Instantie: Gerechtshof Leeuwarden, 26 maart 1992

Instantie

Gerechtshof Leeuwarden

Samenvatting


De arts heeft gedurende een aantal jaren seksuele contacten, waaronder
vleselijke gemeenschap, met klaagster gehad. Het Hof is, zoals ook het
Centraal Medisch Tuchtcollege van oordeel dat deze seksuele contacten tussen
een behandelend arts en zijn vrouwelijke patienten ten enemale ontoelaatbaar
zijn. De arts wordt voor een jaar geschorst in de uitoefening van de
geneeskunst.

Volledige tekst

Het procesverloop Bij beslissing d.d. 6 december 1989 van het Medisch
Tuchtcollege te … is de klacht van klaagster tegen de aangeklaagde arts
afgewezen.

Door klaagster en door de inspecteur is vervolgens hoger beroep tegen
die beslissing ingesteld bij het Centraal Medisch Tuchtcollege te
‘s-Gravenhage.

Bij beslissing, uitgesproken op 10 januari 1991 heeft dit college de
gevoegde zaken overgedragen aan dit hof ter verdere behandeling.

De zaak is vervolgens behandeld ter zitting van 5 maart 1991, alwaar
partijen en hun raadslieden zijn verschenen. De procureur-generaal bij dit hof
is ter zitting gehoord.

Het onderzoek in hoger beroep

Het hof heeft kennis genomen van alle stukken, zoals vermeld onder 1 in
de beslissing van het Centraal Medisch Tuchtcollege, alsmede van het
procesverbaal van de zitting van dit college d.d. 18 oktober 1990 en van de
genoemde beslissing van dit college.

Ter zitting van het hof hebben partijen en hun raadslieden, alsmede de
procureur-generaal het woord gevoerd.

De gronden van het beroep staan vermeld onder 5 in de genoemde beslising
van het Centraal Medisch Tuchtcollege. Partijen hebben hieraan ten overstaan
van het hof niets naders toegevoegd.

Beoordeling van het hoger beroep

Het Central Medisch Tuchtcollege heeft in genoemde beslissing
vastgesteld dat klaagster gedurende een reeks van jaren patiente van de
aangeklaagde arts is geweest, eerst toen hij huisarts was en vervolgens toen
hij als manueel therapeut werkzaam was. Het hof neemt deze vaststelling over.

Voorts oordeelt het hof bewezen dat de betrokken arts gedurende die
jaren seksuele contacten, waaronder vleselijke gemeenschap, met klaagster
heeft
gehad. Dit oordeel grondt het hof op de verklaringen welke klaagster op 12
augustus 1988 in het postbureau der rijkspolitie te … heeft afgelegd en op
de verklaring welke … op 12 juli 1990, onder verwijzing naar en met overname
van haar eerdere geschreven verklaring van 12 april 1990, bij gelegenheid van
haar verhoor als getuige door de voorzitter van het Centraal Medisch
Tuchtcollege heeft afgelegd, mede bezien in samenhang met de verklaringen van
de andere, door de voorzitter van het Centraal Medisch Tuchtcollege gehoorde,
patienten van de betrokken arts, met name … en …

De verklaring van de betrokken arts dat hij noch met klaagster noch met
enige andere patiente seksueel contact heeft gehad, acht het hof, in het licht
van de in tegengestelde zin luidende verklaringen van de bovengenoemde
getuigen en de verklaring van de eveneens op 12 juli 1990 gehoorde getuige
…, ongeloofwaardig. Dat deze verklaringen (met uizondering van de verklaring
van klaagster) het resultaat zouden zijn van een tegen de betrokken arts
gericht complot, zoals hij heeft doen betogen, acht het hof zeer
onaannemelijk.

De klacht van klaagster is dan ook gegrond.

Met het Centraal Medisch Tuchtcollege is het hof van oordeel dat deze
seksuele contacten tussen een behandelend arts en zijn vrouwelijke patienten
ten enenmale ontoelaatbaar zijn. Door de bewezen geachte seksuele relatie met
klaagster (en met andere vrouwelijke patienten zoals uit het onderzoek
gebleken is) heeft de betrokken arts zich schuldig gemaakt aan handelingen die
in ernstige mate het vertrouwen in de stand der geneeskundigen ondermijnen.
Door het aangaan en in stand houden van dergelijke relaties neemt de arts
bewust het risico van misbruik van zijn overwicht, van misbruik van de
afhankelijkheid van de patient en van schadelijke psychische gevolgen voor de
patient.

Gezien de ernst van de bewezen geachte handelingen is het hof van
oordeel dat de maatregel van schorsing in de uitoefening van de geneeskunst
moet worden opgelegd. Gelet op de lange duur van de verhouding met klaagster
en op het feit dat de betrokken arts blijkens de afgelegde
getuigenverklaringen soortgelijke relaties ook met andere vrouwelijke
patienten heeft onderhouden, bepaalt het hof de duur van deze maatregel op een
jaar.

Op hetgeen de inspecteur in zijn aanvullend beroepschrift d.d. 6 april
1990 nog aan de klacht heeft toegevoegd behoeft, gelet op het subsidiare
karakter van die toevoeging, niet te worden beslist.

In aanmerking genomen het mede uit het hoger beroep van de inspecteur
blijkende, algemeen belang van deze zaak en de inspanning van de advokaat van
klaagster terzake van de bewijslevering, acht het hof termen aanwezig in na te
melden voege te bepalen dat klaagster een vergoeding voor haar kosten uit ‘s
rijks kas zal ontvangen.

Beslissing

vernietigt de beslissing van het Medisch Tuchtcollege te Groningen d.d.
6 december 1989;

verklaart de klacht gegrond en legt de maatregel op van schorsing in de
uitoefening van de geneeskunst voor de duur van een jaar;

bepaalt, dat deze beslissing op de wijze als voorgeschreven in artikel
13b van de Medische Tuchtwet, met weglating van de namen en woonplaatsen van
de in deze beslissing genoemde personen alsmede van andere gegevens welke
omtrent die personen een aanwijzing bevatten, wordt bekend gemaakt door
plaatsing in de Nederlandse Staatscourant en door toezending met het verzoek
tot plaatsing aan de volgende tijdschriften:

-Tijdschrift voor Gezondheidsrecht,

-Medisch Contact,

-Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde;

bepaalt, dat aan klaagster als vergoeding van kosten, voor haar uit de
behandeling der zaak voortvloeiend, uit ’s rijks kas zal worden uitbetaald,
een bedrag van ƒ 3 600 (zegge: drieduizend zeshonderd gulden), te verminderen
met ieder bedrag waarop de advocaat van klaagster ingevolge de Wet
rechtsbijstand aan on- en minvermogenden, in verband met de behandeling van
deze zaak, anders dan jegens klaagster, aanspraak kan maken.

Rechters

Mrs. Du Perron, voorzitter, Koning en Van den Bergh, raden en Ten Hoeve,secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 26 maart 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Werkgever heeft kinderopvangregeling die in beginsel staat
kinderopvangregeling open voor alle categorieen personeel. Ten tijde dat niet
voldoende middelen voorhanden zijn om aan alle belangstellenden tegelijkertijd
kinderopvangfaciliteiten te bieden, wordt een prioriteitsvolgorde aangehouden.
Deze volgorde bestaat uit vijf categorieen, waarvan in de derde categorie aan
vrouwen voorrang wordt gegeven. Het in de regeling opgenomen voorrangsbeleid
voor vrouwen bij kinderopvang staat in een alleszins redelijke verhouding tot
het daarmee beoogde doel. Geen onderscheid naar geslacht in strijd met WGB.

Volledige tekst

1.HET VERZOEK

Op 4 maart 1991 verzocht de heer te Utrecht (hierna: verzoeker) de
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel
uit te spreken over de vraag of de Minister van Defensie (hierna: de
wederpartij) jegens hem onderscheid maakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

Verzoeker heeft een beroep gedaan op de kinderopvangregeling van de
wederpartij. In deze regeling is voorzien in een zekere voorrangspositie voor
vrouwelijke medewerkers. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee
handelt in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Stb.
1989, 168).

2.DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1.De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld.

Partijen hebben ieder meerdere malen de gelegenheid gehad hun
standpunten nader toe te lichten, respectievelijk op elkaars standpunten te
reageren.

2.2.De Commissie heeft partijen opgeroepen hun standpunten nader toe te
lichten tijdens een zitting op 11 februari 1992.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker

– dhr mr (gemachtigde verzoeker)

van de kant van de wederpartij

– mw

– dhr

van de kant van de Commissie

– dhr prof. mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter)

– mw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer)

– mw drs A.J. Huber (lid Kamer)

– mw mr M.J.M.G. van Dorsten (plv. secretaris).

2.3.Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3.DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1.Verzoeker is werkzaam bij het ministerie waarvoor de wederpartij
verantwoordelijk is. Van het burgerpersoneel is 21,15% vrouw. Van het militair
personeel is nog geen 5% vrouw. Verzoeker behoort tot het burgerpersoneel bij
de wederpartij. Sinds 1 juli 1990 kunnen medewerkers van de wederpartij een
beroep doen op de kinderopvangregeling.

Verzoeker heeft twee kinderen, geboren in februari 1988 en in oktober
1989. De zorg voor de kinderen deelt hij met zijn partner. Zowel hij als zijn
partner hebben een baan voor 32 uur. De werkgever van zijn partner biedt geen
kinderopvangfaciliteiten aan zijn medewerkers aan.

Op 26 oktober 1990 heeft verzoeker schriftelijk kenbaar gemaakt voor de
kinderopvangregeling van de wederpartij in aanmerking te willen komen. Hij
zoekt voor beide kinderen kinderopvangplaatsen en heeft zijn wensen ten
aanzien van de plaats en tijden van opvang kenbaar gemaakt. Aangezien er op
dat moment niet genoeg faciliteiten beschikbaar waren, moest rekening worden
gehouden met de prioriteitsvolgorde en is verzoeker op de wachtlijst
geplaatst.

In januari 1991 heeft verzoeker een andere opvang voor zijn kinderen
gevonden. Zijn aanvraag voor kinderopvangplaatsen bij de wederpartij heeft hij
op 12 augustus 1991 ingetrokken.

3.2.Voor de realisatie van de kinderopvang heeft de wederpartij een
contract gesloten met verschillende particuliere stichtingen. De
kinderopvangplaatsen worden op enkele plaatsen in het land door
kinderopvangcentra beschikbaar gesteld. Ouders dienen een bepaalde geldelijke
bijdrage te leveren. De aanvragen moeten centraal bij de afdeling
Personeelszaken en Centrale Organisatie van de wederpartij worden ingediend.
Deze verdeelt de beschikbare plaatsen. Op het moment dat er niet voldoende
middelen voorhanden zijn om aan alle belangstellenden tegelijkertijd
kinderopvangfaciliteiten aan te bieden, wordt een prioriteitsvolgorde
aangehouden. Deze volgorde is op voorstel van de secretaris-generaal van het
ministerie en in overleg met de dienstcommissies en de overlegorganen als
volgt bepaald:

1.Kinderen die geboren worden in een gezin waarvan al een broer of
zus in een kinderdagverblijf opvang geniet vanwege de werkgever.

2.Kinderen uit een een-oudergezin.

3.Kinderen van vrouwelijke medewerkers met een dienstverband van langer
dan 6 maanden.

4.Kinderen van mannelijke medewerkers met een dienstverband van langer
dan 6 maanden.

5.Kinderen die niet onder de categorieen 1 tot en met 4 vallen.

Deze vastgestelde prioriteitsvolgorde komt overeen met het voorstel van
de Secretaris-Generaal in de nota ‘Prioriteitsvolgorde kinderopvang’ d.d.

17 mei 1990. Deze nota was bestemd voor de voorzitters en leden van de
dienstcommissie en de overlegorganen bij de centrale organisatie.

3.3.De wederpartij heeft over de kinderopvangregeling de volgende
achtergrondinformatie verstrekt.

Bij brief van 24-11-1986 heeft de Staatssecretaris van het Ministerie
een circulaire ‘Bevordering van de emancipatie van de vrouw in het kader van
het burgerpersoneelsbeleid’ doen verschijnen waarin het beleid wordt
geformuleerd ter bevordering van de emancipatie van de vrouw. Beoogd wordt een
evenwichtige verdeling van mannen en vrouwen over de verschillende
functiegebieden c.q. -niveaus te bewerkstelligen. Van een evenwichtige
verdeling is volgens deze circulaire sprake wanneer het personeelsbestand een
afspiegeling vormt van het gekwalificeerde aanbod op de arbeidsmarkt. Op dat
moment waren er bij de wederpartij minder vrouwen werkzaam dan op grond van
het aanbod op de arbeidsmarkt kon worden verwacht. Om hierin verandering te
brengen diende aandacht te worden besteed aan onder andere de werving en
selectie en het behoud van vrouwen die reeds bij de wederpartij werkzaam
waren.

3.4.Op 15 februari 1989 bood de toenmalige Staatssecretaris het ‘Plan
voor positieve actie voor de integratie van de vrouw in de krijgsmacht’ aan de
Tweede Kamer aan. Van het (militair) beroepspersoneel bleek bij de

– Koninklijke Marine, 5.3%,

– Koninklijke Landmacht, 3.5%,

– Koninklijke Luchtmacht, 3.5%,

– Koninklijke Marechaussee, 6.1%

vrouw te zijn.

In dit plan wordt gestreefd voor 1993 naar 8% vrouwelijk
beroepspersoneel bij de krijgsmachtonderdelen. Tevens is in dit plan
aangegeven dat de wederpartij gaat voorzien in kinderopvang voor haar
personeel.

Ter zitting is meegedeeld dat ondanks alle maatregelen die inmiddels
naar aanleiding van het plan zijn genomen, het vrouwelijk beroepspersoneel
slechts met 0,1% is gestegen.

Bij brief van 7 september 1989 verscheen van de hand van de
Staatssecretaris een nota over de kinderopvang, bestemd voor de
Secretaris-generaal en de Directeuren personeel van de Koninklijke Marine,
Landmacht en Luchtmacht.

Hierin haalt hij het standpunt van de Regering aan: “ouders zijn de
eerstverantwoordelijken voor hun kinderen en dragen derhalve ook
verantwoordelijkheid voor de wijze waarop zij in opvang van hun kinderen
voorzien. Kinderopvang is echter ook een instrument voor sociaal-economisch
beleid, doordat het een ononderbroken arbeidsdeelname van met name vrouwen
vergemakkelijkt”. De wederpartij ziet kinderopvang als een wezenlijk en
belangrijk instrument van emancipatiebeleid. Een van de aanwijzingen die de
Staatssecretaris vervolgens geeft in de nota is:

“In het kader van de positieve actie dient te worden vastgelegd dat
vrouwelijke werknemers van Defensie bij voorrang van de geboden faciliteiten
gebruik kunnen maken”.

De nota voorziet in een evaluatie van de regeling ultimo 1990. De
volgende gegevens dienden daartoe te worden geadministreerd:

– de externe instanties, die betrokken werden bij de kinderopvang;

– de mate van gebruik van de regeling (vrijwillig dienend militair
personeel, dienstplichtigen, burgerpersoneel);

– het aantal niet-gehonoreerde verzoeken;

– de uitgaven.

3.5.Vervolgens heeft de Centrale Organisatie (CO), ten einde uitvoering
te geven aan de opdracht van de Staatssecretaris om kinderopvang te
realiseren, een belangstellingsonderzoek gehouden onder alle mannelijke en
vrouwelijke medewerkers. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat er genoeg
belangstelling bestond voor kinderopvang. Tevens gaf dit onderzoek enige
indicatie op welke plaatsen die belangstelling was geconcentreerd. Daarna is
de prioriteitsvolgorde kinderopvang vastgesteld (Zie onder paragraaf 3.1). Met
ingang van 1 juli 1990 is kinderopvang ter beschikking gesteld.

In de begroting is een bedrag opgenomen van ƒ 500.000,–. Daarnaast
ontvangt CO een subsidie uit een Arbeidsmarkt- en opleidingsfonds sectie Rijk.
Deze subsidie wordt toegekend in de vorm van acht werknemers die gedetacheerd
worden bij instellingen voor kinderopvang. Voor 1991 en volgende jaren komt
vanuit het arbeidsvoorwaardenpakket militairen ƒ 0,12 miljoen ter
beschikking voor kinderopvang. Uit het arbeidsvoorwaardenpakket rijkspersoneel
zullen de vrijkomende gelden als gevolg van het opheffen van de
Premiespaarregeling Rijksambtenaren 1968 (RAS) worden aangewend voor
kinderopvang.

De wederpartij voert voor het burger- en militair personeel een
kinderopvangbeleid dat aansluit bij het beleid van de Rijksoverheid. Dit houdt
in dat uiteindelijk 1% van het personeelsbestand beschikbaar zal zijn voor
kinderopvangvoorzieningen. In de loop van 1995 zal een en ander geeffectueerd
dienen te zijn.

Uit het evaluatie-onderzoek is gebleken dat op basis van het aantal
aanmeldingen betreffende kinderopvangfaciliteiten thans behoefte bestaat aan
uitbreiding met n 30 kindplaatsen. In de voortgangsrapportage van de Minister
van de wederpartij aan het Parlement d.d. 11 oktober 1991 (Kamerstuk 22300 X,
nr. 7, bladzijde 7, punt 2), is aangekondigd dat het budget voor kinderopvang
zodanig zal worden uitgebreid dat geheel in de behoefte kan worden voorzien,
zelfs als deze de 30 kindplaatsen te boven gaat. Momenteel is de achterstand
ingehaald. Op het moment dat weer wachtlijsten ontstaan aan de vraagzijde kan
de prioriteitsvolgorde opnieuw gehanteerd worden.

De standpunten van partijen

3.6.Verzoeker is van mening dat de regeling kinderopvang discriminatoir
is doordat aan vrouwen voorrang wordt gegeven. Verzoeker meent dat de
consequentie van de voorrang voor vrouwen kan zijn dat hij nimmer in
aanmerking komt voor kinderopvang.

Nadat hij op 26 oktober 1990 een aanvraagformulier had ingediend, hoorde
hij in december 1990 dat hij twee plaatsen was gezakt op de wachtlijst doordat
twee vrouwelijke werknemers zich inmiddels hadden gemeld. In mei 1991 hoorde
hij dat zijn aanvraag was doorgezonden aan een stichting voor kinderopvang.
Over het feit dat zijn aanvraag eigenlijk onbemiddelbaar was en een kind
waarschijnlijk wel geplaatst had kunnen worden, heeft de wederpartij nooit
contact met hem opgenomen.

Tevens meent verzoeker dat ingeval alleen de werkgever van de mannelijke
werknemer kinderopvang voor vrouwen regelt, en de werkgever van de vrouwelijke
partner niet, het voorrangsbeleid haar doel voorbij schiet. Verzoeker stelt
dat indien hij niet zelf adekwate kinderopvang had kunnen regelen, hijzelf of
zijn partner het arbeidsproces had moeten verlaten.

Verzoeker meent dat uit de brief van de Staatssecretaris d.d. 7
september 1989 blijkt dat kinderopvang ten behoeve van alle mannelijke en
vrouwelijk werknemers ter beschikking moet worden gesteld. Hoofdzakelijk om
financiele redenen is een voorrangsbeleid voor vrouwen ingesteld. Gelet op de
tekst van artikel 1a en 5 WGB en de totstandkomingsgeschiedenis daarvan, kan
een financieel argument geen rechtvaardiging bieden voor het maken van een
direct onderscheid tussen vrouwelijke en mannelijke medewerkers. Verzoeker is
van mening dat de voorrangsregeling met name mensen met zorgtaken dient te
betreffen. In de voorrangsregeling dient te worden gesproken over verzorgers,
los van geslacht.

Verzoeker stelt dat de wederpartij niet of nauwelijks onderzoek heeft
gedaan of medewerkers uitstromen in verband met verzorgingstaken, danwel
blijven werken omdat er een mogelijkheid bestaat voor kinderopvang.

Voorts stelt verzoeker dat de kinderopvangregeling van de wederpartij
strijd oplevert met ILO verdrag 156 (“Verdrag betreffende gelijke kansen voor
en gelijke behandeling van mannelijke en vrouwelijke arbeiders: arbeiders met
gezinsverantwoordelijkheid”).

Volgens verzoeker is in dit verdrag een discriminatieverbod neergelegd.
Het verdrag legt vooral doelstellingen voor beleid neer. Maatregelen die op
grond van dit beleid worden genomen dienen in elk geval van toepassing te zijn
op alle mannen en vrouwen die arbeid en verantwoordelijkheid voor van hen
afhankelijke kinderen (willen) combineren.

Om tot een volledige gelijkheid van mannen en vrouwen te komen is
volgens verzoeker een verandering in de traditionele rol van mannen en vrouwen
noodzakelijk.

Maatregelen als ouderschapsverlof en kinderopvang zullen uitsluitend op
de lange termijn het gewenste effect (volledige gelijkheid) sorteren, als ze
gelijk worden toebedeeld aan mannen en vrouwen. Kinderopvang uitsluitend
bestemd voor vrouwen heeft op korte termijn wel een gewenst effect, namelijk
dat vrouwen werk kunnen aanvaarden danwel behouden. Op de lange termijn hebben
dergelijke maatregelen echter een ongewenst effect. Het plaatsen van vrouwen
in een bevoorrechte positie, zoals de wederpartij dat doet, leidt immers tot
een bevestiging van de traditionele positie: de vrouw is verantwoordelijk voor
de opvang van de kinderen. Dit leidt niet tot opheffing van de feitelijke
ongelijkheid, waarover artikel 5 WGB spreekt. Een voorkeursbehandeling van
vrouwen met betrekking tot kinderopvang is dan ook onjuist. Verzoeker meent
dat afwijking van het bepaalde in artikel 1a WGB daarom in deze situatie niet
mogelijk is.

3.7.De wederpartij stelt dat bij de aanvraag van verzoeker is meegedeeld
welke criteria bij het kinderopvangbeleid worden gehanteerd. Verzoekers
aanvraag is op 21 november 1990 doorgegeven aan een stichting voor
kinderopvang. Voor 21 november was verzoeker reeds twee plaatsen op de
wachtlijst gezakt doordat twee aanmeldingen met hogere prioriteit zich hadden
aangediend. Zodra er plaats was, zou dit verzoeker worden gemeld. Een en ander
is verzoeker begin december 1990 mondeling meegedeeld.

De wederpartij deelt mee dat de wachtlijst wordt gevormd vanaf het
moment van ontvangst van aanmeldingen tot aan doorzending van de aanmeldingen
aan een stichting voor kinderopvang. Na doorzending van de aanmeldingen is de
plaatsing buiten bereik van de wederpartij. Doordat verzoeker twee kinderen
met verschillende leeftijd geplaatst wilde hebben, was de aanvraag in feite
onbemiddelbaar.

Ten tijde dat verzoeker de aanvraag indiende liep de
kinderopvangregeling nog niet vlot. De regeling liep pas sind 1 juli 1990.

Voorts stelt de wederpartij dat kinderopvangfaciliteiten in principe
openstaan voor alle categorieen personeel. Eerst in derde instantie wordt een
onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. Een prioriteitsvolgorde moest
ontwikkeld worden omdat er (nog) niet voldoende middelen beschikbaar zijn.
Strijd met artikel 5 WGB levert dit niet op. In dit artikel wordt juist
bepaald dat mag worden afgeweken van het gelijkheidsbeginsel teneinde een
achterstandssituatie van vrouwen op de arbeidsmarkt te verminderen of op te
heffen. De wederpartij meent dat het beschikbaar stellen van kinderopvang met
name aan vrouwelijke werknemers dit doel kan dienen. Van het bij de CO
werkzame burgerpersoneel is 21,15% vrouw, van het bij de CO werkzame militaire
personeel nog geen 5%. Hiermee kan duidelijk worden gesproken van een
achterstandssituatie, waarmee de plaatsing van vrouwen in een bevoorrechte
positie gerechtvaardigd is.

Voorts is de wederpartij van mening dat de kinderopvangregeling niet in
strijd is met het ILO-verdrag 156. Het beschikbaar stellen van
kinderopvangfaciliteiten geeft medewerkers in grotere mate de gelegenheid
private verantwoordelijkheden te combineren met het verrichten van arbeid.
Door kinderopvangfaciliteiten met voorrang beschikbaar te stellen voor
kinderen uit een-oudergezinnen wordt aan de bedoeling van bovengenoemd verdrag
voldaan.

4.DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1.In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker handelt in
strijd met de WGB door de wijze waarop zij vrouwen voorrang geeft bij het
gebruik van de kinderopvangfaciliteiten.

De hier in geding zijnde kinderopvangregeling moet als een
arbeidsvoorwaarde worden beschouwd. In artikel 1a lid 1 WGB is bepaald dat het
bevoegd gezag geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in onder
andere de arbeidsvoorwaarden.

Artikel 5 lid 1 WGB maakt op dat verbod een uitzondering indien het
gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te plaatsen
teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen.

4.2.Op grond van bovengenoemde artikelen en de
totstandkomingsgeschiedenis daarvan kan in het algemeen worden gesteld dat,
wil een regeling die vrouwen bevoordeelt niet in strijd komen met de WGB, er
niet alleen sprake moet zijn van feitelijke ongelijkheden, maar die regeling
tevens in ieder geval geschikt moet zijn voor en in redelijke verhouding moet
staan tot het daarmee te bereiken doel (Commissie gelijke behandeling mannen
en vrouwen bij de arbeid, oordeelnummer 130-90-121, d.d. 22 augustus 1990,;
oordeelnummer 371-91-80, d.d. 5 december 1991).

4.3.Het doel dat de wederpartij met de kinderopvangregeling nastreeft is
om vrouwen in een zekere bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke
ongelijkheden op te heffen c.q. een achterstandssituatie in te lopen.

In dit verband geldt het volgende.

Een feit van algemene bekendheid is dat vrouwen in verband met de
noodzakelijke verzorging van (jonge) kinderen vaker afzien van (voortzetting
van) een (volledig) dienstverband dan mannen. In zoverre concludeert de
Commissie dan ook dat er in zijn algemeenheid op dit punt feitelijke
ongelijkheden zijn van vrouwen ten opzichte van mannen. Niet gebleken is dat
vrouwen die bij de onderhavige arbeidsorganisatie (willen) werken zich wat dit
betreft zouden onderscheiden van vrouwen in het algemeen. In zoverre is sprake
van voor de toepassing van de WGB relevante feitelijke ongelijkheden.

4.4.Vervolgens moet beoordeeld worden of het middel geschikt is om het
doel dat de wederpartij zich stelt te realiseren.

De Commissie is van oordeel dat het beschikbaar stellen van kinderopvang
met name aan vrouwelijke werknemers op zich een geschikt middel is om het doel
dat de wederpartij zich stelt te realiseren, althans om daartoe een bijdrage
te leveren.

4.5.Voor wat betreft de vraag of de onderhavige kinderopvangregeling ook
in een redelijke verhouding staat tot het daarmee beoogde doel, heeft de
Commissie het volgende overwogen.

De kinderopvangregeling staat in beginsel open voor alle categorieen
personeel. Ten tijde dat niet voldoende middelen voorhanden zijn om aan alle
belangstellenden tegelijkerijd kinderopvangfaciliteiten aan te bieden, wordt
een prioriteitsvolgorde aangehouden. Deze volgorde bestaat uit vijf
categorieen, waarvan in de derde categorie aan vrouwen voorrang wordt gegeven.
De Commissie is van oordeel dat het in de regeling opgenomen voorrangsbeleid
voor vrouwen bij kinderopvang in een alleszins redelijke verhouding staat tot
het daarmee beoogde doel.

Wel merkt de Commissie op dat dit voorkeursbeleid voor vrouwen
regelmatig geevalueerd dient te worden. Er kan namelijk een moment komen dat
voorkeursbeleid niet meer nodig zal zijn, omdat de huidige achterstand van
vrouwen in verband met zorgtaken in de toekomst opgeheven zal zijn.

Het feit dat verzoeker door het onderhavige voorkeursbeleid in zijn
belang is getroffen is onvermijdelijk, daar de uitvoering van voorkeursbeleid
anders onmogelijk is.

4.6.De Commissie merkt met betrekking tot het ILO-verdrag het volgende
op. Het ILO-verdrag bepaalt dat rekening dient te worden gehouden met de
(gelijke) zorgtaken van mannen en vrouwen die arbeid willen combineren met
verantwoordelijkheid voor van hen afhankelijke kinderen. Nu in de huidige
praktijk nog steeds overwegend vrouwen voor zorgtaken verantwoordelijk zijn,
meent de Commissie dat het ILO-verdrag juist gebiedt rekening te houden met de
huidige praktijk van de verdeling van zorgtaken. Maatregelen, zoals
voorkeursbeleid c.q. de in het geding zijnde

kinderopvangregeling, zijn dan ook nodig om de huidige praktijk (waarbij
met name vrouwen hun dienstverband beeindigen vanwege de zorg voor kinderen)
te veranderen. De (voorkeurs)maatregelen dienen eerst de beoogde wijziging
teweeg te brengen.

5.HET OORDEEL

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Minister van Defensie
jegens de heer te Utrecht geen door de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen verboden onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in
strijd met artikel 1a Wet gelijke behandeling.

Rechters

mr. P.F. van der Heijden, kamervoorzitter, mw. mr. J.E. Goldschmidt, mwdrs. A.J. Huber, mw. M.J.M.G. van Dorsten

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 25 maart 1992

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Bij de KLM geldt een volledig vliegverbod voor zwangere stewardessen.
Aan standby stewardessen wordt geen werk meer aangeboden. Geen strijd met de
Wet Gelijke Behandeling en art. 1637ij lid 1 BW. Het stralingsgevaar voor de
zwangere vrouw en het (ongeboren) kind is een voldoende rechtvaardigingsgrond
voor het gevoerde beleid, ook al staat de omvang van de risico’s niet vast.

De verplichting tot melding van de zwangerschap levert geen strijd op
met art. 8 EVRM. Door registratie van het standby personeel komt alleen een
voorovereenkomst tot stand die telkens bij aantreding van werk wordt omgezet
in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Geen verplichting voor de KLM
voor het aanbieden van vervangend werk. Zie ook CGB 9 januari 1991, RN
1991/182; Nemesis redactioneel 1992 nr. 4.

Volledige tekst

Verloop van procedure.

Bij conclusie van eis, met bewijsstukken, hebben de VFC en de
Ombudsvrouw gesteld en gevorderd overeenkomstig de inleidende dagvaarding.

Bij conclusie van antwoord, met bewijsstukken, heeft de KLM verweer
gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van
de VFC en de Ombudsvrouw in de proceskosten.

Partijen hebben ieder hun zaak doen bepleiten aan de hand van nadien
overgelegde pleitnota’s, de VFC en Ombudsvrouw door hun procureur en de KLM
door Mr C.D. Van Boeschoten, advocaat te ’s Gravenhage.

Ter gelegenheid van het pleidooi heeft de procureur van de VFC en de
Ombudsvrouw het gevorderde onder d. ingetrokken. Nadat voorts bewijsstukken in
het geding waren gebracht door Mr. Van Driem bij akte en door Mr. Van
Boeschoten bij twee aktes hebben partijen stukken overgelegd ter verkrijging
van vonnis.

Gronden van de beslissing.

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende)
weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van de
overgelegde bewijsstukken, staat in het geding het volgende vast:

a. Ingevolge artikel 2 van haar statuten, als vastgelegd in een
notariele akte van 14 november 1984, behartigt de VFC de belangen van het
free-lance cabinepersoneel bij de KLM in het algemeen en haar leden in het
bijzonder.

b. Ingevolge haar statuten, als vastgelegd in een notariele akte van 25
juli 1985, stelt de Ombudsvrouw zich ten doel de belangen van werkende (en/of
werkloze) vrouwen in de ruimste zin des woords te behartigen.

c. Met ingang van 1 juli 1988 is tussen de KLM en het free- lance
cabinepersoneel, de zogeheten stand-by’s, de “Regeling stand-by
stewards/stewardessen” van kracht, die het resultaat is van overleg tussen KLM
en de Vereniging van Nederlands Cabinepersoneel, verder de VKC genoemd.

d. De inleiding van art. 2.1 van deze Regeling luiden als volgt:

Inleiding

Algemeen

Het stand-by-schap houdt in dat de KLM de stand-by kan indelen op
bepaalde reizen of voor bepaalde, daarmee verband houdende, andere
activiteiten, nadat daarover overeenstemming tussen de KLM en de stand-by is
bereikt.

De KLM zal de stand-by alleen dan benaderen voor werkzaamheden, wanneer
zij de stand-by nodig heeft voor het realiseren van haar produktie. De
behoefte aan stand-by’s kan sterk wisselen. Het kan dan ook voorkomen dat de
inzet van stand-by’s gedurende een bepaalde periode regelmatig is en dat
gedurende een andere periode niet of nauwelijks gebruik zal worden gemaakt
van de mogelijkheid om stand-by’s in te zetten. Er is derhalve geen enkele
zekerheid omtrent de door de stand- by te leveren produktie.

Door de wijze van inzet van de stand-by onder de categorie “werknemers
in losse dienst”, zoals bedoeld in de arbeidswetgeving. Dit houdt in dat
slechts gedurende de reis waarop de stand-bye is tewerkgesteld respectievelijk
gedurende de tijd dat de stand-by andere activiteiten t.b.v. de KLM verricht,
een (mondelinge) arbeidsovereenkomst geldt.

De betaling van de stand-by geschiedt op basis van het aantal gewerkte
uren; de wisselende in zet van stand-by’s heeft dus tot gevolg dat geen enkele
zekerheid bestaat omtrent de te genieten inkomsten. Het stand-by-schap dient
dan ook worden gezien als een vorm van mogelijke neveninkomsten, waarbij de
stand-by de grootst mogelijke vrijheid heeft t.a.v. het bepalen van de dagen,
waarop al of niet wordt gewerkt.

De vergoeding voor de stand-by is gebaseerd op een uurbedrag per gewerkt
uur, de tijd doorgebracht op een slipstation wordt geacht niet te behoren tot
de werktijd.

Het uurbedrag is samengesteld uit een aantal elementen, t.w. o.a.
salaris, vergoeding voor niet opgenomen vakantiedagen, vakantietoeslag,
eindejaarsuitkering en uniformbijdrage.

Uit het karakter van het stand-by-schap, zoals hierboven omschreven,
vloeit voort dat de stand-by niet behoort tot het vaste personeelsbestand van
de KLM en derhalve niet in aanmerking komt voor de regelingen en voorzieningen
die voor dat personeel gelden.

Art. 2.1 – Werkingssfeer

De regeling stand-by stewards/stewardessen is van toepassing op, degenen
die zich ter beschikking hebben gesteld om door de KLM te worden ingezet als
lid van het cabinepersoneel in de functie van steward(ess), nadat
overeenstemming is bereikt over de te maken reis of de te verrichten (andere)
activiteiten.

Slechts gedurende de reis waarop de stand-by is tewerkgesteld resp.
gedurende de tijd dat de stand-by (andere) activiteiten t.b.v. de KLM
verricht, geldt een (mondelinge) Arbeidsovereenkomst; de arbeidsverhouding
eindigt telkens van rechtswege op het moment dat de reis resp. de activiteiten
eindigt/eindigen.

De stand-by steward(ess) zal in deze regeling worden aangeduid als “de
stand-by”.

e. Met ingang van 1 augustus 1990 heeft de KLM een volledig vliegverbod
afgekondigd voor al het zwangere cockpit en cabinepersoneel. Zwangerschap moet
direct worden gemeld. Vanaf dat moment wordt aan vast personeel vervangend
werk of een 60 procent uitkering aangeboden. Voor standby personeel geldt dat
vanaf dat moment de registratie wordt beeindigd, welke regeling per 1 juni
1991 in die zin werd gewijzigd dat in dat geval de registratie wordt
gehandhaafd, doch het standby personeel niet meer indeelbaar is voor
vluchten.

f. Op verzoek van de Ombudsvrouw heeft de Commissie Gelijke Behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid op 9 januari 1991 als haar oordeel te
kennen gegeven dat de KLM:

geen onderscheid maakte naar geslacht door voor 1 augustus 1990 bij
zwangerschap te stoppen met het aanbieden van werk dan wel het aangaan van
arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aan/met zwangere standby stewardessen
die zelf hadden aangegeven dat zij wegens die zwangerschap (tijdelijk) niet
meer als stewardess wilden werken;

zolang onvoldoende aannemelijk is dat voor een zwangere vrouw en/of haar
ongeboren kind het vliegen op zich niet zodanige gevaren voor de gezondheid
meebrengt dat haar het werk als (standby) stewardess geheel onmogelijk moet
worden gemaakt;

wel onderscheid maakt naar geslacht door het vanaf 1 augustus 1990
zwangere standby stewardessen onmogelijk te maken te werken door hen geen
arbeid meer aan te bieden dan wel een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
meer met hen aan te gaan; daarmee handelt de wederpartij in strijd met art.
1637ij lid 1 BW.

2. De VFC en de Ombudsvrouw vorderen:
a. voor recht te verklaren dat gedaagde onrechtmatig handelt, c.q. in
strijd met de wet gelijke behandeling en met art. 1637ij lid 1 BW door
zwangere standby stewardessen geen werk als stewardess aan te bieden.

b. voor recht te verklaren dat gedaagde onrechtmatig handelt door van
standby stewardessen te eisen dat zij haar zwangerschap onverwijld aan
gedaagde melden.

c. subsidiair voor recht te verklaren dat gedaagde onrechtmatig handelt,
althans in strijd met art. 1638z BW, door te weigeren aan zwangere standby
stewardessen vervangend werk aan de grond aan te bieden, voorzover uw
rechtbank van mening is dat gedaagde terecht zwangere stewardessen verbiedt te
vliegen,

met verder veroordeling van gedaagde in de kosten van dit geding.

3. De VFC en de Ombudsvrouw stellen hiertoe dat de KLM door haar
hiervoor onder 1.e. genoemde in 1990 gewijzigde beleid ten aanzien van
zwangere standby’s onrechtmatig immers discriminerend handelt, waarbij zij
zich baseren op het hiervoor onder 1.f. genoemde oordeel van de Commissie
Gelijke Behandeling en subsidiair dat de KLM, indien haar al vrijstaat
zwangere standby’s werk te weigeren, gehouden is op grond van goed
werkgeverschap aan hen vervangende werkzaamheden aan te bieden.

4. Voorzover de feiten met betrekking tot de gestelde onrechtmatige
daden hebben plaatsgevonden voor 1 januari 1992, dienen deze te worden
beoordeeld naar het voordien geldende recht.

5. De KLM voert in de eerste plaats als verweer dat de vordering is
ingesteld door het bestuur van de VFC zonder dat de samenstelling van dit
bestuur in de dagvaarding is vermeld, hetgeen moet leiden tot hetzij
nietigverklaring van de dagvaarding hetzij niet ontvankelijkverklaring van het
bestuur van de VFC.

Dit verweer is ongegrond.

De door het bestuur ingestelde vordering noemt de bestuurde vereniging
bij naam. Hieruit volgt dat deze vereniging, de VFC, in de procedure partij is
en dat is voldaan aan het formele vereiste van art. 5 lid 1 sub 2 Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering.

6. In de tweede plaats betoogt de KLM dat niet is gebleken dat de beide
eisende partijen, die op grond van het bepaalde in art. 20a van de Wet Gelijke
Behandeling een groepsactie instellen, voldoende representatief zijn, zodat
zij niet de belangen van de betrokken groep in een dergelijke groepsactie
kunnen behartigen.

Dit betoog wordt niet gevolgd. Uit hetgeen hiervoor onder 1.a. en 1.b.
is vastgesteld blijkt dat de statuten van beide eisende partijen in notariele
akten zijn opgenomen. Eiseressen zijn derhalve beide rechtspersonen met
volledige rechtsbevoegdheid en hebben beide – naar uit het hiervoor onder 1.a.
en 1.b. genoemde blijkt – ten doel de behartiging van belangen van diegenen
die een beroep zouden kunnen doen op het in art. 1637ij van het Burgerlijk
Wetboek en het in de Wet Gelijke Behandeling bepaalde, zodat zij op grond van
art. 20a van deze wet een groepsactie kunnen instellen.

7. Thans is aan de orde de vraag of de KLM discriminerend handelt door
zwangere standby’s geen werk als stewardess aan te bieden.

8. Bij haar voornoemde beslissing heeft de Commissie Gelijke Behandeling
onder meer geoordeeld dat de KLM door haar per 1 augustus 1990 gewijzigde
beleid handelt in strijd met art. 1637ij lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. De
KLM heeft betoogd dat dit oordeel onzorgvuldig tot stand is gekomen, waar een
zorgvuldige behandeling van uitbreiding van het verzoek van de Ombudsvrouw tot
de situatie vanaf 1 augustus 1990 heeft ontbroken. Eiseressen hebben echter
onweersproken gesteld dat juist vanwege dat gewijzigde beleid de Commissie
Gelijke Behandeling het nodig heeft gevonden de behandeling van het verzoek te
verplaatsen naar november 1990, terwijl op de zitting van 23 november 1990 van
de zijde van de KLM tegen de vermeerderde klacht ook geenszins bezwaar is
gemaakt en door haar uitgebreid uitleg is gegeven over het hoe en waarom van
de nieuwe maatregel. De rechtbank zal dan ook het oordeel van de Commissie
Gelijke Behandeling overnemen.

9. Ter rechtvaardiging heeft de KLM zich erop beroepen dat de hiervoor
onder 1.e. genoemde, in overleg met de VFC getroffen maatregel strekt tot
bescherming van de vrouw in verband met zwangerschap en moederschap. Zij heeft
overgelegd een rapport van 5 maart 1990 van de (US) Federal Aviation
Administration, hierna FAA genoemd, over kosmische straling en de gevolgen
daarvan voor vliegend personeel. Naar aanleiding daarvan hebben de KLM en de
(erkende) verenigingen voor vliegend personeel de vraag onder ogen gezien of
het beleid ten aanzien van vliegen tijdens zwangerschap gewijzigd moest
worden. De Afdeling Bedrijfsgezondheidszorg van de KLM heeft de
onderhandelingspartners geadviseerd over te gaan tot een algeheel vliegverbod
voor zwanger vliegend personeel, gegrond op enerzijds nieuwe inzichten over
kosmische straling en anderzijds op andere overwegingen van medische aard. De
strekking van dit advies is, dat men de risico’s van dien aard acht dat een
algeheel vliegverbod tijdens zwangerschap op zijn plaats is, aldus de KLM.

10. Dit verweer slaagt. De door de KLM aangevoerde
rechtvaardigingsgrond, voorzover deze betreft kosmische straling en de
gevolgen daarvan voor zwanger vliegend personeel, ontneemt het onrechtmatig
karakter aan bedoelde maatregel. De met name in het door de KLM overgelegde
rapport van de FAA genoemde en door eiseressen op zichzelf niet betwiste
genetische risico’s en risico’s voor het ongeboren kind door kosmische
straling zijn voldoende aannemelijk om het per 1 augustus 1990 gewijzigde
beleid te rechtvaardigen. Immers, de KLM dient niet alleen rekening te houden
met de gevaren van stralingsgevaar voor en met de belangen van de zwangere
vrouw, doch ook met die van het ongeboren kind. In redelijkheid mocht de KLM
hierbij het zekere voor het onzekere nemen, ook al staat de omvang van
genoemde risico’s niet vast.

11. Voorts is evenmin gegrond het standpunt van eiseressen dat de KLM
onrechtmatig handelt door van de zwangere standby te eisen dat zij haar
zwangerschap aan de KLM meldt. Zoals hiervoor onder 10. is overwogen mocht de
KLM de aangevochten maatregel nemen. Dat brengt mee dat de KLM ter
effectuering van die maatregel van betrokkenen kan verlangen dat zij hun
zwangerschap melden.

Onjuist is het betoog van eiseressen dat deze door de KLM opgelegde
verplichting tot melding van de zwangerschap in strijd is met art. 8 van het
Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de artikelen 10
en 11 van de Grondwet, waar voor de KLM – zoals hiervoor is overwogen – een
redelijke rechtvaardiging voor de maatregel aanwezig is.

12. Tenslotte is evenzeer onjuist het subsidiaire standpunt van de
eisende partijen.

De KLM heeft betoogd dat de rechtspositie van standby’s zo is geregeld
dat zij aan registratie als standby geen recht op werk ontlenen en dat
dienovereenkomstig de KLM geen verplichting heeft om werk als standby
stewardess aan te bieden, ook niet aan zwangere standby’s.

Dit betoog is juist. Immers uit de hiervoor onder 1.d. genoemde Regeling
voor standby’s volgt dat de KLM niet gehouden is de standby op te roepen
telkens wanneer arbeid beschikbaar is terwijl de standby vrij is om aan de
oproep van de KLM al dan niet gehoor te geven. Door de registratie als standby
komt tussen de standby en de KLM een voorovereenkomst tot stand, die iedere
keer dat door de standby wordt gewerkt wordt omgezet in een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Hieraan doet niet af dat, zoals
eiseressen aanvoeren, de standby minstens eenmaal per drie maanden moet
vliegen en altijd dient te komen voor de jaarlijkse flightsafety training,
waar dit volgens de veiligheidsvoorschriften geschiedt, zoals eveneens door de
Commissie Gelijke Behandeling is vastgesteld.

Op de KLM rust derhalve ook geen verplichting aan de standby’s
vervangend werk op de grond aan te bieden. In deze omstandigheden is van
discriminatie als bedoeld in art. 1637ij van het Burgerlijk Wetboek geen
sprake, terwijl art. 1637z van het Burgerlijk Wetboek toepassing mist. Immers,
de situatie van de standby’s zonder een vast arbeidscontract met de KLM, die
van hen zolang geen arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van kracht is geen
werkgeefster is, is een geheel andere dan die van de vaste werknemers van de
KLM. Ook naar redelijkheid en billijkheid vloeit uit voormelde
voorovereenkomst geen verplichting voor de KLM voort als door eiseressen
gesteld. Dit onderdeel van de vordering moet dan ook evenals de beide andere
onderdelen als ongegrond worden afgewezen.

13. De eiseressen zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden
verwezen in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

– wijst het gevorderde af;

– veroordeelt de VFC en de Ombudsvrouw in de aan de zijde van de KLM
gevallen kosten van deze procedure begroot op ƒ 2.380,= (TWEEDUIZEND
DRIEHONDERD EN TACHTIG GULDEN) en verklaart deze kostenveroordeling
uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mrs Hartzuiker, Van Lingen, Bunjes.

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 24 maart 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In een personeelsadvertentie wordt gevraagd om een ‘secretaresse’. Niet
vermeld is dat zowel mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking komen.
Strijd met de wet.

Volledige tekst

1.HET VERZOEK

1.1.Op 3 februari 1992 verzocht het Anti Discriminatie Bureau regio
Haarlem te Haarlem (hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of
door de heer mr te Haarlem (hierna: wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de
aanbieding van een betrekking in strijd met de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen

(WGB, Stb. 1989, 168).

1.2.Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om een ‘secretaresse’.
Verzoeker is van mening dat deze vacaturemelding in strijd is met de WGB.

2.DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1.Verzoeker is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 onder e WGB. Hiermee
voldoet verzoeker aan de eisen die de Wet aan een groepsactie stelt.

3.DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1.De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in behandeling
genomen en op grond van artikel 36 van het procedurereglement besloten om in
deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen. De wederpartij is in de
gelegenheid gesteld tegen deze beslissing bezwaar aan te tekenen. De
wederpartij heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt.

De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt
van verzoeker te reageren.

3.2.Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4.DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1.Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in het Haarlems Dagblad van

14 december 1991. In de advertentie vraagt de wederpartij om een
‘secretaresse’. In de advertentie staat niet vermeld dat zowel mannen als
vrouwen in aanmerking komen voor de aangeboden functie.

4.2.Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het aanbieden
van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en
daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB.

Verzoeker heeft naar aanleiding van de betreffende advertentie een brief
geschreven aan de wederpartij, waarin hij stelde dat de advertentie in strijd
is met de WGB. Naar aanleiding van deze brief heeft de wederpartij telefonisch
contact opgenomen met verzoeker. Volgens verzoeker verklaarde de wederpartij
in dit gesprek, er niets voor te voelen gedwongen te worden ‘m/v’ in de
advertentie te zetten. De wederpartij zou gezegd hebben dat een man die koffie
rondbrengt een mietje is.

4.3.De wederpartij stelt het volgende.

Zij is in het bewuste telefoongesprek met verzoeker onvriendelijk te
woord gestaan. Daarbij zijn insinuerende opmerkingen gemaakt. Zij acht dit een
‘inquisitie-aanpak’.

De wederpartij wijst voorts op de onbekendheid van de WGB. Zij acht
artikel 3 WGB ‘onmogelijk’ en spreekt van een ‘wurgartikel’ omdat het mensen
verplicht ‘m/v’ in een advertentie te vermelden. Het dwingt daarmee de
bevolking in een keurslijf. Zij meent dat gebodsbepalingen als artikel 3 WGB
een fascistisch element bevatten, omdat een groep gebodsbepalingen creeert om
andersdenkenden te kunnen vervolgen. De wederpartij is daarom van mening dat
de Wet van onverdraagzaamheid getuigt. De wederpartij vraagt zich af of
artikel 3 WGB zich verdraagt met bovennationale wetgeving en rechtspraak. De
wederpartij is verder van mening dat de WGB overbodig is.

5.DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1.In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de WGB, door in de onderhavige advertentie om een
‘secretaresse’ te vragen, terwijl zij niet uitdrukkelijk vermeld heeft dat
zowel mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking komen.

5.2.Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. De Wet noemt in artikel 5, twee
toegelaten uitzonderingen op dit verbod. Onderscheid is toegestaan als een
voorkeursbehandeling van vrouwen van toepassing is of als de betreffende
functie geslachtsbepaald is. De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een
van de wettelijke uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen
dat deze zich hier voordoen.

5.3.In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt.
Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat of
zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet worden,
of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

5.4.In de onderhavige advertentie wordt slechts een functiebenaming
vermeld, namelijk ‘secretaresse’. In dat geval stelt de Wet de eis dat
uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen voor de
betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke vermelding ontbreekt
echter in de advertentie.

Daarmee staat vast dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op grond
van geslacht in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met
artikel 3 lid 3 en lid 1 WGB.

5.5.Ten aanzien van de opmerkingen van de wederpartij dat artikel 3
onbekend en overigens overbodig zou zijn, en van onverdraagzaamheid zou
getuigen, wijst de Commissie op het volgende.

De WGB dient mede ter uitvoering van de richtlijn van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 9 februari 1976. (Publicatieblad van de Europese
Gemeenschappen, nr. L 39/40, 76/207 EEG). Deze zogenaamde tweede richtlijn
verplicht de lidstaten van de EG om het beginsel van gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en
de promotiekansen en bij de arbeidsvoorwaarden neer te leggen in nationale
wetgeving en is bedoeld om de gelijke rechten van mannen en vrouwen te
verzekeren.

De WGB dient daarnaast beschouwd te worden als uitwerking van artikel 1
van de Grondwet, artikel 26 van het Internationale Verdrag inzake
Burgerrechten en Politieke Rechten en het VN- Verdrag ter uitbanning van alle
vormen van discriminatie jegens vrouwen. De Wet is mede onderdeel van de
inspanningen van de kant van de overheid om het gelijkheidsbeginsel, ook waar
het gaat om andere non-discriminatiegronden als ras, seksuele gerichtheid,
godsdienst of levensbeschouwing en politieke overtuiging in wetgeving en
beleid werkelijk vorm en inhoud te geven en daarmee fascistische tendenzen
tegen te gaan.

Daarmee is tevens de vraag van de wederpartij beantwoord of (artikel 3
van) de WGB zich verdraagt met internationale regelgeving. De wederpartij
heeft niet aangegeven met welke internationale jurisprudentie de WGB zich niet
zou verdragen. Dergelijke jurisprudentie is bij de Commissie niet bekend.

Voor wat betreft de stelling van de wederpartij dat de WGB overbodig is,
het volgende.

Sinds 1980 is in een aantal voorlichtingscampagnes ruime aandacht
geschonken aan de inhoud en betekenis van de WGB, in het bijzonder waar het
gaat om werving en selectie. Uit onderzoeken blijkt, dat in de praktijk nog
steeds grote verschillen bestaan tussen mannen en vrouwen in de mate waarin
zij toegang hebben tot de arbeidsmarkt. Om die reden, maar ook omdat gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij werving en selectie bij het Nederlands
publiek, en zeker de werkgevers, goed bekend mochten worden verondersteld,
heeft de wetgever het in 1989 mogelijk en nodig geoordeeld om de bepalingen
van artikel 3 te verduidelijken, aan te scherpen en van een sanctie te
voorzien.

Per 1 februari 1992 is voorts de herziening van artikel 429 quater
Wetboek van Strafrecht in werking getreden waarbij het maken van onderscheid
op grond van sekse bij de uitoefening van ambt, beroep en bedrijf strafbaar
wordt gesteld. Deze norm heeft uiteraard ook betrekking op het maken van
onderscheid bij werving en selectie.

6.HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de heer

mr te Haarlem bij de aanbieding van een betrekking onderscheid
heeft gemaakt in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met
artikel 3 en lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen heeft
gehandeld.

Rechters

mw. mrs. C.H.S. Evenhuis, voorzitter en mw. drs. C.M. Sjerps, secretaris

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 20 maart 1992

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


De vraag of er sprake is van (duurzaam) voeren van
een gezamenlijke huishouding moet bepaald worden aan de hand
van objectieve criteria. Elke subjectieve benadering, zoals in
casu een onderzoek naar aard en inhoud van de relatie van
samenwonenden is in strijd met het recht op eerbiediging van
de persoonlijke levenssfeer.

Volledige tekst

Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie – verder te noemen X – heeft bij exploit
van 1 september 1987 verweerster in cassatie – verder te
noemen de Gemeente – gedagvaard voor de Rechtbank te Rotterdam
en gevorderd (I) de Gemeente te veroordelen tot betaling aan
haar van een bedrag van ƒ 10.000,- ter zake van immateriele
schade, met de wettelijke rente daarover, (II) de Gemeente te
veroordelen tot afgifte van het verslag van de sociaal
rechercheur van het gesprek met de heer Y, en (III) de
Gemeente te bevelen bedoeld verslag uit het dossier van X te
verwijderen.

Nadat de Gemeente tegen de vorderingen verweer had gevoerd,
heeft de Rechtbank bij vonnis van 19 augustus 1988 de
vorderingen van X afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft X hoger beroep ingesteld bij het
Gerechtshof te ‘s-Gravenhage.

Bij arrest van 22 maart 1990 heeft het Hof het bestreden
vonnis bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft X beroep in cassatie
ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en
maakt daarvan deel uit.

De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het
beroep.

X heeft haar zaak doen toelichten door haar advocaat en de
Gemeente heeft haar zaak namens haar advocaat doen toelichten
door Mr. T.H. Tanje-Van den Broek, advocaat bij de Hoge Raad
der Nederlanden.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Biegman-Hartogh strekt
tot vernietiging van het bestreden arrest met verwijzing van
de zaak naar een ander hof ter verdere behandeling en
beslissing.

3. Beoordeling van het middel.

3.1. In cassatie moet van de volgende, deels door het Hof
veronderstellenderwijs tot uitgangspunt genomen feiten worden
uitgegaan.

Mevrouw X is gehuwd geweest met de heer Y. Na ontbinding van
dit huwelijk door echtscheiding is X met twee van haar
kinderen in de gemeente Middelharnis gaan wonen. Aldaar
ontving zij een uitkering krachtens de ABW. Zij woonde onder
een dak met mevrouw Z. De gemeente heeft de voormelde
uitkering ingetrokken op grond van art. 5a ABW, aannemende
dat X en mevrouw Z duurzaam een gezamenlijke huishouding
voeren. X heeft tegen de intrekking van de uitkering bezwaar
gemaakt. Dit bezwaar is de inzet van administratiefrechtelijke
procedures.

De gemeente heeft, nadat zij de uitkering had ingetrokken, de
situatie van X door een sociaal rechercheur – tevens
onbezoldigd politieambtenaar – nader doen onderzoeken.
Laatstgenoemde heeft daartoe Y gehoord. Daarbij heeft die
rechercheur aan Y vragen gesteld die de strekking hadden te
vernemen of X een lesbische verhouding heeft met mevrouw Z.

Stellende dat de rechercheur en daarmede de Gemeente zich
aldus onrechtmatig jegens haar hebben gedragen, immers inbreuk
hebben gemaakt op haar recht op eerbiediging van haar
persoonlijke levenssfeer, heeft X in dit geding de onder 1
vermelde vorderingen – onder meer strekkende tot vergoeding
van immateriele schade – tegen de Gemeente ingesteld.

De Rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. Het Hof heeft
het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.

Aan deze beslissing heeft het Hof zijn oordeel ten grondslag
gelegd dat bij het onderzoek naar de vraag of sprake is van
‘voordeurdelen’ dan wel van een gezamenlijke huishouding, de
vraag naar de aard van de relatie tussen de samenwonenden
relevant kan zijn. De omstandigheid dar – zoals ook uit de
wetsgeschiedenis blijkt – die relatie op zich zelf voor die
toepassing van art. 5a ABW irrelevant is, neemt naar het
oordeel van het Hof niet weg dat het bestaan van een
dergelijke relatie het vermoeden doet rijzen dat sprake zou
kunnen zijn van een ‘ voorzien in elkaars verzorging’ in de
zin van art. 5a lid 2, zodat het aan de orde stellen van de
aard van de relatie tussen de betrokkenen, ook al wordt
daarmede getreden in de persoonlijke levenssfeer,
gerechtvaardigd kan zijn in het kader van de op de Gemeente
rustende taak te waken voor een juiste naleving van de ABW.

3.2 Deze oordelen worden door onderdeel 1 van het middel
terecht bestreden.

De vraag of sprake is van (duurzaam) voeren van een
gezamenlijke huishouding in de zin van art. 5a lid 1 ABW dient
naar ‘louter objectieve criteria’ te worden beantwoord; elke
subjectieve benadering – en met name het ‘subjectieve partner-
element’ – is daarbij uitgesloten (HR 27 september 1991, NJ
1991, 787, rov. 3.4). Het amendement van de leden van de
Tweede Kamer Linschoten en Kraaijeveld-Wouters, waarbij de
uiteindelijk aanvaarde tekst van art. 5a werd voorgesteld en
dat ertoe strekte aldus de evenbedoelde subjectieve benadering
uit te sluiten, was mede ingegeven door de gedachte dat
vasthouden aan het door de regering voorgestane criterium van
het ‘subjectieve partner-element’ tot problemen zou leiden ‘
waar het gaat om zeer privacy-gevoelige controles’
(toelichting verstrekt door Linschoten, Hand. II 1985-1986
blz. 4718).

Dit brengt mede dat ‘s-Hofs oordeel volgens hetwelk in het
kader van de toepassing van art. 5a het onderzoek naar de
situatie van samenwonenden zich zou mogen uitstrekken tot de
vraag of tussen hen een lesbische verhouding bestaat, blijk
geeft van een onjuiste opvatting omtrent aard en strekking van
dat wetsartikel.

Onderdeel 3 gaat terecht ervan uit dat een onderzoek van de
omvang als evenbedoeld is aan te merken als een inmenging van
de zijde van de Gemeente in de persoonlijke levenssfeer van X,
en strekt ten betoge dat deze inmenging, nu zij niet is ‘in
accordance with the law’, een schending oplevert van het door
art. 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van die
levenssfeer. Ook dit onderdeel treft doel, nu bedoelde
inmenging niet verenigbaar is met art. 5a. In verband hiermede
komt de door onderdeel 2 geopperde vraag of die inmenging is
aan te merken als ‘necessary in a democratic society’ in de
zin van art. 8 lid 2, niet meer aan de orde. Onderdeel 4 is
bij de schriftelijke toelichting ingetrokken.

Nu het middel doel treft kan het bestreden arrest niet in
stand blijven; verwijzing dient te volgen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van
22 maart 1990;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter
verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in
cassatie, tot deze uitspraak aan de zijde van X begroot op ƒ
3.431,60, op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de
Griffier.

Rechters

Mrs. De Groot, Hermans, Haak, Neleman.

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 19 maart 1992

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank waarbij
de chirurg S. is veroordeeld tot betaling van ƒ 15.000,=
schadevergoeding, wegens de schade die hij heeft aangericht door
U. zijn patiente een intraveneuze injectie met valium toe te
dienen en vervolgens zonder toestemming gemeenschap heeft gehad.
S. betwist onder meer dat de ernst van de geleden en nog te
lijden schade van U. zonder objectieve voorlichting van
deskundigen kan worden vastgesteld.

Het Hof verwerpt deze grieven door te stellen dat het “van
algemene bekendheid en een algemene ervaringsregel is dat een
aantasting van de persoon in een situatie als de onderhavige veel
langdurige traumatische gevolgen heeft en ernstige psychische
problemen oproept”. Het was aan de chirurg feiten te stellen en
zonodig te bewijzen dat bij U. deze gevolgen en problemen zich
niet of in niet ernstige mate (kunnen) hebben voorgedaan.

Nu hij dit heeft nagelaten gaat het Hof van deze algemene
ervaringsregels uit.

Het Hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

Volledige tekst

1. Het geding

1.1. Appellante -S.- is bij exploit van 10 augustus 1990,
houdende dagvaarding van geintimeerde voor dit Hof, in hoger
beroep gekomen van de vonnissen die de arrondissementsrechtbank
te Amsterdam in de zaak onder rolnummer H 87.3606 tussen partijen
gewezen en op 31 mei 1989 en 16 mei 1990 uitgesproken heeft.

1.2. Bij memorie heeft S. naast een algemene grief 6 grieven
tegen het tussenvonnis van 31 mei 1989 en vijf grieven tegen het
eindvonnis van 16 mei 1990 aangevoerd, bewijs aangeboden en
geconcludeerd dat het Hof deze vonnissen waarvan beroep zal
vernietigen en, opnieuw rechtdoende, geintimeerde in haar
vordering alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren, althans haar
deze zal ontzeggen, met veroordeling van geintimeerde in de
kosten van het geding in beide instanties.

1.3. Bij memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in
incidenteel appel, heeft geintimeerde -U.- de grieven bestreden,
harerzijds drie grieven tegen het eindvonis waarvan beroep
aangevoerd, bewijsstukken overgelegd en bewijs van haar
stellingen aangeboden, en geconcludeerd in het principaal appel,
dat het Hof de vorderingen van S. zal afwijzen en in het
incidenteel appel dat het Hof het eindvonnis van 16 mei 1990
gedeeltelijk zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, S. zal
veroordelen aan haar te betalen een bedrag ƒ 60.000,= als
vergoeding van immateriele schade, met veroordeling van S. in de
kosten van het geding in beide instanties.

1.4. Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft S.
de grieven van U. bestreden en geconcludeerd tot afwijzing van
dit incidenteel hoger beroep, kosten rechtens.

1.5. Tenslotte hebben partijen de stukken van het geding in beide
instanties aan het Hof overgelegd voor het wijzen van het arrest.
De inhoud van deze stukken wordt als hier ingevoegd beschouwd.

2. De grieven

De in het principaal appel voorgedragen grieven houden het
volgende in.

Grief I:

Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen en op grond daarvan
beslist als in de vonnissen waarvan beroep is geschied.

Grief II:

Ten onrechte heeft de rechtbank in rechtsoverweging 4 van het
tussenvonnis geoordeeld dat U. in een soort schemertoestand
verkeerde en zodanig versuft was dat zij zich geen rekenschap kon
geven van hetgeen gebeurde, zulks op grond van het daartoe in
deze rechtsoverweging in aanmerking genomene.

Grief III:

Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld als geschied in
rechtsoverweging 5 van het tussenvonnis, en ten onrechte heeft
zij in aanmerking genomen dat S. niet ervan mocht uitgaan dat zij
instemde met het plaatsvinden van de gemeenschap en heeft
betekenis gehecht aan het feit dat U. zich als patiente tot hem
had gewend, ten ten onrechte heeft zij voorts in aanmerking
genomen dat geen enkele aanleiding bestond voor het hebben van
gemeenschap.

Grief IV:

Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld als in
rechtsoverweging 6 van het tussenvonnis is geschied, waarbij zij
op onjuiste gronden het bewijsaanbod van S. heeft gepasseerd.

Grief V:

Ten onrechte heeft de rechtbank dan ook geoordeeld als in
rechtsoverweging 7, eerste volzin van het tussenvonnis is
geschied op grond van het eerder overwogene.

Grief VI:

Ten onrechte heeft de rechtbank in rechtsoverweging 7 van het
tussenvonnis geoordeeld dat U. hierdoor in ernstige mate in haar
persoon is aangetast, zodat S. gehouden is tot vergoeding van de
door zijn handelen veroorzaakte immateriele schade.

Grief VI:

Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld als geschied in
rechtsoverweging 8, derde volzin van het tussenvonnis.

Grief VII:

Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld als geschied in
rechtsoverweging 8, derde volzin van het tussenvonnis.

Grief VIII:

Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen als in rechtsoverweging
2 van het eindvonnis is geschied, voor zover dit op het bestreden
tussenvonnis berust.

Grief IX:

Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld in rechtsoverweging 2
van het eindvonnis dat voorts duidelijk is dat er twee jaar
nadien (ten tijde van de comparitie) nog geen sprake was van (op
korte termijn te verwachten) herstel.

Grief X:

Ten onrechte heeft de rechtbank in rechtsoverweging 3 van het
eindvonnis geoordeeld als geschied.

Grief XI:

Ten onrechte heeft de rechtbank in rechtsoverweging 3 van het
eindvonnis miskend dat het oordeel in rechtsoverweging 2 van dat
vonnis betrekking heeft op onrechtmatigheidsvraag, doch geenszins
antwoord geeft op de vraag naar de ernst van de (gestelde) schade
zelf.

Grief XII:

Ten onrechte heeft de rechtbank in rechtsoverweging 4 van het
eindvonnis betekenis gehecht aan de naar haar oordeel reeel te
achten verwachting dat de inkomsten van S. in de toekomst dichter
bij het bij zijn beroep (chirurg) passende niveau zullen komen te
liggen, en ten onrechte heeft zij daarop haar beslissing in
rechtsoverweging 5 en het dictum doen steunen.

De in het incidenteel appel voorgedragen grieven houden het
volgende in.

Grief 1:

Ten onrechte acht de rechtbank in rechtsoverweging 4 van het
eindvonnis niet onaannemelijk en houdt zij bij de matiging van de
immateriele schadevergoeding ook ermee rekening dat S. het
moeilijk zal hebben om in Nederland werk te vinden zolang nog
geen einde aan de straf- en de tuchtzaak is gekomen.

Grief 2:

Ten onrechte overweegt de rechtbank in rechtsoverweging 3 van het
eindvonnis: “Op grond van de thans beschikbare gegevens is de
rechtbank van oordeel dat de immateriele schade in ieder geval
gesteld kan worden op het bedrag dat, gelet op gedaagdes
draagkracht, naar redelijkheid en billikheid maximaal ten laste
van gedaagde gebracht kan worden”.

Grief 3:

Ten onrechte stelt de rechtbank in rechtsoverweging 5 de
vergoeding voor immateriele schade vast op een bedrag van ƒ
15.000,= en ten onrechte heeft zij de gedingkosten in deze zaak
gecompenseerd.

3. Vaststaande feiten

Geen grieven zijn aangevoerd tegen hetgeen de rechtbank in
rechtsoverweging 1 onder a tot en met i van het vonnis van 31 mei
1989 waarvan beroep als vaststaande heeft aangenomen. Mitsdien
gaat ook het Hof van die feiten uit met de aantekening dat,
anders dan in de slotzin van rechtsoverweging 1 onder i is
overwogen, dit Hof inmiddels -bevestigend- heeft beslist in de
zaak waarin S. hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing
van het Medisch Tuchtcollege te Amsterdam (afschrift van de
beslissing van het Hof is door U. bij memorie van antwoord
overgelegd). Op het hoger beroep tegen het strafvonnis van de
rechtbank van 4 mei 1988 wordt hierna in rechtsoverweging 4.3
teruggekomen.

4. Bespreking van de grieven

4.1. In de kern betreft het geschil tussen partijen de vraag of
en zo ja tot welke om van U. wegens het volgens haar ongewild
hebben van gemeenschap met S. op 19 augustus 1987 in de
polikliniek aan de Nassaukade te Amsterdam tegenover hem
aanspraak heeft op vergoeding van immateriele schade.

4.2. Na gewezen tussenvonnis heeft de rechtbank, oordelende dat
het vermoeden gewettigd is dat gemeenschap heeft plaatsgehad
zonder toestemming van U. en dat dit vermoeden niet is weerlegd
door tegenbewijs -terzake waarvan aan het in algemene
bewoordingen gestelde bewijsaanbod werd voorbijgegaan-, die vraag
bevestigend beantwoord en, aannemende dat U. door dit gebeuren in
ernstige mate in haar persoon is aangetast, S. veroordeeld tot
betaling van ƒ 15.000,=. De grieven van S. richten zich tegen
deze beslissing en de rechtsoverwegingen die eraan ten grondslag
liggen, terwijl de grieven van U. -naast het geheel niet nader
toegelichte bezwaar tegen de compensatie van proceskosten- zich
beperken tot de omvang van de toegewezen schadevergoeding.

4.3. Voorop moet worden gesteld dat geen specifieke grief gericht
is tegen de vaststelling in rechtsoverweging 1 onder c van het
bestreden vonnis dat S. na het opnieuw geven van een intravenueze
injectie met valium op 19 augustus 1987 met U. gemeenschap heeft
gehad, zodat dit feit vaststaat. Voorts wordt door S. niet
bestreden dat de arrondissementsrechtbank te Amsterdam bij vonnis
van 4 mei 1988 hem heeft veroordeeld tot een gedeeltelijk
voorwaardelijke gevangenisstraf wegens het hebben van gemeenschap
met iemand die in staat van onmacht verkeert, te weten U., en dat
dit vonnis in hoogste instantie is bevestigd (memorie van
antwoord bij grief II in het principaal appel en niet bestreden
in de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep). Uit
artikel 188 Rv volgt dat daarmee dwingend bewijs van genoemd feit
is geleverd, terwijl artikel 178 Rv meebrengt dat, nu geen
concreet en specifiek aanbod tot het leveren van tegenbewijs is
gedaan, ook het Hof verplicht is dit feit als waar aan te nemen.

4.4. Dit leidt ertoe dat, nu niet ervan mag worden uitgegaan dat
U. in de situatie waarin zij zich bevond met het hebben van
gemeenschap heeft ingestemd of haar wil daartoe heeft kenbaar
gemaakt, de in het principaal appel voorgedragen summier
toegelichte grieven II en III geen doel kunnen treffen. Om
dezelfde reden moet ook grief IV verworpen, terwijl van enig
concreet bewijsaanbod wederom geen sprake is. Nu vaststaat dat S.
met U. gemeenschap heeft gehad toen zij in staat van onmacht
verkeerde, waardoor zij (ernstig) in haar persoon is aangetast,
falen ook grief VI en de niet nader toegelichte grief V.

4.5. De grieven VII tot en met X betreffen de ernst van de door
U. geleden en nog te lijden schade.
Bestreden wordt dat S. zijn betwisting van het feit dat als
gevolg van de gebeurtenis ernstige psychische problemen bij het
slachtoffer zijn opgetreden, onvoldoende zou hebben
gemotiveerd, en betoogd wordt dat zonder objectieve voorlichting
van deskundigen niet kon worden vastgesteld dat ten tijde van de
twee jaar, later gehouden comparitie nog geen sprake was van (op
korte termijn te verwachten) herstel.

4.6. Ook deze grieven zijn ten onrechte voorgedragen. Van
algemene bekendheid en een algemene ervaringsregel is dat een
aantasting van de persoon in een situatie als de onderhavige
veelal langdurige traumatische gevolgen heeft en ernstige
psychische problemen oproept, zodat naast hetgeen terzake hiervan
reeds in dit geding naar voren is gebracht nadere voorlichting
door deskundigen achterwege kan blijven. Het lag op de weg van S.
feiten te stellen en zo nodig te bewijzen dat bij U. deze
gevolgen en problemen zich niet lang of in niet ernstige mate
(kunnen) hebben voorgedaan. Nu hij dit heeft nagelaten gaat het
Hof van deze algemene ervaringsregel uit.

4.7. De grieven XI en XII in het principaal appel en de grieven
1, 2 en 3 in het incidenteel appel betreffen de omvang van de te
betalen vergoeding voor immateriele schade en de bij de
vaststelling van deze vergoeding door de rechtbank toegepaste
matiging in verband met het feit dat S. ten tijde van het
uitspreken van het vonnis nog niet erin geslaagd was een hem
passende vaste werkkring te vinden en het oordeel van de
rechtbank ten aanzien van de in de toekomst te verwachten
inkomsten van S.

4.8. S. brengt daarbij naar voren dat het oordeel van de
rechtbank op dit punt ongegrond is of althans niet voldoende met
redenen is omkleed en dat de uitgesproken verwachting omtrent het
toekomstige inkomen grondslag ontbeert: tuchtrechtelijk is hij
voor de periode van een jaar geschorst (geweest), terwijl het
strafarrest van 7 november 1989 van dit Hof meebracht dat ook nog
een restant van de gevangenisstraf moest worden uitgezeten.

4.9. U. stelt dat S. niet louter aangewezen is op inkomsten uit
arbeid als chirurg maar ook ander bij zijn medische kennis
passend werk zou kunnen verrichten en dat hij als arts of als
chirurg ook in het buitenland werk kan zoeken. De toegepaste
matiging acht zij niet te verenigen met de te verwachten
inkomsten van S. als chirurg in de toekomst en buiten proporties
gezien het door haar opgelopen moeilijk te verwachten trauma en
de levenslange geestelijke beschadiging die zij daarvan zal
ondervinden. Derhalve eist zij een bedrag van ƒ 60.000,= als
vergoeding voor de geleden en nog te lijden immateriele schade.

4.10. Deze over en weer voorgedragen grieven zijn ongegrond.
Terecht heeft de rechtbank bij de bepaling van de omvang van het
verschuldigde bedrag rekening gehouden met het zeer bescheiden
gezinsinkomen in de jaren na augustus 1987 en de door S. gestelde
en ook door het Hof aannemelijk geoordeelde omstandigheid dat het
voor hem voorshands in Nederland erg moeilijk en in het
buitenland niet gemakkelijk is een passende vaste werkkring te
vinden en op die gronden overeenkomstig het bepaalde in artikel
1407 lid 2 oud BW een zekere matiging toegepast. Uiteraard omvat
deze periode ook de tijd die met de schorsing in de uitoefening
van de geneeskunst is gemoeid. De door S. uitgesproken
verwachting “dat hij nimmer inkomsten zal gaan genieten van enig
niveau” (toelichting op grief 11) acht het Hof, gelet op diens
kennis en ervaring en de mogelijkheid ander passend werk te
vinden en/of daarvoor te worden opgeleid, ongegrond.

Anderzijds brengen ook de door U. naar voren gebrachte
mogelijkheden tot verhoging van de draagkracht in de min of meer
nabij gelegen toekomst niet mee dat matiging voor bedoelde nauw
bij het voorval aansluitende periode niet op haar plaats zou
zijn. Gelet op de ernst van het gebeuren, de context waarin dit
plaatsvond en de nadelige psychische gevolgen die daaruit voor U.
zijn voortgevloeid, heeft de rechtbank op goede gronden, die het
Hof overneemt en tot de zijne maakt, een bedrag van ƒ 15.000,=
als vergoeding van immaterieel geleden en nog te lijden schade
toegewezen.

5. Slotsom

5.1. Nu zowel de grieven van s. als die van U. ongegrond zijn,
dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd.

5.2. S. in het principaal appel in het ongelijk gesteld, zodat
hij in de kosten daarvan moet worden verwezen.
S. is in het principaal appel in het ongelijk gesteld, zodat hij
in de kosten daarvan moet worden verwezen.

5.3. U is in het incidenteel appel in het ongelijk gesteld, zodat
zij in de kosten daarvan moet worden verwezen.

6. Beslissing

Het Hof:

-bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

-verwijst S. in de kosten van het principaal appel, aan de zijde
van U. tot aan de uitspraak van dit arrest begroot op ƒ 2.000,=
(tweeduizend gulden) in totaal, op de voet van artikel 57b Rv. te
voldoen aan de griffier van het Hof;

-verwijst U. in de kosten van het incidenteel appel, aan de zijde
van S. begroot op ƒ 800,= in totaal.

Rechters

mrs Sluijter, Donner-Coeterier en Schut

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 19 maart 1992

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Een zwangere vrouw die een chirurg consulteert, wordt door hem met
valium verdoofd en vervolgens verkracht. Zij eist ƒ 60.000,- immateriele
schadevergoeding, ook omdat zij schadelijke gevolgen vreest voor de baby.
In hoger beroep wordt het vonnis van de rechtbank bevestigd waarin de
chirurg wordt veroordeeld tot betaling van ƒ 15.000,- immateriele
schadevergoeding.

Volledige tekst

1. Het geding

1.1. Appellante- K- is bij exploit van 10 augustus 1990, houdende
dagvaarding van geintimeerde voor dit hof, in hoger beroep gekomen van de
vonnissen die de arrondissementsrechtbank te Amsterdam in de zaak onder
rolnummer H 87.3606 tussen partijen gewezen en op 31 mei 1989 en 16 mei
1990 uitgesproken heeft.

1.2. Bij memorie heeft K naast een algemene grief 6 grieven tegen het
tussenvonnis van 31 mei 1989 en vijf grieven tegen het eindvonnis van 16
mei 1990 aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof deze
vonnissen waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende,
geintimeerde in haar vordering alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren,
althans haar deze zal ontzeggen, met veroordeling van geintimeerde in de
kosten van het geding in beide instanties.

1.3. Bij memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel
appel heeft geintimeerde M -de grieven bestreden, harerzijds drie grieven
tegen het eindvonnis waarvan beroep aangevoerd, bewijsstukken overgelegd
en bewijs van haar stellingen aangeboden, en geconcludeerd in het
principaal appel, dat het hof de vorderingen van K zal afwijzen en in het
incidenteel appel dat het hof het eindvonnis van 16 mei 1990 gedeeltelijk
zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, K zal veroordelen aan haar te
betalen een bedrag van ƒ 60.000,= als vergoeding van immateriele schade,
met veroordeling van K in de kosten van het geding in beide instanties.

1.4. Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft K de grieven
van M bestreden en geconcludeerd tot afwijzing van dit incidenteel hoger
beroep, kosten rechtens.

1.5. Tenslotte hebben partijen de stukken van het geding in beide
instanties aan het hof overgelegd voor het wijzen van het arrest. De
inhoud van deze stukken wordt als hier ingevoegd beschouwd.

2. De grieven

De in het principaal appel voorgedragen grieven houden het volgende in.

Grief I: Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen en op grond daarvan
beslist als in de vonnissen waarvan beroep is geschied.

Grief II: Ten onrechte heeft de rechtbank in rechtsoverweging 4 van het
tussenvonnis geoordeeld dat M in een soort schemertoestand verkeerde en
zodanig versuft was dat zij zich geen rekenschap kon geven van hetgeen
gebeurde, zulks op grond van het daartoe in deze rechtsoverweging in
aanmerking genomene.

Grief III: Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld als geschied in
rechtsoverweging 5 van het tussenvonnis, en ten onrechte heeft zij in
aanmerking genomen dat K ervan mocht uitgaan dat zij instemde met het
plaatsvinden van de gemeenschap en heeft zij betekenis gehecht aan het
feit dat M zich als patiente tot hem had gewend, en ten onrechte heeft zij
voorts in aanmerking genomen dat geen enkele aanleiding bestond voor het
hebben van gemeenschap.

Grief IV: Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld als in
rechtsoverweging 6 van het tussenvonnis is geschied, waarbij zij op
onjuiste gronden het bewijsaanbod van K heeft gepasseerd.

Grief V: Ten onrecht heeft de rechtbank dan ook geoordeeld als in
rechtsoverweging 7, eerste volzin van het tussenvonnis is geschied op
grond van het eerder overwogene.

Grief VI: Ten onrechte heeft de rechtbank in rechtsoverweging 7 van het
tussenvonnis geoordeeld dat M hierdoor in ernstige mate in haar persoon
is aangetast, zodat K gehouden is tot vergoeding van de door zijn handelen
veroorzaakte immateriele schade.

Grief VI: Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld als geschied in
rechtsoverweging 8, derde volzin van het tussenvonnis.

Grief VII: Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld als geschied in
rechtsoverweging 8, derde volzin van het tussenvonnis.

Grief VIII: Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen als in
rechtsoverweging 2 van het eindvonnis is geschied, voor zover dit op het
bestreden tussenvonnis berust.

Grief IX: Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld in rechtsoverweging
2 van het eindvonnis dat voorts duidelijk is dat er twee jaar nadien (ten
tijde van de comparitie) nog geen sprake was van (op korte termijn te
verwachten) herstel.

Grief X: Ten onrechte heeft de rechtbank in rechtsoverweging 3 van het
eindvonnis geoordeeld als geschied.

Grief XI: Ten onrechte heeft de rechtbank in rechtsoverweging 3 van het
eindvonnis miskend dat het oordeel in rechtsoverweging 2 van dat vonnis
betrekking heeft op de onrechtmatigheidsvraag, doch geenszins antwoord
geeft op de vraag naar de ernst van de (gestelde) schade zelf.

Grief XII: Ten onrechte heeft de rechtbank in rechtsoverweging 4 van het
eindvonnis betekenis gehecht aan de naar haar oordeel reeel te achten
verwachting dat de inkomsten van K in de toekomst dichter bij het bij zijn
beroep (chirurg) passende niveau zullen komen te liggen, en ten onrechte
heeft zij daarop haar beslissing in rechtsoverweging 5 en het dictum doen
steunen.

De in het incidenteel appel voorgedragen grieven houden het volgende in.

Grief 1: Ten onrechte acht de rechtbank in rechtsoverweging 4 van het
eindvonnis niet onaannemelijk en houdt zij bij de matiging van de
immateriele schadevergoeding ook ermee rekening dat K het moeilijk zal
hebben om in Nederland werk te vinden zolang nog geen einde aan de straf-
en de tuchtzaak is gekomen.

Grief 2: Ten onrechte overweegt de rechtbank in rechtsoverweging 3 van het
eindvonnis: “Op grond van de thans beschikbare gegevens is de rechtbank
van oordeel dat de immateriele schade in ieder geval gesteld kan worden
op het bedrag dat, gelet op gedaagdes draagkracht, naar redelijkheid en
billijkheid maximaal ten laste van gedaagde gebracht kan worden”.

Grief 3: Ten onrechte stelt de rechtbank in rechtsoverweging 5 de
vergoeding voor immateriele schade vast op een bedrag van ƒ 15.000,= en
ten onrechte heeft zij de gedingkosten in deze zaak gecompenseerd.

3. Vaststaande feiten

Geen grieven zijn aangevoerd tegen hetgeen de rechtbank in
rechtsoverweging 1 onder a tot en met i van het vonnis van 31 mei 1989
waarvan beroep als vaststaande heeft aangenomen. Mitsdien gaat ook het hof
van die feiten uit met de aantekening dat, anders dan in de slotzin van
rechtsoverweging 1 onder i is overwogen, dit hof inmiddels -bevestigend-
heeft beslist in de zaak waarin K hoger beroep heeft ingesteld tegen de
beslissing van het Medisch Tuchtcollege te Amsterdam (afschrift van de
beslissing van het hof is door M bij memorie van antwoord overgelegd). Op
het hoger beroep tegen het strafvonnis van de rechtbank van 4 mei 1988
wordt hierna in rechtsoverweging 4.3 teruggekomen.

4. Bespreking van de grieven

4.1. In de kern betreft het geschil tussen partijen de vraag of en zo ja
tot welke omvang M wegens het volgens haar ongewild hebben van gemeenschap
met K op 19 augustus 1987 in de polikliniek aan de Nassaukade te Amsterdam
tegenover hem aanspraak heeft op vergoeding van immateriele schade.

4.2. Na gewezen tussenvonnis heeft de rechtbank, oordelen dat het
vermoeden gewettigd is dat gemeenschap heeft plaatsgehad zonder
toestemming van M en dat dit vermoeden niet is weerlegd door tegenbewijs
* terzake waarvan aan het in algemene bewoordingen gestelde bewijsaanbod
werd voorbijgegaan * die vraag bevestigend beantwoord en, aannemende dat
M door dit gebeuren in ernstige mate in haar persoon is aangetast, K
veroordeelt tot betaling van ƒ 15.000,-. De grieven van K richten zich
tegen deze beslissing en de rechtsoverwegingen die eraan ten grondslag
liggen, terwijl de grieven van M * naast het geheel niet nader toegelichte
bezwaar tegen de compensatie van proceskosten * zich beperken tot de
omvang van de toegewezen schadevergoeding.

4.3. Voor moet worden gesteld dat geen specifieke grief gericht is tegen
de vaststelling in rechtsoverweging 1 onder c van het bestreden vonnis dat
K na het opnieuw geven van een intraveneuze injectie met valium op 19
augustus 1987 met M gemeenschap heeft gehad, zodat dit feit vaststaat.
Voorts wordt door K niet bestreden dat de arrondissementsrechtbank te
Amsterdam bij vonnis van 4 mei 1988 hem heeft veroordeeld tot een
gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wegens het hebben van
gemeenschap met iemand die in staat van onmacht verkeert, te weten M, en
dat dit vonnis in hoogste instantie is bevestigd (memorie van antwoord bij
grief II in het principaal appel en niet bestreden in de memorie van
antwoord in het incidenteel hoger beroep). Uit artikel 188 Rv. volgt dat
daarmee dwingend bewijs van genoemd feit is geleverd, terwijl artikel 178
Rv. meebrengt dat, nu geen concreet en specifiek aanbod tot het leveren
van tegenbewijs is gedaan, ook het hof verplicht is dit feit als waar aan
te nemen.

4.4. Dit leidt ertoe dat, nu niet ervan mag worden uitgegaan dat M in de
situatie waarin zij zich bevond met het hebben van gemeenschap heeft
ingestemd of haar wil daartoe heeft kenbaar gemaakt, de in het principaal
appel voorgedragen summier toegelichte grieven II en III geen doel kunnen
treffen. Om dezelfde reden moet ook grief IV verworpen, terwijl van enig
concreet bewijsaanbod wederom geen sprake is. Nu vaststaat dat K met M
gemeenschap heeft gehad toen zij in staat van onmacht verkeerde, waardoor
zij (ernstig) in haar persoon is aangetast, falen ook grief VI en de niet
nader toegelichte grief V.

4.5. De grieven VII tot en met X betreffen de ernst van de door M geleden
en nog te lijden schade. Bestreden wordt dat K zijn betwisting van het
feit dat als gevolg van de gebeurtenis ernstige psychische problemen bij
het slachtoffer zijn opgetreden, onvoldoende zou hebben gemotiveerd, en
betoogd wordt dat zonder objectieve voorlichting van deskundigen niet kon
worden vastgesteld dat ten tijde van de twee jaar later gehouden
comparitie nog geen sprake was van (op korte termijn te verwachten)
herstel.

4.6. Ook deze grieven zijn ten onrechte voorgedragen. Van algemene
bekendheid en een algemene ervaringsregel is dat een aantasting van de
persoon in een situatie als de onderhavige veelal langdurige traumatische
gevolgen heeft en ernstige psychische problemen oproept, zodat naast
hetgeen terzake hiervan reeds in het geding naar voren is gebracht nadere
voorlichting door deskundigen achterwege kan blijven. Het lag op de weg
van K feiten te stellen en zo nodig te bewijzen dat bij M deze gevolgen
en problemen zich niet lang of in niet ernstige mate (kunnen) hebben
voorgedaan. Nu hij dit heeft nagelaten gaat het hof van deze algemene
ervaringsregel uit.

4.7. De grieven XI en XII in het principaal appel en de grieven 1, 2 en
3 in het incidenteel appel betreffen de omvang van de te betalen
vergoeding voor immateriele schade en de bij de vaststelling van deze
vergoeding door de rechtbank toegepaste matiging in verband met het feit
dat K ten tijde van het uitspreken van het vonnis nog niet erin geslaagd
was een hem passende vaste werkkring te vinden en het oordeel van de
rechtbank ten aanzien van de in de toekomst te verwachten inkomsten van
K.

4.8. K brengt daarbij naar voren dat het oordeel van de rechtbank op dit
punt ongegrond is of althans niet voldoende met redenen is omkleed en dat
de uitgesproken verwachting omtrent het toekomstige inkomen grondslag
ontbeert: tuchtrechtelijk is hij voor de periode van een jaar geschorst
(geweest), terwijl het strafarrest van 7 november 1989 van dit hof
meebracht dat ook nog een restant van de gevangenisstraf moest worden
uitgezeten.

4.9. M stelt dat K niet louter aangewezen is op inkomsten uit arbeid als
chirurg maar ook ander bij zijn medische kennis passend werk zou kunnen
verrichten en dat hij arts of als chirurg ook in het buitenland werk kan
zoeken. De toegepaste matiging acht zij niet te verenigen met de te
verwachten inkomsten van K als chirurg in de toekomst en buiten proporties
gezien het door haar opgelopen moeilijk te verwachten trauma en de
levenslange geestelijke beschadiging die zij daarvan zal ondervinden.
Derhalve eist zij een bedrag van ƒ 60.000,- als vergoeding voor de
geleden en nog te lijden immateriele schade.

4.10. Deze over en weer voorgedragen grieven zijn ongegrond. Terecht heeft
de rechtbank bij de bepaling van de omvang van het verschuldigde bedrag
rekening gehouden met het zeer bescheiden gezinsinkomen in de jaren na
augustus 1987 en de door K gestelde en ook door het hof aannemelijk
geoordeelde omstandigheid dat het door hem voorshands in Nederland erg
moeilijk en in het buitenland niet gemakkelijk is een passende vaste
werkkring te vinden en op die gronden overeenkomstig het bepaalde in
artikel 1407 lid 1 oud BW een zekere matiging toegepast. Uiteraard omvat
deze periode ook de tijd die met de schorsing in de uitoefening van de
geneeskunst is gemoeid .. De door K uitgesproken verwachting `dat hij nimmer
inkomsten zal gaan genieten van enig niveau’ (toelichting op grief 11) acht
het hof, gelet op diens kennis en ervaring en de mogelijkheid ander passend
werk te vinden en/of daarvoor te worden opgeleid, ongegrond. Anderzijds
brengen ook de door M naar voren gebrachte mogelijkheden tot verhoging van
de draagkracht in de min of meer nabij gelegen toekomst niet mee dat
matiging voor bedoelde nauw bij het voorval aansluitende periode niet op
haar plaats zou zijn. Gelet op de ernst van het gebeuren, de context waarin
dit plaatsvond en de nadelige psychische gevolgen die daaruit voor M zijn
voortgevloeid, heeft de rechtbank op goede gronden, die het hof overneemt
en tot de zijne maakt, een bedrag van ƒ 15.000,- als vergoeding van
immaterieel geleden en nog te lijden schade toegewezen.

5. Slotsom

5.1. Nu zowel de grieven van K als die van M ongegrond zijn, dient het
vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd.

5.2. K is in het principaal appel in het ongelijk gesteld, zodat hij in
de kosten daarvan moet worden verwezen.

5.3. M is in het incidenteel appel in het ongelijk gesteld, zodat zij in
de kosten daarvan moet worden verwezen.

6. Beslissing Het hof: * bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

-verwijst K in de kosten van het principaal appel, aan de zijde van M tot
aan de uitspraak van dit arrest begroot op ƒ 2.000,= (tweeduizend gulden)
in totaal, op de voet van artikel 57b Rv te voldoen aan de griffier van
het hof;

-verwijst M in de kosten van het incidenteel appel, aan de zijde van K
begroot op ƒ 800,= in totaal.

Rechters

Mrs. Sluijter, Donner-Coeterier, Schut

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 16 maart 1992

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Na een huwelijk van negentien jaar, waarin zij herhaaldelijk ernstig is
mishandeld door haar echtgenoot, had verdachte echtscheiding aangevraagd.
Partners woonden inmiddels gescheiden. Gedurende de scheidingsperiode valt
de man tijdens een conflict de vrouw aan in haar woning. De vrouw pakt een
revolver en schiet de man in de borststreek als gevolg waarvan hij overlijdt.
Het Hof oordeelt dat het beroep op noodweerexces doel treft omdat, gezien de
voorgeschiedenis (van herhaalde mishandeling) de vrouw zozeer was overmand
door gevoelens van angst en radeloosheid dat het schieten een onmiddellijk
gevolg is geweest van een door het optreden van de man veroorzaakte hevige
gemoedsbeweging. Het hof ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.
Eerder was de Rechtbank ’s Gravenhage tot een eensluidende beslissing
gekomen.

Volledige tekst

Procesgang

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van het primair telastegelegde
en ter zake van het subsidiair telastegelegde, gekwalificeerd als “doodslag”
ontslagen van alle rechtsvervolging.

De officier van justitie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van
2 maart 1992.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de procureur-generaal
Feber. Tevens heeft het hof kennis genomen van hetgeen door en namens de
verdachte naar voren is gebracht.

Een door het hof ontvangen schrijven van 12 maart 1992 van de
procureur-generaal houdende een verzoek tot heropening van het onderzoek
heeft het hof geen aanleiding gegeven het onderzoek te heropenen, aangezien
de daarin genoemde feiten en omstandigheden bezien in samenhang met de
overige omstandigheden van deze zaak daartoe onvoldoende grond boden.

Telastelegging

Aan de verdachte is telastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende
dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

De verdachte wordt telastegelegd dat zij te ‘s-Gravenhage op of omstreeks 14
november 1989 opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven heeft
beroofd, immers heeft zij, verdachte, toen aldaar opzettelijk een in een kast
liggende geladen revolver, althans vuurwapen, uit die kast gepakt en gericht
op die N. die toen op een afstand van haar, verdachte, vandaan stond, en
aldus stond, en aldus/in elk geval na kalm beraad en rustig overleg, met die
revolver, althans dat vuurwapen, een kogel afgeschoten in de borst van die
N., tengevolge van welk schot de longen en de aorta in het hart van die N.
werden geperforeerd, in elk geval letsel is ontstaan, waardoor N. is
overleden;

subsidiair:

zij te ‘s-Gravenhage op of omstreeks 14 november 1989 opzewttelijk N. van het
leven heeft beroofd, immers heeft zij, verdachte, toen aldaar opzettelijk met
een revolver, althans een vuurwapen, een kogel afgeschoten in borst van die
N., tengevolge van welk schot de longen en de aorta in het hart van die N.
werden geperforeerd, in elk geval letsel is ontstaan, waardoor die N. is
overleden;

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging

De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep betoogd dat het openbaar
ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn
strafvervolging aangezien tussen het vonnis en de behandeling in hoger beroep
een termijn ligt van 20 maanden.

Het hof verwerpt dit verweer. Het is van oordeel dat gezien de aard van de
telastegelegde feiten weliswaar een onwenselijk lange tijd is verstreken
tussen het vonnis in eerste aanleg en de behandeling in hoger beroep, doch
echter niet zolang dat het openbaar ministerie niet meer ontvankelijk zou
zijn in zijn vervolging.

Uit de processtukken blijkt voorts dat niet juist is dat het openbaar
ministerie heeft verzuimd een appelschriftuur in te dienen. Het
desbetreffende verweer wordt derhalve verworpen.

De appelschriftuur behoort niet tot de stukken die ingevolge het Wetboek van
Strafvordering ter kennisneming van de verdachte worden gebracht, zodat –
anders dan de raadsman betoogt – geen verplichting bestond de raadsman
daarvan afschrift te zenden.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich
daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair
is telastegelegd.

De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair
telastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat zij te ‘s-Gravenhage op
14 november 1989 opzettelijk R. N. van het leven heeft beroofd, immers heeft
zij, verdachte, toen aldaar opzettelijk met een revolver een kogel heeft
geschoten in de borst van die N., tengevolge van welk schot de longen en
aorta in het hart van die N. werden geperforeerd waardoor die N. is
overleden.

Hetgeen meer of anders is telastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet
daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde telastelegging taal- en/of schrijffouten
voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het
verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de
verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft
begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn
vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte
van rechtsvervolging moet worden ontslagen van rechtsvervolging omdat
verdachte heeft gehandeld in noodweer dan wel noodweerexces.

Te dien aanzien overweegt het hof als volgt.

Op grond van de stukken van het geding en op grond van hetgeen verdachte ter
terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep naar voren heeft gebracht,
is omtrent de feitelijke toedracht van de fatale schietpartij, voor zover in
dit verband van belang, het volgende aannemelijk geworden.

Op 14 november 1989 laat verdachte haar man, R. N., met wie zij in een
echtscheidingsprocedure is gewikkeld en met wie zij niet meer samenwoont,
binnen in haar woning. Er ontstaat ruzie waarbij verdachte wordt geslagen en
geschopt tengevolge waarvan zij komt te vallen. Verdachte heeft verklaard,
dat zij gelet op haar ervaringen bij eerdere mishandelingen, vreesde dat haar
echtgenoot die zijn aanval had afgebroken kort daarna de mishandeling in
verhevigder mate zou voortzetten.

Verdachte bevindt zich op dat moment dichtbij een kast waarvan zij weet dat
daarin een revolver ligt. Zij kruipt naar deze kast en pakt daaruit met haar
rechterhand de revolver waarvan zij aannam dat deze geladen was en doet haar
vinger om de trekker. Verdachte staat op en ziet haar man wederom in
dreigende houding op zich afkomen. Zij richt het wapen op hem, hij loopt door
en op dat moment gaat het fatale schot af.

Bij de beoordeling van het verweer van de raadsman acht het hof voorts de
omstandigheid van belang dat verdachte gedurende het grootste gedeelte van
haar ruim 19 jaar geduurd hebbende huwelijk met R. N. stelselmatig en ernstig
door hem is mishandeld. Ook vlak voor de fatale gebeurtenis was verdachte
door haar echtgenoot mishandeld.

Doordat verdachte in haar woning werd aangevallen door haar man, wiens
gewelddadigheid ten opzichte van haar zij maar al te goed kende en die een
scheiding niet accepteerde, is er naar het oordeel van het hof sprake van een
ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte.

Weliswaar heeft verdachte de grenzen van de noodzakelijke zelfverdediging
overschreden door N. in de borst te schieten in plaats van in minder vitale
lichaamsdelen, maar aannemelijk is geworden dat verdachte, gezien de
voorgeschiedenis, zozeer was overmand door gevoelens van angst en
radeloosheid dat het aldus schieten een onmiddellijk gevolg is geweest van
een door het optreden van N. veroorzaakte hevige gemoedsbeweging.

Derhalve treft het beroep op noodweer-exces doel.

Het voorgaande leidt het hof tot de slotsom dat de verdachte moet worden
ontslagen van alle rechtsvervolging.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 41 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair telastegelegde heeft
begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair telastegelegde, zoals
hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is telastegelegd en
spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit
oplevert.

Verklaart de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde niet strafbaar en
ontslaat haar van alle rechtsvervolging.

Rechters

Vice-president mr. Makkink als voorzitter, mrs. Fasseur-Van Santen,Harms, Van Pelt

Instantie: President Rechtbank ‘s-Gravenhage, 11 maart 1992

Instantie

President Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De ouders zijn gescheiden. De moeder is tot voogdes benoemd en de vader
tot toeziend voogd over de minderjarige kinderen. De moeder is overleden en
heeft bij testament een vriendin tot voogdes benoemd. De vader voert hiertegen
verweer en de voogdes eist afgifte van het kind dat de vader nog bij zich
heeft.

De President beveelt de vader de minderjarige zoon af te geven aan zijn
voogdes.

Volledige tekst

1. De feiten in conventie en reconventie

Blijkens de stukken en het verhandelde van de met gesloten deuren
gehouden zitting van 6 maart 1992, staat voorshands het navolgende tussen
partijen vast:

– Uit het huwelijk van … en gedaagde zijn twee thans nog minderjarige
kinderen geboren:

1. … geboren op 14 maart 1979 te Heerlen,

2. … geboren op 7 september 1982 eveneens te Heerlen.

– … en gedaagde (hierna verder te noemen “de moeder” respectievelijk
“de vader”) zijn van echt gescheiden. De echtscheiding is ingeschreven in de
registers van de burgerlijke stand te Rotterdam op 4 november 1988.

– Bij beschikking van deze rechtbank van 14 februari 1989 is de moeder
tot voogdes en de vader tot toeziend voogd over de minderjarige kinderen
benoemd.

– De kinderen hebben sindsdien bij de moeder verbleven.

– Bij beschikking van de kinderrechter te ‘s-Gravenhage van 4 oktober
1990 is een omgangsregeling vast gesteld die inhoudt dat de vader de kinderen
eenmaal in de veertien dagen een weekend bij zich mag hebben van
zaterdagmiddag 14.00 uur tot zondagmiddag 16.00 uur.

– De moeder is op 19 januari 1992 overleden. Bij testament heeft de
moeder een wilsbeschikking gemaakt waarin zij – kort gezegd – eiseres tot
voogdes over haar minderjarige kinderen heeft benoemd.

– Op 20 januari 1992 heeft eiseres bij de notaris schriftelijk verklaard
de voogdij over de kinderen … op zich te nemen.

– Bij het Kantongerecht te Rotterdam heeft eiseres op 11 februari 1992
een verklaring afgelegd waarin zij de voogdij aanvaardt.

– De kinderen hebben sinds het overlijden van hun moeder bij eiseres
verbleven.

– De vader heeft op 31 januari 1992 bij deze rechtbank een verzoek tot
voorziening in de voogdij ingediend.

– Op zaterdag 8 februari 1992 heeft de vader in het kader van de
bezoekregeling de kinderen opgehaald doch hij heeft hen op zondag 9 februari
1992 niet teruggebracht.

– Op 9 februari 1992 heeft ten kantore van mr Prinsen een gesprek plaats
gevonden met familie van de vader en de moeder, de vader, mr Prinsen en de
kinderen.

– De vader heeft vervolgens Sandra bij familie in Leiden ondergebracht
en Hugo bij zich in huis genomen.

– Sandra is op 13 februari 1992 uit eigen beweging terug gekeerd naar
eiseres.

– Op 6 maart 1992 heeft de vader bij deze rechtbank een verzoek tot
wijziging van de voogdij ingediend.

2. De vorderingen in conventie, de gronden daarvoor en het verweer

Eiseres vordert – zakelijk weergegeven – de vader te bevelen tot afgifte
van Hugo aan haar, zulks met machtiging van de sterke arm en op straffe van
verbeurte van een dwangsom alsmede te bepalen dat genoemde omgangsregeling
wordt opgeschort totdat de kinderen zelf aangeven weer naar de vader te willen
gaan.

Eiseres legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij – conform de
wens van de moeder en de kinderen – de plicht heeft beide kinderen op te
voeden.

Zij stelt dat het voor Hugo – gezien zijn wens in Heeze te willen wonen
– van groot belang is dat hij spoedig terug keert in het gezin van eiseres.
Voorts is het in het belang van beide kinderen dat zij samen in een huis wonen
en samen worden opgevoed.

Nu de vader Hugo niet wil afgeven heeft zij een spoedeisend belang bij
haar vordering, temeer daar -naar haar mening- is gebleken dat de vader niet
in het belang van de kinderen handelt.

Eiseres heeft tenslotte gesteld dat gevorderd is de omgangsregeling op
te schorten opdat de kinderen en de familie in Heeze tot rust kunnen komen en
de kinderen zelf weer aangeven naar hun vader te willen.

De vader heeft als verweer aangevoerd dat er – gelet op de uitstekend
verlopen kontakten tussen hem en de kinderen in het kader van de
omgangsregeling – geen “ernstige bezwaren” bij de kinderen tegen de persoon
van hun vader zijn. Evenmin kan naar zijn mening gezegd worden dat de kinderen
tegen het opgevoed worden door hun vader gemotiveerd ernstige bezwaren kunnen
uiten.

De vorderingen in reconventie, de gronden daarvoor en het verweer:

De vader vordert primair de minderjarige kinderen aan hem toe te
vertrouwen hangende de behandeling van zijn verzoek tot voogdijwijziging;

subsidiair de bestaande omgangsregeling na te komen;

meer subsidiair het treffen van een omgangsregeling tussen de vader en
de kinderen voor zover deze niet bij hem verblijven overeenkomstig de
bestaande omgangsregeling.

Zulks op straffe van dwangsommen.

Eiser heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3. Beoordeling van het geschil in conventie en reconventie.

3.1. Eiseres is voogdes over de minderjarige Sandra en Hugo

Als zodanig is zij in beginsel gerechtigd en verantwoordelijk die
minderjarigen te verzorgen en op te voeden en kan zij de verblijfplaats van
die minderjarigen bepalen.

3.2 Door Hugo bij zich te houden maakt de vader eigenmachtig inbreuk op
de geldende voogdijregeling. Dat daartoe enige grond c.q. aanleiding bestaat
is niet gebleken. Immers door de vader is niet betoogd dat eiseres de kinderen
niet goed verzorgt en opvoedt.

Voorts blijkt uit de stukken dat Hugo (evenals Sandra) bij eiseres in
Heeze wenst te wonen. Bovendien heeft de raadsman van de vader ter zitting
verklaard dat de kinderen hebben gezegd het prettig te vinden bij hun vader
doch niet bij hem te willen wonen.

De vader handelt dan ook onrechtmatig en niet in het belang van Hugo
door hem aan de geldende voogdijregeling te onttrekken.

3.3 Uit het voorgaande volgt dat de vordering in conventie betreffende
de afgifte van Hugo dient te worden toegewezen en de primaire vordering in
reconventie dient te worden afgewezen.

Voor de tenuitvoerlegging dient dit bevel tot afgifte gelijk te worden
gesteld aan het bevel bedoeld in artikel 925 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering. Daarmede is de hulp van de sterke arm gegeven. Verbeurte van
een dwangsom is daarnaast voorshand overbodig te achten.

3.4 Nu er omtrent de verblijfplaats van de kinderen duidelijkheid
bestaat is er onvoldoende grond om de omgangsregeling op te schorten. Dit
temeer daar de vader ter zitting heeft toegezegd de omgangsregeling te zullen
nakomen indien de kinderen aan eiseres worden toegewezen.

De vordering in conventie betreffende de opschorting van de
omgangsregeling wordt mitsdien afgewezen.

De vader zal er echter rekening mee moeten houden dat door de recente
gebeurtenissen waarborging van de rust van de kinderen kan maken dat de omgang
korte tijd wordt onderbroken.

3.5 Het hierboven onder 3.4 overwogene impliceert dat er geen reden is
op dit moment de omgangsregeling te versterken met een dwangmiddel.

De subsidiaire vordering in reconventie wordt derhalve eveneens
afgewezen.

3.6 Gezien het (met name) onder 3.4 overwogene is de grond aan de meer
subsidiaire vordering van de vader komen te ontvallen, deze wordt dan ook
afgewezen.

3.7 De vader zal, als de voor het grootste deel in het ongelijk gestelde
partij, in de kosten worden veroordeeld.

4. Beslissingen in conventie en reconventie

De President:

In conventie:
Ã…

Beveelt de vader de minderjarige Hugo af te geven aan zijn voogdes.

Bepaalt dat dit bevel kan worden tenuitvoergelegd als een bevel als
bedoeld in artikel 925 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Verklaart dit vonnis tot hiertoe uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie:

Wijst de vorderingen af.

In conventie en reconventie

Veroordeelt de vader in de kosten van deze procedure, tot op heden aan
de zijde van eiseres begroot op ƒ 1250,–.

Rechters

Mr. F.C.H.M. Robbers

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 11 maart 1992

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Eiseres is van haar elfde tot haar veertiende levensjaar door de partner
van haar moeder seksueel misbruikt. Eiseres vordert ƒ 40.000,= immateriele
schadevergoeding. Gedaagde erkent eiseres seksueel misbrukt te hebben.
Gedaagde
is terzake hiervan veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden.

Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van ƒ 10.000,= immateriele
schadevergoeding.

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE.

Bij de conclusie van eis met produkties heeft K. gesteld en gevorderd
overeenkomstig de inleidende dagvaarding. Bj conclusie van antwoord heeft W.
de vordering bestreden. Bij conclusie van re- en dupliek -de eerste met een
bewijsstuk- hebben partijen hun standpunt nader toegelicht en daarbij
volhard.

GRONDEN VAN DE BESLISSING.

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet (voldoende)
weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van
overgelegde bewijsstukken staat in dit geding het volgende vast:

a. W. heeft in de periode 1982 tot en met 1986 een intieme relatie gehad
met de moeder van K. Gedurende die periode heeft hij K. van haar elfde tot
haar veertiende levensjaar, veelvuldig seksueel misbruikt.

b. Bij vonnis van de achtste meervoudige strafkamer van deze rechtbank
van 25 mei 1989 is W. terzake veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur
van negen maanden, waarvan zes voorwaardelijk.

c. De rechtbank heeft in dat vonnis bewezenverklaard:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de
periode van het jaar 1982 tot en met het jaar 1986 te Diemen en in Frankrijk
meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd met iemand beneden de leeftijd
van zestien jaren, die aan de zorg van hem, verdachte, toevertrouwd was en
meermalen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen heeft verleid,
immers heeft hij, verdachte, toen aldaar over de borsten en/of over de vagina
van K., geboren op 3 januari 1972, gewreven en/of haar naakte lichaam betast
en/of een vinger in haar vagina gestoken en/of zich door die K. laten
aftrekken en/of pijpen en/of zijn zaad over haar lichaam gespoten.

d. De strafmotivering luidt -voorzover hier van belang-:

Bij het onderzoek ter terechtzitting is op grond van de toen ter sprake
gekomen processtukken aannemelijk geworden dat de ten laste van verdachte
bewezen geachte gedragingen een zwaar stempel op de verdere (seksuele)
ontwikkeling van het kind hebben gedrukt en ook thans nog een rol spelen in de
belevingswereld van het slachtoffer.

De rechtbank heeft voorts laten meewegen dat verdachte het vertrouwen
van het kind jegens volwassenen op ernstige wijze heeft geschaad.

2. K. vordert in dit geding W. te veroordelen tot betaling van ƒ
40.000,– aan immateriele schade, met rente en kosten. Zij stelt daartoe dat
W., die zij destijds beschouwde als ware hij haar vader, door voornoemd
seksueel misbruik in de periode dat zij opgroeiend kind was, haar psychisch en
lichamelijke integriteit ernstig heeft geschonden, waardoor zij grote
geestelijke schade heeft geleden en nog lijdt. Dit openbaart zich in een
veelheid van klachten: hoofdpijn, maagpijn, vermoeidheid, een negatief
zelfbeeld, eetproblemen, concentratieproblemen, overmatig wantrouwen jegens
anderen (met name mannen), angstgevoelens, agressieve buien, huilbuien en
stoornissen in de seksuele ontwikkeling. In verband daarmee ondergaat K.
therapie via de Riagg, speciaal gericht op de verwerking van seksueel
misbruik.

3. W bestrijdt dat de klachten van K. een gevolg zijn van zijn handelen.
Hij erkent weliswaar haar seksueel misbruikt te hebben, maar betwist dat er
causaal verband zou bestaan met de door K. mogelijk geleden schade. W. wijst
in dit verband op K. ongunstige familie-omstandigheden tot en met 1986, met
name haar slechte verhouding met haar vader, die alcoholist was, en haar
moeder, die haar niet voor seksueel misbruik heeft behoed. Verder voert hij
aan
dat ook de periode na 1986 van invloed zal zijn geweest op de persoonlijkheid
en het welzijn van K., hetgeen zich echter aan zijn waarneming heeft
onttrokken.

4. Naar aanleiding van dit verweer heeft K. een brief overgelegd,
gedateerd 24 juli 1990 afkomstig van M., psychologe/psychotherapeute verbonden
aan de Riagg Zuid-Oost Amsterdam. De inhoud daarvan luidt -voorzover hier van
belang-:

Reagerend op uw verzoek omtrent een verklaring aangaande de door mijn
cliente, mevrouw K. n.a.v. seksueel misbruik geleden schade (uw schrijven d.d.
25 juni ’90), deel ik u het volgende mee:

Mevrouw K., geboren ….”72 meldde zich in maart ’90 bij onze Riagg
aan.

In de intake- c.q. onderzoeksgesprekken, die ik met haar voerde, maakte
zij melding van diverse problemen -zowel van intrapersoonlijke als van
interpersoonlijke aard. De intrapersoonlijke klachten behelsden gevoelens van
insufficientie, vage lichamelijke klachten, een gedrukte stemming en diverse
angsten. Wat betreft de interpersoonlijke problemen was er sprake van een
sterk wantrouwen in anderen en een duidelijke sociale angst (zich
manifesterend in in het vermijden van contacten). Concluderend maakte cliente
een door het gebeuren getraumatiseerde indruk. Het seksueel misbruik speelt
nog
steeds een rol in haar leven, in die zin dat berichten via de media aangaande
incest, seksuele mishandeling e.d. haar weer terug voeren naar eigen
ervaringen
en paniekreacties oproepen. .

5. Vooropgesteld dat van algemene bekendheid is dat een langdurige en
ernstige aantasting van de persoonlijke integriteit als waarvan in het
onderhavige geval sprake is, door een volwassene ten opzichte van een kind dat
aan zijn zorg is toevertrouwd, psychisch letsel tot gevolg kan hebben en mede
in aanmerking genomen het hiervoor onder 1 d. weergegeven oordeel van genoemde
strafkamer, acht de rechtbank op grond van de hiervoor onder 4 weergegeven
brief het door W. bestreden oorzakelijk verband tussen het seksueel misbruik
en de klachten van K. genoegzaam aangetoond. Gebeurtenissen na 1986, die van
invloed geweest zouden kunnen zijn, zijn gesteld noch gebleken. De ongelukkige
omstandigheden waaronder K. is opgegroeid pleiten niet vrij, teminder nu hij
daarvan kennelijk misbruik heeft gemaakt.

6. Er is dus sprake van immateriele schade als gevolg van het door W.
gepleegde misdrijf, waarvoor een vergoeding in de vorm van smartegeld op zijn
plaats is.

Met betrekking tot de hoogte daarvan heeft W. naar voren gebracht dat
hij al voor zijn daden is gestraft -hij heeft inmiddels drie maanden
gevangenisstraf ondergaan- en dat hij met zijn inkomen van ƒ 2.316,– netto
per maand het door K. gevorderde bedrag aan smartegeld niet kan opbrengen.

7. Hoewel de aan W. opgelegde gevangenisstraf voor K., naar valt aan te
nemen, een zekere mate van genoegdoening zal hebben betekend, kan er geen
sprake zijn van de door W. klaarblijkelijk gewenste “verrekening” met de
vergoeding voor het leed dat haar is aangedaan in de vorm van smartegeld. Alle
omstandigheden -waaronder de betrekkelijk geringe draagkracht van W.- in
aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat het smartegeld naar
billijheid moet worden bepaald op ƒ 10.000,–.

8. W. zal als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten
worden belast.

BESLISSING:

De rechtbank:

– veroordeelt W. tot betaling aan K, van een bedrag groot ƒ 10.00,–
(tienduizend gulden), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27
december 1990 tot aan de voldoening;

– veroordeelt W. in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan
de zijde van K. begroot op ƒ 1756,80 en te voldoen als volgt:

aan K:

ƒ 160,– wegens de bij haar gevallen kosten voor vastrecht;

en aan de griffier van deze rechtbank:

ƒ 480,– aan overig vastrecht;

ƒ 76,80 aan exploitkosten en

ƒ 1.040,– aan salaris procureur;

– verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

– wijst het meer of anders gevorderde af.

Rechters

Mr. A.W.J. Ros