 juli 1987, kan worden
ontvangen.

Uit het vorenoverwogene vloeit tevens voort dat de ten aanzien van klaagster
toegepaste korting op haar ouderdomspensioen ingevolge de AOW in rechte geen
stand kan houden, nu deze berust op een ongeoorloofd c.q. onverbindend
wettelijk voorschrift. Verweerder zal derhalve omtrent de hoogte van het aan
klaagster vanaf 1 maart 1987 toekomende ouderdomspensioen een nieuwe
beslissing dienen te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak
overwogene.

Tenslotte merkt de raad nog op dat het feit dat het beroep tegen verweerders
beslissing van 28 augustus 1990 voor niet- ontvankelijk moet worden gehouden
niet betekent dat deze beslissing voor zover daarin sprake is van een korting
van 10% van het normbedrag rechtskracht heeft. De door verweerder te nemen
nieuwe beslissing zal zich immers dienen uit te strekken over de gehele
periode waarop recht op AOW-uitkering bestaat en derhalve ook tot hert
tijdvak, waarop de beslissing van 28 augustus 1990 betrekking heeft.

III. BESLISSING

De raad van beroep te Roermond,

RECHT DOENDE:

verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar beroep voor zover gericht tegen
verweerders beslissing van 28 augustus 1990;

verklaart klaagster ontvankelijk in haar beroep, voor zover dat geacht wordt
te zijn gericht tegen verweerders beslissing van 16 juli 1987;

vernietigt verweerders beslissing van 16 juli 1987, voor zover deze de hoogte
van het aan klaagster toegekende ouderdomspensioen ingevolge de AOW betreft;

bepaalt dat verweerder terzake van de hoogte van het aan klaagster toekomende
pensioen een nieuwe beslissing neemt met inachtneming van het in deze
uitspraak overwogene;

bepaalt dat verweerder aan klaagster het door haar gestorte griffierecht
volledig vergoedt.

Rechters

Mrs. Schelfhout, Magnee en Smeenk-van der Weijden.

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 mei 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In betreffende gemeente is een banenpool opgezet, waaraan langdurige
werklozen kunnen deelnemen. Het College van Burgemeester en Wethouders wil een
beleidsmaatregel invoeren, waarbij slechts aan alleenverdienende kostwinners
een motivatietoeslag wordt toegekend.

Kostwinnersbepalingen zijn, waneer men deze beziet vanuit het oogpunt
van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, doorgaans verdacht. De algemene
gegevens en die in het onderhavige geval tonen (nog steeds) aan, dat veel meer
mannen dan vrouwen aleenverdienende kostwinner zijn. Dit levert een vermoeden
van indirect onderscheid op. De door het College aangevoerde argumenten
(ondervertegenwoordiging en slechte inkomenspositie van de betreffende
categorie) voldoen niet als objectieve rechtvaardigingsgrond. Strijd met de
Wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 2 april 1991 verzocht het College van Burgemeester en Wethouders
van de gemeente Dordrecht (hierna: het College, respectievelijk de Gemeente)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of een bepaalde maatregel die het College
wil treffen in strijd is met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. De Gemeente heeft een banenpool opgezet voor personen die langdurig
werkloos zijn. De deelnemers ontvangen het wettelijk minimumloon. Het College
is voornemens aan een bepaalde categorie, te weten de alleenverdienende
kostwinners, een motivatietoeslag bovenop het loon toe te kennen. Het College
vraagt zich af of de werkgever van de deelnemers, de Stichting Additionele
Arbeid (hierna: de Stichting), door deze beleidsmaatregel van het College toe
te passen, indirect onderscheid naar geslacht zal maken in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Zij heeft het College om nadere informatie gevraagd.

De Commissie heeft tevens ten behoeve van het onderzoek bij de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten en bij het Regionaal Bestuur voor de
Arbeidsvoorziening in de Gemeente om nadere inlichtingen gevraagd ex artikel
18 WGB.

2.2. De Commissie heeft het College vervolgens opgeroepen zijn standpunt
nader toe te lichten tijdens een zitting op

10 maart 1992.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van het College

– dhr (…) (hoofd bureau werk en scholing)

– dhr (…)

van de kant van de Commissie

– mw mr E.F.A. van Buitenen (Kamervoorzitter)

– dhr ing. J. van Hemert (lid Kamer)

– mw drs J.A.M. Stolwijk (lid Kamer)

– mw mr Y. Telenga (lid Kamer)

– mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. In juli 1989 is in Rotterdam, Nijmegen en de Gemeente in kwestie,
een experiment met alternatieve vormen van werkgelegenheid voor langdurig
werklozen gestart. Het zogenoemde Experiment Additionele Arbeid (EAA) is
beeindigd op 31 december 1990.

In het verlengde van het EAA is er in 1990 van rijkswege regelgeving
verschenen ten behoeve van de opzet van banenpools voor langdurig werklozen.

Deze regelingen zijn de Rijksbijdrageregeling banenpools en de
ARBVO-subsidieregeling banenpools. De Gemeente heeft binnen de kaders van deze
regelingen een banenpool opgezet. Het doel van een banenpool en van het EAA
is, om aan zeer moeilijk bemiddelbare werklozen betaalde arbeid aan te bieden
op boventallige arbeidsplaatsen in de collectieve sector. Alle deelnemers
ontvangen het wettelijk minimumloon.

De potentiele deelnemers worden uit het bestand van het Arbeidsbureau
geselecteerd. In een herorienteringsgesprek wordt onderzocht of personen zeer
moeilijk bemiddelbaar zijn.

De huidige banenpoolregeling wijkt op een aantal punten af van het EAA.
De doelgroep van het EAA bestond namelijk uit werklozen van 39 jaar en ouder,
die langer dan drie jaar werkloos waren, maximaal een LBO/MAVO-opleiding
hadden afgerond en geen mogelijkheden meer hadden om op de reguliere
arbeidsmarkt werk te vinden. Aan de EAA-deelnemers was uitdrukkelijk
meegedeeld dat er geen uitzicht op doorstroming naar een reguliere baan was.

In de banenpoolregeling zijn het leeftijds- en opleidingscriterium
vervallen. Wel blijft vereist dat personen langer dan drie jaren werkloos
zijn.

Voorts is een verschil met het EAA-project dat aan de
banenpool-deelnemers een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt
aangeboden. Ook wordt de mogelijkheid van doorstroming naar een reguliere
arbeidsplaats niet uitgesloten. Verder is deelname aan de banenpool niet
(geheel) vrijwillig, wat bij het EAA wel het geval was.

3.2. De Gemeente in kwestie heeft 212 banenpoolplaatsen.

De werkgever van de deelnemers is een Stichting, welke, zoals ter
zitting bleek, zeer nauw verbonden is met de Gemeente. Het bestuur wordt
namelijk voorgezeten door een wethouder, terwijl het secretariaat berust bij
gemeente-ambtenaren. De Stichting leent de deelnemers aan de banenpool uit aan
instellingen uit de collectieve sector.

De banenpools worden grotendeels gefinancierd met behulp van de gelden
die normaliter aan uitkeringen (Algemene Bijstandswet/Rijksgroepsregeling
werkloze werknemers) besteed worden. Daarnaast worden de loonkosten betaald
door middel van subsidies en premievrijstelling.

Volgens de Rijksbijdrageregeling betekent dit geenszins dat bij de
indicatiestelling alleen ABW/RWW-uitkeringsgerechtigden in aanmerking komen
voor de banenpool. Ook personen die geen uitkering ontvangen of een
andersoortige uitkering ontvangen (WW- of WAO-uitkering) komen in aanmerking
voor deelname aan de banenpool.

3.3. Binnen de groep ABW/RWW-uitkeringsgerechtigden kunnen vier
categorieen onderscheiden worden:

a. Alleenstaanden van 23 jaar en ouder en woningdelers;

b. Een-ouder-gezinnen;

c. Echtparen of samenwonenden waarbij een persoon als alleenverdienende
kostwinner aangemerkt kan worden.

d. Echtparen of samenwonenden waarbij de een de uitkering ontvangt en de
andere partner eveneens over inkomsten beschikt. In dat geval wordt 1/4 van
het inkomen van de andere partner vrijgelaten tot aan een bepaald maximum. De
overige inkomsten worden op de uitkering (gelijk aan die van categorie c)
gekort.

Zoals gezegd ontvangt eenieder die aan de banenpool deelneemt het
wettelijk minimumloon. Wanneer personen uit bovengenoemde categorieen aan de
banenpool deelnemen, betekent dat in zijn algemeenheid voor hun inkomen het
volgende:

Overzicht van netto bijstandsuitkeringsbedrag en netto minimumloon per
maand vanaf 1 juli 1990

bijstands- netto verschil
uitkering minimumloon

alleenstaanden ƒ 1126 ƒ 1525 + ƒ 397

Een-ouder-gezin ƒ 1450
kind <12 jaar ƒ 1645 + ƒ 195
kind >12 jaar ƒ 1596 + ƒ 148

Echtpaar ƒ 1611
alleenverdiener ƒ 1625 + ƒ 14
tweeverdiener ƒ 1492 – ƒ 119
(dus met inkomsten partner)

3.4. Uit boven weergegeven tabel blijkt dat een `alleenverdienende’
kostwinner slechts ƒ 14,- meer inkomsten ontvangt bij deelname aan de
banenpool.

In een evaluatierapport dat in maart 1991 is opgesteld naar aanleiding
van het EAA-project zijn voorts de volgende conclusies getrokken met
betrekking tot de relatie

loon/werkloosheidsuitkering:

a. voor `alleenverdieners’ biedt het aanbod van een EAA-baan, niet of
nauwelijks een financiële prikkel om te gaan werken;

b. in de praktijk blijken sommige EAA-deelnemers, ten gevolge van het
feit dat ze zijn gaan werken, per saldo een lager netto besteedbaar inkomen
over te houden.

Met betrekking tot conclusie a staat in het evaluatie- rapport onder
andere vermeld dat gebleken is dat alleenstaande werklozen en werklozen met
een uitkering van tussen de ƒ 900,- en ƒ 1.200,- relatief vaker aan het
EAA deelnemen. Gehuwde of samenwonende werklozen en werklozen met een
uitkering van tussen de ƒ 1.500,- en ƒ 1.800,- zijn volgens het
evaluatierapport ondervertegenwoordigd. Het feit, dat gehuwde werklozen
relatief vaker een opleidingsniveau van maximaal lager onderwijs hebben en
gemiddeld iets ouder zijn zou mede van invloed zijn op de geringere deelname
van gehuwde werklozen. Het feit, dat het deelnamepercentage van `echtparen
zonder kinderen’ (slechts een van beide echtgenoten mag deelnemen aan het
EAA/banenpool) aanmerkelijk lager ligt in vergelijking met dat van `echtparen
met kinderen’, wordt – eveneens volgens het evaluatierapport- veroorzaakt
doordat de eerste groep relatief ouder is, en oudere werklozen minder vaak aan
EAA deelnemen.

De geringere deelname van werklozen met een uitkering van tussen de ƒ
1.500,- en ƒ 1.800,- heeft volgens het rapport voor een deel te maken met
het feit, dat werklozen met een gezinsnormuitkering er netto per maand niet of
nauwelijks op vooruitgaan wanneer ze een EAA-baan accepteren. Toch -zo staat
in het rapport vermeld- neemt nog altijd 22% van de werklozen met een
uitkering van rond de ƒ 1.600,- aan het experiment deel, terwijl `slechts’
40% van de werklozen met een uitkering van rond de ƒ 1.100,- deelneemt (zie
de tabellen hieronder). Daaruit wordt de conclusie getrokken dat het niet zo
is dat het verschil tussen de uitkering en het minimumloon de allesbepalende
factor is bij de beslissing om wel of niet aan het experiment deel te nemen.
Het `feit dat men weer aan het werk is’, blijkt de belangrijkste motivatie
geweest te zijn om aan het experiment deel te nemen.

Blijkens het evaluatierapport was de groep deelnemers als volgt
samengesteld:

Gezinsvorm deelnemers EAA

alleenstaand 65%
een-ouder-gezin 5%
echtpaar zonder kinderen 7%
echtpaar met kinderen 22%
onbekend 1%
++++++
100%

Overzicht van deelnemers/niet-deelnemers aan het EAA-project per
categorie

verwezen deel- niet- totaal
naar GAB/ nemers deel-
scholing nemers

Gezinsvorm

alleenstaand 3% 38% 59% 100%
een-ouder-gezin 6% 27% 67% 100%

echtpaar
zonder kinderen 3% 18% 79% 100%

echtpaar
met kinderen 5% 22% 74% 100%

Uitkeringsbedrag
geen uitkering 6% 33% 61% 100%
ƒ 900 tot 1200 3% 40% 57% 100%
ƒ 1200 tot 1500 4% 31% 65% 100%
ƒ 1500 tot 1800 4% 22% 74% 100%

In het evaluatierapport wordt met betrekking tot conclusie b
(inkomensachteruitgang) onder andere het volgende opgemerkt. Het financiële
voordeel dat mensen hebben door aan EAA deel te nemen hangt sterk af van hun
gezinssituatie. Ten eerste kan men voor de fiscus in een andere tariefgroep
vallen, waardoor het voordeel om te gaan werken (nagenoeg) verdwijnt. Naast
dit `belastingprobleem’ is tijdens het experiment duidelijk geworden dat het
werken in een baan via het EAA-project tegen het minimumloon nog andere
nadelige financiële gevolgen kan hebben. Een uitkeringsgerechtigde, zowel
alleenstaand als gehuwd, die aanspraak kan maken op diverse subsidie- en
kwijtscheldingsregelingen kan een deel daarvan verliezen door te gaan werken
via EAA.

3.5. Vanwege de ervaringen met het EAA-project en het gegeven dat
alleenverdienende kostwinners er in het kader van de banenpool slechts ƒ
14,- netto op vooruit gaan, heeft het College aan de Gemeenteraad voorgesteld
om genoemde categorie een motivatietoeslag van ƒ 100,- netto per maand toe
te kennen.

De Gemeente in kwestie heeft destijds aan de alleenverdienende
kostwinners die aan het EAA deelnamen een onkostenvergoeding toegekend van ƒ
100,- netto per maand. In de gemeente Rotterdam ontvingen alle deelnemers een
structurele onkostenvergoeding van ƒ 108,75 per maand. De belastingdienst in
Rotterdam beschouwt deze vergoeding niet als inkomsten, terwijl de
belastingdienst in de onderhavige Gemeente dat wel doet. In Nijmegen ontvingen
de deelnemers geen structurele onkostenvergoeding. Wel dienden de inleners
alle werkelijk door de deelnemer gemaakte onkosten te vergoeden.

In het evaluatierapport staat het volgende vermeld (pagina 70) omtrent
de kostenvergoeding (motivatietoeslag) die aan alleenverdienende kostwinners
in de onderhavige Gemeente werd toegekend: `In (…) lijkt het feit dat de
gehuwde kostwinners wel en anderen niet een structurele onkostenvergoeding
ontvangen wel van invloed te zijn geweest op de samenstelling van de groep
EAA-deelnemers. Aanvankelijk waren er namelijk in (…) in vergelijking met
Rotterdam en Nijmegen, relatief meer gehuwde deelnemers.

Dit blijkt echter niet meer uit de gegevens, aangezien er in de loop van
het jaar dusdanig veel gehuwde deelnemers zijn uitgestroomd, dat er in
december 1990 in (…) relatief veel alleenstaanden in het experiment aan het
werk waren’.

3.6. De Gemeente heeft verder de volgende gegevens overgelegd. In de
Gemeente waren er op 1 augustus 1991 3021 personen die reeds langer dan drie
jaren een uitkering ontvingen. Er zijn 1726 personen die een RWW-uitkering
ontvangen, waarvan 1239 mannen en 487 vrouwen. Er zijn 1295 personen die een
ABW-uitkering ontvangen, waarvan 72 mannen en 1223 vrouwen. Degenen die een
ABW-uitkering ontvangen, hebben geen arbeidsverplichting. Zij kunnen op
vrijwillige basis geplaatst worden.

Van de 212 banenpoolplaatsen zijn er per 1 oktober 1991 92 vervuld (er
zijn 106 personen uitgestroomd). 70 plaatsen zijn door mannen bezet, 22 door
vrouwen. Daarvan ontvangen er 68 een RWW-uitkering, 4 een ABW-uitkering en 10
een andere uitkering. Verder zijn er 10 deelnemers die geen uitkering
ontvangen.

Thans zijn er van de 70 mannen, 22 die in aanmerking komen voor een
motivatietoeslag (31%). Onder de deelnemers bevinden zich geen vrouwen die in
aanmerking komen voor een motivatietoeslag.

3.7. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft naar voren gebracht
dat zij met betrekking tot de banenpool een handreiking aan de leden heeft
gegeven. Daarin komt niet het advies voor om aan alleenverdienende kostwinners
een motivatietoeslag toe te kennen. Evenmin heeft zij in circulaires een
dergelijk advies verstrekt.

Het standpunt van het College

3.8. Het College betwijfelt of de maatregel waarbij aan alleenverdienende
kostwinners een motivatietoeslag wordt toegekend, indirect onderscheid tussen
mannen en vrouwen teweeg brengt. Het is van mening dat het toevallig is, dat
thans alleen mannen voor de motivatietoeslag in aanmerking komen.

Het College acht het rechtvaardig om de categorie alleenverdienende
kostwinners een motivatietoeslag toe te kennen, waarbij het College zich met
name op de resultaten van het EAA baseert. Daaruit blijkt dat

– er voor alleenverdienende kostwinners geen financiële prikkel is om een
EAA-baan te aanvaarden; er is immers vastgesteld dat voor deze categorie het
verschil in inkomen bij deelname aan een banenpool ten opzichte van de
bijstandsuitkering slechts ƒ 14,- netto per maand bedraagt. Bovendien is het
zo dat het feit dat men gaat werken ook kosten met zich mee brengt. Voor de
alleenverdienende kostwinners betekent dit dat zij materieel gezien minder
inkomen overhouden wanneer ze werken; dit geldt weliswaar ook voor werknemers
in een reguliere baan die het wettelijk minimumloon ontvangen, doch het
overgrote deel van de deelnemers aan de banenpool is blijvend aangewezen op
het wettelijk minimumloon;

– alleenverdienende gehuwden/samenwonenden sterk ondervertegenwoordigd waren.

Voor de andere categorieen geldt dat de netto loonverschillen zodanig
zijn dat van een extra stimulans geen sprake hoeft te zijn. Wat betreft de
categorie een-ouder-gezinnen, wijst het College erop dat alleenstaande ouders
die een ABW-uitkering ontvangen geen arbeidsplicht hebben. De overige
categorieen hebben die plicht wel.

Het College is daarom van mening dat de toeslag voor alleenverdienende
kostwinners binnen het concept van de banenpool op zijn plaats is vanuit
motivatiebevorderende overwegingen. Zij acht het treffen van sancties, zoals
het intrekken van de uitkering, om hetzelfde resultaat te bereiken, niet
opportuun.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. De vraag ligt voor of de beleidsmaatregel waarbij slechts aan de
alleenverdienende kostwinners een motivatietoeslag wordt toegekend, indirect
onderscheid naar geslacht oplevert in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

Met het verzoek wil het College voorkomen dat de Stichting Additionele
Arbeid, in haar hoedanigheid van werkgever door toepassing van die maatregel,
in strijd zal handelen met artikel 1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).

Artikel 1637ij lid 1 BW schrijft onder andere voor dat een werkgever
geen onderscheid tussen mannen en vrouwen mag maken in de arbeidsvoorwaarden.
In het vijfde lid is bepaald dat dit verbod betrekking heeft op zowel direct
als indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen. Onder indirect onderscheid
wordt verstaan onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan het geslacht,
bijvoorbeeld echtelijke staat of gezinsomstandigheden, dat onderscheid op
grond van geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid objectief
gerechtvaardigd is.

4.2. Het vermoeden van indirect onderscheid ontstaat wanneer het nadelig
effect van een regeling in overwegende mate personen van een geslacht treft,
of – andersom gesteld – indien een bepaalde regeling hoofdzakelijk in het
voordeel van personen van een geslacht uitvalt.

Derhalve moet onderzocht worden wat het effect naar geslacht is van de
beleidsmaatregel die het College wil treffen.

Met name is van belang of er meer mannen dan vrouwen, gelet op ieders
– te verwachten – aandeel in de banenpool, in aanmerking zullen komen voor de
toe te kennen motivatietoeslag.

Daarover merkt de Commissie het volgende op.

Kostwinnersbepalingen zijn, wanneer men deze beziet vanuit het oogpunt
van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, doorgaans verdacht. Zie ook
oordeel numer 446-91-79 van de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid. Dit geldt nog in sterkere mate voor het criterium
`alleenverdienende’ kostwinner. De algemene gegevens tonen immers nog steeds
aan dat veel meer mannen dan vrouwen alleenverdienende kostwinner zijn.
Wanneer men althans, zoals in het onderhavige geval, een-ouder-gezinnen niet
tot de categorie `alleenverdienende’ kostwinners rekent, staat voor de
Commissie vast dat vrouwen slechts in zeer geringe mate onder laatstgenoemde
categorie zullen vallen.

Reeds hieruit blijkt dat de stelling van het College, dat het toeval is
dat in het onderhavige geval alleen mannen voor een motivatietoeslag in
aanmerking komen, geenszins aannemelijk is.

Toegespitst op de cijfers in het onderhavige geval, merkt de Commissie
op dat deze niet afwijken van het hiervoor geschetste beeld. Er zijn in
oktober 1991 70 mannen geplaatst in de banenpool, waarvan er 22
alleenverdienende kostwinner zijn (=31%). Er zijn 22 vrouwen geplaatst,
waarvan er geen enkele alleenverdienende kostwinner is (=0%).

Hierbij zij opgemerkt, dat de Commissie relatieve cijfers hanteert, dat
wil zeggen dat rekening gehouden wordt met het aandeel dat mannen
respectievelijk vrouwen hebben in de banenpool. Bij een bestand waarin mannen
en vrouwen niet een ongeveer gelijk aandeel hebben, zouden absolute aantallen
namelijk een vertekend beeld kunnen geven, (een voorbeeld: een onderneming
waarin 10 vrouwen werken en 1000 mannen. Van de vrouwen werken er 9 in
deeltijd, van de mannen ook. In aantallen werkt onderscheid ten nadele van
deeltijders gelijk uit naar geslacht, terwijl duidelijk zal zijn dat toch met
name de vrouwen nadeling worden getoffen (9 van de 10 respectievelijk 9 van de
1000) alhoewel ook die vergelijking in het onderhavige geval hetzelfde voor
vrouwen nadelige effect zou hebben.

Uit het voorgaande volgt dat toepassing van het criterium
`alleenverdienende’ kostwinners onevenwichtig uitwerkt. Tot nu toe ondervinden
alleen mannen voordeel van de regeling en zullen ook met name mannen daarvan
voordeel blijven ondervinden, hetgeen betekent dat vrouwen in vergelijking
daarmee in overwegende mate nadelig getroffen worden. De Commissie stelt dan
ook vast dat toepassing van de onderhavige regeling een vermoeden van indirect
onderscheid met zich brengt.

Het ligt dan op de weg van het College om aan te tonen dat er een
objectieve rechtvaardiging bestaat voor de maatregel.

Onder objectieve rechtvaardiging verstaat de Commissie (Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, d.d. 5 maart 1990,
oordeelnummer 1-90-10; zie voorts o.a. Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Bilka Kaufhaus versus Weber von Hartz, d.d. 13 mei 1986, zaak
170/84; Rinner-Kuhn versus FWW Spezial Gebaudereinigung GmbH & CO.KG, d.d. 13
juli 1989, zaak 171/88).

– dat het onderscheid gemaakt wordt om een objectief gerechtvaardigd
doel te dienen en

– daartoe middelen zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit
doel te bereiken, terwijl

– dit doel niet is te bereiken op andere wijze waarbij geen indirect
onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

4.3. Het College heeft aangegeven dat de objectieve rechtvaardiging voor
deze beleidsmaatregel zijns inziens gelegen is in de volgende punten:

– de categorie alleenverdienende kostwinners gaat er bij deelname aan de
banenpool in vergelijking met de andere categorieen het minst op vooruit,
namelijk slechts ƒ 14,-; in feite gaat hun financiële positie achteruit,
omdat deelname aan de arbeidsmarkt ook kosten met zich mee brengt;

– deze categorie was sterk ondervertegenwoordigd in het deelnemersbestand
van de banenpool.

Deze twee bevindingen hebben tot de conclusie geleid dat de groep
alleenverdienende kostwinners extra motivatie behoefde om deel te nemen aan de
banenpool.

4.4. De Commissie overweegt hieromtrent als volgt.

Zij geeft hetgeen het College omtrent de doelstelling van de
motivatietoeslag heeft aangegeven als volgt weer: het bevorderen van de
instroom van de bewuste categorie kostwinners in de banenpool door middel van
een extra financiële tegemoetkoming.

Allereerst moet dan de vraag beantwoord worden of dit doel objectief
gerechtvaardigd is. In zijn algemeenheid kan de Commissie onderschrijven dat
het bevorderen van de instroom van werkloze personen in een banenpool als een
objectief gerechtvaardigd doel aangemerkt kan worden. Een dergelijke algemene
doelstelling heeft het College echter niet naar voren gebracht. De doelgroep
van de onderhavige beleidsmaatregel is beperkter. Het College beroept zich
voor deze beperking op het feit, dat deze doelgroep naar zijn mening een
bijzondere positie inneemt temidden van de overige categorieen wat betreft de
ondervertegenwoordiging en de inkomenspositie.

Met betrekking tot het argument van de ondervertegenwoordiging in het
EAA-project, merkt de Commissie op dat in de eerste plaats uit de overgelegde
gegevens niet exact op te maken is, welk percentage van de deelnemers tot de
categorie `alleenverdienende’ kostwinner behoort. In de tabellen in paragraaf
3.4. komt de categorie `alleenverdienende’ kostwinner immers niet voor. Wel is
bekend dat het deelnemersbestand voor 65% bestaat uit alleenstaanden, voor 5%
uit een-ouder-gezinnen, voor 7% uit `echtparen zonder kinderen’ en voor 22%
uit `echtparen met kinderen’. Hoeveel deelnemers derhalve tot de categorie
`alleenverdienende’ kostwinners behoren, kan dan ook slechts tot op zekere
hoogte afgeleid worden door de gegevens uit paragraaf 3.4. te combineren. Men
zou in dat geval kunnen concluderen dat deze categorie te vinden is onder de
deelnemers aan het EAA-project die een inkomen hebben tussen ƒ 1.500,- en
ƒ 1.800,-, aangezien het gezinsnorminkomen wat betreft de ABW en de RWW
tussen deze bedragen ligt. In dat geval zou 22% van alle `alleenverdienende’
kostwinners aan het EAA-project deelnemen.

Wel is exact geregistreerd welk percentage van de alleenstaanden en van
de een-ouder-gezinnen deelnemen aan het EAA. Het blijkt dat 38% van alle
alleenstaanden en 27% van alle `een-ouder-gezinnen’ deelnemen aan het
EAA-project.

De Commissie leidt uit bovenstaande gegevens af dat indien de
alleenverdienende kostwinners al onder- vertegenwoordigd zijn in de banenpool
(+22%), dit in ieder geval ook geldt voor de een-ouder-gezinnen (27%).

Dit had voor het College een teken moeten zijn dat aan deze groep
(vooral bestaande uit vrouwen) eveneens extra aandacht besteed moet worden wat
betreft motivatiebevorderende maatregelen. Het College heeft in dit verband
erop gewezen dat deze groep niet arbeidsplichtig is en zich dus vrijwillig
aanmeldt. Ter zitting heeft het College echter ook aangegeven dat de overige
categorieen weliswaar arbeidsplichtig zijn, maar over het algemeen geen
strafkorting hoeven te verwachten indien zij niet willen deelnemen aan de
banenpool. In de praktijk is er in dat opzicht dus niet een dusdanig verschil
tussen de een-ouder-gezinnen en de overige categorieen, dat daaruit de
gevolgtrekking gemaakt dient te worden dat deze groep geen motivering
behoeft.

De Commissie komt dan aan het andere argument ten aanzien van de
objectieve rechtvaardiging van het College, te weten de achteruitgang dan wel
zeer geringe vooruitgang in financiële positie van de doelgroep.

De Commissie is van mening dat het College op geen enkele wijze
onderzocht heeft of andere categorieen mogelijk eveneens voor een
motivatietoeslag in aanmerking dienen te komen, terwijl daartoe wel aanleiding
bestaat. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat de kosten van
kinderopvang een van de beletselen voor alleenstaande ouders vormt om aan de
arbeidsmarkt deel te nemen.

Het College heeft kennelijk hierin geen aanleiding gezien om deze groep
eveneens een motivatietoeslag of andere vergoeding toe te kennen en heeft ook
niet onderzocht of dat nodig was.

Voorts geldt volgens het evaluatierapport (zie paragraaf 3.4.) ook voor
andere categorieen dat die geconfronteerd kunnen worden met
inkomensachteruitgang vanwege verlies van subsidies, kwijtscheldingen en
vanwege het feit dat men in een ander belastingtarief kan vallen.

Op grond van bovenstaande overwegingen concludeert de Commissie dat de
keuze voor de groep `alleenverdienende’ kostwinner te willekeurig is, zodat er
geen sprake is van een objectief gerechtvaardigd doel.

Aan de toets of het gemaakte onderscheid aan de overige, hierboven
genoemde, voorwaarden voldoet die de Commissie stelt aan de objectieve
rechtvaardiging, komt de Commissie niet toe.

Ten overvloede overweegt de Commissie wel dat zelfs indien het doel van
de regeling als objectief gerechtvaardigd aangemerkt zou kunnen worden, het
gebruikte middel (de motivatietoeslag) niet geschikt en noodzakelijk is om het
beoogde doel te bereiken. Uit het EAA-project is immers gebleken dat gehuwde
kostwinners, ondanks het feit dat zij een kostenvergoeding van ƒ 100,-
ontvingen, toch uitstroomden. Kennelijk was de financiële prikkel alleen niet
voldoende om deze groep te behouden voor het EAA-project. Bovendien geeft,
volgens het evaluatierapport, een groot aantal deelnemers aan dat het feit
`dat men weer aan het werk is’, de belangrijkste motivatie is geweest om aan
het experiment deel te nemen. De eventuele financiële vooruitgang speelt over
het algemeen een secundaire rol. Het middel lijkt evenmin geschikt indien het
bedoeld is om onverwachte inkomensachteruitgang te compenseren. Het College
weet immers zelf niet exact, zo blijkt ook uit het evaluatierapport, welke
groepen en/of personen een inkomensachteruitgang en van welke omvang zullen
ondervinden.

Hiermee staat vast dat indien de bewuste beleidsmaatregel getroffen en
toegepast zal worden, in overwegende mate mannen bevoordeeld en derhalve
vrouwen benadeeld worden, waarvoor geen voldoende objectieve rechtvaardiging
bestaat.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Stichting Additionele
Arbeid te Dordrecht in strijd met artikel 1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek
indirect onderscheid naar geslacht zal maken, indien het de voorgenomen
beleidsmaatregel van het College van Burgemeester en Wethouders van de
gemeente Dordrecht, waarbij alleen aan de categorie `alleenverdienende’
kostwinners een motivatietoeslag toegekend wordt, zal toepassen.

Rechters

Mw. mr. E.F.A. van Buitenen, voorzitter dhr. ing. J. van Hemert, mw.drs. A.J.A.M. Stolwijk, mr. mr. Y. Telenga, mw. mr. C.E. van Vleuten en mw.drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 mei 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was bij de wederpartij werkzaam op basis van een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voordat de termijn van de
arbeidsovereenkomst verstreken was, heeft verzoekster aan de wederpartij
gemeld dat zij zwanger was. De wederpartij heeft het tijdelijke dienstverband
met verzoekster niet omgezet in een vast dienstverband. Verzoekster is van
mening dat de oorzaak hiervan gelegen is in haar zwangerschap. De wederpartij
stelt dat het dienstverband met verzoekster niet is voortgeet omdat zij niet
goed functioneerde. Weliswaar staat in haar beoordelingsformulier vermeld dat
zij “voldoende” functioneerde, doch dit moet gelezen worden als “matig”.

Uit het onderzoek van de Commissie is onvoldoende komen vast te staan
dat de zwangerschap van verzoekster een rol heeft gepseeld bij het in geding
zijnde besluit.

Volledige tekst

1.HET VERZOEK

1.1.Op 19 juni 1991 verzocht mevrouw te Rotterdam (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of te Rotterdam (hierna:
wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling.

1.2.Verzoekster was in de periode 1 april 1990 – 1 april 1991 bij de
wederpartij werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
Deze arbeidsovereenkomst is niet omgezet in een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd. Volgens verzoekster heeft het feit dat zij zwanger was een
rol gespeeld bij deze beslissing. Zij is van mening dat de wederpartij hiermee
heeft gehandeld in strijd met artikel 1637ij Burgerlijk Wetboek (BW)
respectievelijk artikel 3 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB;
Stb. 1989, 168).

2.DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1.De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Beide partijen hebben ieder de gelegenheid gekregen hun
standpunten schriftelijk nader toe te lichten.

De Commissie heeft een onderzoek ter plaatse ingesteld. In het kader van
dit onderzoek zijn gesprekken gevoerd met de werkgever en collega’s van
verzoekster op 31 januari 1992 en met verzoekster op 19 februari 1992. Van de
gesprekken die gevoerd zijn tijdens het onderzoek ter plaatse zijn verslagen
gemaakt. Deze verslagen zijn op 19 maart 1992 aan partijen toegezonden.

2.2.De Commissie heeft partijen opgeroepen hun standpunten nader toe te
lichten tijdens een zitting op 2 april 1992.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

dhr mr A.A.J. Kouwenhoven (gemachtigde verzoekster)

van de kant van de wederpartij

dhr H. Tol (informatie-manager)

mw mr A.P.J.M. Verbeek (advocate)

van de kant van de Commissie

dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter)

mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer)

mw drs A.J. Huber (lid Kamer)

mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

2.3.Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3.DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1.Verzoekster is in de periode 1 januari – 1 april 1990 op
uitzendbasis als telefoniste werkzaam geweest bij de wederpartij. Haar taken
bestonden naast het bedienen van telefoon, telefax en omroepinstallatie onder
meer uit typen, het ontvangen van bezoekers, het verzorgen van koffie e.d. en
het uitvoeren van licht administratief werk. Verzoekster had geen ervaring als
telefoniste/receptioniste. Omdat zij goed functioneerde is haar na drie
maanden een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar aangeboden (5 dagen
van 5 uur).

Vanaf juli 1990 verrichtte verzoekster incidenteel extra werkzaamheden,
zoals het inpakken van facturen, en werkte dan enkele uren per week extra. In
de periode oktober-december 1990 heeft verzoekster de ochtendtelefoniste
tijdens diens vakantie vervangen. Verzoekster werkte in deze periode voltijds.
Na de vervanging is verzoekster eveneens voltijds blijven werken. Naast haar
werkzaamheden bij de telefooncentrale verrichtte zij, voor haar, nieuwe
werkzaamheden op de debiteurenadministratie en de afdeling klantenservice.

3.2.Op 28 december 1990 heeft verzoekster een beoordelingsgesprek gehad
met de informatie-manager (hierna: informatie-manager I). In een
beoordelingsschaal van ‘onvoldoende-matig-voldoende-goed-zeer goed’ scoorde
verzoekster overwegend ‘voldoende’ (elf maal) en enkele malen ‘goed’
(driemaal). In de kolom opmerkingen/toelichting stond genoteerd: ‘…soms
duidelijk leiding nodig’, ‘Pas op met ‘brutaal’ zijn’ en ‘Ambtenarentijd is
voorbij’. Het samenvattende oordeel luidde ‘voldoende’. Verzoekster heeft deze
beoordeling voor akkoord getekend.

Ten behoeve van het onderzoek van de Commissie heeft de wederpartij
zeven gelijke beoordelingsformulieren over 1990 van collega’s van verzoekster
overgelegd. In deze beoordelingen werden vier collega’s, evenals verzoekster
samenvattend ‘voldoende’ beoordeeld en drie collega’s kregen ‘goed’ in hun
samenvattend oordeel. Van de acht beoordelingen kwam verzoekster als een na
minste hieruit naar voren.

Tijdens het onderzoek ter plaatse zijn gesprekken gevoerd met de beide
informatie-managers (informatie-manager I en diens opvolger per 1 januari 1991
informatie-manager II) en met twee collega’s van verzoekster. Uit de
gesprekken met de beide informatie-managers kwam naar voren dat verzoekster
onvoldoende functioneerde. Een van de collega’s stelde dat verzoekster sommige
werkzaamheden goed uitvoerde en andere werkzaamheden niet oppikte, hetgeen
tijdens de duur van het dienstverband niet veranderde. De andere collega
deelde mee dat verzoekster goed functioneerde en dat alleen op het eind van
het dienstverband veranderingen merkbaar waren.

Uit de overgelegde stukken is voorts gebleken dat de wederpartij in 1989
462 arbeidovereenkomsten voor bepaalde tijd heeft afgesloten, waarvan er 187
niet zijn verlengd. In 1990 heeft de wederpartij 636 arbeidsovereenkomsten
voor bepaalde tijd afgesloten, waarvan er 261 niet zijn verlengd.

3.3.In december 1990 is verzoekster zwanger geworden. In januari 1991
heeft verzoekster aan de regio-manager en informatie-manager I meegedeeld
zwanger te zijn. Op

28 februari 1991 heeft verzoekster zich ziek gemeld. Bij brief gedateerd
6 maart 1991 heeft de wederpartij meegedeeld dat het arbeidscontract per 1
april 1991 van rechtswege zal eindigen en geen gebruik meer zal worden gemaakt
van de diensten van verzoekster. Tevens was de volgende zinsnede opgenomen:

‘Wellicht ten overvloede willen wij u erop wijzen dat uw persoonlijke
omstandigheden geen invloed hebben gehad op deze mededeling.’

Op 21 maart 1991 is verzoekster op kantoor geweest en heeft opheldering
gevraagd aan de opvolger van informatie-manager I, (hierna: informatiemanager
II) over de reden van het niet verlengen van haar contract.

Na verzoeksters ziekmelding hebben twee collega’s de werkzaamheden van
verzoekster verricht. Ongeveer eind april 1991 is een uitzendkracht voor
verzoeksters werkzaamheden aangenomen, waarna in juni 1991 de aanstelling op
uitzendbasis is omgezet in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

Standpunten van partijen

3.4.Verzoekster stelt het volgende. Volgens haar is bij indiensttreding
verteld dat het beleid is bij de wederpartij om een arbeidsovereenkomst voor
de duur van een jaar bij gebleken geschiktheid om te zetten in een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Tijdens het beoordelingsgesprek in
december 1990 heeft informatie-manager I gezegd dat de contractswijziging naar
40 uur per week, per 1 april 1991 zou plaatsvinden.

Voorts stelt verzoekster dat haar contract ondanks het feit dat zij
voldoende tot goed functioneerde niet is omgezet. De wederpartij is hiermee
afgeweken van haar beleid. Verzoekster wijst hier op het feit dat haar
beoordeling niet (sterk) afweek van de beoordeling van andere medewerkers, die
wel voor onbepaalde tijd zijn aangenomen.

Vervolgens meent verzoekster dat eerst vanaf het moment dat zij melding
heeft gemaakt van haar zwangerschap, klachten over haar functioneren zijn
ontstaan en een verandering in de manier waarop zij werd benaderd. Na
beeindiging van het dienstverband hoorde zij via een collega dat er kritiek op
haar functioneren was. Tijdens het gesprek op 21 maart 1991 heeft
informatie-manager II gezegd, dat werken tijdens haar zwangerschap een hele
opgave zou zijn en dat later problemen zouden kunnen ontstaan bij ziekte van
het kind. Over haar functioneren is tijdens dit gesprek niet gesproken.

Zij ontkent het door de wederpartij gestelde omtrent haar onvoldoende
functioneren. Zij heeft ook nooit vernomen dat collega’s en/of personeel van
andere vestigingen opmerkingen over haar functioneren zouden hebben gemaakt.

Verzoekster meent dan ook uit het bovenstaande niet anders te kunnen
afleiden dan dat haar zwangerschap een rol heeft gespeeld bij de beslissing de
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet om te zetten in een voor
onbepaalde tijd. Verzoekster is van mening dat het feit dat zij zwanger was
dan wel het feit dat zij na haar zwangerschap en bevalling minder inzetbaar
zou zijn een rol heeft gespeeld bij de beslissing haar geen nieuwe
arbeidsovereenkomst aan te bieden.

3.5.De wederpartij stelt dat het geen beleid is om een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd om te zetten in een arbeidsovereenkomst
voor onbepaalde tijd. Vacatures worden in beginsel intern vervuld. Lukt dat
niet dan wordt een kracht van buitenaf aangetrokken, veelal een uitzendkracht.
Aan deze kracht wordt bij gebleken geschiktheid een arbeidsovereenkomst voor
bepaalde tijd aangeboden, zoals dat ten aanzien van verzoekster ook is
gebeurd. Of daarna een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt
aangeboden hangt af van diverse factoren zoals het nog steeds openstaan van de
functie, de geschiktheid van de kandidaat, de toekomstverwachting bij de
desbetreffende afdeling en of partijen wel of niet tevreden zijn.

Dat aan verzoekster na afloop van de arbeidsovereenkomst per 1 april
1991 geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangeboden hangt samen
met haar functioneren. In de beginfase leek verzoekster de draad goed op te
pakken en kon zij in beginsel goed opschieten met haar collega’s. Omstreeks
juni 1990 veranderde echter haar houding ten opzichte van haar werk. De
wederpartij stelt hierover regelmatig met verzoekster te hebben gesproken,
maar dat ondanks toezeggingen harerzijds geen verbetering optrad.

De wederpartij deelt mee dat uit het beoordelingsformulier van 28
december 1990 blijkt dat verzoekster niet goed zelfstandig functioneerde. Ter
zitting heeft de wederpartij toegelicht dat ofschoon het samenvattend oordeel
van verzoekster ‘voldoende’ aangeeft hiervoor ‘matig’ dient te worden gelezen.
De enigszins positieve invulling van het beoordelingsformulier was bedoeld om
verzoeksters functioneren in de goede richting te laten gaan en haar nog een
kans te geven. Voorts stelt de wederpartij dat tijdens het beoordelingsgesprek
aan verzoekster geen toezeggingen zijn gedaan over de voortzetting van het
dienstverband. Slechts aan de orde is geweest een omzetting van het aantal
arbeidsuren van 25 uur naar 40 uur in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde
tijd, teneinde het contract in overeenstemming te brengen met de feitelijke
situatie. Medio maart 1991 zou worden beslist over het al dan niet omzetten
van de arbeidsovereenkomst.

Tijdens het gesprek op 21 maart 1991 heeft informatie-manager II
verzoekster meegedeeld de reden voor het niet verlengen van de
arbeidsovereenkomst in een later gesprek te willen bespreken. Hij ontkent dat
tijdens dit gesprek over verzoeksters zwangerschap als reden voor
niet-verlenging is gesproken.

Samenvattend stelt de wederpartij dat het niet verlengen van de
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gelegen in de kritiek die bestond op
het functioneren van verzoekster. Haar zwangerschap heeft bij deze beslissing
in het geheel geen rol gespeeld.

Subsidiair stelt de wederpartij dat indien de Commissie tot de conclusie
zou komen dat de zwangerschap mede een grond voor de beeindiging is geweest
-wat het niet was- dit geen strijd op zou leveren met artikel 1637ij BW omdat
er een rechtvaardigingsgrond is, namelijk het niet goed functioneren van
verzoekster.

4.DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. Het besluit van de wederpartij om het tijdelijke contract van
verzoekster per 1 april 1991 niet om te zetten in een vast dienstverband is
een besluit betreffende het aangaan van een arbeidsovereenkomst
respectievelijk de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking.

Onderzocht moet nu worden of het in geding zijnde besluit al dan niet in
strijd is met het bepaalde in artikel 1637ij BW en de WGB.

4.2. Artikel 1637ij lid 1 BW verbiedt het maken van onderscheid tussen
mannen en vrouwen bij onder meer het aangaan van een arbeidsovereenkomst.
Artikel 3 lid 1 van de WGB verbiedt het maken van een dergelijk onderscheid
bij onder meer de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking.

Artikel 1637ij lid 5 BW respectievelijk artikel 1 WGB geeft aan, wat
onder onderscheid moet worden verstaan. Onderscheid op grond van zwangerschap
is, blijkens deze bepalingen, een vorm van direct onderscheid. De wet biedt
geen ruimte voor het rechtvaardigen van direct onderscheid. De enige
uitzondering op het verbod van direct onderscheid zijn de in de wet genoemde
uitzonderingen, genoemd in artikel 1637ij lid 2-4 BW respectievelijk artikel 5
WGB.

4.3. Verzoekster is van mening dat haar zwangerschap dan wel het feit dat
zij na haar zwangerschap en bevalling minder inzetbaar zou zijn een rol heeft
gespeeld bij de beslissing haar geen nieuwe arbeidsovereenkomst aan te bieden.
Ondanks het feit dat zij voldoende tot goed functioneerde, is haar contract,
in afwijking van het beleid van de wederpartij, niet omgezet.

De wederpartij heeft aangevoerd dat het niet verlengen van de
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gelegen in de kritiek die bestond op
het functioneren van verzoekster. De zwangerschap van verzoekster heeft in het
geheel geen rol gespeeld.

Subsidiair stelt de wederpartij dat indien de Commissie tot de conclusie
zou komen dat de zwangerschap mede een grond voor de beeindiging is geweest
-wat het niet was- dit geen strijd op zou leveren met artikel 1637ij BW omdat
er een rechtvaardigingsgrond is, namelijk het niet goed functioneren van
verzoekster.

4.4. De Commissie overweegt omtrent de stellingen van partijen als volgt.
Onvoldoende is komen vast te staan dat het bij de wederpartij vast
beleid is om alle arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd om te zetten in een
vast dienstverband. Immers, in 1989 is 40% en in 1990 is 41% van de
arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd niet verlengd (Par. 3.2.). Doordat er
ook werknemers zijn met een tijdelijk dienstverband die uit zichzelf
vertrekken, dienen deze percentages enigszins te worden genuanceerd. Wel kan
worden vastgesteld dat een aanzienlijk percentage van de contracten niet wordt
omgezet in een vast dienstverband. Hieruit volgt dat niet kan worden gesproken
van een vast beleid om alle arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd om te
zetten in een vast dienstverband.

4.5. Met betrekking tot het functioneren van verzoekster kan het volgende
worden opgemerkt. Uit het onderzoek leidt de Commissie af dat de wederpartij
tijdens het dienstverband niet duidelijk heeft aangegeven dat verzoekster
onvoldoende functioneerde of dat zij haar functioneren in bepaalde opzichten
diende te verbeteren. Het beoordelingsformulier heeft aan deze onduidelijkheid
nog eens extra bijgedragen. Uit dit formulier kan zonder verdere toelichting
immers niet anders worden geconstateerd dan dat het functioneren van een
werknemer als voldoende wordt beoordeeld. Dat bij het samenvattend oordeel
(als stimulans) ‘voldoende’ wordt gegeven en ‘matig’ dient te worden gelezen,
benadrukt de ondoorzichtigheid van de beoordelingsprocedure nog eens extra.

De Commissie overweegt dat uit het bovenstaande kan worden afgeleid dat
de wederpartij onzorgvuldig heeft gehandeld ten aanzien van verzoekster door
haar niet op de juiste manier te informeren over haar functioneren. Uit het
onderzoek van de Commissie is niet gebleken dat verzoekster zonder meer goed
of voldoende functioneerde.

4.6.Gelet op het feit dat het geen vast beleid is bij de wederpartij
arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd om te zetten in een vast
dienstverband en op het gegeven dat niet is vast komen te staan dat
verzoekster voldoende functioneerde, concludeert de Commissie dat onvoldoende
is vast komen te staan dat de zwangerschap van verzoekster een rol heeft
gespeeld bij het in geding zijnde besluit. Uit de gegevens en verklaringen die
tijdens het onderzoek en ter zitting naar voren zijn gekomen, zijn onvoldoende
feitelijke gegevens naar voren gekomen om tot een ander oordeel te komen.

Ter overweging aan de wederpartij wil de Commissie nog het volgende
opmerken. Door de ondoorzichtigheid van de gevolgde procedure bij
beoordelingen en het ontbreken van voldoende uitleg aan verzoekster, met name
in de laatste periode van het dienstverband, dat haar functioneren verbetering
behoefde, heeft bij verzoekster de indruk kunnen ontstaan dat haar
zwangerschap een rol speelde in de in het geding zijnde beslissing.

4.7.Voor wat betreft het subsidiair verweer van de wederpartij overweegt
de Commissie het volgende. Op zich hoeft dit niet aan de orde te komen
aangezien de Commissie hiervoor al heeft geconcludeerd dat niet is komen vast
te staan dat de zwangerschap een rol heeft gespeeld bij het in geding zijnde
besluit. Desalniettemin wijst de Commissie op het volgende. Volgens de wet is
onderscheid op grond van zwangerschap direct onderscheid. Hiervoor kan geen
rechtvaardigheidsgrond worden aangevoerd (Zie Hoge Raad 13 september 1991,
Dekker tegen Vormingscentrum voor Jong Volwassenen (VJV-Centrum) Rechtspraak
van de Week 1991 nr. 193; Hoge Raad 24 juni 1988, NJ 1988, 1002; Hof van
Justitie EG 8 november 1990, C- 177/88).

HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat niet is komen vast te
staan dat te Rotterdam onderscheid naar geslacht heeft gemaakt jegens
mevrouw

en daarmee in strijd heeft gehandeld met artikel 1637ij lid 1 Burgerlijk
Wetboek respectievelijk artikel 3 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

Rechters

dhr. prof mr. P.F. van der Heyden, voorzitter, mw. prof. mr. J.E.Goldschmidt, mw. drs. A.J. Huber en mw. drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Rechtbank Utrecht, 27 mei 1992

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Vordering ƒ 25.000,= wegens materiele en immateriele schade. Gedaagde
heeft onrechtmatig gehandeld jegens de ouders, (eisers) en het kind door
het kind te onttrekken aan het wettig over hem gestelde gezag en door
ontucht met hem te plegen. De materiele schade van de ouders betreft onder
meer de verhuiskosten en vervoerskosten in verband met de therapeutische
behandeling van het kind. Gedaagde is strafrechtelijk veroordeeld. Naast
gedaagde was er nog een dader tegen deze tweede dader hebben eisers ook
een civielrechtelijke procedure gevoerd welke is geeindigd in een
schikking waarbij is overeengekomen dat aan eisers een bedrag van ƒ
10.050,= wegens materiele en immateriele schade wordt betaald. Gevorderd
was ƒ 20.000,= De rechtbank acht het ongewenst eisers te nopen tot een
nadere specifikatie van hun schade en een nadere toerekening van die
schade aan de twee verschillende daders. Rekening houdend met hetgeen de
andere dader moet betalen wijst de rechtbank de schadevergoeding toe als
volgt: – ƒ 2.500,=verhuis en herinrichtingskosten – ƒ 2.500,=
reiskosten – ƒ 2.000,=immateriele schade

Volledige tekst

6. Het verdere verloop van het geding 6.1. De meervoudige kamer voor de
behandeling van burgelijke zaken van deze rechtbank heeft in deze zaak een
tussenvonnis gewezen, dat is uitgesproken op 27 februari 1991. 6.2.
Ingevolge dit vonnis heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden.
Daarvan is proces-verbaal opgemaakt en afschriften ervan bevinden zich bij
de stukken. 6.3. Daarop hebben eisers een conclusie na comparitie genomen
en zij hebben daarbij tien produkties in het geding gebracht. 6.4.
Vervolgens heeft gedaagde een conclusie na comparitie genomen en hij heeft
daarbij dertien prokukties overgelegd. 6.5. Ten slotte hebben partijen de
stukken aan de rechtbank overgelegd en vonnis gevraagd.

7. De nader tussen partijen vaststaande feiten 7.1. In of omstreeks de
periode van 1 juni 1987 tot en met 1 november 1988 heeft een toenmalige
buurman van W en S opzettelijk meermalen ontuchtige handelingen gepleegd
met het kind en hem gedwongen tot het plegen en dulden van ontuchtige
handelingen. De buurman is voor deze feiten strafrechtelijk veroordeeld.
7.2. de ouders hebben tegen de toenmalige buurman een civiele procedure
gevoerd, welke bij deze rechtbank bekend is onder rolnummer 01.20.1231/90F
In die procedure hebben de ouders zowel voor zichzelf als in hun
hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun kind een
schadevergoeding gevorderd van ƒ 20.000,= Die schade is in die procedure
nader gespecificeerd als volgt: a. verbouwingskosten van de woning van de
ouders, ƒ 10.000,=; b. verhuis- en inrichtingskosten ƒ 5.000,= ; c. kosten
gesteld op ƒ 3.000,= , gemoeid met het halen en brengen van het kind voor
therapeutische behandeling gedurende drie jaren; d. immateriele schade
voor het kind.

Deze procedure is geeindigd in een schikking vastgelegd in een
proces-verbaal van comparitie van partijen van 17 mei 1991. Toen is
overeengekomen tussen de toenmalige buurman en de ouders, dat de
toenmalige buurman aan de ouders zou betalen een bedrag van totaal ƒ
10.050,= te voldoen in termijnen in een periode eindigend op of omstreeks
1 december 1996. Daarbij is rekening gehouden met zowel de gestelde
materiele schade als immateriele schade. 7.3. Op 29 maart 1989 heeft het
Psychiatrisch Psychologisch Pedagogisch Adviesbureau Randstad, hierna ook
aan te duiden als het PPPAR, in opdracht van de Raad voor de
Kinderbescherming te Utrecht een rapport uitgebracht met betrekking tot,
onder meer, het psychodiagnostisch onderzoek van het kind. Bij dit
onderzoek is kort gezegd, onderzocht welke psychische schade het kind
heeft opgelopen door het seksuele misbruik dat hij heeft moeten ondergaan
door het toedoen van zowel de gedaagde als de toenmalige buurman. In dit
rapport wordt gesproken over een ernstige aantasting van het persoonsbeeld
van het kind, terwijl verder gesproken wordt over de omstandigheid dat
door het tekortschieten van de pedagogische begeleiding van de ouders de
zeer beschadigde ontwikkeling van, onder meer, het kind, verder wordt
uitgehold. Voorts wordt vermeld dat het gezin in hun toenmalige straat te
Nieuwegein als “besmet” bekend stond. Het advies van het PPPAR luidde,
kort samengevat, verhuizing van het gezin, hetgeen met name wordt
beschouwd als een kans voor, onder meer, het kind om met een schone lei
in een meer veilige omgeving te beginnen, en therapie voor het kind. 7.4.
Het kind verblijft sinds 9 november 1990 in een observatie- en
behandelingscentrum. 7.5. Ingevolge het advies van het PPPAR zijn de
ouders verhuisd en hebben zij nieuwe woning – een caravan – gekocht. 7.6.
Ten tijde van de comparitie van partijen in deze zaak ontving de gedaagde
een ziektewetuitkering van ƒ 1.879,10 per … weken. Hij had toen nog
geen vaste baan.

8. De verdere beoordeling van het geschil

8.1. De rechtbank blijft bij de inhoud van voormeld tussenvonnis.

8.2. De ouders hebben de door hen ingestelde vordering bij conclusie na
comparitie als volgt nader gespecificeerd: – reiskosten van de ouders en
het kind in verband met diens behandeling en drie snipperdagen van eiser
sub 1 in verband met de intake van het kind ad. ƒ 4.557,=; – verhuis- en
inrichtingskosten ƒ 5.000,= Daarnaast vorderen zij vergoeding van
immateriele schade voor het kind. Ter comparitie hebben de ouders voor wat
betreft de door de ouders geleden materiele schade de rechtbank verzocht
de artikelen 6:106 en 6:107 BW toe te passen.

8.3. Bij conclusie na comparitie heeft de gedaagde aangevoerd dat de
ouders in hun vordering niet ontvankelijk dienen te worden verklaard omdat
zij in de procedure tegen toenmalige buurman vergoeding van dezelfde
vermeende schade hebben gevorderd en die procedure “geschikt” is op een
bedrag van ƒ 10.000,= daaronder begrepen, naar de mening van gedaagde, de
totale door de ouders geleden materiele schade.

8.4. Gelet op de artikelen 68 a, 69 en 173 Overgangswet nieuw BW is in
deze zaak het oude BW van toepassing. Voor “anticipatie” op het huidige
BW is geen plaats nu daarin de aansprakelijkheid voor schade als in deze
procedure gevorderd op een heel andere wijze is geregeld en
vermogensrechten niet enkel kunnen ontstaan door de inwerkingtreding van
het huidige BW.

8.5. Uit het rapport van het PPPAR blijkt voldoende duidelijk dat er in
deze zaak schade is aangericht door twee daders de toenmalige buurman en
gedaagde, terwijl voorts tussen partijen vaststaat dat toenmalige buurman
en gedaagde beiden onrechtmatig hebben gehandeld jegens de ouders, hetgeen
tot gevolg heeft gehad grote psychische schade bij het kind, de noodzaak
tot een langdurige behandeling van het kind en de noodzaak voor het gehele
gezin om te verhuizen. Gedaagde en de toenmalige buurman zijn voor de
desbetreffende schade hoofdelijk aansprakelijk.

8.6. Uit het hiervoor onder 7.2. vermelde proces-verbaal blijkt niet hoe
het bedrag ad. ƒ 10.050,= toegerekend moet worden aan de verschillende
schadeposten, die in de procedure tegen de toenmalige buurman en gedaagde
zijn gevorderd. Niet is gesteld of gebleken dat de ouders meer dan 1 keer
zijn verhuisd als gevolg van het onrechtmatige gedrag van gedaagde en
toenmalige buurman. Ten aanzien van de post verhuis- en inrichtingskosten
moet er mitsdien in ieder geval van worden uitgegaan dat er sprake is van
dezelfde schadepost.

8.7. Op dit punt gekomen hecht de rechtbank eraan uitdrukkelijk te
vermelden dat gedaagde zich ook onrechtmatig heeft gedragen tegenover de
ouders van het kind, door hem aan hun ouderlijk gezag te onttrekken.

8.8. Gelet op de aard van de onrechtmatige gedragingen van zowel
toenmalige buurman als gedaagde acht de rechtbank het ongewenst en
maatschappelijk onverantwoord om hun slachtoffers, de ouders, te nopen tot
een nadere specificatie van hun schade en een nadere toerekening van die
schade aan de twee verschillende daders. Daarom zal de rechtbank in deze
zaak tussen gedaagde en de ouders de schade naar redelijkheid en
billijkheid begroten rekening houdend met het verband tussen deze zaak en
de zaak tussen de toenmalige buurman en de ouders en met het feit dat
toenmalige buurman zich verplicht heeft tot betaling van een bedrag ad ƒ
10.050,=. Gelet op de inhoud van de conclusie na comparitie van de ouders
staan zij dit zelf ook voor. Voor een dergelijke oplossing biedt ook het
voor 1 januari 1992 geldende recht ruimte. Uit het PPPAR-rapport blijkt
voldoende dat het onrechtmatige gedrag van gedaagde in elk geval grote
immateriele schade aan het kind heeft toegebracht. De rechtbank zal de
navolgende schadevergoeding tot de navolgende bedragen toewijzen: –
verhuis- en inrichtingskosten ƒ 2.500,=; – reiskosten ƒ 2.500,= ; –
immateriele schade voor het kind ƒ 2.000,=. Derhalve zal de rechtbank
totaal een bedrag van ƒ 7.000,= toewijzen. De rechtbank heeft bij de
bepaling van voormelde bedragen rekening gehouden met de omstandigheid dat
de ouders in de zaak tegen toenmalige buurman een bedrag ad ƒ 10.000
hadden gevorderd wegens verbouwingskosten van hun woning; dit bedrag moet
geacht worden mede te zijn verwerkt in het bedrag waarover de partijen in
de procedure tussen de ouders en toenmalige buurman het eens geworden
zijn. Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag voor de immateriele
schade voor het kind heeft de rechtbank mee laten wegen dat de gedragingen
van toenmalige buurman ten minste even ernstig waren als die van gedaagde
en dat de gedragingen van toenmalige buurman het kind waarschijnlijk ook
“ontvankelijker” hebben gemaakt voor de door gedaagde gezochte contacten,
terwijl voorts de ouders in de zaak tegen toenmalige buurman kennelijk
genoegen hebben genomen met een bedrag wegens immateriele schade van het
kind dat zeker niet veel hoger is dan ƒ 2.000,= en verder aangenomen moet
worden dat de financiele positie van gedaagde niet duidelijk gunstiger is
dan die van toenmalige buurman. Voor verdere matiging van de
schadevergoeding in verband met de draagkracht van gedaagde acht de
rechtbank geen termen aanwezig.

8.9. Omdat partijen over en weer zijn te beschouwen als op enig punt in
het ongelijk te zijn gesteld, zal de rechtbank de proceskosten zodanig
compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt.

9. De beslissing

9.1. gedaagde wordt veroordeeld om aan de ouders te betalen ƒ 7.000,
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juni 1989 tot aan de dag der
algehele voldoening.

9.2. De onder 9.1 gegeven veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad.

9.3. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

9.4. De proceskosten worden tussen partijen zodanig gecompenseerd dat
iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

mrs. Hofhuis, Spliet, Heuveling

Instantie: Kantonrechter Roermond, 26 mei 1992

Instantie

Kantonrechter Roermond

Samenvatting


X is op staande voet ontslagen nadat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan
lichamelijk en seksueel geweld jegens een vrouwelijke collega. De vrouw werd
(door X en een mededader) met plakband aan een stoel vastgeplakt en
rondgereden op de afdeling. Ook werd zij op de stoel met een stok tussen haar
benen geprikt. Aan Y was het bewijs van de dringende reden opgedragen. Het
bewijs van lichamelijk en seksueel geweld is volgens de kantonrechter niet
geleverd. Als getuigen waren slechts voortgebracht door Y de betrokken
werkneemster en de mededader. Het seksuele geweld wordt niet bewezen geacht
op grond van deze twee getuigenverklaringen. De gang van zaken (vastplakken
en rondrijden) kan niet als lichamelijk geweld worden aangemerkt gezien de
sfeer waarin zich alles kennelijk heeft afgespeeld. Dit temeer daar het
gebeuren voor géén van de aanwezigen, waaronder ook het leidinggevend
personeel en evenmin voor de werkneemster zelf, aanleiding is geweest beklag
te doen bij de bedrijfsleiding. Ook voor de politie is er geen aanleiding
geweest proces-verbaal op te maken. Dit maakt het onbegrijpelijk dat op de
aanvankelijke schorsing van X ontslag op staande voet is gevolgd, terwijl het
incident voor de mededader slechts tot een berisping heeft geleid. De
kantonrechter heeft het vermoeden dat Y van de gelegenheid gebruik heeft
gemaakt om zich van X te ontdoen.
Eis wordt toegewezen; het ontslag is nietig.

Volledige tekst

Ten aanzien van het recht

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel
niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken het navolgende vast.

Eiser is op 22 september 1987 aanvankelijk voor bepaalde tijd tot 31 maart
1988, vervolgens voor onbepaalde tijd in dienst van gedaagde getreden tegen
een bruto salaris van ƒ 1550 per maand, vermeerderd met ploegentoeslag van ƒ
330,15 bruto per maand en ƒ 65,75 netto per maand aan reiskosten.
Op 28 februari 1990 is eiser door gedaagde, dit na een mondeling onderhoud,
tot nader order geschorst. Deze schorsing is hem per aangetekende brief van
23 februari 1990 meegedeeld.
Hierna heeft gedaagde via haar raadsman aan eiser een brief doen toekomen met
daarin een bevestiging van het ontslag op staande voet per 23 februari 1990.
Bij beslissing van de directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau te Roermond
van 9 mei 1990 is de door gedaagde verzochte toestemming de arbeidsverhouding
met eiser te beëindigen onthouden.
Eiser vordert thans doorbetaling van het loon c.a. vanaf 23 februari 1990,
omdat naar zijn mening aan hem op 23 februari 1990 geen ontslag op staande
voet is gegeven en derhalve ook niet op 28 februari 1990 aan hem bevestigd
kon worden.
Verder voert eiser aan, dat in de brief van 28 februari 1990 geen redenen
voor het ontslag op staande voet zijn vermeld. Tenslotte ontkent eiser ten
stelligste het bestaan van een dringende reden welke een ontslag op staande
voet zou rechtvaardigen.
Gedaagde voert aan, dat naar aanleiding van het gedrag van eiser gedurende
een nachtdienst, in de week voorafgaande aan de schorsing een mondeling
onderhoud met gedaagde heeft plaatsgevonden. Ter voorkoming van een
beslissingsname op een moment van hoog oplopende emoties heeft gedaagde eiser
in eerste instantie geschorst en na enkele dagen definitief ontslagen.
Uit de door gedaagde bij conclusie van antwoord overgelegde producties blijkt
dat het Hoofd Sociale Zaken van gedaagde met eiser op 23 februari 1990 een
onderhoud heeft gehad naar aanleiding van een voorval waarbij eiser was
betrokken. Alstoen is eiser naar aanleiding van dit voorval en de rol welke
eiser hierin speelde, geschorst met de mededeling dat bekeken zou worden of
ontslag op staande voet een passende maatregel zou zijn. Dit wordt niet
weersproken door eiser en het was eiser naar het oordeel van de kantonrechter
genoegzaam bekend om welke reden hij in eerste instantie door gedaagde werd
geschorst en later op 28 februari 1990 per 23 februari 1990 op staande voet
werd ontslagen. Dat gedaagde in de ontslagbrief spreekt van een bevestiging
van een reeds gegeven ontslag is naar het oordeel van de kantonrechter niet
van belang. Het was eiser duidelijk dat een ontslag op staande voet door
gedaagde werd overwogen en welke de reden was. De brief van 28 februari kan
dan ook als een deugdelijke schriftelijke aanzegging van het ontslag op
staande voet per 23 februari 1990 worden aangemerkt.
Nu eiser gemotiveerd de aanwezigheid van een dringende reden welke een
ontslag op staande voet rechtvaardigt bestrijdt, dient gedaagde haar
stellingen dienaangaande te bewijzen temeer daar de gestelde gebeurtenissen
kennelijk niet geleid hebben tot een proces-verbaal van de politie, hoewel
die er naar uit de verklaring van A. Peeters, blijkt, bij is betrokken, en de
beslissing van de directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau te Roermond
d.d. 9 mei 1990 waarbij de toestemming voor een ontslagvergunning wordt
onthouden onder meer de overweging inhoudt, dat ‘werkgeefster geen bewijs
heeft geleverd van haar stellingen’. De kantonrechter zal gedaagde
overeenkomstig haar aanbod, tot bewijs toelaten. In afwachting van de
bewijslevering zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

Rechtdoende
Laat gedaagde toe door alle middelen rechtens en speciaal door middel van
getuigen te bewijzen:
dat eiser zich in de week voorafgaande aan 23 februari 1990 tegenover een
vrouwelijke collega schuldig heeft gemaakt aan seksueel en lichamelijk
geweld.

Vonnis d.d. 26 mei 1992
De bewijsopdracht en de nadere conclusies van partijen.
Bij genoemd tussenvonnis d.d. 23 juli 1991 is gedaagde toegelaten te
bewijzen:
dat eiser zich in de week voorafgaande aan 23 februari 1990 tegenover een
vrouwelijke collega schuldig heeft gemaakt aan seksueel en lichamelijk
geweld.
Ter voldoening aan de haar gegeven bewijsopdracht heeft gedaagde vier
getuigen doen horen die als volgt hebben verklaard:
W, te Molenbeersel (Belgie), 21 jaar oud, kapster van beroep.
Wanneer ik bij M in dienst ben getreden en wanneer het dienstverband is
geëindigd weet ik niet. Over de onderhavige gebeurtenis kan ik het volgende
verklaren: ik was werkzaam in die nachtdienst in de nacht van donderdag op
vrijdag. Ik werkte op dat moment samen met X en een zekere R, die naar ik
meen met zijn achternaam P heet.
Op een bepaald moment ging ik even op een stoel zitten. R pakte mij toen vast
en X plakte mijn armen met plakband vast aan de leuningen van de stoel. Ik
ben verder niet vast geplakt. Toen ik vast geplakt was stak R een stok tussen
mijn benen. Toen hij dat gedaan had en de stok weer had weggetrokken, reed
hij met mij de hele afdeling rond. Het was een stoel met wieltjes. R stond
daarbij te kijken en ook andere personen hebben gezien dat X met mij op de
stoel rondreed. Ik kan de namen van die personen niet meer allemaal noemen,
wel weet ik dat een zekere W en ook de ploegbaas hebben gezien dat ik werd
rondgereden. Ik heb wel geroepen van: Schei uit, maar dat hielp niet. Van de
zenuwen moest ik lachen.
Toen ik rond gereden was liet X mij staan. Ik heb toen aan W gevraagd om het
plakband los te maken, maar W wilde dat niet doen. Ik ben toen zelf met
moeite los gekomen en terug gegaan naar mijn werkplek. Ik heb er verder niets
meer van gezegd. Ik wilde er verder ook niet meer over spreken. Ik ben naar
aanleiding van het gebeurde niet naar de leiding van het bedrijf gegaan en
heb ook geen contact gehad met de politie. Ik heb nog maanden in een ploeg
gewerkt bij Mommers na dit voorval. Dat was niet meer in de nachtploeg, maar
in de morgen- en middagdienst.
Toen ik op een stoel ging zitten nam ik een kleine pauze. Nadat ik door de
ruimte was rondgereden heb ik de ploegbaas niet gevraagd mij los te maken. Na
het gebeurde ben ik gewoon door blijven werken.
(…)
Het oordeel van de kantonrechter

De kantonrechter verwijst allereerst naar de rechtsoverwegingen in
meergenoemd tussenvonnis van 23 juli 1991 en volhardt daarbij.
De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde niet geslaagd is in het leveren
van het haar opgedragen bewijs. Op grond van de verklaringen van getuigen,
ook wanneer die in hun onderling verband en samenhang worden beschouwd, staat
naar het oordeel van de kantonrechter niet vast, dat het optreden van eiser
tegenover een vrouwelijke collega waarvan in casu sprake is, als lichamelijk
en seksueel geweld gekwalificeerd kan worden. De getuigenverklaringen zijn
daarvoor bepaald onvoldoende, wat er van het optreden van eiser verder ook
zij.
De getuigen H en P zijn bij het gebeuren niet aanwezig geweest. Terwijl uit
de verklaringen blijkt dat er meerdere personen het gebeuren moeten hebben
waargenomen, zijn als getuigen/aanwezigen alleen de betreffende vrouwelijke
collega, W, en de ‘mededader’ P naar voren gebracht.
Wat betreft het sexuele geweld wordt de verklaring van de getuige W door de
getuige P niet bevestigd. Wat betreft het lichamelijke geweld, staat op grond
van de verklaringen van W en P vast, dat eiser en P, W hebben vastgepakt en
op een stoel gezet, waarna de armen van W met plakband aan de leuningen van
de stoel zijn geplakt.
Niet kan voorbijgegaan worden aan de sfeer waarin dit alles zich kennelijk
heeft afgespeeld waarvan eveneens uit de verklaringen blijkt. De
kantonrechter is dan ook van oordeel dat het optreden van eiser niet
aangemerkt kan worden als lichamelijk geweld, dit klemt temeer daar het
gebeuren voor geen van de aanwezigen, waaronder toch ook leidinggevend c.q.
toezichthoudend personeel van gedaagde moet zijn geweest en evenmin voor W
zelf aanleiding is geweest beklag te doen bij de bedrijfsleiding.
Bij dit alles dient ook nog vermeld te worden dat er voor de politie, die
zoals blijkt uit de verklaring van de getuige P, later bij de zaak is
betrokken, geen aanleiding is geweest een proces-verbaal op te maken. Met
name dit laatste maakt het onbegrijpelijk dat de aanvankelijke schorsing van
zowel eiser als de getuige P, voor eiser is gevolgd door ontslag op staande
voet en voor P slechts tot een berisping heeft geleid. De gedachte dringt
zich dan ook op dat gedaagde van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt zich
van de eiser als werknemer te ontdoen.
Naar het oordeel van de kantonrechter was er voor gedaagde onvoldoende
dringende reden aanwezig voor ontslag op staande voet aan eiser bij brief van
28 februari 1990 met ingang van 23 februari 1990 en dient dit ontslag nietig
verklaard te worden. De vordering tot doorbetaling van het loon c.a. is
derhalve toewijsbaar, terwijl rente zal worden toegewezen in voege als na te
melden.
De kantonrechter acht, gelet op de omstandigheden van het geval wel termen
aanwezig de wettelijke verhoging te matigen tot nihil.
Voor toewijzing van een vergoeding ter zake niet genoten vakantiedagen is
geen plaats, nu het dienstverband tussen partijen is beëindigd.
Voor toewijzing van een vergoeding ter zake niet genoten vakantiedagen is
geen plaats, nu het dienstverband tussen partijen niet is beëindigd.
Gedaagde dient veroordeeld te worden in de kosten van de procedure aan de
zijde van eiser gevallen.

Beslissing

Verklaart het aan eiser op 28 februari 1990 met ingang van 23 februari 1990
gegeven ontslag op staande voet nietig.
Veroordeelt gedaagde om eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen
het hem vanaf 23 februari 1990 tot de dag waarop de dienstbetrekking tussen
partijen rechtsgeldig zal zijn beëindigd, toekomende salaris ad ƒ 1550 bruto
per maand, vermeerderd met ƒ 310,15 bruto ploegentoeslag en het daarover
verschuldigde vakantiegeld, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente
vanaf 1 april 1990 over het op die datum verschuldigde, en voor het overige
vanaf de datum waarop het loon c.a. verschuldigd is geworden, alles tot de
dag der algehele voldoening.
Bepaalt het ter zake wettelijke verhoging ex artikel 7A:1638q van het
Burgerlijk Wetboek verschuldigde bedrag op nihil.
Veroordeelt gedaagde in de aan de zijde van eiser gerezen proceskosten.
Uitvoerbaarverklaring. In het vonnis is berust.

Rechters

Mr. Th.P.M. Pluymackers

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 26 mei 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Penitentiair inrichtingswerkster solliciteert intern naar de functie van
Hoofd begeleiding. Zij wordt afgewezen. Volgens haar speelde bij deze
afwijzing een rol het feit dat zij eerder aankaartte dat zij seksueel
geintimideerd was door een mannelijke collega. Commissie overweegt dat het
feit dat verzoekster niet is uitgenodigd voor een gesprek niet onontkoombaar
betekent dat haar sollicitatie niet serieus is genomen. Voor zover de
Commissie kon nagaan is verzoeksters sollicitatie behandeld als de andere
sollicitaties. Vast is komen te staan dat verzoekster niet voldeed aan de
gestelde eisen op de punten opleiding en ervaring. Commissie heeft niet kunnen
constateren dat de wederpartij bij de beoordeling van de geschiktheid van
verzoekster onderscheid naar geslacht heeft gemaakt. Sollicitatieprocedure
overigens naar het oordeel van de Commissie niet in alle opzichten zorgvuldig
verlopen.

Volledige tekst

1.HET VERZOEK

Op 25 februari 1991 verzocht mevrouw te Vught (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of de Minister van Justitie te Den Haag
(hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

Verzoekster heeft eind 1990 gesolliciteerd naar de functie van Hoofd
Begeleiding in een Huis van Bewaring. Zij is voor deze functie afgewezen.
Volgens verzoekster heeft de wederpartij daarbij gehandeld in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling. Tevens stelt verzoekster in juni 1988 seksueel
geintimideerd te zijn door een collega. Zij heeft de Commissie verzocht
hiernaar een onderzoek in te stellen, mede omdat haar afwijzing voor de
functie hier mogelijk verband mee houdt. Ook op dit punt heeft de wederpartij
volgens verzoekster gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

DE LOOP VAN DE PROCEDURE

De Commissie heeft het verzoek op het eerste punt in behandeling genomen
en een onderzoek ingesteld. Verzoekster verzocht de Commissie aanvankelijk op
dit punt een spoedprocedure toe te passen. Dit verzoek heeft zij later in een
aanvullend schrijven ingetrokken, omdat zij had vernomen dat de vacante
functie reeds was ingevuld.

Het tweede deel van het verzoek -betreffende de seksuele intimidatie- is
door de voorzitter van de Commissie op grond van artikel 13 lid 2 van het
Procedurereglement niet als zelfstandige klacht ontvankelijk geacht. Voor
zover deze klacht echter verband houdt met de afwijzing voor de vacante
functie, heeft de voorzitter deze wel ontvankelijk geacht. Verzoekster is van
deze beslissing bij brief van

19 maart 1991 van de secretaris in kennis gesteld.

Partijen hebben ieder enkele malen de gelegenheid gehad hun standpunten
schriftelijk toe te lichten.

Op 26 november en 12 december 1991 en 7 januari 1992 heeft de Commissie
een onderzoek ter plaatse ingesteld waarvan verslagen zijn opgemaakt. Deze
verslagen zijn aan partijen toegezonden.

Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader
toe te lichten tijdens een zitting op

2 april 1992.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw (verzoekster)

– mw mr J.M. Harkema-Dun (advocate)

van de kant van de wederpartij

– dhr (directeur)

– mw (Hoofd Begeleiding/plaatsvervangend directeur)

van de kant van de Commissie

– dhr prof mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter)

– mw prof mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer)

– mw drs A.J. Huber (lid Kamer)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.4.

DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

Verzoekster was ten tijde van de gebeurtenissen waarop haar verzoek
betrekking heeft, werkzaam als penitentiair inrichtingswerkster (P.I.W.-ster)
in een penitentiaire inrichting die ressorteert onder de wederpartij. Zij werd
toen beloond volgens schaal 5 BBRA’84. Tevens was zij studerende voor de
opleiding H.B.O. Maatschappelijk Werk (specialisatie sociaal management).

Midden oktober 1990 heeft verzoekster een gesprek gehad met de
plaatsvervangend directeur over haar functie in het kader van een
reorganisatie binnen de inrichting. De van dit gesprek opgemaakte notitie (die
binnen de instelling geen formele status heeft) vermeldt onder meer het
volgende: verzoekster heeft evenveel rechten op een hogere functie
(bijvoorbeeld teamleider) als ieder ander binnen de organisatie. Bij een
sollicitatie naar een hogere functie wordt vooral gekeken naar leidinggevende
kwaliteiten, persoonlijkheid, geschiktheid en opleiding.

Eind oktober 1990 heeft verzoekster intern gesolliciteerd naar de
functie Hoofd Begeleiding. De vacature was ongeveer tegelijkertijd extern
opengesteld, omdat van de interne werving weinig respons werd verwacht.

De taakomschrijving luidde: het verantwoordelijk zijn voor de
operationalisering en realisering van de inrichtingsdoelstellingen en voor de
kwaliteit van de detentie. Als functie-eisen werden genoemd:

– academische opleiding, danwel HBO in een der gedragswetenschappen,
aangevuld met VO;

– aantoonbare leidinggevende capaciteiten;

– het kunnen vertalen van beleidsvoornemens naar het coordinerend
niveau;

– communicatieve vaardigheden;

– kennis van leerprocessen;

– zicht hebben op effecten van eigen gedragervaringen met
werkbegeleiding;

– ervaring met veranderingsprocessen;

– strategisch kunnen handelen;

– beleidsmatig kunnen denken en gestructureerd kunnen delegeren en
coordineren;

– kennis van en/of ruime ervaring in het penitentiaire werkveld strekt
tot aanbeveling.

De functie wordt beloond volgens schaal 10 BBRA’84 (aanloopschaal 9).

Op de onderhavige wervings- en selectieprocedure waren de ‘Richtlijnen
werving en selectie voor het Directoraat-Generaal Jeugdbescherming en
Delinquentenzorg’ van het Ministerie van Justitie (hierna: de Richtlijnen) van
toepassing. Deze schrijven onder meer voor dat bij gelijke geschiktheid van
kandidaten de voorkeur moet uitgaan naar een vrouw. De toepasselijke zinsnede
ontbrak echter

-volgens de wederpartij per abuis- in de advertenties. In de kop van het
interne vacatureblad wordt overigens, zo stelt de wederpartij, wel steeds
melding gemaakt van het voorkeursbeleid. In de onderhavige selectieprocedure
is volgens de plaatsvervangend directeur bij enkele vrouwen onderzocht of het
feit dat zij niet aan de functie-eisen voldeden, kon worden gecompenseerd met
andere kwaliteiten, zoals bijvoorbeeld het verricht hebben van
vrijwilligerswerk. Dat bleek niet het geval.

Volgens de wederpartij is de selectieprocedure als volgt verlopen.

Conform de Richtlijnen is aan de hand van een zogenaamde scoringslijst
de eerste (brieven)selectie uitgevoerd door de Selectie-Adviescommissie
(hierna: SAC). Deze commissie bestond uit de directeur van de inrichting, de
plaatsvervangend directeur, de Hoofden Begeleiding en Beheer en het
afdelingshoofd/waarnemend Hoofd Begeleiding. Van de 48 sollicitanten (zes
vrouwen en 42 mannen) waren er zeven (allen mannen) die voldeden aan de
opleidingseis en daarbij zowel leidinggevende als managementervaring binnen
een justitiele omgeving hadden opgedaan. Zij zijn uitgenodigd voor een eerste
gesprek. Daarin kwamen aan de orde de functie-eisen, de presentatie van een
kandidaat en zijn stijl van leidinggeven. De vier overgebleven kandidaten
hebben vervolgens een gesprek gevoerd met de Benoemingsadviescommissie
(hierna: BAC). De voorkeur van de SAC en de BAC bleek daarna niet naar
dezelfde kandidaat uit te gaan. Daarom is met deze beide kandidaten nog een
derde gesprek gevoerd. Een van hen is uiteindelijk aangenomen. Zijn stijl van
leidinggeven en wijze van optreden sloten volgens de wederpartij het beste aan
bij de behoeften van de inrichting.

De afgewezen kandidaten hebben een standaardbrief ontvangen die vermeldt
dat zij in mindere mate dan anderen voldeden aan de gestelde functie-eisen.
Desgewenst ontvingen zij een gemotiveerde toelichting.

De SAC heeft ook de sollicitatiebrief van verzoekster beoordeeld. De
drie tijdens een onderzoek ter plaatse door de Commissie gehoorde leden van de
SAC (directeur, plaatsvervangend directeur en Hoofd Begeleiding) stelden dat
de SAC unaniem tot de conclusie kwam, dat verzoekster niet voldeed aan de
functie-eisen. Verzoekster voldeed nog niet aan de opleidingseis en ook had
zij niet de gewenste leidinggevende ervaring.

Besloten werd om verzoekster, omdat zij een interne kandidaat was, geen
standaardbrief te sturen, maar haar afwijzing in een persoonlijk gesprek door
de plaatsvervangend directeur te laten toelichten. Dit gesprek vond eind
november 1990 plaats.

Volgens verzoekster heeft het feit dat zij in 1988 seksueel geintimideerd
is door een mannelijk collega (hierna: collega A) een rol gespeeld bij haar
afwijzing. Over de vermeende seksuele intimidatie is uit het onderzoek van de
Commissie het volgende gebleken.

Midden 1988 heeft verzoekster de directie van de inrichting (hierna: de
directie) op de hoogte gesteld van de seksuele intimidatie. In een van de
gesprekken tussen verzoekster en de directie over het voorgevallene,
confronteerde de directie verzoekster en collega A met elkaar. De directie
deed dit omdat partijen een verschillende weergave van de gebeurtenissen
gaven. Dit veranderde overigens na de confrontatie niet. Dit was vervolgens
voor de wederpartij reden om, na een laatste gesprek met verzoekster en haar
advocate over de zaak, het incident als afgedaan te beschouwen.

Korte tijd na het gebeurde heeft verzoekster zich ziek gemeld. Zij heeft
zich onder behandeling gesteld van een psychotherapeute. Begin 1989 heeft
verzoekster haar werkzaamheden in de inrichting hervat. Volgens de wederpartij
functioneerde zij hierna weer naar tevredenheid.

Eind 1990, na afloop van de onderhavige selectieprocedure, verscheen in
een plaatselijk weekblad een artikel over de inrichting. Daarin werd melding
gemaakt van de seksuele intimidatie. Verzoekster zegt niet te hebben geweten
dat haar echtgenoot betrokken was bij de totstandkoming van dit artikel. Een
eerder verschenen, anoniem, artikel over de inrichting bleek voor haar
echtgenoot aanleiding te zijn geweest hieraan mee te werken.

Mede naar aanleiding van bovengenoemde affaire is verzoekster
overgeplaatst naar een andere inrichting.

Tijdens het onderzoek ter plaatse heeft de Commissie ook gesproken met
de vertrouwensvrouw van het Ministerie van Justitie. Zowel verzoekster als de
wederpartij hebben met haar contact gehad over het gebeurde. De
vertrouwensvrouw gaf tijdens het onderzoek ter plaatse aan, dat het Ministerie
het voorkomen van seksuele intimidatie in de eerste plaats een
verantwoordelijkheid van de directe leiding acht. Daarom is in de onderhavige
zaak ook geen extern onderzoek ingesteld, noch is van haar kant hierop
aangedrongen.

Een confrontatie van slachtoffer en dader ingeval van seksuele
intimidatie, zoals in casu plaats vond, acht de vertrouwensvrouw niet gewenst.
Het kan een traumatische ervaring opleveren voor de betrokken vrouw, omdat
ontkend wordt wat zij, in dit geval verzoekster, heeft meegemaakt.

Tegenover de wederpartij heeft de vertrouwensvrouw later haar verbazing
geuit over het feit, dat verzoekster de onderhavige procedure aanhangig had
gemaakt en over het feit dat de
seksuele intimidatie bij verzoekster nog steeds
een rol speelt. Zij had dat niet zo ingeschat.

De standpunten van partijen

Verzoekster stelt dat de affaire rond de seksuele intimidatie een rol
heeft gespeeld bij haar afwijzing. In die kwestie is zij naar haar gevoel
nooit serieus genomen. Dit blijkt naar haar mening uit het volgende.

Verzoekster heeft weinig gemerkt van een onderzoek door de directie. Wel
is zij zonder dat zij daarover was geinformeerd tijdens een gesprek met de
directie geconfronteerd met collega A. Toen dit geen eensluidende versies van
het gebeurde opleverde, heeft de directie het onderzoek stopgezet. Dit is
volgens verzoekster niet de goede manier om met seksuele intimidatie om te
gaan: er had een extern onderzoek moeten plaatsvinden. De Minister van
Justitie heeft dit volgens verzoekster ook dringend aanbevolen. Overigens
heeft verzoekster geen stukken aangedragen waaruit deze aanbeveling zou
blijken.

Verder heeft de wederpartij geen sancties getroffen tegenover collega A.
Verzoekster had na het gebeurde in haar dagelijkse werk ook nog regelmatig met
deze collega te maken.

Tenslotte heeft verzoekster bij de directie melding gemaakt van het feit
dat zij werd bedreigd: een medewerker van het magazijn vertelde haar dat zij
in elkaar zou worden geslagen. De directie deed deze melding echter af alsof
zij zou liegen.

Volgens verzoekster neemt de directie het haar kwalijk dat zij destijds
de seksuele intimidatie heeft aangekaart. Daardoor is zij niet eens in
aanmerking is gekomen voor een sollicitatiegesprek. Een objectieve toetsing
van haar kandidatuur, waar zij als enige interne sollicitant toch recht op
had, heeft niet plaats gevonden. Verzoekster wijst er in dit verband nog op
dat vier van de vijf leden van de SAC op de hoogte waren van de seksuele
intimidatie.

Dat verzoekster niet in aanmerking kwam voor een sollicitatiegesprek
bevreemdt haar des te meer, omdat zij zich geschikt acht voor de functie van
Hoofd Begeleiding. Uit functioneringsgesprekken bleek namelijk dat zij goed
functioneerde en bovendien had de plaatsvervangend directeur in het gesprek op
19 oktober 1990 aangegeven dat zij een hogere functie aan zou kunnen. Tevens
gaf deze toen aan dat bij een sollicitatie niet alleen naar de opleiding, maar
ook naar de opgedane ervaring en de persoon wordt gekeken. Verzoekster had
haar H.B.O.-opleiding, waarin diverse aspecten van management aan bod kwamen,
bijna afgerond toen zij solliciteerde. Daarbij beschikte zij over
leidinggevende ervaring. Ter zitting gaf zij aan deze in het verleden te
hebben opgedaan door regelmatig het Hoofd Arbeid te vervangen, wanneer deze
niet aanwezig was en er ook geen teamleider aanwezig was om hem te vervangen.
Zij handelde dan de telefoontjes voor het Hoofd Arbeid af, schreef bonnen uit
en zocht materiaal uit voor de afdeling Arbeid. Eenmaal heeft verzoekster in
zijn plaats een bijeenkomst bezocht. Ook heeft zij collega’s ingewerkt en
taken van collega’s overgenomen. Verzoekster ging er daarom van uit een kans
te maken.

Concluderend stelt verzoekster dat sprake is geweest van een
onzorgvuldige afhandeling van haar sollicitatie. Zo zijn de Richtlijnen niet
correct toegepast en heeft de wederpartij geen goede redenen gegeven voor haar
afwijzing. Er is geen rekening gehouden met haar werk- en denkniveau.

Het gesprek met de plaatsvervangend directeur over haar afwijzing duurde
overigens slechts tien minuten. Bovendien vernam verzoekster pas bij
binnenkomst dat het gesprek over haar sollicitatie zou gaan. De
plaatsvervangend directeur gaf in dit gesprek alleen aan dat verzoekster was
afgewezen in verband met haar opleiding. Daarnaast gaf hij aan dat er veel
kandidaten waren. In dit kader moet verzoeksters opmerking worden geplaatst
dat zij een afwijzing wel verwachtte. De door verzoekster gevraagde
ü

riftelijke bevestiging van dit gesprek heeft zij nimmer ontvangen.

Verzoekster wist niet of de wederpartij ten aanzien van de onderhavige
vacature een voorkeursbeleid voor vrouwen voerde. Wel was zij ervan op de
hoogte dat de wederpartij in het algemeen een voorkeursbeleid voert.
Verzoekster was verbaasd over het feit dat kennelijk geen der vrouwelijke
sollicitanten voldeed aan de functie-eisen.

De wederpartij stelt het volgende.

De affaire rond de seksuele intimidatie heeft geen rol gespeeld bij de
afwijzing van verzoekster. Het feit dat een aantal leden van de SAC betrokken
was bij de afhandeling van de klacht over seksuele intimidatie doet hier niet
aan af. De wederpartij kon niet voorzien dat verzoekster zou solliciteren.
Overigens zou een andere samenstelling ook niet mogelijk zijn geweest. Het
betrof immers de selectie voor een zware managementfunctie waarbij het
managementteam betrokken dient te zijn.

Verder bestrijdt de wederpartij dat zij de seksuele intimidatie niet
serieus zou hebben genomen. De zaak is onderzocht, maar omdat de lezingen van
betrokkenen bleven verschillen, ook toen de vertrouwensvrouw was ingeschakeld,
is het onderzoek afgesloten. Met name bleef onduidelijk het tijdstip waarop
een en ander zou zijn gebeurd. Verzoekster noemde namelijk een tijdstip waarop
collega A niet aanwezig was in de inrichting. Omdat er geen gedragingen zijn
geconstateerd in strijd met het Algemeen Rijksambtenarenreglement konden er
geen sancties worden getroffen tegenover collega A. Wel heeft de wederpartij
zoveel mogelijk getracht te voorkomen dat verzoekster en deze collega elkaar
tijdens het werk zouden treffen. Alleen tijdens het werkoverleg en in de
kantine bleek dit niet realiseerbaar. Midden 1989 heeft collega A overigens
een andere functie gekregen. De wederpartij heeft niet kunnen vaststellen of
verzoekster daadwerkelijk is bedreigd.

Voor wat betreft het instellen van een extern onderzoek is de directeur
van mening, dat dit niet aan de orde was nu hij tot overeenstemming kon komen
met verzoekster over het verder laten rusten van de zaak. Bovendien, zo stelt
hij, moet de seksuele intimidatie eerst zijn vastgesteld voordat een dergelijk
onderzoek kan worden ingesteld.

De wederpartij zegt verbaasd te zijn dat de affaire rond de seksuele
intimidatie na twee jaar weer de kop op steekt. Volgens haar was ook de
vertrouwensvrouw hierover verbaasd.

In de onderhavige selectieprocedure is de wederpartij uitgegaan van de
functie-eisen. Verzoekster is afgewezen omdat zij niet aan deze eisen voldeed.
De wederpartij wees hier met name op de punten opleiding en leidinggevende
ervaring. Verzoekster had haar H.B.O.-opleiding nog niet afgerond, noch had
zij de gevraagde vervolgopleiding gevolgd. Daarbij bezat verzoekster geen
leidinggevende ervaring, die de wederpartij juist van belang achtte, omdat de
inrichting bezig was met een verandering binnen de organisatie. De wederpartij
bestrijdt ook dat verzoekster het Hoofd Arbeid verving. Daarvoor zijn twee
andere medewerkers aangewezen. Mocht verzoekster overigens wel de
werkzaamheden hebben verricht zoals zij die ter zitting aangaf, dan nog
betreft het niet die ervaring die de wederpartij eiste voor de vervulling van
de functie van Hoofd Begeleiding. In deze functie dient immers
verantwoordelijkheid te worden gedragen voor bijvoorbeeld de budgettering en
het personeelsbeleid. Vergaderingen moeten worden voorgezeten en
functioneringsgesprekken gevoerd. Overigens gaf de wederpartij aan er niet van
uit te gaan dat verzoekster deze werkzaamheden nimmer zal kunnen uitoefenen;
op dat moment echter achtte zij verzoekster niet geschikt.

Volgens de wederpartij zijn in het afwijzingsgesprek met verzoekster de
argumenten genoemd op basis waarvan verzoekster was afgewezen. Verzoekster gaf
niet blijk van een echte teleurstelling. Zij zei niets anders verwacht te
hebben en dat als je nooit iets probeert je ook niets bereikt. Om een
schriftelijke bevestiging heeft zij niet gevraagd. Had zij dat wel gedaan, dan
zou de wederpartij deze natuurlijk hebben gegeven. Ter zitting benadrukte de
wederpartij nogmaals dat in het geval van verzoekster voor een persoonlijk
gesprek was gekozen, juist omdat zij een interne kandidaat was.

De wederpartij stelt verder dat in het gesprek op

19 oktober 1990 (van verzoekster met de plaatsvervangend directeur) niet
is gesproken over verzoeksters geschiktheid voor een leidinggevende functie.
Voor zover zou zijn gesproken over een hogere functie voor verzoekster,
betreft dit de functie van teamleider. Deze staat tussen die van P.I.W.-er en
Hoofd Begeleiding in.

DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

In geding is de vraag of de wederpartij bij de behandeling bij de
vervulling van de openstaande betrekking jegens verzoekster onderscheid heeft
gemaakt op grond van geslacht in strijd met de WGB, door haar af te wijzen
voor de functie van Hoofd Begeleiding.

De Commissie zal deze vraag toetsen aan artikel 3 WGB. Op grond van lid
1 van dit artikel is het verboden onderscheid te maken tussen mannen en
vrouwen bij onder meer de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking. Deze norm geldt niet alleen bij externe maar ook bij een interne
wervings- en selectieprocedure.

Verzoekster stelt in de eerste plaats dat bij haar afwijzing voor de
onderhavige functie een rol heeft gespeeld het feit, dat zij destijds de
vermeende seksuele intimidatie heeft aangekaart. Als gevolg daarvan zou haar
kandidatuur nu niet op objectieve wijze zijn getoetst. Zij is niet eens
uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek.

De Commissie overweegt hierover dat het feit, dat verzoekster niet is
uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek niet onontkoombaar betekent dat haar
sollicitatie niet serieus is genomen. Voor zover de Commissie heeft kunnen
nagaan, heeft de SAC haar sollicitatie behandeld als de andere sollicitaties:
de brief van verzoekster is evenals de andere brieven besproken door de SAC.
Deze kwam echter, aldus de drie ondervraagde leden, unaniem tot de conclusie
dat verzoekster niet geschikt was voor de functie.

Dit punt, de beoordeling van de geschiktheid van verzoekster, vormt
tevens de tweede grief van verzoekster. Zij stelt wel geschikt te zijn voor de
functie van Hoofd Begeleiding. De Commissie oordeelt hierover als volgt.

Zoals zij reeds eerder uitsprak (Zie onder meer Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 29 oktober 1991,
oordeelnummer 380-91-74) behoort het niet tot haar taak om in concrete
gevallen aan te geven welke kandidaat geschikter is voor een functie dan wel
of kandidaten gelijk geschikt zijn. Zij is, gelet op de Wet, slechts bevoegd
om na te gaan of bij de beoordeling van de (mate van) geschiktheid van
kandidaten onderscheid is gemaakt op grond van geslacht.

Haar conclusie dat verzoekster niet geschikt was voor de onderhavige
functie, baseerde de SAC met name op het ontbreken van de vereiste opleiding
en leidinggevende ervaring bij verzoekster. Vast is komen staan dat
verzoekster niet voldeed aan de gestelde opleidingseis. Vereist was immers een
academisch niveau dan wel H.B.O., aangevuld met VO. Verzoekster had op het
moment van haar sollicitatie haar H.B.O.-opleiding nog niet afgerond, laat
staan een vervolgopleiding.

Over de vraag of verzoekster leidinggevende ervaring had opgedaan,
verschillen partijen van mening. Verzoekster stelt het Hoofd Arbeid vervangen
te hebben, en daarmee leidinggevende ervaring te hebben opgedaan. Naar het
oordeel van de Commissie kan de vraag of verzoekster daadwerkelijk het Hoofd
Arbeid verving, wat de wederpartij betwist, hier in het midden blijven. De
door verzoekster ter zitting beschreven aard van de werkzaamheden is immers
van dien aard dat, zoals de wederpartij ook stelt, niet gesproken kan worden
van die substantiele (management)ervaring, die werd vereist voor de functie
van Hoofd Begeleiding. Mogelijk is verzoekster tijdens haar opleiding wel in
aanraking gekomen met facetten van het management, zoals het voorzitten van
vergaderingen of het voeren van beoordelingsgesprekken. De wederpartij eiste
echter praktische ervaring op deze punten.

Voor wat betreft het gesprek tussen verzoekster en de plaatsvervangend
directeur op 19 oktober 1990 merkt de Commissie nog op, dat zij niet heeft
kunnen vaststellen dat daarin expliciet is gesproken over een functie op het
niveau van die van Hoofd Begeleiding.

Het bovenstaande in onderlinge samenhang beschouwend, heeft de Commissie
niet kunnen constateren dat de wederpartij bij de beoordeling van de
geschiktheid van verzoekster onderscheid naar geslacht heeft gemaakt.

Voor wat betreft de wijze waarop de sollicitatie van verzoekster
uiteindelijk is afgehandeld, merkt de Commissie nog op dat deze niet in alle
opzichten zorgvuldig is geweest. Zij wijst hier met name op het feit dat na
het persoonlijk onderhoud over de afwijzing geen schriftelijke bevestiging is
gevolgd. Gezien het feit dat verzoekster de enige interne kandidaat was, had
het van zorgvuldigheid getuigd de gronden voor afwijzing (ook) schriftelijk
mee te delen. De discussie over de vraag of deze gronden in het mondeling
onderhoud waren meegedeeld had daarmee voorkomen kunnen worden.

Verder heeft de Commissie kennis genomen van het feit dat het
voorgeschreven voorkeursbeleid niet was vermeld in de advertentie. Zij gaat er
van uit dat hier, zoals de wederpartij aangaf, sprake is van een eenmalige
vergissing.

HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat niet is komen vast te
staan dat de Minister van Justitie bij de behandeling bij de vervulling van de
openstaande betrekking, jegens mevrouw te Vught onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt, in strijd met artikel 3 lid 1 Wet gelijke behandeling van
mannen en

vrouwen.

Rechters

dhr. prof. mr. P.F. van der Heijden, voorzitter, mw. prof. mr. J.E.Goldschmidt, mw. drs. A.J. Huber en mw. drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 26 mei 1992

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Vrouw is na het doodschieten van haar man in zijn slaap veroordeeld
voor doodslag. Het slachtoffer heeft zijn vrouw in binnen- en buitenland
gedurende lange tijd achtervolgd, bedreigd en mishandeld. Op de avond van
de doodslag heeft hij haar verkracht. Het beroep van de vrouw op noodweer
c.q. noodweerexces is niet gehonoreerd omdat er volgens het hof geen
sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. In
cassatie wordt ondermeer aangevoerd dat een man die zijn vrouw jarenlang
stelselmatig bedreigt, mishandelt en verkracht een onmiddellijk dreigend
gevaar voor wederrechtelijke aanranding oplevert zodra hij uit zijn slaap
ontwaakt. Dit middel faalt omdat het hof het bestaan van een onmiddellijk
dreigend gevaar niet heeft vastgesteld. De Hoge Raad meent dat het oordeel
van het hof voor zover het betreft de afwijzing van het beroep op
psychische overmacht, niet onbegrijpelijk is en zozeer verweven is met de
aan de feitenrechter voorbehouden waarderingen van feiten en
omstandigheden dat het in cassatie niet met succes kan worden bestreden.

Volledige tekst

1. De bestreden einduitspraak Het hof heeft in hoger beroep – met
vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam
van 9 oktober 1990 – de verdachte vrijgesproken van het haar bij
inleidende dagvaarding primair telastegelegde en haar voorts ter zake van
‘doodslag’ veroordeeld tot vierentwintig maanden gevangenisstraf.

2. Het cassatieberoep Het beroep, dat zich kennelijk niet richt tegen de
vrijspraak van het primair telastegelegde, is ingesteld door de verdachte.
Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te ‘s- Gravenhage, de volgende
middelen van cassatie bij pleidooi voorgedragen:

Middel I Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan
niet naleving nietigheid medebrengt.

In het bijzonder zijn de artt. 358, 359, 415 Sv. geschonden doordien het
hof het namens rekwirante gedane beroep op psychische overmacht heeft
verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. ‘s-Hofs
arrest is op grond hiervan onvoldoende met redenen omkleed.

Toelichting

1. Met betrekking tot voormeld verweer overwoog het hof, zakelijk
weergegeven, het volgende.

‘Het hof wil uitgaan van de juistheid van hetgeen de raadsman heeft
aangevoerd over verdachtes achtergrond en de gebeurtenissen in de nacht
van het delict. Ook uitgaande van die gegevens acht het hof echter
onvoldoende aannemelijk dat verdachte P heeft doodgeschoten omdat zij op
het moment van het begaan van het feit geestelijk in een zodanige toestand
verkeerde dat zij niet anders kon of behoorde te handelen dan zij toen
heeft gedaan. Uit het onderzoek ter terechtzitting, met name uit de
omtrent verdachte opgemaakte rapporten van de psychiater van Leeuwen en
de psycholoog Hent, blijkt dat bij verdachte toen zij de schoten loste
heeft gehandeld uit woede, angst en wraak. Het verbod op het doden van een
mens is een norm die, ook in de cultuur waaruit verdachte afkomstig is,
van zeer fundamentele aard is; verdachte kende die norm. Verdachte moet
hebben ingezien dat wat zij deed volstrekt ongeoorloofd was en dat er
andere wegen en middelen waren die zij had kunnen bewandelen om zich te
onttrekken aan de directe macht van P. Er was – ook in de lezing van
verdachte – die nacht geen sprake van een situatie waarin zij voor de
beslissende en onvermijdelijke keus tussen haar eigen leven en dat van P
stond. In dat verband acht het hof met name van belang dat verdachte op
doordachte wijze P uren na afloop van de ruzie in zijn slaap heeft gedood.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat verdachte weliswaar
heeft gehandeld onder invloed van een hevige gemoedsbeweging maar niet
onder invloed van een zodanige drang dat zij niet anders kon of behoorde
te handelen. Er is geen sprake van overmacht.’

2. Vorenweergegeven overweging is innerlijk tegenstrijdig, aangezien de
vaststelling, dat rekwirante moet hebben ingezien, dat wat zij deed
volstrekt ongeoorloofd was en dat er andere wegen en middelen waren die
zij had kunnen bewandelen om zich te onttrekken aan de directe macht van
P op gespannen voet staat met de vaststelling, dat rekwirante heeft
gehandeld onder invloed van een hevige gemoedsbeweging. Kenmerk van hevige
gemoedsbewegingen is immers dat zij het inzicht van de mens in de
reikwijdte van zijn handelen en de mogelijkheden van alternatieven juist
belemmert. De door het hof aanvaarde heftigheid van de gemoedsbeweging is
vooral niet te rijmen met het inzicht in het volstrekte van het
ongeoorloofde.

3. Voorts miskent het hof dat al zou er sprake zijn van culpa in causa of
culpa in eligendo, zulks nog niet medebrengt dat rekwirante verstoken is
van een beroep op psychische overmacht. (Vgl. HR 13 juni 1989, NJ 1990,
48 met een zeer uitvoerige noot van ’t H.) In het licht van de feiten, die
door het hof als vaststaand zijn aangenomen, en dat zijn zulke klemmende
beangstigende feiten, is ‘s-hofs oordeel dat onvoldoende aannemelijk is
geworden, dat rekwirante niet anders kon of behoorde te handelen dan zij
toen heeft gedaan onbegrijpelijk. Wat het klemmende aspect van deze feiten
betreft weegt zeer zwaar de verkrachting die aan de doodslag vooraf is
gegaan. (Vide p. 9 pleitnotitie eerste aanleg.) Klaarblijkelijk heeft het
hof de psychische gevolgen van een verkrachting onderschat, want het is
zonneklaar dat als een verkrachte vrouw haar verkrachter daarna doodschiet
dat alleszins terug te voeren is op een zeer begrijpelijke vorm van
psychische overmacht.

Middel II

Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet
naleving nietigheid medebrengt.

In het bijzonder zijn de artt. 358, 359, 415 Sv, geschonden doordien het
hof het namens rekwirante gedane beroep op noodweer c.q. noodweerexces
heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. ‘s-Hofs
arrest is in zoverre onvoldoende met redenen omkleed.

Toelichting

1. Met betrekking tot voormeld verweer heeft de raadsman van rekwirante,
zakelijk weergegeven, blijkens diens overgelegde pleitnotities aangevoerd:

‘De omstandigheden, waaronder het feit zich heeft afgespeeld, doen ook
denken aan noodweer/noodweerexces. Voor zoveel nodig wil ik daarop namens
mevrouw G hier ook nadrukkelijk een beroep doen. De vraag is natuurlijk,
of er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Er
was nog feitelijk geen aanranding. Er was wel een zeer reele – althans
door de verdachte als reeel aan te merken – dreiging van aanranding (hij
zou haar doodmaken!) en aan die dreiging viel in haar beleving gewoon niet
meer te ontkomen, Haar actie was haar manier van zelfverdediging
(noodweer).’

2. Het hof heeft hierop als volgt, zakelijk weergegeven, beslist:

‘Het Hof verwerpt tevens de door de raadsman in hoger beroep herhaalde
verweren dat verdachte heeft gehandeld in noodweer c.q. noodweerexces
aangezien niet aannemelijk is geworden, dat verdachte heeft gehandeld ter
noodzakelijke verdediging tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke
aanranding.’

3. Vorenweergegeven weerlegging is onvoldoende op grond van het
navolgende. Met betrekking tot het psychische overmachtsverweer heeft het
hof overwogen, dat het hof wil uitgaan van de juistheid van hetgeen de
raadsman heeft aangevoerd over verdachtes achtergrond en de gebeurtenissen
in de nacht van het delict.

4. In cassatie staat op grond hiervan derhalve vast, dat het slachtoffer
rekwirante in binnen- en buitenland gedurende lange tijd achtervolgde,
bedreigde en mishandelde en op de avond van de doodslag verkrachtte, zoals
op pagina 9 van de pleitnotitie in eerste aanleg is gesteld en door het
hof voor juist is aanvaard. (Zie voor deze wat civiele benadering HR 10
februari 1987, NJ 1987, 799.) Vide de overgelegde pleitnotitie in hoger
beroep onder nummers 6, 7 en 8 en de verwijzingen aldaar naar de in eerste
aanleg overgelegde en in hoger beroep geinsereerde pleitnotitie.

5. Aangezien als een ‘ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding’ tevens
valt te beschouwen een onmiddellijk dreigend gevaar voor een
wederrechtelijke aanranding (vgl. HR 30 maart 1976, NJ 1976, 322) is in
het licht van hetgeen in cassatie als vaststaand moet worden aangenomen,
zoals hiervoren bedoeld, niet zonder meer begrijpelijk waarom ten deze,
anders dan het hof overweegt, door rekwirante niet is gehandeld ter
noodzakelijke verdediging tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke
aanranding. Gelet op de in cassatie als vaststaand aan te nemen feiten is
‘s-hofs beslissing te dezer zake mitsdien rechtens onjuist, aangezien uit
de feiten voortvloeit dat rekwirante heeft gehandeld om een onmiddellijk
dreigend gevaar te keren in het geval het slachtoffer weer zou ontwaken.
Een man die zijn vrouw jarenlang stelselmatig bedreigt, mishandelt en ook
nog verkracht levert zodra hij uit zijn slaap ontwaakt een onmiddellijk
dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding op. Het hof heeft
mitsdien blijk gegeven aan het begrip ‘ogenblikkelijke wederrechtelijke
aanranding’, een te beperkte betekenis te hebben toegekend, althans in het
licht van de vastgestelde feiten is ‘s-hofs beslissing op dit punt niet
zonder meer begrijpelijk.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie De Advocaat-Generaal Meijers
heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4. Bewezenverklaring en bewijsvoering

4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij:

“op 20 april te R. opzettelijk P. van het leven heeft beroofd, hebbende
zij, verdachte, toen en daar opzettelijk een pistool ter hand genomen en
zich met dat wapen naar die P. begeven, en dat wapen ontgrendeld en dat
wapen gericht op het hoofd van die P. en de trekker overgehaald waardoor
het wapen afging en die P. in diens hoofd werd getroffen door een kogel,
tengevolge waarvan die P. ernstig hersenletsel bekwam, waardoor hij is
overleden.

4.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1 De verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor
zover deze -zakelijk weergegeven- inhoudt: Het is juist, dat ik op …
in mijn woning te R. aan de …straat welbewust de mij bekende P. van
het leven heb beroofd, door toen daar telkens welbewust het pistool van
P. ter hand te nemen, daarmee naar P. te gaan en door het overhalen van
de trekker van dat wapen, dat ik tevoren van dichtij had gericht op het
hoofd van P. aldus te schieten.

2. Een geschrift, zijnde een fotocopie van een proces-verbaal, nr van
Gemeentepolitie Rotterdam, gemerkt C., opgemaakt op ambtseed door P.
Mostert en P.J. Geerts, beiden hoofdagentrechercheur van gemeentepolitie
R., en door hen gesloten en getekend op …, voorzover dit inhoudt als
de op die datum afgelegde verklaring van verdachte:

P. kwam op … thuis in onze woning aan de …straat te Rotterdam. We
hebben tot ongeveer 0.200 uur ruzie gemaakt. Korte tijd later ging P. naar
bed. Na een tijdje hoorde ik aan zijn ademhaling dat hij sliep.

Ik pakte het pistool van P. en ik liep naar het bed van P. Ik ging bij het
hoofdeinde staan en hield het pistool op ongeveer 25 centimeter bij zijn
hoofd vandaan. Ik richtte op zijn hoofd. Ik moest een knopje, dat aan de
bovenzijde van het wapen zit, omzetten. Hierna trok ik aan de trekker en
ik hoorde een knal.

3. Een geschrift, zijnde een fotocopie van een proces-verbaal, nr. van
Gemeentepolitie Rotterdam, gemerkt A2, opgemaakt op ambtseed door J.A. van
den Berg en D. van Zunderd, beiden hoofdagent-rechercheur van
gemeentepolitie te Rotterdam, en door hen gesloten en getekend op …,
voorzover dit inhoudt als relaas van verbalisanten:

Op gingen wij naar de woning van de straat te Rotterdam. Op de
zolder van die woning troffen wij het stoffelijk overschot aan van deze
man in beslag.

4. Een geschrift, zijnde een fotocopie van een proces-verbal, nr. van
Gemeentepolitie Rotterdm, gemerkt A4, opgemaakt op ambtseed door J.A. van
den Berg, hoofdagentrechercheur van gemeentepolitie Rotterdam, en door hem
gesloten en getekend op …, voorzover dit inhoudt als relaas van
verbalisant: Op … confronteerde ik het op … in de woning straat
te Rotterdam aangetroffen lichaam van het slachtoffer met een neef en een
nicht van hem, respectievelijk genaamd: -X, geboren op -Y, geboren op

zij verklaarden mij dat zij het lichaam herkenden als het lichaam van P.,
geboren op te .

5. Een geschrift, zijnde een fotocopie van een proces-verbaal, nr. van
gemeentepolitie Rotterdam, gemerkt A3, opgemaakt op ambtseed door J.A. van
den Berg, hoogdagentrechercheur van gemeentepolitie Rotterdam, gesloten
en getekend op , voorzover dit inhoudt als relaas van de verbalisant:

Op werd in het Gerechtelijk Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie
van het Ministerie van Justitie te Rijswijk, gerechtelijke sectie verricht
op het inbeslaggenomen lichaam van het slachtoffer P. Het inbeslaggenomen
lichaam werd daartoe, onder begeleiding van mij, verbalisant, overgebracht
naar bovengenoemde lokatie en ter beschikking gesteld van de arts en
patholoog-anatoom Dr. J.J. Puts.

6. Een geschrift, zijnde een telefax-kopie van een rapport van het
Gerechtelijk Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie van het Ministerie
van Justitie te Rijswijk nr. 90141/P023, op zijn eed als vast gerechtelijk
deskundige opgemaakt en ondertekend op 26 juni 1990 door J.J.G. Puts, arts
en patholoog-anathoom, voorzover dit inhoudt: Op heeft ondergetekende
in het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie te Rijswijk Z-H, de uit-
en inwendige schouwing verricht van het lijk van: P., geboren ,
teneinde na te gaan wat de oorzaak van diens dood en wat verder van belang
mocht blijken. Het lijk van P., voornoemd, werd mij aangewezen en daarna
overhandigd door J.A. van den Berg, hoofdagent-rechercheur van
gemeentepolitie te Rotterdam. Bij de sectie op het lijk van P. is het
navolgende gebleken:

Links zijwaarts van de linker buitenooghoek was een min of meer afgeronde
rozerode huidbeschadiging waarin centraal een perforatie van 2 a 3 mm.
Vanaf deze huidperforatie verliep een schotkanaal door onder andere de
rechter slaapkwab van de grote hersenen, gepaard gaande met verbrijzeling
van het hersenweefsel. Aan het einde van dit schotkanaal, aan de
zijwaartse begrenzing van de rechter slaapkwab van de grote hersenen, lag
te midden van berbrijzeld hersenweefsel een overwegend koperkleurig
voorwerpje met het uiterlijk van een zeer weinig gedeformeerde kogel.

Conclusie: P. was door een kogel links zijwaarts aan het gelaat getroffen.
In de gebleken schotverwonding was schedel/hersenletsel opgeleverd,
gepaard gaande met hersenvliesbloeding, waaruit het intreden van de dood
zonder meer kon worden verklaard.

5. Beoordeling van het eerste middel 5.1. Blijkens het proces-verbaal van
de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aldaar aangevoerd –
zakelijk samengevat – dat het slachtoffer de verdachte er mee had gedreigd
dat zij de volgende dag naar een ander huis zou worden gebracht en daar
zou worden gedood en haar dochtertje zou worden verkracht, dat de
verdachte aldus werd gedwongen tot een gedraging waaraan zij geen
weerstand kon bieden doordat er voor de verdachte in haar belevingswereld
geen reeel alternatief was om aan de bedreiging met de dood te ontkomen,
en dat er bij de verdachte eerder sprake was van een ‘explosief fenomeen’
dan van doordachtheid. 5.2. Het hof heeft het aangevoerde opgevat als een
beroep op psychische overmacht, en daaromtrent overwogen hetgeen in de
toelichting op het middel onder 1 is weergegeven. Aldus heeft het hof,
zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, het verweer
verworpen op gronden welke deze beslissing kunnen dragen. ’s Hofs oordeel
is niet onbegrijpelijk, en zozeer verweven met aan de feitenrechter
voorbehouden waarderingen van feiten en omstandigheden dat het in cassatie
niet met vrucht kan worden bestreden. Van de in de toelichting op het
middel onder 2 opgeworpen innerlijke tegenstrijdigheid is geen sprake,
daar de omstandigheid dat is gehandeld onder invloed van een hevige
gemoedsbeweging er niet aan in de weg staat dat bij dat handelen inzicht
in het volstrekt ongeoorloofde van dat handelen aanwezig was. 5.3. Het
middel faalt derhalve.

6. Beoordeling van het tweede middel 6.1. Blijkens het proces-verbaal van
de terechtzitting in eerste aanleg van 25 september 1990 heeft de raadsman
daar onder meer aangevoerd hetgeen in de toelichting op het middel onder
1 is weergegeven, en blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in
hoger beroep heeft hij dat verweer aldaar gehandhaafd. Het hof heeft
dienaangaande overwogen en beslist zoals is weergegeven in de toelichting
op het middel onder 2. 6.2. ’s Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk en
geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting. Voor zover in de
toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof heeft miskend dat als
een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding tevens valt te beschouwen
een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding
faalt het middel reeds omdat het hof het bestaan van een zodanig
onmiddellijk dreigend gevaar niet heeft vastgesteld. 6.3. Het middel faalt
derhalve.

7. Slotsom Nu geen van beide middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de
Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak
ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden
verworpen.

8. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechters

Mrs. Bronkhorst, Beekhuis, Keijzer, Govaerts, Koster

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 21 mei 1992

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Gedaagde was ten tijde van het in dit geding van belang werkzaam als
hoofdagent van politie. Hij heeft in functie bijstand verleend aan een vrouw.
Zij is ’s avonds nog op bezoek geweest bij gedaagde en zijn vrouw. Nadat
gedaagde haar na afloop van het bezoek naar het hotel heeft gebracht hebben
aldaar intimiteiten plaatsgevonden tussen gedaagde en de vrouw. De vrouw
heeft aangifte gedaan van verkrachting.
Gedaagde is gestraft met ontslag.
De eerste rechter heeft overwogen dat gedaagde zich aan ernstig
plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt, dat eiser bevoegd was tot
strafoplegging maar dat tussen het gepleegde plichtsverzuim en de opgelegde
straf onevenredigheid bestaat.
De Raad is van oordeel dat gedaagdes plichtsverzuim als ernstig is te
kwalificeren, doch niet zodanig ernstig dat daarop slechts de straf van
onvoorwaardelijk ontslag zou passen. Voorwaardelijk strafontslag zou de
evenredigheidstoetsing wel hebben kunnen doorstaan.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 1 maart 1990 is gedaagde ter zake van gepleegd plichtsverzuim
gestraft met ontslag met ingang van 1 april 1990.
Het Ambtenarengerecht te Haarlem heeft bij uitspraak van 29 oktober 1990
onder nr. 90/135 het door gedaagde tegen dit besluit ingestelde beroep
gegrond verklaard en het besluit nietig verklaard.
Partijen zijn van deze uitspraak op de daartoe bij aanvullende
beroepschriften aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen.
Het geding is behandeld ter terechtzitting van 7 mei 1992, waar eiser zich
heeft doen vertegenwoordigen door mr. R.C.M. Reinarz, verbonden aan het
Centraal Adviesbureau voor Publiekrecht en Administratie B.V. te ‘s
Gravenhage, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
H.M.J. Offermans, advocaat en procureur te Haarlem.
II Motivering
Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer uitgebreide
weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten volstaat de Raad met
vermelding van het volgende:
Gedaagde was ten tijde in dit geding van belang werkzaam als hoofdagent van
politie in eisers gemeente. Op 20 juni 1989 heeft gedaagde met een collega
gedurende de vervulling van hun (avond)dienst bijstand verleend aan een nader
in de stukken genoemde vrouw. Op gedaagdes uitnodiging na afloop van zijn
dienst zijn echtgenote en hem te bezoeken, is de bedoelde vrouw ingegaan.
Nadat gedaagde haar na afloop van het bezoek naar het hotel heeft gebracht,
waar zij door zijn bemiddeling tijdelijk onderdak had gevonden, hebben aldaar
intimiteiten plaatsgevonden tussen gedaagde en de vrouw. Zij heeft op 22 juni
1989 aangifte gedaan van verkrachting in de nacht van 20 juni 1989 door
gedaagde. Naar aanleiding van deze aangifte heeft de Rijksrecherche een
onderzoek ingesteld.
Eiser heeft op 8 februari 1990 aan gedaagde medegedeeld voornemens te zijn
hem ter zake van plichtsverzuim te straffen met ongevraagd ontslag. Gedaagde
heeft zich op 13 februari 1990 schriftelijk en op 15 februari 1990 mondeling
verantwoord.
Bij het in geding zijnde besluit is gedaagde gestraft met ontslag met ingang
van 1 april 1990.
De eerste rechter heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat gedaagde
zich aan ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt, dat eiser bevoegd was
tot strafoplegging, maar dat tussen het gepleegde plichtsverzuim en de
opgelegde straf onevenredigheid bestaat.
Naar aanleiding van het door gedaagde ingestelde hoger beroep merkt de Raad
in de eerste plaats op, dat ook hij gedaagdes gedragingen als plichtsverzuim
meent te moeten aanmerken.
Met zijn betwisting dat er raakvlakken zijn tussen gedaagdes gedragingen en
zijn functievervulling als politieambtenaar miskent gedaagde dat ook
gedragingen buiten diensttijd in een zodanig verband met de dienstuitoefening
kunnen staat, c.q. zodanige repercussies op de dienstuitoefening kunnen
hebben, dat deze zijn aan te merken als doen of nalaten, hetwelk een goed
ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
Het gegeven dat de intimiteiten waartoe gedaagde zich heeft laten verleiden
hebben plaatsgevonden ten opzichte van een vrouw met wie hij kort tevoren in
en door de dienst in aanraking was gekomen als uitvloeisel van een – wellicht
goed bedoelde poging – de bij die vrouw bestaande nood, waarvan tijdens de
dienstuitoefening was gebleken, verder buiten diensttijd te lenigen, laat
naar het oordeel van de Raad geen twijfel mogelijk dat een verband met de
dienstuitoefening waardoor gedaagde ook zijn gedragingen buiten diensttijd
had behoren te laten leiden aanwezig was.
Anderzijds behoeft naar het oordeel van de Raad de door eiser aangenomen
ernst van het door gedaagde gepleegde plichtsverzuim enige nuancering. In het
schrijven van 8 februari 1990 waarmee eiser gedaagde de gelegenheid heeft
geboden om zich te verantwoorden heeft eiser het plichtsverzuim omschreven
als: ` grovelijk misbruik te maken van een vrouw aan wie u in de uitoefening
van uw functie als politieambtenaar bijstand heeft moeten verlenen, doordat u
onmiddellijk in aansluiting aan die hulpverlening deze vrouw tot
geslachtsgemeenschap met u heeft bewogen, terwijl u wist dat zij in een zeer
geëmotioneerde toestand verkeerde’.
Naar het oordeel van de Raad spreekt uit de in deze tenlastelegging gebezigde
bewoordingen een meer actieve rol van gedaagde (en een meer ondergeschikte
rol van de bewuste vrouw) dan op basis van de beschikbare stukken, waaronder
het rapport van de Rijksrecherche, als vaststaand kan worden aangenomen. Wel
is duidelijk dat gedaagde door zijn bemoeienissen met de bewuste vrouw na
diensttijd voort te zetten en te laten culmineren zoals buiten twijfel is
geschied, zich heeft begeven in, dan wel niet heeft weten te onttrekken aan,
een situatie die duidelijk risico’s in zich borg in relatie tot zijn
dienstuitoefening als politieman en de integriteit van de dienst als zodanig.
In zoverre acht de Raad de in het bestreden besluit en het hoger
beroepschrift van eiser (naast aanhaling van de hiervoor gebezigde
bewoordingen) gegeven omschrijving van het gepleegde plichtsverzuim: `Hem is
verweten dat hij zich na het vervullen van zijn ambtelijke plicht niet van
toenaderingspogingen heeft onthouden’ een meer adequate aanduiding van het
gedaagde te verwijten verzuim, waarbij de Raad dan nog aantekent dat voor hem
niet zonder meer volledig vaststaat dat van een `labiele en geëmotioneerde
toestand van de betrokken vrouw’ als eiser in dit verband voor ogen heeft
gehad, ten tijde van het plaats hebben van de gewraakte intimiteiten nog
sprake was.
Alle gegevens overziende is de Raad van oordeel dat gedaagdes plichtsverzuim
weliswaar als ernstig is te kwalificeren, doch niet zodanig ernstig dat
daarop slechts de, als ultimum remedium bedoelde, straf van onvoorwaardelijk
ontslag zou passen.
Daarbij tekent de Raad aan dat hij evenmin als de eerste rechter relevante
betekenis kan hechten aan de door eiser genoemde gedragingen van gedaagde die
eiser als een uiting van doorgaand gedrag ten opzichte van vrouwen in
beschouwing heeft genomen.
De Raad onderschrijft ter zake de overwegingen van de eerste rechter.
Tenslotte merkt de Raad -in dit geding ten overvloede- nog op dat
voorwaardelijk strafontslag de evenredigheidstoetsing wel zou hebben kunnen
doorstaan.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat beslist wordt als volgt:
III Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Rechters

Mrs. H. Bekker (vz), W. van den Brink, W.D.M. van Diepenbeek